Tag: wetenschap

  • Biotechbedrijf wil uitgestorven antilope tot leven wekken

    Biotechbedrijf wil uitgestorven antilope tot leven wekken

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VK verhoogt het dreigingsniveau na nieuwe antisemitische aanslag

    » Brazilië: strafvermindering voor Jair Bolsonaro in zicht

    Wetenschappers zijn sceptisch over ‘de-extinctie’

    Het bedrijf Colossal Biosciences werkt aan plannen om de bluebuck, een Zuid-Afrikaanse antilope die rond 1800 uitstierf, genetisch te reconstrueren, aldus The Times. De soort geldt als het eerste grote Afrikaanse zoogdier dat in de moderne tijd verdween, mede door jacht en kolonisatie.

    Voor het project wordt DNA uit museumstukken gebruikt, dat vervolgens wordt gecombineerd met genetisch materiaal van verwante soorten. Het doel is om via genetische aanpassingen en draagmoeders een dier te creëren dat sterk lijkt op de oorspronkelijke bluebuck.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Wetenschappers plaatsen kanttekeningen bij het plan. Zij benadrukken dat het resultaat geen exacte kopie van de uitgestorven soort zal zijn, maar een genetisch aangepaste variant. Ook wijzen critici op ethische kwesties en vragen over prioriteiten in natuurbehoud, nu veel bestaande soorten met uitsterven worden bedreigd.

    De plannen passen binnen een bredere trend waarbij biotechbedrijven proberen uitgestorven dieren, zoals de mammoet, terug te brengen. Of zulke projecten daadwerkelijk bijdragen aan biodiversiteit, blijft onderwerp van debat.

  • Uitreiking Ig Nobelprijs verhuist naar Europa wegens ‘onveilige’ VS

    Uitreiking Ig Nobelprijs verhuist naar Europa wegens ‘onveilige’ VS

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onderzoek: AI-tool helpt bij het detecteren van borstkanker

    » Onderzoek: één op drie aardbewoners belemmerd door opwarmend klimaat

    De Ig Nobelprijs is een soort parodie op de Nobelprijs

    De ludieke Ig Nobelprijzen worden dit jaar voor het eerst in Europa uitgereikt, omdat de Verenigde Staten ‘onveilig’ zijn geworden voor internationale prijswinnaars om te bezoeken, zo hebben de organisatoren bekendgemaakt, aldus Le Monde.

    De prijzen, die de meer ludieke kant van de wetenschap vieren, worden sinds 1991 uitgereikt tijdens uitbundige ceremonies op universiteiten in Massachusetts, waarbij de winnaars worden overladen met papieren vliegtuigjes. Net als de Nobelprijzen die ze op satirische wijze presenteren, komen de Ig Nobel-laureaten van over de hele wereld. Internationale academici melden echter problemen met reizen naar de VS sinds het begin van de tweede ambtstermijn van president Donald Trump begin 2025.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Het afgelopen jaar is het onveilig geworden voor onze gasten om het land te bezoeken’, aldus Ig Nobel-oprichter Marc Abrahams in een verklaring op maandag. ‘We kunnen de nieuwe winnaars noch de internationale journalisten die verslag doen van het evenement met een gerust geweten vragen om dit jaar naar de VS te reizen.’

    De 36e editie van de Ig Nobelprijzen vindt plaats op 3 september in Zürich, Zwitserland, zo heeft de organisatie bekendgemaakt. De Universiteit van Zürich en ETH Domain zullen de ceremonie hosten, waarbij prijzen worden uitgereikt aan prestaties ‘die mensen eerst aan het lachen maken en hen vervolgens aan het denken zetten’. Om dit mogelijk te maken, hebben Zürich en haar instellingen ‘in een razend tempo bergen verzet’, aldus Abrahams, geciteerd door Le Monde.

  • Naar Mozart luisteren maakt je niet slimmer

    Naar Mozart luisteren maakt je niet slimmer

    Laboratoria over de hele wereld probeerden met nieuwe experimenten eerdere tegenvallende resultaten te repliceren. In veel gevallen is dit niet gelukt.

    Het vakgebied psychologie maakte een grote crisis mee in de jaren 2010, toen veel algemeen geaccepteerde resultaten veel minder solide bleken te zijn dan eerder werd gedacht. Dit wordt de replicatiecrisis genoemd, het bleek in veel gevallen onmogelijk een experiment opnieuw uit te voeren met dezelfde methode om te zien of het dezelfde resultaten zou boeken (repliceerbaarheid). Met andere woorden: veel gerapporteerde psychologische effecten waren ofwel niet-bestaand – artefacten van de gebrekkige opzet van de experimentator – of zo veel zwakker dan oorspronkelijk beweerd dat ze het grootste deel van hun intellectuele glans verloren.

    De meeste resultaten in het vakgebied repliceren daadwerkelijk en het zou dus jammer zijn om het vertrouwen in het hele vakgebied te verliezen vanwege een paar rotte appels.

    Hieronder een compacte referentielijst van de meest beruchte resultaten uit de cognitieve wetenschap die niet konden worden gerepliceerd en voorlopig als vals moeten worden beschouwd.


    COGNITIEVE PRESTATIES & INTELLIGENTIE

    Mozarteffect

    Geclaimd resultaat: naar Mozart luisteren maakt je tijdelijk slimmer.
    Representatief artikel: Rauscher, Shaw, & Ky (1993)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Pietschnig, Voracek, & Formann (2010)

    Growth Mindset-interventies

    Geclaimd resultaat: leerlingen aanleren dat intelligentie veranderlijk is (niet vast) verbetert hun schoolprestaties drastisch.
    Representatief artikel: Dweck & Leggett (1988)
    Replicatiestatus: gemengde resultaten – veel mislukte replicaties, maar ook enkele succesvolle.
    Mislukte replicatie: Li & Bates 2019
    Opvallende succesvolle replicatie: Yeager et al. 2019 in Nature

    Tweetaligen zijn slimmer

    Geclaimd resultaat: tweetalig zijn brengt aanzienlijke cognitieve voordelen met zich mee op het gebied van aandacht, taak-switching en uitvoerende functies.
    Representatief artikel: Bialystok, Craik, & Luk (2012)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Lehtonen et al. 2018

    Moeilijk maakt rationeler

    Geclaimd resultaat: mensen worden voorzichtiger, analytischer en meer doordacht in het oplossen van mentale problemen wanneer ze onder druk staan; stress zou Systeem 2 activeren.
    Representatief artikel: Alter, Oppenheimer, Epley & Eyre (2007), Studie 4
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Klein et al. (2018)


    EMOTIE & GEDRAG

    Glimlachen-om-je-beter-te-voelen-effect

    Geclaimd resultaat: een pen tussen je tanden houden – waardoor je gezichtsspieren een glimlach nabootsen – maakt cartoons grappiger.
    Representatief artikel: Strack, Martin, & Stepper (1988)
    Replicatiestatus: repliceert niet.
    Bron: Wagenmakers et (54!) al. (2016)

    Honger en risicozoekend gedrag

    Geclaimd resultaat: de geur van versgebakken koekjes maakt mensen risicovoller in hun keuzes.
    Representatief artikel: Ditto et al. (2006)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Festjens, Bruyneel, & Dewitte (2018)


    SOCIALE PSYCHOLOGIE

    Stereotypebedreiging (wiskundeprestaties van vrouwen)

    Geclaimd resultaat: vrouwen presteren slechter op moeilijke wiskundetoetsen wanneer ze zich beoordeeld voelen op het stereotype dat vrouwen slechter zijn in wiskunde.
    Representatief artikel: Spencer, Steele, & Quinn (1999)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Flore & Wicherts (2015)

    Ovulatie en partnerkeuze-effect

    Geclaimd resultaat: vrouwen zouden tijdens vruchtbare dagen extra gevoelig zijn voor aantrekkelijkheid van mannen.
    Representatief artikel: Gildersleeve, Haselton, & Fales (2014)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bron: Stern, Gerlach, & Penke (2020)


    OORDEELSVORMING & BESLUITVORMING

    Het Dunning-Kruger-effect

    Geclaimd resultaat: mensen met lage vaardigheden overschatten hun eigen kunnen systematisch.
Representatief artikel: Kruger & Dunning (1999)
    Replicatiestatus: gemengd – effect blijkt kleiner, zwakker en deels statistisch artefact
    Bronnen: Gignac & Zajenkowski (2020); Magnus & Peresetsky (2022); Lebuda et al. (2024)

    Psychologische afstand & Construal Level Theory

    Geclaimd resultaat: verre gebeurtenissen worden abstracter verwerkt, nabije concreter.
    Representatief artikel: Trope & Liberman (2010)
    Replicatiestatus: serieuze geloofwaardigheidsproblemen
    Bron: wereldwijd onderzoek in 73 labs dat de theorie doorlicht


    PARANORMAAL & CONTROVERSIEEL

    ESP / Voorspellende gaven

    Geclaimd resultaat: mensen kunnen soms toekomstige gebeurtenissen voorspellen op manieren die niet via normale redenering te verklaren zijn.
    Representatief artikel: Bem (2011)
    Replicatiestatus: repliceert niet
    Bronnen: Galak et al. (2012); Ritchie, Wiseman & French (2012)

    Objectieve meting van vooroordelen (IAT)

    Geclaimd resultaat: aan reactietijden bij testjes kun je voorspellen of iemand racistisch is.
    Representatief artikel: Greenwald, McGhee & Schwartz (1998)
    Replicatiestatus: gemengd, effecten zijn klein
    Bronnen: Oswald et al. (2013); Cummins & Hussey (2025)

  • Onderzoek: mensen konden 350.000 jaar eerder vuur maken dan gedacht

    Onderzoek: mensen konden 350.000 jaar eerder vuur maken dan gedacht

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Hamas stelt ‘bevriezing’ van wapens voor in plaats van ontwapening

    » VS willen media-accounts van buitenlandse toeristen zonder visum screenen

    Voorheen werd het bewijs geschat op 50.000 jaar

    ‘Dit is een baanbrekende ontdekking’, gedaan door onderzoekers ‘op een veld in Suffolk’ in het Verenigd Koninkrijk, meldt The Guardian. Wetenschappers raakten geïnteresseerd in de locatie Barnham nadat ze daar in 2021 sedimenten ontdekten die duidelijk verhit waren geweest. Het kostte vier jaar nauwgezet onderzoek om te bewijzen dat de as niet afkomstig was van een bosbrand.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Het cruciale moment was de ontdekking van ijzerpyriet [een mineraal dat gebruikt wordt om de vonk te creëren die vuur ontsteekt],’ verklaarde Nick Ashton, conservator van het British Museum en hoofdauteur van het onderzoek dat woensdag in Nature werd gepubliceerd, tijdens een persconferentie. Er was al eens eerder bewijs gevonden in Frankrijk voor het maken en gebruiken van vuur. Naar aanleiding van die vondst werd geschat dat de mens 50.000 jaar geleden voor het eerst vuur maakte, maar dat blijkt dus nu 400.000 jaar te zijn.

  • Wetenschappers ontdekken dat pollen gebruikt kan worden als kneedgum

    Wetenschappers ontdekken dat pollen gebruikt kan worden als kneedgum

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Iran roept op tot wraak na de dood van de legerleider van Hezbollah

    » Soedan: RSF kondigen eenzijdig bestand van drie maanden aan

    Deze eigenschap maakt veel nieuwe toepassingen mogelijk

    Pollen bestaat uit microscopisch kleine korrels met mannelijke voortplantingscellen die bomen, onkruid en grassen in bepaalde seizoenen afscheiden. Wetenschappers aan de Technische Universiteit van Singapore hebben technieken ontwikkeld om de rigide buitenste schil van pollen – gemaakt van een polymeer dat zo sterk is dat het soms ‘de diamant van de plantenwereld’ wordt genoemd – te hervormen en de korrels te transformeren tot een jamachtige substantie. Deze microgel zou een veelzijdige bouwsteen kunnen zijn voor veel milieuvriendelijke materialen, waaronder papier, folie en sponzen, schrijft Knowable Magazine.

    In 2020 rapporteerden wetenschappers dat het incuberen van pollen in een alkalische oplossing van kaliumhydroxide bij 80 graden Celsius de structuur van pollenkorrels aanzienlijk kan veranderen, waardoor ze gemakkelijk water kunnen absorberen en vasthouden.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Dit maakt pollen net zo kneedbaar als de speelgoedklei Play-Doh. Voor deze behandeling lijken pollenkorrels meer op knikkers: hard, inert en grotendeels niet-reactief. Daarna zijn de deeltjes zo zacht dat ze gemakkelijk aan elkaar plakken, waardoor complexere structuren kunnen ontstaan.

    Wanneer de microgel in een platte mal wordt gegoten en gedroogd, vormt hij een papier of folie die sterk maar toch flexibel is. Deze winnende combinatie van eigenschappen maakt talloze toepassingen mogelijk: slimme actuatoren waarmee apparaten veranderingen in hun omgeving kunnen detecteren en erop kunnen reageren, draagbare gezondheidsmonitors om hartsignalen te monitoren en meer.

  • Onderzoek: naakte molrat dankt zijn hoge ouderdom aan een eiwit

    Onderzoek: naakte molrat dankt zijn hoge ouderdom aan een eiwit

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Russische aanval op Kyiv dompelt een deel van de stad in het donker

    » Haïti: gewapende confrontaties tussen bendes en politie in de hoofdstad

    Het knaagdier kan maar liefst veertig jaar oud worden

    Een onderzoek van een team van wetenschappers aan de Tonji-universiteit in Shanghai, dat donderdag in het tijdschrift Science is gepubliceerd, toont aan dat naakte molratten, die bijna veertig jaar oud kunnen worden – een record onder knaagdieren – een DNA-herstelmechanisme hebben ontwikkeld dat met name hun weerstand tegen kanker zou kunnen verklaren. Wetenschappers hebben ontdekt dat bij de naakte molrat het eiwit c-GAS het organisme helpt bij het herstellen van DNA-strengen en de genetische code van elke cel intact houdt.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Bij de mens daarentegen remt hetzelfde eiwit het DNA-herstelproces af. De onderzoekers hebben een variatie van vier aminozuren tussen het menselijke eiwit en dat van de naaktmuis geïdentificeerd, wat dit verschil tussen de mens en het knaagdier zou verklaren. Deze ‘ontdekking zou het mogelijk maken om therapieën te ontwikkelen om de levensduur van de mens te verlengen,’ aldus New Scientist.

  • De Ig Nobelprijs beloont grappige wetenschap met een serieuze ondertoon

    De Ig Nobelprijs beloont grappige wetenschap met een serieuze ondertoon

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Overlevenden van atoombom op Nagasaki strijden voor erkenning

    » Manneken Pis krijgt na tachtig jaar eindelijk nieuw kostuum

    De onderscheiding wordt toegekend aan maffe en vindingrijke ontdekkingen

    Onlangs vond aan Universiteit van Boston in de Amerikaanse staat Massachusetts de uitreiking van de Ig Nobelprijs plaats, een parodie op de Nobelprijs die toegekend wordt aan mensen die maffe en vindingrijke wetenschappelijke ontdekkingen hebben gedaan. De naam is een zinspeling op het Engelse woord ignoble, dat ‘onedel’, ‘platvloers’ betekent. ‘Iedere Ig Nobelprijswinnaar heeft iets gedaan wat mensen eerst aan het lachen maakt en vervolgens aan het denken zet,’ aldus oprichter Marc Abrahams, geciteerd door BBC.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Zo ging de prijs voor biologie naar mensen die koeien met zwart-witte strepen hadden beschilderd om te kijken of vliegen ze dan minder vaak zouden bijten. Dit zou een alternatief voor pesticiden kunnen bieden.

    Een andere groep wetenschappers kreeg een prijs voor de ontdekking dat regenbooghagedissen in Togo een voorliefde hebben voor de pizza quattro formaggi. Tevens werd er een prijs uitgereikt aan twee kinderartsen die ontdekten dat de moedermelk van een moeder die knoflook eet, ook naar knoflook gaat ruiken. Baby’s blijken dit zelfs nog lekkerder te vinden.  

  • Kunnen we binnenkort nog wel met de hand schrijven?

    Kunnen we binnenkort nog wel met de hand schrijven?

    We tikken en swipen liever over een scherm dan dat we een pen oppakken. Dat lijkt efficiënt, maar het verdwijnen van schrijven met de hand kan grote gevolgen hebben.

    Diep in de kantoren van het Amerikaanse Capitool, het ministerie van defensie en het Witte Huis staat overal hetzelfde apparaat te zoemen, een reflectie van de pragmatiek, de efficiëntie en de onsentimentele aard van de Amerikaanse bureaucratie: de autopen. Het is een instrument waarin een handtekening geprogrammeerd kan worden, zodat het mechanische armpje hem met een echte pen kan nabootsen. 

    Zoals veel andere technologieën roept deze rudimentaire handtekeningrobot allerlei gevoelens op. We hechten veel waarde aan een handtekening, zeker als deze van een bekend persoon is. Tijdens de ambtstermijn van president George W. Bush was er enige kritiek op de toenmalige minister van defensie Donald Rumsfeld toen bleek dat hij condoleancebrieven aan de nabestaanden van gesneuvelde soldaten met een autopen ondertekende. 

    Fans van Bob Dylan waren boos toen ze erachter kwamen dat hij bij de gesigneerde exemplaren van zijn boek The Philosophy of Modern Song veelvuldig gebruik had gemaakt van een autopen. Deze exemplaren kostten meer dan vijfhonderd euro en waren voorzien van een certificaat dat ‘verklaart dat dit boek individueel door Bob Dylan is gesigneerd.’ Dylan deed hierover een zeldzame uitspraak op zijn facebookpagina: ‘De deadlines voor de contracten kwamen steeds dichter bij’, schreef hij. ‘Iemand stelde voor om een autopen te gebruiken, en verzekerde mij ervan dat dit “constant” wordt gebruikt in de kunst- en literatuurwereld.’ Hij erkende ook: ‘Het gebruik van een machine was een inschattingsfout en ik wil dit dan ook meteen goedmaken.’ 

    Al deze gemengde gevoelens leggen onze band met handschrift bloot: het is een stukje individualiteit

    Al deze gemengde gevoelens over automatische handtekeningen leggen onze band met handschrift bloot: het is een stukje individualiteit. Bij archiefonderzoek kom je er snel genoeg achter hoeveel moeite en schoonheid er schuilgaat in het ontcijferen van het geschreven woord. Je leert historische figuren herkennen aan trekjes in hun handschrift: de een zijn schrift is klein en hoekig als hij over zijn emoties schrijft, terwijl je in een ander zijn pagina’s vol schoonschrift het geduld van een monnik herkent. Kalligrafist Bernard Maisner stelt dat handschrift en kalligrafie ‘niet bedoeld zijn om iets keer op keer te reproduceren. Ze horen juist hun eigen menselijkheid, responsiviteit en diversiteit te tonen.’ 

    Maar het handschrift verdwijnt. Een scholier die een universitair toelatingsexamen deed in de VS vertelde aan de Wall Street Journal dat er ‘hoorbaar naar adem werd gesnakt’ toen de studenten een van de opdrachten lazen. Er stond dat ze in één zin een verklaring moesten schrijven dat de toets hun eigen werk was, in een verbonden handschrift. ‘Aan elkaar schrijven? De meeste leerlingen van mijn leeftijd kennen dat vreemde schrift enkel nog uit oma’s brieven.’

    Essentiële vaardigheden

    Volgens educatierichtlijnen in de VS hoeven kinderen niet meer aan elkaar te leren schrijven. In Finland hoeft het sinds 2016 al niet meer en in onder andere Zwitserland komt het minder aan bod. Naar schatting heeft meer dan 33 procent van de leerlingen moeite met basishandschrift, dus met het leesbaar opschrijven van alle letters van het alfabet (in kleine letters en hoofdletters). ‘We proberen realistisch te zijn over de essentiële vaardigheden van de leerlingen,’ zegt een schoolbestuurslid in Greenville, South Carolina. ‘Je kan niet alles doen. We moeten iets weglaten.’ 

    Maar scholieren zijn niet de enigen die niet meer aan elkaar kunnen schrijven. We pakken er steeds minder vaak een pen bij om onze gedachten te ordenen, met vrienden bij te praten of zelfs een boodschappenlijstje te maken. We smeken beroemdheden niet meer om een handtekening, maar vragen om een selfie. Veel mensen kunnen nog maar net hun naam in een onleesbaar verbonden schrift opschrijven, en als ze dat al kunnen verliezen ze die vaardigheid snel door hun smartphone of computer. Een patisseriedocent in Toronto vertelde aan de lokale krant dat zijn leerlingen nauwelijks meer een tekst op een taart konden spuiten – hun handschrift was te bibberig en niet te onderscheiden. 

    In de digitale wereld lijkt handschrift weinig nut te hebben. Het Chinees kent een term, tibiwangzi, dat ‘pak een pen, vergeet het karakter’ betekent. Het beschrijft hoe computers en smartphones het gebruik van traditioneel Chinees handschrift ontmoedigen, en daarmee ook de kennis van traditionele karakters. Chinese kinderen willen iets opschrijven (‘pak een pen’) maar hebben vervolgens een soort ‘karaktergeheugenverlies’ bij het daadwerkelijke schrijven (‘vergeet het karakter’). Volgens het onderzoekscentrum van China Youth Daily leeft vier procent van de Chinese jongeren ‘al zonder handschrift’.

    We verliezen het gevoel van inkt op papier en de schoonheid van handgeschreven woorden

    Maar wat betekent het om zonder handschrift te leven? De vaardigheid zwakt langzaam af, en we hebben het nauwelijks door tot we opeens iets moeten opschrijven en dreutelend maar wat neer proberen te pennen. Sommige mensen schrijven nog iets op voor speciale gelegenheden— een condoleancebrief of een mooi gekalligrafeerde uitnodiging voor een bruiloft –– of ze kalken een verbasterd verbonden schrift neer als ze eens een cheque uitschrijven, maar verder maken weinig mensen in het dagelijks leven nog de ruimte voor handschrift.

    Maar als het handschrift verdwijnt raken we iets kwijt. We lopen niet alleen cognitieve vaardigheden mis, maar ook het genot om de handen te gebruiken voor iets waarmee de mens al duizenden jaren gedachten uitwisselt. We verliezen het gevoel van inkt op papier en de schoonheid van handgeschreven woorden. We kunnen de woorden van de doden niet meer lezen. 

    In plaats daarvan gebruiken onze handen steeds meer om te typen of te swipen. We communiceren meer, maar doen er minder moeite voor. We vergeten dat we geëvolueerd zijn om de wereld te begrijpen door middel van beweging en uitdrukking. 

    Digitalisering

    In 2000 deden dokters in het Cedars-Sinaiziekenhuis in Los Angeles een cursus om hun handschrift bij te spijkeren. ‘Veel van onze dokters kunnen niet leesbaar schrijven,’ legde het hoofd medische staf uit aan Science Daily. Maar in tegenstelling tot andere beroepen kan het slechte handschrift van een dokter ernstige gevolgen hebben, van medische fouten tot de dood. Zo kreeg een vrouw uit Texas $450.000 uitgekeerd omdat haar man het verkeerde medicijn had genomen en was komen te overlijden; de apotheker kon het handschrift van de dokter niet lezen. Hoewel er vandaag de dag veel medische informatie op computers wordt opgeslagen maken dokters nog steeds veel aantekeningen op grafieken en worden veel recepten nog met pen en papier uitgeschreven.

    Een duidelijk handschrift bevordert niet alleen communicatie. In tegenstelling tot typen of overtrekken, bereidt handschrift het brein erop voor om te leren lezen. Psychologen Pam Mueller en Daniel Oppenheimer vergeleken studenten die hun aantekeningen met de hand maakten met studenten die dit op een computer deden, om te onderzoeken of dit van invloed was op hun prestatie. Eerdere onderzoeken naar laptopgebruik in het klaslokaal richtten zich vooral op hoe afleidend een computer was voor studenten. Zoals verwacht zijn ze heel afleidend, niet alleen voor de gebruiker maar ook voor medeleerlingen.   

    Mueller en Oppenheimer deden echter onderzoek naar de effecten van laptopgebruik op het leerproces. ‘Zelfs als laptops enkel voor aantekeningen worden gebruikt, kunnen zij het leerproces hinderen omdat het gebruik leidt tot oppervlakkigere verwerking’, concluderen ze. Mueller en Oppenheimer hebben in hun onderzoek met drie verschillende experimenten aangetoond dat studenten die laptops gebruiken slechter presteren bij conceptuele vragen vergeleken met studenten die met de hand aantekeningen maken. ‘De neiging van laptopgebruikers om een college woord voor woord over te schrijven in plaats van het in eigen woorden samen te vatten doet af aan het leerproces,’ schrijven ze. Met andere woorden: je behoudt meer informatie als je met de hand schrijft omdat het langzame tempo je forceert om samen te vatten terwijl je schrijft, terwijl dat bij een toetsenbord niet hoeft. 

    Op een laptop typen terwijl de woorden op een scherm verschijnen is ‘abstracter en afstandelijker’

    De wetenschappers die onderzoeken hoe technologie ons schrijven en leren beïnvloedt, hebben wat weg van ecologen die waarschuwen voor bedreigde diersoorten of milieuvervuiling. We komen een toekomst zonder schrijven tegemoet. Onderzoekers vrezen dat als we de pen met een toetsenbord vervangen, dit allerlei onvoorziene gevolgen zal hebben. ‘Digitalisering betekent een radicale verandering van het schrijven op een sensomotorisch vlak. We weten nog niet wat de (mogelijk verreikende) gevolgen van zulke veranderingen zullen zijn,’ vertelt Anne Mangen. Zij doet onderzoek naar de invloed van technologie op geletterdheid. Op een laptop typen terwijl de woorden op een scherm verschijnen is volgens haar ‘abstracter en afstandelijker,’ en ze vermoed dat dit ‘ernstige educatieve en praktische gevolgen’ zal hebben. Vaardigheden sterven, net als diersoorten, langzaam uit. 

    Men gaat er soms vanuit dat we een ouderwets, inefficiënt hulpmiddel hebben vervangen door een handiger en sneller alternatief, zoals in dit geval een pen door een toetsenbord. Maar net als bij de daling in menselijk contact houden we geen rekening met wat we in deze zoektocht naar efficiëntie verliezen, of hoe leermethodes en vormen van kennis onherstelbare schade kunnen oplopen. Als iemand als kind met een toetsenbord overweg kan, maar als volwassene nauwelijks zijn naam kan schrijven, is dat geen teken van vooruitgang. 

    Schrijven is langzaam

    Schrijven is een fysieke handeling, en vereist dus goede coördinatie van de handen, vingers en onderarmen. Het is zwaar werk, maar dat is volgens romanschrijver Mary Gordon ook deel van het genot: ‘Ik geloof dat dat harde werk heel deugdzaam is, omdat het zo fysiek is,’ schrijft ze. ‘Je hebt vlees, bloed, en materiaal nodig: ankers die ons eraan herinneren dat wij, hoewel we steeds meer door de draaikolk van onze vooruitgang worden verzwolgen, nog steeds in een fysieke wereld leven.’

    Handgeschreven tekst roept ook heel andere gevoelens op dan afgedrukte tekst. De literatuur barst van de wendingen waarbij er opeens een handgeschreven brief of handtekening opduikt. In Het Verlaten Huis van Charles Dickens herkent Lady Dedlock op een wettelijk document het eigenaardige handschrift van haar verloofde, waarvan ze dacht dat hij overleden was. Dit leidt er uiteindelijk toe dat zij haar grootste geheim moet onthullen. 

    Ons eigen handschrift kan ook uitstekend herinneringen oproepen. Toen de Amerikaanse chef-kok en kookboekenschrijver Deborah Madison op haar oude handgeschreven recepten uit de jaren zeventig stuitte, ging ze opeens terug in de tijd. In de bruine notitieboekjes stonden naast aantekeningen, tekeningetjes, etensvlekken en lijsten met leveranciers allerlei recepten gekrabbeld: ‘het resultaat van alle tijd die ik heb besteed aan het ordenen van mijn gedachten,’ schrijft ze. ‘Soms ziet het er keurig en doordacht uit. Soms raakt mijn hand juist afgeleid en gaat hij alle kanten op, waardoor het er slordig en vermoeid uitziet. Maar het riep vooral een diep gevoel van ontdekking op en als ik er doorheen blader wordt meteen weer dat obsessieve enthousiasme in mij aangewakkerd.’ Ze denkt niet dat een lijst op een computer datzelfde gevoel zou oproepen: ‘Er schuilt zo veel achter het handschrift.’

    Kalligraaf Paul Antonio merkt op dat als hij kinderen leert schrijven, hij ze eigenlijk leert om het rustig aan te nemen

    Romanschrijver Mohsin Hamid maakt zijn aantekeningen met de hand in een notitieboekje en probeert zich als hij bezig is aan een roman zoveel mogelijk van de digitale wereld af te zonderen. Hij schrijft zijn boeken echter wel op de computer. ‘De technologie vormt me en configureert me’ als hij het gebruikt, vertelt hij aan de BBC. Volgens hem is het gevaarlijk om de computer-manier almaar te omarmen. De menselijke manier legt, afhankelijk van het medium, grenzen op. Tien vingers kunnen over een toetsenbord heen zoeven, maar een pen of potlood vereist geduld. De gemiddelde Amerikaan kan per minuut veertig woorden typen, maar slechts dertien woorden met de hand schrijven. Kalligraaf Paul Antonio merkt op dat als hij kinderen leert schrijven, hij ze eigenlijk leert om het rustig aan te nemen.

    De IT-wereld vervangt veel andere kennisvormen en het handschrift is niet de enige vaardigheid die we actief verliezen. Andere waardevolle lichaamsvaardigheden staan ook onder druk.

    Handarbeid

    ‘Als je een fysiek object maakt, of een muziekinstrument bespeelt, is de aandacht vooral op jezelf gericht,’ merkt socioloog Richard Sennett op. Als je gereedschap gebruikt of met een strijkstok over een snaar gaat, voel je iets terwijl je iets doet. Hoe beter je hierin wordt, hoe minder je erover hoeft na te denken. Het duurt lang voordat dit soort ‘plaatselijke cognitie’, zoals Sennett het noemt, tot stand komt. Zoals bij veel vormen van handarbeid moet je er langzaam voor werken. ‘Vakmanschap speelt een verankerende rol omdat het langzaam gaat,’ vertelt Sennett aan het tijdschrift American Craft. ‘Maken is denken.’

    Schoenmaker Lee Miller uit Texas doet er veertig uur over om een paar laarzen te maken, met gereedschap dat meer dan honderd jaar oud is. De tijd die het hem kost is onlosmakelijk verbonden met zijn vak. ‘Een geautomatiseerde machine is niks vergeleken met mensenhanden,’ zegt hij. Zijn klanten, die bereid zijn jaren op een paar op maat gemaakte laarzen te wachten, stemmen hiermee in. 

    Het belang van een handgemaakt object vloeit voort uit het besef van de tijd, moeite en vaardigheid die het heeft gekost om het te maken; een machine, zelfs als deze keer op keer dezelfde prachtige producten levert, kan dat gevoel nooit oproepen. ‘Wij mensen voelen niet alleen, we weten,’ schrijft filosoof Julian Baggini. ‘Als we weten waar dingen vandaan komen en hoe de arbeiders worden behandeld, heeft dat een effect op wat we erbij voelen, en terecht.’ Je hoeft overigens geen lid te zijn van de elite om van handgemaakte goederen te genieten; op platforms zoals Etsy zijn er voor uiteenlopende prijzen allerlei handgemaakte producten beschikbaar.

    Er ontstaan steeds nieuwe manieren om de handen uit de mouwen te steken die beter bij dit tijdperk passen

    Critici beweren dat onze vraag naar handgemaakte producten stijgt omdat veel producten vandaag de dag grootschalig worden geproduceerd. Hierdoor raken we de menselijke verbinding kwijt met de objecten die we gebruiken. Dit is waarschijnlijk een van de redenen geweest voor de heersende woede toen de erbarmelijke omstandigheden in Chinese iPhone-fabrieken bekend werden gemaakt. Toen bleek dat deze gelikte technologie door overwerkte – en soms suïcidale – mensenhanden werd gemaakt, keek men opeens heel anders naar deze producten. Althans, totdat de verontwaardiging weer wegebde en de nieuwe iPhones in de winkel lagen. 

    Onze voorliefde voor de tekenen van handwerk is niet verminderd, maar we ervaren het op een nieuwe manier. We omarmen een plaatsvervangende vorm van handwerk die niet meer bestaat uit de objecten zelf, maar uit afbeeldingen ervan. We kijken bijvoorbeeld naar perfect bereide maaltijden op Instagram of vakkundig kluswerk bij renovatieprogramma’s op TV. Zo zijn er ook DIY-video’s op YouTube, die breed uiteenlopen van goed geproduceerde instructievideo’s van loodgieters tot saaie, onderbelichte filmpjes van mensen die het gras in hun voortuin maaien (die overigens miljoenen keren bekeken worden). Dit komt overeen met de groei in andere plaatsvervangende bezigheden.

    Er ontstaan steeds nieuwe manieren om de handen uit de mouwen te steken die beter bij het technologische tijdperk passen. Zo is er bijvoorbeeld de maker-beweging, een zijstroming van de hackercultuur uit de late twintigste eeuw, die mensen meer zeggingskracht wilde geven over hoe hun technologie werkt. Chris Anderson zegde zijn baan op als redacteur bij het tijdschrift Wired om een DIY-dronebedrijf te starten. Hij zegt dat de nieuwe generatie tech-klussers en 3D-printfanaten een reactie zijn op een cultuur die zich te veel op het virtuele richt. ‘Als je iets maakt dat virtueel begint en vervolgens tastbaar en bruikbaar wordt in de echte wereld, geeft dat een soort voldoening die je van pure pixels nooit zult krijgen,’ schrijft hij. Hij voorspelt dat het groeiende aantal ‘makerspaces’ een nieuwe industriële revolutie zal ontsteken. Critici zoals Evgeny Morozov zeggen juist dat dit geen nieuwe revolutie is, maar slechts een nieuwe vorm van ‘consumentisme en ketellapperij’ gesponsord door grote bedrijven en het Amerikaanse leger.

    De grenzen van het lichaam

    Op een balk in het huis van de zestiende-eeuwse essayist Michel de Montaigne in het Franse Périgord staat een parafrase uit Prediker gekrast: ‘hij die niet weet hoe de geest zich aan het lichaam bindt, weet niets van de werken Gods.’ Montaigne omarmde het menselijk lichaam in al zijn prachtige en verontrustende vormen (zijn essays beschreven dikwijls zijn eigen en andermans scheten) en hij bekritiseerde iedereen die zijn eigen lichamelijkheid ontkende. Montaigne geloofde dat ons lichaam een van de belangrijkste manieren is om onszelf te begrijpen. Het herinnert ons eraan hoe zwak we eigenlijk zijn, en houdt ons ego op peil. ‘Zelfs op de hoogste troon ter wereld zitten wij nog steeds op onze kont,’ schreef hij. 

    De fysieke aspecten van het dagelijks leven waren in Montaignes tijd fundamenteel anders dan die van vandaag, en vereisten een stuk meer moeite en nederigheid. Dit soort nederigheid is zeldzaam in ons technologische tijdperk. Alledaagse, lichamelijke taken vallen in het niet naast wat wij allemaal kunnen als de technologie ons een handje helpt. Het is fysiek makkelijker om een boodschap naar de andere kant van de wereld te sturen dan om onze veters te strikken. 

    Maar onze apparaten en ons gereedschap blijven een verlenging van ons lichaam. Volgens computerwetenschapper Joseph Weizenbaum moeten we ‘aspecten van [onze gebruiksvoorwerpen] internaliseren in de vorm van bewegings- en waarnemingsgewoontes’, zo schrijft hij in zijn boek Computerkracht en mensenmacht. Onze gebruiksvoorwerpen maken een deel uit van onszelf. Zo helpen onze lichamen ons wegwijs te maken in de wereld. ‘Het lichaam is onze eerste en natuurlijkste technologische object,’ merkt Franse socioloog Marcel Mauss op.

    Vandaag de dag ervaren we steeds minder ongemak

    Welk gereedschap we kiezen en hoe we het gebruiken beïnvloedt niet alleen fysieke, maar ook mentale gewoontes. Onze lichamelijke handelingen bepalen niet alleen hoe we alledaagse dingen leren, maar ook hoe we de wereld om ons heen ervaren. In de roman Angle of Repose van Wallace Stegner beschrijft een karakter het leven van een vroegere generatie. Zijn grootmoeder, die op een boerderij woonde, ‘kon zonder enige afkeer een kip doden, schoonmaken en opeten, net als de buurvrouw’. Haar generatie had een ander soort verhouding tot de fysieke wereld, die werd weerspiegeld in hoe men zijn uitdagingen aanging. ‘Als een dier doodging, bepaalde het gezin wat er met het lijk moest gebeuren; als een mens doodging, baarden de vrouwen van het gezin het lichaam op.’

    Vandaag de dag ervaren we steeds minder ongemak en komen we minder in aanraking met de tekortkomingen van ons lichaam. Ons toenemende comfort betekent misschien dat we meer moeite hebben met de onvermijdelijke aftakeling van ons lichaam, dat dankzij technologie zo lang mogelijk in leven wordt gehouden. 

    Een wankele vrede

    Sommige vervagende gewoontes, zoals handschrift en tekenen, lijken op het eerste gezicht niet heel belangrijk. Het zijn bescheiden vaardigheden die in gesloten gezelschap worden benut, waar niet makkelijk geld in te verdienen is (behalve als je een van ‘s werelds weinige professionele kalligrafen bent) en die voor de meeste mensen in het dagelijks leven niet meer aan de orde zijn. 

    Toch laat de stille verdwijning van een vaardigheid zoals handschrift zien hoe ervaringen uitsterven; ze nemen langzaam af, niet door een of ander decreet vanuit de overheid of een populistische campagne vanuit het volk. We rationaliseren deze verdwijning niet als een tragisch verlies maar als een teken van vooruitgang en verbetering. Een vaardigheid vervaagt, en daarmee millennia aan menselijke ervaringen. Ook die ervaringen laten een spoor achter, zoals de grottekeningen in Altamira en Lascaux, die veertigduizend jaar geleden zijn geschilderd, honderden kilometers van elkaar vandaan. Toch hebben ze allebei een afbeelding gemeen: een mensenhand.

    Nieuwe technologieën hoeven de oude gebruiken niet gelijk te vervangen

    De gestage afname van het handschrift in een wereld vol schermen laat ook zien hoe weinig we eigenlijk stilstaan bij onze positie tussen het oude en het nieuwe. Nieuwe technologieën hoeven de oude gebruiken niet gelijk te vervangen. De drukpers heeft het handschrift bijvoorbeeld niet de nek omgedraaid. We hoeven er niet vanuit te gaan dat toetsenborden en touchscreens pen en papier onherroepelijk zullen uitroeien, dat we door software nooit meer met de hand zullen tekenen, of dat een toename aan technologie in het onderwijs traditionele, lichamelijke pedagogie uit de weg zal ruimen. Deze dingen kunnen in vrede voortbestaan, maar die vrede zal wankel zijn.

    ‘Want ons vlees omringt ons met zijn eigen begeertes,’ aldus de dichter Philip Larkin. Het omringt ons ook met kansen – om te leren, te begrijpen, en dingen te voelen op een manier die plaatsvervangende schermervaringen niet kunnen evenaren. De wereld raakt steeds meer verzadigd met afbeeldingen en het virtuele. We moeten in onze zoektocht naar technologische nieuwigheden de menselijke behoefte om te zien, te voelen en met de hand te werken, niet uit het oog verliezen.

  • Wat muizen ons leren over contraproductief sporten

    Wat muizen ons leren over contraproductief sporten

    Intensief sporten kan het lichaam tot andere vormen van energieverbruik zetten. Dat leidt mogelijk tot gewichtstoename, zagen wetenschappers bij muizen.

    Japanse onderzoekers hebben aangetoond dat sommige muizen zwaarder worden in de 24 uur na een flinke workout. Bij muizen die zich maar een beetje of helemaal niet inspanden, gebeurde dit niet, ook al aten beide groepen evenveel.  Deze ontdekking draagt bij aan het toenemende bewijs dat dieren, en wij mensen dus ook, na een atletische inspanning energieverbruik kunnen compenseren door andere vormen van energieverbranding te verminderen. ‘Veel mensen voelen zich na een zware training te uitgeput om te bewegen,’ zegt gezondheidswetenschapper Takashi Matsui van de Universiteit van Tsukuba in Japan. ‘Dat maakt het voor mij aannemelijk dat de resultaten van onze studie ook gelden voor mensen.’

    Minder bewegen

    Het lijkt logisch om aan te nemen dat je afvalt als je sport, doordat je dan meer energie verbruikt dan als je niet sport. Maar proeven waarbij mensen vaker sporten, hebben laten zien dat ze minder gewicht verliezen dan verwacht. In sommige gevallen vallen ze zelfs helemaal niet af. Eerder werd gedacht dat dit kwam doordat sporters meer gingen eten. Maar in 2015 bestudeerde antropoloog Herman Pontzer, nu werkzaam aan de Duke-universiteit in de VS, het energieverbruik van jager-verzamelaars van het ­Hadza-volk uit Tanzania. Geheel tegen zijn verwachtingen in ontdekte hij dat de Hadza ondanks hun actievere levensstijl evenveel calorieën verbranden als mensen die op kantoor werken.

    Pontzer vermoedde dat bepaalde vormen van energieverbruik afnemen bij fysiek actieve mensen, als compensatie voor de energie die ze met die inspanning verbranden. Met andere woorden: het kan zijn dat je bij stevige inspanning netto toch niet meer calorieën verbrandt. Dat is te verklaren doordat we minder bewegen als we uitgeput zijn, iets wat ook te zien is in dierproeven. Muizen die op een tredmolen hebben gerend, zijn minder actief dan muizen die dat niet gedaan hebben.

    Dalende temperatuur

    Nu heeft Matsui aangetoond dat verminderde beweging door vermoeidheid mogelijk niet het enige is wat een rol speelt. Zijn groep plaatste in dertig muizen een klein apparaatje dat zowel de lichaamstemperatuur als de hoeveelheid beweging van de muizen mat. Nadat alle muizen een week lang dagelijks een halfuurtje op een rad gerend hadden, verdeelden de onderzoekers ze in drie groepen. De eerste groep hoefde niet meer te rennen. De tweede groep rende een halfuur met een snelheid vergelijkbaar met het tempo waarbij joggers hun ademhaling niet hoeven te versnellen, zegt Matsui. De derde groep rende een halfuur op een hoger tempo. ‘Dit tempo kun je vergelijken met hoe hard wij rennen wanneer onze ademhaling toeneemt en we gaan zweten.’ De volgende dag bleek de fysieke activiteit van de groep die het hardst gerend had 30 procent lager dan op de dagen waarop ze niet hoefden te rennen. Bovendien daalde de lichaamstemperatuur van deze groep met 1 procent na het rennen, wat laat zien dat ze minder energie verbrandden. De muizen kwamen ook aan, hoewel ze evenveel aten als daarvoor. Deze effecten namen de onderzoekers niet waar bij de andere groepen muizen. ‘Onze experimenten laten zien dat zowel de fysieke activiteit als de lichaamstemperatuur na een flinke inspanning kunnen afnemen, en dat het lichaamsgewicht dan kan toenemen’, zegt Matsui.

    Intensiteit

    De afname in lichaamstemperatuur laat zien dat fysiologische processen afnemen als reactie op inspanning, zegt Pontzer. ‘Afgaand op de klaarblijkelijke energiecompensatie na een inspanning die we eerder zagen in mensen- en dierenstudies, komt dit niet als een verrassing. In deze studies zagen we dat het totale energieverbruik erg stabiel bleef, zelfs als dagelijkse inspanningen toenamen.’ Matsui denkt dat de resultaten relevant zijn voor mensen die gewicht proberen te verliezen. Waar de meeste studies focussen op het algehele energieverbruik bij mensen die sporten, is er nu ook op de intensiteit van de activiteit gelet. ‘Jezelf afbeulen waardoor je minder gaat bewegen, is contraproductief’, zegt hij. ‘Als je wilt afvallen, is het dus belangrijk om fysieke beweging buiten het sporten te erkennen en de intensiteit van een workout dermate laag te houden dat je overdag actief blijft.’

    ‘Ik weet niet zeker of we deze resultaten ook kunnen gebruiken om gematigde activiteit aan te raden in plaats van een intensere inspanning’, zegt Pontzer daarentegen. ‘Het is niet duidelijk of dit specifieke resultaat ook van toepassing is op mensen.’  

  • Onderzoek: aarde draait sneller dan voorheen, dagen worden korter

    Onderzoek: aarde draait sneller dan voorheen, dagen worden korter

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Gaza: Netanyahu ‘bereid’ te onderhandelen over een permanent staakt-het-vuren

    » Trump: vanaf augustus extra heffingen van 35 procent op Canadese producten

    De oorzaak van de versnellende rotatie is onbekend

    Onze planeet is sneller gaan draaien dan voorheen. Als gevolg daarvan zullen we de komende weken ongewoon korte dagen meemaken. De eerste is al op woensdag, de volgende dagen vallen op 22 juli en 5 augustus, wanneer de positie van de maan de rotatie van de aarde zodanig beïnvloedt dat de dag 1,3 tot 1,51 milliseconden korter zal zijn dan normaal. Dat schrijft het Tsjechische nieuwsportaal Aktuálně.

    Hoewel dit een verwaarloosbaar verschil lijkt, zeker als we bedenken dat één milliseconde een duizendste van een seconde is, kan het verstrekkende gevolgen hebben. Dit zou problemen kunnen opleveren voor technologieën die afhankelijk zijn van uiterst nauwkeurige tijdmetingen, zoals GPS-systemen, communicatienetwerken en datacentra, aldus de nieuwssite.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Wetenschappers overwegen daarom de invoering van een zogenaamde negatieve schrikkelseconde, waarbij de klok gewoon een seconde ‘overslaat’. Tot nu toe werden alleen schrikkelseconden toegevoegd om de tijd nauwkeurig bij te houden, juist vanwege de vertraging van de rotatie. Negatieve schrikkelseconden zijn echter een historische nieuwigheid.

    Er zijn een aantal factoren die van invloed zijn op de rotatie. Zo kunnen naast de stand van de maan ook extreme aardbevingen een rol spelen. Dat was te zien bij de aardbeving in maart 2011, die de oostkust van Japan trof en een kracht had van 9 op de schaal van Richter. Door deze aardbeving verschoof de aardas met 17 centimeter en werd de dag verkort met 1,8 microseconden.

    Wat de oorzaak is van de snellere rotatie nu, weet niemand. ‘De meeste wetenschappers denken dat de verandering wordt veroorzaakt door iets binnen in de aarde. Modellen van de oceanen en de atmosfeer kunnen deze enorme versnelling niet verklaren’, aldus Leonid Zotov, expert op het gebied van de rotatie van de aarde, op Time and Date.

  • Op zoek naar de waarheid achter de radioactieve chapatis in Coventry

    Op zoek naar de waarheid achter de radioactieve chapatis in Coventry

    Bij een experiment in de Engelse stad Coventry in de jaren zestig kregen 21 Zuid-Aziatische vrouwen radioactief brood te eten zonder dat zij daar toestemming voor hebben gegeven. Toen dit aan het licht kwam heerste er angst en woede. Maar wat is er precies gebeurd?

    In 2019 had Shahnaz Akter, postdoctoraal onderzoeker aan Warwick University, het met haar zus over een documentaire die in de jaren negentig werd uitgezonden op televisie. Het ging over radioactieve experimenten op mensen, waaronder een in 1969 in Coventry, Engeland. In een onderzoek naar ijzerabsorptie werden aan 21 vrouwen chapatis gegeven met radioactieve isotopen, zonder dat zij daar toestemming voor hadden gegeven.

    Akhter, die in de hechte Zuid-Aziatische gemeenschap in Coventry was opgegroeid, was verbaasd dat ze hier nog nooit over had gehoord. Ze besloot dieper in dit onderzoek te duiken en stuitte op een enquête uit 1995 van het Coventry Health Department die kort na de documentaire was uitgevoerd. De enquête onderzocht of het experiment de gezondheid van de proefpersonen in gevaar had gebracht en of er wel sprake was van geïnformeerde toestemming. Het perspectief van de vrouwen werd maar in één zin benoemd: ‘Bij de openbare bijeenkomst bleek dat twee participanten geen geïnformeerde toestemming hebben gegeven.’

    Toen Akhter dit las barstte ze in tranen uit. ‘Ik moest aan mijn eigen moeder denken,’ zei ze. ‘Het was knap van deze vrouwen dat ze van zich lieten horen en dat ze tegengeluid gaven, maar hun ervaringen werden gewoon weggewuifd.’  Akhter besloot deze vrouwen en hun families te achterhalen. Maar ze twijfelde ook. Het was 2020; er heerste een pandemie en vooral etnische minderheden werden zwaar getroffen. Akhter nam contact op met haar lokale parlementslid, Taiwo Owatemi van de Labour Party. ‘Ik was geschokt,’ zei Owatemi tegen mij. ‘Ik dacht: waarom hoor ik hdit nu pas? En hoe kunnen we deze vrouwen identificeren?’ Toch twijfelde Owatemi of dit het juiste moment was om zo’n medische misstand aan het licht te brengen, zeker gezien grote vaccinatiescepsis onder etnische minderheden. Akhter besloot geen openbaar onderzoek te starten, maar voorzichtig binnen de gemeenschap te vragen of mensen misschien families kenden die hierdoor getroffen waren.

    ‘Ik las dit en vond het schandalig, bizar en sinister’

    Het toeval wil dat Dr Louise Raw, historica en televisiemedewerker, rond die tijd een oude publicatie tegenkwam over de radioactieve chapatis. Het was een artikel uit 1995 in India Today, een follow-up over de documentaire. Opeens herinnerde Raw zich de film en ze was meteen gefascineerd. ‘Ik las dit en vond het schandalig, bizar en sinister,’ vertelt ze. Raw vond ook dat het verhaal meer aandacht verdiende – misschien een parlementaire enquête of compensatie – en begon erover te posten op sociale media. ‘Wat zijn de Britten toch hartverwarmend,’ begint haar thread op Twitter uit Augustus 2023. ‘Elke ochtend komt er een busje voorrijden bij je huis in Coventry. Een vriendelijke man brengt je een versgebakken platbrood. Dit brood is alleen voor jou, dus niet voor het hele gezin. ’s Middags komt hij langs om te kijken of je het hebt opgegeten.’ Verder beschrijft ze de centrale punten van de documentaire en de follow-up in India Today.

    Het is niet gek dat het viraal ging: het was goed verwoord voor sociale media en dankzij de pandemie was vertrouwen in de medische zorg laag. Tegelijkertijd was er steeds meer bewustzijn over racisme en identiteitspolitiek. Het eerste bericht is 9000 keer gedeeld en door zeven miljoen mensen bekeken. Samenvattende TikToks leverden tienduizenden views op. Ook reguliere media zoals The Guardian, BBC en Daily Mail hadden het erover, waarbij veel artikels zich richtten op Akhter en Owatemi’s zoektocht naar deze vrouwen.

    Het verhaal wakkerde angst aan in Coventry. Hoewel slechts 21 vrouwen meededen aan het onderzoek werd Owatemi gecontacteerd door tientallen mensen die doodsbang waren dat hun moeder of grootmoeder misschien een van de proefpersonen was. Kalbir, een vrouw in de zestig uit de Punjabi gemeenschap in Coventry, had het bericht ook gelezen. Ze stuurde het door naar haar familie, en even later reageerde haar zus: ‘Oh ja, mama had het daar ooit over. Dit wist je toch al?’ Kalbir kwam er tot haar verbazing achter dat, kort nadat de documentaire in 1995 op tv kwam, hun moeder had gezegd dat ze een van de proefpersonen was. Kalbir woonde toen niet thuis en niemand had er iets over gezegd tegen haar. Ze was er kapot van. Haar moeder was al twintig jaar overleden, maar Kalbir bleef achter met veel vragen: ‘Wat is er gebeurd? Was er nazorg? Wat waren de gevolgen? Heeft dit haar gezondheid beïnvloed?’ Eten werd altijd gedeeld in haar huis, en Kalbir raakte in paniek: had zij, of een broer of zus, misschien ook van de radioactieve chapati’s gegeten?

    Haar moeder was al twintig jaar overleden, maar Kalbir bleef achter met veel vragen

    Kalbir ziet zichzelf als een eloquente, assertieve vrouw: een echte vechter. Dus ging ze wanhopig op zoek naar de medische dossiers van haar moeder, met weinig resultaat. De praktijk van de dokter bestond niet meer en de medische geheimhoudingsplicht is na overlijden van een patiënt nog steeds van kracht. Akhter en Owatemi kwamen ondertussen niet veel verder. De medische onderzoeksraad (MRC), het orgaan dat Brits medisch onderzoek financiert en coördineert, heeft naar eigen zeggen geen documentatie over de studie, niet eens een lijst met proefpersonen. Uit vervolgonderzoek blijkt dat de vrouwen maar een heel kleine dosis straling hebben gekregen, maar niet iedereen is hiermee gerustgesteld. ‘Ik herinner me nog goed dat mijn moeder erg ziek was. Ze dacht dat ze doodging,’ zei Kalbir. ‘Zonder duidelijke informatie gaat er van alles in je hoofd rondspoken.’ Naast de angst over stralingsvergiftiging is er de verschrikkelijke gedachte dat er zonder toestemming op mensen is geëxperimenteerd.

    Hoewel dit onderzoek meer dan vijftig jaar geleden plaatsvond, roept het nog steeds veel emoties op, waaronder angsten over racistische gezondheidsongelijkheid en medische misstanden. Na zoveel tijd is het moeilijk om de waarheid nog te achterhalen: wat is er precies gebeurd in Coventry in 1969?

    Met goede bedoelingen

    In de vroege jaren zestig woonde in Belfast een jonge ambitieuze epidemioloog genaamd Peter Elwood. Na een aantal ‘ongelooflijk fascinerende’ onderzoeksprojecten vond begon hij zijn strijd tegen een bron van veel gezondheidsklachten: bloedarmoede, ook wel bekend als anemie. Het wordt vaak veroorzaakt door ijzertekort. Bij bloedarmoede maakt het bloed niet genoeg rode bloedcellen aan, waardoor de organen te weinig zuurstof krijgen. Het leidt vaak tot vermoeidheidsklachten, maar kan ook de cognitieve ontwikkeling van kinderen remmen en onder zwangere vrouwen kan het zelfs leiden tot vroegtijdige geboorte of moedersterfte. De WHO identificeert anemie nog steeds als een wereldwijd gezondheidsprobleem.

    Op een dag reed Elwood met zijn auto door Belfast en besprak hij met een collega hoe ze anemiebehandeling het beste konden verbeteren. ‘Huisartsen met pillen legden weinig zoden aan de dijk – dus hoe moesten we dit aanpakken?’ verhaalt hij. Sinds de jaren vijftig werd Brits brood veelal aangesterkt met ijzer, calcium en andere mineralen, maar er was weinig onderzoek naar of dit wel effectief was, of hoe het type ijzer of meel de absorptie beïnvloedde. ‘En zo begon dit hele vakgebied, dat tien jaar bestond en eindigde met de radioactieve chapati’s. Het begon met een idee in de auto,’ aldus Elwood. (Elwood, die nu in de negentig is, heeft een interview voor dit artikel afgewezen. Alle citaten in dit artikel zijn uit een interview met de Queen Mary University of London uit 2000).

    ‘Het begon met een idee in de auto’

    In 1963 werd Elwood een baan aangeboden bij de epidemiologische onderzoekseenheid, een onderdeel van de MRC, en dus verhuisde hij naar Cardiff. Hij begon nieuwe onderzoeken naar ijzer in brood, vergeleek verschillende soorten meel en testte hoe de absorptie werd beïnvloed door inname van andere etenswaren. In de jaren zestig begon hij te experimenteren met een spannende nieuwe onderzoekstechniek: straling. Normaal gesproken wordt ijzerabsorptie gemeten door iemand ijzerrijk voedsel of supplementen te geven en vervolgens het bloed te testen op de hoeveelheid hemoglobine – een proces dat maanden kan duren. Met radioactieve ijzerisotopen is een volledig onderzoek een kwestie van weken of zelfs dagen. Het radioactieve element werkt als een soort label dat aan het ijzer vastzit, zodat wetenschappers precies kunnen meten wat er in het lichaam mee gebeurt. Vandaag de dag worden radioactieve tracers nog steeds gebruikt, bijvoorbeeld voor kankerdiagnoses.

    Na de oorlog werd voor bijna alle medische behandelingen straling gebruikt, van artritis tot ringworm. Maar in de jaren vijftig werd duidelijk dat straling de kans op bepaalde vormen van kanker verhoogt en dat het tot onvruchtbaarheid kan leiden, dus werd het gebruik ervan ingeperkt. Toch bleven medische wetenschappers enthousiast over de snelheid en de precisie van stralingsexperimenten. Mede hierdoor – maar ook dankzij nieuwe technologieën zoals celkweek en toename van antibiotica – ontstond de gedachte dat de mens misschien wel alle ziektes zou kunnen uitroeien.

    In de tijd van Elwoods ijzeronderzoek was de medische cultuur paternalistisch. De meeste dokters vonden het beter als zij zelf namens patiënten inschattingen maakten over mogelijke risico’s. Velen vonden toestemming onnodig, anderen vonden het zelfs hinderlijk voor de wetenschap. Nadat het proces van Neurenberg de verschrikkingen van de Duitse medische experimenten op kampgevangenen had blootgelegd, werden er in de Code van Neurenberg nieuwe principes opgesteld omtrent ethisch onderzoek op mensen. De eerste van tien punten luidt: ‘De vrijwillige toestemming van de proefpersoon is absoluut essentieel.’ In de Code staan ook andere principes: experimenten moeten bijdragen aan de samenleving, ze moeten door gekwalificeerde wetenschappers worden uitgevoerd, en het risico moet nooit groter zijn dan het mogelijke voordeel. Maar de code had eerst weinig effect op wetenschappers uit het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Zij vonden het meer van toepassing op kwaadaardige oorlogscriminelen en niet op hoogstaande dokters die de wetenschap wilden voortzetten. In 1964 schreef medicus Paul Beeson, die tevens professor was geweest bij Yale en Oxford, over de Neurenbergcode: ‘dit document laat prachtig zien waarom de oorlogsmisdaden verschrikkelijk waren, maar het is geen geschikte gids voor klinische wetenschap die met goede bedoelingen bedreven wordt’.

    ‘[De Code van Neurenberg] is geen geschikte gids voor klinische wetenschap die met goede bedoelingen bedreven wordt’

    Naarmate er meer details aan het licht kwamen van onderzoeken uit de twintigste eeuw werd echter duidelijk dat het doel de middelen niet heiligt. Zo werd in het Tuskegee-experiment, dat in Alabama van 1932 tot 1972 werd uitgevoerd, de aanwezigheid van syfilis onder jonge zwarte mannen onderzocht. De deelnemers dachten dat ze voor hun ziekte behandeld werden maar kregen een placebo, zelfs nadat penicilline in de jaren veertig veelal beschikbaar was als snel, effectief medicijn. Velen zijn onnodig gestorven. Ook werden in de jaren zestig voor een vaccinonderzoek een aantal verstandelijk beperkte kinderen van de Willowbrook School in Staten Island opzettelijk met virale hepatitis besmet. Er zijn nog talloze voorbeelden uit de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Canada. Sommige van deze experimenten gebruikten straling: In de jaren vijftig werden zwangere vrouwen in Londen en Aberdeen met radioactief jodium geïnjecteerd voor onderzoek naar hun schildklier, ondanks het feit dat baby’s extra gevoelig zijn voor straling. In de jaren veertig en vijftig kreeg een aantal kinderen met een onderwijsachterstand in Massachusetts radioactieve havermout te eten bij een onderzoek naar hoe Quaker havermout werd verteerd.

    In de jaren zestig trokken twee dokters aan de bel over onethische praktijken: Henry Beecher uit de VS en Maurice Pappworth uit het Verenigd Koninkrijk. Ze signaleerden twee problemen: ten eerste dat er vaak geen ruimte was om toestemming te geven voor experimenten en ten tweede dat het risico van bepaalde studies niet te verantwoorden was. ‘In hun onuitputtelijke ijver voor de wetenschap zijn veel medici het zicht op hun proefpersonen verloren. Deze mensen zijn individuen en ze hebben rechten,’ schreef Papworth in 1967.

    Hoewel dit soort ingrepen omstreden waren, begon de medische wereld langzamerhand alert te worden op de risico’s van onethisch onderzoek. Deze discussie vond dus plaats terwijl Elwood in de jaren zestig ijzerabsorptie onderzocht. Toen hij radioactieve isotopen bij zijn werk betrok, waren er echter nog geen regels of richtlijnen voor het gebruik van straling op mensen. Elwood had al veel ontdekt over hoe het lichaam ijzer verwerkt. ‘[Dat waren] hele interessante studies, en ik stelde de mogelijkheid om een idee door te zetten erg op prijs,’ zei hij. Straling was simpelweg een manier om hier meer over te weten te komen. 

    Het onderzoek

    Elwood publiceerde in 1968 een onderzoek waarin vrijwilligers – volgens Elwood voornamelijk vrienden en collega’s – een dagelijks ontbijt kregen, inclusief ijzerrijk brood. ‘Twee weken later nodigden we ze uit in Harwell om te meten hoe het ijzer door het lichaam was verwerkt,’ zei Elwood. Het Harwell-laboratorium, ook wel bekend als het Onderzoekscentrum voor Kernenergie, werd door de overheid bestuurd en stond vlak buiten Oxford. Nergens anders in het land waren er instrumenten waarmee ze zulke zwakke straling konden meten. Uit Elwoods onderzoek bleek dat eieren de ijzerabsorptie remmen, maar dat vruchtensap het juist stimuleert. Dit kwam onder de aandacht van de media, ook in de Verenigde Staten. Dit onderzoek is tot op de dag van vandaag leidend – mijn dokter schreef mij laatst ijzerpillen toe en zei nog dat ik ze met sinaasappelsap moest innemen.

    Dankzij dit daverende succes werd Elwood toegelaten tot het Comité IJzertekort bij de WHO. ‘Een van de eerste dingen die ik bij het comité te horen kreeg was dat mijn onderzoek naar brood interessant was, maar ook vrij irrelevant voor de landen waar anemie een groot probleem is. Daar eten ze namelijk vooral chapati’s of tortilla’s,’ vertelt Elwood. ‘Ze zeiden: “We weten niet wat fermentatie met ijzer doet. Zou u dit onderzoek kunnen herhalen met chapati’s?”’

    Elwood huurde dus een Indiase huisvrouw in om in Cardiff aan een aantal Welse huisvrouwen te leren hoe ze chapati’s moesten bakken. Met ijzerrijk meel maakten ze tweehonderd chapati’s, die ze vervolgens invroren. Ondertussen zocht Elwood naar deelnemers: Zuid-Aziatische vrouwen met een traditioneel dieet. Uiteindelijk stuitte hij op Coventry, waar zich een gemeenschap bevond van immigranten uit Punjab, een regio in India. Elwoods team verkaste zich naar een huisartsenpraktijk in Foleshill, het centrum van de Zuid-Aziatische gemeenschap in Coventry, om mogelijke proefpersonen te identificeren.

    Zij dachten dat dit dieet hun zou genezen, of ten minste zou helpen bij een diagnose

    Dokter Shah, de huisarts die de vrouwen naar het onderzoek doorverwees, was alom bekend in Foleshill. Kalbir herinnert zich een vriendelijke man die patiënten vaak thuis bezocht. Wat Shah precies aan de 21 doorverwezen vrouwen vertelde is cruciaal maar omstreden, en we kunnen het hem niet meer vragen aangezien hij al een aantal jaar dood is. Het is echter wel duidelijk geworden dat minstens twee van deze vrouwen Shah om advies vroegen – een had last van artritis en een ander van migraine – en dat zij dachten dat dit dieet hun zou genezen, of ten minste zou helpen bij een diagnose. Kalbir was zeven jaar oud in 1969 en ze heeft dus geen idee wat er aan haar moeder werd verteld, maar ze betwijfelt zeer dat haar moeder precies wist wat er op het spel stond. ‘Een dokter kon je vertrouwen,’ zei ze.

    Nadat ze door Shah geïdentificeerd waren, werden de vrouwen naar Elwoods team doorverwezen. Volgens een enquête van MRC werden alle vrouwen bezocht door een teamlid – vaak Elwood zelf – dat het doel van het onderzoek uitlegde en ze op de hoogte stelde van de lage dosis straling. De vrouwen zouden elk een brief hebben ontvangen waarin stond dat ze radioactieve isotopen zouden innemen om hun ijzerabsorptie te testen. (Toen ik deze brieven wilde inzien zei het MRC dat er geen documenten over dit onderzoek in het archief aanwezig zijn.) Maar er was een probleem. De brieven en gesprekken waren allemaal in het Engels, terwijl de meeste vrouwen enkel Punjabi of Pothwari spraken, en sommigen helemaal niet konden lezen. 

    ‘We kwamen op bezoek bij Aziatische mensen die wantrouwig waren en bovendien geen Engels spraken,’ zei Janie Hughes, een onderzoeker die met Elwood naar Coventry kwam. (Alle citaten van Hughes komen uit een interview met Mary Queen University of London uit 2000). Vandaag de dag moet iedereen die meedoet aan een medisch onderzoek schriftelijke toestemming geven, en moeten er professionele tolken aanwezig zijn voor mensen die geen Engels spreken. Dit gold niet in de jaren zestig.

    Als er vertaalproblemen waren of als Butt er niet was, sprongen de kinderen van de vrouwen bij

    Soms kwam Mrs Butt, een lokale thuiszorg, met het team mee om te vertalen. Ze sprak Punjabi maar ze was geen professionele tolk. Als er vertaalproblemen waren of als Butt er niet was, sprongen de kinderen van de vrouwen bij. Het is uiteraard niet ideaal om medische informatie door kinderen te laten vertalen, zeker als er onbekende termen zoals ‘radioactieve isotopen’ bij komen kijken. Hughes weet nog dat taal een groot probleem was voor Elwood. ‘Hij probeerde alles duidelijk te maken. Ethisch gezien moet je wel toestemming hebben, zeker als je bloed opneemt, en dan vroeg je je wel af: snappen ze wel waar ik het over heb?’ Later voegde ze toe: ‘Kan je je voorstellen dat je dit moet uitleggen aan iemand die alleen Urdu spreekt?’ (De vrouwen spraken geen Urdu, de lingua franca van Pakistan.)

    Ondanks deze vertaalproblemen en het gevaar dat de vrouwen niet wisten wat er aan de hand was, ging het onderzoek toch door. Vier dagen lang werden er ’s ochtends radioactieve chapati’s bezorgd en werden de vrouwen verzocht er elk een te eten. Een paar uur later kwam Tom Benjamin, een onderzoeker bij Elwoods team,  bij alle 21 vrouwen langs om te controleren of ze de chapati’s hadden opgegeten en te vragen wat ze nog meer hadden gegeten en gedronken. Zeventien dagen later kregen de vrouwen een rit van anderhalf uur naar het Harwell-laboratorium voor wat tests. 31 jaar later spreekt Elwood van een zeer aangename reis naar Harwell: ‘Tom Benjamin had heel erg zijn best gedaan om de vrouwen welkom te heten en ze op hun gemak te stellen. Hij had een uitstapje georganiseerd zodat ze op die dag in Harwell ook nog wat leuks konden zien,’ zei hij. ‘Hij nam ze mee naar Oxford om de universiteit te laten zien en om een kopje thee te drinken. Onderweg naar Harwell waren er trouwens ook theepauzes. Ik heb het gevoel dat ik twintig nieuwe vrienden heb gemaakt bij dat project. Het was heel gezellig.’

    Dit verhaal is niet te verifiëren, maar het laboratorium moet op zijn minst een vreemde plek zijn geweest voor deze vrouwen. Kalbir stelt zich niet graag voor hoe haar moeder door dat grote gebouw in de buitenwijken van Oxford wandelt. ‘Ik denk dat het heel eng voor ze was,’ zei ze. ‘Het bestaan in Engeland was al zwaar.Racisten vielen ons huis aan, we werden op straat lastiggevallen en dan doet het systeem ze ook nog zoiets aan.’

    In 1970 werd het onderzoek gepubliceerd en het bleek dat er weinig verschil in ijzerabsorptie was tussen het gefermenteerde chapatimeel en broodmeel. De resultaten werden niet met de vrouwen gedeeld en er is niemand meer langsgekomen om hun gezondheid te controleren na het stralingsonderzoek. Dit was toentertijd de norm en de onderzoekers achtten de kans op gezondheidsklachten klein. ‘Iedereen was het alweer vergeten,’ zei Elwood. Pas na 26 jaar doken de feiten weer op.

    De documentaire

    Toen documentairemaker John Brownlow in de jaren negentig naar een nieuw onderwerp op zoek was, stuitte hij op een verhaal uit de Verenigde Staten. Eileen Welsome had onlangs een Pulitzer Prize gewonnen voor haar reportage over stralingsexperimenten op mensen, waarbij ze de slachtoffers had opgezocht om aan al het leed een gezicht te geven. De experimenten had ze onderverdeeld in twee categorieën. De eerste was de militaire categorie, waarbij de straling uit kernwapens zonder toestemming op mensen werd getest om te kijken hoe het lichaam erop reageerde. Een van de meest schokkende voorbeelden kwam voor tussen 1945 en 1947, een test waarbij achttien (voornamelijk arme of laagopgeleide) ziekenhuispatiënten uit de hele Verenigde Staten een plutoniuminjectie kregen. De tweede categorie bestaat uit studies die een oprecht medisch doel hadden – bijvoorbeeld ijzerabsorptie of het functioneren van de schildklier – maar nog steeds zonder toestemming een groot risico vormde. Zo vond er in de jaren veertig een experiment plaats waarbij een kliniek in Nashville 849 zwangere vrouwen radioactieve ijzerisotopen toediende om ijzerabsorptie in de baarmoeder te onderzoeken. Het ziekenhuis houdt vol dat het veilige doses betrof, maar alle vormen van straling zijn schadelijk voor een ongeboren kind. Welsome kwam erachter dat het kind van een van deze vrouwen, dat deze straling in de baarmoeder ondervonden had, later aan een zeldzame vorm van kanker was gestorven.

    Met financiële steun van Channel 4 stelde Brownlow een klein team samen om te kijken of er ook in het Verenigd Koninkrijk soortgelijke experimenten zijn gedaan. Ze hebben zich een weg gebaand door openbare documenten en wetenschappelijke studies, op zoek naar gegevens over de kernlaboratoria in het Verenigd Koninkrijk. Ze hebben verschrikkelijke experimenten ontdekt. In de jaren vijftig werden voor het zogeheten Project Sunshine lichaamsdelen van dode kinderen naar de Verenigde Staten gestuurd, zonder toestemming van de ouders, om de effecten van kernsplijting op mensenbotten te testen. Veel studies die Brownlow vond, leken erg op die van Welsome in Nashville. In Aberdeen, Liverpool en Londen werd onderzoek gedaan naar schildklierfunctie, ijzerabsorptie en de placenta van zwangere vrouwen. De vrouwen kregen radioactieve pillen of injecties zonder dat het risico aan hen werd uitgelegd, of zonder ook maar enige informatie.

    Brownlow’s oog viel op een titel: IJzerabsorptie met chapati van tarwebloem. ‘Ik dacht: wat is dit?’ vertelt hij. Samen met Sukhbender Singh, een lokale journalist uit Punjab, wist het team een van de proefpersonen te vinden: een vrouw genaamd Pritam Kaur. De filmmakers besloten het gesprek met haar gezin met een open blik aan te gaan. ‘Misschien zouden ze wel zeggen: “De wetenschappers hebben het helemaal uitgelegd,”’ zei hij tegen mij. ‘Maar of dat was niet zo, of ze begrepen me niet goed.’

    ‘Mijn moeder zei dat als ze ervan geweten had, ze dat nooit had opgegeten’

    Kaur vertelde dat ze met migraine naar haar huisarts was gegaan, die zei dat het misschien door bloedarmoede kwam. In de documentaire is Kaur een oude vrouw en ze ziet er kwetsbaar uit. Ze zit op de bank naast haar zoon, die voor haar vertaalt: ‘Hij zei dat we met deze chapati kunnen uitzoeken wat eraan scheelt. Hij legde uit: “Er komt dagelijks iemand bij je langs met wat chapati’s. Eet die op, dan nemen we je mee en kijken we wat er aan de hand is.”’  Kaur onderbreekt hem in het Punjabi en haar zoon voegt toe: ‘Mijn moeder zei dat als ze ervan geweten had, ze dat nooit had opgegeten.’

    Dit was niet het allerergste dat Brownlow in Coventry had ontdekt. In Wales had hij een echtpaar ontmoet dat hun baby niet voor haar begrafenis kon aankleden omdat de botten in haar benen waren meegenomen voor Project Sunshine. Het chapati-experiment had tenminste nog een duidelijk, gunstig doel: onderzoek naar het bestrijden van bloedarmoede, maar de manier waarop het experiment was ondernomen kwam overeen met andere studies die Brownlow vond. ‘Het ging om kwetsbare groepen – in dit geval een gemeenschap die moeite had met de Engelse taal – wiens toestemming door anderen werd bepaald,’ vertelde hij mij.

    De documentaire Deadly Experiments ging op 6 Juli 1995 op Channel 4 in première. Eerst behandelt de film de oorsprong van nucleair onderzoek in kernwapenontwikkeling. In de tweede helft gaat het over experimenten in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk waarbij mensen zonder toestemming aan kernstraling werden blootgesteld. Elwood werd gecontacteerd voordat de film op televisie kwam maar hij komt niet in de documentaire voor. Toen hij hem bekeek was hij ‘zeer skeptisch’. In de documentaire klinkt er onheilspellende muziek en worden er af en toe beelden getoond van paddenstoelenwolken, om het verband tussen straling en kernwapens te benadrukken. Tijdens het kijken zei Elwoods schoondochter, telkens als deze beelden te zien waren: “Kijk, daar gaat weer zo’n chapati!”

    Sindsdien is Elwood overgegaan op ander onderzoek, en heeft hij veel aanzien gekregen. Zijn team heeft onder andere een belangrijke doorbraak gemaakt door te bewijzen dat de dagelijkse inname van aspirine na een hartaanval van levensreddend belang kan zijn. Het was dus ook schokkend om zijn eerdere onderzoek in zo’n kwaad daglicht te zien. Het Coventry-experiment wordt helemaal aan het einde van de documentaire behandeld en het segment duurt maar vijf minuten. Elwood keek verbijsterd toe terwijl er ‘buitengewone beweringen’ werden gedaan over zijn onderzoeksmethode. Kaurs verhaal wisselt zich af met een interview met een woordvoerder van het MRC, die beweert dat er toestemming was gegeven en dat ‘wanneer er taalproblemen waren’, het gesprek dan werd voortgezet ‘met hulp van een familielid dat Engels sprak.’ Weg van de camera zegt Brownlow tegen de MRC-beambte dat een van de vrouwen beweert dat zij nooit van enige straling afwist. ‘Dat is toch duidelijk onethisch?’ zegt hij. De beambte antwoordt: ‘Als dit waar is, dan is dat inderdaad onethisch.’

    ‘Mensen waren in paniek. Ze dachten dat het hen ook zou overkomen’

    Na de documentaire waren er nieuwsitems en politieke debatten, maar er heerste ook angst. ‘Mensen waren in paniek. Ze dachten dat het hen ook zou overkomen,’ zegt Brownlow. Het verhaal uit Coventry werd herhaald in de Indiase media. India Today interviewde de dochter van Danti Sohanta, Kaurs buurvrouw, die zei dat ze doorverwezen werd nadat ze naar de huisarts ging met artritisklachten. ‘De dokter zei tegen haar: “U wordt vast weer beter als u dit dieet volgt,”’ aldus haar dochter. ‘Ze geloofde hem. In die tijd trok je een dokter niet in twijfel. In dit artikel wordt ook een vreemd moment beschreven. Paul Fawcett, een woordvoerder voor MRC, beweert dat er ‘met de dokter altijd een zorgverlener meekwam die Gujarati sprak’. De journalist wees hem erop dat de vrouwen Punjabi spraken, geen Gujarati. (Gujarat ligt op duizend kilometer afstand van Punjab.)  ‘Fawcett las zijn aantekeningen even door en herhaalde vervolgens wat hij zei,’ aldus het artikel.

    Te midden van alle onrust richtte de gemeente van Coventry een hulplijn op voor bezorgde bewoners en stelde de gezondheidsautoriteit van Coventry een onderzoek in. Elwood vond het een pijnlijke ervaring. ‘Ik ging naar Coventry en het hoofd van de medische dienst zei tegen mij: “Laten we via de achterdeur naar binnen gaan. Er is een menigte aan journalisten en Aziaten, en ze hebben het op je gemunt – het zijn heel lastige types,”’ vertelt hij. Elwood gaf wat uitleg over het experiment voordat hij vragen beantwoordde. ‘Een aantal mensen werd heel agressief,’ zei hij. Een Aziatische man ‘sloeg met zijn vuist op tafel en riep dat ik samenspande met het ministerie van Defensie, dat deze arme vrouwen gedupeerd zijn, dat ik ze had bedrogen… dat ze allemaal gezondheidsklachten hadden. Maar ze waren allemaal in de tachtig, en er waren ook al een paar vrouwen overleden. Alles wat er aan die vrouwen mankeerde werd mij toegeworpen.’

    Elwood was duidelijk niet op zoveel woede voorbereid. Hij betwistte zelfs dat de vrouwen nauwelijks Engels konden, maar dit was toen al bevestigd. ‘Ze zeiden dat deze vrouwen laaggeletterd waren, en dat ik ze expres had uitgekozen zodat ze er niets van zouden begrijpen,’ zei hij. ‘Nou, ik heb brieven van een stuk of drie vrouwen waarin ze mij bedanken voor het interessante onderzoek, allemaal in uitstekend Engels.’ (Ik heb MRC gevraagd of Elwood deze brieven nog steeds bezit, maar zij beweren dat hij geen enkel contact heeft onderhouden omtrent dit onderzoek.)

    ‘Ze zeiden dat (…) dat ik ze expres had uitgekozen zodat ze er niets van zouden begrijpen’

    Elwood heeft dan geen prettige ervaring gehad, toch gaf het rapport van de gezondheidszorg in Coventry hem groot gelijk. De conclusie was dat hij aan alle ethische standaarden van die tijd had voldaan, en dat de dosis straling – volgens een onafhankelijke expert – erg laag was: ongeveer gelijk aan één röntgenfoto in die tijd. Het rapport levert kritiek op de documentaire, dat deze namelijk ‘onnodige paniek heeft gezaaid onder Aziatische mensen in Coventry’. Er ontbrak alleen één ding aan het rapport: de stem van de proefpersonen. Volgens het rapport heeft MRC geen overzicht meer van de vrouwen die meededen aan het experiment. Daardoor hebben ze alleen maar met ‘de weinige’ vrouwen kunnen spreken die na de documentaire contact hebben opgenomen. Het is niet duidelijk hoe, en of, MRC contact met de vrouwen heeft gezocht, maar Kalbirs moeder heeft hier niets over gehoord en wist niet dat dit onderzoek gaande was. De vrouwen worden één keer genoemd: een zin waarin staat dat twee vrouwen zich niet kunnen herinneren of ze toestemming hebben gegeven.

    In de nasleep van de documentaire is de MRC een eigen enquête begonnen waarin alle MRC-experimenten die in de film voorkomen zijn onderzocht. Het onderzoek werd in 1998 gepubliceerd en de conclusie was dat alle experimenten helemaal conform de regels van die tijd zijn gegaan. De vrouwen zijn hierbij opnieuw over het hoofd gezien; er stond in het rapport dat ‘hoewel er veel kanalen zijn gebruikt’, niemand zich heeft gemeld. De wetenschappers hadden het experiment aan de vrouwen uitgelegd – wat niet gebruikelijk was – dus wordt Elwood in het rapport beschreven als ‘een zeer integere wetenschapper’, en was dit ‘een voorbeeldige studie waarbij de onderzoeksstandaarden hun tijd ver vooruit waren’. Het rapport benoemt ook het gebrekkige Engels van sommige vrouwen, en het feit dat kinderen soms voor ze vertaalden: ‘het is mogelijk dat, ondanks de goede bedoelingen van het team, de vrouwen de volledige details van de studie niet helemaal hebben begrepen’. Dit wordt verder niet veel besproken, behalve dat ‘men de behoeften van proefpersonen uit etnische minderheden nu over het algemeen beter begrijpt, en daar dus ook voorzichtiger mee omgaat.’

    In de Verenigde Staten begon de regering onder Bill Clinton als gevolg van Eileen Welsome’s reportage een volledige enquête naar menselijk stralingsonderzoek. Clinton bood slachtoffers zijn excuses aan en na een aantal collectieve rechtszaken volgde er compensatie. Hier zaten zaken tussen die veel weg hadden van het chapati-experiment en andere soortgelijke onderzoeken die Bronlow in het Verenigd Koninkrijk had ontdekt. Dit waren experimenten die een relatief goedaardig medisch doel hadden en waar het probleem niet zozeer om radioactieve schade ging, maar om het gebrek aan toestemming. De zwangere vrouwen in Nashville hebben meer dan 10 miljoen dollar ontvangen, dit terwijl hun stralingsdosis relatief laag was. Een vervolgonderzoek toonde aan dat er een ‘klein maar statistisch onbeduidend’ hoger aantal kankerpatiënten onder de kinderen was. Een aantal van de leerlingen uit Massachusetts die radioactieve havermout hadden gegeten hebben een schikking van 1,85 miljoen dollar ontvangen, hoewel er opnieuw uit onderzoek bleek dat er relatief kleine doses straling bij kwamen kijken.

    In het Verenigd Koninkrijk waren er geen vervolgstudies over de potentiële schade, geen rechtszaken, geen compensatie. Niet eens een verontschuldiging.

    De lege archieven

    Toen het Coventry-experiment in 2023 weer onder de aandacht kwam, riep men op tot een openbare enquête en compensatie voor de vrouwen. Dit is alleen moeilijk te bewerkstelligen: zelfs basisfeiten, zoals de namen van de vrouwen, zijn nauwelijks toegankelijk. In 1995 zei MRC al dat ze deze informatie niet hadden. ‘Als wetenschapper vind ik dat erg vreemd,’ zei Owatemi, die, voordat ze de politiek inging, zelf wetenschapper is geweest. ‘Deze onderzoeker leeft nog, en ik geloof er niets van dat MRC dit zomaar uit zijn archief zou halen.’ (MRC heeft hierop gereageerd, en heeft mij beleidsdocumenten getoond waarin staat dat medisch onderzoek twintig jaar wordt bewaard, en recentere GDPR-regels die voorschrijven om data niet langer dan nodig te bewaren.)

    Het achterhalen van de identiteit van deze vrouwen is een moeizaam proces. Akhter, de onderzoeker bij de Warwick-universiteit, heeft contact met een aantal families die vermoeden dat hun moeder of grootmoeder bij het experiment betrokken was, en is van plan ze hierover te interviewen. MRC is een eigen onafhankelijk onderzoek gestart naar het Coventry-experiment en andere soortgelijke proeven ‘waarbij het onderzoeksproces, en specifiek toestemmingsprocedures, niet aan hedendaagse ethische standaarden voldoen (maar eventueel wel aan de standaarden toentertijd)’. Ze hebben een team van de Universiteit van Leicester gevraagd om de gezinnen en de bredere gemeenschap te interviewen met blik op ‘vertrouwen binnen gemeenschappen van etnische minderheden’. Owatemi hoopt erop dat ze de vrouwen kan identificeren zodat er officiële excuses en een morbiditeitsonderzoek naar de gezondheidsgevolgen kunnen plaatsvinden.

    In de jaren negentig hebben MRC-woordvoerders herhaaldelijk gezegd dat een vervolgonderzoek naar de vrouwen geldverspilling zou zijn aangezien de stralingsdoses zo laag waren. ‘Ik ben boos, gefrustreerd en bang,’ zei Kalbir tegen mij. ‘Ik eis antwoorden en gerechtigheid.’ Het chapati-verhaal is door de jaren heen meermaals onder de aandacht gekomen, en inmiddels staat het symbool voor iets veel groters. ‘Deze vrouwen hadden het zwaar in Engeland,’ zei Kalbir. ‘Ze begrepen de wetenschap en de medische wereld niet. Ze vertrouwden er blindelings op. Dit had nooit mogen gebeuren.’

  • In de Atacama-woestijn wordt de grootste telescoop ter wereld gebouwd

    In de Atacama-woestijn wordt de grootste telescoop ter wereld gebouwd

    Op een bergtop in de Atacama-woestijn in Chili wordt gewerkt aan de grootste sterrenkijker ter wereld: de Extremely Large Telescope. De 798 spiegels moeten door weer, wind en aardbevingen perfect gepositioneerd blijven.

    Als je aan Davide Deiana vraagt wat zijn werk zo bijzonder maakt, haalt hij zijn schouders op, glimlacht hij en zegt hij: ‘Ja, alles eigenlijk.’

    Het is laat in de middag en Deiana staat op de Cerro Armazones, een 3046 meter hoge berg in het noorden van Chili. Links kun je de Stille Oceaan zien liggen, rechts de besneeuwde toppen van de Andes en ertussenin het eindeloze niemandsland van de Ata­cama-woestijn. Daar is geen boom of plant te bekennen, alleen maar stenen en stof. Een maan- of Marslandschap dus, wat eigenlijk heel toepasselijk is aangezien hier de ELT wordt gebouwd, de Extremely Large Telescope: een telescoop om mee naar plekken in het heelal te kijken die nog geen mens ­eerder heeft gezien. 

    Over vier of vijf jaar, als de ELT eenmaal klaar is, zal het de grootste telescoop zijn die ooit is gebouwd. Een koepel van glimmend staal, zo hoog als een kathedraal, met de modernste technologie – sensoren, motoren, computers – en bovenal een gigantische spiegel. Die spiegel vormt het hart van de ELT, wetenschappers gaan hem gebruiken om licht uit het heelal mee op te vangen. Deze techniek is al lang bekend en wordt in observatoria over de hele wereld gebruikt. Isaac Newton gebruikte grote spiegels om het licht van verre sterren op te vangen en op een kleiner oppervlak te projecteren, zodat het beeld helderder wordt. 

    De ELT onderscheidt zich door zijn formaat. De telescoop met de grootste spiegel tot nu toe, met een diameter van 10,4 meter, bevindt zich op de Canarische Eilanden. Het nieuwe observatorium in de Atacama wordt meer dan drie keer zo groot: een koepelvormige constructie van 39 meter breed, samengesteld uit 798 zeshoekige segmenten. 

    Ontdekkingen

    Wetenschappers verwachten met de ELT nieuwe, baanbrekende ontdekkingen te kunnen doen. Bijvoorbeeld over het ontstaan van het heelal, over de donkere materie die de zwaartekracht van sterrenstelsels in balans houdt, over zwarte gaten of sterren buiten de Melkweg. Ook zal de telescoop op zoek gaan naar verre, rots­achtige planeten en hun atmosfeer onderzoeken om te kijken of daar ­misschien leven mogelijk is.

    Maar de ELT kan ook het leven hier op aarde veranderen, of verbeteren: hij kan zelfs helpen de wereld te redden, hoe dramatisch dat ook klinkt. Hoe dat precies werkt, daarover later meer, want eerst moet de telescoop af – en dus komen we weer bij Davide Deiana; hij is een van de bouwcoördinatoren van de ELT. Dus hoe staat het ervoor? Nou ja, zegt hij, problemen bestaan niet, ‘alleen uitdagingen’. En nee, hij verveelt zich zeker niet. 

    Deiana is een gemoedelijke man met een wit overhemd, een geel veiligheidshesje en lichte wallen onder zijn ogen. ‘Het werk,’ zegt hij en strijkt met zijn hand over zijn stoppelbaard. Achter hem reikt het geraamte van de nog onvoltooide telescoop tot aan de lichtblauwe hemel. Hijskranen draaien en vervoeren reusachtige stalen balken naar bouwvakkers die ze vervolgens op 40, 50 of 60 meter hoogte vastschroeven.

    Buon giorno!’ roept Deiana naar een van de mannen. Het bedrijf waarvoor hij werkt komt, net als hijzelf en veel anderen op de bouwplaats, uit Italië. De bouw wordt bekostigd door de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO), een internationaal onderzoeksinstituut dat op zijn beurt door zestien Europese landen wordt gefinancierd, waaronder Frankrijk, Finland, Zwitserland, Portugal, Spanje, België en Duitsland.

    Eens in de paar maanden vliegt hij naar huis, maar in de tussentijd woont hij hier op de bouwplaats in een containergebouw

    De ESO werd in 1962 opgericht, het hoofdkwartier staat in Garching bei München. Omdat het doel van het instituut is om – zoals de naam al doet vermoeden – de hemel boven het zuidelijk halfrond te bestuderen, beheert de organisatie ook een aantal observatoria in Chili. De New Technology Telescope (NTL) bijvoorbeeld, en de ALMA, de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array. Er is al een VLT, een Very Large Telescope, en nu wordt er ook nog een ELT gebouwd, een Extremely Large Telescope. Kosten: rond de 1,3 miljard euro. Oplevering: 2028 – dat is tenminste het plan. 

    De Europese Zuidelijke Sterrenwacht is een internationale onderneming, en op de bouwplaats van het reusachtige nieuwe observatorium is het al net zo’n multiculturele mix. Veel werknemers spreken Italiaans, andere spreken Spaans, Albanees, Portugees, Duits, Frans, Turks of Engels. ‘Het is net Babylon,’ zegt Deiana, en zonder in detail te treden voegt hij eraan toe dat het soms niet makkelijk is om met al die cultuurverschillen om te gaan.

    Bovendien zijn veel werknemers hier vaak duizenden kilometers van hun gezin vandaan. Deiana’s gezin woont bijvoorbeeld op Sardinië. Eens in de paar maanden vliegt hij naar huis, maar in de tussentijd woont hij hier op de bouwplaats in een containergebouw op 3000 meter hoogte, tussen de stenen en het stof. Overdag brandt de zon en ’s nachts giert de wind. Best lastig, zegt Deiana. Hij loopt over de bouwplaats, de onvoltooide koepel in, de ­ladder op naar de steiger, steeds verder omhoog. Helemaal bovenaan zijn de dragers te zien waarop uiteindelijk alle spiegels zullen worden vastgeschroefd, die dan één reusachtig, glanzend oppervlak zullen vormen van bijna vier tennisbanen groot.

    En daar begint voor Deiana de pret. Want om de ELT uiteindelijk soepel te laten functioneren moet elke steen perfect worden geplaatst en elke stalen drager op de millimeter nauwkeurig worden bevestigd. De onderdelen, die veelal in Europa worden gemaakt, moeten de halve wereld over worden vervoerd naar hun bestemming op een bergtop in de Atacama. Vervolgens moeten de bouwvakkers ze hier passend maken, miljoenen schroeven aandraaien en honderden kilometers aan kabels aanleggen. Vermoeiend? Zenuwslopend? Nagenoeg onmogelijk? Integendeel, vindt Deiana. ‘Dit is ­Disneyland voor ingenieurs,’ roept hij tegen de wind in. 

    Weersomstandigheden

    De problemen die hier dagelijks moeten worden opgelost, maken alle ontberingen goed. Hoe zorg je er bijvoorbeeld voor dat een koepel van 6000 ton om zijn eigen as kan draaien? Dan komen daar ook nog weersomstandigheden bij kijken: de kou boven op de berg, de wind, de niet zelden voor­komende aardbevingen.

    Natuurlijk zijn er makkelijkere plekken om een gigantische telescoop te bouwen. Maar nergens anders ter wereld zijn de sterren zo goed zichtbaar als hier. Door de gunstige lucht- en zeestromingen aan de ene zijde en de bergtoppen van de Andes aan de andere is het in de Atacama-woestijn bijna nooit bewolkt. De zon schijnt er meer dan driehonderd dagen per jaar en ’s nachts heb je er vrijwel onbelemmerd zicht op de sterrenhemel. De lucht is helder en droog, en omdat er in de omgeving nauwelijks steden, dorpen of zelfs huizen zijn, is er geen enkel licht dat de waarneming verstoort: geen straatlantaarns, geen lampen, geen kaarsen. Alleen duisternis en sterren, verder niets. 

    GettyImages 2202968529
    De bouwplaats van de Extremely Large Telescope (ELT) van de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO), op de Cerro Armazones in Chili. – © Getty Images

    Dit is de donkerste sterrenwachtlocatie ter wereld. Meer dan een halve eeuw geleden begon de ESO hier met het bouwen van observatoria: eerst op La Silla, een berg aan de rand van de Atacama-woestijn, en daarna op de Cerro Paranal. De Atacama wordt daarom ook wel ‘het venster op het heelal’ genoemd. Maar er dient zich een bedreiging aan: het Amerikaanse energiebedrijf AES wil op enkele kilometers van de bouwplaats van de ELT een industrieterrein aanleggen. Het stof, het licht en de atmosferische turbulentie die dat tot gevolg heeft, zouden het einde betekenen voor deze unieke sterrenwachtlocatie. 

    Op de Cerro Paranal, op hemelsbreed ongeveer 20 kilometer van de ELT-bouwplaats, staat al een hele rij telescopen. Hier bevindt zich ook de Residencia Paranal, in de volksmond ook wel bekend als het ESO Hotel: een futuristisch gebouw van bruin-beige geverfd beton met 120 kamers voor onderzoekers en werknemers. Het heeft een zwembad onder een glazen koepel, die ’s avonds wordt verduisterd zodat er geen licht naar buiten dringt. In 2008 werden hier scènes voor de James Bondfilm Quantum of Solace opgenomen, en daarom hangt er bij de ingang naast foto’s van ruimtenevels ook, heel down to earth, een ingelijste handtekening van hoofdrolspeler Daniel Craig met daarbij de tekst: ‘Voor alle sterrenkijkers van de ESO – heel erg bedankt!’

    Sesamzaadje

    Een verdieping lager zit Paula Sánchez Sáez in de kleine bibliotheek van het hotel. Op de planken: vakliteratuur en sciencefictionboeken. Drakenei, de roman uit 1980 van schrijver en natuurkundige Robert L. Forward, is haar favoriet. Het gaat over een neutronenster op een lichtjaar afstand van de aarde, bewoond door kleine wezens die amper groter zijn dan een sesamzaadje en zich een miljoen keer sneller ontwikkelen dan mensen. ‘Vond ik leuk,’ zegt Sánchez. Ze draagt een smartwatch en een spijkerbroek; naast haar ligt een rugzak met daarin haar laptop, notitieblokken en boeken. 

    Sánchez werkt bij de ESO als User Support Astronomer, wat betekent dat ze aanvragen van astronomen van over de hele wereld behandelt. Die willen bijvoorbeeld voor een onderzoek een bepaald sterrenbeeld laten observeren of hebben informatie nodig over de omgeving van verre sterren. De ESO ontvangt jaarlijks duizenden van dit soort verzoeken, die vervolgens worden beoordeeld, gesorteerd en afgehandeld. 

    Sánchez woont momenteel in Garching, waar het hoofdgebouw van de ESO zich bevindt. Oorspronkelijk komt ze uit Chili; ze groeide op in een arbeiderswijk in Santiago. Haar vader werkte in een laboratorium en haar moeder was kapper. Niemand in haar familie was wetenschapper, zegt Sánchez, laat staan astronoom. Toen ze acht jaar was, ging het gezin op vakantie naar een plaats in de buurt van de sterrenwacht van La Silla. Daar zag ze bij een toeristisch informatiepunt een aantal ansichtkaarten met foto’s van de Melkweg en de Paardenkopnevel, een donkere wolk interstellaire materie in het sterrenbeeld Orion. ‘Toen wist ik: ik wil astronoom worden,’ zegt Sánchez. Een dwaze droom, maar ze liet hem niet los. Ze deed extra haar best op wiskunde, natuurkunde en Engels en zodra ze geslaagd was, schreef ze zich in voor een studie sterrenkunde aan de universiteit.

    ‘Er zijn nog zo veel onbeantwoorde vragen’

    Ze is altijd gefascineerd geweest door objecten die zich op grote afstand bevinden. Sánchez haalt haar laptop uit haar rugzak, klapt hem open en zoekt op internet naar een foto van een zwart gat. Omdat zoiets zo ver van de aarde ligt, kunnen we er niet zomaar met een ruimteschip of satelliet heen om te kijken waar het uit bestaat. Om het te onderzoeken moeten wetenschappers gebruikmaken van elektromagnetische straling, waarvan een deel zichtbaar is met het blote oog, maar waarvan een ander deel alleen met speciale apparatuur kan worden opgemeten. Dus bestaan er telescopen voor lange en voor korte golflengtes en alles ertussenin. 

    Je zou het kunnen zien als verschillende talen, zegt Sánchez, als bouwstenen die één gezamenlijk beeld vormen van een planeet, een hemelgebied of zelfs een zwart gat. ‘Veel mensen geloven dat wij wetenschappers overal een antwoord op hebben,’ zegt ze. Maar dat is niet zo, integendeel: ‘Er zijn nog zo veel onbeantwoorde vragen.’

    Ze wijst op een foto van het zwarte gat op haar scherm. ‘Wat is er bijvoorbeeld in die kern allemaal aan de hand?’ Om dat te kunnen begrijpen, zegt Sánchez, hebben we een geheel nieuwe natuurkunde nodig. ‘En om die te kunnen ontwikkelen hebben we data nodig, die door telescopen worden verzameld.’ Hoe meer en hoe preciezer, hoe beter. 

    Preciezer dan ooit

    Ook daarom is de ELT zo belangrijk: omdat je daarmee verder en vooral preciezer dan ooit in het heelal kunt kijken. 

    Alleen: waar hebben we dit allemaal voor nodig? Waarom zouden we zo veel geld uitgeven aan onderzoek naar sterrenstelsels en zwarte gaten op lichtjaren hiervandaan, als we die ­middelen ook hier kunnen gebruiken, bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, voor de strijd tegen klimaatverandering of voor innovaties in duurzame energie?

    GettyImages 2202968378
    De ELT krijgt een spiegel met een diameter van 39 meter waarmee men meer te weten hoopt te komen over verre sterrenstelsels, exoplaneten en het vroege heelal.– © Getty Images

    Sánchez knikt: dit hoort ze als astronoom vaker. En ja, zegt ze, natuurlijk wordt het onderzoek naar het heelal vooral gedreven door wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Maar die nieuwsgierigheid leidt ook tot de ontwikkeling van nieuwe technieken. Sensoren, satellieten, medische en computertechnologie: ‘Dat was zonder de astronomie allemaal niet mogelijk geweest,’ zegt ze.

    En natuurlijk is er ook een onderzoeksrichting die op zoek is naar buitenaards leven, of in elk geval naar planeten waar dat mogelijk zou kunnen zijn. Daar moeten we overigens niet al te hoge verwachtingen van hebben. Want ook al is de kans groot dat er vroeg of laat een bewoonbare planeet wordt gevonden, dan nog ligt die waarschijnlijk zo ver van de aarde dat een bezoek, laat staan het bewonen ervan, onwaarschijnlijk is. ‘Zo zie je maar: we moeten onze planeet beschermen,’ zegt ze. ‘We hebben alleen deze.’ Daar kan de ELT misschien aan bijdragen door nieuwe inzichten te bieden en mensen ervan te overtuigen om alles voor de aarde te doen. 

    Soms, als ze ’s avonds naar buiten gaat en naar de sterrenhemel kijkt, bekruipt haar nog steeds hetzelfde gevoel als toen ze klein was: ‘Dan denk ik: wow, ik ben een deel van dit enorme geheel.’ En toch, hoe klein de mens ook mag zijn, hij begrijpt het universum en weet dankzij onderzoek en de modernste technologieën door te dringen tot in de diepste geheimen van de ruimte. ‘Is dat niet ongelooflijk?’

    Spiegels

    De ELT zal vanaf 2028 zijn blik op de nachtelijke hemel richten. ‘First light’, zo noemen astronomen het moment waarop het licht van een ster voor de eerste keer in de telescoop valt en via een heleboel spiegels weerkaatst wordt naar allerlei sensoren en meetinstrumenten. De spiegels worden in Duitsland geproduceerd, in Frankrijk gepolijst en vervolgens in speciale beschermende containers naar Chili vervoerd. Dit zijn geen simpele bad­kamerspiegels, zegt Tobias Müller, integendeel: ‘Als je daarin kijkt, blijft je mond openhangen.’

    Müllers officiële functie is IT Assembly Integrations Manager, maar je zou hem beter de ‘spiegelbaas’ kunnen noemen: na hun lange reis naar de Atacama-woestijn moet Müller met zijn team elke spiegel een voor een op schade controleren. Daarna krijgen ze een speciale coating en worden ze opgeslagen. ‘We zitten nu op honderdtachtig,’ zegt Müller, en hij wijst naar de planken achter hem. Daar staan de kisten met daarin de spiegels netjes op een rij. 

    Müller, in jeans en ruitjesoverhemd, gaat mij voor naar een kamer. ‘Wilt u zich even omkleden?’ vraagt hij en hij overhandigt mij een labjas, een haarnet en een paar schoenovertrekken. Er mag geen enkel stofje in de hal belanden waar de spiegels worden uitgepakt en bewerkt. Achter de deur staat er al een overeind: een zeshoekige plaat, zo groot als een eettafel, zo dik als twee telefoonboeken, en bedekt met een zilveren laag die maar één nanometer dik is, maar extreem reflecterend. Müller gaat voor een van de spiegels staan. Soms, zegt hij, denkt hij nog steeds dat hij voor een open raam staat. ‘Dat is toch bizar?’ Hij beweegt zijn hand op en neer en kijkt naar zijn spiegelbeeld. 

    ‘We zitten hier op de grens van wat er technisch mogelijk is’

    Elke plaat is voorzien van allerlei motoren en sensoren die de spiegel minimaal kunnen vervormen. Hiermee wordt elke vertekening door temperatuurschommelingen gecompenseerd en wordt het beeld nog scherper.

    Per maand kunnen Müller en zijn team 28 spiegels bewerken, ongeveer driehonderd per jaar, dus het zal nog wel even duren voordat alle spiegels klaar zijn. En dan moeten ze uiteindelijk ook nog in de gigantische stalen constructie van de reusachtige nieuwe telescoop worden geïnstalleerd. Het is duidelijk, zegt Müller, ‘we zitten hier op de grens van wat er technisch mogelijk is.’ En ja, dat hij aan zoiets mag deelnemen, ‘daar ben ik best wel een beetje trots op!’

    Buiten, voor de hal, brandt de zon. Die volgt langzaam zijn baan en zakt dan, bloedrood, tot onder de horizon. Er verschijnt een ster, Venus, en dan komt de maan op, nu nog maar een sikkel, die snel weer verdwijnt om plaats te maken voor de hoofdattractie: miljoenen en nog eens miljoenen sterren, lichtjaren ver weg. Een eindeloze diepte waarin de mens misschien wel nooit zal kunnen doordringen. Maar dankzij de ELT zullen we er binnenkort in elk geval wel een blik in kunnen werpen. 

  • Nieuw onderzoek wijst uit dat narwallen spelen met hun slagtanden

    Nieuw onderzoek wijst uit dat narwallen spelen met hun slagtanden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Soedan: oppositie zegt vredesakkoord op na arrestatie van vicepresident

    » Wild zwijn met varkenspest doodgeschoten in Duitsland

    Eerst werd gedacht dat ze er alleen maar mee pronken en jagen

    Onderzoek dat vorige maand werd gepubliceerd in het tijdschrift Frontiers in Marine Science, lijkt te suggereren dat narwallen hun slagtanden niet alleen gebruiken om vrouwtjes aan te trekken, te pronken en te jagen, maar ook om te ‘spelen’. Dat schrijft The New York Times.

    Zo is op video’s te zien dat ze meer dan eens een zalmforel achtervolgen zonder dat ze hem proberen te vangen en op te eten. Om de vis net buiten het puntje van hun slagtanden te houden, remmen ze zelfs af. Ze geven de vis zachte tikjes of duwtjes – een duidelijk verschil met het agressiever gebruik van hun slagtanden wanneer ze op vis jagen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Met de hulp van lokale Inuit-gemeenschappen zocht het onderzoeksteam een plek in het Canadese hoge Noordpoolgebied om een kamp op te slaan en met drones te vliegen. De kalme wateren van Creswell Bay in Nunavut, waar narwallen eerder in de zomer waren waargenomen, waren ondiep en helder en stelden de onderzoekers – in combinatie met het 24-uurs daglicht in augustus – in staat om enkele van de beste opnamen van narwallen ooit te maken.

    Van narwallen is bekend dat ze moeilijk te bestuderen zijn, omdat ze extreem schuw en ongrijpbaar zijn. Verder brengen ze hun tijd meestal ver van de kust door, duiken ze diep in het water en is onderzoek in het Noordpoolgebied logistiek complex. Dat maakt de bevindingen nog eens extra bijzonder.

  • De medische interesse in hypnose groeit, zij het langzaam

    De medische interesse in hypnose groeit, zij het langzaam

    Ondanks hardnekkige scepsis groeit de medische interesse in hypnotherapie langzaam. Hersenonderzoek en klinische studies tonen steeds overtuigender aan dat hypnose mogelijk een effectief middel is tegen pijn en psychische klachten.

    Het zijn goede tijden voor de hypnosebusiness. Op YouTube bieden kanalen zoals UltraHypnosis video’s met kaarsen, wervelende patronen en langzame voice-overs, met titels als ‘Hypnosis to Declutter your Mind Before Deep Sleep’ [Hypnose om je hoofd leeg te maken voor een diepe slaap]. Sommige hebben tientallen miljoenen views. Op een recente conferentie van hypnose-experts in Californië wees David Spiegel, een van de sprekers, op het succes van zijn hypnose-app Reveri, die er het afgelopen jaar meer dan 214.000 gebruikers bij heeft gekregen, en in totaal 650.000 gebruikers telde sinds de lancering in 2020.

    Het internet staat vol met dubieuze ‘wellness’-rages, van een koud dompelbad tot detoxvoetbaden. Maar Spiegel, psychiater aan de Stanford University, is niet zomaar een influencer. Hij maakt deel uit van een kleine, maar groeiende groep artsen en onderzoekers die vinden dat hypnotherapie, door veel artsen als pseudowetenschap beschouwd, onterecht wordt verguisd.

    Hoewel de werkzaamheid van hypnose voor de meeste medische behandelingen niet bewezen is, heeft de techniek bij de behandeling van pijn en bepaalde psychische klachten intrigerende resultaten laten zien. Spiegel en zijn collega’s verzamelen bewijs uit een groeiende stapel klinische studies die het effect van hypnose op de hersenen onderzoeken en die de werking ervan getest hebben op allerlei vlakken: van het verzachten van pijn bij operaties en het verlichten van bijwerkingen van kankerbehandelingen tot het behandelen van angst, het prikkelbaredarmsyndroom (PDS) en depressie. In een artikel met de titel ‘Hypnosis: the most effective treatment you have yet to prescribe’ [Hypnose. De effectiefste behandeling die je nog moet voorschrijven], beweren Spiegel en Jessie (Kittle) Markovits, een arts van het Stanford Medical Centre, dat ‘hypnose, als het een medicijn was, allang de standaardbehandeling zou zijn’.

    Sceptisch

    De meeste voorstanders van hypnose splitsen de procedure op in twee delen. Tijdens de ‘inductie’ worden patiënten gevraagd om zich te concentreren op de stem van de hypnotiseur en een prettige herinnering (zoals relaxen op een strand). Als alles goed gaat, is het resultaat een toestand die je zou kunnen vergelijken met volledig opgaan in een film, waarbij je perceptie van tijd verandert.

    Vervolgens komt de ‘suggestie’, wanneer de hypnotherapeut de patiënt vertelt dat een scherpe pijn eigenlijk aanvoelt als warmte, of dat broccoli naar chocolade smaakt. Peter Whorwell, een Britse maag-darmarts die meer dan twintig door collega’s getoetste onderzoeksrapporten heeft geschreven over PDS en hypnose, beschrijft hoe je patiënten met colitis, een ontsteking van de dikke darm, kunt vragen zich voor te stellen dat een hand in hun darmen knijpt en dat die hand zich vervolgens langzaam ontspant.

    Reguliere wetenschappers die sceptisch zijn over hypnose vragen zich vaak af hoe het nou precies werkt: hoe zorgen de suggesties die aan een patiënt gedaan worden ervoor dat deze nuttige effecten ervaart? Voorstanders van hypnose maken daarom gebruik van neuroimagingtechnieken om uit te zoeken wat er in het hoofd van mensen gebeurt terwijl ze gehypnotiseerd worden.

    Veranderingen in hersenactiviteit beginnen bij inductie, zegt Mathieu Landry, een neurowetenschapper aan de Universiteit van Quebec in Trois-Rivieres en de auteur van een veelgeciteerd overzicht van hersenbeeldvormend onderzoek met betrekking tot hypnose. Hij wijst in het bijzonder op verhoogde activiteit bij gehypnotiseerde mensen in het centraal-executief netwerk (CEN), een verzameling hersencircuits waarvan bekend is dat ze betrokken zijn bij het reguleren van aandacht en focus. Er lijkt ook meer communicatie te zijn tussen delen van het CEN en de insula, die helpt bij het controleren en interpreteren van lichaamssignalen.

    Tijdens hypnose is het misschien mogelijk om pijnsignalen op een andere manier te verwerken en daardoor minder pijn te ‘voelen’

    De insula maakt deel uit van het salience network [waarbij salience ‘dat wat opvalt of in het oog springt’ betekent], zo genoemd omdat het de aandacht vestigt op belangrijke veranderingen in de omgeving. Het is betrokken bij het verwerken van bedreigingen en zorgt ervoor dat mensen zich bang of ongemakkelijk voelen als dat nodig is – gewaarwordingen die vaak voorkomen bij pijn en fobieën. Spiegel denkt dat de verhoogde communicatie tussen de CEN en de insula zou kunnen betekenen dat hypnotherapie de CEN in staat stelt om meer controle uit te oefenen over onaangename emoties.

    Elders in het saliencenetwerk beïnvloedt hypnose de activiteit in de cortex cingularis anterior, een kraagvormige structuur onder de prefrontale cortex, die onder andere helpt om iemands aandacht te sturen en die cruciaal is voor het verwerken van pijn en anticipatie. Er is enig bewijs dat hypnose ook de verbindingen verandert van de prefrontale cortex naar een derde hersengebied, de amygdala, die emotionele reacties helpt sturen. Al deze veranderingen kunnen te maken hebben met het vermogen van hypnose om angst en schrik te verminderen voor dingen die pijn veroorzaken, zoals PDS.

    Markovits zegt dat deze bewijzen suggereren dat hypnose gebruikmaakt van het vermogen van de hersenen om te interpreteren wat het lichaam ervaart. Tijdens hypnose, zegt ze, is het misschien mogelijk om pijnsignalen op een andere manier te verwerken en daardoor, letterlijk, minder pijn te ‘voelen’.

    Dit alles stemt tot nadenken, maar lijkt nog geen afdoende bewijs. Ook door middel van klinisch onderzoek, dat nuttig kan zijn om uit te zoeken of een interventie werkt, zelfs als de precieze werking onduidelijk is, hebben wetenschappers intrigerend bewijsmateriaal over hypnose verzameld.

    Gehypnotiseerde patiënten hadden minder morfine nodig

    Neem PDS, dat problemen met de stoelgang en pijn kan veroorzaken. In 2015 stelde Whorwell vast dat van 1000 patiënten met een moeilijk te behandelen vorm van PDS 67 procent aangaf minstens 30 procent minder buikpijn te ervaren als gevolg van hypnotherapie. Van ongeveer 30 klinische onderzoeken, waaronder ten minste 11 gerandomiseerde onderzoeken met controlegroep – de gouden standaard voor medisch bewijs – kwamen de meeste tot de conclusie dat hypnose de symptomen van PDS significant verbeterde.

    De Hoge Gezondheidsraad, een wetenschappelijk adviesorgaan van de Belgische overheid, concludeerde in 2020 dat hypnose bij de behandeling van depressie en angst standaardmethoden zoals cognitieve gedragstherapie (CGT) – een praattherapie – effectiever kan maken. Uit een meta-analyse (waarbij de resultaten van veel vergelijkbare onderzoeken worden gecombineerd) die werd gepubliceerd in 2021, kwam naar voren dat het toevoegen van hypnose aan CGT de resultaten verbeterde voor 66 procent van de patiënten die leden aan depressie, pijn of obesitas.

    Hypnose is ook getest naast anesthesie bij grote operaties. In een klinisch onderzoek uit 2020 onder 113 patiënten die een hartoperatie ondergingen in een Frans ziekenhuis werden verschillende hypnosetechnieken uitgeprobeerd naast de gangbare chemische anesthesie.  Patiënten werd gevraagd ‘zich te concentreren op een rood voorwerp’ en vervolgens ‘mentaal naar een aangename plek te reizen’, waarna ze dieper in ontspanning en ‘een tranceachtige toestand’ werden gebracht, zoals staat beschreven in een artikel dat werd gepubliceerd in een Amerikaans tijdschrift over cardiologie. Als dat niet werkte, werden de patiënten bestookt met vragen die gericht waren op het ‘verzadigen van de geest’, een andere inductietechniek. Beide methoden resulteerden in minder pijn en meer sedatie dan bij de placebogroep het geval was, wat betekende dat gehypnotiseerde patiënten minder morfine nodig hadden.

    Veelbelovende resultaten

    Deze reeks veelbelovende resultaten laat zien dat de medische interesse in hypnotherapie groeit, zij het langzaam. Sinds 2015 gebruiken alle dertig Franse universitaire ziekenhuizen hypnose om pijn te beheersen; twintig daarvan bieden hypnose aan in combinatie met plaatselijke verdoving, als alternatief voor algehele anesthesie bij sommige ingrepen waarvan het pijn- en risiconiveau minder hoog zou zijn. In Nederland is hypnose gebruikt om vrouwen gerust te stellen tijdens de screening op borstkanker. Hypnose wordt aangeboden bij pijnbestrijding in het Bethesda Kinderziekenhuis in Boedapest, dat kinderen met brandwonden uit heel Hongarije behandelt.

    Terwijl de onderzoeken die het gebruik van hypnose bij pijnbestrijding ondersteunen over het algemeen van goede kwaliteit zijn, is het onderzoek naar het gebruik van hypnose bij stoppen met roken of slapeloosheid minder degelijk. Wie op dit vlak bewijs wil verzamelen, loopt aan tegen de slechte reputatie van hypnose in het algemeen. Eén probleem, zeggen voorstanders, is dat hypnose vaak niet gereguleerd is. Het is illegaal om je voor te doen als arts als je geen professioneel medisch examen hebt afgelegd, maar in de meeste landen mag iedereen zich hypnotiseur noemen. Het vakgebied ligt daarom open voor charlatans en oplichters.

    Er zijn ook andere obstakels. Als hypnose een medicijn was, dan zouden de positieve onderzoeksresultaten tot nu toe, in combinatie met het feit dat hypnotherapie relatief goedkoop is en makkelijk toe te passen met behulp van technologie, ervoor zorgen dat hypnose op grote schaal gebruikt zou worden, zegt Markovits. Maar omdat hypnose geen medicijn is, valt er moeilijk geld aan te verdienen.

    Guy Montgomery, een klinisch psycholoog in het Mount Sinai-ziekenhuis in New York, publiceerde in 2007 een onderzoek naar borstbiopsies en lumpectomieën, waarbij kankerweefsel wordt verwijderd. Hij toonde aan dat hypnose vóór de operatie de duur van de operatie verkortte, de bijwerkingen nadien verminderde en de noodzaak om kalmerende middelen en pijnstillers voor te schrijven verkleinde.

    Destijds berekende hij dat het ziekenhuis hiermee 772,71 dollar per patiënt kon besparen en hij was er zeker van dat andere oncologen zijn voorbeeld zouden volgen en ook hypnose zouden gebruiken bij hun patiënten. Bijna twintig jaar later is dat nog steeds niet het geval. ‘In tegenstelling tot bij farmaceutica,’ zegt hij, ‘komen de dollars in dit geval niet in iemands zak terecht.’

  • Steeds meer mensen zijn op zoek naar de eeuwige jeugd

    Steeds meer mensen zijn op zoek naar de eeuwige jeugd

    Longevity-aanhangers doen er alles aan om het verouderingsproces te vertragen. Wat zijn de voordelen daarvan en wat zou het betekenen als iedereen honderd wordt?

    Onder zijn bleke huid zijn de spierbundels goed te zien. Over zijn borst, rug en benen lopen rode striemen van de laserbehandeling. Zijn gezicht lijkt een masker. Iedere dag wordt hij tussen vier en zes uur ’s ochtends wakker, neemt hij zijn temperatuur op en gaat hij drie tot vijf minuten onder een speciale daglichtlamp van 10.000 lumen zitten. En na eerst melatonine te hebben ingenomen, beëindigt hij zijn dag stipt om acht uur ’s avonds op een matras met precies de juiste temperatuur. Als het tijd is om naar bed te gaan, kondigt hij dat aan met de zin ‘Sleep mode is now engaged’, de slaapmodus wordt ingeschakeld. Alles in naam van de wetenschap, zegt hij. Om zijn miljoenen volgelingen een leidraad te geven bij hun zoektocht naar de eeuwige jeugd. We hebben het hier over Bryan Johnson.

    Achter zijn strak geregisseerde levensstijl gaat een in wezen eenvoudig inzicht schuil: niet ieder lichaam veroudert even snel. De een begint al op zijn zestiende kaal te worden, maar loopt op zijn achtenzeventigste nog marathons. Een ander heeft midden twintig al rugklachten en een te hoge bloedsuikerspiegel. Omdat de verschillen zo in het oog lopen, spreken mensen graag van een ‘biologische leeftijd’. En die wordt niet meer alleen berekend in dagen, maanden en jaren, maar afgeleid uit een veelheid aan variabelen, die we grotendeels zelf kunnen beïnvloeden met discipline, medische hulp en wellicht Johnsons leidraad.

    Mensen hebben zich altijd al afgevraagd – en in de eenentwintigste eeuw meer dan ooit – of we het verouderingsproces niet kunnen tegenhouden of wie weet zelfs terugdraaien. Onder de noemer ­longevity, wat zo veel betekent als ‘een lang leven’, is een heel industrieel en cultureel apparaat ontstaan dat zich daaraan wijdt. En de voorvechters ervan zijn populairder dan ooit.

    De discipelen van de langlevendheid zijn niet allemaal even fanatiek in het nastreven van hun doelen

    De discipelen van de langlevendheid zijn niet allemaal even fanatiek in het nastreven van hun doelen. Aan de ene kant staan de wat meer gematigden: een los verband van influencers en ondernemers die gezonde en minder gezonde producten, coaching en tricks & tips voor een lang leven in de aanbieding hebben. Neem Kati Ernst en Kristine Zeller, die met hun podcast Lifestyle of Longevity hoog in de Duitse podcasthitlijsten staan. Of Michael Greger, een Amerikaanse voedingsdeskundige en schrijver van populaire hand- en kookboeken als How Not to Die en, recenter, How Not to Age [veel van zijn boeken zijn ook in het Nederlands vertaald]. Een kleine lifehack van Greger: bessen en groenvoer eten. 

    En dan heb je de radicalere vertegenwoordigers van deze beweging. Die zijn niet tevreden als ze met een gezonde levensstijl negentig of honderd worden, maar willen het verouderingsproces meteen helemaal tegenhouden of omkeren. Zo hebben we de zwaar bebaarde en al even controversiële Engelse wetenschapper en pionier van de in Duitsland actieve Partij voor academisch medisch verjongingsonderzoek, Aubrey de Grey. En dus Bryan Johnson, de zesenveertigjarige Amerikaanse multimiljonair met zijn strakke dagindeling.

    Op het eerste gezicht lijkt het paradoxaal dat de podcasts, boeken, videodagboeken en TikTok-kanalen van longevitygoeroes juist nu zo populair zijn: ons beeld van de toekomst is zelden zo negatief geweest. Wij, mensen in de geïndustrialiseerde landen, associëren nadenken over de toekomst eerder met achteruitgang, verlies van welvaart en de existentiële dreiging van de klimaatcrisis dan met rooskleurige vergezichten. Veel van ons geloven niet dat de politiek met een collectieve krachtsinspanning de vele crises kan afwenden. Kun je nog wel kinderen op de wereld zetten? vragen sommigen zich af. Waarom streven zo veel mensen ondanks zulke sombere scenario’s naar een langer leven? Een poging tot verklaring begint met een blik in de achteruitkijkspiegel, en met de vraag hoe ouder worden zo waanzinnig veel angst kan oproepen.

    Ouderenzorg

    In 1922 schreef en ensceneerde George Bernard Shaw zijn vijfdelige theaterreeks Back to Methuselah (Terug naar Metusalem), waarin hij een utopie van het ouder worden creëert. De late levensfase als een periode van wijsheid en volwassenheid. In de gegroefde gezichten van ouderen ziet hij mensen die de langetermijn­ontwikkelingen in onze samenleving als geen ander kunnen overzien. Wat een fraaie vooruitzichten!

    Niet toevallig voelde de destijds vijfenzestigjarige Shaw de behoefte om in het Engeland van begin twintigste eeuw een lans te breken voor de senioren, want hun vooruitzichten verslechterden zienderogen. De oorzaak daarvan was een nieuwe wet: in 1908 traden de Engelsen in de voetsporen van het Duitse Rijk en introduceerden ze de Old Age Pensions Act, een eerste pen­sioenwet. In 1948 volgde de pensionering op vijfenzestigjarige leeftijd. Daarmee was de ouderenzorg onderdeel geworden van de nationale verdelingspolitiek en stond ze derhalve centraal in het politieke debat over de inzet van beperkte middelen.

    De Engelse econoom Richard Titmuss en zijn vrouw, maatschappelijk werker Kay Titmuss, zagen in de loop van de twintigste eeuw de perceptie van ouderen als ‘probleem’ steeds sterker worden zodra het geboorte­cijfer daalde. En dat was in Engeland tussen de twee wereldoorlogen het geval. Het gevolg was, zoals literatuurwetenschapper Karen Chase het verwoordt, dat in een maatschappij waar de beschikbare middelen zogenaamd schaars waren, de behoeften van ouderen als ‘een buitensporige vraag’ en ‘monstrueuze verlangens’ werden beschouwd.

    Leven of dood?

    De grens tussen die twee vervaagt door wetenschappelijke doorbraken.

    Wetenschappers slagen er steeds vaker in om de traditionele grenzen tussen leven en dood te doorbreken. Een team onderzoekers van Yale wist varkenshersenen vier uur na de dood weer tot activiteit te brengen. Door een kunstmatige bloedcirculatie ­herstelden de hersencellen zich, ­reageerden bloedvaten op medicijnen en vertoonden neuronen elektrische activiteit.

    Ook blijkt uit onderzoek van het Massachusetts General Hospital, dat werd beschreven in New Scientist, dat de helft van de comapatiënten die ‘hersendood’ leken, toch nog op vragen kon reageren in een MRI-scanner. Ze konden zelfs simpele opdrachten opvolgen, knijpen in een hand bijvoorbeeld.

    Daarnaast experimenteert een ­ziekenhuis in Pennsylvania met het tijdelijk ‘dood maken’ van patiënten om hun leven te redden. Bij ernstig gewonde patiënten wordt het bloed vervangen door een koude zoutoplossing, waardoor artsen twee uur de tijd krijgen om levensreddende ­operaties uit te voeren.

    Deze ontwikkelingen vallen samen met een vooruitgang in cryogene technieken. Honderden mensen ­liggen wereldwijd ingevroren in vloeibare stikstof, in afwachting van mogelijke toekomstige reanimatie. Met name de techniek van vitrificatie, waarbij lichaamsvloeistoffen worden vervangen door een soort antivries, boekt vooruitgang. Bij konijnen is al aangetoond dat organen dit proces kunnen overleven.

    Wat ooit als onomkeerbaar werd beschouwd, blijkt steeds meer een grijs gebied te worden. Deze wetenschappelijke doorbraken roepen fundamentele vragen op over wat we beschouwen als de grens tussen leven en dood. Ze hebben ook praktische implicaties, bijvoorbeeld voor orgaandonatie en beslissingen rond levensondersteuning. Het debat hierover raakt niet alleen de medische wereld, maar ook filosofische en religieuze instanties, waaronder het Vaticaan, schrijft New Scientist.

    Deze geschiedenis herhaalt zich. Ook in Duitsland wordt nu eindeloos gediscussieerd over pensioenen die alle perken te buiten zouden gaan, verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, tekorten in de zorg en het te lage geboortecijfer. Tegelijkertijd laten statistieken zien dat onze ouderen de afgelopen veertig jaar steeds ongelukkiger en eenzamer zijn geworden. Wie wil er onder deze omstandigheden oud worden? Niemand. De obsessie waarmee jonge en middelbare longevity-fans hun lijf in vorm houden alsof ze aan een levenslange marathon meedoen, herbergt ook de angst om tot een last te worden: voor hun familie, voor zichzelf, voor de verzorgingsstaat.

    Ironisch genoeg kunnen hun inspanningen, voor zover ze al succesvol zijn, het demografische verdelingsconflict zelfs verergeren. Als er op een gegeven moment een hele generatie is ontstaan van met groene smurrie en bessen gevoede, fitnesshorloges dragende pensionado’s aan wier tijd op aarde maar geen eind wil komen, kan niemand meer om de fundamentele vraag heen hoe de rijkdom waar we iedere dag voor werken verdeeld moet worden. Dan kun je wachten op ruzies waarin ook de dan stokoude ‘longevitisten’ tot mikpunt worden.

    Afname fysieke arbeid

    Ach, wat zou het zalig en geruststellend zijn als Shaws beeld van de oude wijzen waar was, en we ons erop konden verheugen gezellig in een schommelstoel te zitten en een paar van onze befaamde levenswijsheden te debiteren. Heel wat mensen zouden relaxter tegen het verouderingsproces aankijken. Maar het voorrecht dat ooit alleen onze voorvaderen toekwam – heel veel te weten en die kennis te kunnen doorgeven – is vandaag de dag niet veel meer waard. Een oud recept voor pannenkoeken of de geschiedenis van voorbije oorlogen en geavanceerde beschavingen: elke zoekmachine spuugt het binnen een paar seconden uit. Niemand hoeft nog iets aan zijn overgrootvader of de dorpsoudste te vragen. Integendeel, vandaag de dag zijn zij degenen die vragen moeten stellen omdat ze het touchscreen van de zelfbedieningskassa niet begrijpen, of omdat buskaartjes alleen nog online verkrijgbaar zijn.

    De late twintigste eeuw kent nog een ander aspect dat ons helpt de huidige obsessie met levensverlenging te begrijpen: het verhaal over de afname van fysieke arbeid. Het aandeel van de werknemers in de productiesector neemt in Europa en de Verenigde Staten af. Terwijl in de jaren vijftig een op de drie mensen in de industrie werkte, is dat nu niet eens meer een op de tien. Waar ooit fabrieken stonden, lagen opeens stoffige, braakliggende terreinen waarop kantoortorens groeiden. Het menselijk lichaam, destijds afgebeuld, moe en ten slotte kapot van het zware werk, wordt tegenwoordig eerder onder- dan overbelast. Juist die onderbelasting schept ruimte voor afslankprogramma’s en rondjes hardlopen op de vroege ochtend.

    ‘Wij zijn mensen,’ zegt Kristine Zeller in haar longevity-podcast, ‘die de dingen graag meten.’ Dus iedereen die zich op het longevitypad begeeft, begint zo veel mogelijk actuele gegevens over het eigen lichaam te verzamelen. Steeds meer mensen gebruiken wearables, ­draagbare apparaten zoals fitnessarmbanden en smartwatches, om belangrijke lichaamsfuncties te tracken. De bloedsuikerspiegel wordt geregistreerd, terwijl je slaapt wordt van minuut tot minuut je ademhaling gemeten en je vitamines worden bijgehouden om voedingssupplementen correct te kunnen doseren. Longevity-experts noemen dit KPI’s, key performance indicators. Deze oorspronkelijk bedrijfskundige indicatoren worden normaal gesproken gebruikt om de capaciteitsbenutting en de prestaties van een bedrijf weer te geven.

    Typisch geluid

    Het is het typische geluid van de ­longevity-industrie: door jezelf allerlei beperkingen op te leggen, door te sporten en de juiste supplementen in te nemen, streef je een soort langetermijnbelegging na die ooit, in een latere levensfase, rendement zou moeten opleveren in de vorm van een paar extra jaren zonder gezondheidsproblemen. Daarbij bestaat altijd een zeker risico dat je verkeerd gokt. Want onzekere factoren als ziekte, een ongeval of allebei kunnen roet in het eten gooien.

    Het is niet verwonderlijk dat succesvolle voorvechters van een lang leven een vergelijkbare achtergrond hebben: het zijn allemaal goed opgeleide academici in leidinggevende functies. Ernst en Zeller van Lifestyle of Longevity zijn ondernemers die eerder bij Zalando en McKinsey werkten. Aubrey de Grey had als wetenschapper een eigen laboratorium en Bryan Johnson verdiende zijn miljoenen door het techbedrijf dat hij eerder had opgebouwd te verkopen.

    Ook een blik op de publicaties van hedendaagse auteurs biedt een verklaring voor de langlevenhype. Hun diagnose: de focus op het eigen lichaam vult een leemte. Midden jaren tachtig, zo herinnert Annie Ernaux zich in haar roman De jaren, verdween niet alleen het katholicisme uit het leven van alledag, maar verplaatste ook de hoop zich ‘van dingen die men wilde bezitten naar het in stand houden van het lichaam en het streven naar eeuwige jeugd’.

    Als we gezond willen blijven, moet het ook goed gaan met onze ziel

    Ook politicoloog Robert Putnam, schrijver Nicolas Mathieu en historicus Anton Jäger laten zien hoe deze leemte zich een plaats heeft veroverd in het centrum van de samenleving. Kerken, politieke partijen en andere massaorganisaties die vroeger niet alleen het dagelijks leven structureerden, maar en passant ook belangrijke zingevingskwesties beantwoordden, hebben aan betekenis ingeboet. Het gevoel dat hogere machten de dingen wel ten goede zullen keren is verleden tijd. Logisch dat mensen zich bezinnen op hun lichaam en hun gewoontes, als dat het laatste is dat nog veranderbaar lijkt.

    Maar alle pogingen om de angst voor het ouder worden tegen te gaan met fitness­armbandjes en cholesteroltracking kunnen niet verhullen dat het, als we gezond willen blijven, ook goed moet gaan met onze ziel. Daarom moeten we als samenleving nadenken over de betekenis van samen en waardig ouder worden. We hebben behoefte aan een nieuw perspectief op de verdeling van de welvaart, waarin kinderen, ouderen en zieken niet meteen als een liability worden beschouwd.

    En tot slot zou ook een frisse kijk op de verhalen van ouderen op zijn plaats zijn. We hebben natuurlijk alle kennis van de wereld in onze broekzak, maar wie kan de echte verhalen vertellen over leven, lijden en liefde, of over de tijd vóór de digitalisering? Dat zijn de ouderen onder ons. Luister naar ze en verheug je erop ooit een van hen te worden. Wat zou het een feest zijn om dan de fitnesstrackers van onze pols te rukken en in het ijsbad te springen – niet meer omdat we bang zijn voor de dood, maar uit levensvreugde.