Tag: Xi Jinping

  • Westen bekritiseert wetswijziging Xi Jinping

    Westen bekritiseert wetswijziging Xi Jinping

    Het Westen heeft hem verwelkomd, gevoed, opgeleid en gefinancierd, in de hoop een stuk van de Chinese markt te veroveren. Met de komst van keizer Xi realiseert het Westen zich, zij het een beetje laat, dat het een tijger aan de borst heeft gedrukt.

    Sinds Xi Jinping te kennen heeft gegeven dat hij de grondwet wilde wijzigen om voor onbeperkte tijd ‘keizer Xi’ te kunnen blijven, is de Chinese bevolking verontwaardigd zonder dat openlijk te durven uiten. Men ziet zich gedwongen zijn woede in te slikken en te accepteren dat de officiële pers deze ‘restauratie’, het in ere herstellen van het keizerschap, van harte onderschrijft. De internationale media daarentegen nemen geen blad voor de mond om deze maatregel te bekritiseren. De felste kritiek is waarschijnlijk afkomstig van The Economist. Het Britse blad herinnert in een hoofdartikel allereerst aan alle moeite die de westerse landen zich de afgelopen tien jaar hebben getroost om China onderdeel te laten worden van het globale politieke en economische systeem. Door Beijing te helpen bij zijn hervormingsbeleid en zijn pogingen zich meer open te stellen voor de buitenwereld, zo vervolgt het artikel, is het Westen een verkeerde weg ingeslagen, omdat het daarmee een monster heeft gecreëerd dat zijn greep op de samenleving onophoudelijk verstevigt en westerse beschavingswaarden als economische vrijheid, openheid en respect voor de mensenrechten opnieuw ter discussie stelt.

    Wolf tussen schapen

    Het verwijt dat men, zoals The Economist het uitdrukt, ‘een wolf tussen de schapen heeft gezet’, dekt misschien niet helemaal de lading, maar het scheelt niet veel. Ook al gaat het om een westers gezichtspunt, helemaal ongegrond is het niet. Toen Deng Xiaoping in 1979 zijn hervormingsbeleid lanceerde en naar meer openheid streefde, begaf hij zich allereerst naar de Verenigde Staten om contact te leggen met de Amerikaanse leiders; op die manier wilde hij zijn land gemakkelijker laten integreren in het internationale economische systeem dat werd gedomineerd door het Westen om zo de technologie, het kapitaal, de managementmethodes en de toegang tot de gigantische buitenlandse markt te verwerven waar China zo dringend behoefte aan had. Dat het Westen, en met name de VS, zich bereid toonde China te helpen zich open te stellen voor de markteconomie, was allereerst bedoeld om tegenwicht te bieden aan de invloed van de Sovjet-Unie en zowel het Westen als het Oosten onder druk te zetten.

    Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het Oostblok begin jaren negentig hoopte het Westen, met de Verenigde Staten voorop, op een vreedzame ontwikkeling in China. Men rekende erop dat dankzij de nieuwe middenklasse, ontstaan als gevolg van de markthervormingen, China het communistische bestel zou inruilen voor een liberale markteconomie en politieke liberalisering. Om die reden ondersteunde het Westen krachtig de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WHO), waardoor de Chinese export een hoge vlucht heeft genomen. Als het westerse kamp de Chinese toetreding tot de WHO zou hebben belet, zou het land veel meer moeite hebben gehad om de ‘werkplaats’ van de wereld te worden.

    Maar de grote westerse mogendheden hebben de snelheid van de ontwikkelingen in China onderschat, evenals de diepe politieke en sociale verankering van het autoritaire regime. De eerste jaren na zijn aansluiting bij de WHO 
(in 2001) respecteerde China als een gehoorzaam kind de internationale regels; het liet multinationals toe tot zijn binnenlandse markt zonder ze al te veel te dwarsbomen. Kortom, China was nog van zins een ‘goede leerling’ van het Westen te zijn en de voordelen van verwestersing en universele waarden te onderschrijven’.

    Maar sinds China zich als redder van ontwikkelingslanden heeft ontpopt en van internationale financiële instellingen die waren getroffen door de bancaire tsunami van 2007, is de situatie drastisch veranderd. China is zijn plaats in de economische en politieke wereldorde gaan opeisen, wat het 
land met name meer stemrecht in het Internationaal Monetair Fonds heeft opgeleverd en de mogelijkheid om daarvoor mensen te nomineren. Sinds 2012, toen Xi Jinping aan de macht kwam, probeert China niet langer een plaats in de bestaande orde te bemachtigen, maar die orde juist omver te werpen en het evenwicht tussen de bestaande machten te veranderen, 
met de bedoeling daarvoor een andere grondslag te leggen.

    Het Chinese parlement stemt over de historische wetswijziging. – 
© Getty Images
    Het Chinese parlement stemt over de historische wetswijziging. – 
© Getty Images

    De oprichting in 2001 van de Sjanghai-samenwerkingsorganisatie, die met name Rusland en diverse Centraal-Aziatische landen verenigt, was voor Beijing slechts een voorgerecht. Rond China gestructureerde projecten als de in 2013 gelanceerde implementatieplan OBOR (One Belt, One Road), dat moet voorzien in een nieuwe ‘zijderoute’, vormen de werkelijke uitdaging. Het beleid om zijn binnenlandse markt wijdopen te stellen voor buitenlandse bedrijven heeft het land snel laten varen; inmiddels worden aan die bedrijven steeds meer beperkingen opgelegd en moeten ze zich conformeren aan de regels van de Chinese overheid, op straffe van een boete of uitsluiting van de Chinese markt. Ook de beloofde openstelling van zijn financiële markten laat nog steeds op zich wachten; de greep van de regering en de Partij daarop is juist sterker dan ooit.

    Politiek gezien staat het er nog slechter voor. Het op hervormingen en meer openheid gerichte beleid uit de jaren tachtig had de weg gebaand voor buitenlandse ideeën. In geletterde en universitaire kringen kon redelijk vrij worden gedebatteerd zonder dat men bang hoefde te zijn voor repercussies. Binnen de Partij konden hervormers en afwijkende stemmen zich nog laten horen. De oppositie en apolitieke verdedigers van de mensenrechten, die met name tegen de speculatieve praktijken en de corruptie van plaatselijke leiders streden, werden nog getolereerd; ook maatschappelijke organisaties konden in een grijs gebied hun activiteiten ontplooien zonder door de regering in de ban te worden gedaan.

    The Economist betreurt dus terecht, zonder dat met zo veel woorden te zeggen, dat het Westen een wolf (in 
dit geval een tijger) tussen de schapen heeft gezet

    De afgelopen vijf jaar, sinds Xi Jinping aan de macht is, kenmerken zich door een ernstige politieke teruggang: de sfeer van openheid en pluralisme is een halt toegeroepen; dissidenten hebben het zwaarder te verduren dan ooit; reformistische of progressieve stemmen binnen de Partij is het zwijgen opgelegd, want iedereen dient zich 
aan de richtlijnen te houden van het Centraal Comité, oftewel ‘keizer Xi’. 
Op de universiteiten kan niet langer vrijelijk over politieke kwesties worden gedebatteerd; universele waarden zoals mensenrechten, vrijheid en democratie zijn inmiddels taboe. Wie daar nog aan refereert dreigt ontheven te worden van zijn functie als docent en zelfs in de gevangenis te belanden.
    Ondanks alle goede zorgen waarmee het China tientallen jaren heeft omringd blijkt het Westen uiteindelijk alleen maar een ‘kwaadaardige tijger’ te hebben gevoed die vrije concurrentie en politieke openheid de rug toekeert. Diezelfde tijger begint zich zelfs op te werpen als een alternatief voor de westerse waarden door overal op de wereld zijn ‘soft power’ uit te oefenen. The Economist betreurt dus terecht, zonder dat met zo veel woorden te zeggen, dat het Westen een wolf (in 
dit geval een tijger) tussen de schapen heeft gezet. Het probleem is dat die ‘kwaadaardige tijger’ springlevend is, en helemaal volwassen, met zijn scherpe klauwen en zijn puntige hoektanden die blinken dat het een aard heeft. Het Westen kan niet meer betreuren dat het hem heeft gevoed, en als het nog denkt hem tot economische en politieke liberalisering te kunnen verleiden, is dat een volstrekte illusie.

    Auteur: Lu Feng

    Apple Daily
    China | oplage 200.000

    Krant uit Hongkong die in 1995 werd opgericht. Staat bekend om zijn anti-regeringskoers, maar ook om zijn sensationele verslaggeving.

    CONTEXT I: Een nieuwe grootinquisiteur

    Het Chinese parlement, in Beijing bijeen voor zijn jaarvergadering, heeft niet alleen elke wettelijke grens overschreden door het presidentiële mandaat te vernieuwen en Xi Jinping absolute macht te verschaffen, maar ook een verstrekkende reorganisatie van de regeringsorganen in gang gezet. Minder ministeries en meer concentratie van bevoegdheden, dat lijkt het belangrijkste argument voor deze reorganisatie te zijn. Vijftien ministeries en staatssecretariaten verdwijnen. Diverse daarvan zijn in een superministerie van Ecologie en Milieu ondergebracht en er is een ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen gecreëerd, dat de beslissing over het toewijzen van hulpbronnen voortaan in handen van lokale overheden zal leggen, aldus webzine The Diplomat. Ook wordt een nieuw anticorruptieorgaan in het leven geroepen dat meer macht zal krijgen dan politie en justitie.

    CONTEXT II: Machtig anticorruptieorgaan

    Het is vooral de oprichting van een ‘Nationale Toezichtscommissie’, belast met de strijd tegen corruptie, die de aandacht van commentatoren trekt en zelfs tot enkele kritische opmerkingen in juridische kringen leidt. De Toezichtscommissie, die rechtstreeks onder de regering ressorteert en hoger in hiërarchie is dan het opperste volksparket en volkstribunaal, zal worden geregeld bij een wet die werd bekrachtigd op 20 maart, de sluitingsdag van de parlementszitting. Ze zal de strijd tegen corruptie, die in 2012 door Xi Jinping in gang is gezet, naar een hoger plan tillen. Deze strijd, die tot dusver onder de verantwoordelijkheid van de Disciplinaire Commissie van de Communistische Partij viel, heeft sinds 2012 al tot het ontslag 
van tientallen hoge functionarissen geleid en tot sancties tegen honderdduizenden ambtenaren.

    CONTEXT III: De openbare diensten als mikpunt

    De interne disciplinaire Partijcampagne, die in de ernstigste gevallen tot gerechtelijke vervolging heeft geleid, was echter ‘beperkt’ tot Partijleden. De nieuwe commissie zal ook naar anderen een onderzoek kunnen instellen: ‘ambtenaren, leidinggevenden van staatsbedrijven, scholen en medische instellingen, plaatselijke bestuurders, kortom iedereen die een openbare functie vervult’, aldus het Singaporese dagblad Lianhe Zaobao. Bovendien zal de nieuwe wet de commissie de bevoegdheid verlenen mensen gevangen te zetten. ‘Mensen die ervan worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige misdrijven of nalatigheden in de uitoefening van hun beroep, en bij wie de mogelijkheid bestaat dat ze vluchten of zelfmoord plegen, kunnen voor de duur van maximaal zes maanden in hechtenis worden genomen.’

    De instelling van deze nieuwe vorm van hechtenis hangende een onderzoek is een manier om een praktijk te wettigen die al bestond maar tot nu toe in een grijze zone verkeerde, schrijft de South China Morning Post.

    CONTEXT IV: Ongerustheid over het recht der verdediging

    Ook al is hun de afgelopen jaren door de steeds zwaardere repressie het zwijgen opgelegd, juristen die opkomen voor de mensenrechten blijven kritiek uiten op het detentiesysteem dat buiten ieder juridisch kader wordt gehanteerd. Het wetsontwerp inzake het toezicht voorziet in maatregelen die de rechten van verdachten garanderen, maar juristen zijn van mening dat deze maatregelen tekortschieten. Zo zou het wetsontwerp niet voorzien in het recht van verdediging in de aanwezigheid van een advocaat bij het verhoor van iemand naar wie een onderzoek wordt ingesteld.

    CONTEXT V: Anoniem gedicht

    anoniem gedicht

    Ik ben tegen
    Ik ben tegen de noordenwind
    Ik ben tegen de smog
    Ik ben tegen de bedekte en regenachtige ochtenden
    Ik ben tegen de sombere en decadente schemer
    Ik ben tegen de ontregelde jaargetijden
    Ik ben tegen de door elkaar gegooide uren
    Ik ben tegen de gordijnen voor de ramen, tegen de ijzeren deuren
    En die hoge muren
    Ik ben tegen de gecementeerde wegen waar geen bloem of boom kan groeien
    Ik ben tegen de vijvers die zwanen gevangenhouden
    En het prikkeldraad dat ze omgeeft
    Tegen de schoenen die om de voeten knellen
    En de uniforme kleur van hun leer
    Ik ben tegen de mannen die hun vrouwen slaan
    Ik ben tegen de ouders die hun kinderen mishandelen
    Ik ben tegen de kille en plotselinge scheidingen
    Ik ben tegen het verraad
    Ik ben tegen de ondankbaarheid
    Ik ben tegen het voldane gelach
    Ik ben tegen de doordringende kreten
    Ik ben tegen de machteloze snikken
    Ik ben tegen de afstotelijke gezichten
    En die vulgaire liederen die uit hun mond komen
    Ik ben tegen de wind die die liederen verspreidt
    Ik ben tegen het gras dat door de wind wordt platgedrukt
    Ik ben ook tegen mezelf
    Ik ben tegen mijn onbeholpenheid, mijn hebzucht en mijn lafheid
    Maar ik ben niet tegen het schrijven van dit gedicht
    Waarin ik zeg dat ik tegen ben
    Ik ben tegen het geschreeuw van de wereld
    Ik ben tegen de geveinsde kalmte
    Ik ben tegen de grandiositeit
    Ik ben tegen de onderdrukking ervan
    Ik ben tegen de gecensureerde waarheid
    Ik ben tegen de pure onnozelheid
    Ik ben tegen de volgende dagen die zingen
    Ik wil maar één ding: dat jullie samen met mij heel hard roepen
    ‘Ik ben tegen!’

    Ondanks de censuur proberen Chinese internetgebruikers in het geweer te komen tegen de ‘zelfbenoeming’ van keizer Xi. Dit anonieme gedicht heeft veelvuldig gecirculeerd.

  • Dit is de man naar wie Xi Jinping luistert

    Dit is de man naar wie Xi Jinping luistert

    Xia Ming, hoogleraar politieke wetenschappen in New York, schetst een portret van zijn voormalige studiegenoot Wang Huning, de belangrijkste adviseur van de Chinese president.

    Hij heeft zich weten te onderscheiden in een vijver van 1,4 miljard mensen, en dat verdient op zichzelf al respect! Of je nu met de prins of de tijger optrekt, het is één pot nat. Wang Huning heeft zich aangepast aan de politieke zeden van Zhongnanhai, de zetel van de Chinese regering, om er drie generaties monarchen te dienen. Dankzij zijn grote kennis van het raderwerk van de staat is hij steeds verder opgeklommen, een onmiskenbaar teken van zijn opmerkelijke intellectuele en emotionele kwaliteiten. Maar weinig mensen zullen die kwaliteiten betwisten: hij is een innemende man die in staat is om een missie tot een goed einde te brengen en problemen op te lossen, en hij loopt niet met zijn talenten te koop. Toch gaan we hier proberen zijn profiel wat verder uit te diepen.

    Ik heb Wang Huning veelvuldig meegemaakt tussen 1981 en 1991 op de faculteit voor Internationale politiek van de Fudan-universiteit in Shanghai. In die tijd verkeerde hij nog niet in de hoogste kringen, zodat het mogelijk was zijn ware gezicht en zijn werkelijke karakter te zien. En ook al heb ik een jaar of twintig geen direct contact meer met hem gehad, ook daarna heb ik zijn levensloop kunnen volgen aangezien onderzoek naar de Chinese politiek mijn vakgebied is.

    Hervormingstendensen

    We zaten op dezelfde faculteit en woonden beiden in gebouw nr. 7 op de campus van Fudan. In 1981, toen ik aan mijn bachelor begon, was Wang, die tien jaar ouder is dan ik, bezig met zijn master. Na zijn afstuderen werd hij docent op Fudan en in het studiejaar 1982-1983 heb ik colleges geschiedenis van het westerse politieke denken bij hem gevolgd. In die tijd volgde hij als docent nog het voetspoor van zijn eigen leermeester Chen Qiren, hoogleraar politieke economie en een orthodoxe marxistisch leninist.

    Maar naarmate de belangstelling voor het westerse denken en de hang naar politieke hervormingen toenamen, wist Wang Huning zijn vergelijkend onderzoek naar politieke regimes steeds verder uit te breiden. In de jaren tachtig kwamen onze interessesferen dichter bij elkaar te liggen. Hij en mijn scriptiebegeleider waren in 1987 samen verantwoordelijk voor het ‘Politieke verslag van het dertiende Partijcongres van de Communistische Partij van China’. De tekst van Wang is getiteld ‘Scheiding van partij en staat’ en ik heb meegeschreven aan het hoofdstuk ‘Deconcentratie van machten’, twee typerende thema’s voor de hervormingstendensen in de jaren tachtig, waartoe Deng Xiaoping in 1979 de aanzet had gegeven.

    We zijn allebei in 1984 lid geworden van de Communistische Partij van China en ik heb lange tijd tot dezelfde cel behoord als hij. Onze werkkamers waren trouwens maar een paar stappen van elkaar verwijderd. Tijdens mijn master hebben we vaak samengewerkt; ik heb bijvoorbeeld meegewerkt aan de redactie van enkele van zijn boeken, waaronder aan Fubai he fan fubai (‘Corruptie en strijd tegen corruptie’).

    Maar in 1989 werden we ongewild tegenstanders. In februari van dat jaar liet de universiteit haar studenten ‘de beste jonge docent’ kiezen, en ik eindigde volgens een van mijn studenten, de vicevoorzitter van de studentenvereniging, op de eerste plaats. Maar als gevolg van een ‘democratische centralisering’ van de uitslagen, een ironische verwijzing naar de handelwijze van de Communistische Partij, was het Wang Huning die won. Kort daarna spatte de democratische studentenbeweging van 1989, bekend van het bloedig onderdrukte Tiananmenprotest, uit elkaar.
    Wang had zonder aarzelen de kant van Partij en regering gekozen, terwijl ik de kant van de studenten koos. Van toen af aan hebben onze wegen zich gescheiden. Na deze gebeurtenissen besloot ik naar de Verenigde Staten te gaan om te promoveren, terwijl Wang aan zijn beklimming van de machtsladder begon.

    President Xi Jinping in de Grote Volkszaal in Beijing met zijn gevolg: premier Li Keqiang (r), Li Zhanshu (l) en Wang Huning. – © AP
    President Xi Jinping in de Grote Volkszaal in Beijing met zijn gevolg: premier Li Keqiang (r), Li Zhanshu (l) en Wang Huning. – © AP

    In de ogen van de meeste mensen is Wang Huning een gevierde geleerde, maar in werkelijkheid draagt hij de littekens van zijn tijd met zich mee. Hij heeft proefschriften begeleid, maar zelf heeft hij nooit een bachelor gedaan en is hij nooit gepromoveerd [zie de bio onder aan de tekst].
    Omdat Wang Huning geen klassieke opleiding heeft genoten, vertoont zijn onderzoek grote methodologische tekortkomingen en een gebrek aan conceptualisering. Wanneer hij bijvoorbeeld een historische ‘balans’ opmaakt van de corruptie in China, volstaat hij met een gedetailleerde en subjectieve beschrijving, zonder zich ooit (of vrijwel nooit) in oorzaak en gevolg te verdiepen. Dat heeft hem 
uiteindelijk vatbaar gemaakt voor de 
theorieën van de Chinese ‘nationale specificiteit’, al in zwang sinds het begin van de eenentwintigste eeuw, 
en van het ‘cultuurrelativisme’.

    Desondanks heeft Wang Huning ontdekt hoe hij moet slagen. In zijn boek over corruptie onderkent hij de ‘alomvattende, allesoverheersende aard van de Chinese overheid’, die systematisch tot uitdrukking komt op elke positie binnen een complex hiërarchisch systeem. Gedurende zijn hele carrière heeft hij zijn ellebogen gebruikt om een begeerde positie te bereiken, om vervolgens de aan die positie verbonden voordelen te monopoliseren en de weg naar een nog hogere functie te vinden.

    In 1986, toen hij betrokken werd bij het schrijven van het politieke verslag van het dertiende Partijcongres, begon Wang Huning een sterke neiging tot “neo-autoritarisme” te vertonen

    Wang is een typische apparatsjik. Hij is geboren in Shanghai in een familie van middelhoge ambtenaren en trouwde met een van zijn medestudenten, Zhou Qi, wier vader hoogleraar-onderzoeker was aan het Instituut voor Contemporain Internationaal Onderzoek in Beijing. Daarna begon een carrière die nauw verbonden was met het Partijapparaat.

    Begin jaren tachtig behoorden de briljantste jonge onderzoekers op de campus van Fudan bijna allemaal tot het liberale kamp, dat economische en sociale hervormingen voorstond, en in mindere mate politieke hervormingen. Maar nadat tijdens een seminar van de filosofische faculteit van Fudan het marxistisch leninisme ter discussie was gesteld, werden ze het doelwit van een ‘campagne tegen geestelijke vervuiling’ die werd gelanceerd in 1983.

    Toen Wang Huning in 1984 lid werd van de Partij, werd Wang Bangguo, hoofd van het onderzoekslaboratorium en de politicologische faculteit van Fudan, zijn mentor, met de bedoeling het liberale tij te keren. Met steun van hogerhand maakt Wang Huning daarna een bliksemcarrière. Hij werd de jongste universitair hoofddocent van Fudan. Dat was slechts de voorbode van talrijke andere roemrijke titels. Volgens sommigen is hij ‘gesmeed door de Partij’. Waarschijnlijk is in elk geval dat hij in die tijd de aandacht trok van Zeng Qinghong, destijds adviseur van Jiang Zemin in het stadhuis van Shanghai.

    In 1986, toen hij betrokken werd bij het schrijven van het politieke verslag van het dertiende Partijcongres, begon Wang Huning een sterke neiging tot ‘neo-autoritarisme’ te vertonen, een stroming die zowel economisch liberalisme als een moderne dictatoriale macht voorstond en het liberaal-democratische gedachtegoed een halt wilde toeroepen. Toen de democratische beweging in 1989 uit elkaar spatte, nam hij het op voor Jiang Zemin, die door de liberale intellectuelen werd bekritiseerd omdat hij in mei van dat jaar de Shijie Jingji Daobao (World Economic Herald) had gesloten, een van de eerste liberale kranten van China, met als motief dat deze de democratische beweging ‘begunstigd’ zou hebben. Na het bloedbad van 4 juni 1989 op het Tiananmenplein in Beijing is het aantal liberalen in universitaire en politieke kringen in China vrijwel gedecimeerd, door middel van repressie of verbanning.

    Chinese Hegel

    Voor een vertegenwoordiger van het neo-autoritarisme als Wang Huning openden zich nieuwe horizonten. Hij werd de architect en goochelaar van een steeds reactionairder politiek regime.

    Wang was tamelijk sterk beïnvloed door het marxistisch leninisme en andere Europese politieke theorieën. Ik herinner me dat in zijn colleges over de geschiedenis van het westerse politieke denken zijn bewondering voor Plato doorklonk, de ‘koning van de filosofie’, en voor boeken als De vorst van Niccolò Machiavelli en Leviathan van Thomas Hobbes. Zijn masterscriptie ging over nationale soevereiniteit, een geliefd onderwerp van de Franse politiek filosoof Jean Bodin (1529-1596), die manieren bestudeerde om de koning te helpen zijn absolute macht te consolideren en een eind te maken aan het feodalisme van de middeleeuwen.

    Hij was in zekere zin een Chinese Hegel, die het bestaan van een dictatoriaal regime verdedigde en van mening was dat ‘de staat zijn bestaan dankt aan de komst van God naar de wereld’ (Hegel, Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie, 1820). Maar hij was ook een Chinese Heidegger, de beroemde filosoof die 
de denker van het fascistische regime werd. En als je in het politieke verslag van het negentiende Congres van de Communistische Partij van China, gepubliceerd in november 2017, de 
passage over de grote strijd, de grote werken en de grote dromen leest, te verwezenlijken door de Partij, moet je onwillekeurig ook aan een andere Duitse nazifilosoof denken, Carl Schmitt (1888-1985), voor wie ‘het specifieke politieke onderscheid het verschil tussen vriend en vijand is’. Met andere woorden, het belangrijkste van alles is om te weten wie er aan jouw kant staat en wie tot degenen behoort die bestreden moeten worden. Zonder deze potentieel dodelijke strijd zou de politiek niets voorstellen.

    Het is niet zo abnormaal om te denken dat de weg naar “een sterk leger voor een sterk land” uiteindelijk tot hetzelfde historische lot zullen leiden dat Duitsland en Japan was beschoren

    In zijn boek Meiguo fandui meiguo (Amerika tegen Amerika) uit 1991 poneert Wang Huning duidelijk voor welke uitdaging Azië naar zijn idee staat: dat Japan, het Land van de Rijzende Zon, de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog zware militaire klappen heeft toegebracht, en zware economische klappen in de jaren tachtig van de vorige eeuw, komt volgens hem doordat het individualisme, het hedonisme en de democratie zijn overwonnen door collectivisme, zelfopoffering en autoritarisme. Ziedaar de waarden 
en de historische ontknoping van de droom van een ‘rood Rijk van de Rijzende Zon’ dat hij samen met Xi Jinping wil realiseren.

    Momenteel is het niet zo abnormaal om te denken dat de weg naar ‘een sterk leger voor een sterk land’, waarvoor het politieke verslag van het negentiende Congres onder de bezielende leiding van Wang Huning pleit, en het idee dat ‘de Partij almachtig is in het hele land’, uiteindelijk tot hetzelfde historische lot zullen leiden dat Duitsland en Japan was beschoren. Toch schrijft Wang Huning in zijn boek Zhengzhi di rensheng (Een politiek leven) uit 1994: ‘Het is verschrikkelijk dat wij meestal niet in staat zijn lering te trekken uit de gruwelen van het verleden.’ Volgens sommigen is Wang Huning het prototype van een geleerde in regeringskringen die liever in de schaduw vertoeft. Hij heeft misschien ongefundeerde verwachtingen gewekt, maar hij heeft zich nooit de ideeën van Socrates toegeëigend, die een ‘paardenvlieg voor Athene’ wilde zijn en een ‘wereldburger’ (Plato, Apologie van Socrates). Zijn kritische geest is slechts op één ding gericht: het door het slijk halen van de westerse mogendheden. Wellicht zal hij er ooit in slagen herboren te worden en zichzelf te overstijgen door een eind te maken aan de symbiotische relatie die hij met de totalitaire machthebbers onderhoudt en China in een meer liberale en democratische richting kunnen stuwen.

    Toen ik in 1991 toestemming vroeg om Fudan te verlaten en in de Verenigde Staten te gaan studeren, zei Wang Huning me drie dingen: ten eerste dat hij zich niet tegen mijn vertrek zou verzetten; ten tweede dat de VS een grote machine was waarvan je absoluut het ritme diende te volgen om niet vermorzeld te worden; en ten derde dat zolang hij invloed had op Fudan, hij me altijd zou terugnemen als ik dat zou willen. Het eerste punt betrof een gunst aan mijn adres, het tweede was een nuttig advies en het derde zal me naar ik hoop nog eens van pas komen.

    In ‘Een politiek leven’ schrijft Wang Huning: ‘De politieke belofte is een begrip dat nadere uitwerking verdient; het is misschien het logische beginpunt voor het creëren van een politieke filosofie in China.’ Maar dit voornemen mag geen pact van Faust met de duivel worden. Noch op persoonlijk vlak, noch wat het land betreft.

    Auteur: Xia Ming
    Vertaler: Peter Bergsma

    Duanchanmei
    China | theinitium.com

    Duanchuanmei is een Chinese website, opgezet in 2015 door de advocaat Will Cai, die in Hongkong de kritiek kreeg dat hij op al te goede voet zou staan met Xi Jinping.

  • Chinese millennials zijn kinderen van het internet

    Chinese millennials zijn kinderen van het internet

    De kinderen van Xi Jinping worden ze genoemd, ofwel de gouden generatie. De Chinezen die na 1992 zijn geboren zijn rijk, internetwijs en internationaal georiënteerd.

    De Chinese jongeren die na 1992 zijn geboren, worden vaak gezien als een ‘gouden generatie’. Ze zijn nu rond de 25 jaar en hebben als eersten echt kunnen genieten van het resultaat van de economische hervormingen, het verplichte onderwijs en de eenkindpolitiek. Ze zijn geboren in de tijd dat internet opkwam, leven in het digitale tijdperk en zijn ook de consumenten die het China van de toekomst zullen vormgeven.

    Volgens Zhang Yiwu, hoogleraar Hedendaagse literatuur aan de Universiteit van Beijing, is de generatie van onder de 26 jaar de rijkste die China ooit heeft gekend, een generatie die de blik van het Westen met trots kan doorstaan. Dankzij de rijkdom die hun familie heeft vergaard, kunnen ze nu naar 
hartenlust consumeren. Ze vormen een immens reserveleger van de middenklasse: ‘Kinderen die in de jaren tachtig werden geboren, vormden de eerste generatie die opgroeide na de start 
van de hervormingen en het opendeurbeleid in China [1979]. De kinderen van na 1992 [het jaar waarin de hervormingen van Deng Xiaoping weer werden voortgezet, drie jaar nadat de democratische beweging van 1989 de kop was ingedrukt] kun je zien als de tweede generatie van na de hervormingen, en hun geboorte viel samen met de grootste industriële ontwikkeling die het land ooit heeft gekend.’

    In die periode is het aantal Chinezen met een middeninkomen in alle regio’s van het land geëxplodeerd. En terwijl van 1992 tot 2002 – en zelfs al in het decennium daarvoor – de middenklasse zich vooral in de grote steden bevond, breidde die zich later uit tot 
in de kleinste plaatsen.

    ‘Ze zijn niet bang om geld uit te geven, want ze weten dat ze het hele bezit van hun ouders zullen erven’

    In feite zijn de jongeren die nu onder de 26 zijn de kinderen van deze nieuwe middenklasse. Zij hoeven zich totaal geen zorgen te maken of ze te eten hebben, of ze vlees kunnen kopen of kleding. Daar komt nog bij dat China geen successierechten kent en ze, als enig kind, alle moeizaam verworven bezittingen van hun beide ouders zullen erven. Ze zullen dus straks over een veel groter vermogen beschikken dan hun voorouders. Volgens een enquête die begin 2017 onder 1648 jongeren werd gehouden, kocht 79 procent van de jongeren onder de 26 in het jaar daarvoor consumptiegoederen voor een bedrag dat 20 procent hoger lag dan hun maandinkomen. Nu creditcards en online gespreid betalen gemeengoed zijn geworden, gaan jonge consumenten veel vaker dan oudere generaties overconsumeren. Dat komt volgens Zhang Yiwu door een veranderde 
mentaliteit, maar ook doordat jongeren van die leeftijd relatief weinig kosten hebben, terwijl hun koopkracht enorm is. ‘Ze zijn niet bang om geld uit te geven, want ze weten dat ze het hele bezit van hun ouders zullen erven.’

    Deze jongeren zijn opgegroeid met internet en hebben geprofiteerd van het ruimere wervingsbeleid van universiteiten. Daardoor hebben ze een veel beter opleidingsniveau en een veel bredere kennis dan de generaties voor hen. Mensen die in de jaren tachtig werden geboren, zoals de bekende schrijvers Han Han en Guo Jingming, deden hun kennis nog vooral op uit papieren boeken. De kinderen van 
nu zitten al vanaf de basisschool op berichtendienst WeChat over hun huiswerk te chatten. Internet zit bij 
de jongeren van na 1992 ingebakken.

    Ook zijn ze onder veel betere omstandigheden opgegroeid. Zelfs kinderen uit eenvoudige milieus hadden ouders die zorgden dat ze meededen aan 
buitenschoolse activiteiten op het gebied van kunst en cultuur. Pianoles en schildercursussen zijn niet langer alleen hobby’s van een kleine elite.

    ‘Die materiële omstandigheden zijn bepalend geweest voor hun gedrag,’ benadrukt Zhang Yiwu: de Chinezen van na 1992 zien zich als gelijken van westerse jongeren, ze hebben meer zelfvertrouwen en aarzelen ze niet 
om spullen te kopen om hun levenskwaliteit te verbeteren. Zo vinden jongeren die 5000 à 6000 yuan verdienen het heel normaal om 1000 yuan [ca. 130 euro] uit te geven aan een koptelefoon, elektrische tandenborstel 
of cosmetica. Iets wat veertigers en vijftigers onbegrijpelijk vinden.

    Pianoles en schildercursussen zijn niet langer alleen hobby’s van een kleine elite

    Elke jonge generatie is opstandig. 
De lichting uit de jaren tachtig kwam openlijk in botsing met de oudere generaties, maar de kinderen van 
na 1992 kiezen voor een ‘parallelle’ omgang. Anders gezegd: deze jongeren bewaren afstand tot hun ouders, die ze vaak zien als vreemdelingen omdat ze niet dezelfde taal spreken.

    Terwijl de ‘boze jongeren’ van de jaren tachtig uiting probeerden te geven aan hun verzet tegen de maatschappij, is de internetgeneratie van de jaren negentig veel gematigder. Jongeren van onder de 26 gaan voor virtuele 
consumptie die hun psychologische voldoening geeft. En dat heeft rechtstreeks invloed op hun kijk op geld. ‘Vroeger vond men in China dat je rijkdom moest verwerven door te werken. Maar de generatie die in de jaren negentig geboren is, ziet niets meer in dat idee. Dat is een enorme mentaliteitsverandering,’ zegt Zhang Yiwu. De jongste generatie kijkt volgens hem nog wel op tegen rijke mensen, maar niet langer tegen mensen die op een traditionele manier fortuin hebben gemaakt.

    Hun nieuwe idolen zijn mensen als 
Bill Gates en Mark Zuckerberg. De post-1992-generatie kiest ook liever voor deelfietsen of voor gemeenschappelijke sportvoorzieningen. Deze dingen, die horen bij een nieuwe vorm van consumeren die uit internet is voortgekomen, zijn niet per se duur, maar horen helemaal bij deze tijd en sluiten aan op hun voorliefde voor een nichecultuur, ver van de traditionele economie van hun ouders. Ook in dat opzicht zijn ze beïnvloed door de wereldwijde internetcultuur. Wat hen ook heel goed bevalt aan de internetmiljardairs, is dat die hechten aan bepaalde waarden, zoals de bescherming van het milieu, tolerantie tegenover homoseksualiteit en zelfs erkenning van de deugden van de markteconomie. ‘Dus eigenlijk aan alles wat is voortgekomen uit de beweging van opstandige westerse jongeren in de jaren zestig…’ Toch ontbreekt bij de Chinezen van na 1992 die westerse hippiegeest van de jaren zestig, want ze zijn lang niet zo heethoofdig, maar veel gematigder en zachter.

    Hun hang naar waarden komt waarschijnlijk voort uit het feit dat ze steeds meer met zichzelf bezig zijn

    Hun hang naar waarden komt waarschijnlijk voort uit het feit dat ze steeds meer met zichzelf bezig zijn. Zhang Yiwu benadrukt dat de jongeren van nu een veel bredere horizon en een rijker wereldbeeld hebben, waardoor dit soort kwesties hen meer aanspreken.

    Doordat ze op elk moment en overal hun stem kunnen laten horen op de sociale media en op elkaar reageren via apps op hun smartphones [al is er wel geregeld sprake van censuur], zijn ze voortdurend op de hoogte van het leven van succesvolle mensen. Toch lukt het de meesten niet om zelf zoveel geld te verdienen als ze hopen. Met als gevolg dat ze zich, net als elke generatie jongeren, heen en weer geslingerd en mislukt voelen. ‘Over Beijing ligt een deken van vervuilde lucht, de luchtkwaliteit is er beroerd, terwijl in hun geboortestreek de bergen groen zijn en het water helder is. Toch willen jongeren daar beslist niet blijven wonen, maar in Beijing ergeren ze zich aan de milieuvervuiling… Ze beseffen niet dat de verschillen op milieugebied tussen China en het 
Westen deels het gevolg zijn van de verschillende stadia in industriële ontwikkeling,’ zegt Zhang Yiwu. De jongeren van na 1992 hebben hun eigen nichecultuur en hun levensomstandigheden zijn veel beter, maar ze beklagen zich dat ze nog een lange weg te gaan hebben voordat ze op hetzelfde niveau zitten als de jongeren elders in de wereld.

    Toch is er één ding dat optimistisch stemt: nu de invloed van China op het internationale toneel groeit, kunnen de jongeren van na 1992 zich meer onderscheiden; wie weet zijn het over een paar decennia wel juist hun gewoonten en denkwijzen die dan een deel van de westerse jongeren beïnvloeden.