De Verenigde Staten en de Europese Unie hebben woensdag beide extra militaire steun aan Oekraïne toegezegd. De aankondiging vindt plaats op het moment het land zich opmaakt voor een Russisch offensief in het oosten, dat een grotere uitdaging zou kunnen opleveren dan eerdere gevechten in de buurt van Kyiv, meldt The Washington Post.
President Biden vertelde aan de Oekraïense president Volodymyr Zelensky dat hij 800 miljoen dollar extra toezegt voor veiligheidssteun, waaronder wapens en munitie. Eerder op woensdag zei de Europese Raad van regeringsleiders akkoord te gaan met 500 miljoen euro (544 miljoen dollar) aan extra steun voor de Oekraïense strijdkrachten.
De nieuwe toezeggingen komen op een moment dat wereldleiders reageerden op de opmerking van Biden dat Rusland een ’genocide’ uitvoert in Oekraïne. De Franse president Emmanuel Macron waarschuwde voor ’een escalatie van de retoriek’ en een woordvoerder van het Kremlin noemde de uitspraak ’onaanvaardbaar’.
Azov-brigade maakte melding van gebruik chemische wapens
Het Verenigd Koninkrijk wil de berichten verifiëren dat Rusland chemische wapens heeft gebruikt bij een aanval op de belegerde Oekraïense stad Marioepol, zei de Britse minister van Buitenlandse Zaken Liz Truss afgelopen maandag, meldt The Telegraph. ‘Elk gebruik van dergelijke wapens zou een meedogenloze escalatie in dit conflict zijn en we zullen Poetin en zijn regime ter verantwoording roepen,‘ waarschuwde ze.
Alle opties liggen op tafel als reactie op een eventueel gebruik van chemische wapens in Oekraïne door Rusland, heeft James Heappey, de minister van strijdkrachten, gezegd. ‘Er zijn dingen die niet door de beugel kunnen, en het gebruik van chemische wapens zal hoe dan ook een reactie teweegbrengen,‘ aldus Heappey tegen Sky News.
Gisteravond beweerde de Oekraïense Azov-brigade dat er chemische wapens waren gebruikt in de zuidelijke stad. Maar een assistent van de burgemeester van de stad zegt dat dit niet is bevestigd en dat ze ‘wachten op officiële informatie van het leger‘.
‘Taiwan dankt VS voor verkoop Patriot-raket‘, kopt Taiwan News, dat opmerkt dat de deal wordt gewaardeerd op 95 miljoen dollar (87 miljoen euro). Dit is de derde keer dat de regering-Biden een wapenverkoop aan het land goedkeurt, en de tweede keer in 2022.
Afgelopen dinsdag werd door het Defense Security Cooperation Agency, een onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Defensie, in een verklaring aangekondigd om de uitrusting en diensten van het bestaande Patriot-raketafweersysteem van Taiwan te onderhouden. Taipei verwelkomde de aankondiging en zei dat het ‘bewijst dat Washington groot belang hecht aan de veiligheid van Taiwan’.
De Mexicaanse socioloog Karina García Reyes interviewde 33 voormalige narco’s om de logica van hun wereldbeeld te kunnen begrijpen. Hiermee wil zijn een nieuw perspectief belichten: dat van de daders. ‘We moeten erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij.’
Keuze uit ons archief
Dat verdeeldheid onder neoliberalisme toeneemt, zien we overal gebeuren – nu ook in de politiek. Reyes legde dit gegeven vast in een studie. Ze kreeg de kans te ontsnappen uit een uitzichtloos gebied in Mexico, en besloot te onderzoeken wat ze overal om zich heen had gezien. De drugsbendeleden die ze interviewden zien zichzelf als de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan. Ze hebben de individualistische ethiek waarvan de hele (Mexicaanse) samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme doortrokken is, geïnternaliseerd.
Dit artikel verscheen eerder in #174, februari 2020.
Ik kom uit het noorden van Mexico, een gebied dat het zwaarst te lijden heeft van het geweld in de war on drugs. De periode van 2008 tot en met 2012 was de meest onzekere en gewelddadige in de geschiedenis van mijn stad. In het begin waren de confrontaties tussen het leger en de drugskartels, waarbij met scherp werd geschoten, sporadisch, maar algauw werden ze frequent, overal in de stad en op klaarlichte dag.
Ikzelf maakte een keer een vuurgevecht mee op het deel van de universitaire campus waar ik college gaf. We moesten de deuren sluiten en de veiligheidsmaatregelen in acht nemen die voor dit soort situaties golden. En al mijn vrienden en familieleden hebben wel iets dergelijks meegemaakt, sommigen zagen het gebeuren vanuit hun auto en anderen vanuit huis.
Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld
Tegelijk met het toenemende geweld begon het kartel Los Zetas de plaatselijke middenstand af te persen. Als de kleine ondernemers geen ‘stageld’ – de eufemistische term voor beschermgeld – betaalden, kregen ze met geweld te maken of werden leden van hun familie ontvoerd.
Geleidelijk aan sloten alle kleine ondernemers hun deuren en groeide de paranoia onder de bevolking vanwege de berichten die de narco’s op sociale media plaatsten. ‘Ga vanavond de deur niet uit, want er wordt geschoten.’ Soms werden die dreigementen nog waargemaakt ook.
In die omstandigheden besloot ik naar het buitenland te gaan om te promoveren. Ik wilde in die onzekere toestand niet verder studeren en ging daarom naar Engeland. Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld. Dankzij de goede raad van een van mijn professoren was ik in staat om door middel van een proefschrift mijn frustratie uit te leven over de veiligheidspolitiek van Felipe Calderón, die van 2006 tot 2012 president van Mexico was. Ik ben zeven jaar met dit onderwerp bezig geweest.
In mijn proefschrift onderzoek ik het drugsgeweld aan de hand van persoonlijke geschiedenissen. Tussen oktober 2014 en januari 2015 interviewde ik 33 mannen uit de wereld van de drugscriminaliteit. We spraken over hun kindertijd en hun puberteit, over alcohol- en drugsverslaving, vandalisme en hoe ze in de criminaliteit terecht waren gekomen en welke rol ze daarin vervulden. Om begrip te krijgen van de invloed die hun persoonlijke ervaringen hadden op hun intrede in de drugswereld, onderwierp ik hun verhalen aan een discursieve analyse.
Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt
De geïnterviewden hebben op twee manieren bijgedragen aan het karakter van mijn studie. In de eerste plaats methodologisch, omdat directe interviews met drugscriminelen iets totaal nieuws zijn in de academische wereld. Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt. Ook opent mijn studie voor de academische wereld een nieuw perspectief, namelijk dat van de daders, dat tot nog toe zowel door onderzoekers als door bestuurders en politici werd genegeerd.
In deze zin werpt de analyse van hun persoonlijke verhalen licht op de mogelijke oorzaken van hun intrede in de drugswereld en verklaart deze de logica van hun wereldbeeld. Dat te begrijpen is cruciaal, niet alleen voor de benadering van zo’n complex fenomeen, maar ook voor het bepalen van beleid om de veiligheid te waarborgen. Tot nog toe werden die maatregelen alleen genomen vanuit de logica van hen die de maatregelen nemen. Geen wonder dus dat ze faliekant mislukten.
Slachtoffers noch monsters
Om te beginnen moeten we erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij. Ze zijn onderhevig aan dezelfde normen en waarden en tradities als wij allemaal. Een van de voornaamste problemen in Mexico is dat de overheid ze systematisch discrimineert door het binaire discours van de Verenigde Staten over te nemen: ‘zij’ versus ‘wij’, ‘goed’ versus ‘kwaad’. Behalve dat dit discours een absurde oversimplificatie is, verdoezelt het de rijkgeschakeerde oorzaken van het geweld.
Een analyse van de persoonlijke geschiedenissen van de ex-narco’s doet die schakeringen juist scherp uitkomen. De geïnterviewden zien zichzelf noch als slachtoffers, noch als monsters. Ze rechtvaardigen allemaal hun intrede in de drugswereld als hun ‘enige optie’ om te overleven, een motivatie die door veel wetenschappelijke studies wordt bevestigd. Maar hoewel ze goed van de schaduweconomie konden leven en voor hun gezinnen zorgden, wilden ze toch ‘meer’.
De geïnterviewden zien zich ook niet als de bloeddorstige criminelen die in films worden opgevoerd. Ze omschrijven zichzelf als vrij handelende personen die besloten hebben in het illegaal circuit te opereren, maar tegelijkertijd noemen ze zichzelf ‘niks waard’, ‘wegwerpartikelen’.
Dat gevoel van marginalisering, gevoegd bij de verslavingsproblemen en het ontbreken van een toekomstperspectief, maakt dat ze weinig waarde hechten aan hun leven en dat de dood zelfs als een bevrijding wordt gezien.
Dit laatste is een cruciale factor voor het beleid dat ten aanzien van deze problematiek gevoerd dient te worden. De kernopdracht daarbij is te vermijden dat nog meer kinderen en jongeren zich als ‘niks waard’ gaan beschouwen.
Mijn onderzoek laat zien hoe de participanten het binaire discours van de overheid overnemen. Ze noemen zichzelf de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan, ze vinden niet dat ze daar deel van uitmaken. Ze hebben ook de individualistische ethiek overgenomen waarvan de hele Mexicaanse samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme aan het eind van de jaren tachtig doortrokken is. Die ethiek is een tweesnijdend zwaard: ze geven niet de staat of de maatschappij de schuld van hun armoede, maar ze hebben ook geen spijt van hun misdaden. Ze vinden dat ze de ‘pech’ hebben gehad in armoede en in de marge van de maatschappij geboren te zijn en dat hun slachtoffers de ‘pech’ hebben gehad in hun handen te vallen. De logica is simpel: ‘Ieder voor zich.’
Niets te verliezen
Uit de analyse van de interviews kwam een cluster van ideeën en opvattingen naar voren die als vaststaande waarheden werden geponeerd en die ik ‘het narcodiscours’ heb gedoopt.
De betekenis die armoede heeft in het narcodiscours liegt er niet om. Het heet dat arme mensen geen toekomst hebben en daarom ook niets te verliezen. Zoals een van de geïnterviewden (Wilson) zei: ‘Ik wist dat ik tot aan mijn dood in armoede zou leven en het enige wat ik deed was God vragen: waarom ik?’ Armoede wordt gezien als een natuurlijk gegeven, een omstandigheid waar niets aan te doen is en waar niemand verantwoordelijk voor is. Voetstoots wordt aangenomen dat ‘er iemand moet zijn die arm is’ (Lamberto) en ‘dat je er niks aan kunt veranderen’ (Tabo).
Die kijk op armoede impliceert een individualistische kijk op de wereld: het individu is zelf verantwoordelijk voor zijn economische en sociale ontwikkeling. ‘Ik wist dat ik alleen stond, als ik iets wilde, dan moest ik het zelf gaan halen’ (Rigoletto).
De logica van het narcodiscours met betrekking tot armoede is dat iedereen er alleen voor staat en dat dus ‘het recht van de sterkste’ (Yuca) geldt. Zo verklaart ook Cristian het: ‘In mijn wijk wisten we allemaal wat de regel was: als je zit te slapen, verlies je. Dat was de regel. Je moet gewelddadig zijn, door roeien en ruiten gaan, je moet voor jezelf opkomen, want niemand anders zal het doen.’
“Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?”
In het narcodiscours wordt ervan uitgegaan dat kleine kinderen en tieners onvermijdelijk bendeleden en drugsverslaafden worden. ‘Als je in een arme buurt opgroeit, dan weet je dat je op een bepaald moment aan de drugs verslaafd raakt’ (Palomo). Net zo worden de bendes, die dagelijks geweld en vandalisme plegen, gezien als ‘de enige manier om het geweld van de straat te overleven’ (Piochas). Er wordt dus van uitgegaan dat die jongeren geen toekomst hebben en daarom niks waard zijn: ‘Als je aan drugs verslaafd bent, beschouw je jezelf als een nul, minder dan afval… Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?’ (Palomo).
Ook de vroege dood van deze jongeren wordt als onvermijdelijk gezien: ‘Als je zo veel van je vrienden door geweld, door overdoses, door politiekogels, ziet omkomen, dan denk je dat dat ook jouw toekomst is’ (Tigre). Op die manier wordt al bij voorbaat aangenomen dat het met de jongeren slecht zal aflopen: ‘Ik dacht altijd dat ik óf aan een overdosis óf door een kogel zou sterven’ (Pancho).
Volgens die logica kun je eigenlijk alleen maar van het leven genieten door de consumptie van luxegoederen, en de enige manier om daaraan te komen is door middel van ‘gemakkelijk geld’ dat het ‘gemakkelijke leven’ je biedt. Het gemakkelijke leven is de drugshandel. Ze weten dat de kick van gemakkelijk geld van korte duur is, maar toch loont die de moeite, omdat je ‘in deze wereld, als je geen geld hebt, niemand bent’ (Canastas). Ze kennen de gevaren. ‘De ene dag kun je nog in een duur restaurant zitten met allemaal mooie vrouwen om je heen, en de volgende dag word je wakker in de bajes’ (Ponciano). Het ‘gemakkelijke leven’ moet dus snel en op de toppen geleefd worden: ‘Mijn opzet was om elke dag te leven of het de laatste was. Ik liet het breed hangen. Ik kocht de duurste SUV’s, de duurste wijnen en ik had de mooiste vrouwen’ (Jaime).
‘Echte man’
In het narcodiscours speelt ook het idee van de ‘echte man’, die agressief en gewelddadig dient te zijn. En een rokkenjager.
De participanten noemden de arme wijken ‘de jungle’, de plaats waar het recht van de sterkste heerst. Lichamelijk geweld is essentieel om te kunnen overleven – letterlijk.
In het narcodiscours komt ook een cruciaal element van geweldpleging tot uitdrukking, namelijk dat het aangeleerd gedrag is. Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt. Zoals Jorge zegt: ‘Als kind werd ik door grotere kinderen geslagen, ze maakten misbruik van me omdat ik alleen was. Ik was niet gewelddadig… maar ik moest wel gewelddadig worden, nog gewelddadiger dan zij. Dat moet als je op straat wilt overleven.’
In ‘de jungle’ moeten mannen ook een reputatie opbouwen om te overleven. Een ‘echte man’, zo is de opvatting, is heteroseksueel, een rokkenjager, ‘een feestbeest met drugs en alcohol’ (Dávila).
Daarnaast komt in het discours naar voren dat ‘echte mannen’, in tegenstelling tot vrouwen, geen angst of emoties of zwakte mogen tonen, en de beste manier om dat te doen is laten zien dat je onder alle omstandigheden sterk en dominant bent: binnen de bende, in gevechten met concurrerende bendes en thuis in het gezin.
In de interviews uitten de participanten vaak de wrok die ze jegens hun vader koesterden. Van de 33 geïnterviewden bekenden er 28 dat ze op zeker moment in hun leven het liefst hun vader zouden hebben vermoord. Huiselijk geweld en geweld tussen mannen en vrouwen horen tot de eerste levenservaringen van deze participanten. Allemaal zijn ze het erover eens dat het dagelijks geweld van hun vaders tegen hun moeders hun als kind het meeste weerzin inboezemde. Het is een constant gegeven in de verhalen die ze vertellen, niet alleen over hun kindertijd, maar ook over drugsverslaving, geweld in het algemeen en hun intrede in de wereld van de misdaad.
Voor een aantal participanten was het verlangen om hun vader te vermoorden of te martelen de belangrijkste motivatie om in de drugscriminaliteit te gaan. Rorro, bijvoorbeeld, vertelde dat hij als kind ‘geen enkele illusie of plannen voor de toekomst had, het enige waar ik aan dacht was mijn vader vermoorden als ik groot was… ik wilde hem aan stukken hakken’. De drugscriminaliteit in gaan verschafte hem die mogelijkheid. Ook Ponciano gaf aan dat hij zich, als hij mensen moest martelen, altijd voorstelde dat het om zijn vader ging, ‘en dan martelde ik ze met genoegen, net zoals hij ons martelde’.
De fantasieën die de participanten hadden over het vermoorden van hun vader lijken allemaal op elkaar, allemaal wilden ze hem laten boeten, niet uit wraak voor wat hij hun had aangedaan, maar voor wat hij hun moeder had aangedaan. Opmerkelijk is dat ze ook geen van allen in staat waren hun voornemen uit te voeren toen ze daar de gelegenheid voor kregen. Facundo verwoordt het zo: ‘Ik had hem kunnen vermoorden als ik wilde. Ik had tientallen huurmoordenaars die voor me werkten. Als ik wilde… ik had hem kunnen laten martelen en toekijken hoe hij crepeerde. Maar ik kon het niet… dus ik zei tegen hem: maak dat je wegkomt, ik wil je nooit meer zien. Als ik je weer zie, vermoord ik je.’
Macho-ideologie
De oorzaken van de criminaliteit en het geweld in Latijns-Amerika zijn vrijwel in alle landen dezelfde. Tussen de verschillende bronnen van het geweld – van drugscriminelen, het leger, de guerrilla of de bendes – zijn er volgens mij twee dwarsverbindingen: de armoede en de giftige macho ideologie*. De dagelijkse ervaringen van de mensen die in armoede leven is de soep waarin alle soorten geweld (huiselijk geweld, bendegeweld, geweld tussen de seksen) gaar koken. En dat alles binnen het kader van het onzichtbare geweld dat zelden onderkend wordt: het structurele geweld van de staat.
Wij moeten allemaal, academici, politici en burgers, deze ervaringen proberen te begrijpen en ervan leren. We kunnen wel erkennen dat armoede de moeder is van alle kwaad, maar we weten niet hoe het is om in armoede te leven. Het terugdringen en voorkomen van geweld kan alleen op lokaal niveau gebeuren. Elke regio, elke wijk heeft zijn eigen specifieke problemen en behoeften. Algemene politieke maatregelen zullen niet helpen. En misschien is dat het grote struikelblok: de geweldsproblemen bij de wortel aanpakken, daar kunnen politici geen goede sier mee maken.
Ook moeten we bedenken dat de dominante macho-ideologie in de Latijns-Amerikaanse landen het geweld niet alleen goedkeurt, maar ook aanmoedigt. In de regio’s worden de problemen onveranderlijk te lijf gegaan met agressie en gemilitariseerde veiligheidsmaatregelen. Geweldloze oplossingen waren tot nog toe geen optie in onze landen, omdat machismo en geweld geïnstitutionaliseerde fenomenen zijn.
Om het geweld aan te pakken moeten we beginnen met het te begrijpen. Waar komt het vandaan? Wie rechtvaardigt het en hoe? Hoe wordt het gepropageerd? Hoe hebben ze het eerder proberen te bestrijden? Om antwoord te geven op die vragen loont het om interdisciplinair te werk gaan en dienen onze overheden bereid te zijn naar ons te luisteren.
Wat eerst moet gebeuren is een verandering van paradigma: de militairen moeten terug de kazerne in, complexe problemen moeten lokaal worden aangepakt (al zal dat de landelijke politiek geen punten opleveren) en we moeten ophouden met het binair discours waarin het heet dat ‘zij’ dood moeten, want daar bereiken we alleen maar mee dat de onverschilligheid van ‘hen’ jegens ‘ons’ toeneemt.
De repressieve regering van het straatarme Congo-Brazzaville kocht de afgelopen jaren in alle stilte een enorm arsenaal aan wapens van Azerbeidzjan. Tegenstanders van president Denis Sassou-Nguesso, die er al 36 jaar aan de macht is, zeggen in aanloop naar de verkiezingen van 21 maart dat hij de wapens zal gebruiken om zijn greep op het Afrikaanse land te behouden.
Vorige week publiceerde de Zuid-Afrikaanse kwaliteitskrant Mail&Guardian een artikel gebaseerd op de resultaten van een onderzoek door OCCRP, Organized Crime and Corruption Reporting Project, een internationale journalistieke organisatie die zich volledig richt op georganiseerde misdaad en corruptie. OCCRP ontdekte dat het regime van president Denis Sassou-Nguesso sinds 2015 in het geheim op grote schaal wapens inslaat. Saoedi-Arabië lijkt daarbij op de achtergrond een rol te spelen.
Wapentuig
‘In januari 2020’, zo begint het artikel in Mail & Guardian, ‘wordt in de Turkse haven van Derince, zo’n 100 kilometer ten zuidoosten van Istanboel in een oostelijke uithoek van de Zee van Marmara, het vrachtschip Storm volgeladen met een enorme voorraad wapens. Het schip is geregistreerd in het belastingparadijs Vanuatu en vertrekt met een arsenaal aan mortiergranaten, meerdere raketwerpers en explosieven, afkomstig uit Azerbeidzjan, naar de Republiek Congo, beter bekend als Congo-Brazzaville.’
De Saoedische connectie
Saoedi-Arabië, ’s werelds grootste wapenimporteur, levert zonder scrupules wereldwijd wapens aan conflictgebieden, waaronder Jemen, waar de Saoedi‘s vechten tegen door Iran gesteunde Houthi-rebellen.
In vrachtpapieren wordt Saoedi-Arabië genoemd als ‘sponsorpartij’ van meerdere wapenleveringen in 2016 en 2017 aan Congo-Brazzaville, precies op het moment dat Congo-Brazzaville op het punt stond om lid te worden van de OPEC. Door critici omschreven als een oliekartel waarvan de leden moeten voldoen aan Saoedische productie-eisen, helpt OPEC de Saoedi’s wereldwijd de olievoorziening te domineren. Het effect dat dit op de olieprijzen heeft, kan op zijn beurt de aardolie-inkomsten van de lidstaten opkrikken.
Onder de dertien leden van de OPEC bevinden zich de grootste producenten van Afrika, namelijk Nigeria, Angola en Algerije. Congo-Brazzaville, dat uiteindelijk in 2018 toetrad tot de OPEC, was voor Saoedi-Arabië een begeerd lid omdat het een van de grotere olieproducenten van het Afrikaanse continent is, en het land zou OPEC nog meer gewicht kunnen verschaffen.
Azerbeidzjan is geen volwaardig OPEC-lid, maar het is wel een belangrijke olieproducent.
In totaal belandt meer dan 100 ton aan wapentuig in een gebouw dat het hoofdkwartier lijkt te zijn van de Republikeinse Garde, een elite-eenheid van Congo-Brazzaville, zo blijkt uit vertrouwelijke vrachtpapieren die OCCRP in handen kreeg. De lading, die naar schatting een waarde heeft van tientallen miljoenen dollars, is de laatste van een reeks van tenminste zeventien wapenleveringen die sinds 2015 door het ministerie van Defensie van Azerbeidzjan naar het regime van president Denis Sassou-Nguesso zijn gestuurd, zo blijkt uit vluchtplannen, vrachtpapieren en inventarissen.
Een wijziging van de grondwet betekent dat de 77-jarige Sassou-Nguesso in theorie de rest van zijn leven aan elke verkiezing kan deelnemen
Saoedi-Arabië staat op verschillende vrachtpapieren die zijn geanalyseerd vermeld als ‘sponsorpartij’. Het is onduidelijk wat die sponsoring precies inhoudt, maar het zou kunnen betekenen dat Riyad heeft betaald voor de wapens of voor het transport ervan. Er zijn geen openbare registers van Azerbeidzjan waarin staat dat het land deze wapens heeft geëxporteerd, noch zijn er vergelijkbare registers van Congo-Brazzaville waaruit blijkt dat het Afrikaanse land ze heeft geïmporteerd.
De oppositie in Congo-Brazzaville is bezorgd over de mogelijke bereidheid van president Sassou-Nguesso om geweld te gebruiken om zijn macht te behouden nu de verkiezingen van 21 maart naderbij komen. Zijn goed bewapende veiligheidsdiensten zijn een belangrijke reden waarom hij het Centraal-Afrikaanse land zesendertig jaar heeft kunnen regeren, hetgeen hem tot een van de langstzittende regeringsleiders ter wereld maakt. Zijn partij beheerst het parlement, dat onlangs de grondwet heeft gewijzigd om Sassou-Nguesso opnieuw de mogelijkheid te geven zich kandidaat te stellen, wat tot nationale en internationale afkeuring heeft geleid. De wijziging van de grondwet betekent dat de 77-jarige Sassou-Nguesso in theorie de rest van zijn leven aan elke verkiezing kan deelnemen.
Uit vertrouwelijke documenten die OCCRP in handen heeft blijkt dat de veiligheidsdiensten van Sassou-Nguesso in de acht maanden voorafgaand aan de verkiezingen van maart 2016, en gedurende meer dan een jaar erna, meer dan 500 ton aan wapens in Azerbeidzjan kocht, die in zestien afzonderlijke zendingen werden geleverd. Slechts enkele weken na de verkiezingen begon de regering een meedogenloze campagne tegen een militie van de oppositie, die meer dan een jaar duurde.
Verwoestingen
Oppositieleiders beweren dat de Republikeinse Garde de Azerbeidzjaanse wapens heeft gebruikt in het conflict dat ontstond na de verkiezingen, dat leidde tot een humanitaire noodsituatie die volgens de Verenigde Naties ongeveer 140.000 mensen trof in de regio Pool, in het zuiden van het land. Satellietbeelden in bezit van The New Humanitarian lijken grootschalige verwoestingen te tonen die het resultaat zijn van het gebruik van onder meer raketwerpers en explosieven. Het is overigens niet zeker of het hier om wapens gaat die afkomstig zijn uit Azerbeidzjan, aangezien Congo-Brazzaville zijn wapeninvoer niet registreert.
Het regime van Sassou-Nguesso wordt geconfronteerd met een van de ernstigste schuldencrises in Afrika, en dat roept de vraag op hoe de wapenleveranties konden worden gefinancierd. Uit documenten blijkt dat ten minste twee zendingen die tussen 2016 en 2017 werden afgeleverd, zijn gesponsord door Saoedi-Arabië op het moment dat Riyad de aanvraag behandelde van Congo-Brazzaville om lid te mogen worden van de Organisatie van de Olie-exporterende Landen (OPEC).
‘De regering lijkt zich erop voor te bereiden elk verschil van mening rond de verkiezingen de kop in te kunnen drukken’
Gezien de aanzienlijke oliereserves van Congo-Brazzaville, hadden de Saoedi’s goede redenen om een hun welgezinde Sassou-Nguesso-regering te verwelkomen in de door Saoedi-Arabië gedomineerde club, stelt vooraanstaand wapenexpert Andrew Feinstein, auteur van The Shadow World: Inside the Global Arms Trade. Volgens Africa Times werd Congo-Brazzaville op 22 juni 2018 inderdaad verwelkomd als lid van OPEC.
Feinstein merkt ook op dat de meest recente wapenzending uit Azerbeidzjan wel eens bedoeld zou kunnen zijn om Sassou-Nguesso in staat te stellen Congo-Brazzaville nog langer zijn wil op te leggen. ‘De timing van deze wapenzending maakt buitengewoon achterdochtig, gezien het eerdere harde optreden van Sassou-Nguesso rond verkiezingen’, zo zegt Feinstein. ‘De regering lijkt zich erop voor te bereiden elk verschil van mening rond de verkiezingen de kop in te kunnen drukken.’
De regering van Congo-Brazzaville reageerde niet op meerdere verzoeken van OCCRP om commentaar. Ook het ministerie van Defensie van Azerbeidzjan houdt zich stil, evenals een vertegenwoordiger van dat ministerie wiens naam op meerdere documenten vermeld staat. Tot slot doet ook het ministerie van Defensie van Saoedi-Arabië er het zwijgen toe op vragen over de aard van hun sponsoring van de wapenleveranties.
Boulevard Denis Sassou-Nguesso
De meest recente wapenlading, afgeleverd bij de Republikeinse Garde op Boulevard Denis Sassou-Nguesso 1 in Brazzaville in januari 2020, omvatte 775 mortiergranaten en meer dan 400 kisten met raketten die kunnen worden gelanceerd vanaf vrachtwagens uit het Sovjettijdperk, zo blijkt uit de vrachtpapieren.
De exacte prijs die het Congolese regime voor het wapentransport heeft betaald, kon niet worden geverifieerd, maar een deskundige die de vrachtbrieven heeft onderzocht, denkt dat het om een levering ter waarde van tientallen miljoenen dollars gaat. Een voormalige hoge diplomaat met toegang tot informatie over wapenarsenalen, die anoniem wil blijven uit angst voor represailles door de autoriteiten, heeft de authenticiteit van de vrachtpapieren en andere documenten bevestigd en merkte op dat de verkoopprijs voor de wapens waarschijnlijk ver onder de daadwerkelijke marktwaarde ligt. De documenten omvatten certificaten voor eindgebruikers. Dergelijke documenten worden afgegeven door het land dat wapens invoert, om aan te geven dat de ontvanger niet van plan is om ze door te verkopen.
Volgens de Nederlander Pieter Wezeman, onderzoeker bij het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI), zijn wapens die met korting worden geleverd, vaak overtollige wapens of het betreft wapens die zijn geproduceerd in Bulgarije of Servië, die beide bekend staan om hun goedkope wapenproducten. ‘Het is minder waarschijnlijk dat Congo-Brazzaville een deel van deze uitrusting had kunnen aanschaffen in andere Europese landen omdat die een restrictiever wapenexportbeleid voeren’, aldus Wezeman.
500 ton wapens
De zending van 100 ton vanuit Derince is aanzienlijk, maar valt in het niet bij eerdere wapenleveranties, die volgens documenten tussen 2015 en 2017 vanuit Azerbeidzjan zijn verzonden en die mogelijk afschuwelijke gevolgen hebben gehad.
In zestien transporten werd in die jaren in totaal meer dan 500 ton aan wapentuig naar Congo-Brazzaville gestuurd, waaronder handgranaten, mortiersystemen en miljoenen kogels. Op een eindgebruikerscertificaat worden vijfduizend granaten vermeld die zijn geïmporteerd voor ‘trainings-, antiterrorisme-, veiligheids- en stabiliteitsoperaties’. Het document werd op 3 maart 2016, slechts enkele dagen voor de verkiezingen, ondertekend door een speciale adviseur van president Sassou-Nguesso.
Na de verkiezingen beweerde de oppositie dat de regering had gesjoemeld met de resulaten ten gunste van Sassou-Nguesso en brak er onrust uit in de hoofdstad Brazzaville. De regering gaf de schuld van de onrust aan ‘de Ninjas’, een militie die voornamelijk bestaat uit mensen van de etnische groep Lari en die voornamelijk is gevestigd in de Pool-regio, die Brazzaville gedeeltelijk omsluit.
Volgens een oppositieleider zijn de wapens uit Azerbeidzjan gebruikt om een langdurig gewapend conflict met de Ninjas in Pool aan te wakkeren. Amnesty International veroordeelde het offensief van de regering en sprak van ‘onwettig gebruik van dodelijk geweld door de veiligheidstroepen van het land’. Terwijl de regering nog aan het vechten was met de Ninja’s, vertelden getuigen van bloedbaden aan Amnesty dat vanuit helikopters tientallen bommen waren afgeworpen die een woonwijk en ook een school hadden getroffen.
‘Gedurende het geweld in Pool heeft het regime de strategie van de verschroeide aarde toegepast’, zegt Andréa Ngombet Malewa, leider van de politieke partij Incarner l’Espoir. ‘De wapens die ze van Azerbeidzjan hebben gekocht, werden onmiddellijk bij die operatie ingezet.’
De Baku-Brazzaville-connectie
Azerbeidzjan blijkt dus een belangrijke buitenlandse bondgenoot van Congo-Brazzaville te zijn door het regime te voorzien van goedkope wapens en, minstens zo belangrijk, door strikte geheimhouding. Sassou-Nguesso kocht zijn wapens bij Ilham Aliyev, sinds 2003 president en sterke man van het notoir ondoorzichtige land in de Zuid-Kaukasus, in de wetenschap dat de aankoop van wapens niet zou worden geregistreerd.
Congo-Brazzaville heeft al meer dan drie decennia geen melding gemaakt van wapeninvoer en aangezien er geen wapenembargo bestaat tegen het land, is het ook niet verplicht om dit te doen. Desalniettemin is er een reeks van openbaarmakingen door andere landen die laten zien hoe actief Sassou-Nguesso is geweest op de wapenmarkt. Zo meldde Servië in 2017 dat het 600 machinegeweren naar Congo-Brazzaville had geëxporteerd. Bulgarije stuurde 250 granaatwerpers.
Maar de Azerbeidzjaanse wapenleveringen zijn nooit openbaar gemaakt, ook al blijkt uit documentatie dat het land al sinds september 2015 wapens naar Sassou-Nguesso exporteert. Sommige daarvan waren afkomstig van Transmobile, een Bulgaars bedrijf dat is geautoriseerd om wapens te verhandelen voor Azerbeidzjan, terwijl andere werden gekocht bij Yugoimport, een Servische fabrikant. Geen van beide bedrijven reageerde op verzoeken om commentaar.
Silk Way
De eerste wapenleveringen arriveerden in Brazzaville met vliegtuigen van de Azerbeidzjaanse luchtmacht, maar vanaf 2017 begon Silk Way Airlines, een privé-luchtvaartmaatschappij, de wapens in te vliegen. Mogelijk met als gedachte dat Silk Way als particuliere luchtvaartmaatschappij waarschijnlijk minder de aandacht zou trekken dan zijn militaire tegenhanger.
Silk Way is geregistreerd op de Britse Maagdeneilanden, een belastingparadijs, en was voorheen verbonden aan de familie Aliyev. Naast het afsluiten van lucratieve contracten met de Amerikaanse regering om munitie en andere materialen te mogen transporteren, blijkt uit uitgelekte correspondentie die werd gepubliceerd door de Bulgaarse krant Trud, dat Silk Way tussen 2014 en 2017 vluchten met diplomatieke onschendbaarheid heeft gebruikt om in het geheim honderden tonnen aan wapens te verplaatsen naar mondiale conflictgebieden in de hele wereld. Silk Ways reageerde niet op vragen van OCCRP.
De vrees dat de persvrijheid in de aanloop naar de peilingen wordt bedreigd, is toegenomen
De verwachting is dat Sassou-Nguesso de verkiezingen van 21 maart naar zich toe zal trekken, indien nodig met bruut machtsvertoon. Hij zal het opnemen tegen onder meer Mathias Dzon, zijn voormalige minister van Financiën van 1997 tot 2002, en Guy-Brice Parfait Kolélas, die als tweede eindigde bij de presidentsverkiezingen van 2016. Dat jaar claimde Sassou-Nguesso dat hij 60 procent van de stemmen had gekregen, tegenover slechts 15 procent voor Kolélas. De VS veroordeelden de regering van Congo-Brazzaville destijds wegens ‘wijdverbreide onregelmatigheden en de arrestatie van aanhangers van de oppositie’.
Deskundigen geloven niet dat het de oppositie dit keer beter zal vergaan. Abdoulaye Diarra, onderzoeker Centraal-Afrika voor Amnesty International, zegt dat de regering voorafgaand aan de verkiezingen een campagne tegen politieke tegenstanders voert van intimidatie, pesterijen en willekeurige detentie.
De vrees dat de persvrijheid in de aanloop naar de peilingen wordt bedreigd, is toegenomen nadat Raymond Malonga, een cartoonist die bekend staat om zijn satirische kritiek op de autoriteiten, begin februari door politie in burger uit zijn ziekenhuisbed werd gesleurd en werd meegenomen.
Vanwege de wapentransporten uit Azerbeidzjan maakt de oppositie zich ongerust over het vooruitzicht van geweld rond de verkiezingen. ‘We maken ons zorgen dat de wapens die het regime van Sassou-Nguesso van Azerbeidzjan heeft gekocht, zullen worden gebruikt om de oppositie hard aan te pakken tijdens de komende verkiezingen’, aldus oppositieleider Ngombet. ‘Ze willen niet dat de wereld ziet hoezeer het Congolese volk snakt naar politieke veranderingen.’
Frits Veerman probeerde de Nederlandse autoriteiten herhaaldelijk te waarschuwen voor de verdachte activiteiten van zijn collega Abdul Khan. Hij werd genegeerd en uiteindelijk ontslagen. In een onlangs verschenen rapport komt de ware toedracht boven tafel.
Begin jaren zeventig deelde de Nederlandse technicus Frits Veerman een groot bureau in een lab in Amsterdam met een charmante Pakistaanse wetenschapper genaamd Abdul. Op een dag zei Veerman dat hij graag Pakistan zou willen bezoeken. Hij vroeg of hij een paar nachten bij het gezin van zijn collega mocht logeren. Abdul – wiens volledige naam Abdul Qadeer Khan luidt – antwoordde dat de Pakistaanse regering zijn reis zou betalen. Op dat moment begon Veerman te vermoeden dat Khan eropuit was Nederlandse nucleaire geheimen te stelen.
Alles wees erop. Veermans was fotograaf en hij had ooit dagen achtereen met Khan doorgebracht om ultracentrifuges te maken, de apparaten die werden gebruikt ter verrijking van uranium. Hij had tekeningen van centrifuges en geheime rapporten in Khan’s woonkamer zien liggen. En Khan vertrouwde hem ooit toe dat zijn grote gouden ring zijn ‘zakcentje [was] voor als ik ooit snel ergens heen moet’.
Hoe voelde Veerman zich toen hij begreep hoe het zat? ‘Bang,’ antwoordt hij. Hij is nu in de zeventig, met kort donker haar en een bril zonder montuur, en eet pasta op het terras van een restaurant in Antwerpen, België, waar we elkaar ontmoeten. Als je zijn beroep zou moeten raden, zou je zeggen: gepensioneerd technicus. Hij is een Nederlander uit de provincie, wiens leven vanwege nucleaire spionage ontspoorde.
Als er toen of later naar hem was geluisterd, was de wereld misschien een nachtmerrie bespaard gebleven
Veerman probeerde Khan in 1973 voor het eerst aan te geven bij de Nederlandse autoriteiten. Hij kwam niet verder dan een secretaresse. Als er toen of later naar hem was geluisterd, was de wereld misschien een nachtmerrie bespaard gebleven. Maar Khan mocht in 1975 Nederland verlaten en Europese leveranciers blijven bezoeken. Ook de Amerikaanse Central Intelligence Agency hield hem niet tegen. Khan bouwde uiteindelijk de Pakistaanse atoombom en verkocht de technologie aan Iran, Noord-Korea en Libië.
In januari dit jaar verplaatste het Bulletin of Atomic Scientists de Doomsday Clock naar 100 seconden voor middernacht, de laatste stand sinds de oprichting in 1947. De klok symboliseert het risico dat de mens uitsterft. Het Bulletin citeerde bedreigingen, waaronder ‘een hernieuwde nucleaire wapenwedloop … de verspreiding van kernwapens en … verlaging van de barrières voor een nucleaire oorlog’, waarbij mogelijk Khans klanten Noord-Korea en Iran betrokken zouden zijn.
Nadat Veerman de klok luidde, raakte hij zijn baan kwijt. Door een rapport van het Huis voor Klokkenluiders, de nieuwe Nederlandse autoriteit op dit gebied, werd hij begin juli eindelijk van blaam gezuiverd. Het rapport verklaart bovendien waarom hij en niet Khan werd gestraft.
‘Boeven en misdadigers’
Khan is nu 84 en leeft onder onofficieel huisarrest in Pakistan, waar zijn relatie met de autoriteiten al lange tijd wisselvallig is. Tijdens zijn beperkte bewegingsvrijheid wordt hij begeleid door veiligheidsfunctionarissen, eventuele bezoekers aan zijn woning worden vooraf gescreend.
Hij werd in 1936 geboren in Bhopal, Brits-Indië, als zoon van een islamitische hoofdonderwijzer. Als kind zag hij hoe treinen tijdens de opdeling van India in 1947 lijken vervoerden van moslims die tijdens sektarische gevechten waren omgekomen, schrijven Douglas Frantz en Catherine Collins in hun boek The Nuclear Jihadist. Khan verliet India in 1952, na het afronden van de middelbare school. Tijdens zijn eigen treinreis stal een Indiase politieagent zijn gouden pen. ‘Hindoes zijn boeven en misdadigers’, schreef de jonge Khan aan een vriend. ‘Ze dromen ervan Pakistan te vernietigen en een verenigd India te creëren.’
De Nederlanders hadden geen atoombommen en de verrijking was bedoeld voor vreedzame kernenergie
In 1961 ging hij studeren in Berlijn, in 1963 stapte hij over naar de Nederlandse technische universiteit in Delft om metallurgie te studeren. Terugkijkend zei hij: ‘Van alles wat ik weet en heb geleerd, dank ik het meeste aan Delft.’ Na Delft promoveerde hij in Leuven, België. In 1971 verloor Pakistan een oorlog met India en werd de nieuwe staat Bangladesh uit het Pakistaanse grondgebied gehouwen. Khan huilde, volgens Frantz en Collins. Een jaar later trad hij als metallurgisch wetenschapper toe tot FDO, het lab van het industriële bedrijf VMF.
FDO ontwierp ultracentrifuges om uranium te verrijken. De Nederlanders hadden geen atoombommen en de verrijking was bedoeld voor vreedzame kernenergie. Maar als het uranium verder werd verrijkt, was het heel geschikt om bommen van te maken.
De FDO gaf aan dat Khan niet aan ultracentrifuges zou werken en merkte op dat de familie van zijn vrouw Nederlands was. De Nederlandse inlichtingendienst, toen nog Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) geheten, verdacht hem daarom niet van geheim werk. En zo werden Khan en Veerman – destijds technisch fotograaf – in 1972 kantoorgenoten. FDO was gevestigd in een oud pakhuis van de VOC. Veerman was onlangs uit de kelder opgedoken, waar hij vier jaar in zijn eentje had gewerkt om de details van de ultracentrifuge, die uit zes cilinders bovenop elkaar bestond, verder te perfectioneren. Het was een hele kunst om ze te laten draaien, vertelt hij liefdevol.
Veerman werd in 1944 geboren in Huizen, een dorp waar iedereen elkaar al eeuwen kent. Hij woont er nog steeds: vanuit zijn tuin heeft hij uitzicht op zijn ouderlijk huis. Zijn moeder, een Duitse, verhuisde voor de oorlog naar Nederland. Door de bezetting van Hitler schaamde ze zich voor haar nationaliteit. 5 mei ‘was geen gelukkig moment in de familie Veerman’, herinnert hij zich. Zijn grootmoeder van vaderskant noemde hem ‘een rotmof’.
Joris van Wijk, een tv-producent die aan een serie rond Veerman werkt, zegt hierover: ‘Nederland was na de oorlog een onvriendelijke plek voor kinderen met een Duitse moeder. Frits zal het moeilijk hebben gehad. Het moet de ontwikkeling van zijn sociale vaardigheden hebben beïnvloed. Hij woonde tot in de dertig bij zijn ouders.’
Op bezoek aan de familie van zijn moeder hoorde Veerman verhalen over familieleden die vastzaten in Oost-Duitsland, en ontmoette hij anderen met een twijfelachtig oorlogsverleden. Eerder dan de meeste Nederlanders leerde hij dat er vreselijke dingen waren gebeurd. Dat maakte hem extra voorzichtig toen hij in aanraking kwam met nucleaire geheimen.
Hij had altijd een talent voor wetenschap gehad. Als arbeidersjongen bezocht hij technische scholen. FDO was zijn droombaan, de universiteit die hij nooit had gehad, ‘een speeltuin voor hobbyisten van hoog technisch niveau’, zegt hij. Hij bouwde zijn eigen telescoop op het werk. Hij leerde graag van afgestudeerde collega’s. Maar die verwachtten meestal dat hij koffie zou zetten.
Oer-Hollands
Khan was anders. Abdul, zoals Veerman hem nog steeds noemt, was vriendelijk, knap, goedlachs en hij sprak goed Nederlands. Een Pakistaan was in de jaren zeventig in Nederland een exotisch wezen. Veerman bracht Khan kaas uit Huizen. Op rustige middagen speelden ze tennis op de banen van de FDO, aan de rivier. Ze bezochten elkaar thuis: Khan woonde in een oer-Hollands bakstenen rijtjeshuis, vlak bij Schiphol.
FDO maakte ultracentrifuges voor Urenco, een bedrijf met een fabriek in Almelo, waarvan de vermeende saaiheid dankzij komiek Herman Finkers beroemd werd: ‘Een stoplicht springt op rood, een ander weer op groen. In Almelo is altijd wat te doen.’ Khan had er zeker wat te doen.
Toen Veermans vermoedens over Khan steeds meer vorm aannamen, wist hij aanvankelijk niet wat hij moest doen. Khan was zijn meerdere. De baas van Veerman kende Khan al sinds Delft. Uiteindelijk ging Veerman naar een telefooncel in de Czaar Peterstraat in Amsterdam en belde de directeur van Ultra-Centrifuge Nederland, die toezicht hield op de Nederlandse ultracentrifuges. Zijn secretaresse antwoordde. Omdat ze Veerman niet wilde doorverbinden met de directeur, vertelde hij haar zijn vermoedens. Ze zei dat ze het zou doorgeven. Later, toen hij niets meer hoorde, belde hij opnieuw, en weer zonder succes.
Terugkijkend mijmert hij: ‘Ik had daarheen moeten gaan en aan moeten bellen om het aan de directie te vertellen. Dan was het allemaal anders afgelopen. Maar ik was toen niet zo brutaal.’ Hij uitte zijn zorgen tegenover hooggeplaatsten bij FDO, maar ook die toonden weinig interesse.
Ondertussen was Khan bij Urenco gaan werken, waar hij ondanks een gebrek aan de juiste veiligheidsmachtiging ongestoord door de fabriek kon dwalen. Niemand leek het erg te vinden. Het was Koude Oorlog en Nederlanders keken uit naar snuffelende Sovjets, niet naar Pakistanen.
Maar ook op het Indisch subcontinent was al van alles gaande. In mei 1974 testte India haar eerste kernwapen. Khan schreef Pakistaanse functionarissen en bood aan om te helpen bij de bouw van de ‘islamitische bom’. In september besloot toenmalig premier Zulfikar Ali Bhutto de gok te wagen. De Pakistaanse ambassade in Den Haag nam contact op met Khan. Zijn werkgevers vroegen hem om Duitse documenten waarin een nieuwe centrifuge werd beschreven in het Nederlands te vertalen. Hij werkte voor de ‘brain box’ in Almelo, waar de meest gevoelige informatie van de fabriek werd bewaard. Hij was goed op weg.
Maar inmiddels werd hij ook door anderen verdacht. Een Pakistaanse diplomaat die onderdelen bij leveranciers van Urenco bestelde, viel het op dat sommige bestellingen dezelfde specificaties hadden als die van Urenco. In oktober 1975 volgden Nederlandse BVD-agenten Khan op een nucleaire beurs in Basel, waar hij verkopers uithoorde over kernwapens.
De eerste monumentale fout
Dat is het moment waarop Khan kon worden gestopt. De BVD maakte plannen om hem toen hij op een ochtend op zijn werk kwam te arresteren, schrijven Frantz en Collins. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken ging akkoord. Maar Ruud Lubbers, toenmalig minister van Economie, was tegen: een schandaal kon de hightechsector schade toebrengen.
De Nederlanders informeerden de CIA over Khan, zoals Lubbers in 2005 aan de Japanse tv vertelde. De Amerikanen waren tegen de nucleaire ambities van hun Pakistaanse bondgenoten. Desalniettemin heeft de CIA de BVD ervan weerhouden Khan te arresteren. De Amerikanen wilden hem in de gaten houden om de nucleaire aankopen van Pakistan en de geheime nucleaire leveranciers van Europa te volgen.
Deze beslissing in 1975 was ‘de eerste monumentale fout’, zegt Robert Einhorn, die in de regeringen van Clinton en Obama op de non-proliferatieafdeling werkte.
De Amerikanen verzochten de Nederlanders ‘om hen volledig te informeren, maar geen actie te ondernemen’, herinnert Lubbers zich, lachend. Hij vond het ‘een beetje raar’, zegt hij, maar hij dacht: ‘Oké, het is hun zaak.’ De wereld beschermen tegen nucleaire proliferatie voelde niet als een Nederlandse verantwoordelijkheid. Nederland was er enkel opuit om zaken te doen. De CIA hield Khan tientallen jaren in de gaten.
Op 15 december 1975 vloog hij met zijn vrouw, dochters en blauwdrukken van centrifuges naar Pakistan
De FDO vertelde Khan niet dat hij werd verdacht. Onder het mom van promotie kreeg hij een nieuwe baan. Zijn bezoekjes aan Almelo werden stopgezet. Misschien dat hij zich toen realiseerde dat er iets niet in de haak was. Op 15 december 1975 vloog hij met zijn vrouw, dochters en blauwdrukken van centrifuges naar Pakistan, op verlof. Kort daarna nam hij vanuit Pakistan ontslag bij de FDO.
Lekkere kip
Op 15 januari 1976 stuurde Khan Veerman een handgeschreven brief in het Nederlands vanuit Karachi. Het begin luidde als volgt:
Beste Frits, Het is nu bijna een maand geleden dat we uit Nederland vertrokken en langzamerhand begin ik de lekkere kip te missen. Elke middag denk ik: laat ik Frits eens vragen of hij zin heeft om kip te eten!
In de brief werd hem vervolgens gevraagd om Khans vrouw Henny (die vermoedelijk terug in Nederland was om de bezittingen van de familie op te halen) op zaterdagochtend te helpen de inhoud van zijn kluisje bij de FDO in een kartonnen doos te stoppen. Veerman deed dit niet. Hij wist dat het kluisje vol zat met tekeningen en onderdelen van ultracentrifuges. In zijn brief werd hij ook verzocht een Pakistaans visum aan te vragen. Het leek erop dat Khan zijn hulp nodig had bij het voltooien van het Pakistaanse Project 706: de bom in handen krijgen. Tv-producent Van Wijk: ‘Ik denk dat Khan Frits’ genialiteit erkende.’
In september 1976 organiseerde de FDO een vergadering over Khan. Veerman vertelde zijn collega’s dat hij vermoedde dat Khan een spion was. De FDO lijkt geen onderzoek te hebben gestart of maatregelen te hebben genomen, volgens het Huis voor Klokkenluiders.
Later vertelde Veerman BVD-agenten over de acties van Khan. Maar ook daar kregen zijn verhalen geen gehoor. Binnen de FDO was men blij toen een leidinggevende van een bezoek aan ex-werknemer Khan in Pakistan terugkeerde met opdrachten. Pakistaanse technici begonnen FDO te bezoeken voor wat Veerman ‘een cursus ultracentrifuge bouwen’ noemt.
Straf
Klokkenluiders worden vaak gestraft. Het rapport van de Nederlandse autoriteit is vanwege de tijd die is verstreken terughoudend, maar noemt het ‘aannemelijk’ dat dit ook in Veermans geval zo was. Kort nadat hij zich had uitgesproken, degradeerde de FDO hem tot kopieerwerk. Toen hij Khan schreef, om zich hierover te beklagen en kaas te sturen, toonde Khan zich meelevend. In 1977 schreef Khan opnieuw:
Beste Frits, Strikt vertrouwelijk, ik verzoek je om hulp. Ik heb de volgende informatie dringend nodig voor ons onderzoeksprogramma: 1. Etsen van assen (a) Potentieel hoeveel volt? 2. Lagere absorber Kun je zorgen voor een hele CNOR lagere absorber? Wil je alstjeblieft mijn hartelijke groeten overbrengen aan Frencken en proberen [er een] voor mij te bemachtigen. [Etcetera]
Khan voegde hieraan toe dat er ‘veel fotowerk’ voor Veerman in Pakistan was, en beloofde: ‘Je zult zeker een goede tijd hebben en er geen spijt van krijgen (. . .) Schrijf alsjeblieft niet je eigen adres op de envelop als je mij schrijft. In plaats van mijn naam zet je gewoon “mevrouw Khan” of gewoon Henny erop, en dan het huisadres.’
Veerman reageerde niet op de brief. Hij liet hem aan zijn bazen zien, die hem verzochten de brief te vernietigen. Hij bewaarde hem in zijn kluis. In 1978, op de dag dat Veerman terugkwam van zijn huwelijksreis, overhandigde een postbode hem een telegram van de FDO met de mededeling dat hij ontslagen was. De opgegeven reden luidde dat het fotografiewerk was opgedroogd.
Waarom werd Veerman echt ontslagen? Een voormalig Nederlandse veiligheidsonderzoeker, die de zaak-Khan al sinds 1979 behandelt, vertelde de klokkenluidersinstantie dat Veerman ‘geofferd’ was omdat hij niet ophield met praten. De beveiliging van de FDO was laks geweest, Nederland en de hightechsector waren in verlegenheid gebracht, de betrokkenen wilden niet dat het verhaal de media of andere landen bereikte en de junior medewerker moest zijn mond houden. Dit is wat Veerman altijd al vermoedde.
Geen enkel ander Nederlands technologiebedrijf wilde hem nog aannemen. Is Veerman bitter? De vraag lijkt hem te verbazen. Hij heeft geen groot emotioneel vocabulaire. ‘Het is niet zo dat ik er de hele dag om huil. Er is mij een groot onrecht aangedaan, maar ik denk er niet veel over na. Als zoiets gebeurt, moet je een afweging maken en doorgaan.’
Nu het klokkenluidersrapport er is, is Veerman van plan compensatie van de Nederlandse staat te eisen en van de huidige incarnatie van FDO’s voormalige holdingmaatschappij, VMF-Stork (FDO sloot in 1992). Het huidige Stork, dat nu uit een heel andere groep werkmaatschappijen bestaat, zegt ‘volledig te hebben meegewerkt aan het onderzoek [van het Huis voor Klokkenluiders], ook al is deze zaak van heel lang geleden. . . Het huidige Stork kan niet worden beschouwd als de werkgever van de heer Veerman, zo bevestigt het rapport van de Autoriteit.’
‘Het grootste geluk van mijn leven’
Veerman bleef ondertussen lucratieve aanbiedingen ontvangen. ‘Ik had 500.000 gulden van Abdul kunnen krijgen als ik had gewild’, mijmert hij. Hij vertelt dat diplomaten uit Iran, Irak en andere landen in het Midden-Oosten hem thuis hebben gebeld en hem een visum voor bezoekers hebben aangeboden. Uiteindelijk verzocht hij om een geheim telefoonnummer.
Zijn leven nam een andere wending. Toen hij een werkloosheidsuitkering aanvroeg, trof hij bij de plaatselijke socialezekerheidsdiensten een puinhoop aan. Hij vroeg naar de manager, die hem uiteindelijk een baan aanbood tegen een twee keer zo laag salaris als hij bij de FDO verdiende. Toch zegt hij: ‘Het was het grootste geluk van mijn leven dat ik daar ben beland.’ Hij bleef er tot zijn pensionering – weliswaar niet ‘de schitterende carrière waarvan ik had gedroomd’, maar hij genoot van het werk.
In zijn eerste weken daar werd hij nog regelmatig bezocht door BVD-agenten. ‘Waar gaat dit over?’ vroeg zijn baas. ‘Nucleaire bommen,’ zei Veerman dan. Agenten bezochten ook zijn huis en ondervroegen hem ooit in zijn slaapkamer terwijl het gezin zijn verjaardag vierde. De BVD suggereerde dat hij vervolgd kon worden als Khans medeplichtige. (Veermans verzoek om inzage in zijn BVD-dossier is afgewezen.)
Ondertussen vloog Khan regelmatig naar Brussel en reed daarna naar nabijgelegen landen om leveranciers en wetenschappers te bezoeken. De BVD ondernam geen actie, zelfs niet toen de Nederlandse zakenman Nico Zondag in 1977 meldde dat Pakistan producten zocht om een atoombom te bouwen. Een Nederlandse ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken schreef in 1984 in een memo dat de export naar Pakistan doorging, ‘inclusief essentiële bomcomponenten die om welke reden dan ook niet konden worden geblokkeerd’.
Toen hij zei dat hij zich zou blijven uitspreken, snauwde een directeur van de FDO dat hij door zijn uitspraken was ontslagen
Khan zei in 1987 dat Europeanen enthousiaste verkopers waren: ‘Mensen achtervolgden ons met cijfers en details van apparatuur die ze hadden verkocht aan Almelo en Capenhurst [de Britse afdeling van een andere Urenco-fabriek]. Ze smeekten ons letterlijk om hun uitrusting te kopen.’ Er waren in die tijd weinig beperkingen op dergelijke export. Als een item problemen zou kunnen opleveren, was het de kunst de bestemming te verbergen door het door een onschadelijk derde land te leiden.
In 1983 werd Veerman opgeroepen voor een bijeenkomst in de Bijlmergevangenis. Daar, zo vertelde hij later aan de klokkenluidersautoriteit, bevolen regeringsfunctionarissen hem te zwijgen over Khan ‘omdat de internationale betrekkingen en reputatie van Nederland in gevaar waren, evenals de belangen van de Nederlandse industrie’. Toen hij zei dat hij zich zou blijven uitspreken, snauwde een directeur van de FDO dat hij vanwege zijn uitspraken was ontslagen – waarmee de dekmantel van het bedrijf was ontmaskerd.
Veerman stapte vanaf de vergadering rechtstreeks naar een Nederlandse krant, maar trok zich daarna terug in zijn baan bij de sociale zekerheid en decennialang was er in het openbaar nauwelijks iets over hem te horen. Hij werd op een internationale watchlist geplaatst en jarenlang door de autoriteiten ondervraagd wanneer hij naar het buitenland reisde. Tijdens een familievakantie in Italië werd zijn auto aangehouden door gewapende politie.
In 1983 veroordeelde Nederland Khan tot vier jaar gevangenisstraf wegens het zoeken naar geheime informatie. Het belangrijkste bewijs waren zijn brieven aan Veerman. Khan was beledigd en klaagde volgens zijn biograaf Zahid Malik dat twee van de rechters Joods waren. Later werd zijn vonnis vernietigd omdat hij de dagvaarding niet had gekregen. De Nederlanders staakten daarna de vervolging van de ernstigste misdaad die op hun grondgebied was gepleegd sinds de Tweede Wereldoorlog. Het ministerie van Justitie gaf later toe dat het juridische dossier van Khan was verdwenen.
Lubbers, die in 1982 premier werd, wilde dat Khan gearresteerd werd, maar kreeg te horen dat hij het ‘aan de [inlichtingen]diensten moest overlaten’. Terugkijkend zei hij tegen de Argos-radioshow: ‘Washington wist ongetwijfeld alles, hoorde alles. Er is een open lijn tussen Den Haag en Washington (…) Het was erg dom.’ Khan mocht herhaaldelijk naar Nederland terugkeren, onder meer voor een bezoek aan zijn stervende schoonvader in 1992.
Ze beseften ook te laat dat Khan een nucleaire supermarkt geopend had en starterkits aanbood aan veel landen
De voormalig directeur van de centrale inlichtingendienst van de CIA, George Tenet, pochte eens: ‘We waren in [Khan’s] woning, in zijn huis, in zijn kamers.’ Toch misten de Amerikanen veel, deels omdat ze verwachtten dat Pakistan een bom zou wilde die gemaakt was met plutonium in plaats van uranium. Ze beseften ook te laat dat Khan een nucleaire supermarkt geopend had en starterkits aanbood aan veel landen, waaronder Syrië en Saoedi-Arabië. Tientallen jaren na zijn vertrek uit Nederland kocht hij nog steeds Nederlandse kennis door. Hij werd rijk. In 1998 werd hij bovendien gevierd als ‘Mohsin-e-Pakistan’ (Redder van Pakistan), nadat het land op een testlocatie zes atoombommen had laten ontploffen.
Het bewijs van de verkoop kwam naar voren in 2003, toen de Amerikaanse marine een schip onderschepte dat nucleaire technologie vervoerde van een van zijn fabrieken naar Libië. Later overhandigden de Libiërs de Amerikanen twee plastic zakken (met de namen van een kleermaker in Islamabad en een stomerij erop) met bomontwerpen. In 2004 bekende Khan live op televisie dat hij de technologie had overgedragen aan Libië, Iran en Noord-Korea. Tegen die tijd konden de VS zijn straf niet eisen, aangezien Pakistan een bondgenoot was in de ‘oorlog tegen terreur’.
Ondertussen gaf de Nederlandse regering in 2004 toe dat er Iraanse centrifuges waren gezien die gebruikmaakten van ‘Urenco-technologie uit de jaren zeventig’. De centrifuges van Pakistan waren vergelijkbaar. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken zei tegen Financial Times: ‘Nederland hecht veel belang aan het non-proliferatieverdrag en het voorkomen van proliferatie. Nederland heeft niet actief bijgedragen aan ongewenste verspreiding van kennis.’
Uit de gratie
Khan trok zijn bekentenis later in. Enkele jaren kreeg een Amerikaanse documentairemaker Veerman zover om zijn oude vriend te bellen. Khan, die het vervelend vindt om als een gewone spion te worden neergezet, zei tegen hem: ‘Frits, jij bent de grootste leugenaar die er is.’ Khan is nu uit de gratie bij de Pakistaanse regering. Personeel van de veiligheidstroepen, dat in het naastgelegen huis is geïnstalleerd, verhindert hem om zijn familieleden, vrienden en advocaten te ontmoeten, klaagde hij vorige maand tijdens zijn beroep tegen het Pakistaanse Hooggerechtshof.
Hoe ziet Veerman hem nu? Veerman denkt na en zegt dan: ‘Hij heeft zijn land geweldige diensten bewezen. Volgens mij werkte hij als spion. Dat betekent niet dat ik vijandig tegenover hem sta. Toen we samen tijd doorbrachten, vond ik hem een aardige man.’
Over zijn eigen land oordeelt Veerman harder: ‘Als Iran er ooit in slaagt Israël te vernietigen, kunnen ze op de wapens “Made in Holland” zetten.’
Niet alle Braziliaanse vrouwen deden onlangs mee in een massale demonstratie tegen de kandidatuur van Jair Messias Bolsonaro, gewapend met bordjes met ‘#EleNão’ [NietHij].
De op 28 oktober verkozen president van Brazilië heeft onder de 55 procent van de Brazilianen die voor hem hebben gestemd in iedere geval één vrouw: deze sympathisant van de voormalig militair en van buitensporig grote wapens.
Saoedi-Arabië is verantwoordelijk voor duizenden burgerdoden in Jemen. En wat doet het Westen? Dat kijkt toe en levert wapens.
Op 9 augustus treft een bom een bus vol kinderen in de provincie Sa’dah, in het noorden van Jemen. Hulpverleners tellen 51 doden en 79 gewonden. De beelden van de bebloede kinderen veroorzaken een golf van internationale verontwaardiging.
De woede is gericht tegen de militaire coalitie onder Saoedische leiding, die sinds maart 2015 in Jemen opereert ter ondersteuning van de voormalige president Al-Hadi, die in 2015 door de Houthi-rebellen werd verdreven. De bombardementen van deze coalitie hebben al duizenden burgerslachtoffers gemaakt. De VN, de VS en Frankrijk eisen een onderzoek. Spanje zegt wapenleveringen aan Riyad te heroverwegen. De gêne in Washington groeit wanneer CNN een week later onthult dat het bloedbad is veroorzaakt door een lasergestuurde bom van Amerikaanse makelij, door de VS aan hun bondgenoot geleverd.
Mensenrechtenorganisaties eisen al jaren dat er een eind wordt gemaakt aan de wapenleveranties aan alle strijdende partijen in Jemen, en komen ook nu in het geweer. Zij hopen dat het bloedbad van Sa’dah de westerse landen kan overtuigen van de noodzaak hun Arabische bondgenoot te dwingen zijn militaire betrokkenheid te verminderen. Maar nadat de Spaanse regering begin september aankondigde het contract voor de levering van bommen te annuleren, is ze nu teruggekrabbeld onder druk van Saoedi-Arabië, dat dreigde een voor Spanje veel lucratievere deal over de levering van vijf oorlogsschepen te verscheuren.
De Duitse regering kondigde begin dit jaar een moratorium af op de wapenexport naar landen die bij de oorlog in Jemen zijn betrokken, maar werd onlangs betrapt op het schenden ervan. ‘Niet verwonderlijk’, zegt een westerse fabrikant die in Riyad is gevestigd. ‘De Duitse bedrijven zitten in de problemen in het koninkrijk. Als ze hierheen komen om zaken te doen, wil niemand hen ontvangen.’
Agressieve diplomatie
Begin augustus had Saoedi-Arabië al woedend gereageerd op een tweet van de Canadese minister van Buitenlandse Zaken, waarin zij kritiek uitte op de arrestatie van mensenrechtenactivisten in het koninkrijk. Er volgden strafmaatregelen, waaronder het wegsturen van de Canadese ambassadeur en het bevriezen van Saoedische investeringen in Canada. Dit soort boze reacties is tekenend voor het duo dat in Riyad aan de macht is, koning Salman bin Abdoel al-Saoed en zijn zoon Mohammed bin Salman. Zij gaven het bevel voor het militair ingrijpen in Jemen, uitgevoerd in samenwerking met de Verenigde Arabische Emiraten en alom opgevat als een nieuwe, agressievere vorm van diplomatie om de uitbreiding van de Iraanse invloed in het Midden-Oosten in te perken. De Houthi-strijders zijn zaiditisch – een tak van het sjiisme – en de Saoediërs beschouwen hen als Teherans paard van Troje. ‘Ze hebben besloten dat niemand hun in de weg zal staan, hoe dan ook’, verklaart een zakenman die de machtige kringen in Saoedi-Arabië goed kent. ‘Zolang de VS hen steunt, kunnen ze zich alles veroorloven.
Met een olieprijs van 80 dollar per vat lopen ze ook weinig risico. En de Britten mopperen voorlopig ook niet, net zomin als de Fransen.’
Begin september kwam Saoedi-Arabië zijn bondgenoten enigszins tegemoet. De coalitie die aanvankelijk had verklaard dat het bombardement op Sa’dah ‘binnen het internationale recht’ viel, erkende ‘zich te hebben vergist’. Het koninkrijk beloofde de verantwoordelijken te straffen en de familie van de slachtoffers een schadevergoeding aan te bieden. Maar de kans dat deze zeldzame schuldbekentenis verandering zal brengen in de beschietingen en het burgerleed zal verminderen, lijkt vooralsnog klein.
In drieënhalf jaar strijd, waarin volgens de organisatie Jemen Data Project 18.000 luchtaanvallen zijn uitgevoerd,
heeft Riyad altijd burgerdoelen getroffen: eerst vooral economische infrastructuur, later ook markten, woongebouwen en openbare bijeenkomsten. Bij een deel van die beschietingen is er duidelijk sprake van een vergissing, een gevolg van het notoire gebrek aan professionaliteit bij de Saoedische piloten. Maar de bombardementen maken ook deel uit van een strategie: het isoleren en uitputten van de Houthi’s, die het grootste deel van het dichtbevolkte noorden van het land beheersen. Het gevolg: van de in totaal 6600 burgerslachtoffers sinds maart 2015 zijn er 4300 omgekomen door bommen van de coalitie, volgens een schatting van het Hoge Commissariaat voor de Rechten van de Mens van de VN. En dat is nog een voorzichtige schatting. De onafhankelijke organisatie ACLED, die de gegevens van het conflict bijhoudt, spreekt over 50.000 doden tussen januari 2016 en juli 2018, en daarbij worden de slachtoffers van de ineenstorting van de staat en de economie niet meegeteld.
In reactie op de verontwaardiging van mensenrechtenorganisaties zetten de vs, die de vliegtuigen van de coalitie in de lucht bevoorraden en het koninkrijk voorzien van inlichtingen, de Saoediërs nu onder druk om hun trefzekerheid te verbeteren.
‘Jemen is het Vietnam van de Saoedi’s geworden’
Tot nu toe tevergeefs. De Saoediërs beweren geen andere keus te hebben dan doorgaan met de aanvallen in het gebied rond Hodeida, de grootste haven van het land, van waaruit de Houthi’s eenderde van hun inkomsten zouden betrekken. De bombardementen dienen als drukmiddel op de Houthi’s om te onderhandelen over een politieke oplossing voor het conflict.
‘Jemen is het Vietnam van de Saoedi’s geworden’, zegt een VN-functionaris. ‘Ze zijn er op kleine schaal aan begonnen en nu is er sprake van een vlucht naar voren, waarbij alle internationale verdragen met voeten worden getreden. Maar Trump heeft toch geen goed woord over voor het Internationaal Strafhof en de Europese leiders maken zich alleen druk om de werkgelegenheid en kunnen blijkbaar niet tot een gezamenlijk standpunt komen, dus wat kan hun gebeuren?’ Niet veel, moet een westerse functionaris tot zijn spijt toegeven. ‘Alle belangrijke bondgenoten van Riyad uiten hun twijfels, ze weten dat deze oorlog niet te winnen valt. En toch blijven ze prioriteit geven aan de verkoop van wapens.’
In 1944 opgericht op initiatief van generaal Charles de Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 eigendom van drie private investeerders). Le Monde onderhoudt een groot netwerk van correspondenten over de hele wereld.
Voor een land dat zwemt in de olie en makkelijk zou kunnen overschakelen op zonne-energie, is een mega-investering in kerncentrales een vreemde stap. Het echte doel is dan ook een kernwapenprogramma, vrezen sceptici.
Saoedi-Arabië bezit de op een na grootste oliereserves ter wereld en hoeft zich dus weinig zorgen te maken om energie. Maar het koninkrijk wil nu toch een van de grootste investeringen in kernenergie aller tijden plegen: het steekt 80 miljard dollar in de bouw van zestien kernreactoren die de komende vijfentwintig jaar moeten verrijzen.
Uit deze krachtpatserij blijkt dat het ’s werelds meest iconische oliegigant ernst is met het terugdringen van zijn bijna totale afhankelijkheid van olie – maar kan het ook zijn dat het land op termijn een kernarsenaal nastreeft?
123-overeenkomst
Saoedi-Arabië stelt dat het zijn energieportefeuille wil uitbreiden. Elektriciteitsopwekking uit kernreactoren betekent dat de Golfstaat zelf minder olie hoeft te consumeren en er dus meer van kan exporteren. Meer export betekent meer overheidsinkomsten.
Volgens energiedeskundigen wil Saoedi-Arabië zo snel mogelijk munt slaan uit zijn oliereserves, omdat verwacht wordt dat de mondiale vraag op termijn zal afnemen vanwege de opkomst van hernieuwbare energie en de uiteindelijke dominantie van de elektrische auto. En dus is het zaak het accent in de Saoedische economie te verleggen van olie naar de tech- en entertainmentsector.
Momenteel is Riyad in gesprek met bedrijven uit meer dan tien landen over de aankoop van nucleaire technologie om de eerste twee reactoren te bouwen – en Amerikaanse gegadigden staan vooraan in de rij. Probleem is wel dat de regering-Trump voorafgaand aan elke Amerikaanse verkoop een overeenkomst voor nucleaire samenwerking met Saoedi-Arabië moet sluiten, een zogeheten ‘123-overeenkomst’ waarin landen beloven dat ze de krachtige nucleaire installaties die ze van de VS kopen niet op oneigenlijke wijze zullen gebruiken.
Gesprekken tussen de VS en Saoedi-Arabië over een dergelijk akkoord zijn al gaande – de Amerikaanse minister van Energie Rick Perry besprak de zaak in maart in Londen met Saoedische functionarissen, en ook president Trump zal de kwestie hebben aangesneden tijdens zijn ontmoeting met de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman kort geleden.
Dekmantel
Experts op het gebied van nucleaire proliferatie en Amerikaanse Congresleden van beide partijen maken zich echter grote zorgen over de deal. Zij vrezen dat Riyad zal proberen de technologie te gebruiken om een kernwapenprogramma op te zetten. Dat zou een van de meest instabiele regio’s ter wereld nog instabieler maken. Sommige sceptici denken zelfs dat het energieverhaal van Riyad louter een dekmantel is voor militaire ambities.
Dit is meer dan een gissing. In een interview met de Amerikaanse omroep CBS op 18 maart gaf de Saoedische kroonprins, ook wel MBS genoemd, openlijk toe dat nucleaire bewapening een optie was: ‘Saoedi-Arabië wil geen kernwapens hebben, maar als Iran ze ontwikkelt, dan zullen wij zeker niet achterblijven.’
De regering-Trump kan proberen ervoor te zorgen dat dit nooit gebeurt. Met de ‘123-overeenkomst’ kan het de Saoedi’s dwingen tot een juridisch bindende toezegging dat ze geen uranium zullen verrijken of verbruikte splijtstof zullen opwerken – processen die nodig zijn om kernwapens te maken.
Naar verluidt overweegt Washington echter om Saoedi-Arabië toe te staan uranium te verrijken. Daarvoor zouden volgens deskundigen twee belangrijke redenen zijn. Ten eerste heeft Trump duidelijk een zwak voor Saoedi-Arabië: het was het eerste land dat hij op zijn eerste buitenlandse reis als president bezocht. Ook steunde hij een aantal van Riyads meest radicale politieke beslissingen, zoals de campagne van afgelopen zomer om buurland Qatar te isoleren en de vernietigende militaire interventie in Jemen.
Ten tweede zou Trump kunnen zwichten voor het aanlokkelijke vooruitzicht van miljardencontracten voor Amerikaanse nucleaire productiebedrijven die dolgraag zaken willen doen. De verleiding om een deal te accepteren die de weg naar een Saoedische kernbom effent is mogelijk te groot om te weerstaan.
Saoedi-Arabië blijft erbij dat het alleen kernenergie wil om de energieproductie te verhogen en niet om wapens te bouwen. ‘Wij voelen wij er niets voor nucleaire technologie aan te wenden voor militaire doeleinden en doen juist erg ons best om de verspreiding van kernwapens door anderen tegen te gaan,’ aldus de Saoedische minister van Energie Khalid al-Falih op een gezamenlijke persconferentie met minister Perry in december vorig jaar.
Het nucleaire akkoord dat Iran in 2015 met onder meer de VS tekende, beperkt de mogelijkheden van het land om materiaal te maken dat nodig is voor een atoombom aanzienlijk, maar rond 2030 verlopen cruciale onderdelen van de overeenkomst
Energiedeskundigen zeggen dat het zeker zin heeft voor Saoedi-Arabië om nieuwe vormen van energie te genereren, zodat het meer van zijn olie kan exporteren voordat de verwachte waardedaling van deze grondstof een feit is. Maar waarom gekozen voor nucleaire energie als alternatief, in plaats van hernieuwbare energie?
Joe Romm, een voormalig onderminister van Energie tijdens de Clinton-jaren, vertelde me dat Saoedi-Arabië een groot deel van het land van stroom zou kunnen voorzien met zonne-energie. De uitgestrekte woestijnen waar de zon vrijwel permanent zeer fel schijnt zijn daarvoor van nature geschikt.
Aangezien Saoedi-Arabië tegen extreem lage kosten zonne-energiecentrales zou kunnen bouwen om zonnestroom te produceren, is het, aldus Romm, ‘vanuit energie-oogpunt niet zo logisch dat de Saoedi’s zo’n sterke voorkeur aan de dag leggen voor de nucleaire optie, die notoir duur is’.
Leg de plannen van Saoedi-Arabië om te investeren in hernieuwbare energie naast de voorgenomen investeringen in kernenergie, en je ziet volgens Romm dat Riyad minstens drie keer zo veel elektriciteit uit kernreactoren zal proberen op te wekken als uit hernieuwbare energie.
Militaire ambities
Amerikaanse experts op het gebied van buitenlandse politiek en nucleaire non-proliferatie zijn het door de bank genomen eens dat de voorkeur voor het ene programma boven het andere maar één ding kan betekenen: militaire ambities.
‘Ik denk dat een belangrijke – zo niet de belangrijkste – drijfveer voor het nucleaire programma van Saoedi-Arabië de veiligheidscompetitie met Iran is,’ aldus Kingston Reif, een non-proliferatie-expert bij de Arms Control Association.
Iran is de aartsrivaal van Saoedi-Arabië in het Midden-Oosten en Saoedi-Arabië vreest dat Teheran zijn civiele nucleaire programma zal gebruiken om in de toekomst wapens te maken en de machtsverhoudingen in de regio daarmee in zijn voordeel te doen omslaan. Het nucleaire akkoord dat Iran in 2015 met onder meer de VS tekende, beperkt de mogelijkheden van het land om materiaal te maken dat nodig is voor een atoombom aanzienlijk, maar rond 2030 verlopen cruciale onderdelen van de overeenkomst.
Die beperkingen kunnen nog veel sneller tot het verleden behoren wanneer Trump zijn herhaalde dreigementen uitvoert om zich uit de deal terug te trekken. Iran kan in dat geval binnen enkele dagen de nodige stappen zetten in de richting van wapenproductie.
Aangezien MBS openlijk heeft toegegeven dat Saoedi-Arabië zich genoodzaakt zal voelen kernwapens na te streven als Iran hetzelfde doet, moet een Saoedisch civiel nucleair programma welhaast als een potentiële militaire troef worden beschouwd.
De regering-Trump is momenteel in onderhandeling met de Saoedi’s over een overeenkomst inzake nucleaire samenwerking. Waarschijnlijk kwam die ter sprake toen de kroonprins op 20 maart te gast was in het Witte Huis. (Noch Saoedi-Arabië, noch de VS vermeldde hier iets over naar aanleiding van de bijeenkomst, wel werd er gezinspeeld op ‘nieuwe handelsovereenkomsten’.)
Volgens recente berichten zal het Witte Huis Saoedi-Arabië mogelijk toestaan uranium te verrijken. Een land kan uranium verrijken om brandstof te produceren voor zijn kernreactoren, maar datzelfde proces kan ook dienen om een atoombom te maken – en dat heeft de bezorgdheid van Amerikaanse Congresleden van beide partijen gewekt.
‘Het interview met de kroonprins van vorige week zou reden genoeg moeten zijn voor de regering om de rem te zetten op de onderhandelingen en te benadrukken dat er geen 123-overeenkomst mogelijk is die verrijking en opwerking omvat,’ aldus het Republikeinse Congreslid Ileana Ros-Lehtinen, voorzitter van de Subcommissie Buitenlandse Zaken voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika van het Huis van Afgevaardigden. ‘Maar helaas blijkt uit het weinige dat de regering loslaat dat ze deze deal louter in handelstermen beziet en dat de nationale veiligheid niet of nauwelijks een overweging is.’
Senator Bob Corker, voorzitter van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen, heeft de regering laten weten dat er in het Congres vanuit beide partijen weerstand is tegen een 123-overeenkomst die uraniumverrijking toestaat.
Het Witte Huis moet de overeenkomst ter beoordeling aan het Congres voorleggen en Congresleden kunnen deze blokkeren met een gezamenlijke resolutie.
Maar dat kan een averechts effect hebben: de Saoedi’s kunnen zich dan tot Russische of Chinese bieders wenden. En volgens analisten zullen de Russen en Chinezen minder geneigd zijn de verrijkings- of opwerkingsambities van Saoedi-Arabië te beteugelen. Om die reden stellen sommige analisten dat Washington een compromis met Riyad moet overwegen.
‘Ik zie liever de Amerikaanse nucleaire industrie in Saoedi-Arabië dan die van Rusland of China, dus moeten we ons met de Saoedi’s zien te verstaan’
‘Ik zie liever de Amerikaanse nucleaire industrie in Saoedi-Arabië dan die van Rusland of China, dus moeten we ons met de Saoedi’s zien te verstaan. We moeten de best mogelijke beperkingsclausules voor verrijking en opwerking zien te bedingen, inclusief een verbod voor langere tijd, bijvoorbeeld twintig of vijfentwintig jaar,’ aldus Robert Einhorn, voormalig adviseur wapenbeheersing en ontwapening van het ministerie van Buitenlandse Zaken, tegen The Washington Post. ‘We moeten enige flexibiliteit tonen.’
Saoedi-Arabië beschouwt het vermogen om uranium te verrijken als een ‘soeverein’ recht, en kon geen 123-overeenkomst met de regering-Obama bereiken omdat president Obama weigerde dat recht te erkennen.
Alexandra Bell, een expert op het gebied van wapenbeheersing uit het Obama-tijdperk, vertelde me dat de Saoedi’s niet zullen toegeven ‘zonder druk uit de allerhoogste kringen van het Witte Huis’. Dat wil zeggen: aanhoudende druk van de president zelf of topfunctionarissen als minister van Energie Perry. Maar Trump ligt misschien helemaal niet wakker van de verrijkingskwestie. Hij bekijkt de kwestie door een andere bril dan zijn voorganger – voor de huidige president stijgen de belangen van het Amerikaanse bedrijfsleven ver uit boven het veiligheidsaspect. Vorig jaar, toen Trump zijn enorme wapendeal van 110 miljard dollar met de Saoedi’s beklonk, verkocht hij dit aan het publiek als een manier om ‘banen, banen en nog eens banen’ voor de VS te creëren.
Een nucleaire deal met de Saoedi’s betekent een stimulans voor de in zwaar weer verkerende Amerikaanse nucleaire bouwbedrijven. Westinghouse, de meest prominente Amerikaanse bieder, zit momenteel in een faillissementsprocedure, wat nu al duizenden banen heeft gekost.
In hun onderhandelingen met Washington zullen de Saoedi’s Trumps gevoeligheid voor het werkgelegenheidsaspect waarschijnlijk als dankbaar drukmiddel gebruiken om hun zin te krijgen.
in 2014 opgerichte nieuws- en opiniesite die onderdeel is van Vox Media. Dit technologiebedrijf beheert ook de sportwebsite SB Nation, de technologiesite The Verge en gamingsite Polygon.Vox heeft als missie om ‘het nieuws uit te leggen‘ en richt zich op een jong en welvarend publiek.
Obama werd gekozen op een golf van optimisme, met de belofte dat hij Amerika’s wonden zou helen. Is dat hem gelukt? Gary Younge kijkt terug op een adembenemende verkiezingsnacht in 2008 – en op wat volgde.
Toen op de avond van de verkiezingen van 2008 Ohio was binnengehaald, steeg er luid gejuich op in de President’s Lounge, een bar in de overwegend zwarte south side van Chicago. Er werd champagne ontkurkt, onbekenden vielen elkaar om de hals, agenten in patrouillewagens riepen de naam van de zojuist gekozen president door hun luidspreker: ‘Obama!’
Terwijl ik mijn blik over alle gezichten aan de bar liet glijden, keek een vrouw me stralend aan, hief haar margarita en riep: ‘Mijn man zit in Afghanistan. Nu komt hij naar huis!’ Barack Obama had nooit gezegd dat hij een einde zou maken aan de oorlog in Afghanistan. Hij had juist beloofd dat hij de inzet van het Amerikaanse leger daar zou vergroten. Het was niet zo dat deze vrouw hem verkeerd had begrepen; ze had domweg haar hoop op hem geprojecteerd.
Dat was het effect dat Obama destijds op mensen had. Meestal werd er niet al te goed geluisterd naar wát hij zei, omdat men viel voor de manier waaróp hij het zei. Weloverwogen, welbespraakt, goed geïnformeerd: dit was een politicus die sprak in volzinnen met werkwoorden. Hij zou niet alleen de opvolger worden van George W. Bush. Hij was de anti-Bush.
En dan was er nog Obama’s uiterlijk: lang, knap, zwart – een stijlvolle verschijning, een representant van een bevolkingsgroep
En dan was er nog Obama’s uiterlijk: lang, knap, zwart – een stijlvolle verschijning, een representant van een bevolkingsgroep die is ondervertegenwoordigd en gemarginaliseerd. Het idee dat deze man aan het hoofd van het land zou staan, amper drie jaar na de orkaan Katrina, vervulde velen van ontzag. De details leken ineens onbelangrijk, waar het om ging was dat deze man president zou kunnen worden.
Ik hoorde voor het eerst over Barack Obama van wijlen mijn schoonmoeder, Janet Mack, die in Chicago woonde en al in 2003 deel uitmaakte van zijn campagneteam toen hij een Senaatszetel probeerde te behalen. Dat was het jaar waarin ik als correspondent van The Guardian naar Amerika verhuisde. Ik heb eerst in New York gewoond en later in Chicago, om afgelopen augustus weer terug te keren naar Londen. Janet had Obama een paar keer op een lokale televisiezender gezien en vond dat hij zinnige dingen zei. Ze was aanwezig geweest bij een demonstratie waar hij zich, als staatssenator, uitsprak tegen de invasie in Irak. Toen hij zich net verkiesbaar had gesteld was ze bang dat hij vermoord zou worden, maar langzaam raakte ze eraan gewend dat hij in de schijnwerpers stond. ‘Vergelijk het met mensen die in Californië wonen, met de aardbevingen,’ zei ze tegen me. ‘Je kunt niet voortdurend in angst leven.’
In 2008 gingen we samen naar het zuiden van Chicago voor Obama’s nominatiespeech, en we stonden met een paar honderd anderen in het Regal Theatre, waar een groot scherm hing. Er werd gehuild en er werden vuisten in de lucht gestoken. Onderweg naar huis kneep Janet, die als zwarte vrouw in het Zuiden was opgegroeid, even in mijn arm en lachte. Gewoonlijk was ze heel spraakzaam. Maar gedurende het halfuur dat we naar huis reden zei ze alleen maar, tegen niemand in het bijzonder: ‘Ik kan het nauwelijks geloven.’
Obama’s campagne voor de presidentsverkiezingen was in veel opzichten weinig opzienbarend. In de Senaat had hij in 90 procent van de gevallen net zo gestemd als Hillary Clinton. Hij stond ergens in het midden van de partij, beloofde herzieningen van de gezondheidszorg en een iets eerlijkere verdeling van de welvaart – precies die standpunten waar de gemiddelde Democraat zich al een generatie lang sterk voor maakte. Maar hij schoot als een komeet omhoog. Zijn verhaal was zo aansprekend, zijn retoriek zo meeslepend, zijn gedrevenheid zo overduidelijk – en zijn overwinning, toen die eenmaal was behaald, zo onwaarschijnlijk.
Obama was zich er al lange tijd van bewust dat de kiesgerechtigden in hem zagen wat ze in hem wilden zien. ‘Ik fungeer als een leeg scherm waarop kiesgerechtigden van zeer diverse politieke pluimage hun eigen visie kunnen projecteren,’ schreef hij in 2006 in De herovering van de Amerikaanse droom. ‘Ik zal dan ook sommige van die mensen teleurstellen, zo niet allen.’ Maar hij had er deels zelf de hand in gehad. Hij beweerde te zijn gevormd door de suffragettes, de burgerrechtenbeweging en de vakbonden, haalde toespraken aan uit die traditie en positioneerde zich als een man die voor een omwenteling kon zorgen. Op de laatste avond van de voorverkiezingen, in juni 2008, beloofde hij de menigte in Saint Paul, Minnesota, letterlijk de aarde: ‘Later zullen we onze kleinkinderen kunnen vertellen dat dit het moment was … waarop de stijging van de zeespiegel werd afgeremd en onze planeet weer kans kreeg om op krachten te komen.’
Herstelwerkzaamheden
Er waren flink wat herstelwerkzaamheden nodig. Toen Obama aan de macht kwam, had Amerika net een oorlog in de Golf verloren en was het aan de verliezende hand in Afghanistan. In een peiling onder negentien landen bleek twee derde van die landen een negatieve kijk te hebben op Amerika. De Amerikanen zelf hadden ook geen al te best zelfbeeld. Door de bankencrisis was hun economie in een vrije val beland. De armoede nam hand over hand toe, de aandelen kelderden in recordtempo en slechts 13 procent van de bevolking had het idee dat het de goede kant op ging met het land.
Dit was het Amerika waarmee Obama werd opgezadeld toen hij op de verkiezingsavond van 2008 in een overwinningsroes met zijn gezin het podium betrad in Grant Park in Chicago – een visioen in het zwart voor een land dat nog niet van de schok was bekomen.
Toen de Irakoorlog nog maar net een jaar bezig was, leek de Amerikaanse samenleving meer gepolariseerd dan ooit. Maar het dieptepunt bleek nog niet te zijn bereikt
In Marshalltown, Iowa, staat op 26 januari van dit jaar een menigte urenlang in de ijzige kou te wachten op een toespraak van Donald Trump. Er worden petjes verkocht met ‘Make America Great Again’ (made in China), badges met de tekst ‘Bomb The Shit Out Of Isis’ en ‘Hillary For Prison 2016’. Een man loopt rond met een poster van Hitler die een rekening voor zorgkosten in zijn hand houdt en zegt: ‘Nu ben je te ver gegaan, Obama!’ Aan de overkant van de weg staan demonstranten, voornamelijk hispanics. In de loop van het afgelopen halfjaar heeft Trump Mexicanen uitgemaakt voor verkrachters, heeft hij beloofd alle moslims de toegang tot het land te ontzeggen en heeft hij Chinezen, gehandicapten, vrouwen en joden beledigd.
Binnen neemt sheriff Joe Arpaio uit Arizona het woord. Arpaio, die fel gekant is tegen immigranten en nog altijd volhoudt dat Obama’s geboortebewijs is vervalst, kondigt Trump aan, die tevoorschijn komt vanachter een gordijn. ‘Heeeeeere’s Donald!’ De menigte zwelt aan, er zijn honderden mensen op afgekomen, en ook de onoverdekte tribunes worden opengesteld om alle mensen te kunnen herbergen. Trump kraamt allerlei nonsens uit, een beetje als een dronken oom op een barbecue. Hij pocht over zijn muur om de Mexicanen buiten de deur te houden. ‘Het wordt een prachtige, reusachtige muur. O, wat zullen jullie die muur mooi vinden.’ Na afloop zegt Brian Stevens, 37 jaar, dat Trump grote indruk op hem heeft gemaakt. ‘Ik ben het niet in alles met hem eens. Maar ik denk wel dat hij kan zorgen dat er iets verandert. Iemand moet zich sterk maken voor Amerika. We hebben hem gewoon nodig.’
Obama vergaarde in één klap landelijke roem met de woorden dat dit soort dagen tot het verleden zouden behoren. Op de Democratische conventie in 2004 zei hij dat het leek alsof de politieke tweedeling van het land van buitenaf was opgelegd, door cynische arbeiders en simplistische media. Destijds, toen de Irakoorlog nog maar net een jaar bezig was, leek de Amerikaanse samenleving meer gepolariseerd dan ooit. Maar het dieptepunt bleek nog niet te zijn bereikt.
Toen Obama in 2008 presidentskandidaat was, was een van de belangrijkste beloften van zijn campagne dat hij boven de strijdende partijen zou gaan staan en zou zoeken naar een samenwerking die de partijen oversteeg. Zo liep het echter niet. In 2010 liet de toenmalige minderheidsleider in de Senaat, Mitch McConnell, weten dat het voor de Republikeinse partijtop ‘een politieke prioriteit was om te voorkomen dat president Obama een tweede termijn zou dienen’. Republikeinse Congresleden, die zelfs weigerden samen te werken met hun eigen partijleiding, dreigden herhaaldelijk de Verenigde Staten naar de rand van de afgrond te brengen, of domweg de hele overheid lam te leggen – tenzij Obama terug zou komen op gedane beloften, of wetten zou terugdraaien die al waren aangenomen.
Een paar jaar geleden, toen het door de Republikeinen gedomineerde Huis van Afgevaardigden ervoor zorgde dat de federale overheid gedurende een korte periode ‘op slot’ ging, maakte Congreslid Marlin Stutzman duidelijk hoezeer Obama’s tegenstanders dwarslagen: ‘We moeten zien dat we hier iets uit slepen,’ zei hij. ‘Al heb ik geen idee wát.’
Wat president Obama ook zei of deed, hij zou altijd een katalysator zijn voor politieke polarisatie. Volgens sommigen is dat te wijten aan het feit dat rechts zich niet kon neerleggen bij het feit dat de president zwart was, en vermoedelijk zit daar wel wat in. Maar er zat veel meer achter dan alleen de rassenkwestie: Obama belichaamt op heel veel verschillende manieren de zorgen van een deel van blank Amerika. Hij is de zoon van een Keniaanse immigrant in een periode waarin Amerika het heel moeilijk heeft met de gevolgen van immigratie en buitenlandse handel. Hij is de zoon van een niet-praktiserende moslim die aan de macht kwam op het moment dat het land oorlogen verloor in landen met een bevolking die in meerderheid uit moslims bestaat. Hij komt voort uit een gemengd huwelijk in een periode waarin de snelst groeiende etnische groepering in het land de groep is die zich identificeert met ‘meer dan één ras’. Hij is een niet-blanke president die zijn presidentschap eindigt in een tijd waarin in Amerika de meerderheid van de kinderen onder de vijf niet blank is.
Zowel in demografische als geopolitieke zin betekent het niet meer hetzelfde als vroeger om een blanke Amerikaan te zijn. Voor wie zich niet bij die ontwikkeling kon neerleggen groeide Obama uit tot de belichaming van zowel de gevoelde dreiging als de vernedering. Trump is in veel opzichten hun antwoord.
In zijn laatste State of the Union, in januari, erkende Obama dat er niet veel was terechtgekomen van zijn droom van een politiek klimaat van consensus. ‘Een van de weinige dingen van mijn presidentschap die ik betreur,’ zei hij, ‘is dat de rancune en de argwaan tussen de partijen niet is afgenomen, maar alleen maar is verhevigd. Ik twijfel er geen seconde aan dat een president met de talenten van een Lincoln of een Roosevelt beter in staat zou zijn geweest de kloof te dichten, en ik verzeker u dat ik me zal blijven inzetten om het beter te doen zolang ik dit ambt bekleed.’ Met nog maar negen maanden te gaan in een verkiezingsjaar is het nauwelijks voorstelbaar dat de impasse nog kan worden doorbroken.
Tegen het einde van Obama’s eerste termijn, in 2012, was er een wijdverbreid gevoel dat het allemaal niet snel genoeg ging, dat hij te makkelijk zwichtte voor zijn tegenstanders. Het was alsof hij eerst met zichzelf in onderhandeling ging voordat hij een handreiking deed naar de tegenpartij, die de uitgestoken hand vervolgens laatdunkend wegsloeg. Nadat hij was verkozen op een golf van optimisme, leek hij gereserveerd en stuurloos. Nadat hij harten had beroerd met zijn toespraken, leek hij niet langer in staat de mensen te bereiken.
Tijdens een op televisie uitgezonden bijeenkomst in een gemeentehuis, twee jaar na zijn verkiezing, richtte Velma Hart, een Afro-Amerikaanse vrouw met twee kinderen, het woord tot Obama en verwoordde de desillusie van velen. ‘Ik kan het niet langer opbrengen,’ zei ze tegen hem. ‘Ik kan het niet langer opbrengen om u te verdedigen, om uw beleid te verdedigen, om het stelsel van veranderingen te verdedigen waar ik me sterk voor heb gemaakt, en ik ben diep teleurgesteld hoe we er nu voor staan.’ In relatie tot Obama moeten mensen hun teleurstelling onder ogen zien. Vaak zegt die net zoveel over henzelf als over Obama.
Ik was voor Obama in de strijd met Hillary Clinton, omdat hij zich tegen de oorlog in Irak had gekeerd in een tijd waarin dat zijn politieke carrière had kunnen schaden; zij had de oorlog gesteund omdat dat gunstig was voor haar carrière. Naar mijn idee was hij de meest progressieve kandidaat. Al snel sloeg de teleurstelling toe.
Tweede campagne
Ik was blij met het raciaal symbolische belang van Obama’s overwinning, en ik verheugde me. Maar ik verheerlijkte het niet, omdat ik niet verwachtte dat het veel concreets zou opleveren. Als kandidaat speelde zijn ras een essentiële rol, maar in zijn boodschap kwam het niet aan de orde. Toen ik de tekst van zijn aanvaardingsspeech van 2008 doornam, viel me op dat hij Martin Luther King had geciteerd zonder hem bij naam te noemen – hij verwees naar hem als ‘de oude prediker’. Als een zwarte kandidaat niet onomwonden Martin Luther King kan citeren, dacht ik, wie kan hij dan wel citeren?
Obama heeft nooit radicale veranderingen beloofd, en gezien de structuren waarbinnen hij moest opereren had hij ook nauwelijks kans die daadwerkelijk door te voeren. Het is uitgesloten om president van Amerika te worden zonder vele miljoenen aan sponsoring te krijgen van rijke mensen en bedrijven (tenzij je zelf miljardair bent). Die mensen zullen zich allemaal tegen je keren als je niet hun belangen behartigt. Het Congres, waar Obama de strijd mee moest aanbinden, is al evenzeer gecorrumpeerd door financiële belangen.
Dat pleit Obama niet vrij. Op vele terreinen, met name op het vlak van de economie, de banken en de persoonlijke vrijheid, had hij meer kunnen doen, of het beter kunnen doen. Dat heeft hij ook zelf toegegeven; in 2011, kort voor zijn herverkiezing, heeft hij een lijst samengesteld van punten waarop hij onvoldoende heeft gepresteerd: hervormingen op het gebied van immigratie, armoede, het Midden-Oosten, Guantanamo Bay en het homohuwelijk. In 2011 zagen ook de mensen die dicht bij Obama stonden dat hij niet alleen zijn basis dreigde te verliezen, maar ook zijn bestaansrecht als de man die voor verandering zou zorgen.
Destijds zag het er niet al te rooskleurig uit voor Obama. Zijn tweede campagne was bij lange na niet zo euforisch als de eerste. De redenering van de president was kort gezegd als volgt: ‘Het land stond er belabberd voor toen ik aan de macht kwam, het gaat nu veel beter dan wanneer ik niet aan de macht zou zijn geweest, en het zal veel slechter gaan als ik de macht verlies.’ Wat begon als ‘Yes we can’ was verworden tot ‘Het had erger gekund’. Maar Obama heeft het altijd getroffen met zijn vijanden. Mitt Romney bleek een kansloze kandidaat.
Naarmate het einde van Obama’s ambtsperiode naderbij komt, hoeven we ons niet langer te beperken tot de discussie over wat zijn presidentschap betekent; we kunnen het nu ook in duidelijke bewoordingen hebben over wat Obama heeft klaargespeeld.
Vanuit esthetisch oogpunt is Obama’s publieke imago altijd een beetje retro geweest
Iedereen heeft zijn eigen lijstje. Die lijstjes zijn geen van alle uitputtend. Obama heeft de Amerikaanse soldaten teruggetrokken uit Irak (om daar later weer te gaan bombarderen), hij heeft de betrekkingen met Cuba aangehaald, heeft Osama Bin Laden gedood, heeft een nucleaire overeenkomst gesloten met Iran en heeft het aanzien van Amerika in de wereld aanzienlijk vergroot. Twintig miljoen onverzekerde volwassen hebben nu een zorgverzekering dankzij Obamacare. Toen Obama aan de macht kwam, was er een werkloosheid van 7,8 procent, die ook nog eens opliep; vandaag de dag ligt het op 4,9 procent en is het dalende. Obama heeft het uitzetten van ouders van in Amerika geboren of legaal in Amerika verblijvende kinderen weten te traineren, en ook heeft hij ervoor gezorgd dat kinderen die illegaal met hun ouders het land zijn binnengekomen meer bescherming genieten (de Dream Act). De opbrengst van wind- en zonne-energie is verdriedubbeld; de auto-industrie is gered. Hij heeft zich uiteindelijk in krachtige bewoordingen uitgesproken voor maatregelen om het wapenbezit aan banden te leggen. Hij heeft twee vrouwen benoemd in het Hooggerechtshof, Elena Kagan en Sonia Sotomayor (de eerste Latina).
Er zijn natuurlijk ook feiten die een heel ander beeld schetsen. Onder Obama is de strijd in Afghanistan geëscaleerd, en de troepen zitten er nog altijd; er zijn meer mensen uitgezet dan onder welke Amerikaanse president in de geschiedenis ook; hij heeft de Espionage Act uit 1917 gebruikt om twee keer zoveel klokkenluiders te vervolgen als alle eerdere presidenten bij elkaar; onder zijn bewind is het aantal drone-aanvallen in Pakistan met 700 procent toegenomen (om nog maar te zwijgen van Jemen, Somalië en andere gebieden), waarbij tussen de 1900 en de 3000 slachtoffers zijn gevallen, onder wie meer dan honderd burgers; er zijn Amerikanen zonder proces geëxecuteerd; de ongelijkheid in welstand en de inkomensongelijkheid zijn toegenomen en de bedrijfswinsten hebben een hoge vlucht genomen; zijn partij heeft legendarische tussentijdse verkiezingsnederlagen geleden. In Syrië heeft hij een rode lijn in het zand getrokken en vervolgens ontkend dat hij dat had gedaan; hij zei dat hij geen troepen zou sturen en deed het vervolgens toch.
De discrepanties tussen Obama’s campagnebeloften en de daadwerkelijke maatregelen zijn het sterkst waar het om burgerrechten gaat. ‘Deze regering spiegelt ons een valse keuze voor tussen de vrijheden die we koesteren en de veiligheid die we kunnen bieden,’ zei hij als presidentskandidaat op 1 augustus 2007. ‘Honderd procent veiligheid en honderd procent privacy, zonder daar op wat voor manier dan ook hinder van te ondervinden, is uitgesloten,’ zei hij op 7 juni 2013, toen de Edward Snowden-affaire speelde. ‘We zullen bepaalde keuzes moeten maken.’
Tot slot zijn er de dingen die Obama heeft nagelaten. Hij heeft niet één medewerker van de geheime dienst vervolgd wegens marteling; hij heeft niet één topman uit de financiële wereld vervolgd wegens misdrijven in verband met de crash van 2007/2008; hij heeft Guantanamo Bay niet gesloten.
Maar een nalatenschap is iets anders dan een grootboek. Het is tegelijkertijd minder concreet dan een opsomming, én van diepere betekenis. Een nalatenschap gaat net zozeer om wat mensen voelen als om wat ze weten, het gaat net zozeer om het heden als om het verleden. Vanuit esthetisch oogpunt is Obama’s publieke imago altijd een beetje retro geweest – denk aan de oorspronkelijke campagneposters met ‘Hope’ en ‘Change’. Met zijn gezin aan zijn zijde straalde het merk Obama niet zozeer glamour uit, maar eerder stijl. Net als John F. Kennedy droeg hij een beeld uit dat voldoende Amerikanen nastreefden of waaraan ze behoefte hadden, of beide: een jong, aantrekkelijk gezin, een stralende toekomst.
Foto’s van Obama in het Witte Huis wekken de indruk dat zowel hij als Michelle zich deze rol moeiteloos hebben aangemeten.
Toen Virgina McLaurin, een Afro-Amerikaanse vrouw van 106, haar droom in vervulling zag gaan en eerder dit jaar een bezoek mocht brengen aan het Witte Huis, dansten de president en zijn vrouw heel ontspannen met haar. ‘Rustig aan, niet zo snel,’ grapte Obama. Naarmate we verder in zijn tweede ambtstermijn komen, lijkt hun positie hun steeds meer te passen als een tweede huid – dat die huid zwart is, is voor velen nog altijd iets bijzonders. ‘Ik had niet gedacht ooit van mijn leven in het Witte Huis te zullen komen,’ zei McLaurin, opkijkend naar de gastheer en gastvrouw. ‘Ik ben zo gelukkig. Een zwarte president, een zwarte vrouw, en ik ben hier om het zwarte verleden eer te bewijzen.’
Een nalatenschap is geen statisch gegeven; het is aan voortdurende verandering onderhevig. Een paar jaar voor Martin Luther Kings dood moest bijna twee derde van de Amerikaanse bevolking maar weinig van hem hebben, vanwege zijn opstelling in de Vietnamoorlog en vanwege het feit dat hij een herverdeling van de welvaart voorstond. Maar nog geen generatie later werd zijn geboortedag landelijk gevierd.
Ronald Reagan wordt inmiddels bejubeld als held van de conservatieven, hoewel hij zich sterk maakte voor een pardon voor ongeregistreerde migranten en het overheidstekort gigantisch liet oplopen. Tijdens de laatste jaren van Clintons presidentschap gingen de meeste mensen ervan uit dat hij voornamelijk herinnerd zou worden om alle schandalen. Maar nee, hij werd geroemd omdat hij het land uit het financiële dal had laten klimmen. Toen zijn vrouw zich kandidaat stelde als presidentskandidaat voor de Democraten, moest hij terugkomen op wezenlijke onderdelen van die nalatenschap – de aanpak van de misdaad, de hervorming van de gezondheidszorg, de financiële deregulatie – maatregelen waardoor Afro-Amerikanen er disproportioneel op achteruitgingen en waar de banken garen bij sponnen.
‘De geschiedenis zal veel milder oordelen dan het huidige Republikeinse Huis van Afgevaardigden,’ zegt Mitch Stewart, die een belangrijke rol speelde in beide verkiezingscampagnes van Obama. ‘De geschiedenis zal stilstaan bij de onderbelichte successen die deze regering heeft geboekt. Een efficiënter gebruik van energie, het terugdraaien van de CO2-uitstoot. Hij heeft het studiefinancieringsstelsel hervormd, wat grote gevolgen heeft voor een nieuwe generatie studenten. Hij heeft de Verenigde Staten een impuls gegeven die nog lang na zijn presidentschap vruchten zal afwerpen. Zijn nalatenschap draait om al deze kleinere successen die nauwelijks aandacht hebben gekregen, maar waar een hele generatie de gevolgen van ondervindt.’
Rassengelijkheid
De ironie wil dat het aspect van Obama’s nalatenschap waar hij vooral om zal worden herinnerd – het feit dat hij de eerste zwarte president was – betrekking heeft op een terrein waarop nauwelijks echte vooruitgang is geboekt: rassengelijkheid. De inkomensongelijkheid tussen zwarte en blanke Amerikanen is alleen maar toegenomen, evenals de werkloosheid en de armoede onder zwarten; de zwarte inkomens zijn gestagneerd. Dat wil niet zeggen dat hij niets heeft bereikt. Hij heeft meer zwarte rechters benoemd dan ooit, duizenden niet-gewelddadige drugdealers in vrijheid gesteld, het verschil in strafmaat voor crack en cocaïne verkleind. Alles wat hij heeft gedaan voor de armen, zoals Obamacare, pakt disproportioneel gunstig uit voor Afro-Amerikanen.
Maar over het geheel genomen is Obama’s raciale nalatenschap eerder van een symbolische dan van een concrete orde. Het feit dat hij president kon worden dwong Afro-Amerikanen om hun eigen beeld van Amerika kritisch onder de loep te nemen. Hun eigen leven was er niet structureel beter op geworden, maar dat veranderde weinig aan hun kijk op de Amerikaanse samenleving. Toen Obama overwoog een gooi te doen naar het presidentschap, vroeg zijn vrouw hem wat hij dacht te kunnen bereiken als hij zou winnen. ‘De dag dat ik word ingezworen als president,’ antwoordde hij, ‘zal de wereld met andere ogen naar ons kijken. En miljoenen kinderen in dit land zullen een andere kijk op zichzelf krijgen. Dat alleen al is belangrijk.’
Uiteindelijk bleek het echter nog niet zo eenvoudig dat beeld overeind te houden. Toegegeven, toen in 2012 Trayvon Martin werd doodgeschoten door George Zimmerman, kon Obama de woorden spreken die geen enkele president voor hem had kunnen spreken: ‘Trayvon Martin had mijn zoon kunnen zijn.’ Toch is het niet erg waarschijnlijk dat Zimmerman naar Trayvon keek en dacht: ‘Daar gaat de toekomstige president van Amerika.’ Dankzij Obama zijn Amerikanen anders tegen racisme gaan aankijken; ze hebben echter geen andere kijk gekregen op zwarten. Obama’s presidentschap eindigt in een periode van oplopende raciale spanningen vanwege politiegeweld.
‘Zijn presidentschap zou een periode inluiden van postracisme en kleurenblindheid,’ zegt Keeanga-Yamahtta Taylor, hoogleraar aan Princeton en schrijver van From #BlackLivesMatter To Black Liberation. ‘Tijdens zijn presidentschap is de Black Lives Matter-beweging tot grote hoogten gestegen. Het is de belangrijkste antiracistische beweging van de afgelopen veertig jaar, en die is opgekomen tijdens het bewind van een zwarte president. De ongekende opkomst van deze beweging kan worden gezien als een teleurstelling over de tekortkomingen van de regering-Obama. Voor sommige van die tekortkomingen bestaat een externe oorzaak, zoals de vijandigheid waarmee het overwegend Republikeinse Congres hem tegemoet treedt. Maar een deel van de oorzaak schuilt erin dat zijn eigen beleid tekortschiet.’
De afgelopen paar jaar is het #BlackLivesMatter-debat vrijwel zonder enige verwijzing naar Obama gevoerd. Dat wijst erop dat, op een bepaald niveau, zijn betrokkenheid bij enkele van de belangrijkste aspecten van zwarte levens haast voor de sier is. Hij is de poster die in de etalage van de kapper of de nagelstudio prijkt, de muurschildering in een metrogang – een ideaal dat niet verward moet worden met de slijtageslag van de dagelijkse realiteit. De vraag of Amerika een zwarte president kan kiezen is beantwoord; de vraag wat zwarte levens waard zijn is nog immer actueel.
Barack en Michelle Obama maken een dansje met de 106-jarige Virginia McLaurin.
Op 29 januari, in de Col Ballroom in Davenport, Iowa, is het moeilijk om niet weemoedig te worden. De Col Ballroom dateert van 1914 en staat op de lijst van het National Register of Historic Places. De kroonluchters verlichten en belichten het oude gebouw met de vorstelijke uitstraling, en de posters getuigen van alle beroemdheden die er hebben opgetreden, van Duke Ellington tot Jimi Hendrix.
Dus op het moment dat de swingband stilvalt en Bill Clinton het podium betreedt om zijn vrouw Hillary aan te kondigen, heb je helemaal het gevoel dat je bent teruggegaan in de tijd. Hillary is alleen maar gedrevener geworden sinds ze hier acht jaar geleden van Obama verloor. Maar ze kampt nog altijd met dezelfde kwetsbaarheden als in 2008. Ze wordt gezien als een insider, terwijl de mensen nu juist verandering willen. Ze wordt achtervolgd door schandalen – haar e-mails op een privéserver – en men vindt haar onbetrouwbaar. Ze belooft vooruitgang door groei, niet door verandering. Ze probeert zelfs te scoren met het feit dat haar programma weinig opwindend is. ‘Ik geloof meer in doen dan in van alles beloven,’ zegt ze tegen de aanwezigen. In feite beoogt zij Obama’s derde termijn te dienen, en ze vraagt om een kans om zijn werk af te maken.
Obama’s tweede termijn was overtuigender dan zijn eerste. Na de schietpartij in Sandy Hook, waar de twintigjarige Adam Lanza twintig schoolkinderen, zes leerkrachten, zijn moeder en zichzelf om het leven bracht, beloofde Obama eindelijk iets te doen aan het juridische gebrek aan daadkracht om het wapenbezit aan banden te leggen – iets waarvoor hij zich is blijven inzetten. De Republikeinen hebben laten zien dat ze niet in staat zijn compromissen te sluiten, maar ondertussen heeft Obama de ruimte gevonden om zijn stempel te drukken op de politieke toekomst. Een paar maanden na de tussentijdse verkiezingen tekende hij de Dream Act; afgelopen november heeft hij zijn veto uitgesproken over de Keystone Pipeline – een pijpleiding die van Canada naar de Mexicaanse Golf loopt – vanwege de schade aan het milieu. Terwijl andere presidenten zich de laatste maanden van hun ambtstermijn, waarin ze feitelijk aan handen en voeten zijn gebonden, voornamelijk bezighouden met de bouw van hun zogeheten presidential library, heeft Obama nog allerlei losse eindjes afgehecht.
Obama’s nalatenschap is een voorwaardelijke wijs – hoe het had kunnen zijn
Karen Sanchez, een negentienjarige Sanders-aanhanger uit Marshalltown, Iowa, zegt dat ze vindt dat Obama het geweldig heeft gedaan. ‘Hij heeft gedaan wat hij kon. Ik denk dat hij meer had kunnen doen, maar ze bleven hem maar tegenwerken.’ Een Hillary-aanhanger op een bijeenkomst in Adel, Iowa, die anoniem wil blijven, beaamt dat. ‘Hij heeft gedaan wat hij kon,’ zegt ze.
Dat is de standaardreactie op elke Democratische bijeenkomst waar ik vraag hoe mensen denken dat Obama herinnerd zal worden: niet per se om wat hij heeft bereikt, maar om wat hij bereikt had kunnen hebben als de tegenpartij zich wat inschikkelijker had opgesteld. Obama’s nalatenschap is een voorwaardelijke wijs – hoe het had kunnen zijn. Yes. We. Tried.
Maar naarmate de verkiezingen naderen lijkt de gedeeltelijke en terughoudende goedkeuring om te slaan in een onvoorwaardelijker enthousiasme. Te midden van alle politieke zwaargewichten, onheilsprofeten en showmannen lijkt Obama alleen maar te zijn gegroeid, en hij lijkt intelligenter dan ooit.
De dag na een Republikeins debat kopte CNN: ‘Trump verdedigt de afmetingen van zijn penis’. Trump had zich verweerd tegen de suggestie van Marco Rubio dat hij, omdat hij kleine handen heeft, vast ook een kleine penis zou hebben. ‘Kijk naar deze handen – zou je dit kleine handen noemen?’ vroeg Trump aan een joelende menigte. ‘Wees gerust, er is bepaald geen probleem.’
Als het politieke debat tot een dergelijk niveau daalt, als er zo weinig wordt verwacht van de kandidaten en er zo bedroevend weinig keuze is, gaat het feit dat Obama het heeft geprobeerd – en de manier waarop hij het heeft geprobeerd – haast als vanzelf zwaarder wegen dan het feit dat het hem bij lange na niet altijd is gelukt.
Nu er een einde komt aan zijn ambtstermijn, begint het langzaam tot de Amerikanen door te dringen dat Obama een volwassene in het Witte Huis was, en men realiseert zich ineens hoe prettig het is dat het Witte Huis niet voortdurend in schandalen en drama’s was verwikkeld. Terwijl de lonen werden bevroren, bedrijven over de kop gingen, de onzekerheid toenam en de hoop verflauwde, probeerde Obama iets voor elkaar te boksen. Niet veel, niet genoeg – maar beter dan niets. Men kan serieuze, morele bedenkingen hebben bij Obama en zijn nalatenschap, en toch erkennen dat hij van grote waarde is geweest, gezien de alternatieven.
Met Obama verliezen de Amerikanen een man die zowel zijn werk in dienst van het volk áls het volk zelf serieus nam; iemand die iets symboliseerde wat hemzelf oversteeg. Dit is het einde van de rit voor een leider die oprecht gelooft dat feiten van belang zijn; dat Amerikanen niet onnozel zijn; dat hun democratie een waarde vertegenwoordigt en dat de regering een bepaalde verantwoordelijkheid heeft; dat Amerika beter verdient.
Auteur: Gary Younge
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Gary Younge (46) is verslaggever van The Guardian. Na te hebben rondgereisd in Soedan, Zuid-Afrika en tal van Europse landen, vestigde hij zich in 2003 in de Verenigde Staten. Hij is de auteur van No Place Like Home, een boek over de cultuur van zwarte Amerikanen in het zuiden van de VS.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Slowakije kampt met een toename van nationalistische groeperingen. Ze organiseren kampen en gevechtstrainingen en krijgen zelfs in het onderwijs voet aan de grond.
Een week geleden ontving de Slowaakse regering een rapport over de strijd tegen extremisme in 2014. Het wijst op een groeiende activiteit van informele groepen. ‘Er zijn groeperingen met een nationalistische agenda op het toneel verschenen en zij werven actief nieuwe leden’, zo valt er te lezen. Jonge mensen worden uitgenodigd om in speciale kampen commandogevechtstraining te ondergaan; ook guerrilla- en overlevingstechnieken staan op het programma.
De Slovenski Branci [Slowaakse Rekruten], met zo’n tweehonderd leden de grootste van deze groeperingen, maakt geen geheim van haar activiteiten en verspreidt zelfs beelden van de gevechtstrainingen op internet. Zo stonden eind september bijvoorbeeld op het programma: parachutespringen uit een helikopter, voorbereiding van een tegenaanval op een vijandelijke positie en de evacuatie door de lucht van manschappen uit vijandelijk gebied.
‘Deze groep is niet alleen een militante groepering, maar ook een informele militaire sportclub, die trainingen geeft in zelfverdedigings- en gevechtstechnieken,’ zegt politiewoordvoerder Michal Slivka. De politie houdt de groep, van vooral jonge mannen, nauwlettend in het oog. ‘Het bestaan van paramilitaire groeperingen die zich aan de controle van de staat onttrekken, wat hun ideologische oriëntatie ook moge zijn, vormt een veiligheidsrisico,’ waarschuwt jurist Daniel Milo, die zich bij het ministerie van Binnenlandse Zaken met extremisme bezighoudt. Volgens hem is juridisch optreden tegen groepen als deze momenteel echter niet mogelijk. Ivo Samson, een andere expert in veiligheidskwesties, beaamt dat: ‘De Slowaakse Rekruten vormen geen illegale organisatie. Wel staan ze bekend om hun extremistische, xenofobe en racistische ideeën. Deze mensen opereren niet buiten de Slowaakse wet: vooralsnog zijn hun activiteiten legaal.’
Schietles op school
Geregeld worden leden van de Slowaakse Rekruten gesignaleerd op extreem-rechtse manifestaties. Ook zijn ze erg actief op sociale netwerken, waar ze ageren tegen de NAVO en de Europese Unie. Toch is een van de instructeurs, Michal Feling, soldaat in het Slowaakse leger, dat deel uitmaakt van diezelfde NAVO. Naar wij vernemen buigt het leger zich momenteel over Felings geval, en overweegt men hem te ontslaan.
De organisatie heeft zelfs in het basisonderwijs een voet aan de grond weten te krijgen en geeft daar les over de geschiedenis van de Slaven en over de positie van Slowakije in de NAVO en de Europese Unie. Ook biedt het de kinderen trainingen aan in het schieten met losse flodders. De onderwijsinspectie onderzoekt dit momenteel. ‘Het feit dat deze kinderen met een groep als de Slowaakse Rekruten hun eerste ervaring met militaire training opdoen is natuurlijk problematisch.’ Hun waarden – vooral wat de positie van Slowakije in de NAVO en de Europese Unie betreft – staan diametraal tegenover die van ons land, benadrukt Daniel Milo nog eens.
‘Zodra iemand een gewapende groepering begint, roept dat angst op, omdat die in principe elk moment in actie kan komen’
De grens tussen nationalisme en extreem nationalisme is soms dun, legt socioloog Michel Vasecek uit. ‘Zodra iemand een gewapende groepering begint, roept dat angst op, omdat die in principe elk moment in actie kan komen.’ Volgens hem oefent het ideeëngoed op sociale netwerken een grote aantrekkingskracht uit op jongeren. ‘Bijna allemaal vinden zij het geweldig om echt te mogen schieten en mee te doen aan gevechtstrainingen in het bos.’ Ook ziet hij het als een probleem dat een beroepsmilitair bij deze paramilitaire activiteiten betrokken is: ‘Het leger is per definitie een hiërarchische organisatie, de vrijheid van soldaten om in het civiele leven hun mening over onderwerpen als de NAVO te ventileren, is beperkt.’
Hoe kunnen we kinderen onttrekken aan de invloed van deze nationalistische en paramilitaire organisaties? Volgens experts kan dat het beste door op school onderwijs te geven over thema’s als de rol van het leger binnen de staat. ‘De overheid biedt dan een volwaardig alternatief voor de ideeën van de Rekruten, zodat jongeren een kader krijgen aangereikt waarbinnen zij over militaire onderwerpen kunnen nadenken.’
Auteur: Daniela Balazova
Vertaler: Valentijn van Dijk
Beeld bovenaan: De Slovenski Branci op de Slowaakse hei.
Pravda Bratislava Bratislava, dagblad, oplage 90.000
De Slowaakse ‘Waarheid’ bevat nieuws en actualiteiten met een rechts-liberale inslag. Heeft weinig nog te maken met zijn gelijknamige voorganger, opgericht in 1920 en tot 1989 het orgaan van resp. de Tjechoslowaakse en de Slowaakse Communistische Partij. Het dagblad werd in 2006 overgenomen door de groep Northcliffe International, die ook The Daily Mail uitgeeft.
De strijders van IS hebben voortdurend behoefte wapens en (vooral) munitie. De Financial Times bracht de bloeiende illegale handel in kaart. ‘Ze kopen als gekken,’ zegt een wapenhandelaar. Als het moet zelfs van de vijand.
In zijn geboortestad in Oost-Syrië was algemeen bekend dat Abu Ali wapens leverde aan rebellen die tegen IS vechten. Hij wist een jaar geleden dan ook zeker dat zijn dagen waren geteld toen twee jihadistische commandanten uit hun pick-uptruck stapten en naar hem toe liepen. Maar tot zijn verbazing gaven ze hem een gedrukt velletje papier met de tekst: ‘Deze persoon mag allerlei soorten wapens kopen en verkopen binnen de Islamitische Staat.’ ‘Er stond zelfs een stempel van de stad Mosul op,’ herinnert Abu Ali zich.
In plaats van te worden vastgezet of verdreven, zoals ze hadden gevreesd toen IS vorig jaar Oost-Syrië veroverde, werden veel handelaren op de zwarte markt – zoals Abu Ali – door de jihadisten in de watten gelegd. Ze werden opgenomen in een ingewikkeld systeem van vraag en aanbod dat ervoor zorgt dat ’s werelds rijkste jihadistische groepering voorzien blijft van munitie in het zelf uitgeroepen ‘kalifaat’, dat de helft van Syrië en eenderde van Irak omvat.
Miljoenenhandel
‘Ze kopen als gekken, iedere dag: ’s morgens, ’s middags en ’s avonds,’ zegt Abu Ali, die – net als anderen die binnen het grondgebied van IS hebben geopereerd – heeft gevraagd niet bij zijn echte naam genoemd te worden.
IS kreeg voor honderden miljoenen dollars aan wapens te pakken toen in de zomer van 2014 de tweede stad van Irak, Mosul, werd ingenomen. Sindsdien heeft de groepering bij iedere slag die ze heeft gewonnen meer materiaal verworven. Tot het arsenaal behoren Amerikaanse Abrams-tanks, M16-geweren, MK19-granaatwerpers (die werden afgenomen van het Iraakse leger) en Russische M46-kanonnen (die werden buitgemaakt op de Syrische strijdkrachten).
Maar de handelaren zeggen dat er ondanks dit alles nog steeds iets is wat IS hard nodig heeft: munitie. Het meest gevraagd is munitie voor kalasjnikovs, machinegeweren en luchtafweergeschut. IS koopt ook raketgranaten en kogels voor sluipschutters, maar dan in kleinere hoeveelheden.
Het is lastig de precieze bedragen te berekenen die gemoeid zijn met de miljoenenhandel in munitie van IS. Eerder dit jaar vergden de schermutselingen aan de frontlinie bij de oostelijke stad Deir Ezzor – slechts een van de vele slagvelden – per maand op zijn minst voor een miljoen dollar aan munitie, volgens interviews met strijders en handelaren. Alleen al het decemberoffensief van een week op het nabijgelegen vliegveld kostte een miljoen dollar, zeiden ze.
Bij de gevechten kunnen op één dag tienduizenden kogels gebruikt worden
De behoefte van IS aan munitie weerspiegelt de tactiek die de groepering in de strijd hanteert: bij aanvallen en terugtrekkingen is ze sterk afhankelijk van autobommen, zelfmoordvesten en geïmproviseerde explosieven. Maar bij de snel op en neer gaande gevechten daartussenin – meestal met kalasj‑ nikovs en op trucks gemonteerde machinegeweren – kunnen op één dag tienduizenden kogels verbruikt worden. Strijders zeggen dat vracht‑ wagens diverse frontlinies iedere dag van nieuwe munitie voorzien.
Om dit aanbod veilig te stellen maakt IS gebruik van een ingewikkelde logistieke operatie, waarvan strijders zeggen dat die zo cruciaal is dat ze onder rechtstreeks toezicht staat van de hoge militaire raad die deel uitmaakt van het hoogste leiderschap van de groepering. Dit lijkt op de wijze waarop het beheer wordt gevoerd over de oliehandel, de voornaamste bron van inkomsten van IS.
De beste bronnen voor munitie zijn de vijanden van IS. De milities in Irak die aan de zijde van de regering vechten, verkopen een deel van hun voorraden aan handelaren op de zwarte markt, die ze vervolgens doorverkopen aan IS-handelaren. Vooral in de drievoudige oorlog in Syrië zijn de IS-strijders afhankelijk van hun rivalen: de strijdkrachten van president Bashar al-Assad en de rebellen die strijden om zowel Assad als IS omver te werpen. Dit is het punt waarop Syrische wapenhandelaren een cruciale rol spelen. Abu Ali vluchtte toen hem werd gevraagd tot hun gelederen toe te treden, maar Abu Omar, een veteraan op de zwarte markt, heeft zich voluit in de handel gestort.
We konden wapens van het regime, de Irakezen en de rebellen kopen – zelfs als we wapens van de Israëli’s hadden kunnen kopen, had het ze niets kunnen schelen, zolang ze de wapens maar kregen,’ zegt Abu Omar. In gesprek met de Financial Times, in een bar in Turkije, vertelt hij – terwijl hij de ene na de andere whisky naar binnen giet – hoe zijn jaar als wapenhandelaar voor IS is verlopen. Hij is er in augustus mee opgehouden, zegt hij, nadat hij had geconstateerd dat IS ‘repressief’ was.
IS-commandanten zorgen voor gestempelde identiteitsbewijzen voor handelaren die officieel zijn goedgekeurd door twee leden van de veiligheidsdienst van IS. De groepering legt vervolgens een exclusiviteitsclausule op: de wapenhandelaren mogen zich vrijelijk bewegen en hun handel bedrijven – zolang IS maar hun enige klant is.
De tegenstanders van de jihadisten zijn geïntrigeerd door het vermogen van de groepering om tijdens gevechten snel grote hoeveelheden munitie te verplaatsen. In Noord-Irak hebben Koerdische peshmergastrijders gedetailleerde documenten gevonden van wapen- en munitieleveranties, met orders die waren opgesteld voor gevechten die nog maar net waren geëindigd. ‘Binnen 24 uur werd de munitie per auto naar hen toegestuurd,’ zegt een veiligheidsfunctionaris in Irak, die niet bij naam genoemd wil worden.
Strijders en handelaren prijzen de snelheid van de communicatiesystemen van de jihadisten. Een rondreizende ‘commissie’, benoemd door de militaire raad in Irak, spreekt voortdurend met de ‘wapencentra’ in iedere provincie, zo zeggen zij, die op hun beurt verzoeken van de militaire emirs in behandeling nemen. Gesprekken tussen de emirs en de ‘centra’ kunnen soms door hun vijanden op walkietalkiefrequenties worden afgeluisterd. Aan de Iraaks-Syrische grens zitten Koerdische peshmergastrijders rondom een apparaat dat is afgestemd op een krakende IS-frequentie, waar strijders om ‘kebab’, ‘kip tikka’ en ‘salade’ vragen.
‘
Alles draait om geld. Het kan niemand iets schelen wie je bent… Ze geven alleen maar om dollars
Kebab staat waarschijnlijk voor een zwaar machinegeweer,’ zegt Abu Ahmad, een rebellencommandant uit Oost-Syrië die onder IS heeft gevochten totdat hij deze zomer naar Turkije vluchtte. ‘Salade moet munitie voor kalasjnikovs zijn. Er zijn explosieve kogels, doordringende kogels – een mix, net als salade,’ lacht hij.
Abu Omar zegt dat hij via WhatsApp in contact trad met de centra. Om de paar dagen geeft de rondreizende commissie prijslijsten uit, die de centra gebruiken voor de kogels en granaten die het meest in trek zijn. Het centrum waar Abu Omar verslag aan uitbracht stuurde hem sms-berichten over prijswijzigingen. Volgens handelaren liepen hun commissies uiteen van 10 tot 20 procent.
De prijzen stijgen naarmate de door de VS gesteunde coalitiekrachten de groepering verder wegdrijven van de Turkse grens, waardoor het aantal potentiële smokkelroutes kleiner wordt, vertelde Abu Ahmad aan de Financial Times. IS heeft meer licenties verstrekt om de concurrentie te bevorderen en de prijzen omlaag te krijgen, klaagde een handelaar. Wapenhandelaren vechten nu om dezelfde handeltjes.
Het grootste deel van de munitie komt uit Syrië, dat nu een bron van wapens is geworden voor de hele regio. Financiers uit de Golfstaten sturen hun favoriete rebellengroepering vrachtwagens vol munitie over de Turkse grens. Corrupte strijders zorgen ervoor dat een deel daarvan bij lokale handelaren terechtkomt; de grensprovincies Idlib en Aleppo zijn nu de grootste zwarte markten van het land geworden, aldus lokale bewoners. Na vijf jaar oorlog doet ideologie er nauwelijks nog toe, aldus Abu Ahmad. ‘Sommige dealers haten IS zelfs. Maar dat maakt niet uit als het om winst maken gaat.’
Geld
Dealers maken gebruik van een netwerk van chauffeurs en smokkelaars om munitie te verbergen in trucks die civiele goederen als groenten en bouwmaterialen afleveren. ‘Er is een druk in- en uitgaand verkeer van vrachtwagens. Ze gebruiken altijd dingen die niet verdacht zijn,’ zegt Abu Ahmad. ‘Brandstoftrucks worden vaak gebruikt, omdat die leeg naar het grondgebied van IS terugrijden.’
Munitie uit Moskou en Teheran, bestemd voor Assad, is een andere bron van wapens voor de zwarte markt. ‘Ze houden van Russische producten,’ zegt Abu Omar. ‘Ook Iraanse producten worden verkocht – maar voor weinig geld.’
In een gebied waar nog maar weinig economische mogelijkheden over zijn, is het stopzetten van de handel een lastige aangelegenheid. Iedere keer dat een wapenhandelaar vlucht, duiken er weer anderen op die wanhopig op zoek zijn naar een kans om geld te verdienen. ‘Vandaag de dag draait alles om geld. Het kan niemand iets schelen wie je bent… Ze geven alleen maar om dollars,’ aldus Abu Omar.
Auteurs: Erika Solomon en Ahmed Mhidi
Vertaler: Menno Grootveld
Door het wegvallen van de grenscontroles binnen de Schengenzone kunnen wapensmokkelaars en terroristen als mieren door Europa trekken. Wapens aanschaffen om een aanslag mee te plegen wordt zo een koud kunstje.
Toen hij op de Duitse snelweg werd aangehouden voor een routinecontrole, zag de Beierse politie aanvankelijk niets bijzonders aan de 51-jarige man in de gehuurde Volkswagen Golf. Hij kwam uit Montenegro en zei dat hij op weg was naar Parijs, waar hij de Eiffeltoren wilde beklimmen. Pas toen ze zijn auto doorzochten – wat ze konden doen op basis van een nieuwe wet tegen illegale migratie – zagen ze dat hij geen toerist was. In verborgen bergruimtes vonden ze een angstaanjagend wapenarsenaal, met onder meer diverse kalasjnikovs, handgranaten, een pistool en 200 gram dynamiet.
De wapenleverancier van een gangster verwikkeld in een extreem gewelddadige vete? Of een kwartiermeester van het terreurnetwerk dat in de Franse hoofdstad onlangs een vreselijk bloedbad aanrichtte? Vooralsnog blijven de bedoelingen van deze Vlatko V., die acht dagen voor de Parijse aanslagen werd opgepakt, in nevelen gehuld. De verdachte zit in verzekerde bewaring en justitie doet, aldus het Beierse ministerie van Binnenlandse Zaken, ‘intensief onderzoek naar eventuele banden met de gebeurtenissen in Parijs’. Maar wat hij ook van plan was, de aanhouding geeft een verontrustend beeld van wat deskundigen de ‘mierenhandel’ noemen: wapensmokkelaars, en tegenwoordig ook terroristen, die met wapens door heel Europa trekken. ‘We noemen dat mierenhandel omdat je in Europa heel veel kleine partijen wapens van individuele handelaren ziet rondgaan, in plaats van grote vrachtladingen,’ aldus An Vranckx van de Belgische Group for Research and Information on Peace and Security, die de wereldwijde handel in handvuurwapens onderzoekt. ‘Maar als er een hele colonne mieren op pad is, tikt dat toch aan.’
Bloedig
In Groot-Brittannië bleek twee jaar geleden hoe bloedig de gevolgen van die mierenhandel kunnen zijn. Dale Creegan, een crimineel uit Manchester, pleegde toen een aanslag met een handgranaat die twee politieagentes het leven kostte. Die granaat was afkomstig uit een partij van honderden granaten uit voormalig Joegoslavië die waarschijnlijk al door allerlei criminele elementen zijn gebruikt, van Noord-Ierse protestante paramilitairen tot drugsdealers in het noordwesten van Engeland. En zoals de Britse vuurwapen‑ deskundige David Dyson vorige week tegen deze krant zei: ‘Als een gast in Manchester aan zulke spullen kan komen, kunnen aanhangers van IS dat misschien ook.’
Achter het Brusselse Zuidstation kun je voor 1000 euro een kalasjnikov op de kop tikken
Gelukkig is echt oorlogstuig in Groot-Brittannië nog zeldzaam, omdat de wapenwetgeving na de moordpartijen in Hungerford (1987) en Dunblane (1996) steeds verder is aangescherpt en omdat de grenzen van een eilandstaat nu eenmaal makkelijker te bewaken zijn. Als Scotland Yard weer eens met de vondst van een crimineel wapenarsenaal pronkt, gaat het vaak om antieke vuurwapens uit de Tweede Wereldoorlog of omgebouwde alarmpistolen. Een teken dat illegale wapens in Groot-Brittannië niet voor het oprapen liggen.
Maar in de rest van Europa is het een heel ander verhaal. Door het wegvallen van de grenscontroles binnen de Schengenzone staat niets de ‘mierenhandel’ in de weg, of het moeten de afstanden zijn: de lange autorit van en naar de leveranciers in de voormalige Oostbloklanden. In de Sovjettijd bevonden zich in landen als Bulgarije en Oekraïne enorme wapendepots, voor als er oorlog zou uitbreken met de NAVO. Na de val van het IJzeren Gordijn zijn die wapens in allerlei conflict‑ regio’s beland, van West-Afrika tot de Balkan. Alleen al in Albanië zijn na de val van de regering in 1997 meer dan een half miljoen wapens uit overheidsdepots geplunderd. In Servië en Bosnië bevinden zich sinds de burgeroorlog naar schatting nog bijna twee miljoen illegale wapens in handen van particulieren.
Zuidstation in Brussel. Foto Amaury Henderick/Flickr Creative Commons
Ook in buurland Montenegro, waar de in Beieren opgepakte smokkelaar vandaan kwam, stikt het van de wapens. Het is wellicht geen toeval dat Montenegro de thuishaven is van Europa’s succesvolste bende roofovervallers, de ‘Pink Panthers’, die met overvallen op juweliers in Londen en Parijs de afgelopen tien jaar voor minstens 100 miljoen euro aan sieraden hebben buitgemaakt. Zij hebben nog het aura van volkshelden – sinds november wordt er zelfs een Britse dramaserie over hen uitgezonden met John Hurt in de hoofdrol. Maar de wapenvoorraden die hun huzarenstukjes mogelijk maakten, worden nu ook aangesproken door terroristen.
Frankrijk werd hier in 2012 op brute wijze mee geconfronteerd toen de tot jihadist bekeerde kleine crimineel Mohammed Merah moordend door Toulouse trok. Hij had het vooral gemunt op joden en militairen, en maakte zeven slachtoffers. Thuis had hij onder meer een kalasjnikov en een uzi liggen, en het dagblad Le Figaro vroeg zich af: ‘Hoe heeft hij zomaar al die wapens kunnen kopen, alsof het yoghurtjes waren?’ Het antwoord was: niet legaal. Net als in de rest van de EU zijn kalasjnikovs in Frankrijk strikt verboden. Maar Merah kon er makkelijk aan komen via zijn contacten in de Franse onderwereld. Die is erg actief in de veelal door arme immigranten bewoonde Franse banlieues. En volgens Nic Marsh, een wapendeskundige van het Peace Research Institute in Oslo, zijn alleen in die banlieues al zo’n vierduizend machinegeweren in omloop. In Marseille zijn de afgelopen vijf jaar tientallen afrekeningen tussen drugsbendes uitgevoerd met kalasjnikovs. In februari werd de hoofdcommissaris er zelfs mee beschoten tijdens een bezoekje aan een door criminaliteit geplaagde wijk.
Gapend gat
Zijn de aanslagplegers in Parijs ook zo aan hun kalasjnikovs gekomen? Daar willen de opsporingsdiensten nog niets over kwijt. Maar aangezien de hele operatie gepland was vanuit België, is het niet ondenkbaar dat ze hun aandacht nu weer richten op die schimmige markt achter het Brusselse Zuidstation, waar je al voor 1000 euro een kalasjnikov op de kop kunt tikken. Daar zouden de daders van de aanslag op Charlie Hebdo ook hun machinegeweren hebben gekocht. De politie heeft inmiddels achterhaald dat die wapens afkomstig waren van een handelaar in Slowakije.
Daarbij kwam een gapend gat in de Europese wapenwetgeving aan het licht. De betreffende verkoper was namelijk geen louche onderwereld‑ figuur: het betrof een geregistreerde wapenhandelaar, die deze wapens volkomen legaal verkocht als ‘onklaar gemaakte’ vuurwapens. Die worden in de hele EU legaal verhandeld, als rekwisieten in films of nagespeelde historische veldslagen, of als verzamelobject. Maar de wettelijke veiligheidseisen voor het onklaar maken van wapens verschillen hopeloos van land tot land. In Groot-Brittannië is het praktisch onmogelijk om zulke wapens ooit nog te gebruiken, maar in sommige landen hoef je niet veel meer te doen dan een pen in de loop te steken, die er gemakkelijk weer uit te halen is. Pas sinds deze zomer gelden in de hele EU dezelfde veiligheidseisen, nadat Brussel vorig jaar had erkend dat er te weinig rekening was gehouden ‘met de mogelijke risico’s van hernieuwde ingebruikname’.
In Servië en Bosnië bevinden zich nog bijna twee miljoen illegale wapens in handen van particulieren
Maar al is die maas in de wet nu gedicht, de EU heeft nog steeds een probleem met de Balkan. Vooral met voorheen agressieve staten als Servië, dat inmiddels wil toetreden tot de EU. Servië werkt mee met het South Eastern and Eastern Europe Clearinghouse for the Control of Small Arms and Light Weapons (SEESAC), een VN-project om wapens uit de circulatie te krijgen. Maar tijdens een amnestieperiode van drie maanden werden dit jaar maar tweeduizend vuurwapens ingeleverd. En de beveiliging van staatsdepots is weliswaar verbeterd, maar volgens Ivan Zverzhanovski van SEESAC ‘blijft diefstal van wapens uit wapendepots een probleem’. Volgens hem is het na de verschrikkelijke aanslagen in Parijs tijd voor een ‘radicaal andere benadering’ door de EU. ‘De vraag naar wapens kwam vroeger vooral van de georganiseerde misdaad. Maar na de aanslagen op Charlie Hebdo is volgens mij wel duidelijk dat ook bij terreurgroeperingen steeds meer vraag is naar vuurwapens,’ verklaarde Zverzhanovski tegen deze krant. ‘Dat wijst op banden tussen de georganiseerde misdaad en terreurgroepen. We moeten zorgen dat de betreffende landen zo’n amnestieperiode serieus nemen, en dat de EU daar meer politieke en financiële steun aan geeft.’
Beelden van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo. De broers Kouachi kochten hun wapens in Brussel.
Maar ook als Zverzhanovski zijn zin krijgt, zal de wapentoevoer nooit helemaal stoppen. Criminelen zoeken hun toevlucht nu steeds vaker tot het ‘Dark Web’. Alleen in Frankrijk zijn vorig jaar al 57 mensen gearresteerd omdat ze hadden geprobeerd via internet wapens (waaronder kalasjnikovs) te kopen. En als we alle wapens in de Balkan van de markt halen, dan ontstaat er op andere plaatsen wel weer nieuwe ‘mierenhandel’ – ergens langs die ontiegelijk lange Europese grens die we nu al niet kunnen sluiten tegen illegale migratie. Er zijn al meldingen van wapens die de EU in druppelen vanuit nieuwe brandhaarden als Oekraïne en Libië. En men vermoedt dat ze via Turkije ook vanuit IS-grondgebied in Syrië en Irak hierheen komen. ‘Als je drugs daarheen kunt smokkelen, kun je ook kalasjnikovs hierheen smokkelen. En daar doe je weinig tegen, behalve met goed inlichtingenwerk,’ zegt vuurwapendeskundige Dyson.
Het enige wat de EU verder kan doen, is zo hoog mogelijke straffen opleggen aan de verantwoordelijken voor die mierenhandel. Dat zegt Iain Overton, schrijver van het onlangs verschenen Gun Baby Gun, over de wereldwijde gevolgen van de handel in vuurwapens. Wrang genoeg zou juist de krankzinnige bloeddorst van IS deze branche, die niet bepaald bekendstaat om zijn scrupules, nog tot enige terughoudendheid kunnen dwingen. ‘Iedereen die willens en wetens een vuurwapen verkoopt aan een terrorist, is zelf net zo schuldig,’ zegt Overton. ‘Die wapenhandelaren moeten net zo streng worden bestraft als de daders van de aanslagen zelf.’
Veel aandacht voor India’s buitenlandbeleid en geconcentreerd op het problematische noordoosten van het land.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.