Onderwerpen: verkeer en vervoer

  • Finland ontwerpt 80 procent van alle ijsbrekers wereldwijd

    Finland ontwerpt 80 procent van alle ijsbrekers wereldwijd

    In het Noordpoolgebied staan buitenlandse mogendheden in de rij om hun militaire spierballen te tonen en economische belangen veilig te stellen. Finland gaat elf nieuwe ijsbrekers aan de VS leveren, waarvan vier in eigen land gebouwd worden.

    Deze winter was de Voima (‘Kracht’), al sinds 1954 operatief en daarmee de oudste ijsbreker van de Finse vloot, de eerste die de haven van Helsinki verliet. Dat was op 31 december; de zeven andere ijsbrekers van de vloot hebben zich in de loop van de daaropvolgende weken bij het schip gevoegd. Vijf maanden lang zullen ze 2500 schepen helpen de bevroren wateren van de Baltische Zee te bevaren, voordat ze in de lente weer aanmeren aan de kade. In Helsinki maken deze grote, tweekleurige schepen – allemaal uitgerust met een sauna – deel uit van het stadslandschap. Kinderen komen ze bewonderen en geven brieven af voor de bemanning. ‘Elke Fin kent wel de naam van een van de ijsbrekers,’ zegt Paavo Kojonen, vicepresident van Arctia, de overheidsinstantie die de vloot beheert.

    Naast de Voima zijn de Sisu (‘Innerlijke kracht’) en de Urho – genoemd naar oud-president Urho Kekkonen, die in 1986 overleed – waarschijnlijk de beroemdste van de vloot. Alle twee werden ze in de jaren zeventig op de scheepswerf van Helsinki gebouwd, net als de Otso en de Kontio – twee woorden die beren aanduiden uit de Finse mythologie – die sinds de jaren tachtig actief zijn. De Fennica en de Nordica op hun beurt hebben de scheepswerf van Rauma in 1993 en 1994 verlaten.

    Lokale technologie

    Wanneer er buitenlandse bezoekers in Finland arriveren, neemt Kojonen ze mee naar het binnenste van de Polaris. Deze ijsbreker, een product van de lokale technologie, werd in 2016 in dienst genomen als de eerste ter wereld die functioneert op vloeibaar gas (LNG). ‘Voor de Baltische Zee is deze de beste in zijn soort,’ beweert de vicepresident van Arctia, die zijn kracht, het moderne ontwerp van zijn romp en zijn voortstuwingssysteem prijst. Kojonen is gewend om als gids te dienen.

    ‘Tot eind september 2025 ontvingen wij minstens twee Amerikaanse delegaties per week,’ zegt Jukka Viitanen, de woordvoerder van Arctia. En niet voor niets: op 9 oktober 2025 tekende Donald Trump met zijn Finse ambtgenoot Alexander Stubb en de Finse premier Petteri Orpo een historisch akkoord dat voorziet in de levering van elf ijsbrekers aan de Amerikaanse kustwacht, waarvan vier in Finland gebouwd zullen worden. Niets bijzonders voor het noordelijke land. Al telt het slechts 5,6 miljoen inwoners, op deze nichemarkt is het een reus. Niet alleen is 80 procent van alle honderdvijftig ijsbrekers die wereldwijd actief zijn er ontworpen, zes op de tien zijn er ook gebouwd op een van de drie scheepswerven.

    ‘Elke Fin kent wel de naam van een van de ijsbrekers’

    Maar voor de Verenigde Staten betekende het een breuk met het verleden. Krachtens de Jones Act, een federale wet die in 1920 werd aangenomen, mogen alleen schepen die in eigen land zijn gebouwd tussen Amerikaanse havens varen. Om de aankoop van de Finse schepen te rechtvaardigen beriep Trump zich op ‘de urgente en groeiende dreiging’ in het Noordpoolgebied, als gevolg van de ‘strategische competitie, de demonstratie van agressieve militaire macht en de economische toe-eigening door buitenlandse machten’.

    De situatie is kritiek: terwijl Rusland een veertigtal ijsbrekers bezit, waarvan acht met nucleaire aandrijving, en China er vijf in dienst heeft, heeft de Amerikaanse kustwacht er maar drie (tegen achttien voor hun Canadese collega’s). Een ongelijke verdeling, die aan het licht kwam in de zomer van 2025, toen Beijing zijn armada in stelling bracht tot vlak bij de Beringstraat en daarmee de Amerikanen dwong om de Healy erheen te sturen, de enige ijsbreker die op dat moment beschikbaar was.

    Met deze krachtmeting die nog maar net is begonnen start Washington dus op ruime achterstand, zegt Harri Mikkola, onderzoeker aan het Finse instituut voor internationale betrekkingen: ‘Voor de VS was het Noordpoolgebied lange tijd een afgelegen regio. Ze vonden het niet eens nodig de capaciteiten te ontwikkelen waar de Russen om economische en veiligheidsredenen al tientallen jaren van afhankelijk zijn. En ze beginnen zich nu pas bewust te worden van de snelle verandering van het poolgebied en van het groeiende geopolitieke belang van deze regio, alsook van de versterkte Chinese aanwezigheid.’

    Nieuwe schepen

    De Amerikaanse kustwacht vraagt nu om acht à negen nieuwe schepen ter aanvulling. Trump heeft er veertig beloofd. Meerdere schepen worden in de VS gebouwd, maar ‘de kosten lopen alleen maar op en de vertragingen in de levering worden alleen maar langer,’ constateert Peter Rybski, voormalig marineattaché bij de Amerikaanse ambassade in Helsinki. Hij is specialist op het gebied van ijsbrekers en auteur van een blog over het onderwerp. In 2024 sloot Joe Biden al een akkoord met Finland en Canada, dat het ICE Pact werd gedoopt (dat staat voor ‘Icebreaker Collaboration Effort’) en waarmee de weg werd geopend voor samenwerking tussen de drie landen.

    Op het ministerie van Economische Zaken in Helsinki verbaast Reko-Antti Suojanen zich nauwelijks over de belangstelling voor Finse schepen; ook niet over die van Trump, die ze maar blijft prijzen. Suojanen is voormalig scheepsbouwingenieur, werd daarna CEO van onderzoeksinstituut Aker Arctic en is nu nationaal coördinator voor het ICE Pact. ‘Vergeleken met de Amerikaanse scheepsbouwindustrie, die nooit eerder met concurrentie te maken heeft gehad, is onze industrie veel competitiever en geavanceerder. Wij kunnen schepen bouwen met de nieuwste technologie, tegen veel redelijker prijzen,’ zegt hij.

    DOS IJsbrekers compressed
    Finse IJsbrekers – © Wikimedia

    Die expertise heeft Finland verworven uit noodzaak. ‘Wij zijn het enige land ter wereld waar alle havens ’s winters geblokkeerd kunnen zijn door het ijs,’ zegt Kojonen van Arctia. En ongeveer 94 procent van de export en 96 procent van de import van het land vindt plaats over zee. ‘De VS hebben ijsbrekers om geopolitieke redenen, de Finnen om in de winter sinaasappels te kunnen eten,’ vat Rybski de situatie samen. Op die manier garandeert Helsinki sinds 1970 het hele jaar door de toegang tot al zijn havens. Die dienst is gratis en wordt gecoördineerd met de zes ijsbrekers van de Zweedse vloot.

    Dat de Finse scheepsbouwindustrie zich zo heeft kunnen ontwikkelen, heeft ze voor een groot deel te danken aan de immense oostelijke buur. Tot aan de inval in Oekraïne in februari 2022 was Rusland een van de belangrijkste klanten van de Finse scheepswerven. Een traditie die begon na de Tweede Wereldoorlog: veroordeeld tot zware herstelbetalingen leverde Finland schepen aan de USSR, waaronder ijsbrekers, die de Sovjet-Unie, en later Rusland, bij hen bleef bestellen, ook nadat de schulden waren afbetaald. In 2014 kwam de scheepsbouw in Helsinki zelfs onder Russische controle, waarna ze werd getroffen door Europese sancties en in 2023 werd doorverkocht aan het Canadese Davie.

    In de dokken, aan de zuidkant van de Finse hoofdstad, zijn werklieden druk bezig rondom een gigantisch stuk staal. Het betreft de kiel van de romp van de Polar Max, een ijsbreker van 158 meter lang, besteld door de Canadese kustwacht. Binnenkort zullen er ook nog twee schepen voor de VS worden gebouwd. De directeur van de werf, Kim Salmi, ziet dat als een terechte erkenning: ‘Omdat wij sinds de Tweede Wereldoorlog in een vast ritme die schepen bouwen, kunnen wij vandaag de dag ijsbrekers van verschillende formaten produceren in een tijdsbestek van 24 tot 36 maanden, gerekend vanaf het tekenen van het contract.’

    Prestigieus project

    De grote troef: binnen een straal van een paar honderd kilometer kunnen de Finse werven rekenen op ruim duizend bedrijven die actief zijn in de maritieme sector, met 30.500 werknemers. Daar zitten reuzen tussen als het Zweeds-Zwitserse ABB, leverancier van voortstuwingssystemen, dat meer dan vijfduizend werknemers in Finland in dienst heeft, en het bedrijf Wärtsilä, dat de motoren heeft gebouwd voor 34.000 van de 100.000 schepen die wereldwijd rondvaren, en voor de helft van de actieve ijsbrekers. ‘De bestelling van vier schepen in Finland zal voor ons niet zo veel veranderen, maar het is een prestigieus project dat de kracht van het Finse ecosysteem toont,’ zegt Hakan Agnevall, CEO van Wärtsilä.

    Dit contract zal ‘3500 mensen twee jaar lang aan het werk houden’, preciseert Suojanen van het ministerie van Economische Zaken. Hij voorziet ook een uitwisseling van kennis en kunde tussen Finland en de VS. Niet iets wat Aker Arctic, gespecialiseerd in het ontwerp van de ijsbrekers, zorgen baart. In dit 15 kilometer ten oosten van Helsinki gevestigde onderzoeksinstituut zijn de Commandant Charcot en de Astrolabe, de twee ijsbrekers van de Franse vloot, ontworpen.

    Het probleem ‘is niet het bouwen van een ijsbreker, maar het bepalen waarvoor je hem nodig hebt. Want als je iets ontwerpt dat iedereen past, dan zal het voor niemand passend zijn,’ zegt Jari Hurttia, bij Aker Arctic verantwoordelijk voor de bedrijfsontwikkeling. Finland is volgens hem onverslaanbaar vergeleken met zijn Chinese en Zuid-Koreaanse concurrenten, die met serieproductie werken. De sleutel tot het Finse succes: de enorme expertise, in de loop van decennia opgebouwd door bedrijven zoals Aker Arctic. Dat heeft een 75 meter lang bassin in de kelder van het gebouw, waarin de condities van het varen in bevroren water worden nagebootst. ‘Sinds 1969 hebben wij daar meer dan zevenhonderd testprogramma’s uitgevoerd, van elk meer dan een week, en honderdvijftig tests met ijsbrekers die wij hebben ontworpen,’ aldus Hurttia. ‘Dat is niet zo makkelijk te kopiëren.’

    Mechanica ijsmassa’s

    Temeer daar het ijs als gevolg van de klimaatverandering ‘niet alleen smelt, maar ook verandert’, vertelt Jukka Tuhkuri. Als docent aan de Aalto-universiteit in Helsinki is hij gespecialiseerd in de mechanica van ijsmassa’s en de mariene technologie van het Noordpoolgebied. Ook de universiteit heeft een ijsbassin (er zijn er vijf in de hele wereld), het enige dat golven kan produceren. Samen met zijn collega’s probeert Tuhkuri te begrijpen welke dynamieken er aan het werk zijn, zoals de uitbreiding van marginale zones tussen de ijsvrije oceaan en het pakijs, en de druk die brekend ijs uitoefent op de scheepsromp: fenomenen die volgens hem het gebruik van ijsbrekers zouden moeten doen toenemen.

    ‘Het is goed nieuws voor de Finse economie,’ zegt onderzoeker Mikkola, die eraan herinnert dat premier Jyrki Katainen al in 2021 voorspelde dat ‘het Noordpoolgebied het nieuwe Nokia kan worden’ voor Finland. Recentelijk hebben de ijsbrekers vooral hun diplomatieke nut bewezen, waardoor de Finse president Stubb in staat was rechtstreeks van gedachten te wisselen met zijn Amerikaanse ambtgenoot en diens respect af te dwingen.

    De dreigementen van Washington om Groenland te annexeren hebben de officiële positie van Helsinki niet veranderd: ‘Het is in ons belang dat onze bondgenoten, de bondgenoten van de NAVO, over voldoende capaciteiten beschikken om aanwezig te zijn in het Noordpoolgebied, want we weten dat de Russen er zijn en dat de Chinezen er willen zijn,’ zegt Pasi Rajala, de Finse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

  • De Chinese markt voor elektrische auto’s staat op instorten

    De Chinese markt voor elektrische auto’s staat op instorten

    Door de torenhoge ambities van Beijing dreigt de hele mondiale autoindustrie onderuit te gaan. ‘China accepteert veel inefficiëntie in eigen land om markten en sectoren internationaal te domineren.’

    In China kun je nu voor een spotprijs een ‘tweedehands’ elektrische auto kopen waar in werkelijkheid nog nooit mee gereden is. Chinese autofabrikanten die tot elke prijs hun verkooptargets willen halen, gaan er vanwege de moordende concurrentie toe over auto’s te slijten aan dealers die de wagens als ‘verkocht’ in de boeken zetten zonder dat ze daadwerkelijk door consumenten zijn gekocht. Om vervolgens van deze officieel al eens ‘verkochte’ auto’s af te komen, worden ze aan de man gebracht als tweedehands, vaak voor heel lage prijzen. Deze praktijk is inmiddels zo wijdverbreid dat de communistische partij er paal en perk aan wil stellen. De grootste krant van China, het Volksdagblad, klaagt dat deze manier om de verkoopcijfers op te krikken ‘de normale orde van de markt verstoort’ en laakt de ‘cijferfetisj’ van de bedrijven.

    Amerikanen zullen wellicht vreemd opkijken van dit teken dat er iets goed mis is in de Chinese auto-industrie. De elektrische auto is een symbool geworden van de schijnbaar onstuitbare opkomst van China op het wereldtoneel. De groeiende populariteit van Chinese auto’s wordt vaak genoemd als een teken dat China aan de winnende hand is in de technologiewedloop. Maar binnen China staat de sector van elektrische voertuigen (EV) symbool voor iets heel anders: voor de levensgrote gevaren die overheidsingrijpen in de markt oplevert voor China zelf en voor de rest van de wereld.

    De Chinese EV-branche, kunstmatig opgeblazen door buitensporige investeringen, ontregeld door overheidsbemoeienis en geplaagd door zware verliezen, lijkt af te stevenen op een crash. De fabrikanten zijn verwikkeld in een moordende strijd om het eigen voortbestaan. Wei Jianjun, de topman van autofabrikant Great Wall Motor, waarschuwde in mei al dat de Chinese auto-industrie de hele wereld in een financiële crisis kan storten, het ‘is alleen nog niet gebeurd’. Om de Chinese censuur van slecht economisch nieuws te omzeilen beschrijven marktanalisten de neerwaartse spiraal waarin de sector zich nu bevindt met de onschuldig klinkende term ‘involutie’, wat in feite neerkomt op door de hoeven gaan.

    Overinvestering

    Wat zich nu in de Chinese EV-sector voltrekt, dreigt uit te stralen naar de hele mondiale automarkt. De opkomst van China als ’s werelds grootste fabrikant van elektrische auto’s laat zien hoe ingrijpend de concurrentie is voor geavanceerde technologische sectoren in de VS, Europa en andere rijke landen. En gezien de cruciale rol die de auto-industrie in de wereldeconomie speelt, en alle banen, toeleveringsketens en technologieën die ermee gemoeid zijn, staat er veel op het spel.

    Maar de problemen waar de Chinese auto-industrie nu tegenaan loopt, onderstrepen de nadelen van de geleide economie zoals China die voorstaat. De overheid heeft bakken met geld aan de EV-sector gegeven om andere landen voorbij te streven in de transitie van fossiel naar elektrisch. Volgens een schatting van het Center for Strategic and International Studies heeft de sector tussen 2009 en 2023 meer dan 230 miljard dollar aan financiële overheidssteun gekregen. En met succes: zonder die steun waren de fabrikanten van elektrische auto’s waarschijnlijk nooit zo snel gegroeid. Ondertussen zijn in de nieuwe Amerikaanse belastingwet van de Republikeinen bijna alle federale subsidies voor elektrische auto’s geschrapt.

    Het probleem is dat China heeft aangezet tot overinvestering. Michael Dunne, hoofd van het in de EV-sector gespecialiseerde Californische adviesbureau Dunne Insights, telt 46 Chinese en internationale fabrikanten die in China elektrische auto’s maken: zelfs voor China, de op een na grootste economie ter wereld, zijn dat er veel te veel. Dunne zegt dat de EV-sector in China zich nu consolideert: elf Chinese fabrikanten domineren de binnenlandse markt. Maar waarschijnlijk moet de sector nog verder krimpen. De kapitaalintensieve autoindustrie leunt zwaar op het principe van schaalvoordeel, daarom zijn er wereldwijd zo weinig grote autofabrikanten.

    In de nieuwe Amerikaanse belastingwet van de Republikeinen zijn bijna alle federale subsidies voor elektrische auto’s geschrapt

    Toch is de Chinese auto-industrie nog jong genoeg om nieuwe spelers aan te trekken, waaronder grote elektronicabedrijven zoals Xiaomi. Dat bedrijf maakt van alles en nog wat, van smartphones tot rijstkokers, en heeft vorig jaar zijn eerste elektrische auto gelanceerd. Om in deze overvolle markt klanten te trekken, hebben de fabrikanten hun prijzen en daarmee hun winstmarges scherp verlaagd.

    In de meeste economieën zou de markt het overaanbod oplossen doordat de zwakste spelers vanzelf het loodje leggen. Maar de Chinese leiders vertrouwen er niet op dat de markt hun nationale beleidsdoelen zal halen en grijpen dus graag in. Het leven van autofabrikanten wordt in China nodeloos gerekt doordat de staat ze steunt of in eigendom heeft. Ook lokale overheden zijn gehecht aan de banen die de sector oplevert en houden dus bedrijven overeind. De stad Wenzhou hielp autofabrikant WM Motor onlangs nog aan financiering om de lokale fabriek draaiende te houden. En de beursgenoteerde EV-startup Nio werd in 2020 gered door de gemeente Hefei, maar blijft verlies lijden: 1,6 miljard dollar in de eerste helft van dit jaar.

    De problemen in de Chinese EV-sector zijn een direct gevolg van deze ingrepen, die een onhoudbaar overschot aan auto’s opleveren. Maar in plaats van dat marktprobleem op te lossen, treden de autoriteiten vooral hard op tegen wat ze ‘wanordelijke concurrentie’ noemen, zoals de felle prijzenslag en de verkoop van ‘tweedehands’ auto’s met nul kilometer op de teller.

    Krachtmeting

    Beijing heeft zijn eigen redenen om niet te beginnen aan de economische hervormingen die de EV-sector robuuster zouden maken. Door fabrieken draaiend te houden, ook al is het met verlies, houdt de regering een economie overeind die gebukt gaat onder tegenvallende consumentenbestedingen en een inzakkende vastgoedmarkt. Bovendien spelen de makers van elektrische auto’s een cruciale rol in de plannen voor vergroting van de internationale macht van China. Het land heeft in zijn EV-beleid van meet af aan voor de aanval gekozen. Het was scheutig met subsidies in een poging gevestigde automerken uit Europa, de VS en elders van de markt te verdringen. De planners in Beijing willen zoiets triviaals als winstgevendheid best opofferen aan hun droom van een internationaal concurrerende Chinese auto-industrie. China ‘accepteert veel inefficiëntie in eigen land om markten en sectoren internationaal te domineren,’ zegt Dunne.

    Maar ook de staat kan de autofabrikanten misschien niet eindeloos overeind houden. Het bedrag dat de Chinese overheid aan stimulering van de verkoop van elektrische auto’s besteedt, staat volgens een schatting van onderzoeksbureau Rhodium Group gelijk aan zo’n 3 procent van de belastingopbrengst. En volgens Gregor Sebastian van Rhodium is dat niveau waarschijnlijk onhoudbaar, zeker als China ook halfgeleiders en AI wil ontwikkelen. Hij zou de beleidsmakers aanraden ‘langzaam de voet van het gaspedaal te halen, maar zo dat de sector niet instort’.

    Ook de terreinwinst van de Chinese auto-industrie op de internationale markt loopt gevaar. De regering-Biden heeft Chinese elektrische auto’s vorig jaar een invoerheffing opgelegd van 100 procent, en Trump houdt die in stand, waarmee deze auto’s in feite van de Amerikaanse markt zijn buitengesloten. Ook de EU, Canada, Turkije en Mexico hebben de invoerheffingen op Chinese auto’s verhoogd. En nu ze van belangrijke internationale markten worden geweerd, kan het voor de Chinese fabrikanten nog moeilijk worden om zonder steun van hun overheid te overleven.

    De internationale autosector lijkt af te stevenen op een krachtmeting tussen de Chinese leiders die deze sector koste wat kost willen domineren en andere regeringen die daar een stokje voor willen steken. Die strijd heeft niet alleen maar vervelende gevolgen: het Chinese beleid kan consumenten wereldwijd ten goede komen in de vorm van lagere autoprijzen. Maar het door China gehanteerde model van de geleide economie kan toch een zware tol eisen, gezien de mate waarin andere regeringen zich door de torenhoge Chinese subsidies en de lage prijzen nu al genoopt voelen tot ingrijpen in de markt door middel van invoerheffingen. De verstoorde Chinese markt voor elektrische auto’s bedreigt de werkgelegenheid in de hele sector, doordat winstgevend produceren voor vrijwel alle autobedrijven onmogelijk wordt. Het kan gebeuren dat de Chinese autoindustrie de concurrenten uiteindelijk verslaat, maar toch een financiële ramp wordt.

    Michael Schuman is een schrijver voor The Atlantic, gevestigd in Beijing, China. Schuman heeft verschillende boeken over Azië geschreven, waaronder Superpower Interrupted: The Chinese History of the World en Confucius and the World He Created. Voorheen was hij buitenlandcorrespondent voor Time en The Wall Street Journal.

  • Peru: ernstig busongeluk kost aan minstens 37 mensen het leven

    Peru: ernstig busongeluk kost aan minstens 37 mensen het leven

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Jeff Bezos boekt groot succes met lancering van New Glenn-raket

    » BBC biedt Trump excuses aan voor misleidende videomontage

    In Peru komen vaak verkeersongevallen voor

    Een bus stortte woensdag in een ravijn na een botsing met een pick-uptruck in Arequipa, op de Pan-American Highway South, die de regio met Chili verbindt, zo maakten de autoriteiten bekend. Volgens de Peruaanse krant Correo stak de bestuurder van de pick-uptruck, die in de tegenovergestelde richting van de bus reed, de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer over en veroorzaakte het ongeluk. Hij werd aangehouden na een positieve blaastest.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Op deze weg, eveneens bij kilometerpaal 780, vond in februari 2018 al een ernstig ongeval plaats, meldt de Peruaanse krant: toen kwamen er 44 mensen om het leven nadat een bus in een rivier stortte. Verkeersongevallen komen in Peru vaak voor door te hard rijden, de slechte staat van het wegdek en een gebrek aan verkeersborden.

  • Levenslessen van een rijinstructeur

    Levenslessen van een rijinstructeur

    De Marokkaanse kinderboekenschrijver Mohamed Zefzaf blikt terug op zijn rijlessen in Brussel in 1976. Zijn rijinstructeur behandelde hem net als alle andere onbeholpen leerlingen, niet beter en niet slechter. Dat klinkt misschien onbeduidend, maar dat was het voor hem zeker niet.

    Ik zal eerlijk zijn. Ik was een verschrikkelijke rijschoolleerling. Op de laatste dag van mijn rijlessen maakte ik mijzelf en mijn instructeur bijna van kant.

    Maar ik ga iets te snel.

    Laat ik bij het begin beginnen.

    Het was de winter van 1976, ik was achttien, vol zelfvertrouwen en klaar om mijn Belgische rijbewijs te halen. Mijn vader stond er in zijn enthousiasme op dat hij mij zelf les zou geven. Bij nader inzien was dat een vergissing. Zoals een dokter nooit zijn eigen gezin moet behandelen, moet een vader zijn kinderen niet leren rijden. Op een koude morgen gingen we naar de De Bonnestraat, dicht bij het tramdepot op de grens van Anderlecht en Molenbeek. Hij gaf me de sleutels van zijn oude blauwe Opel. Ik was enthousiast en zelfverzekerd, maar had ook geen idee wat ik moest doen.

    ‘Zo,’ zei hij. ‘Die is voor jou.’

    Ik draaide aan de contactsleutel. De dieselmotor gromde. Ik trapte de koppeling in, zette de auto in de eerste versnelling en liet het pedaal vervolgens veel te snel opkomen. De auto schoot een stukje vooruit en de motor sloeg meteen weer af. Ik deed het nog een keer. Mijn vaders gezicht werd knalrood. Met zijn handen in de lucht riep hij tegenstrijdige bevelen.

    ‘De koppeling. Nee, het gaspedaal. Niet zo hard. Wat doe je? Stop!’

    Dat was het eind van onze lessen. Toen ik hem een paar dagen later schaapachtig vroeg of we het nog een keer konden proberen, schudde hij vastbesloten zijn hoofd. ‘Ik geef te veel om onze gezondheid om dat nog een keer te doorstaan.’

    ‘Zachtjes het gaspedaal indrukken. Langzaam de koppeling op laten komen. Het is balanceren’

    Dus schreef ik me in bij een officiële rijschool in Anderlecht. Daar ontmoette ik meneer B, mijn onfortuinlijke instructeur – onfortuinlijk omdat ik zijn leerling was.

    Hij was kort en gedrongen, droeg een pak met stropdas en had altijd een sigaar paraat. Hij rookte zelfs in de auto; de kleine Peugeot vulde zich dan met dikke, scherpe rookwolken die in de stoelbekleding bleven hangen. Het rook er naar verbrand leer.

    ‘Heb je al eens eerder gereden?’ vroeg hij kortaf.

    Ik dacht aan de ramp met de Opel en mompelde: één keer.

    ‘Mooi,’ zei hij en stak nog een sigaar op. ‘Dan weet je hoe gevaarlijk het kan zijn.’

    We reden over een stille weg dicht bij Scheut, in de buurt van hotel Prince de Liège, waar tuinen en volkstuintjes zich over het landschap uitstrekten. Meneer B gaf zijn aanwijzingen door de rookwalmen heen.

    ‘Zachtjes het gaspedaal indrukken. Langzaam de koppeling op laten komen. Het is balanceren. Voorzichtig.’ Ik probeerde het. De auto schokte. Ik zette in plaats van de richtingaanwijzer de ruitenwissers aan. Ik haalde de rem en de koppeling door elkaar. Meneer B zuchtte moedeloos, reed zelf weer terug naar het kantoor en beet de directeur van de rijschool bij het uitstappen toe: ‘Je hebt me weer een hopeloos geval gegeven. Waar moet het in godsnaam heen met België?’

    Ergens had hij gelijk.

    Toch kwam ik weer terug. Ondanks mijn schaamte, of misschien wel dankzij mijn schaamte, wilde ik bewijzen dat ik het kon. Als Marokkaanse tiener in een stad die niet altijd openstond voor verschillende soorten mensen wilde ik geloven dat ik erbij hoorde.

    Ik denk niet dat meneer B en de directeur dat begrepen. Voor hen was ik waarschijnlijk nog zo’n mislukte poging tot immigratie.

    Maar voor mij was het een persoonlijke kwestie.

    En naarmate de lessen vorderden begon ik in te zien dat mijn aannames over deze mensen, en zeker die over meneer B, niet helemaal eerlijk waren. Rijden ging niet alleen maar over de versnellingen en de koppeling. Het ging om ruimte vinden. Om gezien worden op een plek waar mensen zoals ik vaak over het hoofd worden gezien. In de weken die volgden gaf ik meneer B alle reden om vervroegd met pensioen te gaan. Ik liet de motor vaak afslaan. Zijn gezicht werd rood, zijn knokkels werden wit en hij rookte zijn sigaar sneller op.

    Hij behandelde me net als alle andere onbeholpen leerlingen, niet beter en niet slechter

    Maar hij kon mij verdragen. Misschien uit plichtsbesef, of misschien – hoewel ik dit later pas begon in te zien – omdat hij ervoor koos.

    Onder zijn natuurlijke norsheid, die ik als onbeleefdheid had geïnterpreteerd, zat een zekere stabiliteit. Misschien zelfs aardigheid. Hij keek nooit op me neer. Hij zag me nooit als minderwaardig. Hij behandelde me net als alle andere onbeholpen leerlingen, niet beter en niet slechter.

    Dat klinkt misschien onbeduidend, maar in die tijd was een naam als de mijne al genoeg om als vreemdeling bestempeld te worden voordat je ook maar een woord had gezegd. Met meneer B voelde het nooit zo. Geen vooroordelen. Geen neerbuigendheid. Hij had een norse persoonlijkheid, maar behandelde iedereen gelijk, zelfs de directeur van de rijschool, die hij vaak met wat botte Vlaamse woorden aan de kant zette.

    Langzaam begonnen dingen te verbeteren. Tergend langzaam, maar zeker. Ik leerde naar de motor te luisteren. De koppeling te beheersen. Om de emoties van de Peugeot aan te voelen. Uiteindelijk had ik mijn uren voltooid en kon ik afrijden.

    Ik was die dag erg nerveus. En meneer B nog meer dan ik. Als hij gespannen was, schakelde hij van aarzelend Frans over op snel, vlijmscherp Vlaams.

    De zon ging al bijna onder. Uit de donkere, laaghangende wolken dreigde sneeuw te vallen. Meneer B wachtte me op, met zijn jasje dichtgeknoopt en in zijn hand een sigaar.

    ‘Eindelijk,’ zei hij, en hij klonk opgelucht. ‘Onze laatste les. Het examen. Instappen maar, en rijden.’
    We reden weg.

    Meneer B begeleidde me over de Ninoofse Steenweg, langs de gracht, brouwerij Belle-Vue en het Klein Kasteeltje, waar twee soldaten stijfjes de wacht hielden bij een zware houten deur. De Vroegmarkt was bijna ten einde; de luiken waren dicht en wat laatkomers probeerden nog af te dingen.

    We reden verder in de schaduw van het vergane Viaduct van Koekelberg, de verhoogde slagader die vaak trilde onder het gewicht van de trams. Boven ons beefde het bouwwerk terwijl we over de Léopold II-laan reden.

    Hij had een norse persoonlijkheid, maar behandelde iedereen gelijk

    Het werd drukker op de weg. Vijf uur. Spitsuur in Brussel, de winter van 1976. Volgens mij was het januari, maar dat weet ik niet zeker meer.

    Brussel voelde, net als heel België, verdeeld. Prachtig en melancholisch. Mensen in lange, donkere pardessus liepen langs beslagen ramen waarin hun weerspiegeling vervaagde door de kou. De lucht was verkwikkend, de sneeuw school aan de rand van een dreigende hemel. Straatlantaarns hulden de straten in een bleke, spookachtige gloed, waardoor de stad deed denken aan een schilderij uit de late negentiende eeuw. Voor heel even was Brussel het domein van zijn surrealistische schilders: licht verwrongen en ondoorzichtig, tussen droom en werkelijkheid in.

    We reden langs het beroemde Cinzano-bord op het Rogierplein, links lag de Kruidtuin.
    Ik liet de motor voor de verandering niet afslaan. Ik raakte niet in paniek. Meneer B was kalm. Hij kettingrookte niet. Zijn stem was rustig. Hij glimlachte zelfs. We hadden voor het eerst een echt gesprek.

    Ik dacht: Misschien haal ik het wel. Maar de kalmte was van korte duur. Terwijl we via de Minimenstraat de Marollen uit reden, begon het zwaar te sneeuwen, net toen de groene koepel van het Justitiepaleis hoog boven ons uittorende. Het werd moeilijk om de weg nog te zien. De klinkers glinsterden van het ijs.

    Mijn handen begonnen te zweten. De ruitenwissers piepten. Ik gleed te snel de rotonde op bij het Poelaertplein.

    Ik had moeten remmen. Ik had op het aankomende verkeer moeten letten. Maar dat deed ik niet.
    Er suisde een vrachtwagen langs, die ons op een paar centimeter na miste. Keihard getoeter. Er kwam een bus recht op ons af. Een moment lang stonden mijn gedachten stil.

    Toen trapte meneer B op de rem.

    De auto kwam met een schok tot stilstand.

    ‘Godverdomme,’ riep hij. ‘Je reed ons bijna dood.’

    De rest kwam eruit in bliksemsnel Vlaams. Ik had geen vertaling nodig. We reden terug in volledige stilte.

    Geen handdruk. Geen gedag. Geen oogcontact.

    De auto was kouder dan zou hoeven. De verwarming stond aan en de ramen waren dicht, maar toch was het kil. Af en toe sloot meneer B zijn ogen, alsof hij door de chaos die ik had aangericht heen probeerde te ademen.

    Nu ik zijn leeftijd heb bereikt, vraag ik me af of hij zichzelf misschien probeerde te kalmeren. Ik doe dat af en toe ook. Misschien mediteerde hij, niet op zijn oosters, maar op een persoonlijke, innerlijke manier.

    Ik was gezakt, dat wist ik.

    Na het voorval op het Poelaertplein heb ik geen woord meer van hem gehoord. Nooit meer. Ik begon daarna beter te rijden, maar er was iets veranderd. Terug op het kantoor overhandigde meneer B zwijgend zijn rapport aan de directeur. Toen vertrok hij.

    Geen handdruk. Geen gedag. Geen oogcontact.

    Ik zat daar in m’n eentje en het moment spookte door mijn gedachten. Had ik maar geremd. Had ik maar…

    Er kwam een verontrustende gedachte bovendrijven. Ik moest aan mijn vrienden en familie vertellen dat ik was gezakt. Het was zo’n tienermoment waarop je het liefst zou willen dat de grond je met huid en haar opslokt. Toen riep de directeur me.

    ‘Jongeman,’ zei hij met een kleine glimlach, ‘je bent met een van de laagst mogelijke scores geslaagd.’
    Ik knipperde met mijn ogen. Ik kon het niet geloven.

    ‘Gezien wat er op het Poelaertplein is gebeurd,’ zei hij, ‘stelt meneer B blijkbaar veel hoop in jou.’

    Ik vond het een fijn woord. Hoop. Espoir. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Mijn handen trilden nog steeds. Volgens mij zei ik ‘Dank u’ en ‘Merci’, maar dat weet ik niet meer. Het is bijna vijftig jaar geleden.

    De herinnering voelt ver weg maar toch heel levendig.

    Meneer B en ik kwamen uit een andere wereld. Ik een Marokkaanse tiener, hij een Vlaamse man die bijna met pensioen ging. We hadden weinig gemeen. Maar die winteravond, in die kleine rokerige Peugeot, gebeurde er iets tussen ons.

    Niet met woorden, maar in stilte.

    En ik heb dat altijd met mij meegedragen.

    Er gebeurde iets tussen ons. Niet met woorden, maar in stilte

    Ik ben heel lang docent geweest. En als ik terugdenk aan de kinderen die ik heb begeleid, in de klas of op het voetbalveld, probeer ik ook terug te denken aan meneer B.

    Zijn zwijgzaamheid. Zijn kalmte. De manier waarop hij zijn voet op het gaspedaal zette als ik dat niet kon vinden. Hij heeft letterlijk ons leven gered. Maar hij heeft me ook meer geleerd dan autorijden.

    Hij leerde me hoe je voor iemand kunt opkomen, ook als het moeilijk is. Juist als het moeilijk is. En voor een docent is dat alles.

    Dank u, meneer B, dat u mij een tweede kans hebt gegund. Dat u mij hebt gezien. Dat u in mij geloofde.

    Ik hoop ten diepste dat het geen ijdele hoop was.

    En hoewel het inmiddels veel te laat is, wil ik tot slot toch nog zeggen: het spijt me dat ik ons op die winteravond, jaren geleden, bijna heb doodgereden.

  • Hybride is weer helemaal hot

    Hybride is weer helemaal hot

    De verkoop van elektrische voertuigen is afgelopen jaren veel trager gegroeid dan fabrikanten hadden verwacht. Maar hybride auto’s hebben dat gat inmiddels gevuld en winnen snel terrein op de automarkt.

    Er is veel dat Sarah Martens goed bevallen aan de Toyota Highlander hybride uit 2025 die ze enkele maanden geleden aanschafte, van de vele veiligheidsvoorzieningen tot de spierwitte lak die glinstert in het zonlicht. Voor een grote SUV verbruikt hij opvallend weinig benzine: soms haalt hij bijna 13 kilometer per liter.

    Maar het allerfijnste is dat de auto niet als een hybride aanvoelt. ‘Hij rijdt zo soepel,’ zegt Martens, een pilatesinstructeur in Ann Arbor, Michigan. ‘Als hij wegrijdt bij een stoplicht of overschakelt van elektrisch naar benzine, merk ik niet dat ik in een hybride rijd. Het voelt als een normale auto.’

    Nog niet zo lang geleden leek het alsof aan de tijd van de hybride een einde was gekomen. Terwijl Tesla en elektrische auto’s zowel bestuurders als fabrikanten aanspraken, dreigde de hybride vooral herinnerd te worden als een tussenfase op weg naar een emissievrije, volledig elektrische toekomst.

    ‘Ze verbruiken minder dan pure benzinemodellen en de prijzen liggen dicht op die van gewone auto’s’

    Slechts vier jaar geleden stelde General Motors bijvoorbeeld als doel om tegen 2035 te stoppen met het produceren van verbrandingsmotoren, en daarmee de hybride auto uit hun toekomstplannen te schrappen. Andere fabrikanten zetten eveneens zwaar in op elektrische voertuigen en schroefden hun hybrideplannen terug.

    Maar daar kwam verandering in. Autokopers schrokken van de hoge prijzen van volledig elektrische modellen en de moeilijkheden rond het opladen daarvan. In de afgelopen jaren is de verkoop van elektrische auto’s dan ook veel trager gegroeid dan fabrikanten hadden verwacht. Hybride auto’s hebben dat gat inmiddels gevuld en winnen snel terrein op de automarkt.

    ‘Mensen waarderen de eigenschappen van hybride auto’s,’ zegt Jessica Caldwell, uitvoerend directeur bij marktonderzoeker Edmunds. ‘Ze verbruiken minder dan pure benzinemodellen en de prijzen liggen dicht op die van gewone auto’s. Ze zijn dus veel betaalbaarder dan EV’s (electric vehicles).’

    Stimuleren

    Volgens het Amerikaanse energieministerie bestond zo’n 14 procent van alle lichte voertuigen die in de eerste drie maanden van dit jaar VS werden verkocht uit hybride auto’s: zowel modellen die wél als niet oplaadbaar zijn. Dat was ongeveer twee keer zo veel als het marktaandeel van volledig elektrische auto’s in dezelfde periode.

    Republikeinse wetgeving, die momenteel door het Congres rondzweeft, zou de verkoop van hybride auto’s verder kunnen stimuleren. In mei nam het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden een door president Donald Trump gesteund beleidsvoorstel aan dat een belastingvoordeel van $7.500 [ca. € 7000] voor kopers of leasers van elektrische voertuigen zou afschaffen. Deze wetgeving zou bovendien een jaarlijkse belasting opleggen om infrastructuurprojecten te financieren: $250 voor elektrische auto’s en $100 voor hybride auto’s. De Senaatsversie van het wetsvoorstel, dat recent werd ingediend, zou de belastingaftrek schrappen, maar geen jaarlijkse belasting opleggen.

    De hybrideverkoop wordt door enkele grote autofabrikanten gedomineerd.

    De hybrideversies van de Accord en CR-V verkopen inmiddels beter dan de benzinevarianten

    Bijna de helft van de auto’s en trucks die Toyota en het luxemerk Lexus in de eerste vijf maanden van dit jaar verkochten, waren hybride auto’s, en de verkoop daarvan lag zo’n 40 procent hoger dan het jaar daarvoor. De hybrideverkoop van Ford steeg in diezelfde periode met 31 procent. Honda is dit jaar op weg naar zijn hoogste hybrideverkopen ooit en de hybrideversies van de Accord en CR-V verkopen inmiddels beter dan de benzinevarianten.

    Hybride auto’s worden doorgaans aangedreven door een kleine benzinemotor in combinatie met een elektromotor. Deze motor wordt gevoed door een accu die veel kleiner en dus goedkoper is dan de batterijen van volledig elektrische auto’s. De batterij laadt op tijdens het remmen (‘regeneratief remmen’) en via de verbrandingsmotor.

    Plug-in hybrides – goed voor een klein deel van de markt – hebben grotere batterijen dan gewone hybrides en kunnen ook thuis of bij laadpalen worden opgeladen. Sommige modellen halen zo’n 80 kilometer op stroom voordat de benzinemotor het overneemt.

    Hybride
    De anatomie van een hybride auto. – © U.S. Department of Energy

    Doorbraak

    De hybridetechnologie brak meer dan twintig jaar geleden door toen Toyota de Prius introduceerde, die destijds meer dan 45 mijl per gallon kon rijden – een opmerkelijke prestatie.

    De eerste hybride auto’s, waaronder de Prius, schakelden soms wat stroef tussen de benzinemotor en de elektromotor. Het ging bovendien vaak om kleine auto’s met weinig vermogen en ruimte. Ingenieurs van concurrerende merken beschouwden de Prius dan ook als een speeltje: twee aandrijfsystemen onder de motorkap vonden ze ingewikkeld en onpraktisch.

    Toen de benzineprijzen begin jaren 2000 stegen, groeide de Prius uit tot een favoriet onder milieubewuste en prijsgevoelige bestuurders. Naarmate de verkopen aantrokken, volgden andere fabrikanten met hun eigen hybride modellen.

    Maar hybrides floreren inderdaad vooral in tijden van hoge brandstofprijzen. Toen de verkoop van Tesla halverwege het vorige decennium explodeerde, verschoof de aandacht binnen de industrie naar volledig elektrische auto’s.

    Verbeteringen

    Nu de technologie enorm is verbeterd, kiezen consumenten opnieuw voor een hybride auto. Accu’s zijn kleiner geworden en slaan tegelijkertijd grotere hoeveelheden energie op. Het schakelen tussen benzine en elektrisch verloopt, zoals mevrouw Martens opmerkte, inmiddels vrijwel naadloos.

    ‘Toen de Prius in 1997 uitkwam, was hij vooral gericht op zuinigheid,’ zegt David Christ, algemeen directeur van Toyota in Noord-Amerika. ‘Maar we hebben vijfentwintig jaar tijd gehad om de technologie zo te verfijnen dat onze hybride auto’s niet alleen zuinig zijn, maar bovendien aangenaam om in te rijden.’

    De hybrideversie van de Toyota RAV4, merkt Christ op, heeft inmiddels meer vermogen en trekkracht dan de benzinevariant. Intussen zijn fabrikanten hybridevarianten gaan produceren van allerlei soorten voertuigen. Bovendien hebben ze manieren gevonden om de hybrideaccu in te zetten voor andere functies. Zo biedt Ford nu een hybridevariant van de F‑150 pick-up die stroom kan leveren voor gereedschap en verlichting op bouwplaatsen. De truck kan zelfs elektriciteit leveren tijdens stroomuitval.

    ‘Ik denk dat veel consumenten zien dat dit een beter aandrijfsysteem is,’ zegt Jim Baumbick, vicevoorzitter productontwikkeling bij Ford. ‘Je krijgt een lager verbruik en het biedt nieuwe mogelijkheden die je nooit eerder had.’

    ‘De weerstand tegen hybride auto’s neemt duidelijk af’

    In sommige gevallen duidden fabrikanten hybride zelfs aan als de enige logische keuze. Populaire Toyota-modellen als de Sienna, Camry, Crown en RAV4 zijn – of worden binnenkort – alleen nog als hybride geleverd.

    Andere fabrikanten stellen de introductie van nieuwe elektrische auto’s uit en versnellen juist de ontwikkeling van nieuwe hybride auto’s. Hyundai wil zijn aantal hybridemodellen verdubbelen tot veertien. Ford wil tegen het einde van dit decennium voor al zijn modellen hybridevarianten aanbieden. Stellantis, dat al enige tijd plug-inversies maakt van de Pacifica-minivan en bepaalde Jeeps, wil een hybrideoptie toevoegen voor de Jeep Cherokee en de Ram‑pick-up.

    ‘Er zijn nog altijd mensen die niets van hybrides moeten hebben. Ze willen een V8, dat rauwe vermogen,’ zegt Caldwell. ‘Maar hun aantal krimpt. De weerstand tegen hybride auto’s neemt duidelijk af.’