Tag: wetenschap

  • Politiek en lobbyisme: de draaideur van Brussel

    Politiek en lobbyisme: de draaideur van Brussel

    De afstand tussen EU-ambtenaren en 35.000 lobbyisten in Brussel is schrikbarend klein. Sterker nog, na een functie voor de EU te hebben vervuld, stapt een fors aantal ambtenaren over naar de lucratieve lobbywereld. De EU prijst zichzelf vanwege ‘transparante’ regelgeving op dit gebied, maar ophef rond voormalig EU-commissaris Günther Oettinger roept de vraag op of die tevredenheid terecht is. 

    ‘De EU heeft een autoriteit voor ethiek nodig!’, is de kop boven een artikel dat financieel redacteur Harald Schumann eind januari voor de Duitse krant Der Tagesspiegel schreef.

    Volgens Schumann zijn EU-politici te zelfgenoegzaam over het feit dat de activiteiten van lobbyisten in Brussel geregistreerd dienen te worden en daardoor dus redelijk controleerbaar zouden moeten zijn. Hij verwijst in dit verband naar een uitspraak van Katharina Barley, vicevoorzitter van het EU-parlement: ‘Wat transparantie omtrent lobbyen betreft, gaat de EU resoluut voorwaarts.’

    In eerste instantie begrijpt Schumann die uitspraak. ‘Commissarissen en hoge parlementariërs volgen inderdaad een mooi principe. Iedereen die met hen over een project wil praten, moet met naam en budget worden vermeld in het officiële lobbyregister. Zonder inschrijving kan er geen afspraak volgen, althans niet officieel. Bovendien moeten vergaderingen in toegankelijke databases worden ingevoerd. Wie zich te eenzijdig informeert, kan onder druk komen te staan‘, aldus Schumann. De procedure klinkt prima, maar, zegt Schumann, er is sprake van schone schijn.

    35.000 lobbyisten

    ‘Deze zogenaamd schone omgang met het leger van ongeveer 35.000 lobbyisten heeft een vuile keerzijde’, schrijft de Duitse journalist. ‘Voor honderden EU-functionarissen, commissarissen en parlementariërs is de afstand die ze tot lobbyisten houden slechts show. In werkelijkheid staan ze zo dicht bij elkaar dat ze na het vertrek uit hun ambt maar al te graag overstappen om hun kennis te gelde te maken.’ 

    Volgens Schumann zijn na 2014 maar liefst 185 EU-parlementsleden overgestapt van het parlement naar een baan bij lobbykantoren. Van de 27 commissarissen die in 2014 aftraden, zijn er 13 ingehuurd door lobbyagentschappen en bedrijven.

    Veel verontwaardiging was er over de nieuwe functie van voormalig Commissievoorzitter José Manuel Barroso. Na zijn vertrek trad hij aan als directeur bij de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs. Al tijdens zijn voorzitterschap bleek hij ‘buitengewoon vruchtbare ontmoetingen’ met Goldmans topmanager Blankfein te hebben gehad, zonder die te melden.

    ‘Wat echt verwerpelijk is, is de schade aan de democratie’

    De Europese Commissie eist een wachttijd van twee jaar, zodat topfunctionarissen kunnen ‘afkoelen’ om belangenconflicten te vermijden. Maar ook die maatregel is niet serieus te nemen, volgens Schumann, zoals blijkt uit de activiteiten van voormalig EU-commissaris Günther Oettinger. 

    Oettinger, een Duitse CDU-politicus, was van 2010 tot 2019 EU-commissaris en tekende na zijn vertrek arbeidscontracten met niet minder dan dertien bedrijven en verenigingen. Daarvoor ontving hij speciale toestemming van de zittende Commissie onder leiding van partijvriendin Ursula von der Leyen, op voorwaarde dat hij niet zou lobbyen.

    Maar de groene Europarlementariër Daniel Freund vindt de gang van zaken ongeloofwaardig. Volgens hem staan slechts ‘zeven van de nieuwe werkgevers van Oettinger vermeld in het lobbyregister’.

    Schumann concludeert dat het probleem van de nauwe band tussen de hoogste ambtenaren met de ‘geldmachtigen’ niet alleen de mogelijke manipulatie van wetgeving betreft. ‘Wat echt verwerpelijk is, is de schade aan de democratie.’ Want de overstap van politiek naar lobbyisme wekt volgens hem de verkeerde indruk dat politiek kan worden gekocht, ‘en daardoor worden kiezers naar de antidemocraten van rechts gedreven’.

    Oettinger

    Drie weken na het artikel van Schumann bevestigt de Oostenrijkse krant Die Presse hoe schimmig de lobbywegen van oud-Commissaris Günther Oettinger zijn. Afgelopen weekend publiceerde de krant een artikel met als kop ‘Kritik an Oettinger-Job für Tabaklobby’ (‘Kritiek op Oettingers baan voor de tabakslobby’). Kern van de zaak is dat Oettinger sinds begin van dit jaar voor een lobbybureau werkt waarvan de grootste klant het tabaksbedrijf Philip Morris is.

    ‘De wisselwerking tussen tabaksregulering en lobbywerk levert opnieuw problemen op voor de Europese Commissie’, zo schrijft Die Presse. ‘Emily O’Reilly, de EU-ombudsman, roept Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, op om zorgvuldig te controleren of Günther Oettinger, de Duitse EU-commissaris tot 2019, zich aan de afspraken houdt en niet lobbyt voor het tabaksbedrijf Philip Morris.’

    Volgens de krant zullen binnenkort drie belangrijke EU-wetten die de tabaksmarkt reguleren door de Commissie worden herzien. De eerste richtlijn betreft de grensoverschrijdende verkoop van tabaksproducten aan particulieren. De tweede is gericht op de minimumaccijnzen op sigaretten. Naar verwachting zal de derde richtlijn de productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten betreffen, te denken valt aan afschrikwekkende afbeeldingen op verpakkingen en het verbod op gearomatiseerde sigaretten. De herzieningen zullen volgens O’Reilly met argusogen worden gevolgd door de tabakslobby.

    Problematisch

    Precies daarom zijn de dertien recent goedgekeurde banen van Oettinger volgens de Ombudsman zo problematisch. De voormalige minister-president van de deelstaat Baden-Württemberg, die in 2010 EU-commissaris voor energiebeleid werd, daarna voor de digitale economie en als laatste voor begroting en personeel, kreeg op 11 november vorig jaar toestemming van de Commissie om aan de slag te gaan bij communicatie- en lobbybureau Kekst CNC als ‘global consultant’. 

    Hij aanvaardde deze functie op 1 januari van dit jaar. O’Reilly waarschuwt Von der Leyen in een brief: ‘Aangezien Philip Morris International de grootste klant is van dit adviesbureau, dat is opgenomen in het EU-transparantieregister, kunt u begrijpen dat het publiek er zeker van moet kunnen zijn dat de Commissie alle noodzakelijke maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de verplichtingen worden nagekomen om toe te zien op de naleving van de voorwaarden die de voormalige commissaris zijn opgelegd.’

    Oettinger maakte bekend dat de nieuwe functie hem ‘de kans zal geven om ervaring en kennis door te geven aan adviseurs en klanten’

    In de praktijk is dit echter onmogelijk, volgens Die Presse, zeker als Oettinger ervoor zorgt dat hij geen schriftelijke sporen nalaat die op een schending van zijn niet-lobbyplicht zouden kunnen wijzen. Het is volgens de krant overigens duidelijk dat Kekst CNC hem vooral heeft ingehuurd vanwege zijn specifieke ervaring. Oettinger windt daar ook geen doekjes om, want hij maakte zelf op de website van het bureau bekend dat de nieuwe functie hem ‘de kans zal geven om ervaring en kennis door te geven aan adviseurs en klanten’.

    Als antwoord op vragen van Die Presse verwees een woordvoerder van de EU-commissie naar de restricties waaronder Oettinger de baan heeft mogen aannemen. ‘De Commissie zal de Ombudsman antwoorden, net als in alle andere gevallen’, voegde de woordvoerder eraan toe.

    Geen roker

    Ook de politieke website Politico besteedde dit weekeinde aandacht aan het geval-Oettinger, en voegt nog meer informatie toe aan het verhaal. Volgens Politico vermeldde het EU Transparantie Register dat Kekst CNC in 2019 tussen de € 200.000 en € 299.999 aan inkomsten ontving van tabaksgigant Philip Morris.

    De site wijst op informatie die Oettinger aan de Commissie heeft verstrekt om deel te mogen uitmaken van de adviesraad van Kekst CNC. Volgens Oettinger helpt de adviesraad ‘de wereldwijde reputatie en zichtbaarheid van Kekst CNC te verbreden en te verbeteren bij opinieleiders en besluitvormers’. Daarnaast ondersteunt de raad ‘activiteiten voor bedrijfsontwikkeling’, volgens Oettinger.

    ‘In haar brief van 11 februari aan de voorzitter van de Commissie Ursula von der Leyen’, zo schrijft Politico, ‘herinnert Ombudsman Emily O’Reilly eraan dat de EU als deelnemer aan het Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging van de Wereldgezondheidsorganisatie “zich heeft verbonden het volksgezondheidsbeleid te beschermen tegen de tabaksindustrie”.’ 

    Oettinger vertelde Politico desgevraagd dat zijn werkzaamheden ‘niets met tabak te maken zullen hebben’. ‘Ik ben geen roker’, zo liet de Duitse politicus weten, eraan toevoegend dat hij geen contact heeft gehad met Philip Morris en ook ‘geen ambitie’ heeft om in de toekomst in contact met het bedrijf te treden. ‘Ik ben perfect op de hoogte van mijn beperkingen en mijn verplichtingen.’

    Thomas Empt, algemeen directeur van Kekst CNC, valt hem daarin bij: ‘We willen geen commentaar geven op de brief van de Ombudsman, maar we willen wel benadrukken dat het voor ons bedrijf van het grootste belang is om de Gedragscoderegels voor voormalige leden van de Europese Commissie strikt te volgen.’

    Hongarije

    Hoe zuiver op de graat Oettinger zal blijken, valt nog te bezien, maar enige waakzaamheid lijkt op z’n plaats, gezien zijn eerdere activiteiten. Volgens Politico liet het Staatsblad van Hongarije een jaar geleden weten dat de Hongaarse premier Viktor Orbán Oettinger heeft aangewezen als covoorzitter van een nieuw op te richten Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid, die de Hongaarse regering adviseert over innovatie en onderzoek. Deze controversiële wetenschapsraad is opgericht door de premier zelf.

    Als covoorzitter zou Oettinger samenwerken met de Hongaarse minister van Innovatie en Technologie László Palkovics, die de instelling leidt. Oettinger zou het enige niet-Hongaarse lid in de raad zijn.

    Volgens critici is de raad onderdeel van de inspanningen van de Hongaarse regering om strengere controle uit te oefenen op de academische sector, bijvoorbeeld door financiering in te houden voor onderzoekers die tegen het beleid van Orbán zijn.

    ‘Het is vreselijk dat een voormalig EU-commissaris geloofwaardigheid verleent aan een regime dat de onafhankelijkheid van de wetenschap aanvalt’

    Met name linkse en groene leden van het Europees Parlement beschuldigen Oettinger ervan de ambities van Orbán te legitimeren om wetenschap onder controle van de regering te krijgen. De Hongaarse regering weerspreekt dat en stelt dat het doel is de wetenschapssector van het land innovatiever te maken.

    Dat Hongaarse verweer is niet bijster geloofwaardig. De beschuldigingen van gebrek aan academische vrijheid in Hongarije zijn de afgelopen jaren toegenomen, vooral sinds de gerenommeerde Centraal-Europese Universiteit, gefinancierd door de Hongaars-Amerikaanse miljardair George Soros, naar Wenen moest verhuizen vanwege beperkingen die werden opgelegd door de Hongaarse autoriteiten.

    Oettinger is zich ondertussen van geen kwaad bewust. Aan Politico liet hij weten dat hem niet was verteld hij een vergoeding zou krijgen voor de baan en dat hij ‘de agenda van bijeenkomsten wil vormgeven en bijdragen aan discussies’, om de wetenschap in Hongarije een impuls te geven.

    ‘Wetenschap, innovatie en onderzoek moeten een zorg zijn voor heel Europa en moeten daarom ook beter worden gepromoot in de afzonderlijke landen’, aldus Oettinger. ‘De afgelopen jaren heb ik Europa altijd bekritiseerd omdat het niet genoeg aan onderzoek doet. We moeten 3 procent van ons bruto nationaal product in onderzoek steken, in plaats daarvan zitten we constant op 2 procent.’

    ‘Erg vergezocht’

    De groene Europarlementariër Daniel Freund kijkt er anders tegenaan. ‘Het is vreselijk dat een voormalig EU-commissaris geloofwaardigheid verleent aan een regime dat de onafhankelijkheid van de wetenschap aanvalt’, zei Freund vorig jaar. ‘En dat in een situatie waarin ngo’s en journalisten zwaar onder druk staan, er schaamteloze corruptie is in het land, er een artikel 7-procedure tegen Hongarije loopt en Orbáns regeringspartij Fidesz is geschorst uit zijn partijfamilie, de Europese Volkspartij’ – nota bene de Europese partij waar Oettingers CDU deel van uitmaakt.

    Oettinger wijst die kritiek af. ‘De naam zegt het al: de Nationale Raad voor Wetenschapsbeleid heeft een adviserende rol, maar neemt geen beslissingen’, was zijn commentaar. ‘Vrijheid van wetenschap en onderwijs is altijd erg belangrijk voor me geweest. Daarom accepteer ik deze kritiek niet. Het is erg vergezocht.’

    Volgens Kontext: Wochenzeitung was de EU er twee maanden geleden nog niet uit of Oettinger de klus in Hongarije mag aannemen: ‘De Europese Commissie is nog steeds aan het piekeren of ex-commissaris Günther Oettinger de controversiële premier van Hongarije, Viktor Orbán, kan bijstaan als hoofd van zijn nieuwe Innovatieraad.’

    Wellicht speelt bij het geaarzel mee dat Oettinger eerder ook al onder vuur is komen te liggen vanwege zijn nauwe banden met Orbán. In 2016, toen hij commissaris voor digitale economie was, gebruikte hij de privéjet van een pro-Russische Duitse zakenman die voor de Hongaarse regering werkte om naar een diner met Orbán te vliegen. Volgens Oettinger gebeurde dat omdat er op dat moment geen commerciële vlucht was om hem op tijd naar het diner in Boedapest te brengen. De Europese Commissie accepteerde zijn uitleg destijds.

    Of de Commissie in Oettingers onschuld blijft geloven bij de beslissing over zijn Hongaarse baan, valt nog te bezien. Margarida Silva van Corporate Europe Observatory, een nonprofitorganisatie die de connectie tussen EU-beleid en lobbyisten in de gaten houdt, zei vorig jaar: ‘Er zijn zorgen dat deze nieuwe baan op de een of andere manier het resultaat zou kunnen zijn van de betrokkenheid van Oettinger, als Europees commissaris, bij beslissingen die van invloed waren op de Hongaarse regering. Mocht dit het geval blijken te zijn, dan zou dit een onderzoek vereisen door OLAF’, het fraudebestrijdingsbureau van de EU.

  • Aanbevolen door de redactie. Humboldts dichterlijke ziel & Meer

    Aanbevolen door de redactie. Humboldts dichterlijke ziel & Meer

    De meeste mensen kennen hem slechts van Duitse straatnaambordjes, maar The New Atlantis laat zien waarom je meer wilt weten over Alexander von Humboldt, de invloedrijke wetenschapper-avonturier met de ziel van een dichter. Verder: het geïllustreerde liefdesverhaal van Gertrude Stein en Alice B. Toklas & meer aanraders van de 360-redactie

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.

    ‘Het brein van een wetenschapper, de ziel van een dichter’

    Bergketens zijn naar hem vernoemd, steden, watervallen en honderden dieren- en plantensoorten. Alexander von Humboldt (1769–1859) was een onwaarschijnlijk veelzijdige wetenschapper, ontdekkingsreiziger, poëet en De uitvinder van de natuur (Andrea Wulf, Atlas Contact). 

    The New Atlantis brengt hem terug uit de vergetelheid en eert hem terecht met een uitgebreid en gedetailleerd artikel. Humboldts bevindingen zijn nog altijd actueel. Aangeraden door editor at large Katrien Gottlieb.

    Alexander von Humboldt by Friedrich Georg Weitsch 1
    Een portret van Alexander von Humboldt door Friedrich Georg Weitsch (1806). – © Alte Nationalgalerie, Berlijn / Wikimedia

    Een liefdesverhaal

    Maira Kalman (1949) is een Amerikaanse, in Israël geboren, illustrator, schrijver, kunstenaar en ontwerper. Ze maakte naam met haar buitengewoon speelse, grappige en luchtige illustraties voor onder meer The New York Times en The New Yorker en ze tekende en illustreerde tal van (kinder)boeken. Onlangs publiceerde ze een prachtig boek over de liefde tussen Gertrude Stein en Alice B. Toklas aan het begin van de twintigste eeuw in Parijs, waarin ook beroemdheden als Hemingway, Matisse en Picasso de revue passeren. De culturele site Brainpickings besprak het boek en haalt een prachtige zin aan van Kalman: ‘This is a love story. You know. How two people, joined together, become themselves’. Een aanrader van redacteur IJsbrand van Veelen.

    fdfb 987x1500 2

    Persoonlijk essay over een eeuwig controversieel meesterwerk

    The New Yorker publiceerde ‘Nabokov, Steinberg, and Me’ van schrijver en humorist Ian Frazier, uit het nog te verschijnen Lolita in the Afterlife: ‘een levendige verzameling van scherpe en essentiële moderne stukken over dit eeuwig provocerende boek’, aldus de uitgever. Getipt door hoofdredacteur Laura Weeda.

    Nabokovs Lolita, waarin de veertiger Humbert Humbert een jury toespreekt die moet oordelen over zijn relatie met de twaalfjarige Lolita, zorgde bij verschijning in 1955 al voor ophef, vooral vanwege de jonge leeftijd van de naamgever. Later ontsteeg het boek de schandaalsfeer en was er vooral aandacht voor de hoogstaande literaire kwaliteit, maar anno 2021 is hier uiteraard weer verandering in gekomen. In de bundel bekijken schrijvers Lolita vanuit politiek standpunt en gaat het over de witheid van de hoofdpersonages, machtsverhoudingen en seksueel trauma.

    Frazier vertel hoe hij het boek, mede omdat zijn moeder, docent Engels, het droevig en gruwelijk vond, steeds opnieuw verslond. Het was vormend voor de manier waarop hij als puber naar meisjes keek en zelfs voor de woorden waarin hij over hen dacht. Pas veel later gaat hij inzien wat zijn moeder bedoelde. Hij begint zijn geliefde Lolita met andere ogen te lezen, en de oorspronkelijke Russische Nabokov, voor zijn gevoel, te doorzien. Waarom noemt hij Lolita’s latere man een ‘kreupele’? En waarom was deze oorlogsveteraan bovendien doof? Was zij wel een nymfomaan, bestaan die überhaupt?

    9781984898838

    Voor eeuwig wachten aan de grens

    In de laatste aflevering van de Spaanstalige podcast El Hilo volgen we het verhaal van Moisés en Meya, die in 2019 van Honduras naar de Verenigde Staten probeerden te emigreren met hun anderhalf jaar oude dochter. Ze wilden een veiliger leven voor hun familie, weg van bendes, mishandeling door de politie en armoede. Maar Mexico stuitten ze op de muur van het anti-immigratiebeleid van de regering-Trump en zijn ‘Blijf in Mexico’-beleid. Sindsdien wachten ze aan de Mexicaans-Amerikaanse grens tot hun asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Een tip van redacteur Joep Harmsen.

    Naast Moisés en Meya komen in de podcast fotojournalist Tomás Ayuso en Fernanda Echávarri van Mother Jones aan het woord over de impact is van het immigratiebeleid van de afgelopen vier jaar en wat we kunnen verwachten van Joe Bidens nieuwe koers op dat gebied.

    Ga naar het Instagramaccount van de Hondurese fotojournalist Tomás Ayuso @tomas_ayuso voor beelden bij het verhaal. En zie ook zijn reportage uit 2018 voor National Geographic, waarin Ayuso verslag doet van zijn reis met een migrantenkaravaan.


    De schoonheid van de landbouw

    Daan Roosegaardes meest recente kunstwerk GROW is een eerbetoon aan de schoonheid en het belang van de agrarische sector. GROW ontvouwt zich als een lichtgevend ‘droomlandschap’. Omringd door duisternis golven rode en blauwe lichten over een enorme akker. Het project is geïnspireerd op wetenschap die aantoont dat specifieke lichtrecepten groei van gewassen kunnen stimuleren en weerstand kunnen verbeteren. Een aanrader van art director Majel van der Meulen.

  • Deze wetenschapper ging in gesprek met complotdenkers

    Deze wetenschapper ging in gesprek met complotdenkers

    De Poolse wetenschapper Szymon Malinowski ging op Facebook in discussie met complotdenkers die geloven dat we vanuit de lucht worden vergiftigd. Hij had niet de illusie hen te kunnen overtuigen, maar wel om de neutrale meelezer te beïnvloeden. ‘Het is niet mogelijk om een rationele discussie te voeren met mensen die volhouden dat de aarde plat is.‘

    Dit artikel verscheen eerder in #142

    U bent op Facebook in discussie gegaan met ‘chemtrails’-aanhangers [afkorting van chemical trails, oftewel ‘chemische sporen’].

    Szymon Malinowski: ‘Eigenlijk zijn zíj de discussie begonnen. We hadden via de website van ons instituut [de vakgroep geofysica van de natuurkundefaculteit van de Universiteit van Warschau] het publiek uitgenodigd om onze meetinstrumenten te komen bekijken, vooral onze lidar [Light detection and ranging, een apparaat met allerlei toepassingen dat een laserstraal uitzendt en weer opvangt]. Wij bestuderen er de samenstelling van de dampkring mee. Nadien hebben veel mensen gereageerd, omdat ze vonden dat er iets was wat we nodig moesten bestuderen.’

    Wie is Szymon Malinowski?

    Szymon Malinowski is onderzoeker aan het geofysisch instituut aan de natuurkundefaculteit van de Universiteit van Warschau. Hij is gespecialiseerd in atmosferische verschijnselen – wolken, turbulentie, neerslag – en is betrokken bij populair-wetenschappelijke projecten, zoals Nauka oklimacie. Op deze blog worden bijdragen van verschillende wetenschappers over klimaatverandering geplaatst. Ook treedt Malinowski vaak op in de Poolse media.

    En dat was?

    ‘Door onbekenden in de Poolse lucht verspreide stoffen’. Aanhangers van chemtrails geloven dat de condensatiesporen die vliegtuigen in de lucht achterlaten, in werkelijkheid sporen zijn van chemische verbindingen die expres met kwade bedoelingen worden verspreid. Die berichten werden meteen door onze moderator geblokkeerd, maar de auteurs ervan hebben toen mijn persoonlijke Facebookaccount ontdekt. Een foto op mijn Facebookpagina van een condensspoor van een vliegtuig, in het licht van de ondergaande zon, werd aanleiding tot discussie. Ik had voor de grap gezegd dat er binnenkort wel chemtrails-adepten op zouden reageren, en dat gebeurde inderdaad.

    Wat schreven ze?

    Een van de mensen die reageerden, stuurde me wat gesmolten sneeuw op die bij hem in de buurt was gevallen, ter analyse. Er bleken minieme sporen van aluminium in te zitten, een van de bestanddelen waaruit de aardkorst is opgebouwd, naast ijzer en barium. Voor deze chemiefreaks is dat laatste element het allerergste [zij zien er het sterkste bewijs in dat er iets niet pluis is].

    clouds cloudy dawn 2330
    Aanhangers van chemtrails geloven dat de condensatiesporen die vliegtuigen in de lucht achterlaten, in werkelijkheid sporen zijn van chemische verbindingen die expres met kwade bedoelingen worden verspreid. © Pexels

    Waarom zijn ze juist voor barium zo bang?

    Geen flauw idee. Een paar van de mensen met wie ik in gesprek was, houden vol dat de NAVO bezig is met een geo-engineeringsoperatie om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Dit is trouwens een vrij recent idee; tot nu toe gingen chemtrailsadepten ervan uit dat het doel is om op grote schaal mensen te vergiftigen om overbevolking tegen te gaan. Sommigen geloven zelfs dat er buitenaardse wezens achter zitten, een soort grote ruimtereptielen, die de aarde proberen aan te passen om er te komen wonen.

    Iedereen kan met eigen ogen zien dat er steeds meer van die condenssporen bij komen.

    Klopt, en dat komt natuurlijk door de groei van de luchtvaart. Ik herinner me nog goed dat in Polen jaarlijks 3 miljoen mensen het vliegtuig namen. Nu verwerkt alleen al het grootste vliegveld van Polen, dat van Warschau, elk jaar 15 miljoen passagiers en in het hele land zijn het er 40 miljoen [volgens Eurostat lagen deze aantallen in 2016 op respectievelijk 12,8 en 32,3 miljoen].

    In zo’n situatie kunnen wetenschappers niet veel meer doen dan rationele argumenten aanvoeren en de wetten van de oorzakelijkheid uitleggen. In dit geval betekent dat: verklaren hoe condenssporen ontstaan, waarom ze meestal snel weer verdwijnen maar soms ook wolken vormen. Deze door menselijke activiteit ontstane wolken hebben trouwens een naam, ze heten cirrus homogenitus of cirrus homomutatus. En ze zijn inderdaad vaker te zien dan vroeger.

    Hebben ze effect op het klimaat?

    Een paar jaar geleden hebben mijn collega’s Krzysztof Markowicz en Aleksandra Kardas meegedaan aan een groot Europees onderzoeksproject [getiteld ‘Quantify’] dat die vraag wilde beantwoorden. Er bleek uit dat het luchtverkeer het klimaat behoorlijk verpest: niet alleen genereert het veel CO2-uitstoot, maar de verbranding van kerosine in vliegtuigmotoren, op zeer hoge temperaturen, produceert bovendien stikstofoxiden die ozon afb reken. Dat is overigens een van de redenen dat de ontwikkeling van supersonische vliegtuigen is stopgezet. Die vliegtuigen zouden in de stratosfeer gaan vliegen, maar daar zit ook het meeste ozon. De stikstofoxiden die ze uitstoten zouden de ozonlaag afb reken, die ons beschermt tegen de ultraviolette straling van de zon.

    ‘Het is niet mogelijk om een rationele discussie te voeren met mensen die volhouden dat de aarde plat is’

    En ook al vliegen de huidige vliegtuigen een stuk lager, het zijn er inmiddels zo veel geworden dat ze met zijn allen toch significant veel stikstofoxiden uitstoten. Daar komt nog bij dat deze stoffen krachtige broeikasgassen zijn. En bovendien genereren verbrandingsmotoren waterdamp, het allerkrachtigste broeikasgas, dat zich op grote hoogte nauwelijks kan verspreiden. Als de omstandigheden gunstig zijn voor condensvorming, ontstaan daar wolken uit.

    Natuurlijk vervuilt het luchtverkeer de atmosfeer nog lang niet zo erg als wij dat vanaf het aardoppervlak doen. Desalniettemin veroorzaakt het flinke luchtvervuiling en beïnvloedt het het klimaat, en dat wordt steeds erger.

    Warmen de wolken die door zulke condensatie ontstaan de atmosfeer op, of koelen ze die juist af?

    In principe verhogen wolken op grote hoogte de temperatuur van het aardoppervlak iets, want het broeikaseffect wint het van het effect dat een deel van de invallende zonnestralen weer wordt teruggekaatst de ruimte in.

    De dialoog op uw Facebookpagina liep op dezelfde manier af als de discussie op de website van uw instituut: u hebt de aanhangers van chemtrails geblokkeerd.

    Het is niet mogelijk om een rationele discussie te voeren met mensen die volhouden dat de aarde plat is en alle bewijzen van het tegendeel van zich af werpen. Het enige argument dat de aanhangers van complottheorieën hebben, is dat degenen die achter deze complotten zitten er financieel beter van worden. Ze denken dat iedereen hen probeert te belazeren en laten zich niet met redelijke argumenten overtuigen. Deze lui begrijpen de wetenschap niet en eerlijk gezegd begrijp ik hen ook niet.

    szymon
    Szymon Malinowski – © YouTube

    Had u niet al vanaf het begin door dat het geen zin heeft om met chemtrails-aanhangers in discussie te gaan?

    Het heeft wel zin, want deze discussies worden ook gevolgd door mensen die er niet actief aan deelnemen. Eigenlijk willen we vooral aan hen uitleggen wat de feiten zijn. Omwille van hen loont het de moeite om rationele argumenten aan te dragen en de huidige stand van de wetenschap te presenteren. Maar zodra de discussie in een impasse raakt, heeft het weinig zin om ermee door te gaan.

    Het bestaan van complottheorieën laat wel zien dat een deel van de bevolking geen fiducie in de wetenschap heeft. Denkt u dat die situatie verergert, of is het probleem alleen maar zichtbaarder geworden?

    Ik denk dat het nu meer opvalt dan vroeger. Voor aanhangers van complottheorieën over chemtrails, vaccins en genetisch gemanipuleerde gewassen, en voor ontkenners van de opwarming de aarde is het internet een uitstekend communicatie- en propagandakanaal. Vroeger konden ze in het café over hun fobieën praten, of met hun buren. Tegenwoordig hebben hun woorden een groter bereik en hebben ze hun plek gevonden in het medialandschap. Uiteraard ga ik er niet van uit dat dat een complot is (lacht). Het is gewoon het resultaat van zelforganisatie.

  • Het eenzame brein

    Het eenzame brein

    Het onderzoek naar eenzaamheid van neurowetenschapper Kay Tye kan ons helpen de psychologische gevolgen van sociaal isolement beter te begrijpen. Want eenzaamheid wordt in verband gebracht met depressie, angst, alcoholisme en drugsgebruik. Ook belemmert eenzaamheid het immuunsysteem en kan het leiden tot kanker, hartkwalen en alzheimer. Maar hoe ziet dat eenzame brein eruit?

    Lang voordat de wereld ooit van covid-19 had gehoord, ging Kay Tye op zoek naar een antwoord op de vraag die in het tijdperk van sociale afstand een nieuwe weerklank heeft gekregen: wanneer mensen zich eenzaam voelen, snakken ze dan op dezelfde manier naar sociale interactie als iemand die honger heeft snakt naar eten?

    Hebben zij en haar collega’s deze ‘honger’ in de neurale circuits van de hersenen kunnen ontdekken en meten? ‘Eenzaamheid is iets universeels,’ zegt Tye, neurowetenschapper bij het Salk Institute of Biological Sciences in San Diego, Californië. ‘Het lijkt redelijk om te betogen dat eenzaamheid een neurowetenschappelijk begrip zou moeten zijn. Alleen heeft niemand ooit een manier gevonden om het fenomeen te testen en in specifieke cellen te lokaliseren. Dat proberen we nu te doen.’

    De afgelopen jaren is er een stortvloed van wetenschappelijke boeken verschenen waarin eenzaamheid in verband wordt gebracht met depressie, angst, alcoholisme en drugsgebruik. Er zijn zelfs steeds meer epidemiologische publicaties die aantonen dat je door eenzaamheid meer kans maakt ziek te worden: er lijkt een chronische toevloed van hormonen door ontketend te worden die een goede werking van het immuunsysteem belemmert. Biochemische veranderingen als gevolg van eenzaamheid kunnen de uitzaaiing van kanker versnellen en hartkwalen en alzheimer bespoedigen, of uiterst vitale mensen de wil ontnemen om verder te leven. Het opsporen en meten van eenzaamheid zou kunnen helpen
    om risicogevallen te identificeren en nieuwe interventiemethoden te ontwikkelen.

    De komende maanden, zo waarschuwen velen, zullen we wereldwijd de gevolgen zien van covid-19 voor de geestelijke gezondheid. ‘Het zal niet lang meer duren voordat iedereen beseft wat de impact van sociale isolatie is op de rest van de geestelijke gezondheid,’ zegt Tye. ‘Ik denk dat die behoorlijk heftig is en snel optreedt.’

    56a83e270ec399efa4bf241b7d7ce257 1
    Een bezoeker van de Innovation for Health-conferentie, op 13 februari jl. in Rotterdam, bevoelt een opblaasbaar brein. Een belangrijk deel van het conferentieprogramma was gewijd aan dementie en alzheimer. – © Michel Porro / Getty

    Moeilijk te identificeren

    Maar het identificeren en zelfs definiëren van eenzaamheid is een moeilijk karwei. Zo moeilijk zelfs dat neurowetenschappers het onderwerp lange tijd hebben gemeden. Eenzaamheid, zegt Tye, is inherent subjectief. Een hedendaags voorbeeld: je kunt deelnemen aan een Zoom-gesprek met geliefden in een andere stad en je sterk verbonden voelen, of nog eenzamer dan vóór het gesprek. Deze ambiguïteit zou de merkwaardige resultaten kunnen verklaren die aan het licht kwamen toen Tye, voordat ze in 2016 haar eerste wetenschappelijke verhandeling over de neurowetenschappelijke kant van eenzaamheid publiceerde, onderzoek deed naar andere publicaties over het onderwerp. Hoewel ze in de psychologische literatuur studies over eenzaamheid aantrof, was er geen enkele publicatie waarin ook de woorden ‘cellen’, ‘neuronen’ en ‘hersenen’ voorkwamen.

    Hoewel de grootste geesten op het gebied van filosofie, literatuur en beeldende kunst zich al millennia over het hoe en waarom van eenzaamheid buigen, gaan neurowetenschappers er sinds lange tijd van uit dat vragen over de manier waarop het menselijk brein ermee omgaat niet in hun datagedreven labs beantwoord kunnen worden. Tye hoopt daar verandering in te brengen door een geheel nieuw terrein te ontwikkelen, gericht op het analyseren en begrijpen van de manier waarop onze zintuiglijke waarnemingen, eerdere ervaringen, genetische predisposities en levenssituaties samenwerken met onze omgeving om een concrete, meetbare toestand te creëren die we eenzaamheid noemen. En ze wil ontdekken hoe die schijnbaar ondefinieerbare ervaring eruitziet wanneer ze geactiveerd wordt in de hersenen.

    Als Tye daarin slaagt, zouden er nieuwe instrumenten kunnen worden ontwikkeld om mensen te identificeren en te volgen die het risico lopen op ziekten die door eenzaamheid worden verergerd. Ook zou het betere manieren kunnen opleveren om een mogelijke openbare gezondheidscrisis als gevolg van covid-19 aan te pakken.

    Tye heeft zich geconcentreerd op specifieke neuronenpopulaties in de hersenen van knaagdieren die met een meetbare behoefte aan sociale interactie lijken te worden geassocieerd, een honger die kan worden gemanipuleerd door die neuronen zelf rechtstreeks te stimuleren.

    Wetenschappers wisten al lange tijd dat het stimuleren van de amygdala een dier kan doen ineenkrimpen van angst. Maar door het labyrint van verbindingen te volgen dat de verschillende delen van de amygdala in en uit loopt, was Tye in staat aan te tonen dat het ‘angstcircuit’ van de hersenen zintuiglijke stimuli op een veel genuanceerdere manier kan beïnvloeden dan voorheen werd aangenomen. Zelfs moed leek door het circuit te worden gemoduleerd.

    Tegen de tijd dat Tye in 2012 haar lab had ingericht op het Massachusetts Institute of Technology (MIT), volgde ze de neurale verbindingen van de amygdala met plekken als de prefrontale cortex, die de hersenen aanstuurt, en de hippocampus, de zetel van het episodisch geheugen. Het doel was de circuits in de hersenen in kaart te brengen waarop we vertrouwen om de wereld beter te kunnen begrijpen, onze moment-tot-momentervaring te duiden en op verschillende situaties te reageren.

    Onverwachte ontdekking

    Dat ze eenzaamheid begon te bestuderen, berustte grotendeels op toeval. Bij het zoeken naar nieuwe postdocs stuitte Tye op het werk van Gillian Matthews, die als promovenda aan het Imperial College London een onverwachte ontdekking had gedaan, toen ze de muizen die ze bij haar experiment gebruikte van elkaar scheidde. Sociale isolatie, het pure feit alleen te zijn, leek de hersencellen die DRN-neuronen worden genoemd zodanig te hebben veranderd dat ze wellicht tot eenzaamheid leidden. Tye zag onmiddellijk de mogelijkheden. Ze herinnert zich nog hoe ongelooflijk ze deze ontdekking vond. Dat de tekenen van sociale isolatie naar een specifiek deel van de hersenen konden worden herleid, vond ze volstrekt logisch. ‘Maar waar zitten die tekenen en hoe zou je ze kunnen vinden? Als dit het specifieke deel was, dacht ik, dan zou dat superinteressant zijn.’ Bij al haar neuronenonderzoek, zegt Tye, ‘ben ik nooit eerder iets over sociale isolatie tegengekomen. Nooit.’

    Het opsporen en meten van eenzaamheid zou kunnen helpen om risicogevallen te identificeren

    Tye realiseerde zich dat als zij en Matthews een kaart van een eenzaamheidscircuit zouden kunnen maken, ze in het lab precies het soort vragen zouden kunnen beantwoorden die ze hoopte te onderzoeken: hoe veroorzaken de hersenen onbedoeld sociale isolatie? Hoe en wanneer verandert de objectieve ervaring van het niet samen met anderen zijn in de subjectieve ervaring van eenzaamheid?

    De eerste stap was het doorgronden van de rol die de DRN-neuronen spelen bij deze geestesgesteldheid. Een van de eerste dingen die Tye en Matthews opmerkten, was dat wanneer ze deze neuronen stimuleerden, de dieren eerder sociale interactie met andere muizen zochten. Bij een later experiment toonden ze aan dat dieren, wanneer ze de keus hadden, doelbewust delen van hun kooi meden die bij hun binnenkomst de neuronen activeerden. Dit deed vermoeden dat hun zoeken naar sociale interactie eerder werd gemotiveerd door een verlangen om pijn te vermijden dan om plezier te genereren.

    Bij een vervolgexperiment plaatsten de onderzoekers enkele muizen 24 uur lang in eenzame opsluiting om ze vervolgens weer in sociale groepen te introduceren. Zoals te verwachten viel, besteedden de dieren toen ongewoon veel tijd aan interactie met andere dieren, alsof ze ‘eenzaam’ waren geweest. Daarna isoleerden Tye en Mattthews dezelfde muizen opnieuw, ditmaal met gebruikmaking van optogenetics om de DRN-neuronen uit te schakelen na de periode van afzondering. Nu taalden de dieren niet meer naar sociaal contact. Het was alsof de sociale isolatie niet tot hun hersenen was doorgedrongen.

    Tye en Matthews leken het equivalent te hebben gevonden van een homeostatische regulator voor de basale behoefte van knaagdieren aan sociale contacten. Volgende vraag: wat betekenen deze bevindingen voor mensen?

    Om die vraag te beantwoorden werkt Tye samen met onderzoekers in het lab van Rebecca Saxe, hoogleraar cognitieve neurowetenschap van MIT en gespecialiseerd in menselijke sociale cognitie en emotie.

    ‘Behoefte aan sociaal contact en behoefte aan eten lijken op een sterk overeenkomstige manier tot uiting te komen’

    Sociale signalen

    De experimenten met mensen zijn veel moeilijker te ontwikkelen, omdat de voor optogenetics vereiste hersenoperaties geen optie zijn. Wel is het mogelijk eenzame mensen met beelden van vriendelijke mensen te confronteren die sociale signalen uitzenden, zoals een glimlach, en dan met behulp van een fMRI-scan de verandering in de bloedstroom naar diverse delen van de hersenen te volgen en vast te leggen. En dankzij eerdere experimenten hebben wetenschappers een goed idee van de plek waar ze in de hersenen moeten zoeken, namelijk een gebied dat analoog is aan datgene wat Matthews en Tye bij muizen hebben bestudeerd.

    Vorig jaar heeft Livia Tomova, een postdoc die het onderzoek in het lab van Saxe leidt, veertig vrijwilligers geronseld die volgens eigen zeggen een groot sociaal netwerk hadden en een zeer laag eenzaamheidsniveau. Tomova verbande haar proefpersonen naar een kamer in het lab en verbood tien uur lang iedere vorm van menselijk contact. Ter vergelijking nodigde Tomova dezelfde deelnemers opnieuw uit voor een tien uur durende sessie waar volop sociale interactie was, maar geen eten.

    Aan het eind van beide sessies kregen de proefpersonen het verzoek in een fMRI-scanner te klimmen en werden ze met verschillende beelden geconfronteerd, sommige van mensen die non-verbale sociale signalen uitzonden, andere waarop eten was te zien.

    Anders dan Tye en Matthews was Tomova niet in staat zich op individuele neuronen te richten. Wel kon ze veranderingen in de bloedstroom
    volgen binnen grotere delen van de scan, de zogeheten voxels; elke voxel toonde de veranderende activiteit van afzonderlijke populaties van enkele duizenden neuronen. Tomova concentreerde zich op de middenhersenen waarvan bekend is dat ze rijk aan neuronen zijn die worden geassocieerd met het produceren en verwerken van de neurotransmitter dopamine. Bij andere experimenten is al aangetoond dat deze gebieden verband houden met het ‘verlangen’ of ‘snakken’ naar iets. Het zijn gebieden die oplichten bij beelden van eten wanneer iemand honger heeft, of bij drugsgerelateerde afbeeldingen in het geval van mensen met een verslaving. Zouden ze hetzelfde doen bij eenzame mensen die afbeeldingen van een glimlach te zien krijgen?

    Het antwoord was duidelijk: na de sociale isolatie toonden de hersenen van de proefpersonen veel meer activiteit in het middenhersengebied wanneer ze de beelden van sociale signalen te zien kregen. Wanneer de proefpersonen honger hadden maar niet sociaal geïsoleerd waren geweest, reageerden ze even sterk op de etenssignalen, maar niet op de sociale. ‘Of het nu behoefte aan sociaal contact is of behoefte aan andere dingen zoals eten, ze lijken op een sterk overeenkomstige manier tot uiting te komen,’ zegt Tomova.

    Inzicht in de manier waarop de behoefte aan sociaal contact in de hersenen tot stand komt zou meer inzicht kunnen verschaffen in de rol die sociale isolatie bij sommige ziekten speelt. Het objectief meten van eenzaamheid in de hersenen, in tegenstelling tot het vragen aan mensen hoe ze zich voelen, zou bijvoorbeeld het verband tussen depressiviteit en eenzaamheid kunnen verduidelijken. Het is de kip of het ei: veroorzaakt depressiviteit eenzaamheid, of veroorzaakt eenzaamheid depressiviteit? En zou tijdige sociale interventie depressiviteit kunnen helpen bestrijden?

    Verslaving

    Inzicht in het eenzaamheidscircuit in de hersenen zou ook enig licht kunnen werpen op verslaving, waar geïsoleerde dieren volgens bepaald onderzoek vatbaarder voor zijn. Daarvoor lijkt vooral sterk bewijs te bestaan bij adolescente dieren, die gevoeliger lijken te zijn voor de effecten van sociale isolatie dan oudere of jongere soortgenoten. Bij mensen zullen vooral jongeren tussen de 16 en 24 waarschijnlijk zeggen dat ze zich eenzaam voelen, en dat is ook de leeftijd waarop zich veel storingen op het gebied van de geestelijke gezondheid beginnen te manifesteren. Is er een verband?

    Maar waar momenteel misschien wel de grootste behoefte aan is, is een reactie op de sociale afstand waartoe de covid-19-pandemie noopt. Volgens sommige onlineonderzoeken is er geen algehele toename van eenzaamheid sinds het begin van de pandemie, maar hoe zit het met mensen voor wie de kans op geestelijke gezondheidsproblemen het grootst is? Op welk moment komt hun psychologische en fysieke welzijn in gevaar wanneer ze worden geïsoleerd? Als we eenzaamheid eenmaal kunnen meten, zal het veel makkelijker worden om doelgerichte interventies te ontwikkelen.

    ‘Een belangrijke vraag voor toekomstig onderzoek is hoeveel en wat voor soorten positieve interactie volstaan om in de basisbehoefte te voorzien en daarmee de neurale verlangensrespons te elimineren,’ schreven Tomova en Tye eind maart in een voor-publicatie van hun komende verhandeling. De pandemie ‘benadrukt het belang van een beter begrip van menselijke sociale behoeften en het neurale mechanisme dat aan sociale motivatie ten grondslag ligt. Deze studie zet een eerste stap in die richting.’

    Dat is, in de bedekte termen die typerend zijn voor wetenschappelijke taal, de aankondiging van de geboorte van een heel nieuw onderzoeksterrein, waarvan je maar zelden getuige bent, laat staan dat je eraan deelneemt.

    ‘Het is voor mij zo opwindend, omdat dit allemaal begrippen zijn waarover we in de psychologie al een miljoen keer hebben horen spreken; en nu hebben we voor het eerst echt cellen in de hersenen die we aan het systeem kunnen linken,’ zegt Tye. ‘En als je eenmaal één cel hebt, kun je terugzoeken en vooruitzoeken; je kunt kijken wat er stroomopwaarts is, je kunt kijken wat alle neuronen die zich stroomopwaarts bevinden doen, en wat voor boodschappers er worden gestuurd. Nu kun je het hele circuit ontdekken, je weet waar je moet beginnen.’

  • De toekomst is een luchtkasteel

    De toekomst is een luchtkasteel

    ‘Smart dust’ is binnen bereik: piepkleine sensoren die energie uit de lucht kunnen halen. Ze bieden allerlei mileuvriendelijke mogelijkheden. Maar het wordt ook een koud kunstje om overal miniscule bewakingscamera’s te plaatsen.

    Het idee van een perpetuum mobile, een apparaat dat eeuwig blijft bewegen als het eenmaal in gang is gezet, slaat nergens op. De energie die zo’n apparaat nodig heeft, moet ergens vandaan komen. Maar een nieuwe variatie 
op dat oude idee, een superzuinig apparaat dat zijn energie aan de omgeving onttrekt, is geen hersenspinsel meer. Sommige mensen spreken al van perpetuum-computers. Zo’n apparaat dat energie uit 
de lucht haalt hoeft nu al niet groter te zijn dan drie stuivers op elkaar. En er is geen natuurwet die verhindert dat ze ooit zo klein worden dat we ze overal in kunnen stoppen. Stel je voor: piepkleine sensoren die geluid, trillingen, chemicaliën, licht of beweging waarnemen en niet afhankelijk zijn van netstroom of batterijen.

    De eerste generatie zullen onopvallende, zelf rekenende sensoren zijn met draadloze zendertjes met een bereik tot wel een kilometer. De eerste toepassingen waaraan gedacht wordt, worden nu vaak al uitgevoerd door hun broertjes op batterijen of netstroom: de sensoren die gebruikt worden in ‘slimme’ fabrieken, huizen en wearables. Uiteindelijk denken deskundigen dat deze piepkleine apparaatjes met hun onuitputtelijke energie ons in staat zullen stellen om dingen te doen die nu nog niet mogelijk zijn. Overal waar we willen piepkleine bewakingscamera’s plaatsen bijvoorbeeld. Of elke vierkante meter van een boerderij volhangen met sensoren.

    Of onze auto’s en huizen volstouwen met sensoren die zowel onze veiligheid als de efficiëntie van onze kostbaarste bezittingen verhogen. Er bestaat al een term voor zulke potentieel alomtegenwoordige sensoren: ‘smart dust’ (slim stof). Eerst moeten er nog wel wat hindernissen worden genomen. De meeste van de huidige microchips 
verbruiken nog te veel energie om zonder opladen 
te kunnen blijven draaien. En de nieuwe technologie om ze zelfvoorzienend te maken staat in de kinderschoenen: de precieze prestaties en levensduur daarvan zijn nog onbekend. En zijn die problemen eenmaal opgelost, dan rijzen er waarschijnlijk vragen over het privacyaspect van microscopisch kleine 
sensoren die altijd aanstaan.

    Ruimte voor verbetering

    Smart dust komt nu binnen bereik doordat elektronica dankzij nieuwe technieken steeds minder energie nodig heeft. ‘Wat stroomverbruik betreft heeft micro-elektronica ten opzichte van ENIAC [een van de eerste elektronische computers ter wereld] inmiddels een energie-efficiëntie die meer dan een biljoen maal zo hoog is,’ zegt Joshua R. Smith, als hoogleraar aan de universiteit van Washington gespecialiseerd in energiezuinige systemen en draadloze communicatie.

    Er is al een hele sector van bedrijfjes die chips met een minuscuul energieverbruik maken. Startups zoals Ambiq Micro, gespecialiseerd in wearables, sensoren en smartcards, en PsiKick, dat met zijn eigen zuinige chips voor de industrie batterijloze ‘internet of things’-netwerken bouwt. De processor in je smartphone verbruikt ongeveer één watt, maar het stroomverbruik van sommige van deze chips wordt gemeten in microwatts: één miljoenste daarvan. Er zijn nu ook betere manieren om energie aan de omgeving te onttrekken.

    Enkele startups werken 
aan draadloze communicatiesystemen die zo weinig stroom nodig hebben dat de veldeenheden hun 
energie kunnen halen uit de communicatie met het basisstation. Die techniek wordt al gebruikt in RFID-chips: die reageren op het draadloze signaal van een RFID-lezer door hun unieke ID-nummer terug te kaatsen. Maar de ontwikkeling van RFID is tot stilstand gekomen, terwijl er nog ruimte voor verbetering is, aldus Gregory Durgin, hoogleraar op het gebied van draadloos opladen aan het Georgia Institute of Technology. ‘We zitten nog lang niet aan de fysieke grens van wat mogelijk is met de energiewinning uit radiofrequenties door computers en communicatieapparatuur,’ zegt hij.

    Een Britse prent uit ca. 1834 getiteld The Century of Invention, met hierop een verbeelding van 
de toekomst van transport. De kunstenaar voorspelt dat in het jaar 2000 het paard een bedreigde diersoort is en dat we in stoomvoertuigen zullen rijden. –
    Een Britse prent uit ca. 1834 getiteld The Century of Invention, met hierop een verbeelding van 
de toekomst van transport. De kunstenaar voorspelt dat in het jaar 2000 het paard een bedreigde diersoort is en dat we in stoomvoertuigen zullen rijden. –

    Een veelbelovende ontwikkeling is zogenaamd passieve wifi, die gebruikmaakt van ‘backscatter’-communicatie. Dat werkt als een soort spiegel, maar dan een spiegel die berekeningen kan uitvoeren op het licht dat erin wordt weerkaatst: passieve wifi-elementen kaatsen een signaal terug dat is gewijzigd door de energiezuinige elektronica waarvan ze deel uitmaken. Joshua Smith is een van de oprichters van de startup Jeeva Wireless, die pioniert met extreem energiezuinige communicatie over lange afstanden voor industrieel gebruik, zoals omgevingssensoren op boerderijen en tal van andere toepassingen.

    Een andere veelbelovende energiebron voor smart dust is warmte. Het is allang bekend dat een temperatuurverschil tussen twee zijden van bepaalde materialen elektriciteit kan genereren. Zo loopt de MATRIX PowerWatch van Matrix Industries op de lichaamswarmte van de drager. Sinds de oprichting in 2011 heeft Matrix al voor 30 miljoen dollar aan investeringen opgehaald, onder meer bij 3M. Het bedrijf beschikt momenteel ook over technologie voor sensoren die hun eigen energie opwekken in fabrieken waar bijvoorbeeld ketels en motoren veel warmte produceren.

    En het Pakistaanse energiebedrijf The Hub Power Company wil de betrouwbaarheid van zijn energiecentrales verhogen door trillings- en warmtegegevens draadloos te verzamelen en naar General Electric te sturen, dat dan onderhoudsadviezen kan geven. Maar honderden sensoren stuk voor stuk van nieuwe batterijen voorzien of op het lichtnet aansluiten is erg arbeidsintensief, zegt Aly Khan, een van de directeuren van Hub Power. Toen de directie van het bedrijf hoorde over de technologie van Matrix, besloten ze die te proberen. Ze zijn nu bezig om de beloofde prestaties te verifiëren en willen de sensoren volgend jaar bij één centrale in gebruik nemen, om de techniek later naar andere locaties uit te rollen.

    Matrix werkt ook aan een systeem om stroom te genereren uit de temperatuurverschillen tussen dag en nacht, zegt directeur en medeoprichter Akram Boukai. Een dagelijkse temperatuurschommeling van tien graden kan gemiddeld vijf tot tien milliwatt opleveren. Dat is genoeg om een keur aan sensoren van stroom te voorzien en hun data om de vijf à tien minuten naar een zendmast te sturen.

    Slimme woningen kunnen worden ingericht zonder alle kabels en stroomvoorzieningen die ze momenteel vereisen

    De omvang van het apparaat dat energie opwekt uit temperatuurverschillen illustreert een van de vele hindernissen bij de ontwikkeling van smart dust: het is ongeveer zo groot als de Amazon Echo-speaker, al hoopt Matrix de omvang te kunnen terugbrengen tot die van een colablikje. Maar thermo-elektrische generatoren moeten nog een stuk kleiner worden om in huis rondgestrooide microsensoren te kunnen aandrijven. Wel zijn er nu al tal van toepassingen waarbij de omvang van een colablikje geen probleem is, en nog meer voorbeelden van warme objecten die genoeg energie genereren voor kleinere sensoren die niet groter zijn dan een munt.

    Zo produceren koeien meer dan genoeg lichaamswarmte om een eigen draagbare gezondheidsmonitor ter grootte van een horloge van stroom te voorzien. (En geloof het of niet, maar veel boeren hebben al in zulke wearables voor koeien geïnvesteerd.) En spionnen die de vijand willen afluisteren, hoeven niet langer hun leven te wagen om achter de vijandelijke linies de batterij in een microfoontje te vervangen.

    De verdere verbetering van deze technologie, die er volgens Gregory Durgin van Georgia Tech absoluut aankomt, leidt misschien niet alleen tot nieuwe 
toepassingen, maar ook tot herinrichting van de bestaande en nog grotendeels bekabelde wereld. Zo bevat een auto gemiddeld zo’n 25 kilo aan kabels. 
Dat kan waarschijnlijk een heel stuk minder door de inzet van draadloze sensoren die zichzelf van stroom voorzien.

    En slimme woningen kunnen worden ingericht zonder alle kabels en stroomvoorzieningen die ze momenteel vereisen. Maar zo mooi als dit allemaal mag klinken, deze technologie kan ook worden gebruikt voor de ontwikkeling van onverslijtbare peilzendertjes, microfoontjes of cameraatjes om aan onze persoon of onze auto te hangen – of waar je maar wil. Niemand heeft de ontwikkeling van zulke apparaatjes nog aangekondigd, maar de grote kans dat ze er gaan komen is wel iets om bij stil te staan.

    Auteur: Christopher Mims

    Wall Street Journal
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 2.000.000

    De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid vereist: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zo patriottisch zijn dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.

  • ‘De wereld was 
 verdeeld in gemeenschappen’

    ‘De wereld was 
 verdeeld in gemeenschappen’

    Minder bekend dan het Jiddisch is het Judeo-Arabisch, de taal van Joden in de middeleeuwse Arabische landen. Joshua Blau (99) is de meest vooraanstaande wetenschapper op dit gebied. Een gesprek over taal en cultuur in een tijd dat de wereld nog niet geglobaliseerd was.

    Toen Joshua Blau aan het begin van zijn professionele carrière de suggestie kreeg om de brieven van Maimonides [rabbijn en rechtsgeleerde] te bestuderen, waarschuwden verscheidene mensen hem om daar niet aan te beginnen. De drie geleerden die zich eerder over die brieven hadden gebogen, waren alle drie een niet-natuurlijke dood gestorven. De eerste was dood achter zijn bureau aangetroffen nadat hij net anderhalve brief had vertaald; de tweede stierf vroegtijdig aan een ziekte; en de derde werd halverwege zijn onderzoek vermoord bij een terroristische aanslag. ‘Ik heb die waarschuwing natuurlijk in de wind geslagen,’ zegt Blau nu. ‘En ik geloof dat het best goed met me gaat.’

    En inderdaad: onlangs is Blau, emeritus hoogleraar Arabische taal en letterkunde aan de Hebreeuwse Universiteit, 99 jaar geworden. Zijn sonore stem, 
stevige handdruk en sarcastische gevoel voor humor – en de energie waarmee hij zijn linguïstisch onderzoek voortzet – maken duidelijk dat het zelfs beter met hem gaat dan ‘best goed’. Zoals elk jaar was er ook deze keer op zijn Hebreeuwse verjaardag een familiefeest, waar de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en, voor het eerst dit jaar, een achterachterkleinkind bij aanwezig waren – in totaal 
39 zielen. Ook zijn collega’s gaven een feest voor hem, waarop het felicitaties en loftuitingen regende voor de 99-jarige, die wordt beschouwd als de meest vooraanstaande wetenschapper op het gebied van de middeleeuwse Judeo-Arabische taal.

    Zijn programma is overvol en hij heeft een vaste routine. Hij begint elke dag met gebeden in de synagoge, gaat dan zwemmen en pas na het ontbijt, rond halfelf, en alleen op een van de zeldzame dagen waarop hij niet al een afspraak heeft met een wetenschapper die met hem wil werken of hem wil spreken, is een ontmoeting mogelijk. Nadat hij me heeft begroet in de ontvangstruimte van het verzorgingscomplex waar hij woont met zijn vrouw Shulamit (96), loopt hij met behulp van zijn wandelstok in snel tempo naar zijn studeerkamer.

    Judeo-Arabisch is de taal die werd gesproken door 
de Joden die in de middeleeuwen in de Arabische landen woonden. Net als Jiddisch en Ladino wordt Judeo-Arabisch tot de ‘Joodse talen’ gerekend. Het vocabulaire lijkt op dat van de plaatselijke taal, maar wordt geschreven in Hebreeuwse letters. Zo varieert ‘goedenavond’ al naargelang de regio waarin het wordt gezegd: in het Judeo-Arabisch is het ‘masa 
alkhir’, in het Judeo-Duits (Jiddisch) is het ‘a gutte nacht’ en in het Judeo-Spaans (Ladino) is het ‘buenas noches’.

    U bestudeert de taal van de Joden in de middeleeuwse Arabische gebieden. Kunt u de tijd en 
de plek iets nader bepalen?

    ‘Qua plek heb ik het over Iran, Libië, Algerije, Marokko en Spanje, Syrië, Libanon, Israël, Egypte en Jemen. De periode loopt van de negende eeuw tot de veertiende eeuw, een tijdperk van enorme culturele bloei in literatuur, filosofie, geneeskunde en astronomie. Het is de gouden eeuw van de islam, en in deze periode was de joodse cultuur van de Arabische landen tien keer zo groot als de cultuur van het Asjkenazische jodendom [een cultuur-religieuze groepering binnen het jodendom van aanvankelijk Duitse Joden].

    Pas later, tijdens de Renaissance, kwam de Asjkenazische cultuur tot bloei in Frankrijk, Italië en Duitsland. In de veertiende eeuw trad er een culturele breuk op. De Arabische cultuur ging ten onder, en daarmee ook de joodse cultuur. Vanaf dat moment hebben de Joden niet langer deel aan de Arabische cultuur, en schrijft de elite alleen nog literatuur in het Hebreeuws.’

    De Joden die deel uitmaakten van de bloeiende Arabische cultuur, schreven niet in het Arabisch, maar in het Judeo-Arabisch. Hoe heeft die taal zich ontwikkeld?
    ‘Zoals alle Joodse talen is het Judeo-Arabisch oorspronkelijk opgekomen vanwege de kinderen. Joodse kinderen gaan naar de cheider – in Asjkenazische landen – en naar de koettab – in islamitische landen, om de Thora te bestuderen. Het eerste schrift dat ze leren is Hebreeuws en daarom, om hun de plaatselijke taal te leren, wordt die ook in Hebreeuwse letters geschreven. Dat is de oorsprong van het Jiddisch, het Judeo-Arabisch en later het Ladino.

    Anders dan het Jiddisch, dat in de middeleeuwen de spreektaal van de lagere klassen was terwijl de elite in het Hebreeuws schreef, was Judeo-Arabisch ook de taal van de ontwikkelde mensen. Het grootste deel van de Joodse filosofische literatuur in de Arabische landen werd in die periode zelfs in het Judeo-Arabisch geschreven. Zo schreef bijvoorbeeld Rabbi Saadia Gaon zijn Sefer HaGalui (Boek van de Openbaring) in het Hebreeuws, en vertaalde hij het meteen ook zelf in het Judeo-Arabisch. Juda Halevi schreef Het boek van de Chazaar rechtstreeks in het Judeo-Arabisch, en Mosje Ben Maimonides deed hetzelfde met De gids der 
Verdoolden. Maimonides gaf in zijn testament zelfs de instructie dat het boek niet in Arabische letters gekopieerd mocht worden – met andere woorden, dat het niet in de taal van moslims gepubliceerd mocht worden.’

    Als Halevi zoiets in zijn testament had gezet, dan had ik dat begrepen. Het boek van de Chazaar is een racistisch boek en kan maar beter niet bekend worden bij niet-Joden. Maar waarom probeerde Maimonides te voorkomen dat niet-Joodse lezers zijn filosofieboek zouden lezen?

    ‘De niet-Joodse wereld interesseerde hem niet. Hij schreef alleen voor Joden.’

    Maar dat gaat verder dan onverschilligheid, het is een verklaring van isolationisme. En toch werd Maimonides zelf sterk beïnvloed door niet-Joodse filosofen, zowel islamitische als Griekse.
    ‘Dat is waar. De gids der Verdoolden is een rechtstreekse voortzetting van de filosofie van Aristoteles, waarmee Maimonides in aanraking kwam via Arabische vertalingen ervan. Zoals ik al zei was de Arabische cultuur de hoogste van zijn tijd: de autoriteiten ondernamen de enorme opgave om de Griekse geschriften in het Arabisch te laten vertalen.’

    *Waarom wilde hij zijn ideeën dan niet delen 
met de hele samenleving waarin hij leefde? *
    ‘Je denkt te mondiaal. De wereld was toen niet zo. 
Ze was verdeeld in samenlevingen, gemeenschappen, en men had geen belangstelling voor het doorbreken van grenzen. Ik ben zelf ook zo opgegroeid 
in Oostenrijk en ik weet heel goed wat een Joodse gemeenschap is.’

    Hoe komt een aan het begin van de vorige eeuw in Oostenrijk opgegroeide Jood uit een religieuze familie ertoe om Arabisch te gaan studeren?
    ‘Ik ben geboren in Transsylvanië, het Hongaarse deel van Roemenië. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar Oostenrijk. Mijn vader zat in de handel, maar wist genoeg geld te sparen om vroeg te kunnen stoppen met werken en een oude droom te vervullen: journalist worden. Omdat het journalistieke epicentrum destijds in Wenen zat, gingen we in een stad daar in de buurt wonen. Onderweg erheen, in de trein, zei mijn vader iets wat later zo ironisch zou blijken: “Hier gaan we, op weg naar een land van 
cultuur.”

    Toen ik klaar was met mijn middelbare school, bleek dat ik met mijn Roemeense nationaliteit niet in Oostenrijk zou kunnen werken. Vader kwam met twee voorstellen. Het ene was om Arabisch te gaan studeren aan de universiteit van Wenen, zodat als ik op alia [emigratie naar het Heilige Land] naar Israël zou gaan, ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien door in die taal les te geven. Het tweede idee was dat ik me zou inschrijven aan het rabbijnse seminarie in Wenen, zodat ik, als ik toch in Oostenrijk bleef, in mijn onderhoud zou kunnen voorzien als rabbijn. 
De twee voorstellen vielen goed samen, want in die tijd was iedereen die aan het rabbijnse seminarie studeerde, verplicht om naar de universiteit te gaan. Rabbijnen werden geacht zich te ontwikkelen, om zich niet op te sluiten in de Joodse wereld.’

    Joshua Blau: ‘Klein onheil behoedt je soms voor groot onheil.’ – © Haaretz
    Joshua Blau: ‘Klein onheil behoedt je soms voor groot onheil.’ – © Haaretz

    Uw vaders idee om Arabisch te gaan studeren voor het geval u zich in Israël zou vestigen, is indrukwekkend. Wat een vooruitziende blik! Waren jullie zionisten?

    ‘Ja, en we hadden daar ook familie. Op 13 maart 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk, en het rabbinale seminarium werd onmiddellijk gesloten. Omdat we de Roemeense nationaliteit hadden, kon ik op de universiteit blijven studeren, maar het Oostenrijkse enthousiasme voor Hitler werd steeds groter. Op een dag kwam onze Oostenrijkse dienstbode ontzet bij ons aan en ze vertelde mijn vader dat ze had gezien hoe een man die er precies zo uitzag als ‘Herr Doktor’ gedwongen was om het trottoir te schrobben.

    Die gebeurtenis had grote invloed op mijn vader en ik heb er achteraf een belangrijke les van geleerd: dat klein onheil je soms behoedt voor groot onheil. Het feit dat de situatie begon te verslechteren deed mijn vader beseffen dat we moesten vertrekken en naar Israël moesten verhuizen.

    Maar hoe moesten we wegkomen? Iemand vertelde mijn vader dat er die dag visa werden uitgegeven in de Griekse ambassade. Het was sabbat, maar mijn vader nam toch een taxi erheen, want het was een kwestie van pikua nefesj [leven en dood]. Hij klom de trappen van de ambassade op en klopte op de deur. Geen reactie. Hij wilde alweer naar beneden lopen. Toen hij halverwege de trap was, ging de deur open en er verscheen een man, die zei: “We zijn gesloten.” Mijn vader liep door, de deur ging weer open. Weer verscheen die man. Hij zei: “Kom boven. Wat wenst u, beste heer?’’, en mijn vader antwoordde: “Een visum.” De man pakte de rubber stempels, gaf mijn vader het visum en zei tegen hem: “U lijkt precies op mijn vader.” Dat is een verhaal dat ik nooit geloofd zou hebben als ik het van u had gehoord.

    Toen we in dit land aankwamen, ging ik op zoek naar werk. Ik was verschrikkelijk verlegen en zag ertegen op om voor de klas te gaan staan, dus ik besloot bij de politie te gaan. Toen ik me kwam inschrijven op het bureau, vroegen ze me om een foto in te leveren. Maar ik had geen foto bij me en ze zeiden tegen me: “Ga naar huis om er een te halen.” Toen ik thuiskwam, ging de telefoon. Het was een van de scholen, en ze zeiden dat ze een leraar Arabisch nodig hadden. Dat was het keerpunt in mijn leven, en het was de tweede les die ik leerde, en die ik je sterk kan aanbevelen: loop nooit rond met je foto op zak. Als ik niet naar huis was gegaan om die foto te halen, zou ik geen leraar Arabisch zijn geworden, en zou alles wat er daarna is gebeurd, niet op mijn pad zijn gekomen.’

    Wie waren uw leerlingen?

    ‘Iedereen. Arabisch was een verplicht vak op school, en terecht natuurlijk. In het begin had ik problemen om orde te houden onder de leerlingen. Op een dag legden ze een stinkbom bij me neer. Ik ging naar het raam, deed het dicht, en ging door met lesgeven. Dat veranderde alles. Daarna had ik geen problemen meer.’

    Toen u op de Hebreeuwse Universiteit begon, hebt u zich gespecialiseerd in Judeo-Arabische grammatica. Waarom in hemelsnaam grammatica?
    ‘Op mijn zesde jaar vroeg mijn vader of ik naar de kleuterschool wilde of naar school. “School,” zei ik. 
Na de eerste dag vroeg hij: “Hoe was het?” “Heel interessant,” zei ik. Hij vroeg “Wat heb je gehad?” Ik zei: “Grammatica.” Mijn vader, die reageerde als ieder normaal mens, werd bleek en zei: “Krankzinnig.” En kijk eens aan, mijn hele leven al verdien ik mijn brood met die krankzinnigheid. Ik ben er gewoon dol op.’

    Het blijkt dat Judeo-Arabisch niet alleen gekarakteriseerd wordt door het gebruik van het Hebreeuwse alfabet. Grammaticaal is het een combinatie van literair Arabisch en gesproken Arabisch. Hoe is dat zo gekomen?
    ‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren. Allereerst was er het Bedoeïenen-Arabisch, de overheersende taal in de tijd die de moslims jahiliyyah noemen – de ‘periode van onwetendheid’, oftewel de tijd vóór Mohammed. Dat Arabisch kenmerkte zich enerzijds door een beperkt vocabulaire en het ontbreken van veel woorden en begrippen; maar anderzijds was het verrassend gedetailleerd over bepaalde begrippen. Zo zouden er verschillende termen kunnen zijn voor een kameel – ik overdrijf nu met opzet – een kameel 
van een halfjaar oud, een kameel van een jaar en 
een kameel van anderhalf jaar.’

    Zoals de Inuit verschillende woorden hebben voor sneeuw.
    ‘Precies. Oude vroeg-Arabische teksten die zijn gevonden, hebben ons verrast. We hadden verwacht dat ze primitief zouden zijn, maar we vonden poëzie. Dat betekent dat de mensen de poëzie van de oude bedoeïenen bewonderden en van generatie op generatie mondeling doorgaven, tot ze werd opgeschreven.’

    Net als de oude poëzie in de Bijbel, zoals het Lied van de Zee na de doortocht door de Rode Zee 
[In Exodus 15].

    ‘Juist. Met het verspreiden van de islam werd het noodzakelijk om de taal te verbreden – om er woorden aan toe te voegen die bij de nieuwe cultuur pasten, en linguïstische constructies te scheppen waarmee men complexe ideeën kon uiten. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een filosofieboek te schrijven in het Bedoeïenen-Arabisch. Er vormde zich een nieuwe taal die de fonetica en morfologie van de bedoeïenen behield, maar de stijl en syntaxis veranderde.

    In een bepaald stadium – de meningen lopen uiteen over wanneer precies – ontstond er een tweetalige situatie: twee afzonderlijke talen. De ene werd gebruikt voor literatuur, de andere als spreektaal. 
De eerste werd gezien als “hoge taal”, de tweede als “lage taal”. Linguïsten noemen dat “hoog register” en “laag register”. Judeo-Arabisch mengt deze twee registers op een manier die typerend is voor minderheden. Je vindt het ook bij de taal van christelijke Arabieren, omdat die niet zo onderhevig zijn aan het starre ideaal van de literaire taal. De moslims vereerden de taal van de koran en van poëzie, en geloofden dat die op geen enkele manier aangetast mocht worden. Minderheden waren niet gebonden aan deze vorm van perfectie. Voor mijn proefschrift heb ik onderzocht in hoeverre Judeo-Arabisch zowel op gesproken Arabisch als op literair Arabisch leek.’

    En wat was uw conclusie?
    ‘Het varieert per tekst. In sommige teksten is het Judeo-Arabisch bijna geheel literair, andere zijn bijna in spreektaal geschreven, en alle vormen daartussen komen ook voor.’

    Kunt u een voorbeeld geven?
    ‘Ik zal u een voorbeeld geven van teksten die ik later heb bestudeerd: Maimonides’ Responsa. Maimonides antwoordde in het Judeo-Arabisch op vragen die vanuit de Joodse wereld aan hem werden gestuurd. Er zijn twee antwoorden die ik vooral interessant vind, gericht aan een man en zijn echtgenote die ruzie hadden en ieder afzonderlijk aan Maimonides hadden geschreven om zijn oordeel te vragen. Dit is het enige geval waarin we zowel de vragen als de antwoorden van beide kanten op schrift hebben, en het is fascinerend. De man klaagt dat zijn vrouw lerares is en lesgeeft aan kinderen, terwijl hij wil dat ze thuisblijft, zoals andere echtgenotes.

    Maimonides antwoordt dat hij het recht heeft om haar te verplichten thuis te blijven. Een paar jaar later schrijft de echtgenote aan Maimonides en vertelt dat haar man een nietsnut is: hij gaat uit, komt weer thuis en gaat weer uit, en geeft haar geen cent. Om niet van de honger om te komen, en omdat ze kan lezen en schrijven, was ze gaan lesgeven, en zelfs hoofd van 
de school geworden. Ze vraagt Maimonides om haar toestemming te geven daarmee door te gaan.’

    Waarom zou haar man niet willen dat ze lesgaf? Per slot van rekening verdient zij wel haar brood en hij niet.

    ‘Omdat hij met een tweede vrouw wil trouwen. Dat lijkt geen probleem – polygamie was toegestaan – maar volgens de ketoeba (huwelijkscontract) mocht de man niet met een tweede vrouw trouwen zonder toestemming van de eerste. De man probeerde dus de echtgenote te dwingen om in te stemmen met de tweede vrouw en alleen dan zou hij haar toestaan om het huis te verlaten. Nadat Maimonides de vraag van de vrouw had gelezen, oordeelde hij dat zij, als dat zo was, in opstand moest komen tegen haar man. Dan zou de man verplicht zijn om van haar te scheiden, en kon zij doen wat ze wilde.’

    Wat wil dat zeggen, ‘in opstand komen tegen haar man’?
    ‘Niet meer bij hem wonen, niet voor hem koken, en geen intieme relatie met hem onderhouden. Een echtgenote was verplicht om al die dingen te doen en als ze die niet deed, dan moest de man wel van haar scheiden. Hier hebben we niet alleen uitzonderlijke informatie over een vrouwelijke leraar, de enige in de middeleeuwen van wier bestaan we afweten, maar bovendien kon ik hiermee het register bestuderen waarin de vragen en de antwoorden zijn geschreven.’

    En wat hebt u ontdekt?
    ‘De vragen van de man en de vrouw zijn geschreven in Arabische spreektaal, gemengd met wat literair Arabisch. Maimonides’ antwoorden zijn daarentegen in veel literairder Arabisch geschreven, maar heel wat minder literair dan de taal die hij gebruikte in De gids der Verdoolden, bijvoorbeeld. Hij paste het register van zijn taal aan het niveau van de ontvangers aan.’

    Hoe weten we eigenlijk hoe die gesproken taal was? Per slot van rekening is er alleen geschreven taal bewaard gebleven.
    ‘Alles bij elkaar genomen weten we het niet precies – de overlevering daarvan begint pas in de negentiende eeuw, toen het onderzoek naar verschillende dialecten begon. Naar het gesproken Arabisch van de middeleeuwen kan ik alleen maar gissen, maar er zijn wel aanwijzingen die dat giswerk onderbouwen. Om te beginnen is de grammatica van de literaire taal veel georganiseerder dan die van de gesproken taal.

    Als we de grammatica van teksten in het Judeo-Arabisch vergelijken met die van literair Arabisch, dan ontdekken we heel veel veranderingen, en de hypothese is dat die de spreektaal weerspiegelen. Zoals ik al zei, zijn dat soort afwijkingen van het literair Arabisch typerend voor minderheden, omdat zij zichzelf toestaan om in een lager register te schrijven, op de manier waarop mensen praten.

    Nog een manier om iets te weten te komen over Arabische spreektaal uit die tijd is door te kijken naar teksten die fonetisch zijn opgeschreven, waardoor de klank van het woord is overgeleverd, niet de manier waarop het normaal gespeld werd. Een paar weken geleden kreeg ik zo’n tekst, geschreven in het Judeo-Arabisch. Hij gaat over magie en is geschreven in een volkomen vrije vorm. Niets is consequent. De spelling is soms gevocaliseerd, soms niet. Een woord dat verscheidene keren voorkomt, wordt elke keer anders gespeld. Erbarmelijk geschreven dus, maar geweldig voor ons, omdat we zo informatie krijgen over de manier van spreken.’

    ‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren’

    Als je aan een Arabier in de middeleeuwen een tekst in het Judeo-Arabisch zou voorlezen, zou hij die dan begrijpen?

    ‘Zeker, tenzij er religieuze termen in stonden, die hij natuurlijk niet zou begrijpen. Bijvoorbeeld, als hem De gids der Verdoolden was voorgelezen, zou hij die gedeeltelijk begrepen hebben.’

    Het was wonderlijk om te zien hoe helder en scherp Blau was. Hoe vaak hij ook werd onderbroken door een rinkelende telefoon, mijn vragen en mensen die de kamer binnenkwamen, hij hield zijn gedachtegang en de draad van het gesprek beter vast dan de meeste mensen, ook de beduidend jongere, die ik heb geïnterviewd. Maar wanneer ik zijn mening vraag over actuele gebeurtenissen – bijvoorbeeld over de verandering in de status van het Arabisch in Israël sinds de wet op de natiestaat – dan verliest hij zijn belangstelling. Het kan natuurlijk zijn dat hij het niet over politiek wil hebben, maar ik heb eerder het idee dat het hem gewoon niet interesseert.

    Tegen het eind van ons gesprek kan ik het niet laten om hem naar zijn gevorderde leeftijd te vragen, ook al is het duidelijk dat hij er de man niet naar is om mensen tips te geven of om met allerlei kernachtige levenswijsheden te komen. En hij zegt dan ook simpelweg: ‘Ik heb geboft. Geboft dat we op tijd uit Oostenrijk zijn weggegaan, geboft dat ik als wetenschapper aan de Hebreeuwse Universiteit werd aangenomen – hoeveel mensen krijgen de kans om het beroep uit te oefenen waar ze zo van houden? Geboft dat mijn hoofd het doet. Dat komt niet doordat ik het gebruik. Ik heb collega’s die hun hoofd heel goed gebruikten en toch op hun zestigste ziek werden. Ik heb geboft met de kinderen en enorm geboft met mijn vrouw.’

    Shulamit, zijn vrouw, heeft er tijdens ons hele gesprek bij gezeten. Aandachtig, geconcentreerd, af en toe voegde ze iets toe waarvan ze vond dat het niet vergeten mocht worden. Ze is goed op de hoogte van zijn werk en van wat wel en niet te pas komt in zijn verhaal. Op een bepaald moment vraagt Blau haar of hij het verhaal zal vertellen van Josef Joel Rivlin, de vader van de huidige Israëlische president, en als ik hem aanspoor dat te vertellen, noemt hij zijn vrouw ‘zij die gehoorzaamd moet worden’ – en omdat zij geen toestemming geeft, komt er geen verhaal.

    Het paar gaat vaak samen naar een conferentie. ‘Ik was een keer uitgenodigd voor een internationale conferentie,’ vertelt hij, ‘en vanwege het onverwacht grote aantal deelnemers werd de sprekers gevraagd hun lezing in te korten. In plaats van de oorspronkelijke twintig minuten, kregen we nog maar acht minuten. Toen ik besefte dat het onmogelijk was dat ik in die tijd klaar zou zijn, ben ik gewoon vanaf het midden van het verhaal meteen doorgegaan naar het eind. Er was geen verband tussen de vorige zin en de zin waar ik naartoe sprong, maar na afloop kreeg ik een donderend applaus. Sindsdien vraag ik Shulamit om bij mijn lezingen te zijn, want dan is er tenminste iemand die me de waarheid vertelt.’

    Voelt u zich collega’s? vraag ik, en zij antwoordt: ‘Vrienden.’

    ‘Vrienden,’ herhaalt Blau. ‘Dat is het goede woord. God is ons goedgezind geweest, zodat we met elkaar kunnen praten, net zoals we dat 74 jaar geleden deden. Dat spreekt bepaald niet vanzelf. Een ongeëvenaard geschenk.’

    Auteur: Smadar Reisfeld

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    Opgericht in 1918 en daarmee het oudste Israëlische dagblad. De onafhankelijke, liberale krant wordt vrij algemeen bestempeld als een ‘kwaliteitskrant’ en is het referentiekader van politici en Israëlische intellectuelen.

  • Een koolstofvezel 
die 160 olifanten tilt

    Een koolstofvezel 
die 160 olifanten tilt

    Aan de Tsinghua-universiteit in Beijing is een nieuwe koolstofvezel ontwikkeld met een trekkracht die 45 keer zo groot is als die van welk ander materiaal dan ook. Komt de lift naar de ruimte er nu echt?

    Onderzoekers aan de Tsinghua-universiteit in Beijing beweren een koolstofvezel te hebben ontwikkeld die zo sterk is dat er zelfs een ruimtelift mee kan worden gebouwd. Eén kubieke centimeter van deze vezel – gemaakt van koolstofnanobuizen – kan volgens hen het gewicht dragen van 160 olifanten, ofwel meer dan 800 ton. En dat kleine stukje kabel weegt dan zelf maar 1,6 gram. Wang Changqing, die aan de Northwestern Polytechnical University in Xian onderzoek naar ruimteliften doet en niet bij deze studie betrokken was, noemt het ‘een doorbraak’.

    Wat de onderzoekers hebben ontwikkeld, is een nieuwe ‘ultralange’ vezel van koolstofnanobuizen die naar hun zeggen sterker is dan enig ander materiaal. Ze hebben de technologie dit jaar gepatenteerd en een deel van hun onderzoeksresultaten gepubliceerd in het tijdschrift Nature Nanotechnology.

    ‘De treksterkte van koolstofnanobuisbundels is zeker 9 tot 45 keer 
zo groot als die van andere materialen’, schrijven 
ze in dat artikel. Ze voorspellen een grote vraag 
naar deze nieuwe vezel ‘voor tal van high-end 
toepassingen zoals bijvoorbeeld sportuitrustingen, kogelwerende kleding, lucht- en ruimtevaart, en zelfs ruimtevaartliften.’

    Ruimtelift

    Een lift van de aarde naar de ruimte: het lijkt misschien sciencefiction, maar het idee bestaat al meer dan een eeuw en wetenschappers hebben er de 
afgelopen decennia verschillende ontwerpen voor bedacht. Eén idee is bijvoorbeeld om een grote 
satelliet in een geostationaire baan om de aarde te brengen, en van daaruit een kabel aan één kant te verankeren in de aarde en aan de andere kant in 
de ruimte te laten zweven met een contragewicht eraan.

    Die kabel wordt strak gehouden door de zwaartekracht van de aarde en de middelpunt-
vliedende kracht van het contragewicht, als een touw met een loodje dat je rondzwaait. Daarlangs kan de lift dan op en neer gaan.

    Tot nu toe komen ideeën voor een ruimtelift 
niet verder dan de tekentafel, omdat er nog geen 
materiaal bestaat dat sterk genoeg is voor de 
superlichte en ultrasterke kabels die zo’n project vereist. Volgens de NASA moeten die kabels, om niet te veel uit te rekken, een treksterkte hebben van maar liefst 7 gigapascal.

    In 2005 schreef het Amerikaanse ruimtevaartagentschap zelfs een wedstrijd uit 
om dat materiaal te ontwikkelen. De winnaar kon rekenen op twee miljoen dollar. Niemand heeft de prijs opgeëist. Maar het team van Tsinghua onder aanvoering van hoogleraar chemische technologie Wei Fei zegt nu dat hun nieuwe koolstofnanobuisvezel een treksterkte heeft van 80 gigapascal.

    Voor een ruimtelift is meer dan 30.000 km aan kabel nodig

    Koolstofnanobuizen zijn opgerolde plaatjes grafeen, de koolstof met atomen in een honingraatstructuur: zeshoeken met een diameter van hooguit één nanometer. Het is een van de sterkste materialen die we kennen, de treksterkte kan in theorie oplopen tot 300 gigapascal. Maar om praktisch 
toepasbaar te zijn, moeten deze buizen tot een soort kabels worden gebundeld: dat is moeilijk te realiseren en heeft weer een negatief effect op de totale treksterkte van het eindproduct.

    Volgens ruimtevaartdeskundige 
Wang is voor een ruimtelift meer dan 30.000 km aan kabel nodig, plus ander materiaal voor onder meer een rail en een schild tegen ruimtepuin en ander omgevingsgevaar. ‘Als de kabel niet sterk genoeg is, zou hij zijn eigen gewicht niet eens kunnen dragen.

    Tot nu toe was er geen materiaal bekend dat hier sterk genoeg voor was’, zegt Wang, adjunct-hoofd van het China-Rusland International Space Tether System Research Centre. Hoe sterk de kabels voor een ruimtelift moeten zijn, hangt van het ontwerp af. Volgens Wang lijkt de vezel van koolstofnanobuis op dit moment de meest veelbelovende kandidaat, maar moeten nadere berekeningen en simulaties uitwijzen hoe die werkelijk zal presteren.

    ‘De kabel is een van de grote problemen voor een ruimtelift, maar niet het enige probleem’, zegt hij bovendien. Zo zijn Chinese en Russische ruimtewetenschappers ook samen op zoek naar een veilige en effectieve manier om een dunne, vederlichte kabel van buiten de atmosfeer naar de aarde te laten zakken.

    Bij binnenkomst in de dampkring ontstaat zo veel wrijvingshitte dat de kabel kan verbranden, 
en om de lijn strak te houden moet het contragewicht zo groot als een asteroïde zijn. Het Internationaal Ruimtestation ISS valt qua omvang en complexiteit in het niet bij zo’n project, aldus Wang. Maar landen als China, 
de Verenigde Staten, Rusland en Japan blijven er onderzoek naar doen. De kabeltechniek kan ook inzetbaar zijn voor militaire doeleinden, zoals de onderschepping van ‘niet-coöperatieve doelen’ (vijandelijke satellieten).

    Twee satellieten

    Japan heeft vorige maand twee satellieten gelanceerd voor het allereerste experimentele onderzoek naar de beweging van een lift in 
de ruimte. Ze laten een minilift aan een kabel heen en weer gaan tussen deze twee satellieten. De uitkomst van dat experiment is nog niet bekend. Ook China heeft al tests met kabels in de ruimte gedaan, maar die onderzoeksgegevens 
zijn staatsgeheim.

    Een lift naar de ruimte kan nog jaren op zich laten wachten, maar volgens Wei wil zijn team wel proberen tot massaproductie van de nieuwe vezel te komen, voor militaire en andere toepassingen. ‘Dit kan weleens een gamechanger gaan worden voor veel sectoren’, zegt hij. Hij wijst bijvoorbeeld op de methode 
om energie op te slaan in mechanische batterijen, met een supersnel elektromagnetisch vliegwiel in 
een vacuüm.

    Hoe lichter en sterker het materiaal waarvan zo’n vliegwiel is gemaakt, hoe sneller het kan draaien. Met deze nieuwe koolstofvezel zou 
zo’n batterij volgens Wei veertig keer zoveel energie kunnen opslaan als een vergelijkbare lithiumaccu. Dan zou een Tesla Model S met één volle accu 16.000 kilometer kunnen rijden: van Londen naar Sydney.

    Tot nu toe komen ideeën voor een ruimtelift niet verder dan de tekentafel. – © Getty Images/Science Photo Libra
    Tot nu toe komen ideeën voor een ruimtelift niet verder dan de tekentafel. – © Getty Images/Science Photo Libra

    Maar de technologie zal waarschijnlijk eerst worden ingezet voor militaire doeleinden, aldus Wei: ‘Nieuwe wapensystemen zoals rail- en laserkanonnen vergen vaak enorm veel stroomopslag, en 
daarvoor biedt onze technologie een potentiële oplossing.’ In 2013 ontwikkelde zijn team al de langste koolstofnanobuis ter wereld, van een halve meter lang. Onlangs hebben ze er een van zeventig centimeter gemaakt.

    Als de massa-
productie van deze vezel eenmaal mogelijk is en de energiedichtheid van mechanische batterijen daardoor stijgt, wordt dat ‘de doodsteek voor de fossiele brandstofmotor’. Dat zegt Song Liwei, die aan het Harbin Institute of Technology in Heilongjiang onderzoek doet naar mechanische batterijen. ‘Maar die vliegwielen zijn zo groot 
als een vat, zodat je een vezel van meerdere kilometers nodig hebt om zo’n batterij 
te bouwen’, zegt hij. ‘Zo ver zijn we nog lang niet.’

    Auteur: Stephen Chen

    South China Morning Post
    China (Hongkong) | dagblad | oplage 261.000

    Deze Engelstalige krant, die banden heeft met het zakenmilieu van de Britse oud-kolonie, geeft een goed beeld van met name Zuid-China en de economische ontwikkelingen in de regio.

  • De Jurassic Park-generatie

    De Jurassic Park-generatie

    Ooit werden dinosaurussen als slome, domme monsters gezien, en de mensen die ze onderzochten als wereldvreemde figuren. Tot in 1993 de eerste Jurassic Park-film uitkwam. Het leverde een golf aan nieuwe wetenschappers en ontdekkingen op.

    Net als de meeste kinderen had Jordan Mallon een heleboel ideeën over wat hij wilde worden als hij groot was. Eerst was het ijshockeyprof, toen kunstenaar. Maar hij was ook al van jongs af aan gefascineerd door dinosaurussen.

    In de zomer van 1993 nam zijn vader hem mee naar de film Jurassic Park. Toen de aftiteling voorbij was en de lichten in de zaal aangingen, wist de elfjarige Jordan opeens zeker hoe zijn toekomst eruit zou zien. Diezelfde avond zei hij tegen zijn moeder: ‘Mama, ik word paleontoloog.’

    ‘Dat was een omslagpunt, die film raakte echt een snaar bij me,’ herinnert Mallon zich. Inmiddels werkt hij als paleontoloog voor het Canadian Museum of Nature in Ottawa. ‘Vanaf dat moment wist ik wat ik wilde, en daar ben ik nooit meer van afgeweken.’

    Behalve Mallon zagen nog tientallen miljoenen anderen de film over deze bizarre wezens die ooit onze planeet bevolkten. Dinosaurussen stonden opeens in het middelpunt van de belangstelling, en dat straalde af op de paleontologie. De plotselinge aandacht voor het vak zette van alles in gang, wat uiteindelijk een hele lichting nieuwe wetenschappers opleverde, gevolgd door een golf aan nieuwe ontdekkingen. De paleontologie was voorgoed veranderd.

    ‘Het vakgebied paleontologie heeft veel aan Jurassic Park te danken. Ik denk dat het veld er heel anders had uitgezien als die film er niet was geweest,’ vertelt paleontoloog Steve Brusatte van de Universiteit van Edinburgh. De Society of Vertebrate Paleontology [Vereniging voor Gewerveldenpaleontologie] reikte regisseur Steven Spielberg in 2013 een onderscheiding uit als dank voor zijn verdiensten voor het vak. En 25 jaar na het eerste deel trekt de Jurassic Park-reeks nog steeds drommen publiek. 
De vijfde aflevering, Jurassic Park: Fallen Kingdom, ging in juni in première.

    Renaissance

    Het is nu moeilijk voor te stellen, maar ooit werden dinosaurussen als slome, domme monsters gezien, koudbloedige verliezers van de evolutie die de moeite van het bestuderen niet waard waren, aangezien ze toch geen levende nakomelingen hadden. Zo saai vond men de beesten, dat toen paleontoloog Jack Horner als student een docent 
vertelde dat hij graag onderzoek naar dino’s wilde doen, hij smakelijk werd uitgelachen.

    Maar al in de jaren zestig en zeventig waren er de eerste tekenen van een dinosaurusrenaissance: dinosauriërs werden steeds meer als intelligente dieren gezien, die bovendien ook verwant bleken aan de vogels. Dat nieuwe beeld van de dinosaurus mondde in 1990 uit in Michael Crichtons roman Jurassic Park. De verfilming van het boek populariseerde dit beeld van dinosaurussen als actieve dieren, niet in de laatste plaats dankzij de voor die tijd spectaculaire computeranimatie. ‘Ze leken net echt, het waren net levende dieren,’ zegt Thomas Cullen, postdoctoraal onderzoeker bij het Field Museum in Chicago. ‘Het waren noch monsters noch tekenfilmfiguren,’ aldus Victoria Arbour, postdoctoraal medewerker van het Royal Ontario Museum in Canada. ‘De film benadrukte dat dinosauriërs levende wezens waren, die echt op aarde hebben rondgelopen.’

    De charismatische prehistorische filmsterren genereerden bij het grote publiek een enorme hang naar kennis over echte dinosaurussen. Musea met dinoskeletten zagen een flinke opleving in hun bezoekersaantallen. ‘Misschien wel het grootste effect van de film was dat hij nieuwsgierigheid naar ze wekte,’ meent paleontoloog Mary Schweitzer van de North Carolina State University. Mensen van alle leeftijden werden gegrepen door de film, vertelt Matthew Carrano, die bij het Smithsonian National Museum curator was van de expositie Dinosauria. ‘Er komen net zo goed volwassenen op af als kinderen. Dat is wel eens anders geweest.’

    Voor het paleontologisch onderzoeksveld was de film een buitenkansje. Onderzoekers konden de populariteit van de dieren gebruiken om het grote publiek voor wetenschap te interesseren. Er volgde een vloed aan documentaires, televisieprogramma’s, boeken en andere populair-wetenschappelijke publicaties over het onderwerp, die nog steeds aanhoudt. Vóór de film was het ‘niet eenvoudig om je interesse in dinosauriërs levend te houden’, vertelt Carrano. Er bestond maar een handjevol boeken en speeltjes, en exposities in musea bleven een halve eeuw lang vrijwel ongewijzigd. ‘Ik haalde uit armoe steeds weer dezelfde boeken uit de bieb,’ herinnert Carrano zich. Toen de film eindelijk uitkwam, studeerde hij al. Maar dankzij de invloed van de film is de situatie nu blijvend veranderd. Er komen, voorzichtig geschat, zo’n vijftig boeken per jaar over dinosaurussen uit.


    Al dat nieuwe materiaal voedde de populariteit van de dino’s, en dat had vervolgens weer invloed op de wetenschap. Er kwam meer aandacht in de pers voor nieuwe onderzoeksresultaten, paleontologen publiceerden meer artikelen, universiteiten boden programma’s aan die helemaal over deze dieren gingen, en voor het eerst namen musea dinosaurusspecialisten in dienst.

    Kortom, door Jurassic Park werden niet alleen dinosaurussen cool, maar ook de wetenschappers die ze hun leven lang bestuderen. De film gaf hun een positief imago, iets waar kinderen zich aan konden spiegelen. ‘In veel films zijn wetenschappers slechteriken, of anders in ieder geval koude, emotieloze types,’ zegt anatomieonderzoeker Sarah Werning van de Des Moines-universiteit. Maar in Jurassic Park kon 
je je als kijker met ze identificeren. Je begreep hun ontzag voor die gigantische dieren.’

    Er zitten een paar sterke vrouwelijke personages in de film, zoals wetenschapper Ellie Sattler en computergenie Lex, de kleindochter van de eigenaar van het pretpark (gespeeld door respectievelijk Laura Dern en Ariana Richards). ‘Het was heel belangrijk dat er zowel een mannelijke als een vrouwelijke wetenschapper in de film voorkwam,’ vertelt Victoria Arbour. En niet alleen was dr. Sattler een vrouw, voegt ze daaraan toe, ‘ze werd ook nog eens neergezet als een heel vanzelfsprekend iemand. Het was helemaal niet gek dat ze zowel vrouw was als wetenschapper. Daar lag de nadruk verder ook niet op. Ze was er gewoon, en omdat ze zo slim was respecteerde iedereen haar.’

    Dankzij de golf aan jong wetenschappelijk talent die onder invloed van Jurassic Park het vakgebied binnenstroomde, volgde er, een paar jaar later, een minstens zo grote vloedgolf aan publicaties. Werden er tussen 1984 
en 1994 jaarlijks nog rond de vijftien nieuwe dinosaurussoorten ontdekt, 
nu staat dat aantal op vijftig en het lijkt nog niet dalende te zijn. Sommigen noemen de huidige tijd al het gouden tijdperk van het dinosaurusonderzoek. ‘Jurassic Park haakte in op een wetenschappelijke revolutie in het dinosauriëronderzoek en veroorzaakte op zijn beurt weer een nieuwe,’ aldus Carrano.

    ‘Altijd als we het publiek over ons vak willen vertellen, noemen we de film 
als eerste’

    De afgelopen eeuw is er een massa nieuwe exemplaren bijgekomen. 
Dinosauriërs vormen een ongelooflijk diverse groep, die telkens weer voor verrassingen zorgt. Sommige zijn reusachtige carnivoren, andere herbivoren. Je hebt ze in alle mogelijke vormen en afmetingen. Sommige hebben schilden van schubben en knotsachtige staarten, andere hoorns, een kraag of veren. Ook is de relatie tussen dinosauriërs |en vogels veel duidelijker geworden. Wetenschappers zijn het er nu over eens dat vogels een groep binnen de zogenaamde Theropoda-dinosauriërs vormen (dus niet alle dino’s zijn aan het eind van het Krijttijdperk uitgestorven). Zowel pers als publiek smulden van deze ontdekkingen.

    Toen Jurassic Park uitkwam, was Michelle Stocker nog een meisje; pas toen ze als paleontoloog ging werken, merkte ze hoeveel invloed de filmreeks had. ‘Het publiek heeft er een beeld door gekregen van de paleontologie en van dinosauriërs,’ vertelt ze. ‘En wetenschappers maken daar handig gebruik van. Museumconservatoren anticiperen op vragen van het publiek en proberen die bij het maken van hun tentoonstellingen te beantwoorden. Of paleontologen organiseren speciale publieksbijeenkomsten als er weer een nieuwe Jurassic Park-film uitkomt.’

    ‘Altijd als we het publiek over ons vak willen vertellen, noemen we de film 
als eerste,’ vertelt Stocker, inmiddels werkzaam als paleontoloog aan Virginia Tech. Toch zijn niet alle paleontologen onverdeeld blij met de dinosaurusgekte die de film heeft losgemaakt, vertelt Ali Nabavizadeh, universitair docent anatomie aan de Rowan-universiteit. Het stoort hen dat de giganten niet altijd even accuraat worden weergegeven. ‘Mensen zijn gek van dinosauriërs, maar ze hebben een beeld van hoe een dinosaurus kijkt of loopt dat misschien wel helemaal niet klopt.’

    In de eerste film in de reeks waren de dinosaurussen gemodelleerd op basis van de wetenschappelijke inzichten uit die tijd. Maar de makers van de film namen de nodige artistieke vrijheden. De Velociraptor uit de film was een uitvergrote versie van de Deinonychus. De echte Velociraptor was niet veel groter dan een kalkoen.

    Bovendien zijn veel van de dinosaurussen uit de eerste Jurassic Park, door alle ontdekking die sindsdien zijn gedaan, alweer verouderd. Toen de film werd gemaakt, bestond het beeld van dinosaurussen als bijzonder behendig en energiek. Het leek dus niet vergezocht om een Tyrannosaurus rex een jeep met drie sappige mensen erin te laten achtervolgen en inhalen. Nieuw onderzoek liet echter zien dat het met de beweeglijkheid van de T. rex wel meeviel en dat een hardloper hem er gemakkelijk uit had gerend.

    Recentelijk was er opnieuw kritiek uit wetenschappelijke hoek. Opgemerkt werd dat we inmiddels weten dat dinosaurussen veren hadden; in de laatste afleveringen uit de filmreeks was dat nieuwe inzicht niet verwerkt.

    Zulke onvolkomenheden kunnen ook juist door paleontologen worden uitgebuit, wanneer zij het geïnteresseerde publiek uitleggen hoe zij dankzij fossielen te weten zijn gekomen hoe 
dinosaurussen eruitzagen, of waarom bepaalde details juist nog missen. 
Volgens Schweitzer geeft hun dat 
een ingang om iets algemeners over wetenschap te vertellen en de mensen op die manier nieuwsgierig te maken naar wetenschap.

    Iets dergelijks overkwam Nabavizadeh als kind al. Nadat hij als zesjarige een Jurassic Park-film had gezien, begon hij, toen de opwinding over de realistische monsters was weggeëbd, zich af te vragen of ze er in het echt ook zo uitzagen. ‘Hoe weet je eigenlijk hoe hun anatomie was, als je alleen botten hebt om van uit te gaan? Misschien waren er wel speciale kenmerken waar we niets van weten?’

    ‘Mensen geloven me vaak niet als ik het vertel, maar ik ben door Jurassic Park paleontoloog geworden,’ vertelt Thomas Adams, conservator paleontologie en archeologie van het White Museum in San Antonio. Adams vond school als kind nogal vervelend, maar Jurassic Park maakte een wetenschappelijke interesse in hem wakker die hij nooit eerder had ervaren. ‘Ik merkte dat als je ergens een passie voor hebt, ook al het andere wat daarvoor relevant is leuk wordt om te leren,’ vertelt hij. ‘Ik ontdekte dat leren leuk kan zijn.’ 

    Auteur: Eva Botkin-Kowacki
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    The Christian Science Monitor
    Verenigde Staten | csmonitor.com

    Na meer dan een eeuw is deze krant uit Boston in 2009 gestopt met de printversie en verder gegaan op internet. Heeft nog wel een wekelijkse printeditie. De krant dankt zijn naam aan de financier: de Christian Science Church.

  • Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Mens, kijk niet 
neer op het dier

    Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.

    Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?

    Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.

    Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.

    Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals 
Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?

    Glad ijs

    Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en 
dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.

    Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.

    In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.

    Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een 
cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.

    De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken

    Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’

    Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.

    De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.

    screenshot 2018 07 13 11 49 48

    Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.

    Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?

    Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het 
dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper 
van het reekalfje?

    Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. 
En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.


    In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt 
er nog een laag aan toe door in de tweede persoon 
te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” 
noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’

    Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.

    Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.

    Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’

    Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.

    In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.

    Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.

    Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite 
met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in 
de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.

    Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.

    Auteur: Simon Barnes
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

  • Ex-president van Gambia Yahya Jammeh: ‘Ik kan aids genezen’

    Ex-president van Gambia Yahya Jammeh: ‘Ik kan aids genezen’

    De voormalige Gambiaanse president Yahya Jammeh dacht een wondermiddel tegen aids te hebben uitgevonden, en dwong zijn onderdanen zijn behandeling te ondergaan. ‘Binnen tien minuten was ik half bewusteloos. Ik kon niet opstaan, laat staan lopen.’

    Keuze uit het archief

    Er is een nieuwe, besmettelijkere variant van hiv opgedoken, onthulde New Scientist afgelopen donderdag (3 februari). Deze variant, die in de jaren negentig in Nederland begon te circuleren, hoeft volgens de onderzoekers geen reden tot paniek te zijn, omdat hij reageert op bestaande behandelingen en sinds 2010 al in verval is. Wel zou de ontdekking kunnen helpen beter inzicht te krijgen in de bestrijding van hiv-cellen, die aids veroorzaken.
    Meer reden tot paniek vormde de voormalige Gambiase president, die – schijnbaar vanuit het niks – volledig overtuigd was van zijn behandelmethode van de dodelijke ziekte, waarbij veel slachtoffers vielen. Afgelopen december (2021) werd Jammeh door de Waarheidscommissie schuldig bevonden aan meervoudige moord, mishandeling en verkrachtingen gedurende de 22 jaar van zijn heerschappij.

    Een voor een werden de patiënten naar binnen geroepen. Vaak ’s avonds laat, en altijd op een dinsdag of een donderdag. Ze werden opgewacht door Yahya Jammeh, de president van Gambia, gehuld in zijn wijde, witte gewaad. De minister van Volksgezondheid, opgeleid als arts, moest ook present zijn in de kamer in de residentie van de president. Jammeh had een wondermiddel tegen aids uitgevonden, verkondigde hij in januari 2007 met veel bombarie aan zijn verbijsterde volk. De voormalige legerkolonel, doof voor de scepsis en de woede van internationale gezondheidsexperts die hem van oplichterij betichtten, bezwoer aids uit te roeien met een geheim kruidenmengsel en een spiritueel genezingsritueel in zijn geïmproviseerde kliniek. Voor de minister van Volksgezondheid en zijn opvolgers zat er niets anders op dan de bespottelijke bewering te beamen.

    Gedwongen schaarden alle regeringsfunctionarissen zich schoorvoetend achter de president. De gratis presidentsbehandeling werd zelfs bejubeld op de officiële website van het land. De patiënten moesten zich uitkleden en droogwrijven met een handdoek. Vervolgens moesten ze op een stretcher gaan liggen. De president, een man zonder enige medische achtergrond, trok omzichtig een paar handschoenen aan en stapte op de patiënt af. ‘Hij goot een flesje gekleurd water over ons uit en waste daarmee ons lichaam, van top tot teen,’ vertelt Fatou Jatta, een van de eersten die Jammeh tien jaar geleden voor zijn bizarre aidstherapie selecteerde. Vervolgens zong de president gebeden uit een in leer gebonden koran. ‘Hij smeerde ons ook nog in met een zalf en gaf ons een kruidenbrouwsel te drinken. Binnen tien minuten was ik half bewusteloos. Ik kon niet opstaan, laat staan lopen. Toen ik overeind probeerde te komen, zakte ik door mijn benen.’

    Conventionele medicijnen waren niet toegestaan; alleen Jammehs brouwsels van fruit, bladeren, takken en wortels

    Jatta, 51 jaar, kiest haar woorden zorgvuldig. Ze beschrijft de behandeling die zij en duizenden andere Gambianen in de privékliniek van Jammeh, die in 2017 na een regeerperiode van 22 jaar het land ontvluchtte, moesten ondergaan. ‘Ik kan aids genezen,’ hield de dictator haar en de andere hiv-geïnfecteerden die hij bij zijn residentie liet ontbieden voor. ‘Je zult voor altijd van het virus zijn bevrijd.’

    Proefkonijn

    Jatta maakte destijds deel uit van een belangengroep voor mensen met hiv. Zo was ze proefkonijn van de despoot geworden: hij ontbood leden van hiv-verenigingen bij zich voor de gratis ‘presidentsbehandeling’. ‘We stemden in omdat we wisten wie we voor ons hadden,’ zegt Jatta. In die tijd zat Jammeh al tien jaar stevig in het zadel. Gambianen leefden in angst, niemand zei ‘nee’ tegen de autoritaire president. Jatta dacht dat ze alleen een medicijn zou krijgen en dan weer naar huis mocht, maar ze werd maandenlang tegen haar zin vastgehouden, bewaakt door soldaten, en ze werd met de dag zwakker. Ze mocht geen familie of vrienden ontvangen. Andere overlevenden vertellen dat ze zich moesten onthouden van koffie en seks. Conventionele medicijnen waren niet toegestaan; alleen Jammehs brouwsels van fruit, bladeren, takken en wortels. Hij liet nooit los welke ingrediënten hij gebruikte en stond niet toe dat zijn middel werd getest. Niet alleen liet Jammeh behandelsessies van onwillige patiënten – die hun familie en vrienden veelal niet over hun ziekte hadden ingelicht – uitzenden op televisie, hij schepte in de media ook regelmatig op over zijn ‘successen’. Zijn patiënten werden gedwongen hun zogenaamd florerende gezondheid te bevestigen.

    ‘Na zeven maanden werd ik genezen verklaard en mocht ik naar huis,’ vertelt Jatta. Na haar vrijlating toog ze, op sterven na dood, linea recta naar het Britse medisch onderzoekscentrum. Het aantal CD4-cellen in haar bloed – een wetenschappelijke graadmeter voor het functioneren van het immuunsysteem – was gedaald naar 80. Bij een gezond persoon ligt het aantal CD4-cellen per kubieke millimeter bloed tussen de 500 en 1500. De Wereldgezondheidsorganisatie raadt landen tegenwoordig aan hun behandelingsrichtlijnen niet meer op CD4-bepaling te baseren maar om meteen tot medicatie over te gaan zodra iemand seropositief blijkt te zijn. Jatta kreeg in de kliniek onmiddellijk aidsremmers toegediend en haar gezondheid ging zienderogen vooruit.

    President Yahya Jammeh past
 zijn therapie toe op een patiënt. – 
© Candace Feit / HH
    President Yahya Jammeh past
 zijn therapie toe op een patiënt. – 
© Candace Feit / HH

    Nu pas, een jaar nadat Jammeh de verkiezingen verloor en het hazenpad koos toen de regio dreigde militair in te grijpen, durven Jatta en de andere slachtoffers hun verhaal te doen. Onder de gevreesde alleenheerser zouden ze zijn gemarteld, opgesloten of helemaal van de aardbodem zijn verdwenen. Toen Jammeh nog aan de macht was, dreigde hij homo’s te onthoofden, en iedereen die van hekserij of tovenarij werd verdacht belandde achter de tralies. ‘We vinden het nog steeds eng om ons uit te spreken,’ zegt Jatta. Gekleed in een kleurrijke boubou, het traditionele, ruimvallende West-Afrikaanse gewaad, zit ze voor haar eenvoudige huisje in de kustplaats Kotu, ongeveer 9 kilometer van de hoofdstad, Banjul. ‘Het risico bestaat dat Jammehs aanhangers zich op ons willen wreken omdat we hun leider in een kwaad daglicht hebben gesteld. Sommigen geloven dat hij op een dag zal terugkeren.’

    Jatta is een van de overlevenden die niet alleen naar buiten treedt maar ook voor gerechtigheid strijdt en een schadevergoeding eist van de oud-president, die asiel heeft gekregen in Equatoriaal-Guinea, waar dictator Teodoro Obiang Nguema Mbasogo sinds 1979 de scepter zwaait. ‘Onze mensenrechten zijn geschonden en Jammeh moet voor het gerecht worden gesleept,’ zegt Jatta. ‘Ik had wel dood kunnen gaan. Minstens twintig patiënten zijn overleden nadat Jammeh ze genezen had verklaard.’ In oktober zijn mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch en Gambiaanse belangengroepen een campagne begonnen om Yahya Jammeh en zijn medeplichtigen voor het gerecht te brengen. De vooraanstaande Gambiaanse mensenrechtenactivist Amadou Scattred Janneh heeft het Jammeh Slachtoffercentrum opgericht. ‘Veel patiënten hebben nooit toestemming gegeven hun medische conditie openbaar te maken terwijl Jammeh ze publiekelijk als aidspatiënten te kijk heeft gezet,’ zegt Janneh. ‘Hij heeft hen tegen hun wil vastgehouden. Ze werden gedwongen hun reguliere behandeling te staken.’

    Gambianen hebben blootgestaan aan ‘een van de schandelijkste georganiseerde aanvallen op hiv-patiënten in de geschiedenis van de wereldwijde aidscrisis’, stelt een persbericht van AIDS-Free World, een internationale belangenorganisatie die samenwerkt met Gambiaanse advocaten van het Instituut voor Mensenrechten en Democratie in Afrika (IHRDA) en Jatta en andere activisten. ‘De omvang van de schade die de oud-president heeft aangericht, komt pas aan het licht als alle slachtoffers naar voren treden en de zaak aanhangig wordt gemaakt,’ zegt Sarah Bosha, juridisch onderzoeks- en beleidsmedewerker bij AIDS-Free World. De organisatie schat dat minstens negenduizend Gambianen de nepbehandeling onder dwang hebben ondergaan. ‘Er zijn over die periode nauwelijks gegevens beschikbaar,’ zegt Bosha.

    Hoeveel mensen aan zijn kwakzalverij zijn overleden, is onbekend

    In 2007 stuurde Jammeh de VN-gezant abrupt het land uit nadat ze de remedie van de president had betwist. ‘Hij hield alle informatie van zijn privékliniek geheim, dus hoeveel mensen aan zijn kwakzalverij zijn overleden is onbekend. We zijn nog bewijs aan het verzamelen voor de rechtszaak en aan het onderzoeken om hoeveel slachtoffers het precies gaat.’ Er zijn nog veel vragen, onder andere wat er met het geld uit aidsfondsen en de voorraden aidsremmers is gebeurd. ‘Zelfs toezichthoudende instanties hebben geen informatie.’ Ook is het lastig te bepalen hoeveel schade de nepbehandeling zelf heeft aangericht. ‘Het was een langdurige aanslag op het lichaam. Sommige patiënten hadden continu diarree. Anderen vielen flauw, of moesten voortdurend overgeven. Dat is funest voor iemand met een verzwakt immuunsysteem,’ vertelt Bosha.

    De eerste verkiezingen in Gambia na het vertrek van Jammeh. Ongeletterde inwoners konden stemmen met knikkers, die ze in gekleurde stembussen konden doen. – © HH
    De eerste verkiezingen in Gambia na het vertrek van Jammeh. Ongeletterde inwoners konden stemmen met knikkers, die ze in gekleurde stembussen konden doen. – © HH

    ‘Omdat ze zo lang geen aidsremmers kregen, daalde het aantal CD4-cellen drastisch. Ze zaten dicht op elkaar en sommigen raakten besmet met tbc.’ Tuberculose is de voornaamste doodsoorzaak onder seropositieven. Uit onderzoek blijkt dat aidsremmers het risico op besmetting met tbc aanzienlijk verkleinen. En dan is er nog de vraag in hoeverre Jammehs optreden effect had op het begrip van hiv en de behandelingskeuzes onder de bevolking. ‘Er was veel propaganda. Als mensen dachten dat aids te genezen was, hoe beïnvloedde dat hun gedrag?’

    Alpha Khan, adjunct-directeur van het Gambiaanse Nationale Aidsbureau, is van mening dat alle pogingen om hiv te bestrijden door Jammeh en zijn zogenaamde behandeling ernstig zijn gedwarsboomd. Slechts 30 procent van de twintigduizend seropositieve Gambianen slikt aidsremmers, blijkt uit gegevens uit 2016 van de VN-aidsorganisatie UNAIDS. Ter vergelijking: in Zuid-Afrika volgt 60 procent van alle seropositieven aidstherapie. ‘De boodschap die Jatta en andere slachtoffers verspreiden door in de openbaarheid te treden is van essentieel belang na twee decennia propaganda,’ zegt Bosha. ‘Eindelijk is er iemand opgestaan die zegt waar het op staat, die duidelijk maakt dat genezing niet mogelijk is.’

    Jammehs slachtoffers willen de oud-president niet alleen voor het gerecht slepen, ze eisen ook een financiële genoegdoening. Een Gambiaanse Waarheidscommissie zal later dit jaar gerechtelijke stappen ondernemen. Jatta is erop gebrand dat Jammeh wordt veroordeeld, maar ze wil er ook voor zorgen dat niemand ooit nog denkt dat er een wondermiddel tegen aids bestaat. ‘Over de hele wereld wordt gezocht naar een remedie,’ zegt ze. ‘En dan zou Jammeh er zomaar eentje in elkaar hebben geflanst?’

    Auteur: Adri Kotze
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail 
en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.

  • Wetenschappers prefereren honden

    Wetenschappers prefereren honden

    Er blijkt veel meer wetenschappelijk onderzoek te worden gedaan naar honden dan naar katten. Hoe komt dat?

    Iemand (mijn baas) merkte laatst op dat ik vaker artikelen over honden schrijf dan over katten, en vroeg me hoe dat kwam.

    Ik wist natuurlijk meteen dat het absoluut niets te maken kan hebben met het feit dat ik al ettelijke honden en nog nooit een kat heb gehad: het moet een afspiegeling zijn van het aantal wetenschappelijke studies naar beide dieren. Ik schrijf immers over elk onderzoek dat boeiende bevindingen oplevert en ik heb niets tegen katten, ook al ben ik zelf geen kattenmens. Twee van mijn volwassen kinderen hebben katten, en laten die vooral niet denken dat ik ze links laat liggen. (Hallo, Bailey! Hallo, Tawney! Dat zijn de katten, niet mijn kinderen.)

    Maar het leek me wel goed om hier eens in te duiken, dus mailde ik Elinor Karlsson van het Broad Institute en de University of Massachusetts. Zij is geneticus en ze heeft drie katten, maar haar onderzoek gaat vooral over honden: een onbevooroordeelde blik dus. Ze doet trouwens onderzoek naar het genoom van verschillende honden. Ze verzamelt DNA door hondenbezitters op te roepen wat speeksel van hun viervoeter op te sturen.

    Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: “Wat is eigenlijk een hond?”

    Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: ‘Wat is eigenlijk een hond?’ Honden en katten worden ook als proefdieren in laboratoria gebruikt, maar ik heb niet gevraagd welke van de twee voor zulke experimenten het populairst zijn.

    Karlsson leerde ik kennen toen ik over haar onderzoek naar wolven schreef. Ik mailde haar met de vraag of er inderdaad meer onderzoek naar honden dan naar katten wordt gedaan, en zo ja, waarom.

    ‘Ooo, wat een interessante vraag!’ schreef ze terug. ‘Veel leuker dan al die mails over beursaanvragen in mijn mailbox. Er wordt inderdaad minder onderzoek naar katten gedaan. Ik denk dat ze minder serieus worden genomen dan honden, dat heeft waarschijnlijk met maatschappelijke vooroordelen te maken. In mijn vakgroep zit een dierenarts die denkt dat veel kankersoorten die bij katten voorkomen een beter model kunnen bieden voor menselijke kankersoorten, maar daar wordt bijna geen onderzoek naar gedaan.’ Een beter model dan kanker bij honden, bedoelt ze. Honden krijgen veel soorten kanker die ook bij de mens voorkomen, maar bij honden verschilt de frequentie per ras, zodat je gerichter naar oorzaken kunt zoeken.

    Verder staat kattengedrag volgens Karlsson laag in aanzien. ‘Mensen die niets met katten hebben, vinden het een belachelijk idee om hun gedragsgenetica te bestuderen, en in de wereld van de dressuur wordt geklaagd dat men er klakkeloos van uitgaat dat katten niet te dresseren zijn.’ Katten zijn natuurlijk net zo goed te dresseren als elk ander dier. Zo heeft Karlsson zonder het te beseffen haar kat geleerd op het aanrecht te springen zodra ze het kastje met kattensnoepgoed opent. De commercie is er ook al op ingesprongen. Er zijn verschillende pakketten te koop om je kat te leren zijn behoefte op de wc te doen. Als er al zoiets voor honden bestaat, heb ik het niet kunnen vinden. Zelfs niet voor bichon frisés.

    adorable animal blur 850602

    Voor het kankeronderzoek verwees Karlsson me door naar Kate Megquier, een dierenarts aan het Broad Institute die daar promotieonderzoek naar doet. Ook zij vindt dat katten meer aandacht verdienen. ‘Ik bestudeer vooral veel kankersoorten bij honden,’ zegt ze, maar er zijn goede redenen om ook meer studie te maken van kanker bij katten. Ze zegt dat katten veel lymfomen krijgen ‘en daar kunnen we beslist iets van leren’. Ook krijgen ze vormen van mondkanker die lijken op die bij de mens, en volgens haar worden die mogelijk veroorzaakt door gifstoffen in onze leefomgeving, die katten binnenkrijgen als ze zich wassen. Onderzoek daarnaar ‘kan ons inzicht in die aandoeningen vergroten’, zegt ze, en zowel kat als mens ten goede komen. Kate Megquier vindt honden leuk, maar is naar eigen zeggen ‘absoluut een kattenmens’.

    Volgens Karlsson zijn er goede redenen waarom er zo veel onderzoek naar honden wordt gedaan. Zo zijn er veel meer hondenrassen: wel vierhonderd, tegen circa veertig kattenrassen. Dat betekent meer genetische diversiteit en dus meer mogelijkheden om het genoom te bestuderen. Maar ze zegt erbij dat het nieuwe modelgenoom voor katten veel gedetailleerder is dan het laatste modelgenoom voor honden. ‘We zijn daar allemaal razend jaloers op en werden er op een conferentie vorige week flink mee gepest door de kattenonderzoekers.’ En ze wijst erop dat culturele vooroordelen over huisdieren zelfs een rol spelen bij de opzet van zulke conferenties. Dat honden en katten samen het thema van een wetenschappelijke bijeenkomst zijn, heeft immers meer met hun imago als archetypische huisdieren te maken dan met hun biologische overeenkomsten.

    Mijn volgende e-mail was gericht aan Elaine Ostrander van de National Institutes of Health. Zij heeft zelf honden en doet onderzoek naar de genetica van honden. Haar lab heeft acht genen geïdentificeerd die zeer bepalend zijn voor de grootte van een hond. Het eerste daarvan zorgt er vooral voor dat honden klein blijven. Ook heeft haar lab kankergenen gevonden die honden gemeen hebben met de mens, met name de genetische oorzaak van een soort nierkanker die veel voorkomt bij Duitse herders. Datzelfde gen blijkt hetzelfde type kanker ook bij de mens te veroorzaken.

    adorable animals cat bed 64284

    Ostrander wijst erop dat vooral de grote verscheidenheid aan hondenrassen in alle soorten en maten aantrekkelijk is voor wetenschappers. Sommige genen die bepalend zijn voor de groei van een hond hebben ook invloed ‘op aandoeningen van op hol geslagen groei, zoals kanker’. Bovendien, schrijft ze, ‘ondergingen honden een heel geprononceerde populatieflessenhals tijdens hun domesticatie’ toen een klein aantal wolven de oerouders werden van alle tamme honden. Daarna zijn in de negentiende eeuw tal van rassen gefokt met nog veel nauwere genetische flessenhalzen, en bijgevolg veel inteelt. De domesticatie heeft volgens haar ‘in een ongelooflijk kort tijdsbestek plaatsgevonden en we hebben er nog steeds niet alle genetische finesses van doorgrond. Het blijft een van de interessantste en lastigste kwesties in de biologie.’ De gedragsproblemen van sommige honden vertonen trekken van wat we bij mensen een obsessief-compulsieve gedragsstoornis noemen. Zulke overeenkomsten bieden volgens Ostrander ‘een mooie kans om meer over onszelf te leren’.

    Overtuigend pleidooi voor de honden, leek me. Daarna belde ik een van de mensen die een groot aandeel hebben gehad in de beschrijving van het modelgenoom voor katten waar Karlsson het over had: Leslie Lyons van de University of Missouri. Ook aan haar de vraag of er meer onderzoek werd gedaan naar honden dan naar katten.
    ‘Absoluut,’ zegt ze, ‘om verschillende redenen.’ Ze beaamt dat ‘honden ideaal zijn voor onderzoek naar kanker’ en dat ze langer gedomesticeerd zijn dan katten, zodat er meer hondenrassen zijn en dus meer mogelijkheden om onderzoek naar erfelijke ziekten te doen. Maar ze zegt ook dat maatschappelijke vooroordelen over katten hun weerslag hebben op het wetenschappelijk onderzoek. Kattenliefhebbers zijn nu bijvoorbeeld niet zo in gekke rassen geïnteresseerd als hondenliefhebbers, maar dat kan veranderen. Als er vraag naar was, zou je katten in net zo veel soorten en maten kunnen fokken als honden. ‘Dan krijg je misschien een chihuahua-kat en een kat zo groot als een Deense dog. Al lijkt me dat,’ voegt ze eraan toe, ‘een beetje gevaarlijk.’

    Ze zegt dat het voor onderzoek naar katten veel moeilijker is om financiering te krijgen, ook al zijn katten voor onderzoek naar sommige aandoeningen, zoals polycystische nieren, geschikter. ‘Laten we er medicijnen op testen. Misschien dat kat én mens ermee geholpen zijn.’ Overigens heeft Lyons zelf katten en liet ze in ons gesprek terloops het antihondencliché ‘cats rule, dogs drool’ vallen.


    Ik heb ook gebeld met Fiona Marshall, een bioarcheoloog aan Washington University in St. Louis. We hadden elkaar een tijdje geleden gesproken voor een artikel over ezels. De domesticatie van ezels is een van haar onderzoeksgebieden. Verder doet ze onderzoek naar Afrikaanse katten en hun domesticatie. Enkele jaren geleden schreef ze mee aan een artikel over het vroegste bewijs van gedomesticeerde katten ter wereld, aangetroffen op een 5300 jaar oude vindplaats in China.

    Ze zegt dat je bij opgravingen minder sporen van katten dan van honden vindt. Deels omdat het solitaire dieren zijn, die door de vroege mens blijkbaar ook minder vaak werden opgegeten dan honden. ‘Als ze niet gegeten worden, vind je er geen spoor van terug in het afval.’

    ‘Ik denk dat het ook te maken heeft met hoe er in Europa vanaf de middeleeuwen tegen katten werd aangekeken,’ zegt ze. ‘Katten werden daar als slechte dieren beschouwd, omdat ze mensen niet gehoorzaamden.’ Tegenwoordig wordt die karaktertrek van katten juist sterk gewaardeerd. Marshall heeft zelf ook katten.

    De cijfers

    En dan nu de cijfers. Een zoekopdracht in Pub Med, een database van de meeste biomedische tijdschriften, levert 139.858 treffers op voor katten en 328.781 voor honden. Bij Google Scholar was het 1.670.000 voor katten en 2.850.000 voor honden. Dat is natuurlijk maar een simpele zoekopdracht die weinig zegt over het soort onderzoek dat werd uitgevoerd. Wat de journalistiek betreft: een zoekopdracht in de nieuwsdatabank Nexis levert meer dan drieduizend treffers op voor honden en katten, met de waarschuwing dat het lang gaat duren voordat die allemaal zijn opgehaald. Ik beperk me dus tot het zoeken naar ‘hondengenoom’ en ‘kattengenoom’. Resultaat: twintig voor honden, zes voor katten. Het genoom van honden is eerder in kaart gebracht dan dat van katten.

    Uit deze willekeurige greep mogen vooral geen conclusies worden getrokken, behalve dat het de indruk van de wetenschappers bevestigt dat naar honden meer onderzoek wordt gedaan.

    Daarnaast kwam een collega nog met een suggestie die bij geen van de geïnterviewde deskundigen was opgekomen – een teken dat toewijding aan de wetenschap soms ook je blik vernauwt. ‘Zou het kunnen,’ vroeg die collega, die zelf zowel katten als honden heeft gehad, ‘dat er meer studies over honden dan over katten zijn omdat katten er gewoon niet aan wensen mee te werken?’

    Natuurlijk. Waarom had ik daar zelf niet aan gedacht?

    Auteur: James Gorman
    Vertaler: Frank Lekens

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 540.000

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistiek prijzen dan enig ander medium.

  • ‘Wie zich engelen kan voorstellen, kijkt niet op van buitenaardse wezens’

    ‘Wie zich engelen kan voorstellen, kijkt niet op van buitenaardse wezens’

    Astrofysicus Guy Consolmagno is de baas van de sterrenwacht van het Vaticaan. 
Wetenschapsjournalist Stefan Klein van Die Zeit sprak met hem over de vraag of wetenschap en religie te verenigen zijn, het verschil tussen mens en dier, en buitenaards leven.

    Als we de wereld met natuurwetten kunnen verklaren, waar blijft God dan? Wie zich bezighoudt met het ontstaan en de opbouw van het universum wordt onvermijdelijk met dit soort vragen geconfronteerd. In het lastige grens-gebied tussen weten en geloven beweegt zich de astrofysicus Guy Consolmagno. Hij is jezuïet en zwaait de scepter over de sterrenwacht van de paus in diens zomerresidentie Castel Gandolfo bij Rome, waar de telescoopkoepel al van verre is te zien. Het Vaticaanse observatorium werd in de huidige vorm in 1891 gesticht om de uitwisseling tussen wetenschap en religie te bevorderen; als internationaal onderzoeksinstituut heeft het ook een grote telescoop in de woestijn van Arizona.

    Consolmagno komt uit Detroit. Hij is expert in meteorieten en doet onderzoek naar het ontstaan van de hemellichamen in het zonnestelsel. Hij heeft een lange witte baard, draagt een sweatshirt, praat snel en lacht veel. Als 
ik niet beter wist, dan zou ik denken dat hij een 
professor van een Amerikaanse universiteit in het Midwesten is.

    Met ruimteobservatoria kunnen we tegenwoordig het eerste licht van het universum na de 
oerknal opvangen, de kosmische achtergrondstraling. De Amerikaanse astrofysicus George Smoot heeft enkele jaren geleden bij een presentatie over deze straling gezegd: ‘Als je religieus bent, dan is het alsof je oog in oog staat met God.’ Bent u dat met hem eens?

    Guy Consolmagno: Smoot heeft die ervaring heel nauwkeurig beschreven. Plotseling zie je iets waarvan je nooit gedacht had het ooit te kunnen zien. Dat heeft inderdaad veel weg van een religieuze beleving.

    Wat voelt u als u naar de sterrenhemel kijkt?

    Dezelfde verwondering die ik als kind voelde, maar met het voordeel meer te weten. Door wat ik weet waardeer ik de dingen die ik waarneem nog meer. Ik heb zelf een kleine telescoop. Wie daardoor naar de Orionnevel kijkt, zal zeggen: wat prachtig! Ikzelf kijk echter naar de Orionnevel in de wetenschap dat daar sterren worden geboren. Met een grotere telescoop kun je zelfs de processen waarnemen die leiden tot het ontstaan van planetenstelsels. Het is vergelijkbaar met naar muziek luisteren of een zonsondergang bewonderen. De bloedrode zon is mooi en 
hetzelfde geldt voor de maxwellvergelijkingen die beschrijven hoe haar licht ons bereikt. Die elegantie van de natuur ervaar je echter alleen als je kennis hebt van de wetenschap erachter.

    Ik begrijp wat u bedoelt, een bijna extatische verwondering over het feit dat de schoonheid van de wereld zich op zo veel terreinen aan ons vertoont.

    Het simpelste woord daarvoor is ‘vreugde’. Als ik 
me niet goed voel, kijk ik door de telescoop. Daarna ben ik gelukkiger.

    Zou u dat geluk een religieus gevoel willen 
noemen?

    Ja. Met de nadruk op gevoel. Religie is meer dan emoties. Maar de vreugde die ik ervaar bij een blik door de telescoop of ook wanneer ik gegevens uit 
de computer heb geprint en plotseling iets doorzie, 
is vergelijkbaar met de vreugde die ik in het gebed heb beleefd.

    Guy Consolmagno bij de uit 1935 daterende Zeiss-telescoop in de koepel van de sterrenwacht in het Vaticaan. – © Annette Schreyer / HH
    Guy Consolmagno bij de uit 1935 daterende Zeiss-telescoop in de koepel van de sterrenwacht in het Vaticaan. – © Annette Schreyer / HH

    U hebt twintig jaar als wetenschapper gewerkt voordat u jezuïet werd. Hoe bent u bij de orde gekomen?

    Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en heb me altijd zeer op mijn gemak gevoeld bij mijn Ierse moeder en mijn Italiaanse vader. En ik had bewondering voor mijn leraren, dat waren jezuïeten. Religie was een belangrijk deel van ons leven, maar ik heb me er nooit met schuldgevoelens beladen of onderdrukt door gevoeld. Integendeel, ik geniet van de religie. 
De dagelijkse gang naar de mis geeft me nog altijd grote voldoening en als ik niet ga, ervaar ik dat als een gemis.

    U bent gelovig uit hedonisme.

    Zou ik dat woord gebruiken? Maar inderdaad, ik 
heb nooit dingen gedaan die ik niet leuk vond. Toen we achttien waren dronken mijn vrienden whisky. 
Ik vond dat naar mondspoeling smaken. Waarom zou ik die rommel drinken?

    Je moet wennen aan de smaak van whisky. Net 
als aan de mis.

    Bij de mis heeft het in elk geval voor me gewerkt. Wetenschapper werd ik omdat ik sciencefictionfan ben. Dat was ik al in mijn tienerjaren. Toen ik in 
Boston de bibliotheek van de Science Fiction Society in het Massachusetts Institute of Technology (MIT) zag, wilde ik per se daar studeren. In een bevlieging schreef ik me in voor geowetenschappen. Het was geweldig. Wij studenten mochten onderzoek doen en ik schreef mijn eindscriptie over de oceanen op de ijsmanen van Jupiter. Destijds, in de jaren zeventig, was dat allemaal nog speculatie. De ruimtesondes die daar in de afgelopen jaren zijn geweest, hebben mijn voorspellingen over vloeibaar water onder de ijskorsten bevestigd. Mijn verklaringen ervoor waren evenwel onjuist. Toen ik naar de dertig liep, haalde ik geen voldoening meer uit onderzoek. Ik vroeg me af: wat ben je eigenlijk aan het doen met je leven? Hoe kun je je het hoofd breken over manen van Jupiter als mensen op aarde verhongeren?

    En tot welke conclusie kwam u?

    Ik nam ontslag bij het MIT en meldde me aan bij 
het Peace Corps, dat Amerikaanse vakmensen naar andere landen stuurt. Ik ging naar Nairobi om les 
te geven in astronomie, maar ik had wel gedacht praktischer bezig te zullen zijn voor de armen. In 
het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten 
kijken. Ze ervoeren natuurlijk precies die vreugde waarover we zojuist spraken. Toen begreep ik dat 
de vreugde om het universum te zien alle mensen verenigt.

    In 
het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten 
kijken

    Omdat we zien dat we deel uitmaken van een 
groter geheel. Ik denk dat daar een diep verlangen achter schuilgaat: we willen weten wie we eigenlijk zijn en waar we vandaan komen. Veel mensen hopen een antwoord te krijgen in de religie, 
anderen zoeken dat in de wetenschap.
    Een vriend van mij zoekt de verklaring daarvoor in 
de omvang van onze hersenen. Kennelijk zitten daar delen in die meer willen dan alleen maar dat er de volgende ochtend genoeg te eten is. En ja, u kunt het verlangen toeschrijven aan het bewustzijn van 
onszelf, op wat de grote filosofen de menselijke ziel noemden. Ik zou dat gevoel omschrijven als de vreugde om dicht bij God te zijn. Maar ik probeer 
dat niet te verklaren. Ik observeer de vreugde alleen maar en neem die serieus. Ze hoort bij het menselijk leven. Met die gevoelens onderscheiden we ons van weldoorvoede runderen.

    Maar dat is niet de reden dat u jezuïet bent 
geworden.

    Nee. Nadat ik na twee jaar was teruggekeerd uit Kenia heb ik een paar jaar lesgegeven aan een 
Amerikaans college. Ik was gelukkig. Maar toen liep mijn relatie op de klippen en werd me duidelijk dat een gezin hebben niet strookt met mijn persoonlijkheid. De tijd leek me rijp om toe te treden tot de orde. Hier kan ik het onderzoek doen dat ik altijd al wilde doen en tegelijkertijd mijn geloof beleven.

    U zag geen contradictie in het als wetenschapper afleggen van de kloostergelofte?

    Waarom zou dat moeten?

    Omdat een wetenschapper alleen gebonden zou moeten zijn aan kennis. Als jezuïet hebt u uw 
kerk echter onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gezworen. ‘Wat in mijn ogen wit lijkt te zijn, beschouw ik als zwart als de hiërarchische kerk dat zo beslist,’ heeft Ignatius, de stichter van 
uw orde, geschreven. Niet bepaald een heel wetenschappelijke instelling.

    Een metafoor. Hopelijk.

    Waarom denkt u dat Ignatius dat niet zo heeft bedoeld?

    U moet die zin in zijn context zien. Wij jezuïeten hebben altijd al de naam gehad rebels te zijn. Maar rebellie en overgave zijn niet in strijd met elkaar. 
Het een brengt het ander met zich mee.

    Soms.

    In mijn geval is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Onze missie bij het Vaticaanse observatorium is 
heel eenvoudig om goede wetenschap te bedrijven. Niemand geeft ons opdracht waarnaar we onderzoek moeten doen en met welke resultaten.

    In 1996 bent u voor de sterrenwacht van de paus 
in Antarctica geweest om naar meteorieten te zoeken.

    Ja. Meteorieten bieden informatie over de geschiedenis van het zonnestelsel. Maar de meeste meteorieten die op aarde terechtkomen worden niet als zodanig herkend. De mensen denken dat het doodgewone stenen zijn en op een gegeven moment verdwijnen ze in de bodem. Maar in Antarctica beweegt het ijs zich vanuit het midden naar de rand van het continent, waar het smelt. Daarbij komen meteorieten tevoorschijn die duizenden jaren geleden zijn ingevroren. 
Je hoeft alleen maar je ogen open te houden: de 
zwarte stenen die zich tegen het blauwe ijsoppervlak aftekenen, zijn meteorieten.

    Hoe lang bent u in die ijswereld geweest?

    Maanden. Meestal waren we met z’n zessen, telkens twee onderzoekers in een tent. Elke ochtend reden we met de sneeuwmobiel verder naar een ander gebied. Als je langere tijd in zo’n kale omgeving 
doorbrengt, verandert je waarneming. Kleuren 
worden intenser, geuren worden krachtiger. Je begint zelfs de lucht te proeven. Hoewel je je een vreemde voelt in die natuur besef je dat ook die bij onze wereld hoort. En dat het universum veel rijker en gecompliceerder is dan we ons voorstellen.

    Heb je nog behoefte aan religie als je dat soort ervaringen in de natuur hebt?

    Ik wel. Ik had een plastic doosje met geconsacreerde hosties bij me. Elke nacht om twee uur nam ik er eentje en sprak een gebed uit. Voor mij was het in 
die volledige afzondering zelfs nog belangrijker om verbinding te zoeken, mezelf eraan te herinneren 
dat de wereld groter is dan onze drie tenten.

    Consolmagno met zijn baas: paus Franciscus. – © L’Osservatore Romano / HH
    Consolmagno met zijn baas: paus Franciscus. – © L’Osservatore Romano / HH

    Waarom midden in de nacht?

    Omdat ik altijd wakker word rond dat uur. En 
omdat ik niet wilde dat mijn reisgenoten het zouden meekrijgen. Wat ik deed was te belangrijk en te intiem. Wie in die mate op elkaar is aangewezen, zoals wij dat waren, kan het best al het persoonlijke overboord zetten.

    Uw collega’s in de tent zouden u waarschijnlijk ook niet hebben begrepen. Ik ken maar heel 
weinig wetenschappers die religieus zijn.

    Die ervaring deel ik niet. Normaal gesproken 
schrikken wetenschappers ervoor terug om over 
religie te spreken. Maar toen ik toetrad tot de orde vertelden veel collega’s me over hún geloof. Wetenschappers zijn even religieus als andere mensen.

    Onderzoeken leiden tot een andere conclusie. 
In de VS gelooft bijvoorbeeld bijna 90 procent van de bevolking in God, maar slechts 30 procent van de hoogleraren. En van de geleerden die vanwege bijzondere prestaties in de Amerikaanse 
Academie van Wetenschappen zijn gekozen, is zelfs maar 7 procent religieus.

    Ik denk dat wetenschappers de vraag bij dergelijke onderzoeken anders interpreteren dan andere mensen, niet of ze geloven maar of ze regelmatig bidden en naar de kerk gaan. Zo komt u natuurlijk op lagere percentages. En de Academie is een verzameling oude mannen. Wie in zo’n instituut wordt gekozen, heeft buiten zijn research nooit een leven gehad.

    Wat mij betreft is er een veel voor de hand liggendere verklaring voor deze cijfers. De wetenschappers zijn niet gelovig omdat de religie 
hun niet plausibel voorkomt. De kerk verkondigt een leer die meer dan tweeduizend jaar geleden is ontstaan, in een heel andere wereld. En dat doet ze bovendien nog in een taal die geen mens meer begrijpt. Toen het Oude Testament werd geschreven, dacht men dat de aarde plat was. 
En men kon zich geen andere voorstelling maken dan dat een hoger wezen de mensen op 
de wereld had gezet. Tegenwoordig hebben we betere verklaringen.

    Maar ook een rijkere theologie. In Babylon, waar 
het scheppingsverhaal van het boek Genesis zijn oorsprong vindt, dachten de mensen dat de aardschijf werd begrensd door gebergten en dat daaroverheen een firmament was gespannen. Men vroeg zich af wat daarachter zou zijn. Tegenwoordig weten we dat de horizon, waar we niet achter kunnen 
kijken, miljarden lichtjaren verwijderd is.

    Zo’n horizon is er omdat het licht uit nog verder verwijderde delen van de ruimte sinds de oerknal niet genoeg tijd heeft gehad om ons te bereiken. Maar daarachter gaat het heelal verder. We 
kunnen alleen niet weten hoe het er daar uitziet.

    We moesten astronomie bedrijven om daarachter 
te komen. In elk geval houdt de vraag wat er aan de andere kant van de horizon is ons nog altijd bezig. Die vraag is er alleen maar fascinerender op geworden. Er wordt vaak gezegd dat wij astronomen met onze telescopen naar de laatste antwoorden zoeken. Dat is niet zo. In werkelijkheid geven we de aanzet tot het stellen van filosofische vragen.

    Hoe nuttig zijn geloofsbegrippen uit een tijd waarin de mensen dachten dat de wereld in zeven dagen is geschapen?

    Ik geloof niet dat we te maken hebben met nieuwe vragen. We zien de oude vragen alleen op een nieuwe manier. Het boek Genesis verhaalt niet over wetenschap, want die was er toen nog niet. Maar alles 
wat er over de schepping in de Bijbel staat, heeft één thema gemeen: het universum is het werk van een bovennatuurlijke god die deze wereld wilde en 
liefheeft. Dat is een diepzinnige overweging die overeind blijft, ook al breidt onze kosmologische 
kennis zich uit.

    Eens. In een wereldse taal zou ik die gedachte als volgt uitdrukken: het universum is in beginsel goed. Maar een dergelijk geloof heeft helemaal niets te maken met wat we over het ontstaan van de kosmos kunnen ontdekken.

    Een ander voorbeeld: in de oudheid vermoedde 
men de aanwezigheid van monsters op de 
onbekende continenten aan de andere kant van de oceanen. Natuurlijk weten we nu dat die monsters er niet zijn. Maar in de afgelopen jaren zijn er wel bijna duizend planeten in andere zonnestelsels 
ontdekt. En het zou heel, heel merkwaardig zijn 
als niet op enkele van deze exoplaneten intelligente wezens wonen. Hoe denken die schepsels over de grote vraagstukken? Welke ideeën hebben zij over de reden van hun bestaan en het ontstaan van het universum? Dan kijk ik naar mijn religie en besef dat de wereld niet alleen maar uit de mensheid bestaat.

    Als ik me goed herinner, spelen andere schepsels van de natuur nauwelijks een rol in de Bijbel.

    De christenen in de middeleeuwen geloofden in elk geval helemaal niet dat de mensheid het middelpunt van alles vormde. Die fout hebben de humanisten pas veel later gemaakt.

    Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven

    In de Middeleeuwen geloofden de mensen in engelen. Die wilt u toch niet gelijkstellen met buitenaardse wezens?

    Wie zich een voorstelling kan maken van engelen, heeft geen problemen met buitenaardse intelligentie.

    Ik heb nooit echt begrepen wat het woord ‘god’ eigenlijk betekent.

    Er zijn veel voorstellingen van God, verkeerde en 
zelfs gevaarlijke voorstellingen. Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven.

    En waarin kunt u geloven? Laten we het met een betekenis proberen waarover we het misschien eens kunnen worden: ‘god’ is de oorzaak van alles. Het woord is een omschrijving van de onbeantwoordbare vragen waarom de wereld bestaat en waarom die is zoals hij is.

    Eens. Maar voor mij is het meer dan dat. De God 
die verantwoordelijk is voor de supernova’s en de natuurwetten hóúdt ook van mij.

    Waarom zou hij uitgerekend in u geïnteresseerd zijn? Of in mij?

    Tja, waarom vinden mijn vrienden me leuk? Als ik daarvoor een lijst van argumenten moet opstellen, ben ik verloren. Eigenlijk zijn er geen redenen. 
Desondanks is de vraag beslist niet triviaal. De liefde komt voor al het andere.

    Gevoelens zijn menselijke emoties. Ik vind 
het moeilijk te begrijpen hoe je zoiets kunt toekennen aan een oergrond van het universum. 
Wilt u ook beweren dat God een wil heeft en 
handelend optreedt?

    Ja.

    Alsof hij een persoon is? De gedachte dat achter 
de laatste onbeantwoorde vraag uitgerekend een wezen met menselijke trekken schuilgaat, lijkt me zachtjes uitgedrukt onwezenlijk.

    Onwezenlijk, ja. Zelfs wonderbaarlijk: God verricht wonderen. Maar dat vind ik niet ongelooflijk.

    Dan moeten we maar eens een wonder tegen 
het licht houden. Gelooft u in de opstanding van het vlees?

    Ja. Als het eenmaal gebeurd is, dan kan het opnieuw.

    Wat doet u aannemen dat Jezus na zijn dood fysiek is opgestaan?

    De mensen die de Verrezene hebben gezien, geloofden er zo heilig in dat ze liever zouden sterven dan die gebeurtenis te verloochenen.

    Hebt u een verklaring voor het fenomeen?

    Natuurlijk niet.

    En als ik zeg dat ik mensen heb ontmoet die bij hun leven zweren dat ze een werkend perpetuum mobile hebben gezien, zou u dat geloven?

    Nee. De opstanding gaat samen met alles wat ik 
verder over God weet. Het perpetuum mobile 
daarentegen is onverenigbaar met alles wat ik over 
machines weet.

    Zowel de opstanding als het perpetuum mobile zijn onverenigbaar met alles wat we over de natuurwetten weten.

    Inderdaad. Beide zijn in tegenspraak met het natuurwetenschappelijke model dat we van het 
universum hebben. Dus kloppen ofwel de data of 
het model niet.

    Welke data?

    De getuigenissen van de mensen die de Verrezene en naar u beweert het perpetuum mobile hebben gezien. Nu gaat u me natuurlijk vragen waarom ik in het ene geval de getuigenissen wel geloof en in het andere niet.

    Of waarom u in de opstanding gelooft, maar niet in het scheppingsverhaal zoals het in de Bijbel staat.

    Omdat er niet zomaar iemand is opgestaan en 
omdat de getuigen met hun leven instonden voor de waarheid van hun verklaring. En vooral omdat de opstanding de kern vormt van een hele theologie 
die het universum zinvol maakt en omdat die mij waarachtig in de oren klinkt.

    Ik wil graag geloven dat de discipelen Jezus na de kruisiging echt hebben gezien. Ze moeten in een enorme shock hebben verkeerd en hallucinaties na een traumatische ervaring zijn een bekend verschijnsel. Ook ik vind dat de opstanding een krachtig verhaal is, maar ik kan dat verhaal niet letterlijk opvatten. Ik lees het als een parabel 
die laat zien hoe het goede soms op verbazingwekkende wijze de haat en het geweld overwint. Zoals ook u Genesis figuurlijk en niet letterlijk opvat.

    Maar wat is dan het verschil tussen uw lezing en 
de mijne? Het komt op het volgende neer: als de opstanding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dan mogen ook wij die verwachten. En als God tegen mij zegt dat er een eeuwig leven is, dan zeg ik geen nee.

    Twijfelt u wel eens aan uw geloof?

    Natuurlijk. Een religieus leven zonder twijfel bestaat niet. Maar ik twijfel niet vaak. In wezen ligt het aan mijn hedonisme. Ik vraag me dan af wat ik eraan heb als ik afstand doe van mijn geloof.

    Eerlijkheid. Waarheid is niet iets wat ik zo wil draaien dat het me het best uitkomt.

    Goed. Maar dan moet u me eens vertellen waarom 
u zo veel waarde hecht aan de waarheid dat u er geen afstand van wilt nemen. Ik zou zeggen dat u ook daarmee een religieus besluit hebt genomen.

    Auteur: Stefan Klein
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | oplage 540.000

    Tolerant en liberaal met grote politieke analyses. 
Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • ‘Indiase onderzoeker moet opstaan tegen pseudowetenschap’

    ‘Indiase onderzoeker moet opstaan tegen pseudowetenschap’

    Een workshop over astrologie aan het Indian Istitute of Science? 
Voor veel Indiase wetenschappers was daarmee de maat vol: 
‘We moeten onze manier van denken actiever uitdragen.’

    Een vooraanstaand Indiase pressiegroep roept onderzoekers uit dat land op om zich uit te spreken tegen pseudowetenschap. Volgens de groep heeft die de afgelopen jaren in India vaste voet aan de grond gekregen, onder andere dankzij steun van diensten van de Indiase overheid. De non-profitorganisatie Breakthrough Science Society (BSS) deed deze oproep nadat leden van een alumnivereniging van het Indian Institute of Science (IISc) onlangs 
aan deze prestigieuze instelling een workshop over astrologie wilden organiseren. Na felle reacties van wetenschappers werd de bijeenkomst geannuleerd. Volgens algemeen secretaris Soumitro Banerjee van de BSS zou het ‘schadelijk voor de Indiase wetenschap’ zijn als onderzoekers zich niet in kwesties als deze zouden uitspreken. ‘De Indiase wetenschappelijke gemeenschap moet proactief een wetenschappelijke manier van denken uitdragen’, aldus Banerjee, een natuurkundige van het Indian Institute of Science Education and Research in Calcutta.

    Twee dagen voordat de alumnivereniging de workshop annuleerde, hadden tientallen wetenschappers een brief aan IISc-directeur Anurag Kumar ondertekend waarin zij bezwaar tegen de workshop maakten. De directeur en het IISc waren zelf niet bij de organisatie van de workshop betrokken.

    ‘Ik vind het erg lastig om te beslissen of wij er als wetenschappers alleen kritiek op moeten leveren of ook moeten meewerken aan een oplossing’

    De president van de alumnivereniging, informaticus Muthya Ravindra, vertelt dat de door een van de leden georganiseerde bijeenkomst nog onderwerp van gesprek was, toen er ‘door miscommunicatie’ al wervende e-mails over uitgestuurd werden.

    Hij zegt dat veel mensen ondanks aanhoudende wetenschappelijke kritiek toch blijven geloven in astrologie en op zoek gaan naar astrologisch advies in kranten, tijdschriften en op televisie. Hij weet niet in hoeverre wetenschappers aan voorlichting zouden moeten doen over de mogelijke gevaren van deze praktijken. ‘Ik vind het erg lastig om te beslissen of wij er als wetenschappers alleen kritiek op moeten leveren of ook moeten meewerken aan een oplossing,’ zegt hij. De regerende conservatieve Bharatiya Janata-partij (BJP) is er voorstander van om astrologie een plek aan de universiteit te geven. In 2001 besloot wetenschapsminister Murli Manohar Joshi van een door de BJP geleide coalitieregering om universiteiten toe te staan colleges astrologie in het curriculum 
op te nemen. Bij de organisatie van de door de IISc-alumnivereniging geplande astrologieworkshop speelde de Indiase regering en het ministerie van Wetenschap echter geen rol. Indiase wetenschappers maken zich al langer zorgen over de het anti-wetenschappelijke beleid van de regering van hun land; 
uit angst om hun baan te verliezen laten zij zich er alleen zelden publiekelijk over uit. De Breakthrough Science Society, die zevenduizend leden telt, organiseerde in augustus jl. een mars voor de wetenschap door zo’n veertig Indiase steden, uit protest tegen regeringssteun voor niet wetenschappelijk onderbouwde ideeën. Volgens Banerjee gaat het onder andere om plannen van de regering een nationaal onderzoeksprogramma op te zetten, gericht op de vermeende heilzame effecten van vijf runderproducten, panchgavya genaamd.

    Weerlegbaarheid

    Voorstanders van het onderzoek beschouwen zulke producten als een waardevol onderdeel van de enorme traditionele kennis van India, maar critici zien deze onbewezen theorieën als pseudowetenschap. Het bezingen van de heilzame werking van runderproducten is volgens hen deel van een bredere politieke agenda van hindoes, voor wie de koe een heilig dier is.

    Ook vinden ze dat onderzoek naar thema’s als panchgavya op een neutrale manier moet worden uitgevoerd en geen instrument mag zijn om traditionele kennis te bevorderen. Computationeel bioloog Rahul Siddhartan van het Institute of Mathematical Sciences in Chennai vindt dat de regering moet accepteren dat onderzoek naar traditionele hypothesen over vermeende gezondheidseffecten deze hypothesen mogelijk onderuit kan halen. ‘Weerlegbaarheid is de essentie van de wetenschap,’ zegt hij.

    Auteur: T.V. Padma
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Nature
    Verenigd Koninkrijk, weekblad, oplage 53.000

    Sinds 1869 heeft dit natuurwetenschappelijke tijdschrift een enorme prestige opgebouwd. Opgericht door amateurastronoom Norman Lockyer ontwikkelde Nature zich van een eenvoudige publicatie voor amateurwetenschappers tot een van de meest gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften.

  • Hoe het komt weet niemand, maar de insecten zijn weg

    Hoe het komt weet niemand, maar de insecten zijn weg

    In Duitse natuurgebieden verdween in 27 jaar driekwart van de insecten. Een studie laat precies zien om welke soorten het gaat. Maar niet wat de oorzaak is.

    De sterke afname van insecten in Duitsland is absoluut geen verzinsel van een paar insectenliefhebbers of verenigingen van entomologen, zoals sommige media anderhalf jaar geleden beweerden na een hoorzitting in het Duitse parlement. Een onderzoek van Caspar Hallmann van de Radboud Universiteit Nijmegen met behulp van vrijwilligers van de Krefeldse entomologenvereniging, concludeerde onlangs in het onlinetijdschrift Plos One dat het insectenbestand de afgelopen 27 jaar drastisch is verminderd.

    Bij metingen over de periode 1989-2016 stelde men vast dat in 63 beschermde Duitse natuurgebieden de biomassa aan vliegende insecten met 76 procent (en in de hoogzomer tot 82 procent) is teruggelopen. Dit verlies betreft nagenoeg alle insectensoorten, van vlinders, bijen en wespen tot en met motten en andere soorten die kunnen vliegen. Vrijwel al deze soorten zijn verantwoordelijk voor de bestuiving van planten, of ze zijn van belang als prooidier voor vogels. Ongeveer 80 procent van de wilde planten is afhankelijk van bestuiving door insecten, en voor 60 procent van de vogels in onze natuur vormen zij de belangrijkste voedselbron. De sterke terugloop in insectenaantallen is ook geen puur Duits fenomeen: betrouwbare studies lieten eerder al zien dat bijenpopulaties in andere landen duidelijk afnemen, en het aantal vlinders op de graslanden van Europa nam af met circa 50 procent.

    © Pexels
    © Pexels

    Wat precies de oorzaak van deze wijdverbreide afname is, blijft vooralsnog onduidelijk. De afnemende aantallen laten zich niet verklaren door alleen een verstoring van de habitat, klimaatverandering of wijzigingen in landgebruik – en daarmee verarming van het agrarische landschap. Tenminste: niet met de nu beschikbare data. Voor Joseph Settele, onderzoeker aan het Helmholz-Zentrum voor Milieuonderzoek in Halle, is dit een van de weinige zwakke punten van deze studie: ‘De auteurs konden niet alle voor het klimaat relevante factoren bij hun onderzoek betrekken. Naar hun eigen zeggen is er nog verdere analyse nodig. Je kunt het klimaat als belangrijke factor dus ook niet uitsluiten. Het idee dat weersveranderingen of wijzigingen in landgebruik de algehele teruggang niet kunnen verklaren, is een versimpeling die op zijn minst misleidend is.’

    Volgens Settele is het vinden van oorzaken voor veranderingen die zich op wereldschaal voordoen uiterst complex. Zo kunnen effecten van de klimaatverandering, zoals stijgende temperaturen en een hogere stikstoftoevoer, plaatselijk leiden tot verdichting van de vegetatie en juist een koeler microklimaat, zodat het grotere plaatje wordt versluierd.

    De uitsplitsing naar soorten die de Krefeldse onderzoekers hebben gemaakt, noemt Settele juist weer een sterk punt van de studie. In de toekomst zouden volgens hem ook plekken buiten de beschermde natuurgebieden op deze manier moeten worden onderzocht, om te kijken hoe de situatie daar is.
    Settele: ‘Hier stuit de amateuronderzoeker op zijn grenzen. Het is toch al enorm wat deze mensen tot dusverre hebben gepresteerd. Het is hard nodig dit soort waarnemingen systematisch te gaan verrichten – als een publieke taak, met publiek geld.’

    ant macro insect red 40825

    Ook natuurbeschermingsexpert Alexandra-Maria Klein van de Universiteit van Freiburg benadrukt dat er nog losse eindjes aan het onderzoek zitten. ‘Of de afname in andere ecosystemen, zoals agrarische of bosbiotopen, vergelijkbaar is, valt op 
basis van deze studie niet te zeggen.’

    De noeste arbeid van de Krefeldse insectenvangers wordt door alle ecologen unaniem geprezen. Voor Teja Tscharntke, agrarisch ecoloog aan de Georg-August-universiteit in Göttingen, ‘maken studie en uitkomsten een solide, overtuigende indruk’. De dramatische afname van de insectenaantallen laat zien ‘dat beschermde natuurgebieden nog slechts in zeer beperkte mate als toevluchtsoord dienen voor soorten die agrarische landschappen bevolken’.

    Zoöloog Johannes Steidle van de Hohenheim-universiteit in Stuttgart windt er nog minder doekjes om: ‘De resultaten van het onderzoek zijn schokkend. Het beetje hoop dat er mogelijk vraagtekens konden worden gezet bij de verontrustende informatie die al eerder naar buiten was gekomen 
– bijvoorbeeld omdat de studie gebreken vertoont – is vervlogen. Op het werk is methodisch niets aan te merken en het laat voor een groot geografisch gebied in Midden-Europa een massieve teruggang in de biomassa aan insecten zien. We zijn in een nachtmerrie beland, aangezien insecten een essentiële rol spelen bij het functioneren van onze ecosystemen.

    Auteur: Joachim Müller-Jung
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Openingsbeeld: @ Pexels

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

  • Bij Antarctica zit een gat in 
het ijs zo groot als Nederland

    Bij Antarctica zit een gat in 
het ijs zo groot als Nederland

    Een Duitse expert ontdekte een enorm ijsvrij gebied in de Zuidelijke Oceaan, waar het nochtans extreem koud is. Wat is hier aan de hand?

    Voor de kust van Antarctica gaapt een gat in het normaal zo dikke pakijs van de Weddellzee. En Lars Kaleschke denkt dat hij het als eerste heeft gezien. De zee-ijsexpert van de Universiteit van Hamburg bestudeert elke dag de actuele meetgegevens van de Japanse GCOM-W1-satelliet – en wat daar onlangs op ongeveer 64 graden zuiderbreedte en 3 graden oosterlengte op de kaarten zichtbaar was, sloeg hem met stomheid: ‘Een gat met een oppervlak groter dan Nedersaksen.’

    Midden in de dikke ijslaag ten oosten van het Antarctische schiereiland was een zogeheten ‘polinia’ ontstaan. Het woord komt uit het Russisch en wordt gebruikt voor een ijsvrij of slechts met een heel dun laagje ijs bedekt wateroppervlak in een anders dichtgevroren omgeving – want de luchttemperatuur in deze streek ligt nog altijd in de dubbele cijfers onder nul.

    Op een recente maandag bereikte de Weddell-polinia met 49.111 km2 haar grootste omvang tot nu toe. De woensdag erna was ze met 39.111 km2 weer iets kleiner. ‘Hier komt diep water naar boven dat twee tot drie graden warmer is dan het oppervlaktewater,’ legt 
Kaleschke uit. Dit is een gevolg van een complex mechanisme, en van een onderzees gebergte. Zo’n 500 kilometer voor de Antarctische kust rijst de zogeheten Maud Rise op van de oceaanbodem. Deze circa 3500 meter hoge bergen komen niet boven het wateroppervlak uit omdat de zee hier ongeveer 5 kilometer diep is. Maar ze sturen de zeestromingen in dit gebied wel stevig in de war, geholpen door de krachtige winden die er voorkomen.

    Overdrukventiel

    Dat alles kan leiden tot een omkering in de gelaagdheid van de oceaan ten zuiden van de Antarctische ringstroom: normaliter ligt onderaan een laag van relatief warm, zoutrijk water. Daarboven ligt, als een deksel op een kookpot, een laag water die kouder is en zoutarmer.

    Maar in het gebied van de polinia die boven de Maud Rise is ontstaan, komen nu grote hoeveelheden relatief warm water naar de oppervlakte. Dit water geeft zijn warmte af aan de lucht, waarna zich opnieuw zee-ijs vormt. Maar dat bevat maar eenderde van het eerder in het water opgeloste zout. De rest van het zout wordt afgegeven aan de oceaan, waardoor de dichtheid van het water in de bovenlaag verandert. Dit wordt zwaarder en zakt naar beneden, en door dit zelfversterkende effect blijft de polinia open.

    Het is niet voor het eerst dat zich in 
de Weddellzee een polinia voordoet. Geowetenschappers houden zich nog altijd bezig met een exemplaar dat in de jaren zeventig drie winters voortduurde en in 1980 voor het eerst 
wetenschappelijk werd beschreven.

    Het enorme gat was te zien op opnames van de Amerikaanse weersatelliet Nimbus 5 en bereikte zijn maximale omvang in september 1975. Toen was meer dan 310.000 km2 wateroppervlak ijsvrij. Er werd een expeditie naar het gebied gestuurd, maar die arriveerde pas toen de polinia alweer dicht was.

    Het ijsgat: rechts september 2017, links augustus 2016.
    Het ijsgat: rechts september 2017, links augustus 2016.

    Daarna deed het fenomeen zich veertig jaar lang niet voor, tot vorig jaar. Maar het gat dat in 2016 ontstond 
was volgens de berekeningen van Kaleschka met maximaal 19.072 km2 duidelijk kleiner dan in de jaren zeventig. En duidelijk kleiner dan dit jaar.

    Een polinia werkt als een soort 
overdrukventiel op een snelkookpan, 
waarmee de oceaan zich in korte tijd van grote hoeveelheden warmte kan ontdoen. De Zuidelijke Oceaan is als warmtereservoir voor de hele wereld van belang: hoewel hij maar 30 procent uitmaakt van het zeeoppervlak 
op aarde, neemt hij ongeveer de helft van de kooldioxide en driekwart van de warmte op die alle oceanen tezamen absorberen. Bovendien warmt de Zuidelijke Oceaan in vergelijking met andere wereldzeeën maar langzaam op. Computermodellen geven aan dat natuurlijke klimaatschommelingen regelmatig tot enorme gaten in het ijs zullen leiden. Recent presenteerden onderzoekers van het Instituut voor Zeeonderzoek in Barcelona in het vaktijdschrift Journal of Climate de resultaten van een modelberekening die aangeven dat deze warmtetransfer zelfs verreikende wereldwijde gevolgen kan hebben. Niet alleen de directe omgeving wordt namelijk opgewarmd, op het hele zuidelijk halfrond stijgen de temperaturen van water en lucht, zelfs het noordelijk halfrond ondervindt 
hiervan effecten.

    ‘In jaren en decennia met een grote polinia zien we verandering van winden op het zuidelijke halfrond. De 
tropische regengordel schuift in zuidwaartse richting op’, schrijft co-auteur Irina Marinov van de Universiteit van Pennsylvania. De verschuiving van de regengordel met een enkele graad naar het zuiden houdt volgens de modellen twintig tot dertig jaar aan, aldus de onderzoekers.

    Klimaatverandering

    Maar houdt de polinia ook verband 
met de klimaatverandering? Eerdere studies wezen uit dat bij een opwarmende aarde gaten in het ijs juist zeldzamer worden. Onderzoekers van de McGill-universiteit in het Canadese Montreal wierpen in 2014 in het vaktijdschrift Nature Climate Change de stelling op dat polinia’s in het verleden vaak in de Zuidelijke Oceaan voorkwamen.

    Pas door de invloed van de mens op 
het klimaat zijn de ijsgaten volgens 
de onderzoekers zeldzaam geworden – omdat het zee-ijs door de klimaatverandering sterker smelt en er daardoor meer zoutarm water aan het 
oceaanoppervlak voorkomt. Dat houdt in zekere zin de daaronder liggende warmere waterlagen in toom, en zorgt 
er zo voor dat vooral het diepe oceaanwater opwarmt.

    Maar van tijd tot tijd vindt die warmte kennelijk een weg naar boven en ontstaat er een gat in het ijs. Het afgelopen jaar, zo zegt onderzoeker Kaleschke, was er wereldwijd sprake van een minimum aan zee-ijs. Mogelijk werden deze lage waarden in het Antarctisch gebied mede veroorzaakt door de – destijds duidelijk kleinere – polinia. Ook vanwege dit vermoeden wil hij de cijfers voor dit jaar heel zorgvuldig bestuderen.

    Auteur: Christoph Seidler
    Vertaler: Marten de Vries

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.