En agosto nos vemos, de laatste krachtsinspanning van schrijver Gabriel García Márquez ‘tegen het verdampen van zijn geheugen’, is onlangs in veertig talen uitgebracht. Of dat wel de bedoeling van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar zelf was, is de vraag.
In het Harry Ransom Center in Texas liggen vijf met de hand gecorrigeerde versies van de roman En agosto nos vemos en wordt ook de rest van het nalatenschap van Gabriel García Márquez bewaard. Behalve die vijf versies met correcties, gedateerd tussen juni en juli 2004, zijn er twee ‘kopieën uit de bureaula’ en een kopie met de aanduiding ‘Los Ángeles’, de stad waar de schrijver aan het boek werkte terwijl hij tegen kanker vocht, verder nog een matig positief leesverslag en verschillende fragmenten die García Márquez naar zijn agente Carmen Balcells in Barcelona had opgestuurd, maar waarvan de schrijver, die de laatste tien jaar wegzakte in dementie, in 2010 of misschien 2011 zou zeggen: ‘Dit boek deugt niet. Het moet vernietigd worden.’
En agosto nos vemos is niet vernietigd. Het boek is op 6 maart, de dag waarop de schrijver 97 zou zijn geworden, uitgebracht. Rodrigo García en Gonzalo García Barcha, de zonen en erfgenamen van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar, en zijn vrouw Mercedes Barcha, die in het begin van de pandemie overleed, hebben de roman een paar jaar geleden herzien en geconcludeerd dat hij het verdiende gepubliceerd te worden. ‘Het was zijn laatste krachtsinspanning tegen het verdampen van zijn geheugen,’ aldus zijn oudste zoon, Rodrigo, een vermaard cineast in Hollywood. ‘Hij heeft er keihard aan gewerkt. Maar naarmate de dingen hem ontglipten, vergat hij ook dat boek. Mijn theorie is dat hij, toen hij zei dat het niet deugde, het vermogen om zijn werk te beoordelen al kwijt was. Dit boek is niet zo puntgaaf als zijn andere romans, maar het is ook weer geen fiasco waar geen touw aan vast te knopen valt. Ik denk dat hij degene was die er op een gegeven moment geen touw meer aan vast kon knopen.’
Om orde te scheppen in het materiaal dat hun vader bij zijn dood – in april tien jaar geleden – naliet, riepen ze de hulp in van de Spaanse uitgever Cristóbal Pera, die met de schrijver onder andere had samengewerkt aan diens autobiografie Vivir para contarla (2002) [in het Nederlands verschenen als Leven om het te vertellen]. Pera, die nu leiding geeft aan uitgeverij Planeta in de VS, vergeleek in zijn vrije tijd op de zolder van zijn huis in New Jersey alle rode correcties in het nogal woeste handschrift van García Márquez. ‘Ik moest natuurlijk niks toevoegen, maar proberen uit te maken welke versie het dichtst bij de definitieve kwam. Dus aan de hand van zijn aantekeningen voor redacteur spelen, alsof ik naast hem zat,’ licht hij toe.
De bedoeling van de zonen was om de staat waarin het verhaal verkeerde toen hun vader er de brui aan gaf zo veel mogelijk te respecteren, wat zelfs zo ver ging, vertelt Rodrigo, dat ze ‘een paar tegenstrijdigheden’ weigerden aan te passen toen ze er door een paar van de vertalers op attent werden gemaakt.
‘De personages van mijn romans komen pas tot leven als ze een naam hebben die hen typeert’
Hoofdpersoon is een vrouw van middelbare leeftijd genaamd Anna Magdalena Bach, naar de tweede echtgenote van de componist, een raadselachtige keuze die vast een knipoog van de muziekgek ‘Gabo’ naar zijn lezers inhield, want die weten wel dat namen belangrijk voor hem waren. ‘De personages van mijn romans komen pas tot leven als ze een naam hebben die hen typeert,’ schreef hij in zijn memoires.
Het type Anna Magdalena Bach is iemand die op reis gaat om de buitenechtelijke liefde te verkennen en tegelijkertijd, zoals ze ieder jaar doet, een bezoek te brengen aan het graf van haar moeder.
Toen de erfgenamen het archief – tachtig dozen met papieren, 67 floppy’s, en nog eens vijftien dozen en drie grote mappen, in totaal ruim 10 gestrekte meter – verkochten, wilden ze Nos vemos en agosto niet toegankelijk maken voordat ze wisten wat ze met het materiaal wilden doen. Het manuscript werd ook niet meegenomen bij de digitalisering in 2017 van 27.000 documenten die ‘iets meer dan de helft van het geheel’ uitmaken (oftewel de helft van al het materiaal waarover de familie het intellectuele eigendom bezit), aldus Jim Kuhn, die verantwoordelijk was voor die operatie.
‘Het was een grootmoedige geste en tegelijk een uitstekende manier om de nalatenschap en het creatieve proces van de schrijver te delen,’ zegt Kuhn. Rodrigo García bagatelliseert het belang van de geste. ‘Uiteindelijk krijg je als je de titel van een willekeurige roman op Google intikt vanzelf de pdf te zien, ongelooflijk maar waar,’ zucht hij. De digitalisering deed ook niet af aan de belangstelling om de documenten van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar persoonlijk te komen raadplegen.
Toen de onuitgegeven roman voor onderzoekers werd vrijgegeven, publiceerde de Colombiaanse journalist Gustavo Arango, die de tekst in Texas las, een artikel waarin hij hoog opgaf van de kwaliteiten, en dat was een reden te meer, vertelt Pera, om de familie te bewegen tot uiteindelijke publicatie. ‘Uiteraard is het niet voor het geld dat het boek nu wordt gepubliceerd,’ benadrukt de uitgever. ‘Gabo’s oeuvre is springlevend. Alleen al in China zijn de laatste jaren 10 miljoen exemplaren van Honderd jaar eenzaamheid verkocht.’
Samen een geheel
In het archief vind je ook foto’s van een evenement in 1999 in het Casa de América, in Madrid, dat was georganiseerd door de Spaanse auteursbond en waarbij je de schrijver een versie van het eerste hoofdstuk van Nos vemos en agosto ziet voorlezen, gezeten naast een andere Nobelprijswinnaar, José Saramago. El País-journalist Rosa Mora, die erbij was, maakte een reportage waarin ze inging op de plot en vertelde dat het ging om het eerste van de ‘vijf op zichzelf staande verhalen’ die met elkaar zijn volgende boek zouden uitmaken. ‘Het lijken volstrekt afgeronde, op zich staande verhalen, maar ze vormen met elkaar een geheel’, schreef ze in haar artikel.
De zondag erna publiceerde de krant een herziene versie van de bewuste tekst. Uit een map met brieven aan zijn literair agent is ook op te maken wanneer Gabo besloot aan El País (en aan het Colombiaanse tijdschrift Cambio) ander materiaal te geven dat te maken had met de onuitgegeven roman, een verhaal dat in 2003 werd gepubliceerd onder de titel ‘La noche del eclipse’ (De nacht van de eclips).
Uit deze voorpublicaties bleek dat Nos vemos en agosto heel goed het derde deel zou kunnen zijn van een trilogie ‘over liefde op rijpere leeftijd’, waarvan Over de liefde en andere duivels en Herinnering aan mijn droeve hoeren als de eerste twee delen kunnen worden beschouwd. ‘Ook daarom wilden wij deze roman publiceren,’ zegt Rodrigo García, ‘want ik denk dat het boek dat drieluik met feministische inslag uitstekend afsluit. Vanwege het specifieke gezichtspunt, dat van een vrouw, dachten we dat het Gabo’s wereld voor zijn lezers, en vooral voor zijn lezeressen, zou verruimen.’
Als je deze doorhalingen en notities in de kantlijn aandachtig bestudeert, krijg je een inkijkje in het brein van de schrijver
De verschillende in Austin bewaarde versies zijn geschreven in Palatino, het lettertype dat hoort bij de eerste Apple-computers waarover Gabo heel enthousiast was. ‘Hij gebruikte ze alleen om te redigeren en de krant te lezen, verder niet. Hij was heel perfectionistisch en hield ervan een pagina schoon achter te laten, op de schrijfmachine verdeed hij veel tijd met het verbeteren van fouten,’ herinnert Rodrigo García zich. ‘Met de computer ging hij van één pagina per dag naar vier of vijf.’
Op die pagina’s gaf de auteur met rode pen of met potlood herhalingen aan, schrapte zinsneden als ‘donkere wolken vulden de stad als een duister voorteken’ of veranderde van gedachten over de leeftijd van de hoofdpersoon: in het begin nabij de 30, later 36, en ten slotte 46 jaar. Als je deze doorhalingen en notities in de kantlijn aandachtig bestudeert, krijg je een inkijkje in het brein van de schrijver voordat hij in zijn labyrint verdween. Pera had ze nodig om zijn bedoelingen te achterhalen. Hij baseerde zich, vertelt hij, op de vijfde versie, die zich bevond in een zwarte map van Gabo’s favoriete merk Leuchtturm, waarop hij ‘Gran OK’ (‘Klaar!’) had gezet. Pera vergeleek de versie met een ‘Word-document dat zijn secretaresse, Mónica Alonso, bijhield’. In feite was Pera’s bemoeienis met de roman al lang begonnen voordat de zoons hem twee jaar geleden benaderden. ‘Op een dag in 2010 zei Balcells in Barcelona tegen me: ‘Cristóbal, je moet Gabo zover zien te krijgen dat hij de roman waaraan hij werkt afmaakt,’ herinnert hij zich. ‘Terug in Mexico vertelde ik het hem. Hij moest lachen en zei dat hij al klaar was, en om het te bewijzen las hij me de laatste alinea voor. Daarna liet hij me maandenlang verder niks zien, tot hij me op een dag toestond om hem hardop drie hoofdstukken voor te lezen. Heel ontroerend.’
Tijdens zijn reconstructie kon Pera ook rekenen op de hulp van Alonso, Márquez’ trouwe en nog steeds discrete (ze weigerde aan deze reportage mee te werken) secretaresse de laatste jaren, toen de schrijver, die zichzelf, zoals zijn biograaf, Gerald Martin, memoreert, altijd had beschouwd als een ‘crack qua geheugen’, dat geheugen begon kwijt te raken. Dat ‘pijnlijke proces’ heeft Rodrigo García beschreven in zijn aangrijpende boek Gabo y Mercedes. Una despedida [in het Nederands verschenen als Er is nog tijd. Herinneringen van een zoon aan Gabriel García Márquez], een verslag van zijn rouw en van de laatste levensfase van zijn beide ouders. Hij vertelt daarin openhartig over die jaren zonder voorbij te gaan aan de ‘moeilijkste maanden’, waarin de schrijver ‘zich zijn levenslange echtgenote weliswaar herinnerde maar dacht dat de vrouw die tegenover hem zat en hem verzekerde dat het om haar ging een bedriegster was.’ ‘Waarom loopt dat mens hier te commanderen en het huishouden te runnen als ze helemaal niet bij mij hoort?’ vroeg hij. ‘Hier is niet hij, maar de dementie aan het woord,’ zei haar zoon.
‘Die constante zelfcorrectie is een van de dingen die hem als schrijver kenmerken. Hij zat zijn teksten altijd te verbeteren, wat zijn journalistieke inslag verraadt,’ verklaart Álvaro Santana Acuña, die sociologie doceert aan het Whitman College, in de staat Washington.
Santana Acuña is een van de grootste kenners van het archief in Austin. Zijn expertise stelde hem in staat het boek Ascent to Glory (2020) te schrijven, een soort biografie van Honderd jaar eenzaamheid en het enorme, onverwachte succes van het boek. Het Harry Ransom Center vroeg hem de samenstelling op zich te nemen van de tentoonstelling Gabriel García Márquez. The Making of a Global Writer, waarin hij Gabo plaatst tussen andere grote auteurs uit de twintigste eeuw, meesters of vrienden als Joyce, William Faulkner, Jorge Luis Borges of Julio Cortázar.
Eerste klapper
Dat idee paste bij de opzet van het instituut om de nalatenschap van Márquez openbaar te maken, aldus de directeur van het Harry Ransom Center, Stephen Enniss. Hij vertelt dat de aanschaf van Márquez’ archief zijn eerste klapper was toen hij tien jaar geleden in functie trad. De aankoop lokte kritiek uit vanwege de beslissing om de geschriften van de Nobelprijswinnaar naar de VS over te brengen in plaats van ze te laten in Colombia, waar hij werd geboren, of in Mexico, tientallen jaren zijn woon- en verblijfplaats. Misschien dat het Harry Ransom Center er daarom zoveel aan gelegen was om het archief te catalogiseren en zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor publiek. Het laatste item dat via aankoop op een veiling in bezit van het centrum kwam, is een brief uit 1950 van García Márquez aan zijn vriend Carlos Alemán waarin hij het centrale personage uit Honderd jaar eenzaamheid ter sprake brengt.
Dat het archief buitengewoon toegankelijk is, blijkt wel uit het feit dat wie met een geldig identiteitsbewijs naar Austin komt maar twintig minuten nodig heeft om het typoscript van Honderd jaar eenzaamheid in handen te krijgen en te ontdekken dat het legendarische begin, over kolonel Aureliano Buendía die staande voor het vuurpeloton terugdacht aan die middag dat zijn vader hem meenam om het ijs te leren kennen, bijna uit drie zinnen had bestaan.
Santana Acuña betreurt het lot van het archief van Gabo’s literair agent, zeker als hij het vergelijkt met de gang van zaken rond Gabo’s nalatenschap. ‘De Spaanse staat kocht het [in 2010 en na de dood van Balcells, in 2015] en na al die jaren liggen de spullen nog steeds in dozen, ze zijn niet eens toegankelijk voor wetenschappers, om over digitalisering maar niet te spreken,’ zucht hij. En dat is zeker jammer. Wie de brieven leest die van haar in Austin liggen, ontdekt een schrijver die weliswaar een keiharde zakenvrouw was maar ook hart had voor de mensen die zij vertegenwoordigde en de kunst van de ironie verstond. Bijvoorbeeld als zij haar sterauteur bij wijze van groet schrijft: ‘Dikke kus en eens zien wat we je voor je verjaardag kunnen geven. Die 3000 dollar is zo afgezaagd.’
Het agentschap Balcells blijft met de toewijding van de vrouw die het oprichtte het nalatenschap van García Márquez beheren met als komende mijlpalen de viering van zijn honderdste geboortedag, in 2027, en de première van de acht eerste hoofdstukken van de serie die Netflix op basis van Honderd jaar eenzaamheid in voorbereiding heeft en die is voorzien voor het einde van dit jaar. Opnieuw iets waarmee zijn erfgenamen tegen de wil van de schrijver besloten in te gaan: ‘De bedenking die hij had, is dat hij liever niet in beelden bestond maar alleen in de verbeelding van zijn lezers,’ geeft Rodrigo García toe. ‘Maar hij zei als film- en televisieliefhebber ook vaak dat er niets mis was met een productie van een heleboel uur. Honderd, zei hij. Hij was vooral geen voorstander van een verfilming van twee, hooguit vier uur met Hollywoodacteurs. Hij had trouwens niets tegen televisie; hij hield van goede series.’
García zegt erbij dat de familie tot de conclusie kwam dat het ‘er vroeg of laat van moest komen’. ‘Anders doen onze kinderen of kleinkinderen het wel, of het gebeurt als de roman rechtenvrij is. Wij zagen de belangstelling van Netflix, dat een flinke bom duiten voor de productie overhad – en dan moet je niet denken aan het budget van een soap – en bovendien rekening wilde houden met al onze eisen, dus dit leek ons het juiste moment.’ Die voorwaarden hielden in dat de nodige omvang werd betracht en dat de serie in Colombia in het Spaans werd gedraaid met een Latijns-Amerikaanse crew. ‘Er zal vast veel discussie over ontstaan. Men zal zeggen dat Gabo tegen was. Maar er is iets wat ons altijd kan vrijpleiten en dat is dat hij placht te zeggen: ‘Na mijn dood mag je doen wat je wilt.’
Het zal dankzij deze uitspraak zijn, een uitspraak die niet zou misstaan in de mond van een van de lapidaire personages uit zijn romans, dat de lezers van García Márquez met de serie zullen kunnen terugkeren naar Macondo. Ook kunnen ze binnenkort eindelijk kennisnemen van Nos vemos in agosto, het hoofdstuk dat zijn literaire oeuvre afsluit.
Als je ziet hoeveel boeken er zijn gepubliceerd over de typisch Nederlandse ‘kunst van het niksen’, lijkt het een typisch Hollands fenomeen. Maar hoe rijmen we dat met het calvinisme dat Nederlanders met de paplepel is ingegoten? Of zijn die waarden inmiddels veranderd en wordt er tegenwoordig juist veel afgenikst om maar niet overspannen te raken?
Ik sta op het strand van Scheveningen, de bekende badplaats bij Den Haag, en ik ben aan het niksen – het Nederlandse woord voor helemaal niets doen. Ik probeer niet na te denken over de vraag of ik echt niets doe als ik op het strand sta. Misschien kan ik beter gaan zitten? Maar dan zou ik zitten. Hoe kun je het best niksen? Naast me staat Olga Mecking, de auteur van Niksen: Embracing the Dutch Art of Doing Nothing, die het moeiteloos lijkt te kunnen. In de drie jaar sinds haar boek is uitgebracht, is Mecking uitgegroeid tot dé Nederlandse autoriteit op het gebied van helemaal niets doen. Ineens herinner ik me dat er een eindje verderop op de promenade een pannekoekenrestaurant zit. Valt pannekoeken eten onder niksen, of ben je dan te veel met iets bezig? Misschien ben ik niet in de wieg gelegd om te niksen.
Dat hoort ze heel vaak, zegt Mecking, dat mensen moeite hebben om niksen te definiëren. ‘De definitie die ik in het boek gebruik is: niets doen, zonder enig doel voor ogen. Niet naar een film kijken, niet op je telefoon zitten, geen mails lezen. We hebben altijd ergens in ons achterhoofd wel iets van een doel. Als we staan te koken, denken we: Deze maaltijd is goed voor de lijn, of goed voor mijn gezondheid. Als we een wandeling maken, moet dat bijdragen aan ons streven van tienduizend stappen. En dan genieten we niet meer van gewoon eten of wandelen. Dus waar het om gaat, is dat je die doelen loslaat.’
Uitputting door werk
Hoe komt het dat aandoeningen als burn-outs, depressie en stress (in de westerse wereld) aan de orde van de dag zijn? Die vraag is de afgelopen decennia door sociologen en psychologen onderzocht.
Het lijkt namelijk of die aandoeningen erop wijzen dat deze tijd uitputtender zou zijn dan vroeger, terwijl de arbeidsuren zijn afgenomen en ook zwaar en/of eentonig fysiek werk gedeeltelijk is overgenomen door machines.
Toch is het energieniveau van de mens door de eeuwen heen in principe gelijk gebleven, schrijft filosofisch magazine Aeon. De reden zou zijn dat we ons, door sociale veranderingen die het gevolg zijn van nieuwe technologieën, geconfronteerd zien met nieuwe cognitieve en emotionele eisen en de grens tussen werk en vrije tijd vervaagd is. We zijn bijvoorbeeld in principe altijd en overal bereikbaar. Bovendien is door de globalisering de concurrentie enorm toegenomen. Geen wonder dat uitputting een wijdverbreid euvel is.
In haar boek Exhaustion: A History beschrijft Anna Katharina Schaffner dat uitputting aan geen enkele tijd verbonden is en al sinds de klassieke oudheid een academisch onderwerp is. Het fenomeen werd destijds echter gezien als een biochemische onevenwichtigheid, een somatische kwaal, een virusziekte of zelfs een spirituele tekortkoming. Het werd onder andere in verband gebracht met de stand van de planeten, een pervers verlangen naar de dood en sociale en economische ontwrichting. Oftewel: alle theorieën over aan werk gelieerde uitputting laten slechts zien hoe men in het verleden dacht over lichaam en geest.
Een burn-out is nu weliswaar een geaccepteerde reden om een werknemer betaald verlof te laten nemen, maar wordt ook nog wel voorgesteld als een ‘vorm van zwakte en gebrek aan wilskracht’. In de middeleeuwen werd uitputting gezien als ‘een zonde’ en volgens sommige neoliberale theorieën is een burn-out volledig te wijten aan het individu zelf. De negentiende-eeuwse Amerikaanse arts George M. Beard ging ervan uit dat ‘het gevoelige zenuwstelsel van de moderne stadsmens niet was opgewassen tegen zintuiglijke overbelasting veroorzaakt door lawaai, snelheid en te veel informatie’.
Burn-out-theoretici van de eenentwintigste eeuw voeren in principe nog steeds vergelijkbare argumenten aan en wijzen op de schadelijke effecten van nieuwe communicatietechnologieën en de neoliberale werkplek, met als gevolg vaak ‘energie-afbrekend’ gedrag, zoals te hard werken, verkeerd eten, te veel piekeren en slapeloosheid. Maar in tegenstelling tot depressie wordt een burn-out – en daarover zijn de meeste psychologen het eens – uitsluitend veroorzaakt door externe factoren die direct gerelateerd zijn aan de werkomgeving en iemands positie daarin.
Haar woorden spreken me aan. Ik ben er klaar voor om die doelgerichtheid los te laten. ‘Het was niet makkelijk om een definitie te vinden,’ gaat ze verder. ‘Ik merkte dat mensen last kregen van schuldgevoelens zodra ik met een nauw omschreven definitie kwam. Ik hoor zo vaak van mensen dat ze zich schuldig voelen als het ze niet lukt om niks te doen.’ En daarmee omschrijft ze precies de reden waarom er wereldwijd zo veel belangstelling is voor haar boek.
Mecking, die werkt als journalist en een blog heeft over ouderschap (ze heeft zelf drie kinderen), is getrouwd met een Duitser en woont in Den Haag. Ze spreekt vloeiend Nederlands maar is van oorsprong Pools. In 2018 stuitte ze op het begrip ‘niksen’ in een gratis supermarktblaadje. Het intrigeerde haar dat ze geen andere taal kende met een vergelijkbaar werkwoord. Ze hield een pitch voor een artikel over het onderwerp bij The New York Times. Toen dat in 2019 verscheen – ‘The Case for Doing Nothing’ (Een pleidooi om niets te doen) – ging het meteen viraal. Binnen enkele weken had ze een contract met een uitgever. Haar boek, dat enigszins te vergelijken is met boeken over hygge (De Deense kunst van de gezelligheid) en fika (de Zweedse kunst van de koffiepauze) verscheen precies op het moment dat in Nederland de eerste harde lockdown inging, eind 2020. Een veelzeggende review op Amazon in dat jaar: ‘Het perfecte boek voor wie door de pandemie kampt met stress.’
Na de pandemie heeft het fenomeen standgehouden. Begin dit jaar liet fitnessketen David Lloyd – met meer dan honderd sportscholen in het Verenigd Koninkrijk – weten lessen te gaan geven in niksen, om mensen te helpen met ‘het loslaten van spanning’. In de aankondiging werd Jan de Jonge geciteerd, een Nederlandse psycholoog die gespecialiseerd is in niksen: ‘Wellness is heel belangrijk in ons hectische bestaan. Nederlanders, die de naam hebben relaxed en gemoedelijk te zijn, vinden het fijn om na een dag hard werken even lekker te niksen.’ Op X voegt hij eraan toe dat niksen geen typisch Nederlandse manier van leven is, maar eerder een reactie op onze moderne manier van leven.
Hoe Nederlands is niksen
Er zijn nog veel meer boeken verschenen over niksen, van mensen die duidelijk niet hebben geluisterd naar hun eigen advies om niks te doen. Niksen. De Hollandse kunst van het nietsdoen van Annette Lavrijsen. Niksen. Lang leve het lanterfanten van Maartje Willems en Lona Aalders. Niksen: The Power of Doing Nothing van Tess Jansen. A Dutch Guide to Niksen van Johanna van Elp.
Maar hoe Nederlands is het nou eigenlijk om te niksen? En waar komt het woord vandaan? ‘Niksen is een mediaconcept, net zoiets als blue monday,’ zegt Ruut Veenhoven, emeritus hoogleraar ‘Sociale condities voor menselijk geluk’ aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Ooit werd aangenomen dat blue monday, de derde maandag van januari, op grond van bepaalde ‘berekeningen’ de deprimerendste dag van het jaar was. Later bleek dit hele concept te zijn verzonnen door een reisbureau. Niksen is niet helemaal hetzelfde: niemand spoort je aan om een georganiseerde reis te boeken. En Nederlanders gebruiken het werkwoord ook echt. Veenhoven erkent dat de belangstelling voor het concept niksen veelzeggend is. ‘We zijn duidelijk het gelukkigst als we bezig zijn. En in de moderne samenleving zijn er heel veel leuke dingen te doen. Met als gevolg dat we ook heel veel doen. Het tempo ligt hoger dan in niet-westerse landen en het niveau van tevredenheid met het bestaan is ook hoog, en blijft stijgen. Maar toch… Een neveneffect is de tijdsdruk die ontstaat. We dromen van meer ontspanning.’ Niksen biedt ons datgene waarnaar we hunkeren: een verklaring voor wat er ontbreekt – de aanwezigheid van het niets in ons bestaan.
Mensen verkiezen zwart werk of een uitkering
Columnist Alfredo González van ElHeraldo de México legt het probleem van de 5 miljoen openstaande vacatures in Mexico bij de grote informele sector in het land. Volgens de economisch commentator ‘sluiten veel mensen, volwassenen en jongeren, geschoolden en ongeschoolden, zich liever aan bij de informele economie. En dat tast de overheidsfinanciën aan: niet alleen omdat deze mensen belasting ontduiken, maar ook omdat het investeerders afschrikt die in ons land op zoek zijn naar geschoolde arbeidskrachten.’
Een van de redenen voor deze ontwikkeling is het grote aantal sociale programma’s en uitkeringen dat de Mexicaanse president Andrés Manuel López Obrador heeft ingevoerd, aldus González. ‘Er zijn middelen voor jongeren, alleenstaande moeders, ouderen en andere kwetsbare groepen. Ze dienen om een nood te lenigen, maar helpen hen niet om een toekomst op te bouwen.’
Meckings boek is inmiddels in dertien talen vertaald en met name de Fransen zijn ervan gecharmeerd. (‘L’art de ne remplir aucun objectif,’ verzucht de Franse Cosmopolitan – te vertalen als ‘De kunst om geen enkel doel na te streven’.) Maar dat niksen uit Nederland afkomstig is, wil nog niet zeggen dat Nederlanders er bij uitstek goed in zijn. ‘Niksen lijkt overal ter wereld als een concept te worden gezien, behalve in Nederland,’ zegt Carolien Hamming, oprichter en directeur van CSR Centrum, een centrum voor onderzoek naar stress en veerkracht, in de buurt van Utrecht. ‘Het heeft niets van doen met onze cultuur. Integendeel, we zijn calvinisten die elkaar voorhouden dat we harder moeten werken.’
Mecking heeft Hamming geïnterviewd toen ze net was begonnen met haar research. Hamming zei toen dat Nederlanders niet goed zijn in niks doen. ‘We hebben met de paplepel ingegoten gekregen dat we ons altijd nuttig moeten maken en behulpzaam moeten zijn. Luiheid is des duivels oorkussen.’ Maar ze kan het de mensen niet kwalijk nemen dat ze belangstelling tonen voor het idee, nu stress en neerslachtigheid meer en meer om zich heen grijpen. ‘Onze hersenen zijn overbelast; we weten niet hoe we niets moeten doen.’
Achtergrond
Toen ik Nederlandse vrienden vroeg naar de achtergrond van het niksen, zeiden ze dat ze het woord wel kenden, maar dat ze niet konden zeggen wat er zo typisch Nederlands aan was. Maar ze maakten ook grapjes: ‘Sorry, ik ben te druk aan het niksen om antwoord te geven.’ Mecking vertelt dat toen zij begon aan haar boek over niksen, een andere uitgever net een contract had gesloten met een andere auteur om over hetzelfde onderwerp te schrijven. De race was begonnen en haar deadline werd naar voren gehaald. Niet echt in de geest van het niksen.
En Hamming heeft gelijk: het concept is niet voorbehouden aan Nederland. Ik heb het gebruik niet kunnen terugvinden in de Nederlandse taal vóór eind jaren tien. Het wordt gewoonlijk gedefinieerd als een reactie op een meedogenloos arbeidsethos dat, zoals dat gaat met woordenboeken, opmerkelijk specifiek wordt omschreven en pas onlangs zou zijn gemunt. Om de een of andere reden heb ik het gevoel dat niksen niet tot het vocabulaire behoorde van grote Nederlandse kunstenaars als Vermeer, Rembrandt of Van Gogh, die allemaal pleitbezorger waren van intensieve lichamelijke activiteit. Het is opmerkelijk dat dit ongebruikelijke werkwoord is opgedoken in een land dat zichzelf doorgaans beschouwt als calvinistisch en atheïstisch. Net als Hamming mompelen mijn Nederlandse vrienden meestal iets over het calvinisme zodra ik over niksen begin: deze tak van het zestiende-eeuwse protestantisme vond grote weerklank in Nederland. En Calvijns waarden van hard werken, soberheid, discipline en ‘oprechtheid’ zijn er nog altijd in sterke mate voelbaar.
Die openheid is ook een overblijfsel van het calvinisme: ‘Kijk gerust naar me. Ik heb niets te verbergen’
Neem de manier waarop ze in Nederland omgaan met zonwering en gordijnen. Die worden niet gebruikt. Toen ik door Den Haag liep, in een poging achteloos te niksen, viel me op dat ik overal bij mensen naar binnen kon kijken, ongeacht de vraag of die mensen al dan niet aan het niksen waren.
Merkwaardige mengeling
Die openheid is ook een overblijfsel van het calvinisme: ‘Kijk gerust naar me. Ik heb niets te verbergen.’ Het is een fascinerende, tegenstrijdige culturele impuls: je nooit laten gaan en je aan de regels houden, en tegelijkertijd volkomen transparant zijn. Het is een merkwaardige mengeling van zowel beheerst als ontspannen zijn. Geen wonder dat je dan soms de behoefte voelt om te niksen, om even bij te komen. En ook geen wonder dat het verlangen naar niksen geen exclusief Nederlands fenomeen blijkt te zijn.
Dat het onderwerp ‘burn-out’ in Nederland zo hoog op de agenda staat, heeft wellicht iets te maken met de inherente spanning van het calvinistische verleden. Vorig jaar werd een onderzoek naar welzijn, uitgevoerd door een ziektekostenverzekeraar, breed aangehaald in de Nederlandse pers. De Cigna Healthcare Vitality Study werd uitgevoerd met tienduizend respondenten uit twaalf verschillende markten, verspreid over verschillende landen, waaronder de VS, Kenia, China en vijf Europese landen. Nederland scoorde hoog. Hoewel 90 procent van de Nederlandse werknemers zegt opgebrand te zijn, en 27 procent van de mensen zich als gevolg daarvan moe en leeg voelt, waren de Nederlanders als groep nog altijd de minst gestresste werknemers van het onderzoek. Hoewel 64 procent van de Nederlandse respondenten stress ervoer, was die score beduidend lager dan in België, waar het percentage 81 procent bedroeg. Ruud Wassen, hoofd marketing van Cigna, en zelf ook Nederlander, legt uit dat het stressniveau in Europa sinds de pandemie hoog is en dat Nederland daar geen uitzondering op vormt. Maar, zegt hij, Nederlandse werknemers ervaren relatief weinig stress als het gaat om de kosten van het levensonderhoud, de persoonlijke financiële situatie en onzekerheid over de toekomst. Als we echter kijken naar de belangrijkste stressfactor, dan verschilt Nederland niet van andere landen, zegt hij. ‘Te veel werk.’
Het punt is dat Nederlanders volkomen in de stress schieten bij de gedachte aan een burn-out
‘Een burn-out is niet voorbehouden aan Nederlanders, maar het is wel een groeiend probleem in Nederland,’ aldus Roel Fransen, hr-manager bij Oval, een bedrijf uit Tilburg dat zich inzet voor het vergroten van de betrokkenheid van werknemers. Uit een studie van onderzoeksorganisatie TNO uit 2023 blijkt dat een op de vijf Nederlandse werknemers kampt met symptomen van een burn-out. ‘Dat is een significante toename ten opzichte van eerdere jaren,’ zegt Fransen. ‘En het lijkt erop dat die toename is toe te schrijven aan een aantal factoren: het feit dat het werk steeds meer van mensen vergt, de opkomst van de platformeconomie en de veranderde kijk op de balans tussen werk en vrije tijd.’
Dus het is niet zo dat Nederlanders wereldwijd het hoogst scoren als het om burn-outs gaat – ze scoren juist lager dan de meeste andere landen. Het punt is dat ze volkomen in de stress schieten bij de gedachte aan een burn-out. ‘Sommige reacties op een burn-out lijken verankerd in de Nederlandse cultuur,’ zegt Fransen. ‘Zo hebben Nederlanders een sterk gevoel voor sociale solidariteit, waardoor mensen met een burn-out minder snel een stigma krijgen.
Nederlanders zijn vaak heel ambitieus en zetten zichzelf vaak onder grote druk om te slagen. Ze zijn misschien ook wat huiverig om vrij te nemen van het werk, zelfs als ze ziek zijn. Daarnaast kan de Nederlandse “gezelligheid” er soms toe leiden dat mensen de druk voelen om overal aanwezig te zijn, terwijl ze ondertussen hun werk niet mogen laten versloffen, wat er vaak op neerkomt dat ze voorbijgaan aan hun eigen behoeften.’
Terug in de tijd
Op 31 maart 2012 schetsten we in het redactioneel van ons pasgeboren magazine een toekomstbeeld waarin een hele generatie opgroeide zonder werk. Er werden overal in Europa pogingen gedaan om het tij te keren. Twaalf jaar later zijn sommige hervormingen doorgevoerd en liggen de banen voor het oprapen, alleen wil niet iedereen meer koste wat het kost de arbeidsmarkt op. Een terugblik.
De Amerikaanse industrie – het werkloosheidscijfer lag in 2012 boven de 9 procent; nu is dat 3,9 procent – klaagde dat het moeilijker zou worden om aan geschoolde vakmensen te komen omdat de aard van het werk veranderd was. Iedereen moest met de computer om kunnen gaan en waar haalden ze nog een machinebankwerker vandaan? In Italië was het eenvoudiger om duizend mensen te ontslaan dan één individuele werknemer en woedde er een strijd tussen de overheid en de vakbonden, die toen al van kortlopende contracten af wilden. Terwijl in Polen – waar drie op de vijf mensen tijdelijk werk verrichten – contracten niet eens onder de arbeidswetgeving vielen.
Oplossingen waren moeilijk te vinden. Op veel plaatsen, tot in Richmond Californië aan toe, werd heil gezien in het Baskische voorbeeld van de coöperatie. Daar begon de firma Solar met ‘democratisch ondernemen’ en gaf inwoners de kans zich om te scholen tot monteur van installaties voor groene energie. Daarna konden ze mede-eigenaar worden. Maar ook aan dit model bleken haken en ogen te zitten. Naast de kosten om een bedrijf gaande te houden, bleek er ook coöperatieve scholing nodig om ieders stem gehoord te laten worden en gezamenlijk beslissingen te kunnen nemen. Toch heeft wortel schieten in een gemeenschap zeker de nodige betrokkenheid gebracht, die bijvoorbeeld bij multinationals als Amazon of Google ver te zoeken is. Tegen die vorm van ‘moderne slavernij’ komt nu een generatie in opstand. En geef ze eens ongelijk, als met al die uren lopendebandwerk de huizenhoge huur niet eens betaald kan worden en een hypotheek al helemaal niet tot de mogelijkheden behoort. Dus inderdaad: arbeid adelt nog steeds niet altijd.
Snap je wat ik bedoel met tegenstrijdig? Niet stigmatiseren. Het uiterste uit jezelf halen. Geen vrij nemen van je werk. Alle sociale bijeenkomsten bijwonen en dan ook gezellig zijn. Altijd de gordijnen openhouden. Het klinkt echt slopend om succesvol Nederlander te zijn.
Maar wat de aandacht voor niksen bovenal aantoont, is de hang naar filosofieën uit andere landen. We leven in een tijd waarin velen van ons min of meer kunnen doen en laten wat we willen, meer dan op enig ander moment in de geschiedenis. Maar wat we vooral blijken te willen, is dat iemand met verstand van zaken ons het gevoel geeft dat we ons instinct mogen volgen. Hygge is het helemaal en niemand is er zo goed in als de Denen. Maar de Denen hebben niet het monopolie op knusse avondjes en kaarslicht. Fika is een prachtige traditie. Maar Zweden is niet de enige plek ter wereld waar je taart kunt eten en koffie kunt drinken. Zo hoef je ook geen Nederlander te zijn of het woord niksen te kennen om even niets te doen, je kunt ook gewoon… niets doen. En niets doen kun je onmogelijk verkeerd doen. Het zal dan ook niemand verbazen dat ik tot de ontdekking kwam dat die pannekoeken toch echt onder mijn definitie van niksen vielen.
In de Antarctische Weddellzee verhindert een ijsbarrière dat gletsjers terugstromen in de oceaan. Maar hoelang houdt die het nog uit? Een team van wetenschappers onderzocht het met medewerking van de bewoners van Antarctica.
Hoe onderzoek je zeestromingen op plekken waar de oceaan meestal bedekt is met zulke dikke ijsschotsen dat het zelfs voor ijsbrekers moeilijk wordt? Horst Bornemann, een dierenarts aan het Alfred Wegener Instituut voor polair en zeeonderzoek (AWI) in Bremerhaven, heeft daarvoor een blaaspijp nodig met een verdovingspijl, een minisensor van slechts 600 gram met een satellietzender en een beetje tweecomponentenlijm. Én een geschikte zeehond.
In de ochtend hebben hij en zijn collega Mia Wege van de Universiteit van Pretoria aan de hand van satellietbeelden een gebied met ijsschotsen uitgekozen dat ze nu vanuit de lucht verkennen. ‘Robben op drie uur!’ zegt Bornemann, die vooraan naast de piloot het beste uitzicht heeft op de Weddellzee. De helikopter vliegt een flauwe bocht naar rechts en kantelt licht. Op de achterbank kijkt Wege door een verrekijker om de dieren die op het ijs dutten te determineren. ‘Twee krabbeneters,’ zegt ze met een wegwerpgebaar. De meest voorkomende robbensoort van Antarctica is te klein voor de zender en blijft meestal dicht bij het wateroppervlak. De piloot draait weg en vliegt naar de volgende ijsschol.
Ze moeten een weddellrob zien te vinden – die soort is groter en jaagt tot op vele honderden meters diepte op vissen
Ze moeten een weddellrob zien te vinden – die soort is groter en jaagt tot op vele honderden meters diepte op vissen. Met hulp van dat dier willen de onderzoekers belangrijke oceanografische data verzamelen in een onderzeese kloof die het continentaal plat in de Weddellzee doorsnijdt. Achter op de kop van het dier moet een sensor geplaatst worden die tijdens de duik het zoutgehalte en de temperatuur meet en de waarden via een satelliet doorgeeft wanneer het dier bovenkomt om adem te halen. Maar vandaag is hun zoektocht niet succesvol. Na drie dozijn krabbeneters maar geen weddellrob moet de helikopter terugkeren naar het schip omdat de brandstof begint op te raken.
Kwetsbaar
Beide robbenexperts maken deel uit van een expeditie van het AWI, die in de late Antarctische zomer van 2021 met de ijsbreker Polarstern tot in de Weddellzee is doorgedrongen, de grootste zee aan de rand van de zuidelijke oceaan die Antarctica omgeeft. De centrale vraag bij deze expeditie is: hoe kwetsbaar is het zogeheten Filchner-Ronne-ijsplateau, een enorme drijvende ijsplaat in het zuiden van de Weddellzee, als gevolg van de klimaatverandering? De honderden meters dikke ijsplaat bedekt bijna 450.000 vierkante kilometer, ongeveer de oppervlakte van Zweden, en wordt gevoed door gletsjers uit Oost- en West-Antarctica.
Tot op heden leek deze bevroren vesting onaantastbaar, dankzij zware koude watermassa’s die op het vlakke continentale plat in de Weddellzee circuleren. Die plaat is de onderzeese verlenging van de Antarctische landmassa. ‘De koude watermassa’s verhinderen dat warmer water uit de diepte van de open oceaan onder het Filchner-Ronne-ijsplateau stroomt,’ legt Hartmut Hellmer uit tijdens de vaart naar het onderzoeksgebied. Hij is fysisch oceanograaf bij het AWI en expeditieleider.
De koudwaterbarrière beschermt het ijs van de plaat voor wegsmelten en verhindert tegelijkertijd het afglijden van de aangrenzende gletsjers in de oceaan. Metingen in de regio laten echter zien dat warmer water uit de diepzee af en toe door een scheur in de diepzeebodem, de Filchner-sleuf, op het continentale plat plenst. Het warme water heeft een hoger zoutgehalte dan het oppervlaktewater en is daardoor compacter. Via die sleuf vloeit het vlak bij de bodem naar de rand van de ijsplaat toe.
Tijdelijk fenomeen
‘Wij willen uitzoeken of het een tijdelijk fenomeen is of dat er zich een trend aftekent,’ zegt Hellmer. Computersimulaties wijzen erop dat de koudwaterbarrière als gevolg van klimaatverandering op de lange termijn wel eens zou kunnen instorten en een smeltproces onder het ijs op gang zou kunnen brengen dat niet meer te stoppen zou zijn. Daardoor zou het continentale ijs van de gletsjers sneller wegvloeien en de zeespiegel verder stijgen. Bovendien zouden hierdoor een van de motoren van de mondiale circulatie in de oceanen en de opname van koolstof in de diepzee – belangrijk voor de daling van CO2 in de atmosfeer – worden afgeremd.
IJsplaten steken als platte uitlopers van de Antarctische ijsmassa, die van het binnenland naar de kust schuift, op sommige plekken honderden kilometers de zee in. Steeds weer breken daar reusachtige platte ijsbergen van af. Driekwart van het continent van Antarctica is omgeven door ijsplaten; ze maken 12 procent uit van de door gletsjers bedekte vlakte van Antarctica. Hun massa bevindt zich grotendeels onder water. Contact met de zeebodem hebben ze alleen op plekken waar de bodem zich verheft.
In de afgelopen dertig jaar heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton ijs verloren
IJsplaten remmen de gletsjers af en daarmee het ijsverlies van de Antarctische ijskap. Tegelijkertijd zijn ze de achilleshiel ervan: als ze smelten of breken, komt er meer continentaal ijs in de oceaan. In de afgelopen dertig jaar heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton ijs verloren, vooral aan de westelijke kant. De jaarlijkse verliescijfers zijn in dezelfde periode verdrievoudigd.
Door het verdwijnen van de ijsplaten verliest Antarctica steeds meer massa en draagt op die manier meer bij aan de stijging van de zeespiegel. Prominente voorbeelden zijn het verval van de naast elkaar gelegen Larsen-ijsplaten A (1995) en B (2002) in het oosten van het Antarctische schiereiland, evenals de aanhoudende terugtrekking van twee gletsjers die in het Amundsenmeer in West-Antarctica uitmonden: Pine Island en Thwaites. Deze zijn verantwoordelijk voor 8 procent van de zeespiegelstijging. De gletsjers worden teruggedrongen door relatief warm diepzeewater uit de Antarctische circumpolaire stroom, dat steeds vaker op het continentale plat komt. Bovendien stroomt er ook steeds warmer water onder de ijsplaten, omdat de temperaturen in de circumpolaire stroom toenemen, zoals bijna overal in de oceaan.
Kantelpunt
Wetenschappers vrezen dat delen van de ijskap van West-Antarctica in de nabije toekomst een kantelpunt kunnen bereiken en op den duur volledig wegsmelten. Een actueel onderzoek naar de stabiliteit van de ijsplaten in het vakblad The Cryosphere ziet weliswaar nog geen tekenen dat het al zover is. Maar een onomkeerbare terugtrekking van de ijskap zou al bij actuele klimaatcondities mogelijk zijn, schrijven de onderzoekers. Want het ijs ligt in West-Antarctica grotendeels onder de zeespiegel.
Bovendien loopt de ondergrond van de kust waarop veel gletsjers rusten landinwaarts af. Dat maakt ze bijzonder kwetsbaar voor warmere watermassa’s. Als die onder de ijsplaten doordringen tot waar ze contact maken met de zeebodem, dan vreten ze zich geleidelijk steeds dieper onder de gletsjers, zodat steeds meer ijs blootgesteld wordt aan warmte.
IJsplateau
Het Filchner-Ronne-ijsplateau bedekt 449.000 vierkante kilometer in de zuidelijke Weddellzee, net niet helemaal de oppervlakte van Zweden. De drijvende ijsplaat heeft na de Ross-ijsplaat de grootste oppervlakte van alle ijsplaten van Antarctica en het grootste volume. Hij is gemiddeld 700 meter dik; waar hij grenst aan het vasteland zelfs meer dan 1500 meter.
Verdeeld over Duitsland zou het ijs optorenen tot 1 kilometer hoogte. In het noorden worden het oostelijke Filchner-deel en het westelijke Ronne-deel van elkaar gescheiden door het in het ijs ingesloten Berkner-eiland. De rand van de ijsplaat, die als een steile witte wand uit de zee oprijst, strekt zich uit over ongeveer 800 kilometer: van Oost-Antarctica tot het Antarctische schiereiland.
Vervolgens trekken de gletsjers zich terug van de kust en glijden tegelijk sneller naar de oceaan. Zoals de Pine Island- en de Thwaites-gletsjer. Alleen al deze twee gletsjers zouden de wereldzeeën in de komende eeuwen meer dan een meter kunnen laten stijgen. Een soortgelijk lot zou de gletsjers achter het Filchner-Ronne-ijsplateau kunnen bedreigen, ook daar loopt de ondergrond op veel plekken landinwaarts af. Tot nu toe behoedt de koudwaterbarrière op de Weddellzeeplaat het ijs voor smelten. Maar zal deze het in de toekomst houden? Meetinstrumenten die poolonderzoekers uit Duitsland, Frankrijk en Noorwegen op de zeebodem verankerd hebben, moeten deze vragen beantwoorden.
De watertemperatuur bedraagt -1,8 graden Celsius, het punt waarop zeewater bevriest
Tijdens de expeditie met de Polarstern willen ze de instrumenten bergen om de batterijen te verwisselen en de data veilig te stellen. Maar ze moeten zich haasten: in de zuidoostelijke Weddellzee wordt tegen het einde van de zomer al nieuw zee-ijs gevormd. Binnenkort zullen de instrumenten en de schat aan gegevens door het ijs ingesloten worden.
‘De schotsen zijn hier dik, die moeten we eerst verpulveren zodat de drijflichamen aan de oppervlakte komen,’ zegt kapitein Stefan Schwarz op de brug. Waar de verankering drie jaar geleden werd aangebracht, drijft dicht pannenkoekenijs – zo noemen ze pas gevormd zee-ijs dat uit min of meer ronde schotsen bestaat. De watertemperatuur bedraagt -1,8 graden Celsius, het punt waarop zeewater bevriest.
Nadat de Polarstern meerdere rondjes heeft gevaren, stuurt een hydrofoon een akoestisch signaal naar de verankering en maakt de kabel met de instrumenten en de drijflichamen los van het ankergewicht. De onderzoekers wachten in spanning af. Maar aan de oppervlakte is niets te zien, de verankering lijkt vast te blijven zitten onder het ijs. Schwarz neemt het roer over en schuift met het schip de brokstukken opzij. De manoeuvre slaagt, even later duiken vier rode ballen van kunststof naast het schip op.
Meer dan een dozijn verankeringen staan er intussen op de zeebodem van de Weddellzeeplaat en op de helling van het continent. Op verschillende dieptes registreren ze het hele jaar door het zoutgehalte en de temperatuur, en ook stroomsnelheid en stroomrichting. De eerste werden door het AWI in 2013 geïnstalleerd in de Filchner-sleuf. De onderzoekers waren opgeschrikt door een studie die expeditieleider Hartmut Hellmer in 2012 met collega’s in het vakblad Nature had gepubliceerd: ‘We hebben toen het eerste computermodel voor heel Antarctica ontwikkeld waarin ook ijsplaten waren meegenomen,’ zegt hij. ‘In onze modelstudie schoot in een pessimistisch klimaatscenario in het jaar 2070 de smeltsnelheid onder het Filchner-Ronne-ijsplateau plotseling omhoog.’
De resultaten van die studie waren een wake-upcall, zegt Hellmer. In de computersimulaties stroomde in de tweede helft van de 21e eeuw warmer water uit de diepte door de Filchner-sleuf onder de ijsplaat. Toen in 2016 de eerste data van de verankerde instrumenten werden uitgelezen, pasten de meetwaarden bij de voorspellingen van het model: in de zomer en herfst stroomde er soms warmer water op de Weddellzeeplaat. Maar het drong slechts door op het noordelijk deel van het continentale plat, dat vrij is van plaatijs. In 2017 stroomde het warme water zelfs het hele jaar door daarheen, zoals de volgende registraties van de verankeringen lieten zien.
Weddellgyre
Het warmere water uit de diepte van de Weddellzee komt uit de Antarctische circumpolaire stroom, die Antarctica omgeeft. Die voedt de Weddellgyre, en de zuidelijke arm daarvan vormt een kuststroming langs de continentale helling. Boven de warmwaterlaag in het diepe Weddellbekken bevindt zich een dikke laag van honderden meters koud, zoutarm water die ook het continentale plat bedekt. Daarom komt het zwaardere water uit de diepte maar moeilijk over de vlakke rand van de plaat heen. Maar de Filchner-sleuf, die tot ver onder de ijsplaat loopt, biedt het water uit de diepte een toegang. De stroming vergemakkelijkt bovendien de opwarming van de oceaan, ze verschuift de grens tussen het warme en het koude water naar boven.
Dat de warmte tot op heden het Filchner-Ronne-ijsplateau in het zuiden nog niet bereikt heeft, heeft te maken met de vorming van het zee-ijs en de circulatie op het continentale plat. Samen scheppen ze een tot nu toe ondoordringbare barrière van zeer koude, zoutrijke en daardoor bijzonder zware watermassa’s vlak bij de bodem. Daar zoekt de expeditie naar. Regelmatig laten de onderzoekers op de Polarstern een meetsonde zakken in de diepte van de plaat. Op het beeldscherm kunnen ze volgen hoe de temperatuur in de onderste waterlagen afneemt en het zoutgehalte naar de bodem toe toeneemt. Soms worden ze bij hun werk vergezeld door keizerpinguins, die rond het schip jagen en uit de zee opschieten om op hun buik te landen op de ijsschotsen.
Robben
Horst Bornemann en Mia Wege rekenen bij hun onderzoek op de medewerking van de bewoners van Antarctica. Terwijl vanaf het schip instrumenten in het water zakken, vliegen zij met de helikopter naar het zee-ijs om Weddellrobben uit te rusten met zendertjes. Die moeten veranderingen van de watermassa’s helpen begrijpen. Zojuist zijn de onderzoekers na een excursie op het ijs uitgeput weer geland op de Polarstern.
‘Vandaag hebben we twee Weddellrobben van zenders voorzien, een wijfje van meer dan 400 kilo en 3 meter lang en een kleiner mannetje,’ zegt Bornemann. De dieren lagen op een grote zee-ijsvlakte bij een ijsplaat in het oosten. Het was daar nogal onplezierig geweest, zegt hij, omdat er ijzige valwinden vanaf de randen van de ijsplaat over het ijs veegden.
Zeespiegelstijging
58 meter zou de zeespiegel stijgen als al het ijs op het continent Antarctica smelt. De gemiddeld 2,1 kilometer dikke ijskap van Antarctica bevat 90 procent van al het gletsjerijs op aarde. Omstreeks 14 procent daarvan in West-Antarctica, de rest in Oost-Antarctica.
Sinds het begin van de jaren negentig heeft Antarctica ongeveer 3 biljoen ton gletsjerijs verloren – een ijsklomp van ruim 14 kilometer lengte – en de zeespiegel ongeveer een centimeter verhoogd. Prognoses voor de bijdrage van Antarctica aan de zeespiegelstijging tot het einde van de 21e eeuw variëren, afhankelijk van het scenario, van een paar centimeter tot bijna een halve meter.
Hij schiet de robben op het ijs van korte afstand een pijltje door het spek, om ze te verdoven. Zodra de verdoving werkt, ontvetten de onderzoekers de haren achter op de kop van de rob en plakken de sensor vast; bij de volgende verharing zal die eraf vallen. Tijdens de procedure houden ze de ademhaling en de lichaamstemperatuur van het dier in de gaten. Als het bijkomt is het nog een poosje suf, maar algauw waagt het zich in zee. Vandaag heeft de wijfjesrob al kort na terugkeer van de wetenschappers de eerste data over zoutgehalte en temperatuur geleverd.
Af en toe mochten we niet aan dek komen, om geen bevriezingen op te lopen
Data uit de met ijs bedekte gebieden van Antarctica zijn schaars. Maar in de laatste jaren is een steeds gedetailleerder beeld ontstaan van de processen op de Weddellzeeplaat. Zo hebben wetenschappers bijvoorbeeld met heet water door honderden meters dik ijs geboord en sensoren geïnstalleerd onder het Filchner-Ronne-ijsplateau. Bovendien hebben expedities met de Polarstern de regio verkend, voor het laatst in 2018.
Daar was ook Markus Janout bij, fysisch oceanograaf van het AWI, die ook nu aan boord is. ‘In 2018 hadden we enorm veel geluk en konden we langs de hele ijsplaat varen,’ zegt hij. Gewoonlijk belemmert dik pakijs de toegang, maar een sterke zuidenwind had de schotsen weggeschoven. ‘We hadden een koude wind tot wel 50 graden onder nul. Af en toe mochten we niet aan dek komen, om geen bevriezingen op te lopen.’
Metingen
Metingen tonen aan dat er tegenwoordig een stabiele circulatie van zeer koude watermassa’s bestaat op de Weddellzeeplaat – in tegenstelling tot de situatie op andere ijsplaatgebieden van Antarctica, die al van een koude naar een warme toestand gekanteld zijn. De circulatie begint met de vorming van zee-ijs. Daarbij ontstaat heel zout water, omdat het zout niet meebevriest maar als pekel door minieme kanaaltjes in het ijs de zee in sijpelt. Door een hoger soortelijk gewicht zinkt dat extra zoute water dan naar de zeebodem.
‘Dit koude, zware water stroomt op het zuidwestelijke continentale plat onder het Filchner-Ronne-ijsplateau, koelt daar verder af en wordt dan plaatijswater,’ legt Janout uit. Het plaatijswater is met minus 2,5 graden het koudste water in de oceaan. Een paar jaar later vloeit het via de Filchner-sleuf naar de rand van het plateau, waar het in de diepzee stroomt.
Maar de jongste metingen uit Antarctica zijn toch zorgelijk: in 2023 bereikte de zee-ijsbedekking een nieuw dieptepunt
Maar de jongste metingen uit Antarctica zijn toch zorgelijk: in 2023 bereikte de zee-ijsbedekking een nieuw dieptepunt. Eind februari, in de Antarctische zomer, bedroeg die nog maar net 1,8 miljoen vierkante kilometer, ruim een miljoen minder dan het langjarig gemiddelde.
Dat komt neer op een verlies van bijna drie keer de oppervlakte van Duitsland. Vooral aan de kust van West-Antarctica was de teruggang van het ijs dramatisch. Maar anders dan op de Noordpool, waar het zee-ijs in de zomer al tientallen jaren afneemt, bestaat er in Antarctica nog geen duidelijke trend. En de ijsbedekking in de winter is vooralsnog even groot, ook al heeft die zich dit jaar minder goed hersteld dan anders. Volgens actuele studies zou op de lange termijn ook het Antarctische zee-ijs kunnen verdwijnen, ook in de Weddellzee.
Warmer water
Een vermindering van het zee-ijs in de Weddellzee zou ernstige gevolgen kunnen hebben. Enerzijds zou er minder zwaar water ontstaan, water dat de koudwaterbarrière voor het Filchner-Ronneijsplateau in stand houdt. Warmer water uit de diepte zou dan makkelijker op het continentale plat kunnen komen en een zichzelf versterkend proces op gang brengen, waarbij steeds meer water uit de diepzee onder het plaatijs stroomt en het doet smelten.
Anderzijds zou de circulatie in de diepzee vertraagd kunnen worden. Want de zware, koude watermassa’s op de Weddellzeeplaat zijn een belangrijke bron voor het water van de Antarctische bodem, dat zich in alle grote oceanen verbreidt. Minder zee-ijs en tegelijk meer zoet smeltwater zouden tot gevolg hebben dat het soortelijk gewicht van het plaatwater afneemt. De aanvoer van bodemwater zou stilvallen – en daarmee een belangrijke aandrijver van de mondiale circulatie in de oceanen.
De vorming van Antarctisch bodemwater speelt nog een andere rol: voor het klimaat. Rondom Antarctica lost vanwege de kou bijzonder veel CO2 uit de atmosfeer op in het oppervlaktewater, waarin het ten slotte naar de bodem zinkt. Bovendien komt koolstof in vruchtbare plaatgebieden met neerdwarrelende planktonresten in diepere waterlagen terecht. Op lange termijn zou de koolstofopname in de Weddellzee sterk afnemen, omdat er minder zwaar plaatwater in de diepzee stroomt.
Eentje heeft al 1700 kilometer afgelegd, met als diepste duik van 775 meter
Na zes weken op zee nadert de expeditie haar einde. De onderzoekers hebben alle verankeringen geborgen en de instrumenten, na deze te hebben nagekeken, weer uitgezet. Ook de van zenders voorziene robben verzamelen vlijtig gegevens; eentje heeft al 1700 kilometer afgelegd, met als diepste duik van 775 meter. Een eerste verwerking van de data uit de verankerde instrumenten laat geen buitengewone toestroom van warmer diepzeewater op het continentale plat zien. Begin 2025 zullen de onderzoekers terugkeren om te zien of de koudwaterbarrière voor het Filchner-Ronne-ijsplateau standhoudt.
Voor de thuisreis aanvangt, is de expeditie nog getuige van een natuurspektakel: van de naburige Brunt-ijsplaat in het noordoosten van de Weddellzeeplaat is een tafelijsberg van 56 bij 33 kilometer afgebroken, die langzaam wegdrijft van de rand van de ijsplaat. De onderzoekers varen met de Polarstern de ontstane opening in. Ze willen de eenmalige gelegenheid benutten om dit eerder ontoegankelijke deel van de oceaan te verkennen.
Trump. Indiaas eten. Matthew Perry. En boeken, boeken, boeken. Fragmenten uit brieven die The New York Times in handen kreeg, geven een inkijk in de onverminderd actieve geest van Navalny, te midden van barre gevangenisomstandigheden.
Opgesloten in koude, betonnen cellen en vaak alleen met zijn boeken, zocht Aleksej A. Navalny troost in brieven. Hij schreef in juli aan een kennis dat niemand het Russische gevangenisleven kon begrijpen ‘zonder hier geweest te zijn’, en voegde er met zijn gortdroge humor aan toe: ‘Maar je kunt hier beter niet zijn.’
‘Als ze morgen opdracht krijgen je kaviaar te eten te geven, zullen ze dat doen’, schreef de Russische oppositieleider Navalny in augustus aan dezelfde kennis, Ilja Krasilsjtsjik. ‘Als ze te horen krijgen dat ze je in je cel moeten wurgen, dan wurgen ze je.’
Veel details over zijn laatste maanden – evenals de omstandigheden van zijn dood, die de Russische autoriteiten vrijdag bekendmaakten – blijven onbekend; zelfs de verblijfplaats van zijn lichaam is onduidelijk.
Navalny’s assistenten hebben weinig laten horen nu ze het verlies aan het verwerken zijn. Maar zijn laatste levensmaanden zijn gedetailleerd beschreven in eerdere verklaringen van hem en zijn assistenten, zijn getuigenissen voor de rechtbank, interviews met mensen dicht bij hem en uittreksels uit privébrieven die verschillende vrienden, waaronder Krasilsjtsjik, deelden met The New York Times.
Symbool van verzet
De brieven onthullen de intense ambitie, vastberadenheid en nieuwsgierigheid van een leider die de oppositie tegen president Vladimir V. Poetin nieuw leven inblies en die, zo hopen zijn aanhangers, zal voortleven als een verbindend symbool van hun verzet. Ze laten ook zien hoe Navalny – met een gezond ego en onophoudelijk vertrouwen dat wat hij deed het juiste was – worstelde om in contact te blijven met de buitenwereld.
Zelfs toen de brute omstandigheden in de gevangenis hun fysieke tol eisten – medische en tandheelkundige behandelingen werden hem vaak geweigerd – was er geen aanwijzing dat Navalny zijn helderheid van geest had verloren, zo blijkt uit zijn geschriften.
Hij pochte dat hij in één jaar vierenveertig boeken in het Engels had gelezen en bereidde zich methodisch voor op de toekomst: hij stelde zijn agenda bij, bestudeerde politieke memoires, discussieerde met journalisten, gaf vrienden carrièreadvies en deelde zijn mening over virale berichten op sociale media die zijn team hem stuurde.
In zijn openbare berichten noemde Navalny, die zevenenveertig was toen hij stierf, zijn gevangenschap sinds januari 2021 zijn ‘ruimtereis’. In de herfst van vorig jaar was hij eenzamer dan ooit, moest hij een groot deel van zijn tijd in eenzame opsluiting doorbrengen en moest hij het stellen zonder drie van zijn advocaten, die waren gearresteerd wegens betrokkenheid bij een ‘extremistische groepering’.
Toch bleef hij op de hoogte van de actualiteit. Aan een andere vriend, de Russische fotograaf Evgeny Feldman, vertrouwde Navalny toe dat de verkiezingsagenda van de voormalige Amerikaanse president Donald J. Trump er ‘echt eng’ uitzag.
‘Mocht president Biden problemen krijgen met zijn gezondheid, dan zal Trump president worden’, schreef Navalny vanuit zijn zwaarbeveiligde gevangeniscel. ‘Maken de Democraten zich geen zorgen over deze voor de hand liggende gevolgtrekking?’
Navalny vertelde zijn vriend dat hij genoot van de hoorzittingen, ondanks het routineuze karakter van het Russische rechtssysteem
Dat Navalny in staat was om honderden handgeschreven brieven te versturen was dankzij de merkwaardige digitalisering van het Russische gevangenissysteem, een overblijfsel van een korte opleving van liberale hervormingen in het midden van de vierentwintigjarige heerschappij van Poetin. Via een website konden mensen hem schrijven voor 40 cent per pagina en scans van zijn antwoorden ontvangen, meestal een week of twee nadat hij ze had verstuurd en nadat ze door een censor waren gegaan.
Navalny communiceerde ook met de buitenwereld via zijn advocaten, die documenten omhooghielden tegen het raam dat hen scheidde nadat hun was verboden om papieren door te geven. Op een gegeven moment, meldde Navalny in 2022, bedekten gevangenisbeambten het raam met folie.
Dan waren er nog de frequente rechtszittingen over nieuwe strafzaken die de staat had aangespannen om zijn gevangenschap te verlengen, of over klachten die Navalny had ingediend over de manier waarop hij werd behandeld. Navalny vertelde Krasilsjtsjik, een mediaondernemer die nu in ballingschap in Berlijn woont, dat hij genoot van deze hoorzittingen, ondanks het routineuze karakter van het Russische rechtssysteem.
‘Ze bieden afleiding en zorgen ervoor dat de tijd sneller voorbij gaat’, schreef hij. ‘Bovendien zorgen ze voor enige opwinding en veroorzaken ze dat gevoel van strijd, en achtervolging.’
Ook boden de rechtszaken hem de gelegenheid om zijn minachting voor het systeem te tonen. Afgelopen juli, aan het einde van een proces dat resulteerde in nog eens een veroordeling van negentien jaar, vertelde Navalny de rechter en de officieren in de rechtszaal dat ze ‘gek’ waren.
‘Je hebt één door God gegeven leven, en is dit waar je het aan wijdt?’ zei hij, volgens de tekst van de toespraak die door zijn team is gepubliceerd.
In een van zijn laatste hoorzittingen, uitgezonden via videoverbinding in januari, pleitte Navalny voor het recht op langere maaltijdpauzes om de ‘twee mokken kokend water en twee stukken smakeloos brood’ te kunnen nuttigen waar hij recht op had.
Het beroep werd afgewezen; tijdens zijn hele gevangenschap leek Navalny via anderen van eten te genieten, zo blijkt uit interviews. Hij vertelde Krasilsjtsjik dat hij in Berlijn de voorkeur gaf aan döner kebab boven falafel en zich interesseerde voor het Indiase eten dat Feldman in New York uitprobeerde.
De rechtbank verwierp ook zijn klacht over de eenzame ‘strafcellen’ in de gevangenis, waarin Navalny zo’n driehonderd dagen doorbracht. De cellen waren meestal koude, vochtige en slecht geventileerde betonnen ruimtes van 2 bij 3 meter. Maar Navalny protesteerde tegen iets anders: gevangenen die in deze cellen moesten verblijven, mochten maar één boek bij zich hebben.
‘Ik wil tien boeken in mijn cel,’ deelde hij de rechtbank mee.
‘Men schijnt te denken dat ik meelevende en hartverscheurende woorden nodig heb. Maar ik mis juist de dagelijkse sleur’
Boeken leken het middelpunt te zijn van het gevangenisleven van Navalny, tot aan zijn dood toe.
In een brief van april vorig jaar aan Krasilsjtsjik legde Navalny uit dat hij het liefst tien boeken tegelijk las en ‘ze afwisselde’. Hij zei dat hij van memoires was gaan houden: ‘Om de een of andere reden heb ik ze altijd veracht. Maar ze zijn eigenlijk geweldig.’
Hij vroeg vaak om leestips, en deelde ze zelf ook uit. In een brief aan Krasilsjtsjik van juli beschreef hij het gevangenisleven en beval hij negen boeken over dit onderwerp aan, waaronder een driedelige serie van 1012 pagina’s van de Sovjet-dissident Anatoly Marchenko.
Navalny voegde er in die brief aan toe dat hij Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj, de aangrijpende roman van Aleksandr Solzjenitsyn over de goelag van Stalin, had herlezen. Nadat hij een hongerstaking had overleefd en maandenlang ‘in de toestand van “ik wil eten”’ had verkeerd, zei Navalny dat hij nu pas de gruwelijkheid van de werkkampen uit het Sovjettijdperk begon te begrijpen.
‘Je begint je te realiseren hoe gruwelijk het is geweest’, schreef hij.
Rond dezelfde tijd las Navalny ook over het moderne Rusland. Michail Fishman, een liberale Russische journalist en televisiepresentator die nu in ballingschap werkt vanuit Amsterdam, hoorde van een assistent van Navalny dat de oppositieleider zijn nieuwe boek over de vermoorde oppositiefiguur Boris J. Nemtsov had gelezen.
Fishman vertelt te hebben gehoord dat Navalny het boek goed vond, maar dat hij het te positief vond over Boris N. Jeltsin, de voormalige Russische president.
Fishman schreef Navalny dat hij zijn woorden terug moest nemen, onder andere met het argument dat Jeltsin een hekel had aan de KGB, de gevreesde geheime politie van de Sovjet-Unie die andersdenkenden het zwijgen oplegde. Navalny antwoordde dat hij ‘bijzonder verontwaardigd’ was over die bewering.
‘De gevangenis, het onderzoek en de berechting zijn nu nog precies hetzelfde als in de boeken’ van Sovjetdissidenten, schreef Navalny en hij benadrukte dat de voorganger van Poetin er niet in was geslaagd om het Sovjetsysteem te veranderen. ‘Dit is wat ik Jeltsin niet kan vergeven.’
Maar Navalny bedankte Fishman ook voor de details over zijn leven in Amsterdam.
‘Men schijnt te denken dat ik meelevende en hartverscheurende woorden nodig heb’, schreef hij in een fragment dat Fishman deelde met The New York Times. ‘Maar ik mis juist de dagelijkse sleur – nieuws over het leven, eten, salarissen, roddels.’
Ook Kerry Kennedy, een mensenrechtenactiviste en de dochter van de Democratische politicus Robert F. Kennedy, die in 1968 werd vermoord, wisselde brieven uit met Navalny. Hij vertelde haar dat hij ‘twee of drie keer’ had gehuild tijdens het lezen van een boek over haar vader dat een vriend hem had aanbevolen. Na zijn dood plaatste Kennedy een kopie van een brief, handgeschreven in het Engels, op Instagram.
Navalny bedankte Kennedy voor het sturen van een poster met een citaat uit de toespraak van haar vader over hoe een ‘sprankeltje hoop’, als het een miljoen keer vermenigvuldigd wordt, ‘de sterkste muren van onderdrukking en verzet kan neerhalen’.
‘Ik hoop dat ik het op een dag aan de muur van mijn kantoor kan hangen’, schreef Navalny.
Friends
De vriend die het Kennedy-boek aanraadde was Feldman, de Russische fotograaf die verslag deed van de poging van Navalny om zich kandidaat te stellen voor het presidentschap in 2018. Feldman, nu in ballingschap in Letland, vertelt dat hij ten minste zevenendertig brieven naar Navalny heeft gestuurd sinds zijn arrestatie in 2021 en dat hij op bijna alle brieven antwoord heeft gekregen.
‘Ik hou echt van je brieven’, schreef Navalny in het laatste bericht dat Feldman ontving, gedateerd 3 december, waarvan hij uittreksels deelde met The New York Times. ‘Ze bevatten alles wat ik graag bespreek: eten, politiek, verkiezingen, schandalige onderwerpen en etnische kwesties.’
Dat laatste, zei Feldman, was een verwijzing naar hun uitwisselingen over antisemitisme en de Gaza-oorlog. Navalny beschreef ook zijn hernieuwde waardering voor de acteur Matthew Perry, die in oktober overleed; hoewel hij nooit naar Friends had gekeken, was Navalny ontroerd door een overlijdensbericht dat hij las in The Economist.
De brief van december eindigde met de gedachten van Navalny over een punt van zorg dat hij deelde met Feldman – de Amerikaanse politiek. Na te hebben gewaarschuwd voor een mogelijk presidentschap van Trump, sloot Navalny af met een vraag: ‘Noem één hedendaagse politicus die je bewondert.’
Drie dagen nadat Navalny die brief had verstuurd, verdween hij. Tijdens een verwoede zoektocht van twintig dagen zeiden bondgenoten van Navalny in ballingschap dat ze meer dan zeshonderd verzoeken naar gevangenissen en andere overheidsinstanties hadden gestuurd.
Op 25 december verklaarde de woordvoerster van Navalny dat hij was gevonden in een afgelegen Arctische gevangenis die bekendstaat als Polar Wolf.
‘Ik ben jullie nieuwe Kerstman’, postte Navalny de volgende dag op sociale media, nadat zijn advocaat hem had bezocht. ‘Ik zeg geen “ho-ho-ho”, maar ik zeg “oh-oh-oh” als ik uit het raam kijk, waar het nacht is, dan avond en dan weer nacht.’
Op de Noordpool
Navalny zei in zijn bericht dat hij via een omweg door het Oeralgebergte naar zijn nieuwe gevangenis werd gebracht, die te boek staat als een zwaardere faciliteit met een ‘speciaal regime’.
Zelfs tijdens die reis las Navalny boeken. Hij schreef aan de journalist Sergei Parkhomenko dat hij tegen de tijd dat hij aankwam in Polar Wolf alles gelezen had wat hij mee kon nemen en dat hij gedwongen was om te kiezen uit de klassiekers in zijn nieuwe gevangenisbibliotheek: Tolstoj, Dostojevski of Tsjechov.
‘Had niemand me kunnen vertellen dat Tsjechov de meest deprimerende Russische schrijver is?’ schreef Navalny in een brief die Parkhomenko deelde op Facebook.
Parkhomenko vertelt dat hij een brief ontving op 13 februari. In tegenstelling tot de vorige brieven van Navalny, was de brief met de hand geschreven op eenvoudig, ruitvormig notitiepapier en als foto naar hem doorgestuurd door Joelja Navalnaja, Navalny’s vrouw. Polar Wolf stond de elektronische schrijfservice die zijn vorige gevangenis bood niet toe.
Het was duidelijk geworden dat het Kremlin van plan was om Navalny het zwijgen op te leggen. De advocaten die hem het grootste deel van zijn tijd achter de tralies hadden vertegenwoordigd, zaten in de gevangenis, en brieven en bezoekers zouden er langer over doen om hem in zijn nieuwe gevangenis te bereiken.
De moeder van Navalny, Ljoedmila Navalnaja, vloog naar de Noordpool na de aankondiging van zijn dood en ontving zaterdag een officieel bericht dat hij de dag ervoor om 14:17 uur was overleden.
De nalatenschap van Navalny zal voortleven, zeggen vrienden en bondgenoten, mede door zijn geschriften in de gevangenis. Feldman, de fotograaf, vertelt van het juridische team van Navalny te hebben gehoord dat de oppositieleider had gereageerd op ten minste enkele van de brieven die Feldman de afgelopen weken had gestuurd.
‘Om eerlijk te zijn vind ik dit nogal een naar idee,’ zei Feldman. ‘Als ze door de censuur heen komen, krijg ik de komende maanden nog brieven van hem.’
Krasilsjtsjik, de mediaondernemer, vertelt dat de laatste brief die hij ontving, in september, hem veel stof tot nadenken gaf. Navalny sloot de brief af met de stelling dat als Zuid-Korea en Taiwan in staat waren om de overgang van dictatuur naar democratie te maken, Rusland dat misschien ook zou kunnen.
‘Hoop. Ik heb er geen probleem mee’, schreef Navalny.
Op de Balkan worden via de zwarte markt op berichtendienst Telegram oproepen gedaan om voor een aanzienlijk bedrag immigranten te smokkelen. Bij deze Bulgaarse chauffeur gaat bijna alles mis. En naar het geld kan hij fluiten.
Vladislav [niet zijn echte naam] leidt geen bijzonder turbulent leven. Hij woont in een stad in het noordoosten van Bulgarije, waar hij in een fabriek werkt, in ploegendienst. De eentonigheid van zijn baan en het magere salaris dat hij verdient brengen hem in de verleiding om dingen te doen die ver buiten zijn dagelijkse routine vallen – in dit geval zelfs buiten de wet.
Via een advertentie in een anoniem kanaal op berichtendienst Telegram begint Vladislav in september 2023 een nieuwe loopbaan als ‘handelaar in illegale immigranten’. Hij aarzelt aanvankelijk, maar het geld dat hem in het vooruitzicht wordt gesteld is toch te verleidelijk. Vladislav reageert op een bericht dat gebruiker Dark Haker heeft geplaatst, waarin wordt gezocht naar een ‘vervoerder tegen betaling van een groot bedrag’. Vladislavs’ interesse is daarmee al snel gewekt. Dark Haker biedt eerst 650 euro, dan 750, en uiteindelijk iets meer dan 1000 dollar voor het vervoeren van vier vluchtelingen van Boergas naar Sofia.
Internetchats
Illegale migranten de grens over zetten is niet langer alleen voorbehouden aan professionele smokkelaars; het wordt tegenwoordig ook gedaan door mensen die ‘gewoon geld willen verdienen’. Het werven van dergelijke ‘eendagssmokkelaars’ vindt en plein public plaats in internetchats die voor iedereen toegankelijk zijn.
Nadat hij akkoord is gegaan met het aanbod om de vluchtelingen te vervoeren, vertrekt Vladislav vrijwel onmiddellijk naar Boergas. De opdracht is relatief eenvoudig: haal de vier vluchtelingen op en rijd dan rechtstreeks naar Sofia, zonder onderweg ergens te stoppen. Er moet bij aankomst in Sofia een video-opname worden gemaakt van het tellen van de migranten, en er worden regelmatig screenshots van zijn locatie verwacht, zodat de organisatoren weten waar hij is.
Die avond krijgt hij de exacte coördinaten van de plaats waar hij heen moet rijden om de vluchtelingen op te halen. De locatie is een zandweg in Strandzja, tussen Kroesjevets en de Jasna Poljana-dam.
Als hij daar aankomt, ziet Vladislav in het schijnsel van mobiele telefoons de eerste vluchteling opdoemen: een man in donkere kleren met een rugzak. Hij heeft een kaalgeschoren hoofd, een baard en een snor. ‘Daarna verschenen er nog zes,’ vertelt Vladislav. Terwijl de afspraak was dat hij er vier mee zou nemen, waren het er opeens zeven. En in zijn sedan passen maar vijf mensen. Uiteindelijk neemt hij ze allemaal mee richting Sofia: vijf achterin en twee naast hem voorin.
De communicatie met de migranten in de auto verloopt moeizaam. Slechts een van hen spreekt een beetje Engels. ‘Ze maakten voornamelijk selfies met hun telefoons,’ vertelt Vladislav. Met behulp van een vertaalapp begrijpt hij dat ze uit Afghanistan komen en dat hun volgende stop Servië is, met eindbestemming Duitsland. Ze hebben 3000 euro per persoon betaald voor hun reis door Bulgarije.
Vage aanwijzingen
De aanwijzingen die Vladislav onderweg krijgt blijven erg algemeen. Hij moet achter een vrachtwagen gaan rijden en via de app Waze in de gaten houden waar de politie gesignaleerd is. ‘Werd je aangehouden, dan was je er gloeiend bij,’ zegt hij.
Bij aankomst maakt Vladislav zoals gevraagd een filmpje van de vluchtelingen die uitstappen. Volgens zijn correspondentie met een tweede contactpersoon, met een Pakistaans nummer, is dit een vereiste om betaald te worden. Na het maken van de video stappen de zeven migranten ineens weer in de auto. Een paar minuten later krijgen ze aanwijzingen op hun telefoon en stappen ze alsnog uit.
Vladislav was verteld dat hij de helft van het bedrag – 500 euro – van de vluchtelingen zelf zou krijgen. Bij aankomst in Sofia, kort voordat de zeven uiteindelijk de auto verlaten, krijgt hij echter heel andere instructies: hij moet geen geld aannemen van de vluchtelingen, omdat die het misschien nodig hebben voor de rest van de reis naar Duitsland.
Maar dan neemt het verhaal nog een andere wending: Vladislav moet wachten op een andere man die betrokken is bij de smokkel en die hem zal betalen. Maar die blijkt nog te slapen, hoort hij van de man achter het Pakistaanse nummer.
Op een parkeerplaats in Sofia probeert hij zelf wat te slapen. Als dat niet lukt, neemt hij weer contact op met de contactpersoon met het Pakistaanse nummer, die hem uitlegt dat ‘het doorspelen van het geld’ nog niet heeft plaatsgevonden, ‘maar het is in orde’, ‘geen probleem’ en ‘er is niets aan de hand’. Vladislav antwoordt: ‘Er is nog niets mijn kant op gekomen, zoals we wel hadden afgesproken.’
Desondanks blijft de organisator beweren dat alles in orde is. Latere communicatie met zowel het Bulgaarse als het Pakistaanse nummer maakt duidelijk dat de organisatoren elkaar niet kennen en dat de coördinatie elders plaatsvindt. Het Bulgaarse nummer had gesuggereerd dat Vladislav in Plovdiv zou worden betaald, maar tegen die tijd was hij al vertrokken.
‘Er is nog niets mijn kant op gekomen, zoals we wel hadden afgesproken’
Vladislav begint ernstige twijfels te krijgen, maar hij heeft de hoop op zijn honorarium nog niet helemaal opgegeven. In ieder geval heeft geen van zijn twee contactpersonen het contact tot nog toe verbroken.
Als hij de volgende dagen verschillende aanbiedingen krijgt voor een tweede rit, voor nog meer geld – vier mensen voor 500 euro per persoon, bijvoorbeeld – stemt hij in, onder de voorwaarde dat hij bij aankomst ook de 1000 euro die hij nog tegoed heeft zal ontvangen.
Tijdens zijn tweede rit, naar een plaats die niet ver van de eerste eindbestemming ligt, raakt Vladislav de weg kwijt. Zijn telefoon heeft geen bereik en daarom kan hij geen verbinding maken met de gps-app, of met zijn contactpersoon. Uiteindelijk, na uren rondzwerven, gaat hij alleen terug. ‘Vreemd genoeg was de organisator op de hoogte van mijn situatie; toen we contact hadden, wenste hij me een goede reis terug.’
De vergeefse tweede rit is voor Vladislav geen reden om niet toch nog een derde poging te wagen: dit keer met een ander startpunt, een paar kilometer van de grensovergang met Turkije bij Lesovo, in de regio Jambol. Daar moet hij vijf migranten oppikken. Maar er komt niemand opdagen. De contactpersoon belooft dat hij nog 250 euro krijgt en 1000 euro van ‘de Arabier die de mensenhandel heeft georganiseerd’.
Kort voordat hij wil vertrekken, wordt Vladislav aangehouden door de grenspolitie. Niet zo verrassend, want in tegenstelling tot de eerste twee locaties ligt deze plek in het zicht van een controlepost. Hij moet zijn telefoon afgeven, met daarop de correspondentie met de organisatoren. Zijn auto wordt van onder tot boven uitgekamd. ‘Ik zei dat het mijn eerste keer was,’ vertelt hij. Maar ze bieden hem direct twee opties: meewerken of gearresteerd worden. Vladislav kiest de eerste.
Fluiten naar het geld
Alleen kan hij de grenspolitie nauwelijks van dienst zijn. Er zitten geen vluchtelingen in de auto en zijn contactpersonen zijn allemaal anoniem. Als hij zou worden betrapt met migranten, zou hem een onvoorwaardelijke straf boven het hoofd hangen. ‘Eén ding wisten ze heel zeker: ik zou geen enkele lev [de Bulgaarse munteenheid] krijgen voor mijn werk,’ zegt Vladislav, die naar huis wordt gestuurd.
Slechts een van zijn drie ritten is succesvol afgerond. Financieel is hij er zelfs op achteruit gegaan, want hij moest zelf de benzine betalen. Na een week besluit Vladislav zijn nieuwe carrière vaarwel te zeggen.
Financieel is Vladislav er zelfs op achteruit gegaan, want hij moest zelf de benzine betalen
Achteraf beseft hij dat het behoorlijk naïef was om geld te verwachten, nadat hij voor zijn eerste rit niet betaald kreeg. Bovendien realiseert hij zich nu dat hij zichzelf meerdere keren in gevaar heeft gebracht. Ondertussen ziet hij nog steeds Telegram-feeds voorbijkomen met advertenties voor vluchtelingenvervoer, tussen de aanbiedingen voor drugs, nepparfum en nepdiploma’s.
Wat hem inmiddels opvalt, is dat ‘het barst van de mensen zoals ik die gaan rijden, maar naar hun geld kunnen fluiten’. Hij probeert anderen sindsdien te waarschuwen ‘om niet gepakt te worden’.
Bij volle maan cirkelen de Zusters van de Vallei rond een laaiend vuur in het hart van Mexico. Ze reinigen zich met gebrande salie en danken de maan, de dieren en de planten. Niet met een kruis, maar met een joint vragen ze om legalisering van marihuana.
Zou het echt waar zijn dat de leden van de Zusters van de Vallei niet in een klooster verblijven, maar in een boerderij? En dat ze niet de Heer loven, maar met heilig vuur zelf marihuana verbouwen? Volgens de website van The Guardian is dat inderdaad zo.
De zusters behoren echter – helaas – niet tot een kloosterorde. Het blijken activisten in habijt te zijn, die stellen dat de strijd tegen drugs in Latijns-Amerika volstrekt is mislukt en bovendien heeft geleid tot wijdverspreid geweld en wereldwijde maffiapraktijken. Voor ‘Zuster Kika’ is de missie duidelijk. Het is tijd om een einde te maken aan deze stompzinnigheid, zegt ze.
Het is niet zomaar een bevlieging. Een van de leden van de Zusters van de Vallei, scheikundige en marihuana-onderzoeker Alehli Paz (34), adviseert de groep onder andere hoe de cannabisplanten op het dak van de boerderij verzorgd moeten worden. Onder leiding van Paz kunnen de zusters rekenen op een bescheiden oogst. Ze potten de planten op in oude verfemmers en zetten ze in rijen tussen vier onafgewerkte betonnen muren. Eenmaal volgroeid worden de planten verplaatst naar ommuurde privétuinen van sympathiserende partijen, zoals cannabisclub CannaNinja in Mexico-Stad. Die club zet zich in voor volledige legalisatie van softdrugs en geeft workshops over van alles en nog wat, van het maken van wietinfusies tot de chemie achter de plant.
De vrouwen willen de geestverruimende plant, die in Mexico nog altijd verboden is, uit de illegaliteit halen. Ze willen de wiet uit de taboesfeer halen, waar het nu nog vooral drugsbaronnen en aanverwanten zijn die er flink geld aan verdienen. In Mexico zijn marihuanabezit en -gebruik strafbaar. Eerdere pogingen om, in navolging van omliggende landen, die ‘misdrijven’ uit het strafrecht te halen, zijn vastgelopen in het Congres.
De zusters hebben bijna twintigduizend volgers op Instagram, die hun oogstfeesten online kunnen bijwonen. Tijdens de arbeid verruilen ze hun nonnengewaad voor een sportiever tenue. Helemaal losgezongen van een geloof zijn ze overigens niet. Hun spiritualiteit zit in de ‘doelbewuste benadering van onze productie en marketing’. De zaden die ze gebruiken bieden ze aan op hun website sistersofthevalleymexico.com, als ‘holistische remedie die wij zien als een vorm van genezing en verbinding met de natuur’. De Zusters van de Vallei zien er al met al uit als een gestroomlijnde en spirituele gemeenschap, die efficiënt te werk gaat.
Goed zitten, wie doet dat actief? De Japanse cultuur schrijft de correcte manier voor: seiza. Deze traditie omspant vele eeuwen cultuur, politiek en religie. En de manier waarop je zit, zou veel zeggen over je karakter.
De Japanse gewoonte om op de grond te zitten gaat terug tot zeer ver in de geschiedenis. Pas de laatste zestig jaar is dit deel van de cultuur onder druk komen te staan door een nieuwe levensstijl, in de hand gewerkt door de snelle opkomst van stoelen en andere hoge meubels.
In 2020, toen de hele wereld gedwongen was thuis te blijven, vertoonde de verkoop van bureaustoelen in de VS een spectaculaire stijging van maar liefst 75 procent. Van de ene op de andere dag doken overal podcasts, artikelen, handleidingen en koopgidsen op, in reactie op de verontrustende realiteit waarmee veel kantoormensen te maken kregen: de stoelen die ze thuis hadden, zaten beroerd.
Iedereen die aan een bureau werkt – en in Japan geldt dat voor zo’n 28 procent van de beroepsbevolking – heeft te maken met hetzelfde hardnekkige probleem: zitten. Zelfs in de jaren vóór de pandemie waren er al allerlei nieuwe apparaten op de markt – niet alleen sta-bureaus, maar ook wandel- en fietsbureaus, niet alleen ergonomische stoelen maar ook stoelen waarop je kon knielen, zelfs stoelen die op en neer wipten.
Roerloos
Maar met de pandemie was het ineens gedaan met het forenzen en moesten veel mensen zich erbij neerleggen dat ze nu ongeveer een derde van de dag roerloos op een stoel zaten. Het werd een vertrouwd fenomeen, dat je je aan het eind van de werkdag realiseerde dat je amper vijftig stappen had gezet – naar de keuken en weer terug, naar de wc en weer terug – en dat je heel bewust besloot allerlei kleine klusjes te spreiden over de dag, al was dat nog zo inefficiënt, om maar zo nu en dan even de benen te kunnen strekken.
Langdurig zitten wordt in verband gebracht met slapeloosheid, depressie, obesitas, een hoger risico op hart- en vaatziekten en vroegtijdig overlijden. Al jaren terug werd zitten het nieuwe roken genoemd; drie jaar na het begin van de pandemie hebben we allemaal een rokerskuch. Of beter gezegd: slappe billen van het zitten.
‘Rechtop zitten is altijd een uitdaging’
‘We zijn goed in lopen en rennen, en we vinden het fijn om te liggen als we slapen. Het probleem zit hem in de positie daartussenin’, schrijft architect Witold Rybczynski in Now I Sit Me Down (Nu ga ik zitten), zijn geschiedenis van de stoel. ‘Elke afzonderlijke stoel staat symbool voor de poging de strijd tussen de zwaartekracht en de menselijke anatomie te beslechten. Rechtop zitten is altijd een uitdaging.’
Toen ik de afgelopen maand aan mensen vertelde dat ik bezig was met een artikel over zitten, stond ik ervan te kijken hoe iedereen min of meer hetzelfde reageerde (na de aanvankelijke opgetrokken wenkbrauw, natuurlijk, en de vraag om het te herhalen). Begin over zitten en mensen veren op. Ze hebben van alles te mopperen over de stoel op het werk of over hun thuisbureau, en ze hunkeren naar iets van ergonomische wijsheid. Net als bij slapen is er een belofte: met een kleine ingreep kun je je leven veranderen. En net als bij seks is er de knagende angst: doe ik het wel goed?
420 minuten per dag
Japanners zitten heel veel. In een artikel uit 2011 in het American Journal of Preventive Medicine viel te lezen dat bij een onderzoek onder meer dan 49.000 volwassenen uit twintig landen de respondenten uit Japan en Saoedi-Arabië het meest zitten, met een gemiddelde van zo’n 420 minuten per werkdag. De relatie van Japanner met zitten wordt nog eens verder bemoeilijkt door een lange traditie van op de grond zitten.
Toeristen en expats zullen het herkennen: bij binnenkomst in een restaurant in tatami-stijl meteen naar de plek lopen waar de chabudai-tafels tegen een muur staan, of het risico lopen om het hooguit twintig minuten vol te houden voordat je benen gaan slapen. (Of de zucht van verlichting als je je benen uitstrekt en er een gat in de vloer blijkt te zitten waar je je benen in kunt steken.) Sterker nog, de Japanse cultuur kent een ‘correcte’ manier om te zitten, seiza genoemd, en de intense spanning die daarbij op de enkels en de knieën komt maakt integraal onderdeel uit van het beoefenen van traditionele bezigheden zoals kendo (zwaardvechtkunst), ikebana (bloemschikken) en sadō (theeceremonie).
Je zithouding blijkt veel over je te zeggen. In een artikel uit 2022 in het Journal of Physical Education and Sport staat te lezen dat mensen die rechtop zitten op een stoel, of in seiza, door een groep van 132 Japanse studenten als netter (althans, minder slordig) worden gezien dan hun onderuitgezakte pendanten. En dat is nog niet alles: ze worden ook als moreel hoogstaander ingeschat, gerelateerd aan eigenschappen als ‘bijdrage aan groep en maatschappij’ en ‘regels volgen en goede manieren tonen’; er werd zelfs melding gemaakt van ‘een zekere eerbied’ voor dat wat de menselijke vermogens te boven gaat, zoals de natuur. Mensen die onderuitgezakt in hun stoel hangen zouden een minder hoogstaande moraal hebben, en van alle vier lichaamshoudingen zou achterover leunen in de stoel getuigen van de allerlaagste moraal.
Er zijn ook influencers die zeggen dat op de vloer zitten, en de levensstijl waar dat voor staat, het geheim is van de hoge levensverwachting van Japanners. Dan Buettner, onderzoeker en groot voorstander van een lang leven, de man achter een serie boeken met als titel Blue Zones, verwijzend naar regio’s op de wereld met een ongebruikelijk hoge levensverwachting, propageert de gedachte dat ‘de traditie uit [het Japanse eiland] Okinawa om op de vloer te zitten is gerelateerd aan gezondheid, mobiliteit en een hoge levensverwachting’. Hij heeft filmpjes gemaakt om te laten zien hoe je, onder andere, naar je telefoon kunt kijken terwijl je op de grond zit.
Is er een juiste manier om te zitten? En heeft Japan die manier onder de knie? Het blijkt een veel gecompliceerdere vraag; in Japan is het verhaal van zitten een microkosmos van snelle modernisatie die vele eeuwen aan cultuur, politiek en zelfs religie omspant.
De wereld kan grofweg worden onderverdeeld in stoelzitters en vloerzitters. En sinds de Oudheid valt Japan onder die laatste categorie, net als islamitische culturen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika en mensen in India en Korea, zoals antropoloog Gordon W. Hewes in de jaren vijftig aantoonde in zijn belangrijke onderzoek naar de verschillende lichaamshoudingen op aarde.
Hoewel stoelen voornamelijk een Europees fenomeen lijken, worden de eerste stoelen toegeschreven aan de oude Egyptenaren, al in 2600 voor Christus. Volgens wetenschappers waren die stoelen een statussymbool. ‘God zit op een stoel,’ zegt stoelenontwerper en onderzoeker van lichaamstechniek Hidemasa Yatabe over vroege afbeeldingen van stoelen. ‘Als God op de stoel zit, krijgt de koning van Hem het recht om te heersen. De koning zit met respect voor zijn onderdanen zoals God met respect voor de koning zit.’
Tegen de tweede eeuw na Christus was er in China een opvouwbaar krukje ontwikkeld, en in de tiende eeuw na Christus won dat in hoog tempo aan populariteit. In Japan werden ook krukjes gebruikt, al in 500 na Christus. Er zijn overblijfselen van die krukjes gevonden in de buurt van ruïnes op de plek van de uitbarsting van Mount Haruna in de prefectuur Gunma. Deze krukjes, de zogeheten shogi, zijn lang in gebruik geweest, net als de stoelen van houtsnijwerk die door boeddhistische monniken werden gebruikt, de zogeheten kyokuroku. Maar het zou nog eeuwen duren voordat stoelen in brede kring werden gebruikt.
Het had allemaal heel anders kunnen lopen, zoals Arata Isozaki, een architect die de Pritzker Prize heeft gewonnen, in 1986 schreef. ‘De klapkruk werd gebruikt door krijgers, om duidelijk te maken dat ze superieur waren aan de boeren die knielden of op de grond zaten,’ legt hij uit, en hij stelt dat de lage stoelen hun intrede deden in Japan om redenen die te maken hadden met reinheid en sociale hiërarchie.
Maar de aristocratische krijgersklasse begon een verhoogde houten vloer in huis te bouwen. Die vloer, ver verheven boven de smerige stenen of de grond, leidden tot een nieuwe verhouding tot de vloer. Met andere woorden: de vloer werd zelf een stoel. Ondanks de gretigheid in de Nara-periode (710-794) om dingen op onder meer het gebied van kunst, kalligrafie en architectuur over te nemen van China, keerde Japan de stoel de rug toe.
‘Veel facetten van het leven van de Japanner zijn gerelateerd aan het uitgangspunt dat men op de vloer zit’
Isozaki schrijft dat op de vloer zitten een cruciaal element was in de ontwikkeling van de specifieke Japanse levensstijl. Het ontwerp van tuinen en kamers kwam tot stand vanuit het perspectief van iemand die op de grond zit, of knielt, betoogt hij.
De grote typisch ‘Japanse’ filmregisseur Yasujiro Ozu stond erom bekend dat hij een statische camera laag bij de grond neerzette. ‘Ozu filmde gezinnen het liefst binnenshuis, voornamelijk in een Japans interieur,’ schrijft filmrecensent Mark Schilling. ‘Hij werkte vanuit een lage positie, met de camera gewoonlijk ter hoogte van iemand die op een tatami-mat zit, om een intieme sfeer op te roepen.’
Onderzoeker Yatabe, die verschillende boeken heeft geschreven over zitten, waaronder Nihonjin no Suwarikata(Japanse manieren van zitten) en Za no Bunmeiron(Een civilisatietheorie van zitten), gaat nog verder. Omgeven door sierlijke, met de hand gemaakte stoelen van rozenhout en witte Japanse paardenkastanje bestudeert Yatabe in het Japanese Institute of Physical Culture Research in Tokio de geschiedenis van houdingen en lichaamsesthetiek. Met op de achtergrond het geluid van een knappend haardvuur probeer ik verschillende stoelen uit die hij heeft ontworpen, niet alleen om te werken maar ook om te mediteren. Ik zit op een stoel die veel wegheeft van een martelwerktuig, en als ik achteroverleun ontsnapt er een weinig professionele, diepe kreun aan mijn lippen.
‘Veel facetten van het leven van de Japanner zijn gerelateerd aan het uitgangspunt dat men op de vloer zit,’ schrijft Yatabe in Nihonjin no Suwarikata. ‘Dat begint al met alledaagse houdingen die te maken hebben met eten en drinken of met manieren waarop men elkaar begroet, tot aan de fundamentele houdingen bij traditionele kunsten. Het is onmogelijk om de Japanse cultuur echt te doorgronden zonder je bewust te zijn van het zitten op de grond.’
In zijn atelier laat hij een voorbeeld zien van een kimono, waarvan zowel het ontwerp als de pasvorm is gebaseerd op een idee van schoonheid waarbij de contouren van het lichaam eerder aan het oog worden onttrokken dan worden geaccentueerd. Brede houdingen, met sterk gebogen knieën, zowel in zittende als staande positie, werden geassocieerd met zowel schoonheid als kracht, licht hij toe.
Mannen met veel status, zoals keizers en samoerai, werden afgebeeld in een zittende houding die rakuza werd genoemd, met de voetzolen tegen elkaar en de knieën naar buiten wijzend, wat sommige lezers zullen herkennen als de ‘vlinderhouding,’ een symbool van kracht en elegantie. Yatabe zet dat af tegen de koningen van West-Europa, die voor portretten staand poseerden met een been naar voren.
Les in etiquette
Natuurlijk is het niet mogelijk om over de lijnen van een kimono na te denken zonder je bewust te zijn van seiza.
Esthetische normen geven een cultuur vorm. Maar dat geldt net zo goed voor overheden. Tijdens de Meiji-restauratie van 1868, de periode waarin Japan een snelle modernisering en verwestersing doormaakte, was de manier waarop de bevolking zat een van de aspecten van het sociale en culturele leven die aan een zeer kritische blik werden onderworpen.
Begin jaren tachtig van de negentiende eeuw, toen kinderen en masse voor het eerst verplicht naar school gingen, zo schrijft Yatabe, moesten ze niet alleen leren lezen en schrijven maar moesten ze ook les krijgen in etiquette, zoals de juiste manier om mensen te begroeten, de juiste manier om keurig en beschaafd hun bento te eten, de juiste manier om te buigen en – u raadt het al – de juiste manier om te zitten.
In het lesboek The New Edition of Elementary School Manners (De nieuwe editie van lagereschoolmanieren) wordt tot in detail beschreven hoe je ‘goed’ moet zitten – een uitgebreide versie van wat we nu herkennen als seiza, een woord dat is samengesteld uit de karakters voor ‘correct’ en ‘zit’. ‘Ga met beide voeten naast elkaar staan, sta stil en breng beide voeten een voor een naar achter, de linkervoet eerst. Kniel op beide knieën terwijl je de tenen omhoog houdt; leg de grote teen van beide voeten over elkaar en ga zitten. Als je zit, plaats dan je handen op je knieën en laat je armen rusten, doe dat heel bewust, alsof je onder elke oksel een kippenei hebt dat niet mag vallen.’
Als ik tegen collega’s of vrienden die in Japan zijn opgegroeid begin over seiza, krimpen ze bijna allemaal even ineen. Ze herinneren het zich als een vorm van straf. ’Doe seiza en denk maar eens goed na over wat je hebt gedaan!’
Seiza kan de flexibiliteit in de heupen vergroten en voedingsstoffen naar de knieën sturen, maar langere tijd in die houding zitten wordt ook in verband gebracht met o-benen, problemen met de bloedsomloop en oedeem. ‘Ik ben dol op seiza,’ appt een Taiwanese vriend die ook sadō en ikebana beoefent. ‘Ik vind het prettig om het niet al te comfortabel te hebben.’
In de wereld van sadō wordt seiza gezien als een elegante manier om het lichaam zo compact mogelijk te maken in steeds kleinere theekamers. Daarnaast was het oorspronkelijk een teken van nederigheid van een gastheer tegenover de gast, krijg ik te horen bij Mushakouji Senke Kankyuan, een van de drie grote theescholen in Japan.
Maar, zoals vertegenwoordigers van de school schrijven – net als veel welbespraakte bloggers die zich verzetten tegen de strenge geboden rond seiza – Sen no Rikyu, de vader van de moderne Japanse thee, van wie de drie scholen direct afstammen, zat in agura, oftewel kleermakerszit. Maar volgens de normen van nu wordt die houding gezien als bot of slonzig, en zeker niet geschikt voor vrouwen.
Het is opmerkelijk dat een bepaalde manier van zitten wordt omgeven door zo veel controverse. Aan de andere kant is het veelzeggend dat een van de andere drie scholen een gesprek weigerde, uit angst dat de naam van de school in een artikel zou komen te staan waarin de bejubelde seiza mogelijk zou worden bekritiseerd.
De stoel (1872)
In een sadō-handleiding voor beginners staat een cruciale aanpassing van de traditie vermeld: ‘Beoefenaars zien een nieuwe benadering voor zich van de theeceremonie, passend bij de veranderende tijden.’ De innovatie is de stoel, en het jaar was 1872.
Deze verandering drong maar langzaam door in Japan. Tegen de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, tijdens de snelle naoorlogse economische groei, was de stoel als alledaags gebruiksvoorwerp echter doorgedrongen in vrijwel alle Japanse huishoudens.
Japan is een betrekkelijke nieuwkomer op het wereldstoelentoneel. De stedelingen geven blijk van een ongekende fascinatie voor stoelen. In het voorjaar van 2022 werden in verschillende Muji-winkels in Ginza [een district in Tokio] stoelenexposities gehouden; in de zomer van dat jaar waren er twee stoelententoonstellingen tegelijk, zowel in het Tokyo Metropolitan Art Museum als in het Museum of Contemporary Art, ook in Tokio, waar stoelen waren te zien van respectievelijk de Deense ontwerper Finn Juhl en de Franse ontwerper Jean Prouvé.
In Mokoto Shimazaki’s inleiding bij het boek Japanese Chairs staat te lezen dat Japan vanaf begin jaren zestig uitgroeide tot een van de grootste markten ter wereld voor Europees meubilair, zoals de Y-stoel van Hans Wegner. De Japanse pioniers van de moderne stoelen, zo vertelt het boek, verwerkten elementen van Japanse huizen in hun ontwerpen. De stapelbare stoelen van Isamu Kenmochi kun je naast elkaar zetten, of met de voorkant tegen de achterkant, zodat ze weinig ruimte innemen – ruimte is een zeer schaars goed in Japan.
De spijlenstoel, ontworpen door Kappei Toyoguchi, is geïnspireerd op de Windsor-stoel, maar dan breder en dieper. Door het brede kussen kunnen de benen worden gekruist of gevouwen, en met de geringe hoogte van 34 centimeter is de zitting zo laag dat je nog op ooghoogte zit met mensen die op de grond zitten. Een andere stoel van Toyoguchi is ontworpen met dikkere, ronde poten zodat hij de tatami-matten niet beschadigt.
Zoals deze ontwerpers hebben laten zien, passen stoelen die in het Westen zijn ontworpen niet zomaar in de toonaangevende levensstijl in Japan.
‘Toen ik in Californië ging studeren, drong tot me door dat ik vreemd zit’
De zittende Japanner bevindt zich dan ook in een merkwaardige positie: nog maar zestig jaar na de overgang van tatami-mat naar stoel wordt de maatschappij geconfronteerd met nieuwe pijnpunten. Naar Yatabes mening zijn deze groeipijnen het gevolg van het te snel willen overnemen van een buitenlandse lichaamscultuur – die van Europa. Hij vergelijkt het met vrouwen die binnen één generatie willen overstappen op hoge hakken: de voeten, die gewend zijn aan geta en zori [traditionele Japanse sandalen], hebben wellicht niet de benodigde voetboog voor hoge hakken. Zo kunnen ook de esthetische waarden, die zowel de houding als de lichamelijke ontwikkeling hebben bepaald, niet zomaar worden veranderd in het tempo van de naoorlogse Japanse economie.
Hetzelfde geldt voor vloerzitten, dat zo lang zo’n belangrijk onderdeel van het leven is geweest dat het niet van de ene op de andere dag kan worden veranderd. Yatabe herinnert zich zijn oma en verschillende andere ouderen die zijn geboren in de Meiji-periode (1868-1912). Als ze liepen, waren ze vaak heel krom of moesten ze steunen op krukken, maar als ze op de grond zaten, zagen ze er fantastisch uit, en volkomen op hun gemak. Zo intens was de lichaamstraining die ze hadden ondergaan, zegt hij.
‘Juiste’ houdingen en het traditionele vloerzitten mogen dan naar de achtergrond verdwijnen, het effect op de cultuur is nog steeds voelbaar. ‘Toen ik in Californië ging studeren, drong tot me door dat ik vreemd zit,’ vertelt een jongere Japanse collega. Ze demonstreert een houding die veel wegheeft van de yogahouding virasana, met de knieën tegen elkaar en de billen op de grond, terwijl de benen een V vormen. ‘En toen ik weer naar Japan ging, moest ik afleren om met mijn benen over elkaar te zitten, want dat wordt als onbeschoft ervaren,’ zegt ze.
Sayaka Murata, de auteur van Convenience Store Woman (Buurtsupermens, vertaald door Luk van Haute), vertelde me ooit in een interview dat ze bij literaire evenementen in Europa van de andere schrijvers te horen kreeg dat ze zo mooi rechtop zat. ‘Ik probeerde onderuit te zakken, maar dat was nog niet zo makkelijk.’ Ze deed voor hoe ze zich onderuit liet zakken, herinnerde zich hoe raar dat voelde, lachte en ging weer rechtop zitten.
Cultuurclash op zithoogte
Deze cultuurclash op zithoogte is nog altijd gaande – en de industrie helpt een handje mee. Spoorwegbedrijf Sotetsu innoveert nog altijd de eigen stoelen van ‘universeel design’, die een ongebruikelijk ondiepe zit zouden hebben om het oudere mensen en zwangere vrouwen makkelijk te maken. Volgende maand geeft fysiotherapeut Tetsuya Obuchi een tweedaagse workshop in Chiba, voor 32.000 yen, om zorgverleners te leren hoe ze patiënten kunnen helpen met de juiste zithoudingen.
Kageyu Noro heeft in zijn lange carrière veel vragen beantwoord over rugpijn. Twintig jaar geleden stond deze (inmiddels emeritus) hoogleraar van de Waseda-universiteit, een van de toonaangevende specialisten in Japanse ergonomie, aan het hoofd van een zitkliniek. In ruim vijf jaar heeft hij zo’n driehonderd mensen gezien, zowel in zijn praktijk als tijdens huisbezoeken, en hij heeft ze laten zien hoe ze hun stoel en houding kunnen aanpassen, bijvoorbeeld met behulp van dikke bankkussens of geïmproviseerde rugsteunen. Hij heeft zelfs een speciale stoel ontworpen, met een gat erin, voor iemand met knieproblemen.
Ik liet hem een stoel zien die ik gratis heb gekregen, een blauwe klapstoel van Nitori die je overal ziet. Precies op de plek waar je steun verwacht voor je lendenen, is er niets. Ik gebruik die stoel altijd, maar zoals gezegd bezorgt hij me veel pijn. Noro – die zich misschien weer in zijn kliniek waande – stelde voor dat ik een handdoek zou oprollen, als een sushirol, en die in de spleet van de stoel zou klemmen, om mijn heiligbeen steun te geven. Toen vroeg hij: ‘Hoeveel kost dit ding? 5.000 yen?’ (Eigenlijk kost hij maar 2990 yen, wat met de huidige koers neerkomt op 20 dollar.) ‘Je zou meer moeten betalen!’
‘Mensen gaan op zoek naar een goede stoel, of bed of matras – maar ze nemen te snel een beslissing. Het belangrijkst vinden ze de prijs,’ zegt hij. Mensen zouden volgens hem juist op zoek moeten gaan naar iets wat precies bij hun lichaam past. Om het gebrek aan verkopers met verstand van zaken te compenseren werkt Noro aan een technologie voor ‘een dialoog tussen de stoel en degene die erop zit’. Sterker nog, zegt hij, er bestaat geen stoel waar iedereen goed op zit. ‘Twintig jaar geleden dacht ik nog dat er een soort ideale stoel zou zijn. Maar het is heel moeilijk om die te maken. De oplossing is zoeken naar individueel comfort.’
Voor Noro schuilt het antwoord niet in moderne ergonomie, maar in het verre verleden van Japan. De boeddhistische monnik Dogen, die leefde van 1200 tot 1253, tijdens de Kamakura-periode, bracht het zenboeddhisme naar Japan en verspreidde de beoefening van zazen, oftewel zittende zenmeditatie. Hij en zijn volgelingen zaten op zafu, ronde kussens van gevlochten lisdoddebladeren. ‘Dogens manier van zitten was volkomen logisch,’ zegt Noro. ‘Hij liet de monniken hun eigen zafu maken, afgestemd op hun lichaam.’
De sleutel was individualisering: hoe prettig een stoel zit, hangt – onder meer – af van je gewicht. Noro richtte zich in zijn onderzoek op de relatie tussen lichaamsgewicht en ‘wegzakdiepte’, de verandering in hoogte van het kussen. Zijn lab heeft een stoel ontwikkeld voor microchirurgie, waarin iemand lange uren gerieflijk kan blijven zitten terwijl er handelingen worden uitgevoerd die uitzonderlijke precisie vereisen – geïnspireerd op Dogens kussenmodel uit de dertiende eeuw.
Yatabe beaamt Noro’s conclusies. Na zich er jaren in te hebben verdiept, is hij stoelen gaan maken die zijn afgestemd op het lichaam van zijn cliënten. Hij benadrukt dat het niet nodig is om te rade te gaan bij ergonomische studies uit het Westen, aangezien de nauwe banden van Japan met vloerzitten duizenden jaren teruggaan, en gezien de vele tradities die nauw zijn verweven met zen, yoga en tai chi. Hij heeft een diepe bewondering voor de verschillende stijlen van zitten die opgang deden voordat seiza de overhand kreeg, en voor de hulpmiddelen die dergelijke zitstijlen mogelijk maken, zoals de kyōsoku-armsteun (letterlijk ‘oksel’ en ‘adem’), waardoor de zitter naar één kant kan overhellen en comfortabel op de vloer kan zitten met de andere knie omhoog.
Yatabe wil niets liever dan de tradities in ere herstellen die verloren zijn gegaan tijdens de snelle modernisering van Japan. ‘Ik wil steeds meer van de fantastische elementen van onze cultuur voor het voetlicht brengen en dingen ontdekken waardoor we trots kunnen zijn op ons land,’ zegt hij.
Inmiddels kijk ik er al niet meer van op als een gesprek over een ogenschijnlijk eenvoudige handeling als zitten een onverwachte wending neemt, om niet te zeggen een patriottische wending. Ook zitten blijkt politiek te zijn.
Yatabe denkt niet dat mensen die de hele dag zitten, waar ook ter wereld, hoeven te wanhopen. Voor dergelijke mensen in Japan heeft hij iets bedacht wat doet denken aan een soort lichamelijke tweetaligheid. ‘In termen van fysieke mogelijkheden is het niet ondenkbaar om het lichaam zowel op een Japanse als op een Europese manier te gebruiken,’ zegt hij.
Mensen die altijd op de vloer hebben gezeten, kunnen wennen aan stoelen – voornamelijk door de hoogte en de diepte van de zitting zo af te stellen dat de stoel echt past bij hún lichaam. En mensen die niet gewend zijn om op de vloer te zitten, kunnen stretchen en oefeningen doen om hun heupen en ledematen soepeler te maken, om aan het leven in Japan te wennen. ‘Zitten hoeft niet stressvol te zijn,’ zegt hij resoluut.
De ziel
Zitten blijkt niet alleen een kwestie te zijn van esthetiek, gezondheid, etiquette en traditie; het heeft ook te maken met de ziel. In 1970 werd een verzameling lezingen van de Japanse monnik Shunryu Suzuki gebundeld en uitgegeven met als titel Zen Mind, Beginner’s Mind. Het boek zou uitgroeien tot een klassieker van moderne spiritualiteit en zou in belangrijke mate verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van het zenboeddhisme in het Westen. Het boek telt honderdvijftig pagina’s en is – hoe kan het ook anders – gewijd aan de vraag hoe te zitten. ‘Als ik zit, is er niemand anders, maar dat wil niet zeggen dat ik je negeer. Ik ben volledig één met alle aanwezigheid in deze fenomenale wereld. Dus als ik zit, zit jij; alles zit met mij. Dat is onze zazen,’ schreef de priester.
‘Houd gewoon je lichaam recht zonder over te hellen of ergens tegenaan te leunen,’ zegt hij. ‘Op die manier zul je, zowel fysiek als mentaal, totale rust ervaren.’
Spirituele praktijken die voortkomen uit de handeling van zitten zijn niet voorbehouden aan het boeddhisme; je ziet ze ook in het hindoeïsme, of in de traditionele Chinese geneeskunst. (Ook in de Bijbel worden de discipelen opgeroepen te knielen, en in de islam schrijft een van de stappen in het dagelijkse gebed voor hoe je de voeten precies naast elkaar moet houden.)
De homo sapiens is geëvolueerd om rechtop te lopen, maar toch kromt onze ruggengraat zich steeds meer naar beneden
‘Seiza is een houding waarbij de kracht kan worden gebundeld in het vitale punt van het lichaam, de dantian,’ zo krijg ik te horen op de Mushakouji Senke Kankyuan-theeschool. ‘Volgens sommigen kan het aannemen van deze houding de geest op effectieve wijze tot rust brengen en vervullen.’
Hoewel de stoel vele problemen veroorzaakt voor de moderne kantoormens, zijn bepaalde vormen van zitten juist een manier om de dagelijkse beproevingen van zowel het privé- als het werkleven het hoofd te bieden. Seculiere meditatie is ongekend populair, en dat geldt zelfs voor een extreme vorm ervan, de vipassana-meditatie, die is uitgegroeid tot een trendy toevluchtsoord voor wie de wereld even niet meer ziet zitten: tien dagen zittende meditatie, in stilte, volledig weg van de maatschappij.
Tijdens het schrijven van dit artikel heb ik twee lessen gevolgd in zeer verschillende meditatietechnieken: ik zat nog geen uur of mijn benen waren al volkomen gevoelloos. Omdat me was gezegd dat ik aan niets anders mocht denken dan mijn ademhaling en de energie van mijn lichaam, ging er maar één gedachte door mijn hoofd: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Waarom zit ik hier te zitten?
Misschien is dat wel de crux van de problemen waar mensen mee kampen die aan een bureau zijn gebonden en die na jaren van werken gebukt gaan onder nek-, schouder- en rugpijn: de hele dag naar een scherm staren voelt niet echt als leven – eerder als het tegenovergestelde. De homo sapiens is geëvolueerd om rechtop te lopen, maar toch kromt onze ruggengraat zich steeds meer naar beneden, onze ogen op zoek naar afbeeldingen en tekst, onze billen op zoek naar iets waarop we kunnen zitten. Maar de inspanningen die we ons getroosten om het zitten – een probleem dat we zelf hebben gecreëerd – weer naar onze hand te zetten, omwille van gezondheid, cultuur, land, schoonheid, existentiële vervulling en zelfs dat onbeschrijflijke ideaal dat we geluk noemen – iets menselijkers dan dat is toch nauwelijks denkbaar?
Het Intercontinental in Kaboel was het eerste luxehotel van Afghanistan. Ooit werden er legendarische feesten gehouden, nu is het in handen van de taliban en worden niet-taliban gedwongen met hen samen te werken. Journalist Andreas Babst bracht een bezoek aan de omstreden plek.
Bij de eerste slagboom staat een talib te glimlachen, zoals hem is opgedragen. Bij de tweede slagboom staat op een bord: ‘Overdrachtspunt voor wapens’. Wie hier zijn kalasjnikov afgeeft, ontvangt een bonnetje en krijgt zijn wapen bij het verlaten van het hotel terug. De weg slingert de heuvel op tussen cirkelvormig gesnoeide heggen. Bij de derde barrière wordt er gefouilleerd. Dan verschijnt eindelijk achter een metalen hek de oprit naar het hotel. Voor de ingang piepen de autobanden op de grote marmeren tegels.
Het Intercontinental Hotel torent als een kasteel boven Kaboel, de door oorlog geteisterde hoofdstad van Afghanistan. Hier is het geluid van toeterende auto’s niet meer te horen.
In 1969 werd het Intercontinental Hotel geopend, het eerste luxe hotel in Afghanistan. Maar het voelt als veel langer geleden. Afghanistan is meer dan veertig jaar in oorlog geweest. Heersers kwamen en gingen en allen verbleven hier, in het Intercontinental. Ondanks zijn vergane glorie is het hotel nog steeds een symbool: wie in Kaboel regeert, regeert niet alleen over Afghanistan maar ook over het Intercontinental. Nu is dat dus de taliban.
Op 15 augustus 2021 drongen ze Kaboel binnen. Ze hebben al twee jaar de macht, maar zijn nog steeds niet te peilen. We horen alleen de gruwelverhalen: vrouwen en meisjes mogen al twee jaar niet meer naar middelbare scholen en universiteiten. Vrouwen mogen niet meer in openbare parken komen. Zowel vrouwen als mannen krijgen zweepslagen voor overspel.
Het grootste experiment van de taliban bleef tot nu toe voor de rest van de wereld onopgemerkt. Het vindt plaats achter bureaus in het hele land. De nieuwe regering dwingt taliban en niet-taliban om samen te werken, zowel binnen de regering als bij overheidskwesties. Jonge mannen delen een kantoor met de jonge strijders die ze ooit vreesden, jonge strijders zitten naast jonge mannen die ze ooit verachtten. Er hangt veel af van dit experiment. Het bepaalt grotendeels of er vrede zal blijven, of er echte verzoening komt of op zijn minst een zo normaal mogelijke manier van samenleven.
En dat grote experiment kan op kleine schaal worden geobserveerd in het Intercontinental. Misschien is dit zelfs wel de beste plek om een blik op de toekomst van Afghanistan te werpen; hier komen heden en verleden samen.
De receptie
Als ze opengaan, knarsen de automatische schuifdeuren van ouderdom. De gasten van het Intercontinental worden verwelkomd aan een enorme marmeren balie met daarachter een houten wand met vier klokken – Kaboel, New York, Londen, Dubai. Kosmopolitisme in een gesloten land. Het Intercontinental accepteert geen creditcards, omdat Afghanistan grotendeels is afgesneden van het internationale bankwezen. Een gast arriveert met een plastic tas vol contant geld.
Slechts elke tweede kroonluchter in de lobby is verlicht. ‘We besparen op elektriciteit,’ zegt Samiullah Faqiri, die verantwoordelijk is voor marketing bij het Intercontinental. Faqiri was meteen enthousiast over het idee om een buitenlandse journalist een paar dagen achter de schermen te laten meekijken.
Hij is achtentwintig jaar oud en zijn baard op zijn ronde wangen is netjes getrimd. Hij werkt al twee jaar in het hotel, sinds de taliban aan de macht kwamen. ‘Ik heb als een gek aan de marketing gewerkt,’ zegt hij in vloeiend Engels en hij vertelt dat hij de nieuwe slogan heeft bedacht: ‘Intercontinental for everyone’. Die tekst heeft hij op billboards in Kaboel laten zetten. Faqiri weet natuurlijk dat maar weinig Afghanen zich op dit moment een maaltijd of een nacht in een luxe hotel kunnen veroorloven. Volgens de VN kunnen negen van de tien gezinnen zich niet eens genoeg eten veroorloven. Een nacht in de goedkoopste kamer kost 95 euro, wat voor velen een maandloon is.
Faqiri heeft – net als iedere marketingmanager – een winstdoel voor ogen. Het hotel is van de overheid, en die wil dat het wat opbrengt. Alle winst gaat naar de staat, die het geld weer besteedt aan lonen, onderhoud en renovatie. Hoewel Faqiri voor de taliban werkt, is hij er zelf geen.
Hij spreekt dan ook over ‘ze’ als hij het over de heersende partij heeft. ‘Ze zullen me niet doden als ik mijn target niet haal,’ zegt hij lachend. Als Faqiri lacht, zie je eerst zijn neus op en neer gaan, dan zijn schouders en dan zijn buik. Het is een fysieke en aanstekelijke lach, die meestal volgt op een zin die anders te zwaar zou klinken.
Faqiri komt uit een familie waar het aan niets ontbreekt. Zijn vader is professor aan de universiteit. De hele familie woont samen in een huis vlak bij het hotel. Hij studeerde bedrijfskunde in India. Voordat de taliban de macht overnamen, droeg hij graag mouwloze T-shirts en speelde hij basketbal. Tegenwoordig draagt hij, net als bijna iedereen, een shalwar kameez, een traditioneel Afghaans kledingstuk.
Om zijn doel te behalen zou Faqiri meer kamers in het hotel moeten verhuren. Het Intercontinental heeft er in totaal 198. Ongeveer een vijfde daarvan is bezet, zegt hij. Zolang geen enkel land ter wereld de taliban erkent, zullen er ook geen massa’s toeristen komen. Maar hij geeft niet op. Tijdens de evacuatie van bedreigde Afghanen door de Canadese regering sloot hij een contract met het verantwoordelijke reisbureau: het Intercontinental werd het trefpunt voor de evacués. Hij verhuurde honderdtwintig kamers en kreeg het voor elkaar dat degenen die de taliban wilden ontvluchten, incheckten in een talibanhotel.
Faqiri werkt tot het begin van de middag. Bij de receptie staat een jonge talib, leunend tegen het zwarte marmer. Hij heet Mohammed Elyas Niazai. ‘De nachtploeg,’ zo stelt Faqiri hem voor.
Faqiri en Niazai maken deel uit van het grote talibanexperiment in het Intercontinental: een gewone Afghaanse man en een talib, twee jonge mannen die geacht worden samen te werken voor het grotere geheel.
Steeds weer wordt Niazai gebeld op zijn mobiele telefoon. Ze vragen hem waarom er een journalist in het hotel rondloopt
Niazai neemt de gouden lift naar boven. Op de wanden van de kleine cabine is zijn verwrongen weerspiegeling zichtbaar. Hij is drieëntwintig en heeft een weerbarstige, nogal onregelmatige baard. Zijn ogen staan helder maar zijn blik is wat onvast, waardoor hij er tegelijkertijd uitziet als jager en opgejaagde.
Niazai woont op de derde verdieping in kamer 311, die een standaard inrichting heeft: zware mosgroene gordijnen, een dik tapijt met een ingewikkeld patroon om mogelijke vlekken te verdoezelen, een asbak. In tegenstelling tot Faqiri woont Niazai in het hotel. Hij vertelt dat hij de personeelsmanager is. Ook hij heeft bedrijfskunde gestudeerd. ‘Het hotelwezen is een goede business, nauwelijks risico,’ zegt hij. Er is geen enkel persoonlijk voorwerp in de kamer te ontdekken, maar deze kamer is ook niet echt van hem. Hij vertelt dat hij een tweede, geheime kamer heeft. Daar bewaart hij zijn wapens: een M4 aanvalsgeweer, buitgemaakt op Franse soldaten, en een glock 22.
Het is alsof achter het hotelbehang met golfpatroon iets onzichtbaars op de loer ligt. Steeds weer wordt Niazai gebeld op zijn mobiele telefoon. Het is de GDI, de geheime politie van de taliban. Ze vragen hem waarom er een journalist in het hotel rondloopt. Niets blijft onopgemerkt. Ze houden zich ergens schuil en kijken. In de gangen hangen camera’s, maar in de kamers zouden die er niet zijn. Op de derde verdieping verblijft een groep Russen. Ze houden zich afzijdig.
Niazai sloot zich bij de taliban aan toen hij zestien was. Een speciale legereenheid had zijn oom en neef vermoord, en naar verluidt waren er ook buitenlandse soldaten bij de operatie betrokken. Zo begon zijn jihad, zijn heilige oorlog: uit wraak. Hij groeide op in Kaboel, in een arme buurt. De taliban gebruikten hem als mol. Hij studeerde aan een universiteit in Kaboel en zegt dat hij toen heel goed Engels sprak, maar dat hij inmiddels veel is vergeten. Op zijn smartphone laat hij ons foto’s uit die tijd zien: een jongeman met een modieus geföhnde pony en een sikje.
Niazai bespioneerde zijn medestudenten namens de taliban. Toen zijn studie het toeliet, vocht hij buiten Kaboel tegen NAVO-troepen en tegen het Afghaanse leger. Hij beweert dat hij met een plastic fles en twee dollar een bom kan maken. Als hij te laat kwam en zijn professor vroeg hem naar de reden, antwoordde hij in het Engels: ‘Legends are always late.’ Hij is trots op deze zin en kent hem nog steeds uit zijn hoofd.
Dat was in de jaren voor de val van Kaboel. De hoofdstad had het hart moeten worden van het nieuwe Afghanistan dat de Amerikanen en hun bondgenoten met miljarden dollars aan ontwikkelingshulp in twintig jaar hadden opgebouwd. Maar in deze stad was het nooit helemaal duidelijk aan wie je eigenlijk loyaal was – al geloofden sommigen liever iets anders.
Op 15 augustus 2021 viel Kaboel in handen van de taliban. In de weken daarvoor hadden ze de ene provincie na de andere veroverd. Volgens experts zou Kaboel standhouden, ten minste voor een paar weken. Maar er was weinig weerstand. Laat in de avond reden de taliban in hun pick-uptrucks naar het Intercontinental. In de uren daarvoor hadden de bewakers van het hotel hun posten verlaten. Sommigen bestormden de lobby en stalen de computers. De taliban verspreidden hun strijders over het hotel en stuurden het personeel naar huis. Twee dagen later belden ze het hotelpersoneel op met de boodschap dat ze terug moesten komen en dat het Intercontinental nu weer open was.
‘In het begin waren de medewerkers bang voor ons,’ zegt Niazai. ‘Maar we hadden de opdracht om aardig tegen ze te zijn.’
Vijfde verdieping
De gouden lift stopt op de vijfde verdieping. Hier komt de hele geschiedenis van het Intercontinental samen. Links naast de lift is de ingang van de Pamir Supper Club. Vanaf 1969 werden hier uitbundige feesten gehouden. Hier traden de eerste Afghaanse popmuzikanten met lang haar en gitaren op. Afghanistan had toen nog een koning, Mohammad Zaher Shah. In 1973 werd hij door zijn neef van de troon gestoten en vijf jaar later vermoord door de communisten. De feesten gingen door. Maanden na de moord nodigde het Intercontinental gasten uit voor een Beiers feest in de club, inclusief een drankbuffet en ‘schnaps van het huis’, gesponsord door Lufthansa. In 1979 viel de Sovjet-Unie Afghanistan binnen. De Amerikaanse functionarissen in de Pamir Supper Club maakten plaats voor Russische functionarissen.
Terwijl het land afgleed naar een burgeroorlog, bleef het Intercontinental een wereld op zich. Toen de Russen in 1989 vertrokken, stopte de Afghaanse president Najibullah in zijn zwarte Mercedes voor het hotel.
In 1992 marcheerden de mujahedin Kaboel binnen, groepen islamistische heilige strijders die door de Verenigde Staten waren uitgerust en getraind om tegen de communisten te vechten. De mujahedin aten gratis in het Intercontinental en vochten in de hoofdstad al snel tegen elkaar. Raketten vlogen het Intercontinental binnen. De beruchte Ahmad Shah Massoud en zijn mannen namen het hotel over.
Op de vijfde verdieping, rechts aan het einde van de lange gang, ligt de Khyber Suite, het penthouse van het Intercontinental. De suite is rondom omgeven door een balkon waar gasten een uitzicht hebben over heel Kaboel. Op dit moment geeft de VN er een cursus over het oplossen van interpersoonlijke conflicten. Van hieruit zou Massoud zijn aanslagen hebben gepland met een verrekijker. Tot er in 1996 nieuwe, nog radicalere islamisten uit het zuiden kwamen en Kaboel voor de eerst keer veroverden: de taliban. Najibullah, de ex-president met de Mercedes, werd door hen gecastreerd en geëxecuteerd. Ze sleepten zijn lichaam door de stad en hingen hem in het openbaar op. De taliban verwijderden de stoelen in de bar van het hotel en gingen op de tapijten zitten.
Er zijn geen ramen in deze lange gang op de vijfde verdieping. Neonlichten op de muren verdringen de duisternis en werpen harde schaduwen. Geluiden en geschiedenis zinken weg in het tapijt. Het ruikt naar stof en naar iets anders, iets zurigs. De medewerkers van het hotel zijn niet graag op de vijfde verdieping. Het spookt hier, zeggen ze.
De taliban hadden de leiding over het Intercontinental tot 2001. Een dag na de aanslagen op het World Trade Center in New York hielden ze er een persconferentie. De minister van Buitenlandse Zaken van de taliban zei dat ze niet wisten waar Osama bin Laden was. ‘Ik weet alleen dat hij niet hier is,’ zei hij. Dat was een leugen. Bin Laden was een gast van de taliban en een paar maanden later de reden voor de Amerikaanse invasie van Afghanistan.
Na de invasie van de Amerikanen en hun bondgenoten werd het Intercontinental weer de ontmoetingsplaats van buitenlandse diplomaten, zakenmensen en rijke elites. De nieuwe regering renoveerde de plek met de hulp van aannemers, maar het was niet meer hetzelfde als vroeger. Eén bedrijf sloot het balkon in de eetzaal af, waar gasten de koude wind uit de bergen konden voelen als ze van hun koffie genoten. Een ander bedrijf voegde nog een eetzaal toe; op het plafond zijn wolken geschilderd en het ziet eruit als een cruiseschip. Weer een ander bedrijf verkocht de marmeren tegels in de tuin. Het hotelpersoneel zegt dat corrupte ambtenaren uit het Intercontinental pakten wat ze pakken konden, zoals ze met zoveel hebben gedaan in Afghanistan. ‘Die rotzakken hebben alles vernietigd. Het enige wat is overgebleven zijn de naam en het gebouw zelf,’ zegt een oude ober. ‘Verder is er niets meer zoals vroeger.’
De gasten barricadeerden zichzelf in de kamers, kropen in de grijzige badkuipen met hun antislipmatten
Jarenlang vochten de taliban ondergronds. Ze wonnen aan kracht, ondanks de duizenden NAVO-soldaten in het land. In 2011 vielen ze het hotel aan. Negen zelfmoordterroristen doodden twaalf mensen en zichzelf. De laatste aanvaller liet zijn bom ontploffen op de vijfde verdieping, in kamer 523. De kamer is sindsdien gerenoveerd, de badkamer is nu versierd met roze tegels. In 2018 volgde een tweede aanslag. Twaalf uur lang bezetten vier of vijf moordenaars het hotel. Ze vermoordden veertig mensen. De gasten barricadeerden zichzelf in de kamers, kropen in de grijzige badkuipen met hun antislipmatten. Een geestelijke die op dat moment in kamer 519 verbleef werd gedood bij de aanval. De man die nu schoonmaakt op de vijfde verdieping zweert dat hij hem soms hoort douchen.
In 2021, slechts drie jaar later, veroverden de taliban Kaboel voor de tweede keer. Een van de bewakers buiten het hotel kende enkele van de zelfmoordterroristen. ‘Ze waren ongelooflijk dapper,’ zegt hij. Sirajuddin Haqqani, die de aanslagen organiseerde, is nu minister van Binnenlandse Zaken. In de balzaal van het Intercontinental hield hij een toespraak waarin hij de families van de moordenaars bedankte. De deuren van de hotelkamers herinneren nog steeds aan de aanslagen. Het kogelwerende staal is bruin geverfd.
De Keuken
In de keuken wijst Faqiri, de marketingmanager, naar een grote pan waarin een lam staat te sudderen. ‘Dat heb ik verkocht voor 230 dollar. Schrijf dat op,’ beveelt hij. Twee families hebben een vergaderzaal gehuurd waar de mannen onderhandelen over de bruidsprijs voordat hun kinderen gaan trouwen. Faqiri heeft hen overgehaald om ook te blijven eten.
De ketels in de keuken bevatten voedsel voor negenhonderd mensen. ’s Middags en ’s avonds bereidt het Intercontinental een buffet. Vandaag kookt de keukenploeg ook voor zevenhonderd mensen van het ministerie van Defensie. Het eten wordt geleverd per geëscorteerde vrachtwagen – het Intercontinental is ook de cateraar van de taliban.
Sayed Mazaffar Sadat is de chef-kok van het hotel. Ze noemen hem Goldfinger. Hij deed vijf keer mee aan een kookwedstrijd op televisie en won vier keer. Hij kwam naar het Intercontinental voordat de taliban de macht overnamen, en werd verkozen boven twintig andere kandidaten. ‘Ik had geen connecties. Normaal gesproken kom je hier zonder goede connecties niet binnen.’
Sadat vertelt dat hij nooit heeft overwogen het land te verlaten, zelfs niet nadat de taliban de macht hadden overgenomen. Binnenkort vertegenwoordigt hij Afghanistan bij een kookwedstrijd in Frankrijk, en zijn vrienden zeggen dat hij daar moet blijven. Dan zou hij een van de vele jonge mannen zijn die Afghanistan legaal of illegaal verlaten in de hoop elders een beter leven te vinden. Naar schatting 1,6 miljoen Afghanen zijn gevlucht sinds de taliban aan de macht zijn. De meesten van hen leven onder precaire omstandigheden in buurlanden Iran en Pakistan. Sadat zegt: ‘Mijn filosofie is: de dood komt hoe dan ook – ook als je je land verlaat.’
In de hitte van de keuken roept een van Sadats koks tegen een talib die werkloos staat toe te kijken: ‘We hebben je niet nodig, hier. Ga naar je kantoor!’
Toen de taliban in de jaren negentig voor het eerst regeerden, werd slechts een van hen aangesteld als hoofd van het hotel. Nu hebben ze strijders in elk kantoor gezet, volgens verschillende hiërarchische niveaus: taliban en niet-taliban worden gedwongen samen te werken.
Vrouwen spelen geen rol in de beslissingen van de taliban. Alle vrouwelijke werknemers van het hotel zitten thuis. Ze zouden nog steeds hun loon ontvangen, maar mogen niet meer komen werken. De enige vrouw in het gebouw werkt beneden bij de ingang van een van de beveiligingspoorten, om vrouwelijke gasten te controleren. Haar lichaam en hoofd zijn volledig bedekt, maar ze weigert haar gezicht te bedekken. Daarvoor is ze te oud, zegt ze.
Faqiri regeert in de keuken, zwaaiend met zijn armen als iemand die zijn hele leven al instructies geeft. Hij kijkt voortdurend op zijn mobiel en is constant aan het troubleshooten. Niazai weet niet waar hij z’n handen moet laten. Hij verschikt de broodmandjes in de keuken, draait een kiwi rond in zijn handen of kijkt naar de houdbaarheidsdatum op een blikje cola. Hij is ook verantwoordelijk voor de kwaliteitscontrole, vertelt hij.
De taliban worden geacht te leren. De leiding heeft voor sommigen van hen een opleiding betaald en voormalige guerrillastrijders volgen nu computercursussen. De nieuwe machthebbers kondigden vrede en verzoening af. En toch blijft het voor velen een vreemde situatie: rebellen die twintig jaar lang door iedereen gevreesd werden, zitten plotseling ook op kantoor. Een voormalig werknemer van het Intercontinental zegt: ‘Een van de strijders was mijn ondergeschikte. Maar welke bevelen kon ik hem geven? Hij had een wapen.’
‘Een klant bood me ooit een visum aan voor de Verenigde Staten. Maar ik wilde niet weg. Kaboel was de beste plek ter wereld’
Niazai kijkt rond op de vervallen tennisbaan, waar het net ontbreekt en de scheidsrechtersstoel in een hoek staat te roesten. De tenniscoach is naar Spanje gevlucht, zo heeft Niazai gehoord. Hij is hier voor het eerst, want ‘Wie kan er nou tennissen?’
Niazai heeft de afgelopen twee jaar veel functies in het hotel gehad, momenteel is hij de hr-manager. Hij krijgt een salaris van 530 euro per maand en spaart voor zijn huwelijk. Op een dag zal hij dit uitbundig vieren. Hij heeft zijn bruid nog niet ontmoet.
‘Als ze mij morgen de opdracht geven om kamers schoon te maken, zal ik geen vragen stellen,’ zegt Niazai. Hij volgt blindelings bevelen op. De taliban hebben een ondoorgrondelijke commandostructuur. Duidelijk is dat de emir en zijn vertrouwelingen in Kandahar de top vormen, gevolgd door de ministers in Kaboel en hun plaatsvervangers. Maar er zijn ook sterke lokale commandanten, in Kaboel en daarbuiten. De taliban zijn een minder homogene beweging dan het soms van buitenaf lijkt.
Ooit werd Niazai door zijn commandant bevolen om zijn geliefde lange haar af te knippen. Hij deed het onmiddellijk. Eigenlijk wacht hij op een bevel dat nog niet is gekomen, dat hem terugstuurt naar een of ander front. Als dat bevel komt, vertrekt hij niet de volgende dag, zegt hij, maar direct. ‘Dit hotel is net een gevangenis,’ zegt hij. Hij mist de bergen, de bossen en de ijskoude rivieren. Als Niazai over het gras in de tuin loopt, trekt hij zijn schoenen uit om op blote voeten te lopen. Hij wil het gras onder zijn voetzolen voelen. Want dan, zegt hij, verdwijnen alle negatieve gedachten.
Tweede verdieping
De familie Hakimi verblijft op de tweede verdieping, in kamer 238 en 239. Er zijn niet veel gasten in het Intercontinental. Er zijn de Russen, die elke ochtend in een witte SUV worden opgehaald. Er is de ontwikkelingswerker uit India. De Pakistaanse zakenman die lampen van himalayazout verkoopt. En er zijn de Hakimi’s.
Hayatullah Hakimi (67) en zijn vrouw Aziza (64) ontvluchtten Afghanistan in 1988. Hayatullah had zijn eigen juwelierszaak. Maar toen kreeg de geheime dienst hem in het vizier.
Het echtpaar heeft de meest grandioze tijden van het Intercontinental meegemaakt. Als Hayatullah op vrijdagmiddag de winkel sloot, gingen hij en zijn vrouw naar het hotel. ‘In die tijd hielden we van The Beatles, de popmuziek kwam net naar Afghanistan,’ vertelt Hayatullah. Bij het zwembad speelden bands. Vrouwelijke toeristen zwommen er in badpak. Het hotel lag iets buiten de stad, omringd door pijnbomen. In de tuin klonk uit luidsprekers muziek van Ahmad Zahir, de Afghaanse Elvis, die veel te jong stierf bij een auto-ongeluk. De Hakimi’s tonen foto’s van toen: hij met een dikke snor, lang haar en een glimmende gesp aan zijn riem, zij draagt een broek met wijde pijpen.
Hayatullah zegt: ‘Een klant bood me ooit een visum aan voor de Verenigde Staten. Maar ik wilde niet weg. Kaboel was de beste plek ter wereld.’ Aziza vult aan: ‘Niemand wilde weg uit het land, niemand wilde naar Europa of Amerika. Mensen kwamen naar ons toe.’
Vanaf het balkon van de Hakimi’s kun je over Kaboel uitkijken. De stad heeft het hotel de afgelopen decennia omcirkeld. De zon komt op voor het Intercontinental en aan de achterkant onder. Witte betonnen elementen steken van het balkon van de Hakimi’s naar het balkon eronder; boven fungeren ze als borstwering en onder als zonnescherm. Daardoor lijkt het alsof elke kamer zware witte wimpers heeft. De brandende zon legt de scheuren in het beton bloot, de stad lost op in het verblindende licht en het stof. De airconditioning ratelt en beneden schrapen de harde bezems van tuinmannen over het asfalt.
De Hakimi’s wonen nu in Canada. Ze zijn naar Kaboel gekomen om hun volwassen dochters de stad te laten zien die ze ooit verlieten. Ze brengen veel tijd door met rijden door straten die ze niet meer herkennen. Aziza zegt: ‘Iedereen in dit hotel droeg prachtige pakken. Mannen droegen hun traditionele kleding alleen thuis. Het is pijnlijk om al deze veranderingen te zien.’ Hayatullah: ‘Ik huil elke nacht. Ik hoop dat het hotel openblijft. Het is een deel van onze identiteit.’
De lobby
Faqiri leunt over een bureau dat niet van hem is. Dat van hem staat in een hoek van het kantoor, maar hij gaat als vanzelfsprekend aan het grote bureau in het midden zitten. Het is van zijn supervisor, een taliban die zich zelden laat zien. Faqiri typt op zijn smartphone. Vandaag is het de Afghaanse Onafhankelijkheidsdag, waarop het vredesverdrag met de Britten, de Great Game en andere conflicten worden gevierd – gebeurtenissen die plaatsvonden aan het begin van de twintigste eeuw. Faqiri werkt aan een bericht voor sociale media, een fotocollage: Faqiri onderaan, een wapperende zwart-rood-groene vlag bovenaan. Het is de vlag van de oude Afghaanse Republiek, die werd vervangen door de witte vlag van de taliban. ‘We hebben goede herinneringen aan deze vlag,’ zegt hij, verwijzend naar de zwart-rood-groene.
‘De meeste mensen hebben meisjes thuis en hopen dat de toekomst voor hen beter wordt. Ik hoop dat alles goed komt,’ zegt Faqiri. ‘Ik wil niet weg, ik wil eerst zien hoe het allemaal loopt.’ Afghanistan ontvluchten is duur en ingewikkeld. Veel Afghanen hopen dat het leven uiteindelijk beter zal worden onder het talibanbewind. Of dat ze het kunnen uitzitten tot het voorbij is. De vorige keer waren de taliban vijf jaar in Kaboel. Alleen is er deze keer weinig teken van weerstand in het land. Kaboel ziet eruit als een stad in winterslaap, en niemand weet hoelang die zal duren. Degenen die niet vluchten – en dat is het grootste deel van de bevolking – leggen zich neer bij de situatie. ‘We moeten samenwerken met de taliban. Zij zijn de regering,’ zegt Faqiri.
Zonder goede connecties kom je het Intercontinental niet binnen. Faqiri’s vader was een van de hotelmanagers tijdens het eerste talibanbewind. Nadat Kaboel was gevallen belden ze hem en vroegen of hij terug wilde komen. In plaats daarvan stuurde hij zijn zoon.
Tijdens het eerste talibanbewind bezocht Mullah Omar, oprichter en hoofd van de taliban, ooit het hotel, kamer 124. Er waren geen gasten. Omar vroeg aan Faqiri’s vader: ‘Waarom is hier niemand?’ Faqiri’s vader zei tegen de talibanleider: ‘Mensen komen niet omdat ze bang voor je zijn.’ Waarop Mullah Omar via de radio aankondigde dat alle buitenlanders die veilig in Kaboel wilden verblijven moesten inchecken in het Intercontinental. Het verhaal gaat dat het hotel de volgende dag vol zat.
Ook Faqiri heeft veel ideeën over hoe het hotel volgeboekt kan raken. De balzaal vergroten, een helikopterplatform bouwen. Of een van de faculteiten van de universiteit op het enorme terrein van het Intercontinental neerzetten. Een ziekenhuis misschien. Maar dat alles kost geld, wat niemand op dit moment heeft.
En dan is er nog de kwestie van de bruiloften. Vroeger vonden er grote feesten plaats in de balzaal van het hotel. Afghaanse bruiloften worden door honderden gasten bijgewoond en hebben traditioneel een mannen- en een vrouwenafdeling. Onder de taliban is het verboden om muziek te spelen op bruiloften, maar soms is er in het vrouwengedeelte nog wel muziek te horen. Het lukt Afghaanse vrouwen doorgaans wel om dat voor elkaar te krijgen en de taliban durven de afdeling voor vrouwen niet te inspecteren. Maar in het Intercontinental, het hotel van de taliban, is muziek ten strengste verboden. Faqiri schat dat het muziekverbod hem al meer dan een half miljoen euro heeft gekost. ‘De taliban moeten opener worden. Dat heb ik nodig, anders kan ik mijn targets niet halen.’ Maar waarschijnlijk lijdt het hotel dit jaar opnieuw verlies.
Faqiri had kunnen vluchten. Op 15 augustus 2021, de dag dat Kaboel viel, was een vriend van hem op het vliegveld. Hij kon een plekje voor hem bemachtigen op een van de evacuatievluchten. Maar Faqiri bleef. Hij wilde niet alleen vertrekken, hij wilde eerst trouwen met zijn verloofde. De bruiloft vond later plaats in de grote balzaal van het Intercontinental. Zijn vrouw beviel kort na de bruiloft van een zoon. Hij heeft het idee om naar het buitenland te gaan nog niet helemaal opgegeven. Hij zou graag ergens zijn proefschrift willen schrijven. Maar voorlopig blijft hij hier. Hij is aan het wachten. Mist hij het oude Afghanistan? ‘Natuurlijk wel.’
‘Men denkt dat de taliban hier zijn om iets kapot te maken. Maar we willen hier juist iets opbouwen’
De gouden lift stopt op de eerste verdieping. Terroristenleider Osama bin Laden verbleef hier kort, in kamer 196 en 197. Direct naast de lift slingeren dikke kabels naar een deur en verdwijnen onder de vaste vloerbedekking van kamer 114. Hier zit de geheime politie voor videoschermen. Ze willen de kabels in de toekomst beter wegwerken, vertelt een van de agenten op spijtvolle toon. Verderop in de gang, in kamer 122, bevindt zich het kantoor van Hafiz Zia-ul-Haq Jawad, de directeur van het hotel. Hij heeft plaatsgenomen in zijn fauteuil. ‘Men denkt dat de taliban hier zijn om iets kapot te maken. Maar we willen hier juist iets opbouwen,’ zegt hij.
Jawad zegt dat het hem pijn doet om de kamers in het hotel te zien verloederen. Het is de vijf sterren niet langer waard, volgens hem. Hij vertelt ons dat hij het wil renoveren en voor iedereen toegankelijk maken. Sinds de taliban de macht overnamen, komen de inwoners van Kaboel, taliban en niet-taliban, soms naar het hotel om een foto van het uitzicht te maken. Vroeger zouden ze bij de eerste veiligheidsbarrière al zijn weggestuurd.
‘Wij geven veel om dit hotel,’ zegt Jawad. Het is onduidelijk wat er zal gaan gebeuren. Het merendeel van het personeel werkt hier al jaren. Maar goed opgeleide jonge mannen verlaten het land. De taliban denken nu aan een hotelacademie. En het Intercontinental moet een van de beste vijfsterrenhotels in de hele regio worden. Het verantwoordelijke ministerie is momenteel op zoek naar investeerders. Een Turks bedrijf heeft een bod uitgebracht op het hotel, maar dat was niet goed genoeg, zegt Jawad. ‘We doen het niet zo slecht dat we het hotel weg gaan geven.’
Jawad zegt dat hij geen onderscheid maakt tussen taliban en niet-taliban als het om zijn werknemers gaat. ‘Ik discrimineer niet.’ Hij vertelt dat hij maar om één ding geeft: dat iedereen hard werkt, eerlijk is en de natie dient. ‘Soms ga ik naar de keuken. Daarmee laat ik iedereen zien: ik ben een van jullie. We willen niet dat iemand denkt dat de taliban hier maar voor een korte periode zullen zijn.’
Aan de muur van zijn kantoor hangt een foto van de hoogtijdagen van het hotel, waarop mensen in het zwembad te zien zijn. De vrouwen op de ligstoelen zijn overgeschilderd met witte verf.
Zwembad
Boven het zwembad fladderen ’s avonds de vleermuizen. Ze jagen op de zwermen muggen boven het stilstaande water. In het diepe gedeelte bevindt zich een groenachtig bezinksel; het water moet nodig ververst worden. Een mug landt op de frietjes van Niazai. Zoals elke avond heeft hij zijn bord bij het buffet gevuld. Naast hem aan tafel zit Faqiri. Lampjes boven hen verlichten het tafereel.
Het verval, de scheuren, die in het scherpe daglicht zo zichtbaar zijn, worden nu verdoezeld door de gekleurde lichtjes. De wind ruist door de dennenbomen. Faqiri heeft zijn hand op Niazais stoel gelegd. Hij zegt dat ze vrienden zijn. En even lijkt het er echt op dat ze dat zijn, twee jonge mannen, allebei glimlachend. Faqiri rookt dunne sigaretten. Niazai rookt niet.
De meeste vrienden van Faqiri hebben Afghanistan verlaten. Degenen die bleven waren altijd al taliban, zonder dat hij dat wist. Op de universiteit in India namen ze ooit een grappige video op, hij en zijn Afghaanse medestudenten, dansend voor de universiteit. Na de val van Kaboel belde een van zijn medestudenten hem op met de vraag of hij de video wilde verwijderen, omdat hij een taliban was.
Voor Niazai was het een spel om een mol te zijn, anderen te bespioneren en in het geheim oorlog te voeren. ‘Nu is het spel voorbij,’ zegt hij. De Russen zitten in een donker hoekje bij het zwembad. Zij zijn er op uitnodiging van het ministerie van Defensie. Zij hebben de opdracht gekregen om oude Russische helikopters weer luchtwaardig te maken voor het leger.
Ik vraag Faqiri even later wat hij leuk vindt aan Niazai. ‘Het is een goeie kerel. Hij zegt nooit nee als er werk gedaan moet worden.’ Faqiri zegt dat de taliban hem en de andere niet-taliban in het hotel nodig hebben. Hij legt uit dat Niazai en de andere taliban slechts heel langzaam leren hoe ze een hotel als dit moeten runnen. Faqiri vormt een soort brug tussen de taliban en de overige medewerkers, maar ook tussen de taliban en de klanten. Het is niet gemakkelijk met de nieuwe heersers. ‘Het is belangrijk dat ik ze begrijp. Maar ze verklaren zichzelf nooit.’
Ik stel Niazai dezelfde vraag: wat vindt hij leuk aan Faqiri? ‘Hij heeft een zuiver hart. En hij is nooit jaloers.’ Als Niazai iemand van het Intercontinental niet mag, zijn diens dagen in het hotel over het algemeen geteld, zegt hij. Formeel zijn hij en Faqiri gelijk. Maar hij heeft meer invloed omdat hij een taliban is, legt hij uit.
Niazai houdt van motorrijden. Jarenlang voerden de taliban hun strijd op oude Honda’s, altijd met een deken op het zadel om ’s nachts te kunnen slapen. Ze reden altijd hard. Faqiri heeft nog nooit motorgereden. Hij vertelt dat werken bij het Intercontinental zijn droombaan is. ‘Ik wil een paar jaar hard werken, dan ben ik tevreden en ben ik klaar met het hotel.’ Hij wil dit jaar drie miljoen euro winst maken, dat is zijn doel. ‘Ik kan het,’ zegt hij.
Op een gegeven moment staat Faqiri van de tafel bij het zwembad. Hij gaat naar huis, waar zijn vrouw en zoon op hem wachten.
Kelder
Het is na elven en het licht in de kroonluchters wordt gedoofd. Het Intercontinental is gehuld in duisternis. De wasruimte in de kelder is gesloten, de sauna en de schoonheidssalon zijn sowieso gebarricadeerd. Alleen vanuit de fitnessruimte valt een glinstering van neonlicht op de witte tegels. Niazai fietst er op een hometrainer. Elke avond oefenen hij en zijn vrienden hier, vertelt hij. Zijn vrienden zijn de talibanbewakers van het hotel. Maar vandaag is hij alleen. Hij heeft zijn traditionele kledij afgelegd en draagt een trainingspak van Under Armour, een sportmerk dat ooit populair was bij Amerikaanse soldaten in Afghanistan. De vuilnisbakken zitten vol lege Red Bull-blikjes.
Niazai zei een keer tegen mij: ‘Vrede is goed voor Afghanistan. Maar voor ons is het saai.’ Hij is bang om aan dit leven te wennen. Hij was nooit bang om te vechten, maar maakt zich nu zorgen dat hij op een dag bang zal zijn om weer te strijden.
Veel apparatuur in de fitnessruimte is kapot. Het handvat van de roeitrainer ontbreekt; een vriend van Niazai trok het er in zijn enthousiasme af. Ook de bokszak is kapot door verwoed gebruik. Het is stil, alleen het zoemende geluid van Niazais pedalen verstoort de stilte. Hij vertelt dat hij niet veel slaapt, dat doen zijn vrienden ook niet. Hij vertelt me waar hij naar kijkt als hij soms alleen in de lobby zit met een koptelefoon op: video’s van talibanoperaties in heel Afghanistan, die worden gedeeld in relevante WhatsAppgroepen. Hij hoeft het nieuws niet te volgen, zegt Niazai. Hij weet beter dan de journalisten wat er in het land gebeurt.
Zijn geoliede haar valt in zijn gezicht terwijl hij over het stuur leunt. In zijn trainingspak ziet hij er bijna uit als een gewone jongeman. Uitgespuugd door de oorlog.
Het Intercontinental is gehuld in duisternis. Niazai weet nog niet wanneer hij gaat slapen.
Meer dan vierhonderd mensen kwamen om bij het recente bloedbad in Shakahola, maar het reguleren van een door Amerikaanse pinksterpredikanten geïnspireerde sekte in Kenia is verre van eenvoudig. Leider Paul Nthenge Mackenzie zit sinds april vast in afwachting van zijn proces.
Joseph Juma Buyuka stierf eind juni na een hongerstaking van tien dagen in de Keniaanse Shimo La Tewa-gevangenis. Hij was geen gewone gewetensgevangene: Buyuka was gearresteerd met 64 medevolgelingen van de radicale prediker Paul Nthenge Mackenzie, leider van Good News International Ministries. Die sekte zou verantwoordelijk zijn geweest voor zeker vierhonderd doden bij een massa(zelf)moord die de Shakahola Massacre is gaan heten.
Buyuka was naar verluidt een van de belangrijkste adjudanten van Mackenzie tijdens hun verblijf in het Shakahola-woud, een afgelegen gebied ten noorden van de Keniaanse kuststad Mombassa. In een van de dodelijkste gebeurtenissen in vredestijd in de moderne Afrikaanse geschiedenis zouden ten minste achthonderd slachtoffers zichzelf hebben uitgehongerd; enkele van de 427 opgegraven lichamen toonden tekenen van moord.
De autoriteiten trokken in april het landelijk gelegen kampement binnen, nadat dorpsoudsten van nabijgelegen nederzettingen hadden gemeld dat er uitgemergelde, om voedsel smekende kinderen waren opgedoken en het plaatselijke mortuarium vol was komen te liggen met skeletachtige lijken. Onder invloed van Mackenzie hadden de slachtoffers van Shakahola – grotendeels arme jongeren en wanhopige jonge gezinnen – een regime van extreem vasten ondergaan teneinde een ontmoeting met Jezus te bespoedigen.
Buyuka was naar verluidt al te zwak om te lopen toen hij voor het eerst voor de rechter verscheen. Hij en 64 anderen stonden onder verdenking van moord en doodslag, poging tot zelfmoord, religieuze radicalisering en wreedheid jegens en verwaarlozing van kinderen.
Obscuur
De massa(zelf)moord van Shakahola is mogelijk het ernstigste geval van collectieve zelfdoding sinds de dood van negenhonderd volgelingen van Jim Jones’ Peoples Temple in 1978, in ‘Jonestown’ in Guyana. Jones en Mackenzie lijken beiden geïnspireerd te zijn door dezelfde obscure Amerikaanse prediker die in de jaren zestig stierf. Door deze tragische gebeurtenissen zijn velen in Kenia en andere Afrikaanse landen zich gaan afvragen hoe groot de invloed van malafide en radicale predikers is – en van degenen van buiten Afrika die hen hebben geïnspireerd.
Mackenzie, die schuld aan het drama heeft ontkend, komt uit de extreemste hoek van de evangelische ‘pinkster-charismatische’ beweging. In 2020 telde deze volgens de World Christian Encyclopedia wereldwijd 644 miljoen aanhangers, van wie 230 miljoen in Afrika. Een sleutelfactor in de opkomst van de beweging, die zich richt op de rol van de Heilige Geest, is dat ze geen traditionele kerkelijke hiërarchie kent; daardoor vindt er ook geen screening van predikanten plaats en is er geen toezicht op hun activiteiten.
De onstuimige geloofsbeleving heeft geleid tot een nieuwe generatie extremistische predikers
In de pinkstertraditie hebben predikers, om moreel en spiritueel gezag uit te oefenen, alleen volgelingen nodig. De meest charismatische leiders – in beide betekenissen van het woord – beklimmen de hiërarchische ladder het snelst. Aan de ene kant is dit gunstig, omdat het opkomende landen een geloof biedt dat cultureel en materieel toegankelijk is. Tegelijkertijd heeft deze onstuimige geloofsbeleving ook geleid tot een nieuwe generatie extremistische predikers. Hoewel Mackenzie ongetwijfeld een gruwelijk buitenbeentje is binnen de pinksterbeweging, is hij ook een autodidact met een persoonlijkheid die hem tot misschien wel de actiefste sekteleider van deze eeuw heeft gemaakt. En zoals Buyuka’s recente dood laat zien, is hij iemand die van achter de tralies nog steeds een sterke greep heeft op zijn volgelingen.
Terwijl de autoriteiten zich een weg banen door de lichamen, roept het drama prangende vragen op. Moeten er meer regels aan religieuze leiders worden opgelegd? Waar liggen de grenzen van kerk en staat precies? De Keniaanse president William Ruto, zelf evangelisch, lanceerde een taskforce om te bezien of er nieuwe wetten konden worden uitgevaardigd om gevaarlijke kerken en predikanten hard aan te pakken. Daarop sprak de Nationale Raad van Kerken zijn vrees uit voor een aanval op de godsdienstvrijheid.
In de weken na de eerste ontdekking van de lichamen in april werden er meerdere overlevenden gevonden. Zij hadden zich in de struiken verstopt en weigerden nog steeds voedsel en water. En dat bleven ze doen in het opvangcentrum. Daarop beschuldigden de autoriteiten ‘de 65’ van poging tot zelfmoord – een misdrijf waar twee jaar gevangenisstraf op staat – en probeerden ze hun dwangvoeding te geven.
Tijdens een rechtszaak in augustus hield Mackenzie voet bij stuk. Hij zei tegen journalisten dat wie Jezus wil ontmoeten, zich nu eenmaal beproevingen moet getroosten in dit ondermaanse. ‘In Johannes 12 staat dat je niet bang hoeft te zijn voor wat je overkomt,’ zei hij. ‘Heb dus geduld. Dit is wat Jezus Christus predikt.’
De enige aardse zonde die hij had begaan, zo beweerde Mackenzie, was eten – en op het moment dat hij daarmee stopte, zou ook hij zich bij de hemelse Vader voegen. Mackenzies advocaat Wycliffe Makasembo weerhield hem ervan verder te spreken en drukte journalisten op het hart ‘geen verslag te doen van de gevoelens die mijn cliënt heeft geuit, uitgezonderd de bijbelverzen waaruit hij citeerde’.
Julius M. Gathogo, hoogleraar theologie aan de Kenyatta-universiteit, zegt dat Mackenzie weliswaar een tijdlang tv-dominee was geweest, maar dat de meeste Kenianen nog nooit van hem hadden gehoord toen het drama in Shakahola aan het licht kwam. Voordat Mackenzie in 2003 zijn Good News International Ministry oprichtte, werkte hij ’s nachts als taxichauffeur in de hoofdstad Nairobi.
Controversiële preken
Volgens Gathogo werd Mackenzie vier keer gearresteerd vanwege zijn controversiële preken, maar steeds vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Bij een zo’n incident, in oktober 2017, bevrijdde de politie 93 kinderen en werd Mackenzie beschuldigd van het bevorderen van radicalisering. De predikant had buurtbewoners ‘gehersenspoeld en opgezet tegen scholen en ziekenhuizen’, vertelde een plaatselijke functionaris. Mackenzie onderwees kinderen op dat moment een extreme vorm van christendom op een niet-geregistreerde kerkelijke school. Maar weer werd hij vrijgesproken. Een jaar later sloopten inwoners van een stad in de buurt van de locatie van het latere drama een van zijn kerken, uit protest tegen wat zij bestempelden als vals-christelijke leerstellingen.
In 2019 werd de predikant opnieuw gearresteerd, nu omdat hij zijn volgelingen had geadviseerd de nieuwe identiteitskaart van de overheid, de zogeheten huduma namba, af te wijzen. ‘Mackenzie noemde de kaart satanisch en vergeleek het burgerservicenummer met het getal van het beest uit het boek Openbaring,’ aldus Gathogo. Door zich met een belangrijke nationale kwestie te bemoeien zocht Mackenzie volgens Gathogo ‘een verkeerd soort publiciteit’.
De huduma namba verschafte Mackenzie bekendheid, maar door corona kwam zijn eindtijdboodschap in een stroomversnelling, met verdere radicalisering van zijn aanhangers als gevolg. Voor velen onder hen was de pandemie een bevestiging dat de wereld ten einde liep en dat Mackenzie de profeet van de eindtijd was. Steeds meer volgelingen zegden hun baan op en trokken naar het bos, waar sommigen een stuk land kochten voor 80 dollar – ongeveer de prijs van een schaap, hoewel het land waarschijnlijk veertig keer zoveel waard was.
Hoewel Mackenzies groep ontegenzeglijk marginaal was, is Kenia een vruchtbare voedingsbodem gebleken voor nieuwe religieuze bewegingen, waarvan er vele voortkomen uit de pinksterbeweging. Kenia is een van de vroomste landen ter wereld, ruim 85 procent van de inwoners is belijdend christen. In de eenentwintigste eeuw, zo vertelt Gathogo, is de Afrikaanse pinksterbeweging een van de belangrijkste religieuze bewegingen in het land geworden; ongeveer een derde van de bevolking – zo’n 15 tot 20 miljoen mensen – maakt er tegenwoordig deel van uit. Gathogo merkt op dat de traditionele geloofsrichtingen, zoals het katholicisme en het anglicanisme, proberen aan te haken door ook pinksterpraktijken te beoefenen, zoals gebedsgenezing en het spreken in tongen.
De zang en dans waarmee de gelovigen worden gelokt, horen bij de inheemse Afrikaanse religiositeit
Pas na 1963, toen het land onafhankelijk werd, kwam de pinksterbeweging sterk op. ‘De Britse koloniale regering moedigde de beweging niet aan,’ zegt Gathogo. De eerste golf was dus lokaal en authentiek. Een belangrijk onderdeel van de aantrekkingskracht is volgens de theoloog de aansluiting op inheemse culturen. ‘Dat zit ’m in de levendige kerkdiensten, die met hun luidruchtigheid en gastvrijheid ook de minstbedeelden aanspreken,’ aldus Gathogo. De zang en dans waarmee de gelovigen worden gelokt, horen bij de inheemse Afrikaanse religiositeit.
Kapya John Kaoma, een deskundige in de Amerikaanse invloed op Oost-Afrikaanse kerken, vertelt dat de tweede golf van Amerikaanse evangelische missionarissen, begin deze eeuw, een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de geloofsbeleving in de regio. Door de VS gefinancierde groeperingen openden scholen en importeerden christelijke televisie. Hierdoor kregen zowel lokale als internationale fundamentalisten de kans om zich te nestelen in gebieden waar van gereguleerd onderwijs nauwelijks sprake was.
De in de VS opgerichte New Apostolic Reformation, een afsplitsing van de pinksterbeweging, verving traditionele predikanten door lieden uit ‘deze nieuwe groep die het gevoel had dat ze oneerlijk werd behandeld door de eisen van het reguliere theologische onderwijs’, aldus Kaoma. Twijfelachtige instellingen boden ‘binnen drie maanden’ een doctoraat in de theologie.
Toen George W. Bush president was, werden fanatieke evangelische groeperingen in de VS aangemoedigd om hun ideologie door te drukken in door [het Amerikaanse agentschap] USAID gefinancierde programma’s in Afrika. Vervolgens zijn deze groeperingen de gedrukte media, de radio en uiteindelijk de televisie gaan ‘monopoliseren’, aldus Kaoma. De reguliere pinksterkerken namen Amerikaanse stokpaardjes over, waaronder felle anti-lhbti- en anti-abortusopvattingen, en daardoor konden extremistische predikers zoals Mackenzie steeds radicalere ideeën verkondigen.
Inheemse Afrikaanse kerken hadden hun eigen theologie. Die was niet noodzakelijkerwijs in tegenspraak met deze buitenlandse opvattingen, maar veel lokale leiders die zich traditioneel bezighielden met genezing, raakten geïnspireerd door ‘de moderniteit van Amerikaans christelijk rechts, waarvan ze via de tv kennis konden nemen’, zegt Kaoma. Het typisch Amerikaanse ‘welvaartsevangelie’ verwierf grote kracht.
Pastorale netwerken, en zeker ook politici, profiteerden enorm van deze ‘gezondheid en welvaart’-variant van het christendom. Kaoma zegt dat veel christenen in Afrika bovendien erg opkijken tegen westerse boodschappen. ‘Alles wat in Afrika met witheid verband houdt, heeft legitimiteit’, zegt hij. ‘Als Mackenzie een boek leest of iets citeert dat door een wit persoon is geschreven, heeft dat kracht.’
Vasten
Daarom denken onderzoekers dat Mackenzie van koers wijzigde toen hij een aanhanger werd van William Branham, een Amerikaanse eindtijdprediker die in de jaren veertig en vijftig van zich deed spreken en die tot aan Shakahola vooral bekendstond om zijn invloed op Jim Jones.
De preken en boeken van Branham (die ‘the Message’ worden genoemd) werden vanuit zijn hoofdkwartier in Indiana uitgegeven en wereldwijd verspreid. De doctrine die erin centraal stond heette ‘atomic power’ [‘atoomkracht’], een toestand die kon worden bereikt door veertig dagen vasten en gebed. In een opwekkingspreek in 1961 gaf Branham toe dat sommige volgelingen door deze extreme praktijk hun leven in gevaar hadden gebracht. Zwangere vrouwen, zei hij, ‘worden gek’ en ‘belanden daardoor in instellingen voor krankzinnigen’.
Douglas Weaver, hoogleraar religieuze studies aan de christelijke Baylor-universiteit in Texas, zegt dat Branham in de jaren veertig en vijftig een vooraanstaande gebedsgenezer was in de Verenigde Staten, die ook ‘kruistochten’ in het buitenland op touw zette. Hij begon zichzelf ‘de tweede Johannes de Doper’ te noemen, naar de profeet die Christus voorafschaduwde, en voorspelde de wederkomst, waarmee hij populair werd onder eindtijdpredikers. De louche prediker had volgens Weaver zulke ‘ongerijmde doctrines’ dat de pinksterbeweging in de VS hem zo rond de jaren zestig ging schuwen. Toch doet Branhams leer nog steeds opgeld, wat volgens Weaver laat zien dat sommige fundamentalistische publicaties ‘nog altijd worden beschouwd als onfeilbare interpretaties van de Bijbel’.
In Kenia en ver daarbuiten is er weinig toezicht op esoterische geloofssystemen en nieuwe, uit het pinksterdenken voortkomende religieuze bewegingen. Sociale media bieden daarnaast perverse prikkels. In Kenia word je ‘overspoeld door onlinewervingscampagnes met beloftes van bijvoorbeeld een beter leven, een betere baan of het vinden van een echtgenoot’, zegt Gathogo.
Mensen op zoek naar troost en steun zijn een gat in de markt voor predikers
Hij legt uit dat door het onvermogen in Oost- en Centraal-Afrika om gedegen theologische opleidingen aan te bieden en om leiders van de Afrikaanse pinksterbeweging te screenen, krijgsheren en drugshandelaren zoals Joseph Kony en zijn Verzetsleger van de Heer theocratische enclaves met extremistische overtuigingen konden stichten. Gewetenloze predikanten bieden ‘baanbrekende ervaringen in alle aspecten van het leven’ aan, aldus Gathogo, inclusief visa voor werk in het buitenland, of ze bieden uitgeputte moeders manieren aan om hun tieners in toom te houden. Mensen op zoek naar troost en steun zijn een gat in de markt voor predikers die oplossingen pretenderen te bieden. Types als Mackenzie profiteren daarvan, zegt Kaoma. Elk succes wordt het succes van de leider. Zodra volgelingen een baan hebben gevonden, of de liefde, schrijven ze dat vaak aan de kerk toe en spekken ze met hun giften de kassen van de prediker.
Wat bijzonder is aan het drama in Shakahola, zo merkt Kaoma op, is dat predikers als Mackenzie de meeste invloed hebben in stedelijke gebieden, waar het leven duur is en mensen afgezonderd van hun traditionele gemeenschappen leven. Het platteland is meer het domein van typisch Afrikaanse religieuze bewegingen, gericht op heling en gemeenschap. Dat Mackenzie veel volgelingen met stedelijke problemen naar een afgelegen bos wist te brengen, waar ze bereid waren te sterven voor hun pas verworven overtuigingen, kan hebben bijgedragen aan het macabere succes van zijn beweging.
In 2014 moedigde de Zuid-Afrikaanse ‘professor’ Lesego Daniel zijn gemeente aan om giftige chemicaliën te drinken als vorm van communie, waarbij hij beweerde dat hij de gave had om ‘benzine in ananas’ te veranderen. Twee jaar later kreeg zijn beschermeling, dominee Lethebo Rabalago, de bijnaam ‘Prophet of Doom’ [‘Onheilsprofeet’] na schuldig te zijn bevonden aan mishandeling: hij had kerkgangers besproeid met insecticiden van het merk Doom om demonen te helpen uitdrijven die zich aandienden in de vorm van aids. Eerder dit jaar beval een Ghanese predikant de kerkleden zich uit te kleden, zodat de Heilige Geest vrijelijk door hen heen kon stromen.
Tegen de opkomst van extremistische predikers over het hele continent hebben sommige religieuze leiders met succes hun stem verheven. In Rwanda maakte president Paul Kagame zich sterk voor een nieuwe wet die van predikers een graad in de theologie verlangt voordat zij een eigen gemeente kunnen stichten. Dit zou hebben geleid tot de sluiting van zo’n zesduizend kerken.
Taskforce
In de nasleep van Shakahola lanceerde de Keniaanse president Ruto een taskforce om wetten en regels voor religieuze organisaties te herzien. Hij vroeg het publiek voorstellen in te dienen voor de veranderingen die nodig zijn om extremistische religieuze organisaties aan banden te leggen. De zeventien leden tellende commissie beoordeelt momenteel de inzendingen.
De belangrijkste doelstellingen van de taskforce zijn het opsporen van lacunes waardoor extremistische religieuze organisaties in Kenia vaste grond onder de voeten konden krijgen, en het opzetten van een wettelijk raamwerk om te voorkomen dat radicale groeperingen er actief worden. Tegenstanders van nieuwe regelgeving vinden dat kerken zichzelf moeten kunnen zijn. Anderen betogen dat de collectieve (zelf)moord een unicum was en dat de staat eerder had moeten ingrijpen, maar dat kerken in het algemeen aan zelfregulering moeten doen om het respect van de gemeenschap te winnen.
In een land dat zo doordrenkt is van geloof, is het moeilijk om diepgaande spirituele zaken te verzoenen met politiek. Velen betogen dat de scheiding van kerk en staat een koloniaal idee is dat niet aansluit op de waarden van een moderne Afrikaanse staat. Er bestaat een zeer reële kans dat ‘verboden’ predikers juist volgelingen aantrekken omdat ze zo dwars zijn.
Voorstanders van regulering, zoals Gathogo, dringen er bij het parlement op aan de tijd te nemen voor het inwinnen van advies en het opstellen van een passende wet.
‘Afrika heeft geen sterke mannen nodig maar sterke instellingen’
Het is de vraag of wetten – welke wetten ook – greep kunnen krijgen op een veranderende geloofscultuur. Volgens Gathogo zegt het verhaal van Mackenzie iets over de opkomst van nieuwe religieuze bewegingen in het Afrika van de eenentwintigste eeuw. ‘Ze hebben een extreme interpretatie van de Bijbel en wijzen zelfs een theologische opleiding af, omdat ze menen dat ze aan de Heilige Geest genoeg hebben’, zegt hij. ‘Uiteindelijk zijn het oplichters. De leider groeit uit tot een godheid, zijn woord is wet, en mensen worden geconditioneerd om hem te vrezen.’
Als de Keniaanse wetten succesvol zijn, kunnen ze wereldwijd worden gezien als een manier om malafide geloofsexploitanten in toom te houden. Maar ze creëren ook een juridisch en ethisch mijnenveld, om nog maar te zwijgen van het risico dat predikanten zoals Mackenzie een martelaarsstatus verwerven. Voor Gathogo moeten nieuwe normen voor religieuze leiders vooral leiden tot beter bestuur op het Afrikaanse continent. Predikers vullen leemtes in landen die niet kunnen voorzien in de materiële behoeften van hun inwoners, laat staan in hun spirituele behoeften. ‘Afrika heeft geen sterke mannen nodig’, zegt Gathogo, ‘maar sterke instellingen.’
Na de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 verschenen talloze beelden van de gebeurtenis online. Een groep hobbydetectives slaagde erin om via sociale media en andere publieke bronnen de FBI een handje te helpen, en de identiteit van de bestormers te achterhalen.
Het was begin 2023 en een onlinespeurneus die ik Josh zal noemen was weer op jacht. Josh werkte voor het hoofdkantoor van een mondiaal, beursgenoteerd bedrijf in het zuiden van de Verenigde Staten, maar op dit moment was zijn echte passie het oplossen van misdaden die twee jaar eerder en honderden kilometers verderop plaatsvonden, op 6 januari in het Amerikaanse Capitool. Daarvoor had hij niets anders nodig dan zijn laptop. Wel was hij overgestapt op een andere computermuis nadat hij RSI-symptomen had gekregen ‘door overdag te werken en ’s nachts op opstandelingen te jagen’.
Het onderzoek naar de aanslag op het Capitool – het grootste FBI-onderzoek in de Amerikaanse geschiedenis – zou binnenkort halverwege zijn en de gemeenschap van onlinespeurneuzen waar Josh deel van uitmaakte stond in het middelpunt ervan: video’s binnenhalen, sociale media afspeuren, nieuwe gezichten en nieuwe misdrijven ontdekken. De arrestaties door de FBI van mensen die op die dag het Capitool waren binnengedrongen, geweld hadden gepleegd of eigendommen hadden vernield, naderde de duizend en dit gezelschap van onlinespeurders – dat zichzelf Sedition Hunters [muiterij-jagers] noemde – had honderden van die arrestaties in gang gezet en aan honderden andere meegeholpen. Ze hadden ook nog eens meer dan zevenhonderd deelnemers aan de bestorming weten te identificeren die nog niet gearresteerd waren.
Vaak leverden Sedition Hunters zoals Josh kant-en-klare zaken aan de FBI, maar de regels van het bureau maakten het voor zijn agenten lastig om zelfs maar een simpele update te mogen geven over de status van de onderzoeken. Dat eenrichtingsverkeer was frustrerend. De beste schriftelijke feedback waar de jagers op konden hopen bestond uit slechts één woord: ‘ontvangen’. Een van de FBI-informanten vertelt hoe blij ze was toen ze van haar FBI-contact een duimpje omhoog ontving.
Josh besteedde de afgelopen twee jaar ontelbare uren aan deze nieuwe hobby die hij ‘zowel bevredigend als belangrijk’ noemt. Zijn ‘ongelooflijk geduldige vrouw’ vond het maar een beetje vreemd. ‘De gesprekken bij ons thuis aan de eettafel waren zonder meer ongebruikelijk,’ zegt Josh. ‘Het ging over schuil- of bijnamen, hashtags en verwijzingen naar specifieke J6 [6 januari]-gebeurtenissen.’ Hij vertelde zijn vrouw alles over de Sedition Hunters, van wie velen goede vrienden werden, ook al gebruikten ze meestal alleen hun bijnaam.
Bominslag
Die nieuwe vrienden wisten hem steeds weer te verrassen. Een paar maanden eerder vertelde een van hen, een speurder die een cruciale rol speelde in de gemeenschap en met wie hij nauw samenwerkte, dat hij op Donald Trump had gestemd. Twee keer. Dat was een schok voor Josh. Het moment waarop hij dat hoorde kan hij zich even helder voor de geest halen als het moment waarop hij hoorde van de aanslagen op 11 september of dat Michael Jackson was overleden. ‘Het was niet zozeer een wat-krijgen-we-nou-ervaring als wel een bominslag,’ zegt hij.
Naast de kameraadschap en het verlangen de democratie te beschermen en gerechtigheid te zoeken voor degenen die door de aanval getroffen waren, is dat juist een van de redenen waarom hij ermee doorging. Er was altijd wel iets nieuws te ontdekken, een nieuw stukje van de puzzel te vinden. Trek hier aan een touwtje en daar komt plotseling het antwoord op een vraag van maanden geleden uit de lucht vallen. Misschien beweegt de camera in een net opgedoken video op precíés het juiste moment langs een oproerkraaier en heb je opeens een perfecte gezichtsopname van een gemaskerde aanvaller die op het verkeerde moment even een slokje water neemt. Misschien probeer je de zoveelste samenzweringstheorie van een of andere extreemrechtse website te ontkrachten en stuit je op een aanval op een agent van de U.S. Capitol Police – een aanval die eerder nog ongedocumenteerd was omdat de agent geen bodycamera droeg. De ene kick volgde de andere op. ‘Het gaf een gevoel van voldoening dat ik bij niets wat ik ooit eerder heb gedaan heb gevoeld,’ zegt Josh.
‘Het gaf een gevoel van voldoening dat ik bij niets wat ik ooit eerder heb gedaan heb gevoeld’
Ook na ruim twee jaar uitgebreid onderzoek waren er steeds weer nieuwe identificaties. Josh richtte zich vooral op het archiveren van video’s en foto’s van 6 januari, het maken van back-ups van opensourcemateriaal dat hij online vond. Voor andere onderzoekers maakte hij dit alles toegankelijk in een permanente database. ‘Online naalden in hooibergen vinden,’ zegt hij, ‘daar ben ik echt goed in.’
Maar vandaag probeerde hij iemand te identificeren. Nadat hij de foto van een relschopper door een gezichtsherkenningssite had gehaald, laveerde hij door wat hij beschrijft als ‘een lawine van piemels’, omdat hij afbeeldingen van de verdachte op verschillende expliciete websites had aangetroffen. Uiteindelijk was hij in staat om een voormalig pornoacteur in homofilms te identificeren als degene die een politieagent had aangevallen. Het was niet de eerste keer dat de speurneuzen een verdachte relschopper vonden aan de hand van diens eerdere werkzaamheden in de pornografie.
‘Wat ik al niet overheb voor dit land!’ grapte Josh in het bericht dat hij me stuurde nadat hij de man had ontmaskerd. ‘Het aantal lullen dat ik heb moeten bekijken in naam van het behoud van onze democratie! Daar verdien ik verdomme toch zeker wel een medaille voor?’
Hij deelde zijn laatste vondst met de kleine groep over het land verspreide speurneuzen en onthulde de zoveelste identificatie die uiteindelijk bij de FBI terecht zou komen.
‘WTF krijg ik nou te zien als ik mijn computer aanzet?’ schreef de Trump stemmende speurder nadat Josh een link naar erotische foto’s in de groepchat had gedropt. ‘Dit is patriottisme, eikel,’ antwoordde Josh.
Memes
Sinds een menigte van Donald Trump-aanhangers, opgezweept door zijn leugens over de verkiezingen van 2020, op 6 januari het Amerikaanse Capitool bestormde, ben ik in gemeenschappen gedoken van onlinespeurneuzen die het FBI-onderzoek gaande houden. Ik leerde nog voordat ze werden gearrestereerd de namen kennen van honderden deelnemers aan de rellen, evenals de identiteit van meer dan honderd personen van wie momenteel foto’s zijn te zien op de FBI-site over het geweld in het Capitool, maar die nog steeds niet zijn aangeklaagd.
Er was de begrafenisondernemer die agenten had besproeid met een spray tegen wespen en horzels. De verzamelaar van selfies met beroemdheden, die op de foto staat met Rihanna, Selena Gomez en Kim Kardashian. De ex-NFL-speler. De voormalig autocoureur. De neurochirurg. De stand-upcomedian genaamd Kevin Downey Jr., die tien jaar eerder had meegedaan aan America’s Got Talent. De Trump-fan die met een pistool op het Capitool had geschoten en een paar maanden later een negentienjarige doodstak in een park. Een mannelijk model. Een politieagent. Een makelaar. Er was een fan bij van antropomorfe dieren, die was gespot op de vloer van de Senaat op 6 januari. Hij werd geïdentificeerd omdat een van de speurneuzen in de wereld van de furries [mensen met een voorliefde voor dieren met menselijke eigenschappen, zoals tekenfilmdieren] was gedoken. De naam van de man en zijn pseudoniem (oftewel zijn fursona) werden ontdekt omdat hij een Thanksgivingfeest voor furries had georganiseerd in zijn ‘hol’.
Er was een man die eerder was gearresteerd voor het naakt bespelen van een muziekinstrument in het openbaar, en een omdat hij zonder broek door zijn buurt liep. Een man die banden onderhield met de Proud Boys [en extreemrechtse neo-fascistische organisatie die politiek geweld gebruikt en promoot en enkel mannen als leden toelaat] en die met zijn zoon in het Capitool was geweest, werd met middels DNA-onderzoek gearresteerd voor een tientallen jaren oude moord op een zeventienjarig meisje.
Ik heb in enkele maanden van de speurneuzen leren kennen en velen van hen persoonlijk ontmoet. Ik heb met Sedition Hunters uit het hele land gesproken over hun technieken, hun motivatie en hun grootste vondsten. Sommigen ken ik bij hun echte naam, anderen alleen bij hun bijnaam of door hun onderzoeksresultaten. We bouwden een band op en spraken over de opvoeding van onze kinderen, ADHD – een diagnose die veel voorkomt bij speurneuzen, zo blijkt –, sport, series die je moet bingen en memes. Veel memes.
Sommige speurneuzen hielden het een paar weken vol, anderen een paar maanden. Weer anderen haakten zo nu en dan aan, als hun dagelijks leven het toeliet. Sommigen dachten al over wat er gaat gebeuren na 6 januari 2026, wanneer de verjaringstermijn is verstreken; nu is er nog een reden om de namen van geïdentificeerde relschoppers achter te houden voor het publiek, aangezien het bekendmaken ervan een negatieve invloed kan hebben op de zaken die de FBI voorbereidt. Maar wat als dat niet langer een zorg is?
Ik doe al meer dan tien jaar verslag over het ministerie van Justitie en heb al eerder met FBI-informanten gesproken. Maar niets kan tippen aan de impact die de Sedition Hunters hebben gehad. Werkend vanuit huis, op de bank, aan keukentafels, in slaapkamers, garages en – in één geval – vanuit de slaapcabine van een vrachtwagen, zet deze groep anonieme Amerikanen zich in om de FBI verder te helpen en ervoor te zorgen dat de specifieke gevallen worden geïdentificeerd.
6 januari was een keerpunt voor de Amerikaanse democratie. Dat was het ook voor de FBI en de wetshandhaving, die ondanks alle waarschuwingssignalen die online voorbijkwamen in aanloop naar de aanval op het Capitool, niet veel anders konden doen dan toekijken.
‘Deze speurneuzen zijn het onderzoek,’ vertelde een wetshandhaver me. ‘Ik ben hen zo ongelooflijk dankbaar voor alles wat ze hebben gedaan. Maar wat een fiasco voor de wetshandhaving in de Verenigde Staten.’
Op het moment dat hij iemand sms’te dat de menigte door de stellingen zou breken, was het al zover
Meer dan twintig jaar geleden, na de aanslag van 11 september, realiseerde de FBI zich hoe verouderd hun technologie was. Ze waren ‘als verlamd’, zoals een rapport het omschreef, als ze eenvoudige zoekopdrachten wilden doen in de data die ze hadden verzameld. De directeur van de FBI omschreef het systeem als ‘omslachtig’ en ‘moeilijk’, volgens een nieuwsbericht waren de computersystemen van de FBI het ‘hightech equivalent van het Stenen Tijdperk’. Volgens een kop in TheNew York Times had het bureau ‘een computersysteem dat gegevens veiligstelt, maar ze amper kan terugvinden’. Het duurde tien jaar en kostte 451 miljoen dollar, maar de FBI implementeerde uiteindelijk in 2012 een nieuw computersysteem, het jaar waarin Barack Obama werd herkozen en de iPhone 5 werd uitgebracht.
Maar ook nu nog, 22 jaar na 11 september – een tijdsbestek waarin een FBI-specialagent zich op zijn vijfendertigste had kunnen inschrijven in Quantico [het opleidingscentrum van de FBI] en het bureau had kunnen verlaten op de verplichte pensioenleeftijd van 57 – loopt het bureau technologisch gezien vaak achter de feiten aan.
Op 6 januari kwam de waarnemend nummer twee van het ministerie van Justitie erachter dat er was ingebroken in het Capitool doordat hij dat in het kantoor van de waarnemend procureur-generaal op tv zag. Dus ging Richard Donoghue naar de overkant van de straat, naar het hoofdkantoor van de FBI, in de veronderstelling dat zij erbovenop zouden zitten. ‘Ze hadden niet veel informatie,’ zegt Donoghue. ‘Ook zij hadden schermen waarop mensen waren te zien die door het gebouw marcheerden, maar ze wisten niet precies wat er aan de hand was in het Capitool.’
Donoghue hoorde dat de adjunct-directeur van de FBI naar het Field Office van de FBI in Washington was gegaan, en ging met hem mee. Maar op die commandopost trof hij hetzelfde aan: mensen die naar een televisiescherm keken en elkaar dingen toe riepen. Vanwege het gebrek aan informatie besloot het duo al snel om zelf naar het Capitool te gaan.
Donell Harvin, die de leiding had over het National Capital Region Threat Intelligence Center, had op 6 januari een heel andere ervaring. Hij zag een menigte richting het Capitool trekken. Hij zag het geduw en getrek aan de ‘zwakke, haveloze’ barrière van fietsenrekken die de politie had opgeworpen. Hij zag de situatie snel verslechteren. Op het moment dat hij iemand sms’te dat de menigte door de stellingen zou breken, was het al zover. Hij zag hoe ze het gebouw binnenstormden. Wat er gebeurde ‘werd niet live door de media uitgezonden omdat ze daar niet waren’, zegt hij.
Zelf beschikte hij over extra informatie. ‘Ik keek niet zoals iedereen naar de televisie,’ zegt Harvin. ‘Wij hebben andere middelen om naar dergelijke dingen te kijken, bijvoorbeeld sociale media waar mensen livestreamen. Daar hebben we toegang toe. Dat heet OSINT.’
USB-sticks
OSINT, of open source intelligence, is een afkorting die Donna – die zichzelf omschrijft als een ‘grijsharige oma’ – moest googelen toen ze na 6 januari voor het eerst betrokken raakte bij online speurwerk. Ze bekeek de aanval op het Capitool op twee schermen: op televisie en op haar laptop, en scrolde door X, het platform voorheen bekend als Twitter. Donna was betrokken bij de eerste speurtochten en uiteindelijk kreeg ze een contactpersoon bij de FBI. Ze was verbaasd over de achterstand van de organisatie.
‘Ik voelde de noodzaak toen ik zag hoe langzaam het er ging en hoe vreselijk lang het duurde voordat ze even ver waren als wij op Twitter,’ zegt Donna. ‘Ze zijn gewoon traag. Doordat al die mensen op een en dezelfde dag misdrijven begingen, werd het systeem duidelijk overbelast; daar is het niet op gebouwd.’
De FBI, zo begrepen de speurneuzen, voldeed niet aan het beeld dat Hollywood ervan schetst. ‘We hebben te veel films gezien,’ zei iemand. ‘Overschatten we allemaal de capaciteiten van de FBI doordat we zoveel televisie kijken?’ Een speurder die voor J6 nauw met het bureau samenwerkte, beschrijft het computersysteem van de FBI als ‘fokking achterlijk’. Ze zei: ‘Het is heel lastig in gebruik en je kunt er heel slecht op zoeken.’ Verschillende speurders vertellen dat ze de rapporten die ze naar de FBI stuurden op een specifieke manier moesten opmaken om er zeker van te zijn dat ze de limiet voor de bestandsgrootte van e-mails niet overschreden. Het bureau is niet happig op het gebruik van programma’s voor het delen van bestanden. Als die rapporten eenmaal bij de FBI waren binnengekomen, moesten ze nog verder worden verkleind voordat ze konden worden ingevoerd in een systeem dat slechts maximaal enkele megabytes aankon: ongeveer de grootte van een iPhone-video van acht seconden of een paar foto’s met hoge resolutie. Soms waren FBI-agenten urenlang met de auto onderweg, alleen maar om een paar USB-sticks op te halen.
Het beleid en de verouderde technologie van de FBI maakten dat het bureau werd afgesneden van onlinegebeurtenissen
Tot een paar jaar geleden werden e-mailadressen van de FBI weergegeven met ic.fbi.gov – ‘ic’ stond voor ‘internetcafé’ en stamde nog uit de tijd dat je moest inbellen om verbinding te krijgen. Volgens een voormalige FBI-functionaris was het binnen de FBI een enorm irritant proces om bestanden van ‘lage prioriteit’ naar ‘hoge prioriteit’ te verplaatsen en omgekeerd – er waren speciale toestemming en een USB-stick voor nodig. Nog niet zo lang geleden waren sommige nieuwswebsites en X geblokkeerd op het interne systeem van de FBI. En dan waren er nog de door de FBI uitgegeven mobiele telefoons. ‘Die waren verschrikkelijk,’ vertelt de voormalige functionaris. Het waren dezelfde telefoons die ook aan het publiek werden verkocht, maar voorzien van op de achtergrond draaiende software die ze supertraag maakte. ‘Ze werkten voor geen meter.’
Dat het bureau extra voorzorgsmaatregelen moest nemen zodat hun netwerk niet werd geïnfiltreerd is begrijpelijk. Data van het bureau zijn een aanlokkelijk doelwit voor buitenstaanders, vooral voor tegenstanders in het buitenland. Maar het beleid en de verouderde technologie van de FBI maakten dat het bureau werd afgesneden van onlinegebeurtenissen.
De gedachte van de FBI was dat agenten ‘zo goed zijn als hun undercoverinformanten’, zegt een wetshandhaver. Oude gewoonten zijn hardnekkig, en de FBI-cultuur hechtte meer waarde aan een goed ingevoerd undercoverpersoon van vlees en bloed dan aan opensource-informatie.
Maar het goede van OSINT was dat de FBI niet volledig hoefden af te gaan op hun speurders. Het bureau kon informatie eenvoudig zelf controleren, of het kon zijn opsporingsbevoegdheden gebruiken om na te gaan of de door de speurders geïdentificeerde verdachten op 6 januari hun mobiele telefoon in het Capitool hadden gebruikt, een hotel hadden geboekt of een creditcard hadden gebruikt in Washington en omgeving.
Toch duurde het enkele maanden tot de relaties tussen de FBI en de onlinespeurders geformaliseerd waren en konden gedijen. In 2021 waren onlinespeurneuzen soms onder de indruk van het bureau en deden ze graag al het mogelijke om het onderzoek te helpen. In 2023 was die machtsdynamiek verschoven. Toen stond de FBI inmiddels diep bij hen in het krijt. Het bureau zocht vaak contact met de speurders en vroeg ze om hun werk te controleren, te helpen een zaak op te bouwen of om op zoek te gaan naar bewijs dat tijdens het eigen onderzoek van het bureau over het hoofd was gezien. Aan de andere kant voerden de speurders de druk op de FBI op, vroegen zich af waarom zaken zo lang duurden en riepen ze de FBI op om verdachten te arresteren die ze al meer dan twee jaar geleden hadden geïdentificeerd.
Iemand postte foto’s van twee mensen van wie werd gedacht dat ze de daders waren, maar dat bleek niet te kloppen
Toegegeven, de FBI had zijn redenen om in de nasleep van de aanval op het Capitool sceptisch te zijn over het werk van anonieme online onderzoekers. Ze waren hiermee eerder de mist in gegaan. Bij de jacht op de daders van de bomaanslag in 2013 tijdens de marathon van Boston – een aanslag waarover de FBI voor het eerst hoorde via een tweet – explodeerde Reddit: een groot aantal amateurs ging op zoek naar degenen die verantwoordelijk waren voor de aanslag. Dat pakte rampzalig uit. Iemand postte foto’s van twee mensen van wie werd gedacht dat ze de daders waren. Dat bleek niet te kloppen, maar het was al te laat; TheNew York Post zette hun foto’s op de voorpagina. (De krant schikte uiteindelijk een rechtszaak onder niet bekendgemaakte voorwaarden.)
De gebeurtenissen rond de bomaanslag tijdens de Boston Marathon laten zien hoe makkelijk het verkeerd kan gaan met onlinespeurwerk. Dit veranderde ook het verloop van het FBI-onderzoek, doordat valse geruchten die online opdoken het proces van wetshandhaving beïnvloedden. Uiteindelijk werd besloten foto’s van de echte verdachten vrij te geven om de schade voor onschuldigen te beperken, en om zo een einde te maken aan het ‘freelancespeurwerk’, zoals TheWashington Post het noemde.
Toen de foto’s van de echte verdachten van de Boston Marathon-bomaanslag eenmaal waren vrijgegeven, kwam er een bruikbare tip van een familielid binnen. Uiteindelijk vond de FBI Dzjokhar Tsarnajev, een van de broers die een schietpartij met de politie overleefde en zich schuilhield in een boot op een trailer in een achtertuin in Watertown, Massachusetts. Nadat Tsarnajev was opgepakt, hielden wetshandhavers een persconferentie op de parkeerplaats van het winkelcentrum van Watertown.
Bij die bewuste persconferentie was een K9-agent – een agent met politiehond – van het corps van Boston aanwezig. ABC News maakte beelden en een screenshot van een mooie, scherpe gezichtsopname van de K9-agent belandde op een website. Acht jaar later bestormde ook deze voormalig agent met een Boston-sportmuts op zijn hoofd het Amerikaanse Capitool, in naam van Donald Trump. In het voorjaar van 2022 zouden onlinespeurneuzen, nadat ze via gezichtsherkenning een match hadden gekregen, zijn naam naar de FBI sturen. Twaalf maanden later werd dit opgepakt. In maart 2023, tien jaar na de bomaanslag in Boston, werd deze gepensioneerde politieagent uit Boston, genaamd Joseph Fisher, gearresteerd op beschuldiging van het aanvallen van een politieagent in het Capitool met een stoel.
Dit keer hadden de speurneuzen goed werk geleverd.
Al zo’n tien jaar trekken Chinese vrouwen op blogs en forums traditionele opvattingen over gender en de rol van vrouwen in twijfel. Ze krijgen dagelijks te maken met censuur en agressie, maar de beweging is groter dan ooit. ‘Online kwam ik erachter dat vrouwen ook op een andere manier konden leven.’
Op een avond in 2021 was Zhang Zirui aan het scrollen op de blogwebsite Weibo toen ze een bericht tegenkwam dat haar aan het denken zette. In de post betoogde de feministische influencer Lin Maomao dat vrouwen hun familie geen gehoorzaamheid verschuldigd zijn. Ze riep vrouwen op om egoïstisch en gemeen te zijn. Ze moeten vooral aan zichzelf denken, schreef ze, en zich van niemand iets aantrekken, ook niet van hun partner of hun ouders.
De boodschap sprak haar aan. Zhang had in die tijd het gevoel dat ze in de knel zat – met haar familie, haar relatie en haar woonplaats in Ningxia, een onderontwikkelde en conservatieve provincie in het binnenland. Haar ouders keken op haar neer. Ze hadden haar verboden om haar droomstudie natuurkunde te volgen, omdat ‘dat niet voor meisjes is’. In plaats daarvan deed ze een opleiding voor kleuterjuf. Haar vriend, met wie ze ooit een gezin had willen stichten, behandelde haar slecht. En hij deed haar geloven dat dat haar eigen schuld was.
Toen ze de post van Lin gelezen had, legde Zhang haar telefoon neer en haalde diep adem. Ze had een glimp van een andere wereld gezien. Vanaf dat moment ‘las ik haar posts elke dag om mezelf energie te geven’, vertelt ze. ‘Ik kwam erachter dat vrouwen ook op een andere manier konden leven.’
Op het internet kwam Zhang termen tegen als misogynie, gaslighting en ‘giftige schoonheidsidealen’, en ze begreep dat ze haar leven moest veranderen. Ze zette de ene stap na de andere: ze ging toch natuurkunde studeren, verhuisde naar een grote stad in een kustprovincie en maakte een einde aan haar relatie. Afgelopen zomer schoor ze haar hoofd kaal, als symbolische breuk met haar vroegere zelf. Voor het eerst voelde ze zich vrij.
‘Ik deed afstand van de diamanten ring die me beperkte, trok het keurslijf van discipline uit en wierp de cosmetica weg die me zogenaamd mooi maakte’, schreef Zhang (25) in juli op lifestyle-app Xiaohongshu. Op de bijbehorende foto kijkt ze recht in de camera. Haar ooit zorgvuldig geëpileerde wenkbrauwen zijn nu warrig en haar haar is gemillimeterd. Deze gedurfde nieuwe look leverde haar 1778 likes op.
Negatieve invloed
Veel Chinese vrouwen van Zhangs generatie hebben een vergelijkbaar pad afgelegd. Ze zijn geïnspireerd geraakt door onlinegemeenschappen en trekken traditionele opvattingen over gender en de rol van vrouwen in de Chinese samenleving in twijfel. De socialemediaplatforms in China – waaronder Weibo, Xiaohongshu, Douyin (de Chinese versie van TikTok), super-app WeChat en cultureel discussieplatform Douban – staan vol met feministische content. Posts met feministische hashtags worden miljoenen, zo niet miljarden keren bekeken. Aangespoord door de MeToo-beweging hebben tientallen Chinese vrouwen op sociale media beschuldigingen geuit tegen machtige mannen. Een daarvan was Zhu Jun, presentator van de staatszender, die de beschuldigingen ontkende. Tennisser Peng Shuaien beschuldigde voormalig vicepremier Zhang Gaoli van seksueel misbruik, maar die heeft daar nooit publiekelijk op gereageerd.
Nieuwsberichten over gendergerelateerd geweld leiden regelmatig tot referenda over de voor- en nadelen van het huwelijk. Miljoenen stemmers betogen dat het huwelijk voor een vrouw meer problemen veroorzaakt dan dat het oplevert – en dat het ook nog gevaarlijk is, gezien het gebrek aan regelgeving op het gebied van echtscheidingen en huiselijk geweld. Overheidscijfers laten zien dat dit sentiment serieuze gevolgen heeft. Huwelijks- en geboortecijfers zijn historisch laag. De decennialange stijging van het aantal echtscheidingen stopte pas in 2021, nadat de regering het moeilijker maakte om te scheiden.
Ook andere factoren – zoals de kosten van levensonderhoud – beïnvloeden deze trends, maar volgens Leta Hong Fincher, auteur van Leftover Women: The Resurgence of Gender Inequality in China, hangen ze samen met een groeiend bewustzijn over vrouwenrechten. ‘Het zijn vooral vrouwen die zich verzetten tegen het huwelijk en ouderschap,’ zegt ze. In mei schreef een aan de Communistische Partij gelieerde denktank in een rapport over het dalende geboortecijfer in China het volgende: ‘De verspreiding van het radicale feminisme heeft een negatieve invloed gehad op de individuele overtuigingen en verlangens van vrouwen als het aankomt op zwangerschap.’
De Chinese regering, die altijd bezig is om de sociale stabiliteit te handhaven, heeft de afgelopen vijf jaar feministische activisten vervolgd en socialemediasites opgedragen om feministische content aan banden te leggen. Vergelijkbare methoden hebben ervoor gezorgd dat campagnes voor sociale doelen zoals arbeidsrechten en lhbtqia+-rechten de kop in zijn gedrukt. Openlijk activisme voor vrouwenrechten is nu ook zo goed als onmogelijk. Maar zelfs nu de luidste stemmen het zwijgen is opgelegd, worden feministische idealen breder gedeeld dan ooit. De vlam van het Chinese feminisme brandt nog steeds – en nergens feller dan online. Dat de online feministische beweging in China zo agressief gecensureerd wordt, maakt het ‘extra bijzonder hoe invloedrijk zij is’, aldus Hong Fincher.
‘Voor mijn gevoel is elke vrouw op sociale media vandaag de dag lid van de feministische gemeenschap,’ vertelt Xiaoniao (28), die in de context van MeToo iemand heeft beschuldigd van seksueel geweld. Ze gebruikt een pseudoniem uit angst voor vergelding door de Chinese autoriteiten. De invloed van de Chinese online-emancipatiebeweging is in haar woorden zo groot dat je ‘zolang je online bent, niet kunt ontsnappen aan de invloed van het feminisme’.
De politie vroeg feministische activisten steeds vaker om ‘op de thee te komen’: een eufemisme voor een verhoor
Onlinefeminisme heeft een korte maar turbulente geschiedenis in China. De intensiteit ervan varieerde door de jaren heen en was afhankelijk van hoe ver de vrijheid van meningsuiting op dat moment reikte. De meeste jonge vrouwen zoals Zhang zijn zich niet bewust van eerdere feministische golven van dit activisme, aangezien die door overheidscensuur allang zijn uitgewist. Toch laat de geschiedenis haar sporen na.
Lü Pin, een prominente feministische activist, herinnert zich de gouden eeuw van de Chinese sociale media. Weibo werd in 2009 gelanceerd en het ledenaantal groeide binnen vier jaar uit tot 500 miljoen – deels doordat buitenlandse concurrenten als Facebook en Twitter in China verboden waren. Het platform was een plek waar journalisten, schrijvers en academici in relatieve vrijheid commentaar konden leveren op de belangrijkste kwesties die in China speelden. In 2010 maakte Lü het account Feminist Voices aan. Daarop verscheen commentaar op huiselijk geweld, seksuele intimidatie en andere vrouwenrechtenkwesties. Het groeide uit tot het invloedrijkste feministische account dat er was.
Activisten verspreidden hun ideeën ook offline. In 2012 liepen drie feministen op Valentijnsdag in een rode trouwjurk door een drukke straat om aandacht te vragen voor huiselijk geweld. Diezelfde maand begon een campagne om mannentoiletten te ‘bezetten’: een oproep tot meer openbare toiletten voor vrouwen.
Het tij keerde in 2015, tijdens de eerste ambtstermijn van de Chinese president Xi Jinping. In maart hield de politie van Beijing vijf feministische activisten aan die stickers tegen seksuele intimidatie in het openbaar vervoer hadden verspreid. De maandenlange detentie van deze Feminist Five, zoals ze genoemd werden, was een mijlpaal. ‘Dat gaf aan dat de overheid feministische evenementen en organisaties niet langer accepteerde,’ zegt Lü. Ze was in de VS toen de vijf in hechtenis werden genomen, en ze besloot er te blijven.
Meer restricties volgden. In 2016 bood een nieuwe wet het veiligheidsapparaat controle over de financiering en activiteiten van ngo’s, waardoor de meest prominente vrouwenrechtenorganisatie van het land moest sluiten. De politie vroeg feministische activisten steeds vaker om ‘op de thee te komen’: een eufemisme voor een verhoor.
Vrouwen gingen zich vooral op sociale media richten. ‘Het unieke aan de Chinese feministische beweging is dat die zich bijna volledig online afspeelt,’ zegt Lü. Feminist Voices kreeg meer aandacht dan ooit, met op het hoogtepunt meer dan 250.000 volgers op verschillende platforms. Maar die groei op het internet heeft volgens Lü ook een negatieve component: ‘De echte bloei van het onlinefeminisme kwam pas toen de beperkingen in de offline ruimte toenamen,’ zegt ze. ‘Als je het zo bekijkt, duidt de online ontwikkeling niet op uitbreiding, maar juist op inkrimping van de openbare ruimte.’
De wereldwijde MeToo-beweging, die ervoor zorgde dat steeds meer vrouwen hun verhaal over seksueel misbruik en intimidatie begonnen te delen, bereikte China op 1 januari 2018. In een lange post op Weibo beschuldigde Luo Xixi, een promovendus aan de Beihang Universiteit van Beijing, haar voormalig adviseur van seksuele intimidatie. Meer vrouwen volgden haar voorbeeld. Studenten van meer dan veertig Chinese universiteiten ondertekenden open brieven waarin ze opriepen tot maatregelen tegen seksuele intimidatie op scholen. De universiteit ontsloeg de adviseur, die beweerde dat hij niets illegaals had gedaan.
Weibo censureerde halverwege januari de hashtag #MeTooInChina. Chinese sociale mediabedrijven onthullen meestal niet hoe of waarom ze dergelijke beslissingen nemen, maar volgens experts speelt de overheid er een grote rol in. ‘De Chinese overheid doorgaans voorkomen dat sociale bewegingen zo sterk worden dat ze tot een opstand leiden of de overheid op de een of andere manier destabiliseren,’ zegt Huang Qian, universitair docent bij het Centrum voor Mediastudies en Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Ze houden constant in de gaten of een specifieke hashtag of een specifiek online-evenement zich kan ontwikkelen tot iets groters.’
Enokipaddenstoelen
Door de MeToo-beweging kregen online feministische discussies meer aandacht, ook van de overheid. Op 9 maart 2018 verwijderde Weibo permanent het account van Feminist Voices wegens ‘het schenden van relevante regelgeving’. Het verbod kwam nadat Feminist Voices een artikel had gepubliceerd waarin lezers werden aangespoord om Internationale Vrouwendag te vieren door vrouwenrechten te gedenken in plaats van te gaan winkelen – Chinese merken en onlinewinkels hebben die dag namelijk omgevormd tot een commerciële feestdag. Het WeChat-account van de organisatie verdween diezelfde dag.
Sinds 2020 hebben socialemediaplatforms hun toezicht op feministische content verscherpt, vaak met het argument dat ze vijandigheid tussen mannen en vrouwen willen inperken. In dat jaar werd het account van Lin Maomao – de influencer die Zhang inspireerde – door Weibo een jaar lang op non-actief gezet wegens het ‘aanzetten tot vijandigheid tussen verschillende groepen’. Ook Douban en Bilibili (vergelijkbaar met YouTube) hebben haar accounts verwijderd. Lin reageerde niet op interviewverzoeken en Douban en Bilibili reageerden niet op een verzoek om commentaar.
Een paar maanden later stelde Douban meer dan tien feministische groepen op non-actief, met de mededeling aan de leden dat ‘de groep werd ontbonden als gevolg van meldingen van gebruikers en eisen van de betrokken autoriteiten, omdat er extremisme, radicale politieke zaken en ideologie worden gepropageerd’. Vanaf januari 2021 gebruikt Weibo ‘het uitlokken van genderfrictie’ als een legitieme reden om een account te verwijderen. De accounts van Lin Maomao zijn nooit hersteld.
Zhang heeft screenshots van de posts van Lin bewaard en bekijkt ze van tijd tot tijd nog steeds. ‘Dat ze is gecensureerd, bewijst dat alles wat ze zei, waar is,’ zegt Zhang.
Vandaag de dag is overheidscensuur niet het enige waar de vrouwen van de Chinese online feministische beweging zich zorgen over moeten maken. De afgelopen jaren zijn groepen nationalistische mannen, vaak antifeministen genoemd, begonnen met het opsporen van vrouwen wier berichten ze politiek incorrect noemen. Vervolgens rapporteren ze de vrouwen aan de platforms met als doel dat er een verbod volgt, vaak met succes. Hoewel ook zij dus voor veel ‘genderfrictie’ zorgen, kunnen deze socialemediagebruikers wel vrijuit hun gang gaan.
Twee jaar geleden werd Xiaoniao – die MeToo-beschuldigingen had geuit – geconfronteerd met een dergelijke groep. Ze had tijdens de eerste MeToo-golf in 2018 een bekende ngo-directeur beschuldigd van seksueel misbruik. De ngo-directeur bekende en stapte op. Aanvankelijk was er veel aandacht voor de zaak, maar toen Xiaoniao minder actief werd op Weibo, ging de storm weer wat liggen. Maar in december 2021 was ze getuige van een bijzonder grove antifeministische doxxing-campagne en voelde ze zich gedwongen zich uit te spreken.
De campagne werd geleid door Ziwu Xiashi. Deze prominente nationalistische influencer werd populair nadat hij een reeks berichten had gepost. Daarin beweerde hij dat Chinese feministen, waaronder Lü Pin, de Feminist Five en MeToo-aanklagers, marionetten zijn van obscure ‘westerse krachten’ die China ten val willen brengen. In het begin had hij het vooral gemunt op bekende vrouwen. Maar die keer richtte hij zijn aandacht op een Weibogebruiker met slechts tweehonderd volgers.
Hij kamde de accountgeschiedenis van zijn doelwit uit en verzamelde reacties die ze had achtergelaten, zoals haar spottende opmerkingen over mannen met penissen zo klein als ‘enokipaddenstoelen’. Hij vond aanwijzingen dat ze bij een overheidsinstantie werkte. Hij riep zijn meer dan een miljoen volgers op om haar aan te geven bij haar werkgever wegens ‘antimannenopmerkingen’ en ‘niet aan werk gerelateerde activiteiten onder werktijd’ – de vrouw had haar berichten geplaatst terwijl ze aan het werk was.
Xiaoniao vond dit absurd. In reactie hierop startte ze zelf een kleine campagne waarin ze andere feministen aanmoedigde om brieven te sturen naar de overheidsinstantie met het dringende verzoek om de vrouw niet te ontslaan. Tevergeefs: de vrouw verwijderde haar account en verloor haar baan. (De vrouw wilde niet geïnterviewd worden, omdat ze ‘gewoon wil dat het voorbij is’.)
Daarna richtten de antifeministen hun aandacht op Xiaoniao. Ze achterhaalden haar persoonlijke gegevens al snel, ook al had Xiaoniao haar Weiboprofiel zo ingesteld dat het alleen zichtbaar was voor mensen die haar langer dan dertig dagen volgden. ‘Ze zijn erg goed getraind,’ zegt ze. ‘Ze hielden me al heel lang in de gaten.’
‘Het is absoluut noodzakelijk om deze kwaadaardige tumor uit te roeien!’
Xiaoniao besloot de confrontatie aan te gaan. Op Douban postte ze een video van zichzelf in een rode trui, waarop ze zingt en een liedje speelt op haar ukelele – het was de eerste keer dat ze haar gezicht op sociale media liet zien. ‘Ik was bang,’ zegt ze. ‘Maar omdat ze vast wilden weten hoe ik eruitzie, dacht ik dat ik het ze beter zelf kon laten zien. Daardoor voelde ik me er beter over.’ Vanaf dat moment veranderde Xiaoniao elke maand haar accountnaam op Douban om het voor trollen moeilijker te maken om haar te vinden.
Feministen vinden dat sociale media eenzijdig tegen ‘genderfrictie’ optreden. Baidu, een Chinese techgigant die vooral bekendstaat om zijn zoekmachine, beheert Tieba, een site die vergelijkbaar is met Reddit. In mei dit jaar circuleerde er een foto online waarop te zien is dat het platform een van zijn ‘Voortreffelijke forumleider 2023’-prijzen had uitgereikt aan de beheerder van een onlinegemeenschap met zo’n drie miljoen leden – voornamelijk mannen. Die gemeenschap haalde de voorpagina’s omdat er seksistische opmerkingen werden geplaatst en expliciete foto’s van vrouwen werden gedeeld zonder hun toestemming. Voor Chinese feministen was dit het zoveelste bewijs dat Chinese techbedrijven geen enkel probleem hebben met vrouwenhaat. Baidu, Weibo en Xiaohongshu reageerden niet op verzoeken om commentaar.
Ook de overheid staat duidelijk aan één kant. De gecoördineerde trollenacties van antifeministen liggen in het verlengde van hoe de overheid optreedt tegen activisme voor vrouwenrechten, zegt Hong Fincher. ‘Die komen allemaal overeen met het standpunt van de regering dat het feminisme een bedreiging vormt voor de overheid en dat feministische stemmen een gevaar kunnen vormen voor de sociale stabiliteit,’ zegt ze. In de afgelopen jaren werden via het regeringsbeleid traditionele familiewaarden gepromoot. Zo is er een ommekeer geweest van het éénkindbeleid naar openlijke steun voor stellen die meer kinderen krijgen.
Soms is de boodschap van de regering nog directer. Vorig jaar uitten gebruikers van sociale media kritiek op de Communistische Jeugdliga, een Chinese partijorganisatie voor jongeren, omdat er geen vrouw was opgenomen in een serie foto’s over de geschiedenis van de Communistische Partij.
De Jeugdliga reageerde boos. ‘“Extreem feminisme” woekert voort en wordt steeds kwaadaardiger,’ postte De Liga op Weibo. ‘Het is absoluut noodzakelijk om deze kwaadaardige tumor uit te roeien en de vreedzame online omgeving te herstellen!’
In maart kostte een feministische trend Wang Qi (24) haar baan. Qi, een socialemediamanager, had berichten gelezen op Xiaohongshu over fumeiyi, oftewel ‘schoonheidsplicht’ – een term die verwijst naar ‘militaire plicht’ en die kritiek levert op de sociale verplichting voor vrouwen om geld uit te geven aan dure kleding, cosmetica en kapsels. Het inspireerde haar om naar de kapper te gaan en zich juist een kort kapsel te laten aanmeten.
Wang had kort daarvoor een baan in een koffiezaak aangeboden gekregen. Maar toen de baas haar weer zag, vond hij haar nieuwe uiterlijk onacceptabel en trok hij zijn aanbod in. Ze heeft er geen spijt van. ‘Ik heb me nog nooit zo dicht bij mijn ware ik gevoeld’, schreef Wang in een Xiaohongshu-post met voor-en-nafoto’s. Eerder vertelde ze nog aan Rest of World: ‘Als ik uitga, heb ik minstens twee uur nodig om me aan te kleden en mijn make-up te doen.’
Fumeiyi is momenteel een van Xiaohongshu’s meest besproken onderwerpen. Het verwerpen van traditionele schoonheidsnormen heeft geleid tot een trend waarbij vrouwen net als Zhang en Wang trots foto’s delen van hun kaalgeschoren hoofd. Volgens NewRank, een platform dat Xiaohongshu analyseert, zijn berichten waarin fumeiyi voorkomt inmiddels meer dan 35 miljoen keer bekeken.
Dat een dergelijke trend op een ander platform dan Weibo is ontstaan, laat zien hoe het onlinefeminisme de afgelopen jaren is verschoven. Weibo, dat maandelijks meer actieve gebruikers heeft dan X (voorheen Twitter), blijft het populairste platform voor maatschappelijke discussies in China. Maar onder andere vanwege het strenge toezicht op het platform en de meedogenloze trollen, ontmoeten vrouwen elkaar steeds vaker op Xiaohongshu. Daar is hun aandeel ruim twee keer groter dan dat van mannelijke gebruikers. Vrouwen hebben manieren gevonden om het algoritme van de app te misleiden, zodat hun berichten voornamelijk aan andere vrouwen worden getoond. Ook Douban, waar veel interacties plaatsvinden binnen semi-afgesloten groepen, is een feministisch toevluchtsoord.
Gemengde gevoelens
Lü, de activist, beschrijft de overstap van Weibo naar Douban en Xiaohongshu als een verschuiving van ‘een openbaar plein’ naar ‘de woonkamer van een vriend’. Op de laatstgenoemde platformen gaat het bij vrouwenemancipatie minder om het creëren van structurele veranderingen. De nadruk ligt meer op alledaagse onderwerpen: conflicten met vriendjes of discussies over trouwen, kinderen krijgen of make-up gebruiken.
Op Douban ontstaan feministische discussies meestal in gemeenschappen die zich richten op lifestyle, zoals de ‘Douban Breakup Group’ met 370.000 leden, waar vrouwen over hun relatieproblemen praten. Hoewel het niet bepaald een bolwerk van activisme is, worden in de discussies vaak feministische standpunten omarmd.
Vorig jaar had Wan (28) ruzie met haar vriend. Hoewel ze nog niet klaar was om kinderen te krijgen, zag hij er geen probleem in om een zwangerschap te riskeren. Ze besloot een anticonceptie-implantaat te nemen zonder het aan hem te vertellen. Toen hij erachter kwam, vond hij dat dat blijk gaf van een gebrek aan vertrouwen. Wan, die om privacyredenen alleen haar achternaam wil gebruiken, wilde er met iemand over praten. Maar ze kon het bij haar vrienden niet kwijt – die ‘zouden denken dat ik te gevoelig ben’, en al helemaal niet bij haar moeder, die op kleinkinderen rekent. In plaats daarvan wendde ze zich tot de Douban Breakup Group.
‘Waarom moeten vrouwen met hun partners bespreken dat ze anticonceptie willen? Mogen we zelfs niet over ons eigen lichaam beslissen?’ stond er in een veelgelezen commentaar onder Wans post. ‘Zuster, je bent inderdaad een daadkrachtig meisje. Alleen dappere meisjes zoals jij kunnen echte vrijheid krijgen’, zei een ander. Wan had voldoende aanmoediging gekregen en maakte het een week later uit met haar partner.
Zhuozi (23), videoregisseur en redacteur, is al enkele jaren lid van de Breakup Group. Ze heeft de relatieadviezen van de leden zien veranderen. ‘Als een lid een paar jaar geleden zei dat het uit was met haar vriend, was de kans groot dat mensen zeiden dat het haar schuld was,’ zegt ze. ‘Maar nu analyseren ze de situatie en zeggen ze dat ze, ook als ze haar vriend verlaat, nog steeds een goed leven kan hebben.’ Zhuozi vroeg de groep om advies over haar eigen vriend, die erop stond dat ze geen mannelijke vrienden had, en maakte het vervolgens uit.
Zowel Zhuozi (die om privacyredenen een pseudoniem gebruikt) als Wan heeft gemengde gevoelens over de populariteit van de groep. ‘Discussies over feminisme richten zich in China vooral op intieme relaties omdat we niet in staat zijn om veranderingen te bewerkstelligen in bredere sociale kwesties,’ zegt Wan, die in de juridische sector werkt.
‘Wij vrouwen hebben weinig opties,’ zegt ze. ‘Het enige moment waarop het lijkt alsof je een keuze hebt, is wanneer je een partner kiest.’ Ze weet niet zeker of ze ooit zal trouwen.
Ongeveer tien jaar na de opkomst van het onlinefeminisme in China is de invloed ervan zowel onmiskenbaar als dubbelzinnig. Op verschillende vlakken – politiek, arbeidsparticipatie, inkomensgelijkheid – is de positie van Chinese vrouwen aan het verzwakken. Ook MeToo-berichten bieden niet langer hoop op stelselmatige verandering. In gerechtelijke uitspraken worden aangeklaagden vaak bevoordeeld, en geen enkele Chinese universiteit heeft maatregelen aangekondigd tegen seksuele intimidatie.
Veel van de vrouwen laten weten dat het moeilijk is om contacten te leggen in het echte leven
Maar de steun voor vrouwenrechten lijkt alleen maar te zijn toegenomen. Cijfers geven aan dat het onlinefeminisme in China groter is dan ooit. De stortvloed aan discussies over de oorspronkelijke MeToo-hashtag in 2018 was volgens China Digital Times goed voor meer dan 4,5 miljoen views op Weibo voordat hij werd gecensureerd. Vandaag de dag leveren discussies over gendergerelateerde nieuwsberichten soms nog veel meer reacties op. Vorig jaar werd ontdekt dat een vrouw met een verstandelijke beperking, die acht kinderen had, vastgeketend leefde in een schuur. Posts op Weibo met hashtags over het incident – die vaak lieten verstaan dat het Chinese vrouwen aan rechten ontbreekt en dat ze behandeld worden als babymachines – werden meer dan tien miljard keer gelezen.
Zhang is inmiddels afgestudeerd in natuurkunde en werkt voor een instituut dat bijlessen verzorgt. Haar studenten stellen vaak vragen over haar korte haar. Buiten haar werk brengt ze elke dag uren door op Xiaohongshu. Ze geeft tips over het rapporteren van huiselijk geweld of deelt wijsheden als: ‘Tolerantie is geen goede deugd voor vrouwen, maar woede wel.’
Veel van de voor dit artikel geïnterviewde vrouwen laten weten dat het – ondanks de populariteit van onlinefeminisme – moeilijk is om contacten te leggen in het echte leven. Beperkingen op bijeenkomsten zijn zo streng dat het voor gelijkgestemde vrouwen moeilijk is om elkaar te vinden.
Maar Zhang heeft er vertrouwen in dat miljoenen vrouwen zoals zij zich zullen blijven uitspreken en hun overtuigingen blijven uitdragen. ‘Op een dag zie ik misschien een meisje met een kaalgeschoren hoofd op straat. Dan zullen we naar elkaar glimlachen,’ zegt ze.
De onafhankelijke Koreaanse filosoof Byung-Chul Han schrijft weinig, maar publiceert veel over het karakter van deze tijd. Met het essay De vermoeide samenleving bereikte hij meer dan honderdduizend lezers. De meeste tijd besteedt hij aan zijn tuin, of aan de muziek. Aan het trage leven.
Professor Byung-Chul Han is een 64-jarige man die het leven omgekeerd leeft. Hij is wakker als mensen slapen en gaat naar bed als anderen aan het werk gaan. Hij is er trots op een luie denker te zijn en schrijft slechts drie zinnen per dag. De meeste tijd besteedt hij aan het verzorgen van zijn planten en het spelen van stukken van Bach en Schumann op zijn Steinway. Dat zijn de dingen die er voor hem echt toe doen in het leven.
Han is geboren in Zuid-Korea, maar woont al 42 jaar in Duitsland. Hij is een ster van de hedendaagse filosofie en werd vooral bekend met een boek dat het karakter van onze tijd schetst: De vermoeide samenleving. Hierin ontleedt hij een maatschappij die totaal opgebrand is, vol uitgeputte mensen die roofbouw op zichzelf plegen en hun vrije tijd benutten met het wegduiken in hun mobiele telefoon.
Han, toegewijd aan het trage leven, is een ietwat excentrieke man. Hij doet wat hij wil omdat hij dat kan (hij is erg succesvol) en omdat hij deze benadering van het bestaan als politieke daad ziet. De wereld heeft de verkeerde weg gekozen en daarom gaat hij de andere kant op.
‘De mens leeft omgekeerd; hij gaat de andere kant op. Dat zegt Simone Weil [de Franse filosoof en auteur van Wachten op God]. Mensen zijn gewelddadig, ze vernietigen het milieu. Geen enkel dier is gewelddadig tegenover de natuur, behalve de mens. Hij verstoort datgene waaraan hij zijn leven te danken heeft. Hoe kun je ontsnappen aan dit leven dat op zijn kop staat? Door omgekeerd te leven.’
Reclame
Han heeft ingestemd met een ontmoeting. Het is een regenachtige middag in Berlijn, eind augustus.
De filosoof heeft net Die Krise der Narration (‘De crisis van het verhaal’) gepubliceerd, een boek waarin hij betoogt dat verhalen tegenwoordig niet meer te onderscheiden zijn van reclame: mensen en politici vermarkten hun leven op sociale media. Het draait allemaal om reclame en zelfpromotie. Hij vergelijkt storytelling met storyselling: communiceren via verhalen versus verkopen via verhalen. Kwaliteit lijkt er niet meer toe te doen, het belangrijkste is het verkopen wat je te bieden hebt. Dat geldt voor iedereen: politici, journalisten, socialemediagebruikers… en het resulteert in veel kleine flarden zonder diepgang. Vandaar de crisis van het verhaal.
Kwaliteit lijkt er niet meer toe te doen, het belangrijkste is het verkopen wat jete bieden hebt
Han is een nogal solitaire man. Hij leeft in zijn zelfgecreëerde bubbel en verdeelt zijn tijd over twee huizen: een appartement in het zuidwesten van Berlijn en een huis met een tuin, tussen een meer en een bos. Hij heeft een smartphone – zijn gruwel – die hij nauwelijks gebruikt. Hij neemt zelden op als iemand belt. Hij gebruikt hem, zegt hij, om de planten in zijn tuin correct mee te kunnen classificeren. Hij begeeft zich niet graag onder de mensen en geeft dan ook heel weinig interviews. De laatste keer dat El País hem persoonlijk sprak vóór dit gesprek was in 2014.
De ontmoeting met Han vindt plaats op het Alter St. Matthäus-kerkhof, een plek waar Berlijners graag wandelen. Het is een rustige, groene ruimte met eeuwenoude bomen, lange zwarte asfaltpaden en paarse bloemen. De gebroeders Grimm liggen hier begraven. De begraafplaats ligt dicht bij het appartement van Han.
Zelf kiezen
Han arriveert ruim een kwartier te laat, in nogal verfomfaaide staat. Hij parkeert zijn zwarte fiets op de parkeerplaats van de begraafplaats, zijn gegroefde voorhoofd bedekt met fijne regendruppels. Zodra hij ons heeft begroet – er is ook een tolk aanwezig, omdat Han liever Duits spreekt – bepaalt hij zonder aarzelen waar het interview zal plaatsvinden: op het terras van het kleine café op de begraafplaats.
Het begint iets harder te regenen. Een klein, nat tafeltje, een paar veelkleurige stoelen en een wankel regenscherm dat amper de ruimte bestrijkt waar we zitten. We worden allemaal nat, maar het lijkt Han niet te deren.
Hij bestelt een koffie, steekt een dunne sigaar op en wacht met verbeten uitdrukking op zijn gezicht tot het interview begint. Hij draagt een zwart overhemd, een beige riem en zwarte schoenen. Hij staat met zijn hakken op de achterrand van zijn schoenen, waardoor die in een soort sloffen veranderen. Hij maakt al direct duidelijk dat hij geen zin heeft om vragen over zijn boeken of zijn ideeën te beantwoorden. Zijn boeken spreken voor zich, daarom heeft hij ze geschreven. Ze zijn bedoeld om gelezen te worden, het is niet de bedoeling dat hij er vragen over krijgt.
Hij zegt dat hij niet onderbroken wil worden; hij wil zijn gedachtengang niet kwijtraken
Hij voelt zich ongemakkelijk bij de klassieke vorm van vraag en antwoord en neemt de vrijheid om zelf te kiezen waarover hij wil spreken. Hij begint met het geval van grensoverschrijdend gedrag dat Spanje de afgelopen tijd in zijn greep hield: stervoetballer Jenni Hermoso werd tegen haar wil gekust door de voorzitter van de Spaanse voetbalbond, na de winst in de finale van het WK voetbal voor vrouwen.
‘Als ik in filosofische zin nadenk over een kus, dan was dat geen kus… want hij [voorzitter Rubiales, die inmiddels is opgestapt] kuste haar en zij kuste hem niet. Dat is geweld. De hele #MeToo-beweging was goed. Terugvechten tegen seksueel geweld is goed. Maar nu is deze beweging tegen seksueel geweld zelf veranderd in geweld. Ze heeft eros vernietigd, ze heeft de verleiding vernietigd. Ik ken veel heel zelfstandige actrices – en ook veel feministen – die de #MeToo-beweging nu afwijzen, omdat die de verleiding vernietigt.’
Hij zegt dat hij niet onderbroken wil worden; hij wil zijn gedachtengang niet kwijtraken. Dan begint hij over zijn piano’s. Hij vertelt dat hij er drie heeft: een in zijn appartement – de Steinway – en twee Blüthners in het andere huis. Daar tuiniert hij terwijl hij naar Bach luistert – hij is gefascineerd door de Goldbergvariatiaties, waarmee hij zichzelf piano heeft leren spelen – en naar Schumann. Hij houdt van diens Kinderscènes. ‘Ik moet elke dag spelen, anders word ik ziek,’ verzucht hij. ‘Ook als ik reis. Daarom reis ik niet zo veel.’
Schoorvoetend stemt hij in met het beantwoorden van een vraag over onze samenleving, die het geduld om te luisteren en te vertellen is kwijtgeraakt. ‘Mensen lopen nu met hun oren dicht. Omdat ik geen goede ruimtelijke oriëntatie heb, vraag ik mensen als ik ergens heen ga waar een bepaalde straat is, maar dan blijken hun oren te zijn geblokkeerd door koptelefoons. Ze horen het niet. Dat betekent dat ze afgesloten zijn van de wereld, van de ander. Ze horen alleen zichzelf praten.’
Sluwheid van het kapitaal
Volgens Han is het verkeerd om geobsedeerd te zijn door de vrijheid van het individu. ‘Marx zei al: individuele vrijheid is de sluwheid van het kapitaal. We geloven dat we vrij zijn, maar diep van binnen produceren we alleen maar en vergroten we het kapitaal: het kapitaal gebruikt de individuele vrijheid om zich te vermenigvuldigen. Dat betekent dat wij, met onze individuele vrijheid, de voortplantingsorganen van het kapitaal zijn.’
‘Meer produceren, meer presteren en mezelf optimaliseren tot aan mijn dood… dat is geen vrijheid’
Dan brengt hij een van zijn belangrijkste ideeën naar voren. ‘Onder prestatie- en productiedwang is vrijheid niet mogelijk. Als ik mezelf dwing om meer te produceren, meer te presteren en mezelf optimaliseer tot aan mijn dood… dan is dat geen vrijheid.’
Hij zegt dat hij weinig schrijft. ‘Ik ben ontzettend lui. Ik werk meestal in de tuin en speel piano. Daarna zit ik dan misschien een uurtje achter mijn bureau. Misschien schrijf ik drie zinnen per dag, die dan resulteren in een boek. Maar nee, ik probeer niet te schrijven. Ik laat gedachten binnenkomen.’ Hij wacht tot de woorden tot hem komen. ‘De woorden in mijn boeken zijn niet van mij. Ik laat de woorden die mij bezoeken binnen en ik neem ze over. Ik claim geen auteurschap van mijn boeken; daarom zijn de woorden die erin staan ook wijzer dan ik. Daarom zouden mijn boeken geïnterviewd moeten worden, niet ik. Ik ben maar een idioot.’
Korte zinnen
Hoewel Byung-Chul Han weinig schrijft, zoals hij zelf zegt, kun je wel vaststellen dat hij veel publiceert. Gemiddeld komt er bijna één boek per jaar van hem uit (in het Duits en in vertaling). Wel gaat het om dunne pamfletten, van negentig tot honderdtwintig pagina’s, die zijn opgebouwd uit zeer korte zinnen. ‘Hij beheerst het genre van het korte essay als geen ander, hij heeft het zelf uitgevonden,’ zegt Raimund Herder, zijn uitgever in Spanje. De in Duitsland geboren uitgever, die nu in Barcelona woont, ontdekte Han in 2010 op de Frankfurter Buchmesse, waar hij een exemplaar van De vermoeide samenleving op de kop tikte. Terwijl van zijn eerdere boeken slechts een paar honderd exemplaren werden verkocht, waren dat er van dit essay meer dan honderdduizend in Latijns-Amerika, Zuid-Korea, Spanje en Italië. In Duitsland, Frankrijk en de Engelstalige wereld was de verkoop evenwel veel lager.
Grappig genoeg had Raimund Herder Han al eerder ontmoet: in 1988, toen hij filosofie studeerde aan de Universiteit van Freiburg. Hij herinnert zich hem nog goed, tijdens de lessen van professor Gerold Prauss: Han was de Koreaan in de klas ‘die opgewonden sprak’ en veel vragen stelde.
Han kwam naar Duitsland toen hij 22 was. In Zuid-Korea had hij metallurgie gestudeerd en hij zag zich gedwongen zijn ouders voor te liegen – ‘ze zouden me nooit toestaan filosofie te studeren’ – en te vertellen dat hij naar het buitenland ging om zijn technische studie voort te zetten. ‘Ik heb mijn ouders nooit een boek zien lezen. Ik ben een mutatie. Mijn vader was civiel ingenieur, hij bouwde dammen en metro’s in Korea.’ Duitsland trok hem enorm aan. Op een dag, toen hij zestien was, bracht zijn moeder platen van Bach mee naar huis. ‘Toen ik daarnaar luisterde, ontdekte ik dat Duitsland mijn spirituele thuis was.’
Han wordt er weleens van beticht te productief te zijn, of steeds weer dezelfde onderwerpen te behandelen
Hij studeerde ook filosofie in Parijs, een van zijn docenten daar was Jacques Derrida. Maar de denkers aan wie hij echt schatplichtig is, zegt Han, zijn Emmanuel Levinas, Walter Benjamin (die vaak wordt geciteerd in zijn nieuwe boek) en Simone Weil, die nu kennelijk in hem bestaat. ‘Simone Weil is onlangs bij me ingetrokken en praat de hele tijd tegen me. Dat is geen toeval, want ze stierf op 24 augustus, tachtig jaar geleden. Ze leeft nog steeds en ze praat tegen me, ik voer een interne dialoog met haar. Ik voel me de reïncarnatie van Simone Weil.’
Han wordt er weleens van beticht te productief te zijn, of steeds weer dezelfde onderwerpen te behandelen. Wolfram Eilenberger, essayist en voormalig directeur van de Duitse editie van het tijdschrift Philosophie, zegt dat Han hem doet denken ‘aan een specht die voortdurend tegen een klein stukje van een harde, dunne stam tikt. Hij heeft een thema gevonden en beschikt over een eigen stijl, op basis van een Duits dat hij met prachtige eenvoud gebruikt. Dat gezegd hebbende denk ik dat het tijd is dat hij eens van onderwerp verandert.’
Nogal stellig
In een artikel voor het wetenschappelijke tijdschrift Philosophy, in juli 2022, uitte Jesús Zamora Bonilla, een Spaanse hoogleraar logica en wetenschapsfilosofie, de kritiek dat Hans boeken vaak niet erg argumentatief zijn (ze zijn eerder nogal stellig) en dat ze bestaan uit ‘een opeenvolging van briljante en korte zinnen, die typerender zijn voor literatuur en poëzie dan voor filosofische essays’.
Han is zich ervan bewust dat hij kritiek krijgt. ‘Ze zeggen dat mijn gedachten en boeken te makkelijk zijn. Maar dat geldt bijvoorbeeld niet voor Todesarten. Philosophische Untersuchungen zum Tod (‘Soorten overlijden. Filosofisch onderzoek naar de dood’): als je dat leest, ontdek je een ander facet van mijn denken, met heel andere, complexe zinnen.’ Hetzelfde is het geval, zegt hij, bij zijn proefschrift Heideggers Herz (‘Heideggers hart’). ‘In het verleden schreef ik anders. Ik schreef boeken die heel moeilijk te lezen waren, zonder erover na te denken of ze wel begrijpelijk waren. Maar nu is toegankelijkheid voor mij heel belangrijk. De boeken van Slavoj Zizek zijn bijvoorbeeld volstrekt verwarrend. Die van Walter Benjamin zijn absoluut onbegrijpelijk… maar als je ze tien keer leest, begrijp je ze.’
Na vijftig minuten kletsen begint Han ongedurig te worden. Hij informeert opnieuw naar de fotograaf, die met zijn assistent in de kapel van de begraafplaats zit te schuilen voor de regen. Hij merkt op dat hij graag over het kerkhof wandelt en dat hij dagelijks naar een kerk gaat, niet ver hiervandaan. Hij is een spiritueel man. ‘Ja, ik ben katholiek.’ Omdat hij andersom leeft, gaat hij bidden als mensen uit de mis komen. ‘Het is sneu, als ik naar de kerk ga, zijn er amper tien mensen, het is leeg.’ Hij vertelt dat hij theologie heeft gestudeerd en dat hij ooit nog priester zou kunnen worden. Op de vraag of hij dat nog steeds overweegt, haalt hij zijn schouders op. ‘Ik kan het niet uitsluiten. Ik leef mijn leven omgekeerd. Als mensen de kerk verlaten, ga ik naar binnen.’
Grappenmaker
Han brengt een groot deel van de fotoshoot door in gesprek met de assistent van de fotograaf. Hij wil niet poseren, maar laat zich fotograferen terwijl hij praat. We lopen naar de grafstenen van de gebroeders Grimm. Han dwaalt tussen de bomen en voelt aan de bloemen. En net als er een einde aan het interview lijkt te komen, zegt hij dat hij honger heeft. Hij stelt voor dat we gezamenlijk gaan eten in Sale e Tabacchi, een Italiaans restaurant waar hij dol op is. Het is vlak bij het legendarische Checkpoint Charlie, de grenspost tussen de twee Duitslanden tijdens de Koude Oorlog.
Met een glas wijn in de hand – de recorder is uitgezet – komt Han warmer over. Zijn afstandelijkheid is verdwenen, hij lacht en vermaakt zich. Hij houdt niet van interviews, maar wel van een praatje. Hij is een echte grappenmaker; als er iets lolligs in hem opkomt, herhaalt hij het meerdere keren en lacht hij hoofdschuddend. Ontspannen, afwisselend in het Engels en Frans, haalt hij herinneringen op uit zijn leven. Aan het eind van het diner geeft hij ons desgevraagd toestemming om die eventueel in het artikel op te nemen.
Terwijl hij van zijn vissoep eet – een van zijn favoriete gerechten – zegt hij dat hij niet van koken houdt en dat hij nooit rundvlees eet. Hij bestelt altijd twee voorgerechten in restaurants en vertelt dat van alle wijnen rioja gran reserva hem het best helpt om in slaap te komen. Maar veel drinkt hij niet – ‘ik ben erg gematigd’ – en hij heeft bovendien een hekel aan het woord ‘genieten’. Hij vertelt ook over zijn liefde voor Italië – hij is met behulp van cd’s Italiaans aan het leren – en zegt dat hij één keer per jaar naar Zuid-Korea reist om zijn moeder te zien. Met zijn broers heeft hij nauwelijks contact; zijn jongere zus studeert compositie.
De avond valt over het regenachtige Berlijn. De fles raakt leeg. Han vertelt dat hij in Zuid-Korea graag de plekken uit zijn jeugd bezoekt. ‘De geuren daar geven me dat thuisgevoel – een gevoel van veiligheid. Uiteindelijk is dat mijn thuis: thuis is de plek waar je je jeugd hebt doorgebracht. Ik herontdek de geuren uit mijn kindertijd en dat maakt me gelukkig. Maar mijn spirituele thuisland is Duitsland.’
‘En wat is er op dit punt in je leven Duits aan jou? En wat is Koreaans?’
‘Als je mijn gedachten vergelijkt met een vrucht, dan zijn de schil en het vruchtvlees romantisch Duits. Maar de pit? Nee, die is van een exotische vrucht.’
De Israëlische auteur Etgar Keret ziet sociale media als een groot probleem in de oorlog in Gaza. Het zijn machines die ‘haat aanwakkeren’. En bij het flinterdunne activisme zet hij vraagtekens.
Etgar Keret is een van de bekendste en origineelste Israëlische auteurs. Hij schrijft vooral surrealistische korte verhalen vol zwarte humor, en hij is een populaire kinderboekenschrijver. Het interview vindt plaats in zijn woonkamer in Tel Aviv. Grote ramen en veel boeken. Er is thee met koekjes. Zijn huisdier ligt onder zijn fauteuil. Het is een wit konijn dat Hanzo heet. Het konijn huppelt even weg, maar komt al snel weer terug.
Uw land is nu acht weken in oorlog. Wat vindt u daarvan?
‘Het is een heel complexe situatie. Volgens mij zijn sommige problemen niet op te lossen. Toch vind ik het ongelooflijk verbazingwekkend dat ongeveer negen op de tien mensen buiten Israël met wie ik contact heb, denken dat het supersimpel is. Je moest eens weten hoeveel discussies ik al heb gehad, met journalisten of op sociale media, over de vraag of Hamasterroristen kinderhoofden hebben afgehakt, ja of nee. Je kunt het er dus over eens zijn dat Hamas kinderen heeft doodgeschoten en in brand gestoken, ook baby’s, en dat ze ouders vermoordden voor de ogen van hun kinderen. Maar het is blijkbaar vooral een belangrijke kwestie of ze baby’s hebben onthoofd of niet.’
Wat zegt u dan?
‘Dat we er uitgebreid over kunnen debatteren, maar alleen als mijn gesprekspartner gelooft dat dit detail doorslaggevend zal zijn voor zijn mening over wat er is gebeurd.’
Hoe verklaart u dat zo veel mensen lijken te twijfelen aan de gebeurtenissen van 7 oktober?
‘Ik heb de indruk dat veel mensen niet eens meer weten hoe ze aan informatie moeten komen. Vroeger werkte het proces als volgt: je raakte geïnteresseerd in iets, zocht naar meer informatie en vormde je een mening. Tegenwoordig gaat het zo: je vindt de ene partij leuk en de andere haat je. Je gloeit van de haat en dan zoek je nog meer brandstof om je haat op te poken. Ik heb het niet alleen over het conflict in het Midden-Oosten, het is een algemeen maatschappelijk fenomeen dat ertoe leidt dat mensen in parallelle verhalen leven en met elkaar botsen. En allemaal hangen ze aan machines die hun haat aanwakkeren.’
Een paar uur na het brute bloedbad stond de wereldopinie grotendeels aan de kant van de Palestijnen. Waarom heeft Israël de oorlog van de verhalen zo snel verloren?
‘Ik ben misschien ouderwets, maar ik denk dat sociale media een groot probleem zijn. Ze beïnvloeden verkiezingen en maakten iemand als Trump tot president. En kijk nu eens wat er van het activisme geworden is. Ik ben oud genoeg om me te herinneren dat activisme ooit betekende dat mensen zich vastbonden aan bomen, zodat ze niet omgehakt konden worden. Weet je dat nog?’
‘Meerduidigheid is totaal niet meer toegestaan’
Ja.
‘Activisme betekende actie ondernemen om de wereld te veranderen. Tegenwoordig heet het al activisme als je de vlag waar je voor bent op Facebook post. Volledig toegewijd zijn aan eenzijdigheid, dat is het allerbelangrijkste. Meerduidigheid is totaal niet meer toegestaan. Op dit moment zul je de meeste haat over jezelf afroepen als je op sociale media schrijft dat je huilt om de kinderen die op 7 oktober zijn gedood én om de kinderen in Gaza. Daar word je voor aan flarden gescheurd. Progressief links roept dan: Hoe kun je die twee gelijkstellen!’
U pleit voor medeleven met beide partijen.
‘Natuurlijk doe ik dat. Maar mijn benadering is ouderwets, tegenwoordig is alles doordrenkt van ideologie. Het is een misdaad tegen de menselijkheid om kinderen, ouderen, zieken en een negen maanden oude baby te ontvoeren en vervolgens het Rode Kruis de toegang tot hen te ontzeggen. En het is een misdaad tegen de menselijkheid om in een oorlog geen water naar burgers te brengen. Het gaat er niet om wie we meer haten, het gaat erom hoe we de problemen oplossen. Maar weet je wat een nog grotere misdaad is, en ik schrijf en zeg dit al twintig jaar hardop?’
Nee, wat?
‘De Palestijnen geen land geven waarin ze onafhankelijk kunnen leven. Op dit punt wordt altijd tegengeworpen dat de Palestijnen een eerder aanbod nooit hebben geaccepteerd. Maar wat ook waar is, is dat Israël al meer dan twintig jaar geen vinger uitsteekt om hen dichter bij dit doel te brengen. Netanyahu doet er alles aan om een Palestijnse staat te voorkomen. Aan de andere kant is Hamas een homofobe, vrouwenhatende, terroristische organisatie onder leiding van een man, Jahia Sinwar, die er prat op gaat eigenhandig twaalf mensen te hebben gedood, namelijk Palestijnen die hij verdacht van collaboratie. Ik veracht Netanyahu. Maar als ik naar een nieuwe flat moet verhuizen, heb ik liever hem als buurman dan Sinwar, gewoon omdat ik mijn lijk niet in een vuilnisbak gedeponeerd wil zien. Ik woon liever naast een liegende, bedriegende klootzak dan naast een moordenaar die, zelfs toen er demonstraties waren in Gaza, zijn eigen burgers liet doodschieten.’
Er worden veel onschuldige mensen gedood om Hamas te vernietigen. Vind je het juist dat Israël militaire actie onderneemt?
‘Ik ben geen strateeg. Het is al moeilijk genoeg om achter de feiten te komen. Ik ben een gewone man, een astmapatiënt die zijn hele leven heeft geprobeerd om confrontaties uit de weg te gaan, maar mijn intuïtie zegt mij: wat er op 7 oktober is gebeurd, is ongekend. Dat meer dan twaalfhonderd mensen op één dag zo bruut zijn afgeslacht, levend verbrand, zo veel … gewone burgers… Als zoiets gebeurt, heeft een land plichten: Israël moet de gegijzelden bevrijden. De daders moeten worden berecht. En Iran moet het signaal krijgen dat dit geen lokaal conflict is. Het zijn Iran en de VS die hier vechten, via plaatsvervangers. Het doel van de terroristische aanslag was om de toenadering tussen Israël en de Saoedi’s te dwarsbomen. Want wat heeft het de Palestijnen opgeleverd? Wat had het voor zin om zo’n militaire aanval uit te lokken? Maar als je me nu vraagt of het zin heeft dat er kinderen sterven, dat mensen zonder water komen te zitten, dan zeg ik nee. Hoe ingewikkeld de hele situatie is, blijkt wel uit de aanval op het ziekenhuis, die tegelijk ook een terroristische cel was. Als de ene partij alle oorlogsregels overtreedt, is het erg moeilijk om van de andere partij te verwachten dat die zich aan de regels houdt. En er is nog iets.’
Wat dan?
‘Ik kan me niet herinneren dat ik de wereldpers ooit zo slecht heb zien berichten. Zo bevooroordeeld, ongeacht om welke kant het gaat. Natuurlijk moet je Israël bekritiseren om zijn beleid. Dat doe ik al jaren, daar heb ik in Israël zelfs doodsbedreigingen voor ontvangen. Maar als het hoofd van de VN slechts twee weken na dit onbeschrijfelijke bloedbad zegt: Ja, maar het gebeurde niet in een vacuüm… Het hoofd van de VN, nota bene! Stel je het hypothetische geval voor dat iemand zijn familie afslacht. Zelfs als mensen geloven dat Guterres [het hoofd van de VN] niet echt een aardige vent is, zouden ze op zijn minst de eerste periode van rouw afwachten voordat ze zeggen: Nou, je familie is afgeslacht, maar kijk, jij bent ook niet echt een aardige vent. Tot op de dag van vandaag heeft hij niets gezegd over het feit dat onder de ontvoerden ook overlevenden van de holocaust waren, en kankerpatiënten. De VN heeft ook niets gezegd over het verschrikkelijke geweld tegen vrouwen op 7 oktober. Vrouwen werden systematisch verkracht en met hun naakte lijken werd geparadeerd. Geen enkele vrouwenorganisatie ter wereld heeft dit veroordeeld, niet één.’
‘Als iemand tegen me zegt dat hij pro-Israël of pro-Palestina is, word ik onmiddellijk depressief’
Hoe verklaart u dit?
‘Het past niet in het verhaal waar mensen zich comfortabel bij voelden. Weet je nog toen de Nord Stream-pijpleiding explodeerde? Even was het een groot probleem. Mensen waren koortsachtig aan het puzzelen over wie de daders waren. Het moesten de Russen geweest zijn. Uiteindelijk kwam er steeds meer bewijs dat Oekraïne er waarschijnlijk achter zat. Maar dat wilde men niet geloven. Het was een beetje pijnlijk en het paste niet in het leuke en simpele vriend-vijanddenken. We houden van Oekraïne en Poetin haten we. Ik bedoel, dan moeten we allemaal opeens een andere vlag op Facebook zetten. Nee, we negeren liever alle informatie die onze mening in twijfel trekt, die het totaalplaatje complexer en ingewikkelder maakt, ook al is dat wel de realiteit. Als iemand tegen me zegt dat hij pro-Israël of pro-Palestina is, word ik onmiddellijk depressief. Omdat die persoon eerlijk toegeeft dat niets wat ik zeg zijn of haar mening zal veranderen. En wat betekent dat, pro-Israël? Sorry dat ik zo veel praat.’
Ga alstublieft verder.
‘Betekent pro-Israël zijn ook “pro-kinderen-die-sterven-door-bommen-in-Gaza” zijn? Echt, het vermogen om enige vorm van complexiteit te bevatten is op dit moment angstaanjagend laag. Het is alsof een virus het intellect van de mensheid heeft geïnfecteerd. Wat overheerst, zijn emoties die niemand verder helpen: haat, frustratie, vervreemding. Als ik mijn Palestijnse, mijn Arabische vrienden bel en zeg: Hé, ze zijn gewoon gestoord, we komen er wel doorheen, dan heb ik de illusie dat ik iets doe. Wat doen de activisten van vandaag? Als ze niet “From the river to the sea” roepen, morsen ze tomatensoep op een Van Gogh en beweren ze dat ze tegen klimaatverandering zijn.’
U lacht.
‘Stel je voor dat buitenaardse wezens naar de aarde zouden komen. Als iemand zichzelf aan een boom vastbindt zodat die niet omgehakt kan worden, begrijpt de alien wat er bedoeld wordt. Maar toon me een alien die iemand aardappelpuree ziet smeren op een schilderij van Monet en de conclusie trekt: Ah, iemand vernielt kunst met bewerkt voedsel, duidelijk een protest tegen klimaatverandering! Of laten we de grote activist van onze tijd nemen, Greta Thunberg.’
Gaat uw gang.
‘Ik ben een linkse liberaal die campagne voert voor vrede. Mijn helden zijn Gandhi, Martin Luther King en Rosa Parks. Drie mensen die het moeilijk hadden in het leven en grote offers brachten voor hun overtuigingen. Daartegenover staat Greta Thunberg, en dan bedoel ik haar niet als persoon, maar als symbool: een bevoorrechte jonge vrouw uit een van de rijkste landen ter wereld. Ze heeft asperger, dus ze is niet bepaald gevoelig voor de wereld om haar heen. Mijn broer heeft ook asperger, dus sta me toe deze politiek incorrecte opmerking te maken. Haar asperger zorgt er dus voor dat ze heel direct heel grimmige dingen zegt, gericht aan mensen die haar over het algemeen niet serieus nemen. Oké. Maar meer doet ze niet. Ze zit op haar bank en houdt een stuk karton omhoog. Dat is alles. Ze reist niet naar Gaza, ze zamelt geen geld in voor voedsel, niets. Hashtag Stand with Gaza. Hoewel ze zit, ‘staat’ ze metaforisch voor Gaza, in haar gezellige Scandinavische flat. Het activisme van nu benoemt geen probleem om er vervolgens een oplossing voor te zoeken. Nee, het activisme van nu ziet een probleem en zegt: dit is verkeerd, en het is jouw schuld, jij walgelijk stuk stront. Ik wens je dood. De oude discussieformule – zo zie ik het, hoe zie jij het? – is niet langer van toepassing. Alles neemt onmiddellijk de vorm aan van een inquisitie: dit is hoe ik het zie, en ik vermoord je als je het niet op dezelfde manier ziet. We leven in donkere tijden.’
Wat zou volgens u de best mogelijke uitkomst van deze oorlog zijn?
‘In de afgelopen twintig jaar waren Netanyahu en Hamas de dominante krachten in de regio. In zekere zin vormden ze een coalitie. Netanyahu hielp Hamas met geld en Hamas hielp Netanyahu ook. Bijvoorbeeld om zijn eerste verkiezingen in 1996 te winnen. Shimon Peres lag lange tijd voor in de verkiezingscampagne. Toen begon Hamas zelfmoordaanslagen uit te voeren in Israëlische steden, waarbij mensen werden gedood in Jeruzalem en Tel Aviv. Netanyahu presenteerde zichzelf als Mr. Security – en won. Na de verkiezingen namen de aanvallen af. Beide krachten willen hetzelfde: geen vrede. Ze zijn wederzijds afhankelijk en hebben de hele regio in hun greep. Het enige positieve dat uit de verschrikkelijke ervaring van 7 oktober kan voortkomen, is dat beide partijen zo verstandig zijn om te zeggen: we willen deze twee machten niet langer in ons leven. We willen een nieuwe start.’
Hoe waarschijnlijk is dat?
‘Ik denk niet dat het mogelijk is dat Netanyahu premier blijft na deze oorlog. En Hamas zal er ook anders uitzien. Er is nog zo veel mogelijk. Natuurlijk ook ergere dingen. Misschien zal er een nog diabolischer organisatie opstaan. Het zou kunnen dat de extreemrechtse Israëlische minister Ben-Gvir Gaza opeist om er groenten te gaan verbouwen. Maar ik wil optimistisch zijn. Dan is er tenminste een kans op iets nieuws. En dan zullen alle progressieve linkse mensen in Europa iets anders moeten zien te vinden om zich over op te winden.’
Benjamin Netanyahu werd voor het eerst premier in 1996 en heeft het land sindsdien steeds verder naar rechts gestuurd. Veel Israëliërs zijn het erover eens dat zijn politieke dagen zijn geteld – maar het is de vraag of de koers die hij heeft ingezet nog zal gaan veranderen.
Het bloedbad van 7 oktober door Hamas had niet mogelijk moeten zijn. Zeker niet met premier Benjamin Netanyahu aan het roer. Hij was, zoals zijn aanhangers het uitdrukten, ‘Mister Security’. Hij zei herinnerd te willen worden als ‘de beschermer van Israël’. Hij pochte dat Israël nooit een meer vreedzame en meer welvarende tijd heeft gekend dan gedurende de ruwweg zestien jaar dat hij aan de macht is. Onder zijn opeenvolgende regeringen installeerde Israël het Iron Dome-systeem om raketten uit de Gazastrook te onderscheppen en bouwde het langs de grens met Gaza à 1,1 miljard dollar een hek met een lengte van bijna 65 kilometer, uitgerust met ondergrondse sensoren, op afstand bestuurbare wapens en een uitgebreid camerasysteem. Het succes van Netanyahu’s visie op Fort Israël moest blijken uit de mate van onzichtbaarheid van de Palestijnen en hun lijden, beschouwd vanuit een comfortabele stoel in een café in Tel Aviv.
Maar de relatieve rust van het afgelopen anderhalve decennium was gebouwd op een reeks illusies: dat de Palestijnen en hun vrijheidsstreven verborgen konden blijven achter betonnen barrières en genegeerd konden worden; dat elke vorm verzet die nog bestond in bedwang kon worden gehouden door een combinatie van technologie en overweldigende vuurkracht; dat de wereld, en vooral de soennitische Arabische staten, zo moe waren geworden van de Palestijnse kwestie dat deze van de mondiale agenda kon worden gehaald, zodat Israëlische regeringen konden doen wat ze wilden zonder daar al te veel gevolgen van te ondervinden.
De aanval van 7 oktober heeft al deze veronderstellingen aan diggelen geslagen. Hamas-schutters op motoren en achter op pick-uptrucks omzeilden de ‘slimme’ barrière die meer kostte dan het bbp van Grenada. Het Israëlische leger leek bijna aan de grond genageld en was meer dan 48 uur niet in staat om de controle over sommige steden en kibboetsen te heroveren. Elk aspect van Netanyahu’s project stortte in op de zaterdagochtend die de Israëliërss ‘de zwarte sjabbat’ zijn gaan noemen.
De opeenvolgende Netanyahu-regeringen hebben de Israëliërss niet meer veiligheid gebracht. In plaats daarvan hebben ze hen kwetsbaar gemaakt voor aanvallen zoals die van Hamas. Netanyahu heeft voor Israël geen weg uitgestippeld naar onafhankelijkheid van de Verenigde Staten. Onder zijn leiding werd Israël net zo afhankelijk van zijn Amerikaanse geldschieter als tijdens de enige vergelijkbare ramp in de Israëlische geschiedenis, de Jom Kippoer-oorlog van 1973. Netanyahu beloofde de staat te stroomlijnen en de overheid efficiënter te maken. Daarentegen is de Israëlische bureaucratie uitgehold, zijn de sociale diensten slecht gefinancierd en leveren ze amper.
En toch, ook al is van Netanyahu’s visie voor Israël weinig heel gelaten, er staat geen duidelijke opvolger klaar om met die visie te breken. Het zal wellicht moeilijk zijn om het afgebakende pad dat Netanyahu heeft uitgezet, te verlaten. De huidige crisis kan weleens het einde betekenen van Netanyahu’s politieke carrière. Evengoed kan Israël gevangen blijken te zitten in de omstandigheden die hij heeft gecreëerd, tot lang na zijn vertrek.
Brutaal gezicht
Op een donkere oktoberavond in 1995 staat Netanyahu op een balkon dat uitkijkt over het Zionplein in Jeruzalem. Een spandoek met de tekst ‘Dood aan de Arabieren’ is voor hem uitgerold. Een opgewonden menigte van tienduizenden mensen staat onder hem. Yitzhak Rabin, de toenmalige premier, had aangedrongen op besprekingen voor een regeling met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en dit protest is georganiseerd door rechtse tegenstanders van de Oslo-akkoorden. Netanyahu is op dat moment de 46-jarige gekozen leider van Israëls rechtse partij Likoed. Hij wordt alom gezien als een brutaal nieuw gezicht in een vermoeide politieke wereld die nog steeds wordt gedomineerd door veteranen uit de tijd van de oprichting van Israël.
Netanyahu is een ervaren politicus en heeft zijn politieke toekomst op het spel gezet door zich te verzetten tegen het vredesproces van Oslo. De zomer voor de verkiezingen had hij zich aangesloten bij een demonstratie met een nagebootste begrafenisstoet voor Rabin, compleet met doodskist en strop, waarbij demonstranten ‘Dood aan Rabin’ scandeerden. Op die oktoberavond zwaaien demonstranten in de straten van Jeruzalem met borden die Rabin tot verrader bestempelen. Ze dragen foto’s van hem in SS-uniform of gehuld in de keffiyeh van PLO-voorzitter Yasser Arafat. Ze roepen ‘met bloed en vuur zullen we Rabin verdrijven’ en, opnieuw, ‘Dood aan Rabin’.
Een maand later schiet een religieus-nationalistische rechtenstudent genaamd Yigal Amir twee kogels in de rug van Rabin, waaraan hij overlijdt. De visie van een territoriaal compromis die Rabin vertegenwoordigde, wordt daarmee ook om zeep geholpen. Buiten het ziekenhuis waar de dood van Rabin wordt aangekondigd, scandeert een menigte aanhangers van de premier: ‘Bibi [de bijnaam van Netanyahu] is een moordenaar!’ Natuurlijk was het Amir die de trekker overhaalde. Maar Netanyahu is een van de prominente figuren die de sfeer van geweld hebben aangewakkerd waarin Amir zijn daad verrichtte.
In 1996 schrijft Shimon Peres – de partijleider van Labor en opvolger van Rabin – verkiezingen uit in de hoop opnieuw een mandaat van de bevolking te krijgen voor het vredesproces van Oslo. Volgens peilingen is het een veilige gok. In de nasleep van de moord op Rabin is Netanyahu’s populariteit tanende. Maar na een reeks zelfmoordaanslagen in de maanden voor de verkiezingen in mei keren zijn kansen. Tegen Peres hamert hij op de gevaren van een territoriaal compromis, hij zet zijn gematigde tegenstander neer als zwak en waarschuwt dat Peres ‘Jeruzalem zal verdelen’. Met een krappe marge van minder dan 1 procent van de stemmen zorgt Netanyahu voor een verrassende ommekeer. Hij wordt de jongste premier in de geschiedenis van Israël.
Terwijl veel van zijn aanhangers religieuze traditionalisten zijn, is hij streng seculier en leeft hij niet eens koosjer
Zijn eerste termijn van drie jaar is geen succes, maar laten al veel zien van zijn aanpak. De regering-Clinton zet Netanyahu onder druk om de vredesonderhandelingen verder te helpen, maar hij houdt de Amerikanen aan het lijntje. Hij zegt alleen het absolute minimum toe dat nodig is om het proces levend te houden, terwijl hij er alles aan doet om een akkoord over de definitieve status op de lange termijn te voorkomen. In de ogen van zijn rechtse critici breekt Netanyahu niet resoluut genoeg met de tweestatenoplossing. De beste manier om een Palestijnse staat te voorkomen, vindt hij, is om dat in stilte te doen, zonder de ophef die formele annexatie of directe afwijzing van het door de VS geleide vredesproces met zich mee zou brengen.
Netanyahu is geen conventionele ideoloog. Zijn verzet tegen een tweestatenoplossing komt niet voort uit een messiaanse overtuiging of uit bijbelse inspiratie. Terwijl veel van zijn aanhangers religieuze traditionalisten zijn, is hij streng seculier en leeft hij niet eens koosjer. In plaats daarvan wordt zijn wereldbeeld gevormd door diep pessimisme. ‘Op de vraag of we voor altijd moeten leven met het zwaard, is mijn antwoord ja’, zei hij in 2015 tegen een groep Knesset-leden. Deze visie kreeg hij als kind al mee. Zijn vader, Benzion Netanyahu, was een zwartgallige historicus die in 2012 op 102-jarige leeftijd overleed. ‘De Joodse geschiedenis is in grote mate een geschiedenis van holocausts,’ vertelde Netanyahu senior ooit aan David Remnick van The New Yorker. Bij zijn zoon heeft die catastrofale visie op de geschiedenis ertoe geleid dat hij bijna alle defensiekwesties ziet als een existentiële dreiging. In die visie zal elke Palestijnse staat vrijwel zeker uitgroeien tot een islamistische terreurstaat die het bestaan van Israël bedreigt; daarom is onbeperkte Israëlische controle over de bezette gebieden een absolute noodzaak voor Joodse overleving.
Netanyahu combineert dit sombere wereldbeeld met een meesterlijke beheersing van de kunst van politieke presentatie. Hij is de eerste echte tv-premier van Israël. Hij volgt acteerlessen om zijn publieke optredens te perfectioneren. Hij draagt make-up en zorgt ervoor dat de camera’s alleen zijn goede kant laten zien. In een tijd waarin de meeste andere Israëlische politici nog steeds de voorkeur gaven aan opgerolde overhemdsmouwen, verschijnt Netanyahu in gedurfde Brioni-pakken, en die luxe smaak is gedurende zijn jaren aan de macht blijven bestaan.
Netanyahu, een voormalig commando van de speciale strijdkrachten die daarna managementconsultant werd, belichaamt de nieuwe Israëlische synthese van het havikachtige neoliberalisme. Hij is van meet af aan een technocraat en een populist. In 1996 komt hij met uitgebreide plannen om de Israëlische economie opnieuw op te bouwen volgens vrijemarktprincipes à la Margaret Thatcher: herstructurering van de bureaucratie van het land, liberalisering van de arbeidsmarkt, vermindering van subsidies voor noodlijdende industrieën. Hij realiseert weinig van dit programma. Aanzienlijker zijn de veranderingen die hij teweegbrengt in de politieke cultuur van het land. Sinds het premierschap van Menachem Begin in de jaren zeventig, had Likoed de retoriek van de gefrustreerde klasse en religieus traditionalisme ingezet om een basis uit vooral de Mizrahim-arbeidersklasse te bereiken – Joden van Midden-Oosterse en Noord-Afrikaanse afkomst. Netanyahu past het populisme van Likoed aan naar het tijdperk van de soundbite: zijn aanhangers scharen zich achter de slogan ‘Netanyahu – goed voor de Joden’. Een slogan die impliceert dat zijn tegenstanders ontrouw zijn aan Joodse belangen.
Nadat hij in 2009 weer aan de macht komt, zweert Netanyahu dat hij die zal behouden. Zoals de Israëlische journalist Ben Caspit in zijn boek The Netanyahu Years beschrijft, verpletterde of verdreef Netanyahu al zijn potentiële rivalen binnen Likoed. Tegen 2015 heeft deze partij ‘een metamorfose ondergaan’, schrijft Haaretz-redacteur Aluf Benn; ‘van een risicomijdende conservatief naar een rechts-radicaal’. Een partij die – hoewel altijd fel en zelfs gewelddadig nationalistisch – ooit ook economische en sociale liberalen telde, verandert hij in een autoritaire populistische partij, met zijn charismatische persoonlijkheid als middelpunt. Aangemoedigd door zijn vrouw Sara en zijn zoon Yair begint Netanyahu zichzelf te beschouwen als onmisbaar, als de incarnatie van de nationale geest, als identiek aan de staat zelf. ‘Zonder Bibi,’ heeft Sara Netanyahu herhaaldelijk gezegd, ‘is Israël ten dode opgeschreven.’
Voorwaarden
Gedurende zijn lange jaren aan de macht ontstond er een duidelijk politiek ‘Netanyahu-model’. Als het ging om de Palestijnse kwestie was zijn kernovertuiging dat de bezetting voor onbepaalde tijd kon worden gemanaged en gehandhaafd. In theorie suggereerde Netanyahu dat hij bereid zou zijn om een ‘gedemilitariseerde’ Palestijnse staat te accepteren die hij beschreef in een toespraak in 2009 aan de Bar-Ilan-universiteit. Maar in de praktijk, zoals hij in hetzelfde betoog schetste, waren de voorwaarden waaronder hij zou instemmen met zo’n staat van dien aard dat geen enkele Palestijnse leider ze ooit zou kunnen accepteren: het betrof niet alleen demilitarisering en Israëlische controle over het luchtruim, maar ook een Israëlische hoofdstad in een ongedeeld Jeruzalem. Het was bluf die hij inzette om de illusie van een vredesproces levend te houden en tegelijkertijd de bezetting verder te verankeren.
Zijn overtuiging dat de bezetting eeuwig kon blijven duren, werd en wordt breed gedeeld. De belangrijkste intellectueel van centrumrechts Israël, de filosoof Micah Goodman, gaf het idee van ‘bezettingsmanagement’ een behoorlijk pragmatisch sausje in zijn boek Catch-67 uit 2018. In plaats van te hopen het Israëlisch-Palestijnse conflict ‘op te lossen’, suggereert Goodman dat het ‘geminimaliseerd’ zou kunnen worden – bijvoorbeeld door gebieden met beperkte Palestijnse autonomie te vergroten, terwijl de uiteindelijke Israëlische dominantie op de bezette Westelijke Jordaanoever gehandhaafd blijft.
Zelfs Netanyahu’s politieke tegenstanders hebben deze aanpak omarmd. De kortstondige ‘veranderingsregering’ onder leiding van voormalig tv-presentator Yair Lapid en kolonistenleider Naftali Bennett, die in het voorjaar van 2021 gedurende enige tijd de plek van Netanyahu innam, week niet af van het Netanyahu-model, maar verdiepte het verder. Het was tijdens de regering Lapid-Bennett dat het aantal Palestijnse slachtoffers op de Westelijke Jordaanoever begon toe te nemen. Het was ook de periode waarin Benny Gantz, op dat moment minister van Defensie, zes vooraanstaande Palestijnse ngo’s voor mensenrechten betitelde als ‘terroristische organisaties’ – als onderdeel van Israëls inspanningen om oppositie tegen de bezetting de kop in te drukken.
Voor voorstanders heeft het paradigma van bezettingsmanagement tal van praktische voordelen. Het handhaven van de status quo verkleint het risico om de internationale gemeenschap kwaad te maken. Een zogenaamd tijdelijke bezetting, maar in de praktijk voor onbepaalde duur, stelt Israël in staat om de Palestijnen rechteloos te houden; een formele annexatie daarentegen zou Israël verplichten te beslissen of het Palestijnen in de geannexeerde gebieden al dan niet het staatsburgerschap wil toekennen. Dat zou, vanuit Israëls standpunt, het risico met zich meebrengen dat de Joodse demografische meerderheid in gevaar komt.
‘Iedereen die de oprichting van een Palestijnse staat wil voorkomen, moet de versterking van Hamas steunen’
Netanyahu en zijn bondgenoten vonden het echter niet voldoende om de bezetting te verankeren, maar achtten het ook noodzakelijk te garanderen dat er geen verenigde Palestijnse beweging zou kunnen ontstaan. Volgens Netanyahu kon dat worden bereikt door de islamistische Hamas in Gaza te versterken ten koste van zijn rivaal, de door Fatah gedomineerde PLO op de Westelijke Jordaanoever. Om de Hamas-regering in Gaza overeind te houden, maakte de Qatarese regering op verzoek van Israël miljarden dollars over naar de militante groep. ‘Iedereen die de oprichting van een Palestijnse staat wil voorkomen, moet de versterking van Hamas steunen,’ zei Netanyahu op een bijeenkomst van de partij Likoed in 2019. ‘Het is onderdeel van onze strategie om de Palestijnen te verdelen tussen Gaza enerzijds en Judea en Samaria anderzijds.’
Wat Israëliërs ‘de conceptzia’ noemen – dit paradigma van bezettingsmanagement en verdeel-en-heers – kreeg een tegenhanger op het gebied van buitenlands beleid. Tot 2020 waren Egypte en Jordanië de enige Arabische staten die verdragen met Israël hadden ondertekend. Dat veranderde toen de regering-Trump de Abraham-akkoorden van 2020 bekrachtigde, een reeks overeenkomsten over normalisatie van de betrekkingen tussen Israël en de golfstaten Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten, alsmede Marokko en Soedan. Het is geen toeval dat Hamas zijn aanval uitvoerde op het moment dat Israël en Saoedi-Arabië dichter bij harmonisatie leken te komen. Zelfs na de huidige verwoestende oorlog is het heel goed mogelijk dat Israël en de Saoedi’s dat proces voortzetten, maar het is net zo duidelijk als voorheen dat de regionale stabiliteit en de veiligheid van Israël op langere termijn afhangen van de beëindiging van de bezetting en de verwezenlijking van de Palestijnse nationale aspiraties.
Vanuit het perspectief van rechts in Israël biedt regionale integratie een alternatief vangnet nu de VS hun aandacht verleggen van het Midden-Oosten naar Azië. Zoals de Israëlische politicus Avigdor Lieberman, lid van de rechtse seculiere partij Yisrael Beiteinu, me in de zomer van 2022 vertelde, maakte ‘de afnemende status’ van de VS in de wereldpolitiek nauwere banden noodzakelijk tussen Israël en andere landen in de regio. ‘Mensen begrijpen dat ze elkaar moeten steunen,’ zei hij.
Een Midden-Oosten waarin de VS een minder actieve rol zou spelen is ook al lang een droom van Israëlische haviken, die de Israëlische afhankelijkheid van de VS als een beperking en strategische zwakte zien. In 1996 publiceerde een neoconservatieve denktank onder leiding van Richard Perle – die later deel zou uitmaken van de regering van George W. Bush – een document getiteld A Clean Break: A New Strategy for Securing the Realm, waarin wordt geschetst hoe Israël onder Netanyahu ‘een nieuwe basis zou kunnen smeden voor zijn betrekkingen met de Verenigde Staten’. Volgens de auteurs zou Israël ‘meer vrijheid van handelen kunnen krijgen en een belangrijke mate van tegendruk kunnen wegnemen’ als het in staat is om ‘zichzelf los te weken’ van de steun van de VS door ‘zijn economie te liberaliseren’.
De militaire hulp van de VS aan Israël is in wezen een subsidie voor Amerikaanse wapenfabrikanten
De opeenvolgende regeringen van Netanyahu kozen in grote mate voor deze strategie. Agressieve privatiseringen van banken en nutsbedrijven, belastingverlagingen, sterke verlagingen van de overheidsuitgaven en antivakbondsmaatregelen veranderden Israël van een middelmatige, door de staat gedomineerde economie in een welvarende regionale macht, die militaire en surveillancetechnologie exporteert, terwijl de ongelijkheid ondertussen toeneemt. Onder Netanyahu – eerst als minister van Financiën in de regering van Ariel Sharon, daarna tijdens zijn tweede ambtstermijn als premier – draaide Israël zijn langdurige handelstekort om en begon het enorme buitenlandse valutareserves op te bouwen. Hoe sterker het land economisch werd, hoe minder directe economische hulp van de VS nodig was. Die stopte dan ook in 2008. De militaire hulp van de VS aan Israël, die nog steeds het enorme bedrag van 38 miljard dollar bedraagt, bestaat vooral in de vorm van een korting op Israëlische aankopen van Amerikaanse wapens en financiering van raketafweer en is in wezen een subsidie voor Amerikaanse wapenfabrikanten.
In de jaren tien begon Netanyahu zich af te keren van de VS en diens bondgenoten en cultiveerde hij relaties met openlijk niet-liberale staten zoals het Hongarije van Viktor Orbán en het Polen van de aftredende leider Jarosław Kaczynski. Op deze manier probeerde hij mogelijke maatregelen van de Europese Unie tegen Israël te blokkeren. Netanyahu schepte op over zijn goede werkrelatie met Vladimir Poetin. Campagneposters voor de verkiezingen van 2019 van Likoed tonen Netanyahu die handen schudt met de Russische leider. In de oorlog van Rusland tegen Oekraïne weigert Israël om raketafweersystemen aan Oekraïne te leveren en heeft het de kritiek op het Russische handelen tot een minimum beperkt. Israël, dat altijd beducht is voor een terugval van de VS, heeft ook de banden met China aangehaald. In 2021 heeft het, in het kader van China’s Belt and Road Initiative, oftewel Nieuwe Zijderoute, het staatsbedrijf Shanghai International Port Group de exploitatie gegund van de scheepvaartterminal Haifa-baai, die ongeveer de helft van het vrachtvervoer van het land beheert. Chinese bedrijven hebben ook meegewerkt aan grote Israëlische infrastructuurprojecten, zoals het nieuwe lightrailsysteem in Tel Aviv.
Wat binnenlandse zaken aangaat ontwikkelde Netanyahu een uitzonderlijke vorm van patronage. Hij kende ministersposten en posities bij overheidsinstellingen toe aan Likoed-apparatsjiks en jaknikkers, onbekenden en incompetenten wier enige geloofsbrieven hun loyaliteit aan hem leken te zijn. In 2020, nadat hij in verschillende corruptiezaken was aangeklaagd wegens omkoping, fraude en schending van vertrouwen, werd zijn politieke stijl steeds meer paranoïde. In een toespraak voorafgaand aan het proces zei hij: ‘Elementen bij de politie en het Openbaar Ministerie hebben krachten gebundeld met de linkse media – ik noem ze de “iedereen behalve Bibi”-bende – om ongegronde zaken tegen mij aan te spannen.’ Dit zorgde voor van wat sommige Israëlische commentatoren ‘bibisme’ noemen – een mengsel van oorlogszuchtig nationalisme, samenzweringstheorieën en, boven alles, het neerzetten van Netanyahu’s tegenstanders als verraders.
Terwijl steeds meer kiezers zich tegen hem keerden, hield Netanyahu een regeringscoalitie in stand door extremistische kolonisten en messianistische volksnationalisten op machtsposities in zijn regering te zetten. Onder hen bevond zich onder meer Itamar Ben-Gvir, nu minister van Nationale Veiligheid, eerder veroordeeld voor het aanzetten tot racisme en terrorisme. Als jonge extreemrechtse militant maakt hij deel uit van een groep die een colonne met Yitzhak Rabin aanviel en tot voor kort hing in zijn woonkamer een foto van Baruch Goldstein, de in Brooklyn geboren Israëlische kolonist die 29 Palestijnen afslachtte bij de Grot van de Patriarchen in Hebron. Als onderdeel van de coalitieonderhandelingen van afgelopen winter droeg Netanyahu de autoriteit over de militaire regering in de Westelijke Jordaanoever over aan hardliner Bezalel Smotrich, minister van Financiën en religieus nationalist, die eerder opriep tot formele annexatie van de Westelijke Jordaanoever en uitwijzing van alle Palestijnen die zich daartegen verzetten.
Toen ze geïnstalleerd waren, begonnen Ben-Gvir en Smotrich onmiddellijk aan te sturen op annexatie van delen van de bezette Westelijke Jordaanoever, door het implementeren van landjepikmaatregelen en goedkeuring van onbeperkte uitbreiding van nederzettingen, met als resultaat – zelfs al vóór de huidige oorlog – dat 2023 het dodelijkste jaar voor Palestijnen is sinds de tweede intifada. Tussen 1 januari en 6 oktober heeft het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden van de Verenigde Naties minstens 199 Palestijnse dodelijke slachtoffers geregistreerd op de bezette Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem. Dat is het hoogste aantal sinds 2005.
Zelfgenoegzaamheid
De inval van Hamas in de ochtend van 7 oktober heeft elk element van Netanyahu’s project tenietgedaan. De grootte en de wreedheid van de aanval maakten duidelijk dat het onmogelijk is om de bezetting voor altijd in stand te houden zonder aanhoudend en verwoestend verlies van mensenlevens. Gedurende het grootste deel van de afgelopen twee decennia waren het de Palestijnen die het overgrote deel van deze menselijke kosten droegen, en die jaren zorgden in Israël voor een gevaarlijke zelfgenoegzaamheid en onverschilligheid ten opzichte van het lot van hun Palestijnse buren. Het leiderschap van Hamas herkende deze kwetsbaarheid en buitte die uit met moorddadig effect.
Hoewel het tijd zal kosten om de omvang van het falen van de Israëlische inlichtingendienst volledig te begrijpen, is tot nu toe duidelijk dat militaire functionarissen mogelijke waarschuwingssignalen hebben genegeerd. VolgensHaaretz luisterde de Israëlische inlichtingendienst maanden voor de aanvallen niet meer naar de walkietalkiegesprekken van Hamas. In een recent tv-interview zei een twintigjarige soldaat van de 7e pantserbrigade dat zijn eenheid in de nacht van 6 oktober rond 23.00 uur meldingen van ongewone activiteit had ontvangen, maar geen vervolgopdracht had gekregen. Om ongeveer drie uur ’s ochtends kreeg Ronen Bar, directeur van de Shin Bet, de binnenlandse veiligheidsdienst van Israël, een telefoontje naar aanleiding van dergelijke meldingen. Na urenlang overleg in de vroege ochtend stuurde hij slechts een klein team van speciale eenheden naar het gebied met scheidingshekken van Gaza. In de overtuiging dat Hamas was gepacificeerd, afgeschrikt en opgenomen in de Israëlische aanpak van bezettingsmanagement, hielden de Israëlische generaals het niet voor mogelijk dat Hamas een aanval van deze omvang kon uitvoeren.
De aanvallen onthullen ook met angstaanjagende duidelijkheid het strategische risico dat het voortdurende nederzettingenbeleid op de Westelijke Jordaanoever met zich meebrengt. Een van de redenen waarom Hamas-schutters erin slaagden de Israëlische verdediging te overrompelen en waarom het zolang duurde voordat de betreffende Israëlische troepen de steden en kibboetsen wisten te heroveren, is dat een groot deel van het Israëlische leger naar de Westelijke Jordaanoever was gestuurd. Dat weekend was de Joodse feestdag Simchat Thora – onder normale omstandigheden een tijd van vreugde en dans, maar op de bezette Westelijke Jordaanoever een periode van intens geweld door kolonisten. Het Israëlische leger had zelfs troepen verplaatst van de grens met Gaza naar de Westelijke Jordaanoever om de Israëlische kolonisten te bewaken. In totaal waren 32 bataljons van de IDF [Israël Defence Forces – het Israëlische leger] ingezet op de bezette Westelijke Jordaanoever, tegenover slechts twee bataljons langs de grens met Gaza. Dit maakte de Israëlische burgers in kibboetsen en steden in de westelijke Negev-woestijn kwetsbaar, terwijl kolonisten op de Westelijke Jordaanoever de Palestijnse bevolking terroriseerden onder dekking van de IDF. Voorstanders van de bouw van nederzettingen hebben lang beweerd dat hun inspanningen de veiligheid van Israël ten goede komen. De werkelijkheid heeft aangetoond dat dit simpelweg niet waar is.
Netanyahu’s falen op het gebied van buitenlandse betrekkingen is niet minder veelzeggend. In tegenstelling tot wat hij sinds lange tijd denkt, zal de Palestijnse kwestie niet zomaar verdwijnen. Er zal geen echte Israëlische integratie in het bredere Midden-Oosten mogelijk zijn zonder een langetermijnovereenkomst die een einde maakt aan de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de belegering van de Gazastrook. De huidige oorlog heeft de relaties van Israël met Egypte en Jordanië, de twee meest cruciale Arabische bondgenoten, verzwakt. Met de hulp van de VS heeft de Israëlische regering geprobeerd druk uit te oefenen op de Egyptische regering om Gazanen naar Egyptisch grondgebied over te brengen, een zet die getuigt van een roekeloze minachting voor de stabiliteit van het zuidwestelijke buurland. De Egyptische autoriteiten hebben tot nu toe geweigerd. Niet alleen in Egypte, Jordanië en Libanon, maar ook in Turkije zijn massale protesten uitgebroken. Ook de Abraham-akkoorden, die Netanyahu beschouwde als zijn belangrijkste verdienste, leveren spanningen op. Begin november riep Bahrein zijn ambassadeur terug uit Israël en kondigde het land aan de economische banden te hebben opgeschort om steun te betuigen aan de Palestijnse zaak.
De ogenschijnlijke ‘zelfredzaamheid’ die Netanyahu bereikt zou hebben, is een farce gebleken
Bovenal is de ogenschijnlijke ‘zelfredzaamheid’ die Netanyahu bereikt zou hebben een farce gebleken. Te midden van de dreiging van een bredere regionale oorlog lijkt Israël nu afhankelijker dan ooit van zijn Amerikaanse sponsor, die twee vliegdekschepen naar het Midden-Oosten heeft gestuurd om regionale escalatie van het conflict te voorkomen. De VS leveren Israël van alles, van kleine wapens, zoals automatische geweren, tot belangrijke onderdelen van het Iron Drome-systeem. Ze stuurden zelfs driesterrengeneraal James Glynn van de Amerikaanse mariniers om de Israëlische generale staf te adviseren over hoe te opereren bij stedelijk oproer. Met nooit eerder vertoonde betrokkenheid hebben zowel minister van Buitenlandse Zaken Antony Blinken als minister van Defensie Lloyd Austin deelgenomen aan vergaderingen van het Israëlische veiligheidskabinet om hun Israëlische collega’s te adviseren.
Binnen Israël heeft de ontoereikende reactie op 7 oktober blootgelegd welke tol Netanyahu’s lange bewind heeft geëist van het land. Dagen, en in sommige gevallen weken, na de aanslagen meldden sommige families dat ze niets hadden gehoord van regeringsfunctionarissen over de verblijfplaats van hun vermiste familieleden; tv-medewerkers die overdag aanwezig waren, namen het initiatief om hotlines op te zetten voor degenen die wanhopig op zoek waren naar informatie. Op de dag van de aanvallen werden tientallen politieagenten gedood, maar Ben-Gvir, onder wiens departement de politie valt, was nergens te bekennen. Pas later dook hij op, niet om de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor wat er was gebeurd, maar om zichzelf op beeld vast te laten leggen terwijl hij aanvalsgeweren uitdeelde aan civiele verdedigingseenheden in Israëlische steden. De inspanningen van de staat om de tienduizenden Israëliërs – die van de noordelijke en zuidelijke grenzen werden geëvacueerd – te verhuizen, te voeden en te kleden, waren ineffectief. Zo ineffectief dat protestgroepen – die eerder waren gevormd tijdens demonstraties tegen de reorganisaties van de regering – de leegte moesten opvullen. Bezuinigingen op het ministerie van Volksgezondheid hebben geleid tot een tekort aan door de staat gefinancierde maatschappelijk werkers en psychologen om de duizenden mensen op te vangen die een traumabehandeling nodig hebben.
Netanyahu op zijn beurt lijkt met de crisis om te gaan met zijn steeds minder rooskleurige politieke toekomst voor ogen. Zoals altijd gaat het bij hem om beeldvorming. Hij heeft geen enkele begrafenis van de doden van 7 oktober bijgewoond, waarschijnlijk uit angst dat aanwezigen hem zouden aanklampen. Hij gaf de voorkeur aan toespraken op radio en televisie en aan geënsceneerde fotosessies met militaire elite-eenheden. Toen hij dan eindelijk een ontmoeting had met vertegenwoordigers van de families van gegijzelden, verscheen er opeens een extreemrechtse activist – die voor zover bekend geen banden heeft met gegijzelden, maar wel nauwe banden met de familie Netanyahu – om hem te prijzen. Netanyahu heeft al pogingen gedaan om militairen en ambtenaren van de inlichtingendienst de schuld te geven van de ramp van 7 oktober en is nu druk bezig met het verzamelen van bewijs om zichzelf vrij te pleiten als hij zich na de oorlog eindelijk zal moeten verantwoorden.
4 procent
Ondanks deze pogingen om zijn imago op te poetsen is Netanyahu politiek gezien zo goed als klaar. De woede van het volk over hem en zijn regering is immens. In een onlangs gehouden enquête van het Israëlische Channel 13 News zegt 76 procent van de respondenten dat Netanyahu moet aftreden, aan het einde van de oorlog (47 procent) of onmiddellijk (29 procent). Tijdens een recent interview met het Israëlische liberale dagblad Haaretz noemde de voormalig minister van Defensie Moshe Ya’alon, een man die politiek gezien rechts van Netanyahu staat, de premier ‘een existentiële bedreiging’ voor het land. Uit een andere peiling blijkt dat minder dan 4 procent van de Israëliërs Netanyahu als een betrouwbare bron van informatie beschouwt als het aankomt op de huidige oorlog.
Wat komt er na Netanyahu? Vóór 7 oktober bracht zijn poging om de rechterlijke macht van het land te ontmantelen de grootste protestbeweging in de geschiedenis van Israël op gang. Meer dan negen maanden lang gingen honderdduizenden de straat op in een poging een revolutionaire grondwetswijziging te voorkomen die het voor rechts bijna onmogelijk zou hebben gemaakt de macht te verliezen. Deze protesten bliezen de Israëlische burgermaatschappij nieuw leven in, die in de loop van Netanyahu’s ambtstermijn was verschrompeld. De dreiging van een Orbán- of Erdogan-achtige autocratie heeft delen van Israëls progressieve, seculiere, hoogopgeleide middenklasse opnieuw gepolitiseerd en in sommige gevallen zelfs geradicaliseerd. Uit deze beweging zal waarschijnlijk een nieuwe politieke kracht voortkomen die niet alleen afrekent met de persoon Netanyahu, maar ook breekt met zijn beleid.
Toch zit wat er over is van Israëls links in een moeilijk parket. De herhaaldelijke verkiezingen in de afgelopen jaren – er zijn er sinds 2019 vijf geweest – hebben de zionistische arbeiderspartijen verwoest die ooit het politieke leven van Israël domineerden. De Arbeidspartij zelf is gereduceerd tot slechts vier parlementszetels. Meretz, de burgerlijke libertaire, sociaaldemocratische partij die lange tijd het vredeskamp van het land vertegenwoordigde, heeft nul zetels. Sinds 7 oktober is Yair Golan (61), voormalig generaal van de IDF en voormalig voorzitter van Meretz, een soort nationale beroemdheid nadat hij zijn uniform aantrok en burgers redde die door Hamas werden aangevallen. Voorlopig is hij de laatste en beste hoop van centrumlinks Israël om onderhandelingen over een compromis met de Palestijnen opnieuw ter tafel te brengen – maar dat doel is nog heel ver weg.
Het openbare discours in Israël is veel rechtser geworden. Nieuwsprogramma’s op televisie versterken de roep om wraak en het gebruik van buitenproportioneel geweld, ook nu het dodental in Gaza in de tienduizenden loopt. Elke dag duikt er een andere Likoed-politicus of -minister op die ongegeneerd oproept tot oorlogsmisdaden. Minister van Landbouw Avi Dichter verscheen vorige week op televisie om de mensen van de ‘Gaza Nakba’, zoals hij de huidige grondoperatie van Israël omschreef, te overtuigen. Plaatsvervangend Knesset-voorzitter Nissim Vaturi tweette dat Israël ‘Gaza nu moet afbranden, niets minder dan dat!’ Eerder deze maand suggereerde de Erfgoedminister Amihai Eliyahu dat Israël een nucleaire bom op de Gazastrook zou kunnen droppen. Sommige Israëlische popsterren zingen over de verovering en wederopbouw van Israëlische nederzettingen in de Gazastrook. Hoewel de politieke leiders van rechtse kolonisten – zoals Ben-Gvir en Smotrich – in diskrediet zijn gebracht, merkte de ervaren opiniepeiler Dudi Hasid onlangs op dat er zelfs verder naar rechts nog ruimte is. Netanyahu en zijn regering hebben gezegd dat het doel van de oorlog is om Hamas omver te werpen; het bijna onvermijdelijke falen van Israël om dit doel volledig te bereiken, zou in feite voor een grotere volksnationalistische reactie kunnen zorgen.
‘Wij zijn zonen van het licht, zij zijn zonen van de duisternis’
Het meest waarschijnlijk is dat het Netanyahu-project wordt voortgezet in afwezigheid van de man zelf. De vermoedelijke opvolger van Netanyahu is zijn naaste rivaal sinds jaren, Benny Gantz. De waardering voor deze voormalige IDF-chef en leider van de centrumrechtse partij Nationale Eenheid is de afgelopen zes weken omhooggeschoten. De lange, blauwogige Gantz is een en al rechtschapenheid in vergelijking met Netanyahu’s maffiosopopulisme. Toch is Gantz eerder een cosmetisch dan ideologisch alternatief voor Netanyahu. Als levenslang trouwe soldaat kent hij niets anders dan het paradigma van de bezetting en hij zal dat waarschijnlijk ook handhaven. Vlak achter Gantz lijkt ook voormalig premier Naftali Bennett klaar voor een poging om aan de macht te komen. Bennett – die ooit diende als stafchef van Netanyahu – zal zich waarschijnlijk ook houden aan diens draaiboek.
Jarenlang zag Netanyahu zichzelf als de Winston Churchill van het Midden-Oosten. De Israëlische journalist Ari Shavit merkte op dat hij zichzelf niet eenvoudigweg ziet als strijder tegen de bedreiging van Israëls bestaan, maar als een verdediger van het Westen in de frontlinie tegen zijn dodelijke aartsvijanden. Sinds het begin van de huidige oorlog uitte Netanyahu zich in grootse metaforen. ‘Wij zijn zonen van het licht, zij zijn zonen van de duisternis,’ verklaarde hij onlangs. Maar dit pessimisme – het wereldbeeld waarin het voor altijd 1933 is – heeft er op z’n minst gedeeltelijk voor gezorgd dat Israël onder Netanyahu werd veroordeeld tot eindeloze oorlogen – zeven stuks sinds hij in 2009 aan de macht kwam – en dat de Palestijnen in Gaza werden veroordeeld tot herhaaldelijke bombardementen.
Elke breuk met het Netanyahu-paradigma vereist dat we afstappen van de mentaliteit volgens welke het bestaan van Israël voortdurend aan een zijden draadje hangt. Het is een opdracht die na de slachting van 7 oktober nog moeilijker zal zijn. Maar zoals Israëlische veiligheidsfunctionarissen zonder meer zullen toegeven is deze afschuwelijke oorlog – ondanks het gevaar dat hij uitdraait op een vuurzee op meerdere fronten – geen existentiële oorlog voor Israël. Als er enige hoop is om de nalatenschap van Netanyahu ongedaan te maken, zal die moeten komen van een Israëlisch leider – misschien wel iemand wiens naam nog niet bekend is – die de moed heeft om de kracht van Israël op eerlijke wijze te erkennen en aan te wenden als basis voor een hernieuwd streven naar vrede.
Voorlopig zijn er echter geen kandidaten. Netanyahu heeft het land naar zijn beeld gevormd; hij heeft het langer geleid dan David Ben-Gurion, de grondlegger van Israël. Zelfs als Netanyahu er zelf niet meer is en zijn nalatenschap onder vuur is komen te liggen, zal het moeilijk blijken om het model dat hij heeft neergezet te verbrijzelen.
De familie Noble uit Iowa verhuisde naar het Minnesota van de Democraten. Het gezin Huckins uit Oregon verhuisde naar het Missouri van de Republikeinen. Hun verhuizing illustreert de verdeeldheid in de Verenigde Staten.
‘Ik dacht dat ik tot mijn dood in Oregon zou blijven,’ zegt Steve Huckins (59). ‘Het is een prachtige staat. De bergen, de meren, de rivieren, de stranden. Maar alles wordt overschaduwd door het maatschappelijke en politieke klimaat.’ Huckins en zijn vrouw Ginger vertrokken uit Portland, een van de progressiefste steden in de Verenigde Staten. De tolerantie van Portland voor kampementen voor daklozen, plus het openlijk gebruik van harddrugs en de stijgende criminaliteit, maakte hen wanhopig. Dus trokken ze ruim 3000 kilometer naar het oosten, naar het dieprode platteland van Missouri [rood is de kleur van de Republikeinse Partij]. Als ze in juni door hun nieuwe woonplaats rijden, ongeveer een uur buiten St. Louis, kijken ze vol bewondering naar de oude victoriaanse huizen en zien ze hoe een tractor met minder dan de minimumsnelheid over de snelweg rijdt. ‘Wat ik leuk vind aan Missouri: het hangt er vol met Amerikaanse vlaggen,’ zegt Huckins terwijl hij om een rotonde rijdt waar de stars-and-stripes vrolijk aan een paal wapperen. ‘In Portland werd de Amerikaanse vlag al snel gezien als een belediging.’
Een dag eerder, één staat verderop, is bij een stel dat eveneens om politieke reden gaat verhuizen een andere vlag te zien: een pridevlag op een T-shirt. In een buitenwijk in Iowa laden Jennie en Jeff Noble hun bezittingen in een bestelbus. Jennie Noble (37), die het prideshirt draagt, en haar man hebben besloten Iowa te verruilen voor Minnesota. Hun enige kind, Julien, kwam op elfjarige leeftijd uit de kast als transgender. Julien is nu zestien en gebruikt testosteron op recept. Nadat Iowa geslachtsbevestigende medische zorg voor minderjarigen had verboden, waardoor de behandeling van hun zoon strafbaar werd, besloot de familie Noble, die al haar hele leven in Iowa woonde, dat het tijd was om te vertrekken. ‘We gaan weg vanwege de lokale politiek die van invloed is op onze zoon,’ zegt Jennie Noble. ‘We verhuizen naar Minnesota, waar de wetten gunstiger zijn.’
Steeds verdeelder
Amerikanen raken als volk steeds verdeelder en sommigen zetten nu een opmerkelijke stap: ze verhuizen om te ontsnappen aan een politiek of sociaal klimaat dat ze verafschuwen. Democraten vertrekken uit Iowa, Texas en andere rode staten, terwijl Republikeinen Californië, Oregon en andere blauwe staten verlaten [blauw is de kleur van de Democratische Partij]. Vaak is dat een verhuizing die samen hangt met hun mening over zaken als abortus, transgenderrechten, de invulling van het onderwijs, wapens en rassenkwesties. Er bestaan geen precieze cijfers van het aantal Amerikanen dat vanwege politieke en sociale kwesties is verhuisd. Maar uit interviews met demografen en met mensen die zijn verhuisd of overwegen dat te doen, als ook uit peilingen en berichten op sociale media, blijkt dat het hier niet om uitzonderingen gaat. In maart zeiden vier op de tien volwassenen in een enquête van de Two Americas Index dat het enigszins tot zeer waarschijnlijk was dat ze zouden verhuizen naar een staat die meer overeenkomt met hun politieke overtuigingen. Uit de enquête bleek dat een meerderheid van de volwassenen, 54 procent, waarschijnlijk zou verhuizen als hun staat wetten aanneemt die negatieve gevolgen voor hen zouden hebben. ‘Ik denk dat Amerikanen laten zien dat politiek een rol speelt bij de uiterst belangrijke keuzes die je maakt bij het bepalen van je woonplaats,’ zegt Justin Gest, professor aan de George Mason-universiteit en adviseur van de Two Americas Index.
De familie Huckins en de familie Noble hebben elkaar nog niet ontmoet, maar hun verhuizingen – van het blauwe Oregon naar het rode Missouri en van het rode Iowa naar het blauwe Minnesota – zijn elkaars spiegelbeeld. Het ene gezin verhuisde vanwege één enkele kwestie, de beperkingen op transgenderrechten, terwijl het andere van mening was dat een breed scala aan progressieve beleidsmaatregelen hun levenskwaliteit had aangetast. Maar beide families geven opvallend genoeg hetzelfde antwoord als je hun vraagt wat de belangrijkste overweging is voor hun besluit: een behoefte aan persoonlijke veiligheid. Voor de familie Huckins werd Portland ‘onveilig, ongezond en eng,’ zegt Steve Huckins. ‘We hadden vijf of zes beveiligingscamera’s in ons huis hangen.’ Voor de familie Noble was het de veiligheid van hun zoon die hun zorgen baarde, omdat de Republikeinen in Iowa antitransgenderwetten hadden aangenomen en in hun ogen ontmenselijkende retoriek gebruikten.
‘Mensen in Portland wilden progressief beleid, en dat hebben ze gekregen’
Op een woensdag aan het eind van augustus, vier maanden na hun verhuizing naar Missouri, rijden Ginger Huckins en haar man naar een boerderij met de naam Shared Bounty, op enkele kilometers van hun nieuwe huis in Troy, een stadje met vijftienduizend inwoners. Ze zijn vijftien jaar getrouwd. Hij ging vorig jaar vanwege hartproblemen met pensioen, na een logistieke baan bij het geniekorps van het Amerikaanse leger; zij is de dochter van een dominee en runde een kinderdagverblijf. In Portland woonden ze aan de oostkant, in de wijk Centennial, waar de criminaliteit volgens de politie hoog is in vergelijking met de rest van de stad. Hun huis van één verdieping met bruine gevel fungeerde als woonhuis en bedrijfsruimte tegelijk: Ginger runde er 33 jaar lang Ginger’s Joyful Day Care. In de tuin stonden een schommel en andere speeltoestellen voor kinderen. Binnen, in de bont beschilderde kamers, stonden kindermeubelen en bakken met speelgoed. Hoewel hun kleine buitenterrein was afgezet met een afrastering, stond Huckins erop om het terrein elke dag te inspecteren voordat ze de kinderen naar buiten liet gaan om te spelen. ‘Ik wilde er zeker van zijn dat er niet door een of andere verslaafde een naald in de tuin was gegooid,’ zegt ze. Toen een dief de katalysator uit de truck van Steve had gestolen, hingen ze beveiligingscamera’s op, waarvan er twee de voordeur in de gaten hielden. Ze zetten de truck achter een hek, dat ze afgrendelden met een hangslot.
‘Mensen in Portland wilden progressief beleid, en dat hebben ze gekregen,’ zegt Steve Huckins. ‘Het daklozenprobleem is uit de hand gelopen. Het probleem met fentanyl is uit de hand gelopen. En er is te weinig politie.’ Het echtpaar zegt dat de leefbaarheid in Portland, en ook in hun eigen buurt, verslechterde na maanden van – soms gewelddadige – protesten die volgden op de moord op George Floyd in 2020. ‘Er waren rellen vlak bij ons huis,’ zegt Steve. In 2020 stemden de kiezers in Oregon voor een maatregel om het bezit van harddrugs voor persoonlijk gebruik te decriminaliseren. Dakloosheid, een probleem in veel steden, tiert welig in Portland, waar het kamperen in tenten op de stoep jarenlang werd gedoogd. Na oproepen tot het ‘ontmantelen’ van de politie werd er in 2020 ruim 15 miljoen dollar bezuinigd op het budget van het politiekorps.
Tolwegen
De druppel voor Steve en zijn vrouw om Portland te verlaten was het voornemen van de staat om tol te heffen op de snelwegen in de stad. Dat kwam volgens hen boven op een verdrievoudiging van de onroerendgoedbelasting. In hun ogen werden huiseigenaren door progressieve politici gedwongen te betalen voor programma’s die dakloosheid en criminaliteit in de handwerkten. ‘Ze bezuinigden op míjn politiemacht voor hún agenda,’ zegt Steve Huckins. Al jarenlang moedigde Stacee Hord, de dochter van Ginger Huckins uit haar eerste huwelijk, haar moeder en stiefvader aan om naar Missouri te verhuizen, waar zij zich met haar jonge gezin had gevestigd. Toen Ginger en Steve eind vorig jaar besloten om uit Portland te vertrekken, lag Missouri vanwege hun drie kleinkinderen het meest voor de hand. De dag na Nieuwjaar zette Steve een bericht op Facebook over hun ophanden zijnde verhuizing. ‘Het is spannend, eng en ontregelend’, schreef hij. Sinds zijn verhuizing naar Troy is hij gestopt met het lezen van alle nieuwsberichten over Portland, die hem in Oregon zo op de zenuwen werkten. Op Facebook postte hij vrolijk de rekening van 9 dollar die hij wekelijks betaalt voor de vuilnisophaaldienst van Missouri, met als commentaar: ‘In Portland betaalden we 60 dollar per maand.’ Hun nieuwe huis staat in The Hamptons, een wijk met brede straten en trottoirs, tussen de maïsvelden. ‘Mijn pick-uptruck stond drie of vier dagen niet op slot,’ zegt Steve. ‘Niemand heeft ’m aangeraakt, hij is niet gestolen.’
Steve en zijn vrouw brengen nu een groot deel van hun tijd thuis door met tv-kijken vanuit hun luie stoel. In hun nette woonkamer staan allerlei beeldjes en voorwerpen uit de poppenhuizen van Ginger. De keuken hing zo vol met haar koelkastmagneten dat er inmiddels tientallen zijn verbannen naar de achterkant van de deur naar de garage. Haar kleinkinderen van tien, acht en drie jaar komen vaak op bezoeken spelen in de knutselkamer die ze in de kelder heeft ingericht. ‘Dit is echt een heel andere omgeving,’ zegt Steve. ‘We hebben nieuwe dromen, nieuwe vooruitzichten, nieuwe ideeën.’ Ze hebben geen spijt van hun verhuizing. ‘Het is hier allemaal zo veel beter – financieel, emotioneel, mentaal.’ Als ze aan mensen vertellen dat ze uit Oregon komen, krijgen ze vaak dezelfde reactie: ‘Welkom in onze rode staat.’ Onlangs ontmoette Steve een plaatselijke politieagent aan wie hij vertelde dat hij vanuit Oregon naar Missouri was verhuisd. De agent rolde met zijn ogen en kon een verwensing niet onderdrukken.
‘Als ik moet wachten tot ik achttien ben, dan zou ik nog eens zes jaar achterlopen’
Begin maart namen Republikeinse beleidsmakers in Iowa een wet aan die geslachtsbevestigende zorg voor minderjarigen verbood. Voorstanders voerden aan dat kinderen onder de achttien nog niet in staat zijn om beslissingen te nemen over behandelingen zoals puberteitsblokkers, geslachtsspecifieke hormonen en operaties. Toen het nieuws bekend werd, stuurde Julien Noble – die als zestienjarige op doktersvoorschrift testosteron gebruikt – een berichtje aan zijn ouders: ‘Kunnen we naar Minnesota verhuizen?’ Bijna vijf jaar daarvoor, op de dag voor Moederdag, had Julien zijn ouders verteld dat hij transgender was. Voor zijn moeder was het een schok, maar instinctief steunde ze hem meteen. ‘Natuurlijk komt bij zoiets ook verdriet kijken, dat is logisch,’ zegt Jennie Noble. ‘Maar ik wist dat hij zo veel gelukkiger zou zijn. ’Als hij zijn medische behandeling zou moeten uitstellen tot hij voor de wet volwassen is, zegt Julien, zou de ellende doorgaan die hij al voelde sinds hij in zijn vroege puberteit zijn ware identiteit had ontdekt. ‘Ik was zo zeker van mezelf toen ik elf of twaalf was,’ vertelt hij. ‘Als ik moet wachten tot ik achttien ben, dan zou ik nog eens zes jaar achterlopen en me nergens zeker over voelen.’ Door de behandelingen, voegt hij eraan toe, ‘kan ik bijvoorbeeld naar de supermarkt zonder bang te zijn voor opmerkingen als: “Dat is een meisje!”’
De transitie, die op de middelbare school was begonnen met het kortknippen van zijn haar en het oefenen van een lagere stem, kreeg vorig jaar een vervolg met de wettelijke verandering van zijn naam. De kinderarts van het gezin wilde dat Julien een jaar lang psychotherapie zou ondergaan, voordat hij hormooninjecties zou krijgen. ‘Maar wij zagen dat Julien niet van gedachten zou veranderen,’ zegt Jessie Noble. ‘Dit is wie hij is.’ Juliens ouders trouwden net na de middelbare school in het landelijke noordwesten van Iowa. Jeff Noble werkte op de vleesafdeling van een supermarkt. Jessie Noble studeerde online voor juridisch medewerker. In hun jeugd liep Iowa voorop op het gebied van burgerrechten; in 2009 werd het homohuwelijk gelegaliseerd en in 2007 legde de staat bescherming voor transgenders vast in de wet. Voor hun gevoel waren er amper links-rechtstegenstellingen in hun county. ‘Ik kan me niet herinneren dat dit soort zaken voor politieke discussies zorgden, het was gewoon geen issue,’ zegt Noble (38), die inmiddels in de IT werkt. ‘Ik dacht altijd dat ik hier mijn hele leven zou willen wonen omdat de mensen zo aardig zijn.’
Naar rechts gekanteld
Maar sinds de presidentsverkiezingen van 2016, toen Donald Trump de staat met gemak veroverde, is Iowa sterk naar rechts gekanteld. De staat nam in 2018 een van de strengste abortuswetten van het land aan, en sinds 2021 is het volwassenen toegestaan om zonder vergunning een handwapen te kopenen te dragen. De Republikeinse gouverneur Kim Reynolds zette de afgelopen twee jaar beperkingen voor transgenderjongeren centraal op haar agenda. In reactie op Juliens berichtje in maart zeiden zijn ouders dat ze de wetgeving over een verbod op behandelingen voor minderjarigen in de gaten zouden houden. Ze hielden nog rekening met de mogelijkheid dat de gouverneur de wet niet zou ondertekenen. Maar ondertussen overwogen ze om inderdaad uit Iowa te verlaten. Ze hadden zeven gelukkige jaren doorgebracht in Ankeny, een snelgroeiende voorstad van Des Moines, waar ze een hoekhuis hadden gekocht in de wijk White Birch. Minnesota was dichtbij en vertrouwd, op maar drie uur rijden. En de buitenwijken van Minneapolis waren vergelijkbaar met die van Des Moines, hoewel ze politiek gezien eerder blauw dan rood waren. Op dezelfde dag in maart dat de wetgevers in Iowa in actie kwamen, vaardigde Tim Walz, de Democratische gouverneur van Minnesota, een decreet uit om geslachtsbevestigende behandelingen voor minderjarigen in zijn staat te beschermen.
De familie Noble overwoog eerst nog of ze nog kon wachten tot Julien achttien was en tot die tijd om de week naar Minneapolis kon rijden voor zijn testosteroninjecties. Op die manier kon hij zijn laatste jaar op Ankeny High School afmaken, waar hij vrienden had die hem steunden. Tijdens een bezoek aan Jeffs ouders in Cherokee County vertelden ze dat ze erover dachten te vertrekken vanwege de wetgeving. Charles Noble, Jeffs zeventigjarige vader, zei dat hij en zijn vrouw volledig achter een verhuizing stonden om Juliens geluk te waarborgen. ‘Jules is nog steeds ons kleinkind en we houden nog altijd net zo veel van hem,’ zei Charles.
‘Het was heel ongemakkelijk geweest als hij naar het meisjestoilet had gemoeten’
Maar al snel namen de wetgevers inIowa nog een ander wetsvoorstel aan. De Republikeinse meerderheid verbood scholieren om gebruik te maken van toiletten voor het andere biologische geslacht. Deze ‘toiletwet’ gaf voor de familie Noble de doorslag. Sinds Julien was begonnen met het gebruik van testosteron, was zijn stem lager geworden en zijn baardgroei begonnen. ‘Het was heel ongemakkelijk geweest als hij naar het meisjestoilet had gemoeten,’ zegt zijn moeder. Eind maart ondertekende gouverneur Reynolds beide wetsvoorstellen. Die avond besloten de familie Noble hun huis te koop te zetten. Ze kozen een verhuisdatum in juni, een paar dagen na het einde van Juliens schooljaar. Ze waren van plan om hun baan te behouden en vanuit huis te gaan werken. In Apple Valley, een buitenwijk van de Twin Cities [Minneapolis en Saint Paul], waar ze een huis hadden gehuurd, zou Julien naar een nieuwe school gaan om aan zijn laatste jaar te beginnen. Zoals elke nieuwe leerling was hij nerveus. ‘Het varieert per dag, per uur, hoe ik me voel,’ zegt hij. ‘Minnesota is geweldig. Het is er veilig en het is er mooi. En ons nieuwe huis is cool. Maar ik moest naar een nieuwe school, ik moest helemaal opnieuw beginnen en nieuwe vrienden maken.’
Toen ze op een dag op weg was naar een barbecue in Minneapolis, zag Jessie Noble tot haar vreugde pride- en BlackLives Matter-borden staan. Net als de familie Huckins volgt de familie Noble het politieke nieuws uit haar oude staat niet meer op de voet. Als mensen vragen waarom ze zijn weggegaan, houdt ze zich wat op de vlakte, zegt Jessie. Dan zegt ze dat de nieuwe staat simpelweg beter bij haar gezin past. ‘Ik heb sommige mensen wel de echte reden verteld,’ zegt ze. ‘Maar het is moeilijk. Ik bedoel, er is zo veel haat en veel mensen tonen zo weinig begrip.’
Jeff Noble is nog steeds verbijsterd dat de politiek in het Amerika van 2023 een gezin ertoe kan aanzetten zijn heil buiten de staatsgrenzen te zoeken. ‘Ik begrijp niet echt hoe het zo uit de hand heeft kunnen lopen,’ zegt hij. Als kind wist hij niet eens of zijn ouders voor de Democraten of de Republikeinen stemden. Zijn zoon is meer bezig met de gevolgen dan met de oorzaak. ‘Op papier zijn we één land,’ zegt Julien. ‘Maar in realiteit is dat niet zo.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.