Vandaag de dag worden er wereldwijd ongeveer 3 miljard kopjes koffie per dag gedronken. Maar de koffieteelt staat onder zware druk door de opwarming van de aarde.
Door de opwarming van de aarde kunnen planten uit tropische en subtropische gebieden plotseling gedijen in gematigde zones ver ten noorden of zuiden van de evenaar. Dit betekent echter ook dat de veranderende omstandigheden in de oorspronkelijke teeltgebieden van de planten niet langer gunstig zijn voor hun groei.
Een voorbeeld hiervan is de koffieplant, die veel te lijden heeft onder de klimaatverandering. De vier belangrijkste producenten, Brazilië, Vietnam, Colombia en Indonesië, zullen op middellange of lange termijn te maken krijgen met een aanzienlijke afname van het aantal gebieden dat geschikt is voor productieve teelt. Aan de andere kant zouden Argentinië, Uruguay, China en de Verenigde Staten (langs de kust tot aan de Golf van Mexico) meer koffie moeten kunnen verbouwen. Deze regio’s zullen de tekorten in de primaire productielanden echter niet snel kunnen compenseren.
3 miljard kopjes per dag
Koffie is niet meer weg te denken uit onze wereld. De vrucht, die oorspronkelijk uit tropisch Afrika komt, werd in de zeventiende eeuw door Arabieren en Turken naar Europa gebracht. Vandaag de dag worden er wereldwijd ongeveer 3 miljard kopjes koffie per dag gedronken. Als de trend van de afgelopen drie decennia doorzet, voorspellen experts dat dit aantal tegen 2050 waarschijnlijk zal zijn verdubbeld. Tussen 1990 en 2022 steeg de jaarlijkse wereldwijde consumptie van koffie van 90 naar 179 miljoen zakken van 60 kilogram. Zelfs de jaren van de pandemie hebben niet geleid tot een aanhoudende daling.
Een studie van de Zürich University of Applied Sciences (ZHAW) heeft de verandering in de wereldwijde teeltomstandigheden voor Arabica-koffie tot 2050 onderzocht met behulp van veertien modellen in drie verschillende klimaatscenario’s (opwarming van de aarde met 1,6, 2,4 en 4 graden Celsius). De Arabica-plant is momenteel goed voor 56 procent van de wereldwijde productie. Deze plant wordt voornamelijk geteeld in Zuid-Amerika en levert koffie van de hoogste kwaliteit. Vrijwel de gehele resterende productie (43 procent) is afkomstig van de robustaplant, die vooral in Azië wordt verbouwd. Deze wordt onder andere gebruikt om oploskoffie van te maken.
De onderzoekers bouwden voort op eerdere studies, maar hielden voor het eerst ook rekening met land- en bodemeigenschappen naast temperatuur- en neerslagtrends. Ze concluderen dat de meest geschikte teeltgebieden in alle drie de scenario’s in productie met meer dan 50 procent zullen afnemen tegen 2050. Voor de matig geschikte gebieden voorspellen ze een afname tussen 31 procent en 41 procent, afhankelijk van het scenario. Het grootste probleem is de stijgende temperatuur, die de groei van de planten beïnvloedt.
Als boeren de koffieproductie moeten opgeven, gaat kennis die al generaties lang wordt doorgegeven, verloren
Het is moeilijk om de koffieproductie te verplaatsen naar nieuwe teeltgebieden, zelfs op plaatsen waar dit theoretisch mogelijk is. De teelt van koffieplanten veroorzaakt hoge economische, maatschappelijke en ecologische kosten. Het telen van koffiestruiken is een investering die alleen op middellange tot lange termijn rendabel is. Een koffiestruik draagt zijn eerste vruchten pas drie tot vier jaar na het planten. Daarna kan hij nog meer dan twintig jaar vruchten geven. Als er nieuwe planten moeten worden geplant om beschadigde planten te vervangen, worden de kosten voor de vorige aanplant niet afgeschreven en krijgt de boer te maken met extra jaren zonder oogst.
Dat maakt een snelle aanpassing aan klimaatverandering moeilijk. Ook omdat ongeveer 70 procent van de koffieproducenten kleine boeren zijn die vaak al op de rand van de armoede leven. Het zal voor hen bijna onmogelijk zijn om de nodige investeringen te doen om zich aan te passen, zoals het planten van meer resistente variëteiten of het installeren van een irrigatiesysteem. Bovendien is succes geenszins gegarandeerd. Boeren kunnen ook niet gemakkelijk worden ‘overgeplant’ naar een nieuw teeltgebied. Als ze de koffieproductie moeten opgeven, gaat kennis die al generaties lang wordt doorgegeven, verloren.
In regio’s waar de koffieteelt domineert, zullen deze ontwikkelingen dus waarschijnlijk grote gevolgen hebben voor de maatschappij. Boeren dreigen een aanzienlijk deel van hun inkomen of zelfs van hun plantages te verliezen, terwijl die bepalend zijn voor hun persoonlijke bestaanszekerheid. Voor de getroffen regio’s zal de afname van de koffieteelt waarschijnlijk een vergelijkbaar verwoestend effect hebben als de de-industrialisatie elders.
Ten slotte zal een verschuiving naar nieuwe teeltgebieden ook grote ecologische kosten met zich meebrengen. Gebieden waar de teelt voet aan de grond zou kunnen krijgen, moeten vaak eerst ontgonnen worden. Dit betekent bijvoorbeeld het kappen van oerwoud, wat verdere klimaatverandering in de hand werkt.
Kruisen
Op middellange termijn is het kweken van nieuwe, klimaatbestendige koffieplanten daarom de belangrijkste methode om een daling van de wereldwijde productie tegen te gaan. Deze moeten niet alleen beter bestand zijn tegen hittegolven, maar ook minder kwetsbaar zijn voor de steeds vaker voorkomende perioden van droogte en voor plagen die vanwege klimaatverandering naar andere gebieden opschuiven. Het ontwikkelen van nieuwe variëteiten kost echter veel tijd. Het is daarom niet zeker of de veredeling gelijke tred kan houden met de klimaatverandering.
Onderzoekers vestigen hun hoop op het kruisen van Arabica en Robusta met andere koffieplanten. Hieronder valt bijvoorbeeld Liberica-koffie, een koffiesoort die populair was in de negentiende eeuw. Tegenwoordig wordt de smaak als onaangenaam beschouwd en daarom werd hij lange tijd nauwelijks verbouwd. In Afrika wordt geëxperimenteerd met de koffieplant Excelsa, die uit de mode was geraakt omdat hij relatief kleine koffiebonen produceert. Deze plant werd gekruist met robusta en wordt sinds kort weer rechtstreeks geteeld. Er zijn meer dan honderdtwintig wilde koffievariëteiten die ook met andere soorten gekruist zouden kunnen worden.
In ieder geval zal de koffiesector de komende jaren grote extra bedragen in onderzoek en ontwikkeling moeten investeren. World Coffee Research – de non-profit onderzoeksorganisatie van de wereldwijde koffie-industrie – heeft opgeroepen om jaarlijks zo’n 450 miljoen dollar extra te investeren in onderzoek om in de toekomst wereldwijd een toereikend koffieaanbod te garanderen.
Een pikketanussie is niet alleen fijn als ontspanning na een lange werkweek, maar kan ook de economie, de sociale cohesie en de maatschappelijke creativiteit stimuleren.
De blauwe knoop verovert de wereld. Waarschijnlijk voor het eerst in de geschiedenis is de wereldwijde alcoholconsumptie aan het dalen. In rijke landen laat een groot deel van Gen Z (geboren na 1997) de fles helemaal staan: dertig procent van de Amerikaanse twintigers heeft het afgelopen jaar geen druppel gedronken. Zelfs in Frankrijk nemen hoogopgeleide twintigers geen karafje wijn meer bij de lunch.
Vooral bij de maatschappelijke bovenlaag lijkt drank uit de gratie. Drie van de laatste vier Amerikaanse presidenten zijn geheelonthouders (Barack Obama hield nog wel van een martini). In Silicon Valley is geheelonthouding een statussymbool. Investeerder Marc Andreessen zwoer de drank af in 2022. Sam Altman van OpenAI onderstreept graag dat er in de geschiedenis ‘zo veel veranderde toen mensen eenmaal ophielden de hele dag alcohol te drinken’. Elon Musk noemt alcohol een ‘oubollige drug’. De etentjes van techgiganten worden opgefleurd met groene thee.
Stoppen met drinken doet de gezondheid van mensen meestal goed. Ze vallen af. Slapen beter. Maar vanuit economisch standpunt is geheelonthouding een ondoordachte en schadelijke ideologie, om drie redenen.
De zaak tegen de nuchterheid
Ten eerste zijn geheelonthouders profiteurs. Allerlei maatschappelijke en economische structuren leunen al generaties lang op de consumptie van alcohol. Geheelonthouders liften daarop mee zonder eraan bij te dragen. Op feestjes profiteren niet-drinkers bijvoorbeeld van de gezelligheid van de hardwerkende drinker. Waar blijft onze sociale cohesie als straks iedereen de fles afzweert? Joe Strummer van de Engelse rockband The Clash had ergens wel een punt met de (al dan niet terecht) aan hem toegeschreven uitspraak dat het ‘niet-rokers verboden moet worden iets te kopen wat door rokers is gemaakt’.
Of neem het verdienmodel van de horeca. De winstmarge op drank is stukken hoger dan op eten, want in de bereiding van het laatste gaat veel meer werk zitten. Op grond van officiële Amerikaanse cijfers durft uw columnist wel te stellen dat alle winst in de restaurantsector afkomstig is van alcohol. De drinkers subsidiëren de niet-drinkers. Al die mensen die het bij een spaatje rood houden, kunnen zich even verheven voelen boven de rest. Maar als niemand meer een flesje bordeaux bestelt, zullen heel wat restaurants kopje onder gaan. In San Francisco, het kloppend hart van de Nieuwe Geheelonthouding, vallen ze bij bosjes om.
Ten tweede maakt geheelonthouding mensen eenzamer. Al eeuwenlang heeft drank een sociale functie. Alcohol helpt mensen te ontspannen. Je geeft er ook een signaal mee af dat je best even wat trager en kwetsbaarder wil zijn (dat je je wapens bij de deur hebt afgegeven), en dat stelt anderen op hun gemak. Uit een onderzoek dat in 2012 in Psychological Science stond, bleek dat alcohol de sociale binding versterkt. Robin Dunbar van de universiteit van Oxford en zijn co-auteurs constateerden dat kroegbezoek een gunstig effect heeft op de betrokkenheid van mensen bij hun buurt, wat weer goed is voor de levensvreugde. Je kunt zonder overdrijving stellen dat alcohol een grote rol heeft gespeeld in de evolutie van onze sociale cohesie.
Als het moeilijker wordt om je te ontspannen, wordt het ook moeilijker om een partner te vinden
Stelletjes zeggen vaak dat het mede aan drank te danken was dat ze elkaar leerden kennen. Misschien dus ook geen toeval dat onze drankmijdende jeugd eenzaam is. Amerikanen in de leeftijd van 15 tot 24 besteden nu een derde minder tijd aan sociale contacten dan begin deze eeuw. Jean Twenge van San Diego State University en zijn co-auteurs constateerden in een artikel in 2021 een ‘wereldwijde toename van eenzaamheid onder adolescenten’. Jongeren hebben minder seks dan oudere generaties. Als het moeilijker wordt om je te ontspannen, wordt het ook moeilijker om een partner te vinden.
Het derde argument voor alcoholconsumptie heeft te maken met innovatie. Men treedt steeds minder vaak buiten gebaande paden. Hollywood drijft momenteel op remakes en sequels, niet op oorspronkelijk nieuw werk. In een recent blogbericht constateert de consultant Peter Ruppert hetzelfde voor muziek: ‘het tempo van echte muzikale vernieuwing is dramatisch gedaald’. In een artikel uit 2020 constateren Nicholas Bloom van Stanford University en zijn co-auteurs dat nieuwe ideeën ‘moeilijker te vinden’ zijn. De mondiale productiviteitsgroei is matig. Er is iets faliekant verkeerd gegaan met de productie van nieuwe ideeën in westerse samenlevingen.
Drank mijden kan op korte termijn je werkprestaties verbeteren. Als je morgen een grote presentatie moet houden, is het beter vanavond even niks te drinken. Maar denk aan de wereld die de drank ons geeft – zij het rommelig en onvoorspelbaar, en tegen een prijs – en geheelonthouding lijkt een stuk minder zinnig.
De creatieve geest
Van Aeschylus tot Coleridge en Dickens hebben creatieve geesten hun inspiratie eeuwenlang uit de fles gehaald. In de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de productiviteit de lucht in schoot, dronk iedereen zich voortdurend lam. Geen enkel ander roesmiddel heeft in de loop der eeuwen zo’n structurele rol gespeeld in de innovaties van de mens. Dronkenschap kan onverwachte inzichten losmaken. In louter rationeel en lineair denkende hersenen doet zich minder vaak zo’n bliksemflits van inzicht voor die een hele kunstvorm of bedrijfstak op zijn kop zet. Drank geeft hersenen zicht op nieuwe verbanden. In een studie naar Amerikaanse kunstschilders door Ann Roe van Yale University stelde zij in 1946 dat ‘een cocktail als aperitief voor het avondeten bijdraagt aan het voorkomen van een staat van chronische spanning, zeker in perioden waarin de creatieve activiteit op zijn hoogst is’.
Uit onderzoek blijkt dat drank, mits met mate gebruikt, de creativiteit kan stimuleren. Andrew Jarosz van de Mississippi State University en zijn co-auteurs zagen dat mensen onder invloed sneller problemen oplossen en hun oplossing ’eerder als het resultaat van een onverwacht inzicht ervaren’. In een vergelijkbaar onderzoek constateerden Mathias Benedek van de Oostenrijkse universiteit van Graz en zijn co-auteurs dat ‘bepaalde aspecten van de creatieve cognitie baat hebben bij een lichte vermindering van de cognitieve controle’. Op de korte termijn kan dronkenschap de werking van je hersenen nadelig beïnvloeden, en dat kan frustrerend zijn. Maar over de gevolgen voor de lange termijn is veel minder bekend.
Zoals met de meeste dingen in het leven is de gulden middenweg het beste: geen drankinname van het kaliber Hemingway, maar ook geen geheelonthouding. Het geheim van een goede relatie en van baanbrekende innovaties is door de wetenschap nog steeds niet ontrafeld. Dus al ben je een whizzkid in Silicon Valley die de wereld wil veranderen, ik zou de traditie maar even de traditie laten. Gin uit de vriezer, goede vermout, citroenschil erbij: gewoon doen.
Steeds meer koffiebars hebben dezelfde inrichting en hetzelfde menu, zonder dat ze het bij elkaar afgekeken hebben. Hoe het algoritme mensen met dezelfde voorkeuren bij elkaar brengt en ervoor zorgt dat alle koffiebars op elkaar lijken.
Het grootste deel van de jaren 2010 was ik een fervent gebruiker van Yelp, een app om restaurants en andere lokale ondernemingen te vinden en te recenseren. De rood-witte interface werd een betrouwbare bron van aanbevelingen, niet alleen in New York maar ook in het buitenland. Als ik in Berlijn, Kyoto of Reykjavik naar een koffiebar wilde, scrolde ik al snel door de lijst van Yelp, die was gefilterd op grond van het aantal sterren – sterren die aangaven hoe leuk andere gebruikers van de app een bepaalde plek hadden gevonden.
Ik tikte meestal alleen ‘hipster koffietent’ in de zoekbalk, omdat het zoekalgoritme van Yelp inmiddels precies wist wat ik daarmee bedoelde. Het was het soort koffiebar waar iemand zoals ik – een westerling van (destijds) ergens in de twintig, een met internet vergroeide millennial die precies weet wat hij wil – graag komt. Ik kon dan ook al snel uit de zoekresultaten precies die koffiebar filteren die over de verlangde eigenschappen beschikte: veel daglicht dat door grote ramen naar binnen valt; grote houten tafels met ruime zitplaatsen; een licht interieur met witte muren of met van die kleine metrotegeltjes; wifi om te kunnen werken of het werk juist voor je uit te kunnen schuiven.
Natuurlijk, het ging ook om de koffie, en in dit soort tentjes kon je ervan op aan dat je een cappuccino kreeg van licht geroosterde bonen, zoals de trend voorschreef, met een ruime keuze aan melk, en met kunstzinnig bewerkt melkschuim. Koffiebars die voor een tien gingen, serveerden een flat white (een cappuccino-variant die oorspronkelijk uit Australië en Nieuw-Zeeland afkomstig is) met avocado toast, een geroosterd broodje met geprakte avocado, dat ook van Australische origine blijkt – een combinatie die in de loop van de jaren 2010 synoniem is geworden aan wat de consumerende millennial wil.
‘Authentieke plek’
Deze koffiebars hadden allemaal dezelfde inrichting en hetzelfde menu, zonder daartoe te zijn gedwongen door een moedermaatschappij zoals Starbucks, dat vestigingen heeft die allemaal een replica zijn van het oorspronkelijke concept. Nee, in dit geval waren de koffiebars, ondanks de immense geografische spreiding en de volledige onafhankelijkheid, geheel op eigen initiatief uitgekomen bij hetzelfde eindpunt. Die ongekende, wijdverbreide eenvormigheid was te choquerend en te nieuw om saai te zijn.
Natuurlijk zijn er in de gedocumenteerde geschiedenis van de beschaving meer voorbeelden van een dergelijke globalisatie. Maar de eenvormige koffiebars van de eenentwintigste eeuw zijn opmerkelijk, niet alleen vanwege hun zeer specifieke overeenkomsten maar ook omdat ze stuk voor stuk de indruk wekken op organische wijze uit hun lokale omgeving te zijn voortgesproten. Het zijn trotse, lokale ondernemingen die vaak worden omschreven als ‘authentiek’, een bijvoeglijk naamwoord dat ik zelf ook maar al te vaak heb gebruikt. Als ik op reis was, ging ik altijd op zoek naar een ‘authentieke’ plek om wat te eten of te drinken.
Maar als die plekken allemaal zo op elkaar leken, hoezo waren ze dan authentiek?
Maar als die plekken allemaal zo op elkaar leken, hoezo waren ze dan authentiek? Ik kwam tot de conclusie dat ze allemaal op een authentieke manier waren verbonden met het nieuwe, digitale geografische netwerk, dat in real time bijeen wordt gehouden door social media. Ze waren authentiek voor het internet, met name voor het internet van de algoritmische feeds uit de jaren 2010.
In 2016 schreef ik een essay getiteld ‘Welcome to AirSpace’, over mijn eerste impressies van dit fenomeen van eenvormigheid. Mijn theorie was dat alle fysieke plekken die via apps met elkaar waren verbonden, op de een of andere manier op elkaar leken. In het geval van koffiebars bood de groei van Instagram eigenaren en barista’s van over de hele wereld de gelegenheid om elkaar in real time te volgen, waarbij ze geleidelijk, via algoritmische aanbevelingen, dezelfde soorten content tot zich namen. Zo kon de persoonlijke smaak van de ene eigenaar steeds meer in de richting gaan van wat de anderen ook leuk vonden, om daar uiteindelijk mee samen te vallen. Aan de kant van de consument dreven Yelp, Foursquare en Google Maps mensen zoals ik – mensen die de populaire koffiebarvormgeving op Instagram konden volgen – naar de bars die voldeden aan het gewenste plaatje, door ze bovenaan de lijst te zetten of weer te geven op de kaart.
Zakelijke beslissing
Om de grote groep klanten binnen te halen die al door het internet waren klaargestoomd, namen steeds meer koffiebars de vormgeving over die overheersend aanwezig was op de platforms. Aanpassen aan de norm was dus niet alleen een kwestie van de trends volgen; het kwam neer op een zakelijke beslissing, waarvoor je door de klanten werd beloond. Als een koffiebar er aantrekkelijk genoeg uitzag, zetten de klanten deze op hun eigen Instagram om te laten zien hoe cool zij waren, wat neerkwam op gratis socialmediareclame en nieuwe klanten genereerde. Zo hield de cyclus van esthetische optimalisering en homogenisering zichzelf in stand.
Maar met het verstrijken der jaren kwam het besef dat er niet zozeer sprake was van een specifieke stijl, als wel van een soort zijnstoestand die verder ging dan een esthetische trend. Zoals met alle modeverschijnselen het geval is, raakte ook de visuele stijl van halverwege de jaren 2010 op zijn retour. De kleine, witte metrotegels die ooit cool waren geweest, verwerden tot een cliché en maakten plaats voor felgekleurde tegels, of tegels met meer structuur. De enigszins ruige, houthakkershemdenstijl uit het Brooklyn van de financiële crisis, met zijn gerenoveerde industriële meubilair, maakte plaats voor een subtiel, Scandinavisch aandoend jarenvijftigmodernisme, met rankpotige stoelen en fijn houtwerk.
Eind jaren 2010 werd de overheersende stijl killer en minimalistischer, met aanrechtbladen van cement en strenge, geometrische dozen in plaats van stoelen. Accessoires zoals lampen van roestige leidingen maakten plaats voor kamerplanten (met name vetplanten) en kunstwerken met textiel, wat eerder het beeld opriep van het kunstenaarswereldje aan de westkust dan van het harde leven in New York. De associatie met Brooklyn doofde langzaam uit – na de pandemie werd Brooklyn als minder aantrekkelijk gezien dan downtown Manhattan – en de eenvormige stijl werd eerder in verband gebracht met digitale platforms zoals Instagram en het opkomende TikTok dan met een bepaalde plek.
Homogeniteit
De stijlelementen bleken minder belangrijk dan de fundamentele homogeniteit, die steeds steviger werd verankerd. In de loop der jaren veranderden stap voor stap de uiterlijke kenmerken, maar de eenvormigheid bleef. Het was die eenvormigheid die ging tegenstaan, meer dan de specifieke stijlkenmerken. Homogeniteit in een diverse wereld heeft iets griezeligs. Het kan teleurstellend zijn om op de zoveelste plek dezelfde vormgeving aan te treffen, en het feit dat de invloed van digitale platforms merkbaar is op plekken waar dat voorheen nog niet het geval was, kan ook een gevoel van beklemming oproepen.
Sarita Pillay Gonzalez, een Zuid-Afrikaanse wetenschapper, merkte eind jaren 2010 dit fenomeen op in Kaapstad, toen ze daar werkte voor een organisatie die onderzoek doet naar urbanisatie. Gonzalez beschouwde het als een vorm van gentrificatie, of zelfs als een echo van het kolonialisme in een postkoloniaal land. In Kloof Street, in Kaapstad, schoten de eenvormige, minimalistische koffiebars als paddenstoelen uit de grond. Toen wij elkaar spraken, typeerde Gonzalez die tentjes als volgt: ‘lange, houten tafels, smeedijzeren afwerking, peertjes aan het plafond, hangplanten’. Die vormgeving spreidde zich uit naar andere gelegenheden: bierhallen, gastropubs, galeries, Airbnb’s. Gonzalez had een vergelijkbare transformatie waargenomen in het noordoosten van Minneapolis toen ze daar in 2016 woonde: pakhuizen die werden omgebouwd tot koffiebars, microbrouwerijen of flexwerkplekken – stuk voor stuk bedrijven die erop wijzen dat er in een buurt sprake is van gentrificatie.
De homogeniteit stond in schril contrast met de hipsterfilosofie die in de jaren 2010 opgang deed
Volgens Gonzalez staat deze stijl voor een ‘mondiaal toegankelijke ruimte. Je kunt van Bangkok naar New York, Londen, Zuid-Afrika of Mumbai vliegen en overal dezelfde sfeer aantreffen. Plekken die een bepaalde rust geven omdat ze zo vertrouwd zijn.’ De homogeniteit stond in schril contrast met de hipsterfilosofie die in de jaren 2010 opgang deed: door bepaalde producten en culturele artefacten te gebruiken kon je laten zien dat je uniek was en je op die manier onderscheiden van de massa – in dit geval ging het dan om een bepaalde koffiebar in plaats van een onbekende band of een kledingmerk. ‘De ironie is dat al deze plekken individualiteit zouden moeten benadrukken, terwijl ze ongekend homogeen zijn,’ aldus Gonzalez.
En niet alleen de plekken waren eenvormig, hetzelfde gold voor de klanten, merkte Gonzalez op: ‘Als je naar die koffiebars gaat, is het publiek overwegend wit. Maar [Kloof Street] is van oudsher een buurt waar mensen van kleur wonen.’ Alleen een bepaald soort mensen werd verleid om zich hier op zijn gemak te voelen, en anderen werden actief buitengesloten. Je hebt geld en een zeker savoir-faire nodig om je prettig te voelen bij de karakteristieke handeling van het uitklappen van je laptop op zo’n brede tafel en daar vervolgens uren te blijven zitten. In zekere zin is het net zoiets als je de onuitgesproken etiquette eigen maken in de cocktailbar van een duur hotel. Dit soort koffiebars ‘hebben iets beklemmends, in de zin dat ze duur en exclusief zijn’, aldus Gonzalez. Als witheid en welvaart als de norm worden gesteld, ontstaat er een soort esthetisch en ideologisch krachtveld dat iedereen weert die niet in het plaatje past.
Plat
Ik ben groot geworden met het idee dat de aarde plat was. Aan het begin van deze eeuw was er in Amerika in brede kring een groeiend bewustzijn van globalisatie, van het idee dat de wereld meer verbonden was dan ooit, en daarmee kleiner aanvoelde. De voornaamste aanjager van deze opvatting was Thomas Friedman, een columnist van The New York Times, bekend van zijn boek uit 2005, De aarde is plat. Zijn betoog appelleerde aan het gezond verstand: plat betekent dat mensen, goederen en ideeën sneller en makkelijker door de fysieke ruimte reizen dan ooit.
Globalisering heeft ook geleid tot een meer alledaagse en alomtegenwoordige vervlakking van individuele ervaringen. Ik maak in Amerika gebruik van dezelfde apparaten, heb toegang tot veel van dezelfde sociale netwerken en maak verbinding met dezelfde streamingdiensten als een internetgebruiker in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Friedmans voorspelling van een toegenomen internationale concurrentie heeft over de hele linie geresulteerd in slechts enkele winnaars, die ongebreideld profiteren van hun monopolisering van de geïnternationaliseerde digitale ruimte.
‘Globalisering voltrekt zich alleen in kapitaal en data’
‘Globalisering voltrekt zich alleen in kapitaal en data’, schreef literair theoreticus Gayatri Chakravorty Spivak. ‘Al het overige zijn pogingen de schade in te perken.’ We hebben het over de globalisering van politiek, cultuur en toerisme, maar op een fundamenteler niveau heeft Spivak gelijk. Wat er in werkelijkheid over de planeet vloeit, zijn verschillende geld- en informatiestromen: investeringen, bedrijven, infrastructuren, server farms en alle data van digitale platforms, die onzichtbaar als wind- of oceaanstromen heen en weer gaan tussen verschillende landen. Wij als gebruikers pompen uit eigen vrije wil onze informatie in dit systeem, waarmee we ook onszelf tot onderdeel van de goederenstroom maken.
Die homogenisering is niet alleen een verschijnsel van deze tijd; die is het gevolg van veranderingen die zich hebben voltrokken lang voor de komst van social media en algoritmische feeds, en zal naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst alleen nog maar toenemen. Het is tenslotte wel gebleken dat de wereld, telkens wanneer er melding wordt gemaakt van een grote vervlakking, een manier weet te vinden om nog verder af te vlakken.
Begin jaren 2010 diende er zich een nieuw fenomeen aan, de ‘Instagram wall’. Dat was deels een voortvloeisel uit de streetartbeweging van de jaren ’00, een gentrificatie van graffiti waarbij stadsmuren werden overgenomen door frisse, officieel toegestane muurschilderingen, vooral in buurten met veel vervallen warenhuizen. Streetart werd een soort toeristische trekpleister, bijna een galerie in de openlucht.
Waar streetart van oorsprong een guerrilla-activiteit was, waren Instagram walls plekken die speciaal waren bedacht om te zorgen dat mensen zouden blijven staan om een foto te nemen tegen de achtergrond van die muur, om die vervolgens op Instagram te posten. Die Instagram walls werden ook wel Instagram traps genoemd – valstrikken. Sommige bestonden uit niet meer dan felgekleurde grafische patronen die een perfecte achtergrond vormden voor een foto.
Instagram walls
Het hoogtepunt – of dieptepunt – van dit fenomeen was misschien wel een brunchrestaurant met de naam Carthage Must Be Destroyed. Het restaurant opende zijn deuren in 2017 in Bushwick, een wijk in Brooklyn, in een blok vol pakhuizen. Aan het interieur was weinig gedaan – kale bakstenen wanden en zichtbare leidingen, grote tafels waar iedereen moest aanschuiven – maar er was sprake van één opmerkelijke, opzichtige stijlkeuze: alles was lichtroze geverfd. De deur was roze, de toonbank had roze tegeltjes, het espressoapparaat had een roze behuizing en de borden waren van roze aardewerk. De menukaart bood weinig bijzonders en de inrichting was dan ook de voornaamste attractie. De publiciteitsfoto’s waren nog maar nauwelijks in omloop gebracht of iedereen wilde naar ‘dat roze restaurant’.
De ruimte was geoptimaliseerd om te worden gebruikt als digitaal beeld. In die tijd zag je dankzij het internet ineens overal ‘millennial roze’, een beetje de kleur van donkere rouge. Het werd ook wel ‘Tumblr pink’ genoemd, naar het bekende sociale netwerk waardoor het in zwang raakte. Je zag deze kleur op Nike-sneakers, Glossier-makeup en Away-koffers. De rosé gouden modellen die Apple in 2015 op de markt bracht, maakten deel uit van die trend. Carthage Must Be Destroyed had ook de Millennial Pink Experience kunnen heten, een immense Instagram wall. De bezoekers waren zo lang bezig met het maken van foto’s dat het restaurant uiteindelijk een regel invoerde om het maken van snapshots van de ruimte tegen te gaan: alleen foto’s van je eigen eten waren toegestaan.
Er kwamen zogeheten ‘Instagram museums’, waar het eigenlijk alleen ging om het maken van de foto’s
Tegen het einde van het decennium zag je tot vervelens toe dit soort installaties. Er kwamen zogeheten ‘Instagram museums’, waar het eigenlijk alleen ging om het maken van de foto’s. The Museum of Ice Cream, dat in 2017 zijn deuren opende in San Francisco, voorzag in installaties die waren gebaseerd op zoetigheden waar je je volledig in kon verliezen. The Color Factory, ook uit 2017, bood surrealistische monochrome kamers voor portretten met een dramatisch effect. In geen van de gevallen was sprake van overtuigende beeldende kunst, aangezien de werken slechts bestonden bij de gratie van een foto en van degene die op de foto stond – zonder de digitale platforms waren de werken niet compleet; het enige waar het om ging was het creëren van content.
Instagram walls of experiences trokken bezoekers naar een bepaalde plek en hielden hen daar bezig door ze iets te doen te geven met hun mobieltje, vergelijkbaar met restaurants die kleurplaten hebben voor kleuters. Het was een concessie aan onze nieuwe verslavingen – je kunt niet meer gewoon ergens naartoe gaan; je moet die ervaring ook documenteren. En doordat de bezoekers die de foto’s online zetten het bedrijf of de locatie taggen, groeien de foto’s uit tot een soort gedecentraliseerd onlinebillboard, een vorm van gratis zendtijd en digitale mond-op-mondreclame. De Instagram walls houden zichzelf in stand. Hoe meer posts, hoe meer reclame-algoritmen de plek registreren en suggereren aan nog meer potentiële klanten. De walls zijn een duidelijk voorbeeld van het onontkoombare gegeven dat zelfs fysieke bedrijven niet alleen aanwezig moeten zijn in de realiteit, maar ook op internet.
De walls zijn inmiddels verworden tot een cliché, maar de manier waarop ze functioneren is doorgesijpeld naar allerlei bedrijven en plekken, met als gevolg dat nu volop wordt ingezet op zogeheten instagrammability. Zo kan een restaurant bijvoorbeeld een wand met planten maken, waar in neonletters de naam van de zaak tussen hangt, goed zichtbaar vanaf alle tafeltjes en daarmee ideaal om te fotograferen en te delen. Een bepaald gerecht kan zo kunstig zijn opgemaakt dat het eerder fungeert als beeld dan als voedsel.
In het afgelopen decennium is Instagram de lens geworden waardoor we naar de mondiale wereld van de specialty-koffiebars kijken,’ zegt Trevor Walsh, marketing manager van Pilot Coffee Roasters, een keten van minimalistische koffiebars in Toronto. ‘We willen ontwerpkeuzes maken die het goed doen op de foto, we willen een omgeving bieden waarin je momenten beleeft die je wilt delen.’ Het posten van foto’s en reviews op Pilots Instagramaccount was voor het bedrijf aanvankelijk een manier om in contact te komen met andere koffiebars en met collega’s uit de koffiebranche in andere steden, maar als gebruiker van het platform voel je ook de constante druk om het account te onderhouden. ‘Je moet aan de lopende band content creëren. We hebben continu het gevoel dat we in de telefoons en laptops van mensen moeten zitten,’ zegt Walsh.
Gewoon een koffiebar zijn is niet meer voldoende; de branche moet een parallel bestaan cultiveren op internet
Gewoon een koffiebar zijn is niet meer voldoende; de branche moet een parallel bestaan cultiveren op internet, wat een vak apart is. ‘Het is alsof je, om succesvol en zichtbaar te zijn, veel verstand moet hebben van social media, alsof je heel goed thuis moet zijn in iets wat wel gerelateerd is aan je vakgebied maar er niet echt onderdeel van uitmaakt,’ vervolgt Walsh.
Verstand hebben van social media betekent je bewust zijn van de algoritmen van de afzonderlijke platforms. Het viel Walsh op dat sommige bedrijven misschien wel een geweldig verhaal hebben, maar ‘zich niet leken te verdiepen in de algoritmen die hen in staat stellen hun zichtbaarheid te vergroten’. Misschien posten ze niet vaak genoeg of houden ze de veranderingen niet bij, zoals de ontwikkeling dat Instagram ineens meer aandacht had voor filmpjes dan voor foto’s – een ingrijpende verandering die zich voltrok in 2022, toen het platform TikTok probeerde te imiteren. Het is niet makkelijk om in de peiling te houden wat het algoritme precies wil, en zelfs mensen die met verstand van zaken een gok wagen, schieten niet altijd raak. Zoals Walsh zegt: ‘We hebben er veel tijd en moeite in gestoken om mooie content te creëren. Maar door dat algoritme hebben we minder voltreffers dan we volgens ons hadden kunnen of hadden moeten krijgen. Dat kan soms wat ontmoedigend zijn.’
‘Ik haat het algoritme. Iedereen haat het algoritme’
‘Ik haat het algoritme. Iedereen haat het algoritme,’ zegt Anca Ungureanu, eigenaar en oprichter van Beans & Dots, een koffie-vestiging in Boekarest, Roemenië. In eerste instantie was de zaak gevestigd in een voormalige drukkerij. Haar streven was ‘om iets neer te zetten dat er nog niet was in Boekarest’ – een plek die, in ieder geval in artistieke zin, niet typerend is voor Boekarest. De zaak trekt een internationaal publiek; wie op Google zoekt naar specialty-koffie in Boekarest, krijgt meteen Beans & Dots voorgeschoteld. Ungureanu heeft een Instagramaccount gemaakt vol cappuccino-foto’s, met meer dan zevenduizend volgers, maar ze raakte gefrustreerd toen ze het gevoel kreeg dat het platform haar de mogelijkheid ontnam om via haar feed haar publiek te bereiken.
Toen ze ook koffie online ging verkopen, leken Facebook en Instagram haar bereik af te knijpen – tenzij ze reclameruimte zou kopen en zo de kas van de socialmediabedrijven zou spekken. Het voelde als algoritmechantage: als je niet betaalt, gaan wij je niet langer promoten. De middelen die Ungureanu in staat hadden gesteld te groeien en nieuwe klanten te trekken, keerden zich ineens tegen haar. Facebook en Instagram ‘staan niet toe dat je garen spint bij de gemeenschap die je zelf hebt gebouwd. Vanaf een bepaald moment spelen ze geen eerlijk spel meer,’ zegt Ungureanu.
Volgersinflatie
Andere eigenaren van koffiebars komen met dezelfde klacht. Jillian May is mede-oprichter van Hallesches Haus in Berlijn, een koffiebar annex boetiek die in 2014 de deuren heeft geopend. In de hoge, strakke ruimte met boogramen kunnen bezoekers niet alleen gieters, lampen en aardewerken bloempotten kopen, maar ook koffie en salades. Hallesches Haus heeft bijna dertigduizend volgers op Instagram. Maar ‘in verhouding tot het aantal klanten kregen we in de loop der tijd steeds minder likes,’ aldus May.
‘Een foto die vijf jaar geleden werd gepost kreeg duizend likes, en diezelfde foto krijgt tegenwoordig nog maar honderd tot tweehonderd likes.’ Ze heeft het gevoel dat de app ‘de gebruikers onder druk zet om te betalen voor het promoten van dit soort posts, en daar voelen we ons niet prettig bij’. Die discrepantie voelt als een verbroken belofte van een sociaal netwerk dat is gebouwd op gedemocratiseerde, door gebruikers gegenereerde content. Wij als gebruikers zorgen dat de social media functioneren, maar toch krijgen we niet de volledige controle over de relaties die wij op de platforms tot stand brengen, voornamelijk omdat de algoritmische aanbevelingen zo dominant zijn.’
Het effect dat May heeft waargenomen zou je ‘volgersinflatie’ kunnen noemen. Een groot aantal volgers komt niet langer overeen met de werkelijke betrokkenheid over een langere periode, aangezien de prioriteiten van het platform kunnen veranderen of omdat de aloude contenttrucjes hun uitwerking verliezen. Het is een gevoel dat iedereen zal herkennen die het afgelopen decennium op Instagram heeft gezeten. Het is misschien een klap voor je ego als je minder likes krijgt bij een selfie, maar voor een bedrijf dat op deze manier geld moet verdienen is het een serieus financieel probleem – of het nou gaat om een koffiebar die bezoekers wil trekken of om een influencer die gesponsorde content aan de man brengt.
Fysieke filters
Het nastreven van instagrammability is een valstrik: de snelle groei als je een herkenbaar format overneemt, ongeacht of het om een fysieke ruimte gaat of om zuiver digitale inhoud, maakt geleidelijk plaats voor een dagelijkse sleur waarin je dingen moet blijven posten en moet bijhouden hoe het algoritme nu weer werkt – welke hashtags, memes of formats je moet volgen.
Digitale platforms nemen ondernemers hun autonomie af, zetten hen onder druk om in de pas te lopen in plaats van hun eigen creatieve ingevingen te volgen. Te dicht op een trend zitten brengt ook een risico met zich mee: als de glans eraf is, zal het algoritmische publiek het ook laten afweten. Daarom zullen de koffiebars van dertien in een dozijn voortdurend kleine aanpassingen aanbrengen in het interieur, net wat meer planten neerzetten of er juist een paar weghalen. In de algoritmische feed is timing van cruciaal belang.
In zekere zin zijn koffiebars ook fysieke algoritmische filters
De alternatieve strategie is je niet van de wijs te laten brengen, je geen zorgen te maken over trends en betrokkenheid en domweg vasthouden aan datgene waar je goed in bent; op een wezenlijk niveau trouw blijven aan je persoonlijke opvattingen of aan de identiteit van je merk. In zekere zin zijn koffiebars ook fysieke algoritmische filters: mensen worden gefilterd op basis van hun voorkeuren en door middel van de inrichting en wat er op de menukaart staat.
Zo wordt stilletjes een bepaald soort mensen aangetrokken en een ander soort mensen geweerd. Op de lange termijn is die manier om een gemeenschap te creëren misschien wel van grotere waarde dan kunstzinnig bewerkt melkschuim en grote aantallen volgers op Instagram. Uiteindelijk is dat ook wat Anca Ungureanu probeert te doen in Boekarest. ‘We zijn een koffiebar waar je gelijkgestemden kunt ontmoeten, mensen met dezelfde belangstelling,’ zegt ze. Door die opmerking realiseerde ik me dat een bepaalde mate van homogeniteit waarschijnlijk een onvermijdelijk gevolg is van algoritmische globalisering, eenvoudigweg omdat tegenwoordig zo veel gelijkgestemden zich, beïnvloed door dezelfde digitale platforms, door dezelfde fysieke ruimtes bewegen. De eenvormigheid heeft de neiging te accumuleren.
Als veerboot annex drijvende kruidenierswinkel en dorpscafé in een van de meest afgelegen delen van Zuid-Amerika is de Aquidaban ook een smeltkroes van culturen. Nu dreigt de dienst te worden opgeheven.
Bijna een compleet dorp wurmt zich in een rij over de houten loopplank naar het voordek van de Aquidaban. De Tomáraho hebben enkele dagen terug stroomafwaarts de boot genomen om te stemmen bij de nationale verkiezingen van Paraguay. Daarna hebben ze vier nachten buiten geslapen, in afwachting van de Aquidaban, die hen vandaag weer naar huis brengt.
Meer dan tweehonderd Tomáraho drommen samen, gehurkt op omgekeerde emmers, opeengepakt in hangmatten of languit op de grond. Niemand weet precies hoeveel reddingsvesten er aan boord zijn, maar bijna iedereen is er zeker van dat er meer passagiers dan zwemvesten zijn.
‘De Aquidaban is er al sinds mijn kindertijd,’ zegt Griselda Vera Velázquez (33). Ze is handwerker in het dorp van de Tomáraho, waar geen weg naartoe loopt. Voor haar dochter met het syndroom van Down neemt ze regelmatig de boot naar medische specialisten ruim zeshonderd kilometer verderop. ‘We leven geïsoleerd,’ zegt ze. ‘Er is geen andere manier van reizen.’
Voor veel gemeenschappen is de kantine op het schip de enige plek waar ze een koud biertje kunnen vinden
Vlakbij drinken vier veedrijvers het ene biertje na het andere en gooien de lege blikjes in de rivier. Ze hebben een maandenlange dienst op het platteland voor de boeg. Een moeder van zes kinderen is na haar scheiding op vakantie. Ze balanceert op de reling van het dek en neemt met luide stem een video op voor haar Facebookvrienden. Op het bovendek wiegt een jong stel uit de omgeving hun dochter van zeventien dagen oud; ze maken een lange reis van het ziekenhuis naar huis.
Al 44 jaar is het 40 meter lange witte, houten schip de enige reguliere veerdienst die diep binnendringt in de Pantanal, een draslandgebied dat groter is dan Griekenland. Van dinsdag tot zondag vaart het schip 800 kilometer de rivier de Paraguay op en neer, waarbij van alles en nog wat wordt afgeleverd, van crossmotoren tot pasgeborenen. Het benedendek is een drijvende supermarkt, met tien verkopers die de banken waarop ze slapen ombouwen tot kraampjes met groente en fruit, vlees en zoetigheden. Voor veel gemeenschappen is de kantine op het schip de enige plek waar ze een koud biertje kunnen vinden.
Essentieel vervoermiddel
Behalve een essentieel vervoermiddel, waarmee de mensen uit de omgeving vrijelijk door het gebied reizen, is de Aquidaban ook een smeltkroes van culturen, die al heel lang het handelsmerk van Paraguay is. Dit nergens aan zee grenzende Zuid-Amerikaanse land met zeven miljoen inwoners oefent al generaties lang een grote aantrekkingskracht uit op een gestage stroom van fanatiekelingen, idealisten, utopisten en verschoppelingen van elders. Decennialang was de Aquidaban een van de weinige plekken waar al deze groepen samenkwamen.
Aan boord zitten mormoonse missionarissen en mennonitische boeren naast lokale leiders en Japanse koks. Moeders geven peuters borstvoeding in een hangmat, boeren binden hun kippen vast aan de reling, jagers verkopen capibara’s zonder kop.
Maar nu komt er misschien een einde aan het reizen met de boot. In het afgelegen noorden van het land heeft Paraguay nieuwe wegen aangelegd, als onderdeel van een transcontinentale corridor van Brazilië naar Chili, die de Atlantische met de Stille Oceaan verbindt. Deze en andere wegen hebben invloed op de omzet van de Aquidaban. Volgens de familie die eigenaar is van de boot, gaan de zaken steeds slechter.
‘Veel onderdelen zijn kapot en er is geen geld om ze te repareren’
‘Veel onderdelen zijn kapot en er is geen geld om ze te repareren,’ zegt Alan Desvars (35), mede-eigenaar van het schip. Hij staat op het voordek in een Duits thrashmetalshirt. ‘Dit is misschien wel het laatste jaar.’
Op de Aquidaban is het vies en luidruchtig. Het eten is van dubieuze kwaliteit en de bemanning chagrijnig. Overal zitten bloeddorstige muggen. Op de vierde dag is de lucht bedompt door de geuren van bederfelijke waren, vee en boerenknechten die terugkeren na maanden in de bush. Maar voor de Desvars, een familie van scheepsbouwers, is de Aquidaban hun grote trots.
Houten kano’s
De familie begon bijna een eeuw geleden met de verkoop van houten kano’s langs de rivier, totdat de jongere generatie besefte dat de afgelegen riviergemeenschappen meer nodig hadden dan alleen kano’s. Aan alles was gebrek. Dus bouwden ze met het hout van de roze bloeiende lapacho een schip in de vorm van een lange schoen, dat wordt aangedreven door een oude Mercedes-vrachtwagenmotor. Ze noemden het de Aquidaban, naar een nabijgelegen zijrivier. Het was een schot in de roos. Na de tewaterlating in 1979 moest de bemanning in de havens soms mensen dwingen van boord te gaan om te voorkomen dat het schip zou zinken.
Sindsdien bevaart de Aquidaban gedurende 51 weken per jaar de rivier met zo’n 10 bemanningsleden en 10 verkopers. Sommigen doen dat al meer dan 25 jaar. ‘Het voelt als familie,’ zegt Desvars. ‘Met sommigen kun je goed opschieten, en er zijn er die je de nek zou willen omdraaien.’ Een rondleiding is na een paar minuten al klaar. De enorme opslagruimte is gevuld met kratten melk, olietanks en televisies. Voorwerpen met afwijkende maten en vormen – bromfietsen, een spiegelkast, een geit – staan op het dek. De verkopers binnen bieden bananen, ingevroren kippen en deodorant aan.
De vier toiletten lozen rechtstreeks in de rivier; de douches ernaast pompen rivierwater naar binnen. Op het bovendek bieden acht hutten met stapelbedden privacy aan degenen die het kunnen betalen. Voor de volledige riviertocht is het tarief 17,50 euro; een hut kost 12,90 euro extra. De meeste passagiers slapen in hangmatten, op banken of op de grond.
Voor de inwoners, die het zonder elektriciteit moeten stellen, is dit elke vrijdagavond drie kwartier lang het dorpscafé
Of ze gaan naar de eetzaal. De kok, Humberto Panza, maakt doorgaans twee gerechten: rijst met taaie stukjes rundvlees of pasta met taaie stukjes rundvlees. De overvloedige verse producten die beneden verkrijgbaar zijn, staan niet op zijn menu. ‘Ik bereid alleen vlees,’ zegt hij. De kantine is waarschijnlijk tevens de hipste bar van de Pantanal.
Als de Aquidaban op vrijdagavond bij een dorp aankomt, staat er een menigte jonge mensen te dringen. Vanuit de kantine stromen ze de gang op. Ze drinken goedkope blikjes Braziliaans bier en roken sigaretten onder de ‘Verboden te roken’-borden. Voor de inwoners, die het zonder elektriciteit moeten stellen, is dit elke vrijdagavond drie kwartier lang het dorpscafé, vertellen ze.
De Tomáraho worden gevolgd. Nathan en Zach Seastrand zijn op weg naar hun dorp voor het filmen van wat ze de ‘regendans’ van de Tomáraho noemen. ‘Dat lijkt wel iets uit Indiana Jones,’ zegt Nathan Seastrand, terwijl hij en zijn broer elk een kom met Panza’s stoofvlees naar binnen werken. De gebroeders Seastrand komen uit Utah en zijn jaren geleden als mormoonse missionarissen naar Latijns-Amerika afgereisd. Destijds waren ze gladgeschoren en droegen ze stropdassen en naambordjes met de tekst ‘ouderling Seastrand’.
Tomáraho
Nu zijn het bebaarde, langharige socialmedia-influencers zonder shirt; twee bierdrinkende, Spaanssprekende gringo’s die zich in de jungle wagen en honderdduizenden volgers hebben. ‘Veel mensen hebben talent,’ zegt Nathan Seastrand. ‘Maar ze zijn niet stoer, roekeloos of dwaas genoeg.’
Als zendelingen doopten ze meer dan dertig mensen voor de mormoonse kerk. Maar toen vonden ze op internet een analyse waarin inconsistenties in de leer van de mormonen werden beschreven. ‘Dat was een mokerslag,’ zegt Nathan Seastrand. Ze verlieten de kerk en begonnen berichten te posten. Zoals foto’s waarop ze met ontbloot bovenlijf anaconda’s vasthouden. Nu filmen ze een documentaire over oorspronkelijke gemeenschappen die ze aan het Sundance Film Festival willen aanbieden. De Tomáraho zijn een van de laatste gemeenschappen die ze nog willen bezoeken.
Behalve voor het vervoeren van meel, levende varkens en tractoronderdelen wordt de Aquidaban ook gebruikt om het evangelie te verspreiden
Volgens Nestor Rodríguez, het hoofd van de Tomáraho, die bier drinkt op het dek, is het in de afgelopen twee jaar de vierde groep buitenlanders die door de Aquidaban naar het dorp wordt gebracht. ‘Hun project biedt steun aan de gemeenschap,’ zegt hij. De Seastrand-broers hebben te horen gekregen dat ze moeten betalen om binnen te komen.
Bij volle maan vaart de Aquidaban naar het dorp. Twintig minuten lang schreeuwen de Tomáraho naar elkaar terwijl ze in het donker naar hun bezittingen zoeken. De Amerikaanse broers houden zich afzijdig. ‘We weten niet waar we terechtkomen,’ zegt Nathan.
Behalve voor het vervoeren van meel, levende varkens en tractoronderdelen wordt de Aquidaban ook gebruikt om het evangelie te verspreiden. Al tientallen jaren maken missionarissen gebruik van de boot om de gemeenschappen langs de rivier te bereiken.
Mormoonse geloof
De noordelijkste halte, Bahía Negra, is de thuisbasis van misschien wel de meest afgelegen kerk van het mormoonse geloof. Als de Aquidaban er op een ochtend aanmeert, hebben de dorpsbewoners zich al verzameld aan de rand van de rivier, in afwachting van hun wekelijkse drijvende kruidenierswinkel. Onder hen zijn twee jonge mannen met stropdassen, de huidige mormoonse missionarissen, die hier naar eigen zeggen door goddelijke interventie heen zijn uitgezonden.
‘Een van de apostelen bekijkt ons, bestudeert onze papieren, leest wat informatie over ons en pakt er een landkaart bij,’ zegt A.J. Carlson (18) uit Fort Worth, Texas. ‘Dan krijgen ze een openbaring.’
Iets verderop vlecht een groep vrouwen manden in een achtertuin. ‘Voor de kerk er was, hadden we alleen sjamanen,’ zegt Elizabeth Vera (64) over de mormonen. ‘Toen kwamen de Amerikanen.’ Ze wijst naar Carlson. ‘Hij is een boodschapper van Jezus Christus.’
Emilia Santos reist met de Aquidaban van haar dorp naar een andere kerk. Ze werkt als kok voor de Unification Church in Puerto Leda, een buitenpost in de jungle. Deze religieuze beweging werd opgericht door dominee Sun Myung Moon, een Koreaan die beweerde de nieuwe christelijke messias te zijn, en die miljoenen volgelingen kreeg. Hij werd beschuldigd van hersenspoeling en wordt verantwoordelijk gehouden voor het bankroet van veel van zijn volgelingen.
Hij werd beschuldigd van hersenspoeling en wordt verantwoordelijk gehouden voor het bankroet van veel van zijn volgelingen
Deze nederzetting bestaat voornamelijk uit Japanse missionarissen, en Santos heeft er geleerd hoe ze curry’s en sushi moet klaarmaken. Ze heeft weer een dienst van twee weken voor de boeg, zegt ze. ‘En ik reis altijd met de Aquidaban.’ De missionarissen verbouwen tayer en onderhouden twintig visvijvers. Ze hebben ook een paar van hun buren bekeerd.
Jamby Balbuena, een arbeider die helpt in de viskwekerijen, zit bier te drinken in de kantine van de Aquidaban. Hij is onderweg naar zijn werk in de nederzetting, waar alcohol verboden is. Twee jaar geleden heeft hij zich bekeerd, zegt hij. ‘Ik hou van hun religie, God volgen – dat allemaal.’
Derlis Martínez ziet er nerveus uit. De 25-jarige politieagent in camouflagepak en gevechtslaarzen vervoert op de overvolle boot zijn eerste gevangene.
Gekleed in een shirtje en met handboeien om oogt de 37-jarige Agustín Coronel ontspannen. ‘Hij is mijn lijfwacht,’ zegt hij glimlachend. De twee zijn samen op reis vanuit Bahía Negra, waar Coronel werd gearresteerd nadat hij zijn vrouw had geslagen. ‘Ik ben schuldig,’ zegt hij ongevraagd. Martínez moet hem naar een rechtszitting stroomafwaarts brengen. De reis duurt bijna twee dagen. ‘Voor slapen is geen tijd,’ zegt Martínez. ‘Ik moet hem bewaken.’
Geboeide handen
Coronel zegt dat hij ook wakker blijft, om zijn reispartner gezelschap te houden. De twee mannen kletsen met elkaar. Over Coronels misstap en zijn berouw, over hobby’s, over het leven. Nippend aan hetzelfde zilveren rietje delen ze een van een runderhoorn vervaardigde beker tereré, een koude mate die populair is in Paraguay. Ze eten zij aan zij in de kantine – Martínez betaalt Coronels maaltijd van zijn eigen geld.
Om twee uur ’s nachts, nadat ze twintig uur samen hebben doorgebracht, zit Martínez beneden op een bank. Hij staart naar Coronel, die op de vloer ligt met zijn geboeide handen boven zijn hoofd. Ze hebben een band, zegt de gevangene. Martínez aarzelt. ‘Het is mijn werk,’ antwoordt hij.
Tegen de ochtend zijn ze terug in de kantine en geven toe dat ze voor de machinekamer naast elkaar zijn ingedommeld. Hoe gaat het nu met ze? ‘Geweldig,’ antwoordt Coronel. Tijdens de lange uren in de krappe behuizing van de Aquidaban ‘hebben we vriendschap gesloten’, geeft Martinez toe.
Smokkelaars en lokale distilleerders doen goede zaken in Iran, terwijl alcohol streng verboden is, op straffe van zweepslagen of zelfs de strop. Maar het ‘gelukzaligheidswater’ kruipt waar het niet gaan kan – en of dat ‘bezoedelend’ is, willen de Iraniërs zelf beslissen.
Volgens een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie uit 2018 nuttigen Iraniërs die regelmatig drinken per persoon gemiddeld 28,4 liter alcohol per jaar.
Roesverwekkende dranken – door sommigen najesi (‘bezoedeling’) genoemd, door anderen ab shangouli (‘gelukzaligheidswater’) – waren lange tijd een geliefkoosd onderwerp in de Perzische literatuur, en dan vooral de klassieke poëzie, die er tal van woorden voor kent.
Daarentegen is alcohol de Islamitische Republiek altijd een gruwel geweest. Wie op het gebruik ervan wordt betrapt, moet vrezen voor tachtig zweepslagen, en na een vierde arrestatie wegens dronkenschap wacht mogelijk de strop.
Toch is het bewind er in de vierenveertig jaar van zijn bestaan niet in geslaagd Koning Alcohol een beslissende slag toe te brengen. Velen weten de wet te omzeilen en willen leven zoals het hun goeddunkt, met alle risico’s van dien.
En zo heeft de handel in alcohol een waarde van 110 biljoen toman [ongeveer 2 miljard euro] bereikt, volgens schattingen van de Iraanse krant Farhikhtegan. Maar hoe komen mensen eraan? De rijksten kunnen diverse merken kopen bij de saqi (‘alcoholverkoper’ in het Perzisch). Sociale media spelen een faciliterende rol, maar nopen ook tot voorzichtigheid om de valstrikken van de politie te omzeilen, iets wat de saqi overigens is toevertrouwd.
Saqi
Na de Islamitische Revolutie van 1979 gaven de meeste saqi zichzelf een Armeense (en dus christelijke) naam. Iran voorziet namelijk in een wettelijke uitzondering op het alcoholverbod: het geldt niet voor niet-moslims. De saqi surfen dus op de wet: ze zijn sjiiet in het dagelijks leven, maar Armeens of joods wanneer ze hun handel bedrijven.
Een van de bekendste en goedkopere varianten is de aragh sagi (‘arak van de hond’), een verwijzing naar het beeld van een jachthond die de flessen van het bedrijf Meykadeh sierde. De productie werd na de stichting van de Islamitische Republiek gestaakt, maar het merk had zo’n bekendheid verworven dat onder deze naam nog volop wordt gestookt – in uiteenlopende alcoholpercentages, die kunnen oplopen tot 90 procent.
Er zijn verschillende manieren om deze huisgestookte arak (alcoholhoudende anijsdrank) te maken. Met methanol bijvoorbeeld, dat goedkoop is en dus borg staat voor hoge winsten. Minpuntje: het spul kan blind maken en zelfs leiden tot de dood. De lokale Iraanse pers heeft uitgebreid bericht over groepsvergiftiging op besloten feesten.
Daar komt bij dat mensen die ziek worden na een verkeerd drankje vaak bang zijn om naar het ziekenhuis te gaan, uit angst voor arrestatie. Een klacht bij de politie indienen tegen de fabrikanten is al helemaal netelig, omdat dit immers een overtreding van het alcoholverbod door de klager inhoudt.
De strijd voor meer individuele vrijheid die veel Iraniërs voeren tegen het regime heeft de alcoholconsumptie doen toenemen
Door de toename van smokkel uit Iraaks-Koerdistan komen er steeds grotere hoeveelheden wodka’s, whisky’s en ma’a alshaïr (‘gerstwater’, oftewel bier) op de markt. De prijzen stijgen echter snel, omdat de Iraanse munt maar in waarde blijft dalen ten opzichte van de dollar.
Maar ook hierbij spinnen de saqi’s garen, en wel door smaakeigenschappen van buitenlandse merken door de eigen brouwsels te mengen en deze tegen scherpe prijzen aan te bieden. Hoewel deze clandestiene productie alle reeds genoemde gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, is ze een groot succes.
De saqi’s zijn bovendien zulke vaklieden dat hun surrogaat vaak moeilijk van het origineel is te onderscheiden. Opgemerkt moet worden dat het procedé lijkt op de vervaardiging van rozenwater, een kunst waarin Iraniërs sinds mensenheugenis zeer bedreven zijn. Sommigen mijmeren zelfs over export en concurrentie met producten uit andere landen.
Er zijn ook grootverbruikers die zelf over distillatieapparatuur beschikken. Op sociale media zijn veel artikelen en video’s te vinden met uitleg over het productieproces. Volgens niet-officiële cijfers wordt de helft van de alcoholische drank die verkrijgbaar is op de Iraanse markt clandestien gestookt in huizen of werkplaatsen.
Toename
De afgelopen jaren was er een toename waarneembaar van het aantal verkooppunten voor distillatieapparatuur, en zelfs voor gist en filters; die worden onder onschuldige namen verkocht, om de schijn te wekken dat er geen drank in het spel is.
Evenzo puilen de markten elke zomer uit van de shani, een beroemde zwarte druif uit Iraans-Koerdistan. Die is nauwelijks eetbaar, maar leent zich goed voor het maken van wijn. Daarnaast bestaat er een zwarte druif die ook geschikt is voor wijnproductie maar bovendien goed smaakt. Deze vrucht wordt op de stoep voor de winkels geperst om er een wrang drankje van te maken.
Vorig jaar voerde de politie een razzia uit op een van de markten in Teheran en nam ze alle spullen in beslag waarmee druiven worden geperst.
Het zogeheten Bureau 21 van het Revolutionaire Hof van Teheran bestaat nog steeds. Dagelijks worden tientallen mensen veroordeeld voor het drinken van alcohol. Verder confisqueert de politie geregeld duizenden blikjes (en flessen) uit auto’s, huizen en geheime opslagplaatsen, of op particuliere feesten.
De regering publiceert geen officiële cijfers over alcoholconsumptie, maar er zijn aanwijzingen dat deze de afgelopen jaren is toegenomen. En dat zal te maken hebben met de strijd voor meer individuele vrijheid die veel Iraniërs voeren tegen het regime.
Steeds meer jongeren kiezen ervoor om niet te drinken. Maar hoe ziet onze maatschappij eruit zonder alcohol? En kan een alcoholvervanger ons echt een roes zonder risico’s bieden?
Keuze uit het archief
Het jaar 2024 is bijna ten einde. Voor sommigen betekent dit dat de tijd van de goede voornemens weer is aangebroken. Een van die voornemens is om het jaar met een alcoholvrije maand te beginnen, de zogeheten Dry January. Dit artikel van The Guardian van twee jaar geleden laat zien hoe door de jaren heen steeds meer mensen er bewust voor zijn gaan kiezen om de drank te laten staan.
Proost en mazzeltov! Halverwege januari merkten we dat ons lichaam het door alle feestelijke frivoliteiten zwaar te verduren had. Maar op de een of andere manier hebben we de ondraaglijke opeenstapeling van katers weer overleefd. We hebben de glasbakken gevuld en de flessen bubbels uit het zicht en uit het hoofd gezet. En voornemens in de trant van ‘een nieuw jaar, een nieuwe ik’ kunnen we inmiddels weer achter ons laten. Iemand zin in een biertje?
Of heb je daar dit jaar toch net wat minder trek in? Je zou zeker niet de enige zijn die in 2023 overweegt om voorgoed te stoppen: welkom in het tijdperk van de sober-curious, de nieuwsgierigen naar nuchterheid. Blijkbaar bestaat er een steeds grotere beweging van mensen die willen uitvinden hoe een leven zonder alcohol eruitziet. Onder jonge Britten spreken de cijfers voor zichzelf. Het percentage 16- tot 24-jarigen in Engeland dat aangaf maandelijks te drinken daalde tussen 2002 en 2019 van 67 procent naar 41 procent. En hoewel de statistieken niet aantonen dat oudere volwassenen de drank voorgoed laten staan, is er toch iets aan het verschuiven. Volgens de organisatoren van Dry January probeerde een op de zes Britse volwassen alcoholdrinkers dit jaar mee te doen. Ooit waren alcoholvrije biertjes een marginaal verschijnsel, tegenwoordig liggen ze in de schappen van de supermarkten door het hele land. Een 0,0-bestelling gaat niet langer vergezeld van vragen over zwangerschap of verbaasde blikken.
Tot voor kort ging ik ervan uit dat millennials los stonden van deze nieuwe generatie geheelonthouders en dat dit het domein was van Generatie Z. Maar onlangs merkte ik een verandering op. Nu zie ik een constante stroom van berichten in de tijdlijnen van mijn sociale media waarin vrienden – van eind twintig of begin dertig – aankondigen dat ze zomaar uit zichzelf voor een nuchter leven hebben gekozen.
De meesten van hen stoppen niet vanwege een zogenaamd drankprobleem: ze besluiten gewoon dat ze beter af zijn zonder. Ook in de datingscene wordt dit zichtbaar. Volgens de app Bumble is een derde van haar Britse gebruikers nu meer geneigd om op een dry date te gaan dan voor de pandemie. En bijna twee derde gelooft dat nuchter daten leidt tot een duurzamere relatie.
Exponentieel
Ik kan niet beweren dat ik tot een generatie van onwelwillende drinkers behoor. In mijn tienerjaren werd drank vereerd als het toppunt van de zo felbegeerde volwassenheid. Mijn leeftijdgenoten waren tijdens de vroege pubertijd geen bijzonder zware drinkers, maar dat was een kwestie van vraag en aanbod. Toen ik vijftien was, pikte ik een paar biertjes uit het keukenkastje. Al snel werden de flessen sterke drank van mijn vader langzaam maar zeker verdund. De avond na mijn eindexamen gingen we met een groep kamperen. Tijdens het opzetten van de tenten tikte ik een tweeliterfles Strongbow-cider achterover en ik viel meteen in slaap.
Op de universiteit nam het drinken exponentieel toe. We waren beter op de hoogte van de nieuwste aanbiedingen bij de slijter dan van onze lesstof, twee flessen ‘witte Italiaanse’ voor vijf pond vormden het ideale begin van de avond – van wat voor avond dan ook. Nu ik de dertig nader, ben ik gematigder geworden. Tequila Tuesdays? Mogen ze rusten in vrede. Desondanks vormt het nuttigen van alcohol zonder twijfel nog altijd een hoeksteen van mijn sociale leven, ondanks mijn Sober October-poging in 2017. Veel leuke ervaringen uit mijn jeugd – en, eerlijk gezegd, ook uit mijn volwassen leven – waren op z’n minst enigszins drankovergoten. Maar dat geldt blijkbaar niet voor iedereen.
In Japan schreef de regering een wedstrijd uit om drinken onder jongeren te stimuleren
De uitdrukking sober-curiosity [nuchtere nieuwsgierigheid] werd populair in 2018, maar de verandering in drinkgewoonten gaat verder terug. Amy Pennay, senior onderzoeker aan La Trobe University’s Centre for Alcohol Policy in Melbourne, volgt wereldwijd de alcoholconsumptie. ‘In rijke landen zien we zeker dat jongeren minder gaan drinken,’ aldus Pennay. En dat is al gaande sinds de millenniumwisseling. ‘De VS waren koploper in 1999,’ zegt Pennay. ‘In IJsland, Zweden en de andere Scandinavische landen begon de daling in 2001. Daarop volgden de overige West-Europese landen, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Vervolgens, rond 2005, ook het overige grootste deel van Europa.’ Alcohol is een belangrijke bron van belastinginkomsten; in Japan schreef de regering zelfs een wedstrijd uit om drinken onder jongeren te stimuleren.
‘Wanneer het alcoholverbruik in een land verandert, zie je dat normaal geproken terug in alle delen van de bevolking,’ zegt Penney. ‘Maar nu blijven ouderen drinken, terwijl de gewoonte bij jongeren afneemt.’ Deze generatie, zegt ze, is dus de drijvende kracht achter een verschuiving die niet kan worden verklaard door traditionele factoren zoals veranderde vergunningen, recessie of oorlog. Vooralsnog is het onduidelijk of jongeren ook later beginnen met drinken. Maar als de huidige trend doorzet, zou alcohol op een dag wel eens achterhaald kunnen zijn.
Alternatief
Om vier uur ’s middags op een winterse donderdag is het druk aan de bar van de studentenvereniging Liverpool University Guild. Een groepje studenten staart naar hun laptop; ernaast nippen twee ouder uitziende gasten, verwikkeld in een verhitte discussie, aan een cappuccino. Het is nog vroeg, maar voor een studentencafé wordt er verrassend weinig gedronken; ik tel slechts een handvol dat een middagbiertje drinkt. Het past wel dat ik hier zit met het hoofd van de Sober Society van Liverpool – een naam die tot voor kort nogal onconventioneel was. De Sober Society, opgericht in het vorige academiejaar, is een nieuwe naam op de lijst van studentenorganisaties hier, maar zeker niet de enige club in zijn soort die de afgelopen jaren opdook. UCL, Queen Mary’s, York en Leeds zijn slechts enkele van de vele instellingen die voor ‘nuchter-nieuwsgierige’ groepen alcoholvrije evenementen organiseren.
Joey Duckworth, nu drieëneenhalf jaar geheelonthouder, is sinds september vorig jaar voorzitter. Een logische stap voor de zeventwintigjarige student astrofysica. Op zijn negentiende ging hij voor de eerste keer naar de universiteit, maar hij had moeite om bij te blijven en stopte. In de daaropvolgende jaren, zegt hij, werd drank een probleem. Tegen de tijd dat hij zich opnieuw inschreef, was dat definitief verleden tijd. ‘Er bestaat nog steeds een zware drinkcultuur op de universiteit,’ zegt hij, ‘en Liverpool staat bekend om zijn nachtleven.’ Op de meest recente beurs voor eerstejaars bemande Duckworth de Sober Society-kraam en keek hij eens rond bij andere uitgestalde aanbiedingen. ‘Allemaal boden ze vooral alcoholgerelateerde evenementen aan: kroegentochten, ontmoetingen in pubs, drinksessies… Wij willen een alternatief bieden voor wie niet of minder wil drinken.’
We gaan naar een zaaltje in een aangrenzend gebouw. Daar zijn dertig studenten bijeengekomen voor een sober social, een alcoholvrij samenzijn, voorzien van een stapel bordspellen. Vorig jaar ging het tijdens deze bijeenkomsten vooral over de relatie van de aanwezigen met alcohol. Nu is de belangrijkste functie om vriendschappen te laten opbloeien zonder drank. Eerstejaarsstudent Hannah drinkt af en toe, maar vindt de mate waarin op de campus gedronken wordt buitenproportioneel; Isabella, 18, houdt niet van de smaak noch van het idee dat ze geen controle meer heeft. ‘Het is alsof er nu minder druk bestaat om te drinken,’ zegt Angelina, 19. ‘Er zijn ook zoveel redenen om het niet te doen, zoals lichamelijke en geestelijke gezondheid. En het is duur en door de katers kun je je moeilijk op je werk concentreren.’
Tien jaar geleden leek de mentaliteit op de campussen: ‘Drink je er maar doorheen’. De huidige lichting daarentegen schaamt zich niet om nee te zeggen. Generatie Z, nog meer digital native dan de millennials, is beter geïnformeerd over de gevaren van alcohol. In mijn tienerjaren leek het volkomen normaal om foto’s van dronkenschap te uploaden naar het pas opgerichte Facebook; tegenwoordig begrijpen jongeren de gevaren van deze onlinebeelden. Simpel gezegd, ze zijn zelfbewuster. De universiteit wordt steeds meer gezien als een weg naar de arbeidsmarkt, niet als een tussendoortje. Drinken leidt af bij de zware strijd om een baan.
De gin-o’clock-cultuur en prosecco-drinkende ouders hebben alcohol misschien wel oncool gemaakt
Het is ook mogelijk dat drank uit de mode is geraakt. De gin-o’clock-cultuur en prosecco-drinkende ouders hebben alcohol misschien wel oncool gemaakt. Er zijn tekenen dat jongeren steeds vaker illegale drugs gebruiken. En er is ook nog de kostencrisis: alcohol is een luxe die velen zich niet kunnen veroorloven. In plaats van zichzelf wezenloos te drinken, voelen jongeren de druk om productief te zijn, hetzij op het werk, hetzij door te proberen de wereldwijde klimaatramp op te lossen.
Weinig mensen kunnen dit fenomeen beter uitleggen dan Millie Gooch, oprichtster van de Sober Girl Society, een grote onlinegemeenschap van niet-drinkende jonge vrouwen, die ook regelmatig live-evenementen organiseert. Gooch, nu 31, was vroeger een grote drinker. ‘Toen ik 26 was,’ vertelt ze, ‘was mijn leven een cyclus van uitgaan, dronken worden, een kater en dan weer van voren af aan. Op een ochtend werd ik wakker en realiseerde ik me: dit kan zo niet doorgaan.’
Een vloedgolf van nieuwe boeken en onlinebronnen bood haar al direct houvast. ‘Google maar eens sober-curiosity– er is zoveel te vinden,’ zegt Gooch. ‘Podcasts, influencers, online-artikelen – de generatie van onze ouders beschikte niet over al deze bronnen.’ Technologie is ook een factor. ‘Je wilt niet dronken viraal gaan op TikTok – dat is iets wat zomaar kan gebeuren. Onze ouders hoefden als ze wakker werden niet te denken: “Shit, heb ik nou gisteravond mijn ex vijftien keer gebeld?” Als ik wakker werd met een kater zag ik vrienden op Instagram die stoelen aan het opknappen waren of iets anders nuttigs deden. Ik voelde me schuldig dat ik het weekend dan wel dronken, dan wel in bed had doorgebracht.’
Gooch predikt geen evangelie van geheelonthouding of onthouding. Haar organisatie is geen alternatief voor Anonieme Alcoholisten. ‘Ik wil gewoon dat mensen zien dat er een andere relatie met alcohol mogelijk is,’ zegt ze. ‘Toen ik nog dronk had ik een leuke avond zolang ik de hoeveelheid onder controle hield. De problemen ontstonden pas als ik te ver ging.’
Voetstuk
Dus waarom zou je het risico nemen? Als we alleen naar de medische gegevens kijken, is alcohol zeker een plaag voor de wereldbevolking. Een studie in The Lancet uit 2018 meent dat er ‘geen veilig niveau van alcoholconsumptie’ bestaat, en raadt regeringen aan om totale onthouding te adviseren. Een recenter artikel, gepubliceerd in hetzelfde medische tijdschrift, stelde dat mensen onder de veertig jaar alcohol moeten vermijden omdat het nuttigen ervan aanzienlijke gezondheidsrisico’s en geen voordelen met zich meebrengt. Zoals hoofdauteur Emmanuela Gakidou het formuleert: ‘Onze boodschap is simpel: jongeren moeten niet drinken.’
Maar ondanks alle nadelen van recreatief drinken, kan het ook gewoon leuk zijn. Eeuwenlang speelde alcohol een grote rol in onze meest gedenkwaardige avonturen; drank hielp ons om los te komen. Het vooruitzicht van een generatie geheelonthouders – die zich nooit zal overgeven aan de geneugten van de roes vanwege de onophoudelijke druk van het eenentwintigste-eeuwse leven – stemt enigszins somber, bijna triest. Is dat mijn eerste flirt met de ‘in mijn tijd was alles beter’-fase van het ouder worden? Of zou het kunnen dat ondanks de rationele redenen voor onthouding, er ook echt iets verloren gaat?
Alcohol is in de westerse cultuur lange tijd op een voetstuk geplaatst. Maar volgens sommigen zwaait de slinger nu te ver de andere kant op.
In Drunk, zijn boek uit 2021, worstelt Edward Slingerland met deze vraag. Als hoogleraar filosofie aan de Universiteit van British Columbia gelooft hij dat de huidige consensus over alcoholgebruik niet helemaal juist is. ‘We hebben te vaak een beperkte kijk op de rol die alcohol heeft gespeeld in de vorming van de samenleving,’ stelt Slingerland in een gesprek via Zoom. De focus op berichten over de volksgezondheid gaat volgens hem voorbij aan andere, minder tastbare voordelen van drank in ons leven. ‘Natuurlijk,’ maakt Slingerland duidelijk, ‘is het totale netto fysiologische effect van alcohol negatief. Puur vanuit gezondheidsperspectief bekeken kun je er maar beter vanaf blijven. Maar als je een bredere wetenschappelijke, antropologische en historische blik op alcohol werpt, gaat het niet alleen om de medische kant.’ Kijk maar naar het menselijk brein, betoogt Slingerland; dat kan een goede reden zijn om jezelf nog eens een glas in te schenken.
‘De prefrontale cortex (PFC),’ legt Slingerland uit, ‘speelt een centrale rol bij het uitvoeren van cognitieve controle. Hij stelt je in staat om gefocust te blijven en taken af te ronden.’ Of het nu gaat om planning, besluitvorming of het matigen van gedrag, de PFC is er een integraal onderdeel van. ‘Maar het mes snijdt aan twee kanten,’ aldus Slingerland, ‘want de PFC is ook beperkend: sommige inzichten vereisen creativiteit en het vermogen buiten de kaders te denken.’
En dat, gaat Slingerland veder, is waar alcohol om de hoek komt kijken. Simpel gezegd kan alcohol de PFC kalmeren en onze geest verruimen. ‘Alcohol is als een culturele technologie, die we hebben ontwikkeld om ons even terug te voeren naar de hersenen van een vijfjarige,’ meent Slingerland. ‘We worden er flexibeler en creatiever van. Na een paar uur is het effect uitgewerkt en kunnen we de resultaten noteren.’ Door de geschiedenis heen werd alcohol overal ter wereld geassocieerd met creatievelingen: kunstenaars, dichters, grote denkers. ‘En dit is geen mythe,’ zegt hij. ‘Er zijn stevige bewijzen dat alcohol de creativiteit verhoogt. En dat is wat we als samenleving ook nodig hebben.’
Ik voorspel een minder creatieve en meer geatomiseerde samenleving
Daarnaast kan alcohol een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van relaties. Door de PFC tijdelijk uit te schakelen, zijn we geneigd andere mensen meer te vertrouwen en opener te zijn. ‘Zoals handen schudden begon als een manier om te laten zien dat we geen wapens dragen,’ zegt Slingerland, ‘is het als we een biertje drinken – ofwel onze PFC uitschakelen – alsof we onze mentale wapens aan de kant zetten. Door de PFC te ontspannen, is het moeilijker om te liegen of onoprecht te zijn.’ En, voegt hij eraan toe, alcohol stimuleert de aanmaak van chemische stofjes zoals dopamine, serotonine en endorfine, waardoor we ons prettig voelen. ‘Die maken ons niet alleen minder geneigd om vals te spelen; doordat we ons positief ten opzichte van elkaar opstellen, ontstaat er bovendien een band die cruciaal is voor ons menszijn.’
Hetzelfde resultaat kan worden bereikt met andere stoffen. Bedwelmende middelen zoals cannabis kunnen soortgelijke functies vervullen, hoewel de effecten minder uniform zijn. En de genoemde effecten kunnen ook ontstaan door bijvoorbeeld slaaponthouding of inspannende groepswandelingen. In religies en culturen die alcohol beperken, zegt Slingerland, worden vaak andere praktijken toegepast. Maar zonder dergelijke alternatieven, concludeert hij, zou er iets verloren gaan. ‘Het zou zorgwekkend zijn als deze effecten teniet worden gedaan. Ik voorspel dan een minder creatieve en meer geatomiseerde samenleving. Als het klopt dat jongeren in een sociale omgeving minder vaak in een roes verkeren, voorspel ik een afname van innovatie en ook van samenwerking.’
Slingerland verwoordt wat een gelegenheidsdrinker als ik niet helemaal kan plaatsen. Waarom houden we toch vol, ondanks het feit dat we weten dat alcohol enorm verslavend is, tot allerlei ziekten leidt en in 2021 de oorzaak was van bijna tienduizend sterfgevallen in het Verenigd Koninkrijk? Alcohol is blijkbaar ook functioneel en voor velen de risico’s waard. Gelukkig lijkt er binnenkort een oplossing voor deze paradox te komen.
Sentia
Professor David Nutt is een van de belangrijkste Britse drugsexperts. De laatste jaren probeert hij een vervanger voor alcohol samen te stellen. Het gaat hem er niet om de smaak van wijn of bier na te bootsen – wat in feite dure frisdranken oplevert – maar om een effect dat ook hij ‘functioneel’ noemt. ‘Als alles volgens plan verloopt,’ legt hij uit, ‘hebben we binnenkort een ingrediënt dat aan elke drank kan worden toegevoegd om de sensatie van een paar eenheden alcohol te creëren. Zo worden duidelijke sociale voordelen gereproduceerd zonder risico’s.’
Er is al één product op de markt: Sentia, een natuurlijke, plantaardige drank die zich richt op bepaalde zenuwreceptoren om de ervaring van die eerste paar glazen na te bootsen. ‘En we hebben ook een nieuwe molecuul uitgevonden,’ aldus Nutt. ‘Die heet Alcarelle, en wordt momenteel getest op voedselveiligheid. Alcohol is de ultieme sociale drug. Er is een goede reden om het te gebruiken. We willen een alternatief vinden dat de positieve effecten heeft, en tegelijkertijd een heleboel levens spaart.’
De medische redenen om geen alcohol te drinken zijn evident. En net zoals we blij mogen zijn dat minder jongeren roken, mogen we het vanuit gezondheidsoogpunt ook waarderen dat het alcoholgebruik afneemt. Maar als je verder kijkt, zie je dat gezondheid niet de enige drijfveer is achter de beweging van nuchtere nieuwsgierigen. Of het nu de druk is van sociale media, het onderwijs, de economie of de arbeidsmarkt, misschien hebben jongeren moeite zich over te geven aan een middel dat je tijdelijk afleidt van alle spanningen van het moderne leven. En dat, denk ik, zou wel eens zorgelijk kunnen zijn.
Alcohol – meestal met mate – heeft veel plezier in mijn leven gebracht. Dat waardeer ik en daar komt mijn liefde voor drinken vandaan. Vooralsnog lijkt het erop, zoals wel vaker, dat jongeren verstandigere keuzes maken dan degenen voor hen. Gelukkig biedt de wetenschap binnenkort mogelijk een oplossing waarmee de genoegens behouden blijven terwijl de potentiële schade enorm kan worden beperkt. Interessante stof dus voor in de kroeg vanavond, of tijdens een inspannende nachtelijke groepswandeling.
Dit artikel werd geselecteerd en vertaald in samenwerking met 360 Magazine.
Een derde van het personeel zou de sector hebben verlaten
In Ierland zien veel pubs zich genoodzaakt om twee dagen per week te sluiten als gevolg van personeelstekorten, meldt RTÉ. Die tekorten zijn vanwege de pandemie nog groter geworden dan ze al waren. Dat heeft een delegatie van Ierse publicans, caféhouders, laten weten aan een speciale commissie van de Oireachtas, het Ierse parlement.
‘Twee jaar van sluitingen en beperkingen hebben een verwoestend effect gehad op het behoud van personeel’
Volgens Donall O’Keeffe, voorzitter van de Licensed Vintners Association, de organisatie van publicans in Dublin, hebben twee jaar van sluitingen en beperkingen een verwoestend effect gehad op het behoud van personeel in de sector. Hij schat dat ongeveer een derde van het personeel de sector heeft verlaten. Er waren volgens hem al tekorten aan geschoold personeel voordat corona uitbrak, en het vertrek van chef-koks, managers en hoger barpersoneel tijdens de pandemie heeft die situatie verergerd. Sinds de pubs weer open mogen is de beschikbaarheid van personeel de grootste remmende factor voor een volledig herstel, aldus O’Keeffe.
Waarom kost dezelfde appel in de ene winkel meer dan in de andere? Die vraag stelt de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price. Want de echte prijs van een product – inclusief externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij – ligt vrijwel altijd hoger dan de winkelprijs.
Eind 2020 zette de charmante Amsterdamse supermarkt De Aanzet een bord op straat met de tekst: ‘Welkom in de eerste supermarkt ter wereld met echte prijzen’. Binnen bleken steeds twee prijzen vermeld te staan bij aardappelen, paprika’s, bananen, broccoli, brood en allerlei andere levensmiddelen. De ‘normale’ prijs voor tomaten was 3,75 euro per kilo, maar de ‘echte’ prijs bedroeg 3,97 euro. Het verschil van 22 cent stond voor de verborgen kosten van de teelt en het vervoer van de tomaten – dus de kosten van de CO2-uitstoot, onderbetaling van arbeiders en water- en grondverbruik.
Die echte prijzen waren berekend door de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price, al in 2012 opgericht door Michel Scholte en Adrian de Groot Ruiz. Deze twee vrienden, de een kampioen in universitaire debatwedstrijden en de ander een voormalig universitair docent finance, werken samen met allerlei bedrijven – een chocoladeproducent, een bakkerijketen, banken en modemerken – om van uiteenlopende artikelen de werkelijke prijs te kunnen berekenen. De samenwerking met De Aanzet was hun meest publieke project tot nu toe. De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze. Ze kunnen de normale en de werkelijke prijzen nu met elkaar vergelijken: als het verschil tussen die twee bij de ene appel 5 cent en bij de andere 50 cent is, is die eerste appel dus afkomstig van een producent die milieubewuster en meer sociaal verantwoord bezig is. De klant kan er dan voor kiezen om voor zijn product de echte prijs te betalen, waarna De Aanzet dat extra geld doorsluist naar projecten die de kwalijke gevolgen van die stille kosten proberen tegen te gaan.
Scholte en de Groot Ruiz leerden elkaar zo’n vijftien jaar geleden kennen bij een universitaire debatclub. Scholte studeerde sociologie aan de Vrije Universiteit en werkte als schoonmaker in de businesslounge op Schiphol. De Groot Ruiz studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze vonden elkaar in hun belangstelling voor gedragseconomie, statistiek en de onderliggende structurele oorzaken van armoede en milieuvervuiling. Als tiener had De Groot Ruiz, die ook liefhebbert in de natuurkunde, met twee vrienden eens een techniek bedacht om energie te winnen uit de golfslag op zee. Toen kreeg hij te horen dat investeerders daar geen interesse in hadden omdat de ‘businesscase’ voor de ontwikkeling ervan zo onzeker is. Dat vond hij volstrekt irrationeel. De ware kosten van fossiele brandstoffen – het instorten van ecosystemen, stijgende zeespiegel, extreem weer – zijn uitzonderlijk hoog maar blijven buiten de boeken, zodat die brandstoffen in vergelijking met alternatieven onrealistisch goedkoop lijken.
‘Externaliteiten’
In hun studietijd sloten de twee zich al aan bij de Nederlandse denktank Worldconnectors. Daar praatten ze met gelijkgestemden over wat economen wel ‘externaliteiten’ noemen: de externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij, die niet worden meegenomen in prijsberekeningen. Mettertijd kwamen ze zo op het idee voor hun ‘echte prijzen’. Politici blijken vaak niet bereid bedrijven regelgeving op te leggen die streng genoeg is om de maatschappelijke en milieukosten fundamenteel te verlagen. Maar het is wel mogelijk de omvang van die kosten te schatten en die informatie direct in de prijzen te verwerken. Dus lanceerden Scholte en De Groot Ruiz in 2012 True Price, om bij te dragen aan de totstandkoming van duurzamere productieketens. De hoop is dat als bedrijven en consumenten zich minder illusies maken over de werkelijke kosten, dat zal leiden tot aanpassing van hun uitgavenpatroon en hun verkoop- en productiemethoden.
Lage prijs is illusie
Maarten Rijninks, de eigenaar van De Aanzet, hoorde voor het eerst over ‘echte prijzen’ op een lezing die Scholte in 2018 gaf. Hij beschouwt het nu als een manier om iets te doen aan een kwalijke situatie die zo wijdverbreid is dat we haar niet eens meer als vreemd ervaren. ‘Als je nu in een gewone supermarkt iets koopt, is dat altijd goedkoper dan hetzelfde product in mijn winkel, dat biologisch geteeld en duurder is,’ zegt Rijninks. Maar die lage prijs is een illusie: die is alleen mogelijk als je de ware kosten van de productie negeert. ‘Als je de echte prijzen berekent, zijn ook mijn producten goedkoper,’ zegt Rijninks. Sinds hij dit systeem hanteert, is de omzet van zijn winkel met een procent of vijf gestegen. Veel klanten zeggen het te waarderen. ‘Het probleem is dat klanten niet de middelen hebben om hun maatschappelijke en milieutechnische impact te verminderen,’ zegt hij. ‘Het is niet dat ze het niet willen.’
Rijninks zegt tegen zijn klanten dat het systeem nog een experiment in uitvoering is. Een onontkoombaar probleem is misschien dat de gegevens van True Price niet perfect zijn. De analisten van de organisatie gaan soms uit van regionale gemiddelden, die de precieze productieomstandigheden van een specifiek artikel niet altijd goed weerspiegelen. En de herstelprojecten die De Aanzet heeft uitgekozen zijn niet altijd even doelgericht, zodat een klant die de echte prijs betaalt voor een banaan misschien meebetaalt aan een irrigatieproject van een spinazieboer. De komende jaren hoopt Rijninks met buitenlandse leveranciers gerichtere projecten op te zetten en ook meer producten in het systeem op te nemen dan alleen brood en verse groente en fruit. In de loop van dit jaar wordt het systeem ook nog op een andere manier uitgebreid: een vereniging van biologische winkels wil in al haar vestigingen in Nederland een pilot met echte prijzen gaan uitvoeren.
De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze
In De Aanzet kunnen de klanten de echte prijzen zien, maar bij andere bedrijven worden die voor interne analyse gebruikt. Tony’s Chocolonely vroeg Scholte en zijn mensen in 2013 om de ware kosten te berekenen van cacao uit Ghana en Ivoorkust. Ze hebben toen gekeken naar acht vormen van externe milieukosten en zes soorten maatschappelijke kosten, waaronder lucht-, bodem- en waterverontreiniging, klimaatverandering, onderbetaling en kinderarbeid. In West-Afrika, waar de meeste cacao in de wereld vandaan komt, zijn de arbeidsomstandigheden berucht: volgens een onderzoek van de universiteit van Chicago uit 2020 zijn in de cacaoproductie in Ghana en Ivoorkust anderhalf miljoen kinderen werkzaam. De grote merken beloven wel dat ze het probleem zullen oplossen, maar kinderarbeid blijft in deze sector een probleem.
Tony’s Chocolonely
True Price probeerde de kosten van al deze externe effecten te berekenen en kwam voor 2013 uit op een gemiddelde echte prijs voor cacao van 14,17 euro per kilo. Het grootste deel van die prijs, namelijk 12,07 euro, gaat op aan die externe kosten. Tony’s Chocolonely deed al erg zijn best om cacao van eerlijke producenten te krijgen, zodat zijn gemiddelde echte kosten een stuk lager waren: 7,93 euro, waarvan 5,99 euro de maatschappelijke kosten waren. Toen Tony’s het in 2017 opnieuw liet doorrekenen, was de echte prijs gedaald tot 4,52 euro, waarvan 2,93 voor externe kosten. En al zijn deze kosten slechts een beredeneerde gok – dus niet echt ‘echt’ – Tony’s Chocolonely kon ze goed gebruiken om doelstellingen te formuleren en de geboekte vooruitgang te meten.
Tony’s spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens
Tony’s betaalt hoger dan gemiddelde prijzen voor cacaobonen, stimuleert efficiëntere en duurzamere landbouwtechnieken, heeft een initiatief opgezet om de grondstoffen in de productieketen te kunnen volgen en een systeem opgetuigd om toe te zien op het voorkomen van kinderarbeid. Het bedrijf spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens. True Price stelde vast dat de boerencoöperaties die producten aan Tony’s Chocolonely leveren meer winst maken, veiliger zijn en zich minder vaak aan kinderarbeid schuldig maken dan de gemiddelde leverancier in de sector. Als het bedrijf op deze voet doorgaat, kunnen de verborgen kosten van de chocola van Tony’s in de komende jaren het nulpunt bereiken.
Om een concreet cijfer te plakken op de kosten van kinderarbeid of bodemerosie moet je eerst een hele serie aannames doen. Ten eerste moet True Price natuurlijk beslissen welke kosten er moeten worden berekend. Daarbij gaan ze uit van kosten die verband houden met schendingen van mensenrechten zoals vastgelegd door de VN, in internationale verdragen of andere breed gedragen kaders. In deze op mensenrechten gebaseerde benadering is True Price compromisloos: zo verwerpen ze principieel de gedachte dat het scheppen van banen, aandeelhouderswaarde of het gemak van de consument het ‘waard’ kan zijn om mensenrechten te schenden – waaronder ook het recht op een gezonde natuurlijke leefomgeving. Bedrijven die grondstoffen betrekken uit gebieden waar sprake is van kinderarbeid kunnen hun echte prijzen voor True Price alleen verlagen door te zorgen dat er minder kinderen betrokken zijn bij hun productieproces. Ze kunnen die kinderarbeid niet wegstrepen tegen andere gunstige effecten en zeggen dat het nettoresultaat positief uitvalt.
Andere onderzoekers voeren vergelijkbare berekeningen uit. Zo heeft een team in Italië berekend dat de verborgen kosten van een kilo rundvlees, inclusief de gevolgen voor het milieu en de gezondheid van de mens, zo’n 19 euro per kilo bedragen. Dat wil zeggen dat de verborgen kosten van de rundvleesconsumptie alleen al in Italië zo’n 36,6 miljard euro per jaar bedragen. En onderzoekers van de Britse Sustainable Food Trust hebben diezelfde kosten voor hun land berekend: zo’n 116 miljard per jaar. Volgens een rapport uit 2021 van The Rockefeller Foundation op basis van onderzoek door True Price en wetenschappers van de universiteiten Oxford, Harvard, Cornell en Tufts bedragen de ware kosten van het hele voedselsysteem van de VS, als de verborgen kosten voor maatschappij en milieu eenmaal worden meegerekend, minstens 3,2 biljoen dollar per jaar – bijna driemaal zoveel als de ‘normale’ uitgaven aan voedsel van het land, die 1,2 biljoen bedragen.
Hervormingen
Driemaal de huidige prijs voor voedsel betalen is geen houdbare strategie voor consumenten, bedrijven of overheden. Maar er zijn andere manieren om met behulp van echte prijzen tot hervormingen te komen. De afgelopen tien jaar heeft de federale Amerikaanse overheid gemiddeld 16 miljard dollar per jaar aan landbouwsubsidies uitgegeven, met name voor de productie van soja, maïs, rijst en graan. Als het terugdringen van de echte kosten een voorwaarde wordt voor die subsidies, zou dat een prikkel voor producenten zijn om aan een paar van de meest funeste landbouwpraktijken een eind te maken. Net als bij supermarkt De Aanzet zou transparantie over de echte prijs dan tot verandering kunnen aanzetten.
Alleen al praten over prijzen kan zijn nut hebben. Een product heeft geen ‘echte’ prijs in de objectieve zin waarin een element een atomaire massa-eenheid heeft. Maar de vragen die echte prijzen opwerpen zijn ook weer niet hopeloos subjectief. De meeste mensen zijn voorstander van een verbod op artikelen die geproduceerd worden in gevaarlijke omstandigheden door slaven en jonge kinderen.
Eerlijke prijzen zijn ook rechtvaardige prijzen
De analyses van True Price en andere deskundigen sporen ons aan om die redenering ook toe te passen op andere zaken: lonen die een bestaansminimum garanderen, bescherming tegen intimidatie, veilige arbeidsomstandigheden, duurzame productietechnieken enzovoort. In dat opzicht zijn eerlijke prijzen ook rechtvaardige prijzen: ze weerspiegelen ons morele besef dat we de mensenrechten en de natuur geen geweld mogen aandoen om goedkope artikelen te kunnen produceren. Mettertijd zal beter onderzoek ons nog meer inzicht geven in de kosten van het herstel van een ecosysteem waarin het grondwater door meststoffen is vergiftigd, of van het aanbieden van onderwijs aan boerenfamilies op het Ghanese platteland. Wat we nu al weten, is dat het weglaten van die kosten uit de prijsberekening betekent dat consumenten, overheden en bedrijven onjuiste informatie over de wereld krijgen voorgeschoteld. Dat is een vorm van liegen – over de natuur, over de economie en over elkaar.
CO2 is de belangrijkste boosdoener voor de opwarming van de aarde, maar zou het helpen als producten konden worden gemaakt van CO2 zelf? Die vraag is niet zo gek; CO2 werd al gebruikt om dranken te carboniseren, tomaten te bemesten en cosmetica te maken. Inmiddels produceert een groeiende carbontechindustrie van alles, uiteenlopend van sokken en beton tot wodka.
Voor de site Reasons to be cheerfulmaakte Michaela Haas een rondje langs geavanceerde bedrijven in de snelgroeiende carbontechindustrie die koolstofdioxide opvangen voordat het in de atmosfeer ontsnapt. Die afgevangen CO2 gebruiken ze vervolgens om er van alles en nog wat mee te maken.
Voedsel
Landbouw is wereldwijd verantwoordelijk voor 24 procent van de broeikasgassen, dus andere manieren van voedselproductie zouden een grote stap kunnen betekenen. En dat is precies wat de Fin Pasi Vainikka probeert met zijn food-tech startup Solar Foods, gevestigd in de buurt van Helsinki: voedselproductie loskoppelen van agricultuur.
Hier op aarde zou het eiwitpoeder kunnen helpen in de strijd tegen klimaatverandering
‘Wij maken eten van lucht!’ zegt hij. ‘We hebben geen landbouwgrond nodig, hoeven geen bossen te kappen en hebben zelfs nauwelijks water nodig.’ Solar Foods produceert eiwitpoeder van microben, die zijn bedrijf uit de bodem en mariene ecosystemen in de Finse wildernis haalt. In een fermentatieapparaat zoals ook in brouwerijen wordt gebruikt, voegt het bedrijf vervolgens water, waterstof, vitamines en CO2 uit de atmosfeer toe om de microben te laten groeien tot Solein, een geelachtig eiwit dat kan worden gedroogd en hetzij in een shake, hetzij als meel, hetzij in pilvorm kan worden ingenomen.
Samen met de European Space Agency ontwikkelt Solar dit voedselconcept voor een missie naar Mars. Hier op aarde zou het eiwitpoeder kunnen helpen in de strijd tegen klimaatverandering.
Tapijt
Op het eerste gezicht ziet tapijt van het bedrijf Interface eruit als elke andere vloerbedekking die je op luchthavens en in kantoorgebouwen tegenkomt: grijze, vezelige vierkanten. Maar dit grijze tapijt is feitelijk een koolstofopslag. De ‘Climate Takeback’-technologie, ontwikkeld door het bedrijf dat in Atlanta is gevestigd, resulteert in koolstofnegatieve vloeren. De onderkant van het tapijt is gemaakt van latex dat bestaat uit CO2 afkomstig van de rook uit schoorstenen, gecombineerd met gerecycled vinyl en bioafval. Het oppervlak bestaat uit gerecycled nylon. Volgens Interface haalt het bekleden van een vergaderruimte met dit product het equivalent van zo’n 5,5 kilo koolstof uit de atmosfeer. ‘Stop met koolstof als de vijand te zien’, zegt het bedrijf, ‘en gebruik het als een hulpbron of bouwsteen om betere producten te ontwikkelen.’
Beton
Volgens Marcius Extavour, CEO van non-profit Carbon XPrize, is cement verantwoordelijk voor zeven procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Zijn Canadese bedrijf CarbonCure in Halifax, Nova Scotia, gebruikt gerecycleerde, vloeibare CO2 die wordt opgevangen uit fabrieksuitlaatgassen, en injecteert deze in vers beton. ‘Eenmaal geïnjecteerd, ondergaat de CO2 een chemische reactie waardoor het wordt omgezet in een mineraal dat permanent wordt ingebed’, aldus de ingenieurs van CarbonCure.
Het proces vermindert niet alleen de uitstoot met vijf tot acht procent in vergelijking met conventionele betonmengsels maar het maakt het beton ook sterker. CarbonCure zegt meer dan 120.000 ton CO2 te hebben afgevangen en heeft onlangs de Carbon XPrize gewonnen. Dat is een wereldwijde wedstrijd die deelnemers uitdaagt baanbrekende technologieën te ontwikkelen om koolstofdioxide om te zetten in bruikbare producten. Het bedrijf deelt de prijs met CarbonBuilt, een bedrijf uit Los Angeles dat technologie inzet die is ontwikkeld door het Institute for Carbon Management aan de UCLA, om de CO2-uitstoot in beton met bijna 50 procent te verminderen. ‘De wereldwijde voorraad aan gebouwen zal naar verwachting in 2060 verdubbelen’, aldus Extavour, ‘dus het is van vitaal belang dat oplossingen zoals die van CarbonCure snel kunnen opschalen.’
Matrassen, sokken en panty’s
Fossiele brandstoffen zitten in de vorm van kunststoffen in vrijwel elk gefabriceerd product. Maar afgevangen koolstofdioxide kan in plaats daarvan als bouwsteen voor veel van deze producten worden gebruikt. In samenwerking met de Tech University Aachen (RTWH) heeft het Duitse bedrijf Covestro met succes CO2 en andere gasmengsels die vrijkomen bij de productie van staal, omgezet in polyolen, een organisch composiet dat gewoonlijk wordt gewonnen uit niet-hernieuwbare bronnen. Covestro gebruikt deze polyolen om een op koolstof gebaseerd materiaal te maken, cardyon genaamd, voor de productie van schuim voor isolatie, matrassen, interieurs van voertuigen, deurpanelen en bekleding van autostoelen.
‘Het is niet alleen een klimaatveranderend gas, maar ook een hulpbron’
Het materiaal is gebruikt voor ’s werelds eerste ondervloer van koolstofdioxide in een onlangs geopende hockeyfaciliteit in het Duitse Krefeld. Niet ver daarvandaan, in Leverkusen, pronkt Covestro-chemicus Liv Adler met oranje sokken die gemaakt zijn van op CO2 gebaseerde draad. ‘Het is niet alleen een klimaatveranderend gas, maar ook een hulpbron’, zegt ze. Adler is coördinator van Carbon4Pur, een EU-initiatief om industriële afvalgassen om te zetten in waardevolle hulpbronnen. Haar sokken zijn nog niet klaar voor massaproductie, maar een grote fabrikant van panty’s maakt al prototypes van de vezel, in de hoop de elasticiteit te verbeteren en deze uiteindelijk in de productie te integreren.
Diamanten
‘Diamonds are not the planet’s best friend’, schrijft Michaela Haas. Mijnbouw vereist een enorme hoeveelheid hulpbronnen, energie en vervuiling. Maar een diamant is in wezen een gewone kristallijne koolstof. Dit jaar zijn twee bedrijven begonnen met de productie van diamanten gemaakt van koolstof die is afgevangen: Aether in de VS en Sky Diamond in het VK. ‘Alles wat nodig is om een Sky-diamant te maken, komt uit de lucht’, zegt Dale Vince, die tevens eigenaar is van ’s werelds groenste voetbalclub.
‘Het enige dat we terug in de wereld brengen, is lucht die schoner is dan hoe we haar eruit haalden’
‘De koolstof wordt uit de atmosfeer gehaald, wind en zon leveren al onze energie en het water dat we gebruiken is opgevangen regen. Het enige dat we terug in de wereld brengen, is lucht die schoner is dan hoe we haar eruit haalden.’
De diamanten zijn fysiek en chemisch ‘identiek aan gedolven diamanten, behalve dan dat ze niet van diep uit de aarde komen’, aldus Aether. Wat normaal gesproken miljoenen of zelfs miljarden jaren duurt, wordt in een paar weken bereikt door extreem hoge temperaturen en druk van hernieuwbare energiebronnen op CO2 los te laten. Ryan Shearman, CEO van Aether, verkoopt zijn sieraden als ‘bling without a sting’ en beweert dat een diamant van één karaat ongeveer 20 ton CO2 uit de atmosfeer haalt, wat meer zou compenseren dan wat de gemiddelde Amerikaan in een jaar produceert, hoewel zijn bewering moeilijk valt te verifiëren. ‘Dit past perfect bij onze boodschap dat groen leven niet betekent dat je dingen moet opgeven’, zegt Dale Vince. ‘Of het nu gaat om hamburgers, auto’s, voetbal of zelfs diamanten, belangrijk is dat we ze op een andere manier produceren.’
Wodka
Air Company, een jonge New Yorkse startup, biedt de kans om emissievrij aan de drank te gaan. Hun wodka bestaat uit slechts twee ingrediënten: CO2 en water. En zon, aldus de website.
Meestal wordt alcohol gedistilleerd na het vergisten van fruit of graan. Bij de productie van een fles wodka gemaakt van tarwe wordt ongeveer zes kilo aan klimaatgassen uitgestoten die worden gegenereerd bij het telen, oogsten en transporteren van de granen. De wodka van Air Company absorbeert daarentegen evenveel CO2 als acht bomen, zegt medeoprichter Gregory Constantine. Vanwege het bedrijfsgeheim weigert hij het recept te geven, maar het productieproces gebruikt in wezen zonne-energie om CO2 om te zetten in pure ethanol, vergelijkbaar met de manier waarop planten fotosynthese gebruiken om CO2 in voedsel om te zetten.
‘Onze wodka is zelfs zuiverder dan conventionele wodka omdat het geen verontreiniging of bijproducten van granen bevat’
‘Onze wodka is zelfs zuiverder dan conventionele wodka omdat het geen verontreiniging of bijproducten van granen bevat’, aldus medeoprichter Stafford Sheehan. Hij studeerde scheikunde aan Yale en daar slaagde hij er voor het eerst in om CO2 om te zetten in alcohol. Het patent van Air Company heeft prijzen gewonnen van NASA en de Verenigde Naties.
Marktpotentieel
Je zal heel veel van deze CO2-negatieve wodka moeten drinken om je CO2-uitstoot van vliegreizen te compenseren. Om een retourvlucht van Los Angeles naar New York te compenseren, in totaal zo’n 8000 kilometer, zijn dat meer dan vierduizend flessen. Anders gezegd: de meeste van deze producten verbruiken niet genoeg CO2 om de klimaatcrisis wezenlijk aan te pakken. Maar het is een begin en nieuwe technologie begint altijd klein.
De nonprofitdenktank Carbon180 schat het jaarlijkse marktpotentieel voor carbontech op meer dan 1 biljoen dollar in de VS en bijna 6 biljoen dollar wereldwijd. Net als Klaus Lackner en andere pioniers op het gebied van koolstofafvang, denkt Carbon180 dat brandstofproductie met 85 procent uiteindelijk het grootste segment van de carbontechmarkt zal uitmaken, gevolgd door bouwmaterialen en kunststoffen. ‘Carbontech biedt marktwaarde voor CO2 die anders de klimaatverandering zou verergeren’, aldus Carbon180.
Meer dan duizend bedrijven in de VS bedreigd door nieuwe cyberaanval
Hackers vielen vrijdag het bedrijf Kaseya aan om losgeld te eisen van bedrijven die gebruik maken van haar systeembeheersoftware. Cybersecurityexperts vermoeden dat de Russische groep REvil, die eind mei vleesgigant JBS trof, bij de hack is betrokken, aldus de internationale pers.
Het is een cyberaanval die ‘precies op tijd komt om het lange weekend van de Amerikanen te verpesten’, merkt The Verge op. Terwijl de Verenigde Staten zich aan het voorbereiden waren op de viering van Independence Day, de nationale feestdag op zondag 4 juli, werd het land op vrijdag en zaterdag getroffen door een nieuwe aanval met ransomware, waarbij de computersystemen van een bedrijf worden lamgelegd, waarna vervolgens losgeld wordt geëist om ze weer te ontgrendelen.
De gehackte bedrijven leveren zelf weer diensten aan andere bedrijven, waardoor de aanval zich razendsnel verspreidde
Het bedrijf Kaseya, dat zich op vrijdag om 12.00 uur aan de Amerikaanse oostkust realiseerde dat er mogelijk sprake was van een incident met zijn VSA-software (waarmee computers van klanten op afstand kunnen worden overgenomen), beweerde eerst dat de aanval beperkt was gebleven ‘tot minder dan 40 klanten wereldwijd’. Maar deze bedrijven leveren zelf weer diensten aan andere bedrijven, waardoor de aanval van hackers zich razendsnel verspreidde. Volgens BBC moest de grote Zweedse supermarktketen Coop zaterdag al meer dan 800 winkels sluiten, omdat de kassa’s waren lamgelegd.
‘We kunnen redelijkerwijs aannemen dat mogelijk duizenden kleine bedrijven getroffen kunnen worden’, vertelde beveiligingsexpert John Hammond aan NBC News. Voor de Amerikaanse zender zou deze nieuwe aanval met ransomware ‘wel eens een van de belangrijkste tot nu toe’ kunnen zijn.
De Verenigde Staten zijn de afgelopen maanden bijzonder hard geraakt door aanvallen waarbij verschillende grote bedrijven werden getroffen, zoals vleesgigant JBS en Colonial Pipeline, een beheerder van oliepijpleidingen, evenals verschillende lokale gemeenschappen en ziekenhuizen.
Escalatie
Volgens onderzoeker John Hammond, die met de Amerikaanse zender CBS News sprak, zou de Russische hackergroep REvil achter deze nieuwe cyberaanval zitten. Deze groep is ook verantwoordelijk voor de aanval met ransomware die JBS eind mei trof. ‘Een analyse van de malware door cyberbeveiligingsbedrijf Emsisoft toonde aan dat deze is gemaakt door REvil’, zo meldt ook CNN.
‘Als het de schuld van Rusland is, dan heb ik Poetin al laten weten dat we zullen reageren’, aldus Biden
‘Slachtoffers van de cyberaanval zijn getroffen door een update van de Kaseya-software’, liet beveiligingsexpert Kevin Beaumont aan The New York Times weten. ‘In plaats van de laatste update van Kaseya te ontvangen, kregen ze de ransomware’, is zijn verklaring. Voor de expert markeert deze nieuwe aanval ‘een serieuze escalatie in de tactieken’ die de hackers gebruiken. Bij eerdere aanvallen kwam REvil nog binnen ‘met een combinatie van phishing, gestolen wachtwoorden en geholpen door het ontbreken van multifactorauthenticatie’, aldus Beaumont.
‘De timing van deze aanval ligt politiek gevoelig, want hij komt slechts enkele weken nadat Biden de Russische president Vladimir Poetin had verzocht om cybercriminaliteit aan te pakken’, zo schrijft Bloomberg.
Zaterdag zei de Amerikaanse president, die opdracht gaf tot een onderzoek, dat het onwaarschijnlijk is dat de Russische regering verantwoordelijk is voor de aanval die Kaseya heeft getroffen, hoewel hij zegt dat de Amerikaanse regering er nog niet zeker van is. Als blijkt dat ‘dit is gebeurd met medeweten van Rusland of als het de schuld van Rusland is, dan heb ik Poetin al laten weten dat we zullen reageren’, aldus Biden.
Schandaal rond Bolsonaro bij aankoop coronavaccin
Negeerde Jair Bolsonaro opzettelijk de verdenking van corruptie bij de aanschaf van een Indiaas covid-19-vaccin? De Braziliaanse procureur-generaal heeft in ieder geval besloten de zaak te onderzoeken.
Het schandaal houdt de Braziliaanse samenleving al enkele dagen in haar greep en raakt nu ook president Jair Bolsonaro. Volgens de Braziliaanse krant O Globo, heeft de procureur-generaal afgelopen vrijdag besloten een onderzoek in te stellen naar de Braziliaanse president, die ervan wordt beschuldigd niet te hebben gehandeld nadat hij op de hoogte was gesteld van onregelmatigheden rond onderhandelingen over de aanschaf van het coronavaccin Covaxin, geproduceerd door het Indiase laboratorium Bharat Biotech. ‘Opnieuw imagoschade’ voor een zeer controversiële leider, zo schrijft het dagblad.
265 miljoen euro
Bolsonaro zou in maart ‘waarschuwingen hebben genegeerd’ vanwege verdenking van corruptie en te hoge prijzen, schrijft Estado de Minas. De krant schrijft dat het contract ter waarde van ongeveer 265 miljoen euro is opgeschort na onthullingen door het centrumrechtse parlementslid Luis Miranda en zijn broer Luis Ricardo Miranda, een ambtenaar van het ministerie van Volksgezondheid die verantwoordelijk is voor de invoer van vaccins.
De ambtenaar was verrast door de onderhandelde prijs, ongeveer 12 euro per dosis, die veel hoger lag dan de prijs die betaald wordt voor concurrerende vaccins. De Singaporese tussenpersoon die bij de onderhandelingen betrokken was, leek hem ook verdacht. Hij bracht zijn broer op de hoogte die het doorgaf aan zijn directeur. Die zou verzekerd hebben dat hij de federale politie zou verwittigen, wat hij vervolgens nooit zou hebben gedaan.
Alles wijst erop dat de president er bewust voor heeft gekozen om de vermeende corruptie niet te onderzoeken
‘Het onderzoek moet nu duidelijk maken of de president op de hoogte was van de onregelmatigheden en niet heeft gehandeld’, schrijft de Spaanse krant El País.
‘Alles wijst erop dat de president er inderdaad bewust voor heeft gekozen om de vermeende corruptie die onder zijn aandacht werd gebracht door gedeputeerde Luis Miranda en diens broer niet te onderzoeken’, zo bevestigen drie oppositiesenatoren, in Gazeta Do Povo, een weekblad uit Curitiba. ‘Het is een feit’, zegt ook Omar Aziz, voorzitter van de CPI, de parlementaire onderzoekscommissie naar de ontwikkeling van de pandemie, in een ander artikel. Gazeta do Povo voegt daaraan toe dat de commissie ‘een constant doelwit vormt voor aanvallen door de president’.
Kopzorgen
De zaak haalt de voorpagina’s van de kranten in het hele land, maar heeft ook de interesse gewekt van buitenlandse media. ‘Er zijn geen aanwijzingen dat Bolsonaro persoonlijk van de transactie heeft geprofiteerd’, schrijft Bloomberg. Maar een dergelijk onderzoek zou nieuwe kopzorgen voor de Braziliaanse president betekenen, en is koren op de molen van het lopende parlementaire onderzoek door de CPI.
Zodra het onderzoek is afgerond, zal de procureur-generaal ‘beoordelen of er sprake is van een misdrijf’ en indien nodig een klacht indienen, meldtCorreio Braziliense. Voor vervolging heeft de Hoge Raad toestemming nodig van het parlement. Mocht die toestemming er komen, dan zal Bolsonaro voor zes maanden van zijn functie worden ontheven.
Maar Bruno Salles, hoofd van het Braziliaanse Instituut voor Criminologie, zegt tegen Bloomberg dat hij zich niet kan voorstellen dat het zo ver zal komen. ‘Zelfs als de aanklager de zaak niet sluit, wat de meest waarschijnlijke hypothese lijkt, zullen parlementariërs niet toestaan dat Bolsonaro voor de rechtbank moet getuigen. Er zijn eerder twee soortgelijke pogingen geweest tegen voormalig president Michel Temer. Beiden werden afgewezen.’
Champagneoorlog tussen Rusland en LVMH
Vladimir Poetin ondertekende afgelopen vrijdag een wet die bepaalt dat alleen mousserende wijnen uit Rusland het woord ‘champagne’ mogen gebruiken, terwijl Franse champagne de naam ‘mousserende wijn’ moet gebruiken. Het Franse luxeconcern LVMH, dat de beroemde Moët et Chandon produceert, heeft aangekondigd dat het van plan is de leveringen aan Rusland op te schorten.
De vraag is of rijke Russen afscheid zullen moeten nemen van hun flessen Moët et Chandon, Veuve Cliquot of zelfs Dom Pérignon, zo schrijft het Russische dagblad Kommersant. Volgens de krant zou dat namelijk het gevolg zijn van het dreigement van LVMH aan Rusland. Een Russische dochteronderneming van het Franse bedrijf heeft zijn lokale partners gewaarschuwd dat het de leveringen van champagne aan het land tijdelijk opschort, omdat Vladimir Poetin vrijdag een controversiële nieuwe wet heeft getekend ‘die nieuwe eisen stelt aan wijnproducten’.
‘In het cyrillisch geschreven wordt de term “champagne” in Rusland al sinds de Sovjettijd gebruikt’
De tekst bepaalt dat voortaan alleen Russische wijnen als ‘champagne’ mogen worden bestempeld, terwijl echte Franse champagne tevreden moet zijn met de aanduiding ‘mousserende wijn’. Het is een regelrechte belediging voor Frankrijk, waar de term ‘champagne’ angstvallig wordt verdedigd en beschermd door een appellation d’origine contrôlée, die voorschrijft dat wijn uit een specifiek omschreven gebied in een regio met dezelfde naam moet komen om het recht te hebben die naam te gebruiken.
‘Dit probleem rond terminologie is niet nieuw’, merkt de door het Kremlin gecontroleerde nieuwssite Sputnik op. ‘In het cyrillisch geschreven wordt de term “champagne” in Rusland al sinds de Sovjettijd gebruikt voor een industrieel geproduceerde schuimende drank. Dankzij een versnelde fermentatie duurt de productiecyclus slechts drie weken van deze “Sovjet-champagne”, die wordt geproduceerd in verschillende Russische distilleerderijen die niets te maken hebben met wijnregio’s’.
Sébastien Vilmot, directeur van Moët Hennessy in Rusland, de dochteronderneming van LVMH, heeft tot dusver geweigerd commentaar te geven op de controversiële Russische wet.
De Indiase export is in de maand mei met ruim 67 procent gegroeid tot 32,21 miljard dollar, dankzij positieve ontwikkelingen in sectoren als techniek, farmaceutica, olieproducten en chemie. Dit blijkt uit voorlopige gegevens die het Indiase ministerie van Handel deze week publiceerde. Business Standard bericht dat de export vorig jaar mei 19,24 miljard dollar bedroeg. In mei 2019 was dat 29,85 miljard dollar.
Docenten willen vrijuit spreken
Meer dan vier op de tien leraren van middelbare scholen in Hongkong vinden dat ze vrijuit hun mening moeten kunnen uiten, maar slechts een vijfde van de schoolhoofden denkt er hetzelfde over, zo blijkt uit een recente enquête. De bevindingen maken deel uit van een onderzoek door de Vereniging van Middelbare Schoolhoofden naar de professionele status en sociale erkenning van leraren.
Bijna tweeduizend middelbare scholieren en meer dan honderd leraren werden uiteindelijk gearresteerd
Uit de peiling blijkt ook dat de meeste docenten en ouders van mening zijn dat leraren het recht hebben om vrijelijk deel te nemen aan ‘sociale evenementen’, hoewel de meesten het er wel over eens zijn dat docenten de verantwoordelijkheid hebben om studenten te ontmoedigen om deel te nemen aan illegale activiteiten.
Volgens de onderzoekers tonen de resultaten de opvattingen van ouders en leraren over de protesten tegen de regering die in juni 2019 uitbraken, waaraan veel docenten en studenten deelnamen. Bijna tweeduizend middelbare scholieren en meer dan honderd leraren werden uiteindelijk gearresteerd op verdenking van aan de protesten gerelateerde misdrijven, schrijft South China Morning Post.
Ngo’s boycotten Winterspelen
China zal de Winterspelen van 2022 in Beijing organiseren. Maar een groeiend leger van mensenrechtenactivisten roept landen op om de spelen te boycotten vanwege de schendingen van mensenrechten door China, zoals de vervolging van Oeigoerse moslims in Xinjiang, die door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken is betiteld als’genocide’.
Een coalitie van ongeveer honderdtachtig mensenrechtenorganisaties heeft een ‘oproep tot actie’gedaan waarin landen en atleten worden opgeroepen tot een boycot van wat ze de’genocide Olympics’ zijn gaan noemen. Als Beijing ongestoord een Olympisch spektakel mag organiseren, zeggen ze, dan komt dat neer op acceptatie van de wreedheden van de Chinese regering tegen de Oeigoeren, het antidemocratisch optreden in Hongkong en andere mensenrechtenschendingen, aldus Vox.
‘Als genocide geen aanleiding is om de Olympische Spelen te boycotten, dan is niets dat meer’, zegt Zumretay Arkin van het World Uyghur Congress, een van de groepen die de campagne voor een boycot steunen.
België herroept ambassadeur
In april sloeg de vrouw van de Belgische ambassadeur in Zuid-Korea een medewerker in een kledingwinkel. Volgens Zuid-Koreaanse media werd de vrouw verdacht van winkeldiefstal. Bij het verlaten van de winkel zou ze boos hebben gereageerd toen een medewerker vroeg of ze wel had betaald voor de jas die ze droeg. Op bewakingsvideo’s is te zien hoe de ambassadeursvrouw vervolgens een medewerker slaat en een ander lastigvalt, meldt Der Spiegel.
De video werd later op sociale media gedeeld en daardoor leidde het incident tot wijdverbreide verontwaardiging. Sindsdien zijn de betrekkingen tussen de twee landen behoorlijk gespannen. Het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken heeft nu laten weten dat het zijn ambassadeur Peter Lescouhier terugtrekt uit Zuid-Korea. ‘Het is duidelijk geworden dat de huidige situatie hem niet toestaat zijn rol op een ontspannen manier te blijven uitoefenen’, aldus een verklaring van het ministerie. Lescouhier was sinds drie jaar de ambassadeur in Seoul.
Zagreb kiest groene kandidaat
Een linkse en groene kandidaat won afgelopen zondag de race om het burgemeesterschap van de Kroatische hoofdstad Zagreb door zijn extreemrechtse rivaal in een tweede ronde te verslaan. Met deze uitslag krijgt de stad voor het eerst in twee decennia een nieuwe burgemeester. Tomislav Tomasevic, die een vooruitstrevend milieubeleid beloofde om de leefbaarheid in de hoofdstad te verbeteren, kreeg 65 procent van de stemmen. Zijn tegenstander was de 59-jarige ex-popzanger Miroslav Skoro.
De vertrekkende burgemeester, Milan Bandic, leidde meer dan twintig jaar de stad. Hij werd beschuldigd van corruptie, stapte toch in de race voor een nieuwe termijn, maar stierf in februari aan een hartaanval.
Tomasevic, 39, die wordt gezien als symbool van een nieuwe generatie Kroatische politici, voerde campagne met de belofte om vriendjespolitiek en de ‘octopus van corruptie’ in de hoofdstad uit te roeien. Hij belooft de hoofdstad ‘groener, eerlijker, efficiënter en transparanter’ te maken, aldus EuroNews.
Horeca Italië mag binnen open
Italië zet de coronaversoepelingen door en sinds afgelopen dinsdag mogen bars en restaurants hun klanten ook weer binnen bedienen, tot opluchting van uitbaters die niet beschikten over een terras buiten. De verplichting tot het dragen van mondkapjes wanneer klanten niet zitten, eten of drinken, blijft vooralsnog van kracht.
De klassieke Italiaanse gewoonte van een espresso ‘al bancone’, aan de bar, was sinds maart verboden, maar wordt nu dus weer in ere hersteld zo meldt The Local. Vooral dat verbod leidde tot protesten van Italiaanse bareigenaren, omdat de traditie van een snelle koffie aan de bar de ‘levensader’ vormt voor tienduizenden kleine bedrijven in de horeca.
Situatie Libanon is uitzichtloos
De langdurige economische crisis in Libanon behoort tot ’s werelds tien zwaarste crises sinds het midden van de negentiende eeuw. Dat schrijft de Wereldbank in een recent rapport, weergegeven door . ‘Voortdurende beleidsinactiviteit en de afwezigheid van een optimaal functionerende uitvoerende autoriteit bedreigen de toch al kwetsbare sociaal-economische omstandigheden en de broze sociale vrede, terwijl een duidelijk keerpunt aan de horizon ontbreekt’, aldus de Wereldbank geciteerd door Middle East Monitor. Volgens het rapport is het bbp van Libanon gekelderd van bijna 55 miljard dollar in 2018 tot naar schatting 33 miljard dollar in 2020, terwijl het bbp per hoofd van de bevolking in dollars met ongeveer 40 procent is gedaald.
Maandag kwam de orkaan Tauktae aan land in de Indiase staat Gujarat, waardoor de pogingen van de autoriteiten om de verwoestende epidemie aan te pakken verder worden belemmerd. Het land probeert zich zo goed mogelijk te organiseren om patiënten te kunnen blijven behandelen, aldus de Indiase pers.
In het westen van India verkeren de inwoners van Gujarat in gespannen afwachting van de komst van de krachtige orkaan, schrijft nieuwssite Daily News and Analysis. Na dagen van zware regenval en harde wind waarbij twintig mensen omkwamen, bereikte Tauktae maandagavond de staat Gujarat waar 62 miljoen mensen wonen. Een vrouw kwam om toen een stroomkabel naar beneden kwam in de stad Patan in het noorden van Gujarat.
De nieuwssite schrijft dat India wordt getroffen door Tauktae op het moment dat het land worstelt met een tweede, intens zware coronagolf die dagelijks meer dan vierduizend mensenlevens eist. Maandag overschreed het totale aantal coronagevallen de drempel van 25 miljoen, nadat 263.533 nieuwe infecties op één dag werden geregistreerd, zo blijkt uit gegevens die dinsdag werden gepubliceerd door het ministerie van Volksgezondheid.
Angst voor een opleving in de komende weken
‘Hoewel het aantal gevallen afneemt’ in Gujarat en Maharashtra, de twee staten die het hevigst door de orkaan worden getroffen, worstelen ze ‘nog steeds met de gevolgen van de catastrofale tweede golf’, schrijft de New Delhi Times. Volgens het dagblad moesten meer dan 150.000 mensen tijdelijk worden ondergebracht in onderkomens in lagergelegen gebieden van Gujarat, ‘waardoor de angst groeit dat de epidemie de komende weken zal verergeren’. In veel kuststeden die gevaar lopen door de orkaan heeft de federale overheid de vaccinatiecampagne stopgezet.
De Indiase autoriteiten vrezen dat de orkaan toegang tot medicijnen en zuurstof zal bemoeilijken
Volgens de New Delhi Times heeft de storm ook ‘de problemen verergerd waarmee de Indiase ziekenhuizen en gezondheidscentra worden geconfronteerd’. In Mumbai, de hoofdstad van Maharashtra, moesten 580 covid-19-patiënten die in gespecialiseerde centra werden behandeld, uit voorzorg worden overgebracht naar gemeentelijke ziekenhuizen. Het leger is gemobiliseerd om de aanvoer van zuurstof zeker te stellen.
De Indiase autoriteiten vrezen dat de orkaan toegang tot medicijnen en zuurstof zal bemoeilijken, terwijl ze nu al schaars zijn. Aangezien Gujarat een zeer belangrijke leverancier van zuurstof is aan andere staten, aldus The Hindu, is het Indiase leger ingeschakeld om ervoor te zorgen dat de wegen toegankelijk zullen blijven als de orkaan voorbij is.
De Indiase website Mintmeldt dat Western Railway de afgelopen twee dagen meer dan 350 ton zuurstof heeft vervoerd vanuit de door de orkaan getroffen gebieden naar andere delen van het land. Om stroomstoringen te voorkomen in zo’n 400 ziekenhuizen en 41 zuurstofcentrales in de 12 kustdistricten waar Tauktae naar verwachting het hardst zal toeslaan, zijn er ook meer dan duizend generatoren geïnstalleerd.
Vaccinatievoorrang in Duitsland vervalt per 7 juni
Vanaf 7 juni speelt in Duitsland leeftijd, kwetsbaarheid of beroep geen rol meer in het vaccinatiebeleid en kunnen alle volwassenen op afspraak gevaccineerd worden tegen het coronavirus. Dit schrijftSüddeutsche Zeitung. Volgens de krant tekende Minister van Volksgezondheid Jens Spahn daarbij wel aan dat niet iedereen over tweeënhalve week onmiddellijk gevaccineerd kan worden. Artsen en vaccinatiecentra zullen eerst de huidige fase moeten afronden. Die is gericht op van het toedienen van vaccins aan doelgroepen waaraan eerder prioriteit is gegeven.
Spahn noemde het terecht dat er de afgelopen maanden bepaalde criteria zijn gesteld om te bepalen wie voorrang kreeg bij vaccinatie. Hij sprak van een ‘morele verplichting’. ‘Het was geen kwestie van bureaucratie, het heeft mensenlevens gered’, aldus Spahn. Hij merkte ook op dat de snelheid waarmee zal kunnen worden gevaccineerd afhankelijk is van de snelheid waarmee vaccins zullen worden geleverd.
40 procent van de 84 miljoen Duitsers zal eind mei ten minste één dosis hebben gekregen
Dat Spahn de prioritering nu schrapt, is te verklaren door de voortgang van de vaccinatiecampagne: een toenemend aantal van de mensen die extra kwetsbaar waren voor corona, is nu minimaal één keer gevaccineerd. Volgens het ministerie van Volksgezondheid zal naar verwachting ongeveer 40 procent van de 84 miljoen inwoners van het land eind mei ten minste één dosis hebben gekregen. De Duitse regering heeft zich ten doel gesteld om tegen eind september alle volwassenen te hebben gevaccineerd.
Musea achter het fornuis
In samenwerking met beroemde chef-koks grijpen diverse musea werken uit hun collectie aan om ze te combineren met eten en drinken en zodoende een nieuw publiek te trekken, schrijft The Economist. Het Uffizi-museum in Florence lanceerde bijvoorbeeld een serie gastronomische video’s met als motto ‘Uffizi da mangiare – L’arte in cucina’ (‘Uffizi om te eten – Kunst in de keuken’). Italiaanse chef-koks bedenken een recept dat is geïnspireerd op een schilderij uit de collectie van het museum en presenteren zowel het werk als het gerecht. Zo bedacht de beroemde Toscaanse restauranthouder-slager Dario Cecchini bijvoorbeeld een costata alla fiorentina gebaseerd op een voorraadkast met wild, geschilderd door Jacopo Chimenti. Marco Stabile, een chef-kok uit Florence mét een Michelinster, transformeerde Giorgio De Chirico’s Stilleven met paprika’s en druiven in een risotto.
Artistieke hapjes
De keuken en voedsel waren altijd al een onderwerp voor kunstenaars, maar nu worden de rollen dus omgedraaid: schilderijen worden geïnterpreteerd als bron voor een gerecht en het resultaat kan online worden gedeeld als een artistiek hapje. Het is een aanlokkelijk stap voor musea die hun publiek moeten missen vanwege de pandemie.
Vorig jaar lanceerde het Los Angeles County Museum of Art (LACMA) een driemaandelijkse videoserie genaamd Cooking with LACMA, met chef-koks, voedselhistorici en recepten die zijn geïnspireerd op de collecties. In de eerste video maakte Maite Gomez-Rejón van ArtBites, een site die culinaire geschiedenis en kunstgeschiedenis samenbrengt, een mezcal-margarita geïnspireerd op de werk van de Mexicaanse kunstenaar Rufino Tamayo. Deze maand volgt een Japans gerecht, gebaseerd op het werk van schilder Nara Yoshitomo; de video wordt op 25 mei geüpload. Vivian Lin van het museum hoopt dat mensen die de video’s zien ‘recepten en nieuwe perspectieven op de schilderkunst zullen delen’.
Cocktails met een curator
Cocktails zijn bijzonder populair in deze tijden van pandemie, ontdekte Gomez-Rejón. Ze werkte mee aan een videoserie die werken van het Huntington-museum in Californië opnieuw belicht in de vorm van drank en voedsel. Het Museum of Fine Art van Houston toverde een geel zelfportret van de Tsjechische kunstenaar Frantisek Kupka om tot een tropisch drankje. En The Frick Collection in New York, is begonnen met de Cocktail with a Curator-serie, een wekelijkse videopresentatie waarin experts een drankje associëren met het thema of de afkomst van een kunstwerk.
De liefde van de kunstwereld voor koken begon overigens al vóór de pandemie. De vorig jaar uitgebrachte documentaire Ottolenghi and the Cakes of Versailles biedt bijvoorbeeld een herinterpretatie van de achttiende-eeuwse Franse keuken tijdens een luxueus banket in het Metropolitan Museum of Art, New York. De trend zal naar verwachting dan ook doorzetten na alle lockdowns. Musea zijn altijd op zoek naar meer bezoekers en de connectie met eten en drinken kan helpen nieuwe bezoekers aan te trekken en mogelijk tot samenwerking leiden met nieuwe partners. ‘Het kan echt een goed begin zijn voor mensen die zich nog niet zo gemakkelijk thuis voelen in de wereld van de kunst’, aldus Elee Wood van het Huntington.
En vergeet niet, zegt Gomez-Rejón, ‘dat koken zelf een kunst is’. Net zoals beeldende kunst belicht koken de cultuur waar ze uit voortkomt en het naast elkaar plaatsen van deze twee vormen van creativiteit verrijkt ons cultuurbegrip.
Neem bijvoorbeeld de blancmange die banketbakker Debora Massari bereidde voor de Uffizi-serie. Met dit gerecht, dat wortels heeft in de Arabische keuken en aan de Medici werd geserveerd, brengt Massari een eerbetoon aan de huwelijksportretten van Agnolo en Maddalena Doni, geschilderd door Raphael aan het begin van de 16e eeuw. Een ring van blancmange bedekt met pure chocolade stelt Agnolo voor, een ring bedekt met witte chocolade en citroenmarmelade staat voor Maddalena. Massari heeft beide ringen geplaatst op haar patisserieversie van de Doni Tondo die Michelangelo voor de Doni-familie maakte. Het geheel is een prachtige reis door de kunst en de geschiedenis en ziet er ook nog eens bijzonder appetijtelijk uit.
Een groep Armeense experts staat voor een bijzondere uitdaging: Armeense brandewijn onder een nieuwe naam bekend maken, promoten en op de markt brengen.
De ‘cognac’ die Armenië al 130 jaar produceert, zal van naam moeten veranderen. Dat staat in de samenwerkingsovereenkomst met de Europese Unie, die op 1 maart in werking is getreden. De overeenkomst tussen de EU en Armenië houdt in dat beide partijen ‘ernaar streven om hun samenwerking op alle mogelijke gebieden te versterken en te verdiepen’.
Maar de overeenkomst zou de verkoop van Armeense cognac schade kunnen toebrengen. De drank, die in het Russische rijk en vervolgens in de Sovjet-Unie werd beschouwd als ‘visitekaartje’ van Armenië, is ‘een onmisbare souvenir om mee te nemen van je reis naar dit land’, schrijft de Russische krant Argoumenty i Fakty.
Overgangsperiode
Volgens de voorwaarden van de overeenkomst met de EU en op dringend verzoek van Frankrijk, moet Yerevan geleidelijk de naam ‘cognac’ laten gaan. Armenië zal de drank tot 2032 onder deze naam kunnen exporteren, maar alleen op post-Sovjet-grondgebied.
Dan profiteert Armenië van een overgangsperiode van tien jaar, tot 2043, om de resterende voorraden te verkopen. Als het land deze voorwaarde niet respecteert, moet het voorkomen voor internationale commerciële arbitrage.
Er is een groep Armeense specialisten samengesteld die tegen 2026 ‘een nieuwe naam voor de drank [moet] vinden en nadenken over herpositionering van het merk, een lang en duur proces’, maar essentieel om het ‘marktaandeel te behouden’, legt de site News Armenia uit.
‘Armenië kan en zal haar unieke product behouden, en de Armeense regering hoeft alleen maar uit te zoeken hoe ze de expertise en ervaring die in de loop van de eeuwen is opgedaan effectief kan inzetten’, adviseert de Russische marktspecialist Spirits Sergei Lichtchiouk, geciteerd door de site Sputnik Armenia.
Druivenrassen uit de Araratvallei
De productie van cognac in Armenië begon in 1887 op initiatief van Nersès Taïrian, een rijke zakenman. De wijnbrandewijn werd gedistilleerd ‘volgens klassieke Franse methode’ en met distillaten en vaten die uit Frankrijk werden geïmporteerd, schrijft Armedia.
Om Armeense cognac te maken, worden endemische druivensoorten uit de Araratvallei gebruikt, die met name voorkomen in de dorpen Voskéat, Garandmak, Tchilar, Mskhali, Kangoun, Banants, Kakhet, Mekhali.
Na de Russische revolutie van 1917 werd de productie genationaliseerd. De Yerevan Ararat-distilleerderij, genoemd naar de heilige berg van de Armeniërs, gelegen in Anatolië (het huidige Turkije), verhuisde naar Yerevan. De kelders vormen nu de oplslagplaats van tientallen miljoenen liter sterke drank.
Het eerste Europese verzoek om de naam van Armeense cognac te wijzigen dateert uit 1959, aldus de Armeense site. Voor de export wordt de drank op de markt gebracht onder de namen Naïri, brandy Ararat en Dvin brandy Ararat.
De productie van de Yerevan-distilleerderij was niet alleen ‘lekker en van hoge kwaliteit’, maar ook ‘betaalbaar’
De productie van de Yerevan-distilleerderij was niet alleen ‘lekker en van hoge kwaliteit’, maar ook ‘betaalbaar’, volgens de Armeense krant Novoye Vremia.
‘In de Sovjet-tijd was Armeense cognac bestemd voor de buitenlandse markt’, schrijft de Russische website Life.ru.In 1975 exporteerde de Sovjet-Unie 359.850 liter van deze drank. In 1998 werd de distilleerderij overgenomen door de Franse groep Pernod Ricard, ‘een van de zeldzame keren in de geschiedenis van onafhankelijk Armenië dat privatisering gunstig is geweest voor het bedrijf en het land’, merkt Argoumenty i Fakty op.
Het merk heeft veel geïnvesteerd om de productie te ‘moderniseren’, maar ‘zonder zich te mengen in de traditionele technologie die de afgelopen decennia door Armeense meesters is ontwikkeld’, waaronder de beroemde Markar Sedrakian.
Om niemand te beledigen, exporteert Pernod Ricard ‘cognac’, geschreven in het cyrillisch, naar ex-Sovjetlanden, en ‘brandy’ naar Europa. ‘Er was geen andere mogelijkheid‘, aldus Novoïé Vremia. De krant haalt een teleurgestelde Armeense cognacliefhebber aan, die voorstelde ‘een Armeens dorp Cognac te noemen en de Fransen hartelijk te groeten vanuit het Armeense Cognac’.
Hoe het ook mag heten, Armeense cognac wordt in groten getale geëxporteerd (gemiddeld 10 miljoen liter per jaar) en blijft prijzen winnen op prestigieuze internationale beurzen, zoals op 17 maart de gouden medaille voor Ararat Naïri (een blend uit 1967 en houder van dertig internationale medailles) in de vierde London Spirits Competition, ‘tegen de Franse, Amerikaanse, Spaanse en Ierse concurrenten’. De Armeense plaats Verelq is er trots op.
De Finnen zijn het meest tevreden volk ter wereld. Hoe krijgen ze dat jaar na jaar weer voor elkaar? We nemen een kijkje in het noorden, waar ze alles beter doen dan in de rest van de wereld – tot postzegels ontwerpen aan toe.
Onze zoektocht naar het geluk eindigt waar hij nooit had moeten eindigen: in een cliché. Aan een Fins meer in een zacht avondzonnetje, op een eenzame bank onder de dennenbomen, terwijl ik zojuist uit de hitte van de sauna ben ontsnapt en de damp van me afslaat, ben ik volmaakt gelukkig. Hier woont het gelukkigste volk ter wereld, in Finland, aan de noordrand van Europa. Dat heeft de Verenigde Naties in zijn World Happiness Report (WHR) voor de derde keer achtereenvolgende keer bevestigd.
Ons bezoek aan dit 5,5 miljoen zielen tellende volk begon een goede week geleden op een plaats waar die dag de hemel dichtbij is: als de zon doorbreekt, ligt er over het vliegveld van Helsinki een schittering, zo stralend en pijnlijk helder als je verder alleen op de Tibetaanse hoogvlakte ziet. De Oodi, de nieuwe centrale bibliotheek van Helsinki, ziet eruit als een geschenk uit een andere wereld. Aan de rand van het dak van de Oodi, nog dichter bij de hemel, staat Antti Nousjoki, de architect, en wijst naar de mensen die in de stralen van de herfstzon zitten te lezen. ‘Zo’n balkon als dit is voor ons Finnen belangrijk,’ zegt hij, ‘ook al kunnen we het maar een paar dagen per jaar gebruiken. Alle andere dagen zitten we binnen, kijken naar buiten op het balkon en dromen.’
Het land deed zichzelf voor zijn honderdste verjaardag een bibliotheek cadeau die is uitgeroepen tot de beste van de wereld. De spiegelglad gepoetste onderzijde van de Oodi wordt wel vergeleken met een houten scheepsromp, de bovenkant lijkt op een in glas gevat pak opgewaaide sneeuw. Op de lichte bovenverdieping liggen hier en daar mensen op hun buik te lezen, andere zijn met hun boek in een van de witte ‘Ball Chairs’ gekropen. Op de als de boeg van een schip hoog oprijzende, uitstekende punt van het dak poseren twee blonde tienermeisjes in artistiek gescheurde spijkerbroeken voor een selfie. Antii Nousjoki wijst uit het raam naar de overkant van het grote plein: ‘Kijk, het parlementsgebouw, de tempel van de democratie. We hebben de Oodi zo gebouwd dat we ons op ooghoogte met het parlement bevinden.’
De Oodi vormt het hart van de hoofdstad en heeft het kwakkelende winkelgebied afgelost als Helsinki’s zenuwcentrum. ‘Er wordt hier weer meer gewoond dan gewinkeld,’ zegt de architect. Het verhaal van de Oodi is ook het verhaal van een land en zijn bibliotheken.
Het is zinnig om op deze plek onze zoektocht naar het geluk van de Finnen te beginnen. In Finland is al jaren een speciale bibliotheekwet van kracht. In 2016 werden de bibliotheken bijna 50 miljoen keer bezocht en leenden ze 68 miljoen boeken uit. Ter vergelijking: de gemiddelde Nederlander gaat 3,7 keer per jaar naar een bibliotheek (2019).
De Oodi heeft 100 miljoen euro gekost. Dat is veel geld. Maar iedere inwoner van Helsinki voelt zich mede-eigenaar. De Oodi is het nieuwe forum en de nieuwe woonkamer van de stedelijke samenleving. Bibliotheken waren, vermoedelijk vanwege het slechte weer, altijd al ontmoetingsplekken, waar je je vrienden tegenkomt en ook advies kunt vragen. ‘Als je het vraagt zouden de bibliotheekmedewerksters je zelfs helpen je belastingaangifte in te vullen,’ zegt Antii Nousjoki.
De bovenverdieping is gereserveerd voor de boeken, maar in een Finse bibliotheek kun je al heel lang ook boormachines en ander gereedschap lenen. Als je het binnenste van de Oodi betreedt, kun je onder de stalen brugconstructie musici met een elektrische gitaar of een viool tegenkomen, die onderweg zijn naar een van de muziekstudio’s. Naast de naaimachines staan 3D-printers en op de traptreden voor de fotoprinters zit een groepje flyers te maken voor een concert. stadsatelier, staat er op een bord. Achterin bevindt zich een complete professionele keuken. ‘Mijn schoonvader heeft zijn verjaardag hier gevierd,’ zegt Antii Nousjoki. ‘Weet u, wij Finnen betalen graag belasting, omdat we weten wat we ervoor terugkrijgen, en ook omdat we een egalitaire samenleving zijn.’
De Oodi staat voor het nieuwe Helsinki, het Finland dat niet meer de rafelrand van Europa is, maar in veel opzichten een voortrekker en een voorbeeld. De Oodi, zegt Nousjoki, ‘is de uitdrukking van dat nieuwe zelfbewustzijn’.
Ze moeten nog wel een beetje wennen aan hun nieuwe zelfbewustzijn. Toen in het World Happiness Report van de VN de Finnen in 2018 voor het eerst werden uitgeroepen tot het gelukkigste volk ter wereld, reageerden ze tamelijk verbaasd. Wij? Gelukkig? Serieus?
Nogal een contrast met de Denen, die de jaren ervoor een abonnement op de eerste plaats leken te hebben en op hun status als zondagskinderen graag luchtig reageerden met: wie anders? Denemarken was ook de bakermat van de hygge, een hype die met zijn openhaardengezelligheid een reactie was op het verlangen naar kleinburgerlijkheid in een steeds chaotischer wereld.
Ook op dat vlak voeren de Finnen nu de troepen aan: ze hebben de wereld kalsarikännit geschonken, de ‘uit Finland afkomstige ontspanningstechniek’ (Wikipedia) die gewoon betekent: ‘thuis dronken worden in je ondergoed’. Het World Happiness Report was niet de eerste wereldranglijst waar Finland de afgelopen jaren bovenaan eindigde. En zoals wel vaker verdeelde het de tobberige Finnen in een deel dat de onderzoeksmethode ter discussie stelde en een deel dat de blijde boodschap omhelsde maar die meteen bedolf onder een waslijst van de grootste misstanden in het land.
‘Wij Finnen denken altijd dat als we ons ergens op verheugen, er vast en zeker iets misgaat. Dus verheugen we ons maar liever nergens op’
Op een paar minuten lopen van de Oodi spreken we Nasima Razmyar in haar kamer op het stadhuis met uitzicht op de haven. Op haar bureau ligt het laatste nummer van een vrouwentijdschrift waar ze op de cover prijkt. Als locoburgemeester van Helsinki is sociaaldemocrate Nasima Razmyar verantwoordelijk voor sport en cultuur. Ze vertelt over internationale conferenties waar haar delegatie plastic mapjes uitdeelt waarop in een hoekje is geprint: Gelukkigste land ter wereld. ‘Maar in zulke kleine lettertjes dat je het amper kunt lezen.’
Finnen maken zich graag onzichtbaar. Dat komt ook door de geschiedenis van Finland, denkt ze: al die bezettingen, de oorlogen, de bloedige burgeroorlog van 1918. ‘Wij Finnen denken altijd dat als we ons ergens op verheugen, er vast en zeker iets misgaat. Dus verheugen we ons maar liever nergens op.’
Razmyar praat met veel gebaren en een aanstekelijke lach, je merkt meteen dat ze een ander temperament heeft dan de meeste Finnen. Razmyars familie komt uit Afghanistan, haar vader was vroeger ambassadeur in Moskou. In 1993 is het gezin naar Finland gevlucht, Nasima was toen acht. ‘Koud was het in het vluchtelingenkamp ergens in het noorden van Lapland, koud en donker.’ Ze moesten met niets beginnen. ‘Maar ik heb nooit het gevoel gehad dat we arm waren of dat het me aan iets ontbrak. Misschien is het mooiste aan Finland wel dat iedereen hier gelijke kansen heeft, wie of wat je ook bent.’
‘Wij Finnen betalen graag belasting, omdat we weten wat we ervoor terugkrijgen’
Nog niet zo lang geleden was Finland een van de armste landen van de wereld. ‘Weet u, wij hebben geen historie van macht en rijkdom, zoals Denemarken en Zweden,’ zegt Razmyar. Dat Finland bovenaan zoveel ranglijstjes staat, heeft alles te maken met het uitstekende, door de gelijkheidsgedachte bepaalde onderwijssysteem. En met de bibliotheken.
Razmyar heeft haar halve jeugd in de plaatselijke bibliotheek doorgebracht. ‘Ik hield van de geur daar en van de vrouwen, bij wie je altijd welkom was.’ Als tienjarige werd haar door een van die vrouwen haar venster op de wereld overhandigd: ‘Ik stond met grote ogen te kijken toen ik mijn eerste bibliotheekkaart kreeg. Echt, mag ik alles lenen? Voor niets?’ Zo ontwikkelde het vluchtelingenmeisje zich tot Finlands eerste parlementslid van Afghaanse afkomst en vervolgens tot locoburgemeester die verantwoordelijk is voor alle bibliotheken in de hoofdstad.
Dat de Denen gelukkig waren verbaasde destijds niemand. Het kostte de Finnen daarentegen lange tijd moeite om los te komen van hun reputatie als, nou ja, Finnen, uit het zwart-witte land in het noorden. Alsof het allemaal figuranten zijn in een Aki Kurismäkifilm, waar stoïcijnse gestalten de eeuwige winter en de somberte van hun ziel berustend en laconiek aanvaarden met behulp van hectoliters Koskenkorva-wodka en een merkwaardig gevoel voor humor. In dit cliché-Finland plegen mensen zelfmoord en zwijgt de rest in twee talen, zoals Bertolt Brecht ooit opmerkte, het Fins en het Zweeds namelijk, de twee landstalen.
Alcoholgebruik en depressiviteit vormen nog wel een probleem, maar niet meer in dezelfde mate als voorheen
In werkelijkheid zijn Finnen praatgrage mensen; tenminste als ze iets te melden hebben. En in werkelijkheid is het aantal zelfmoorden drastisch afgenomen, met 13 zelfmoorden per 100.000 inwoners ligt het ongeveer op het niveau van Nederland (12,5). Alcoholgebruik en depressiviteit vormen nog wel een probleem, maar niet meer in dezelfde mate als voorheen.
Inmiddels hebben de VN de Finnen voor de derde keer achtereen uitgeroepen tot het gelukkigste volk ter wereld, waarbij het verschil met de landen na hen, de andere noordse landen voorop, groter is geworden. En dat terwijl Finland het armste land van Noord-Europa is. Het rijkste is Noorwegen, dat gemeten naar nationaal product per hoofd wereldwijd op de zesde plaats staat. Finland staat 21e. Steeds meer Finnen beginnen te wennen aan de gedachte dat ze hun geluk niet meer kunnen ontkennen.
Meest tevreden
Het is vrij zeker dat geluk niet het juiste woord is. Waarschijnlijk zijn de Finnen gewoon het meest tevreden volk op aarde. ‘Goede landen produceren geen geluk,’ zegt Heikki Aittokoski, journalist en schrijver van Het eiland van het geluk;een reis naar een perfecte samenleving (niet in het Nederlands vertaald), Hij is kortgeleden de wereld rondgereisd op zoek naar het recept voor de perfecte samenleving. ‘Maar ze zorgen ervoor dat alle factoren verdwijnen die iemand ongelukkig kunnen maken. En daarin zijn de noordse landen en Finland verdomd goed.’
Aittokoski woont in Espoo, de tweede stad van Finland, die bijna aan Helsinki vastgegroeid zit. En toch is het maar twintig minuten met de auto of we staan midden in een groot bos, aan de oever van een eenzaam ven. ‘Ik kom hier bijna elke dag om hard te lopen en te zwemmen,’ zegt Aittokoski.
Voor de meeste Finnen, zegt hij, is dicht bij de natuur zijn de bepalende factor voor hun welbevinden. Goed functionerende democratische instituties, een ruimhartige welvaartsstaat, nauwelijks corruptie, gelijke kansen voor iedereen, seksengelijkheid, een hoog opleidingsniveau, sociale cohesie, en een grote vrijheid bij belangrijke levensbeslissingen. De noordse landen bezitten volgens het WHR al deze ingrediënten voor een gelukkig leven. Wat de Finnen van hun buren onderscheidt, is dat zij de afgelopen honderd jaar als enigen overheerst zijn geweest. Anders dan de Denen, Noren en Zweden hebben ze nooit een eigen aristocratie gehad, het gelijkheidsdenken is daardoor buitengewoon sterk ontwikkeld. En ze hebben altijd lagere verwachtingen gehad dan de anderen, zegt Heikki Aittokoski. ‘Wij zijn met weinig tevreden.’
In café Engel, tegenover de Dom, hebben we afgesproken met psycholoog en filosoof Frank Martela (38). Hij is een van de auteurs van het laatste WHR-rapport. ‘De Finnen hebben een melancholiek zelfbeeld, misschien vinden ze het daarom ook moeilijk in hun eigen geluk te geloven,’ zegt hij. ‘Kijk maar naar de muziek die hier populair is: tango, heavy metal. Heel anders dan de Zweden met hun feelgoodpop.’ In 2019 had Finland 70 heavy metalbands per 100.000 inwoners, meer dan vier keer zoveel als Duitsland, ook dat is een wereldrecord.
‘Natuurlijk luister ik er ook naar, het is louterende muziek. Als je je beroerd voelt, schreeuw je je pijn gewoon weg. In ons land is generaties mannen bijgebracht dat ze nooit hun gevoelens mogen laten zien.’ Nee, zegt Martela, vreugdeuitbarstingen zul je in Finland niet gauw meemaken. En nog altijd is klinische depressie hier een groter probleem dan in veel andere landen. Paradoxaal genoeg geldt ook: ‘Als geluk betekent dat je stilletjes tevreden bent met je leven, is er op de wereld geen betere plek dan Finland.’
Er gaat vrijwel geen week voorbij zonder dat er een onderzoeksrapport verschijnt dat aantoont dat de Finnen in alles beter zijn dan iedereen
Er gaat vrijwel geen week voorbij zonder dat er een onderzoeksrapport verschijnt dat aantoont dat de Finnen in alles beter zijn dan iedereen. Zij hebben de schoonste lucht en het schoonste water. Zij wonen op het veiligste platteland ter wereld, hebben de laagste analfabetismecijfers, scholen en universiteiten zijn gratis en behoren tot de beste ter wereld. Nergens in Europa, zo heeft de Europese Commissie vastgesteld, gaat het beter met de digitalisering. Zelfs de verkiezing van de mooiste postzegel ter wereld is afgelopen jaar gewonnen door een Finse deelneemster.
Alle pogingen om het Finse geluk te verklaren, beginnen en eindigen met deze vergelijking: samenlevingen waarin men elkaar en de instituties vertrouwt, zijn het gelukkigst. Als je de enquêtes mag geloven, hebben burgers in Europa nergens meer vertrouwen in elkaar, de politiek, de politie en de media dan in Finland. ‘Wij Finnen vinden onszelf betrouwbaar en we vertrouwen op anderen,’ zegt Frank Martela. ‘En op dit moment hebben we ons vertrouwen in Sanna Marin gesteld.’
Sanna Marin, de jongste vrouwelijke premier van de wereld. Een jonge, linkse sociaaldemocrate, die duidelijke taal spreekt en op transparante wijze regeert. Een politica wier moeder samenwoont met een vrouw. Een 34-jarige regeringsleider die foto’s van zichzelf op Instagram plaatst terwijl ze haar baby voedt en die aan het hoofd staat van een coalitie waar alle vijf de partijleiders jonge vrouwen zijn. In Finland kijken ze overigens meer op van de buitenlandse verbazing over Marins vrouwenregering dan van die regering zelf.
De nieuwe regering werd in elk geval vlak na haar aantreden overvallen door de coronapandemie en heeft die tot dusverre koel en efficiënt onder controle weten te houden. Finland heeft wereldwijd het minste aantal doden door covid-19; op het moment dat we dit schrijven 63 per miljoen inwoners, terwijl het er in Duitsland bijna twee keer zoveel zijn en in Zweden meer dan negen keer zoveel. Tegelijkertijd heeft de economie veel minder te lijden dan in de rest van Europa. Toen de Zweedse premier begin oktober aan Sanna Marin vroeg hem op de EU-top in Brussel te vertegenwoordigen, verscheen de Zweedse krant Expressen met het dringende verzoek aan de Finse premier meteen maar de hele Zweedse regering een tijd over te nemen. ‘Onder leiding van de Finnen gaat alles gewoon beter.’
En zo heeft Finland vorig jaar Zweden afgelost als coolste land van het noorden. De veel bewonderde en benijde Zweden die Finland zeshonderd jaar overheerst hebben tot de Russen de macht overnamen. ‘Het moment dat we merkten dat we de Zweden verslagen hadden, was het moment dat wij de gelukkigste mensen ter wereld werden,’ zegt Stan Saanila. Saanila maakt samen met André Wickström het satirische programma Dit hier voor de publieke zender YLE. ‘O, die Zweden,’ zegt collega Wickström instemmend, ‘zij leggen de lat voor de Europeanen wel erg hoog.’ Saanila: ‘Ze zijn zo goed gekleed, en ze ruiken altijd zo lekker.’
Saanila en Wickström zitten in de kantine van YLE in het noorden van Helsinki. Het gesprek is af en toe onverstaanbaar door de heavymetalmuziek en de classic rock die uit de speakers komt. Maar Saanila’s gelach overstemt elk gitaarloopje. Ze behoren allebei tot de Zweedse minderheid, maar beschouwen zichzelf als echte Finnen. De verhouding tot de voormalige Zweedse overheersers is altijd ingewikkeld geweest. Finland was lang straatarm en tot kort na de Tweede Wereldoorlog nog een agrarisch land. In de jaren vijftig en zestig zijn meer dan een miljoen Finnen naar Zweden getrokken om werk te zoeken.
Saanila: ‘De Zweden hadden sinaasappels en bananen en chocolade. En wij een waslijst aan herstelbetalingen aan de Sovjet-Unie. Ik bedoel: zij hadden een eigen automerk! Volvo!’
Wickström: ‘En wij reden nog steeds in een Moskowitz. Of een Wartburg. Of een Lada.’
Saanila: ‘Wanneer dat is veranderd? Vorige week woensdag geloof ik,’
Mijlpalen in de collectieve herinnering van een land dat geleerd heeft trots op zichzelf te zijn. In 2006 bijvoorbeeld: ‘Hard Rock Hallelujah!’ Lordi won het Eurovisie Songfestival, het was een echt huzarenstukje om met een als figuren uit een griezelfilm uitgedoste metalband het meest authentieke optreden neer te zetten.
Nog belangrijker, tien jaar eerder, in 1995, de finale van het wereldkampioenschap ijshockey, Finland-Zweden: 4-1. Finland won. In Stockholm. ‘We waren verbijsterd,’ herinnert André Wickström zich, ‘hoe bestond het?’ Sommige Finnen kijken nog elk jaar naar de herhaling van die wedstrijd en kennen het originele commentaar woord voor woord uit het hoofd.
Er zijn meer van die mijlpalen. Nokia werd een wereldconcern en is dat ondanks de crash in de mobiele telefonie gebleven, nu als producent van netwerken. Helsinki werd Culturele hoofdstad van Europa. En ondanks het gebrek aan zelfvertrouwen ontwikkelde zich iets wat ons tot nu toe vreemd was: optimisme.
Saanila: ‘De ban was gebroken…’
Wickström: ‘…en er ging een wereld aan mogelijkheden open.’
Saanila: ‘Onlangs vond een politica van de Centrumpartij dat het tijd werd dat Finland een eigen ruimtevaartprogramma kreeg.’
Ze proesten het uit.
Vrouwen en mannen
Burgemeester Nasima Razmyar zei: ‘Achter het Finse succesverhaal staan vrouwen.’ En achter de vrouwen staan mannen als die van Razmyar, die het helemaal niet raar vinden om voor de baby te zorgen en die elke dag naar haar werkkamer te brengen, zodat ze hem de borst kan geven voeden. Maar achter de Finse vrouwen staat vooral de verzorgingsstaat met bijbehorende instellingen. Zoals de organisatie van Tiina Ivakko, met wie we vanwege het coronavirus in een park hebben afgesproken.
Ivakko struikelt bijna over haar woorden: ‘Ik vertel het graag. Want het is belangrijk.’ Ivakko geeft leiding aan een kinderopvangcentrum in de wijk Kalasatama, dat 24 uur per dag, zeven dagen per week open is. Twintig leidsters passen er op alles bij elkaar vijfenzeventig kinderen, waarvan de jongste tien maanden is. Het zijn vooral alleenstaande moeders en vaders die hun kinderen naar Ivakko brengen. Vaak werken ze ’s nachts of in het weekend, in een restaurant of ziekenhuis bijvoorbeeld. Soms zijn ze drie dagen achterelkaar aan het werk, zoals de stewardess die naar New York vliegt. Elke week kunnen de klanten hun rooster doorgeven om hun uren bij Ivakko te kopen. De staat heeft bepaald dat een Fin nooit meer dan € 289 per maand hoeft te betalen.
Alleen al in Helsinki zijn er zes van deze 24-uurs kinderopvangcentra. Haar medewerksters zijn telkens weer verbaasd als buitenlandse bezoekers verbaasd zijn over hun organisatie. ‘Voor ons is het vanzelfsprekend, al meer dan dertig jaar. In Finland werkten de vrouwen altijd al.’
De grootmoeder van Ivakko werkte, haar moeder ook, ze gaf haar hele leven leiding aan een van de openbare speelplaatsen waar schoolkinderen tussen de middag ook eten krijgen. ‘Aha,’ zegt Ivakko, ‘heb je dat in Duitsland ook al niet?’ In Finland, zegt ze, was de gelijkstelling van de geslachten gewoon noodzaak. Het was een arm land met maar weinig mensen, het kon zich niet veroorloven vrouwen thuis te laten zitten.
Ten slotte zegt Ivakko: ‘Zo, en voor u nu gaat denken dat dit het paradijs op aarde is, vertel ik u dat mijn dochter van 22, die op het ogenblik vorkheftruckchauffeur is in een fabriek, meer verdient dan onze leidsters.’ Afgelopen zomer heeft Ivakko een vacature geplaatst, er kwam niet één sollicitant. ‘Onze beroepen worden niet op waarde geschat, dus soms gaat er in Finland iets goed mis.’
Donkere wolken aan de hemel zijn er dus ook. Een land lijkt tegenwoordig niet zo gelukkig te kunnen zijn, dat het geen rechtspopulisten voortbrengt. In Finland is dat de Finse Partij, voorheen de Ware Finnen, die het ressentiment tegen buitenlanders en de ‘stedelijke elites’ aanwakkert. De nieuwe premier heeft het vaak over de tekortkomingen bij de gelijkberechtiging. In 2017 verdienden Finse vrouwen gemiddeld 17,3 procent minder dan hun mannelijke collega’s, de kloof is groter dan gemiddeld in Europa. Het aantal aangiftes wegens huiselijk geweld nam in 2019 toe. En ondanks het voorbeeldige kinderopvangsysteem willen Finse vrouwen niet meer kinderen krijgen: het geboortecijfer ligt met 1,35 veel lager dan in de andere noordse landen.
De redenen daarvoor zijn ook voor de Finnen een raadsel. Ligt het aan het vooruitzicht hun kinderen naar scholen te moeten sturen waarvan de reputatie achteruitgaat? In de meest recente Pisa-studie staan de Finnen niet meer op de eerste plaats, zoals in de eerste Pisa-studie begin eenentwintigste eeuw, ook nemen de verschillen tussen arme en rijke kinderen toe, waarover in het hele land veel te doen is. ‘Tenslotte zit gelijkheid in ons DNA, privéscholen hebben we hier dan ook niet,’ zegt Marjaana Ajanto, die lesgeeft op een gymnasium in Espoo. ‘Neem bijvoorbeeld Sanna Marin. Ze is superslim, maar ze was een gewoon meisje uit Tampere. In Finland kan iedereen alles worden, ook premier.’
Als de pandemie een stresstest is voor de constitutie van de samenleving en haar instituties, dan slaagt niet alleen de Finse staat, maar slagen ook de Finse scholen met vlag en wimpel
Maar de Finnen zitten bij de Pisa-scores nog steeds in de topgroep. En ze zijn de enigen die ook bij tevredenheid over hun leven heel hoog scoren. Als de pandemie een stresstest is voor de constitutie van de samenleving en haar instituties, dan slaagt niet alleen de Finse staat, maar slagen ook de Finse scholen met vlag en wimpel.
‘Dat houdt absoluut verband met het feit dat wij dol zijn op nieuwe technologieën,’ zegt Marjaana Ajanto. ‘Sinds Nokia is dat onderdeel van ons succesverhaal.’ In de Digital Economy and Society Index 2020 van de Europese Commissie is Finland de ‘digitale leider’ onder de 27 Europese landen. Finland, zegt het persbericht, slaagt er buitengewoon goed in ‘innovatief denken te combineren met maatschappelijke verantwoordelijkheid’. Voordat Ajanto lerares werd, werkte ze aan online platforms voor de Finse omroep en bij Microsoft. Nu geeft ze Engels, marketing en technologie. Ze heeft een missie, zegt ze: ‘Ik wil dat alle meisjes goed op de hoogte zijn van de nieuwe technologieën.’
Ook op haar school zijn bezoekers vanwege corona niet toegestaan, dus spreken we af in het centrum van Helsinki. Net als de andere geïnterviewden voldoet ook Ajanto helemaal niet aan het cliché van de koele Finse. Op een bepaald moment springt ze op van haar caféstoel en loopt naar buiten. Ze doet het interview liever in looppas. Tijdens een geïmproviseerde stadsrondleiding showt ze ons tegelijkertijd het chique openluchtzwembad in de haven en de ‘Wilma’-app op haar telefoon.
‘Wilma’ is al meer dan tien jaar het digitale communicatieplatform voor leerlingen, leraren en ouders. ‘Kijk, er komt net een berichtje binnen van een meisje dat haar wiskundeboek kwijt is,’ roept ze. ‘Wilma’ was een van de redenen dat de Finse scholen snel konden overschakelen naar onderwijs-op-afstand. Leerlingen die geen laptop hadden, kregen er een van school.
Elke morgen om half negen legt Marjaana Ajanto via een videoapp contact met haar leerlingen. Ze heeft een tijd in Berlijn gewoond. ‘Ik weet nog dat ik in Berlijn vaak dacht: Pardon? Alweer geen internet? Wat een onzin, zit ik soms in Afrika?’ Finland is een dunbevolkt land en al twintig jaar geleden begonnen met digitaal onderwijs op afstand. ‘Tenslotte heeft iedereen recht op onderwijs, toch?’ zegt ze.
We zijn met de trein onderweg naar de laatste pleisterplaats op onze reis naar het geluk. Buiten wisselen meren, dennen, sparren en berken elkaar af. Finland telt 187.888 meren, driekwart van het grondoppervlak is bos. Tampere, twee uur van Helsinki, is de geboorteplaats van de premier, een arbeidersstad die zichzelf met universiteiten en high tech opnieuw aan het uitvinden is. Uiteraard is de stad omgeven door water en bossen.
Sauna’s
Er zijn hier meer dan vijftig openbare sauna’s. De oudste is de Rajaportti in de wijk Pispala. Een arbeiderssauna in een houten gebouwtje aan een doorgaande weg. Binnen zijn aparte ruimtes voor mannen en vrouwen, hier in de voortuin zitten ze door elkaar, gewikkeld in roze en lindengroene handdoeken. Mannen met tattoos, een moeder met haar dochter. Steeds weer is het sissende geluid te horen van een blikje bier dat wordt opengemaakt. De entree bedraagt doordeweeks zes, en vandaag, op zaterdagavond, tien euro.
Matti Kemi, rapper, jeugdwerker en saunagids, verwacht ons. Met zijn zelfgemaakte vilten hoed ziet hij eruit als een Tiroler boer. De Rajaportti is meer dan honderd jaar oud. ‘Het hart van onze saunacultuur,’ volgens Kemi. Het scheelde niet veel of de kleine sauna was in de jaren tachtig afgebroken, maar mensen uit de buurt hebben een vereniging opgericht om hem te behouden.
Oorspronkelijk paste de sauna eigenlijk niet in ons verhaal. Te cliché. Tot bijna ieder interview eindigde met de vraag: ‘U gaat toch ook wel naar een sauna?’ Er zijn vijfeneenhalf miljoen Finnen, en samen hebben ze meer dan drie miljoen sauna’s. ‘Toen Finse soldaten werden uitgezonden naar Afghanistan was een sauna het eerste wat ze daar neerzetten,’ had gelukonderzoeker Martela verteld. Dat klopt, zegt Kemi. ‘Een Fin mist in het buitenland zijn sauna nog meer dan zijn vrouw en kinderen.’
Anders dan een paar jaar geleden hebben niet meer alle nieuwe huizen een eigen sauna. In plaats daarvan viert de openbare sauna een comeback. Zoals Engelsen in de pub, zo spreken Finnen in de sauna met hun vrienden af. De Rajaportti-sauna zelf is een klein, donker hol, waar zes, zeven mannen op een kluitje zitten. Afstand houden? Ze verzekeren elkaar dat het coronavirus deze hitte niet overleeft.
De Duitser in het gezelschap bijna ook niet. Zweet druipt uit baarden, van neusvleugels en over drakentattoos. Sommige van deze mannen slaan geen dag over, zomer en winter. Aan de wand naast de houtkachel hangt, in het donker nauwelijks te onderscheiden, een plaquette: Onni Niemi, de beste saunabezoeker van Finland 1995. ‘Onni is 9000 keer in de Rajaportti geweest,’ vertelt Kemi.
Matti Kemi (33) is eigenlijk musicus. Hij toerde als dj met een band, soul, funk, hiphop. Tegenwoordig werkt hij met jongeren. In workshops die door de stad worden gefinancierd, leert hij hun rappen. Twee jaar geleden heeft hij met een vriend een fietstocht van een maand door het hele land gemaakt om oude sauna’s te bezoeken en met saunasjamanen te praten. Over die reis hebben ze in Matti’s studio een podcast gemaakt voor de publieke omroep, en sindsdien werken ze hier in Tampere ook als saunagids.
De volgende dag, een zondag, zien we elkaar weer, op een landtong in het Näsijärvi-meer. Eenzaam op een kale rots staat daar een langgerekt, geel, houten gebouw, schilderachtig omlijst door een handjevol dennen. De Rauhaniemi-sauna, ook bijna honderd jaar oud. We zitten op een bankje, halfnaakt, terwijl Matti Kemi vertelt, en we kijken toe hoe andere saunagangers in het ijskoude water van het meer springen. Over zijn opa’s, die zich allebei hebben doodgedronken. Over de jongens aan wie hij lesgeeft en die zo totaal anders zijn, ze roken niet, drinken veel minder, zijn opener en veel meer in elkaar geïnteresseerd.
‘Ik ken miljonairs die naar een openbare sauna gaan om hun eenzaamheid te vergeten’
Gezondheid speelt tegenwoordig een belangrijke rol, ook daarom is ijszwemen niet meer alleen iets voor oudere mensen. Net als de openbare sauna is het opnieuw populair geworden. In sommige sauna’s is het tegenwoordig zo druk dat mensen in de rij moeten staan tot er een plaatsje vrijkomt. ‘De mensen zijn eenzaam geworden,’ zegt Matti Kemi. ‘Ik ken hier in Tampere miljonairs die naar een openbare sauna gaan om hun eenzaamheid te vergeten. Hier ervaar je een gevoel van saamhorigheid.’
Matti Kemi zet zijn vilthoedje recht. ‘Naakt zijn we toch allemaal hetzelfde,’ zegt hij, dan zwijgen we allebei, terwijl in de koele herfstlucht de damp van ons afslaat en we het geluk diep tot in ons binnenste voelen doordringen.
‘We hebben allemaal dezelfde 24 uur als Beyoncé’ was een tweet die viral ging. Sommige mensen lijken niet alleen alles te hebben, maar slagen er op een of andere manier ook nog eens in alles te doen. Hoe dan?
Dit artikel verscheen eerder in 360 Magazine # 57, mei 2014.
Franz Kafka, ontevreden met zijn behuizing en het feit dat hij met overdag moest werken, schreef in 1912 in een brief aan Felice Bauer: ‘… mijn tijd is begrensd, mijn krachten zijn beperkt, het kantoor is een van verschrikking, mijn appartement is lawaaiig, en als een aangenaam, eenvoudig leven niet mogelijk is, dan moet je een manier vinden om je er subtiel tussendoor te manoeuvreren’.
Kafka is een van de 161 geïnspireerde en inspirerende schrijvers, dichters, toneelschrijvers, schilders en filosofen, wetenschappers en wiskundigen met van wie de dagelijkse routine in het boek van Mason Currey wordt beschreven. Net als Kafka hadden ook de anderen te maken met talloze (soms zelf veroorzaakte) obstakels, wat resulteerde in een fascinerende verzameling ‘subtiele manoeuvres’ om hun werk iedere dag gedaan te krijgen; vroeg opstaan of juist laat gaan slapen, enorme hoeveelheden ’s koffie, lange wandelingen maken en ingeplande dutjes doen. Thomas Wolfe schreef als hij in de keuken stond en gebruikte de bovenkant van zijn ijskast als bureau. Jean-Paul Sartre kauwde altijd op Corydrane-tabletten (een mix van amfetamine en aspirine), waarvan hij tien keer de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid overschreed. Descartes bleef graag liggen luieren in bed, terwijl zijn gedachten in zijn slaap afdwaalden ‘naar bossen, tuinen en toverpaleizen’ waar hij ‘elk denkbaar plezier’ beleefde.
George Balanchine, was gek op de was doen en verzette het meeste ‘werk’ als hij aan het strijken was
En dan zijn er nog Anthony Trollope, die zichzelf elke ochtend verplichtte om voordat hij naar zijn werk op het postkantoor ging drieduizend woorden te schrijven (250 per kwartier, drie uur lang). Dat hield hij 33 jaar lang vol, waarin hij zo’n 25 boeken schreef; George Balanchine, was gek op de was doen en verzette het meeste ‘werk’ als hij aan het strijken was, George Gershwin zat twaalf uur per dag, van laat in de ochtend tot midden in de nacht, achter de piano te componeren in pyjama, badjas en slippers. James Joyce kon schrijven terwijl zijn gezin om hem heen dwarrelde, de naasten van Mark Twain bliezen op een posthoorn als ze hem écht nodig hadden – om maar niet op zijn deur te hoeven kloppen.
Ook de routines van Jane Austen, Karl Marx, Charles Darwin, Pablo Picasso, Leo Tolstoj, Andy Warhol, John Updike, Twyla Tharp en Igor Stravinsky (die nooit een noot op papier kon zetten tenzij hij er zeker van was dat niemand hem kon horen en die, als hij zich geblokkeerd voelde, op zijn hoofd ging staan om ‘zijn hersenen ruimte te geven’) werden door Currey aan de hand van vooral (auto)biografieën, dagboeken en brieven uitgeplozen.
‘Als een vaste routine op de juiste manier wordt toegepast, kan een nauwkeurig afgesteld mechanisme ontstaan waarbij beperkte middelen optimaal kunnen worden benut…. Op die manier kan iemand zijn mentale energie in goede banen leiden…’ – Mason Currey, auteur Daily Rituals
R.J. Andrews stelde aan de hand van de routines uit het boek op zijn site Info We Trust bovenstaande infographic samen.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.