De boeken-top 5 is samengesteld door de redactie van 360. Deze (en andere) titels zijn direct online te bestellen via onze webshop.
Aasgierkapitalisme
Grace Blakeley
Blakeley legt genadeloos bloot hoe grote bedrijven en financiële instellingen opereren als roofdieren. Met voorbeelden van schandalen en machtsmisbruik toont ze hoe politiek en economie verstrengeld raken. Het boek is een oproep tot verzet tegen een uit de hand gelopen kapitalistisch systeem.
Generatie angststoornis
Jonathan Haidt
Haidt onderzoekt hoe de smartphone en sociale media een nieuwe generatie hebben gevormd. Hij laat zien hoe constante prikkels leiden tot angst, depressie en kwetsbaarheid bij jongeren en stelt dringende vragen over opvoeding, onderwijs en de grenzen van technologische vooruitgang.
Denk als een monnik
Jay Shetty
Voormalig monnik en podcastmaker Shetty vertaalt eeuwenoude boeddhistische inzichten naar het moderne leven. Met toegankelijke voorbeelden en praktische adviezen over aandacht, dankbaarheid en veerkracht biedt hij een luchtiger, inspirerend alternatief voor zware filosofische kost.
Open Socrates
Agnes Callard
Callard laat zien hoe Socrates’ kracht niet lag in antwoorden, maar in vragen stellen. Ze schetst een leven van intellectuele openheid en kritische eerlijkheid, waarin gesprekken nooit eindigen maar steeds opnieuw beginnen. Een toegankelijk en levendig pleidooi voor filosofie als manier van leven, eerder dan als leer.
Het goede leven en de vrije markt
Michael Sandel
Marktkrachten zijn doorgedrongen in alle domeinen van het leven: onderwijs, zorg, zelfs vriendschap. Sandel stelt de morele vraag of alles te koop mag zijn en reikt met filosofische helderheid voorbeelden aan waarin democratie meer vraagt dan consumentengedrag alleen.
In Achter de donkere wouden beschrijft Aleksandr Skorobogatov de laatste nacht van het leven van zijn zoon en Yoko Tawada onderzoekt taal en identiteit in Verspreid over de aarde. Deze top 5 is samengesteld door de redactie van 360.
Achter de donkere wouden
Aleksandr Skorobogatov
Het heeft hem twintig jaar gekost om de kracht te vinden dit boek te schrijven, vermeldt de bekroonde Belarussische auteur van Oorlogskronieken (2023). In zijn nieuwe werk vertelt hij over de laatste nacht van het leven van zijn zoon, en waarom zoiets afschuwelijks kon gebeuren.
Verspreid over de aarde
Yoko Tawada
In deze roman schept Yoko Tawada een absurd en speels universum rond Hiruko, een vrouw zonder land die een eigen taal ontwierp. Samen met een bont gezelschap reist ze door Europa; hun odyssee verkent migratie, identiteit en taal, in een hilarische, caleidoscopische roman vol onverwachte ontmoetingen.
De Tweede Wereldoorlog in 100 kaarten
Jeremy Black
Historicus Jeremy Black verweeft zijn diepgaande kennis van cartografie en militaire geschiedenis tot een boeiende kijk op de Tweede Wereldoorlog en laat zien hoe militaire cartografie in dit mondiale conflict uitgroeide tot een wapen van wereldformaat.
De nieuwe macht – Het leiderschap van de toekomst
Jacinda Ardern
De voormalig premier van Nieuw-Zeeland en de jongste vrouwelijke regeringsleider in de geschiedenis dwong wereldwijd respect af door haar empathische leiderschap. Ze hoopt met haar visie nieuwe generaties leiders te inspireren.
Het vlees
David Szalay
Het leven van de Hongaarse István voert hem langs de loopgraven van Irak, de achterkamers van Londense nachtclubs en de marmeren foyers van de superrijken. Szalay schetst een man die door het leven wordt voortgestuwd zonder zelf richting te kiezen.
Lange tijd vonden vooral apolitieke romans uit Japan een internationaal publiek, maar dat is nu aan het veranderen. En wel door drie vrouwen die de literaire wereld veroveren en niet schromen de misstanden in hun thuisland aan de kaak te stellen. Een portret.
’s Nachts verandert de stad. Mensen roken op straat, drinken hun biertje voor de gemakswinkels en praten luidruchtig met elkaar. Hier in Shinjuku Ni-Chome, de uitgaanswijk in het westen van Tokio, stralen de neonreclames. De hoge gebouwen zitten van de kelder tot de tiende verdieping vol met partylocaties. Van de lesbobar tot de queer theesalon en de fetishclub. Op sommige straathoeken staan hier en daar groepen toeristen voor de cafés; op andere plekken krijgen ze geen toegang.
Ook al krijg je in Shinjuku Ni-Chome een andere indruk, de drie steunpilaren van Japan zijn nog altijd kinderen, huwelijk en werk. Progressieve bewegingen hebben het moeilijk. De conservatieve regering van Fumio Kishida ruziet over de gelijkberechtiging van de queer gemeenschap. Een hoge ambtenaar heeft enkele maanden geleden nog openlijk gezegd dat hij niet naast homoseksuele of transparen wil wonen. In de koseki, het familieregister, moet iedereen opgenomen worden, maar bij gehuwde personen mag er slechts één achternaam staan – meestal die van de man. In het laatste rapport over de genderkloof van het World Economic Forum, dat onder andere analyseert hoe vrouwen betaald worden in vergelijking met mannen, stond Japan op de lijst van 145 landen op de 125ste plaats.
De laatste jaren is er veel internationale aandacht voor het feit dat de clichés over het supermoderne Japan als een land dat cultuur, geschiedenis en vooruitgang soepeler combineert dan enig ander land, inderdaad niet meer dan clichés zijn: de sociale druk op vrouwen omdat de geboortecijfers al jaren dalen, de vele zelfmoorden, de kloof tussen arm en rijk, die in de op twee na grootste economie van de wereld steeds groter wordt.
Vrouwen houden op een nieuwe, literaire manier vinger aan de pols van Japan
Maar deze thema’s werden tot op heden weinig weerspiegeld in vertaalde literatuur uit Japan; de focus lag bij vertalingen op auteurs als Haruki Murakami, die zich in hun boeken vooral richten op mannelijke personages met hun innerlijke persoonlijke conflicten.
Zo bleven er lange tijd veel blinde vlekken in de beeldvorming over de Japanse samenleving. Maar dat lijkt nu langzaam te veranderen. Op dit moment beleeft Osamu Dazai op het jonge socialmediaplatform TikTok een wedergeboorte met zijn roman NingenShikkaku. Daarin vertelt de auteur het levensverhaal van iemand die geen empathie kan voelen en die daardoor geen sociale relaties kan opbouwen. Het boek is een meesterwerk uit de naoorlogse tijd. Sinds enkele jaren lijken bovendien steeds meer politiek denkende schrijfsters hun weg te vinden naar een internationaal publiek; vrouwen die maatschappijkritiek in hun werk vlechten. Vrouwen die op een nieuwe, literaire manier de vinger aan de pols van Japan houden. Kunnen zij een waarachtiger, completer beeld van het huidige Japan schetsen? Een reis door Tokio – naar drie succesvolle schrijfsters.
Internationale ster
Een van hen is Mieko Kawakami. De 46-jarige heeft de literaire wereld op slag veranderd toen in 2008 de novelle Borsten en eitjes in Japan uitkwam, een zinderend verhaal over vrouw zijn, kinderen krijgen en familie. The New York Times bejubelde het boek en inmiddels wordt er ook een Duitse theaterversie van gemaakt.
Sindsdien is Kawakami een internationale ster met een reclamecontract voor haarproducten en een entourage van woordvoerders en assistenten. Haar carrière is verbazingwekkend omdat ze maar weinig mogelijkheden had om zich een plek te veroveren in de literaire wereld. Kawakami werd in Osaka geboren in een gezin dat het niet breed had, en begon al op jonge leeftijd te werken. Op haar veertiende had ze een baantje in een fabriek, daarna in een bar, om haar alleenstaande moeder en haar broer te ondersteunen. Later probeerde ze het als popzangeres, maar met weinig succes. Op het internet begon ze gedichten te publiceren en ontdekte ze het schrijven. Nu woont ze in Tokio, is getrouwd met een schrijver en heeft een kind.
Kawakami is zo populair dat haar fans haar overal opwachten, ze proberen haar posts op Instagram te decoderen om haar op te sporen
De ontmoeting met de schrijfster vindt plaats op een plek die niet genoemd mag worden. Kawakami is zo populair dat haar fans haar overal opwachten, ze proberen haar posts op Instagram te decoderen om haar op te sporen. Kawakami zit in haar eentje te wachten in een speciaal gehuurde, afgeschermde ruimte in een café: een goedgeklede vrouw met een design handtas en een perfecte huid. ‘Ik kom van de straten van Osaka’, schrijft ze ergens, omdat ze in armoede is opgegroeid. Haar gouden polshorloge schittert.
Ze benadrukt meer dan eens dat er moed voor nodig is om succes te hebben. Dat is een van haar grote thema’s. Moed om je eerste verhalen op te sturen naar literaire tijdschriften. Moed om te schrijven over de problemen in de Japanse maatschappij, over wat het kapitalisme kan aanrichten. Moed om de schaamte te overwinnen om te spreken over haar eigen leven. ‘Ik kan erover praten omdat ik eruit ben gekomen.’ Moed om de dingen zo op te schrijven als ze zelf voor juist houdt. ‘Dankzij het succes kan ik dat,’ zegt ze.
Bewondering én haar kritiek
Kawakami is inderdaad een uitzondering in de Japanse literaire wereld, omdat ze openlijk spreekt over haar verleden in onzekere omstandigheden, zonder omwegen voor haar mening uitkomt en opiniestukken publiceert. Haar gesprek uit 2017 met Haruki Murakami is intussen beroemd. Daarin uitte Kawakami heel openhartig haar bewondering én haar kritiek; ze bekritiseerde onder andere de manier waarop Murakami omging met zijn vrouwelijke personages. ‘Ik heb het over het grote aantal vrouwelijke personages dat alleen maar bestaat om een seksuele functie te vervullen,’ zei ze.
In het café gebruikt ze begrippen als kapitalisme, lgbtq, gender en klasse met grote vanzelfsprekendheid. Ze slaagt erin daarmee een jong en vrouwelijk publiek te bereiken dat in de afgelopen jaren door #MeToo en de nieuwe feministische golf in Japan in beweging werd gebracht. Tegelijkertijd denkt ze ook altijd na over andere thema’s. Een paar dagen geleden, vertelt ze, hebben vier tieners een horlogewinkel overvallen in Ginza, een van de belangrijkste winkelwijken van de stad. Over de armoede onder de jeugd – sindsdien weer gespreksonderwerp in Japan – kan Kawakami hele betogen afsteken.
Intussen zijn er drie romans van haar in het Duits verschenen, die thematisch en stilistisch niet méér van elkaar zouden kunnen verschillen. In Brüste und Eier [het eerder genoemde Borsten en eitjes] onderzoekt ze de waarde van de vrouw in de Japanse maatschappij en wat het betekent om als dertigjarige ongehuwde en aseksuele vrouw moeder noch dochter te zijn. In Heaven [in het Nederlands verschenen als Hemel] volgen de lezers een naamloze veertienjarige ik-verteller die door zijn medescholieren gepest wordt; en in het pas verschenen All die Liebenden in der Nacht [oorspronkelijke titel Subete mayonaka no koibito tachi, nog niet verschenen in het Nederlands] beschrijft ze het leven van een vrouwelijke freelancecorrector en kluizenares die begint te drinken. Haar zojuist in Japan verschenen roman Kiiroi Ie [zal in 2025 in het Engels verschijnen als Sisters in Yellow] vertelt over een groep vrouwen die herinneringen ophaalt aan de jaren waarin ze gewerkt hebben in een sunakku, de goedkope versie van een nachtclub.
Kawakami geldt voor velen als een icoon van de feministische literatuur, als iemand die kwesties van arbeid en gender in samenhang behandelt. Enige tijd geleden zei ze in een interview echter ook dat ze het beu is als feministisch schrijfster te worden aangeduid. Ze voelt zich verkeerd begrepen, zegt ze nu. Ze doelt op dat etiket, dat kan aanvoelen als een corset. Natuurlijk is het feminisme belangrijk. Maar Kawakami zegt dat ze bang is dat dat begrip verwatert tot een marketingtool en uiteindelijk nergens meer voor staat. Ze wil ook altijd opkomen voor de mensen die niet gezien worden.
Grande dame
Iemand die zich al lang bezighoudt met degenen die in de Japanse samenleving vergeten worden, is Banana Yoshimoto [pseudoniem van Mahoko Yoshimoto], de coole grande dame van de Japanse literatuur. Mijn afspraak met haar vindt plaats in een woonwijk op ongeveer een kwartier lopen van Shimokitazawa, een populaire, jonge wijk, waar je de ene na de andere vintagewinkel tegenkomt. Yoshimoto heeft haar kantoor in de buurt, in een oud Japans huis van twee verdiepingen, aan de gevel waarvan een dikke gele banaan prijkt. De 58-jarige ontvangt me met koude thee en koekjes. Ze zit aan haar schrijftafel naast een vitrine met haar verzameling onderscheidingen en literaire prijzen. Aan haar voeten slaapt haar geliefde Franse bulldog.
Eind jaren tachtig verscheen Yoshimoto’s debuutroman Kitchen [in het Nederlands verschenen onder dezelfde titel], die een bestseller werd en wereldwijd een hype veroorzaakte: de ‘Bananamania’, een diepe verering door fans die haar binnen de kortste keren bijna de status van een popster bezorgde. Kitchen gaat over de vriendschap tussen de jonge Japanse vrouw Mikage, die geen familie meer heeft, en de man Yuichi. Samen met Yuichi’s moeder, een transpersoon, leven ze in een woongemeenschap. Kitchen valt stilistisch en inhoudelijk op door de onverbloemde toon en het experimentele karakter. Veel critici waren er indertijd nog niet aan toe, maar het publiek viel voor Yoshimoto.
Is er nu, meer dan dertig jaar later, iets veranderd in de literatuur en de Japanse samenleving? ‘Indertijd zeiden ze tegen mij dat er in Japan geen queer mensen bestonden. Zoals je nu – en eigenlijk ook toen al – kunt zien, zijn die er natuurlijk wel,’ zegt ze.
Volgens opiniepeilingen is 64 procent van de bevolking nu positief over gelijkgeslachtelijke stellen
Volgens opiniepeilingen is 64 procent van de bevolking nu positief over gelijkgeslachtelijke stellen. Nog maar enkele weken geleden liepen tienduizend mensen in optocht door Tokio. Een paar eisen van de Pride Parade: een antidiscriminatiewet en de openstelling van het huwelijk voor queer paren. Maar de regering werkt dat tot op heden tegen, en de problemen van queer mensen verdwijnen niet van de ene op de andere dag. ‘Ik weet niet zeker of de literaire wereld zich werkelijk openstelt, maar de samenleving doet dat langzaamaan wel,’ zegt Yoshimoto.
Haar leven buiten de boeken houdt Yoshimoto privé. Ze is getrouwd en heeft een kind. Maar op haar website geeft ze prijs op welk deel van haar lichaam ze twee tatoeages heeft – op haar rechterdijbeen een banaan en op haar linkerschouder de manga-afbeelding van de geest Obake no Q-taro, die graag kattenkwaad uithaalt.
Mythen
Over haar persoonlijke leven praat ze nu ook liever niet, maar er circuleren veel mythen. Op haar vijfde besloot ze schrijfster te worden, zo wil de legende, die ze nu bevestigt. Ze koos het beroep indertijd geïnspireerd door haar oudere zus, die tegenwoordig werkt als manga-artiest. Yoshimoto groeide op in een huishouden waar creatief werk werd aangemoedigd. Haar vader, Takaaki Yoshimoto, was dichter en literair criticus. Hij gold als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van nieuw links in Japan.
Tijdens haar studie literatuurwetenschap begint Mahoko zich Banana te noemen, omdat de naam androgyn en schattig zou klinken en vanwege haar voorliefde voor de bloesems van de bananenboom, zo wil een andere legende. Wat geen legende is: ze schreef Kitchen toen ze als serveerster in het restaurant van een golfclub werkte. Dat was toen; tegenwoordig leeft ze van het schrijven en kan ze bogen op een meer dan drie decennia lange carrière, meer dan zestig in Japan gepubliceerde boeken, romans en essays en wereldwijd miljoenen verkochte boeken. De indruk dat ook in Japan op dit moment vooral schrijfsters veel meer publiceren dan een paar jaar geleden, onderschrijft ze niet. ‘De verhouding tussen het aantal mannelijke en vrouwelijke auteurs is hier in Japan in de afgelopen decennia gelijk gebleven. Ze worden alleen eindelijk meer vertaald.’
In de meer dan dertig jaar dat ze nu boeken publiceert, is Yoshimoto’s manier van schrijven veranderd; ze schrijft nu milder, zegt ze zelf. Haar stijl is dromerig, alsof ze zo onbewuste dingen aan het licht wil brengen. Yoshimoto heeft een grote voorliefde voor horrorfilms, vooral voor de Italiaanse meester Dario Argento of Don Coscarelli, met Phantasm. Haar laatste in het Duits verschenen roman, Ein seltsamer Ort [oorspronkelijke titel Mimi to Kodachi], is een hommage aan deze film uit het jaar 1979. In het boek vertrekken de tweelingzussen Mimi en Kodachi naar Tokio, nadat hun moeder na een zwaar ongeluk in coma is geraakt. Als Kodachi niet meer terugkeert van een bezoek aan haar moeder in het ziekenhuis, gaat Mimi op zoek naar haar zus. Net als in een goede horrorfilm neemt de roman dan een bovennatuurlijke wending; tegelijkertijd komen in de vertelling louter onderdrukte, akelige gevoelens naar boven.
In het nawoord van het boek kondigt Yoshimoto min of meer haar pensionering aan: ‘Ik ben serieus van plan geleidelijk plaats te maken voor de jonge generatie die in deze moeilijke tijden verder moet.’
Nieuwe generatie
Een gezicht van deze nieuwe generatie is Rin Usami, die weliswaar nog aan het begin staat van haar carrière, maar toch al onder andere de Yukio Mishima-prijs heeft gewonnen, die geldt als een van de belangrijkste omdat hij wordt toegekend aan boeken die nieuwe wegen inslaan. Usami is de jongste prijswinnaar in de geschiedenis van de prijs. In een buurt niet ver van de universiteit waaraan Usami studeert, zit de 24-jarige nu in een café, begeleid door haar redacteur, een vertegenwoordiger van haar literair agentschap en iemand van de uitgeverij. Usami heeft nog niet zo veel ervaring met de pers, daarom zijn ze erbij om haar te assisteren.
Het eerste wat Usami zegt is: ‘Ik heb speciaal een donkerroze trui aangetrokken, dezelfde kleur als het omslag van mijn boek Idol in Flammen [de Duitse vertaling van Oshi, moyu]. Een grapje dat waarschijnlijk bedoeld is om de strak geregisseerde sfeer wat losser te maken. In de roman vertelt Usami over een schoolmeisje dat bezeten is van een lid van een Japanse band. Maar dan duiken er geruchten op dat haar idool een vrouwelijke fan zou hebben aangevallen.
De fancultus in de samenleving groeide de afgelopen jaren sterk
Vooral door de isolatie en de beperkingen van sociale contacten tijdens de pandemie groeide de fancultus in de Japanse samenleving de afgelopen jaren sterk. Het object van verlangen kan een acteur, zanger of sporter zijn. ‘Bij de fancultuur draait het om empowerment,’ zegt Usami, ‘het lijkt controleerbaar en is daardoor vooral aantrekkelijk voor jonge mensen.’
Vaak lijken echte relaties te spannend, en veel jonge Japanners voelen zich eenzaam, zoals onderzoeken uitwijzen. Volgens een recente overheidsenquête hebben 1,5 miljoen mensen zich zelfs volledig uit de maatschappij teruggetrokken; ze leiden een leven dat zich grotendeels alleen in de eigen woning afspeelt en dat hikikomori wordt genoemd. De politiek benoemde daarom twee jaar geleden een minister van Eenzaamheid. De sterrencultus biedt een vlucht uit een vaak trieste realiteit.
Usami zelf achtervolgde ongeveer acht jaar lang intensief een acteur, vertelt ze openhartig; het is blijkbaar niet iets waarvoor ze zich schaamt. Maar wat ze intussen wel begrepen heeft, zegt ze, is dat betrekkingen tussen fans en idolen niet altijd eenvoudig zijn, want ze zijn verticaal. ‘Er zit een duidelijke hiërarchie in,’ zegt Usami, ‘terwijl het schrijven daarover op internet, de uitwisseling met andere fans, horizontaal is.’ Over dit verschil wilde ze in haar roman schrijven. Terwijl haar hoofdfiguur zich steeds dieper verstrikt in deze betrekkingen, voelt ze zich steeds eenzamer worden.
Dat Usami’s roman een bestseller werd, laat zien dat ze bij veel Japanners een snaar heeft geraakt. Al in haar debuut Kaka stelt Usami maatschappelijke problemen onverbiddelijk aan de kaak; in die roman gaat het om een tienermeisje dat na de scheiding van haar ouders haar moeder niet meer kan verdragen. Ze begint te drinken en wordt gewelddadig.
Romans die de ziel in al haar tragiek belichten, worden als literatuur gezien
Alcoholmisbruik, eenzaamheid, horror – waarom zijn veel van de thema’s die in de romans van Usami en andere hedendaagse schrijfsters behandeld worden, zo somber? Maatschappijkritiek kan tenslotte ook op een lichte manier worden gebracht. Wanneer het woord ‘somber’ in het café valt, lijkt de sfeer in de ruimte te bevriezen. Usami zelf, de redacteur, de agent en de medewerker van de uitgeverij zijn zichtbaar geïrriteerd. Usami’s roman is serieus, niet somber, heet het na een paar seconden. Dan verklaart de medewerkster van de uitgeverij dat hoge literatuur nu eenmaal een zekere zwaarte verlangt. Net als in Duitsland verschilt lectuur in Japan niet alleen stilistisch maar ook thematisch veel van literatuur. Alleen wordt daar nog strenger op het onderscheid gelet. Liefdesgeschiedenissen met een happy end en detectiveverhalen worden automatisch tot de massacultuur gerekend; romans die de ziel in al haar tragiek belichten, worden als hoge literatuur gezien. En het begrip ‘somber’ zou eerder bij lectuur passen.
Yukio Mishima
Usami beschrijft het zo: ‘Als scholier heb ik vooral lectuur verslonden; later las ik de Japanse klassieken en merkte ik dat je ook over intieme gevoelens en gedachtewerelden kunt schrijven.’ Haar literaire voorbeeld is Yukio Mishima. Deze beroemde auteur werd aan het eind van zijn leven een nationalist, in 1970 probeerde hij een staatsgreep te plegen in het militaire hoofdkwartier van het land om de Japanse grondwet af te schaffen en de macht van de Japanse keizer te herstellen. Toen de putsch mislukte, pleegde Mishima, die ook een groot bewonderaar van de samoeraicultuur was, op rituele wijze zelfmoord. Hij heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten, waarin thema’s als zelfmoord, homoseksualiteit en overspel worden behandeld.
In het café vertelt Usami nog over andere literaire klassiekers, iets over haar studie en over haar broer, tot het langzaam donker wordt en de avond valt.
Ook in Shinjuku Ni-Chome, de luidruchtige uitgaanswijk, zal morgen de zon weer opgaan. De vuilcontainers zullen geleegd worden. Misschien verruilen de mensen hun bezwete kleding voor hemden en sokken die ze in de plaatselijke minimarkt aanschaffen. Ze zullen naar hun werk gaan en de sporen van de nacht achter zich laten. En dan? Dan beginnen ze weer van voren af aan.
Van Mieko Kawakami zijn in Nederland Borsten en eitjes en Hemel verschenen bij uitgeverij Podium, in vertaling van Maarten Liebregts.
Kitchen van Babana Yoshimoto verscheen bij Das Mag, eveneens in vertaling van Maarten Liebregts.
Rin Usamiis nog niet uitgegeven in Nederland, haar roman Idol, Burning verscheen in het Engels bij HarperCollins, in vertaling van Asa Yoneda.
Zou dit de stad zijn met de verleidelijkste rivier, vroegen we ons af, de netste straten, de zorgelooste mensen en de duurste voorgerechten (€ 49,50 voor een salade caprese)? We liepen door het kleine, pittoreske centrum van Bern, in Zwitserland, waar dit jaar opnieuw het True Story-festival plaatsvond met bijbehorende prijsuitreiking, en verzuchtten hoe geweldig het leven is als je even niks hoeft.
Wij mensen denken graag in uitersten. Hoe vaak hoor je wel niet beweren dat deze tijden de spectaculairste in welk opzicht ook zijn? Zulke uitspraken kunnen niet of nauwelijks worden gestaafd, maar voor veel andere geldt dat wel, en precies dat is het businessmodel van Guinness World Records, dat al sinds 1955 alle mogelijke records bijhoudt. Toen weinig antwoorden nog te googelen waren, moest dit boek ‘de verhitte sfeer waartoe meningsverschillen kunnen leiden omzetten in licht’.
En ja, ook een stad kan een record behalen
Ook een record: van alle dieren met onze omvang hebben wij de kortste darmen, omdat we de darmfunctie deels hebben uitbesteed aan onze keuken, aldus Chris van Tulleken, die een overtuigend pleidooi schrijft tegen ultrabewerkt voedsel, dat minstens even schadelijk zou zijn als vet en suiker. Alberto Grandi waarschuwt tegen een ander gevaar van – in dit geval Italiaans – eten (p. 24). ‘In een normaal land,’ aldus Grandi, zelf van oorsprong Italiaans, ‘zou het niemand iets uitmaken waar (en wanneer) een bepaald gerecht is bedacht.’ De herkomst van nationale gerechten, en de exacte wijze waarop deze moeten worden bereid, zouden tegenwoordig net zo’n onderwerp voor rechtse politici zijn ‘als mooie jonge vrouwen en voetbal dat waren tijdens Berlusconi’. Grandi maakt zich met zijn zienswijze in eigen land weinig geliefd – al kan het stuk wat mij betreft prima doorgaan als aanbeveling van de Italiaanse keuken: het is even recalcitrant als smakelijk.
En ja, ook een stad kan een record behalen. Asjchabad, in Turkmenistan, heeft de ‘hoogste dichtheid van gebouwen met een witmarmeren gevel’. Of Bern records heeft weet ik niet. De zorgelooste mensen waarschijnlijk niet; onder de hoogste brug van de stad is een net gespannen tegen springers. Hoe dan ook is het zonder twijfel een van de beste plekken om als gepensioneerde door te brengen, ook als je een ‘seenager’ bent en je weigert te conformeren aan de stigma’s rondom ouderdom. Je kunt er de rivier in, of de bergen, ambachtelijk shoppen, tot diep in de nacht dansen en uitstekend eten – zolang je het betalen kan. Een perfecte plek om ‘niets meer te hoeven, vrij te zijn om te gaan en staan’ waar je wil. Wij maakten er ook dit jaar weer kennis met fantastische journalisten en hun werk (en salsakunsten), maar daarover meer in het volgende nummer.
De aantrekkingskracht van spionage (goed gearticuleerd een uitstekend woord voor gezichtsgymnastiek) is onverminderd groot, zelfs nu er geen zendertjes meer in de hak van een schoen geplaatst worden en de kranten gekrompen zijn naar tabloidformaat. Dat veel gevonden kan worden op het web, waar het iedere burger vrijstaat te liegen en te bedriegen en elke ongetrainde ziel ongevraagd inlichtingenwerk kan verrichten, heeft de workload van de geheime dienst nauwelijks verlicht.
Maar elk tijdperk krijgt de spion die het verdient. Goodbye, Mister Bond, we zijn nu afhankelijk van saaie data-analisten zonder de allure van uw clandestiene bestaan. En erger nog, schrijft de Deense krant Politiken, van complotdenkers. Ouderwetse fysieke informatievergaring is nog steeds in zwang, al blijkt het met name de Russen nogal veel moeite te kosten om geschikte kandidaten te werven, juist nu ze grote behoefte hebben aan mollen of slapende cellen in landen die Oekraïne technologie en militaire capaciteit leveren.
Help, OO7, kunt u niet nog voor één keer onze wereld komen redden?
Het profiel waar de KGB naar zoekt is daarom noodgedwongen bijgesteld en biedt nu een droombaan aan mensen met financiële of ideologische motieven of met wraakgevoelens, omdat ze bijvoorbeeld ‘in hun carrière gefrustreerd zijn geraakt’.
Help, OO7, kunt u niet nog voor één keer onze wereld komen redden? Hoewel de Britse MI6 het ook niet makkelijk heeft. Werkloze, door de staat opgeleide geheim agenten – het is een trend volgens The Sunday Times – lopen massaal over naar de privésector. Daar eenmaal beland, delen ze hun kennis met autocraten, oligarchen en andere griezels die met biljetten uit de staatsruif iedere gewetenloze kunnen rekruteren. Bovendien is de lijn tussen lobbyen en spionage flinterdun. Enkele Portugese academici, schrijft het dagblad Expresso, schijnen de belangen van Beijing te dienen, soms de wet te omzeilen en staatsgeheimen te schenden. Wie het zijn is bekend, maar het valt moeilijk te bewijzen.
AI zegt geen fysieke actie te kunnen ondernemen en bovendien vindt ze het concept ‘kwaad’ complex en subjectief. Wel suggereert ze dat collectieve inspanningen op verschillende niveaus kunnen bijdragen aan een rechtvaardiger, vreedzamer bestaan voor iedereen. Zoals educatie, empathie en mededogen, rechtvaardigheid en gelijkheid, vreedzame communicatie, dialoog en overheidsbeleid.
Het is een menselijke neiging om geobsedeerd te raken met dat wat je dreigt te verliezen. Dat kan een geliefde zijn, een privilege, status, geld. In deze tijden die zo vaak apocalyptisch worden genoemd, is het de toekomst. Met een mengeling van afschuw en fascinatie bekijken we series als The Last of Us; is dit dan hoe het einde van de mensheid eruitziet?
Daarnaast gaat het natuurlijk over wat we daartegen kunnen en al dan niet moeten doen. In Frankrijk, waar men spreekt over ‘winterdroogte’, is het gebruik van water aan banden gelegd. Is dat een oplossing, meer overheidsbemoeienis op dit gebied? En in hoeverre moet technologie een rol spelen? Technologische oplossingen komen zelden zonder negatieve bijwerkingen. Zo kost het winnen van water uit de zee, waar landen van Engeland tot Taiwan en van Marokko tot Saoedi-Arabië zich mee bezighouden, buitensporig veel energie – en ook daar wilden we graag zuinig mee zijn. Zuiver afvalwater is vooralsnog een betere optie.
Afgelopen weekend bezocht 360 een conferentie van Financial Times over de toekomst van de journalistiek. De veranderingen die hierin plaatsvinden zijn zo groot dat veel gevestigde media zichzelf als start-up zien, vanuit de noodzaak zich steeds opnieuw uit te vinden. Interessant in het kader van de toekomstvoorspellingen is ook dat papier, dat tien jaar geleden door velen ten dode werd opgeschreven, hier als hét ‘premium product’ gold.
Het gaat niet om kampen, maar om nuance
Een veelbelovende start-up is een platform als Ground.News, dat dagelijks meer dan 60.000 nieuwsartikelen selecteert uit ruim 50.000 bronnen, vaak verschillende over hetzelfde onderwerp; een insteek die wij graag ook hanteren. Het is haast verfrissend om eerst een vurig betoog van Yanis Varoufakis te lezen over de bank als kwaad van de maatschappij, en vervolgens dat van FT-redacteur Martin Wolf die banken ‘hoeders van de staat’ noemt, maar wel vindt dat deze geheel anders moeten worden ingericht. Hier gaat het niet om kampen, maar om de nuance.
Uiteenlopende perspectieven vindt u ook terug in ons minidossier Amerika’s, waarin we een artikel uit Americas Quarterly selecteerden over de groeiende populariteit van El Salvadors president Najib Bukele; eindelijk iemand die het bendegeweld succesvol weet te onderdrukken. Maar een reportage uit El País laat vervolgens zien hoe de gevangenen in Bukeles gevangenissen worden behandeld; praktijken die veel van zijn aanhangers wellicht niet kennen. Op dit continent, waar het bendegeweld in vrijwel alle landen de afgelopen jaren flink is toegenomen, zijn de bewoners niet zozeer geobsedeerd met het welzijn van de planeet, als wel met de veiligheid van de eigen leefomgeving.
Stel dat hier en daar de oogkleppen te strak worden vastgegespt en het algemeen belang versmalt tot persoonlijk gewin, dan helpt het om te verdwijnen in een andere wereld. Daar zijn allerlei fysieke manieren voor, maar soms kan zelfs een artikel of gesprek meerstemmigheid terugbrengen.
Theatermaker Dries Verhoeven vertelde in het radioprogramma Nooit meer slapen dat zijn alarmisme over het klimaat in Nigeria in dat land zelf met onbegrip werd ontvangen. Hij trok erheen met het idee dat er de komende eeuw naar alle waarschijnlijkheid tientallen miljoenen mensen van het Afrikaanse continent naar Europa zullen komen, als gevolg van de klimaatproblematiek en een enorme bevolkingstoename. In tegenstelling tot Canada, waar bepaalde beroepsgroepen hartelijk worden verwelkomd, brengen migranten in Nederland, ook als ze bijvoorbeeld in de zorg willen werken, eerst minimaal twee jaar in Ter Apel door. Dus hoe moet dat als de exodus eenmaal goed op gang is?
Ze vroegen zich af of wij soms collectief in een midlifecrisis zijn beland
Niemand in Lagos deelde Verhoevens bezorgdheid. Er waren zo veel andere dagelijkse problemen die eerst opgelost dienden te worden. De opwarming van de aarde, die stond voor hen op nummer 99. Jonge Nigerianen dreven de spot met hem, ze geloven juist dat zij de toekomst hebben. ‘Wij groeien, vriend. Wij worden rijk,’ zeiden ze tegen hem. Ze begrepen zijn apocalyptische kijk op de toekomst niet en vroegen zich af of wij soms collectief in een midlifecrisis zijn beland. Fair point. Wij zijn gemiddeld tweeënveertig, zij achttien.
Over die kant, de belofte van een ‘opkomend Afrika’ van jonge en dynamische samenlevingen, gaat onder andere het openingsartikel uit Foreign Policy. Maar voordat de nationale economie daar de vruchten kan plukken van wat het ‘demografisch dividend’ genoemd wordt, moeten helaas eerst nog die achtennegentig andere kwesties worden opgelost.
En ondertussen in de Lage Landen? O, hier tekenden zesduizend bezorgde ouders – voor de achttiende keer – een petitie, nu tegen een themaweek op basisscholen over relaties, seksualiteit en het stellen van grenzen, georganiseerd door de Rutgers Stichting en de GGD. De ophef haalde zelfs het vragenuurtje van de Tweede Kamer. Seksuele voorlichting behoorde niet op school te worden gegeven; kinderen zouden bovendien een volstrekt verkeerd beeld opgedrongen krijgen over seks en gender.
Stel dat hier en daar de oogkleppen te strak worden vastgegespt en het algemeen belang versmalt…
Waren we maar allemaal als Alenka Artnik, die in 2021 het wereldrecord freediven verbrak door 122 meter de diepte in te duiken. Niet omdat we dat allemaal zouden moeten kunnen, en al helemaal niet omdat het goed zou zijn als vrouwen zo lang achter elkaar hun mond dicht konden houden, maar omdat er veel te vaak dingen worden gedaan omdat het kan. Terwijl er eigenlijk zo veel schoonheid zit in het niet-doen van iets wat wel kan. Zo verbaasde Artnik de wereld toen ze in een wedstrijd om de 105 meter, het wereldrecord van toen, na 103 meter te hebben gehaald afhaakte, ook al had ze nog twee pogingen. ‘Waarom stoppen wanneer je de kans hebt om te winnen (…) Alenka heeft niemand om naar terug te gaan, geen partner, geen kind en geen baan. Wat heeft ze te verliezen?’ Lees het antwoord in de schitterende longread uit Reportagen.
Uiteraard heeft een intrigerende sport als freediven de nodige films opgeleverd, en wie weet wordt er op een dag ook een gemaakt van Artniks bewogen leven. Want wat is de werkelijkheid verder nog behalve onze belangrijkste inspiratiebron voor ‘een goede show’, zoals je in ons openingsverhaal leest. Daarbij bestaat enerzijds een obsessie met het waargebeurde; boeken of films gebaseerd op ‘echte’ verhalen vinden meer aftrek, kijkers zitten tijdens het kijken te googelen of bepaalde passages echt hebben plaatsgevonden. Anderzijds is het onmogelijk om bijvoorbeeld de gebeurtenissen uit The Crown exact weer te geven, of die uit De tovenaar van Colm Tóibín, waarin Thomas Manns belevingswereld gedetailleerd wordt beschreven. ‘Op zijn best kan fictie ons vermogen vergroten om de wereld door andermans ogen te zien, maar fictie kan ook vervlakkend werken’, schrijft Megan Garber in The Atlantic. Niet alleen laten we ons meeslepen door het entertainment, we raken erdoor opgesloten, weten geen onderscheid meer te maken tussen wat echt is en wat niet (kinderen in het gevierde Finse onderwijs worden hier inmiddels in opgeleid).
We koesteren de illusie dat ‘meer van iets’ altijd waarde
Ons onverzadigbare verlangen naar ‘een goede show’ lijkt alles te maken te hebben met die behoefte aan meer, beter, groter… en ook langer. In een kapitalistische maatschappij koesteren we de illusie ‘dat “meer van iets” altijd waarde toevoegt’, schrijft Mara Altman (zelf 1.52 m) in haar pleidooi voor de kleine mens. ‘Alles is groot – de gebouwen, de bedrijven.’ Haar advies is helder: doe iets goeds voor de wereld, paar met kleine mensen.
Ook Artnik is zich bewust van de behoefte aan show en vertoon. ‘Ze willen ego’s en strijd en titels,’ zegt ze. ‘Het valt niet mee daar koud onder te blijven. Maar het kan wel.’
Het kan niet alleen, ze doet het ook. Door simpelweg niet te doen.
Blijkt dat in tijden van crises, een oorlog, een pandemie of een persoonlijk drama de zoektocht naar geluk, dat begrip dat voor iedereen een eigen betekenis heeft, weer massaal ondernomen wordt. Ondertussen heeft nog niemand een toepasbare toverformule gevonden.
Om een betere – of andere – gemoedstoestand te bereiken, kan men de laatste decennia terecht bij de immer uitdijende zelfhulpindustrie. Boeken en cursussen genoeg die ons overal bovenop beweren te helpen. Mediteren, yoga, sporten in de buitenlucht, noem maar op. Het is allemaal goed voor het gemoed. Ook in het jaar 58 was het trouwens al bekend dat mentale en fysieke gezondheid nodig zijn om gelijkmoedig te kunnen leven. Om dat doel te bereiken werd toen ook al geadviseerd een dagelijkse wandeling in de natuur te maken en een boek te lezen.
De behoefte aan ‘tijdelijke structuren om het leven te stabiliseren’
De Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han voegt daar nog een belangrijke aanbeveling aan toe en zegt dat kunst een levensveranderende kracht heeft, omdat het nieuwe werkelijkheden kan scheppen die wellicht helpt om anders naar de (en je) wereld te kijken. Van Desmond Tutu weten we dat dansen en zingen hielp, om tijdens de getuigenissen voor de Waarheidscommissie het verdriet te vergeten. Al was het maar voor even.
Behalve de natuur, de kunsten, dansen en zingen noemen zowel Han als de Duitse socioloog Stephan Lessenich als remedie tegen angst en onzekerheid het belang van een fysieke ruimte waar mensen zich beschermd voelen en van gedachten kunnen wisselen. Nee, niet de kerk, maar ‘tijdelijke structuren om het leven te stabiliseren’. Dat kunnen in plaats van een daadwerkelijke plek ook bepaalde rituelen zijn, die de tijd even buiten de deur zetten, ‘die een dag anders maken dan andere dagen, een uur anders dan andere uren’, zoals de slimme vos zei tegen Le petit prince.
Volgens beide geleerden – en de vos – kan de leemte die ontstaat te midden van een deprimerende vloedgolf aan informatie een sterke behoefte aan ‘identiteitsgevoel’ aanwakkeren. Niet zo verbazend, want de kortetermijnpolitiek die tot in de naden van de samenleving is gekropen, werkt alles wat we op de lange duur juist zo nodig hebben tegen. Zoals onderlinge banden, integriteit, toewijding en het nakomen van beloften. Kortom, sociale praktijken die een gemeenschap bijeenhouden, die onderdak bieden los van tijd en plaats. En los van de sociale media die in dit opzicht helemaal zo sociaal niet zijn.
Met het verscheiden van de Franse filosoof Bruno Latour verliezen we behalve een belangrijk denker ook zijn vermogen om steeds nieuwe perspectieven aan te dragen en ons ervan te doordringen dat elk beeld van de waarheid mede wordt bepaald door de samenhang van wetenschap, politiek en religie, een heleboel factoren dus. De complexiteit der dingen eens goed onder de loep nemen is gecompliceerd en bovendien willen de meeste mensen juist liever niet op andere gedachten worden gebracht. Althans niet die mensen bij wie een omineuzer wereldbeeld verregaande gevolgen zou hebben.
Stel dat Xi Jinping de partijpolitiek als onderdeel van een geheel zou gaan zien en zich dan beseft dat een aantal actoren in het Chinese bolwerk de ontwikkeling van anderen enorm in de weg zitten. Of, nou ja, noem ze maar op die hun eigen belang als dé waarheid door de strot van anderen duwen, en daarmee de noodzakelijke transformatie tegenhouden die wij als soort in het geheel moeten doormaken. Neem Afghanistan – om niet steeds de vermaledijde oorlog in Oekraïne uit de kast te halen als exemplarisch voor zowat alles wat er mis kan zijn in de strijd om het tribale, machts- en handelsevenwicht – en huiver bij het artikel uit een van de weinige, zo kritisch mogelijke kranten van dat land, Etilaatroz. Daar is het kookpunt op elk vlak bereikt en een normaal leven al jarenlang ontwricht, niet alleen wat de ecologie betreft. ‘Alles is vernedering’, schrijft activiste Somaia Ramish. ‘Van Afghanistan is niets meer over dan een geografisch gebied dat zo wordt genoemd.’ Daar staat geen enkele deal op de agenda, laat staan een groene.
De complexiteit der dingen eens goed onder de loep nemen is gecompliceerd
Bruno Latour was gelukkig niet de enige die de opwarming van de aarde als het centrale politieke probleem van deze tijd beschouwt. Wil deze subsoort zich als het even kan tot in het oneindige blijven vermenigvuldigen? In een wereld die steeds meer draait om het verdelen van schaarse natuurlijke hulpbronnen is de buigzaamheid van onze ‘soort’ als geologische kracht broodnodig.
Nu blijkt David Wallace-Wells, weliswaar geen wetenschapper, maar wel iemand die met zijn boek De onbewoonbare aarde heeft bijgedragen aan de schrikbarende kennis over het klimaat, opeens iets meer licht te zien als het gaat om het aantal graden verwarming dat wel of niet zal worden gehaald. Achterover leunen is er nog zeker niet bij, maar ach, het puntje komt toch vaak weer op de piketpaaltjes van Latour te staan, oftewel zijn notie van verbondenheid: zonder gezamenlijke daadkracht wordt het niks. En dat geldt voor mens, dier en ding.
Bij het lezen van dit dossier over de herbewapening van Europa wordt het verlangen naar een continent, een land, een stad, een dorp, een huis, een kamer of desnoods een tent waar vrede heerst met de alinea groter. Daar schijnen meer mensen last van te hebben, ook al verschillen de beweegredenen nogal. Mits je christelijke waarden en de Afrikanercultuur onderschrijft, mag je verkassen naar Orania in Zuid-Afrika, waar ze van voren af aan beginnen en de klok willens en wetens terugdraaien naar de weerzinwekkende tijden van de apartheid. Verschil is alleen dat in deze enclave de witte bevolking zelf al het vuile werk opknapt.
Orania valt af.
Een ander tussengebied vormde zich na de Tweede Wereldoorlog onder meer in hartje New York. Daar leven nu honderdvijftigduizend chassidim, merendeels vrome Hongaarse Satmarers die het zionisme ten scherpste veroordelen, want in hun opvatting kan Israël pas na de komst van de Messias worden hersteld. En die heeft zich nog steeds niet gemeld.
Klinkt ook onaantrekkelijk (afgezien van restaurant Gottlieb’s natuurlijk). Al was het alleen al om die pruik en het verplichte aanrecht.
Wat we nodig hebben in plaats van afzondering of een hoger defensiebudget, is een collectieve bezinning
Het zijn maar twee voorbeelden van misplaatste nostalgie naar een werkelijkheid waarin de voor-delen van de een, zacht uitgedrukt, nadelig waren voor de ander.
Zouden we – uitzonderingen daargelaten – kunnen stellen dat het met de meeste vormen van zelfgekozen ballingschap slecht afloopt? Omdat het binnen een mum van tijd verdomd veel gaat lijken op de samenlevingen zoals we die kennen: met ruzie, machts- en ander misbruik, corruptie, die riedel?
Wat we nodig hebben in plaats van afzondering of een hoger defensiebudget, is een morele herbewapening. Een soort collectieve bezinning.
Blijkt die term opgang gemaakt te hebben toen het fascisme in 1945 verslagen was en het Westen zich moreel en geestelijk moest versterken om het communisme weerstand te kunnen bieden. Het idee, geïnitieerd door de Amerikaanse predikant Frank Buchman, was dat alle conflicten in de wereld opgelost zouden kunnen worden door de ruziënde partijen kennis te laten nemen van elkaars argumenten.
Appeltje-eitje.
Waar het aan lag weet God, maar het lukte niet.
Naar elkaars argumenten luisteren? Dan moet je wel eerst argumenten hebben én bovendien kunnen luisteren. Blijft ‘elkaar’ over, en daar zit hem de crux. Want precies dat ‘elkaar’ – de een naar de ander – is de reden dat wapenfabrieken momenteel overuren draaien.
Individueel moreel herbewapenen dan maar? Nee, nee. Daar komt pas oorlog van.
De Australische wetenschapper David Chalmers verdiept zich al jaren in wat wordt gezien als het grootste actuele vraagstuk in de filosofie, namelijk hoe een ‘klont organisch materiaal’ in staat is de ervaring van zelfbewustzijn te creëren. Chalmers weet meer dan menigeen, maar een sluitend antwoord is vooralsnog te veel gevraagd. Helemaal sinds de technologie druk doende is om meerdere werkelijkheden zo echt te laten lijken, dat wat ‘echt’ is het op twee na grootste actuele vraagstuk in de filosofie wordt.
Want wat is echt, of misschien beter gezegd: wat wil je dat echt is? Met het voortschrijden van de techniek zullen dergelijke begrippen als vanzelf mee moeten groeien. Misschien zelfs totdat we in de toekomst niet meer malen om de werkelijke werkelijkheid, maar net zo veel genoegen nemen met andere varianten. Volgens Chalmers raken die parallelle universa na verloop van tijd ingebakken in onze perceptie van de werkelijkheid. Kunnen we kiezen. Dan maakt het niet meer uit of iets een ervaring of illusie is.
Over echtheid valt te twisten
Het enige probleem met een andere werkelijkheid dan die waarmee we nog steeds opgroeien, is dat ze niet tastbaar is. Met een avatar kun je dankzij een alomvattende 3D-omgeving online vergaderen of met vrienden eten, maar een hand op je knie is er niet bij, laat staan een omhelzing. Daar zit hem toch wel de grote voorsprong van die ene werkelijkheid waarin dat wél kan. Hoewel aan die basisbehoefte ook alweer wordt getornd door mensen die zelfs met een digitaal samengestelde huwelijkspartner trouwen. En die weliswaar niet aangeraakt kunnen worden door hun geliefde, maar wie weet een veel rijker en avontuurlijker leven hebben dan zonder partner, of met partner van vlees en bloed.
Over echtheid valt dus te twisten, omdat de uiterlijke verschijning van iets niets zegt over de diepste aard van dat ‘iets’ en virtuele objecten dus net zo waarachtig kunnen zijn.
Neem een zandkorrel die blijkt de meest fascinerende wezens te herbergen. Vaak slechts tienden van millimeters groot, maar bekijk je ze onder de microscoop, dan staart een leger komkommerachtige en geschubde gasten je aan, met langwerpige zuigende snuiten en uitstulpende interne organen. Buikharigen, die je eerder in een virtuele werkelijkheid zou verwachten, zijn met het blote oog niet te zien. Het zandstrand ziet er zelfs onbewoond uit. Is het dan what you see is what you get? Filosofen vertel ons, hoe zit het nou met die werkelijkheid?
Wij mensen zijn de enige wezens die in staat zijn om verhalen te vertellen en daar bovendien in te geloven, schreef Yuval Noah Harari in zijn Homo sapiens. Dat we zowel het verzinnen als het geloven bovendien hard nodig hebben, bepleit de Russisch-Britse journalist Peter Pomerantsev in zijn essay met de prachtige titel ‘Memory in the age of impunity’ (Geheugen in tijden van straffeloosheid), dat hij schreef voor Coda Story en dat werd bekroond door 360-partner European Press Prize. De verhalen van nu dwingen nog maar moeizaam aandacht af, aldus Pomerantsev, laat staan consequenties. De reden is het gebrek aan een groter verhaal, dat gebeurtenissen wereldwijd overkoepelt, dat aantoont ‘waarom een kwestie in Manilla ook te maken heeft met Silicon Valley en Moskou en jou’. Net als in een film of boek ‘geloven’ we een verhaal blijkbaar pas als we ons er op de een of andere manier mee kunnen identificeren, zodat we het grotere belang inzien en onze aandacht erbij kunnen houden. Niet per se omdat we vinden dat de wereld om onszelf draait, maar omdat we niet al het onrecht tegelijk kunnen bestrijden en dus op zoek zijn naar samenhang.
Hij staat arm in arm met iemand die dreigde ‘de naald in zijn arm te steken’
Wat is het grotere verhaal van Guantánamo? Ik vroeg het Mohamedou Ould Slahi, die er veertien jaar vastzat en werd gemarteld, ook nadat hij onschuldig was bevonden. Bij zijn bezoek aan De Balie had ik het voorrecht hem te spreken. Waarom hier blijvende aandacht voor moet bestaan, zei Slahi, is dat Amerika staat voor hoop, vrijheid, democratie. Als daar al een plek bestaat waar totale rechteloosheid heerst, dan stort ook dat grotere verhaal ineen. In Slahi’s Guantanamo Diary, geschreven op de cel in gesmokkelde stukjes papier, vertelt Slahi in detail wat voor afschuwelijks hem overkomt, en komt hij tot het inzicht dat er voor hem maar één manier is om verder te gaan: zijn beulen vergeven. Hij laat me foto’s zien waarop hij arm in arm staat met iemand die zijn cel binnenkwam en dreigde ‘de naald in zijn arm te steken’. Die Zeit schreef er een indrukwekkende longread over, dat eveneens in de Press Prize-prijzen viel. Hoewel de beul in dit verhaal niet overtuigd is van Slahi’s onschuld, wil hij hem vertellen dat hij weet dat wat hij deed fout was. Ondanks zijn wantrouwen in Slahi wil hij zich aansluiten bij een groter verhaal, namelijk dat mensen elkaar zo niet behandelen mogen.
De ‘open gevangenis’ sluit beter aan op dat geloof in democratie en menswaardigheid. Dit zeldzame concept draait op vertrouwen: gevangenen mogen de instelling overdag verlaten en keren ’s avonds zelf weer terug. Je vindt ze onder meer in Finland en India – twee landen die je op het eerste gezicht niet snel met elkaar zou verbinden.
Het lijkt bijna een spel om de lelijkste schoen op de markt te brengen, schrijft Kim Bhasin in Businessweek – om het tussen afschrikwekkend wereldnieuws door even over iets anders te hebben. Misschien onbenullig op het eerste gezicht, maar bij nader inzien een eigenaardig marketingfenomeen, waarmee vele miljarden worden verdiend. De Yeezy Foam Runners bijvoorbeeld, van Adidas, zien er volgens Bhasin uit als ‘geperforeerde marshmallows’, maar gaan als warme en behoorlijk dure broodjes over de toonbank. En net zo werden Birkenstocks en Crocs, schoenen met een orthopedisch voetbed, vanaf de jaren negentig opeens ronduit fancy, hip zelfs, cool, trendy.
Hoe dat precies in zijn werk gaat, moet terug te vinden zijn in wat er zoal geschreven is over de psychologie van mode. Welke mechanismen zorgen ervoor dat iets fancy wordt dat daarvoor juist helemaal niet fancy was, dat zelfs tot werkkleding behoorde die werd uitgetrokken zodra de dienst erop zat? De categorieën waren toch duidelijk? Er waren schoenen die voldoende ruimte gaven aan de twee fundamenten waarmee we het ons hele leven moeten doen, en er waren ontwerpen die de onderschraging nog enige elegantie gaven. Iets wat de meeste voeten – uitzonderingen daargelaten – over het algemeen veel goed doet. Laten we wel wezen, dit lichaamsdeel komt meestal niet in de buurt van de zeven schoonheden. We zijn het enige zoogdier dat permanent op twee voeten staat. Geen wonder dat die dingen in duizenden jaren geëvolueerd zijn tot pezige waaiers met vijf afzonderlijke middenvoetsbeentjes waar benagelde stompjes de plaats hebben ingenomen van wat eerst handige klauwen waren.
Hoe wordt iets fancy dat daarvoor juist helemaal niet fancy was
Niet alleen werd bescherming noodzakelijk, even welkom zal de bekleding zijn geweest. Toegegeven, de mode schreef vaak iets te nauwe exemplaren voor, of te hooggehakte om nog mee in beweging te kunnen komen, maar om nou massaal op terminaal onglamoureus schoeisel te gaan lopen is weer het andere uiterste.
Toch nam de bekoorlijkheid van een naakte vrouwenvoet in de negentiende-eeuwse literatuur een voorname rol in. Zou het de illusie zijn geweest? Voeten waren niet te zien, daar begon de betovering natuurlijk al mee. Rudolf Dekker beschreef in een oude jaargang van De Gids een personage in Goethes Wahlverwandtschaften dat de lieftalligheid van een voet onverwoestbaar vindt en ‘nog altijd de schoen zou willen kussen’ van de dame die zo parmantig voorbijliep. Poezelige voetjes wekten blijkbaar zelfs door het artificiële omhulsel heen begeerte op.
Die romantiek krijgt weinig kans meer op de marketingafdeling van het lelijkeschoenenimperium. Elegantie, waarom? Een schoen kussen, wie doet dat nou nog? En haalt de romanticus zich toch nog zoiets in het hoofd, dan maakt de uglycore daar korte metten mee. Want zelfs de jonge Werther zal in het aanzien van zijn Charlotte op een paarse plastic Croc in één klap genezen van zijn verscheurende onbeantwoorde liefde.
Het kan grootmoedig zijn om de hand in eigen boezem te steken, maar ook een verkapte blijk van vermeende morele superioriteit, zo maakt de Poolse auteur en journalist Katarzyna Wężyk ons duidelijk via een vlijmscherpe column in het links-liberale dagblad Gazeta Wyborcza. Ze fileert berichten van denkers als Naomi Klein, Yanis Varoufakis, Jeffrey Sachs en onthult wat daaraan ten grondslag ligt: een neerbuigende, postkoloniale kijk op Oost- en Centraal-Europa, waarmee de auteurs in sommige gevallen zelfs klakkeloos de propaganda van het Kremlin overnemen. ‘Blijkbaar kunnen sommige vertegenwoordigers [van politiek links] geen twee simpele dingen tegelijk: ze zijn niet in staat én het Amerikaanse imperialisme aan de kaak te stellen én het Russische imperialisme te zien voor wat het is’, concludeert ze fel.
Met een Westen dat kritiek uit op de eigen daden maar er ondertussen alles aan doet vooral de eigen vrijheid in stand te houden, neemt de afstand tot de zogenaamde rest van de wereld enkel toe, zo luidt de boodschap. In een uitvoerig essay benadrukt Fukuyama dan ook het belang van een ‘liberale wereldorde’, die we al haast voor lief waren gaan nemen. Het begrip liberalisme, legt hij uit, is langzaam uitgehold en ‘wordt het meest gewaardeerd als mensen ervaren hoe het is om te leven in een illiberale wereld’.
Wie chronisch moe is, is minder politiek betrokken, uitgesloten van veel maatschappelijke activiteiten en blootgesteld aan risico’s
Een kloof waar minder vaak bij stil wordt gestaan is die tussen degenen met een goede nachtrust en de chronisch vermoeiden. Programma’s als Nachtdieren en De slapenlozen tonen weliswaar erkenning voor het feit dat niet ieders ritme feilloos aansluit op dat van de maatschappij, maar Jonathan White richt zich in zijn artikel in het onvolprezen Aeon op degenen die hierin niets te kiezen hebben. Uberchauffeurs die een paar uur slapen op een parkeerterrein, artsen die tussen operaties door noodgedwongen in de personeelsruimte gaan liggen. De gevolgen zijn groot. Wie chronisch moe is of ’s nachts werkt is minder politiek betrokken, uitgesloten van veel maatschappelijke activiteiten en blootgesteld aan risico’s. Het komt voor dat werknemers na een lange shift achter het stuur in slaap vallen, of zelfs tijdens een dutje tussen ploegendiensten door een hartaanval krijgen.
Whites voorstellingen van een wereld waarin deze ‘slaapkloof’ is gedicht, waarin ‘de uitgerusten het voor de onuitgerusten opnemen’, lezen als een futuristische, soms haast naïeve roman. En toch zijn ze niet onmogelijk. Zoals ook het scenario dat The Economist ons voorrekent niet ondenkbaar is, waarin Oekraïne uiteindelijk ‘beter’ zal worden opgebouwd dan het voor de oorlog was; welvarender, gelijker, minder corrupt. Liberaler.
Laura Weeda
weeda@360international.nl
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.