Onderwerpen: Vluchtelingen

  • ‘Asiel is het mooiste dat we te bieden hebben’

    ‘Asiel is het mooiste dat we te bieden hebben’

    Filippo Grandi, Hoge Commissaris van de VN voor de Vluchtelingen, ziet met eigen ogen hoe de humanitaire hulp in een wereldwijde crisis verkeert. Een van de oorzaken is dat oorlogen, zoals die in Soedan, verweven zijn met politiek.

    Er zijn niet veel hoofdsteden die geen functionerende luchthaven hebben. Khartoem in Soedan is er een van, en dat is al bijna drie jaar zo. De laatste keer dat de landingsbaan zou heropenen, in oktober 2025, werd deze de dag ervoor getroffen door een droneaanval.

    Dus gaat de reis over de weg. Langs goudmijnen en watermeloenvelden; langs minaretten en piramides en hopen bouwmateriaal; langs reclameborden voor flessen water en langs militairen. De tweebaansweg is vaak smaller dan het tapijt van plastic afval aan weerszijden. Zwerfvuil vormt het landschap van een failed state. We passeren controleposten – sommige bemand door tieners met geweren, nauwelijks herkenbaar als militairen; andere door mensen die zich vrijwilligers noemen. De weg van Port Sudan aan de Rode Zee naar Khartoem is ruim 800 kilometer. Als je geluk hebt – of als de naderende duisternis je meer zorgen baart dan het risico van een ongeluk door te hard rijden – haal je de stad misschien nog voor zonsondergang.

    Eenmaal aangekomen in Khartoem zien we geen files, horen we geen kakofonie van claxons. De verkeersopstoppingen zijn verdwenen, net als vier vijfde van de bevolking. Zelfs als ons konvooi niet uit witte SUV’s van de Verenigde Naties had bestaan, zouden we met onwerkelijk gemak langs de oevers van de Nijl kunnen scheuren. Tot afgelopen maart was Khartoem de frontlinie in een nietsontziende burgeroorlog. De gebouwen zijn doorzeefd met kogelgaten, als een rottend karkas onder de vliegen. De weinige wolkenkrabbers zijn verwoest, waaronder het Corinthia Hotel, gebouwd met Libisch geld en bijgenaamd Gaddafi’s Ei. Het grootste deel van de zeven decennia sinds de onafhankelijkheid verkeert Soedan in oorlog, maar nooit eerder bereikte het conflict de hoofdstad.

    OV Juba compressed edited 1
    Juba, Zuid-Soedan. Een van de armste regio’s ter wereld. – © Getty Images

    In december reisde ik met Filippo Grandi, de Hoge Commissaris van de VN voor de Vluchtelingen, naar Soedan voor zijn laatste bezoek in die functie. Als jonge veldwerker was Grandi erbij toen het Commissariaat een hoofdkwartier in Khartoem opende. Nu, ruim dertig jaar later, staat hij stil bij wat ervan is overgebleven. De prefab kantoorgebouwen zijn tot de grond toe afgebrand, de metalen daken liggen verwrongen en verkoold. ‘Ik heb veel van onze kantoren over de hele wereld beschadigd gezien, maar dit heb ik nog nooit meegemaakt,’ zegt Grandi. ‘Niet in Kabul, niet in Syrië.’ Over het menselijke stuk been dat een paar meter verderop ligt, zegt hij niets.

    De humanitaire sector verkeert wereldwijd in crisis. De beweging die na de Holocaust ontstond en tijdens de Koude Oorlog aan kracht won, gevoed door internationale verontwaardiging over de genocides in Bosnië en Rwanda in de jaren negentig, is ontregeld en staat onder zware druk. Rijke overheden – en hun bevolking – hebben steeds minder zin om te betalen voor ontwikkelingshulp en noodhulpverlening, en al helemaal niet om vluchtelingen op te nemen uit oorlogsgebieden en zogenoemde failed states. Tijdens zijn eerste regeerperiode ontkende de Amerikaanse president Donald Trump nog dat hij ongewenste migranten mensen uit ‘klotelanden’ had genoemd. Tijdens zijn tweede termijn schepte hij er juist openlijk over op. Onlangs gaf hij de VS opdracht zich terug te trekken uit 31 VN-organen, waaronder het Democratiefonds en het Bureau van de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor Kinderen en Gewapende Conflicten.

    Bezuinigingen

    De UNHCR, de VN-vluchtelingenorganisatie, ontkwam aan de saneringsronde. Maar de financiering daalde vorig jaar met een kwart als gevolg van Trumps bezuinigingen op het ministerie van Buitenlandse Zaken. In 2025 haalde de UNHCR voor het eerst in haar vijfenzeventigjarig bestaan minder dan de helft op van het bedrag dat zij nodig achtte voor haar missie. Bijna vijfduizend medewerkers werden ontslagen. Humanitaire VN-organisaties moeten zich ‘aanpassen, krimpen of ten onder gaan’, aldus het ministerie van Buitenlandse Zaken onlangs.

    Ondertussen groeit de nood. Staten vallen uiteen, oorlogen laaien weer op. Volgens het Uppsala Conflict Data Program bereikte het aantal doden in gewapende conflicten in 2022 het hoogste niveau in achttien jaar. Het aantal ontheemden is de afgelopen tien jaar bijna verdubbeld tot 118 miljoen. Drie landen hebben met name bijgedragen aan deze stijging: Oekraïne, Venezuela en Soedan.

    In Soedan woedt de ergste humanitaire crisis ter wereld. De VS hebben de etnisch gemotiveerde massamoorden die daar zijn gepleegd bestempeld als genocide. Vijftien miljoen mensen – bijna een derde van de bevolking – heeft huis en haard verlaten. Meer dan twee miljoen zijn gevlucht naar Tsjaad en Egypte. Enkele duizenden hebben met kleine bootjes de oversteek over het Kanaal naar het Verenigd Koninkrijk gemaakt, waar 99 procent van hen asiel heeft gekregen. Maar de overgrote meerderheid blijft in Soedan. Opmerkelijk genoeg komen er ook vluchtelingen naar Soedan, op de vlucht voor het geweld in de buurlanden Zuid-Soedan, Eritrea en Ethiopië.

    Toch heeft de UNHCR door gebrek aan middelen besloten om meer dan de helft van haar personeel in Soedan te ontslaan. ‘Ken je die spelletjes waarin er telkens een extra moeilijkheidsgraad bijkomt en je een oplossing moet bedenken? Zo voelt dit precies,’ legt Grandi uit.

    The Return – Salih Basheer

    In The Return, dat in februari 2026 in een eerste oplage van 600 exemplaren verscheen, documenteert de Soedanese fotograaf Salih Basheer de verwoestende gevolgen van de oorlog in zijn land. Het fotoboek brengt niet alleen de fysieke schade in beeld – kapotte infrastructuur, verlaten straten – maar vooral de menselijke impact: verlies, ontworteling en het leven in ballingschap. Basheer, zelf afkomstig uit Soedan, verweeft zijn persoonlijke ervaring met die van andere vluchtelingen, zowel binnen het land als in buurlanden waar velen hun toevlucht hebben gezocht.
    Naast 49 zwart-wit- en kleurenbeelden bevat The Return dagboekfragmenten en getuigenissen van Basheer zelf, aangevuld met bijdragen van andere ontheemden. In een indringend voorwoord beschrijft hij hoe hij contact met zijn familie in Khartoem soms uit de weg gaat, uit angst voor slecht nieuws. Herinneringen aan de oorlog keren terug in dromen, waarin alledaagse situaties plotseling kunnen omslaan in geweld en dreiging. De publicatie bevat ook tekeningen van ontheemde Soedanezen en een essay van journalist Joshua Craze. Het boek werd mede mogelijk gemaakt door een Magnum-fellowship en is internationaal verkrijgbaar via gespecialiseerde fotoboekwinkels.

    Nu, een paar dagen voor zijn pensioen, is Grandi naar Soedan gekomen om een kamp voor ontheemden te bezoeken en met de regering te onderhandelen. Kaarsrecht en keurig verzorgd staat hij op de verwoeste binnenplaats van het kantoor waar VN-medewerkers vroeger in het café aten, terwijl hij video’s opneemt om enkele belangrijke donateurs te bedanken. ‘Hartelijk dank, meneer Yanai,’ zegt hij in een boodschap aan de oprichter van de Japanse kledingketen Uniqlo. Hij neemt ook een interview op voor Amerikaanse media en vergeet daarbij niet Trump te bedanken, de man die zijn budget drastisch heeft gekort. Zelfs in de late ochtendzon houdt hij zijn jas aan: ‘Het houdt je bijeen.’

    Waarom is het gebouw van de UNHCR in brand gestoken? Een theorie luidt dat het personeel dollars op kantoor bewaarde omdat het de lokale banken niet vertrouwde. De paramilitaire Rapid Support Forces (RSF) zouden het gebouw vervolgens hebben geplunderd en in brand gestoken om hun sporen uit te wissen. Maar de vondst van het stuk been en een menselijke schedel doen een grimmiger mogelijkheid vermoeden. Misschien hield de RSF tijdens de strijd om Khartoem hier gevangenen vast en vermoordden ze hen.

    De toekomst is nog ongewisser. Wat kunnen de VN bereiken in een bloedige burgeroorlog die door het grootste deel van de wereld volledig wordt genegeerd? Moet het kantoor opnieuw worden opgebouwd, of zullen de paramilitairen snel terugkomen? En wat kan er nog worden gered van het humanitaire systeem in de wereld? Misschien zijn de ambities altijd al te groot geweest.

    Zelfzuchtigheid

    Een gouden tijdperk heeft het humanitarisme nooit gekend, maar op de huidige onverschilligheid was Grandi niet voorbereid. Eerder maakte hij aardedonkere momenten mee in Rwanda en Zaïre, de huidige Democratische Republiek Congo. ‘Toen ik in 1994 in Goma was, vonden mensen dat belangrijk. We kregen zo veel hulp dat we niet wisten wat we ermee aan moesten.’ Hij trekt een lijn van het hamsteren van covid-19-vaccins door rijke landen naar de daaropvolgende bezuinigingen op de ontwikkelingshulp. ‘Volgens mij heeft covid de zelfzuchtigheid van het mondiale noorden aangetoond.’

    In de vijf dagen dat ik met Grandi op pad ben, hoor ik niemand hem bij zijn naam noemen. Zelfs voor zijn naaste collega’s is hij simpelweg de hoge commissaris, de HC. Deze afstand is niet zonder reden. Grandi’s taak is om politici ervan te overtuigen dat zij hun wettelijke verplichtingen dienen na te komen. Moreel gezag is zijn belangrijkste wapen. ‘Je kunt er meer mee bereiken dan je zou denken. ’

    Hij beschrijft zijn rol als die van een diplomaat, een onderhandelaar en een leider. Maar hij doet me vooral denken aan een priester. Hij heeft een zachte, geduldige, bijna vrome uitstraling. Hij groeide op in een katholiek middenklassegezin in Milaan; zijn vader was architect. Toen hij in 1981 een jaar in militaire dienst moest, koos hij ervoor om als gewetensbezwaarde achttien maanden bij Amnesty International te werken. In 1984 vertrok hij naar Thailand om met Cambodjaanse vluchtelingen te werken. Een arts die zijn onbevangenheid aanvoelde, nam hem mee om een kind te zien sterven aan malaria. ‘Het was een schok, maar het was ook een bevestiging van het feit dat dit idealisme niet verkeerd is – het is nog steeds nodig.’

    Hij doet me vooral denken aan een priester. Hij heeft een zachte, geduldige, bijna vrome uitstraling

    Grandi leerde al snel dat humanitair werk altijd politiek is. In de jaren vijftig hadden de VS geen hekel aan vluchtelingen; mensen werden zelfs aangemoedigd om het Sovjetblok te verlaten, teneinde het communisme in diskrediet te brengen. Grandi ontdekte dat er volop financiering was voor Cambodjaanse vluchtelingen omdat de VS, sinds Nixon, nauwere banden had gesmeed met China – en daarmee met diens bondgenoten, de Rode Khmer.

    In 2015 werd hij benoemd tot Hoge Commissaris en liet hij rivalen als de voormalige Deense premier Helle Thorning-Schmidt achter zich. Net als bijna al zijn voorgangers is hij Europeaan, maar wel de eerste in deze functie die zijn hele loopbaan bij de VN heeft doorgebracht – een humanitair activist in hart en nieren. Hij heeft in Zaïre gediend, waar hij burgers probeerde te beschermen tegen door Rwanda gesteunde troepen. In Afghanistan heeft hij meegewerkt aan de organisatie van de eerste verkiezingen na de door de VS geleide invasie. Ook stond hij aan het hoofd van UNRWA, de organisatie die Palestijnse vluchtelingen bijstaat. Zijn medewerkers waardeerden dat hij de frustraties van dwarsliggende regeringen kende. Over zijn invloed kan men twijfelen; over zijn empathie niet.

    Ook in de oorlog in Soedan is hulp verweven met politiek. In 2019 werd dictator Omar al-Bashir afgezet toen het leger weigerde zijn bevel op te volgen om op demonstrerende studenten te schieten. De prille revolutie liep al snel op niets uit. ‘We waren idioten om te denken dat je dertig jaar in één klap ongedaan kon maken,’ verzuchtte een van de revolutionairen.

    Verwoesting en ontheemding

    Soedan kampt met de grootste interne ontheemdingscrisis ter wereld. Toch keren mensen terug naar huis.
    Volgens de UNHCR zijn ongeveer 15 miljoen mensen op drift – een rechtstreeks gevolg van de oorlog die in april 2023 uitbrak tussen het Soedanese leger en de paramilitaire Rapid Support Forces (RSF). De verwoesting is alomtegenwoordig: verbrande voertuigen, uitgestorven wijken en een infrastructuur die stelselmatig wordt geplunderd.
    Toch, schrijft Al Jazeera, tekent zich een voorzichtige kentering af. Voor het eerst in een decennium daalde het wereldwijde aantal ontheemden halverwege 2025 met 5,9 miljoen.
    Wat drijft mensen terug naar plaatsen die door de oorlog zijn verwoest?
    In Khartoem is de realiteit die hen opwacht bikkelhard. De stad is geplunderd, evenals de elektrische infrastructuur. Ongeveer 15.000 transformatoren werden gestolen en koperbekabeling werd systematisch vernield. Autoriteiten leiden de schaarse stroom nu door naar ziekenhuizen en waterstations en bewoners worden aangespoord om zonne-energie te gebruiken.
    Het verhaal van tandarts en journalist Rimah Hamed is exemplarisch. Ze vluchtte naar Gezira en later Egypte toen ziekenhuizen sloten en de situatie onveilig werd, maar keerde uiteindelijk terug uit nostalgie. Ze trof haar huis leeg aan, zonder water of stroom, maar zag hoe ook buren geleidelijk terugkeerden en de buurt langzaam herleefde. ‘De Soedanees is sentimenteel,’ vertelt ze aan Al Jazeera. ‘Mensen kwamen terug omdat ze hun thuis misten.’

    Twee generaals grepen vervolgens de macht: Abdel Fattah al-Burhan van het Soedanese leger en Mohamed Hamdan Dagalo, beter bekend als Hemeti, van de paramilitaire RSF. In 2023 kregen ze ruzie. In de daaropvolgende gevechten behield het leger de controle over Port Sudan en heroverde het uiteindelijk Khartoem. De RSF kreeg de overhand in het westen en zuiden van het land.

    Eind oktober 2025 namen de paramilitairen de stad El Fasher in, die ooit anderhalf miljoen inwoners had. Daardoor controleren ze bijna de hele Darfur-regio in West-Soedan. Overlevenden meldden dat RSF-schutters van deur tot deur gingen, mannen executeerden en vrouwen verkrachtten. In een paar dagen tijd werden duizenden mensen vermoord. Het totale dodental van de oorlog loopt waarschijnlijk in de honderdduizenden.

    De VN zorgden jaarlijks voor honderden miljoenen dollars aan hulp voor Soedan. Maar die hulp werd niet bepaald in dank aanvaard. De RSF liet tot meer dan een maand na de inname van El Fasher geen hulp toe in de stad. Volgens een mogelijke verklaring die Grandi kreeg, was het er zo bloedig aan toe gegaan dat het meer dan zes weken duurde om de sporen uit te wissen. De mobiele telefoonnetwerken in Darfur waren afgesneden, maar satellietbeelden toonden wat leek op stapels lichamen die werden verbrand. Ook de Soedanese regering verzette zich soms tegen de levering van hulp aan gebieden die onder controle stonden van de paramilitairen, in de hoop zo de vijand te verzwakken. ‘Dit is zo typerend voor burgeroorlogen. We hebben ongeveer hetzelfde meegemaakt met Assad en Idlib,’ zegt Grandi.

    OV Vluchtelingen Oure Cassoni compressed edited scaled
    Soedanese vluchtelingen op weg naar tijdelijke opvang in Oure Cassoni, Tsjaad.© Getty Images

    Soedanese functionarissen hielden ook mensen tegen die vluchtten voor de wreedheden van de RSF. Ging het hier alleen om de paranoia van een autoritaire staat, of speelde er meer? In 2009 vaardigde het Internationaal Strafhof een arrestatiebevel uit tegen Bashir wegens vermeende oorlogsmisdaden in Darfur. De voormalige president is nooit uitgeleverd en volgens de laatste berichten verblijft hij in een militair ziekenhuis ten noorden van Khartoem. Maar zijn opvolgers zullen zich er terdege bewust van zijn dat soortgelijke aanklachten ook hen kunnen treffen. Het gaat niet alleen om wat hulpverleners meebrengen, maar ook om wat ze zouden kunnen zien.

    Voor hulpverleners als Grandi betekent samenwerken met regeringen vaak dat ze zelf betrokken raken bij tragedies. In Gaza konden Palestijnen zich niet in veiligheid brengen door het gebied te ontvluchten, deels omdat Egypte had geweigerd zijn grenzen te openen. Grandi had kunnen proberen de Egyptenaren tot een koerswijziging te bewegen. Dat deed hij niet, omdat hij het met hen eens was dat het openen van de grenzen op den duur de etnische zuivering van het gebied in de hand zou werken: ‘Dit zou erger zijn geweest dan Bosnië. Dit was de zuivering van de hele Palestijnse bevolking …  Ik heb nooit gevraagd om de grenzen te openen.’

    Grandi lijkt vrede te hebben met dit soort beslissingen. Hij weet ook dat de UNHCR in Soedan sterk afhankelijk is van de goede wil van de strijdkrachten – die zelf worden beschuldigd van het gebruik van chemische wapens en het bombarderen van burgers.

    Afpersers

    Als de hoge commissaris een vluchtelingenkamp bezoekt, gaat zijn mediateam hem vooruit om ontheemden te selecteren met wie hij een gesprek kan voeren. Het Al Afadh-kamp, ten noorden van Khartoem, herbergt de allerarmsten – zo’n tienduizend mensen die zijn gevlucht voor wreedheden in El Fasher. De reis van honderden kilometers heeft hen dagen of zelfs weken gekost. Afpersers hebben hen alles wat ze hadden afhandig gemaakt.

    Wij daarentegen rijden naar het kamp in onze SUV’s met airconditioning. Een vluchtelingenkamp is een ongemakkelijk vertrouwde plek. Ik herken het zand, de tenten en de mensenmassa’s uit tv-reportages en oproepen van hulporganisaties. Ik zie een jongen met een T-shirt waarop staat: ‘Believe in yourself. Nothing is impossible’.

    Wat ontbreekt, dringt pas later tot me door. Gezinnen zitten op matten in de zon. Er is geen schaduw. Er zijn geen tenten meer beschikbaar. Elke dag krijgen mensen te horen dat er meer tenten komen. Elke volgende dag worden ze opnieuw teleurgesteld. We hebben gehoord dat er weinig mannen in het kamp zijn. Ik zit bij een groep weduwen, hun echtgenoten en zonen werden tegengehouden toen ze El Fasher wilden verlaten. Sommigen werden doodgeschoten. Tienduizenden burgers worden vermist; sommigen zouden vastzitten in detentiecentra van de RSF. De meesten zijn waarschijnlijk dood.

    Oud-commissaris Filippo Grandi nam afscheid in 2025

    Na tien jaar als Hoge Commissaris voor de vluchtelingen blikte hij terug in een verklaring op de site van UNHCR.
    Grandi prees hierin de diplomatieke waarde van het officiële toezichtsorgaan van de VN-vluchtelingen-organisatie juist omdat er geen consensus was. Niet iedereen was het eens, en dat gold ook voor delegaties onderling, maar volgens Grandi is dat precies de zachte kracht van humanitaire diplomatie. Hij verwees daarbij naar de lopende onderhandelingen over Gaza, waarbij hij de hoop uitsprak dat diplomatie opnieuw zou zegevieren boven brute kracht.
    Zijn alarmerendste boodschap betreft de financiering van de steun. Het UNHCR-budget voor 2025 bedroeg 10,6 miljard dollar, maar de organisatie verwacht slechts 3,9 miljard beschikbaar te hebben – een daling van zo’n 25 procent. De laatste keer dat UNHCR minder dan 4 miljard dollar had, was in 2015 – toen het aantal ontheemden de helft was van nu. Dit getal noemde hij een scherp kritisch ankerpunt: er zijn meer mensen op de vlucht, maar minder middelen.
    Grandi richtte zich expliciet tot donoren in de Golfregio en Azië die aan de zijlijn stonden: ‘Nu is het moment.’ Zonder dringende, flexibele steun zullen meer levensreddende operaties worden teruggeschroefd. Als voorbeeld van wat werkt, noemde hij Syrië: dankzij de jarenlange opvang in Libanon, Turkije en Jordanië konden meer dan 1 miljoen Syrische vluchtelingen uiteindelijk naar huis terugkeren. Hij verwierp openlijk de managementrhetorica van ‘meer doen met minder’.

    Een veelgehoorde beschuldiging is dat de RSF de families van mannen opbelt om losgeld te eisen. Een vrouw vertelt dat ze geld eisten in ruil voor de vrijlating van haar oom. Nadat ze had betaald, stuurden ze een video waarop te zien was hoe hij werd vermoord. Een andere vrouw, Amal, komt naar voren om mij haar gebroken pols te laten zien. Ooit verkocht ze groenten en parfums op de markt in El Fasher; haar echtgenoot was dagloner. Toen hun gezin de stad ontvluchtte, probeerde de RSF haar twee dochters te verkrachten. ‘Mijn dochters zeiden: “Vlucht alsjeblieft voor je leven, laat ze naar ons komen.” Het echtpaar verzette zich daartegen. Hij werd doodgeschoten, zij werd mishandeld en hun huis werd verwoest. Twee van hun zoons zijn omgekomen. Ze vertelt hoeveel moeite het haar kost om elke dag nog uit bed te komen. ‘Ik was een sterke vrouw, maar mijn gezondheid is niet meer wat het was.’
    Uiteindelijk voert een medewerker van de UNHCR me weg. ‘Het gaat je een week kosten om al hun verhalen te horen.’ Grandi wil graag met mensen praten, maar de autoriteiten willen de regie in handen houden. Twee functionarissen staan erop hem naar de tenten te vergezellen. Er ontstaat een steeds fellere woordenwisseling. Waarom wil hij naar deze tent, vragen de functionarissen. Ik ben de hoge commissaris, antwoordt hij. Het gezag van zijn functie begint te bezwijken in de hitte.

    De patstelling wordt opgelost met een krakkemikkig compromis. Grandi belandt in een tent, vergezeld door functionarissen, waar hij een vrouw ontmoet die El Fasher verliet toen ze acht maanden zwanger was en nu een baby van tien dagen heeft. De SUV’s van de VN blijven buiten stationair draaien. Vlakbij probeert een opgewekte drieëntwintigarige vrouw op een matje naar een online college op haar telefoon te luisteren. Ontheemding weerhoudt haar er niet van te studeren voor voedingsdeskundige.

    OV Khartoem compressed edited scaled
    Een voormalig busstation omgevormd tot opvangcentrum voor de 6600 ontheemden in Khartoem. © Getty Images

    De reis raakt Grandi zichtbaar – en dat verwelkomt hij. Voor zijn werk is ‘woede een noodzakelijk instrument’. Tot een paar jaar geleden had hij het gevoel dat hij niet alleen stond in zijn verontwaardiging. ‘Niemand peinsde erover deze misstanden te rechtvaardigen. Nu gaat de veroordeling van de Russen die scholen vernielen, of van de RSF die doet wat we gehoord hebben, gepaard met een “ja, misschien, maar…” Er is veel “maar”.’

    Humanitaire hulpverleners zien kampen als een tijdelijke oplossing. Dit kamp is misschien een veilige haven, maar het draagt al de kiem van zijn eigen mislukking in zich. Het ligt 20 kilometer van de dichtstbijzijnde stad. Dat maakt het moeilijk voor de ontheemden om te werken of een arts te bezoeken. UNHCR-medewerkers geven toe dat er weinig toiletten zijn. Ze hadden graag internationale experts ingeschakeld om de indeling van het kamp op te zetten, maar daarvoor is geen geld. Grandi stelt een gezin gerust: hij heeft gehoord dat er de volgende dag nieuwe tenten zullen aankomen . Wanneer ik een paar dagen later ga kijken, zijn de tenten er nog steeds niet. De reden is onduidelijk.

    Ons konvooi trekt verder, terwijl we mensen op ezels inhalen. Grandi spreekt met Soedanese politici. Hij zegt hen dat de oorlog moet stoppen en dat zijn teams toegang moeten krijgen tot noodgebieden. Hij wordt ontvangen met de nodige plichtplegingen en soms met geschenken, al is het onduidelijk of zijn boodschap ook echt wordt gehoord. Functionarissen proberen hem te beletten vluchtelingen te ontmoeten die vanuit Egypte naar Soedan zijn teruggekeerd, onder verwijzing naar twijfelachtige veiligheidsredenen. Zulke tegenwerking komt ‘heel zelden’ voor, zegt hij. ‘Zeg ze dat ik niet bang ben.’ De ontmoeting vindt plaats. Grandi vertelt de teruggekeerden dat ze thuis zijn. ‘Wees niet lui. Jullie moeten je eigen weg zien te vinden.’ Hij vreest dat hulpverlening, en in het bijzonder vluchtelingenkampen, afhankelijkheid creëren. Later, in de SUV, bedenkt hij dat deze mensen nog maar kort vluchtelingen zijn: ‘Ze zijn nog onbedorven.’

    ‘Wees niet lui. Jullie moeten je eigen weg zien te vinden’

    Grandi heeft koorts, maar zijn rooster kent geen genade. In een donker pak staat hij onder een palmboom bij een temperatuur van 30 graden te luisteren naar verhalen van Zuid-Soedanese vluchtelingen, terwijl hij af en toe een geeuw onderdrukt. Na een tijdje staat hij op en vertelt de vluchtelingen dat er weinig geld is. Hij zegt dat ze niet mee moeten vechten in de oorlog: ‘Helaas gebeuren die dingen in elke oorlog. Zeg alsjeblieft tegen jullie mensen dat ze die dingen niet moeten doen.’ De boodschap is zorgvuldig geformuleerd om toekijkende regeringsfunctionarissen te overtuigen.
    Dit zijn de dilemma’s die Grandi tijdens zijn bezoeken en telefoongesprekken probeert op te lossen. In theorie zouden de Golfstaten een deel van de westerse bezuinigingen op ontwikkelingshulp kunnen compenseren, maar volgens Grandi is hun financiering onvoorspelbaar en vaak sterk politiek bepaald, gemotiveerd door specifieke doelen. De Golfstaten willen zelf bepalen waaraan hun geld wordt besteed. De UNHCR wil juist de flexibiliteit behouden om te reageren op noodsituaties en vergeten crises. Dat beschouwt de organisatie als essentieel voor haar onpartijdigheid.

    De Verenigde Arabische Emiraten stellen dat ze de ‘op een na grootste donor’ van de VN in Soedan zijn (al lijkt dat volgens VN-data niet te kloppen), maar het is ook algemeen bekend dat het land de paramilitaire RSF-groepen heeft bewapend. Tijdens een VN-donorvergadering in december raakten vertegenwoordigers van de VAE en Soedan verbaal slaags: de Soedanezen waren woedend over de brutaliteit van de Emiraten om zich als humanitaire helpers te presenteren, terwijl de Emiraten alle beschuldigingen ontkenden en beweerden dat Soedan zelf hulpverlening onmogelijk had gemaakt. Het compromis: de VAE doneren 15 miljoen dollar aan de UNHCR, voornamelijk bestemd voor Soedanese vluchtelingen buiten Soedan. De VAE zeggen tevens toe 550 miljoen dollar te storten in een mondiaal humanitair fonds. De besteding van dit geld blijft een zaak van de VN. De Soedanese regering kon niet anders dan hiermee akkoord gaan.

    Voor hulpverleners blijft het eeuwige dilemma wanneer zij misstanden moeten veroordelen en wanneer zij moeten zwijgen om toegang tot mensen in nood niet te verliezen. Het Rode Kruis kiest geen partij; de VN is genuanceerder. De getuigenissen van overlevenden van de wreedheden in El Fasher maakten Grandi’s werk op een wrange manier eenvoudiger: hij kon de RSF nu zonder terughoudendheid veroordelen. Maar daarmee ontstond ook een nieuw risico: naarmate de RSF oprukte, zouden burgers in andere steden mogelijk sneller op de vlucht slaan – en zou het gebrek aan tenten en capaciteit van de UNHCR des te zichtbaarder worden.

    Wereldwijde solidariteit

    Drie weken eerder was ik in Westminster Abbey geweest, waar Grandi een toespraak hield over wereldwijde solidariteit. Dezelfde dag kondigde het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken een reeks restrictieve immigratiemaatregelen aan. De opvallendste was een plan – later weer ingetrokken – om sieraden van asielzoekers in beslag te nemen om zo de kosten van hun opvang te helpen betalen. Voor een publiek dat bestond uit sympathisanten, weigerde Grandi de confrontatie aan te gaan. Hij benadrukte dat de principes van het Vluchtelingenverdrag vandaag de dag net zo geldig zijn als in 1951. ‘Willen we terug naar 1939?’ vroeg hij zich af. ‘Asiel is een van de mooiste gebaren die de mensheid te bieden heeft.’

    Het Vluchtelingenverdrag van 1951 – de internationale overeenkomst die deelnemende landen verplicht om mensen die op de vlucht zijn voor vervolging te beschermen – is het meest gekoesterde document van de UNHCR. Maar het is een ander document dat sommigen wellicht veronderstellen. Oorspronkelijk behelsde het geen wereldwijd recht op asiel: het gold alleen voor mensen die vóór 1951 in Europa ontheemd waren geraakt. Pas later, in 1967, breidde een protocol de bescherming uit tot de hele wereld. En zelfs toen bood het verdrag weliswaar bescherming tegen gerichte, nazi-achtige ‘vervolging’, maar in veel arme landen waren het eerder oorlog en failed states die aanleiding gaven tot vluchten. De beginselen berustten in de praktijk vaak op dubbele standaarden en worden inmiddels openlijk in twijfel getrokken.

    De toepasbaarheid van het verdrag is geleidelijk uitgebreid door regionale overeenkomsten en door juristen. Het schrijft niet voor dat vluchtelingen asiel moeten aanvragen in het eerste veilige land dat zij bereiken. Dat heeft een probleem gecreëerd. Honderden miljoenen mensen leven in kwetsbare staten. Moderne vervoermiddelen, mobiele telefoons en smokkelbendes hebben hun mogelijkheden om te reizen vergroot. Is het Westen verplicht hen allemaal op te nemen? Is het niet redelijk om grenzen te stellen?

    Handel als overlevingsstrategie aan de grens

    Aan de grens tussen Soedan en Tsjaad wordt dagelijks geïmproviseerd om te overleven. Dat beschrijft de Spaanse krant El País in een reportage over de stad Adré, waar bijna een miljoen Soedanese vluchtelingen zijn aangekomen sinds het uitbreken van de oorlog in april 2023.
    In de vroege ochtend steken ezels, beladen met graan, brandstof en tapijten, vrijwel ongehinderd de grens over. Formele controle ontbreekt grotendeels. In plaats daarvan is een informele economie ontstaan die draait op wederverkoop, ruilhandel en kleine prijsverschillen tussen beide landen. Waar voorheen goederen vooral vanuit Soedan naar Tsjaad stroomden, is die richting inmiddels omgekeerd.
    Op de markten rond de vluchtelingenkampen vermengen talen, valuta en handelsvormen zich. Betalingen vinden plaats in CFA-franken, Soedanese ponden en dollars; ruilhandel is even gebruikelijk. Jongeren kopen goederen in Tsjaad om ze met minimale winst in Soedan te verkopen. Voor velen is deze handel een noodzakelijke aanvulling op onregelmatige of ontoereikende humanitaire hulp.
    Vrouwen spelen een centrale rol. Ze kopen en verkopen voedsel, kleding of brandstof, vaak met marges die nauwelijks voldoende zijn om eten of medische zorg te bekostigen. Tegelijk circuleren geldstromen via informele netwerken, waarbij mobiele telefoons en tussenpersonen bankfuncties vervangen.
    Brandstoftransporten vinden openlijk plaats, terwijl een deel van de humanitaire hulp op de zwarte markt belandt. De veiligheid blijft fragiel; gewelddadige incidenten en aanvallen komen voor. Volgens de UNHCR is Adré een cruciaal toegangspunt voor hulp aan Soedan, maar de situatie toont duidelijk de grenzen van dat systeem.

    Alexander Betts en Paul Collier, beiden verbonden aan de Universiteit van Oxford, betogen dat het systeem tekortschiet. Mededogen moet verstandig worden georganiseerd, stellen zij. Het recht op asiel is geen recht om te gaan en staan waar je wilt. Vluchtelingen kunnen vaak het best geholpen worden in de regio van herkomst, waar het doorgaans makkelijker is werk te vinden en uiteindelijk terug te keren. Een minderheid van asielzoekers bereikt momenteel de grenzen van het Westen, dat miljarden betaalt voor de verwerking van hun asielaanvragen en huisvesting. Een mogelijke oplossing zou een breed akkoord kunnen zijn, waarbij rijke landen meer hulp en handelsmogelijkheden bieden aan probleemregio’s, in ruil voor het zelf opnemen van minder vluchtelingen en de mogelijkheid om niet-erkende vluchtelingen op humane wijze terug te sturen.

    Grandi heeft een hard hoofd in grootschalige hervormingen. Hij blijft ervan overtuigd dat Europa het aankan. In 2025 staken zo’n 41.500 mensen het Kanaal over in kleine bootjes. ‘Op één dag vluchten er soms 40.000 mensen uit Soedan naar Tsjaad. Ik vind dat we doorslaan met deze polemiek, die wordt aangewakkerd door de populisten.’ Het Westen heeft miljoenen vluchtelingen uit Oekraïne opgenomen, ‘zonder dat er een blad trilde, zoals we in Italië zeggen’. Die redenering is niet helemaal overtuigend. Het Oekraïense voorbeeld laat ook zien dat solidariteit het beste werkt wanneer die regionaal is: de Europese bevolking voelt eerder een morele verplichting jegens Oekraïners dan jegens Syriërs of Soedanezen.

    Vreest Grandi niet dat het verdrag in zijn huidige vorm de populisten in de kaart speelt? ‘Zelfs als dat risico er is, wil ik dat niet bestrijden door het verdrag af te schaffen. Migratie is de prijs die je betaalt voor rijkdom.’

    Oplossing

    Half november plaatste Trump een bericht dat hij, op verzoek van Saoedi-Arabië, zou proberen stabiliteit te brengen in Soedan, ‘de meest gewelddadige plek op aarde, maar een grote beschaving en cultuur’. Daar kon Grandi zich aan vastklampen. ‘Natuurlijk spelen ook zijn eigen ijdelheid en de mineralen een rol, en wat dan ook nog meer – maar vrede is nooit een zuiver proces; er speelt altijd meer mee.’ Zijn hoop was waarschijnlijk vergeefs. Denise Brown, de VN-coördinator in Soedan, meldde onlangs dat er geen oplossing in zicht is.

    Tijdens Grandi’s verblijf in Soedan maakte het Witte Huis een Nationale Veiligheidsstrategie bekend waarin de VN niet eens werden genoemd. De president had een vredesakkoord aangekondigd in de Democratische Republiek Congo, waar de VN wederom vrijwel onzichtbaar waren. Hij presenteerde een Raad van Vrede, die volgens hem de VN mogelijk zou kunnen vervangen.

    Barham Salih, voormalig president van Irak en zelf tweemaal vluchteling, is genoemd als opvolger van Grandi. Salih betoogt dat de hoge commissaris afkomstig moet zijn uit de regio met de grootste vluchtelingencrisis. Zijn benoeming duidt er wellicht op dat de Europese aanspraken op een humanitaire leiderspositie aan het verzwakken zijn – er is misschien een politicus nodig om de UNHCR uit de brand te helpen.

    Sommige hulpdeskundigen zagen Grandi’s ambtsperiode als een gemiste kans om lessen te trekken uit de Syrische vluchtelingencrisis en de UNHCR aan te passen aan een nieuw tijdperk van terugtrekkende westerse betrokkenheid. De afhankelijkheid van Amerikaanse financiering is onhoudbaar. ‘We keren niet terug op onze schreden,’ zegt Sara Pantuliano, directeur van de denktank Overseas Development Institute. ‘Grandi is een uitzonderlijk integer mens. Maar ik kan niet zeggen dat hij genoeg heeft gedaan om de hedendaagse uitdagingen het hoofd te kunnen bieden.’

    Mogelijke betrokkenheid van Ethiopië

    Volgens een onderzoek van Reuters bevindt zich in Ethiopië een geheim trainingskamp voor strijders van de Rapid Support Forces (RSF), de paramilitaire groep die vecht tegen het Soedanese leger, schrijft Courrier International. Satellietbeelden tonen een kamp in de regio Benishangul-Gumuz, vlak bij de grens met Soedan.
    Bronnen stellen dat de Verenigde Arabische Emiraten de bouw financieren en steun leveren. De onthulling wijst op een mogelijke verdere regionalisering van de oorlog, die sinds 2023 al honderdduizenden doden en miljoenen ontheemden heeft veroorzaakt.
    Ethiopië heeft niet gereageerd en ontkent indirecte betrokkenheid. Analisten spreken van een ‘aanzienlijke escalatie’ van het conflict in de Hoorn van Afrika.

    Eén optie is een fusie met de Internationale Organisatie voor Migratie, een VN-orgaan dat historisch gezien meer onder invloed staat van de VS. Een andere optie: meer taken delegeren aan lokale groepen die efficiënter hulp kunnen verlenen.

    Grandi, die vrijgezel is en geen kinderen heeft, is geheel opgegaan in zijn werk, dat tientallen jaren omspande, op diverse plekken in het buitenland. ‘Je moet offers brengen. Al hou ik niet eens van dat woord. Je moet keuzes maken.’ Ik vraag me af of hij nu twijfelt aan zijn eigen keuzes. Afghanistan is weer in handen van de Taliban; Gaza ligt in puin. Hij kiest ervoor zich de goede dingen te herinneren. Toen de taliban vielen, konden Afghaanse vrouwen die aan de VN verbonden waren weer aan het werk. ‘Ik denk aan de vrouw die later mijn secretaresse werd. Ze kwam het kantoor binnen, pakte een boerka, verscheurde deze en wierp hem zo ver mogelijk van zich af. Ik krijg er nog steeds kippenvel van. Dat was de mentaliteit. En die werd hun niet opgelegd: zij wilden het zelf. (…)

    Ik geloof dat het Bush junior was die zei dat de VS nooit meer aan state building zouden doen. Wat een strategische fout! Het gebrek aan functionerende staatsinstellingen is de wortel van alle problemen die we hier zien.’ Zijn eigen les uit Afghanistan is niet geweest dat het Westen het niet moet proberen, maar dat het geen kans moet laten liggen. ‘Volgens mij laat de internationale gemeenschap nu een kans in Syrië liggen: te traag, te aarzelend, te veel twijfel: Moeten we ze wel of niet helpen? Soms moet je risico’s nemen.’

    In de laatste dagen van Grandi’s ambtsperiode kondigde de VS 2 miljard dollar aan humanitaire financiering voor de VN aan: een fractie van wat Washington vroeger schonk, maar nog steeds beter dan niets. ‘Ze willen niet als niet-humanitair worden gezien.’ Hij heeft al lang geleden geleerd dat je als je hart voor de zaak hebt, compromissen moet sluiten. Vaak betekent dat: vasthouden aan wat er overblijft.

  • Nation of strangers. Wat betekent het om thuis(loos) te zijn?

    Nation of strangers. Wat betekent het om thuis(loos) te zijn?

    Schrijver en politiek denker Ece Temelkuran schreef een persoonlijk boek over de begrippen ballingschap en migratie. En over het concept ‘thuis’, ‘een begrip dat in de eenentwintigste eeuw totaal nutteloos is’.

    Ece Temelkuran in de Balie

    Tijdens Dear stranger with Ece Temelkuran, op woensdag 22 april om 20:00 uur in de Grote Zaal van De Balie, gaat Temelkuran in gesprek over haar nieuwe boek Nation of Strangers. De avond draait om thema’s als ontheemding, democratie en de vraag wat het betekent om je ergens thuis te voelen.

    Tickets en meer informatie vind je via debalie.nl.

    Net als bij de valse profeten uit de ‘Hel’ van Dante is zijn hoofd [dat van de balling] voor eeuwig naar achteren gekeerd en lopen zijn tranen, loopt zijn speeksel, tussen zijn schouderbladen omlaag.
    Joseph Brodsky, On Grief and Reason

    Hamburg, juni 2022

    Lieve vreemdeling,

    Ik hoop dat je meer doet dan alleen overleven, als dat vandaag de dag tenminste mogelijk is voor wie dan ook. Boven op alle wereldwijde rampen die de westerse media als bijzaak behandelen, verkeert Europa momenteel ook nog eens in oorlog. En daardoor hoor ik veel mensen praten over het gevaar van het fascisme in West-Europa. Dat rotding achtervolgt me overal. Vrienden zeggen zelfs dat ik het met me meesleep.

    Ik schrijf je vanuit Hamburg, waar het koud is, bitter koud. Voor het eerst is het weer een gespreksonderwerp in mijn leven. Het is niet de ijskoude midzomer, maar het meedogenloze geweld van de wind. Hij laat je haar verdomme niet met rust en gaat uiteindelijk in je hoofd zitten.

    Waarom ben ik hier in godsnaam? Nou, het onomwonden antwoord is: na zes jaar Zagreb, mijn cocon ter grootte van een stad, moest ik een halfjaar weg uit Kroatië vanwege enkele stomvervelende kwesties rondom mijn verblijfsvergunning waar ik je niet mee zal vermoeien.

    Het plan voor na dat halve jaar is nog steeds vaag, maar het ziet ernaar uit dat ik voorlopig in Duitsland moet blijven, verdreven uit de cocon, terug de echte wereld met andere mensen in. Na zes comfortabele jaren als een nobody in mijn hoofd te hebben geleefd, waarvan de laatste twee in lockdown vanwege de pandemie, ben ik in de omgang met anderen net een te vroeg ontpopte vlinder.

    Mensen die elkaar voor het eerst ontmoeten stellen vaak vragen als: ‘En wat doe jij?’, wat betekent: ‘Wie ben jij?’ En binnen de kortste keren is ‘mijn situatie’ dan het gespreksonderwerp.

    Mensen die elkaar voor het eerst ontmoeten stellen vaak vragen als: ‘En wat doe jij?’, wat betekent: ‘Wie ben jij?’

    Zie je, ik had maar vier vrienden in Zagreb. Ze hadden allemaal de oorlog van de jaren negentig meegemaakt, en daarom namen ze nooit de moeite me stomme vragen te stellen over ‘situaties’. Tussen ons bestond de stilzwijgende overeenkomst om zonder sentimenteel gedoe door te gaan met ons leven, wat mijn bevroren hart goed uitkwam.

    Maar nu, in Hamburg, leer ik mensen kennen, en allemaal stellen ze me vragen. In elk geval heb ik het geluk dat een Hamburgse organisatie me benaderde voor een fellowship, net toen ik uit Zagreb weg moest. Al betekent dat wel dat ik hier moet schrijven en nadenken. Ik doe geen van beide. Ik hou me gewoon gedeisd.

    De afgelopen zes jaar waren een bikkelharde strijd, ik had voortdurend het idee dat ik aan het klimmen was. En nu, op dit volmaakt vlakke plateau, klamp ik me als een doordraaiende bergbeklimmer uit alle macht vast aan het leven.

    HO1 Nation of strangers compressed

    Comfort voelt gekmakend onzeker, als iets wat jeukt in je binnenste. Het is alsof ik ben vergeten wat je doet als je niet alleen maar bezig bent met overleven. Wat me zo raakt, denk ik, was dat ik wegging uit Zagreb en voor de tweede keer ontheemd raakte.

    Mijn kracht om helemaal opnieuw te beginnen moet zijn uitgeput en ik voel me inmiddels een vervloekt, duister, zwevend ding, een vreemde vogel, apart genomen en uitgezonderd van de zwaartekracht.

    Het is alsof ik ben vergeten wat je doet als je niet alleen maar bezig bent met overleven

    Het vermoeiendst is nog dat de inwoners telkens dezelfde zin herhalen: ‘Hamburg is de mooiste stad van Duitsland.’ Het probleem is dat het daar niet bij blijft en ze over de meren beginnen: ‘Zijn ze niet prachtig?’ Ik zou dolgraag zeggen: ‘Nee, dat zijn ze niet. Het zijn gewoon bruine modderpoelen!’
    Maar ja, als je een vreemdeling bent, moet je je beleefd tevredenstellen met wat de mensen die gesetteld zijn je toewerpen. Feit is dat nieuwe steden voor mij frustrerende speeltjes zijn geworden. Omdat ik weet dat ze me worden afgenomen zodra ik heb uitgevogeld hoe ze werken, veins ik slechts dat ik er belangstelling voor heb.

    Laatst stond ik, na het doktersbezoek, aan de oever van zo’n ‘prachtige’ bruine modderpoel. De zon ging onder en ik werd overvallen door een vlaag esprit de l’escalier na mijn diagnose: heimwee.

    Waarom had ik niet tegen de dokter gezegd dat het woord ‘heimwee’ passé is, en dat het concept ‘thuis’ in de eenentwintigste eeuw totaal nutteloos is, en dat je thuis voelen sowieso altijd al iets verraderlijk, ergerlijk conservatiefs was, en ik kan toch geen cliché zijn, en dat, nu we het er toch over hebben, aangezien ik uit Istanboel kom, ik bedoel maar, als je zó’n stad achterlaat, een stad zo schitterend dat je haar bij zonsondergang met stom ontzag vergeeft dat ze je de hele dag met huid en haar heeft verslonden, doet elke mindere stad je denken aan lelijke eega’s waarmee mensen getrouwd zijn om niet opnieuw met huid en haar te worden verslonden door de liefde, en dat, en dat…

    Maar ineens viel mijn blik per ongeluk zo op de poel dat die er precies zo uitzag als de Bosporus. Ik verstijfde. Voordat ik de vergissing inzag had ik mijn ogen al tot spleetjes geknepen, waardoor het was alsof ik de skyline van Istanboel voor me zag.

    Ik praatte wat in mezelf, lachte, huilde misschien zelfs een beetje

    En een fractie van een seconde – nee, ik miste thuis niet – was ik terug in mijn oude lichaam, was ik nog niet overmand door die bittere onverschilligheid, dat onvermogen om schoonheid te zien. Ik verlangde ergens naar, maar niet naar een stad. Ik miste wie ik ooit was, dat idee van in mezelf zijn, dat gevoel van compleetheid, echtheid, van kunnen voelen.

    Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. Ik bezatte me in een kroeg en werd overvallen door een vlaag van waanzin. Ik ging naast een olijfboom op de stoep zitten, leunde met mijn hoofd tegen de stam. Ik praatte wat in mezelf, lachte, huilde misschien zelfs een beetje. Ken je dat? Dat je met je hele wezen gelooft dat alleen de wijsheid van een oude zwerfhond of de compassie van een boom tegenwicht biedt aan alles wat ongezegd is gebleven?

    Wat een flauwekul, dacht ik, onze aanwezigheid hier, die van die olijfboom en mij, zo hoog in dat klotenoorden. Twee meiden van rond de Middellandse Zee, wankelend, huiverend, nog steeds verbitterd giechelend.

    Olijfbomen in Hamburg hebben langere blaadjes en zijn te hoog voor hun jaren. Na er de afgelopen maanden heel wat te hebben gezien weet ik zeker dat ze op hun tenen hebben leren staan in een wanhopige poging naar het zonlicht te reiken. Voor hun donkergroene, knoestige, dwergachtige weerbarstigheid is een bleke, broze kwetsbaarheid in de plaats gekomen. Ze nemen bizarre vormen aan om het te kunnen volhouden in deze nukkige landen, waar ze zich niet kunnen uitdrukken in hun moedertaal van zon en zout. Ze krijgen te weinig voedsel om tot bloei te komen, waardoor ze, wanneer het seizoen aanbreekt om vrucht te dragen, sprakeloos blijven, als een vrouw die door een miskraam uit het lood is geslagen.

    Het zijn geen olijfbomen meer, ze zijn iets heel anders, onherkenbaar, iets wat terugverlangt naar wat het ooit was. Ik omhelsde de broze, jonge olijfboom. Beiden even sprakeloos moeten we eruit hebben gezien als twee gevallen kameraden. Een vreemde vogel en een gemuteerde boom.

    Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben in dit onbekende oord, bedenk ik dat ik een andere stem moet zien te vinden, een nieuwe

    Twee dolende lichamen die hebben geleerd dat hun zenuwen worden doorgesneden wanneer ze ontworteld raken. En zenuwen groeien, anders dan huid, spieren en botten, nooit meer aan. Zijn ze eenmaal doorgesneden, dan verandert een aanraking van het vlees in data, in iets verstandelijks. Er opent zich een verwarrende kloof tussen weten hoe zwaar de aanraking weegt en het lichte gevoel ervan. De aanraking roept in de diepte van het vlees slechts een weerklank van zichzelf op. Na verloop van tijd raak je eraan gewend het besef van de aanraking te koppelen aan hoe die hoort te voelen. Je leert met gepaste vrolijkheid te glimlachen. Je laat je nooit uit over het gevoel dat anderen je koud laten, die bittere onverschilligheid waaruit je geleidelijk gaat bestaan. Weet je wat? Laat die anderen toch zitten. Je weet niet meer hoe je moet voelen en of je eigenlijk nog wel iets voelt.

    Daarom had ik zes jaar lang die scheve grijns, dat halfslachtige ding dat doet denken aan een verschrompelde olijftak die al heel lang dood is. Een laagje sarcasme om het medelijden van de mensen die gesetteld zijn mee af te weren. Make-up om de angst te verhullen dat zal blijken wie ik tegenwoordig ben: een automaat die niets voelt, een overlevingsmachine die het ontbreekt aan woorden om uit te drukken wie ze écht is.

    Elke keer wanneer ik die grijns tevoorschijn tover, dat gevoel dat ik niet echt leef, komt mijn stem me weerzinwekkend voor, zigzaggend tussen twee versleten clichés: het gejammer van het slachtoffer om het verloren land van herkomst en het cynische geblaas van de overlever naar een toekomst die er niet is. Misschien ken ik die nieuwe, ontheemde versie van mezelf niet, maar ik weet dat dit mijn stem niet kan zijn: dat ben ik niet. Een onhoudbare aarzeling, als een trillende olijfboom, uitgeput van op haar tenen staan. Na de dokterspraktijk weet ik dat ik moet gaan praten. Omdat ik inmiddels bang ben geworden dat ik echt ziek word van niet praten. En als je ontheemd bent, kun je het je niet permitteren om ziek te worden. Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben in dit onbekende oord, bedenk ik dat ik een andere stem moet zien te vinden, een nieuwe.

    HO1 Ece Temelkuran compressed
    © Maximilian Goedecke

    Thuisloos gemaakt

    De Turkse schrijver en politiek denker Ece Temelkuran neemt in Nation of Strangers haar eigen ervaring van ’thuisloos worden’ als uitgangspunt. Ze verliet Turkije in 2016 nadat ze hoorde dat ze gearresteerd kon worden wegens kritiek op Erdoğans regime. Sindsdien schrijft ze uitsluitend in het Engels.

    In een interview over haar recente boek met The Observer begint Temelkuran als eerste over het woord ‘exile’, dat voor haar een veel te romantische bijklank heeft. ‘Het leent zich te makkelijk voor een verhaal waarin ik een exotische jonkvrouw in nood ben die vlucht voor een tiran en toevlucht vindt in het beschaafde Westen.’ Omdat ze er niet op uit is om ‘mensen zich goed te laten voelen’, terwijl overal politieke branden woeden, kiest ze voor een universelere beschrijving en noemt zichzelf ‘unhomed’ – thuisloos gemaakt. Zelfs wie gewoon thuis op de bank zit kan moreel, politiek en spiritueel zijn thuis verliezen. Het Amerika van Trump, zegt ze, is daar het levende bewijs van.

    Over de psychologie van het verlies van thuis is ze concreet en nuchter: het splijt de persoonlijkheid in tweeën, je verdooft jezelf om die breuk te overleven, en je gevoel voor tijd raakt verstoord. Je wacht voortdurend op het moment dat alles weer wordt zoals het was – maar dat moment, stelt Temelkuran onomwonden, gaat niet meer komen. Zelfs in Davos, merkt ze droogjes op, gaven ze dat onlangs eindelijk toe.

    Dan is er een andere belangrijke woordkeuze, die van het begrip fascisme, dat ze consequent gebruikt in plaats van omschrijvingen als ‘alt-right’ of ‘extreemrechts’. Volgens haar omzeilen veel mensen die erkenning ‘omdat je er dan ook iets aan moet doen’. Ze beschrijft hoe ze tien jaar lang als een Cassandra rondliep, waarschuwend dat fascisme ook naar het Westen zou komen.

    Het boek is opgebouwd als een reeks persoonlijke brieven aan de lezer. Temelkuran wil een fluistering zijn te midden van al het lawaai, een uitnodiging tot een ander soort gesprek: ‘Wat hebben we verloren, en wat voor wereld willen we bouwen?’ Ze pleit voor bescheidenheid én vertrouwen, als tegengif voor het heersende cynisme.

    Een van de indringendste scènes in Nation of Strangers is haar ontmoeting met Miquel, een dakloze man die haar zonder omhaal ondervraagt. Die confrontatie laat haar inzien dat ze in twee werelden leefde: die van het intellectuele debat, met zijn eigen vocabulaire, en die van mensen die de harde realiteit van thuisloosheid elke dag voelen. Het verschil? ‘Niemand uit de eerste wereld, behalve misschien Yanis Varoufakis, vroeg me ooit of ik geld had. Wanneer je een immigrant ontmoet, is dat het eerste wat ze vragen.’

    Thuis is voor haar inmiddels meer een veilig gezelschap van vrienden dan een plek. In Berlijn, haar huidige woonplaats, verdween bijvoorbeeld iedereen met de kerst.

    Temelkuran gebruikt schoonheid als overlevingsstrategie en als moreel kompas. Ze keert zich expliciet tegen de neoliberale definitie van de mens als zelfzuchtig individu dat over anderen heen klimt. ‘Ik zeg precies het tegenovergestelde: we overleven alleen door schoonheid in elkaar te zien, en door samen schoonheid te scheppen.’ Het is, zegt ze, het enige wat ons menselijk houdt wanneer alles instort.
    (360 magazine)

  • Hoe vluchtelingen een stad uit het slop trokken – in plaats van andersom

    Hoe vluchtelingen een stad uit het slop trokken – in plaats van andersom

    Een stad in de staat Nebraska maakt gebruik van de ambitie van vluchtelingen en biedt ze een woonplek om vergeten buurten een nieuwe impuls te geven.

    Omaha in Nebraska, een stad met een half miljoen inwoners pal in het midden van Noord-Amerika, staat met recht bekend om zijn heerlijke steaks, zijn gulle miljardairs en zijn lange traditie van steun voor progressieve doelen. De laatste jaren wordt de stad ook geprezen om de wijze waarop ze de hulp aan vluchtelingen en andere migranten combineert met stadsvernieuwing. Particuliere donateurs, non-profitorganisaties en ambtenaren van ruimtelijke ordening hebben er met vereende krachten al tal van achterstandsbuurten uit het slop getrokken door van nieuwkomers uit Azië en Afrika welvarende huizenbezitters te maken.

    Navolging

    Het Omaha-model, dat inmiddels navolging vindt in andere gemeenten, is heel simpel: benut de ambitie en energie van deze jonge gezinnen door ze te huisvesten in stedelijke gebieden die door leegloop en verwaarlozing zijn afgegleden. Hoe sterker de achteruitgang in een buurt, hoe goedkoper de huizen en hoe groter de kans dat vluchtelingen bereid zijn in de buurt te investeren. In Omaha hebben sinds het begin van deze eeuw al driehonderd gezinnen dat gedaan, allemaal via de lokale non-profitorganisatie Habitat for Humanity. En andere organisaties volgen dat voorbeeld, zodat een eigen huis in Omaha voor duizenden vluchtelingen een haalbare kaart wordt.

    Benut de energie van jonge gezinnen door ze te huisvesten in stedelijke gebieden

    Neem het nieuwbouwproject Bluestem Prairie in het noorden van de stad. Dat verrees daar in 2023, toen Habitat for Humanity begon met het opknappen van de wijk die voorheen bekendstond als Myott Park. Op een gegeven moment was er daar zo veel criminaliteit dat de gemeente besloot de buurt onbewoonbaar te verklaren en de huizen met bulldozers platgooide. Habitat betaalde de gemeente 186.501 dollar per leeg perceel en stak bijna 30 miljoen dollar in de aanleg van nieuwe straten en de bouw van 85 huizen, die vervolgens voor pakweg 260.000 dollar per stuk werden verkocht. Nu wonen er in Bluestem Prairie veel voormalige vluchtelingen uit Afrika, Nepal en Myanmar, en de organisatie wil er in 2026 nog dertig woningen bij bouwen. Zo geeft ze een nieuwe draai aan de oude stedenbouwkundige wijsheid ‘Ga maar bouwen en de mensen komen vanzelf’. In Omaha is het eerder: ‘De mensen komen, dus wat kunnen we met hen opbouwen?’

    Die mensen zijn in dit geval vluchtelingen. Zoals Than Sein, die in 1979 op zijn negentiende uit Birma vluchtte om aan de militaire dienst te ontkomen. In een Thais vluchtelingenkamp leerde hij Ye Ye Aye kennen, met wie hij is getrouwd. Ze kregen een dochter en werkten in de koffiebonenverwerking op een nabije plantage. En ze wachtten af. 

    Na meer dan veertig jaar kon Than in 2023 dan eindelijk met zijn familie naar Nebraska, als onderdeel van een programma waarin de staat dat jaar 844 vluchtelingen opnam. Afgelopen september kregen Than Sein en Ye Ye Aye hun eerste in de VS geboren kleinkind. Een paar dagen later sloten ze een hypotheek af voor een huis in Bluestem Prairie. Nadat de familie decennialang op de vervulling van hun Amerikaanse droom had gewacht, duurde het vervolgens maar 27 maanden voordat ze de sleutels van hun eerste eigen huis in ontvangst mochten nemen.

    ‘Met dit soort op huizenbezit gerichte projecten investeer je in mensen en stimuleer je de welvaart van de werkende klasse over de hele breedte. Niet alleen onder de vluchtelingen die een huis kopen, maar ook onder bestaande wijkbewoners die hun buurt erop vooruit zien gaan,’ aldus Marty Shukert, voormalig hoofd Ruimtelijke Ordening en Stadsontwikkeling bij de gemeente en tegenwoordig als stedenbouwkundige actief bij RDG Planning & Design. ‘Dankzij hen wordt leegstaande ruimte weer in gebruik genomen, stijgt de belastingopbrengst en gaat de buurt er beter uitzien, doordat het onderhoud niet langer de verantwoordelijkheid is van een verhuurder maar van de bewoner zelf,’ zegt hij.

    ‘Dankzij hen wordt leegstaande ruimte weer in gebruik genomen, stijgt de belastingopbrengst en gaat de buurt er beter uitzien’

    Alleen al door de huizen die Habitat aan de man heeft gebracht, steeg de opbrengst van de gemeentelijke onroerendgoedbelasting van 738.998 dollar in 2018 naar 2.166.234 dollar in 2023, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn.

    AM huizen habitat compressed
    Met behulp van Habitat opgeknapte huizen. – © Envoy Mag

    De invloed van deze nieuwkomers is goed zichtbaar in de wijk Clifton Hill, waar nette, door de organisaties gebouwde of opgeknapte huizen uitkijken op verkrotte, dichtgespijkerde woningen die er vaak al jaren leegstaan. In sommige straten wonen alleen maar Afrikaanse vluchtelingen: merendeels Zuid-Soedanezen en Somaliërs, en hier en daar wat Kenianen, Ethiopiërs en Burundezen.

    Maar het huisvestingsprogramma voor vluchtelingen krijgt ook kritiek. ‘Er zijn spanningen in North Omaha,’ zegt Lacey Studnicka van de lokale afdeling van Habitat for Humanity. ‘Er heerst een misvatting dat we alleen vluchtelingen of immigranten helpen.’ Geboren inwoners van de stad komen net zo goed in aanmerking voor die huizen als buitenlandse gegadigden, zegt ze. Alleen kiezen ze er vaak niet voor, omdat ze de buurt te gevaarlijk vinden of niet willen dat hun kind van school moet veranderen. Studnicka’s collega bij Habitat, de in Afrika geboren Dina Luka, legt uit dat Zuid-Soedanezen zoals zij daar niet zo snel voor terugschrikken. ‘Wij staan daar anders in,’ zegt ze. ‘Velen van ons komen immers uit een oorlogsgebied.’

    Tegenbeeld

    Het is het levende tegenbeeld van de MAGA-boodschap dat immigranten allemaal criminelen zijn die Amerikanen hun banen afpakken en de straten onveilig maken. Vluchtelingen met een verblijfsstatus zijn de absolute tegenpool van zogenaamde ‘illegalen’: ze worden vaak aan een strenge selectie onderworpen voordat ze überhaupt naar de VS mogen komen. Het kan tientallen jaren duren voordat ze worden toegelaten. En dan zijn ze inmiddels volledig legale immigranten, met een werkvergunning en uitzicht op naturalisatie.

    Trump-stemmers die zeggen dat ze niets tegen immigranten hebben, alleen tegen criminelen, zullen niet snel een immigrant vinden die zich braver aan de wet houdt dan Sam Mangong (56). Deze bevlogen klusser, een Dinka uit Zuid-Soedan die voor de Amerikaanse strijdkrachten heeft gewerkt, is al aan zijn derde huis toe in het kader van een ambitieus project om buurten met leegstand van nieuwe huiseigenaren te voorzien. Hij heeft een bedrijf in patiëntenvervoer en woont in Clifton Hill, de oude zwarte wijk waar de wieg stond van Malcolm Little (beter bekend als Malcolm X) en waar beroemdheden vandaan komen als de oude sporthelden Bob Gibson en Gale Sayers en de huidige bokskampioen Terence Crawford.

    Mangong was een van de duizenden Soedanese vluchtelingen die in de Verenigde Staten werden toegelaten en door de immigratiedienst over het land zijn verspreid. Nebraska telt momenteel het grootste aantal Dinka, Nuer en Fur (uit Darfur) buiten Oost-Afrika, met ruim tweeduizend gezinnen uit deze bevolkingsgroepen. Nog niet de helft van hen heeft een eigen huis, maar het aantal huizenbezitters stijgt wel, evenals onder andere groepen Afrikaanse nieuwkomers. Net als Mangong dragen zij zo hun steentje bij aan het herstel van wijken die tientallen jaren met leegstand en verwaarlozing hebben gekampt.

    Mangong kwam in 2002 naar de VS en meldde zich in 2003 al bij Habitat aan als vrijwilliger voor een renovatieproject. Dat is een voorwaarde die de organisatie stelt aan huizenbezitters in spe: dat ze 350 uur vrijwilligerswerk doen, klussen zoals bouwpuin afvoeren en cement mixen. Zo kocht Mangong in 2004 zijn eerste huis met een hypotheek van 79.000 dollar. Van Habitat kreeg het gezin een renteloze lening van 10.000 dollar om de verhuiskosten te dekken. Toen ze er vijf jaar woonden, werd die lening kwijtgescholden.

    Van Habitat kreeg het gezin een renteloze lening van 10.000 dollar om de verhuiskosten te dekken. Toen ze er vijf jaar woonden, werd die lening kwijtgescholden.

    In sommige delen van de stad worden complete straten bewoond door Somaliërs en Zuid-Soedanezen, die hier begin deze eeuw als vluchtelingen aankwamen. Andere bevolkingsgroepen die je er vindt zijn Nepalezen en Birmezen, met name Karen die zijn verjaagd uit het land dat zich nu Myanmar noemt. In North 45th Avenue, ooit de belangrijkste winkelstraat in het zwarte deel van Omaha, vind je nu een reeks kleine winkelcentra en eettentjes van allerlei afkomsten: Nepalees, latino, Caribisch, Zuidoost-Aziatisch en Oost-Afrikaans. ‘Kamelenmelk te koop’ staat op de voordeur van een winkel van een Somaliër die zijn winkelruimte deelt met een geldkantoor waar naast de Keniaanse, Ethiopische en Somalische vlag de logo’s prijken van agentschappen met namen als Tawakal Express, EVC Plus en Sahal Services.

    Fufu-buffet

    In het westelijk deel van Omaha zit een bloeiende West-Afrikaanse gemeenschap van voornamelijk Togolezen en Burkinezen. Die zijn op een andere manier in Nebraska beland, meestal doordat ze in de VS kwamen studeren. In de African Cocktail Lounge in deze buurt is het op donderdag ladies night, en de hele week kun je er terecht voor een Fufu-buffet. De haarsalons worden merendeels door West-Afrikanen gerund, in de moskeeën tref je vooral Somaliërs en Kenianen.

    Habitat for Humanity heeft hier al meer dan 130 Soedanese gezinnen aan een huis geholpen. En dankzij de organisaties Holy Name Housing, GESU Housing en Project Houseworks hebben nog eens minimaal vijftig vluchtelingen een koophuis kunnen vinden, gezinnen die hun huis zelf onderhouden en onroerendgoedbelasting betalen. De organisaties richten zich meestal op probleemwijken; daar krijgen ze lege kavels waar onbewoonbaar verklaarde woningen al door de gemeente zijn gesloopt. Vaak staan er ook nog een paar van zulke woningen overeind, in het oog springende symbolen van verval tussen de huizen die door vluchtelingen worden bewoond en onderhouden.

    Het toeval wil dat Nebraska met vier andere traditioneel Republikeinse staten (Kentucky, Idaho en North en South Dakota) sinds 2010 tot de koplopers behoort als bestemming voor toegelaten vluchtelingen. Tot 2025 nam de staat jaarlijks ongeveer achthonderd vluchtelingen op. Maar toen trok de regering-Trump de stekker uit het toelatingsbeleid.

    Helpen bij de bouw

    Niet ver van waar Mangong woont vertelt een andere Dinka, Josephina Ayok (62), hoe zij aan haar koophuis is gekomen. Ook zij weet nog dat ze in de weekenden gratis kwam helpen bij de bouw van nieuwe huizen. Dan zongen ze liedjes uit hun land van herkomst en aten ze elkaars traditionele gerechten. ‘Zo bouwen we in Afrika ook,’ zegt ze. ‘Voor ons is het niets nieuws. Maar ik heb er wel veel geleerd.’

    Zij en haar man werkten destijds voor Tyson Foods, nog steeds een van de grootste vleesverwerkende bedrijven in Omaha. Ze kochten hun huis voor 132.000 dollar en kregen een lening van 15.000 dollar als bijdrage aan de afsluitkosten. Hun maandlasten bedragen nu zo’n 800 dollar. Dat is meer dan ze ooit aan huur hebben betaald, alleen is dit ook een vorm van sparen, omdat het huis zo stukje bij beetje van hen wordt. ‘Het is net huurkoop,’ zegt ze.

    manggold w daughter 1
    Nieuwe bewoners in Ohama. – © Envoy Mag

    Door van huurders huiseigenaren te maken help je niet alleen de belastingopbrengst te verhogen en leegstand te bestrijden. Het verbetert ook de leefbaarheid, doordat de verantwoordelijkheid voor het onderhoud niet langer bij een verhuurder ligt, maar bij de bewoners zelf. En je verhoogt de welvaart van de werkende klasse over de hele breedte: niet alleen bij de vluchtelingen die huizen kopen, maar ook bij bestaande bewoners die met de komst van de nieuwkomers de waarde van hun huis zien stijgen. Vluchtelingen zijn meer dan alleen betrouwbare arbeidskrachten in toonaangevende sectoren in de stad. Ze vormen ook de kritische massa die een verloederde wijk van het ene op het andere moment weer in een welvarende buurt kan veranderen. 

    Volgens Patricia Evans, die vroeger voor de huisvestingsdienst van de gemeente werkte en nu leiding geeft aan de non-profitorganisatie GESU Housing, vallen de meeste aanvragers voor hulp bij de aankoop van een huis in een van de twee volgende categorieën: ‘Alleenstaande vrouwen, meestal zwart, meestal met kinderen; of vluchtelingengezinnen, meestal tweeverdieners.’ Bijna twee derde van de huizen die GESU in de afgelopen tien jaar heeft verkocht, 58 woningen in totaal, zijn naar vluchtelingen gegaan. Meestal naar Zuid-Soedanezen, en de laatste tijd ook steeds vaker naar uit Myanmar verdreven Nepalezen. 

    Je verhoogt de welvaart van de werkende klasse over de hele breedte: niet alleen bij de vluchtelingen die huizen kopen, maar ook bij bestaande bewoners

    Volgens Evans zijn alleenstaande Amerikaanse ouders vaak wel ‘arm genoeg’ om aanspraak te maken op overheidssubsidie, maar is hun financiële situatie doorgaans onzeker; vaak hebben ze te hoge schulden in verhouding tot hun inkomsten om in aanmerking te komen voor federale hulp aan werkende armen. 

    Bij vluchtelingen ligt dat anders, legt Evans uit. Van het schuldverleden dat Amerikaanse aanvragers vaak parten speelt, hebben zij zelden last. Ze zijn nog niet lang genoeg in het land om er al veel schulden, laat staan betalingsachterstanden te hebben opgebouwd. Doordat echtparen hun inkomens kunnen bundelen en kunnen rekenen op hulp van landgenoten die hier al gevestigd zijn, hebben ze ook een vangnet dat uitkomst kan bieden bij tegenslagen als ontslag of gemiste werkdagen door ziekte. Executieverkopen zijn in deze markt voor de lage inkomens dan ook een zeldzaamheid, vooral doordat de meeste gezinnen niet van één inkomen afhankelijk zijn voor de afbetaling van hun hypotheek.

    Wat ze in Omaha heel slim doen, is nieuwe huizenbezitters werven op de werkplaats. Bij Tyson Foods bijvoorbeeld, dat in 2023 dertig werknemers aan een huis hielp via Habitat, en er sindsdien nog meer geholpen heeft. Than Sein was een van deze mensen. De 65-jarige vluchteling, die zijn functie omschrijft als ‘vleesstilist’, heeft een jaarloon van circa 45.000 dollar, een bedrag dat hij kan verhogen door overuren te maken. Nu hij een hypotheek heeft om af te betalen, en een kleinkind, is hij voorlopig nog niet van plan om met pensioen te gaan. ‘Zolang ik gezond ben, blijf ik werken,’ zegt hij met een glimlach.

    Familiehereniging

    Ook familiehereniging is een belangrijke motor in het stadsherstel van Omaha. Neven en nichten, broers en zussen en schoonfamilie van nieuwbakken huiseigenaren vormen weer een nieuwe doelgroep van potentiële huizenbezitters, dankzij wie de huidige eigenaren kunnen doorstromen naar grotere huizen in mooiere wijken. Met een goed toelatingsbeleid voor vluchtelingen kan het stadsherstel dat met deze generatie is begonnen ook worden doorgezet in de volgende. 

    Het minder goede nieuws is dat de bevriezing van het toelatingsbeleid door de regering-Trump in januari 2025 is verlengd. Daarmee is een einde gekomen aan een periode waarin Nebraska jaarlijks tot wel duizend nieuwe vluchtelingen kon verwachten. Zulke vluchtelingen zijn niet alleen de nieuwe huizenbezitters van de toekomst; gezinnen hebben hun nareizende familie uit het thuisland ook nodig om hun gemeenschap welvarend te houden.

    Het stopzetten van het beleid kan voor het stadsherstel in Omaha dus een bedreiging vormen waarvan de gevolgen op de vastgoedmarkt voelbaar zullen zijn. In het laatste jaar onder Biden bracht het vluchtelingenhulpprogramma USRAP meer dan honderdduizend vluchtelingen onder in Amerikaanse steden. Dat aantal daalde in 2025 naar 27.000 en zal naar verwachting in 2026 nog eens dalen tot 7500.

    Al stokt dus de nieuwe toevoer, Habitat for Humanity houdt in Omaha goede hoop dat het de aanvragers die al in het traject zitten nog aan een huis kan helpen. Maar het verlies van die honderden potentiële kopers baart programmadirecteur Studnicka wel zorgen: ‘Als het afgelopen is met USRAP, betekent dat nogal een verschuiving in ons landschap.’

  • VS ontvangen witte Zuid-Afrikaners als vluchtelingen

    VS ontvangen witte Zuid-Afrikaners als vluchtelingen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » DR Congo: minstens 104 doden bij overstromingen in het oosten

    » Zelensky nodigt Poetin uit voor een persoonlijke ontmoeting in Istanboel

    De Afrikaners vluchten vanwege vermeende discriminatie

    Een groep witte Zuid-Afrikaners is met een chartervlucht naar de VS vertrokken, waar ze als vluchtelingen toegang krijgen. Zij beweren slachtoffer te zijn van discriminatie in een proces dat bedoeld is om compensatie te bieden aan mensen die door het apartheidsregime zijn verongelijkt. Deze beslissing van het kabinet-Trump is onder vuur komen te liggen, zeker aangezien vluchtelingen uit Soedan of Congo veelal toegang wordt ontzegd, aldus The New York Times.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De Zuid-Afrikaners vluchten in veel gevallen vanwege conflicten rondom landbouwgrond. Tijdens de apartheid werd landbouwgrond aan zwarte Zuid-Afrikaners geweigerd. Als gevolg hiervan is de helft van de landoppervlakte in bezit van slechts 7 procent van de bevolking in de vorm van landbouwgrond. Om dit te compenseren, startte de Zuid-Afrikaanse overheid een initiatief om dit land van de boeren op te kopen om het opnieuw te verdelen, maar dit stuitte op problemen zoals ‘corruptie, gebrek aan financiële steun voor zwarte boeren en onwilligheid van de witte Zuid-Afrikaners om hun land te verkopen,’ schrijft The New York Times. Dit jaar is de wetgeving veranderd, wat de overheid in uitzonderlijke gevallen toestaat stukken land zonder compensatie op te eisen, waardoor een aantal witte Zuid-Afrikaners heeft besloten te emigreren.

    De beslissing om deze vluchtelingen toe te laten is onder kritiek komen te liggen, onder andere van de Zuid-Afrikaanse regering. Ze zien dit als een poging om het land in diskrediet te brengen. ‘Bepaalde Afrikaanse activisten hebben bovendien gezegd dat ze liever zouden zien dat Trump initiatieven in Zuid-Afrika zou steunen,’ aldus The New York Times. Ook is het opvallend hoe snel deze vluchtelingen zijn toegelaten. ‘Het vluchtelingenproces duurt normaal gesproken jaren. Maar er zijn nog maar drie maanden verstreken sinds Trump het decreet heeft getekend en de eerste groep vluchtelingen is nu al onderweg naar de VS.’

  • Hoe een boot met migranten op koers naar de Canarische Eilanden in Brazilië strandde

    Hoe een boot met migranten op koers naar de Canarische Eilanden in Brazilië strandde

    De politie vermoedt dat de passagiers van de afgedreven sloep, minstens 25 mensen, van dorst en honger zijn omgekomen op de Atlantische Oceaan. De gigantische toename van de migrantenstroom naar de Spaanse archipel lijkt een nieuw fenomeen aan het licht te brengen.

    Brazilië, met 8000 kilometer kustlijn en nog eens duizenden kilometers rivierwater, is gewend aan odyssees en schipbreuken. Het is het toneel van ongelooflijke verhalen – zoals de visser die in 2022 elf dagen in een industriële vriezer op drift overleefde, zonder zelf te kunnen zwemmen en omringd door haaien – en nagenoeg vergeten drama’s – zoals het zinken van een zusterschip van de Titanic, de Spaanse Príncipe de Asturias, dat op carnavalsnacht in 1916 aan de grond liep en waarbij honderden mensen omkwamen. Maar het incident van vorige week heeft voor enorme verbazing gezorgd, omdat het bijna ongekend is: een bootje met negen dode lichamen dat volgens de federale politie vanaf Afrika naar Europa voer, richting de Canarische Eilanden. Doordat het op volle zee zijn koers verloor kwam de ene na de andere wanhopige passagier om van dorst en honger.

    Sloepen die door de zeestromingen naar de andere kant van de Atlantische Oceaan worden meegesleurd, vormen een relatief recent fenomeen in Brazilië en het Caribisch gebied. Een onbeduidend fenomeen, wanneer je het vergelijkt met dat in het Middellandse Zeegebied. Maar het weerspiegelt welke gigantische gevaren mensen lopen als ze een Europa proberen te bereiken dat steeds meer wordt versterkt met wetten, muren en hekken.

    De spookboot strandde een week geleden in ondiep water voor de noordkust van Brazilië. Hij had geen motor of roer en dreef stuurloos rond. Vissers vonden de boot bij het eiland Canelas, in de Amazonestaat Pará. Ze schrokken van de vele ontbindende lichamen en sloegen direct alarm. De hoofdinspecteur van de federale politie in Pará, José Roberto Peres, ging ervan uit dat het om buitenlanders ging, aangezien er geen meldingen waren van scheepswrakken voor de Braziliaanse kust. Dit legde hij afgelopen vrijdagmiddag uit in een telefonisch interview vanuit Belém, de hoofdstad van Pará.

    Hij stuurde er onmiddellijk agenten op af en mobiliseerde het rampenidentificatieteam uit Brasilia, zoals Interpol voorschrijft in dit soort gevallen. Binnen enkele uren was het team ter plaatse. Het vergde veel inspanning, vaardigheid en geduld om de boot met de levenloze lichamen op het droge te krijgen. Forensische experts namen allerlei monsters van tanden, DNA en dergelijke, die ze zullen analyseren. Daarmee werd een begin gemaakt aan de moeilijke opgave om de slachtoffers te identificeren en een reconstructie te maken van deze tragedie.

    Een document uit Mauritanië en een ander uit Mali, dat een stempel had uit Mauritanië met de vertrekdatum 17 januari 2024, onthulden de Afrikaanse herkomst van de opvarenden en dat ze waarschijnlijk uit Mali waren vertrokken. De politie sluit niet uit dat er passagiers met andere nationaliteiten aan boord waren. Dankzij de stempel weet ze dat de sloep na die datum vertrok, legt de hoofdinspecteur uit. Geslacht en leeftijd van de overledenen zijn vooralsnog onbekend.

    Dodelijke route

    Hoewel de Atlantische route naar de Canarische Eilanden een van de dodelijkste ter wereld is, zijn er volgens het UNHCR (de vluchtelingenorganisatie van de VN) tot nu toe in 2024 vier keer zo veel mensen per boot op de Spaanse archipel aangekomen als in dezelfde periode in 2023. Misschien is de dramatische toename van de migrantenstroom naar de Canarische Eilanden in de afgelopen jaren hier de oorzaak van. Het Spaanse Rode Kruis doet oproepen op sociale media om gedetailleerde informatie te verzamelen over vermiste boten, meldt persbureau EFE.

    De Braziliaanse politie is ervan overtuigd dat de boot, waar dertig tot veertig mensen in konden, op volle zee de koers kwijtraakte. ‘We denken dat de mensen die stierven in het water werden gegooid. De laatste negen die overbleven, hadden daar de kracht niet meer voor,’ vertelt Peres vanuit Belém, 4200 kilometer van de Mauritaanse kust vandaan. De negen anonieme mensen, die droomden van welvaart en Europa, zullen begraven worden in deze stad in het Amazonegebied.

    De politie denkt dat er aanzienlijk meer passagiers waren, minstens vijfentwintig, want dat is het aantal regenjassen dat op de boot is gevonden. Drieëntwintig donkergroene en twee gele. Er lag ook Mauritaans geld aan boord. Mogelijk waren er zelfs nog meer passagiers, want ze hadden in totaal zevenentwintig mobiele telefoons bij zich die, als onderzoekers erin slagen om er informatie uit te halen, kunnen dienen om hun familieleden op te sporen, de migranten te identificeren en erachter te komen wat hun intenties waren.

    ‘Ze komen aan deze kant van de wereld aan omdat ze verstrikt raken in de Canarische Stroming’

    De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) heeft in de afgelopen tien jaar de dood of verdwijning van meer dan 63.000 migranten gedocumenteerd; bijna de helft van hen verdronk in de Middellandse Zee. Naar aanleiding hiervan ontstond wat deskundigen spookboten noemen: boten die geen SOS konden uitzenden om families, een journalist, een ngo of de autoriteiten te waarschuwen. Boten waar geen enkel reddingsteam naar zoekt omdat niet bekend is dat ze zijn uitgevaren. Voor anderen beginnen ze pas te bestaan als iemand ze vindt. Tegen de tijd dat dat gebeurt, zijn de migranten al dood.

    ‘We begonnen het fenomeen in 2021 op te merken,’ onthult Edwin Viales van het Missing Migrants Project van de IOM in een interview. Dat jaar werden er zeven boten met lichamen gevonden in het Caribisch gebied – in Grenada, Trinidad en Tobago, op de Turks- en Caicoseilanden, aan de kust tussen Nicaragua en Honduras, et cetera – en kwam er één aan in Fortaleza (Brazilië) met drie lichamen en zevenentwintig mobiele telefoons. Dat Braziliaanse geval kreeg weinig media-aandacht in vergelijking met de sloep die nu is aangetroffen. In 2022 en 2023 strandden in het Caribisch gebied nog meer spookboten met lichamen van Afrikaanse migranten. Voor zover bekend waren ze alle afkomstig uit Mauritanië.

    ‘Ze komen aan deze kant van de wereld aan omdat ze verstrikt raken in de Canarische Stroming, dezelfde stroming die Christoffel Columbus naar Amerika bracht. Ze worden door extreme weersomstandigheden die kant op geleid, of doordat de boot beschadigd is. Doordat ze niet voorbereid zijn op een lange overzeese reis, komen ze zonder eten en drinken te zitten en sterven ze aan uitdroging en verhongering,’ legt Viales uit via een videogesprek vanuit San José, Costa Rica.

    ‘Ze zijn meestal uitgedroogd, wat identificatie erg moeilijk maakt’

    Viales, die regionaal waarnemer is in Noord- en Zuid-Amerika voor dit IOM-project dat verdwijningen en sterfgevallen van migranten op doorreis documenteert, heeft berekend dat de afgelopen drie jaar in ieder geval vijfentachtig Afrikanen de dood vonden op een uit koers geraakte boot op de Atlantische Oceaan. Daarbij zijn de negen die in Brazilië op hun begrafenis wachten niet meegerekend, en alleen de lichamen meegeteld die zijn gevonden in sloepen. ‘Ze zijn meestal uitgedroogd, wat identificatie erg moeilijk maakt,’ zegt hij. Viales benadrukt dat de werkelijke aantallen veel hoger liggen.

    Brazilië is een land dat is opgebouwd door miljoenen slaven en daarna door immigranten uit Europa, Arabische landen en Japan, als gevolg van rekruteringsmissies die door de autoriteiten werden georganiseerd om de zwarte arbeidskrachten na de afschaffing van de slavernij te vervangen. Met uitzondering van de inheemse bevolking stammen alle Brazilianen af van buitenlanders. Misschien is er daarom, of omdat het zo ver van de grote migratieroutes ligt, bijna geen politiek debat over immigratie en is het vreemdelingenbeleid ruimhartig. De plotselinge komst van Venezolanen naar Roraima, een van de dunst bevolkte staten in Brazilië, heeft de afgelopen jaren wel voor spanningen gezorgd, maar de situatie is zeker niet zo precair als in Europa of de Verenigde Staten.

    De vissers die de sloep aantroffen, dachten dat de lichamen van Haïtianen waren die hun toevlucht wilden zoeken in Brazilië. Maar zodra de door hun gemaakte video van het gruwelijke tafereel begon te circuleren, wezen degenen die bekend waren met de route van Nouadhibou (Mauritanië) naar de Canarische Eilanden Haïti als herkomstland af. De langwerpige vorm, witte romp en blauwe binnenkant van de sloep wezen op de typische Mauritaanse vissersboten die ook door migranten worden gebruikt. Hoofdinspecteur Peres, een veteraan in het onderzoeken van mensensmokkel en mensenhandel, benadrukt dat de statistieken slechts het topje van de ijsberg weergeven: ‘Wie weet hoeveel mensen er nog meer op zee zijn verdwenen op zoek naar een beter leven – niet eens veel beter, gewoon een beetje beter.’ 

  • Escaperoom simuleert ervaring van vluchten uit Noord-Korea

    Escaperoom simuleert ervaring van vluchten uit Noord-Korea

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Peru: parlement verwerpt twee moties van wantrouwen tegen president Boluarte

    » Amylyx Pharmaceuticals haalt medicijn ALS van de markt

    Het spel moet het bewustzijn over de mensenrechtenkwesties in de DVK vergroten

    In Seoul is een nieuw soort escaperoom gebouwd die de ervaring van het overlopen uit Noord-Korea simuleert. Dat schrijft NK News. De tijdelijke installatie nabij het Gwanghwamun-plein wil de ervaring van het vluchten uit Noord-Korea nabootsen om zo het bewustzijn over de mensenrechtenkwesties in de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK) bij een jonger publiek te vergroten.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Escaperooms, een interactief spel op een fysieke locatie waarbij deelnemers samenwerken om aanwijzingen te vinden, puzzels op te lossen en taken uit te voeren om binnen een beperkte tijd te ‘ontsnappen’, zijn populair sinds 2010.

    Maar de nieuwe escaperoom in het centrum van Seoul, gecreëerd door de Citizens’ Alliance for North Korean Human Rights en gefinancierd door het ministerie van Eenwording van Seoul, heeft tot doel meer te bieden dan alleen een leuke ervaring met vrienden.

    “Als het gaat om educatieve inhoud over de Noord-Koreaanse mensenrechten, wordt het grootste deel ervan gegeven via seminars of lezingen”, vertelde Miri Cha, de maker van de escaperoom voor Citizens’ Alliance, aan NK News. “Maar dit is een goede gelegenheid voor families en vrienden om op een zinvollere manier na te denken over de mensenrechtenschendingen in Noord-Korea, zoals ze nog nooit eerder hebben gedaan.”

  • In Bulgarije worden mensensmokkelaars geworven via Telegram

    In Bulgarije worden mensensmokkelaars geworven via Telegram

    Op de Balkan worden via de zwarte markt op berichtendienst Telegram oproepen gedaan om voor een aanzienlijk bedrag immigranten te smokkelen. Bij deze Bulgaarse chauffeur gaat bijna alles mis. En naar het geld kan hij fluiten.

    Vladislav [niet zijn echte naam] leidt geen bijzonder turbulent leven. Hij woont in een stad in het noordoosten van Bulgarije, waar hij in een fabriek werkt, in ploegendienst. De eentonigheid van zijn baan en het magere salaris dat hij verdient brengen hem in de verleiding om dingen te doen die ver buiten zijn dagelijkse routine vallen – in dit geval zelfs buiten de wet. 

    Via een advertentie in een anoniem kanaal op berichtendienst Telegram begint Vladislav in september 2023 een nieuwe loopbaan als ‘handelaar in illegale immigranten’. Hij aarzelt aanvankelijk, maar het geld dat hem in het vooruitzicht wordt gesteld is toch te verleidelijk. Vladislav reageert op een bericht dat gebruiker Dark Haker heeft geplaatst, waarin wordt gezocht naar een ‘vervoerder tegen betaling van een groot bedrag’. Vladislavs’ interesse is daarmee al snel gewekt. Dark Haker biedt eerst 650 euro, dan 750, en uiteindelijk iets meer dan 1000 dollar voor het vervoeren van vier vluchtelingen van Boergas naar Sofia. 

    Internetchats

    Illegale migranten de grens over zetten is niet langer alleen voorbehouden aan professionele smokkelaars; het wordt tegenwoordig ook gedaan door mensen die ‘gewoon geld willen verdienen’. Het werven van dergelijke ‘eendagssmokkelaars’ vindt en plein public plaats in internetchats die voor iedereen toegankelijk zijn.

    Nadat hij akkoord is gegaan met het aanbod om de vluchtelingen te vervoeren, vertrekt Vladislav vrijwel onmiddellijk naar Boergas. De opdracht is relatief eenvoudig: haal de vier vluchtelingen op en rijd dan rechtstreeks naar Sofia, zonder onderweg ergens te stoppen. Er moet bij aankomst in Sofia een video-opname worden gemaakt van het tellen van de migranten, en er worden regelmatig screenshots van zijn locatie verwacht, zodat de organisatoren weten waar hij is.

    Die avond krijgt hij de exacte coördinaten van de plaats waar hij heen moet rijden om de vluchtelingen op te halen. De locatie is een zandweg in Strandzja, tussen Kroesjevets en de Jasna Poljana-dam. 

    Als hij daar aankomt, ziet Vladislav in het schijnsel van mobiele telefoons de eerste vluchteling opdoemen: een man in donkere kleren met een rugzak. Hij heeft een kaalgeschoren hoofd, een baard en een snor. ‘Daarna verschenen er nog zes,’ vertelt Vladislav. Terwijl de afspraak was dat hij er vier mee zou nemen, waren het er opeens zeven. En in zijn sedan passen maar vijf mensen. Uiteindelijk neemt hij ze allemaal mee richting Sofia: vijf achterin en twee naast hem voorin.

    De communicatie met de migranten in de auto verloopt moeizaam. Slechts een van hen spreekt een beetje Engels. ‘Ze maakten voornamelijk selfies met hun telefoons,’ vertelt Vladislav. Met behulp van een vertaalapp begrijpt hij dat ze uit Afghanistan komen en dat hun volgende stop Servië is, met eindbestemming Duitsland. Ze hebben 3000 euro per persoon betaald voor hun reis door Bulgarije. 

    Vage aanwijzingen

    De aanwijzingen die Vladislav onderweg krijgt blijven erg algemeen. Hij moet achter een vrachtwagen gaan rijden en via de app Waze in de gaten houden waar de politie gesignaleerd is. ‘Werd je aangehouden, dan was je er gloeiend bij,’ zegt hij.

    Bij aankomst maakt Vladislav zoals gevraagd een filmpje van de vluchtelingen die uitstappen. Volgens zijn correspondentie met een tweede contactpersoon, met een Pakistaans nummer, is dit een vereiste om betaald te worden. Na het maken van de video stappen de zeven migranten ineens weer in de auto. Een paar minuten later krijgen ze aanwijzingen op hun telefoon en stappen ze alsnog uit. 

    Vladislav was verteld dat hij de helft van het bedrag – 500 euro – van de vluchtelingen zelf zou krijgen. Bij aankomst in Sofia, kort voordat de zeven uiteindelijk de auto verlaten, krijgt hij echter heel andere instructies: hij moet geen geld aannemen van de vluchtelingen, omdat die het misschien nodig hebben voor de rest van de reis naar Duitsland. 

    Maar dan neemt het verhaal nog een andere wending: Vladislav moet wachten op een andere man die betrokken is bij de smokkel en die hem zal betalen. Maar die blijkt nog te slapen, hoort hij van de man achter het Pakistaanse nummer. 

    Op een parkeerplaats in Sofia probeert hij zelf wat te slapen. Als dat niet lukt, neemt hij weer contact op met de contactpersoon met het Pakistaanse nummer, die hem uitlegt dat ‘het doorspelen van het geld’ nog niet heeft plaatsgevonden, ‘maar het is in orde’, ‘geen probleem’ en ‘er is niets aan de hand’. Vladislav antwoordt: ‘Er is nog niets mijn kant op gekomen, zoals we wel hadden afgesproken.’ 

    Desondanks blijft de organisator beweren dat alles in orde is. Latere communicatie met zowel het Bulgaarse als het Pakistaanse nummer maakt duidelijk dat de organisatoren elkaar niet kennen en dat de coördinatie elders plaatsvindt. Het Bulgaarse nummer had gesuggereerd dat Vladislav in Plovdiv zou worden betaald, maar tegen die tijd was hij al vertrokken.

    ‘Er is nog niets mijn kant op gekomen, zoals we wel hadden afgesproken’ 

    Vladislav begint ernstige twijfels te krijgen, maar hij heeft de hoop op zijn honorarium nog niet helemaal opgegeven. In ieder geval heeft geen van zijn twee contactpersonen het contact tot nog toe verbroken.

    Als hij de volgende dagen verschillende aanbiedingen krijgt voor een tweede rit, voor nog meer geld – vier mensen voor 500 euro per persoon, bijvoorbeeld – stemt hij in, onder de voorwaarde dat hij bij aankomst ook de 1000 euro die hij nog tegoed heeft zal ontvangen.

    Tijdens zijn tweede rit, naar een plaats die niet ver van de eerste eindbestemming ligt, raakt Vladislav de weg kwijt. Zijn telefoon heeft geen bereik en daarom kan hij geen verbinding maken met de gps-app, of met zijn contactpersoon. Uiteindelijk, na uren rondzwerven, gaat hij alleen terug. ‘Vreemd genoeg was de organisator op de hoogte van mijn situatie; toen we contact hadden, wenste hij me een goede reis terug.’

    De vergeefse tweede rit is voor Vladislav geen reden om niet toch nog een derde poging te wagen: dit keer met een ander startpunt, een paar kilometer van de grensovergang met Turkije bij Lesovo, in de regio Jambol. Daar moet hij vijf migranten oppikken. Maar er komt niemand opdagen. De contactpersoon belooft dat hij nog 250 euro krijgt en 1000 euro van ‘de Arabier die de mensenhandel heeft georganiseerd’. 

    Kort voordat hij wil vertrekken, wordt Vladislav aangehouden door de grenspolitie. Niet zo verrassend, want in tegenstelling tot de eerste twee locaties ligt deze plek in het zicht van een controlepost. Hij moet zijn telefoon afgeven, met daarop de correspondentie met de organisatoren. Zijn auto wordt van onder tot boven uitgekamd. ‘Ik zei dat het mijn eerste keer was,’ vertelt hij. Maar ze bieden hem direct twee opties: meewerken of gearresteerd worden. Vladislav kiest de eerste.

    Fluiten naar het geld

    Alleen kan hij de grenspolitie nauwelijks van dienst zijn. Er zitten geen vluchtelingen in de auto en zijn contactpersonen zijn allemaal anoniem. Als hij zou worden betrapt met migranten, zou hem een onvoorwaardelijke straf boven het hoofd hangen. ‘Eén ding wisten ze heel zeker: ik zou geen enkele lev [de Bulgaarse munteenheid] krijgen voor mijn werk,’ zegt Vladislav, die naar huis wordt gestuurd.

    Slechts een van zijn drie ritten is succesvol afgerond. Financieel is hij er zelfs op achteruit gegaan, want hij moest zelf de benzine betalen. Na een week besluit Vladislav zijn nieuwe carrière vaarwel te zeggen.

    Financieel is Vladislav er zelfs op achteruit gegaan, want hij moest zelf de benzine betalen

    Achteraf beseft hij dat het behoorlijk naïef was om geld te verwachten, nadat hij voor zijn eerste rit niet betaald kreeg. Bovendien realiseert hij zich nu dat hij zichzelf meerdere keren in gevaar heeft gebracht. Ondertussen ziet hij nog steeds Telegram-feeds voorbijkomen met advertenties voor vluchtelingenvervoer, tussen de aanbiedingen voor drugs, nepparfum en nepdiploma’s.

    Wat hem inmiddels opvalt, is dat ‘het barst van de mensen zoals ik die gaan rijden, maar naar hun geld kunnen fluiten’. Hij probeert anderen sindsdien te waarschuwen ‘om niet gepakt te worden’. 

  • In dit vluchtelingenkamp zijn generaties Palestijnen hun toekomst zijn kwijtgeraakt

    In dit vluchtelingenkamp zijn generaties Palestijnen hun toekomst zijn kwijtgeraakt

    Sinds in 1948 700.000 Palestijnen werden verdreven van hun land, leven velen in barre omstandigheden in vluchtelingenkampen zoals Shatila in Beiroet. Is dit de grimmige toekomst die de mensen in Gaza nu tegemoetgaan?

    Vorig jaar nam Kamal zijn oudste zoon Hassan mee naar een mensensmokkelaar. Kamal had een besluit genomen: hij moest en zou een manier vinden om zijn eenentwintigjarige zoon weg te krijgen uit vluchtelingenkamp Shatila in het zuiden van Beiroet, waar drie generaties van zijn familie hun hele leven hadden doorgebracht. ‘Ik wilde dat hij wegging, niet vanwege de financiële situatie – godzijdank gaat het goed met ons – maar ik stuurde hem weg om te ontsnappen aan het leven in dit kamp,’ vertelde Kamal me onlangs. ‘Er is hier geen toekomst voor de jongeren.’

    Kamal, een man van achter in de veertig met brede schouders, een hoekige kaak en donker krullend haar, is een redelijk welgestelde zakenman binnen de verarmde grenzen van Shatila. Hij heeft een kleine winkel waar hij mobiele telefoons en cosmetica verkoopt. Toch moest hij, om aan de 5000 dollar te komen die de smokkelaar eiste, een flink bedrag lenen en daarnaast al zijn spaargeld uitgeven. Kamal vertelt zijn verhaal gehaast, de zinnen buitelen over elkaar heen. Zijn gezicht is ingevallen en hij heeft donkere kringen rondom zijn ogen. Hij ziet er uitgeput uit.

    Claustrofobisch

    Hassan begon zijn reis naar Europa in mei 2023. Eerst vloog hij naar Caïro, daarna werd hij door de woestijn naar Libië gereden. Op dat moment belde Hassan zijn vader en vertelde hem dat hij en de andere migranten in een schuur werden vastgehouden, terwijl ze wachtten op de boot die hen naar de overkant van de Middellandse Zee zou brengen. ‘Ik belde de smokkelaar en zei dat hij mijn zoon naar een hotel moest brengen en dat ik extra zou betalen,’ herinnert Kamal zich. Na tien dagen in het hotel te hebben doorgebracht, laadde de smokkelaar de vluchtelingen in een vissersboot met Italië als bestemming.

    Terwijl we praten, zit Kamal met een paar vrienden, ongemakkelijk neergestreken op kleine plastic krukjes in een donker steegje zo smal dat elke keer als er een scooter voorbij raast, de mannen hun knieën tegen hun borst moeten optrekken en opzij moeten draaien. De zon schijnt boven Beiroet, maar er sijpelt weinig licht naar de plek waar Kamal zit. Er staan geen muren om vluchtelingenkamp Shatila heen. Geen prikkeldraad, wachttorens of controleposten, althans niet meer, die verhinderen dat mensen het kamp binnenkomen of verlaten. Maar een mix van draconische wetten, discriminatie en vooroordelen heeft ervoor gezorgd dat Shatila net zo claustrofobisch aanvoelt als elk kamp dat wél omringd wordt door hoge betonnen muren.

    Voor Kamal was de reis van zijn zoon de zoveelste episode in een vluchtelingensaga die bijna acht decennia geleden begon. Net als zijn ouders voor hem en zijn kinderen na hem, is Kamal een staatloze Palestijnse vluchteling wiens leven in elkaar is gestort in de steegjes van Shatila. Hetzelfde geldt voor de vrienden die bij hem zitten.

    Op de muren rondom deze mannen is de geschiedenis zichtbaar in de vorm van verflagen en graffitislogans. De gesjabloneerde afbeelding van de Rotskoepel en honderden portretten van oude leiders, van Yasser Arafat en de militanten uit de jaren zeventig met hun lange bakkebaarden, tot een jongere generatie strijders in gevechtstenue – allemaal gedood en gevierd als ‘helden en martelaren’ die door de volgende generatie nagevolgd moeten worden – tot de foto’s van Abu Ubaida, de huidige militaire woordvoerder van Hamas.

    In een tijd waarin extreemrechtse leden van de Israëlische regering openlijk oproepen om de bevolking van Gaza te verdrijven en naar buurlanden of verder weg te sturen, hoeven we ons niet eens voor te stellen hoe het leven zou zijn voor de meeste van deze Palestijnen die gedwongen in ballingschap moeten gaan. We weten het al. Deze verdrijving heeft al eens eerder plaatsgevonden. Om te zien hoe die grimmige toekomst eruit zou kunnen zien, hoef je alleen maar naar Shatila te kijken.

    In het begin vormden zich clusters van tenten, en soms hele kampen, rond traditionele leiders en dorpsoudsten

    De woorden ‘vluchtelingenkamp’ roepen het beeld op van een paar honderd tenten, een provisorische omgeving om een bevolking in nood in onder te brengen. Shatila is met zijn ruim veertienduizend inwoners – sommige schattingen lopen op tot dertigduizend – meer een kleine stad binnen een stad. Het staat hier al meer dan zeventig jaar. In de afgelopen tien jaar is de bevolking explosief gestegen. Syriërs die de burgeroorlog ontvluchtten, straatarme Libanezen, Ethiopiërs, Eritreeërs en arbeidsmigranten uit Bangladesh hebben allemaal onderdak gevonden in het kamp, dat nu een dichtbevolkte sloppenwijk is.

    Ingeklemd tussen een grote snelweg en een stadion, niet ver van het centrum van Beiroet, kan het kamp zich alleen maar verticaal uitbreiden. Nieuwe flats zijn precair op elkaar gestapeld, elke flat iets groter dan de flat eronder en samen vormen ze gebouwen met meerdere verdiepingen waarvan de ramen op de bovenste verdieping die aan de andere kant van de steeg kussen. Uit de balkons schieten trappen omhoog en er steken balken uit die onderdoorgangen creëren.

    Gedurende het grootste deel van de geschiedenis waren de Palestijnse inwoners van het kamp afgezonderd van de rest van Beiroet. Maar de recente economische ineenstorting in Libanon heeft ervoor gezorgd dat de stad nu voor de deur van Shatila ligt. De hoofdstraat met zijn kraampjes waar groente en fruit, schoenen, kleding en keukengerei worden verkocht, is goedkoper dan welke plek in Beiroet dan ook. Tijdens een recent bezoek leek het alsof elk beschikbaar hoekje tussen gebouwen op straatniveau was omgetoverd tot een kruidenierswinkel of een plek voor karretjes die snoep verkochten aan schoolkinderen, die schreeuwden en lachten terwijl ze zich tussen de brommers door manoeuvreerden, hun Unicef-schooltassen op hun schouders op en neer deindend.

    De oorsprong van het kamp gaat terug tot 1949, toen een groep Palestijnse vluchtelingen zijn tent opsloeg op een braakliggend terrein aan de rand van Beiroet. Binnen enkele weken hadden meer gezinnen, voornamelijk uit Galilea, zich hier gevestigd en het Internationale Comité van het Rode Kruis erkende het als een van de zeventig kampen voor de ongeveer honderdduizend Palestijnse vluchtelingen die naar Libanon waren gevlucht en door de dorpen in het zuiden waren getrokken, of per boot in Beiroet waren aangekomen.

    Een kleine minderheid van de nieuwkomers – die uit de middenklasse of met goede connecties – kreeg het Libanese staatsburgerschap aangeboden; de rest, waaronder arme boeren zoals Kamals grootvader, werd in kampen ondergebracht. Tegen die tijd was de staat Israël veilig in het grootste deel van historisch Palestina, nadat het de krakkemikkige Arabische legers – die zich verzetten tegen de oprichting van Israël – had verslagen en de verdrijving van meer dan zevenhonderdduizend mensen had voltooid met een exodus die bij de Arabieren bekend kwam te staan als de Nakba, oftewel de catastrofe. De beelden van de lange karavanen met mensen, verdreven uit hun voorouderlijke steden en dorpen door de opkomende Israëlische staat, marcherend naar hun bestemming als staatloze vluchtelingen, bepakt en bezakt terwijl ze de handen van kinderen vasthielden, zouden in het collectieve geheugen gegrift staan, niet alleen bij de Palestijnen, maar in de hele regio.

    In het begin vormden zich clusters van tenten, en soms hele kampen, rond traditionele leiders en dorpsoudsten. Voor zover de ontheemding en ballingschap dat toelieten, waren deze kampen een reproductie van de gemeenschappen thuis. Na verloop van tijd, toen deze vluchtelingenkampen zich uitbreidden, werden het getto’s en sloppenwijken. Hun voortbestaan getuigde van het historische onrecht dat hun inwoners was aangedaan. Toch werden de kampen als zodanig een opslagplaats van herinneringen die een Palestijnse nationale identiteit in ballingschap in stand hield en vereeuwigde.

    Onder controle

    Toen de eerste golf Palestijnse vluchtelingen arriveerde, vormden ze ongeveer 10 procent van de totale Libanese bevolking. Het Libanese politieke en veiligheidsapparaat vreesde dat de nieuwkomers het machtsevenwicht in de sektarische staat zouden verstoren en een gevaar zouden vormen voor de maronitische christelijke dominantie. De inlichtingendienst van het leger kreeg de opdracht om de vluchtelingenkampen ‘onder controle te houden’ door middel van strenge bewaking, intimidatie en repressie.

    Bijna twintig jaar lang leefden de meeste Palestijnse vluchtelingen in Libanon in armzalige krotten van stenen en houten planken, met zinken golfplaten en canvas daken. Aanvankelijk stonden sommige vluchtelingen wantrouwig tegenover elk permanent onderkomen dat gebouwd werd door het VN-agentschap voor Palestijnse vluchtelingen (UNRWA), omdat ze er vast van overtuigd waren dat hun ballingschap tijdelijk van aard was. Maar zelfs toen ze dit idee hadden opgegeven, verhinderden de Libanese autoriteiten dat cruciale bouwmaterialen zoals cement de kampen binnenkwamen. Ze wilden niet dat de vluchtelingen iets zouden bouwen wat de indruk kon wekken dat ze er permanent wilden blijven. Dit beleid was zogenaamd bedoeld om ‘de vluchtelingen aan te moedigen om terug te keren’ – alsof ze daar gewoon even voor konden kiezen. Ook legde Libanon strenge beperkingen op aan de basale arbeidsrechten van de vluchtelingen – en dat doet het nog steeds. Het enige beschikbare werk buiten de kampen was tijdelijk ongeschoold werk, waarbij uitbuiting schering en inslag was.

    In de jaren zestig – en vooral na 1967, toen Israël Egypte, Jordanië en Syrië versloeg in de zesdaagse oorlog – verschoof de strijd voor ‘de bevrijding van Palestina’ van de corrupte en ineffectieve Arabische regimes naar Palestijnse revolutionaire organisaties zoals Fatah en het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina.

    Deze facties, die ogenschijnlijk samenwerkten onder de paraplu van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie, maar vaak onderlinge ruzies hadden en de bevelen uitvoerden van hun corrupte Arabische regimesponsors, vonden in een nieuwe generatie vluchtelingen die geboren waren in de sloppenwijken van de ballingschap – gemeden, veracht en afgezonderd van de samenleving om hen heen – gedreven jongeren die klaarstonden om het onrecht van de Nakba ongedaan te maken en die ernaar verlangden terug te keren naar een thuisland dat ze nooit hadden gezien.

    In de vluchtelingenkampen in Libanon vervingen deze facties de traditionele relaties door patronagenetwerken op basis van partijtrouw, en langzaamaan werden de Palestijnen – die misschien wel de minst sektarische van alle Arabische volkeren waren – meegezogen in het moeras van de sektarische Libanese politiek. Vanzelfsprekend sloten ze zich aan bij de linkse en voornamelijk islamitische partijen die de maronitisch-christelijke dominantie aanvochten.

    Suhaila kon haar eigen huis alleen nog herkennen aan een deel van de keukenmuur dat ze blauw had geverfd

    Ondertussen vonden de maronitische christelijke partij Phalange en andere rechtse christelijke organisaties een bondgenoot in de Israëli’s. In de Libanese burgeroorlog, die duurde van 1975 tot 1990, werden de Palestijnen gewoon een andere gewapende factie, zij het de sterkste. En het was in deze periode dat de naam Shatila – en het naburige Sabra – symbool kwam te staan voor een van de ergste wreedheden die tijdens de oorlog begaan zijn.

    Tijdens mijn bezoek aan Shatila in november vorig jaar ontmoette ik een vrouw, Suhaila, die zich nog levendig herinnerde wat er in september 1982 gebeurde: milities die verbonden waren aan de Phalange-partij raasden, onder het toeziend oog van hun Israëlische militaire bondgenoten, drie dagen lang door de steegjes van het kamp, waarbij ze honderden burgers afslachtten en verkrachtten, waaronder veel vrouwen en kinderen, terwijl de Israëlische soldaten stonden toe te kijken. (Tegen die tijd hadden Palestijnse strijders onder leiding van Yasser Arafat de stad verlaten, onder de voorwaarden van een door de VS gesponsorde deal die een einde maakte aan maandenlange Israëlische bombardementen op Beiroet). ‘We zaten thuis toen we mensen hoorden schreeuwen: “Ze zijn hier, ze zijn het kamp binnengekomen,”’ herinnert Suhaila zich, terwijl ze in haar kleine en opgeruimde woonkamer zit. Een geur van wasmiddel en verse Turkse koffie vult de kamer.

    ‘Mijn schoonmoeder, die bij ons logeerde, zei tegen mijn man dat hij eens een kijkje moest nemen om erachter te komen wat er aan de hand was. Het geschreeuw werd luider en ik volgde hem naar buiten. Ik zag een vrouw naar ons toe rennen en een kind achter zich aan slepen. Ze schreeuwde: “Ze hebben mijn man in een vat verbrand en zijn neef doodgeschoten.” Het kind schreeuwde en toen zag ik dat ze haar ingewanden in haar hand hield – haar buik was opengesneden.’

    Suhaila en haar familie vluchtten en vonden veiligheid in een aangrenzende wijk. Toen ze een paar dagen later terugkeerden naar het kamp, brachten journalisten en het Rode Kruis de omvang van het bloedbad aan het licht. ‘Toen ik terugkwam in ons huis zag ik messen op de vloer liggen. Ze waren schoon, maar ik werd hysterisch en begon te schreeuwen, ook al waren het gewoon onze keukenmessen,’ zei Suhaila lachend. Ze meldde zich aan bij het Rode Kruis en ging dagenlang van huis tot huis om lijken en ledematen te verzamelen.

    Ze schenkt koffie in en vervolgt haar oorlogsverhalen over bombardementen en belegeringen door de christenen, de sjiieten, de Syriërs en zelfs door andere Palestijnse facties. Ze lacht opnieuw en zegt dat al haar zonen en dochters in ondergrondse schuilkelders zijn geboren tijdens een of ander gevecht.

    Een van die gevechten vond plaats in 1986, aan het begin van een zes maanden durende belegering door sjiitische Amal-troepen op instigatie van hun Syrische meesters. Tijdens een zwaar bombardement werd Suhaila’s oudste zoon van negen aan stukken gereten door een artilleriegranaat. ‘We hebben geen graf voor hem, want hij is samen met anderen begraven in een massagraf, in de hoofdmoskee,’ zegt Suhaila. ‘Telkens als ik langs die moskee kom, houd ik de deur dicht en bid ik voor hem.’

    Tegen het einde van de belegering was bijna elk gebouw in Shatila met de grond gelijk gemaakt. Suhaila kon haar eigen huis alleen nog herkennen aan een deel van de keukenmuur dat ze blauw had geverfd.

    In de woonkamer zit een vriend van haar jongste zoon, die midden twintig is, te luisteren naar Suhaila die haar oorlogsherinneringen vertelde. Na afloop, beneden in het steegje voor het gebouw, buigt hij zijn hoofd, drukt zijn lange, borstelige baard tegen zijn borst en zegt op lage, bijna onhoorbare toon, alsof Suhaila hem vanuit haar appartement op de zesde verdieping kan horen: ‘De oude mensen hebben het altijd maar over de geschiedenis van de oorlog. Goed, ze hebben geleden, maar wat er nu in het kamp gebeurt, is erger dan welke oorlog ook. Jonge mannen sterven door drugs. Een hele generatie vergooit haar leven vanwege de verdovende middelen en de armoede.’ Hij heeft een magere en tengere lichaamsbouw en vermoeide ogen. Hij zegt dat hij zijn dagen verslijt met drie flutbaantjes en nog steeds niet rond kan komen.

    Hij steetk een sigaret op en om zijn verhaal kracht bij te zetten leidt hij ons door een doolhof van donkere steegjes, nauwelijks breed genoeg voor één persoon, en komt tot stilstand voor een winkel met een groot kaal raam. Een rij van een half dozijn waterpijpen omzoomt de deur als een erewacht. Binnen staan twee banken in een hoek en er hangt een groot tv-scherm aan de smoezelige muur ertegenover. Op de ene bank zitten drie tienerjongens, gekleed in het zwart, die er stoer proberen uit te zien. Op de andere zit een magere jongeman. Zijn gezicht is vaal in het felle neonlicht. De meeste van zijn tanden ontbreken en de rest is zwart en verrot. Hij zakt wat dieper weg in de versleten sofa, spreidt zijn twee uitgemergelde armen, leunt met zijn hoofd naar voren en zegt tegen me: ‘Ik ben drieëntwintig en heb al twee jaar in de gevangenis doorgebracht,’ alvorens er trots aan toe te voegen: ‘Mijn naam staat op de lijst van gezochte personen bij elk controlepunt van hier tot aan de Beqaa[-vallei].’

    De jongens, die tussen de dertien en zeventien jaar oud zijn, kijken met ontzag naar hem op.

    ‘We kunnen je hier in het kamp aan alle soorten drugs helpen, en ze zijn veel goedkoper dan in Beiroet,’ gaat de man verder: coke, MDMA, heroïne, hasj en allerlei soorten pillen. De duurdere soorten zijn voor de mensen die in de stad wonen. De arme kinderen in de kampen beperken zich tot de goedkopere en krachtigere synthetische middelen. ‘Wat kunnen we anders doen? Er is hier geen werk. Kijk naar die jongens – zodra ze het kamp verlaten worden ze lastiggevallen door het leger en de politie, dus we blijven hier gewoon zitten,’ vertelt de dealer me.

    Hij zegt dat hij maar een middelmatige dealer is en alleen zakendoet met vrienden en kennissen en dat dat meestal is om zijn eigen drugs te betalen. ‘Een vriend komt naar me toe, zegt dat-ie coke of hasj wil, ik geef het hem en ik krijg zelf een extraatje.’ Hij zegt dat hij ongeveer duizend dollar per week verdient. Zowel zijn kapitaal als zijn winst bedraagt vijfhonderd dollar, die hij dan verdeelde met een van de ‘facties’. ‘Ze nemen de helft van mijn winst als hun deel, 250 voor hen en 250 voor mij.’

    ‘Wie zijn dat?’ vraag ik.

    ‘De gewapende facties die het kamp regeren. Je moet met een factie samenwerken voor bescherming, het maakt niet uit welke. Zonder hun bescherming kun je hier geen zaken doen. En het zijn niet alleen de Palestijnen die hierbij betrokken zijn. De Libanese veiligheidstroepen zitten allemaal in deze business. Hoe denk je dat de drugs hier komen, helemaal vanuit de Beqaa of Syrië? Er staan tientallen controleposten langs de weg. We krijgen zelfs dingen geleverd via het vliegveld.’

    Oude strijd

    Hij legt zijn handelswaar naast zich neer: een paar plastic zakjes gevuld met wit poeder. ‘We hebben zo veel hasj als je wilt,’ zegt hij. Uit een zak aan de binnenkant van zijn jas haalt hij een klein papieren hoorntje. Hij opent het om een kleine hoeveelheid van een lichtgroene, kruidachtige drug met de naam salvia te onthullen en begint een joint te rollen. ‘Dat is wat we hier roken – het is goedkoop en zorgt ervoor dat je alles om je heen vergeet.’

    Niet ver van de winkel staan een paar mannen – veelal oud, met grijzende baarden, met munitiebanden strak om hun dikke buik en met oude kalasjnikovs in de hand – op wacht bij het hoofdkwartier van hun factie, dat versierd is met de vlag van de factie en de ooit zo verafgode martelaren. Gezamenlijk gaan deze facties over de veiligheid van de kampen, die buiten de jurisdictie van de Libanese staat vallen. Net als hun geweren zijn ze overblijfselen van de oude strijd. Tegenwoordig lijken ze uitsluitend te bestaan om beschermingsgeld te verzamelen.

    In Shatila zijn overal tekenen van ellende te zien. In een kleine kamer op de begane grond zit een rouwende, in het zwart geklede, oudere vrouw rechtop op haar bed naar een kale muur te staren. Een buurvrouw vertelt me dat haar enige zoon van vijfentwintig twee weken geleden is overleden. Hij had complicaties gekregen door een mislukte blindedarmoperatie, maar, zo werd mij verteld, geen enkel ziekenhuis wilde hem opnemen omdat hij en zijn moeder de operatie niet konden betalen. Vlakbij zit een andere vrouw in haar kleine kamertje dat al tjokvol staat met twee stapelbedden, waar een klein groepje kinderen onder dunne dekens ligt te bibberen. Het zijn de kinderen van haar zoon, die een paar jaar geleden door rebellen in Syrië is vermoord.

    Op de hoofdweg grazen twee koeien en een paar schapen tussen het afval, hun vacht zwart van het vuil, terwijl twee kleine kinderen rustig aan het spelen zijn met een klein stuk plastic speelgoed dat ze in een van de vuilniszakken hebben gevonden. In de verte gaat ook een man door het vuilnis, op zoek naar voedsel.

    Te midden van de neerslachtigheid en ellende in het kamp zijn er ook sprankjes hoop. In een kelder loopt een jonge vrouw met haar haar in een knotje tussen de rijen van twintig kinderen door om samen met hen hun huiswerk door te nemen. ‘De UNRWA-scholen zitten zo vol dat de kinderen geen goed onderwijs krijgen. Wij zijn hier vrijwilliger om hen te helpen studeren’, zegt ze, en ze voegt eraan toe dat ze in haar laatste jaar sociale wetenschappen aan de universiteit zit. ‘We hebben geen andere keuze dan te studeren.’

    In elke straat zijn de littekens van vroegere oorlogen te zien

    In elke straat zijn de littekens van vroegere oorlogen te zien – van de ontbrekende arm van de oude jager die tomaten verkoopt tot de gevels van gebouwen die door zwaar geweervuur zijn weggehakt. Deze littekens zijn nooit geheeld, en de trauma’s van de bewoners werden niet aangepakt, maar generatie na generatie alleen maar opnieuw aangewakkerd – meer wreedheden, meer onderdrukking en steeds weer nieuwe beelden van ‘martelaren’, boven op de oude. Deze nieuwe martelaren behoren tot een jongere generatie mannen, die niet gedood werden in de kampen of in de oorlogen van Libanon, maar op de Westelijke Jordaanoever, in Gaza en Israël.

    Naast een graffiti van de laatste woorden van de achttiendejarige Ibrahim al-Nabulsi, een strijder die twee jaar geleden in Nablus omkwam bij een Israëlische aanval – ‘Niemand mag zijn wapen neerleggen’ – gooit een groep jonge schoolkinderen hun schooltassen op de grond en gaat in de rij staan. Een van hen draagt grote militaire laarzen en een kakibroek en heeft zijn gezicht in een keffiyeh gewikkeld. Hij geeft een bevel en marcheert met zijn troep jonge jongens door de steeg. De tijd dat de kampen over aanzienlijke militaire kracht beschikten, is al lang voorbij. Maar onder de namen van de Hezbollah-strijders die gevallen zijn in de aanhoudende confrontaties langs de zuidelijke grens van Libanon met Israël, bevinden zich enkele Palestijnen die tot Hamas behoren, die uit de kampen zijn gerekruteerd. ‘Ze zijn getraind door Hezbollah en staan onder hun militair bevel,’ vertelde een Hamas-functionaris me in Beiroet.

    Er hingen ook andere foto’s van overleden jonge mannen rondom het kamp, maar dat waren niet degenen die waren gestorven in de strijd tegen Israël. Een paar foto’s hingen tussen de gebouwen te wapperen boven de groentekraampjes. Ze lieten de gezichten zien van degenen die de kampen waren ontvlucht om een nieuw leven te zoeken, maar verdronken toen hun boot zonk in de Middellandse Zee.

    Kamals zoon, Hassan, was een van deze mannen. Zijn laatste telefoontje naar zijn vader kwam in de nacht van 13 juni. Hij vertelde Kamal dat ze op de vissersboten werden geladen. De boot, die op weg was naar Italië, kapseisde in Griekse wateren. De Griekse kustwacht heeft tientallen opvarenden gered, maar negenenzeventig mannen en vrouwen kwamen om en nog veel meer worden vermist.

    Hassans lichaam is nooit gevonden, maar Kamal denkt dat hij nog ergens levend rondloopt. ‘Zijn vriend die bij hem was, vertelde me dat hij hem de hele nacht heeft zien zwemmen. Ik weet zeker dat hij ergens in Griekenland is. Zolang ik zijn lichaam niet zie, blijf ik geloven dat hij leeft en dat hij op een dag bij ons terug zal komen.’

    De smokkelaar, wiens boot kapseisde, runt nog steeds zijn bedrijf vanuit hetzelfde appartement in Beiroet.

    Sommige namen zijn veranderd.

  • Mijn geliefde vijand

    Mijn geliefde vijand

    Sinds de Amerikaanse invasie van Irak in 2003 wonen honderdduizend Irakezen in de Verenigde Staten. In de webdocumentaire My beloved enemy van Claire Jeantet en Fabrice Catérini vertellen de vluchtelingen vanuit Detroit, Boston en Las Vegas over hun gedwongen vertrek en hun nieuwe leven in de Verenigde Staten.

    (_My beloved enemy _is geoptimaliseerd voor de browser Google Chrome.)