He Yan-xin (1939-2025) behoorde tot de laatste vrouwen die het nüshu beheersten, een schrift dat eeuwenlang in het geheim werd ontwikkeld en doorgegeven door Chinese vrouwen die onder een patriarchaal systeem leefden. Na haar overlijden in oktober 2025 bracht de Japanse krant Asahi Shimbun haar een eerbetoon.
In Jiangyong, een district in de zuidelijke Chinese provincie Hunan, werd dit bijzondere schrift uitsluitend onder vrouwen doorgegeven. He Yan-xin, een van de laatste erfgenamen van die traditie, overleed op 23 oktober 2025 op 86-jarige leeftijd. Tijdens een bezoek aan Japan in 2011 legde ze uit welke rol het schrift speelde in het leven van generaties vrouwen: ‘Door ons verdriet en onze pijn op papier te zetten, probeerden we die ten minste een beetje te verlichten.’
De oorsprong van het nüshu – letterlijk ‘vrouwenschrift’ – blijft onduidelijk. Volgens onderzoekers bestaat het uit ongeveer 450 fonetische tekens, die waarschijnlijk zijn afgeleid van Chinese karakters. Vroeger kregen vrouwen geen onderwijs. Ze konden de officiële Chinese schrijftaal niet lezen of schrijven en leefden onder een streng patriarchaal systeem.
In China sprak men van de ‘drie gehoorzaamheden’: vrouwen moesten trouwen met de man die hun ouders voor hen hadden uitgekozen, vervolgens zonen baren en uiteindelijk gehoorzamen aan hun schoonouders, hun echtgenoot en hun zoons.
In poëzie, geschreven in het nüshu, vonden zij een manier om hun verdriet en zorgen te uiten en elkaar troost te bieden.
Toen ze nog een kind was, schreef haar grootmoeder de tekens zingend op haar handpalm
He Yan-xin leerde het vrouwenschrift van haar grootmoeder. Toen ze nog een kind was, schreef haar grootmoeder de tekens zingend op haar handpalm. Het meisje onthield ze door ze met een tak op de grond na te tekenen. Na de oprichting van de Volksrepubliek China in 1949 kreeg ze echter regulier onderwijs en gebruikte ze het schrift jarenlang niet meer.
In 1994 werd He Yan-xin ontdekt door Orie Endo, voormalig hoogleraar aan de Bunkyo-universiteit in Japan. Endo deed veldonderzoek naar vrouwen die het nüshu nog beheersten en trof in He Yan-xin een belangrijke bewaarster van dit culturele erfgoed aan.
Aanvankelijk hield He Yan-xin vol dat ze het schrift niet meer kon schrijven. Maar nadat de Japanse onderzoekster haar vertrouwen had gewonnen – onder meer door haar naar haar grootmoeder te vragen – pakte ze uiteindelijk toch pen en papier om opnieuw de tekens op te schrijven.
Chinese en Taiwanese onderzoekers hadden haar eerder ook al bezocht, maar tegenover hen had ze steeds gezwegen. ‘Ik werkte overdag op het land en was ’s avonds bezig met wassen en naaien,’ verklaarde ze later. ‘Ik had het gewoon te druk.’
Van moeder op dochter
Door aandachtig te luisteren en oprechte belangstelling te tonen, wist Orie Endo het vertrouwen van He Yan-xin te winnen. Op verzoek van de Japanse onderzoekster, die haar jaarlijks bezocht, begon He Yan-xin vervolgens anekdotes en lange verhalen op te schrijven die ze van haar grootmoeder had geleerd en die jarenlang in haar geheugen hadden gesluimerd.
Dat bracht haar ertoe ook haar eigen levensverhaal op papier te zetten. ‘Ik kan nauwelijks in Chinese karakters schrijven, maar zodra ik het vrouwenschrift gebruik, begint mijn hand vanzelf te bewegen,’ vertelde ze. Haar leven kende immers de ene beproeving na de andere.
Haar vader werd vermoord door een grootgrondbezitter toen zij nog geen jaar oud was. Ze werd opgevoed door haar moeder, die een klein stuk land bewerkte. Dankzij de aanhoudende klachten van haar moeder en grootvader werd de moordenaar uiteindelijk gearresteerd, maar tijdens de Japanse invasie van China wist hij uit de gevangenis te ontsnappen.
Nadat haar moeder was hertrouwd, bracht He Yan-xin een deel van haar jeugd alleen door. Na de middelbare school ging ze in de stad werken. Later stemde ze tegen haar zin in met een huwelijk, vooral om haar moeder tevreden te stellen. Toen ze op haar trouwdag bij haar echtgenoot aankwam, was hij echter naar de stad vertrokken. De ceremonie ging door zonder hem.
‘Ik schrijf zoals mijn grootmoeder schreef, Met kleine tekens, terwijl ik huil’
In bittere armoede en onder een gewelddadige echtgenoot voedde He Yan-xin vier zoons en twee dochters op, terwijl ze op het land werkte. Ze had moeite om het schoolgeld van haar kinderen te betalen. Toen haar man ziek werd, verweet hij haar dat ze niet goed genoeg voor hem zorgde en daarmee zijn herstel in gevaar bracht. He Yan-xin leefde in een tijd waarin vrouwen behoefte hadden aan een eigen schrift.
Tegenwoordig promoten de lokale autoriteiten het vrouwenschrift als toeristische attractie. Nieuwe beoefenaars, die het pas later in hun leven leerden, vieren het vooral via kalligrafie. He Yan-xin bleef echter tot het einde trouw aan de oorspronkelijke traditie. ‘Ik schrijf zoals mijn grootmoeder schreef,’ zei ze. ‘Met kleine tekens, terwijl ik huil.’
In 2019 schreef ze voor Orie Endo een gedicht van 21 regels in het vrouwenschrift. Hieronder volgen de laatste vijf regels:
Op het platteland heb ik onrecht gekend Vroeger besefte ik niet dat ik werd uitgebuit
Alsof iemand mij van achteren in het hart heeft gestoken Het maakt niet uit dat ik gewond raak
Het vrouwenschrift is doordrenkt van bloed en zweet
Volgens Orie Endo blijkt uit die laatste regel hoezeer He Yan-xin betreurde dat de lokale autoriteiten afstand namen van het authentieke vrouwenschrift.
De Japanse onderzoekster, die haar vorige zomer nog thuis bezocht, zegt: ‘Zelfs als het vrouwenschrift blijft voortbestaan, betekent de dood van He Yan-xin het einde van zijn oorspronkelijke functie: vrouwen troost bieden in tijden van tegenspoed.’
Historisch gezien is de mensheid niet bepaald vriendelijk geweest tegen mensen die als afwijkend worden gezien, zeker als die afwijkingen duidelijk zichtbaar zijn. Hoewel ze lang niet zoveel discriminatie ervaren als andere bevolkingsgroepen, zijn linkshandigen in veel culturen buitengesloten en werden ze soms gedwongen hun aard te veranderen.
Hoewel handvoorkeur tegenwoordig een van de minst gestigmatiseerde menselijke eigenschappen is, is het historische vooroordeel tegen links en de linkerhand in veel talen blijven voortbestaan, in de vorm van woorden en uitdrukkingen. Het is bewezen dat taal beïnvloedt hoe we de wereld zien, dus het is veelzeggend dat dit vooroordeel zo diep in onze talen verankerd zit.
Er zijn verschillende verklaringen voor waarom handvoorkeur er zo veel toe doet, maar de meeste herleiden het tot de dominantie van rechtshandigen. Uit onderzoek blijkt dat ongeveer tien procent van de bevolking linkshandig is, al maken traditionele vooroordelen het lastig om dit met zekerheid vast te stellen. Zelfs als we uitgaan van hogere schattingen (tot 18 procent), blijft duidelijk dat rechtshandigen sterk in de meerderheid zijn – en de wereld dus grotendeels naar hun hand hebben gezet.
Het is bewezen dat taal beïnvloedt hoe we de wereld zien, dus het is veelzeggend dat dit vooroordeel zo diep in onze talen verankerd zit
Daaruit volgt dat de meeste mensen hun rechterhand gebruiken om te eten, te schrijven en elkaar te begroeten. De linkerhand, daarentegen, wordt vooral voor minder bekoorlijke taken gebruikt. Linkshandigen worden vaak als onhandig gezien, enkel omdat veel onderdelen van onze wereld (zoals deurknoppen, schriften, et cetera) niet voor hen zijn ontworpen.
Een ander element dat bijdraagt aan het vooroordeel tegen linkshandigen – met name in christelijke contexten – is de religieuze neiging om het kwade aan links en het goede aan rechts te verbinden. Eva wordt aan Adams linkerkant afgebeeld en krijgt de schuld van de erfzonde. Lucifer bevindt zich aan Gods linkerkant voordat hij valt, terwijl aan de rechterzijde Jezus of de aartsengelen worden geplaatst, afhankelijk van de compositie.
Zo staat er ook in het Evangelie volgens Mattheüs dat de geiten, die links zijn ingedeeld, naar de hel gaan, terwijl de schapen aan de rechterkant naar de hemel gaan.
Hoewel er ook culturen hebben bestaan met een tegenovergestelde opvatting, heeft een combinatie van biologische en culturele factoren rechtshandigheid zeker een beter imago gegeven. Aangezien deze mentaliteit zo lang heeft voortbestaan, is het logisch dat het ook onze taal heeft beïnvloed.
Het recht van rechts
In het Engels zien we dit terug in de vele betekenissen van de woorden voor ‘rechts’ en ‘links’. Naast de eenvoudige richting kan right als bijvoeglijk naamwoord ‘goed’, ‘correct’ en ‘verkieslijk’ betekenen. Als zelfstandig naamwoord wijst het op macht, privilege of rechtmatig eigendom. Het komt ook veel voor in juridische contexten, zoals inalienable rights [onvervreemdbare rechten] of in de zoektocht om wandaden goed te maken (to right the wrongs). [Hoewel in het Engels de woorden voor ‘rechts’ en bepaalde vertalingen van ‘recht’ samenvallen, verschillen deze woorden in het Nederlands slechts één letter. Ze zijn wel etymologisch aan elkaar verwant: volgens Van Dale komt het Nederlandse woord ‘rechts’ van het woord ‘recht’, niet andersom.]
Opvallend genoeg heeft het Engelse left meerdere betekenissen, maar zijn weinig daarvan het tegenovergestelde van right. Zo kan iets left behind [achtergelaten] zijn, of kan er maar een ding left [over] zijn.
Linguïstisch gezien heeft het woord right veel positieve connotaties, terwijl het woord left vooral wordt gedefinieerd als een gebrek aan substantie. Etymologisch gezien stamt right van het Oud-Engelse riht, dat ‘goed’ en ‘juist’ betekent. Het woord left, daarentegen, blijkt van oud-Nederlandse en Germaanse woorden af te stammen die ‘zwak’ betekenen. [Het Nederlandse woord ‘links’ komt van het Middelhoogduitse gelenke, dat ‘buigzaam’ betekent, als tegengestelde van ‘rechts’, dat van het Griekse orektos (‘gestrekt’) afstamt.]
Oude talen lijken niet zo’n groot vooroordeel te hebben gekoesterd als moderne, hoewel hun woorden in de loop van de tijd in positieve en negatieve richtingen zijn verbogen. Het extreemste geval hiervan is op te merken in het Latijn: daar betekent ‘rechts’ dexter (denk ‘dextreus’) en ‘links’ is sinister. Het is opmerkelijk dat hoewel er over de oorsprong van het woord ‘sinister’ wordt getwist, het waarschijnlijk niet werd geassocieerd met het kwaad toen het voor het eerst in omloop kwam.
Vergelijking
Als we de bekendste oude talen vergelijken, kunnen we zien dat links en rechts vaak berustten op andere richtingen of op het feit dat de meeste mensen vaardiger zijn met hun rechterhand dan met hun linker.
Screenshot
Grieks en Latijn leken beiden af en toe van mening te veranderen over links, wat de zoektocht naar een duidelijke betekenis moeilijker maakt. Maar in moderne talen lijkt de negatieve perceptie van de linkerkant zich veel dieper in de taal te wortelen.
De volgende tabel geeft de tien meest gesproken talen in de wereld weer (exclusief Engels), met de woorden voor links en rechts en hun geassocieerde betekenis.
Screenshot
Ondanks het feit dat deze talen uit drastisch verschillende culturen en alfabetten afkomstig zijn, bestaan er duidelijke karakteristieke patronen. De rechterkant wordt geassocieerd met het rechte, correcte en wetmatige en de linkerkant wordt gezien als fysiek incapabel of incorrect. In het Arabisch en het Hindi suggereren de connecties met ‘gemak’ dat een taak makkelijk moet zijn om het door de linkerhand te laten doen.
Left-footers en left-leggers
Naast individuele woorden dragen ook spreekwoorden bij aan het negatieve beeld van linkshandigheid. Zo heeft een onhandig persoon ‘twee linkervoeten’ en als je in het Engels in het nadeel verkeert, vecht je ‘met de linkerhand’. Een ongewenst onderwerp ‘laat je links liggen’. Dat perspectief komt ook terug in Engelse bijnamen voor linkshandigen zoals mollydooker, goofy hander, cack-handed, en wrongpaw. Deze impliceren bijna allemaal onhandigheid of zwakte.
Lokale idiomen en gewoontes benadrukken de morele implicaties. Zo gaat ‘met het verkeerde (of linker-)been uit bed stappen’ gepaard met een slechte dag. Als je pech wil vermijden gooi je zout over je linkerschouder, specifiek omdat de duivel zich daar zou bevinden. Wanneer in tekenfilms een engel en een duivel op iemands schouders verschijnen, zit de engel vaak rechts en de duivel links.
Ironisch genoeg kan dit vooroordeel op verschillende, zelfs tegenstrijdige manieren worden ingezet, zolang de boodschap maar negatief blijft. Hoewel de term ‘left-footer’ [linkervoet] in Noord-Ierland een scheldwoord is voor katholieken (met betwiste oorsprong), worden protestanten weer uitgemaakt voor ‘left-legger’ [linkerbeen] (vermoedelijk vanwege de manier waarop ze knielen tijdens een kerkdienst).
Deze gezegdes hebben ook te maken met onze relaties tot anderen. Terwijl een geëerde bondgenoot misschien een ‘rechterhand’ wordt genoemd, kan het een belediging zijn om iemand aan de linkerhand van een machtig persoon te plaatsen. Zo beschrijven sommige culturen nepproducten als ‘linkshandig’ en een persoon wordt ook zo genoemd als deze inherent onbetrouwbaar is.
Wanneer in tekenfilms een engel en een duivel op iemands schouders verschijnen, zit de engel vaak rechts en de duivel links
Historisch bestond er zelfs het begrip ‘huwelijk met de linkerhand’. Dit heet officieel een morganatisch huwelijk, en het betreft een lid van de adel of een koningshuis dat trouwt met iemand van drastisch lagere status. Hoewel het huwelijk wettig was, hadden partner en kinderen doorgaans geen recht op titels of erfenissen. Vandaag de dag wordt de term soms nog figuurlijk gebruikt.
Het enige moderne gebruik van ‘links’ en ‘rechts’ dat niet direct met handvoorkeur te maken heeft, is wellicht het politieke onderscheid tussen rechts (conservatief) en links (progressief). Die terminologie vindt zijn oorsprong in de placering van de Franse Nationale Vergadering van 1789, waar revolutionairen links en royalisten rechts zaten. Maar aangezien de revolutionairen doorgaans burgers waren en de royalisten aristocraten, is het goed mogelijk dat dit destijds ook een denigrerende ondertoon had.
Of je een horrorverhaal nu sinister noemt, je rechterhand ophemelt of nota bene ambidextrie bespreekt, je verlaat je onbewust op duizenden jaren oude geloven over de waarden van links- en rechtshandige dominantie. Alleen door dit linguïstische vooroordeel te identificeren en te erkennen, kunnen we het achter ons laten.
Estland voert een grootschalige onderwijshervorming door waarbij al het openbare onderwijs in het Ests moeten worden gegeven. De maatregel moet de integratie van de Russische minderheid bevorderen en de invloed van het buurland beperken, maar stuit op veel kritiek binnen de Russischtalige gemeenschap.
Toen in september 2024 in Estland het nieuwe schooljaar begon, hoorden sommige leerlingen ’s ochtends bij de begroeting plotseling een andere taal dan voor de zomervakantie. In plaats van zoals gebruikelijk met het Russische Zdravstvujte, werden de leerlingen van de eerste en vierde klas van de vijftig Russischtalige scholen in het Ests verwelkomd met de woorden Tere tulemast, die in grote letters op het schoolbord stonden geschreven.
Estland, dat in het oosten aan Rusland en in het zuiden aan Letland grenst, staat momenteel voor een van de grootste onderwijshervormingen na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991, toen het land onafhankelijk werd. Het hele openbare onderwijs moet overschakelen op het Ests, terwijl tot nu toe op ruim 10 procent van de scholen het onderwijs bijna volledig in het Russisch werd gegeven. Het vorig jaar begonnen proces moet in 2030 zijn voltooid.
Doel van de hervorming is het deel van de bevolking dat Russisch als moedertaal heeft beter te integreren.
Kolonisatie van binnenuit
In Mr. Nobody Against Putin volgt de camera geen dissident met megafoon, maar een ‘niemand’: Pavel ‘Pasha’ Talankin, videograaf op een school in Karabash, een industriestad in de Oeral. Nadat Rusland Oekraïne binnenvalt, moet hij in opdracht van de staat steeds meer ‘patriottische’ activiteiten vastleggen: ceremonieën, lessen die de oorlog legitimeren, en een langzaam normaliserende militarisering van het klaslokaal. Talankin filmt braaf mee — en begint tegelijk heimelijk te archiveren wat er werkelijk gebeurt: hoe onderwijs in propaganda kan kantelen, hoe kinderen leren wat loyaal gedrag is, en hoe volwassen cynisme en jeugdige overgave naast elkaar bestaan, aldus The New Yorker.
De film (mede geregisseerd door David Borenstein) werd in januari 2025 op Sundance vertoond en won daar een Special Jury Award. In januari 2026 kreeg hij brede internationale aandacht door een Oscarnominatie voor Beste Documentaire, terwijl distributeur Kino Lorber de Noord-Amerikaanse rechten verwierf. The Guardian sprak van ‘een zeldzaam en fascinerend verslag van hoe Poetins imperialistische dogma doordringt in het provinciale Russische leven’. Volgens Slant Magazine legt de documentaire ‘scherp bloot (…) welke tol propaganda eist van gewone individuen en gemeenschappen’.
Ongeveer 25 procent van de krap 1,4 miljoen inwoners van Estland behoort tot de Russische minderheid, een erfenis uit de Sovjettijd. Met degenen die Russisch spreken omdat ze Oekraïense of Wit-Russische wortels hebben erbij geteld kom je op 30 procent. Het Ests beheersen ze niet of nauwelijks.
Terwijl er mensen zijn die vinden dat om de maatschappelijke kloof in het land te dichten de taalhervorming al veel eerder had moeten plaatsvinden, hebben anderen kritiek. Volgens hen wordt de hervorming geforceerd doorgevoerd en wordt er geen rekening gehouden met de Russischsprekende bevolking. Want de vermeende integratiemaatregel is natuurlijk ook een poging zich af te zetten tegen de Russische buurman: veel Russischsprekenden krijgen hun informatie nog steeds via media die Kremlinpropaganda verspreiden. De taalhervorming op de scholen is een strijd tegen de Russische invloed in het land.
Politiek speerpunt
Kristina Kallas (48), zelf van Ests-Russische afkomst, is ruim een jaar minister van Onderwijs. Ze heeft de integratie en rechten van minderheden tot haar politieke speerpunt gemaakt, en nu is het haar taak Estland te ontdoen van de Sovjeterfenis in het onderwijs. Daarvoor reist ze kriskras door het land, bezoekt scholen en geeft tussendoor Zoom-interviews vanaf de achterbank van haar dienstauto.
‘De Russische scholen dateren uit de jaren vijftig, toen de Sovjet-Unie de huidige Baltische staten bezet hield,’ vertelt Kallas tijdens een van die ritten. Uit de hele Sovjet-Unie bracht Rusland immigranten als arbeidskrachten naar het kleine land. Voor hen werden aparte scholen naar Russisch voorbeeld opgezet. ‘Toen de Sovjet-Unie in 1991 uiteenviel, hadden we opeens honderd scholen die niet bij ons hoorden,’ zegt ze. Daarom zijn ze door de regering in het Estse systeem opgenomen. Wat buiten schot bleef, waren de taal waarin het onderwijs werd gegeven en de leerkrachten: ‘Opeens moesten Sovjetleraren Estse geschiedenis gaan geven, en dat werkte gewoon niet.’
Er zijn steeds pogingen gedaan om deze scholen naar het Ests te laten overgaan. Bijvoorbeeld toen de regering in 2011 besloot vanaf de tiende klas minimaal 60 procent van de lessen in het Ests te geven. ‘Rusland probeerde er destijds een schandaal van te maken door dat als assimilatie en apartheid te bestempelen,’ zegt Kallas. Daarom heeft de politiek het besluit teruggedraaid. Maar na de Russische inval in Oekraïne in februari 2022 is de situatie fundamenteel veranderd. ‘Rusland heeft het recht verspeeld om namens de Russische gemeenschappen te spreken,’ aldus Kallas.
Zeker sinds 2022 neemt een steeds groter deel van de Russen in Estland afstand van Poetin. Uit een enquête van de Friedrich-Ebert-Stiftung in mei 2023 bleek dat twee derde van de Russischsprekende respondenten in het land ontevreden is over Poetins beleid, ook al staat deze groep duidelijk ambivalenter tegenover de oorlog dan de autochtone Estse bevolking. Kallas ziet een kans om de hervorming eindelijk te realiseren. ‘Voor ons was het nu of nooit.’
Naar taal verdeeld
Estland is zowel geografisch als sociaaleconomisch sterk naar taal verdeeld. De Russische minderheid woont voornamelijk vlak bij de Russische grens in het noordoosten en in de hoofdstad Tallinn. In Lasnamäe, de dichtstbevolkte wijk van Tallinn die in de jaren zeventig werd aangelegd als prefabwoonwijk voor immigranten, is nog altijd meer dan de helft van de bewoners Russisch. In de grensstad Narva, de vierde stad van het land, is dat zelfs bijna 90 procent.
Veel Russischsprekenden missen carrière- en doorgroeikansen omdat ze onvoldoende kennis van het Ests hebben. Om aan een universiteit te studeren, is een goede kennis van de landstaal vereist. Ook in veel beroepen is dat een basisvoorwaarde. En terwijl steeds meer Esten ook Engels en andere vreemde talen leren, is 40 procent van de Russen in Estland aangewezen op zijn moedertaal. Dat heeft ook consequenties op sociaaleconomisch terrein. Estse inwoners van Russische afkomst zijn vaker werkloos, hebben gemiddeld een lager inkomen en beoordelen hun eigen gezondheid over het algemeen als slechter. Ook op cultureel gebied zijn Russen in Estland op basis van hun aandeel in de bevolking veelal ondervertegenwoordigd.
Midden in de hippe wijk Kalamaja in Tallinn, waar kleurige houten huizen keurig naast elkaar staan, bevindt zich bar Heldeke. Het is een van de belangrijkste locaties van het jaarlijks georganiseerde theater- en performancefestival Tallinn Fringe, dat overal in de stad kleinkunstvoorstellingen geeft, variërend van straattheater, concerten en stand-upcomedy tot cabaret en burleske.
Afgelopen jaar was er onder andere een twee weken durend minicomedyfestival, georganiseerd door Jana Levitina. Levitina is afkomstig uit de Russische minderheid in het oosten van het land en heeft ook Joodse en Oekraïense roots. De helft van het programma was in het Engels, de andere helft in het Russisch. In het laatste deel traden vooral komieken op die Rusland, Wit-Rusland of Oekraïne vanwege de oorlog of om politieke redenen hebben moeten verlaten. ‘We hebben daarmee een nieuw publiek aangeboord, maar de respons was helaas niet om over naar huis te schrijven,’ vertelt Levitina.
Geïsoleerd
‘Het probleem is dat de Russischsprekende scene heel geïsoleerd is en daardoor nogal wordt beïnvloed door Russische expats en komieken.’ Levitina, wier moedertaal Russisch is, treedt daarom bijna uitsluitend in het Engels op. Maar ze vindt het wel belangrijk om het Russischsprekende publiek bij culturele evenementen te betrekken. Daar is geld voor nodig, en dat wordt nu ook voor Rusland-kritische projecten steeds schaarser.
In het kader van de 5 procent-doelstelling van de NAVO is Estland van plan tot 2029 meer dan 10 miljard euro aan defensie uit te geven. Daardoor moet het ook op onderwijs bezuinigen. Uitgerekend bij de taalhervorming kan volgens het ministerie van Onderwijs gemakkelijk geld worden bespaard. Voor de zekerheid had het eerder een wat hoger budget vastgesteld, maar dat zou met 18 miljoen euro kunnen worden gekort zonder dat het tot ingrijpende tekorten in de uitvoering zou hoeven leiden. Hoe dat precies werkt, blijft in de toelichting van het ministerie echter vaag.
Naast het Ests ook het Russisch tot officiële taal maken, is in de Estse politiek nooit een optie geweest. De gedwongen overstap naar uitsluitend Ests creëert echter ook potentieel voor binnenlandse politieke conflicten. De Estse Centrumpartij is al decennia een vergaarbak voor een groot deel van de Russische kiezers. In 2004 sloot de partij zelfs een samenwerkingsovereenkomst met Verenigd Rusland, de Russische regeringspartij, een overeenkomst die pas in 2022, na de Russische inval in Oekraïne, werd beëindigd.
Harde anti-Russische koers
De huidige EU-buitenlandvertegenwoordiger Kaja Kallas was toen premier. Al vóór de Russische invasie in Oekraïne koos zij voor een harde anti-Russische koers. Haar vastberaden steun aan Kyiv leverde haar destijds politiek veel waardering op. Zij was ook degene die de huidige onderwijshervorming op gang bracht. Toen haar toenmalige coalitiepartner, de Centrumpartij, weigerde op alle kleuterscholen onderwijs in het Ests verplicht te stellen, stuurde ze al hun ministers naar huis en zocht ze nieuwe partners.
Ondanks het polariserende potentieel is de algemene houding ten opzichte van de taalwisseling op scholen al met al positief. Uit een overheidsenquête vóór het begin van de hervorming bleek dat 96 procent van alle autochtone Esten en maar liefst 70 procent van de inwoners van Russische afkomst de maatregelen steunden. Niettemin biedt de hervorming het Kremlin tal van aanknopingspunten voor zijn propaganda.
Een van de mensen die de Russische propaganda het hoofd wil bieden, is Ilja Dotšar (36). Hij werkt in Tallinn als redacteur voor de Russischtalige tak van de Estse publieke omroep ERR, waar hij verantwoordelijk is voor de internationale radionieuwsdienst. In het centrum van Tallinn werkt hij in een historisch gebouw uit de jaren veertig met een bruine stenen gevel en opvallend stucwerk in het trappenhuis. In het gebouw bevinden zich lichte, van moderne techniek voorziene redactieruimtes.
Naast het onlineaanbod heeft Estland drie staatstelevisiezenders en vijf radiokanalen, waarvan er steeds één in het Russisch uitzendt. ‘We hebben het grootste Russische mediasegment van de hele EU,’ zegt Dotšar. Het Russische programma onderscheidt zich volgens hem vooral qua toon en focus: ‘We brengen bijvoorbeeld veel nieuws uit regio’s waar de mensen overwegend Russisch spreken.’ Daarnaast hebben ze tweetalige formats, bijvoorbeeld het nieuwsprogramma Aktuaalne kaamera, een naam die is afgeleid van Aktuelle Kamera, de staatsnieuwsuitzending in de voormalige DDR; ook zo’n relict uit de Sovjettijd. Maar aan het Russisch-talige programma van de publieke omroep wordt momenteel niet getornd. ‘We moeten de mensen in het land op de hoogte houden,’ bepleit ook Dotšar. Want behalve Russen wonen er in Estland ook veel Oekraïners, onder wie een groot aantal vluchtelingen die inmiddels meer dan 5 procent van de bevolking uitmaken.
In Estland is een breed Russischtalig media-aanbod daarom voor de integratie geen nice-to-have, maar een must-have. Toen Rusland Oekraïne was binnengevallen, werd in Estland de toegang tot Russische tv-zenders geblokkeerd. ‘Maar je hebt altijd nog Telegram, Facebook en satelliettelevisie,’ zegt Dotšar. Op sommige plekken heeft dat inmiddels tot een echte strijd om de informatiehegemonie geleid. Een van die plekken is Narva. Op 9 mei, Bevrijdingsdag, de dag dat Rusland het einde van de Tweede Wereldoorlog herdenkt, liet Rusland vanuit de aangrenzende stad Ivanogorod keiharde propagandamuziek over het grensgebied schallen en moedigde het de mensen aan mee te zingen. De Estse regering gaat er regelmatig tegenin met eigen concerten, zoals afgelopen zomer met Songfestivalstar Tommy Cash, die behalve Estse ook Russisch-Oekraïense roots heeft. Maar deze wederzijdse provocaties vallen in het niet vergeleken met wat militaire experts het ‘Narva-scenario’ noemen: een mogelijke Russische aanval vanuit de grensstad op Estland, of zelfs op alle Baltische staten.
Weliswaar houdt op dit moment niemand daar openlijk rekening mee, maar het recente binnendringen van Rusland in het NAVO-luchtruim heeft de angst voor een verdere escalatie vergroot. Eerst waren het de Russische drones die begin september boven Polen werden neergeschoten. September dit jaar vlogen drie Russische gevechtsvliegtuigen twaalf minuten lang door het Estse luchtruim, volgens EU-buitenlandvertegenwoordiger Kallas een ‘ernstige provocatie’. De Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, Michael Waltz, wees er nadrukkelijk op dat de VS samen met hun bondgenoten ‘elke centimeter van het NAVO-grondgebied’ zullen verdedigen. In dat kader versterkt het bondgenootschap zijn oostflank en wil Duitsland de bestaande missie ter bewaking van het Poolse luchtruim verder uitbreiden.
Geen paniek
Voor Dotšar is het wapengekletter van Moskou vooralsnog geen reden tot paniek. ‘Dat is niets nieuws. Rusland was in het verleden al veel agressiever,’ zegt hij. Volgens gegevens van de Estse luchtmacht hebben er sinds 2014 meer dan veertig Russische schendingen van het Estse luchtruim plaatsgevonden. Maar helemaal koud laat de situatie hem ook weer niet: ‘De spanning stijgt.’ Dotšar groeide op in een Ests-Russisch gezin en ging naar een Russischtalige school. ‘De lessen Ests waren destijds vreselijk en ik had helemaal geen zin om de taal te leren,’ herinnert hij zich. Pas vijf jaar na zijn afstuderen probeerde hij het opnieuw. ‘Ik woon in Estland en ben Ests staatsburger – het zou toch vreemd zijn als ik geen Ests sprak,’ zegt hij. Ondanks deze late start had hij sociaal en op de arbeidsmarkt geen problemen, maar veel van zijn vrienden wel.
Zijn mening over de schoolhervorming is dubbel. Het principe vindt hij juist, maar met de uitvoering heeft hij moeite.
‘Ik heb op de partij van Kristina Kallas gestemd, maar ben erg teleurgesteld’ zegt hij. Voor haar benoeming streefde ze naar een inclusief schoolmodel dat Estse en Russische kinderen bij elkaar moest brengen. ‘Toen ze minister werd, heeft ze dat gewoon overboord gegooid.’ Bovendien presteerden leerlingen in de eerste klassen die op het Ests waren overgestapt relatief heel slecht.’
Hervorming
Dit jaar slaagde in Tallinn 70 procent van de vierdeklassers met een andere moedertaal dan het Ests niet voor de taaltest Ests of voor toetsen in andere vakken. Bovendien worden er voortdurend leerkrachten ontslagen. Kallas gaat ervan uit dat in het kader van de hervorming een op de zeven leraren moet worden vervangen; dat zouden in totaal 2500 leraren zijn. Sinds dit schooljaar moeten ze, om les te mogen blijven geven, het Ests namelijk minimaal beheersen op niveau B2, waarvoor je de taal bijna vloeiend moet kunnen spreken en schrijven. In de praktijk is vaak zelfs een nog hoger niveau vereist. Veel leerkrachten aan de scholen waarop de hervorming betrekking heeft, hebben deze kwalificatie niet behaald. Omdat zij geen ambtenaar zijn, zijn hun contracten niet verlengd. Sommigen zaten toch al vlak voor hun pensioen, anderen moeten nu van beroep veranderen. Vaak worden ze vervangen door minder ervaren mensen of zij-instromers.
Irene Käosaar is pedagoog en in Narva rector van drie scholen. Als kind van Ests-Russische ouders is ze tweetalig opgegroeid. Ze staat nog steeds positief tegenover de hervorming. ‘In het begin dacht ik dat het moeilijker zou zijn, maar in Narva en Tallinn konden we genoeg basisschoolleraren vinden,’ zegt ze. Belangrijk is vooral het vertrouwen van de ouders dat ze hier ervaart. ‘Natuurlijk hebben ze veel vragen en maken ze zich zorgen, maar tot nu toe loopt alles goed.’
Letland als voorbeeld
Estland staat met zijn taalhervorming niet alleen. Ook in het iets grotere Letland, met zijn 1,85 miljoen inwoners, waar ruim 23 procent van de bevolking Russisch is, bestonden als overblijfsel uit de Sovjettijd lange tijd Russischtalige scholen.
In 2004 besloot de regering in Riga deze scholen tweetalig te maken en het onderwijs voor 60 procent in het Lets en voor 40 procent in het Russisch te geven. Ondanks verzet van de Russische minderheid werd de hervorming grotendeels doorgezet. In 2018 ging Letland zelfs nog een stap verder en liet het Russisch als onderwijstaal op particuliere universiteiten verbieden. Bovendien werd het percentage Letstalig onderwijs op minderheidsscholen verhoogd. Sinds september 2025 is het onderwijssysteem volledig op het Lets overgegaan.
Anders dan Estland heeft Letland nog twee andere officiële talen: het Lijfs en het Letgaals. Terwijl het Lijfs tot de Oeraalse talen behoort en bijna is verdwenen, is het Letgaals nauw verwant aan het huidige Lets en wordt het gedeeltelijk als een ouder dialect beschouwd. In 2016 stemde de Letse bevolking in een referendum tegen het aanwijzen van Russisch als vierde officiële taal.
Om leerkrachten naar de regio te halen zijn de salarissen hier aanzienlijk verhoogd. ‘Ze verdienen nu gemiddeld ongeveer de helft meer,’ zegt Käosaar. Tot nu toe werkt deze prikkel goed. Maar de grootste uitdaging moet nog komen: vanaf volgend jaar zijn er vooral in het middelbaar onderwijs meer leraren met de vereiste talenkennis nodig. Toch vindt de rector het belangrijk dat de hervorming snel wordt doorgevoerd: ‘Het gaat snel, het vergt inspanning en we hebben geld en andere hulpmiddelen nodig, maar we moeten er nu tegenaan.’
Van de slechte resultaten in Tallinn is Käosaar niet onder de indruk. ‘Vroeger hadden we die toetsen niet, dus kunnen we ze ook nergens mee vergelijken.’ Betrouwbare analyses zullen pas na verloop van tijd beschikbaar komen. Toch heeft ook zij wel reserves bij het nieuwe systeem. ‘De hervorming draait alleen om de taal, en niet om hoe we kinderen beter kunnen integreren,’ constateert ze. Er is daarom niet in de laatste plaats sprake van politieke afwegingen. Afwegingen die er ook op gericht zijn de Russische taal en cultuur in het land terug te dringen: ‘Thuis blijven ze natuurlijk Russisch spreken, maar mogelijk gaat een deel van hun culturele identiteit toch verloren.’
Stemrecht
Want ook al beweert het ministerie van Onderwijs dat mensen hun taal niet wordt afgenomen en dat ze er juist een taal bij krijgen, niet iedereen is door dit argument overtuigd. Vooral niet nu de regering in maart heeft besloten niet-EU-burgers het stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen te ontnemen. Het zwaarst hierdoor getroffen zijn de ongeveer 83.000 mensen met een Russisch paspoort die niet ook staatsburger van Estland zijn.
Dat Moskou de taalhervorming zou kunnen aangrijpen om Estland nog meer tot doelwit van een hybride oorlogsvoering te maken, gelooft de regering – officieel althans – niet. ‘Rusland is te druk met Oekraïne om ook nog ruimte te hebben om iets in Estland te ondernemen,’ meent Kristina Kallas. Maar de recente dreigingen vanuit het Kremlin spreken in elk geval symbolisch een iets andere taal.
Een zekere basisstress is in Estland inmiddels een permanent gegeven. Iedereen weet maar al te goed dat Estland een van de kwetsbaarste punten van de EU en de NAVO is. In het Narva-scenario duurt het maximaal zestig uur voordat Russische troepen Tallinn en Riga bereiken. Misschien moeten we het demonstratieve optimisme waarmee de regering de onderwijshervorming aanpakt zien als een analogie van de basisstress waarmee ze naar de Russische dreiging kijkt: alles komt goed, het zal wel moeten.
De twee andere genomineerden waren aura farming en biohack
Merk je dat je steeds bozer wordt als je door je feed op sociale media scrolt? Zo ja, dan ben je misschien wel het slachtoffer geworden van rage bait. Deze term is door Oxford University Press uitgeroepen tot woord van het jaar, schrijft de BBC.
Het begrip beschrijft manipulatieve tactieken die gebruikt worden om online engagement te stimuleren. Het gebruik ervan is de afgelopen twaalf maanden verdrievoudigd, aldus de uitgever van het Oxfordwoordenboek. Rage bait versloeg twee andere genomineerde termen – aura farming en biohack – in de strijd om de titel.
Volgens Oxford University Press, uitgever van de Oxford English Dictionary, wordt rage bait gedefinieerd als online content die opzettelijk is ontworpen om woede of verontwaardiging op te wekken door frustrerend, provocerend of aanstootgevend te zijn. Dergelijke content wordt meestal geplaatst om meer bezoekers naar websites of sociale media-accounts te lokken.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Rage bait is vergelijkbaar met zijn internetverwant clickbait, waarbij een kop wordt gebruikt om een lezer te verleiden een artikel of video te bekijken. Rage bait-content is echter specifieker gericht op het prikkelen van mensen, aldus de Britse nieuwszender.
Cambridge Dictionary heeft parasociaal uitgeroepen tot het woord van 2025, gedefinieerd als een relatie die iemand voelt met een beroemdheid die hij of zij niet kent. Een voorbeeld hiervan is de interesse die fans toonden toen popster Taylor Swift en American footballer Travis Kelce hun verloving bekendmaakten.
Collins Dictionary koos ondertussen voor vibe-coding, de kunst van het maken van een app of website door deze te laten beschrijven door kunstmatige intelligentie in plaats van zelf handmatig programmeercodes te schrijven.
Veel woorden betreffen techgiganten en werken op afstand
Skibidi, tradwife en andere slang-termen die populair zijn geworden op sociale media behoren tot de meer dan zesduizend nieuwe woorden die dit jaar aan de Cambridge Dictionary worden toegevoegd, schrijft de BBC.
Skibidi is een onzinwoord dat populair werd via een animatieserie op YouTube, terwijl tradwife een afkorting is van traditional wife, een getrouwde moeder die kookt, schoonmaakt en berichten plaatst op sociale media.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Veel nieuwe woorden hebben betrekking op techgiganten en werken op afstand, zoals het woord mouse jiggler, een apparaat of stuk software dat wordt gebruikt om te doen alsof je aan het werk bent. Er zijn ook enkele samengestelde termen toegevoegd, zoals broligarchy, ‘een kleine groep mannen die extreem rijk en machtig zijn en die politieke invloed hebben of willen hebben’.
Talen zijn schatkamers van wijsheid die generaties lang zijn doorgegeven. Maar klimaatrampen en het verlies van biodiversiteit bedreigen het voortbestaan van talen over de hele wereld.
Al generaties lang woont de familie van Lars Miguel Utsi in het dorpje Jokkmokk in Noord-Zweden, waar van oudsher rendieren worden gehouden. In dit deel van de wereld waar de meesten van ons slechts een eindeloze witte sneeuwvlakte zouden zien, ontwaart Utsi in het landschap minutieuze details. Hij herkent de subtiele kenmerken van het bevroren terrein die zo cruciaal zijn voor zijn bestaan.
De Sami, Europa’s enige erkende inheemse groep, wonen hier al duizenden jaren en hun taal weerspiegelt hun diepe band met het land. De negen Samische talen die nog in gebruik zijn, hebben een uitgebreide woordenschat voor sneeuw: van åppås, onaangeroerde wintersneeuw zonder sporen, tot habllek, lichte, poederachtige sneeuw en tjaevi, vlokken die aan elkaar plakken en waar moeilijk in te graven is. Hun terminologie om rendieren te beschrijven is nog gedetailleerder en wordt gebruikt om de dieren te classificeren op basis van geslacht, leeftijd, kleur, vruchtbaarheid, tamheid en meer. Een reandi is bijvoorbeeld een mannelijk rendier met een lang gewei, ruvggáladat een rendier dat is weggelopen van de kudde, en čearpmat-eadni ‘een vrouwelijk rendier dat haar kalf van dit jaar heeft verloren, maar vergezeld wordt door het kalf van vorig jaar’.
Maar rendierhouders zoals Utsi merken hoe snel hun taal verdwijnt en hoe snel hun landschap verandert. Hoewel Noord-Samisch zijn moedertaal is, is hij zich scherp bewust van de hiaten in zijn woordenschat: sommige termen lijken de sprong van generatie op generatie niet te maken. ‘Als je met een ouder iemand praat, hoor je een rijkere taal. Ze hebben meer woorden voor de natuur, voor landschapsvormen, dieren en vooral rendieren. En ze kennen veel meer woorden voor sneeuw,’ zegt Utsi, voormalig voorzitter van de taalraad en vicevoorzitter van het Samisch parlement van Zweden. ‘Het is treurig.’
Eén woord illustreert in het bijzonder wat er op het spel staat: het Noord-Samische ealat, dat volgens Utsi ruwweg vertaald kan worden als ‘de ideale omstandigheden voor rendieren om korstmos te vinden om te grazen’. Het is een term die zich moeilijk laat vertalen, een complex begrip dat impliceert dat diverse factoren (planten, sneeuw, geografie, korstmossen en rendieren) met elkaar in harmonie zijn. ‘Tegenwoordig wordt het steeds minder gebruikt, omdat we die omstandigheden niet zo vaak meer zien,’ zegt Utsi.
Bedreigde talen
Jokkmokk is een belangrijk centrum voor rendierhouderij in Zweden, gelegen in de regio Lapland – of Sápmi, in het Noord-Samisch. Dit gebied beslaat delen van Noord-Noorwegen, Zweden, Finland en de Russische oblast Moermansk. De inheemse Sami hier zijn bijzonder kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering: wetenschappers stellen dat het Arctisch gebied bijna vier keer zo snel opwarmt als de rest van de wereld.
In de loop der eeuwen hebben rendieren zich aangepast aan de barre klimatologische omstandigheden van de regio; ze ontwikkelden schopvormige hoeven waarmee ze korstmos en andere planten onder de sneeuw kunnen opgraven. Maar door stijgende temperaturen valt er meer regen dan sneeuw, waardoor de grond verijst en het graven voor rendieren onmogelijk wordt. Vroege dooi leidt tot ongebruikelijke overstromingen voor het seizoen, wat het hoeden bemoeilijkt en de voedselvoorraad vernietigt. Onderzoek toont aan dat de rendierbiotopen in de afgelopen eeuw met 70 procent zijn afgenomen, deels doordat gebieden onder water werden gezet voor waterkrachtcentrales.
‘Als je met een ouder iemand praat, hoor je een rijkere taal’
Deze veranderingen bedreigen zowel de wilde dieren als de culturele praktijken van de rendierhouderij die al generaties lang bepalend zijn voor de levenswijze van de Sami. Tegelijkertijd voeren de rendierhouders nog een andere strijd: het verlies van hun talen. Zweden en Finland hebben onlangs plannen gepresenteerd om de financiering voor de Sámi Giellagáldu in te krimpen, een orgaan dat is opgericht om de Sami-talen te beschermen en te behouden. De Unesco beschouwt alle negen resterende Sami-talen als bedreigd. Het Noord-Samisch is de meest gesproken taal, met naar schatting twintig- tot dertigduizend sprekers, terwijl het Ume-Samisch vermoedelijk nog maar amper vijftig sprekers kent.
Hoewel de achteruitgang van de Sami-talen verschillende complexe oorzaken heeft, weerspiegelt het in het algemeen de teloorgang van hun traditionele levenswijze. Rendierhouders zoals Utsi hebben er letterlijk geen woorden voor als ze worden geconfronteerd met hun veranderende omgeving. Dit duidt op een onzekere toekomst: wat blijft er over als de dingen waar je woorden voor hebt langzaam verdwijnen? De Sami-talen zijn gevormd door hun omgeving en vanuit de noodzaak om te overleven in barre omstandigheden. Als ze zouden uitsterven, zouden ook de diepgewortelde kennis en expertise die generaties lang zijn doorgegeven verloren kunnen gaan.
Het verband tussen taal en natuur
Wetenschappers en taalkundigen hebben een opvallend verband ontdekt tussen de biodiversiteit en de talen in de wereld. Gebieden die rijk zijn aan biologische diversiteit blijken ook vaak een grote taalkundige diversiteit te kennen, oftewel een hoge concentratie van talen. Hoewel het verband nog niet volledig is geduid, wijst de sterke geografische correlatie erop dat beide vormen van diversiteit door verschillende factoren (ecologisch, sociaal, cultureel) worden beïnvloed, en bovendien in zorgwekkend tempo afnemen. Deze gebieden hebben vaak het meest te lijden van de klimaatcrisis. Waar planten- en diersoorten verdwijnen, volgen talen, dialecten en unieke uitdrukkingen vaak eenzelfde patroon van achteruitgang.
Bij een hotspot voor biodiversiteit denk je misschien eerder aan het Braziliaanse Amazonegebied of de bossen van Tanzania dan aan het Noordpoolgebied. Toch speelt dat een cruciale rol in het reguleren en stabiliseren van het klimaat op aarde, en in de ondersteuning van al het leven op onze planeet. Wetenschappers plachten te zeggen: ‘Wat in het Noordpoolgebied gebeurt, blijft niet in het Noordpoolgebied.’ Elke verstoring van deze habitat heeft verstrekkende gevolgen voor de mensheid.
Verzet tegen dominantie wereldwijde talen
Van de zevenduizend talen die er in de wereld worden gesproken, verdwijnen er elk jaar ongeveer negen. Volgens ‘optimische schattingen’ van de Unesco kan het zelfs zo zijn dat de helft van alle talen ter wereld tegen het einde van deze eeuw zal zijn uitgestorven.
Sommige talen verdwijnen met hun laatste sprekers, terwijl andere talen nauwelijks nog worden gebruikt. Ouders geven hun moedertaal niet meer door aan hun kinderen, woorden raken in de vergetelheid en steeds minder mensen kunnen hun eigen schrift nog lezen. Vaak kiezen mensen ervoor een gangbare taal te spreken die meer perspectieven biedt op een baan. Maar de laatste tijd groeit ook het verzet tegen de dominantie van wereldwijd gesproken talen die lokale tradities verdringen.
De Nigeriaanse taalactivist Tochi Precious Friday is bezorgd over het uitsterven van het Igbo in haar land en werkt samen met de organisatie Wikitongues aan het documenteren van woorden, betekenissen en gebruiksvormen. Tegen The Guardian zegt ze: ‘Het gaat ook om de geschiedenis die eraan verbonden is, en de cultuur. Als een taal sterft, sterft alles wat ermee verbonden is.’
Amrit Sufi uit India doet hetzelfde voor het Angika, een taal met zeven miljoen sprekers die nauwelijks nog wordt geschreven of onderwezen, en daardoor met de ondergang wordt bedreigd. Het Angika zou ‘inferieur’ zijn ten opzichte van het Hindi, dat met 600 miljoen sprekers na het Engels en het Mandarijn de meest gesproken taal ter wereld is.
Inheemse gemeenschappen hebben een diepe band met het land dat ze al generaties lang bewonen, en die wordt weerspiegeld in de talen die ze spreken, de manier waarop ze over het landschap praten en de woorden die ze geven aan de overtuigingen en gebruiken die hun talen mede hebben gevormd. Als hun band met het land onder druk komt te staan, lijden hun talen daar automatisch ook onder. Vanuatu bijvoorbeeld, een eilandengroep in de Stille Zuidzee met de hoogste taaldichtheid ter wereld (110 talen op 12.190 vierkante kilometer), herbergt 138 bedreigde planten- en diersoorten. Het land is bijzonder kwetsbaar voor zeespiegelstijging en klimaatgerelateerde natuurrampen. Wetenschappers waarschuwen dat de klimaatcrisis de genadeslag dreigt te worden voor veel inheemse talen, nu kustgemeenschappen gedwongen worden te verhuizen.
Als gemeenschappen niet langer kunnen vertrouwen op hun land, worden ze mogelijk gedwongen te verhuizen naar gebieden waar hun talen niet worden gesproken. Ze laten dan niet alleen hun moedertaal achter, maar ook alle wijsheid die erin besloten ligt. Ook zijn er aanwijzingen dat wanneer een taal ‘achteruitgaat’, bijvoorbeeld door economische of sociale factoren, mensen geleidelijk aan minder aandacht hebben voor het land. Als talen verdwijnen, gaat ook de traditionele ecologische kennis die ze bevatten verloren. Inheemse gemeenschappen wijzen dan ook steeds vaker op de onlosmakelijke band tussen taal en biodiversiteit als bewijs dat mensen niet losstaan van de natuur, maar er juist onlosmakelijk deel van uitmaken.
Diversiteit in kaart gebracht
Begin jaren negentig, toen natuurbeschermers begonnen te waarschuwen voor de alarmerende afname van biodiversiteit, bestudeerde taalkundige Luisa Maffi het verdwijnen van talen wereldwijd. Ze realiseerde zich dat deze twee trends mogelijk verband met elkaar hielden. ‘Opeens drong het tot me door: dit zijn allemaal vormen van diversiteit van leven op aarde,’ vertelt Maffi vanuit haar huis in Brits-Columbia (Canada). ‘Diversiteit in de natuur, maar ook de diversiteit van menselijke culturen en talen. Ze zijn met elkaar verbonden, verweven en wederzijds van elkaar afhankelijk. Wat er met de ene component gebeurt, beïnvloedt dus wat er met de andere gebeurt.’
Al snel ontdekte ze dat ze niet de enige was die tot deze conclusie was gekomen. In 1988 verklaarde het Eerste Internationale Congres voor Etnobiologie in het Braziliaanse Belém dat er ‘een onlosmakelijke band bestaat tussen culturele en biologische diversiteit’. Na een congres in 1995, waar Maffi David Harmon ontmoette, een natuurbeschermer die onderzoek deed naar deze ‘samenvallende uitstervingscrisis’, richtten de twee de non-profitorganisatie Terralingua op. Volgens de website richt deze organisatie zich op ‘bioculturele diversiteit’, een term die zij extra bekendheid gaven en die uitdrukt hoe ‘biodiversiteit, culturele diversiteit en taalkundige diversiteit allemaal met elkaar verbonden zijn’.
Gegevens over de talen van de wereld waren destijds moeilijk te vinden. Een van de weinige uitgebreide databases was The Ethnologue, waarin vanaf 1951 talen werden gecategoriseerd. Talen veranderen snel, en er bestaat niet altijd consensus over waar de ene taal ophoudt en de andere ontstaat. Daarom creëerde Terralingua de Index of Linguistic Diversity, die op hun website wordt omschreven als de ‘allereerste kwantitatieve maatstaf voor trends in de wereldwijde taalkundige diversiteit’. Deze index toonde aan dat de mondiale taalkundige diversiteit van 1970 tot 2005 met naar schatting 20 procent was afgenomen, waarbij inheemse talen het zwaarst waren getroffen. Als we deze gegevens naast die over biodiversiteit leggen, zien we iets onthullends. De trends in taalverlies weerspiegelen nauw de afname van de mondiale biodiversiteit. De Living Planet Index van het Wereld Natuur Fonds stelde vast dat in diezelfde periode planten- en diersoorten gemiddeld met 27 procent afnamen.
‘Taalkundige diversiteit wordt in feite gebruikt als maatstaf voor culturele diversiteit’
De Index of Linguistic Diversity van Terralingua bouwde voort op eerder werk van Harmon en Jonathan Loh, een wetenschapper die gespecialiseerd is in mondiale biologische en culturele diversiteit; dat werk wees op verbanden tussen de staat van ’s werelds taalkundige diversiteit en die van de biodiversiteit. In 2012 onthulde een studie in Proceedings of the National Academy of Sciences dat biodiversiteitshotspots en wilde natuurgebieden met een hoge biodiversiteit de thuisbasis zijn van 70 procent van de wereldtalen. De studie benadrukte ook dat veel van deze talen endemisch zijn in hun regio en met uitsterven worden bedreigd, en wees op de parallelle afname van mondiale taalkundige en biologische diversiteit.
‘We konden aantonen dat ongeveer driekwart van de talen op aarde wordt gesproken in gebieden met een hoge biodiversiteit, wat neerkomt op een kwart van het landoppervlak, Antarctica niet meegerekend,’ zegt Larry Gorenflo, medeauteur van de studie en hoogleraar landschapsarchitectuur, geografie, Afrikaanse studies en antropologie aan de Pennsylvania State University. ‘Van sommige van deze biodiversiteitshotspots is de taalkundige diversiteit ronduit fenomenaal.’
Volgens Gorenflo kun je taalkundige diversiteit zien als een indicator voor culturele diversiteit in bredere zin, die traditioneel gezien moeilijker te definiëren was. ‘Lange tijd werd antropologie beschouwd als de sociale wetenschap die cultuur bestudeerde. Maar niemand was het helemaal eens over wat cultuur precies inhield,’ zegt hij. ‘Taalkundige diversiteit wordt in feite gebruikt als maatstaf voor culturele diversiteit.’
De precieze redenen achter de verbanden tussen talen en natuur zijn niet volledig duidelijk, aldus Gorenflo. Eerdere studies wezen erop dat in gebieden met een groot aantal hulpbronnen taalkundige diversiteit ontstaat doordat mensen zich moeten aanpassen aan een complexere omgeving. Volgens anderen verkleinen overvloedige hulpbronnen de kans dat men deze moet delen en zodoende in tijden van nood moet communiceren met naburige groepen. Weer ander onderzoek suggereert dat de redenen achter dit gelijktijdig voorkomen veel ingewikkelder zijn en per gebied verschillen. Gorenflo benadrukt de noodzaak van meer onderzoek. ‘Als we dit verband begrijpen, kan dat de manier beïnvloeden waarop we omgaan met de relatie tussen inheemse volkeren en biologische diversiteit – en met de natuur.’
Taal en ecologische wijsheid
Taalkundigen schatten dat er ongeveer 8324 talen in de wereld zijn, waarvan er volgens de website Ethnologue nog 7164 worden gesproken. De verdeling van de wereldbevolking over deze talen is echter ongelijk. Meer dan de helft van de acht miljard mensen op aarde spreekt een van de 25 meest voorkomende talen. De meeste van de overige 7139 talen hebben maar weinig sprekers. Ongeveer de helft van alle talen wordt gesproken door gemeenschappen van tienduizend mensen of minder, en een paar honderd talen hebben slechts maximaal tien sprekers.
Volgens Gary Simons, hoofdredacteur van Ethnologue, sterft er ongeveer elke veertig dagen een taal uit. Taalkundige Kenneth Hale vergeleek het verlies van één enkele taal met ‘een bom op het Louvre’, vanwege de cultuur en ‘intellectuele rijkdom’ die in elk ervan besloten ligt. De snelheid waarmee talen uitsterven zal naar verwachting toenemen naarmate kinderen ze niet meer leren en oudere sprekers overlijden. De meeste talen zijn spoorloos verdwenen doordat ze gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis uitsluitend mondeling werden overgeleverd. Maar het zijn juist de bedreigde talen die de schoonheid van de menselijke diversiteit en de flexibiliteit van de menselijke geest blootleggen. Zo kennen sommige talen zeer gespecialiseerde termen op het gebied van bijvoorbeeld kruidengeneeskunde, astronomie of zeewier.
Náhuatl wordt een schoolvak in Mexico-Stad
Clara Brugada, de nieuwe burgemeester van Mexico-Stad, wil het Náhuatl, een van de belangrijkste inheemse talen van Mexico, invoeren op openbare scholen in de hoofdstad. De taal is jarenlang genegeerd in het officiële onderwijssysteem en wordt nu een vak op 78 scholen.
Mexico-Stad is een smeltkroes van meer dan zestig verschillende inheemse talen. Zo’n veertigduizend inwoners van de stad spreken nog Náhuatl en veel woorden die je er in het dagelijks leven regelmatig hoort komen uit het Náhuatl, zoals apapacho (liefkozing), tianguis (markt) en guacamole.
Volgens Pablo Yanes Rizo, secretaris van Onderwijs in de Mexicaanse hoofdstad, is dit initiatief ook een manier om het bestaan te erkennen van een culturele realiteit met een lange geschiedenis. Veertig procent van de 25 miljoen mensen die zichzelf als inheems beschouwen, zegt vaak gediscrimineerd te worden. Er bestaat een duidelijke klassenscheiding in veel delen van het land, blijkt uit onderzoek, waarbij niet voor iedereen dezelfde rechten gelden.
Het initiatief kreeg zowel applaus als kritiek. Taalkundige Yásnaya Aguilar Gil zegt in El País dat een eerdere poging in 2007 uiteindelijk op niets uitliep. Ze vindt dit ‘losse, tijdelijke acties zonder een breder beleidsplan die zelden een duurzaam effect hebben’. Volgens haar is er een hervorming nodig die de invoering van andere talen structureel mogelijk maakt, zoals in Catalonië of Baskenland.
Daarnaast is het de vraag of onderwijs in het Náhuatl de toch al zwakke positie van het Engels in het openbare onderwijs verder zal ondermijnen. In een wereld waarin het Engels vaak toegang biedt tot hogere studies en betere banen, blijft Mexico achter: volgens studies beheerst zo’n 97 procent van de leerlingen in het openbaar onderwijs het Engels niet op basaal niveau. Voorstanders van het Náhuatl-initiatief erkennen dat, maar benadrukken dat het leren van inheemse talen ook cognitieve voordelen en een dieper cultureel bewustzijn met zich meebrengt.
Talen zijn schatkamers van wijsheid die generaties lang zijn doorgegeven. Vaak is deze wijsheid ecologisch van aard. In het westen van Canada en de Verenigde Staten geven uitdrukkingen in inheemse talen aan wanneer wilde planten geoogst moeten worden. Australische Aboriginals definiëren de seizoenen op basis van signalen zoals de bloei van inheemse bomen, die op hun beurt informatie bieden voor het bestrijden van bosbranden. Traditionele Sami-kalenders kennen dertien maanden, gebaseerd op plantengroei en dierlijke activiteit in een bepaalde periode van het jaar, zoals miessemánnu (rendierkalfmaand) en borgemánnu (rendiervachtwisselmaand). Maar de uitdrukking Mitákuye Oyás’in, van de Lakota, die zowel ‘al mijn verwanten’ (menselijk en niet-menselijk) betekent als ‘alles is verwant’, verwoordt de onderlinge verbondenheid van mens en natuur misschien nog wel het best.
Veel bedreigde talen drukken eerbied en respect uit voor de natuur en een besef van het evenwicht dat moet worden bewaard. ‘Voor gemeenschappen die een innige band hebben met hun directe omgeving is het land de leermeester. Je moet de lessen van het land leren om te overleven en te gedijen, en dat raakt natuurlijk verankerd in je waardensysteem, dat tot uiting komt in taal,’ zegt Maffi. ‘Nergens zul je een filosofie vinden die zegt: neem zo veel als je maar wilt en trek je van de toekomst niks aan.’
Taal als koloniaal wapen
De opmerkelijke concentratie van talen in ’s werelds meest biodiverse regio’s, vooral in de tropen en gebieden nabij de evenaar, kan deels worden verklaard door de beschermende rol die deze wildernisgebieden speelden tegen kolonisatie. Historisch gezien werd het uitsterven van talen vaak veroorzaakt door kolonialisme. Zoals Alfred Crosby betoogt in Ecological Imperialism, gaven Europese kolonisten doorgaans de voorkeur aan gebieden met vlak, vruchtbaar land dat makkelijker te bewonen en bebouwen was.
Tropische regio’s daarentegen brachten meer uitdagingen met zich mee, waaronder ziektes waar Europeanen vatbaarder voor waren wegens een gebrek aan immuniteit. En het zijn de geïsoleerde, moeilijk bereikbare gebieden die naar meer diversiteit neigen. ‘In berggebieden en op eilanden vind je veel biodiversiteit. En als het lastig is om je er te verplaatsen, tref je er ook al snel behoorlijk wat culturele diversiteit aan,’ vertelt Gorenflo.
Europeanen beseften al snel dat in de gebieden die ze wel koloniseerden, taal cruciaal was voor hun missie. Om politiek en economisch te overheersen, zagen de koloniserende machten in dat ze ook op het gebied van taal moesten domineren. De Spaanse geleerde Antonio de Nebrija pleitte voor het belang van het schrijven van grammatica’s en woordenboeken in het Castiliaans. In 1492 schreef hij: ‘Taal en het rijk gaan immer hand in hand.’ Tegen het begin van de twintigste eeuw was door eeuwenlang kolonialisme zo’n 20 procent van de inheemse talen in Australië, de VS, Zuid-Afrika en Argentinië verloren gegaan.
‘Taal, elke taal, heeft een dubbel karakter: het is zowel een communicatiemiddel als een drager van cultuur’
Door hun moedertalen uit te roeien, ontnamen kolonisatoren de lokale bevolking hun band met de cultuur, alsook herinneringen, gemeenschappelijke identiteit en de relatie met het land, dat hun eveneens was afgenomen. ‘Taal, elke taal, heeft een dubbel karakter: het is zowel een communicatiemiddel als een drager van cultuur’, schreef de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o. Zo werd de bevolking dus verhinderd om hun kennis door te geven aan de volgende generatie. Ngugi sprak treffend van ‘kolonisatie van de geest’.
Tegenwoordig is taalverlies vaak een gevolg van wat veel mensen in geïndustrialiseerde samenlevingen ‘vooruitgang’ zouden noemen: gemengde huwelijken, het onderwijzen van ‘populairdere’ talen op scholen en migratie voor betere kansen. Inheemse talen zijn moeilijk te behouden wanneer de sprekers zich aanpassen aan nieuwe levensomstandigheden en hun talen niet meer in de oorspronkelijke context gebruiken.
Conservatie en inheemse kennis
Paradoxaal genoeg stond het idee dat mensen losstaan van de natuur ook centraal in de ideologie rond natuurbehoud. Tijdens een reis naar de Verenigde Staten in 1919 bezocht koning Albert I van België drie nationale parken: Yellowstone, Yosemite en de Grand Canyon. Dit was enkele jaren nadat president Woodrow Wilson een wet had ondertekend die een National Park Service in het leven riep, met de bedoeling 35 nationale parken en monumenten te beschermen. Koning Albert, geïnspireerd door wat hij aan de andere kant van de Atlantische Oceaan had gezien, besloot een paar jaar later, in 1925, zijn eigen park op te richten in Belgisch-Congo. Hij noemde het het Albert Nationaal Park. Dit park, nu bekend als het Virunga Nationaal Park in Congo, wordt beschouwd als het eerste nationale park op het Afrikaanse continent.
Het concept van een ‘nationaal park’ stamt uit een negentiende-eeuwse natuurbeschermingsbeweging met de overtuiging dat de natuur gescheiden moest worden van en beschermd tegen de mensen die er wonen. De Belgische autoriteiten beweerden dat er slechts zo’n driehonderd mensen in het park in Congo woonden, maar in werkelijkheid verdreven ze duizenden Hutu’s en Tutsi’s met geweld uit het gebied. Door de jaren heen is de biodiversiteit er bedreigd door oorlog, ontbossing, stroperij en olie- en gasboringen, terwijl het ‘fort’-beschermingsmodel (waarbij omgevingen onaangetast blijven door menselijke invloed) onder vuur is komen te liggen doordat de lokale bevolking niet langer bij de hulpbronnen kan.
Een vergelijkbaar verhaal speelde zich enkele decennia eerder af in de vallei die nu bekendstaat als Yosemite. Toen natuuronderzoeker John Muir er in 1868 arriveerde, stond hij versteld van het adembenemende landschap. Hij besefte niet dat die schoonheid het resultaat was van zorgvuldig beheer door de Ahwahneechee, een stam die een mengeling was van de Noordelijke Paiute en de Sierra Miwok. Deze gemeenschappen, wier talen een diepgaand begrip van de lokale planten en dieren weerspiegelden, werden in 1851 met geweld verdreven door het Mariposa-bataljon onder leiding van James Savage.
‘Inheemse bewoners werden verplaatst naar het dorp Indian Canyon, dat uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de bewoners werden verdreven’
Na de oprichting van het nationale park, gebaseerd op Muirs idee van ‘pure wildernis’, werd de leefwijze van de Ahwahneechee steeds meer aan banden gelegd. Inheemse bewoners werden verplaatst naar het dorp Indian Canyon, dat uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de bewoners werden verdreven. In haar boek Savage Dreams schrijft Rebecca Solnit dat in 1969 ‘het oorspronkelijke doel van het Mariposa-bataljon dichterbij kwam: de verdrijving van de Ahwahneechee uit de vallei waar ze duizenden jaren waren verbleven’.
Tegenwoordig spreken nog slechts vierhonderd mensen de taal van de Noordelijke Paiute, terwijl dat van de Sierra Miwok is geslonken tot een handjevol sprekers. Studies hebben inmiddels aangetoond dat hun verdrijving leidde tot ecologische achteruitgang. Een rapport uit 1996 van het Sierra Nevada Ecosystem Project concludeerde dat er ‘een ecologisch “vacuüm” of onevenwicht in de Sierra Nevada ontstond door het vertrek van de inheemse Amerikanen die deze ecosystemen beheerden’. De verwijdering van inheemse gemeenschappen en hun landbeheertechnieken, die vaak gericht waren op natuurbehoud, heeft de aantasting van het milieu waarschijnlijk verergerd, zoals ook blijkt uit de verwoestende bosbranden die onlangs in Los Angeles woedden.
Voordelen van meertaligheid
Meertaligheid maakt mensen slimmer, socialer en gezonder.
Ondanks oude vooroordelen tonen moderne onderzoeken overtuigend aan dat tweetaligheid mentale voordelen biedt. Tweetaligen presteren beter in cognitieve en sociale taken, herstellen sneller van een beroerte en ontwikkelen later dementie dan eentalige mensen, aldus Mosaic Science. Het brein van tweetaligen is flexibeler, multitaskt beter en heeft meer grijze stof. Taal beïnvloedt ook het wereldbeeld en het gedrag. Kinderen die tweetalig onderwijs krijgen, zijn vaak zelfverzekerder en betrokkener.
Bovendien is, bijvoorbeeld in de VS, de vraag naar tweetalige werknemers sterk gestegen, vooral naar sprekers van het Spaans, Chinees en Arabisch. Van 2010 tot 2016 verdubbelde het aantal vacatures waarin tweetaligheid vereist is, schrijft Boston Globe. Het gaat om zowel hoog- als laagopgeleide functies, veelal in het onderwijs, de gezondheidszorg en de klantenservice. Vooral eerstegeneratie-immigranten zijn hierbij in trek.
En hoewel native speakers op het eerste gezicht een streepje voor lijken te hebben binnen een internationale werkomgeving, biedt werken in een tweede taal verrassende voordelen, onderzocht The Economist. Niet-native speakers worden soms onderschat, wat strategisch kan uitpakken in onderhandelingen. Ze denken vaak zorgvuldiger na, nemen rationelere beslissingen en herkennen culturele gevoeligheden beter. Tweetaligheid stimuleert ook empathie en een ‘afwijkend accent’ wordt vaak charmant gevonden. Werken in een vreemde taal kan dus, ondanks de moeite, leiden tot scherpere analyses en betere communicatie.
‘Mensen vormen een essentieel onderdeel van een ecosysteem,’ zegt Gorenflo. ‘Het verlies van talen kan leiden tot verlies van biodiversiteit, deels doordat er een afstand ontstaat tot traditionele gedragspatronen, zoals landschapsbeheer.’ Hij voegt eraan toe dat er inmiddels een groeiend besef bestaat dat inheemse volkeren en lokale gemeenschappen de beste beheerders zijn van hun land. ‘Als je de taal verliest, is dat een van de puzzelstukjes die verloren gaan. De mensen die deze talen spreken, volgden in veel gevallen traditionele gebruiken – op het gebied van landschapsbeheer, grondstoffengebruik en in sommige gevallen zelfs natuurbehoud – en die komen de biodiversiteit uiteindelijk ten goede.’
Uiteraard is het meeste inheemse land niet verloren gegaan aan nationale parken, maar aan grootschalige landbouw en stedelijke wildgroei. In de Sonorawoestijn [in Mexico en de VS] heeft de afname van planten als de mesquite en de populier invloed gehad op de traditionele ceremonies van de inheemse Yoeme-gemeenschappen, die voor veel van hun rituelen afhankelijk zijn van de natuur. Hun kennis van het landschap komt in veel van hun liederen tot uiting, maar naarmate deze gebieden meer bebouwd raken en planten verdwijnen, verliezen deze liederen hun betekenis en worden ze niet langer doorgegeven aan toekomstige generaties.
Taalbehoud als conservatie
Maffi ziet de overvloed aan talen, culturen en biodiversiteit binnen een gebied als onderling afhankelijke elementen die elkaar wederzijds versterken. Het behoud van de talen in de wereld kan dan ook worden gezien als een essentieel instrument in de strijd tegen de klimaatcrisis. Op Hawaï is de groene zeeschildpad, of honu – een bedreigde diersoort die wordt beschermd door de Amerikaanse wet – al van oudsher een krachtig symbool van de lokale cultuur. De honu staat voor wijsheid, bescherming en spirituele leiding. Volgens traditioneel geloof is de honu een ‘aumakua, een persoonlijke of familiegod, of een vergoddelijkte voorouder. Veel ‘aumakua zijn dieren, maar het kunnen ook planten zijn – een traditie die doet denken aan hoe de Lakota alle andere levende wezens als ‘verwanten’ beschouwen.
Naast deze tradities is de Hawaïaanse taal essentieel voor de identiteit van de eilandengroep. Beide ondergingen echter een verwoestende neergang in de twintigste eeuw: de populaties honu kelderden door overbevissing, terwijl het Hawaïaans bijna verdween door een wet die het Engels tot 1987 uitriep tot de enige onderwijstaal op alle openbare en privéscholen. In die periode werden leerlingen gestraft als ze Hawaïaans spraken.
De afgelopen decennia zijn zowel de honu als de Hawaïaanse taal echter centraal komen te staan in de heropleving van de Hawaïaanse cultuur. De nestpopulaties van de honu zijn de laatste twintig jaar jaarlijks met 5 procent gegroeid, terwijl het aantal Hawaïaans-sprekers in dezelfde periode spectaculair is toegenomen (van 1500 in 1980 tot 18.000 in 2016) dankzij programma’s en een verbeterde taalvaardigheid onder jongere generaties. Biodiversiteit en taal vormen samen het hernieuwde herstel van het natuurlijke en culturele erfgoed van Hawaï, en beide spelen een essentiële rol in de herverbinding van de bewoners met hun voorouderlijke tradities en identiteit.
Een universeel woord: huh?
Een van de resultaten uit een vergelijkende taalstudie door onderzoekers van het Max Planck Instituut in Nijmegen is dat bijna elke taal een variant van het woord ‘huh?’ kent. Het klinkt zelfs overal vrijwel hetzelfde, al wordt het vaak net iets anders geschreven: ehh, hè, hein of eh. Maar in elke taal is duidelijk wat ermee wordt bedoeld: een vraag om herhaling of duidelijkheid.
Mark Dingemanse, Francisco Torreira en Nick Enfield bestudeerden talen over de hele wereld en ontdekten dat er overal wel een woord is dat qua vorm en betekenis lijkt op ‘hè?’ Dat ‘hè’ of ‘huh’ helemaal geen woorden zouden zijn, weerleggen Dingemanse en zijn collega’s. Ook andere taalkundigen kwamen tot de conclusie dat ‘hè’ grammaticaal verbonden is aan een zin die eraan voorafgaat, en niet zomaar losstaat. Het is te begrijpen in verschillende contexten, bijvoorbeeld bij verbazing of om instemming te vragen.
Het zou een vorm van convergente evolutie zijn, een fenomeen dat bekend is uit de evolutionaire biologie. Als verschillende soorten in een gelijksoortige omgeving leven, kunnen ze onafhankelijk van elkaar gelijkenissen gaan vertonen. Haaien en dolfijnen bijvoorbeeld hebben een verschillende evolutionaire afstamming, maar toch heeft hun lichaam eenzelfde soort vorm, aangepast aan het water. Op een vergelijkbare manier, zo stellen Dingemanse en zijn collega’s, kunnen woorden eenzelfde vorm aannemen als ze voorkomen in dezelfde omgeving.
Het wereldwijde gebruik van ‘huh’ of ‘hè’ is dus niet slechts een toevallige gelijkenis, maar een hulpmiddel dat illustreert hoe menselijke communicatie, ondanks de linguïstische diversiteit, op een fundamenteel niveau universele kenmerken deelt.
Op het Japanse eiland Okinoerabu zijn sprekers van het Shimamuni – een lokale variant van het Kunigami, een taal die als ‘ernstig bedreigd’ wordt beschouwd – een schoolproject gestart. Kinderen komen dagelijks bijeen om het strand schoon te maken terwijl ze in hun taal zingen. Ook houden ze in dezelfde taal een dagboek bij. Deze aanpak bleek niet alleen effectiever dan lesgeven in een klaslokaal, maar verbeterde ook de communicatie over milieukwesties met oudere eilandbewoners. Zo bleken sommigen van hen te denken dat zwerfafval vanzelf zou vergaan. Dit voorbeeld toont de risico’s van het verlies van communicatie tussen generaties, met schadelijke gevolgen voor de gemeenschap als geheel.
Het belang van meertaligheid
Zonder inspanningen voor heropleving zal het taalverlies volgens wetenschappers binnen veertig jaar zijn verdrievoudigd. Taalkundigen voorspellen dat 50 tot 90 procent van de wereldtalen aan het eind van deze eeuw zal zijn uitgestorven, met rampzalige gevolgen voor de betreffende gemeenschappen, de wetenschap en het cultureel erfgoed. Het feit dat leerlingen die langer op school zitten eerder met dit taalverlies te maken hebben, wijst erop dat de snelle achteruitgang kan worden gelinkt aan een eentalige manier van denken. Hoewel meertaligheid dominant is onder mensen (zo’n 60 procent van de wereldbevolking spreekt meer dan een taal), zien veel landen zichzelf als eentalige natiestaten, waarin één enkele taal cruciaal wordt geacht voor het behoud van de nationale identiteit. ‘Het idee van niet alleen nationale maar ook taalkundige eenheid en uniformiteit kwam pas echt op met de vorming van de natiestaat in de moderne tijd,’ vertelt Maffi. ‘Het belang van meertaligheid moet opnieuw worden erkend.’
Lange tijd was de overtuiging dat de dominante taal zogenaamd minder ‘wenselijke’ talen moest vervangen, in plaats van dat co-existentie bevorderd werd. De overtuiging dat tweetalige kinderen in de war raken of moeite hebben met het leren van meerdere talen tegelijk, is door onderzoek veelvuldig ontkracht. Studies tonen juist consequent de talrijke cognitieve voordelen van meertaligheid aan. Willen de duizenden ‘kleinere’ talen ter wereld overleven, dan is dringend een andere aanpak nodig, waarbij we afstappen van eentaligheid als norm en erkennen dat het ‘nut’ van een taal niet per se wordt bepaald door het aantal sprekers.
‘Het belang van meertaligheid moet opnieuw worden erkend.’
Talen zijn, zoals Ralph Waldo Emerson het in zijn boek The Poet verwoordt, ‘historische archieven’. Taalkundige Nicholas Evans merkte op dat ‘ze ons niet alleen inzicht geven in menselijke cognitie, maar ook in het rijke weefsel van menselijke ervaringen door de eeuwen heen’. Als we ze verliezen, riskeren we niet alleen een groot deel van de menselijke geschiedenis kwijt te raken, maar ook het vermogen om verschillende manieren van kijken naar en leven op de wereld te begrijpen.
Utsi, de rendierherder, noemt nog een Noord-Samisch woord dat illustreert hoe zijn taal uniek is toegesneden op de omgeving waarin deze ontstond. ‘Guorban is een woord dat “overgraasd” betekent, tot op het punt waar de korstmossen zullen verdwijnen. Je wilt dus eigenlijk niet guorbadit [overgrazen], want dan vernietig je de weide voor de volgende generatie,’ vertelt hij.
Volgens Gorenflo worden de factoren die de gelijktijdige aanwezigheid van taalkundige en biologische diversiteit veroorzaken, en die aanvankelijk raadselachtig leken, steeds helderder. ‘Ik beschouw taal als een verlengstuk van het culturele systeem, dat op zijn beurt deel uitmaakt van de bredere ecologie van de wereld. Het is dus bovenal belangrijk om te verkennen hoe deze ecologie eruitziet.’
Het behoud van bedreigde talen gaat om meer dan alleen het redden van woorden. Het kan cruciaal zijn voor het veiligstellen van eeuwenoude menselijke kennis en helpt ons de systemen die ons allen in stand houden beter te begrijpen.
Opgegroeid in verschillende culturen met verschillende normen, raakte de Iraanse Dina Nayeri (1979) vaak in conflict met haar moeder. Nu haar dochter ouder wordt, begint ze hun relatie in een ander licht te zien.
We woonden in 2020, toen mijn dochter Elena vier was, korte tijd in Frankrijk. Op onze eerste dag, toen onze keuken nog vol stond met dozen, gingen we samen naar de McDonald’s. Ik vertelde haar dat die in Frankrijk ‘Le Macdo’ genoemd wordt. Ik zette haar op de toonbank en las haar de Franse menukaart voor, terwijl ze giechelend tegen me aan leunde. ‘Mama, de Fransen zijn zo grappig!’ Een paar weken later kwamen we een jongen van haar school tegen. ‘Coucou, Elena!’ zei hij. Ze zwaaide koeltjes naar hem en grijnsde toen naar mij. ‘Vind je dat niet grappig?’
Haar slinkse lach deed me denken aan de eerste keer dat ik zag hoe westerse families met elkaar omgingen. Ik was negen en we waren net gevlucht uit Iran, omdat mijn moeder zich tot het christendom had bekeerd – en dus een afvallige was. Mijn moeder, broer en ik hadden tot dan toe zonder verblijfsvergunning in onzekerheid in Dubai gewoond. Toen ons migrantenhostel onverwacht sloot, werden we opgenomen door een gezin van Australische missionarissen. We trokken ons op onze eerste avond in hun huis gedrieën terug in onze slaapkamer om het over hun gewoontes te hebben. We giechelden. We waren dankbaar dat we een comfortabele kamer en een bed hadden, maar de familie was in onze ogen zo vreemd.
Het was ook spannend om het gedrag van witte mensen onder de loep te nemen; die kans kregen we niet vaak. Mijn moeders ogen werden zo groot als schoteltjes toen het eten werd opgediend: we kregen plakken ham, koude groenten en wat restjes. Hun zoon Nathan, een jongen van mijn leeftijd, kreeg elke avond eerst even tijd voor zichzelf om daarna met veel omhaal door zijn beide ouders te worden toegestopt. We vonden het een bizar ritueel.
Ik had nog nooit tijd voor mezelf gekregen. Mijn moeder bemoeide zich altijd met mijn zaken. Ze had in het hostel in mijn bed geslapen. Dat de deur van Nathans slaapkamer dichtging, vond ik zo theatraal. Zo onnodig. Deden moeders in andere landen ook de deuren van hun kinderen dicht? Wachten ze ook geduldig af tot het heilige speelkwartier afgelopen was? Mijn moeder, mijn broer en ik verkeerden toen we net geëmigreerd waren in een permanente staat van verwondering en verbijstering. Alles wat die Engelsen deden vonden we vreemd. We klampten ons ’s avonds aan elkaar vast en giechelden erom tot ons lachen overging in huilen. Dan vielen we in elkaars armen in slaap. We wensten dat we hun humor op een dag zouden begrijpen, zodat we ontspannen bij ze aan tafel konden zitten.
Psychische grenzen
Vandaag de dag moet ik vaak weer aan Nathans gesloten slaapkamerdeur denken. Mijn moeder, mijn broer en ik leefden zo’n twintig jaar lang diep binnen elkaars psychische grenzen, we deelden matrassen en borden eten en spraken een hybride geheimtaal. We leerden om van elkaar te houden in tijden van crisis, maar we werden slecht in alleen zijn, gemoedsrust voelen en elkaars privacy waarborgen. Er was haast geen ruimte voor individualiteit. Waar we ook waren – of we nu vastzaten in een vluchtelingenkamp, een luchthaven of een smerig appartement in Oklahoma – het was alsof we samenleefden in een oude, vertrouwde kamer, die volhing met wandtapijten en rook naar de maaltijden van thuis.
We grapten en huilden en vochten in die warme bunker. We schreeuwden dingen naar elkaar die we nooit tegen iemand anders zouden zeggen. We brachten ons trauma op lelijke manieren tot uiting en wisten dat we vergeven zouden worden. Onze bloedband zorgde ervoor dat geen enkele uitbarsting te ver zou gaan. Terwijl daarbuiten oorlog, chaos en ontheemding op ons wachtten, vulden we onze kamer met gezellige familiedrama’s. Het rumoer om ons heen ging met de jaren liggen en het werd vanbinnen donkerder en onrustiger. We werden groter, de lucht werd ranzig en mijn broer en ik vertrokken, de een na de ander, op zoek naar een nieuwe horizon en een nieuw gezin.
We kwamen enkele maanden nadat mijn partner, mijn dochter en ik in Frankrijk waren aangekomen een andere jongen van Elena’s school tegen. ‘Coucou, Benjamin!’ Deze keer initieerde Elena het contact en ze sprak zijn naam zo nasaal uit dat ik moest lachen. ‘Bah-Jamah.’ Het was alsof haar neustussenschot opeens scheef was gaan staan. Ze staarde me boos aan. ‘Houd op, mama!’ fluisterde ze. Ik kromp ineen. Elena’s francofonie werd steeds overtuigender. Iets wat ik nooit zou bereiken, omdat ik het verschil tussen ‘en’ en ‘an’ niet kon horen. Binnen de kortste keren zou ik de enige zijn die vond dat de Fransen zo dom, zo grappig zijn. ‘Houd op!’ fluisterde Elena telkens als ik Frans probeerde te spreken met haar vrienden.
We leefden diep binnen elkaars psychische grenzen, we deelden matrassen en borden eten en spraken een hybride geheimtaal
‘Lach jij maar, jongedame,’ zei ik tegen haar, ‘maar dit is wel mijn derde taal.’ Die woorden brachten me plotseling weer terug naar mijn eerste huis in het zuiden van de Verenigde Staten. Een klein appartement waar mijn moeder, mijn broer en ik begonnen aan een lange klus: Amerikaans worden. Ik maakte grapjes over het Engels van mijn moeder en ze zei dan: ‘Lach maar, Khanom (jongedame), maar vergeet niet dat ik een Perzisch doktersdiploma heb.’ Ik dacht altijd dat ik tien jaar lang met mijn moeder in die warme, denkbeeldige kamer verbleef. Maar misschien heb ik haar daar al een jaar of twee na onze aankomst in Oklahoma achtergelaten, toen ik snel en doelbewust assimileerde en mijn accent op honderd subtiele manieren aanpaste die mijn moeder niet kon waarnemen.
Ik weet inmiddels dat de lekker ruikende kamer, die denkbeeldige, veilige ruimte die ik deelde met mijn broer en moeder, nooit echt veilig was voor een meisje. Het is niet de bedoeling dat een Iraanse dochter ooit vertrekt. Van een zoon wordt verwacht dat hij uiteindelijk het huis uitgaat, maar een dochter moet daarbinnen wegrotten. Ze mag nooit breken met haar moeders waarden, nooit trots zijn op een prestatie waarvoor haar moeder zich zou schamen. Ik realiseerde me dit in 2013. Ik was drie maanden ervoor gescheiden, voelde me eindelijk vrij in mijn mooie studio in de Lower East Side in New York. Twee mannelijke familieleden stelden toen voor dat mijn moeder en ik zouden gaan samenwonen, omdat we nu allebei alleen waren. Het kwam niet eens in hen op dat we privacy nodig zouden hebben.
Engelse therapeut
Mijn moeder en ik zitten nu, tien jaar later en met een oceaan tussen ons in, in onze keukens – ik in mijn Europese huurappartement, zij op haar Amerikaanse boerderij – en we praten via onze schermen, vergezeld door een Engelse therapeut. Het idee van alleen zijn met mijn moeder is beangstigend geworden, dus ik heb een compromis voorgesteld. ‘Dit is niet normaal,’ protesteert mijn moeder tegen mijn nieuwe grenzen: dat ik niet meer wil praten over wat ik schrijf, dat ik niet op religieuze preken zit te wachten, dat ik geen nachtmerries en paranoia meer accepteer (zoals familieleden ervan verdenken samen te zweren en bij elk beetje jeuk meteen bang zijn dat ze een hersenvliesontsteking heeft).
Maar wat is voor moeders en dochters normaal? Ik wil dat een sociaal wetenschapper mij dat vertelt, en niet een Iraanse moeder. In Iran zorgen dochters ervoor dat er tussen hen en hun moeders een illusie van hechtheid blijft bestaan, ook al is dat voor henzelf een last. Moeders hebben kritiek. Dochters luisteren. Dat is liefde, denk ik dan maar.
Mijn moeder heeft zich in de loop der jaren duizenden keren uitgesloofd om overheerlijke maaltijden voor me te maken. Ze heeft mijn spijkerbroeken ingenomen, mijn wenkbrauwen geëpileerd en me aan het lachen gemaakt. Maar ze heeft ook mijn expertise niet serieus genomen, me opgedragen mijn diploma onder dat van mijn ex-man te hangen, mijn partners zwartgemaakt en rivaliserende moederfiguren ervan beschuldigd me te hersenspoelen. Voor haar weegt dat allemaal bij lange na niet op tegen de maaltijden en het epileren. Het komt nooit in haar op dat ik recht heb op mijn eigen normen en waarden, of dat ik het beledigend vind dat ze me niet in staat acht om mijn eigen mening te vormen. Ik ben in haar ogen gewoon een dom kind dat gemanipuleerd wordt door slimmere mensen: door sluwe mannen of heksachtige, rivaliserende moeders.
Ze kunnen er niets aan doen, die overbezorgde, getraumatiseerde moeders
Wanneer ontheemde kinderen volwassen worden, verlangen ze ernaar weer normaal te zijn. We willen niet de hele tijd alles zorgvuldig hoeven af te wegen, niet alles fout doen. We willen dikke zware deuren die onze mentale kamers scheiden van die van onze ouders – enige afstand en tastbare grenzen tussen het heden en het verleden. Soms wordt dat verleden belichaamd door een ontroostbare, buitenlandse moeder, die altijd maar aanklopt en ons blijft uitnodigen.
Telkens als ik een harde grens afdwing, betrekt mijn moeders gezicht. Ze blijft terugkeren naar ons denkbeeldige toevluchtsoord, waar we gedrieën opgekruld tegen elkaar aan zaten. Ze wil dat haar kinderen ook weer een keer naar die bunker komen, om er samen een kopje thee te drinken en te lachen. Als ik een grap maak, denkt ze dat de deur misschien op een kiertje gaat. Haar ogen lichten op. Ik wil haar die warmte blijven geven, maar ik trek me, omdat ik gevaar bespeur, achter mijn eigen deur terug. Dus blijft ze weer alleen en verward achter.
Mijn moeder en ik hebben vaak last van culturele botsingen. Maar ons grootste conflict gaat hierover: mijn moeder heeft zich toen ik een puber was voortdurend beziggehouden met het bedekken van mijn lichaam en het corrigeren van mijn manieren. Ze maakte dat ik me ervoor schaamde vrouw te worden. Mijn beklemmende, religieuze opvoeding heeft een enorme invloed gehad op wat voor ouder ik wil zijn: ik doe er alles aan om ervoor te zorgen dat Elena zich niet veroordeeld voelt.
‘Weirdos, geen perfectos’
Mijn dochter, die nu zeven is, zei laatst tijdens het tv-kijken: ‘Nu gaan ze lekker zoenen.’ Ik wilde de vier seconden doorspoelen waarin er redelijk braaf gezoend werd, maar hield me in. Omdat ik haar deze vrijheid geef, deelt ze al haar diepste geheimen met me. Mijn moeder kromp toen ik een kind was ineen als televisiepersonages begonnen te flirten. Ze veranderde zelfs van zender. Als er in een programma gezoend werd, bestempelde mijn moeder het als verdorven en verbood ze ons ernaar te kijken. Ze zei dingen als: ‘Als je naar onchristelijke dingen kijkt, vertrouw ik je niet meer met de tv.’ Eerlijk is eerlijk: zij zou als kind geslagen en uit huis gezet zijn als ze romantische tv-series zou hebben gekeken.
Eén keer, toen ik twaalf was, snauwde mijn moeder me af omdat ik een smakeloze grap had gemaakt. Mijn borstkas verkrampte, waardoor ik me in mijn maaltijd verslikte. Ze vertelde later, om mijn schaamte te verzachten, iets wat haar als jong meisje in het Teheran van voor de revolutie was overkomen. Terwijl ze haar huiswerk aan het doen was, mompelde ze achteloos drie interessante woorden die ze op de televisie had gehoord. ‘Maria, Maagdelijke Moeder.’ Dat mantra leent zich in het Farsi, met de vele zachte m-klanken, goed voor gezang. Haar vader liep langs, hoorde haar mompelen, besefte wat ze zei en gaf haar een harde klap in haar gezicht. Een jongen was dat in deze situatie niet overkomen, in geen van onze generaties, en dat maakt me boos. Maar het verhaal doet me ook grinniken: mijn moeder hield zich als kind al bezig met de moeder van alle martelaren.
‘Laten we weirdos zijn, mama,’ zegt Elena soms terwijl ze vrolijk danst, ‘geen perfectos!’ Ze roept in het openbaar dingen als: ‘Mama, waar eindigt mijn vagina?’ Als een vreemde ons dan afkeurend aankijkt, staar ik terug en antwoord ik luid: ‘Je vagina is via je baarmoederhals verbonden aan je baarmoeder.’ Soms laat ik op mijn telefoon een medische tekening zien. En dan, wanneer ik denk dat ik me daardoor op de een of andere manier afzet tegen mijn moeder, bedenk ik me plotseling dat zij in Iran gynaecoloog is geweest. Dat ze me ditzelfde diagram heeft laten zien. Ze heeft dan wel geprobeerd om me af te zonderen en me voor de wereld te verstoppen, zoals Iraanse moeders dat doen, maar ze is ook een rationele, wetenschappelijke volwassene geweest, een dokter in een witte jas die voor haar plezier ingewikkelde wiskundige puzzels oploste. Mijn moeder deed aan magisch denken en hing religieuze dogma’s aan, maar ze had ook sterke armen en grote hersenen, en ik aanbad haar.
Goede Aziatische dochters glippen gemakkelijk hun fantasiewerelden in en uit
‘Normaal’ betekent in Iran dat er ruimte wordt overgelaten voor die tweeledigheid. Goede Aziatische dochters glippen gemakkelijk hun fantasiewerelden in en uit. Ze zijn loyaal en ze voeren een soort van toneelstukjes op voor hun moeders. Ze blijven in hun denkbeeldige kamers zitten, blijven doen alsof het logisch is dat westerlingen zo dom en zo grappig zijn. Ik ben blijkbaar geen goede Aziatische dochter meer.
Mijn moeder en ik hadden een aantal maanden geleden – voordat we de Engelse therapeut hadden gevonden – een uitputtend gesprek van twee uur lang. Mijn moeder noemde me toen terloops een concubine, omdat ik niet getrouwd ben. Ons hele project, onze poging tot verzoening, viel meteen in duigen. Ik sms’te een vriendin van me, die ook immigrant en schrijver is, om mijn beklag erover te doen.
‘Ze kunnen er niets aan doen! Die overbezorgde, getraumatiseerde moeders… Het is dus echt waar, we hebben allemaal dezelfde moeder!’ Mijn vriendin vindt dat we mild moeten zijn. Dat we voor onze moeders moeten doen alsof we trouwe Aziatische dochters zijn, steeds in gedachten houdend dat we daarna weer terug kunnen naar onze eigen veilige, feministische huizen. ‘De manier waarop zij zijn opgevoed was zoveel erger,’ benadrukt ze. ‘Besef wat voor culturele bullshit zij van hun moeders hebben meegekregen. Daarvan geven ze zo weinig door aan ons… zoveel minder dan wat zij hebben gekregen.’ Het is waar, onze moeders hebben een opvoeding gehad die wij ons niet kunnen voorstellen. Pakken slaag en lange stiltes, body shaming, schaamte rondom seksualiteit, slopende werkzaamheden.
Mijn moeder heeft koude nachten in de gevangenis moeten doorbrengen. Ze heeft haar twee kinderen mee uit huis gesleurd en een nieuw leven opgebouwd. De moeder van mijn moeder, die vorig jaar in Londen overleed, was een kindbruid in Teheran. Ze was dertien toen ze trouwde met een volwassen man – hij was gelukkig niet zestig, maar negentien, maar dat was een schrale troost voor een meisje dat geen enkele seksuele voorlichting had gehad toen ze het zelf moest ondergaan. Mijn grootmoeder wilde sindsdien niets meer weten van de Iraanse cultuur. Tot aan haar dood trok ze voor zichzelf harde, westerse grenzen. Ze wantrouwde Iraniërs in Londen.
Wat is voor moeders en dochters normaal? Ik wil dat een sociaal wetenschapper mij dat vertelt, en niet een Iraanse moeder
Ik vraag mijn vriendin, die zachtaardiger is dan ik, wat die Aziatische moeders toch van ons willen, waarom ze ons niet met rust kunnen laten. Ze antwoordt: ‘Ze willen dochters die hen, wanneer ze oud zijn, kunnen begrijpen en beschermen en vertalen.’ Want de wereld verandert. De regels van onze moeders leken misschien wat burgerlijk in de jaren negentig – typisch iets waar een cabaretier grappen over zou maken. Maar inmiddels zijn ze voor jongere generaties ondoorgrondelijk geworden.
Toch ben ik daar niet zo zeker van. Ik denk dat onze gebroken moeders, hoewel ze hun dochters onder de duim houden, voor hun kleinkinderen kunnen veranderen in de gezellige grootmoeders die je in films ziet. In grootmoeders die vreselijk misplaatste dingen zeggen, maar niet bedreigend zijn, zoals een dronken oom op een familiefeest. Mijn moeder en dochter giechelen samen over lippenstift en tekeningen van vogels. Wanneer Elena net zo danst als Lizzo, geniet mijn moeder met volle teugen. Het komt niet in haar op om Elena erop aan te spreken. We zijn alleen brutaal tegen de generaties direct boven en onder ons. Er is met een generatie die verder van ons verwijderd is genoeg afstand voor verwantschap, voor gelach, zelfs voor begrip.
‘De slechte situatie’
Ik geloofde mijn grootmoeder toen ze mijn grootvader een verkrachter noemde. Misschien kwam dat doordat ik zelf geen nauwe band met mijn grootvader had gehad. Ik woonde in de zomer waarin ik eenentwintig werd bij mijn oma in haar appartement in Londen. Als ik menstruatiepijn had – wat ze omschreef als ‘de slechte situatie’ – gaf ze me Kahlua en pistachenoten. Haar familie heeft altijd geweigerd de verkrachting te erkennen. Maar cijfers liegen niet. Mijn tante en moeder waren elf en negen jaar oud toen hun moeder vijfentwintig werd.
Mijn moeder en tante wisten dat ik, direct na mijn grootmoeders dood, haar verkrachting openlijk de wereld in zou slingeren. Dus braken ze vlak nadat ze overleden was bij haar thuis in. Ze verwijderden al haar digitale bestanden en verbrandden al haar papieren, met uitzondering van een paar van haar gedichten en zeven pagina’s onschuldige, maar geweldig rare, christelijke sciencefiction die ze had geschreven. Schreef ze die verhalen om terug te keren naar de kindertijd die haar ontnomen was? Mijn oma’s laatste woorden aan mij waren: ‘Ik ben mijn autobiografie aan het schrijven. Wil je me helpen?’ Zij had de eerste regel al geschreven: ‘Ik heb een heel korte jeugd gehad.’ Die eerste regel is alles wat er van haar over is.
Mijn moeder en ik trapten tot vorig jaar, toen mijn grootmoeder stierf en haar appartement geplunderd werd en haar nalatenschap vernietigd, nog wel eens lol samen. We assimileerden in de loop der jaren, wat ertoe leidde dat onze grappen vaker over de vreemde gewoontes van Iraniërs gingen dan over die van Amerikanen. Tijdens de pandemie was ik een kort verhaal aan het schrijven. Mijn moeder vertelde me verhalen uit haar jeugd. ‘We epileerden onze wenkbrauwen en zeiden tegen mensen dat ons haar was uitgevallen door een te traag werkende schildklier,’ vertelde ze, terwijl ze in haar vuistje lachte. ‘Alleen bij je wenkbrauwen?’ vroeg ik, giechelend. ‘Dus door een te traag werkende schildklier vielen zeker alleen de extra haren rondom jullie wenkbrauwen uit? Verder nergens?’ ‘Onze beenharen verdwenen daardoor ook,’ zei ze, en ik barstte in lachen uit. Een schildklierprobleem dat alleen ongewenst lichaamshaar aantast… Iraanser dan dat wordt het niet. ‘De grootmoeders geloofden het!’ Of ze lieten het maar voor wat het was. Of ze deden eraan mee.
Heel even, terwijl we theedronken en grappen maakten over de vrouwen van het Iraanse platteland, waande ik me weer in de veilige bunker die we met ons meedroegen toen we net gemigreerd waren. Die heilige ruimte van waaruit we andere mensen uitlachten om hun ijdelheid, om hun persoonlijke grenzen, om hun borden met vleeswaren.
Zorgen alle moeders ervoor dat hun dochters doodsangsten uitstaan?
‘Ik denk dat er hier sprake is van intergenerationeel trauma,’ zei de therapeut tijdens onze tweede sessie. Er was dus meer aan de hand dan alleen een culturele kloof. Het is waar dat de vrouwen in onze familie gemigreerd zijn, mishandeld door mannen en een diepe, smeulende pijn voelen. Iedereen in mijn familie doet een beetje ongemakkelijk over seks. Nu denk ik dat dat niet alleen door de cultuur of de theocratie komt, maar ook door de verkrachtingen die mijn grootmoeder in haar kindertijd herhaaldelijk moest doorstaan en die door de gemeenschap werd goedgekeurd. Die misdaad is de reden dat wij allemaal ter wereld zijn gekomen.
Elena gilde het uit toen ik een keer rond bedtijd zei dat de deuren ’s nachts op slot moeten. ‘Vertel me geen enge dingen! Vertel me die pas als ik twintig ben!’ Zorgen alle moeders ervoor dat hun dochters doodsangsten uitstaan? Of ben ik begonnen iets aan haar door te geven dat diepgeworteld en onvermijdelijk is?
Mijn moeder houdt echter vol dat onze problemen volledig te wijten zijn aan cultuurverschillen en botsende opvattingen over wat normaal is. ‘In mijn cultuur,’ zegt ze, ‘respecteer je je moeder. Je stelt niet zoveel muren op tussen jezelf en je moeder.’ Soms zegt ze precies wat ik denk: ‘We hadden toch een hechte band?’ Dan krijg ik een steen in mijn maag, omdat ik weet dat ik op een dag de privéruimte die ik met Elena deel zal kwijtraken. ‘Leg me eens uit,’ gaat mijn moeder verder, ‘op welke leeftijd moeders ophouden moeder te zijn.’ Ik heb geen idee, maar ik weet dat het onvermijdelijk is, dat mijn hart zal breken als ik ertegen vecht. Ik kan soms urenlang aan Elena’s nek ruiken. Ik gaf mijn moeder op de begrafenis van mijn oma met tegenzin een knuffel, en ze snoof hongerig aan mijn nek. Ik voelde me geschonden en verbijsterd, maar ik had ook met haar te doen. Ik rukte me snel los. Hoe meer ze me nodig had, hoe groter de kwelling. Ik begon na te denken over mezelf, over hoe ik over twintig jaar zou zijn. Zou ik me ook te stevig vastklampen aan mijn dochter?
‘Zien jullie twee wat jullie me nu aandoen?’ onderbreekt de Engelse therapeut ons, met de handen in het haar. Mijn moeder en ik hebben al een tijdje tegen elkaar zitten schreeuwen. We vallen stil. We hebben onszelf voor schut gezet ten overstaan van een witte vrouw. We hebben de gewoonte om terug te keren naar die chaotische dagen waarin elke uitbarsting vergeeflijk was. Nu hebben we het gezelschap van een Engelse vrouw nodig om ons netjes te gedragen. Hoewel we midden in een ruzie zitten, voel ik de drang om mijn moeder te vertalen tegenover de Europeaanse vrouw, want dat is mijn werk. Ik doe het al sinds ik klein ben, maar het is ook letterlijk mijn werk – ik schrijf over Iraniërs voor westerse lezers. Mijn moeder haat het dat ik openhartig schrijf over mijn onzekerheden of mislukkingen: ik onthul volgens haar te veel en doe af aan ons geromantiseerde vluchtelingenverhaal.
Interpretaties
De schrijver Matthew Salesses benadrukt in zijn werk vaak dat verhalen in verschillende culturen anders geïnterpreteerd worden. Hij schrijft dat een zin afhankelijk van de lezer anders begrepen wordt. ‘Ze wist honderd procent zeker dat ze hem haatte,’ kan bijvoorbeeld verschillende betekenissen hebben. Een westerse lezer zal ervan uitgaan dat de vrouw in kwestie tegen het einde van het verhaal van de man zal houden, of dat ze dat al doet. Diezelfde zin kan voor mijn grootmoeder betekenen dat de vrouw binnenkort gedwongen wordt met de man te trouwen. Dit is precies het soort zin waar mijn moeder en ik ruzie over maken. Als ik schrijf dat een fictieve Iraanse moeder een tekortkoming heeft, die later in het verhaal zou kunnen zorgen voor begrip of verbondenheid, zoekt mijn moeder er een belediging in. ‘Je vindt me gewoon een domme immigrant,’ zegt ze dan. Ik leg uit dat het saai is om alleen maar weerbaarheid en kracht te tonen, dat je op een andere plek moet beginnen dan waar je wilt eindigen. Imperfecte verhalen zijn interessanter, belonen meer dan mythische heldenverhalen. Falende personages zijn geliefder. Ze wuift het allemaal weg. Het is Amerikaanse onzin.
Mijn moeder vindt het angstaanjagend om in het bijzijn van westerlingen ontmaskerd te worden. Eerlijk schrijven, met mijn eigen stem, is voor mij genezend, vergelijkbaar met bidden. Mijn moeder slaat onze goede dagen op in haar geheugen. Ze maakt in haar hoofd onze kleren schoner en onze gezichten mooier; we lachen elkaar toe alsof we op een Hallmark-kaart staan. Ik sla diezelfde herinneringen op, maar dan wel met barsten en al. Wat ik het bewaren waard vind, verwerk ik in mijn schrijven. ‘Je hebt mijn dierbare herinnering verpest,’ zegt mijn moeder dan, als ze mijn werk leest. Maar waarom zouden we alleen maar misleidend geruststellende migrantenverhalen mogen vertellen? Waarom zouden we alleen maar stiekem blijven giechelen om borden vol met ham? Ik wil lezers uitnodigen om de wereld door mijn ogen te zien – het is niet mijn doel om er voor hen presentabel van af te komen.
Ik wil dat lezers inzicht krijgen in alle specifieke, schitterende manieren waarop we ons als eikels gedragen – ik vind dat dat gevierd moet worden. Laat ik eens beroep doen op het hiërarchisch denken dat in de Iraanse cultuur zo belangrijk is. Ik word door het Europese en Amerikaanse publiek betaald om over mijn gebreken te praten – geeft dat me niet juist een hogere status? Maakt dat me geen koningin, in plaats van een miserabel iemand?
Schijnvertoning
Ik heb vrienden die thuis de goede Aziatische dochter spelen. Ze veranderen in een afgevlakte versie van zichzelf, die onderdanig en lief is. Mijn moeder toonde haar respect voor haar eigen moeder, serveerde haar thee, zei ‘U’ tegen haar. Door het schrijven ben ik maar al te bewust geworden van deze schijnvertoningen. Ik heb altijd mezelf willen zijn, en als iemand van me eist dat ik een toneelstukje opvoer, ben ik gelijk weg. Ben ik mijn moeder – die veel onrecht heeft geleden – een geruststellend optreden verschuldigd, als dat ritueel voor mij schadelijk is?
We bespreken de dag dat mijn moeder me een ‘concubine’ noemde. Ze vraagt me rekening te houden met haar cultuur – te beseffen dat ze er niets aan kan doen. Ik moet denken aan hoe ik mezelf verdedig als ik mijn leerlingen niet met de juiste voornaamwoorden aanspreek. Ik wil elke keer dat ik stuntel zeggen: ‘Heb geduld met me. Ik ben het met je eens, maar zit nog vast in de gewoontes van een andere generatie. Ik doe mijn best.’ Ik wijs ze er soms op dat we in mijn moedertaal, het Farsi, überhaupt geen gendergebonden voornaamwoorden hebben. En dat ik alleen maar klungel, omdat ik veramerikaniseerd ben. Als ik mijn oorspronkelijke, Iraanse zelf was, zouden voornaamwoorden voor mij niet eens bestaan.
Mijn studenten zijn een mysterie voor me, net als ik dat voor mijn moeder ben. We stuntelen allebei in de dialecten die we hebben aangeleerd. Mijn moeder vraagt om het voordeel van de twijfel. Misschien moet ik het haar geven, omdat ik het ook verlang van mijn studenten, en omdat ik het op een dag van Elena zal moeten krijgen. We zijn allemaal op een bepaalde manier ontheemd, verdwaald in de tijd, de buitenlandse moeders van de volgende generatie.
Kinderen leren dat je intens van iemand kan houden zonder diegene te mogen
Ik denk terug aan vroeger en probeer vergevingsgezind te zijn. Ik herinner me hoe mijn moeder mijn wonden heeft verzorgd. Ze masseerde mijn spieren als ik thuiskwam van taekwondotraining. Ze belde me bijna elke avond tijdens mijn scheiding. Die telefoontjes waren voor mij een troost, omdat er toen een veilige afstand tussen ons was. Ze was in Thailand, als dappere Amerikaanse vrijwilligster van het Vredeskorps. Maar toen ze terugkeerde naar de VS verscheen ze ongevraagd aan mijn deur met zakjes thee en basmati en afgeprijsde pijnstillers, als de opdringerige Iraanse moeder die weer over mijn grenzen heen ging.
Soms, wanneer ik net enorme behoefte heb aan tijd met mijn dochter, duwt Elena me weg. Heb ik mijn moeder hetzelfde aangedaan? Ik ben vastgeroest in mijn perspectief, waardoor ik alleen nog maar kan zien wie mijn moeder in mijn tienerjaren was: een vrouw met steenkolenengels en een hooghartige houding, die erbij wilde horen, maar daar niet in slaagde. Misschien is het al genoeg om haar maar voor even te begrijpen. Om te weten dat ze (een beetje) gelijk heeft – want alles draait om taal en cultuur. Voor mij is ‘concubine’ een scheldwoord. Voor haar betekent het woord niets meer dan alle duizenden andere woorden die ze in haar leven heeft gezegd.
Nee zeggen
Mijn moeders cultuur schrijft voor dat jonge vrouwen dienstbaar zijn en zichzelf opofferen. Ik vroeg Elena een paar dagen geleden of ik een van haar frietjes mocht. Ze dacht erover na en zei toen: ‘Ik zou je graag een frietje geven, mama, maar het spijt me, ik denk dat ik ze allemaal zelf wil opeten.’ Ik lachte en probeerde te beslissen of dit het moment was om haar te leren delen, of om dankbaar te zijn dat mijn dochter weet hoe ze ‘nee’ moet zeggen.
Diep vanbinnen was ik opgelucht. Mijn god, dacht ik, het is me gelukt. Dit is mijn reactie op een generatie van opdringerige immigrantenmoeders die geloven in het dogma van een dochter die zichzelf totaal wegcijfert. Dat dogma hebben ze allemaal van hun moeders geleerd, en die op hun beurt weer van hun moeders. Mijn zachtaardige vriendin, die ook schrijft en Aziatisch is, stuurde een citaat naar me van de boeddhistische monnik Thích Nhất Hạnh. Onze talenten en onze fouten, zo schrijft Nhất Hạnh, hebben we allemaal geërfd. Ze zijn niet van ons. Mijn vriendin wil dat ik accepteer dat we niet veel van onze moeders verschillen. Ze wil dat ik door blijf vechten, beter leer vechten.
Veel kinderen leren als ze volwassen worden dat je intens van iemand kunt houden zonder diegene ook maar in de verste verte te mogen. We bereiden ons voor op het pijnlijke moment dat ook ons eigen kind dat onderscheid leert – en we hopen dat ze niet alleen van ons zullen houden, maar ons ook blijven mogen. Toch blijft de beangstigende mogelijkheid bestaan dat ze er niet eens bij zullen stilstaan en dat ze direct zullen besluiten dat alleen van ons houden meer dan genoeg is. Dus doen we hun slaapkamerdeur dicht en wachten we af. We proberen niet te luisteren naar hun speelrituelen en naar de grenzen die ze introduceren en die we op een dag zullen moeten respecteren.
Het was toen ik een kind was te veel gevraagd om aan te kloppen voordat ze mijn kamer in kwam
Ik weet nu al dat ik Elena’s waarden op een dag niet meer zal kunnen doorgronden. Maar zal ik van haar verlangen dat ze tegen me liegt, zodat ik oud kan worden in een fantasiekamer? Ik rolde toen ik jonger was met mijn ogen als ik kinderen beleefdheid of zorgzaamheid zag veinzen om iets lekkers te krijgen. ‘Weet die moeder niet dat ze gemanipuleerd wordt?’ dacht ik dan. Nu, wanneer Elena een toneelstukje opvoert, is alleen al het feit dat ze de woorden uitspreekt voor mij genoeg. Haar optreden is een geschenk. Ik stel me voor hoe mijn dochter op haar dertigste liefde en toewijding uitdraagt en een lange zucht onderdrukt terwijl ik aan haar nek snuffel. En dan denk ik: ‘Weet je wat? Daar neem ik genoegen mee.’
Soms doe ik voor Elena ook alsof – de politieke geschillen van haar My Little Pony-eenhoorntjes interesseren me bijvoorbeeld eigenlijk vrij weinig. Dan moet ik denken aan alle keren dat mijn moeder zich voor mij probeerde te houden aan westerse grenzen. (Het was toen ik een kind was te veel gevraagd om aan te kloppen voordat ze mijn kamer in kwam. Later was het te veel gevraagd om eerst op te bellen voordat ze me thuis kwam opzoeken. Maar af en toe vroeg ze me plechtig: ‘Is dit een goed moment?’) Ik veroordeelde haar, omdat ze zo stuntelig met die Amerikaanse grenzen omging. Ze hield het altijd vol tot het moment waarop iets stressvols haar deed wankelen en al haar Iraanse verwachtingen toch weer naar de oppervlakte kwamen.
‘Ze hebben zoveel meegemaakt,’ herhaalt mijn vriendin.
‘Wees aardig,’ bedoelt ze. ‘Denk aan de grappige dokter die wiskundige puzzels oploste en in een ander universum je vriendin had kunnen zijn. Stel je voor hoe ze zich als verward kind een weg moest banen door het duistere mijnenveld dat een huishouden in Teheran in het midden van de vorige eeuw moet zijn geweest. Een kind dat geslagen wordt als ze een mysterieus, nieuw woord gebruikt.’ Ik haal diep adem en stem in met een vervolgsessie met de Engelse therapeut die ons leert om ons te gedragen. Ik kijk er eventjes naar uit om mijn moeders gezicht te zien. Ik mis onze lekker ruikende bunker. Ik zet Zoom aan, we zeggen hallo. Dan doen we onze monden open en beginnen we in onze vreemde talen door elkaar heen te praten.
Is de meest gesproken taal op aarde een geschenk uit de hemel of een veelkoppig monster? Beide opvattingen leiden af van waar het werkelijk om draait. ‘Het zijn mensen, niet talen, die domineren en onderworpen worden’, schrijft universitair docent Engelse Taal en Cultuur Mario Saraceni.
De afgelopen vierhonderd jaar groeide het Engels uit van een kleine taal die op de Britse eilanden werd gesproken tot een taal die de wereld domineert. In het jaar 1600, aan het eind van de regeerperiode van Elizabeth I, spraken vier miljoen mensen Engels. Tegen 2020, aan het eind van de regeerperiode van Elizabeth II, was dat aantal gestegen tot bijna twee miljard. Nu is Engels de voertaal in het Verenigd Koninkrijk, Ierland, de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland en de ‘intranationale’ taal in voormalig Britse koloniën als India, Singapore, Zuid-Afrika en Nigeria. Het is de lingua franca van onze planeet.
Sommigen zien het Engels als het grootste ‘geschenk’ dat Groot-Brittannië de wereld ooit gaf. In mei 2022 zei Suella Braverman, nu de Britse minister van Binnenlandse Zaken, in een online interview met ConservativeHome dat ze trots was op het Britse Rijk, omdat het zijn koloniën had begiftigd met infrastructuur, rechtssystemen, het ambtenarenapparaat, militairen en ‘natuurlijk de Engelse taal’.
Hetzelfde geluid klinkt aan de andere kant van het politieke spectrum: in 2008 hield toenmalig premier Gordon Brown een toespraak waarin hij verklaarde dat hij namens ‘Groot-Brittannië een nieuw geschenk aan de wereld’ wilde geven door steun te bieden aan iedereen die buiten het Verenigd Koninkrijk Engels wilde leren. In hetzelfde jaar kondigde The Times voorstellen aan voor een nieuw museum gewijd aan de taal, om ‘het omvangrijkste geschenk van Engeland aan de wereld te vieren’. Onlangs nog beschreef Mark Robson van de British Council het Engels als ‘het grootste geschenk van het Verenigd Koninkrijk aan de wereld’. Het idee van het Engels als een Brits geschenk is zo ingeburgerd dat het haast niet opvalt.
Bullebak
Het Engels mag dan wel universeel zijn geworden, toch beschouwt niet iedereen de taal als een geschenk. Sterker nog, veel mensen denken er totaal anders over. In 2018 beschreef journalist Jacob Mikanowski het Engels in The Guardian als een ‘behemoth, bully, loudmouth, thief’ (boeman, bullebak, schreeuwlelijk, dief). Hij benadrukte dat de dominantie van het Engels een bedreiging vormt voor lokale culturen en talen.
Doordat het Engels wereldwijd terrein blijft winnen, worden veel talen steeds minder gesproken of sterven ze zelfs uit. Dit heeft niet alleen gevolgen voor relatief kleine talen als het Welsh of het Iers; ook grotere talen, zoals het Yoruba in Nigeria, moeten eraan geloven. In het bedrijfsleven, de handel, het onderwijs, de media en de technologie worden ze door het Engels overschaduwd.
Sommige sociolinguïstische wetenschappers beschouwen het Engels daarom als een dodelijke taal. Ze zien het als een monster, vergelijkbaar met de dodelijke, veelkoppige Hydra uit de Griekse mythologie. Vanuit dit perspectief bezien is de wereldwijde invloed van het Engels een vorm van taalimperialisme. Het is een systeem van verregaande ongelijkheid, waarin andere talen worden verpletterd door de vuisten van de voormalige kolonist, Groot-Brittannië, en de huidige globale supermacht, de VS.
In The Oxford Handbook of World Englishes uit 2017 merken sociolinguïsten Robert Phillipson en Tove Skutnabb-Kangas op dat ‘het internationale prestige en de instrumentele waarde van het Engels ertoe kunnen leiden dat taalgebieden verdwijnen, wat ten koste gaat van lokale talen en van de grote democratische rol die nationale talen spelen’.
Dekolonisatie is een lang en moeizaam proces, waarbij veel meer komt kijken dan het vervangen van een vlag of het veranderen van een volkslied
De term ‘taalimperialisme’ laat zien dat de dominantie van het Engels het gevolg is van vier eeuwen Britse overheersing. Dat drukt zwaar op het geweten van de taal. Het Engels verspreidde zich tussen het einde van de zestiende eeuw en de tweede helft van de twintigste eeuw over het Britse imperium. Die imperialistische expansie ging gepaard met landroof, genocide, slavernij, hongersnood, onderwerping, plundering en uitbuiting.
Deze geschiedenis zou centraal moeten staan in elke discussie over het Engels als wereldtaal. Niet alleen omdat het historisch correct is, maar ook omdat het Engels, zoals de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe in 1965 schreef, ‘onderdeel was van een reeks dubieuze transacties, waaronder de regelrechte gruwel van raciale arrogantie en andere vooroordelen’.
Waarom staat in debatten over dekolonisatie het Engels dan niet centraal? Dekolonisatie werd in het begin van de eenentwintigste eeuw vooral besproken in de context van musea of bejubelde historische figuren die banden hadden met het Britse imperium. Maar net als het British Museum of het standbeeld van Cecil Rhodes op een Oxford-gebouw, is het wereldwijde bereik van het Engels een uitvloeisel van het imperium.
Wat bedoel ik precies met ‘dekolonisatie’? Ik heb het hier niet over het politieke proces waarmee koloniën in de tweede helft van de twintigste eeuw onafhankelijk werden. Dekolonisatie geldt tegenwoordig voornamelijk als alternatief voor een kennissysteem dat kolonisten in de tijd van het kolonialisme invoerden en systematisch afdwongen.
Die manier van denken maakte een morele rechtvaardiging van het kolonisatieproces mogelijk en draaide om één centraal principe: aangezien de kolonist superieur was aan de gekoloniseerde, was overheersing niet alleen geoorloofd, maar zelfs moreel verantwoord. Op basis van dit principe werden de kolonist en de gekoloniseerde aan tegenovergestelde uiteinden van het beschavingsspectrum geplaatst:
kolonist < – – – > gekoloniseerde
beschaafd < – – – – > primitief
religie < – – – > bijgeloof
democratie < – – – – > absolute heerschappij
naties < – – – > stammen
literatuur < – – – > mondelinge overlevering
talen < – – – – > dialecten
In de twintigste eeuw vond politieke dekolonisatie plaats: koloniën werden onafhankelijk. Maar hiermee was het kennissysteem waarop kolonisatie was gebaseerd, zowel op het noordelijk als zuidelijk halfrond, niet automatisch verdwenen. Die mentaliteit heeft een erfenis achtergelaten en bepaalt nog steeds deels de manier waarop we de wereld zien en begrijpen. Hedendaagse dekolonisatie draait dus om wat de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o in 1986 ‘dekolonisatie van de geest’ noemde.
Allereerst moeten we ons bewust worden van het nog levende kennissysteem van de kolonist en dat verwerpen. Vervolgens moeten we het vervangen door evenwichtige, diverse, complexe en lokaal relevante inzichten in menselijke samenlevingen en hun onderlinge relaties. En ten slotte moeten we op basis van die inzichten ons gedrag veranderen. Dit is een lang en moeizaam proces, waarbij veel meer komt kijken dan het vervangen van een vlag of het veranderen van een volkslied.
Vorm van censuur
De Engelse taal, het British Museum en Cecil Rhodes delen een problematische koloniale erfenis. Ze staan voortdurend ter discussie, waarbij het de vraag is of ze ‘geschenken’ of ‘monsters’ zijn. In het British Museum worden de bronzen beelden uit Benin tentoongesteld: meer dan negenhonderd decoratieve sculpturen uit het Koninkrijk Benin in het huidige Zuid-Nigeria. Ze bieden mensen weliswaar de gelegenheid om historische kunstwerken te bewonderen, maar zijn ook een tastbaar bewijs van de systematische plundering die in de koloniale tijd plaatsvond.
Het standbeeld van Rhodes dat op de Oxfordcampus staat mag dan een eerbetoon zijn vanwege de hoeveelheid geld die de politicus de universiteit heeft geschonken, het is ook een uitermate controversieel beeld van een staatsman die tijdens de Britse overheersing in Zuid-Afrika handelde vanuit de stellige overtuiging dat de ‘witten’ het ‘opperras’ waren.
Kunstwerken en standbeelden van historische figuren zijn onderwerp geworden van een verhit debat omdat ze de problematische koloniale erfenis vertegenwoordigen. Musea worden steeds meer onder druk gezet om artefacten terug te sturen naar hun land van herkomst, vooral als die artefacten in kwestie aantoonbaar ‘verworven’ zijn met koloniale plundering. In dat opzicht zou het teruggeven van de geroofde bronzen beelden van Benin aan Nigeria niet alleen een fout rechtzetten. Het zou ook symbool komen te staan voor de bestrijding van het koloniale geloofssysteem dat de beeldenroof ooit mogelijk maakte. Met andere woorden: het zou een vorm van dekolonisatie zijn.
Op eenzelfde manier vinden veel mensen het belangrijk dat het standbeeld van Rhodes verwijderd wordt. Alleen dan kunnen we in hun ogen ons wereldbeeld rechtzetten – een wereldbeeld dat lange tijd scheef is geweest door kolonisatie en haar voortdurende ideologische erfenis.
Natuurlijk is er ook veel weerstand tegen dit idee. Mensen die sceptisch zijn over dekolonisatie interpreteren het voorvoegsel ‘de-’ veelal als een vorm van censuur. In hun ogen zou dekolonisatie elke band met het koloniale verleden uitwissen. In juni 2020 twitterde de toenmalige Britse premier Boris Johnson over het omverwerpen van het standbeeld van slavenhandelaar Edward Colston in Bristol: ‘We moeten niet proberen ons verleden te bewerken of te censureren.’
Naar aanleiding van het voorstel om het Victoria and Albert Museum te dekoloniseren, zei directeur Tristram Hunt in februari 2020 iets vergelijkbaars: ‘De oorsprong van het Victoria and Albert Museum is ingebed in Britse imperiale en koloniale verhalen.’ Daarom ‘heeft het in veel opzichten geen zin om het V&A te dekoloniseren, het is simpelweg niet mogelijk’.
Als dekolonisatie gezien wordt als uitwissen, lijkt het al snel een onmogelijke of zelfs onwenselijke opgave. Maar deze interpretatie gaat totaal voorbij aan wat dekolonisatie nu echt betekent. Zoals ik hierboven heb uitgelegd, houdt dekolonisatie in de eerste plaats een diepgaand en kritisch engagement met het koloniale verleden in. Dat is iets heel anders dan het verleden uitwissen.
We beschrijven taal zo vaak als een levend organisme dat de twee begrippen in onze voorstelling haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn
Hoe zit dat met de Engelse taal? Hoe zou dekolonisatie van het Engels eruitzien? Er zijn wat dat betreft twee belangrijke denkstromingen geweest. De ene beschouwt het Engels als een ‘ongewenst geschenk’: omdat het nu eenmaal een wereldtaal is, kan het uit pragmatische overwegingen maar met tegenzin worden aanvaard – zolang het wordt aangepast, omgesmeed en in nieuwe vormen gebogen. Het Engels zou dan ‘gede-angliseerd’ worden en veranderen in een Afrikaanse en Aziatische taal. Het is niet langer het exclusieve eigendom van de Britten en de Amerikanen maar wordt op andere plekken in de wereld eigen gemaakt.
Verschillende Afrikaanse en Aziatische schrijvers hebben zich fervent voorstander van dit idee getoond: van Achebe in de jaren zestig tot Salman Rushdie in de jaren tachtig en, recenter nog, Chimamanda Ngozi Adichi. Het standpunt krijgt echter ook kritiek. Het zou te optimistisch zijn en alleen relevant voor een beperkte en nogal bevoorrechte elite, waartoe de internationaal bekende Engelstalige romanschrijvers behoren. Volgens critici is het de-angliseren en toe-eigenen van het Engels een privilege voor slechts een paar mensen. Alle anderen blijven lijden aan de erosie van hun taal, cultuur en identiteit.
De tweede stroming is radicaler. Vanuit dit perspectief is het Engels als wereldtaal niet alleen maar het toevallige resultaat van het kolonialisme, maar blijft het een inherent en onvermijdelijk imperialistische taal. Het toe-eigenen van de taal is volgens aanhangers hiervan slechts een illusie die afleidt van het echte probleem: dat het Engels het leven van honderden miljoenen mensen blijft beïnvloeden, hun samenleving binnendringt en lokale talen uit het onderwijs, de media en de algemene cultuur verdrijft. Dekolonisatie zou moeten betekenen dat er een groter en gezonder evenwicht tussen het Engels en lokale talen ontstaat. Lokale talen komen weer tot bloei en krijgen de status en rol terug die ze door het Engelse monster zijn kwijtgeraakt.
Er zijn er ook die geen relevant verband zien tussen het Engels en dekolonisatie. Gordon Brown beschrijft het Engels in zijn eerdergenoemde toespraak als ‘het medium dat wereldwijde communicatie en wereldwijde toegang tot kennis mogelijk maakt’; ‘een middel waarmee honderden miljoenen mensen uit alle landen met elkaar in contact komen’; ‘een brug tussen grenzen en culturen’ en ‘een bron van eenheid in een snel veranderende wereld’. Volgens Brown mag het Engels geen onderdeel worden van dekolonisatie.
Het is veelzeggend dat hij de verspreiding van het Engels beschrijft als het resultaat van een ‘historische toevalligheid’. The English Effect, een publicatie van de British Council uit 2013, beschrijft de taal eveneens als een die ‘groei en internationale ontwikkeling aanstuurt’ en ‘levens verandert’. En als het Engels een ‘geschenk’ is, moet het worden gevierd en niet ter discussie gesteld.
Metaforen
Dekoloniseren of niet dekoloniseren? Dat is de vraag, en om daar genuanceerd op in te gaan, helpt het misschien om te weten dat beide partijen in het debat iets fundamenteels gemeen hebben. Wanneer ze over het Engels praten of nadenken, gebruiken ze metaforen. Een ‘geschenk’, een ‘monster’, ‘bullebak’, ‘medium’, ga zo maar door… Woorden die in principe niets met een taal te maken hebben. Want dat is de essentie van de metafoor: spreken over X alsof het Y is.
Soms, zoals in de zojuist genoemde voorbeelden, is het duidelijk wanneer dit gebeurt. Maar meestal hebben we het niet eens door als taal metaforisch omschreven wordt. Dat komt doordat niet allee metaforen een duidelijke ‘X is Y’-vorm hebben – zoals bij ‘Engels is de weg naar succes’ – en doordat ze zodanig zijn ingeburgerd dat we ze vaak niet meer als metafoor of creatief taalgebruik herkennen.
In gesprekken over taal gaat het vaak over ‘geboorte’, ‘leven’, ‘groei’, ‘ontwikkeling’ en ‘dood’ – alsof een taal een levend organisme is. Een uitdrukking als ‘taal ontwikkelt zich voortdurend’ komt niet direct over als een metafoor, omdat taal hier niet expliciet wordt beschreven als iets anders. We beschrijven taal zo vaak als een levend organisme dat de twee begrippen in onze voorstelling haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.
We gebruiken voortdurend metaforen, vooral wanneer we complexe verschijnselen beschrijven met begrippen die simpeler, vertrouwder en eenvoudiger zijn. Taal is een complex, sociaal fenomeen dat onlosmakelijk met cultuur en maatschappij is verweven, en leent zich dus bij uitstek om te worden beschreven aan de hand van metaforen. Maar een metafoor is meer dan een retorisch middel dat complexe verschijnselen begrijpelijker maakt. Een metafoor beschrijft iets alsof het iets anders is en kan daardoor een krachtig ideologisch instrument zijn. Door het ‘iets anders’ in kwestie zorgvuldig uit te kiezen, kunnen we met metaforen verschillende ideologische standpunten uitdrukken.
Wanneer we het Engels bijvoorbeeld een ‘geschenk’ noemen, impliceren we dat het uiterst waardevol is: een middel dat wereldwijde communicatie verbetert alsook de vooruitzichten van mensen. Door het te beschrijven als een ‘monster’ schilderen we de taal af als een bedreiging voor de culturele en taalkundige diversiteit: als een wapen dat de Anglo-Amerikaanse neo-imperialistische belangen dient.
Het wordt nog interessanter als we kijken naar metaforen die sterk ingeburgerd en daarom minder zichtbaar zijn. Nogmaals, de British Council stelt dat Engels ‘groei en internationale ontwikkeling stimuleert’ en ‘levens verandert’. Om de metaforische essentie van deze stelling te ontleden, moeten we zorgvuldig letten op zowel de grammatica als de betekenis ervan.
Wie zegt dat het Engels groei stimuleert en levens verandert, beschouwt het als een entiteit, die zelf in staat is om handelingen te verrichten. Hier is sprake van een grammaticale en semantische verschuiving: van het Engels als een object dat door mensen wordt geleerd, gesproken en gebruikt, naar het Engels als een doener die andere dingen of mensen zelfstandig kan beïnvloeden. De formule ‘X is Y’ is hier dus impliciet, maar kan wel degelijk worden ontleed. In dit geval impliceert ‘Engels verandert levens’ dat het Engels ‘een doener’ is. En als het Engels autonomie heeft, kan het zelfstandig handelen, onafhankelijk van mensen. Deze gedachtegang kan een groot ideologisch effect hebben.
Door het Engels als een reiziger voor te stellen, wissen we de invloed van het imperialisme uit
De tweede editie van English as a Global Language werd gepubliceerd in 2003 en geldt nog steeds als een van de populairste beschrijvingen van het Engels als wereldtaal. Het boek is geschreven door de Britse taalkundige David Crystal, een van de bekendste anglicisten. In het boek staat een voorbeeld dat perfect illustreert wat voor ideologische implicaties een metafoor kan hebben. Crystal schrijft dat ‘een terugkerende opvallendheid die kan helpen om de opmerkelijke groei van deze taal te begrijpen’ is dat ze ‘herhaaldelijk op het juiste moment op de juiste plaats was’. Op het eerste gezicht lijkt zo’n uitspraak misschien nietszeggend, maar er zit een complete ideologie in verscholen.
Allereerst impliceert het woord ‘groei’ hier natuurlijk de metafoor van het ‘levend organisme’. Afgezien daarvan lijkt het Engels hier net een reiziger die tijdens zijn wereldreis compleet bij toeval op bepaalde plaatsen belandde. De metafoor van de reiziger schetst het Engels bovendien als iemand met mensachtige kwaliteiten en een eigen wil. Dit suggereert dat de taal zich wereldwijd heeft verspreid middels handelingen die het Engels op verschillende momenten in zijn ‘leven’ heeft ondernomen. Volgens de logica van deze metafoor werd het Engels verspreid door het Engels zelf, niet door het kolonialisme. Door het Engels als een reiziger voor te stellen, wissen we de invloed van het imperialisme uit. Hoe kon het Engels zo groot worden? Gewoon, door ‘een historische toevalligheid’, aldus Brown.
Wie het imperialisme buiten beschouwing laat, maakt de wereldwijde verspreiding van het Engels als het ware onschadelijk. Zo komt de nadruk te liggen op hoe bijzonder de expansie was, hoe heilzaam de wereldwijde aanwezigheid van het Engels is, enzovoort. Met andere woorden, het Engels kan als een ‘geschenk’ aan de wereld worden omschreven, waarbij de ongemakkelijke implicaties van dat geschenk achterwege worden gelaten. Critici als Robert Phillipson noemen Crystals beschrijving van het Engels als een wereldtaal die ‘herhaaldelijk op het juiste moment op de juiste plaats was’ dan ook ‘eurocentrisch’ en ‘triomfalistisch’. Met andere woorden: een beschrijving die moet worden gedekoloniseerd.
Aan de andere kant van het debat wordt het Engels eveneens beschreven met een metafoor. Een voorbeeld is de essaybundelEnglish Language as Hydra uit 2012, die gaat over ‘de immense macht die het Engels wereldwijd uitoefent’. In deze bundel is het Engels geen geschenk, maar een dief, een bullebak, een monster, enzovoort. In de inleiding schrijven redacteuren Vaughan Rapatahana en Pauline Bunce:
‘Bepaalde structuren en vormen van discours zijn inherent aan het Engels. De taal neemt die overal waar ze opdruikt met zich mee, en op een schijnbaar heilzame manier. Zo worden de mensen die de taal leren opgescheept met een hele reeks aan inherente controles, verwachtingen, houdingen en overtuigingen die vaak tegengesteld zijn aan die van henzelf.
Ook schrijven ze dat: ‘(…) de Hydra van het hedendaagse Engels erin is geslaagd haar geografische bereik uit te breiden tot de hele planeet. Het Engels heeft zich aangepast aan een breed scala van omgevingen door op verschillende plaatsen verschillende koppen te ontwikkelen en soms verschillende koppen op dezelfde plaats. De taal heeft specifieke, symbiotische relaties ontwikkeld met samenlevingen, bedrijven, regeringen en onderwijssystemen.’
Entiteit
Hoewel ik begrip heb voor het sentiment dat aan deze stelling ten grondslag ligt, denk ik dat deze weergave van het Engels niet volledig recht doet aan ons doel: de manier waarop we over het Engels praten dekoloniseren. Het Engels wordt nog steeds beschreven als een entiteit die in staat is zijn eigen beslissingen te nemen en onafhankelijk van mensen te handelen.
In de bovenstaande citaten lijkt het Engels een reiziger en een soort bovennatuurlijk, verraderlijk wezen dat de hele wereld over gaat door zich op fenomenale wijze te transformeren. Net als de reiziger van Crystal, die toevallig op het juiste moment op de juiste plaats was, leidt deze weergave de aandacht af van het fundamentele probleem: een wereldorde die is gevormd en nog steeds sterk wordt bepaald door vierhonderd jaar Europees imperialisme.
De metafoor van het geschenk is machtig. Maar als we dit idee proberen te bestrijden met monstermetaforen, belanden we in een retorische strijd waarvan de spelregels nog steeds door de tegenstander worden bepaald. Deze strategie kan hoogstens leiden tot een afgezaagde conclusie: dat de werkelijkheid complex is. Binnen dit referentiekader is het Engels noch geheel ‘slecht’ noch geheel ‘goed’. Maar het ideaal – dat het Engels een minder dominante rol krijgt en andere talen verloren terrein terugwinnen – blijft zo niets meer dan een theoretische wens zonder een geloofwaardig en uitvoerbaar actieplan.
We moeten de dekolonisatie van het Engels radicaler aanpakken, door op een nieuwe manier over de taal na te denken en te praten. Taal is geen object of ding, zoals een artefact in een museum of een standbeeld in een stad. En het is al helemaal geen levend wezen dat in staat is ‘deuren te openen’, ‘levens te veranderen’ of ‘andere talen te doden’. Taal is onlosmakelijk verbonden met ons sociale gedrag: we gebruiken allemaal taal in ons dagelijks leven – vaak zelfs meerdere talen.
‘Het zijn mensen, niet talen, die machtig zijn, bedreigd worden, hebzuchtig zijn, vrijgevig zijn enzovoort’
Geen enkele taal, ook het Engels niet, is inherent ‘goed’ of ‘slecht’, ‘rijk’, ‘machtig’ of ‘arrogant’. Geen enkele taal, ook het Engels niet, ‘doet’ iets. Ze breidt zich niet uit, past zich niet aan, evolueert niet, domineert niet. Die formuleringen zijn allemaal manieren om de relaties tussen mens en taal verdoezelen.
Het zijn mensen, niet talen, die machtig zijn, bedreigd worden, hebzuchtig zijn, vrijgevig zijn enzovoort. Het zijn mensen, niet talen, die hun invloed uitbreiden, zich aanpassen aan situaties, hun gewoonten veranderen (inclusief hun taalgebruik), domineren, onderworpen worden, enzovoort.
De wereldwijde ‘dominantie’ van het Engels en het daarmee gepaard gaande verlies van andere talen, identiteiten en culturen zijn directe gevolgen van de enorme ongelijkheid die er in de wereld nog altijd is. Die ongelijkheid is een rechtstreeks gevolg van de kolonisatie en de langdurige gevolgen die eruit voortkwamen. Het Engelse ‘monster’ is een symptoom van een ernstige ziekte, niet de oorzaak.
De dekolonisatie van het Engels houdt niet in dat een object wordt weggenomen of teruggegeven. Dekolonisatie betekent dat we op een nieuwe manier gaan nadenken over wat het Engels is en, belangrijker nog, wat het niet is.
Catalonië voert al jarenlang actie voor het Catalaans
In Catalonië is er een campagne gaande om het exclusieve gebruik van het Catalaans te promoten. De stichting Òmnium Cultural heeft op internet een handleiding gepubliceerd met argumenten die de Catalanen moeten overhalen alleen het Catalaans te gebruiken. De organisatie, die belast is met de bevordering en normalisering van de Catalaanse taal en cultuur, zou op deze manier van iedere Catalaan een taalactivist willen maken die het Spaans zo veel mogelijk links laat liggen en in iedere situatie het Catalaans gebruikt, aldus El Mundo.
De handleiding bevat argumenten zoals ‘Catalaans is de taal van de plaats waar je woont’, ‘het gebruik van het Catalaans bevordert maatschappelijke integratie en participatie’ en ‘het getuigt van aanpassingsvermogen als je de taal spreekt van je woonplaats’. ‘Je wilt immers niet gezien worden als iemand die de taal niet kent of zich niet aan wil passen’, schrijft Òmnium Cultural.
In Catalonië woedt al jarenlang een strijd om het Catalaans een voorrangsstatus te geven
Misschien wel de meest controversiële uitspraak van het document, aldus El Mundo, is dat je niet naar een andere taal hoeft te switchen wanneer de ander het Catalaans niet verstaat. ‘Als ik op een andere taal overga, ontzeg ik de ander de mogelijkheid om de taal [het Catalaans] te leren’, valt te lezen in het document.
Deze actie staat niet op zichzelf. In Catalonië woedt al jarenlang een strijd om het Catalaans een voorrangsstatus te geven ten koste van het Spaans. Vorige week nog bracht El Mundoeen verhaal naar buiten over een vragenlijst die docenten aan sommige Catalaanse onderwijsinstellingen moesten invullen. Ze werden onder andere ondervraagd over de taal die ze het meest gebruikten en waarin ze thuis, met vrienden en op hun mobiel communiceerden. De enquête stuitte op flinke kritiek. Ze werd gezien als een schending van de privacy van de docenten.
Jarenlang keek de progressieve elite stiekem neer op de mensen onder aan de maatschappelijke ladder. Die mensen zijn nu afgehaakt en stemmen overal ter wereld op de populisten. Eigen schuld, dikke bult, zegt Elisabeth Raether.
Keuze uit het archief
Vijf jaar geleden, september 2016, publiceerden wij een dossier genaamd: ‘Hé elite, kijk eens in de spiegel!’ In dit artikel daaruit fileert een jonge Duitse journaliste vlijmscherp de kronkels in de gedachten van wat meestal de linkse elite wordt genoemd. Hun stelregel lijkt te zijn: zolang je zelf alles volgens de – door hen zelf bepaalde – regels doet, is het geen probleem om op anderen neer te kijken.
Na maanden van voorverkiezingsstrijd heeft onze verontwaardiging over Donald Trump iets overbodigs gekregen: hij zegt iets onbeschofts en wij grijpen geschrokken naar onze parelketting, als burgerdames die iemand aan tafel uit een vingerkommetje zien drinken. Maar de verrassing is er nu wel af. En vooral: Trump kwam niet uit het niets. Waarschuwingssignalen genoeg. We hebben lang gedacht dat het voldoende was iemand als hij met scherpzinnige spot en minachting op zijn plaats te zetten.
Maar of het nu satirische stukjes of afkeurende hoofdartikelen waren, of dat we hem gewoon voor gek zetten om zijn haar: niets hielp. Eigenlijk hebben we steeds gedacht dat alleen dat kapsel al genoeg was om erger te voorkomen. Maar Trump en andere autoritaire leiders kregen steeds meer succes en werden steeds zelfbewuster.
Het zou aan ons kunnen liggen. Want uit alle aanwijzingen, die we niet alleen over het hoofd hebben gezien maar bewust hebben genegeerd, blijkt dat wij − ook als Europeanen − een onaangename waarheid onder ogen moeten zien: wij leven in een klassenmaatschappij, waar de ene groep leidt en de andere volgt. En als we om Trump en Melania lachen, ontmaskeren we niet hén, maar onszelf.
Wij hanteren dezelfde werkwijzen als alle elites overal ter wereld: wij definiëren wat goede smaak is en kijken neer op degenen die zich daar niet aan houden
Wie zijn wij? Wij zijn de leiders. Wij zijn de nieuwe liberale elite. Wij zijn degenen die met tranen in de ogen luisteren naar Michelle Obama’s toespraak op de democratische conventie. Wij zijn het soort mensen dat niet bang is om een moderne en toch elegante outfit te dragen die vermoedelijk is ontworpen door een jonge designer uit New York wiens naam de meeste Amerikanen niet eens kunnen uitspreken. Wij zijn de mensen die überhaupt niet zo snel bang zijn, niet voor de onbegrijpelijke soevereiniteit waarmee de First Lady spreekt, noch voor de mengeling van macht en morele volmaaktheid die ze belichaamt als ze zegt: ‘Ik word iedere dag wakker in een huis dat is gebouwd door slaven.’ Michelle Obama is mooi, rijk, intelligent, elegant en heel, heel machtig. Maar ze is ook zwart, zodat ze zonder een zweempje schaamte mag genieten van al haar voorrechten, de schaamte die lange tijd de prijs is geweest van leven in de bovenlaag van de samenleving.
Wij hanteren dezelfde werkwijzen als alle elites overal ter wereld: wij definiëren wat goede smaak is, wat hoort en wat niet hoort, en kijken neer op degenen die zich daar niet aan houden. We zoeken het gezelschap van ‘ons soort mensen’. Maar net als een regime dat door revolutie aan de macht is gekomen, staan we boven alle verwijten, want wij, althans de generaties voor ons, hebben voor die plaats moeten vechten.
We hebben de tolerantie bij wijze van spreken uitgevonden, en we definiëren dus ook wat dat is
Het resultaat is de onaantastbare macht van het juiste, onze macht dus. En inderdaad, we hebben veel goeds teweeggebracht wat we de wereld nalaten: vrijheid en rechten voor vrouwen, migranten, gehandicapten, homoseksuelen. Maar de klassen hebben we niet afgeschaft. We hebben ons in de top van de klassenmaatschappij genesteld, en hebben nu het gevoel dat alle remmen los zijn.
Van onderaf zou dat er wel eens heel anders uit kunnen zien.
Michelle en Melania
Hillary Clinton heeft dochter Chelsea ‘perfect’ opgevoed, zei Michelle Obama in haar toespraak. Dat zal niet iedere Amerikaanse moeder van haar kinderen durven zeggen; in ieder geval niet de moeders van de dikzakken en de spijbelaars, gedetineerden, tienermoeders en drugsverslaafden. Maar die moeders kunnen de First Lady niet verwijten dat ze arrogant is, tenzij hun voorouders op zijn minst ook slaven waren.
Na Michelle Obama was er een toespraak van een jonge transvrouw, Sarah McBride. Dankzij zorgvuldige medische ingrepen ziet ze er zo fantastisch uit als iedere vijfentwintigjarige zich zou wensen. McBride was stagiaire in het Witte Huis en werkt nu bij een ngo. Haar verhaal gaat er niet alleen over dat álle mensen gelijk zijn, ze vertelt ook over haar echtgenoot, een transman, die op zijn achtentwintigste aan kanker overleed en zich tot zijn dood heeft ingezet voor LBGTQA-mensen in de VS.
Er zijn niet veel vijfentwintigjarigen die op de conventie mogen spreken, en nog minder die zo hoogstaand en onzelfzuchtig overkomen. Maar hoe zit het met die anderen? Die niet zwart of hoogbegaafd, niet stijlvol of transgender, geen stralende jonge weduwe en wellicht niet eens vrouw zijn? Wat is hun heldenverhaal?
Op de conventie van de Republikeinen, kort daarvoor, stond Melania Trump op het podium. Ook zij is aan haar gezicht geopereerd, maar om andere redenen. Smalle ogen, volle lippen, geföhnd haar. Ze leest van de autocue, waar ze zich kennelijk erg voor moet concentreren. Ze heeft een zwaar Balkanaccent en een monotone stem. Haar gelaatsuitdrukking past niet bij wat ze zegt: ze praat over liefde, het gezin en kindness, maar ze kijkt als een roofdier, cool, sexy, alsof ze bezig is iemand te verleiden, alsof ze alleen maar zo kan kijken.
Veel van wat bij een toespraak mis kan gaan, gaat ook mis. Dat is al duidelijk vóórdat iemand ontdekt dat hele passages ervan zijn overgeschreven uit een toespraak van Michelle Obama in 2008. Een paar dagen later onthult een tijdschrift in New York dat het designdiploma dat Melania Trump zou hebben in het postcommunistische Slovenië van de jaren tachtig helemaal niet bestond. Vanaf dat moment kent het leedvermaak geen grenzen meer. Als ze dan al een universitair diploma verzint, waarom dan niet een bestaand? Melania, een vrouw net zo nep als haar borsten.
Maar hoe zit het met de fakeborsten van de jonge transvrouw? Waarom zijn sommige borsten progressief en andere reactionair? Als iemand zijn biologische geslacht niet wil accepteren, mag hij zich laten opereren tot zelfs zijn moeder hem niet meer herkent. En als iemand er mooier of jonger uit wil zien dan hij is, dan zou dat niet mogen? Hoe moet je dat uitleggen aan iemand buiten de liberale kliek?
Je kunt ook anders naar het optreden van Melania Trump kijken. Een verkiezingsteam had het niet beter in scène kunnen zetten: de hoon waar Trumps vrouw tegenaan loopt, is dezelfde die bij zijn kiezers tomeloze woede-uitbarstingen veroorzaakt. Zij worden opnieuw bevestigd in hun wrok. Zwarte mannen en vrouwen in de VS zijn slachtoffer van politiegeweld, arm, en moeten zich tegen ontelbare vooroordelen verdedigen. Maar er is nog een groep die buitengesloten wordt. Want ook over mensen die de vooruitgang niet zo snel kunnen bijbenen, mogen we − ook in tijden van sekseneutrale taal − allerlei denigrerende dingen zeggen; de mensen die onzeker zijn, geen talenten hebben, bang zijn: de witte mannen. Hun verlangens, hun behoeften, hun angsten, hun levensverhalen: één grote grap. Je kunt ze white trash noemen, of arbeiders, werklozen, ongeschoolden. Hoe dan ook, populair zijn ze niet, wereldwijs evenmin en zelfspot kennen ze niet. Zij zijn degenen die gekwetst zijn.
Het kan op het eerste gezicht misplaatst lijken dat juist degenen die zijn afgehaakt zich identificeren met het echtpaar Trump, dat tenslotte fabelachtig rijk is. Melania Trump post selfies vanuit haar gouden woonkamer en heeft een assistente die boodschappen voor haar doet. De tegenstrijdigheid dat uitgerekend miljardairs de uitgeslotenen weten te bereiken, verdwijnt snel: want ze zijn niet alleen economisch uitgesloten, maar vooral cultureel.
De leidster van het Front National, Marine Le Pen, had een bevoorrechte jeugd in een rijke voorstad van Parijs, maar mensen die zich aan de kant gezet voelen, zijn dol op haar. Terwijl de welgestelden een lompe vrouw met prefascistische opvattingen zien, koesteren de gepijnigde zielen zich in haar warmte. Want zij voelen hoe de liberale elite op hen neerkijkt. Le Pen heeft jarenlang haar uiterste best gedaan om toegelaten te worden in de Parijse televisiestudio’s waar haar vader een ongewenste gast was. Nu vecht ze voor het presidentschap met een hartstocht alsof het niet om politiek, maar om het vereffenen van een rekening gaat.
Dat is het heldenverhaal van de veronachtzaamden: jullie zogenaamd tolerante veelverdieners hebben ons jarenlang genegeerd. We mochten optreden in realityshows op tv, zodat jullie je, met je eeuwige ironie, konden amuseren. Maar nu is het ernst. Nu willen we de macht, en die zullen we krijgen ook. Jullie vonden het toch altijd zo erg dat we niet gingen stemmen? Nou, dat is precies wat we gaan doen.
Maar wat is dan wel verstandig? Wij, de klasse van wereldburgers, gaan ervan uit dat we altijd weloverwogen meningen verkondigen
‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama in haar toespraak op de conventie in de richting van de aanhangers van Trump, wat in het Nederlands zoiets betekent als: we laten ons door dat verschrikkelijke gedrag van jullie niet van de wijs brengen. Maar je kan haar uitspraak ook omdraaien: als jullie in hoger sferen verkeren, halen wij de boel nog eens naar beneden.
Met gekwetstheid en angst heb je nog geen politiek manifest. Het is niet eens verstandig om je door zulke gevoelens te laten leiden, lezen we overal, of het nu gaat om de Brexitkiezers die tegen hun eigen belang gestemd hebben of om de fans van Trump, die nergens van schrikken, wat hun kandidaat ook beweert – of hij nu gelooft dat hij zijn NAVO-partners in de steek kan laten of dat Parijs in Duitsland ligt. Ook de AfD (Alternative für Deutschland) komt met absolute nonsens nog het verst. Sarah Palin ging acht jaar geleden de geschiedenis in als een rariteit. De toenmalig gouverneur van Alaska antwoordde op de vraag naar haar vicepresidentiële kwalificaties op het terrein van buitenlandse zaken met de legendarische zin: ’Van hieruit kun je Rusland zien.’ Desondanks was ze zo populair dat haar brilmontuur voortdurend was uitverkocht – er waren maar weinig politici met wie mensen zich zo sterk identificeerden. Palin was de voorloper van het fenomeen Trump: Ik ben een beetje onnozel, en dat is oké. Ze had buitengewoon veel succes, juist omdat ze de belichaming was van argeloosheid en gebrek aan gezond verstand.
Het is makkelijk om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet
Maar wat is dan wel verstandig? Wij, de klasse van wereldburgers, gaan ervan uit dat we altijd weloverwogen meningen verkondigen. Hoewel, bijvoorbeeld: niet alle tegenstanders van genetische modificatie kunnen je vertellen waarom ze daar zo tegen zijn, want het is ook gewoon een gevoel. Je wilt nou eenmaal graag dat wat je eet op een of andere manier waarde heeft en puur is.
Ook kunnen niet alle pleitbezorgers van de EU uitleggen wat daar nou zo goed aan is, want het gaat uiteraard ook om onze identiteit, een vaag gevoel dat zich zo moeilijk laat beschrijven. Het is in ieder geval makkelijker om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet waar van die uitstekende, maar ongelooflijk goedkope wijnen op de kaart staan.
Iedereen heeft altijd meer begrip voor zijn eigen domheid dan voor die van de ander. Maar wie bepaalt wat dom is? Wie beslist wat de juiste problemen zijn en wat de verkeerde? Afgezien daarvan: Wat kan er nou dom aan zijn om iemand in het Witte Huis of het Elysée te kiezen waarmee je je kunt identificeren?
Superioriteit
‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama in haar toespraak op de conventie in de richting van de aanhangers van Trump, wat in het Nederlands zoiets betekent als: we laten ons door dat verschrikkelijke gedrag van jullie niet van de wijs brengen. Maar je kan haar uitspraak ook omdraaien: als jullie in hoger sferen verkeren, halen wij de boel nog eens naar beneden.
Met gekwetstheid en angst heb je nog geen politiek manifest. Het is niet eens verstandig om je door zulke gevoelens te laten leiden, lezen we overal, of het nu gaat om de Brexitkiezers die tegen hun eigen belang gestemd hebben of om de fans van Trump, die nergens van schrikken, wat hun kandidaat ook beweert – of hij nu gelooft dat hij zijn NAVO-partners in de steek kan laten of dat Parijs in Duitsland ligt. Ook de AfD (Alternative für Deutschland) komt met absolute nonsens nog het verst. Sarah Palin ging acht jaar geleden de geschiedenis in als een rariteit. De toenmalig gouverneur van Alaska antwoordde op de vraag naar haar vicepresidentiële kwalificaties op het terrein van buitenlandse zaken met de legendarische zin: ’Van hieruit kun je Rusland zien.’ Desondanks was ze zo populair dat haar brilmontuur voortdurend was uitverkocht – er waren maar weinig politici met wie mensen zich zo sterk identificeerden. Palin was de voorloper van het fenomeen Trump: Ik ben een beetje onnozel, en dat is oké. Ze had buitengewoon veel succes, juist omdat ze de belichaming was van argeloosheid en gebrek aan gezond verstand.
Het is makkelijk om vóór de EU te zijn als je al in alle (interessante) Europese hoofdsteden bent geweest en overal een leuk restaurantje weet
Op het moment dat ze zo woedend werden, waren de uitgeslotenen allang van het politieke toneel verdwenen. De Franse socioloog Didier Eribon zegt dat de communistische arbeidersklasse vroeger ook al homofoob en racistisch was, maar dat ze nu vooral op het Front National stemmen omdat de socialistische regeringspartij niets meer met hen te maken wil hebben. De PS onder François Hollande wil het ‘nieuwe links’ zijn, vertegenwoordigd door vlerken als premier Manuel Valls en minister van economische zaken Emmanuel Macron, die geen idee hebben van de strijd die de afhakers tegen ‘die daar boven’ voeren. Onverholen hautain zei Valls laatst over degenen die tegen een geliberaliseerde arbeidsmarkt demonstreerden: Dat is het oude links. De Franse socialisten, de Duitse SPD, de Democraten in de VS, allemaal hebben ze hun groezelige komaf achter zich gelaten en zich geconcentreerd op de veel deftiger culturele vraagstukken.
Dat de achterblijvers pas door autoritaire leiders en racisten weer een stem hebben gekregen, is een drama. Want natuurlijk hebben ook arbeiders en werklozen transgenderkinderen en homoseksuele zonen en dochters voor wie ze het allerbeste willen, en natuurlijk zullen vooral degenen die geïsoleerd zijn geraakt het meest te lijden hebben van de gevolgen van klimaatveranderingen. Maar wij hebben onze internationale attitude tot ons handelsmerk gemaakt. We hebben geen enkele mogelijkheid voorbij laten gaan om onze superioriteit te demonstreren: wij zijn zo veel intelligenter, humoristischer en hebben zo’n heldere kijk op de zaken. Wij scheiden ons vuilnis en maken geen spelfouten. Het mag dan slechts een ondertoon zijn, die onze arrogantie verraadt, we moeten er wel naar gaan luisteren. Bij de afhakers is de boodschap namelijk al lang aangekomen, en voor de autoritaire leiders was het vervolgens gemakkelijk om het nadenken over vrijheid en het verantwoordelijkheidsgevoel af te serveren als een luxe die maar weinigen zich kunnen permitteren. Zij beweren dat tolerantie de ideologie van de macht is. Dat mag onjuist en manipulatief zijn, het laat wel zien wat onze grootste zwakte is.
Waarom deze smeltende gletsjer een mondiaal gevaar is
De smeltende Pine Island-gletsjer van West-Antarctica stond al bekend als de grootste aanjager van de zeespiegelstijging. Dat wordt nog erger omdat de ijsplaat versneld uiteenvalt. Dit schrijft The Washington Post naar aanleiding van een nieuw onderzoek dat afgelopen vrijdag werd gepubliceerd.
De Pine Island-gletsjer, een ijsrivier van 260 kilometer lang, staat bekend als de zwakke plek van West-Antarctica. Hij draagt meer bij aan de zeespiegelstijging dan enige andere gletsjer van het continent en behoort tot de snelst smeltende gletsjers ter wereld.
In tegenstelling tot andere Antarctische gletsjers, wordt de Pine Island-gletsjer niet beschut tegen de opwarmende oceaan door een grote massa zee-ijs. Het enige dat voorkomt dat hij rechtstreeks in de Amundsenzee stroomt, is een drijvende ijsplaat aan de voorkant van de gletsjer. Die fungeert als een kurk in een fles die de enorme druk aan de achterkant opvangt.
Maar die ijsplaat scheurt nu zelf uit elkaar. De afgelopen vijf jaar ging een vijfde van zijn massa verloren, waardoor ijsbergen zo groot als steden zijn afgestoten. Er zijn scheuren ontstaan in het midden van de ijsplaat, hetgeen mogelijk bijdraagt aan de instabiliteit.
Als dit proces doorgaat, ‘kan de hele ijsplaat de komende jaren uit elkaar vallen en dat is veel sneller dan we hadden verwacht’
Inmiddels is er een nieuwe reden voor zorgen om de Pine Island-gletsjer. Volgens het onderzoek dat vrijdag in Science Advancesis gepubliceerd, stroomt de gletsjer 12 procent sneller naar de oceaan dan vier jaar geleden; het gevolg van de afbrokkelende, verzwakte ‘kurk’.
Als dit proces doorgaat, ‘kan de hele ijsplaat de komende jaren uit elkaar vallen en dat is veel sneller dan we hadden verwacht’, aldus Ian Joughin, een glacioloog aan het Applied Physics Laboratory van de University of Washington, die meeschreef aan het rapport.
Het verlies van de ijsplaat zou het verval van de Pine Island-gletsjer verder versnellen. Hoe sneller die stroomt, hoe meer ijs er in de oceaan terecht komt, waardoor de zeespiegel stijgt. De gletsjer voegt elk jaar al een zesde millimeter toe aan de zeespiegelstijging, maar het verlies van de ijsplaat zou die snelheid kunnen verdubbelen of verdrievoudigen, volgens Joughin. Pine Island bevat ongeveer 180 biljoen ton ijs en dat is genoeg om een zeespiegelstijging van zo’n 49 centimeter te veroorzaken. ‘Ik ben echt geen catastrofedenker’, zegt Joughin. ‘Maar de staat van de ijsplaat staat zeker ter discussie.’
Afkalven
Eerder richtten wetenschappers zich op het langzame maar gestage dunner worden van de ijsplaat doordat warm oceaanwater eronder stroomt. Dit smelten maakt ijsplaten kwetsbaarder voor instorting tijdens de Antarctische zomer, wanneer hoge temperaturen zorgen dat het oppervlak smelt. Maar aangezien de temperaturen in West-Antarctica zelden meer dan een paar graden boven het vriespunt liggen, werd verwacht dat dat proces eeuwen zou duren.
Wat er nu gebeurt, gaat veel sneller en is minder voorspelbaar, volgens Joughin. Het lijkt erop dat de snelle verschuiving van de gletsjer breuken veroorzaakt in de ijsplaat, wat ertoe leidt dat er meer stukken afbreken of ‘afkalven’. Computersimulaties en wiskundige modellen ondersteunen het idee dat dit proces verantwoordelijk is voor de versnelde stroming van de gletsjer.
De ijsplaat van Pine Island kalfde vroeger om de vier tot zes jaar af, volgens NASA, maar sinds 2017 zijn er elk jaar enorme brokken ijs verloren gegaan. Radarinstrumenten aan boord van de Sentinel-1-satellieten van de European Space Agency leggen elke zes dagen beelden van de gletsjer vast, zelfs tijdens de maandenlange duisternis in de Antarctische winter. Hierdoor kunnen wetenschappers de ijsplaat bijna in realtime zien breken.
NASA-wetenschappers vlogen in 2018 over een van de nieuwgevormde ijsbergen van Pine Island. Zelfs vanaf 450 meter hoogte besloeg een deel ter grootte van de stad Seattle het hele gezichtsveld van de onderzoekers. ‘Het was spectaculair, inspirerend en nederig makend tegelijk’, schreef Brooke Medley, projectwetenschapper voor Operation IceBridge, in een blogpost.
Maar slechts twee jaar later braken grote stukken af van de randen van de ijsplaat. Daardoor is het alsof de kurk in de fles met de Pine Island-gletsjer aan het afbrokkelen is.
Iets soortgelijks gebeurde in de jaren negentig en het begin van de jaren 2000 met gletsjers op het Antarctisch Schiereiland, het staartvormige deel van het continent dat zich uitstrekt naar Zuid-Amerika. Daar veroorzaakten warme temperaturen het catastrofale uiteenvallen van ijsplaten in de loop van slechts een paar jaar. Twee decennia later stromen de gletsjers van het schiereiland nog steeds twee of drie keer zo snel als voorheen, hetgeen bijdraagt aan de zeespiegelstijging.
‘De waarneming van zo’n zelfde proces op de Pine Island-gletsjer is nieuw en zorgwekkend’, zegt Bethan Davies, een glacioloog aan de Royal Holloway University of London die niet betrokken was bij de nieuwe studie.
Pine Island en andere West-Antarctische gletsjers zijn veel groter dan de gletsjers die uit het Antarctische schiereiland stromen, aldus Davies, waardoor de gevolgen veel extremer zullen zijn. ‘Het verlies van ijs hier zou catastrofaal en onomkeerbaar kunnen zijn.’
De modellen van Joughin kunnen niet zeggen wat er daarna gaat gebeuren. Hij en zijn collega’s hebben geen smeltvijvers waargenomen op het oppervlak van de ijsplaat, iets waarvan bekend is dat het ijs er minder stabiel door wordt. Het scheuren van het ijs leek in 2020 te verminderen. Maar als de versnelde stroom van de gletsjer breuken blijft veroorzaken, kan dit leiden tot een terugkoppeling waardoor de ijsplaat in een spiraal van verval terecht komt. ‘Het is zeker niet ondenkbaar dat de rest van de ijsplaat over tien jaar verdwenen is’, zegt Joughin.
Als ijsplaten snel en resoluut kunnen verschuiven, kan de mensheid dat ook. Door het ozongat te helen en snel actie te ondernemen tegen klimaatverandering, zullen de omstandigheden in de atmosfeer en de oceanen van Antarctica veranderen en dat zal helpen de gletsjers van het continent te stabiliseren.
‘De toekomst kan veranderd worden’, zegt Davies, ‘op voorwaarde dat mensen doen wat nodig is.’
Hoe een tachtigjarige vecht voor haar taal
In Zuid-Afrika is de kliktaal n|uu uniek, maar ook bedreigd: slechts enkele hoogbejaarden spreken het nog vloeiend. Daarom is er nu een schrijfsysteem ontwikkeld om de taal te bewaren en te kunnen onderwijzen, schrijft het Britse iNews.
Katrina Esau groeide op in een blanke boerderij aan de rand van de Kalahari-woestijn in Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Haar werkgever verbood haar om de taal te spreken die ze van haar moeder had geleerd. De taal N|uu, bekend van de ‘klik’klanken en ooit gesproken door de jager-verzamelaars van de Noord-Kaap die tegenwoordig bekend staan als San of ‘bosjesmannen’, was een halve eeuw lang bijna vergeten.
Dat was het gevolg na eeuwen van uitroeiing en assimilatie van de San. Decennialang werd gedacht dat N|uu, zoals veel van de oorspronkelijke kliktalen van zuidelijk Afrika, was uitgestorven.
Maar eind jaren negentig, na decennia van apartheid, deed Elsie Vaalbooi, een N|uu-spreker, op de lokale radio een beroep op andere sprekers om naar voren te komen. Het bleek dat er nog ongeveer twintig bejaarde sprekers van de taal in de regio van de Noord-Kaap leefden. Een paar jaar later was dat aantal al drastisch afgenomen. Tegenwoordig is Katrina Esau de enige die het N|uu nog vloeiend spreekt. Ze is achter in de tachtig.
De afgelopen twee decennia heeft Esau gewijd aan het onderwijzen van N|uu, in een poging de taal en cultuur van de San te behouden. In een klaslokaal aan de voorkant van haar huis in Upington leert ze lokale kinderen de oorspronkelijke taal van haar thuisland. Ondanks jaren van verplicht zwijgen, verloor ze nooit haar spreekvaardigheid. ‘Ik heb deze taal niet geleerd maar kreeg hem via de borst van mijn moeder’, zegt ze in Lost Tongue, een film over N|uu die in 2016 werd gemaakt.
Afrika is het enige continent met talen waarin klikken gewone medeklinkers zijn. Het kenmerkende geluid wordt geproduceerd met de punt van de tong tegen de boventanden. N|uu, geclassificeerd als ernstig bedreigde taal door Unesco, is een van de slechts drie talen waarvan bekend is dat ze een ‘kiss-klik’ hebben die met beide lippen wordt geproduceerd.
Om deze buitengewoon rijke taal te onderwijzen, gebruikt Esau, die nooit heeft leren lezen of schrijven, zang, spel en beelden. Het helpt haar leerlingen, in de leeftijd van drie tot negentien jaar, om basisbegrippen te leren, zoals begroetingen, lichaamsdelen, dierennamen en korte zinnen.
Zij zijn de enige studenten van N|uu ter wereld die een taal leren met 114 verschillende geluiden, waaronder 45 klikken, 30 niet-klikmedeklinkers en 39 klinkers. Om dit in context te plaatsen: Engels, Russisch en Chinees hebben ongeveer 50 klanken.
De afgelopen jaren werd Esau in haar missie bijgestaan door academici Sheena Shah en Matthias Brenzinger. Samen met leden van de gemeenschap hebben ze een N|uu-orthografie opgesteld, conventies voor het schrijven van de taal, en leermiddelen gemaakt voor Esau’s school.
De kroon op het werk is een geïllustreerde drietalige N|uu-Afrikaans-Engelse reader van honderdzestig pagina’s, waarin de mondelinge taal is omgezet in een geschreven taal. De reader dient als een hulpmiddel waarmee ook Esau’s kleindochter, Claudia Snyman, leerlingen de geschreven taal kan onderwijzen.
‘Wat Ouma Katrina heel graag wilde, was les- en leermateriaal’, aldus Shah. ‘Kinderen in haar gemeenschap gingen ’s ochtends naar school met schoolboeken voor wiskunde, Engels en Afrikaans. Maar voor haar naschoolse lessen bestond geen gedrukt materiaal. Ze wilde dat haar taal op hetzelfde niveau werd behandeld.’
De titel van de reader, Ouma Geelmeid ke kx’u ||xa||xa N|uu (Ouma Geelmeid leert N|uu), bevat een verhaal uit Esau’s verleden. Als kind noemde de Afrikaanse eigenaar van de boerderij waar ze werkte haar ‘Geelmeid’, een aanstootgevende verwijzing naar haar huidskleur. Tegenwoordig staat ze bekend als Ouma (Oma) Katrina.
‘Voor Ouma Katrina is N|uu een centraal onderdeel van haar leven’, zegt Shah, die haar tijd verdeelt over universiteiten in Hamburg, Londen en Bloemfontein in Zuid-Afrika. ‘Als taalkundigen zijn we geïnteresseerd in hoe mensen taal gebruiken in de dagelijkse communicatie. Met Ouma Katrina kun je uren luisteren naar de verhalen die ze vertelt en de liedjes die ze zingt.’
Schildpad en struisvogel
Gezien haar hoge leeftijd wordt hard gewerkt om ervoor te zorgen dat de taal ook in de toekomst gehoord blijft worden. Volgens Brenzinger, van de Universiteit van de Vrijstaat in Bloemfontein, zijn er audio- en video-opnamen gemaakt van Esau, zodat de gesproken taal behouden kan blijven.
Een ander hoopgevend teken is de recente publicatie door Esau en haar kleindochter van een boek met kinderverhalen in het N|uu, Afrikaans en Engels, genaamd !Qhoi n|a Tjhoi (schildpad en struisvogel). Het volksverhaal, verteld door Esau, is bedoeld om jongeren te inspireren door de sluwe capriolen van een schildpad.
Elinor Sisulu, directeur van een stichting voor kinderliteratuur die achter het kinderboek staat, bepleit dat het werk van Esau financieel moet worden ondersteund. ‘Ouma Katrina is de wereldexpert in de N|uu-taal en de cultuur van haar mensen’, zegt ze. ‘Niemand weet meer dan zij. Als zodanig zou ze de status van professor van de N|uu-taal moeten krijgen en een overeenkomstig salaris moeten krijgen.’
Voor Esau, die een van Zuid-Afrika’s hoogste onderscheidingen ontving, de Orde van de Baobab in zilver, als erkenning voor haar inspanningen om de taal en cultuur van de San te behouden, gaat het essentiële werk door. Nadat ze haar onderscheiding had ontvangen van de toenmalige president Jacob Zuma, zei ze: ‘Andere mensen hebben hun eigen taal. Waarom moet mijn taal sterven? Het moet doorgaan. Zolang er mensen zijn, moet de taal doorgaan.’
Boete voor Ikea
Een Franse rechtbank heeft het meubel- en woninginrichtingsconglomeraat Ikea dinsdag veroordeeld tot het betalen van een boete van 1 miljoen euro nadat het bedrijf schuldig is bevonden aan het bespioneren van zijn personeel en het opslaan van personeelsgegevens. Dit schrijft Deutsche Welle.
In 2012 begon een strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf, naar aanleiding van berichten over wijdverbreid ‘gesnuffel’ dat werd gebruikt tegen zowel werknemers als klanten die een geschil hadden met Ikea Frankrijk.
Volgens de aanklagers had de Franse dochteronderneming een particulier beveiligingsbedrijf en privédetectives ingehuurd om illegaal informatie over werknemers en toekomstige medewerkers te verkrijgen als onderdeel van een ‘spionagesysteem’ dat van 2009 tot 2012 actief was.
De voormalige topman van Ikea France, Jean-Louis Baillot, werd schuldig bevonden en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Hij kreeg ook een boete van 50.000 euro voor het opslaan van persoonlijke gegevens.
Baillot had eerder ontkend dat hij iets verkeerd had gedaan en legde de schuld bij zijn voormalige hoofd risicobeheer, Jean-Francois Paris. Die heeft toegegeven namen van mensen naar een particulier beveiligingsbedrijf, Eirpace, te hebben gestuurd.
Ongeveer vijftien mensen stonden terecht voor het spionagesysteem, waaronder een andere voormalige CEO van Ikea Frankrijk, Stefan Vanoverbeke. Ook vier politieagenten stonden terecht. Ze worden ervan beschuldigd vertrouwelijke informatie aan Ikea Frankrijk te hebben overhandigd.
We staan er zelden bij stil, maar spreken is een uiterst complexe vaardigheid. Hoe beeld je een woord als leegte aan elkaar uit als je nog geen enkele referentie hebt? Onderzoekers reisden terug naar het allereerste begin van de communicatie.
‘Im Anfang war das Wort…’
Bijna vijfhonderd jaar geleden formuleerde Maarten Luther deze eerste regel van het Johannesevangelie in het Nieuwe Testament, toen hij de Griekse versie vertaalde in het Duits. Bedoeld was het goddelijke Woord aan het begin van de schepping. Maar deze regel werpt ook een fundamentele vraag op: Wat was het begin van de menselijke taal? Het woord, of iets anders?
Hoe ontwikkelde zich precies het systeem dat een reeks opeenvolgende klanken een betekenis geeft? De grammatica die ieder van ons in zijn moedertaal moeiteloos beheerst? Generaties wetenschappers hebben hun tanden stukgebeten op dit raadsel. De Berliner Akademie der Wissenschaften loofde in 1769 al een prijs uit voor de oplossing ervan. De geleerden twistten erover of de taal door mensen gemaakt of door God gegeven was. In de loop van de achttiende eeuw verhevigde het debat, daarna verdween het van de wetenschappelijke agenda en tegen het einde van de twintigste eeuw dook het weer op.
Vanuit heel verschillende invalshoeken benaderen wetenschappers de vraag hoe de mens tijdens zijn evolutie de taal heeft ontwikkeld. Onderzoekers uit Leipzig hebben gekozen voor een bijzondere aanpak. De ontwikkelingspsycholoog Manuel Bohn probeert de ontwikkeling van de taal in het laboratorium te achterhalen. Samen met zijn collega Gregor Kachel en de prominente Amerikaanse gedragsonderzoeker Michael Tomasello, bedacht hij een reeks experimenten waarin kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf jaar de hoofdrol spelen.
Het bijbelcitaat zou moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’
De onderzoekers observeerden wat er gebeurt wanneer kinderen die geen gemeenschappelijke taal hebben elkaar ontmoeten. Voor de serie experimenten, die plaatsvond in de testruimtes van het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig, werden steeds twee jonge proefpersonen via een videoverbinding met elkaar in contact gebracht. Om de gemeenschappelijke taal te elimineren, stond het geluid uit.
Behalve het beeldscherm waarop elk kind het andere kon zien, stond in beide ruimtes een bord met vijf afbeeldingen. Daarop waren tekeningen te zien van alledaagse activiteiten zoals haar kammen, hameren of fietsen. Eerst vroegen de onderzoekers steeds een van de kinderen om de inhoud van een van de afbeeldingen over te brengen naar het kind in de andere ruimte, maar zonder woorden te gebruiken.
Terwijl de zesjarigen spontaan gebaren maakten, dus bijvoorbeeld de beweging van het hameren nabootsten, deden de jongeren dat pas als de begeleiders hen op die mogelijkheid wezen. Was de communicatie eenmaal op gang gekomen, dan begreep men elkaar in beide leeftijdsgroepen even goed.
‘Goed’ betekent in dit geval dat het kind dat het gebaar van zijn tegenhanger op het beeldscherm bekeek en vergeleek met de vijf afbeeldingen, vaker de juiste afbeelding aanwees dan wanneer de keuze zuiver toeval was geweest.
‘Gebaren zijn krachtig,’ zegt Manuel Bohn. ‘Ze zijn heel geschikt om je verstaanbaar te maken als je nog geen gemeenschappelijke taal hebt.’ Dat heeft iedereen wel eens meegemaakt. Als je mensen tegenkomt die jouw taal niet spreken, dan gebruik je je handen: je wenkt iemand naderbij of brengt de handen naar de mond als je ‘eten’ wilt aanduiden.
De bouw van de toren van Babel, Hendrick van Cleve III (1525-1589)
Nabootsing
Het bijbelcitaat zou dus moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’, en volgens de onderzoekers een speciaal soort gebaar. ‘De kinderen hebben spontaan een uitbeeldend gebaar gebruikt om een link met het hameren op de afbeelding te leggen,’ verklaart Bohn. Vertaald naar de klanktaal corresponderen de pantomimische gebaren met de klanknabootsende begrippen. In het Duits en ook in andere talen berusten verhoudingsgewijs maar weinig woorden op klanknabootsing. Bijvoorbeeld de werkwoorden ‘klatschen’ (klappen) of ‘tuscheln’ (fluisteren). Ze imiteren het geluid dat twee handen voortbrengen als ze op elkaar slaan of als we zo zachtjes spreken dat alleen wie vlakbij staat ons verstaat.
Klanknabootsende woorden zijn een afbeelding van het geluid dat een bepaalde bezigheid produceert, precies zoals veel gebaren een uitbeelding van die bezigheid zijn.
Het idee dat woorden door nabootsing van natuurlijke geluiden ontstonden, is niet nieuw. Ook taalfilosoof Johann Gottfried Herder, die de wedstrijd van de Berliner Akademie der Wissenschaften won, meende dat mensen de eerste taal ontwikkelden ‘uit klanken van de levende natuur’.
Natuurlijk: schapen blaten, bijen zoemen en duiven koeren. Maar kan er werkelijk sprake zijn van taal als we klanknabootsende geluiden voortbrengen? Of wanneer kinderen handbewegingen kiezen en die steeds verder ontwikkelen? Voor taalwetenschappers is daar geen twijfel aan mogelijk.
De Franse theoloog Charles-Michel de l’Epée, die in de tweede helft van de achttiende eeuw met hulp van dove mensen een Franse gebarentaal ontwikkelde, was ervan overtuigd dat gebarentalen volwaardige talen zijn, want ze blijven niet steken in afzonderlijke uitbeeldende gebaren, net zomin als de klanktalen in klanknabootsende natuurgeluiden.
‘Leegte’ of ‘niets’
‘Als je spreek over taal, moet je daarin gebarentaal altijd meedenken,’ zegt Manuel Bohn. Hoe die taal wordt uitgedrukt, in geluiden of gebaren, is van ondergeschikt belang. Doorslaggevend acht de onderzoeker de psychische voorwaarden die talige communicatie mogelijk maken: ‘Zoals de kinderen in het experiment wil ook een persoon in het communicatieproces altijd iets meedelen, en de ander iets begrijpen,’ legt Bohn uit.
Deze doelgerichte aandacht die de kinderen in het experiment opgebracht hebben voor de samen te volbrengen opdracht, is ook voor gedragsonderzoeker Michael Tomasello de voorwaarde zonder welke de taal zich niet had kunnen ontwikkelen.
‘Gezamenlijke aandacht en perspectiefwisselingen zijn voor menselijke samenwerking en sociale interactie zo doorslaggevend, dat de soort nieuwe vormen van communicatie heeft ontwikkeld die van daaruit zijn opgebouwd,’ schrijft Michael Tomasello in zijn in 2020 verschenen boek Mensch werden (Mens worden). Zo gezien is de ontwikkeling van deze competenties een grote sprong in de evolutie van de mens. Daarmee vergeleken is de nieuwe vorm van communicatie, de uitvinding van de taal, maar een kleine stap.
Maar als het gebaar of ook de klanknabootsing aan het begin stond, hoe heeft de taal zich daaruit dan precies ontwikkeld? Ook op deze vraag hebben de onderzoekers uit Leipzig in hun experimenten een antwoord gezocht. Manuel Bohn en zijn collega’s observeerden verschillende stappen in de taalontwikkeling, bijvoorbeeld de overgang van beeldende naar abstracte gebaren.
‘Wat gebeurt er wanneer de kinderen niet kunnen teruggrijpen op een concrete alledaagse ervaring als hameren of fietsen? Scheppen ze dan een abstract teken? Dat wilden we uitzoeken,’ zegt de onderzoeker. In dit experiment ‘kregen de kinderen de opdracht een abstract begrip als ‘leegte’ of ‘niets’ over te brengen. Een leeg blad papier verbeeldde dat.
Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld
Een van de kinderen probeerde eerst zich te verduidelijken met verschillende gebaren zoals het demonstratief tonen van lege handen en wees toen op verschillende witte dingen in de ruimte. Zonder succes. Ten slotte ontdekte het een witte punt op zijn T-shirt en wees er steeds opnieuw op met zijn wijsvinger.
Nu leek het andere kind te begrijpen wat er bedoeld werd en gaf te kennen dat het begrepen was doordat het naar het lege blad in zijn ruimte greep. Toen het raadspelletje met verwisselde rollen werd voortgezet, herhaalde dit kind het gebaar van zijn gesprekspartner en wees met de wijsvinger op de corresponderende plek op het eigen T-shirt – ook al was daar geen witte punt te zien.
Wat was er gebeurd? De kinderen waren het binnen een paar minuten eens geworden over een handbeweging die als symbool voor een bepaalde inhoud, een bepaalde betekenis stond. Een geweldige stap van de simpele, spontane geste naar een vast, afgesproken gebaar dat in elke willekeurige situatie benut en begrepen kan worden.
Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is daarbij willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld. Want ze berusten – anders dan de weinige klanknabootsende woorden – op een conventie.
Dat betekent dat een taalgemeenschap het op een bepaald moment erover eens is geworden dat het woord ‘hamer’ een hamer betekent, en niet een stoel. De betekenis heeft met het ding op zich niets te maken. En mocht er toch ooit een direct verband zijn geweest, dan is dat in de loop van millennia van taalontwikkeling verloren gegaan.
Grondregels
Maar talen – gesproken of in gebaren – bestaan niet alleen uit afzonderlijke symbolen, die worden ook op een bepaalde manier samengevoegd en krijgen daardoor nog meer betekenissen. Deze grammatica kan binnen bepaalde taalfamilies op elkaar lijken, zoals in de talen van de Indo-Europese taalfamilie, waartoe alle Europese talen behoren (behalve Hongaars, Fins, Estisch en Baskisch), maar ook veel West- en Zuid-Aziatische talen als Armeens, Perzisch en Hindi.
Maar in elke taal zijn de regels een beetje anders. Een vraag die de taalkundige Artemis Alexiadou fascineert is of er tenminste één grondregel is die voor alle talen geldt. ‘Mijn onderzoek heeft aangetoond dat de theoretische aanname dat een werkwoord in alle talen nooit alleen voorkomt, maar altijd een subject moet hebben, klopt,’ zegt Alexiadou, plaatsvervangend directeur van het Leibniz Centrum voor Algemene Taalwetenschap in Berlijn.
Een grondregel waaraan ook de kinderen in het taalonderzoekslab in Leipzig spontaan gehoorzaamden. De onderzoekers legden hun jonge proefpersonen – deze keer waren het acht- tot tienjarigen – afbeeldingen voor waarop bijvoorbeeld een aap op een kat jaagt en vroegen hen om het gebeuren te beschrijven.
De kinderen creëerden daarop niet een enkel gebaar voor het gebeuren. Ze beeldden de scène net als in een zin woord voor woord uit: eerst de aap, vervolgens duidden ze ‘rennen’ aan, daarna imiteerden ze een kat, bijvoorbeeld door het aflikken van de poten.
Ze vormden de zinnen uit bewegingen met hun handen op een manier zoals de grammatica van bijna alle talen ter wereld voorschrijft: eerst het subject, dan het object. Maar grijpen die jeugdigen bij het op een rij zetten van de gebaren niet gewoon terug op de structuur van hun moedertaal? De taalkundige Alexiadou gelooft dat niet. Ze weet het zeker: ‘Dat het subject, dus de uitvoerder van zo’n handeling, eerst genoemd wordt, is een cognitieve beslissing, geen taalkundige.’
Deze hypothese werd bevestigd door een later experiment: de onderzoekers uit Leipzig lieten twaalfjarige kinderen afbeeldingen zien van objecten, bijvoorbeeld van een kleine hamer, een grote hamer, of een heleboel hamers. Opnieuw knoopten de kinderen twee gebaren aan elkaar. Maar deze keer varieerde de volgorde.
Kinderen zoeken actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen
Nu eens beeldden ze eerst de hamer uit en dan een gebaar voor ‘klein’ of ‘veel’. Dan weer kozen ze de omgekeerde volgorde: ‘klein hamer’ of ‘veel hamer’.
‘Hier hebben we gezien dat de kinderen geen bepaalde voorkeur hebben,’ zegt taalonderzoeker Manuel Bohn. Ze worden dus niet geleid door een moedertaal, maar door hun eigen, aangeboren denken.
Ze zoeken, zo lijkt het, actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen.
Eén ding is zeker: het begint met het uitbeelden van de wereld in gebaren of klanken en met een grote bereidwilligheid om met soortgenoten op een complexe manier samen te werken.
Maar op welke principes en denkpatronen een jong mens daarbij precies teruggrijpt, waar en wanneer die in de evolutie van onze soort zijn ontstaan – daarover zullen onderzoekers nog wel lange tijd van gedachten wisselen en het oneens zijn.
Ook de Bijbelvertalers waren het ooit oneens: kort voordat Maarten Luther aan de Duitse vertaling begon, had Erasmus van Rotterdam bij zijn vertaling van de bijbel uit het Grieks in het Latijn een woord uit de eerste zin vervangen en ervan gemaakt: ‘In den beginne was het gesprek’.
Auteur Kristina Vaillant beveelt iedereen die zich in de geschiedenis van de taal wil verdiepen het boek aan van Martin Kuckenburg: Wer sprach das erste Wort?
De Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williams vindt dat we afstand moeten nemen van rassencategorieën die voortkomen uit ‘plantagelogica’. ‘We zullen racisme nooit helemaal overstijgen zolang we in deze categorieën geloven‘, aldus Chatterton Williams die zichzelf – als kind van een zwarte vader en een witte moeder –, als ‘ex-zwart’ beschouwt.
De Amerikaanse schrijver Thomas Chatterton Williamswordt in Parijs wel eens aangezien voor Algerijn. Hij woont er met zijn Franse vrouw en twee kinderen, die beide blonde krullen hebben.
De geboorte van zijn dochter Marlow, zes jaar geleden, veroorzaakte bij hem onverwachte paniek. Wat betekende het dat hij, die zichzelf destijds identificeerde alszwarte man die altijd de tweedeling zwart-wit had aanvaard, een kind had dat als wit zou worden gezien?
In eerste instantie betekende het dat hij camerafilters zou toepassen om haar huid donkerder te maken – zodat ze erbij hoorde, bij hem en bij het ras. Uiteindelijk betekende het dat hij zichzelf vragen ging stellen die diep genoeg gingen om de manier waarop hij zichzelf zag te veranderen. Wat betekent het om tot een ras te behoren dat voor zwarte mensen deels de ‘loyaliteit aan pijn’ met zich meebrengt? En hoezo zou zijn dochter zwarter zijn als hij deze erfenis aan haar doorgaf?
Hele opgave
In zijn tweede boek, Self-Portrait in Black and White, roept hij ons op om na te denken over waarom we rascategorieën handhaven die zijn gedefinieerd ‘met behulp van plantagelogica’ en moedigt hij ons aan om de willekeurige nomenclatuur helemaal af te schaffen. Hij stelt voor dat we ons ‘terugtrekken uit ras’, ‘ras overstijgen’, ‘ras afleren’ – wat weer iets anders is dan het stadium van ‘postracialiteit’ bereiken. Het is een hele opgave, geeft hij toe.
Omdat we allebei een gemengde achtergrond hebben en opgroeiden met één zwarte ouder en één witte, denkt Chatterton Williams dat hij en ik een voorsprong hebben bij het wegnemen van de barrières die het concept ras met zich meebrengen. We herinneren ons allebei de eerste keer dat we door een vreemdeling werden ‘geracialiseerd’ en daarmee dus ook werden gescheiden van onze witte ouder, en hoe we vanaf dat moment constant nadachten over ras.Voor hem uitte dit zich vooral in het onderzoeken van het kunstmatige karakter ervan.
Op de campus van Bard College, een privé-universiteit in de staat New York, waar hij dit najaar de vierweekse cursus ‘Kunnen we ons terugtrekken uit ras?’ onderwees, bespraken we het voorrecht van witheid of wat daarbij in de buurt komt, ofhet te veel van zwarte mensen vergt om ras los te laten en toch trots te blijven op een identiteit die is ontstaan tegen een achtergrond van systematische onderdrukking en, ten slotte, waarom hij optimistisch is over de veranderingen in de toekomst.
Als u ex-zwart bent, wat bent u dan nu?
‘Ik probeer specifiekere manieren te vinden om mezelf te identificeren. Dus ik zou zeggen dat ik een Amerikaan ben. Ik stam af van zuidelijke slaven, en van moeders kant stam ik af van Noord-Europese protestantse immigranten. Ik bedoel niet te zeggen dat ik een witte man ben.’
U zegt dus dat u niet ex-zwart bent geworden omdat u genoeg had van wat ik heb geleerd ‘zwart’ te noemen, of omdat u wilde dat uw dochter deel zou uitmaken van wat ik heb geleerd ‘wit’ te noemen. U wilt haar waarschijnlijk niet dwingen zich als wit te identificeren.
‘Als ze zich als een soort bevoorrecht wit meisje zou gedragen, zou dat een mislukking betekenen’
‘Dat zou het ergste scenario zijn. Als ze zich als een soort bevoorrecht wit meisje zou gedragen, zou dat een mislukking betekenen: een mislukking van ons ouders, een mislukking voor het hele gezin.’
Dus u wijst de termen af omdat ze niet volledig weergeven wie u en uw dochter als persoon zijn. Maar dat wisten we toch al?
‘Nee. Niet iedereen.’
Misschien komt het doordat ik gemengd ben of omdat ik zo veel met ras bezig ben, maar als mensen zeggen dat ze zwart zijn, schrijf ik ze niet vanzelf bepaalde eigenschappen toe.
‘Ik denk dat u en ik waarschijnlijk buiten de norm vallen.
Tijdens het schrijven van het boek, terwijl ik ondertussen werkte aan een lang artikel voor The New Yorker en een aantal rasechte racisten interviewde, dacht ik: O God. Wat heb ik gedaan? Ik heb de zwartheid in mijn familie om zeep geholpen, en zelfs: Dit is verloren. Dit gaan we niet meer op kunnen lossen.
‘Zolang die categorieën als zwart of wit worden gehandhaafd, of het nu door rechts of door links is, zijn er mensen die conclusies trekken’
Door mijn gesprekken met racisten realiseerde ik me dat we racisme nooit helemaal zullen overstijgen zolang we in deze categorieën geloven. Zolang die categorieën worden gehandhaafd, of het nu door rechts of door links is, zijn er mensen die conclusies trekken die jij, Summer, er niet uit trekt.’
Denkt u dat lichtere zwarte mensen, en vooral gemengde mensen zoals wij, het voorrecht hebben om zelfs maar het idee te koesteren ras te kunnen ‘afleren’? Zou het moeilijker zijn voor zwarte mensen met een donkere huidskleur?
‘Ik denk dat het gemakkelijker is voor mensen die op de een of andere manier gemengd zijn, maar ik werd zeer geïnspireerd door een man, Kmele Foster, die zichzelf een rasafvallige noemt. Hij zei dat hij van alles is… Hij heeft een donkere huidskleur maar weigert zich te identificeren met de term ‘zwart’. Hij ziet er het nut niet van in. Ik ben het daarover met hem eens en anderen lachen hem erom uit. Hij heeft een soort zelfbewustheid die velen denk ik niet goed begrijpen.’
U hebt ook nogal een verleden met Ta-Nehisi Coates…
‘Ik heb veel over hem geschreven.’
En u hebt gezegd dat hij op witte suprematie aanstuurt.
‘Nee, hij stuurt er niet op aan, maar in mijn ogen ziet hij witheid als iets speciaals, waarmee hij patronen waarvan ik weet dat hij ze wil bestrijden, juist uitvergroot. Wat ik bedoel te zeggen is dat witte suprematisten ook vinden dat ze speciaal zijn. Ze zijn het daar niet mee oneens. Coates is bovendien ambivalent over de vraag of zwartheid iets essentieels is, of iets kunstmatig.’
In zijn boek Between the World and Me staat deze passage: ‘Misschien betekende “zwart” gewoon dat je je onderaan de ladder bevond… Er was niets nobels aan vallen, gebonden zijn, onderdrukt leven, zwart bloed had geen inherente betekenis.’ Dat lijkt overeen te komen met waar u het over hebt.
‘Helemaal mee eens. Maar hij beweegt twee kanten op. Zijn kritiek op Kanye West kwam er volgens mij op neer dat Kanye West een niet-authentieke, kunstmatige zwarte man is… Dat hij aan zwartheid heeft ingeboet, wat volgens mij zeer gevaarlijk is om te zeggen, omdat het in feite zegt…’
Dat er één manier is om zwart te zijn.
‘Ja. En dat er mensen zijn die dat beslissen en erover oordelen.’
U zegt in uw boek ook dat Coates een pessimistische blik heeft. U beschrijft een scène uit zijn boek waarin een witte vrouw zijn zoon een duw geeft en hij in de ogen van sommigen agressief reageert, zo van: ‘Dit is overduidelijk racistisch en…’
‘En hij zei dat hij dit voorval eeuwen geschiedenis met zich meedroeg.’
Precies. U schrijft dat hij overdreven reageerde en geen ruimte liet voor de mogelijkheid dat deze vrouw gewoon een slechte dag had. Komt dat dus door pessimisme? En is uw idee om van ras af te stappen dan optimistisch?
‘Ik denk dat kinderen op een veel gezondere manier over ras nadenken’
‘Ik denk dat je optimist moet zijn. Ik durf te zeggen dat ik James Baldwin bijna letterlijk parafraseer als ik zeg dat je geen andere keus hebt dan optimist te zijn, zolang je leeft en schrijft en streeft naar een betere wereld. Ook als ouder zou ik zeggen dat ik geen andere keus heb dan optimist te zijn. In mijn boek gebruik ik het woord “naïef”. Ik denk dat kinderen op een veel gezondere manier over ras nadenken. Als ik Marlow zou vragen om jou te beschrijven, zal ze zeggen: “Summer draagt een beige jasje. Dat is het belangrijkste verschil tussen haar en het meisje in het roze overhemd.”
Ik geloof dat ik die naïviteit wil terugwinnen en ik moet wel optimistisch zijn om te geloven dat die verandering mogelijk is. Als ik pessimistisch was, zie ik niet in hoe ik zou kunnen schrijven. Snapt u? Je moet erin geloven dat je iemand bereikt.’
U schrijft in het boek dat u aan de posts op Facebook van uw witte vrienden merkt dat het ze het vervelend vinden dat ze wit zijn…
‘Ja. Ze voelen zich bezwaard.’
Moeten ze dat om van ras af te stappen demonstratief uiten, of in het echt?
‘Witte mensen zijn in feite het grootste deel van de recente geschiedenis in Amerika aangemoedigd om zichzelf te beschouwen als losstaand van ras. Ook witte mensen hebben een ras. Ze moeten gaan inzien dat hun ras net zo kunstmatig is opgebouwd als dat van alle anderen.
‘Ook witte mensen moeten gaan inzien dat hun ras net zo kunstmatig is opgebouwd als dat van alle anderen’
Zwarte mensen hebben altijd met ras te maken gehad. We zijn er nooit los van gekomen, maar het is geen zwart onderwerp. Daarom raak ik gefrustreerd als mensen vragen: “Met wie wil je in het panel [over je boek] praten? Wie zou het moeten beoordelen?” Dit is geen zwart boek. Het is niet niet een zwart boek. Ik heb het hier over veel “zwarte” dingen, maar ik zou hierover met Aziatische mensen moeten praten, ik zou een Latino-gesprekspartner kunnen hebben, ik zou een witte gesprekspartner moeten kunnen hebben, want dit is geen onderwerp dat alleen mensen van kleur aangaat, terwijl de witten in het publiek zitten en toekijken.
Ik wil het hierover hebben met iedereen wiens ras oorsprong heeft in Amerika. Met iedereen dus.’
U gebruikt in het boek de metafoor van een vrouw die wordt aangereden door een auto. Wat de chauffeur ook kan doen om te helpen, haar medische rekeningen te betalen of wat dan ook, het is aan haar om zichzelf te genezen. Is dat wat zwarte mensen moeten doen om ras af te leren?
‘Ik denk dat het afleren van ras voor zwarte mensen erop neerkomt te zeggen dat zwartheid niet echt is, dat ras niet echt is. Ik word in Amerika als zwart beschouwd, een categorie die mijn familie al generaties lang pijn doet maar ook buitengewone culturele bijdragen heeft voortgebracht waar ik trots op ben. Maar het is geen echte categorie en het is schadelijk voor onze samenleving om erop aan te dringen.‘
Hoe houden we vast aan het gegeven dat, onder andere dankzij zulke bijdragen, de wereld zoveel saaier zou zijn als er geen zwarte mensen waren? Hoe kunnen we vasthouden aan dat idee, en tegelijkertijd ras loslaten?
‘Volgens mij doe ik dat voortdurend. Ik luister nog steeds naar Gunna of Lil Baby, en zij hebben een culturele relevantie voor mij. Ik luister naar John Coltrane. Zelfs in een zwarte Britse schrijver als Zadie Smith vind ik iets van herkenning, en als ik naar schilderijen van Kerry James Marshall kijk merk ik zijn zwartheid op. Maar ik denk niet dat ik daarvoor hoef te geloven dat het een biologische realiteit is. Het is een gemeenschap van mensen die in de loop van de tijd in de nieuwe wereld bepaalde ervaringen en omstandigheden hebben meegemaakt, en zij creëerden culturele tradities die door veel mensen die op hen leken, werden overgenomen.’
Wat is volgens u de belangrijkste kritiek die u op het boek zult krijgen, en met name van zwarte mensen?
‘De ergste kritiek zou stilte zijn, wat een absolute nachtmerrie is als je zo hard werkt en zo serieus nadenkt over een vraag. De angst van de schrijver is dat mensen het niet openslaan.
‘Zwartheid is geen echte categorie en het is schadelijk voor onze samenleving om erop aan te dringen’
Maar ik verwacht zeker kritiek en dat zal ongetwijfeld pittige zijn. Mensen denken dat nu ik “wit” ben getrouwd en comfortabel in Parijs woon niks te maken heb met zwarte problemen, ook al is de realiteit altijd gecompliceerder dan het lijkt. In zag reacties op een fragment van het boek in The New York Times. “Zijn kinderen zijn wit en hij is een heel lichte zwarte man met een witte vrouw. Hij nam de beslissing om een witte vrouw te trouwen.” Dat is een soort minachting die, denk ik, niet serieus neemt waar ik aan probeer te werken.’
Als ik dit boek zou schrijven, dan zou ik me zorgen maken dat ze me een verrader zouden noemen. Dat ze zouden denken dat ik witten hun gang laat gaan door te zeggen: ’Fuck dat allemaal. Laten we dit allemaal achterwege laten.’
‘Ja, daar speel ik in het boek een beetje op in. Ik probeer dit punt naar voren te brengen… Als je in een impasse zit als je elkaar wilt passeren maar je blijft allebei bewegen, dan moet één iemand als eerste bewegen, of juist niet bewegen. Dan kan de ander eromheen.
‘Ik probeer ook vooruit te kijken en me een andere manier voor te stellen’
Ik denk dat we in een soort impasse zitten die ons volledig in beslag neemt. We kijken achteruit. Ik denk niet dat het verkeerd is om terug te kijken, maar ik probeer ook vooruit te kijken en me een andere manier voor te stellen. Zwarte mensen zijn ook de mensen die…’
Vergeven.
‘Ja. Misschien is dat niet eerlijk, maar dat verandert mijn gedachten niet. Want ik denk dat iedereen helpt, ook de zwarten. En ik denk niet dat het idee dat ook witten er iets uit halen het voor zwarten verpest, zolang zij ook een betere toekomst krijgen. Begrijp je? Ik ben er niet voor de witten ter verantwoording te roepen, vergelding te vragen. Is herstel nodig? Waarschijnlijk wel. Is er sprake van herstel? Voor sommige zwarten wel. Is dat genoeg? Het meest overtuigend vond ik het werkelijk spectaculaire artikel van Ta-Nehisi Coates, The Case for Reparations.
Ik hou van dat artikel. Ik denk niet dat het in tegenspraak is met verder willen en het pessimisme kwijtraken. Ik denk dat witten heel veel zullen moeten doen, maar het is haast passend als zwarte daarin voorgaan. Sommigen zullen zeggen: “Wij hoeven hier niet het werk te doen of u te leren hoe u uw werk moet doen.” Maar waarvoor zijn we hier? We willen een betere wereld. En dit is eigenlijk juist bewonderenswaardig werk. Snapt u dat?’
Een nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Is dit een goede ontwikkeling, een komische, of is het ronduit gevaarlijk? vraagt FOCUS zich af. Door wie zich niet aan de regels houdt te ‘cancellen’ en door simpele tekens als een duimpje omhoog, is iedere nuance ver te zoeken.
Van de boze ophef die ze veroorzaakte, raakt ze niet meer verlost. J.K. Rowling, schepper van Harry Potter en een van de populairste schrijfsters ter wereld, heeft een tomeloze toorn over zich afgeroepen. En dat omdat de begenadigde taalkunstenares zich uitsprak tegen een bijzondere taalvariant. Ze zou niet meedoen met grillen als gedifferentieerde geslachtsaanduidingen, verklaarde ze, en ze maakte zich bijvoorbeeld vrolijk over de formulering ‘mensen die menstrueren’. Waarom, vroeg ze zich af, zeggen ze niet gewoon, zoals sinds mensenheugenis, ‘vrouw’? Sindsdien wordt ze belaagd door zelfbenoemde taalhervormers en onverbiddelijke opiniebewakers. Rowling zou de kant gekozen hebben van duistere machten. Ze zou transseksuelen discrimineren en sowieso reactionair zijn.
Rowling heeft slechts een paar tweets over dit thema gepost, maar de knuppel der verachting treft haar met volle kracht. Op het internet heeft zich een groep geformeerd die haar onder de hashtag ‘Rust zacht J.K. Rowling’ de dood toewenst. En er gaan filmpjes rond waarin Harry Potterboeken verbrand worden.
Alle mensen goed en gelijk
Uitgestoten worden vanwege een paar zogenaamd verkeerde woorden? Tot persona non grata verklaard worden om een uitspraak die anonieme opiniebewakers niet welgevallig is? Het geval van J.K. Rowling laat zien hoe gevaarlijk het kan zijn om iets schijnbaar onschuldigs te zeggen als je met die uitspraak bepaalde regels overtreedt. Regels die, zo lijkt het althans, de manier van spreken (en daarmee van denken) beïnvloeden en in een bepaalde richting duwen.
De nieuwe, ‘correcte’ taal moet iedere vorm van discriminatie en uitsluiting vermijden. Daarin gelden alle mensen als goed en gelijk. In plaats van gedevalueerde ‘vluchtelingen’ zijn er nu ‘vluchtenden’ onderweg. Het zuiver manlijke ‘inwoners’ moet plaatsmaken voor ‘inwonenden’. De ‘zigeunerschnitzel’ is al even vergiftigd als de ‘negerzoen’ – en Pippi Langkous’ papa wordt nu ‘Zuidzeekoning’ [in plaats van negerkoning].
Geslachten zijn sowieso slecht
Symbool van deze grote verbale opvoeding is een sterretje – dat aan elk mannelijk wezen een vrouwelijke uitgang hangt. Geslachten zijn sowieso slecht. In tijden van ‘diversiteit’ is elke indeling een last, een belediging en een bedreiging. Een geslachtsverandering verandert in een ‘geslachtsaanpassing’ en de zin ‘Ze was vroeger een man’ is nu uit den boze. Goed is: ‘Ze werd bij de geboorte als mannelijk ingedeeld.’
En migranten? Juist, dat zijn nu ‘mensen met een internationale achtergrond’. Zo staat het in de nieuwe richtlijn van de Berlijnse minister van Justitie voor het gebruik van een ‘diversiteitsgevoelige’ taal in het bestuur van de hoofdstad.
Taal als machtsmiddel
Je kunt zulke ontwikkelingen goed vinden. Of komisch. Maar ook gevaarlijk. Critici van deze nieuwe, moreel zo vlekkeloze woordkeus zien de vrijheid van spreken en van meningsuiting in gevaar komen. Het volk zou gemuilkorfd worden – elke provocatie, elke vorm van brutale en duidelijke taal zou verboden worden. Wie zich niet aan de nieuwe regels houdt, zou veroordeeld worden als verachter van de gelijkheid, als seksist, als racist.
Taal, zo waarschuwde onlangs nog de Neue Zürcher Zeitung, is een ‘machtsmiddel’. Het politiek correcte ‘koeterwaals’ dat aanvankelijk door academische elites in de VS, en nu ook steeds vaker in Europa wordt gepropageerd, zou in ieder geval door bepaalde lagen van de bevolking opgevat kunnen worden als een ‘aanval’ op hun cultuur.
De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, verdoemen en verspreiden
Intussen hebben de nieuwe regels ook de scholen bereikt. Of en in hoeverre ze van kracht zijn wordt beslist door de leraressen (en leraren) zelf. Zo kan in een opstel het ontbreken van het gendersterretje aangegeven worden, maar het hoeft niet fout gerekend te worden.
Heinz-Peter Meidinger, president van de Duitse bond van leraren, tilt niet zwaar aan het schriftbeeld: ‘Ik geloof niet dat een niet-discriminerende of genderneutrale cultuur in de school opgehangen kan worden aan de invoering van het gendersterretje.’ Het zou beslist fout zijn daar een ‘geloofsstrijd’ van te maken.
Maar is deze geloofsstrijd niet al lange tijd bezig? De geringste overtreding kan zware consequenties hebben omdat lezers op het internet de meest terloopse uitspraken opmerken, becommentariëren, beoordelen, veroordelen en verspreiden. De Berlijnse viroloog Christian Drosten bijvoorbeeld is voor heel wat tegenstanders van de coronamaatregelen een mikpunt van haat. Op desbetreffende fora is vrijwel iedere uitspraak van de onderzoeker aanleiding tot woede en verontwaardiging.
Maar wat is dat voor communicatie, als er overal valstrikken staan? Als jan en alleman (of -vrouw) alle mogelijke gevolgen van elke uitspraak van tevoren moet bedenken, alsof hij (of zij) werkt op de protocolafdeling van de diplomatieke dienst? Als iedere vergissing, iedere verspreking, iedere verontschuldiging onmogelijk is? Hoe moet je met elkaar praten als het niet meer op de inhoud, maar alleen nog op de vorm van het gezegde aankomt, en op een omineuze subtekst die deze vorm zogenaamd overbrengt?
Gewoon een beetje luchtig
Bij het afscheid van de algemeen secretaris van de FDP Linda Teuteberg maakte partijleider Christian Lindner een dubbelzinnig grapje. In de afgelopen vijftien maanden waren Teuteberg en hij ongeveer driehonderd keer samen de dag begonnen, grapte Lindner. En na een korte stilte voegde hij eraan toe: ‘Ik bedoel ons dagelijks telefoongesprek in de ochtend over de politieke situatie. Niet wat u nu denkt.’
Hij had zijn praatje gewoon een beetje luchtig willen houden, benadrukte Lindner later, nadat zijn opmerking ‘viraal ging’. Er was weer eens gebleken wat voor een seksist Lindner was, luidde het vonnis. En in de digitale ruimte was het nu de vraag of ‘zo iemand’ eigenlijk wel geschikt was voor een leiderspositie.
Opvallend is dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren
Opvallend is dat de hoek van waaruit zulke smaadstormen opsteken intussen een andere is geworden. Dat ervoer ook de literaire wereldster Karl Ove Knausgard. Toen hij in 1998 in zijn vaderland Noorwegen zijn debuutroman Buiten de wereld publiceerde, waarin de liefdesgeschiedenis tussen een leraar en zijn dertienjarige leerlinge op provocerende wijze wordt verteld, werd het boek bejubeld. Maar zeventien jaar later, bij verschijning in Zweden, werd het door critici bestempeld als pornografisch en pedofiel.
‘Het klimaat is totaal veranderd,’ aldus een verbaasde Knausgard. Opvallend daarbij was dat de morele oordelen geveld werden door lieden van wie je dacht dat ze progressief waren.
De popcultuur had van meet af aan iets rebels. Ze richtte zich tegen het establishment, tegen de zedenmeesters en de kleinburgers. Pop was links. Maar nu komen uit dit milieu de hardste sancties tegen vermeende of feitelijke overtredingen van de regels en taboebreuken. Nooit was de spreuk van het satirisch gezelschap Neue Frankfurter Schule toepasselijker: ‘De scherpste critici van de barbaren zijn zij die ’t vroeger zelf waren.’
De oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan
De controverse rond de Oostenrijkse cabaretier Lisa Eckhart, die ontbrandde naar aanleiding van een gepland optreden op de Hamburger Kiez, vlak bij de legendarisch recalcitrante krakerswijk Hafenstraße St Pauli, past helemaal in dit beeld. Eckhart had er in 2018 in het satirische televisieprogramma Mitternachtsspitzen op gewezen dat de intussen veroordeelde seksmisdadiger Harvey Weinstein een jood was. ‘Altijd zijn we tekeergegaan tegen het vooroordeel dat het de Joden om geld gaat, en nu blijkt plotseling dat het ze helemaal niet om geld gaat, maar om vrouwen,’ zei ze, waarmee ze een cliché ontkrachtte dan wel de grenzen van het politiek correcte moedwillig overschreed – al naargelang je standpunt.
De organisatoren van het literatuurfestival in Hamburg vreesden in elk geval gewelddadige protesten in de ‘zoals bekend uiterst linkse wijk’ St Pauli, en trokken de uitnodiging aan Eckhart in. Dat is de andere kant van de digitale proteststorm: hij veroorzaakt ook schade in de analoge wereld. Ook daarom is de ‘cancelcultuur’ zo dubieus: de oproep tot boycotten berust vaak op slechts vage kennis van de context waarin de omstreden uitspraak werd gedaan.
Dat satire grenzen overschrijdt, was vroeger vanzelfsprekend. Tegenwoordig wordt een zin uit een satirische context losgerukt, van iedere ironie ontdaan en wordt de afzender ermee om de oren geslagen. Maar is satire, of provocerende kunst in het algemeen, dan nog wel mogelijk? ‘Ik ben bang dat ik me op zeker moment in mijn schrijven niet meer op riskant terrein wagen kan,’ zei Karl Ove Knausgard onlangs in een interview met Die Zeit.
De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is
Maar hoe moet je reageren als je te maken krijgt met felle beledigingen? De cabaretier Dieter Nuhr, in wiens uitzending Lisa Eckhart regelmatig optreedt, kiest voor de aanval. Nuhr verdedigt zich op Twitter en YouTube tegen critici die hem een ‘klimaatontkenner’ en een ‘wetenschapsverachter’ noemen. Helaas is het tegenwoordig niet meer voldoende om satire voor zichzelf te laten spreken, klaagt hij.
Maar ironie is van nature ambivalent, en cabaret berust op rollenspel. Wanneer Gerhard Polt in een van zijn beroemdste nummers een racist wordt die zijn Aziatische vrouw Mai Ling opvoert, betekent dat niet dat hij zelf racistisch denkt.
Overigens moet ook gewoon in de gaten worden gehouden of uitspraken strafbaar zijn, of ze bijvoorbeeld beledigingen, Holocaustontkenning of verheerlijking van het nationaalsocialisme bevatten, of racistisch zijn. De klacht dat bepaalde dingen niet gezegd mogen worden is bovendien paradoxaal omdat tegelijkertijd openlijk wordt opgesomd wat allemaal zogenaamd verboden is.
Intussen moet blijkbaar altijd rekening worden gehouden met de omgeving waarin je een mening uit. Het publiek beslist wat mag en wat niet. Toen in de zomer tijdens de protesten na de gewelddadige dood van de Afro-Amerikaan George Floyd de Republikeinse hardliner en Trumpaanhanger Tom Cotton in een gastcommentaar in The New York Times eiste dat er militairen tegen de demonstranten zouden worden ingezet (‘Stuur er troepen heen’), veroorzaakte dat grote ophef bij de redactie en onder de lezers van het liberale blad. Uiteindelijk moest de verantwoordelijke redacteur, James Bennet, het veld ruimen. Een afwijkende mening ter discussie stellen was kennelijk niet te verenigen met de ‘debatcultuur’ van de krant, waarop ze toch zo trots is.
Banaliserend effect
De discussie over het gendersterretje en de binnen-I [bijv. in ‘LehrerInnen’. vgl. in het Nederlands de toevoeging m/v], heeft het taalbewustzijn onder de bevolking zonder meer vergroot. Professionele speechschrijvers constateren in elk geval bij hun opdrachtgevers een vergrote gevoeligheid voor wat taal aan kan richten. ‘En dat,’ zegt de voorzitter van het verbond van Duitse speechschrijvers, Jacqueline Schäfer, ‘ervaren wij in eerste instantie als iets positiefs.’
Taal is iets levends, het taalgebruik laat zien wat dominant wordt – ‘en als dat op zeker moment het gendersterretje is, dan heeft gewoon iedereen wie dat niet bevalt, het nakijken’.
Toch gaat de consensus over ‘wat je nog zeggen kunt’ en wat taboe is wel verloren, volgens Schäfer. ‘Veel grenzen zijn in de voorbije decennia doorbroken, daarmee verdwijnt ook het gevoel voor tact. En dit gat wordt dan steeds vaker opgevuld door een soort taalpolitie.’
Wat tot dan toe normaal was, wordt zo tot overtreding van de regels verklaard – zoals het woord ‘dakloze’, dat een paar jaar geleden werd ingevoerd als vervanging voor ‘zwerver’ en dat mettertijd een negatieve bijklank kreeg. ‘Maar het verbetert niets voor hen als je deze mensen als “woningzoekenden” aanduidt,’ zegt Schäfer, ‘integendeel: het kan zelfs een banaliserend effect hebben.’
Op de radar
Alice Schwarzer hechtte altijd al aan duidelijke, provocerende taal. In de afgelopen jaren viel de feministische activiste steeds opnieuw het ook in Duitsland merkbare en invloedrijke islamisme aan. En ze uitte zich kritisch over vluchtelingen uit islamitische landen. Toen ze berichtte over de misdaden in de oudejaarsnacht van 2015 in Keulen, waarbij tientallen vrouwen door rellende vluchtelingen (of vluchtenden) op het Domplein werden aangevallen en enkelen zelfs werden verkracht, kwam ze zelf op de radar van de deugdpolitie.
Op het internet werd ze zwartgemaakt als een racistische ophitser – bijvoorbeeld op het zogenaamd feministische en antiracistische forum ‘#ausnahmslos’. Schwarzer zelf kan zulke belasteringen wel aan, maar in haar nieuwe boek Lebenswerk waarschuwt ze voor de gevolgen van een ‘verkeerde tolerantie’ tegenover andere culturen. De slachtoffers zouden genegeerd worden en de daders veracht. ‘Want hoe moeten die ooit de kans krijgen te veranderen en vreedzaam met ons te leven als we ze hier in ons land gewoon door laten razen?’
Prominenten krijgen de kracht van de nieuwe taalreguleerders snel te voelen. In het openbaar gesproken woorden worden meteen veroordeeld. Daarbij houden de critici van de vaak onbeduidende uitglijers zich zelf aan geen enkele fatsoensregel. Op het internet wordt schaamteloos gescholden, beledigd, gesmaad, gedreigd, zodat de grote sociale media hele cohorten controleurs in dienst nemen om hun platforms enigszins schoon te houden.
Sinds de opkomst van communicatiediensten als Twitter en Facebook, nog maar vijftien jaar geleden, is een alternatieve publieke ruimte ontstaan die zich onttrekt aan de traditionele regulering. Waar mediabedrijven met veel moeite het waarheidsgehalte van wat gepubliceerd wordt checken, jagen we met zijn allen zonder te checken en doorgaans ongestraft haatboodschappen en nepnieuws het internet op.
Elke aanhanger van welke idiote leer ook treft hier gelijkgezinden met wie hij zonder enige tegenspraak van gedachten kan wisselen
Aanhangers van welke idiote leer ook treffen hier gelijkgezinden met wie ze zonder enige tegenspraak van gedachten kunnen wisselen. Hier mogen ze eindelijk zonder problemen zeggen waarvoor ze ergens anders, meestal terecht, ter verantwoording zouden worden geroepen. De toenemende democratisering die de grondleggers van het internet beloofden heeft geleid tot een versplintering van de openbare ruimte.
Nu spreekt iedereen in zijn eigen niche met gelijkgezinden. Luisteren, of zelfs over opiniegrenzen heen van gedachten wisselen, dat wil niemand meer. Zo spreken ontelbare miljoenen op het net elkaar alleen nog over opvattingen en meningen en argumenten die ze toch al hadden. Ze voeren feitelijk eindeloze gesprekken met zichzelf – in het gunstigste geval worden hun oordelen en voorstellingen bevestigd. In het ongunstigste geval wordt hun blik vernauwd en worden hun opvattingen steeds verstokter en radicaler. Net als hun taal.
De zogenaamd sociale media zijn vergiftigd door haat, bedreigingen, verachting, woede en geweldfantasieën. Mateloosheid is de maat van alle dingen, ze garandeert aandacht, verspreiding en likes. Het internet is volgestort met woorden waar geen woorden voor zijn.
Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer
Klaus-Dieter Hartleb moet zich dag in dag uit blootstellen aan deze virtuele excessen. De vijftigjarige hoofdofficier van Justitie uit München is sinds het begin van dit jaar verantwoordelijk voor de afdeling ‘hatespeech’ van de Beierse justitie en jaagt op verbale radicalen die met hun posts of pamfletten de grenzen van het toelaatbare overschrijden.
In 80 procent van de onderzochte gevallen, zegt Hartleb, gaat het om het strafbare feit van opruiing. Gediscrimineerd, beledigd en bedreigd worden in het bijzonder Joden, vluchtelingen en politici die zich inzetten voor het toelaten van vluchtelingen. De als doelwit gekozen groepen moeten, zo eisen veel haatverspreiders, ‘teruggestuurd worden naar het oerwoud’, ‘tegen de muur gezet’ of ‘vergast’ worden.
Juist daders die het voor het eerst doen en betrapt worden, tonen zich ‘langdurig onder de indruk’ wanneer er plotseling opsporingsambtenaren voor de deur staan. Velen zien hun schuld ook in, wat beslist aan te raden is gezien de dreigende straffen (hoge geldboetes of zelfs celstraf).
Het argument dat de strafbaar geachte haatpassages toch als ironie en een subjectieve mening beschouwd moeten worden, hoort de opsporingsambtenaar steeds weer. De vrijheid van meningsuiting, aldus Hartleb, is inderdaad een ‘zeer groot goed’, maar hij is ‘geen censor’ en geen taalbewaker. Hij houdt uitsluitend de strafrechtelijke grenzen in het oog die op het internet worden overschreden.
Duizendvoudig, elke minuut. Alleen al in de eerste drie maanden van het jaar 2019 wiste Facebook in Duitsland 160.000 uitspraken die het bedrijf als ongeoorloofde haatberichten beoordeelde. Verbazingwekkend: in het hele jaar 2019 werden door het Bundeskriminalamt (BKA, de Duitse federale recherche) maar ongeveer 1500 onderzoeken ingesteld wegens het verspreiden van ‘hatespeech’. De typ- en klikmisdadigers die Facebook zelf ontmaskert, beschermt het bedrijf tegen de politie. Rechtshulpverzoeken van Duitse opsporingsambtenaren laat het concern vaak onbeantwoord of het blokkeert ze met het argument dat de servers in de VS staan, waar andere wetten gelden.
‘Wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden, kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert’
Al vervolgt de Duitse justitie intussen doelgericht ‘hatespeech’-delicten met speciale officieren van justitie en al moet een aanscherping van ‘internetwetgeving’ de platformexploitanten tot aangifte dwingen – een aanzienlijk aantal verbale strafbare daden blijft tot op heden voor de daders zonder consequenties. Maar voor de vrijheidslievende samenleving zijn de gevolgen enorm. En er moeten dringend uitgangspunten gevonden worden om allemaal weer zonder conflicten en vooroordelen met elkaar te kunnen spreken.
In de universiteitsstad Tübingen ligt aan de centrale Wilhelmsstrasse een betonnen bunker voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Het gebouw is genoemd naar Bertold Brecht, van wie je veel kunt zeggen, maar zeker niet dat hij een moraalridder was. Hier onderzoekt het in 1963 door Walter Jens opgerichte Seminar für Allgemeine Rhetorik het Duitse taalgebruik.
‘Politieke correctheid,’ zegt de professor retorica Olaf Kramer, ‘is aanvankelijk ontstaan vanuit de wens om bepaalde ethische en sociale standaards in te stellen voor begrippen en erop te wijzen dat taal discriminatoire processen in de maatschappij kan versterken.’
Bijvoorbeeld wanneer in de publieke discussie bepaalde begrippen worden gebruikt die iemand als beledigend ervaart. Of wanneer een subtiele uitsluiting plaatsvindt omdat over bepaalde beroepen steeds alleen in de mannelijke vorm wordt gesproken, alsof daarin geen vrouwelijke representanten te vinden zijn. Het beslissende criterium is dus de subjectieve ervaring.
‘Maar wanneer de motieven niet goed uitgelegd worden,’ zegt Kramer, ‘kan politieke correctheid ertoe leiden dat de samenleving nog sterker polariseert, want bepaalde groepen vatten die op als een spreekverbod en hebben dan het gevoel niet aan het woord te komen. Zo groeit de verontwaardiging.’
De beste oplossing
Democratie heeft echter vrijheid van meningsuiting nodig, want, zo schrijft de plaatsvervangende voorzitter van de FDP Wolfgang Kubicki in zijn juist verschenen boek Meinungsunfreiheit. Das gefährliche Spiel met der Demokratie, ‘de beste oplossing is vrijwel nooit die welke je thuis in je eentje hebt bedacht, maar die welke in discussie met anderen ontwikkeld is.’
Maar dat veronderstelt de bereidheid om te luisteren, zonder dat andersdenkenden monddood gemaakt worden. ‘Ontbreekt deze menselijke openheid ten aanzien van andere meningen,’ schrijft Kubicki, ‘dan ontbreekt ook de voorwaarde om de vrede bij ons te bewaren en onze vrijheid te behouden.’
‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen’
De retoricaprofessor Kramer wil daarom nieuwe regels voor digitale communicatie. Belangrijk is enerzijds het ‘pedagogische uitgangspunt dat al op school gevoeligheid voor de omgang met anderen wordt aangekweekt en de consequenties duidelijk worden gemaakt’. Anderzijds zouden de platforms van de sociale media ook technische oplossingen moeten ontwikkelen. ‘De zuiver emotionele deelname aan een discussie met “duimpje omhoog” of “duimpje omlaag” is niet geschikt voor gecompliceerde politieke kwesties,’ zegt Kramer. ‘Als in plaats van een simpel teken alleen goed geformuleerde commentaren mogelijk waren, zou dat de kans op een complexere gedachtewisseling verhogen.’
Onmisbaar acht hij strenge juridische consequenties voor ‘hatespeech’ op het internet, ook al zou het in strijd zijn met het oorspronkelijke idee van het internet als een volledig vrije, open en ongecontroleerde ruimte. ‘Men zou – internationaal – kunnen afspreken dat handelingen op het internet dezelfde consequenties hebben als in de reële wereld. Misschien zou het internet dan weer het fantastische platform worden waarop iedereen met iedereen echt in gesprek kan komen.’
En misschien zouden sociale media dan hun charme weer terug kunnen krijgen omdat men daar met prominenten als J.K. Rowling, Lisa Eckhart of Dieter Nuhr van gedachten kan wisselen over hun denkbeelden, verhalen en wie weet over hun provocaties. In plaats van ze met vervloekingen te bestoken.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.