Tag: WK

  • De eenheid tussen de WK-gastlanden is ver te zoeken

    De eenheid tussen de WK-gastlanden is ver te zoeken

    Toen de FIFA bekendmaakte dat het WK van 2026 zou worden gehouden in Mexico, de Verenigde Staten en Canada, kopte The Washington Post ‘Het WK van de NAFTA’ [de Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst]. De bedoeling was om het toernooi te verkopen als een blijk van Noord-Amerikaanse eenheid. Nu, drie maanden voor de aftrap, bestaat de NAFTA niet meer. Ze werd door Trump 1.0 veranderd in de USMCA [US-Mexico-Canada Agreement], een vrijhandelspact tussen Mexico, de VS en Canada, en intussen maken de drie gastlanden een diepe existentiële crisis door.

    Drie buren

    Feit is dat op 1 juli, wanneer volgens de kalender de aanpassing van het handelsakkoord in werking treedt, op de voetbalvelden zal worden gestreden om de wereldtitel.

    Het idee was dat drie buren, drie onderling verweven economieën en drie eensgezind opererende federaties het beeld zouden oproepen van een regionale eenheid. Bovendien zou het WK voor het eerst door drie landen worden georganiseerd. Nog geen honderd dagen voor het begin van het toernooi gebeurt echter precies het tegenovergestelde. Het WK waarvan gedacht werd dat het eensgezindheid zou uitstralen, blijkt eerder het gebrek daaraan bloot te leggen. Wat bedoeld was als een feest van Noord-Amerikaanse eenheid, lijkt veeleer op een samenkomst van wederzijdse grieven.

    Het toernooi wordt gepresenteerd als een trinationale onderneming, maar in werkelijkheid zal het gaan om een megaevenement dat is gebouwd op een vergaande politieke, economische en logistieke onevenwichtigheid. Noord-Amerika lijkt steeds minder op een gemeenschap en steeds meer op een straat met buren die elkaar niet kunnen uitstaan.

    Canada, dat al nooit helemaal gelukkig was met Mexico binnen het handelsakkoord, is vandaag de dag ook niet gelukkig met Washington. Premier Mark Carney verklaarde in januari van dit jaar dat de oude relatie van Canada met de VS, die was gebaseerd op een steeds verder gaande integratie, van de baan was. Enkele maanden later vloog hij naar China voor een ontmoeting met Xi Jinping, op zoek naar nieuwe bondgenoten. Canada ziet Noord-Amerika niet langer als iets waardevols, maar als een risico voor te veel machtsconcentratie.

    Veiligheid

    Mexico op zijn beurt raakt verwikkeld in de discussie over soevereiniteit, maar zonder serieus concept voor integratie. Als Mexicanen onderhouden wij al jarenlang betrekkingen met de VS, zonder echt tot iets te komen. We klagen terecht over de wapenhandel en de lichtzinnigheid waarmee Washington omgaat met de Mexicaanse veiligheid, maar we hebben ook geen ambitieuzere regionale agenda weten door te voeren, eentje die vertrouwen inboezemt. De geografie schonk ons een voordeel en we besloten het maar half te benutten. Heel Mexicaans trouwens: een historische kans verprutsen en vervolgens een patriottisch betoog ophangen om het te rechtvaardigen.

    Na de arrestatie van El Mencho [de leider van het Jaliscokartel] heerste er geweld in en rond Guadalajara, een van de steden die als gastheer zal optreden. De FIFA en president Claudia Sheinbaum hebben gezegd dat zij zich geen zorgen maken over de veiligheid in [de staat] Jalisco, maar het probleem is niet meer alleen de veiligheid op zich, maar de internationale perceptie van onveiligheid. En die ging de wereld al rond met beelden van wegblokkades door aanhangers van El Mencho.

    Trump 2.0 heeft iets wat al wankel was nog verder verslechterd. Een WK hoort openheid, mobiliteit en gastvrijheid uit te stralen. Trump heeft precies het tegenovergestelde op tafel gelegd: strengere controles, immigratieverboden en het beeld van de buitenlandse bezoeker als verdachte in plaats van als gast.

    De FIFA blijft ondertussen onverdroten een regionaal WK verkopen. Maar in werkelijkheid zien we drie landen met verschillende agenda’s, spanningen aan de grenzen en een miniem vertrouwen in elkaar. Wat je ziet zijn drie regeringen die zelfs niet meer in staat zijn als blok te opereren om het feest dat ze hebben beloofd met elkaar te organiseren. Het voetbal zal de grenzen overgaan, maar het idee van ‘Noord-Amerika’ niet. En misschien is dat wel het ware verhaal van dit toernooi: niet de viering van een regio die samenwerkt, maar de vertoning van een regio die wel een continent deelt maar geen gemeenschappelijk project.

  • Onderzoek naar Qatar van Indian Express: Denk aan deze mannen, als je last hebt van WK-koorts

    Onderzoek naar Qatar van Indian Express: Denk aan deze mannen, als je last hebt van WK-koorts

    The Indian Express ontmoette negen families van arbeiders die stierven op de bouwplaatsen van het WK. Allemaal hekelen ze de ontkenning van de Qatarese autoriteiten en het gebrek aan financiële compensatie voor deze arbeidsongevallen.

    Toen op 20 november het wereldkampioenschap voetbal begon, waren alle ogen gericht op het schitterende Al Bayt-stadion in Doha met zijn zestigduizend zitplaatsen – een architectonisch hoogstandje in de vorm van een nomadentent, dat een eerbetoon is aan het verleden en de toekomst van Qatar.

    Maar in zijn schaduw leven de verhalen van migranten uit India die naar de Golfstaat trokken om van deze onwaarschijnlijke plek in de woestijn een mondiaal voetbalknooppunt te maken. Ze keerden terug naar hun families in dorpen van Bihar tot Punjab en Telangana – in doodskisten.

    Gedurende acht maanden onderzocht The Indian Express officiële documenten en nam de krant interviews af met arbeidsbemiddelaars, met activisten voor migrantenwelzijn en met lokale ambtenaren in het hele land. Ook diende The Indian Express WOB-verzoeken in om de families op te sporen van migranten die in Qatar stierven terwijl ze werkten aan projecten of een baan hadden die gerelateerd was aan het WK.

    Het nieuws over het overlijden bereikte hen via vrienden of collega’s van de werknemers in Qatar

    De krant sprak met de families van negen van hen, ontmoette sommige daarvan thuis en concludeert dat ze worstelen om de brokstukken van hun gebroken leven op te rapen, vechtend tegen de toenemende financiële nood. Ze krijgen daarbij geen enkele steun. En allemaal uiten ze dezelfde grieven: schadevergoeding ontbreekt en ze lopen op tegen een muur van ontkenning door de werkgevers.

    In zeven van deze gezinnen waren de omgekomen werknemers de enige kostwinners. De meesten van hen waren mannen in de werkende leeftijd en ze stierven voornamelijk door ‘een natuurlijke oorzaak’. Drie van de negen werknemers waren jonger dan dertig jaar, een was pas tweeëntwintig jaar oud, en vijf anderen waren jonger dan vijftig. In meer dan de helft van de gevallen, zeggen de families, was er geen medische voorgeschiedenis. Het nieuws over het overlijden bereikte hen via vrienden of collega’s van de werknemers in Qatar.

    ‘De werkgever heeft ons niet ingelicht over de dood van mijn man. Ik hoorde het voor het eerst van een vriend in ons dorp die op de hoogte was gesteld door een kennis in Qatar,’ zegt Savita Kumar. Haar man Akhilesh (22), een loodgieter uit Sallahpur in Siwan in Bihar, was vorig jaar bezig een ondergrondse leiding aan te leggen in de buurt van een WK-stadion net buiten Doha, toen de put waarin hij werkte instortte.

    Akhilesh was een van de twee Indiase arbeiders die bij dat incident om het leven kwamen. De andere was de tweeëndertigjarige Jagan Surukanti uit Mallapur in Telangana. ‘Ik weet alleen dat mijn zoon er volledig fit heen ging,’ zegt Jagans vader Rajareddy, 59, terwijl hij zijn tranen bedwingt. ‘En hij kwam terug in een kist.’

    The Indian Express spoorde acht van de negen betrokken werkgevers op om te vragen naar hun normen voor compensatie en steun voor de getroffen families. Zeven van hen reageerden niet; een bleek niet bereikbaar te zijn per e-mail of telefoon.

    The Indian Express nam contact op met het Supreme Committee for Delivery and Legacy, de Qatarese organisatie die officieel verantwoordelijk is voor de uitvoering van het WK. Dat erkende slechts een totaal van ‘drie sterfgevallen als gevolg van arbeidsongevallen en zevenendertig sterfgevallen buiten het professionele kader’ onder werknemers uit de hele wereld, die werkten aan projecten die verband hielden met het toernooi.

    ‘Hartstilstand’

    In antwoord op een WOB-vraag van The Indian Express over het aantal dodelijke slachtoffers onder Indiase werknemers bij WK-projecten sinds Qatar de rechten kreeg om het toernooi te organiseren, in 2010, zei de Indiase ambassade in Doha in mei 2022: ‘Daarover is geen informatie beschikbaar bij de ambassade van India in Doha.’

    De ambassade reageerde niet op een door The Indian Express gemailde vragenlijst die betrekking heeft op de negen werknemers. De FIFA, de wereldvoetbalbond, reageerde niet op vragen van The Indian Express om commentaar op de dood van Indiërs die aan WK-projecten in Qatar werkten. In mei citeerde Associated Press Gianni Infantino, de voorzitter van de FIFA, die zei dat er slechts drie mensen zijn gestorven op de bouwplaatsen van het WK.

    Uit gegevens van Lok Sabha – het Lagerhuis van India – blijkt dat alleen al in de laatste drie jaar, van 2020 tot juli 2022, 72.114 werknemers uit India in Qatar terecht zijn gekomen. Volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn van 2011 tot mei 2022 3313 Indiase burgers in Qatar om het leven gekomen.

    Op de vraag of de sterfgevallen van Indiase arbeiders in deze periode in Qatar in verband kunnen worden gebracht met het WK, zegt welzijnswerker voor migranten Bheem Reddy Mandha, voorzitter van Emigrants Welfare Forum en lid van het Migrant Forum in Asia: ‘Natuurlijk. Want het WK is het grote ding. Alles heeft ermee te maken. Voor vertrek naar Qatar is men gezond. Na vertrek sterven er mensen, ook onder de veertig, velen door een hartstilstand. Het is een ernstige kwestie.’ 

    In de families van de arbeiders gaan de verhalen rond: er is het onafgemaakte huis van Ramesh Kalladi, een negenenveertigjarige arbeider, wiens familie zich nu in de schulden en de ellende bevindt; of het lot van de vijfentwintigjarige Padam Shekar, wiens eerste baan als bezorger voor een WK-sponsor ook zijn laatste bleek te zijn.

    ‘We kregen twee maanden achterstallig loon. Maar geen compensatie,’ zegt Ashique (24), wiens vader Abdul Majid (56) in juli 2020 overleed. Majid, uit Dharpally in Telangana, was een vrachtwagenchauffeur die door Trey Trading Company in Doha in dienst was genomen om arbeiders naar werklocaties te brengen.

    ‘Ijskoud zeiden ze dat mijn man was overleden na een hartstilstand en dat ze het lichaam binnen een week zouden vervoeren. Ze stuurden alleen het verschuldigde salaris, ongeveer 24.000 roepies [nog geen 300 euro]. Er was geen sprake van een vergoeding,’ aldus Latha Bollapally uit het dorp Mendora in Telangana, wiens man Madhu op 17 november 2021 bezweek aan een ‘hartstilstand’. 

    ‘Er zijn geen studies, noch door de regering die kunnen verklaren waarom zoveel sterfgevallen het gevolg zijn van een hartstilstand of andere natuurlijke oorzaken’

    Volgens een rapport van Human Rights Watch zijn de arbeidswetten van Qatar zodanig dat bedrijven alleen compensatie aan families moeten betalen als het overlijden plaatsvindt op een werkplek of direct verband houdt met het werk. Dit maakt het voor families moeilijk om een legitieme claim in te dienen.

    Swadesh Parkipandla, voorzitter van de Pravasi Mitra Labour Union, zegt: ‘In gevallen die als een natuurlijke dood worden aangemerkt, wordt geen autopsie verricht. Er zijn geen studies, noch door de regering, noch door onafhankelijke groepen, die kunnen verklaren waarom zoveel sterfgevallen het gevolg zijn van een hartstilstand of andere natuurlijke oorzaken.’

    Een zo’n geval staat vermeld in een officieel rapport van het Qatarese Supreme Committee. Op 27 april 2016 rond half tien ’s morgens bevond staalarbeider Jaleshwar Prasad zich in de spelerstunnel van het Al Bayt Stadion toen hij in elkaar zakte. Twee uur later werd hij doodverklaard. Volgens het rapport van het Supreme Committee overleed Prasad aan ‘hartstilstand door ernstige ademhalingsmoeilijkheden’.

    Maar niets geeft het drama beter weer dan de reis van Ramesh Kalladi uit Velmal in Telangana, wiens onafgemaakte huis een gruwelijke herinnering is aan de menselijke tol die wordt betaald voor wat door de organisatoren in Qatar is omschreven als ‘een FIFA World Cup als geen ander’.

    Op 10 augustus 2016, zes dagen voor zijn vijftigste verjaardag, keerde de truckchauffeur na het werk terug naar zijn kamp in de industriële zone Sanaya van Doha, toen hij plotseling in elkaar zakte en overleed. De volksgezondheidsdienst van Qatar noemde het een natuurlijke dood – een bewering die zijn familie betwist.

    In 2010, het jaar waarin Qatar de WK-rechten verwierf, sloot Kalladi een lening af om daar te kunnen werken voor 1300 Qatarese riyal per maand, circa 360 euro tegen de huidige wisselkoers. In het kamp kreeg hij een ‘piepklein kamertje met vijf andere mannen’, vertelt zijn zoon Sravan. ‘Er werden stadions gebouwd en er werden wegen omheen aangelegd,’ aldus Sravan, die zich in 2015 bij zijn vader in Qatar voegde. ‘Mijn vader legde een van die wegen aan die naar het stadion leiden.’

    Na werkzaamheden in het stof en in extreem hoge temperaturen, oplopend tot 50 graden Celsius, begon de gezondheid van Kalladi te verslechteren. Dat leidde tot zijn dood, aldus Sravan. Het enige dat zij van zijn werkgevers, Boom Construction Company, ontvingen, aldus de familie, was het maandsalaris dat hem toekwam. ‘We hebben geen enkele compensatie van hen ontvangen,’ zegt Sravan.

    Lees ook:

  • Qatar: 400 tot 500 mensen omgekomen bij bouw stadions

    Qatar: 400 tot 500 mensen omgekomen bij bouw stadions

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Belarussische oppositieleider op intensive care

    » Militieleider schuldig bevonden in Capitool-proces

    Eerder zei het land nog dat er drie migranten waren omgekomen

    Volgens Hassan Al-Thawadi, verantwoordelijk voor de organisatie van het WK in Qatar, zijn er bij de bouw van stadions en andere infrastructuur voor het toernooi tussen de 400 en 500 arbeidsmigranten om het leven gekomen, schrijft CNN. De inschatting van Al-Thawadi is opvallend, omdat zowel Qatar als de FIFA in eerste instantie spraken van drie doden bij de voorbereiding van het toernooi.

    In een interview met Piers Morgan op TalkTV werd uitgezonden zei Al-Thawadi: ‘Ik heb het exacte aantal niet, dat is iets wat besproken is. Eén dode is te veel, zo simpel is het.’ Desondanks ligt de schatting van de Qatarese functionaris nog fors lager dan de 6500 arbeidsmigranten die volgens onderzoek van The Guardian zijn overleden.

    Vanwege mensenrechtenschendingen rondom de voorbereiding op het WK wordt het toernooi in Qatar gezien als zeer controversieel. Arbeidsmigranten uit landen als Bangladesh en Pakistan moesten bij aankomst hun paspoort inleveren, lange werkdagen in de brandende hitte draaien en kregen niet altijd hun salaris uitgekeerd. Daarnaast overnachtten ze op mensonterende plekken en kregen ze slecht te eten.

    Lees ook:

  • Controversieel WK eindelijk van start gegaan

    Controversieel WK eindelijk van start gegaan

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Meesteroplichter Elizabeth Holmes veroordeelt tot

    » Twitter-implosie neemt ongekende vormen aan

    Zelfs in de laatste week kwamen er schandalen bovendrijven

    Na maanden van aftellen, controverses over de toewijzing aan het land, talloze onderzoeken over mensenrechtenschendingen en een over het algemeen zeer bekoeld enthousiasme over het aankomende toernooi, is het WK in Qatar van start gegaan. Het gastland trapte zelf af tegen Ecuador. De wedstrijd eindigde in 2-0 voor Ecuador.

    Zelfs in de laatste week voordat het WK Voetbal begon kwamen er nog schandalen boven drijven. Zo werd Qatar ervan beschuldigd meerdere Ecuadoraanse spelers te hebben omgekocht om zo hun eerste wedstrijd te winnen. En twee dagen voor de start van het toernooi besloot het gastland tóch alle alcohol in voetbalstadions te verbieden, schrijft de BBC: een hard gelag voor voetbalfans én voor Budweiser, de biersponsor van het toernooi die naar verwachting een schadeclaim bij voetbalbond FIFA gaat neerleggen.

    Ook de eerste dagen van het Nederlands elftal, dat maandag zijn eerste wedstrijd tegen Senegal speelt, stonden in het teken van de misstanden in Qatar. Twintig arbeidsmigranten uit onder meer Pakistan en Bangladesh waren welkom op de training en mochten een balletje trappen met de Nederlandse spelers.

    Lees ook:

  • Qatar: huurprijzen schieten omhoog door WK-voetbal

    Qatar: huurprijzen schieten omhoog door WK-voetbal

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Meer Chinezen willen emigreren vanwege lockdowns

    » Australië: Softwaremiljardair bindt de strijd aan met grootste uitstoter

    Tekort aan accommodatie leidt tot oververhitte huurmarkt

    In Qatar dreigt een tekort aan accommodatie voor het WK-voetbal in november, schrijft Middle East Eye. Het kleine emiraat moet in november naar schatting 1,2 miljoen bezoekers herbergen. Het gevolg is dat de huurprijzen drastisch omhoog gaan en dat bewoners zelfs uitgezet dreigen te worden.

    De afgelopen weken hebben steeds meer expats hun beklag gedaan over hotels en vastgoedbeheerders die de huren willen verhogen, de verlenging van huurovereenkomsten willen stopzetten of regelrecht het huurcontract willen opzeggen. Bewoners vertelden MEE dat hun huur dit jaar met 20 tot 35 procent stijgt, terwijl een normale stijging 10 procent is. In april meldde The Peninsula dat in het laatste kwartaal van 2021 de huuraanbiedingen in Doha en de omliggende gebieden met 36 tot 45 procent zijn gestegen.

    Nieuwe appartementen en villa’s worden uitsluitend toegewezen aan WK-fans

    Ook op het kunstmatige eiland The Pearl-Qatar, waar beroemde woningen staan van onder andere Versace, Hermes en Ferrari, verwacht men dat de prijzen zullen verdubbelen voor nieuwe huurders. Een inwoner van Pearl-Qatar zei tegen MEE dat ze niet de optie kreeg om de huur te verlengen, zelfs niet tegen een hogere prijs. In plaats daarvan kreeg ze te horen dat haar contract zou eindigen. Een recent artikel van Reuters bevestigt dit en meldt dat nieuwe appartementen en villa’s uitsluitend worden toegewezen aan WK-fans.

    Lees ook:

  • Infantino: FIFA heeft arbeidsmigranten WK Qatar ‘waardigheid en trots’ gegeven

    Infantino: FIFA heeft arbeidsmigranten WK Qatar ‘waardigheid en trots’ gegeven

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Wapenstilstand afgekondigd in staalfabriek Marioepol om burgers te evacueren

    » Colombia: drugshandelaar Otoniel aan Verenigde Staten uitgeleverd

    Voorzitter FIFA betwist onderzoek van The Guardian

    Gianni Infantino, sinds 2016 voorzitter van FIFA (Fédération Internationale de Football Association), heeft op een conferentie in Los Angelos gereageerd op geruchten over migranten die worden gedwongen te werken aan de bouw van nieuwe stadions en over het aantal arbeiders dat op deze bouwplaatsen is omgekomen: 6500, volgens een gepubliceerd onderzoek in The Guardian.

    Qatar is later dit jaar gastheer van het Wereldkampioenschap voetbal. Duizenden migranten worden ingezet voor projecten die met het toernooi te maken hebben, zoals de bouw van stadions en de beveiliging. De rol die de FIFA naar verluidt speelt bij het mogelijk maken van de uitbuiting van migranten is stelselmatig bekritiseerd door organisaties als Amnesty International, dat recentelijk verklaarde dat sommige WK-arbeiders ‘dwangarbeid’ hebben moeten verrichten.

    ‘Het is geen liefdadigheid’

    ‘Laten we één ding niet vergeten als we over dit onderwerp spreken’, zei Infantino op het Milken Institute, geciteerd door The Athletic. ‘Wanneer je iemand werk geeft, zelfs in moeilijke omstandigheden, geef je hem waardigheid en trots. Het is geen liefdadigheid.’

    Ook ging hij in op het onderzoek van The Guardian: ‘Wat betreft de bouw van de WK-stadion: we onderzoeken al deze zaken met behulp van externe partijen. Het zijn drie personen die zijn overleden. Dat is drie te veel, maar het zijn er geen zesduizend.’

    Infantino erkent dat de verschillende controverses rond de wedstrijd ‘een schaduw hebben geworpen op de voorbereiding’ van het evenement.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/het-moet-anders-en-wel-nu/

  • Afrikaanse speler is gewild van Nepal tot Kirgizië

    Afrikaanse speler is gewild van Nepal tot Kirgizië

    De handel in jonge Afrikaanse voetballers is big business, zeker nu Aziatische landen steeds meer investeren in hun voetbalcompetities. Malafide makelaars beloven de jonge talenten gouden bergen.

    Toeristen in het Himalayagebergte in Nepal, op de steppen van Kazachstan en in de jungles van Zuidoost-Azië zullen verbaasd opkijken van alle jonge Afrikanen die er in de lokale, regionale en nationale voetbalcompetities spelen. In Aziatische competities speelt een buitenproportioneel groot aantal (voornamelijk West)-Afrikaanse voetballers. Duizenden jonge mannen verlaten Afrika om hun droom van een gloedvolle, internationale voetbalcarrière na te jagen. Nu de Europese markt zo goed als verzadigd is met aspirant-spelers, wijken de Afrikaanse jongeren uit naar Azië, in de hoop een positie bij een voetbalclub te bemachtigen.

    Dat voetbal welhaast een religie is in Afrika is algemeen bekend, en veel jonge Afrikanen willen hun voetbalhelden van de Europese competities naar de kroon steken. Het pad naar een internationale voetbalcarrière, voor veel arme jongeren een van de weinige manieren om op de sociale ladder op te klimmen, wordt als een uitweg voor de armoede gezien. Zelfs de gelukkigen die een contract hebben bij lokale Afrikaanse teams, kunnen als voetballer veelal niet in hun onderhoud voorzien. Slechts een handvol professionele clubs kan het zich veroorloven zijn spelers te betalen, maar meestal zijn de spelers voor hun levensonderhoud afhankelijk van familie en giften van fans. Bovendien verdienen Afrikaanse voetballers een schijntje in vergelijking met hun buitenlandse collega’s; driekwart van de Afrikaanse sporters verdient minder dan 1000 dollar per maand. ‘Zodra een jonge voetballer talent aan de dag legt, wordt hij door een buitenlandse club benaderd met de belofte dat zijn bedje, en dat van zijn familie, zal zijn gespreid. De voetballers gaan liever het avontuur aan dan dat ze bij een lokale club blijven hangen,’ zegt Kazimir Makeh, coach van een eerstedivisieclub in Kameroen.

    Op straat rondzwerven

    Hoewel een plek in de selectie van een Europese club voor de meeste jonge spelers de ultieme droom is, verleggen steeds meer Afrikaanse voetballers hun blik naar clubs in Azië, die minder onbereikbaar zijn en worden gezien als een opstap naar Europees succes. Veel Aziatische voetbalclubs op hun beurt zijn op zoek naar Afrikaanse spelers, vanwege hun speelstijl en hun fysieke kunnen. Buitenlandse spelers zijn dure investeringen voor voetbalclubs, dus maken Aziatische clubs handig gebruik van de wanverhouding tussen de enorme belangstelling vanuit Afrika en het beperkte aantal beschikbare plaatsen. ‘Veel clubs profiteren van het feit dat ze deze Afrikaanse spelers voor een belachelijk laag bedrag kunnen strikken,’ zegt Gabriel Ken Gadaffi, voorzitter van de Nigerian Community Association (NCA) in Laos. De scheve situatie heeft gezorgd voor de opkomst van malafide voetbalmakelaars en andere tussenpersonen die munt slaan uit de dromen van de jonge Afrikanen.

    Emmanuel Koska uit Kameroen verliet tweededivisieclub Menoua en verkocht het stuk land van zijn vader om de reis naar Thailand te kunnen betalen, waar hij volgens zijn makelaar meteen als contractspeler aan de slag kon. Na zijn aankomst in Thailand ging de spelersmakelaar er met zijn geld vandoor en het beoogde voetbalteam wilde hem niet hebben. ‘Tegenover de veertig spelers die met een officieel contract voor een Thaise club uitkomen, staan vijftig anderen die zonder contract, en dus zonder inkomen, op straat rondzwerven,’ vertelt een Kameroense spelersmakelaar over de situatie in Thailand. In 2010 werden twee Kameroense voetballers gearresteerd, omdat ze aanboden Amerikaanse dollars te vervalsen. Ze waren gestrand in Myanmar, nadat ze er niet in waren geslaagd een contract af te dwingen bij een Birmese club. Andere jonge voetballers proberen in Myanmar het hoofd boven water te houden met lesgeven of werk in de bediening. Maar zelfs wie wel een contract heeft, verdient vaak een schamel maandsalaris van niet meer dan 200 dollar – in een land waar je voor een paar voetbalschoenen al snel 100 dollar neertelt. Bovendien arriveren veel Afrikaanse voetballers met onrealistische verwachtingen, denkend dat het lage niveau van Aziatische clubs betekent dat die geen hoge eisen stellen en iedereen verwelkomen.

    gettyimages 970799266

    De hausse aan voetbalmakelaars wakkert het naïeve beeld bij jonge voetballers verder aan, zodat niet alleen spelers maar ook clubs worden gedupeerd, als na de transfer blijkt dat een speler nauwelijks een bal kan trappen. ‘Afrikaanse voetballers die hierheen komen omdat ze denken dat het allemaal van een leien dakje zal gaan, zullen bedrogen uitkomen. Op het eerste gezicht lijkt de Birmese voetbalwereld misschien weinig om het lijf te hebben, maar als ze gaan meespelen, zullen ze zien dat ze geduchte concurrentie hebben,’ vertelt Jonathan Yamoah, de Ghanese manager van Nay Pyi Taw FC. Yamoah heeft als profvoetballer de hele wereld afgereisd en op drie continenten gespeeld en streek in 2009 in Myanmar neer, toen daar de nationale voetbalcompetitie werd opgericht. Voordat hij manager werd, speelde hij voor Zeyar Shwe Myay FC. Toch blijven de voetballers uit West-Afrika toestromen, aangetrokken door de beloofde contracten en de hogere lonen. De salarissen in Azië lopen sterk uiteen: buitenlandse spelers kunnen in Bangladesh 2000 dollar per maand verdienen, tegen 9000 dollar in Thailand; topspelers in Indonesië krijgen een jaarsalaris van 80.000 dollar; het jaarinkomen van sterspelers in Vietnam ligt op 200.000 à 300.000 dollar. Met deze bedragen, die vele malen hoger zijn dan die in Afrika, verlokken scouts jonge voetballers tot de oversteek. Hoewel sommigen succes oogsten, wordt het merendeel uitgebuit, of raakt gestrand in een vreemd land, kaalgeplukt door spelersmakelaars die er met hun geld vandoor zijn gegaan. Het probleem is dat iedereen zich voor voetbalmakelaar kan uitgeven; sinds de wereldvoetbalbond FIFA zijn regels in 2015 heeft gewijzigd, is het zelfs alleen maar makkelijker geworden. Met ingang van 2015 hebben voetbalmakelaars geen licentie meer nodig. Waar makelaars voorheen een examen moesten afleggen, hoeven ze nu alleen nog maar te verklaren dat ze van onbesproken gedrag zijn. Vóór de wijzigingen van 2015 werd slechts 30 procent van de transfers afgesloten door erkende makelaars en de overige 70 procent door tussenpersonen zonder licentie. Het nieuwe systeem van de FIFA was bedoeld om illegale wervingspraktijken aan te pakken en de transfers transparanter te maken, maar de wijzigingen hebben de situatie juist verergerd. ‘Ik ken weinig bedrijfstakken waar tussenpersonen zelf een verklaring van goed gedrag mogen afleggen en waar een bemiddelaar niet wordt nagetrokken of getoetst, of aan beroepsnormen hoeft te voldoen,’ stelt Jake Marsh, hoofd sportintegriteit & anticorruptie bij het in Qatar gevestigde International Centre for Sport Security (ICSS).

    In februari 2015 werden de tekortkomingen van het FIFA-systeem pijnlijk duidelijk gemaakt door een geruchtmakende zaak, waarbij de internationale spelersvakbond FIFPro onderzoek deed naar de illegale transfer van 23 Afrikaanse spelers van amper veertien jaar oud naar een ongeregistreerde voetbalacademie van de Laotiaanse club Champasak. De verhandelde jongens moesten bij aankomst in het kleine Aziatische land een zesjarig contract ondertekenen. Hoewel hun een maandloon van 200 dollar en huisvesting was beloofd, werden ze niet uitbetaald en zaten ze opgesloten in het stadion van de club, waar ze met z’n allen in één ruimte op de vloer moesten slapen. De jongeren waren uitgenodigd door de Liberiaanse ex-profvoetballer Alex Karmo, die volhoudt dat de academie naar eer en geweten heeft gehandeld en dat de spelers keurig hun loon hebben ontvangen. De Liberiaanse journalist en sportpromotor Wleh Bedell denkt daar het zijne van: ‘Deze “academie” heeft geen coach, geen sportarts. Karmo was de coach, de manager – alles. Het was volslagen absurd.’ Een jonge speler vertelde dat er geen medische hulp werd geboden, ook al liep een aantal van hen malaria en tyfus op. Hij noemde het ‘regelrechte slavernij’. FIFPro uitte het vermoeden dat de zaak niet op zichzelf stond, maar slechts het topje van de ijsberg was. De Cambodjaanse voetbalcompetitie raakte in een soortgelijk schandaal verwikkeld toen de Nigeriaan Wilson Mene in 2012 tijdens een wedstrijd in elkaar zakte en aan een hartaanval overleed. Daarbij rees het vermoeden dat zijn dood te wijten was aan de barre leefomstandigheden en de ondermaatse medische zorg die zijn Cambodjaanse club bood. Na de dood van Mene werd wereldwijd geijverd voor strengere regelgeving, hoewel veel jonge Afrikanen in Cambodja en heel Azië nog altijd gebukt gaan onder slechte werkomstandigheden.

    Lage kosten voor levensonderhoud, een aangenaam klimaat en de kans om ongeveer 2000 dollar per maand te verdienen lokken Afrikaanse voetballers naar Bangladesh

    Naast alle spelers die met valse beloften naar Azië worden gelokt, bestaat er een grote groep Afrikaanse voetballers die op een toeristenvisum naar Azië afreizen, in de hoop het te gaan maken. Cambodja kreeg tussen 2007 en 2010 te maken met een enorme toestroom aan Afrikaanse spelers, nadat het land entreeprijzen had ingesteld voor voetbalwedstrijden en het maandsalaris van spelers van 20 à 30 dollar per maand was gestegen naar 70 à 100 dollar. Er wordt nu door meer dan honderd Afrikanen en voetballers uit de rest van de wereld gevochten om de dertig beschikbare plaatsen voor buitenlandse spelers. In Myanmar arriveren elk jaar vlak voor het transferseizoen tientallen Afrikanen op een toeristenvisum, dromend van een contract. In de meeste gevallen blijven ze langer dan het toeristenvisum toestaat, tevergeefs wachtend op hun grote doorbraak, om vervolgens platzak in de illegaliteit – en soms in de criminaliteit – te belanden. Degenen zonder verblijfsvergunning die wel een contract binnenslepen, zijn overgeleverd aan hun werkgevers, die hen onder slechte omstandigheden en tegen schandalig lage lonen laten werken. En uit angst voor deportatie zullen spelers zonder verblijfsvergunning ook niet zo snel naar de politie stappen om misbruik aan te geven. Zelfs Louis-Paul Mfede, die bij het WK van 1990 en 1994 in het nationale elftal van Kameroen speelde en nadien zijn carrière in Indonesië voortzette, werd glashard vastgezet toen zijn visum verliep.

    Olewale Sunday verliet Nigeria in de veronderstelling dat hij gecontracteerd was door een professionele Russische voetbalclub, maar belandde voor een fractie van het beloofde salaris bij een amateurclub in Tadzjikistan. Zijn verhaal staat niet op zich: Centraal-Azië is onderhand het afvoerputje voor opgelichte Afrikanen. ‘In de regio zijn nieuwe “voetbalslavenroutes” ontstaan,’ aldus David McArdle, die over voetbal in Azië schrijft. Sunday had nog geluk: hij wist in Kirgizië een positie bij een tweededivisieclub te bemachtigen. Ook Daniel Togoe, uit Ghana, kwam met hoge verwachtingen in Rusland aan en eindigde, in eerste instantie gedesillusioneerd, in Kirgizië. Togoe is nu een van de vier West-Afrikaanse spelers in het Kirgizische nationale voetbalteam. Volgens de FIFA-regels mag een voetballer voor een ander land uitkomen wanneer hij daar vijf jaar woont en het staatsburgerschap heeft gekregen. Ondanks het gemis van vrienden en familie, vermaken Togoe en zijn Afrikaanse ploeggenoten zich inmiddels prima in Kirgizië: de West-Afrikaanse elftalspelers worden er op handen gedragen.

    ‘Bij de Asian Confederation Challenge Cup van 2013 scoorde David Tetteh (uit Ghana) alle doelpunten voor het nationale elftal. Ik heb geen idee hoe hij over Kirgizië heeft gehoord’, schreef de Kirgizische journalist Bektour Iskender, ‘maar dankzij hem en de andere Afrikaanse spelers is ons elftal op de kaart komen te staan.’ Bengalese voetbalpromotors betonen zich al even enthousiast; de groeiende populariteit van het voetbal in Bangladesh is in hun ogen mede te danken aan de Afrikanen, die de competitie naar een hoger niveau hebben getild. De Bengalese Premier League werd pas in 2007 opgericht en sindsdien voeren Afrikaanse spelers de topscorerslijsten aan. Het allereerste doelpunt en de allereerste hattrick van die eerste competitie werd gescoord door de Nigeriaanse spits Elijah Obagbemiro Jr. In 2013 telde de voetbalcompetitie vijftig buitenlandse spelers, het merendeel West-Afrikanen, zoals de Ghanese Awuda Ibrahim, die een van de topspelers is geworden. Lage kosten voor levensonderhoud, een aangenaam klimaat en de kans om ongeveer 2000 dollar per maand te verdienen lokken Afrikaanse voetballers naar Bangladesh. ‘Het voetbal zit hier in de lift, daarom komen Afrikaanse spelers eropaf,’ zegt Abdul Samad Yussif uit Ghana. ‘Als ik tussendoor thuiskom, vraagt iedereen me het hemd van het lijf. Mijn vrienden willen ook deze kant op komen.’

    Op het dak van de wereld

    In de diverse Indiase voetbalcompetities spelen ongeveer vierhonderd Afrikanen, bijna iedere Thaise eredivisieclub telt minstens één Afrikaanse speler en sommige kunnen zelfs bogen op vijf. Al met al speelden in 2015 meer dan dertig Afrikaanse voetballers bij clubs op het hoogste niveau en daarnaast speelde nog een veelvoud in de lagere divisies. Afrikaanse spelers zijn ook populair in Maleisië. Ze figureren prominent in de media en doorbreken daarmee negatieve stereotypen, die dankzij de groeiende immigratie de kop opsteken – alleen al in 2013 immigreerden zo’n 79.000 Afrikanen naar Maleisië. Afrikaanse voetballers vinden zelfs hun weg naar het hooggelegen Nepal, waar ondertussen meer dan vijftig Afrikanen op verschillende niveaus spelen. Gelegen op het dak van de wereld, ingeklemd tussen China en India, is Nepal misschien wel de laatste plek waar je Afrikaanse spelers zou verwachten – zelfs de spelers zelf zijn verbaasd dat ze hier zijn beland. ‘Ik had nog nooit van Nepal gehoord,’ vertelt Adewumi Joshua Femi, uit Nigeria, ‘laat staan van Nepalees voetbal.’ Andere Afrikanen vertellen soortgelijke verhalen. De Ivoriaan Zikahi Leonce Dodoz, die bij JC Abidjan in de eerste divisie speelde, strandde in Nepal nadat hij was opgelicht door een voetbalmakelaar die hem een contract bij een club uit een grote Aziatische competitie had beloofd. Uiteindelijk wist hij zelf een plek af te dwingen bij Three Star Club. ‘Voor lokale begrippen krijgen Afrikaanse voetballers een goed salaris,’ zegt hij. ‘Het is een hele uitdaging voor ons, omdat wij Afrikanen beter betaald krijgen dan de Nepalezen,’ vult de Nigeriaanse verdediger Peter Segan hem aan, ‘dus we moeten onszelf iedere dag bewijzen.’ Voor Dodoz heeft de hele onderneming, na de eerste schok, gelukkig goed uitgepakt; hij woont inmiddels samen met zijn Nepalese vriendin en is bezig de taal te leren. Ook de andere Afrikaanse voetballers zijn te spreken over het land en loven de Nepalese gastvrijheid. Niet alle oversteken eindigen dus in een drama, hoewel alle Afrikaanse voetballers heel wat te verduren krijgen op hun riskante avontuur in Azië.

    Auteur: Jeremy Luedi
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Asia by Africa
    Canada | asiabyafrica.com

    Het blog Asia by Africa, in 2017 opgericht door freelancejournalist Jeremy Luedi, onderzoekt ‘de verbazingwekkende interactie tussen de twee grootste regio’s van de wereld’. Het platform publiceert artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen.

  • Misselijk van voetbal

    Misselijk van voetbal

    De stoere Duitse verdediger Per Mertesacker, wereldkampioen in 2014 en tot voor kort aanvoerder van Arsenal, doet niet mee aan het komende WK. In mei hing hij na vijftien jaar profvoetbal zijn kicksen aan de wilgen. In een openhartig afscheidsinterview met Der Spiegel vertelt hij hoe meedogenloos de voetbalbusiness is.

    Vier à vijf seconden voor het fluitsignaal wordt hij iedere keer overvallen door acute misselijkheid. Als hij zijn positie op het veld heeft ingenomen, te midden van de brullende supporters. Hij weet dat hij nu weer alles moet geven, negentig minuten lang.

    De spanning, zegt hij, is dan bijna ondraaglijk. ‘Mijn maag draait zich om alsof ik moet overgeven. Ik moet dan één keer zo heftig slikken, dat de tranen me in de ogen springen.’ Hij draait zijn hoofd dan altijd opzij, met de kin naar de schouder, opdat niemand er iets van merkt: de tv-camera’s niet, de trainer niet, zijn medespelers niet. Zodat niemand ooit zal vragen wat er eigenlijk voor iedere wedstrijd met hem aan de hand is. Met Per Mertesacker, de rustige, soevereine, centrale verdediger.

    De wereldkampioen van 2014 en aanvoerder van Arsenal uit Londen zit in een Thais restaurant in het noorden van de stad. Het is een vrijdag in januari. Hij heeft het tafeltje online gereserveerd en per WhatsApp een screenshot gestuurd: 14.00 uur, twee personen, Mertesacker. ‘The big fucking German’ noemen ze hem hier in Engeland. Hoe passend die bijnaam is, laten we in het midden. Fucking big is hij zonder twijfel. Slechts één keer probeert hij zijn benen onder de tafel te vouwen.
    Per Mertesacker, 1 meter 99 lang, mager, draagt witte gymschoenen, jeans en een grijs sweatshirt. Hij bestelt spa blauw, kip met cashewnoten, geen koriander. Hij komt juist van de training.

    Diarree

    Veel aan de 33-jarige maakt een jongensachtige indruk: zijn lachen, de coolness waarmee hij achteroverleunt in zijn stoel, armen over elkaar. Of misschien wil hij nog een beetje afstand houden, voordat hij iemand dichterbij laat komen dan enige actieve voetballer van wereldklasse voor hem deed.

    In mei zet Mertesacker een punt achter zijn carrière, na 15 jaar profvoetbal, na 104 interlands, 221 wedstrijden in de Bundesliga, 155 in de Premier League en 83 in de Europa League.

    Hij is moe, uitgeput, zegt hij.

    Hij is kapot, zeggen de artsen.

    Maar Mertesacker wil er niet zomaar mee ophouden. Hij wil iets nalaten ‘voor de volgende generaties’, zegt hij.

    Dat moeten inkijkjes zijn in de meedogenloosheid van de voetbalbusiness. Hij wil afrekenen met valse veronderstellingen en in eigen persoon laten zien wat het betekent om met deze job te leven, die velen als een droombaan bestempelen: om de desastreuze druk te verdragen, om gevangen te zitten in een voortdurende dwang van training en wedstrijden spelen, en daarbij altijd alleen op je prestaties beoordeeld te worden.

    Altijd alleen maar de speler te zijn, nooit de mens in het shirt.

    Hij stelt een voorwaarde, en kijkt me strak aan. ‘Dit mag allemaal niet klagerig klinken, want natuurlijk besef ik wat een bevoorrecht leven ik heb.’ Dat er velen zijn die van zijn roem en zijn bankrekening dromen. En van wat daarmee samenhangt: villa’s, luxe auto’s, vakantie op de Seychellen, de Malediven, Mauritius. Hij wil er alleen aan toevoegen wat hij zelf veel te lang weggedrukt heeft. Dat deze gigantische voetbalbusiness niet alleen van het lichaam heel veel vergt.

    ‘De kwestie van die misselijkheid, het is voor het eerst dat ik daarover praat,’ zegt Mertesacker. Dat begint al in de nacht voor de wedstrijd. Clemens Fritz, met wie hij bij Werder Bremen een kamer deelde, had hem daar eens op attent gemaakt.

    ‘Hij vond dat hij altijd alles op alles moest zetten om eerder in slaap te vallen dan ik. Ik zou voor wedstrijden zo trillen met mijn rechtervoet, dat het hele dekbed ritselde. Daar zou hij gek van worden.’ Hemzelf was dat nooit opgevallen.

    En dan de diarree, op de ochtend van elke speeldag, terugblikkend dus op vijfhonderd dagen van zijn leven. Mertesacker richt zijn blik op zijn lange vingers, somt op: ‘Vanuit bed moet ik meteen naar het toilet, na het ontbijt naar het toilet, na het middageten weer naar het toilet, in het stadion nog eens naar het toilet.’ Al wat hij at moest er meteen weer uit.

    Zelfs met zijn vrouw, zijn familie, zijn vrienden heeft hij nooit over die misselijkheid gesproken. ‘Ik wilde dat niet dramatiseren. Het had geen effect op mijn prestaties.’

    Mertesacker pauzeert, denkt na. ‘Aan de andere kant deed ik als kind al alles alleen.’

    Bij wedstrijden moesten de kinderen vaak huilen als ze hem zagen. Omdat hij zo groot was, toen al

    Op zijn vierde stond hij voor het eerste op een voetbalveld. In Pattensen, Nedersaksen. Zijn vader Stefan was toen trainer van de dorpsvereniging. ‘Ik weet nog hoe ik met de andere jongetjes altijd voor de kleine bekers in de hal stond: O, kijk eens, misschien winnen we die, of die.’

    Bij wedstrijden moesten de kinderen vaak huilen als ze hem zagen. Omdat hij zo groot was, toen al. Al vroeg speelde hij mee met een hogere jaargang. ‘Altijd in de verdediging, altijd simpel, maar effectief. Zoals eigenlijk nog steeds.’

    Op zijn elfde ging hij naar Hannover 96. Dat hij het ooit zou schoppen ‘tot het hoogste niveau’, daar had hij nooit aan gedacht. ‘Ik wilde nooit profvoetballer worden. Voetbal was mijn hobby, en meer niet.’

    Zijn vader had meer in hem gezien, bleek toen Per vijftien was. Hij leed aan groeistoornissen, was te snel gegroeid, zijn botten moesten zich nog aanpassen. ‘Ik had zo’n pijn in mijn linkerknie dat ik een jaar lang niet kon trainen.’ Zijn vader zat er erg over in. ‘Jij redt het toch niet,’ had hij hem eens toegeroepen. ‘Maak jij eerst maar eens je school af, dan zien we verder,’ stelde zijn moeder hem gerust.

    Jij redt het toch niet. ‘In zekere zin heeft dat zinnetje me bevrijd,’ zegt Mertesacker nu. Want plotseling was de druk weg, die hij altijd had gevoeld.

    Toen hij na een jaar rust terugkeerde in de B-jeugd van 96, was er opeens de linie van vier verdedigers, met twee binnenspelers. Speel dat eens, had zijn trainer gezegd. Jij bent rustig aan de bal, en wint kopduels. Voor zijn toenmalige trainer werd hij al snel de ‘vuurtoren’ van het elftal. Na de jeugd kreeg hij een contract bij de amateurs. Hij moest maar een mobieltje kopen voor het geval ze hem nodig hadden bij de profs. ‘Dat was de eerste keer dat ik dacht: Wacht even, nu wordt het hier toch gevaarlijk,’ zegt Mertesacker.

    In 2003 tekende hij zijn eerste profcontract. Looptijd: twee jaar. Salaris: duizend euro per maand. Zijn vader vond dat hij eerst maar eens respect moest afdwingen. Op 1 november 2003 speelde hij zijn eerste wedstrijd in de Bundesliga tegen FC Köln als de jongste in Duitsland geboren speler van de Liga.

    Ongeveer twintig wedstrijden later rinkelde zijn mobieltje: Jürgen Klinsmann. ‘Hij wilde een frisse wind in het nationale elftal brengen, en mij een keer uitnodigen,’ herinnert Per Mertesacker zich. Hij lacht, schudt zijn hoofd. ‘Ik dacht alleen maar: Dat moet een 1-aprilgrap zijn.’


    Dan trekt hij een ernstig gezicht. Zijn geschiedenis tot dat moment heeft hij verteld als een entertainer, nu praat hij zachter, zoekt meer naar woorden.

    ‘Het ene hoogtepunt volgde op het andere. Bovendien was het toen al een moeilijke spagaat: ik heb m’n eindexamen gehaald, elke dag getraind en in de weekends gespeeld. Maar ik heb mezelf vaak aangemoedigd: niet nadenken, doorgaan, gewoon doorgaan.’

    Hij zwijgt even. ‘Want natuurlijk, op zeker moment besef je wel dat het allemaal behoorlijk zwaar is, lichamelijk en mentaal, dat je dat ook moet verwerken en ergens moet wegstoppen. Dat het helemaal niet meer om het plezier gaat, maar dat je moet presteren, zonder mitsen en maren. Zelfs als je geblesseerd bent.’

    Zijn eerste zware blessure had hij in 2005. Een overtreding in een interland, een schop tegen de achillespees. De blessure laten genezen was geen optie, voor Hannover 96 dreigde weer eens degradatie uit de Bundesliga, voor hemzelf ging het ook om een plaats in het nationale elftal.

    En dus speelde hij verder, een jaar lang, totdat zijn bot erdoor vervormd was. ‘Dat waren helse pijnen. Maar in dit werk moet je altijd bereid zijn je gezondheid op te offeren. Onder het motto: van lijden word je hard.’

    Het betaalde zich uit, Klinsmann riep hem op. ‘Het idee om erbij te zijn op het WK in eigen land, dat was een soort roes.’

    Per Mertesacker schuift zijn bord opzij, haalt een rood notitieboekje tevoorschijn. Hij bladert erin, zijn blik vliegt langs de trefwoorden die hij voor de ontmoeting met Der Spiegel genoteerd heeft. ‘Natuurlijk was ik ook teleurgesteld toen we tegen Italië in de halve finale uitgeschakeld werden, maar ik was vooral opgelucht. Ik weet het nog goed, alsof het gisteren was. Ik dacht alleen maar: Het is voorbij, het is voorbij. Eindelijk is het voorbij.’

    ‘Had ik dat kunnen zeggen? Dat ik blij was dat we eruit lagen?’

    Zelfs één enkele wedstrijd had hij niet meer kunnen spelen, vanwege zijn hiel. ‘De spanning vrat me op. Dat voortdurende horrorscenario dat je een fout maakt, waaruit een doelpunt ontstaat.’ Hij zwijgt een moment. ‘Die angst heb je ook bij andere wedstrijden, dat je steeds weer naar de klok op het scorebord kijkt, de minuten aftelt. Maar bij het wereldkampioenschap was het onmenselijk.’ Mertesacker speelt gedachteloos met zijn servet. Rolt hem op, en weer uit, op, en uit. ‘Maar had ik dat kunnen zeggen? Dat ik blij was dat we eruit lagen?’

    Voetbal is de lievelingssport van de Duitsers, de voetbalprofs zijn zoiets als nationaal bezit. Zelfs als hij na de wedstrijd volledig opgebrand was, gold: de mensen hebben recht op je, Per. Hij weet niet meer hoe vaak hij dat zinnetje heeft gehoord. Op momenten waarop hij alleen maar weg wilde, met niemand wilde praten.

    Hij keert terug naar zijn notities. Na het Wereldkampioenschap van 2006 moest zijn hielbeen in de oorspronkelijke vorm worden teruggeschaafd. Hij koos een revalidatiekliniek in Donaustauf bij het Beierse Woud. ‘Ik wilde zo ver mogelijk weg van de voetballerij, van de club, van de stadions.’ Opnieuw laat hij een stilte vallen, kiest zijn woorden zorgvuldiger. ‘Iedereen denkt dat het een drama is om uit te vallen met een blessure. Dat is niet zo. Want het is de enige manier om een gelegitimeerde time-out te krijgen, even weg uit de mallemolen.’

    De mallemolen. Altijd dezelfde opeenvolging van sponsorverplichtingen, trainingen en wedstrijden, week in week uit. De dagelijkse metingen ondergaan: hoeveel heeft hij gelopen? Hoe snel? Hoe hoog gesprongen? ‘En het interesseert feitelijk geen hond of je tien goede wedstrijden hebt gespeeld. Altijd is de laatste wedstrijd de enige die telt.’

    Voetbal is een spel waarbij liefde en haat elkaar afwisselen. ‘Als de supporters je bejubelen is dat onbeschrijfelijk. Fluiten ze je uit, ai, dan ga ik door de grond van schaamte.’

    In zijn tijd als profvoetballer ging zijn lichaam minstens een keer per jaar in staking, zegt hij. Na het seizoen 2007/2008 stond hij na drie weken weer op het veld, hij had het EK nog gespeeld. ‘Ik kwam bij de eerste training heel normaal aanlopen, toen ik een knik in mijn knie voelde. Ik viel en kon mijn knie niet meer bewegen. Gescheurde meniscus. Zomaar ineens. Peng.’ Hij klakt met zijn tong.


    © Getty
    © Getty

    Lang heeft hij zich afgevraagd waarom dat gebeurde. ‘Het antwoord is simpel: ik zat er doorheen, volledig. Mijn lichaam was niet klaar voor een nieuwe inspanning.’ Hij speelt met het leeslint van zijn notitieboekje. ‘Als ik niet meer kon, was ik geblesseerd. Zo was het altijd. Ik durf zelfs te beweren dat veel terugkerende blessures een psychische oorzaak hebben. Dat het lichaam de ziel daarmee rust bezorgt. Maar niemand vraagt daarnaar.’

    Zeven weken lang valt hij uit met zijn gescheurde meniscus, hij herstelt weer in Donaustauf. In de kliniek leert hij zijn huidige vrouw Ulrike Stange kennen. Van die relatie heeft hij enorm geprofiteerd, zegt Mertesacker. Zij is een voormalige handbalster van het nationale team, kent de druk, de verwachtingen. Het lange wakker liggen ’s nachts. Na avondwedstrijden kwam hij voor vijf uur niet in slaap. ‘Dan sta je de volgende dag volkomen uitgewoond op het trainingsveld.’

    Zijn vrouw toont tot op heden stilzwijgend begrip als hij, zoals in januari 2012, drie dagen lang ziek in bed ligt omdat hij weer eens overbelast is, en alleen maar wacht tot dat gevoel weggaat. Welk gevoel? ‘Nou ja, de uitputting, die totale uitputting.’

    Na zijn transfer van Hannover 96 naar Bremen in 2006 treft hij in de kleedkamer voor het eerst een psycholoog aan. Hij werd zo aan hem voorgesteld: als je eens iets hebt, dan kun je er altijd met hem over praten.

    Hij heeft geen gebruikgemaakt van het aanbod. ‘Als hij ons aansprak reageerde iedereen altijd in de trant van: ik heb niks, met mij gaat het goed. Blijf uit mijn buurt, ik wil niet met je praten.’ Mertesacker trekt met zijn mes lijnen in de stof van zijn servet, haalt zijn schouders op. ‘Je wilt toch ook niet dat de anderen in het team denken dat je een probleem hebt. Dat topsport misschien toch niets voor jou is.’ Op het veld zijn ze een elftal, maar uiteindelijk staan ze er allemaal alleen voor; de een wat gevoeliger dan de ander. ‘In de kleedkamer dol je wat met elkaar, met twee of drie anderen heb je misschien meer contact. Maar dat was het ook wel. Niemand laat het achterste van zijn tong zien en zegt hoe hij zich voelt.’ Maar op wedstrijddagen liepen ze allemaal naar de wc.
    Pas bij Arsenal ging hij in gesprek met een psycholoog. Die werd hem aangeprezen als een coach die hem nog duidelijker zou maken wat zijn taken als centrale verdediger waren. Het gaf hem ‘meer zelfvertrouwen’, zegt Mertesacker. Wat de stress met hem deed, hoe hij zich in bepaalde situaties voelde, daar vroeg de psycholoog nooit naar.

    Zelfmoord Robert Enke

    Hoezeer zwakheden en ziekte in het voetbal weggestopt worden, heeft vooral de dood van Robert Enke in 2009 aan het licht gebracht. Als hij spreekt over de zelfmoord van zijn vriend, destijds doelman bij Hannover 96, wellen er tranen in de ogen van Per Mertesacker. ‘Zelfs ik heb er niets van meegekregen hoe slecht het met hem ging. Dat zegt wel iets, nietwaar?’

    Foto’s van Enkes rouwplechtigheid laten een huilende Mertesacker zien. ‘Ik stond op het punt het bijltje erbij neer te gooien. Vooral omdat een week later alles weer als vanouds was.’ Het gepraat over meer menselijkheid in het voetbal, het waren alleen maar mooie woorden.

    Waarom hij dan toch was blijven spelen? De euforie na overwinningen, dat is nergens mee te vergelijken. De goede feedback van zijn trainer. De liefde voor het spel. Het deel uitmaken van een team. De mensen, vooral de kinderen, voor wie je een idool bent. De nieuwe uitdagingen, die ook steeds weer voor nieuwe motivatie zorgden; en ten slotte het aanbod van Arsenal uit Londen, de wereldclub, waarvoor hij altijd al had willen spelen.

    Ook het salaris was natuurlijk altijd een argument, ‘idioot veel geld’, zoals hij zegt. ‘Toch zou ik nooit zeggen dat ik persoonlijk overbetaald werd, of word. Ik weet wat ik daarvoor gepresteerd heb, wat die belasting met mij gedaan heeft.’

    Wat hij daarvoor heeft opgegeven – zijn jeugd, zijn privéleven, zijn vrijheid. ‘Maar nogmaals: ik stel het alleen maar vast. Ik heb er zelf voor gekozen, niemand heeft me ertoe gedwongen.’

    Vrienden zijn voor Per Mertesacker de mensen die hij kende voor hij de stervoetballer werd. Voormalige klasgenoten, jongens met wie hij als tiener bij Hannover 96 gespeeld heeft. Die het niet gehaald hebben, ook omdat ze niet om konden gaan met de druk.

    In mei speelt Per Mertesacker zijn afscheidswedstrijd. ‘En dan zal ik als dertigplusser voor het eerst van mijn leven vrij zijn,’ zegt hij. Na drie maanden rust zal hij in de zomer de jongerenopleiding van Arsenal gaan leiden. Hij heeft grote plannen. ‘Ik wil het systeem aanvallen. Wij zijn verantwoordelijk voor de jongeren die naar ons toekomen. Die mogen niet alles op de voetbalkaart zetten, en de school verwaarlozen. Tenslotte wordt maar 1 procent van hen prof. En van de 99 procent die overblijft is dan 60 procent langdurig werkloos.’

    Hij wil ook de blik van de jongeren scherpen. Dat het maar kleine splintertjes van de realiteit zijn die sommige spelers op Twitter, Instagram en Facebook posten. Dat de grote koptelefoons en donkere zonnebrillen niet zozeer coole accessoires zijn, maar bescherming tegen de buitenwereld.
Er zijn vele uren verstreken als Per Mertesacker zijn notitieboekje dichtslaat. Hij leunt achteruit in zijn stoel, strekt zijn lange benen uit. Hij had totaal geen idee waar hij aan begon toen hij prof werd, zegt hij. ‘Maar zelfs als ik voor iedere wedstrijd moest braken en twintig keer moest revalideren, zou ik het zo weer doen.’

    In 2014 voor Duitsland de wereldtitel pakken, en in Wembley staan als vijftigduizend man voor Arsenal juichen – ‘Voor die herinneringen was het het allemaal waard.’

    Auteur: Antje Windmann
    Vertaler: Piet Meeuse

    Openingsbeeld: © Hollandse Hoogte

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 840.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat tal van politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Je mist een WK en de wereld stort in

    Je mist een WK en de wereld stort in

    Je begint je af te vragen wat een fantastisch land Italië zou zijn als zijn inwoners ook maar een tiende van de hartstocht, de mentale inspanning, de lichamelijke energie, de creativiteit en de woorden zouden spenderen aan hun maatschappelijke betrokkenheid, hun dagelijks werk, hun sociale relaties en het algemeen belang als aan voetbal – zij het vaker als toeschouwer dan als speler.

    Eens te meer hebben we laten zien waartoe we in staat zijn: het Squadra Azzurra heeft zich tegenover het over het algemeen zwakke Zweden, dat zich beslist niet kan meten met onze reputatie op voetbalgebied, niet kunnen kwalificeren voor het WK 2018 in Rusland. En op het moment dat het fluitje van de scheidsrechter het einde van de wedstrijd aankondigde, en daarmee niet alleen onze nederlaag bekrachtigde maar vooral onze fysieke inferioriteit, werden we overspoeld door een stortvloed van commentaren, beschuldigingen, protesten en standpunten die grensde aan een collectief psychodrama.

    Een heel land voelde zich geroepen zijn mening te geven. We eisten op hoge toon het ontslag van de verantwoordelijken – en dan vooral van één daarvan, altijd dezelfde, de trainer. We hebben de vreselijke economische gevolgen die deze uitschakeling met zich mee zal brengen schromelijk overdreven. Om een parallel te trekken met deze nederlaag op het ereveld hebben we aan de zwartste uren van onze nationale geschiedenis gerefereerd, de onlangs herdachte Slag bij Caporetto die Italië de nekslag toebracht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Plotseling zijn wij Italianen – gewoonlijk zo wars van iedere vorm van collectiviteitsbetoon – onszelf als een gekwetste, gewonde, diep gekrenkte gemeenschap gaan beschouwen die nu wanhopig op verlossing wacht. De woorden ‘catastrofe’, ‘tragedie’ en ‘apocalyps’ waren niet van de lucht, en ze zijn met zo veel luchtigheid en onmatigheid gedebiteerd – het blijft tenslotte maar een spelletje – dat je je kunt afvragen welke termen je moet gebruiken om een echte ramp te omschrijven.

    We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plekken gezet. Die hebben gewoon hun werk slecht gedaan, fouten gemaakt

    We zijn vooral in sociologische en massapsychologische verklaringen vervallen, op een toon die aan een cafégesprek doet denken. Maar waar staat geschreven dat voetbal een metafoor is voor de maatschappij? En dat een nationaal elftal in crisis dus het product van een land in crisis moet zijn? Want als dat zo was, zouden we daaruit de even ridicule als wijdverbreide conclusie moeten trekken dat de voetbalkracht van een land bepalend is voor zijn economische kracht en zijn internationale geloofwaardigheid. Het gezond verstand zou willen dat het tegendeel het geval was. Bovendien kunnen we minstens tien landen noemen die op voetbalgebied geen deuk in een pakje boter slaan maar desondanks over grote rijkdommen beschikken en een belangrijke rol spelen. Willen we onszelf misschien wijsmaken dat we door onze uitschakeling voor het WK voortaan voor spek en bonen zullen meedoen op het internationale toneel en dat ons bbp weldra een dieptepunt zal bereiken?

    Je krijgt het gevoel dat deze merkwaardige parallel tussen sport en politiek, tussen de overwinningen van de eerste en de macht van de tweede, een onbewuste erfenis is van de totalitaire traditie van de twintigste eeuw, waarin de twee gebieden opzettelijk nauw met elkaar verweven waren. Maar de geloofwaardigheid en het goed functioneren van een democratie – waarin sport als eenvoudig volksvermaak moet worden beschouwd, en niet als een dwangmiddel voor collectieve mobilisering, voor het versterken van de burgerzin en het doen vergeten van de smeerlapperij van en de vrijheidsberoving door de machthebbers – zijn niet afhankelijk van het aantal gescoorde doelpunten of gewonnen bekers.

    Gianluigi Buffon en Leonardo Bonucci omhelzen elkaar na de fatale play-off tegen Zweden in het San Siro-stadion in Milaan. – © Claudio Villa / Getty
    Gianluigi Buffon en Leonardo Bonucci omhelzen elkaar na de fatale play-off tegen Zweden in het San Siro-stadion in Milaan. – © Claudio Villa / Getty

    Als we eens zouden ophouden met filosoferen over een eenvoudige nederlaag – waarvan iedereen weet dat die sportief gezien verdiend was – zouden we misschien ontdekken dat het ons aan een minimum aan voorbereiding en organisatie heeft ontbroken. We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plekken gezet. Die hebben gewoon hun werk slecht gedaan, fouten gemaakt op het gebied van management, strategie, voorbereiding en prognostiek. Zulke dingen kunnen gebeuren. Maar als zoiets bij een bedrijf gebeurt – en het voetbalmilieu is, de oprechte hartstocht waardoor het wordt bezield even buiten beschouwing gelaten, een enorme commerciële onderneming geworden waarin alles draait om belangen, investeringen en getallen met zes nullen – stroopt men de mouwen op. En men probeert, met het oog op een glorieuzere toekomst, het goede te behouden en het slechte te verbeteren. Zeker, dat is een prozaïsche benadering, maar wel de enige serieuze en rationele.

    Voor de rest is het alleen maar weliswaar vermakelijk maar onverdraaglijk geklets, waarmee de Italianen hun fouten en hun vaak zo armetierige houding graag plegen te maskeren. Zoals wanneer ze zich ware nationalisten betonen, het volkslied galmen, te vuur en te zwaard het Squadra verdedigen of zich alleen maar gedurende de negentig minuten van de wedstrijd als de trotse hoeders van een prestigieuze nationale geschiedenis ontpoppen. Om elkaar vervolgens weer te verscheuren, hun naaste of buurman de rug toe te keren, zich op te sluiten in hun individuele of regionale coconnetje, anti-Italiaanse stereotypen uit te braken of zich te verliezen in zelfdenigrering zodra het nationale elftal de drempel van de kleedkamer over is.

    Dit volk moet eerst vermoeid en verbijsterd zijn voordat het zijn eenheid en solidariteit denkt te kunnen hervinden rond zoiets als een voetbal! En het wordt pas echt pathetisch als het van een verloren wedstrijd een historische ramp maakt waarvan het zich pas in de verre toekomst zal kunnen herstellen. Laten we duimen dat dat gebeurt. We zijn tenslotte Italianen, we hebben wel meer erge dingen meegemaakt en we beschikken over zo veel verborgen krachten.

    Om niet de lachlust te wekken zullen we de soberheid van onze vaders moeten hervinden, die behept waren met een ware hartstocht voor de ronde bal, maar daarvan geen staatskwestie maakten. Toen we in januari 1958 een smadelijke nederlaag leden tegen Noord-Ierland, kopte La Gazetta dello Sport alleen maar: ‘Squadra Azurra uitgeschakeld voor WK’. Meer niet. Heel anders dan het moord en brand geschreeuw van tegenwoordig. Maar dat waren andere tijden, en andere Italianen.

    CONTEXT: Einde van de wereld

    De dag na de uitschakeling van de Azzurri kwam de Italiaanse pers dramatische bewoordingen tekort: ‘Apocalyps’, ‘EINDE’, ‘nationale schande’. De meeste kranten publiceerden foto’s van wanhopige spelers en vertwijfelde koppen. ‘Voor het eerst in zestig jaar zonder WK’, klaagde de Corriere della Sera. We zijn ‘de wereld uitgezet’, voegde Il Giornale eraan toe. Naast al het geweeklaag heeft het land snel naar zondebokken gezocht. De beschuldigende vingers gingen naar trainer Giampiero Venturo, ontslagen op 15 november, en naar bondsvoorzitter Carlo Tavecchia, die op 20 november aftrad.

  • Bloed aan de paal

    Bloed aan de paal

    Sport had niets met politiek te maken, beweerden fanatieke pleitbezorgers van Nederlandse deelname aan het WK voetbal van 1978 in Argentinië. Waren zij de nationaal-socialistische Olympische Spelen in 1936 expres vergeten om zonder wroeging bij te dragen aan de vuile oorlog van de Argentijnse militaire dictatuur?

    Het cabaretduo Neerlands Hoop In Bange Dagen niet. Freek de Jonge en Bram Vermeulen deden een dappere poging de publieke opinie te mobiliseren met hun boycotactie Bloed aan de paal:
    We gaan naar Argentinië, waar dagelijks wordt gemoord.
    Maar daar is nu eventjes geen tijd voor, zojuist heeft Rep gescoord.

    Indien Rob Rensenbrink in de allerlaatste minuut van de finale Argentinië-Nederland niet tegen diezelfde paal had geschoten, was Oranje in Buenos Aires wereldkampioen geworden en hadden de apologeten van toen triomfantelijk het argument gehanteerd dat ‘wij’ die smeerlappen toch maar een lesje hadden geleerd en dat ‘zij’, de actievoerders tegen deelname, het mooi verkeerd hadden gezien.

    President Assad heeft het nationale team ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur

    Syrische voetballers staan in deze maanden voor een nog ingewikkelder dilemma. President Assad heeft het nationale team ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur. Het land verkeert in een gecompliceerde oorlogssituatie; er is niet alleen een verschrikkelijke burgeroorlog gaande, maar een die door buitenlandse inmenging buitengewoon ingewikkeld en onoverzichtelijk is geworden. Rusland bemoeit zich ermee, de VS en bondgenoten bemoeien zich ermee, Iran bemoeit zich ermee, de Islamitische Staat in Irak en Syrië bemoeit zich ermee, de Koerden binnen en buiten de Syrische grenzen bemoeien zich ermee. En langs de zijlijn staan enkele invallers klaar om ook nog wat speelminuten te krijgen.

    En nu heeft het Syrische nationale voetbalelftal nog steeds een – kleine – kans om zich te plaatsen voor het WK voetbal van volgend jaar in Rusland. Assad zal deze buitenkans ongetwijfeld uitbuiten voor propagandistische doeleinden. Wat doe je dan als Syrische voetballer? Waar sta je in de burgeroorlog, voor of tegen Assad? En als je tegen hem bent, heb je dan het lef om dat te tonen door je niet beschikbaar te stellen voor het nationale elftal? Of zwijg je? Omwille van je eigen carrière, van je familie? Sterspeler Firas al-Khatib heeft het allemaal gedaan. Wel, niet. Spreken, zwijgen. Vijf jaar lang heeft hij het nationale elftal geboycot. Nu is hij terug omdat hij Syrië – al is het maar even – ‘uit zijn hel wil verlossen’.

    Sport zou niets met politiek te maken moeten hebben. En vice versa.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: Syrië-Zuid-Korea. Hwang Hee Chan (midden) duelleert met Ahmad Alsaleh (r.) en Amro Jeniat (l.). – © Chris Jung / Getty Images

  • Voetballen 
voor Assad?

    Voetballen 
voor Assad?

    Sport als propaganda

    Het Syrische voetbalelftal plaatste zich onlangs voor de play-offs voor het WK 2018. Een geweldige prestatie, maar ook één met een wrange bijsmaak, schrijft sportjournalist Steve Fainaru: ‘De harde waarheid is dat het voetbal door president Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur.’ Sterspeler Firas al-Khatib worstelt met de vraag: stel ik me wel of niet beschikbaar? 

    Op een koele middag in februari zit een van de beste voetballers van Syrië in een winkelcentrum in Koeweit te dubben over een beslissing die hem, zo vreest hij, het leven kan kosten. Vijf jaar lang heeft Firas al-Khatib het nationale elftal geboycot uit protest tegen Assad, die zijn stad heeft uitgehongerd en gebombardeerd. Maar nu lijkt hij ineens van gedachten te zijn veranderd. Hij overweegt zich toch weer beschikbaar te stellen voor de beslissende slotfase van de WK-kwalificatie. Zijn motieven zijn complex en hij praat er niet graag over.

    ‘Ik ben bang, bang,’ zegt hij in ietwat plechtstatig Engels. ‘Zodra je in Syrië nu je mond opendoet, is er iemand die je vermoordt – om wat je zegt, om wat je denkt. Niet om wat je dóét. Ze doden je om wat je denkt.’

    Khatib is een man met een tenger postuur, een baardje, bruine krullen en zachte ogen. Bij zijn profclub in Koeweit verdient hij miljoenen. Het chique winkelcentrum waar wij hem spreken, met uitzicht op een jachthaven waar mannen op terrassen aan een waterpijp lurken, geeft een indruk van zijn luxe leventje hier. Maar hij worstelt zichtbaar met zijn grote dilemma. ‘Elke dag lig ik hier een paar uur over te malen voordat ik in slaap kom.’

    Hij pakt zijn telefoon en laat zijn Facebookpagina zien, waarop dagelijks honderden berichten binnenkomen. Zelfs sommige van zijn beste vrienden dreigen nu met hem te breken. Nihad Saadeddine, een speler met wie hij is opgegroeid, zegt dat Khatib ‘samen met iedereen die de misdadige Assad heeft gesteund op de schroothoop van de geschiedenis’ zal belanden, als hij toch weer voor Syrië speelt. En dat hij hem dan nooit meer wil spreken.

    Keuze tussen twee kwaden

    Over 36 dagen speelt Syrië zijn volgende kwalificatieduel. Voor die tijd moet Khatib een keuze maken tussen twee kwaden. Als hij meespeelt, wordt hij de aanvoerder en spil van het team dat zijn land voor het eerst naar een WK kan brengen. Maar dan speelt hij wel voor een bloedig regime dat niet alleen zenuwgas, marteling, uithongering en bombardementen als wapens hanteert, maar ook voetbal als propagandamiddel inzet. Blijft hij het nationale elftal boycotten, dan kiest hij partij voor een met vreedzame demonstraties begonnen oppositie die inmiddels uiteen is gevallen in een baaierd van splintergroeperingen, waaronder IS en Al-Qaida. En voetbal is voor IS al vaker een doelwit van bloedige aanslagen geweest, zoals die bij het Stade de France in 2016, en de zelfmoordaanslag op een jeugdwedstrijd in Irak die aan 29 kinderen het leven kostte.

    ‘Er zijn nu zo veel moordenaars in Syrië, het zijn er niet meer een of twee,’ zegt Khatib. ‘En ik heb aan allemaal een hekel.’ Hij weet zich geen raad. ‘Wat ik ook doe,’ zegt hij, ‘twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken.’

    Het is alsof de Syriërs in het hart van hun echte burgeroorlog nog een miniatuuroorlog uitvechten: een felle en soms ook bloedige strijd om de ziel van hun nationale sport. Nu het land tegen alle verwachtingen in kans maakt op een WK-plaats, komen ook sommige spelers (en coaches) tegenover elkaar te staan. De Syrische regering roemt het voetbalveld als een plek waar Syriërs van alle gezindten nog vreedzaam kunnen samenkomen. Voetbal is ‘een droom die mensen samenbrengt,’ zegt Bashar Mohammad, woordvoerder van het nationale elftal. ‘Het tovert een lach op hun gezicht en helpt ze de geur van dood en verwoesting even te vergeten.’ Maar de harde realiteit is dat het voetbal door Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur – en dat de FIFA het toelaat.

    Minstens 38 spelers uit de hoogste twee competities en nog eens tientallen uit lagere divisies zijn al door de Syrische regering doodgeschoten, omgekomen bij bombardementen of doodgemarteld. Dat soort cijfers worden verzameld door Anas Ammo, een voormalig sportjournalist uit Aleppo die nu onderzoek doet naar mensenrechtenschendingen tegen Syrische sporters. Minstens dertien voetballers worden vermist. Op kleinere schaal hebben ook de oppositiestrijdkrachten sporters gedood: Ammo telt vier slachtoffers van IS. Maar volgens het Syrische Netwerk voor Mensenrechten is het vooral de regering die ‘sporters en sportfaciliteiten inzet voor haar gewelddadige bewind’. Voetbalstadions zijn gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op burgers, en vanaf het begin van de oorlog werden teams gedwongen voor het regime te demonstreren met spandoeken of shirts met afbeeldingen van Assad. ‘Assad was erop gebrand dat sporters en kunstenaars hem zouden steunen, want zij hebben invloed op de mensen,’ zegt Ammo. ‘Als speler moest je aan die demonstraties meedoen.’

    In 2015 ontving de FIFA een dossier vol bewijzen dat Syrië het verbod op politieke inmenging in het voetbal overtreedt. De afgelopen tien jaar heeft de FIFA op basis van dat verbod al twintig keer een land uitgesloten van internationaal voetbal. Maar op het rapport ‘Oorlogsmisdaden tegen Syrische voetballers’ reageerde de FIFA alleen met de mededeling dat ‘de tragische omstandigheden ver buiten het bereik van de sport vallen’.

    Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als “een schandvlek”. “Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord”

    Mark Afeeva, een in sportzaken gespecialiseerde advocaat in Londen, vindt Syrië ‘een duidelijk geval van systematische staatsinmenging in de sport’ en zegt: ‘De wereldvoetbalbond heeft simpelweg de ballen niet om op te treden tegen wat overduidelijk een zeer kwalijke zaak is.’

    Fadi Dabbas, vicevoorzitter van de Syrische voetbalbond en teamchef van het nationale elftal, wijst alle beschuldigingen van de hand. Volgens hem zijn ze afkomstig van spelers in ballingschap die tegen het regime zijn: ‘De regering beschermt het Syrische volk, en hun probleem is dat zij Syrië verlaten hebben en alleen voor zichzelf spreken.’

    De mogelijke WK-deelname van Syrië stelt niet alleen de FIFA, maar ook spelers en supporters voor een moreel dilemma. Honderden Syrische spelers zijn het land ontvlucht. Daaronder ook voormalige leden van de nationale selectie, zoals verdediger Firas al-Ali. Kort nadat zijn nichtje van dertien bij een regeringsaanval was omgekomen, is hij Syrië halsoverkop ontvlucht. Nu zit hij in een tentenkamp bij Karkamis, aan de Turkse grens. Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als ‘een schandvlek’, zegt hij. ‘Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord. Die spelers voeren de vlag des doods.’

    Seremban, Maleisië. Een klamme middag in september 2016. In de lobby van The Royale Bintang Resort & Spa zitten de spelers van het Syrische nationale elftal te wachten op de bus die hen naar het trainingsveld moet brengen. Hun thuiswedstrijd in de derde kwalificatieronde spelen ze hier in Maleisië, want het Syrische team is als een weeskind dat van pleeggezin naar pleeggezin zwerft. Normaal werkt het zijn thuiswedstrijden af in het stadion van Damascus of Aleppo, maar dat mag niet meer van de FIFA, omdat de veiligheid van spelers en supporters daar niet gegarandeerd is. In de tweede speelronde kon Syrië zijn thuiswedstrijden nog afwerken in Oman, maar ditmaal kon het team nergens in het Midden-Oosten terecht. Enkele dagen voor de eerste wedstrijd deed Macau een aanbod, dat al snel weer werd ingetrokken. In arren moede heeft de Syrische bond nu zijn toevlucht genomen tot Seremban, een industriestad aan de andere kant van de Indische Oceaan, meer dan 7500 kilometer van Syrië vandaan.

    De spelers hebben een afmattende reis achter de rug. ‘Eerst hoorden we dat we zouden spelen in Qatar, toen in Libanon of Macau,’ zegt aanvoerder Abdulrazak al-Hussein. ‘Ik weet niet hoe het precies gegaan is. Je zou toch niet steeds overal geweigerd moeten worden.’ Drie dagen eerder hebben ze uit met 1-0 verloren van Oezbekistan. Na de lange reis hierheen moeten ze over twee dagen aantreden tegen Zuid-Korea. Tien jaar geleden speelden ze al eens in eigen land tegen dat team, voor 35.000 man publiek. Terwijl ze zitten te wachten, vragen de spelers zich af hoeveel supporters er ditmaal zullen opdagen. ‘Hopelijk toch wel drie,’ zegt er een lachend.

    Met al deze problemen is het helemaal een wonder dat het team nog niet is uitgeschakeld. Naast de logistieke problemen en het ontbreken van belangrijke spelers zit de nationale ploeg ook op zwart zaad. Sancties van de EU en de VS hebben de FIFA gedwongen om de ontwikkelingsgelden voor het Syrische voetbal te bevriezen. Hier in Seremban trainen ze op een armetierig veldje om geen 3500 dollar veldhuur aan het stadion te hoeven betalen, zegt Kouteiba al-Refai, de gekweld kijkende secretaris-generaal van de bond, die zelf ook geen salaris ontvangt.

    Na de tweede speelronde staat Syrië tweede in de groep, achter Japan. Het land is in 31 jaar niet zo dicht bij kwalificatie voor een WK geweest. Door de FIFA is het zwakke team op het schild geheven als de ultieme underdog. Op de website fifa.com staan verhalen over hoe het kleine land tegen de klippen op een WK-ticket in de wacht lijkt te slepen. ‘De prestatie van Syrië lijkt welhaast een wonder’, stond er in februari nog te lezen. Maar in al die verhalen blijft één detail steeds onvermeld: dat het elftal een regime vertegenwoordigt dat wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking. Impliciet onderschrijft de FIFA zo het standpunt van het regime dat het nationale elftal politiek neutraal is. Volgens Dabbas, de zakenman die optreedt als teamchef, willen ze ‘alle Syriërs verenigen’ en ‘de wereld laten zien dat Syrië nog leeft’. Tegelijkertijd laat hij er geen twijfel over bestaan dat ze ‘voor onze president’ spelen: ‘Elke Syriër in Syrië vertegenwoordigt president Assad, en zijne excellentie president Bashar al-Assad vertegenwoordigt ons. Wij zijn trots op onze president. We zijn trots op wat hij heeft bereikt. Wij willen hem bedanken voor wat hij voor ons land heeft gedaan, we staan achter hem en volgen zijn leiding.’ Volgens Dabbas volgt Assad de verrichtingen van het team op de voet.

    Er zijn genoeg tekenen dat de nationale ploeg niet het hele Syrische volk vertegenwoordigt, maar vooral een wrede dictatuur die hiermee zijn menselijke gezicht wil tonen. In november 2015 verscheen toenmalig bondscoach Fajer Ebrahim op een persconferentie in een T-shirt met een foto van Assad. Het is Syrische vluchtelingen niet ontgaan dat hij het podium van het WK toen aangreep om Assad te prijzen als ‘de beste man ter wereld’. Ook toen hij in Kuala Lumpur door ESPN werd geïnterviewd, begon hij spontaan Assad te prijzen. ‘Zonder onze president zou Syrië worden vernietigd,’ zei hij. Op de vraag of een voetbalcompetitie de geëigende plek was voor politieke uitspraken, was zijn antwoord: ‘Alles heeft nu met alles te maken.’

    Omdat het regime al duizenden critici heeft gemarteld en vermoord, is het soms moeilijk in te schatten hoe oprecht de uitlatingen van spelers en leden van de technische staf zijn. Volgens Anas Ammo zijn familieleden van sommige spelers opgepakt of gedood. ‘Ze moeten in feite wel spelen om hun familieleden in leven te houden,’ zegt Ammo, die ons verzoekt geen namen te noemen, om spelers en hun familie niet in gevaar te brengen. Andere spelers zijn oprecht trouw aan Assad. Maar Ammo zegt ook van twee spelers te weten dat ze bang zijn dat de overheid hun paspoort intrekt, zodat ze niet meer in het buitenland kunnen spelen. Volgens hem zou een groot deel van het team ervandoor gaan als hun paspoort niet kon worden ingetrokken.

    ‘Wat ik ook doe, twaalf miljoen Syriërs zullen 
me toejuichen 
en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken’

    Nauwelijks bekomen van de lange vliegreis treden de Syriërs op een benauwde avond in september aan in het Tuanku Abdul Rahman-stadion in Seremban. Dat heeft een capaciteit van 45.000 man, maar ondanks de gratis toegang zitten er nog geen vijfduizend toeschouwers. Ter hoogte van de middenlijn zit een honderdtal Syriërs hun team aan te moedigen, vooral studenten die zijn overgekomen uit Kuala Lumpur. Het altijd sterke Zuid-Korea speelt dreigend maar komt niet tot scoren, en al snel is Syrië alleen nog bezig om er een 0-0 uit te slepen, en daarmee zijn eerste wedstrijdpunt in deze speelronde. Om de zoveel minuten gaat er weer een Syriër naar de grond om tijd te rekken. De supporters rollen een spandoek uit: een enorme foto van Assad. ‘Syrië, Syrië,’ scanderen ze. Beveiligers snellen toe en laten het spandoek weghalen. Dan klinkt het eindsignaal: 0-0. Iemand van de technische staf maakt een radslag en de reservespelers stormen het veld op. ‘Dit is geen prestatie, dit is een wonder,’ zegt aanvoerder Hussein na afloop. ‘Vandaag hebben we bewezen dat we niet gewoon spelers zijn, maar helden.’

    Dan Berlijn. Een ijskoude, regenachtige middag in februari. Een andere werkelijkheid. Twee dozijn Syrische vluchtelingen dicht opeengepakt in de kleedkamer van de SV Buchholz, een amateurclub die uitkomt op het achtste niveau. Een grijze keet met een sportveldje, midden in een woonwijk. Een voor een trekken de Syriërs een groen voetbalshirt uit een papieren zak. Voor het raam hebben ze de vlag van de Syrische revolutie gehangen – groen-wit-zwart met drie rode sterren. Ten minste twee teams, een in Turkije en een in Duitsland, voetballen namens het Vrije Syrië. Alle spelers hier in Berlijn maken deel uit van de Syrische vluchtelingenpopulatie, inmiddels al bijna zes miljoen mensen groot. Er zitten veteranen bij uit de Syrische competitie; volgens hun coach Nihad Saadeddine vertegenwoordigen ze ‘de mensen die zijn onderdrukt door het regime’ en ‘de sporters die hun leven hebben gegeven voor hun land’.

    Dan druppelen ook de spelers van SV Buchholz binnen. Opgewekt en zorgeloos, blond en kerngezond, als modellen uit een Duitse reisbrochure. De Syriërs vormen zelfs in hun nieuwe tenues nog een verfomfaaid groepje, een verzameling mannen die met de moed der wanhoop strijden voor de goede zaak. ‘Veel van onze spelers hier hebben gevangengezeten of zijn gewond geraakt,’ zegt Saadeddine. Hij is 35 maar ziet er tien jaar ouder uit, met dun haar en holle ogen. Hij was middenvelder, maar zegt tijdens het beleg van Homs in zijn knie te zijn geraakt door een sluipschutter; daarna raakte hij praktisch bedolven onder een muur waarachter een mortiergranaat insloeg toen hij vrouwen en kinderen uit een woning probeerde te halen. Eenmaal in Oostenrijk, waar hij nu woont, stelden artsen drie wervelbreuken bij hem vast. Hij geeft zijn spelers een peptalk: ‘Wij vechten ergens voor, jongens: wij willen de misdadigheid van dit regime aan de kaak stellen en laten zien wat ze met sporters en andere gevangenen doen. In het team van het Vrije Syrië vertegenwoordig je miljoenen mensen.’

    Een van de spelers is Jaber al-Kurdi. Hij werd in 2013 door het regime opgepakt in Hama, waar hij bij de club Taliya speelde. Kurdi zegt dat hij achter de oppositie stond maar nooit een wapen heeft opgenomen. ‘Hoe zouden deze handen een geweer moeten vasthouden?’ zegt hij. ‘Meisjeshanden zijn nog groter.’ Het enige wat hij gedaan heeft, zegt hij, was in demonstraties meelopen en vluchtelingen helpen met kleding en onderdak. ‘Ik kan niet tegen bloed. Maar toen ik mensen in mijn stad zag die in parken en op straat sliepen, kon ik niet werkloos toezien.’

    De gevangenissen van Assad worden door Human Rights Watch ‘een martelarchipel’ genoemd. Kurdi werd zonder vorm van proces vastgehouden in verschillende detentiecentra in Hama, Homs en Damascus. Op de ‘Palestijnse’ afdeling van de militaire inlichtingendienst in Damascus werden zijn voetzolen met een rubberslang bewerkt en kreeg hij elektrische schokken op zijn hoofd. Hij werd een week lang opgesloten in een klein hok waarin hij zich nauwelijks kon verroeren en niet eens ruimte had om te gaan zitten. ‘Het was daar koud, en af en toe kwamen ze even langs om me nat te gooien met water en gingen dan weer weg,’ zegt Kurdi. Na negen maanden werd hij voorgeleid bij een militaire rechter, die zijn vrijlating gelastte. De bewaker van wie hij zijn bezittingen terugkreeg – een lege portemonnee – maakte met een mes ook nog snel een jaap in zijn wijsvinger. ‘Als aandenken,’ zei hij erbij. Kurdi laat het kleine litteken zien.

    Hier in Duitsland is hij in therapie voor zijn terugkerende nachtmerries, waarin Syrische veiligheidsagenten hem achterna zitten in de platgebombardeerde straten van Hama. ‘Ik ben hier niet gelukkig,’ zegt hij, als hij tijdens een gesprek in tranen uitbarst. ‘Duitsland heeft ons opgenomen en biedt ons veiligheid, daar zijn we dankbaar voor. Maar geestelijk zijn we niet gelukkig. Ons volk wordt afgeslacht.’


    Er is één naam die in bijna elk gesprek met de voetballers valt: die van Jihad Qassab, een veertiger die vroeger de ster was van Karama in Homs. Het is niet duidelijk waarom deze oud-middenvelder op 19 augustus 2014 is opgepakt. Hij is nooit berecht. Zijn familie en vrienden denken dat hij in de militaire gevangenis in Saydnaya is beland, het duistere hart van Assads martelarchipel. Volgens Amnesty International, dat zich baseert op getuigenverklaringen, worden de sterkere gevangenen daar door bewakers gedwongen om de zwakkere te verkrachten. Er worden continu mensen afgetuigd. In een ondergrondse executieruimte kunnen tientallen gevangenen tegelijkertijd worden opgehangen. Amnesty noemt Saydnaya ‘een slachthuis’ en schat dat er in vier jaar tijd bijna 13.000 gevangenen zijn geëxecuteerd.

    Vorig jaar september, twee jaar na zijn verdwijning, werd bekendgemaakt dat Qassab is overleden. Dat nieuws kwam naar buiten via moskeeën in Homs en werd opgepikt door sociale media, het Syrisch Netwerk voor Mensenrechten en reguliere media. Nadere details zijn niet bekendgemaakt. ‘In elk ander land zou Jihad zijn geëerd om zijn verdiensten voor de sport,’ zegt Mohamed Hameed, oud-speler van Karama en een goede vriend van Qassab. ‘In Syrië, onder Assad, wordt hij opgepakt en gemarteld.’

    Qassabs stoffelijke resten zijn volgens zijn vrienden nooit vrijgegeven, en sommigen zijn ervan overtuigd dat hij nog leeft. Rashad Shamma, die hem goed kende, zegt dat hij bij zijn snoepwinkeltje in Saoedi-Arabië een kleine herdenkingsdienst voor Qassab heeft gehouden. Het is tekenend voor de onwerkelijke sfeer van geweld in Syrië dat een ster als Qassab zomaar kan verdwijnen, dood worden verklaard en worden herdacht in een ceremonie, en dat Shamma vervolgens rustig kan zeggen: ‘Misschien leeft hij nog. Wie zal het zeggen?’

    Fadi Dabbas van de Syrische voetbalbond zegt desgevraagd dat hij nog nooit van de man heeft gehoord. Als hij erop wordt gewezen dat Qassab meer dan tien jaar in de Syrische competitie heeft gespeeld, zegt hij: ‘Ik weet niet wat er met hem is gebeurd nadat hij bij zijn club is gestopt. Ik heb daar geen informatie over.’

    In Berlijn mogen de gevluchte Syriërs dan een symbolische strijd voor hun land voeren, voor het handjevol Duitse toeschouwers dat op die kille zondagmiddag in de gestage regen staat te kijken verliezen ze met 5-2 van SV Buchholz. De wedstrijd heeft iets heroïsch en tegelijkertijd iets ongemakkelijks. De Syriërs maken het eerste doelpunt, uit een prachtige voorzet van de zijkant, maar in de tweede helft worden ze weggespeeld door de Duitsers. Die zijn veel beter in conditie en kunnen regelmatig trainen: de Syriërs zijn de vorige dag pas voor het eerst bij elkaar gekomen. Een Syrische verdediger krijgt bij een van de vele Duitse schoten op doel de bal keihard in zijn gezicht. Hij blijft minutenlang uitgeteld op de grond liggen voordat hij weer opstaat en wankel wegloopt.

    ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek’

    De Vrije Syriërs willen een alternatief vormen voor het nationale elftal van Assad. Maar dat blijkt deze middag een ijle droom. Syrië heeft maar één echt nationaal elftal, en de spelers die goed genoeg zijn om daarvoor geselecteerd te worden, moeten zelf beslissen wat dat team volgens hen vertegenwoordigt.

    Toen Firas al-Khatib in juli 2012 besloot het nationale elftal de rug toe te keren, stond zijn stad Homs in brand. Khatib is een van de bekendste inwoners van Homs en een van de beroemdste Syrische sporters – al sinds zijn tienerjaren is hij een ster. Begin deze eeuw verliet hij zijn land voor een voetbalcarrière die hem van België via China uiteindelijk naar Koeweit voerde, waar hij nu al meer dan tien jaar in de competitie speelt en topscorer aller tijden is. Met de miljoenen die hij verdient, heeft hij meebetaald aan een straat in zijn stad Homs, de Al Khatib-straat, met een voetbalveld en een moskee die ook zijn familienaam draagt. Maar al verdiende hij zijn geld in het buitenland, hij kwam altijd terug naar Syrië om voor zijn land uit te komen. ‘In het nationale elftal heb je 24 miljoen mensen achter je, 24 miljoen Syriërs die hopen dat je wint,’ zegt hij.

    Toen hij bij een demonstratie in Koeweit aankondigde geen interlands meer te willen spelen, was dat een tegenslag voor Assad. Gehuld in een sjerp in de kleuren van de revolutie zei Khatib tegen de uitzinnige menigte: ‘Ik wil hier in het bijzijn van de media zeggen dat ik niet meer voor het Syrische elftal zal spelen zolang er in Syrië bommen vallen.’ Khatib werd op de schouders gehesen en toegejuicht.

    Als we hem in februari spreken, kost het hem moeite om uit te leggen waarom hij nu misschien toch weer voor zijn land wil uitkomen. Aan de misdaden tegen de burgerbevolking is immers nog geen eind gekomen. ‘Het is heel ingewikkeld wat er allemaal is gebeurd,’ zegt hij. ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek.’

    Maar er valt wel iets af te leiden uit de dingen hij zegt. Bijvoorbeeld dat hij al zes jaar niet meer in de Al Khatib-straat is geweest. En zijn vader niet meer ziet, die vanwege zijn gezondheid niet kan reizen. ‘Dit is de moeilijkste tijd in mijn leven,’ zegt hij. ‘Ik wil niet terugkeren om voor het nationale elftal te spelen of voor of tegen de regering te kiezen. Ik wil naar Syrië als burger die terugkeert naar zijn land. Ik wil mijn ouders eindelijk weer zien, en mijn broers.’ Khatib zegt dat hij nog steeds droomt van een carrière in Homs als voorzitter van de lokale club Karama.

    Toen Khatib zijn boycot aankondigde, heerste alom het idee dat het regime van Assad op omvallen stond. ‘Dat was een goede revolutie,’ zegt hij. ‘Mensen wilden vooruitgang, een sterker land, een beter leven.’ Nu zit Assad weer vast in het zadel. Zijn regering heeft niet alleen Homs, maar sinds december ook Aleppo weer in handen, ooit de dichtstbevolkte stad van het land. De Syrische profcompetitie, lange tijd beperkt tot de steden Damascus en Latakia, kan nu ook weer in andere delen van het land worden gehouden. Eind januari speelden Ittihad en Hurriya, de twee aartsrivalen uit Aleppo, hun eerste stadsderby sinds 2012. De regering buitte het meteen uit als een symbool van de teruggekeerde rust.

    ‘Ik heb gezegd dat ik niet wilde spelen zolang er geen eind kwam aan dat moorden, al die doden,’ zegt Khatib. ‘Nu vraag je waarom ik van standpunt ben veranderd. Het is een voetbalbeslissing, geen politieke beslissing. We willen gelukkig zijn, we willen iets waar we blij van worden. In Syrië zijn nu alleen dingen die ons verdrietig maken.’

    Hij heeft op dat moment nog vijf weken de tijd om te beslissen of hij meespeelt met de volgende wedstrijd. Na de 0-0 tegen Zuid-Korea heeft Syrië gewonnen van China en gelijkgespeeld tegen Iran, de nummer één van de groep. Syriës WK-debuut is binnen bereik.

    Maar hoe kan Khatib meespelen in de ploeg van een regering die burgers blijft bombarderen en zich schuldig maakt aan moord en marteling op ‘mensen van wie je houdt, op ploeggenoten’? ‘Een heel, heel, heel moeilijke vraag,’ zegt Khatib met een klaaglijke glimlach. ‘Ik kan er niet over praten, echt. Ik wil wel. Maar het gaat niet.’

    Paradijs op aarde

    Andere spelers piekeren er niet over om ooit nog voor Assad te spelen. Firas al-Ali bijvoorbeeld. ‘Voor mij was Syrië een paradijs op aarde,’ zegt de voormalige verdediger van het nationale elftal. Maar hij zit niet meer in Syrië en al helemaal niet in een paradijs. Het vluchtelingenkamp bij het Turkse Karkamis heeft meer weg van een open gevangenis. De bijna zevenduizend bewoners van dit tentenkamp (waaronder bijna tweeduizend kinderen) zijn vrij om te gaan – maar ze kunnen nergens heen.

    Vroeger had Ali drie huizen. Nu passen al zijn bezittingen in een van de honderden strak in het gelid opgestelde tenten op de zongeblakerde droge grond. Zijn tent is precies even groot als alle andere, binnen is alles keurig netjes ingericht. Witte glasgordijnen langs de wand, een oosters tapijt op de houten vloer. Een U-vormige zithoek van fleurige kussens. Op een kookplaatje staat een klein zilveren theepotje te pruttelen en er staan zelfs een kleine tv en een koelkastje. Hier woont Ali (31) nu al drie jaar met zijn vrouw en drie kinderen. Zijn jongste dochter Aysha is hier geboren. Voor Syrische voetballiefhebbers moet het onvoorstelbaar zijn: hun ster in zulke primitieve omstandigheden. Bij Shorta, een van de Syrische topclubs, verdiende hij meer dan een ton per jaar, een fortuin in Syrië. En hij zat in de nationale selectie. ‘Uit de 23 miljoen inwoners werd ik gekozen als een van de beste twintig van mijn land,’ zegt hij. ‘Ik was beroemd en werd overal herkend. Financieel had ik niets te klagen. Het kwam nooit in me op om naar het buitenland te gaan.’

    Nu is Ali een vluchteling. En hij zegt liever hier te blijven dan ooit nog voor Syrië uit te komen. In 2011 werd zijn geboortestad Hama aangevallen door regeringstroepen. Zijn negentienjarige neef Adbullah, een student aardrijkskunde, werd doodgeschoten bij protesten. Later kwam een nicht van hem om toen haar huis werd geraakt door een van de vatenbommen die de regeringstroepen over woonwijken uitstrooien. Ali was kort na de inslag ter plekke. ‘Het is een nachtmerrie als iemand zo aan stukken gereten wordt,’ zegt hij. ‘Ze was vrij fors, maar we hebben niets meer van haar teruggevonden.’ Ali begon mee te lopen in demonstraties, met gezichtsbedekking omdat hij zo herkenbaar was. Hij had het gevoel dat hij een dubbelleven leidde: tegen Assad protesteren op straat en voor hem spelen op het voetbalveld.

    Op een ochtend kwam hij in het Abbasiyyin-stadion in Damascus voor de training en zag dat er een legerbasis van was gemaakt. ‘Wij hadden de helft van het stadion om te trainen, de andere helft was voor de Vierde Divisie. Ik zag het met mijn eigen ogen! Artillerie op een sportveld. Vanuit het stadion waar ik aan het trainen was, rukten zij uit om demonstraties neer te slaan. Soms hoorde ik geweervuur buiten het stadion. En de demonstranten hadden toen nog geen wapens. De enige wapens waren in handen van de regeringstroepen.’

    Fajer Ebrahim, de man met een foto van Assad op zijn T-shirt, was toen nog bondscoach. Hij zei openlijk dat de regering de opstand moest neerslaan. Door wedstrijden te winnen, hield hij zijn spelers voor, zouden ze de wereld laten zien dat de protesten weinig uithaalden. De meningen van de spelers waren verdeeld. Ali raakte gedemotiveerd, zijn prestaties gingen achteruit: ‘Ik was er niet bij met mijn hoofd. Al die vrienden en familieleden die stierven.’

    Op trainingskamp voor een toernooi in India kreeg Ali bericht dat Alaa, zijn nichtje van dertien, was omgekomen bij een regeringsaanval op een dorp buiten Hama. Een halfuur later schoof hij met het nationale elftal aan voor het avondeten. Toen een van zijn ploeggenoten de demonstranten bespotte, gooide Ali een lepel naar zijn hoofd. De andere spelers moesten hen uit elkaar houden. Ali ging naar zijn kamer en belde zijn familie.

    ‘Ik stop ermee,’ zei hij tegen zijn zus.

    ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ze.

    ’Ik wil nooit meer voor ze spelen,’ antwoordde hij.

    Hij liet zich de volgende ochtend om half zes ophalen door twee van zijn broers, met wie hij in één ruk doorreed naar gebied dat in handen was van rebellen. Als bekend voetballer kon hij bij controleposten meteen doorrijden, de militairen wisten nog niet dat hij op de vlucht was. Zo belandde hij met zijn jonge gezin uiteindelijk in Turkije. Vrij, maar niet vrij van problemen. ‘Mijn banktegoeden werden door het regime in beslag genomen,’ zegt hij. ‘Ik had drie huizen, die zijn vernietigd. Een stukje grond, dat ben ik ook kwijt. Ik heb niets meer.’

    Een Syrische jongen houdt een speelgoedpistool vast tijdens een partijtje voetbal in de kapotgeschoten oude stad van Holms. – © Hassan Ammar / HH
    Een Syrische jongen houdt een speelgoedpistool vast tijdens een partijtje voetbal in de kapotgeschoten oude stad van Holms. – © Hassan Ammar / HH

    We spreken hem bij het ‘winkelcentrum’ van het tentenkamp: een verzameling stalletjes waar van alles te koop is, van voedsel in blik tot kookgerei en stroomaggregaten. Een van de verkopers brengt Ali een schotel gegrild vlees, waarmee hij snel een stalletje induikt om te ontkomen aan de vele vliegen. Hij slijt zijn dagen vooral met het geven van voetballes aan de kinderen, voor wie hij hier een beroemdheid is. ‘Het is zwaar, maar ik heb nergens spijt van,’ zegt hij. ‘Hoe moet je je voelen als je speelt voor de vlag en het portret van de man die als enige verantwoordelijk is voor de dood en verdrijving van meer dan zeven miljoen Syriërs?’

    Is Syriës nationale elftal niet meer dan een propagandawapen voor Assad, een middel om te doen alsof er niets aan de hand is? Anas Ammo’s antwoord op die vraag was het aanleggen van een mensenrechtendossier tegen de Syrische regering. Zo wil hij zijn steentje bijdragen aan de oppositie. Vroeger werkte hij als sportjournalist voor de Syrische krant Al-Watan en was hij onbezoldigd woordvoerder voor Ittihad, de grootste club van Aleppo. Nu houdt hij kantoor in Mersin, een kuststadje in Turkije. Vijf jaar geleden kwam hij tot het inzicht dat veel voetballers slachtoffer werden van Assads wrede onderdrukking en dat het regime zijn geliefde sport als propagandamiddel misbruikte. Tientallen spelers zijn gedood en duizenden op de vlucht gejaagd; volgens Ammo ‘is een complete generatie voetballers weggevaagd’. In de loop van de oorlog heeft het regeringsleger stadions in alle grote steden gebruikt als uitvalsbases of detentiecentra. Zo blijkt uit filmopnamen van activisten dat vanuit het Abbasiyyin-stadion in Damascus raketten werden afgevuurd. Maar volgens Fadi Dabbas van de voetbalbond zijn er nooit stadions voor militaire doeleinden gebruikt. Hij verwijt de westerse media partijdigheid.

    Volgens de statuten van de FIFA moeten de aangesloten voetbalbonden ‘onafhankelijk en zonder inmenging van derden’ kunnen opereren. Op die clausule is de afgelopen tien jaar al 24 keer een beroep gedaan bij aanklachten tegen nationale bonden, resulterend in twintig schorsingen als gevolg van duidelijke overheidsbemoeienis. Zo werd Irak in 2009 geschorst omdat de regering het bestuur van de voetbalbond naar huis had gestuurd en vervangen door mensen van de veiligheidsdienst. In 2014 werd Nigeria geschorst omdat de regering het bondsbestuur had ontslagen na de teleurstellende resultaten op het WK in Brazilië. Volgens Ammo vormen ook het gebruik van het Syrische nationaal elftal als propagandamiddel en het gebruik van stadions voor militaire doeleinden een inbreuk op de FIFA-statuten. Door daar niet tegen op te treden maakt de FIFA zich volgens hem ‘medeplichtig aan alle tegen voetballers gepleegde misdaden en alle schade die is toegebracht aan stadions en sportfaciliteiten’.

    Ammo mailde zijn informatie door aan Ayman Kasheet, een voormalige profvoetballer die asiel heeft gekregen in Zweden. In augustus 2014 reisde Kasheet naar Zürich om de FIFA hierop aan te spreken, maar hij kwam niet voorbij de receptie. Om iets te bereiken, begreep hij, moest hij een gedegen rapport opstellen. Hij volgde een cursus van Amnesty International over het documenteren van mensenrechtenschendingen. Dat resulteerde in een twintig pagina’s tellende ‘aanklacht’ namens ‘meer dan tweeduizend sporters die zijn afgesneden van de Syrische voetbalbond’. Het rapport bevat een lijst van tien spelers (waarvan negen met foto) die vermoedelijk gevangen worden gehouden door het regime, plus elf minderjarige en twintig meerderjarige spelers die door de regeringstroepen zouden zijn gedood. Ook bevat het rapport foto’s en filmpjes van stadions die door de strijdkrachten zijn bezet.

    Als Kasheet de informatie eerst naar de FIFA mailt en het rapport vervolgens ook persoonlijk komt afgeven bij de receptie op het hoofdkantoor, hoort hij niets terug. Dan gaat hij in augustus 2015 weer naar het hoofdkantoor in Zürich, nu samen met een tolk die alles filmt. Na veel gesoebat krijgt hij Alexander Koch te spreken, het hoofd Communicatie. ‘Hij zegt dat het fijn zou zijn als de FIFA iets met dit rapport zou doen, want de enige manier om druk uit te oefenen is via de FIFA, omdat de voetbalbond daaronder valt,’ zegt de tolk tegen Koch. Koch lijkt wat van zijn stuk gebracht. ‘Het probleem is dat dit allemaal niet over het voetbal gaat,’ zegt hij. Volgens Koch moet Kasheet zijn klacht indienen bij de Syrische bond, zodat die weer een klacht kan indienen bij de FIFA. Kasheet probeert duidelijk te maken dat zijn aanklacht juist gericht is tégen de Syrische bond, die aan de leiband van Assad loopt.

    Een maand later bevestigt de FIFA bij monde van vicesecretaris-generaal Markus Kattner dat deze zaak buiten de competentie van de bond ligt. ‘De FIFA steunt alle pogingen om te zorgen dat iedereen kan voetballen in omstandigheden die vrij zijn van geweld, en we danken u voor initiatief’, mailt Kattner, die korte tijd later ontslagen zal worden wegens financiële onregelmatigheden. Hij voegt er nog aan toe dat de in het rapport beschreven zaken de sport ‘overstijgen’.

    De Syrische coach Fajer Ebrahim (m.) draagt een T-shirt met de a eelding van Assad voor de match tegen Singapore in november 2015. – © Roslan Rahman / AFP /Getty Images
    De Syrische coach Fajer Ebrahim (m.) draagt een T-shirt met de a eelding van Assad voor de match tegen Singapore in november 2015. – © Roslan Rahman / AFP /Getty Images
    ‘Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict’

    ‘De FIFA moest zich schamen,’ zegt een aangeslagen Kasheet als hij erop terugkijkt. Hij was er kapot van. ‘Ik vroeg de FIFA niet om meteen een beslissing te nemen, ik vroeg ze alleen om een onderzoek in te stellen. Als de informatie niet blijkt te kloppen, kunnen ze het altijd nog terzijde leggen.’

    Op vragen van ons wil de FIFA niet ingaan. De woordvoerder stuurt alleen een algemene verklaring: ‘De FIFA heeft de afgelopen jaren van verschillende kanten – vaak tegenstrijdige – signalen gekregen over geweld met betrekking tot het voetbal in dat land. We begrijpen de tragische omstandigheden waarin dit plaatsvindt, maar als sportfederatie moeten wij ook beseffen dat deze zaken het domein van de sport ontstijgen, in een land dat verwikkeld is in een burgeroorlog.’ Volgens de woordvoerder kan de FIFA niets doen omdat er grenzen zijn ‘aan onze competentie en ons vermogen om de waarheid van de beschuldigingen in die complexe situatie te beoordelen’. Volgens advocaat Mark Afeeva wil de FIFA zich gewoon niet branden aan een politieke crisis waarin grote mogendheden een rol spelen, met name de VS en Rusland, gastland van het komende WK.

    Op een koude avond in maart treden de teams van Zuid-Korea en Syrië aan in het World Cup Stadium in Seoul. De opzienbarendste verandering is dat Firas al-Khatib er sinds de wedstrijd tegen Oezbekistan van vorige week weer bij is. Khatib en de Syrische bond doen allebei alsof het niets bijzonders is. ‘De vorige keer was ik niet eens geselecteerd,’ zegt Khatib. Volgens de teamchef ‘was Khatib altijd welkom in het team’, maar was hij de vorige keer ‘door zijn situatie verhinderd’.

    Khatib interviewen lukt nu pas na veel gesteggel met de persvoorlichter, die eerst nog eist dat we geen vragen stellen over politiek. Die garantie krijgt hij niet, maar Khatib wekt de indruk dat hij er zelf ook niet over wil praten. ‘We laten de politiek erbuiten en gaan het alleen over voetbal hebben,’ zegt hij. Het nationale elftal speelt volgens hem ‘voor het hele volk, voor heel Syrië’, niet alleen voor de regering. Niets doen is geen optie meer. ‘We kunnen niet zitten afwachten en doodgaan. We moeten iets doen voor onze familie, ons land, onze vrienden, onszelf.’

    Dat pikt niet iedereen. Op sociale media zijn de reacties gemengd. Volgens Khatib staat 80 tot 90 procent van de voetballiefhebbers achter zijn terugkeer, maar uit de berichten op zijn Facebookpagina blijkt dat velen het als verraad beschouwen:

    ‘Het minste wat je over jou kunt zeggen, is dat je een verrader bent.’

    ‘Mensen als jij zijn nog geen ouwe schoen waard. Ik spuug op jullie eer, stelletje honden.’

    ‘Schaam je, Firas. Je woord is net zo weinig waard als dat van een kind. Ik spuug op je, vuile leugenaar.’

    Anderen zijn milder. Mohammed al-Homsi, een media-activist in de door de regeringstroepen belegerde wijk Al Waer in Homs, zegt dat hij de verrichtingen van het nationale elftal nog wel volgt, omdat ‘sport het enige is wat ons met vroeger verbindt. Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict.’

    Khatib, die nog moet wennen in het team waarvan hij al vijf jaar geen captain meer is, begint op de bank. Zuid-Korea maakt al na vier minuten de 1-0. De rest van de avond hollen de Syriërs achter de feiten aan. Als Khatib er in de tweede helft in komt, wordt hun spel wel meteen aanvallender. Het stadion, ongeveer voor de helft gevuld met Koreanen, valt stil als de Syriërs herhaaldelijk dreigend voor de goal komen. Ineens staat Khatib links voor het doel, oog in oog met doelman Sun-Tae Kwoun. Zijn schot gaat vanaf een meter of drie recht op het hoofd van de keeper af. Die weet de bal weg te boksen en behoedt zo zijn hoofd en zijn doel voor verder leed.

    In blessuretijd krijgt Khatib nog één kans die het publiek luid gegil ontlokt. Weer alleen voor de keeper lanceert hij vanaf bijna dezelfde plek opnieuw zo’n pegel, nu iets hoger. De bal knalt zo hard op de lat dat het tot op de tribune te horen is. Weer geen doelpunt. Khatib zegt teruggekeerd te zijn omdat hij Syrië – al is het maar even – uit zijn hel wil verlossen. ‘Hier doe ik goed aan,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat ik het Syrische volk wat blijheid kan schenken.’ Vanavond nog niet. Na de 1-0 nederlaag komt Syrië met slechts drie wedstrijden te gaan nog vier punten te kort voor de derde plek en lijkt de kans op een WK-ticket verkeken.

    Een week later is er weer nieuws uit Syrië. Khatib had gezegd dat hij geen interlands meer zou spelen zolang Assad nog burgers doodt. Nu heeft het regeringsleger een aanval met sarin gepleegd op een rebellendorp bij Khan Shaykhun. De beelden zijn gruwelijk: stuiptrekkende en schuimbekkende slachtoffers met pupillen zo klein als speldenknopjes. Halfblote kinderen die in een plas water naar adem liggen te happen.

    Het totale dodenaantal bedraagt minstens 85.

    Auteur: Steve Fainaru

    Steve Fainaru is senior writer voor sportplatform ESPN. Hij won in 2008 een Pulitzerprijs voor internationale verslaggeving en is co-auteur van het boek League of Denial, over hersenletsel in het American Football.

    Openingsbeeld: Syrische voetbalfans met een spandoek van president Assad bij de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Zuid-Korea. – © Lai Seng Sin / Reuters

    ESPN
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 1.536.346

    In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.

    CONTEXT

    24 miljoen mensen telde de bevolking van Syrië in 2011

    11,4 miljoen mensen bleven waar ze waren

    6,6 miljoen mensen zijn op de vlucht in Syrië

    470.000 Syriërs kwamen om het leven

    5 miljoen Syriërs zijn gevlucht naar het Midden-Oosten en Afrika

    900.000 Syriërs zijn gevlucht naar Europa

    38 voetballers uit de eerste en tweede divisie zijn door het regime van Assad om het leven gebracht.

    © ESPN, mei 2017

    CONTEXT: Play-off tegen Australië

    Dankzij een gelijkspel in de uitwedstrijd tegen Iran, op 5 september jl. in Teheran, heeft Syrië zijn kansen behouden om zich voor de eerste keer in de geschiedenis te plaatsen voor het eindtoernooi van een WK voetbal. De gelijkmaker viel diep in blessuretijd. Iran is een van de twee landen die de Syrische president Bashar al-Assad met hun steun in staat hebben gesteld zich staande te houden in de burgeroorlog die nu al zes jaar woedt. Het Syrische elftal moet nu in oktober twee play-offwedstrijden spelen tegen Australië voor een plek in de allerlaatste kwalificatieronde, in november, tegen de nummer vier van Noord- en Midden-Amerika. Het team speelt zijn ‘thuiswedstrijden’ in Maleisië. Deze beslissing van de wereldvoetbalbond FIFA was een tegenslag voor Assad, die de indruk probeert te wekken dat het leven in de gebieden in Syrië die onder controle van het regeringsleger staan, weer normaal verloopt. Het WK voetbal 2018 wordt gespeeld in Rusland, naast Iran eveneens een bondgenoot van Assad in de burgeroorlog.

    (Bloomberg 
Businessweek, New York)

    CONTEXT: Syriës weg naar het WK

    2016

    1 september
    Oezbekistan – Syrië
    1-0

    6 september
    Syrië – Zuid-Korea
    0-0

    6 oktober
    China – Syrië
    0-1

    11 oktober
    Qatar – Syrië
    1-0

    15 november
    Syrië – Iran
    0-0

    2017
    23 maart
    Syrië – Oezbekistan
    1-0

    28 maart
    Zuid-Korea – Syrië1-0

    13 juni
    Syrië – China
    2-2

    31 augustus
    Syrië – Qatar
    3-1

    5 september
    Iran – Syrië
    2-2

    5 oktober
    Syrië – Australië
    _ – _

    10 oktober
    Australië – Syrië
    _ – _

    Vrouwelijke Syrische supporters bij de wedstrijd Iran-Syrië. – © Amin Mohammad Jamali / Getty Images
    Vrouwelijke Syrische supporters bij de wedstrijd Iran-Syrië. – © Amin Mohammad Jamali / Getty Images

    CONTEXT: Iraanse vrouwen niet welkom

    De voetbalwedstrijd Iran-Syrië op 5 september jl. in Teheran heeft beroering gewekt, omdat Syrische vrouwen wel en Iraanse vrouwen niet werden toegelaten tot het Azadistadion. Iraanse vrouwen waren echter wel, voor het eerst in de geschiedenis, in staat gesteld in de voorverkoop kaartjes te kopen. Maar toen enkele vrouwen op de dag van de wedstrijd naar binnen wilden, werden zij tegengehouden. Syrische vrouwen daarentegen mochten doorlopen naar de tribunes.

    De controle bij de ingang was streng. Iraanse vrouwen die zich voordeden als vrouwen uit Syrië en als ‘bewijs’ daarvan een Syrische vlag meevoerden, kwamen ook niet door de controle.

    De populaire voetbalcommentator Peyman Yousefi beklaagde zich er een paar minuten voor aanvang van de wedstrijd openlijk op de televisie over dat er geen Iraanse vrouwen op de tribunes aanwezig mochten zijn. Een groepje vrouwelijke Iraanse parlementariërs had het ministerie van Jeugd- en Sportzaken toestemming gevraagd de wedstrijd te bezoeken, en de drie vrouwelijke afgevaardigden die zich bij het stadion meldden, werden inderdaad toegelaten. Maar de vrouwelijke afgevaardigde Parvane Salahshouri weigerde van dit voorrecht gebruikt te maken. ‘Ik protesteer tegen het feit dat maar een handjevol vrouwelijke parlementariërs wordt toegelaten, en niet willekeurig welke Iraanse vrouw.’

    Shahindokht Mowlaverdi, de (vrouwelijke) woordvoerder van de gematigde Iraanse president Hassan Rohani, liet weten: ‘Volgens onze Wet op de Burgerrechten hebben alle burgers, en vrouwen in het bijzonder, het recht om alle nationale en internationale sportwedstrijden bij te wonen, zolang zij de Iraanse en islamitische cultuur daarbij in acht nemen.’

    Hervormingsgezinde kranten leverden eveneens commentaar. Vaghaye Etefaghie publiceerde op de voorpagina een foto van een Syrische vrouw in het stadion met als bijschrift ‘De enige winnaar van de wedstrijd’, terwijl de krant Bahar tegen het niet toelaten van Iraanse vrouwen protesteerde onder de kop ‘De Iraanse Paradox’.

    (Al-Monitor, Washington D.C.)