Tag: winter

  • De verrassende waarheid over seizoensgebonden depressie

    De verrassende waarheid over seizoensgebonden depressie

    Het wordt algemeen aangenomen dat we neerslachtig zijn in de winter. Maar sommige onderzoekers zetten vraagtekens bij de psychologische effecten van de seizoenen.

    Velen van ons voelen zich opgewekt als de zomertijd weer ingaat, omdat na maandenlange neerslachtigheid door de koude winter de lente weer aanbreekt. Toch? Het verhaal is dat we de winter hebben doorstaan met als beloning een fonkelende aanloop naar de zomer. De gedachte aan de winter als een seizoen met donkere, deprimerende, koude dagen die mensen ternauwernood overleven, lijkt immer aanwezig. Die gedachte wordt in stand gehouden door artikelen over hoe je de ‘winterblues’ te lijf kunt gaan. Lichttherapie is een miljardenindustrie en in het noordwesten van de VS (waar ik woon) wordt er zelfs afgeteld naar wat wij ‘De Grote Duisternis’ noemen.

    Sommige onderzoekers zetten hier echter hun vraagtekens bij en stellen de psychologische effecten van de winter ter discussie. Ze vragen zich af of we niet inmiddels zo vaak hebben gehoord dat de winter vreselijk is voor onze psyche, dat we daar ondubbelzinnig in zijn gaan geloven. Het begrip seasonal affective disorder [seizoensgebonden affectieve stoornis] – of liever nog de pakkende afkorting SAD – is zo populair dat het in alledaagse gesprekken wordt gebruikt.

    ‘De grafiek bleef het hele jaar door gewoon zo plat als een pannenkoek’

    Steve LoBello, psycholoog en onderzoeker aan de Auburn University in Montgomery, wilde vaststellen wat de landelijke omvang is van SAD – een jaarlijkse depressie die strikt de cyclus van de seizoenen volgt, meestal optreedt in de herfst en de winter en weer afneemt in de lente en de zomer. Om te zien of depressies seizoensgebonden zijn, analyseerden LoBello en zijn team de gegevens van een onderzoek naar gedragsrisicofactoren door het CDC, de Amerikaanse tegenhanger van het RIVM. Honderdduizenden Amerikanen worden jaarlijks voor dat onderzoek gevraagd naar hun gezondheid en welzijn, en het bevat een aparte vragenlijst met betrekking tot depressie en angst.

    ‘We verwachtten dat het aantal gevallen in de winter zou toenemen en in het vroege voorjaar zou afnemen, maar vonden daarover niets in de gegevens,’ aldus LoBello over de studie die in 2016 werd gepubliceerd. ‘De grafiek bleef het hele jaar door gewoon zo plat als een pannenkoek.’ Ze vonden ook geen correlatie tussen een zware depressie en de breedtegraad (of uren daglicht) van de respondent. LoBello publiceerde een paar jaar later, in 2018, een andere studie waarin zelfs geen correlatie werd gevonden tussen milde depressie en de seizoenen. Toch domineert het idee dat we in de winter allemaal meer kans lopen om verdrietig en depressief te worden. Volgens LoBello is die gedachte meer gebaseerd op folklore dan op wetenschap.

    SAD betrad de wereld van de psychologie door een artikel uit 1984 waarin een Amerikaans onderzoek onder 29 patiënten wordt beschreven. Deze patiënten hadden zich na een advertentie in de krant vrijwillig aangemeld voor het onderzoek en werden vooraf gescreend zodat alleen diegenen deelnamen die al gediagnosticeerd waren met een ernstige affectieve stoornis. De meesten van hen hadden een bipolaire affectieve stoornis en lieten weten dat ze gedurende ten minste twee voorgaande winters een depressie hebben gehad die in de lente of de zomer afnam.

    Al snel werd de specificatie ‘seizoensgebonden’ toegevoegd aan het hoofdstuk over affectieve stoornissen in het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Tevens werden er criteria vastgesteld voor de diagnose SAD: iemand moet tijdens een bepaald seizoen lijden aan een zware depressie, die depressie moet verdwijnen tijdens een ander seizoen en dat patroon moet zich minstens twee jaar lang herhalen. Naar schatting lijdt tegenwoordig 4 tot 6 procent van de Amerikaanse bevolking tijdens de wintermaanden aan SAD – een kleiner percentage van de SAD-gevallen wordt veroorzaakt door de zomer. Deze percentages stemmen niet overeen met hoe gemakkelijk mensen de term op zichzelf toepassen.

    ‘De koude winterlucht zorgt ervoor dat ik me levendiger en alerter voel, terwijl zomerhitte me juist slaperig maakt’

    De vraag hoe de seizoenen onze hersenen beïnvloeden is net als bij andere psychologische onderzoeken gecompliceerd en zeer uiteenlopend. Veel studies suggereren dat er voor sommige mensen enig verband bestaat tussen de seizoenen, blootstelling aan licht en symptomen van depressiviteit. Andere studies betwisten deze bevindingen. Zo is er een literatuuronderzoek uit 2008 van een team in Noord-Noorwegen dat zelfs in die extreme winteromgeving ‘geen correlatie kon vinden tussen depressieve symptomen en de hoeveelheid omgevingslicht’. Nationale gezondheidsdiensten in Zweden en Groot-Brittannië hebben gemeld dat het bewijs voor lichttherapie bij de behandeling van depressieve stoornissen niet overtuigend is. Dat wil niet zeggen dat niemand in de winter vanwege het weer depressieve symptomen ervaart, maar het is moeilijk om vast te stellen dat er voor de hele bevolking een verband bestaat tussen winter en een slecht humeur.

    Zeker is in ieder geval dat niet ieders stemming en cognitie op dezelfde manier worden beïnvloed door de seizoenen. Hoewel langere, warmere dagen algemeen worden beschouwd als een soort volksremedie tegen neerslachtigheid, melden sommige mensen die in een klimaat leven waar de zon altijd schijnt dat ze zich niet lekker voelen door de afwezigheid van de winter. Kate Sedrowski, een 42-jarige bergbeklimmer en schrijver, groeide op in Michigan en studeerde in Boston voordat ze naar Los Angeles verhuisde. ‘Het ontbreken van seizoenen – en dan vooral van de winter – voelde voor mij gewoon niet goed,’ laat ze weten per e-mail. ‘De koude winterlucht zorgt ervoor dat ik me levendiger en alerter voel, terwijl zomerhitte me juist zo slaperig als een luiaard maakt. De korte dagen in de winter dwingen me om het daglicht te benutten om dingen voor elkaar te krijgen, voordat ik me kan ontspannen en overgeven aan de winterslaap als het donker wordt.’ Sedrowski, die nu in Golden in Colorado woont, zegt dat ze in de koude wintermaanden vol sneeuw de meeste energie heeft.

    Sommige mensen ontdekken zelfs een ander soort productiviteit in de winter. De koelere, zuidelijke winter is nu Muriel Vega’s favoriete tijd van het jaar. Zij heeft als inwoner van Atlanta absoluut niet te lijden van strenge winters, maar is opgegroeid in een tropisch land waar het altijd zonnig en warm was. Vega vindt het prettig dat de hitte en de constante sociale verplichtingen onderbroken worden. ‘De winter is een heel bijzondere tijd om binnen te blijven,’ zegt de 36-jarige productmanager. De zomer staat meestal bol van de uitjes met vrienden, dagen op het strand en bezoeken aan het park, maar in de winter kan ze op andere manieren productief zijn. Dan besteedt ze meer tijd aan haar gezin, aan lezen en huiselijke dingen als schoonmaken en uitgebreid koken.

    Tromsø

    Hersenonderzoekers besteden ook aandacht aan de vraag of de winter ons mentaal slomer maakt. Timothy Brennen, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Oslo en gespecialiseerd in geheugen en cognitie, onderzoekt of verschillen tussen de seizoenen leiden tot verandering in cognitieve activiteit zoals herinnering, attentie of reactiesnelheid. Hij koos voor zijn onderzoek Tromsø in Noorwegen. Dat ligt boven de poolcirkel en twee maanden per jaar komt de zon er helemaal niet boven de horizon uit. Het maakt de stad bij uitstek geschikt voor dit soort onderzoek. ‘De meeste testen laten geen verschil in prestatie zien tussen zomer en winter, en als ze dat wel doen, suggereren vier van de vijf zelfs dat de winter voordelen heeft’, schrijft Brennen in zijn artikel. Toch schrijven velen van ons slaperigheid of gebrek aan geestelijke productiviteit toe aan een seizoensgebonden depressie. Als we allemaal echt depressief zouden zijn in de winter, aldus Brennen, ‘dan zou dat enorme gevolgen moeten hebben voor de samenleving. Maar dat is niet zo.’

    De seizoenen beïnvloeden ons leven wel degelijk, verduidelijkt Brennen, maar steeds meer onderzoeken tonen aan dat de meesten van ons in de winter geen grote psychologische effecten ervaren zoals depressie en cognitieve sloomheid, ook al denken we van wel. Wakker worden op donkere winterochtenden kan bijvoorbeeld moeilijker zijn dan wakker worden in de zomer. ‘Maar suf zijn nadat je bent ontwaakt uit een diepe slaap heeft niets te maken met depressie,’ zegt hij. Je voelt in dergelijke gevallen de effecten van een verstoring van je slaapcyclus. Of je voelt de verleiding van een knus, warm bed op een koude ochtend.

    We kunnen ons ongemakkelijk voelen bij lagere temperaturen of bij gevaarlijke weersituaties zoals sneeuwstormen. Ook kunnen we grapjes maken dat we het hele seizoen een winterslaap zouden willen houden. Maar ons zenuwstelsel en ons leven staan niet zomaar stil. Sommige van de drukste reisweekenden vinden plaats tijdens de wintervakantie. Veel mensen trekken in januari en februari naar de bergen om te skiën, snowboarden of sleeën. De winter kan zeker donker zijn en lastig om door te komen, maar voor de meesten van ons heeft het seizoen geen ernstigere effecten dan dat.

  • Winterstorm in Verenigde Staten eist zeker vijf mensenlevens

    Winterstorm in Verenigde Staten eist zeker vijf mensenlevens

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Venezuela: het leger belooft trouw aan president Maduro

    » Krachtige aardbeving in Tibet veroorzaakt ten minste 53 doden

    De storm heeft geleid tot veel verkeersongelukken

    ‘Minstens vijf mensen zijn omgekomen in een winterstorm’ die sinds zondag over het midden en oosten van de Verenigde Staten raast, ‘met als gevolg sluitingen van scholen, chaos in het verkeer en stroomstoringen’, meldt de BBC. Meer dan tweeduizend vluchten zijn geannuleerd en zo’n 250.000 mensen zaten maandagavond nog steeds zonder stroom, aldus de Britse omroep.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De koude lucht die vanuit het noordpoolgebied naar beneden komt en gepaard gaat met sneeuwval en vriestemperaturen – tot wel -18 graden Celsius op maandagavond – zal naar verwachting nog enkele weken in een deel van het land aanhouden. Het slechte weer heeft ook geleid tot veel verkeersongelukken, vooral in de staat Kansas, een van de staten die het zwaarst getroffen zijn door de storm.

  • Van Groenland tot Antarctica: deze tradities brengen licht in de duisternis van de winter

    Van Groenland tot Antarctica: deze tradities brengen licht in de duisternis van de winter

    Bewoners van koude gebieden houden er verschillende gewoontes op na om het gebrek aan licht te verzachten en de terugkeer van de zon te vieren. In een tijd van het jaar waarin de dagen nauwelijks te onderscheiden zijn van de nachten, brengen deze tradities verwondering en troost.

    Keuze uit het archief

    De decembermaand is aangebroken. Dat betekent koude dagen, lange nachten en de komst van de winter. Toch hebben Nederlanders niets te klagen als je kijkt naar andere plaatsen op de wereld, waar mensen soms maandenlang de zon niet zien. Deze reportage van The Guardian noemt een aantal van deze plaatsen en legt uit hoe de lokale bewoners daar met de duisternis omgaan.

    Deze lange avonden rond de jaarwisseling, wanneer de schemering al vlak na de lunch lijkt in te vallen, doen me denken aan de extreme poolnacht die ik een paar winters geleden doorbracht op een klein, rotsachtig eiland voor de westkust van Groenland. De bewoners van de Upernavik-archipel zien van eind november tot januari geen zon. In de e-mail die ik ontving als uitnodiging om te komen werken in het kunstenaarsatelier van het museum op het eiland – het meest noordelijke museum ter wereld – stond dat ik kon kiezen tussen zomer of winter. ‘Veel zuiderlingen denken dat de duisternis van de winter een vreselijk zware tijd betekent’, schreef de museumdirecteur. ‘Maar als je er eenmaal aan gewend bent geraakt, is deze heel goed geschikt om na te denken – iets wat mensen gewoonlijk veel te weinig doen.’

    Dat bleek te kloppen. Toen ik eenmaal enigszins gewend was aan de voortdurende duisternis, leerde ik de nuances van het licht te waarderen: de heldere sterrenbeelden, de veranderende maan of het licht dat uit de ramen van mijn buren kwam. Andere zintuigen drongen zich op de voorgrond. Ik hoorde het gehuil van sledehonden al in de verte, het gekraak van kindervoetjes in kleine sneeuwlaarsjes. Terwijl de grote ijsbergen aan de horizon zwak glinsterden in het maanlicht op hun doortocht naar het zuiden, beleefde ik intiemere reizen in de beschutting van mijn hut en legde ik een aantal oude spoken te ruste.

    Het was een les in soberheid, maar ik was niet geïsoleerd. Er waren veel festiviteiten om de boel op te vrolijken – een feest is eindeloos als de dageraad nooit aanbreekt. De manier van leven van de eilandbewoners wees me op het belang van gezelschap en de eenvoudige aandacht voor rituelen. Die rituelen lopen uiteen van de dagelijkse zorg voor jezelf, zoals het bereiden van een bewerkelijke pap als ontbijt, tot het meer sociale, dagelijkse rondje kaffemik (koffiedrinken in het ene huis na het andere, vaak vergezeld van snoep en koekjes). Kerstmis, Nieuwjaar en Valentijnsdag kwamen en gingen, maar de gebeurtenis waarnaar het meest werd uitgezien, was de terugkeer van de zon. De datum waarop een eerste zwakke gloed aan de horizon is te zien varieert langs deze kust – meestal begint die rond 13 januari in Aasiat, richting het zuiden. 

    Overvloed aan boeken

    Waar ik was, in het noorden, keken we naar televisiereportages van wat er op de lagere breedten gebeurde. De dagen verstreken en het licht kwam steeds dichterbij. En toen kwam de dag waarop onze gemeenschap naar het hoogste punt van het eiland trok om de gouden bol boven het zee-ijs te zien uitstijgen. Schoolkinderen gingen ons voor. Ze droegen uit geel papier geknipte zonnetjes op hun sneeuwpakken en zongen een welkomstlied. De terugkeer van de zon is een moment van hoop.

    In IJsland zijn de nachten en dagen duidelijker van elkaar te onderscheiden, maar ook hier bieden atmosferische verschijnselen verwondering en troost. Ik woonde in een golfplaten hut in Siglufjörður op het schiereiland Trollskagi, waar ik schreef aan mijn boek The Library of Ice. Lezen en schrijven is een normaal binnenshuis tijdverdrijf voor IJslanders in de winter – jólabókaflóðið, ofwel ‘een overvloed aan boeken rond kerst’, is een welbekende traditie. Buitenshuis liggen meer ontastbare, elementaire vormen van vermaak op de loer. Het noorderlicht – het resultaat van geladen deeltjes die in botsing komen met de atmosfeer van de aarde – verschijnt het vaakst tussen september en april en dan vooral rond de nachtevening [het moment waarop de zon loodrecht boven de horizon staat]. Maar er is geen garantie op het fenomeen, en dat maakt het nog intrigerender.

    Terwijl noorderlichtjagers in alle ernst de voorspellingen en weerberichten in de gaten hielden en in hun SUV’s dapper naar verre fjorden reden, genoot ik ervan te wachten tot de groene vuren zich veel dichterbij manifesteerden, ingekaderd door mijn raam boven een vertrouwd stuk berg. Volgens de folklore is het noorderlicht het spoor dat wordt achtergelaten door elfen, of zijn het ‘verborgen mensen’ (huldufólk) die in de donkere hemel dansen. Er zijn in Scandinavië veel mythische verklaringen voor het noorderlicht te vinden, maar misschien is het juist de ondoorgrondelijkheid die zo intrigeert, vanwege het mysterie en de onvoorspelbaarheid.

    Schaduwen, waarzeggerij en het zesde zintuig zijn trouwens onlosmakelijk verbonden met winter. Deze donkere periode is ook een tijd van voorspellingen. Een nieuw jaar wordt vaak ingeluid met goede voornemens en voorspellingen. Toen ik tijdens oud en nieuw met een groep Duitse kunstenaars in Villa Concordia in Bamberg in Beieren verbleef, nam ik deel aan het zogenoemde loodgieten (Bleigießen), een gebruik waarbij gesmolten lood (tegenwoordig meestal tin of was) wordt gebruikt om de toekomst te voorspellen, zoals ook met theeblaadjes wordt gedaan.

    Zodra er ijs ligt is rollen in verse sneeuw een meer dan bevredigend alternatief

    Hierbij wordt een kleine hoeveelheid metaal in een pollepel boven een vlam gesmolten en dan in een kom met koud water gegoten. De organische, verwrongen vormen die het staafje lood aanneemt als het afkoelt, worden geïnterpreteerd om het komende jaar te voorspellen. Als het lood bijvoorbeeld een bal vormt, zegt men dat het geluk jouw kant op zal rollen. De vorm van een anker belooft hulp. De voorspelling is in een oogwenk gedaan, maar discussies over deze vormverandering van het element kunnen de hele nacht duren, vooral na een bocksbeutel [traditionele wijnfles] met bubbels.

    Het loodgieten komt ook voor in Finland, waar het bekendstaat als tinanvalanta. Maar een nog intensere ervaring is om je bij koud weer terug te trekken in een zomerhuisje met sauna in het merengebied, om daar het oude jaar weg te stomen. In de zomer renden we vanuit de houten hut van mijn vriend naar het meer voor een verfrissende duik, maar zodra er ijs ligt is rollen in verse sneeuw een meer dan bevredigend alternatief. 

    Sommige internationale commerciële kuuroorden bieden zelfs kunstmatige ‘sneeuwkamers’ bij hun saunabehandelingen – een dappere poging om het rollen in pas gevallen sneeuw onder dennentakken die doorbuigen onder het gewicht van waterkristallen na te bootsen. Het oude jaar zou uitgewist kunnen worden met een paar koele slokken wodka met bosbessen, maar water is geschikter voor degenen die januari graag gezond aanvangen en willen profiteren van de heilzame effecten van de plotselinge overgang van warmte naar kou.

    Vuurzee

    Even opwindend is een duik in het koude water van de Firth of Forth, een oude traditie op nieuwjaarsdag voor de inwoners van Edinburgh. Voor de viering van Hogmanay [Schots voor oudejaarsavond en de bijbehorende festiviteiten], is in Portobello Park is een nieuw initiatief ontstaan. Om het einde van de feestelijkheden in te luiden worden afgedankte kerstbomen op het zandstrand ‘geplant’ en vervolgens in brand gestoken. Portobello is het enige openbare park in Schotland waar je een vuurtje mag stoken en kleine vreugdevuren zijn hier het hele jaar door te vinden, maar de brandstapel voor het nieuwe jaar moet soms door de autoriteiten worden getemperd. Het is misschien niet de meest duurzame manier om je te ontdoen van hout, maar indrukwekkend is de vuurzee aan de Firth of Forth well deze doet denken aan meer gevestigde Schotse midwintervieringen met vuur, uiteenlopend van Burning the Clavie in Burghead tot de Comrie Flambeaux en van de Fireballs in Stonehaven tot Helly Aa op de Shetland-eilanden. Het meest spectaculair is de dramatische verbranding van een model van een Vikingschip in het dorpje Lerwick.

    Maar de vernietigende kracht van de elementen is uiteindelijk nergens duidelijker zichtbaar dan op de ijskap van Antarctica in de winter. Op het zuidelijk halfrond valt midwinter in juni. Dan wordt op onderzoeksstations het onderzoek naar ijskernen, gletsjers en de gewoonten van pinguïns stilgelegd en bereiden wetenschappers zich voor op de lange reis naar huis. Op de meest zuidelijke Britse basis, Halley VI, heersen temperaturen van min 30 graden Celsius, gepaard met snijdende wind. De zon komt wekenlang niet op boven de futuristische rode en blauwe cabines.

    Een ervaren overwinteraar vertelde me dat de oudste persoon op de basis de vlag aan het einde van het seizoen laat zakken en dat de jongste hem zal hijsen als het onderzoeksprogramma in de lente weer begint. Het is inmiddels een traditie met nieuwjaar geworden, geliefd bij de weinige overwinterende wetenschappers en het ondersteunende personeel op Halley VI: voor de zonnewende op 21 juni zendt BBC World Service zijn misschien wel meest ongebruikelijke programma uit voor het kleinst beoogde publiek. Overal ter wereld kan men afstemmen op deze hartverwarmende mix van berichten aan familie en vrienden, muziekverzoeken en boodschappen van de British Antarctic Survey. Luisteraars kunnen in hun verbeelding meereizen met degenen die onderzoek doen naar de atmosfeer en het klimaat in het verleden om meer te weten te komen over de toekomst van de planeet – ook een vorm van voorspellen en goede voornemens, uiteindelijk zelfs de belangrijkste van allemaal.

  • Koude kermis: hoe warm te blijven tijdens een energiecrisis

    Koude kermis: hoe warm te blijven tijdens een energiecrisis

    Bij veel mensen valt de energierekening koud op het dak. Ze denken twee keer na voordat ze de verwarming hoger zetten. Hoe past ons lichaam zich aan de kou aan? En een muts dragen, helpt dat nou echt?

    Net als andere zoogdieren en vogels zijn wij, mensen, warmbloedig. Door middel van thermoregulatie houden we constant onze lichaamstemperatuur op peil, gemiddeld tussen de 37 en 37,5 graden Celsius. Wanneer de externe omgeving verandert, ‘wordt een reeks fysiologische reacties in gang gezet. Zo wordt de temperatuur van ons weefsel – huid, bloed en spieren – verlaagd,’ aldus dr. Joseph Costello, die als fitness- en omgevingsfysioloog aan de Universiteit van Portsmouth werkt in laboratoria voor extreme klimaatomstandigheden. ‘Als de blootstelling van het lichaam langere tijd duurt, kan de zogenaamde diepe temperatuur ook veranderen.’

    Thermoregulatie wordt aangestuurd door de hypothalamus. Dat is een structuur diep in de hersenen die het interne evenwicht (‘homeostase’) in stand houdt door processen als de hartslag en lichaamstemperatuur te reguleren. Als de hypothalamus merkt dat het lichaam koud wordt, stuurt hij signalen naar de huid, klieren, spieren en organen, waardoor reacties op gang komen die het lichaam warm houden en de vitale organen beschermen.

    Wanneer het lichaam afkoelt, heeft bescherming van de interne organen de hoogste prioriteit. Als de omgevingstemperatuur daalt tot vijftien graden, worden de bloedvaten die dicht onder de huid gelegen zijn nauwer. De bloedstroom wordt omgeleid van de uiterste lichaamsdelen – denk aan de handen, voeten, armen, benen en de buitenste huidlaag – naar de kern, om de organen warm en beschermd te houden. Vandaar dat de huid kou als eerste signaleert. Sommige mensen voelen kou sterker dan anderen, met name vrouwen, bejaarden en jonge kinderen. Vrouwen hebben namelijk meer lichaamsvet dan mannen; een dikke laag onderhuids vet isoleert de inwendige organen, maar blokkeert tegelijkertijd de toevoer van warm bloed naar de huid en de uiterste ledematen. Vrouwen hebben doorgaans ook minder spieren, die door rillen warmte kunnen opwekken. Minder spiermassa zorgt er daarnaast voor dat het vermogen van de basale stofwisseling afneemt: het vermogen om voedsel om te zetten in energie.

    Als de huid net zo koud wordt als de omgevingstemperatuur, kan het gebrek aan bloed in de huid leiden tot een blauwachtige tint

    Die stofwisseling verslechtert met de jaren, waardoor het ouderen ook meer moeite kost om bloed te pompen naar de plekken die daarom vragen. Bij baby’s zijn de stofwisselingsmechanismen simpelweg nog niet genoeg ontwikkeld om goed op kou te reageren, aldus neonatoloog dr. Chris Dewhurst van de Liverpool Women’s NHS Foundation Trust. ‘Baby’s kunnen bijvoorbeeld niet rillen,’ zegt hij. ‘Bovendien is hun lichaamsmassa in verhouding tot hun oppervlakte erg groot, wat betekent dat ze het eerder koud krijgen.’ Baby’s beschikken echter wel over bruin vet – hetzelfde soort vet dat dieren in winterslaap hebben. ‘Bruin vet genereert warmte door calorieën te verbruiken,’ legt Dewhurst uit. ‘Het gaat dan om calorieën die normaal gebruikt zouden worden om spieren en hersenweefsel te kweken.’

    Wel kunnen wanneer die calorieën inderdaad worden gebruikt om het lichaam warm te houden, de groei en hersenontwikkeling worden aangetast, waarschuwt hij. Wanneer de lichaamstemperatuur daalt, stijgt de bloeddruk, doordat er meer bloed dan normaal door een kleinere ruimte wordt gepompt. In een poging de hoeveelheid vloeistof te verlagen en de bloeddruk naar beneden te brengen, reageren de nieren door overtollig vocht uit het bloed te filteren. Het resultaat kan zijn dat je als het kouder is vaker moet plassen. Dit proces wordt koude diurese genoemd. Als de huid net zo koud wordt als de omgevingstemperatuur, kan het gebrek aan bloed in de huid leiden tot een blauwachtige tint. Als het lichaam lange tijd aan kou wordt blootgesteld, kan deze verdedigingsstrategie ervoor zorgen dat de bloedstroom in sommige delen van het lichaam gevaarlijk laag komt te liggen.

    Onderkoeling

    Zo bezien heeft het lichaam er in feite voor gekozen om de meer vervangbare delen – denk aan vingers, tenen, oren, neus en wangen – op het spel te zetten om de kerntemperatuur te behouden. Als de huidtemperatuur daalt tot min twee, begint het lichaamsweefsel te bevriezen. De huid ziet er dan wasachtig uit, hij tintelt of prikt en voelt gevoelloos aan. Vervolgens bevriezen de diepere weefsels. Dat heet met een medische term ‘congelatio’. De huid kan dan blauw, grijs of zwart worden. Bij min vier kunnen zich ijskristallen in het bloed vormen. In het geval van ernstige bevriezing kan de huid zo hard als hout aanvoelen. Als het zover is, kunnen ook spieren en botten bevriezen.

    Wanneer het vernauwen van de bloedvaten niet langer volstaat voor het behouden van de kerntemperatuur, gaat het lichaam rillen om de warmteproductie op te voeren. De skeletspieren trekken samen om warmte te genereren, wat het eerste symptoom van onderkoeling is. Onderkoeling tast alle systemen van het lichaam aan: de stofwisseling, het mentale bewustzijn, de zenuwgeleiding en neuromusculaire reactietijden, alsook het cardiovasculaire systeem [dat hart en vaten betreft] en het ademhalingssysteem. Naarmate de lichaamstemperatuur daalt, wordt het moeilijker om duidelijk te praten, verslechtert de coördinatie en treedt er geheugenverlies op. Als de lichaamstemperatuur daalt tot 32 graden, stopt het lichaam met rillen. Komt de kerntemperatuur onder de 30 graden, dan gaat het hart onregelmatig kloppen en hapert de nierfunctie. Vloeistof hoopt zich op in het weefsel en in de luchtruimten van de longen. Bij 29 graden kan er bewusteloosheid optreden. En bij 26 graden de dood.

    Koudeletsel

    Wat nou als je het maar middelmatig koud hebt, maar voor een lange periode – bijvoorbeeld omdat je je huis niet kunt verwarmen? ‘Bij langdurige blootstelling aan minder strenge kou kunnen mensen alsnog lijden aan koudegerelateerde kwalen,’ zegt Costello’s collega en tevens omgevingsfysioloog Clare Eglin. ‘Symptomen van koudeletsel zonder dat er sprake is van bevriezing zijn bijvoorbeeld veranderde zintuiglijke functies, koudegevoeligheid en pijn als gevolg van schade aan de bloedvaten en zenuwen in de handen of voeten. Als die schade ernstig is, kunnen de symptomen vele maanden aanhouden.’

    Ook het langdurig inademen van koude lucht kan de luchtwegen en longen irriteren, zelfs bij gezonde mensen. Bovendien kunnen bestaande ademhalingsproblemen verergeren, zoals astma, bronchitis of chronische obstructieve longziekte. Bij het inademen zorgen de neus en de mond er meestal voor dat de lucht wordt opgewarmd en bevochtigd voordat deze de longen bereikt. Bij het inademen van koude lucht reageren de bovenste luchtwegen door zich te vernauwen, waardoor het moeilijker wordt om te ademen. Bovendien bevat koude lucht minder vocht dan warme lucht, wat betekent dat de luchtwegen door het inademen kunnen uitdrogen. 

    ‘Ademhalingsinfecties gedijen goed bij koudere temperaturen,’ aldus Erika Radford, hoofd gezondheidsadvies bij Asthma + Lung UK. ‘De winter is sowieso al een risicovolle tijd voor mensen met longaandoeningen. Het laatste wat we willen, is dat er vanwege blootstelling aan kou nog meer naar lucht happende mensen naar het ziekenhuis worden gebracht.’

    Er zijn een paar strategieën die wetenschappelijk aantoonbaar helpen tegen de kou. Maar er bestaan ook heel wat fabeltjes, die je maar beter kunt vergeten.

    • Draag een muts: wetenschappers hebben ontdekt dat we meer warmte verliezen via ons lichaam dan via ons hoofd. Toch is het de moeite waard een muts te dragen: als je lichaam warm is maar je hoofd koud, gaat je lichaam niet over op rillen, waardoor je kerntemperatuur snel afneemt.
    • Draag laagjes: als je veel dunne laagjes aan hebt, sluit je lucht in. Zo boots je als het ware het horripilatie-effect na – beter bekend als kippenvel. Veel dieren maken daar ook handig gebruik van: kleine spiertjes, die arrector pili worden genoemd en zich aan de basis van elk haarzakje bevinden, trekken samen, waardoor haren overeind gaan staan en lucht wordt vastgehouden.
    • Blijf actief: lichamelijke inspanning zorgt ervoor dat spieren samentrekken, waardoor meer voedingsstoffen worden afgebroken. Dat genereert warmte. Alleen al het op- en afstappen van een traptrede kan 200 watt aan extra warmte produceren, waardoor de lichaamstemperatuur snel toeneemt. Maar ga hierin niet te ver – als je oververhit raakt en begint te zweten, kunt je snel warmte kwijtraken op het moment dat je zweet verdampt.
    • Drink geen alcohol: alcohol stuurt bloed naar de huidoppervlakte, waardoor het wordt afgevoerd van de lichaamskern. De diepe lichaamstemperatuur daalt, waardoor de kans op onderkoeling toeneemt. Alcohol blijkt er bovendien voor te zorgen dat we kou minder goed waarnemen en minder snel en effectief automatisch gaan rillen.

    Brandstofgebrek

    Volgens deskundigen van het University College London (UCL) zullen deze winter duizenden mensen sterven en miljoenen kinderen lijden door brandstofgebrek van een ‘epidemische omvang’. ‘We bevinden ons op onbekend terrein,’ aldus dr. Tammy Boyce, hoofdonderzoeker aan de UCL en medeauteur van The Marmot Review [van het instituut van gezondheidsgelijkheid]. ‘Huizen die voorheen niet koud waren, zullen dat nu voor het eerst wel zijn. Mensen die nooit brandstof tekortkwamen, zullen nu lijden onder het gebrek.’ 

    Gehandicapten, bejaarden en kinderen zullen het hardst worden getroffen, voegt ze eraan toe. Ze benadrukt dat de kou werkelijk invloed heeft op alles, van schoolresultaten en geestelijke gezondheid tot lichamelijk welzijn. Boyce: ‘Het enige goede wat hieruit kan voortkomen, is dat mensen zich realiseren wat voor een invloed huisvesting heeft op de gezondheid.’

    <iframe width=”100%” height=”166″ scrolling=”no” frameborder=”no” allow=”autoplay” src=”https://w.soundcloud.com/player/?url=https%3A//api.soundcloud.com/tracks/1404040996&color=%23ff5500&auto_play=false&hide_related=false&show_comments=true&show_user=true&show_reposts=false&show_teaser=true“></iframe>

  • Oekraïne wil energie besparen met winter in aantocht

    Oekraïne wil energie besparen met winter in aantocht

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Erdogan wil grondoffensief in Syrië beginnen

    » Bolsonaro probeert stemmen ongeldig te verklaren

    Door Russische aanvallen kampen veel regio’s met stroomuitval

    De eerste sneeuw is gevallen in Oekraïne. Aangezien de winter zich aandient, hebben Oekraïense autoriteiten inwoners van het land opgeroepen vooral zuinig om te gaan met energie en zo veel mogelijk kleren en dekens in te slaan, meldt persbureau Reuters. Aanleiding zijn de aanhoudende aanvallen door de Russische strijdkrachten op de Oekraïense energievoorzieningen.

    Naar verwachting zullen miljoenen mensen met energieproblemen kampen in de winter vanwege het Russisch geweld. De Verenigde Naties waarschuwden al eerder voor een mogelijke humanitaire ramp, ondanks dat Oekraïne een relatief zachte herfst heeft doorgemaakt. Een groot aantal ziekenhuizen in het land zouden al kampen met tekorten aan water, brandstof en stroom.

    In alle regio’s van het land zullen de komende tijd geplande onderbrekingen op het elektriciteitsnet plaatsvinden om zo veel mogelijk energie te besparen. Autoriteiten hebben gezegd niet uit te sluiten dat, zolang de Russische aanvallen op het energienet aanhouden en de winterkou doorzet, burgers geëvacueerd moeten worden.

    Lees ook:

  • Ook deze Duitse journalist droomt al twintig jaar van een Elfstedentocht

    Ook deze Duitse journalist droomt al twintig jaar van een Elfstedentocht

    Als negenjarige jongen zag de Duitse journalist Johannes Böhme de Elfstedentocht op televisie. Sindsdien koestert hij elke winter dezelfde hoop als wij: gaat het eindelijk weer gebeuren?’

    Dit artikel verscheen eerder in #131.

    De horizon in Friesland loopt zo recht boven het vlakke landschap dat het lijkt alsof een reus met een liniaal een lijn heeft getrokken. Een scherpe grens, die het fletse blauw van de winterhemel en het groenbruin van de velden van elkaar scheidt. De enige hobbels zijn reusachtige boerderijen, met riet gedekt, als piramiden in een woestijn van gras. En over dit alles fluit onophoudelijk de wind. Het is een landschap voor mensen van weinig woorden en met grote verlangens. Die zonder morren regen en duisternis doorstaan en hun dromen decennialang met zich meevoeren.

    Dromen zoals die waar het hier om gaat. Met elke dag vorst komt hij meer tot leven. Het is de droom van het dichtvriezen van rivieren, vaarten en sloten die hier in het Noord-Nederlandse Friesland als een vroegmodern internet alles met elkaar verbinden – velden met dorpen, dorpen met andere dorpen, steden met steden. De droom dat je dan op schaatsen door dit vlakke landschap kunt glijden als een Maserati over de snelweg; moeiteloos, haast gewichtloos, alleen te overtreffen door vliegen. Het is de droom van de Elfstedentocht, een schaatswedstrijd met start en finish in Leeuwarden over een 200 kilometer lang parcours, door elf Friese steden, met meer dan 30.000 deelnemers en een miljoen toeschouwers.

    Screen Shot 2021 02 10 at 9.25.41 AM
    1997: de kopgroep op de Dokkummer Ee, met winnaar Henk Angenent (7), Piet Kleine (63), Arnold Stam (59), Bert Verduin (22), Henk van Benthem (11), en Erik Hulzebosch (20) – © Leo Vogelzang / HH

    De Elfstedentocht is de grootste schaatswedstrijd ter wereld – als hij tenminste weer eens zou plaatsvinden. De laatste keer dat hij werd verreden, weet ik nog, zat ik bij mijn oma voor de televisie. Ik was negen jaar. De dag: 4 januari 1997. Het was een van die bezoekjes aan oma waarbij ik me stierlijk verveelde, en op een gegeven moment werd ik voor de stokoude televisie met eikenhouten bekleding geplant, die maar drie zenders had. Op een ervan schaatsten mannen in bonte pakken als gekken door een winterlandschap, met erachter een motor met zijspan van de Nederlandse televisie. En wanneer een van die mannen in een scheur bleef haken, maakte hij een doodsmak op het ijs.

    Ik had net leren schaatsen en kon me absoluut niet voorstellen dat je in zo’n tempo op die dingen kon rijden. Langs het parcours stonden destijds tienduizenden mensen in typische winterjassen uit de jaren negentig, met groen, lila en rood. De vijf koplopers zetten bij de finish in Leeuwarden een lange sprint in. Winnaar Henk Angenent werd de ‘held der helden’ genoemd en bijna platgedrukt door de juichende menigte. En op een of andere manier was zelfs voor mij als negenjarige duidelijk dat er zojuist iets buitengewoons was gebeurd.

    Sindsdien zijn er twintig jaren verstreken. Twintig jaren waarin de wedstrijd niet door kon gaan omdat het te warm was of het ijs te dun. Twintig jaren waarin de Nederlanders steeds weer opnieuw tegen elkaar zeiden dat de volgende winter vast weer koud genoeg zou zijn. Er is zelfs een woord voor de irrationele hoop die veel mensen in Nederland vanaf december koesteren: Elfstedenkoorts. Bij mij leidt dat tot vragen. Hoe hou je iets levend wat decennialang niet plaatsvindt? Hoelang kan zo’n pauze duren voordat ook de laatste schaatsliefhebber gefrustreerd afhaakt? Hoe train je voor zo’n wedstrijd?

    Wanneer ik in februari ’s nachts in de auto stap naar Friesland is het nog min tien, nu is het min twee. Het is een ochtend die zo koud is dat hij euforisch stemt. Nog twaalf, dertien van dit soort dagen, denk ik.

    Als eerste wil ik me laten uitleggen waarom dat weer zo’n complicerende factor is geworden. Vroeger vond de tocht namelijk een stuk vaker plaats. In 1909, 108 jaar geleden, werd de eerste Elfstedentocht verreden. Er verschenen tweeëntwintig deelnemers aan de start, van wie negen de finish haalden. Sindsdien vond de tocht vijftien keer plaats – maar slechts drie keer in de afgelopen vijftig jaar. De juiste persoon voor het onderwerp weer is Geert Jan van Oldenborgh, klimaatonderzoeker bij het Koninklijk Meteorologisch Instituut in De Bilt.

    Zijn uitleg begint natuurlijk met de klimaatverandering. Hij vertelt over het warmer geworden noordpoolgebied, het weer in Groenland en Siberië en eindigt met lagedruksystemen boven de Atlantische Oceaan en de Golfstroom. De essentie van zijn ingewikkelde betoog is dat het ideale weer voor de Elfstedentocht nauwelijks nog voorkomt: twee weken lang koude, droge wind uit Siberië, het liefst zonder sneeuw zodat het ijs overal op het parcours minstens 15 centimeter dik is. ‘De wind waait in de winter nu vaker dan vroeger uit het westen, van zee, met warmere lucht.’

    Maar dat is geen reden om de moed te verliezen, zegt Van Oldenborgh: ‘De kans op het juiste weer ligt momenteel elk jaar ergens tussen de vijf en tien procent. We moeten alleen wat meer geduld hebben dan vroeger.’

    Nu is de Elfstedentocht geen wedstrijd die je zomaar even zonder training schaatst. Profs doen er iets minder dan zeven uur over, de meeste amateurs ruim tien uur. De tocht is inspannender dan een marathon en wordt na aankondiging binnen drie à vier dagen verreden. Je moet er altijd klaar voor zijn. Het is al moeilijk om je voor te bereiden op de Olympische Spelen: dagelijks trainen voor een wedstrijd die maar eens in de vier jaar plaatsvindt. Hoeveel zwaarder moet het dan zijn om je decennialang in conditie te houden voor een wedstrijd waarvan je niet eens weet of en wanneer hij wordt gehouden?

    Maar bij de Nederlanders neemt met het jaar dat de Elfstedentocht niet doorgaat het verlangen, het fanatisme en – als een roulettespeler met een negatieve reeks – het optimisme toe.

    De gebroeders Mesu, 24 en 27 jaar oud, zeggen dingen als: “Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij”

    Zoals bij Niels en Erwin Mesu, 24 en 27 jaar oud, die dingen zeggen als: ‘Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij.’

    Ik ontmoet de twee in het beroemde Thialf, het grote ijsstadion in het Friese Heerenveen waar Olympische zeges en wereldtitels worden voorbereid. Aan de buitenkant lijkt het gebouw op een witte ufo, die hier tussen de sloten is geland.

    De broers, opgegroeid op een kaasboerderij, behoren tot de wereldtop op natuurijs en in Nederland tot een kleine kring van zo’n tien schaatsers die favoriet zouden zijn voor een zege in de Elfstedentocht. Elke winter nemen ze deel aan wedstrijden, van Zweden tot Oostenrijk.

    De broers Mesu hebben een lichaam dat gemaakt lijkt te zijn voor het schaatsen: een kromme rug, een haast anorectisch dunne torso en extreem gespierde benen. Erboven een open, kinderlijk gezicht met grote ogen. Ze steken hun blote voeten in de nauwsluitende schaatsen en persen zich in hun schaatspak van elastaan – zodra ze op het ijs staan oogt elke beweging moeiteloos, lijkt elke slag van een andere planeet. Met zes lange, krachtige slagen leggen de twee 150 meter af; met ruim 40 kilometer per uur suizen ze over de baan.

    Op het wedstrijdparcours buiten zouden ze langzamer gaan, maar niet heel veel. De tocht van 200 kilometer zouden ze met een gemiddelde van 30 kilometer per uur schaatsen. Je reinste waanzin als je bedenkt dat de wedstrijd om vijf uur ’s ochtends in het stikdonker begint, er scheuren in het ijs zitten en de schaatsers groepjes vormen waarin ze niet meer dan een armlengte afstand van elkaar houden.

    De elfstedentocht van 1997, die de auteur op de ouderwetse televisie van zijn oma zag.

    De twee broers trainen het hele jaar door vrijwel elke dag. Ze gaan niet naar feesten, zoals de studiegenoten van Niels aan een hogeschool in Leeuwarden, waar hij Dier- en Veehouderij studeert. Ze drinken ook geen alcohol, zelfs geen biertje op de vrijdagmiddagborrel, zoals de collega’s van Erwin bij het advies- en accountantskantoor waar hij halve dagen werkt.

    En ergens lijken ze er zeker van te zijn dat ze hun kans zullen krijgen. Dat in de niet al te verre toekomst de dag zal komen waarop ze kunnen laten zien dat ze harder, sterker en onvermoeibaarder zijn dan de rest van de naar schatting dertigduizend deelnemers, die allemaal lid moeten zijn van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden. De vereniging die de wedstrijd organiseert laat namelijk alleen maar leden toe op het ijs, zodat het niet te druk wordt.

    Schaatsmuseum

    Wanneer ik in Hindeloopen arriveer, een stadje waar de schaatsers er ongeveer 80 kilometer zouden hebben opzitten, is het weer nog hoe het moet zijn. De zon schijnt, maar het is lekker koud, net onder het vriespunt. De weersvoorspelling belooft echter niet veel goeds: vanmiddag wordt het warmer. Plus vijf graden.

    Hindeloopen is een Friese idylle: vissersbootjes met zeilen, bakstenen huisjes achter de dijk en een supermarkt die zo klein is dat hij nog altijd de sfeer ademt van de buurtwinkel die hier ooit zat. In een van de huisjes midden in het stadje bevindt zich het Schaatsmuseum, dat alles verzamelt wat er zoal te verzamelen is over de Elfstedentocht. Zoals de zilveren kruisjes, die iedereen krijgt die de lijdensweg voor middernacht heeft voltooid. De neonkleurige pakken van de winnaars uit de jaren tachtig en negentig. En oude schaatsen: enkele waren al een eeuw geleden in gebruik bij boeren en op één paar heeft ooit een Nederlandse koningin over het ijs gezwierd.

    Om de paar jaar komt een oud-winnaar op bezoek, die een rondje langs de vitrines maakt en iets achterlaat voor de collectie in deze tempel. Het museum wordt beheerd door de 47-jarige Pieter Bootsma, een ongekunstelde, zelfs voor Friese begrippen weinig spraakzame man met dik roodblond haar. Praten hoeft Bootsma vandaag ook niet veel: op deze winterdag is er niemand gekomen, we zijn helemaal alleen. En dat vindt Bootsma voor dit moment niet erg: ‘Er wordt beweerd dat het een romantische dag zal worden wanneer de tocht eindelijk weer wordt gehouden, maar in werkelijkheid zal het een gekkenhuis worden. Iedereen wil erbij zijn, tienduizenden mensen zullen hiernaartoe komen om het mee te maken.’

    De grote angst is inderdaad niet dat er na twintig jaar niemand meer zal komen, maar dat er te veel mensen komen. Er liggen zelfs noodplannen klaar om de snelwegen naar Friesland af te sluiten en geen treinen meer te laten rijden naar de provincie wanneer er meer dan twee miljoen mensen op pad zouden gaan. ‘Dat wordt een hele mooie business,’ zegt Bootsma grijnzend.

    Honderd jaar Elfstedentocht.

    In Leeuwarden, de provinciehoofdstad, woont de 61-jarige Eddie Huitema, een heel gewone schaatsfanaat, zoals er in Nederland duizenden zijn. Ik ontmoet hem op de plek waar de tocht van start zou gaan: bij de ijshal van Leeuwarden. Over deze tamelijk kleurloze vierbaansweg zouden duizenden mannen en vrouwen, de schaatsen in de hand, in de duisternis van de vroege ochtend naar het ijs sprinten.

    Huitema is leraar, een lange, magere, haast tengere man met een zachte stem die doet denken aan die van een radiopresentator van een cultuurprogramma. Je ziet niet aan hem af hoe hard hij is. Hij was erbij in 1986 en 1997, heeft al vakanties afgezegd voor de Elfstedentocht en heeft die in jaren dat het ijs eigenlijk te dun was op eigen houtje met vrienden geschaatst.

    De Elfstedentocht, zegt hij, is een verraderlijke wedstrijd. Van de elf steden die je moet passeren, liggen de eerste vijf dicht bij elkaar. ‘Vaak heb je aan het begin de wind in de rug. Veel deelnemers denken dan dat ze er al bijna zijn.’ Maar dan moet het zwaarste deel nog komen: een meer dan vijftig kilometer lang traject waar de wind van voren blaast en het landschap meedogenloos vlak is, ‘als een ijswoestijn’. Bovendien is het ijs op dat deel vaak bijzonder slecht, omdat het in de smalle wateren is opgedrukt tot bergjes. ‘Tweehonderd kilometer schaatsen doet pijn,’ zegt hij, ‘maar niet meedoen doet nog meer pijn.’

    Twee jaar geleden kreeg Huitema een hartinfarct. Zijn vrouw heeft hem verboden ook nog maar te peinzen over meedoen, maar evengoed lijkt hij te overwegen of het dat niet waard zou zijn: zijn leven te riskeren voor de meest grandioze wedstrijd ter wereld. Nog één keer langs de mensenmassa’s te glijden die met een borrel of glühwein in de hand schreeuwen, zingen en dansen op de muziek van blaaskapellen. Nog één keer in het middelpunt van deze tweehonderd kilometer lange Friese Mardi Gras te staan.

    In een buitenwijk van Leeuwarden, tegen de achtergrond van enkele eengezinshuizen die stuk voor stuk zo uit een catalogus van prefabwoningen lijken te komen, is naast de vaart een paal in het gras geslagen. Hier zou de eindsprint eindigen, hier zouden helden worden gemaakt.

    Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen

    De vaart is op deze plek kaarsrecht, de volgende bocht ligt ergens achter de horizon. Een bleke ijslaag met luchtbelletjes bedekt het water. Zou het niet geweldig zijn om nu schaatsen aan te trekken en er gewoon vandoor te schaatsen, kilometer na kilometer?

    Ik laat een vuistgrote steen vallen om te controleren of het ijs stevig genoeg is. De steen kraakt er moeiteloos doorheen en verdwijnt in het donkere, troebele water. Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen.

    Tot de komende winter, wanneer er weer drie maanden hoop zijn.

  • Waarom ik al twintig jaar droom van een Elfstedentocht

    Waarom ik al twintig jaar droom van een Elfstedentocht

    Als negenjarige jongen zag de Duitse journalist Johannes Böhme de Elfstedentocht op televisie. Sindsdien koestert hij elke winter dezelfde hoop als wij: gaat het eindelijk weer gebeuren?’

    De horizon in Friesland loopt zo recht boven het vlakke landschap dat het lijkt alsof een reus met een liniaal een lijn heeft getrokken. Een scherpe grens, die het fletse blauw van de winterhemel en het groenbruin van de velden van elkaar scheidt. De enige hobbels zijn reusachtige boerderijen, met riet gedekt, als piramiden in een woestijn van gras. En over dit alles fluit onophoudelijk de wind. Het is een landschap voor mensen van weinig woorden en met grote verlangens. Die zonder morren regen en duisternis doorstaan en hun dromen decennialang met zich meevoeren.

    Dromen zoals die waar het hier om gaat. Met elke dag vorst komt hij meer tot leven. Het is de droom van het dichtvriezen van rivieren, vaarten en sloten die hier in het Noord-Nederlandse Friesland als een vroegmodern internet alles met elkaar verbinden – velden met dorpen, dorpen met andere dorpen, steden met steden. De droom dat je dan op schaatsen door dit vlakke landschap kunt glijden als een Maserati over de snelweg; moeiteloos, haast gewichtloos, alleen te overtreffen door vliegen. Het is de droom van de Elfstedentocht, een schaatswedstrijd met start en finish in Leeuwarden over een 200 kilometer lang parcours, door elf Friese steden, met meer dan 30.000 deelnemers en een miljoen toeschouwers.

    1997: de kopgroep op de Dokkummer Ee, met winnaar Henk Angenent (7), Piet Kleine (63), Arnold Stam (59), Bert Verduin (22), Henk van Benthem (11), en Erik Hulzebosch (20) – © Leo Vogelzang / HH
    1997: de kopgroep op de Dokkummer Ee, met winnaar Henk Angenent (7), Piet Kleine (63), Arnold Stam (59), Bert Verduin (22), Henk van Benthem (11), en Erik Hulzebosch (20) – © Leo Vogelzang / HH

    De Elfstedentocht is de grootste schaatswedstrijd ter wereld – als hij tenminste weer eens zou plaatsvinden. De laatste keer dat hij werd verreden, weet ik nog, zat ik bij mijn oma voor de televisie. Ik was negen jaar. De dag: 4 januari 1997. Het was een van die bezoekjes aan oma waarbij ik me stierlijk verveelde, en op een gegeven moment werd ik voor de stokoude televisie met eikenhouten bekleding geplant, die maar drie zenders had. Op een ervan schaatsten mannen in bonte pakken als gekken door een winterlandschap, met erachter een motor met zijspan van de Nederlandse televisie. En wanneer een van die mannen in een scheur bleef haken, maakte hij een doodsmak op het ijs.

    Ik had net leren schaatsen en kon me absoluut niet voorstellen dat je in zo’n tempo op die dingen kon rijden. Langs het parcours stonden destijds tienduizenden mensen in typische winterjassen uit de jaren negentig, met groen, lila en rood. De vijf koplopers zetten bij de finish in Leeuwarden een lange sprint in. Winnaar Henk Angenent werd de ‘held der helden’ genoemd en bijna platgedrukt door de juichende menigte. En op een of andere manier was zelfs voor mij als negenjarige duidelijk dat er zojuist iets buitengewoons was gebeurd.

    Sindsdien zijn er twintig jaren verstreken. Twintig jaren waarin de wedstrijd niet door kon gaan omdat het te warm was of het ijs te dun. Twintig jaren waarin de Nederlanders steeds weer opnieuw tegen elkaar zeiden dat de volgende winter vast weer koud genoeg zou zijn. Er is zelfs een woord voor de irrationele hoop die veel mensen in Nederland vanaf december koesteren: Elfstedenkoorts. Bij mij leidt dat tot vragen. Hoe hou je iets levend wat decennialang niet plaatsvindt? Hoelang kan zo’n pauze duren voordat ook de laatste schaatsliefhebber gefrustreerd afhaakt? Hoe train je voor zo’n wedstrijd?

    Wanneer ik in februari ’s nachts in de auto stap naar Friesland is het nog min tien, nu is het min twee. Het is een ochtend die zo koud is dat hij euforisch stemt. Nog twaalf, dertien van dit soort dagen, denk ik.

    Als eerste wil ik me laten uitleggen waarom dat weer zo’n complicerende factor is geworden. Vroeger vond de tocht namelijk een stuk vaker plaats. In 1909, 108 jaar geleden, werd de eerste Elfstedentocht verreden. Er verschenen tweeëntwintig deelnemers aan de start, van wie negen de finish haalden. Sindsdien vond de tocht vijftien keer plaats – maar slechts drie keer in de afgelopen vijftig jaar. De juiste persoon voor het onderwerp weer is Geert Jan van Oldenborgh, klimaatonderzoeker bij het Koninklijk Meteorologisch Instituut in De Bilt.

    Zijn uitleg begint natuurlijk met de klimaatverandering. Hij vertelt over het warmer geworden noordpoolgebied, het weer in Groenland en Siberië en eindigt met lagedruksystemen boven de Atlantische Oceaan en de Golfstroom. De essentie van zijn ingewikkelde betoog is dat het ideale weer voor de Elfstedentocht nauwelijks nog voorkomt: twee weken lang koude, droge wind uit Siberië, het liefst zonder sneeuw zodat het ijs overal op het parcours minstens 15 centimeter dik is. ‘De wind waait in de winter nu vaker dan vroeger uit het westen, van zee, met warmere lucht.’

    Maar dat is geen reden om de moed te verliezen, zegt Van Oldenborgh: ‘De kans op het juiste weer ligt momenteel elk jaar ergens tussen de vijf en tien procent. We moeten alleen wat meer geduld hebben dan vroeger.’

    Nu is de Elfstedentocht geen wedstrijd die je zomaar even zonder training schaatst. Profs doen er iets minder dan zeven uur over, de meeste amateurs ruim tien uur. De tocht is inspannender dan een marathon en wordt na aankondiging binnen drie à vier dagen verreden. Je moet er altijd klaar voor zijn. Het is al moeilijk om je voor te bereiden op de Olympische Spelen: dagelijks trainen voor een wedstrijd die maar eens in de vier jaar plaatsvindt. Hoeveel zwaarder moet het dan zijn om je decennialang in conditie te houden voor een wedstrijd waarvan je niet eens weet of en wanneer hij wordt gehouden?

    Maar bij de Nederlanders neemt met het jaar dat de Elfstedentocht niet doorgaat het verlangen, het fanatisme en – als een roulettespeler met een negatieve reeks – het optimisme toe.

    De gebroeders Mesu, 24 en 27 jaar oud, zeggen dingen als: “Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij”

    Zoals bij Niels en Erwin Mesu, 24 en 27 jaar oud, die dingen zeggen als: ‘Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij.’

    Ik ontmoet de twee in het beroemde Thialf, het grote ijsstadion in het Friese Heerenveen waar Olympische zeges en wereldtitels worden voorbereid. Aan de buitenkant lijkt het gebouw op een witte ufo, die hier tussen de sloten is geland.

    De broers, opgegroeid op een kaasboerderij, behoren tot de wereldtop op natuurijs en in Nederland tot een kleine kring van zo’n tien schaatsers die favoriet zouden zijn voor een zege in de Elfstedentocht. Elke winter nemen ze deel aan wedstrijden, van Zweden tot Oostenrijk.

    De broers Mesu hebben een lichaam dat gemaakt lijkt te zijn voor het schaatsen: een kromme rug, een haast anorectisch dunne torso en extreem gespierde benen. Erboven een open, kinderlijk gezicht met grote ogen. Ze steken hun blote voeten in de nauwsluitende schaatsen en persen zich in hun schaatspak van elastaan – zodra ze op het ijs staan oogt elke beweging moeiteloos, lijkt elke slag van een andere planeet. Met zes lange, krachtige slagen leggen de twee 150 meter af; met ruim 40 kilometer per uur suizen ze over de baan.

    Op het wedstrijdparcours buiten zouden ze langzamer gaan, maar niet heel veel. De tocht van 200 kilometer zouden ze met een gemiddelde van 30 kilometer per uur schaatsen. Je reinste waanzin als je bedenkt dat de wedstrijd om vijf uur ’s ochtends in het stikdonker begint, er scheuren in het ijs zitten en de schaatsers groepjes vormen waarin ze niet meer dan een armlengte afstand van elkaar houden.


    De twee broers trainen het hele jaar door vrijwel elke dag. Ze gaan niet naar feesten, zoals de studiegenoten van Niels aan een hogeschool in Leeuwarden, waar hij Dier- en Veehouderij studeert. Ze drinken ook geen alcohol, zelfs geen biertje op de vrijdagmiddagborrel, zoals de collega’s van Erwin bij het advies- en accountantskantoor waar hij halve dagen werkt.

    En ergens lijken ze er zeker van te zijn dat ze hun kans zullen krijgen. Dat in de niet al te verre toekomst de dag zal komen waarop ze kunnen laten zien dat ze harder, sterker en onvermoeibaarder zijn dan de rest van de naar schatting dertigduizend deelnemers, die allemaal lid moeten zijn van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden. De vereniging die de wedstrijd organiseert laat namelijk alleen maar leden toe op het ijs, zodat het niet te druk wordt.

    Schaatsmuseum

    Wanneer ik in Hindeloopen arriveer, een stadje waar de schaatsers er ongeveer 80 kilometer zouden hebben opzitten, is het weer nog hoe het moet zijn. De zon schijnt, maar het is lekker koud, net onder het vriespunt. De weersvoorspelling belooft echter niet veel goeds: vanmiddag wordt het warmer. Plus vijf graden.

    Hindeloopen is een Friese idylle: vissersbootjes met zeilen, bakstenen huisjes achter de dijk en een supermarkt die zo klein is dat hij nog altijd de sfeer ademt van de buurtwinkel die hier ooit zat. In een van de huisjes midden in het stadje bevindt zich het Schaatsmuseum, dat alles verzamelt wat er zoal te verzamelen is over de Elfstedentocht. Zoals de zilveren kruisjes, die iedereen krijgt die de lijdensweg voor middernacht heeft voltooid. De neonkleurige pakken van de winnaars uit de jaren tachtig en negentig. En oude schaatsen: enkele waren al een eeuw geleden in gebruik bij boeren en op één paar heeft ooit een Nederlandse koningin over het ijs gezwierd.

    Om de paar jaar komt een oud-winnaar op bezoek, die een rondje langs de vitrines maakt en iets achterlaat voor de collectie in deze tempel. Het museum wordt beheerd door de 47-jarige Pieter Bootsma, een ongekunstelde, zelfs voor Friese begrippen weinig spraakzame man met dik roodblond haar. Praten hoeft Bootsma vandaag ook niet veel: op deze winterdag is er niemand gekomen, we zijn helemaal alleen. En dat vindt Bootsma voor dit moment niet erg: ‘Er wordt beweerd dat het een romantische dag zal worden wanneer de tocht eindelijk weer wordt gehouden, maar in werkelijkheid zal het een gekkenhuis worden. Iedereen wil erbij zijn, tienduizenden mensen zullen hiernaartoe komen om het mee te maken.’

    De grote angst is inderdaad niet dat er na twintig jaar niemand meer zal komen, maar dat er te veel mensen komen. Er liggen zelfs noodplannen klaar om de snelwegen naar Friesland af te sluiten en geen treinen meer te laten rijden naar de provincie wanneer er meer dan twee miljoen mensen op pad zouden gaan. ‘Dat wordt een hele mooie business,’ zegt Bootsma grijnzend.


    In Leeuwarden, de provinciehoofdstad, woont de 61-jarige Eddie Huitema, een heel gewone schaatsfanaat, zoals er in Nederland duizenden zijn. Ik ontmoet hem op de plek waar de tocht van start zou gaan: bij de ijshal van Leeuwarden. Over deze tamelijk kleurloze vierbaansweg zouden duizenden mannen en vrouwen, de schaatsen in de hand, in de duisternis van de vroege ochtend naar het ijs sprinten.

    Huitema is leraar, een lange, magere, haast tengere man met een zachte stem die doet denken aan die van een radiopresentator van een cultuurprogramma. Je ziet niet aan hem af hoe hard hij is. Hij was erbij in 1986 en 1997, heeft al vakanties afgezegd voor de Elfstedentocht en heeft die in jaren dat het ijs eigenlijk te dun was op eigen houtje met vrienden geschaatst.

    De Elfstedentocht, zegt hij, is een verraderlijke wedstrijd. Van de elf steden die je moet passeren, liggen de eerste vijf dicht bij elkaar. ‘Vaak heb je aan het begin de wind in de rug. Veel deelnemers denken dan dat ze er al bijna zijn.’ Maar dan moet het zwaarste deel nog komen: een meer dan vijftig kilometer lang traject waar de wind van voren blaast en het landschap meedogenloos vlak is, ‘als een ijswoestijn’. Bovendien is het ijs op dat deel vaak bijzonder slecht, omdat het in de smalle wateren is opgedrukt tot bergjes. ‘Tweehonderd kilometer schaatsen doet pijn,’ zegt hij, ‘maar niet meedoen doet nog meer pijn.’

    Twee jaar geleden kreeg Huitema een hartinfarct. Zijn vrouw heeft hem verboden ook nog maar te peinzen over meedoen, maar evengoed lijkt hij te overwegen of het dat niet waard zou zijn: zijn leven te riskeren voor de meest grandioze wedstrijd ter wereld. Nog één keer langs de mensenmassa’s te glijden die met een borrel of glühwein in de hand schreeuwen, zingen en dansen op de muziek van blaaskapellen. Nog één keer in het middelpunt van deze tweehonderd kilometer lange Friese Mardi Gras te staan.

    In een buitenwijk van Leeuwarden, tegen de achtergrond van enkele eengezinshuizen die stuk voor stuk zo uit een catalogus van prefabwoningen lijken te komen, is naast de vaart een paal in het gras geslagen. Hier zou de eindsprint eindigen, hier zouden helden worden gemaakt.

    Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen

    De vaart is op deze plek kaarsrecht, de volgende bocht ligt ergens achter de horizon. Een bleke ijslaag met luchtbelletjes bedekt het water. Zou het niet geweldig zijn om nu schaatsen aan te trekken en er gewoon vandoor te schaatsen, kilometer na kilometer?

    Ik laat een vuistgrote steen vallen om te controleren of het ijs stevig genoeg is. De steen kraakt er moeiteloos doorheen en verdwijnt in het donkere, troebele water. Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen.

    Tot de komende winter, wanneer er weer drie maanden hoop zijn.

    Auteur: Johannes Böhme
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.