Tag: aangeboden

  • Guinness World Records, factchecker van het absurde of geldbelust bedrijf?

    Guinness World Records, factchecker van het absurde of geldbelust bedrijf?

    Al meer dan een halve eeuw bundelt het beroemde recordboek van bierbrouwer Guinness de meest krankjorume wapenfeiten. Maar gaat het Guinness World Records nog wel om de meest uitpuilende oogbollen ter wereld of de langste vingernagels (13,06 meter), of is het gewoon big business geworden?

    Een paar zomers geleden bezocht ik het Guinness Storehouse in Dublin. De stad kende ik al goed, maar ik was nog nooit in de brouwerij geweest. Prima rondleiding, je kwam te weten hoe vaten worden gemaakt, je kon een selfie laten printen in de schuimkraag van een pint, en de bar waar de excursie werd besloten bood, naast drank, een panoramisch uitzicht over de stad. Maar wat me het meest bijbleef, was wat ik daar per ongeluk zag.

    1955
    Guinness World Records uitgelicht:

    De eerste editie van het Guinness Book of Records stond in 1955 meteen bovenaan de bestsellerlijst in het Verenigd Koninkrijk. Het jaar daarop werd het boek internationaal gelanceerd; het wordt sindsdien gepubliceerd in honderd landen en in 23 talen, en heeft meer dan 53.000 records in zijn database staan, van serieuze sportprestaties tot de meest bizarre uiterlijkheden. Het boek wordt jaarlijks uitgegeven, niet alle records staan erin omdat het onmogelijk is om alle duizenden inzendingen officieel te controleren.
    Bij veel prestaties is het verbeteren even zinloos als het behalen ervan, bijvoorbeeld het record dat gebroken werd door de man (het zijn vaak mannen) met de meeste lepels op zijn lichaam (58) of de langste gemeten tong, die volgens het ‘India Book of Records’, dat sinds 2006 bestaat voor het bijhouden van plaatselijke records, een Indiase is van 10,8 centimeter.
    De Brit Gary Turner behaalde met zijn erfelijke aandoening – het Ehlers-danlossyndroom waarbij het bindweefsel niet goed is aangelegd – het record dat sinds 1999 staat voor de ‘rekbaarste huid’. Hij kon de huid van zijn buik uitrekken tot een lengte van 15,8 centimeter.
    Behalve ongekende menselijke prestaties en eigenaardigheden heeft ook de Deense dog Freddy een record op zijn naam staan: hij was officieel de grootste hond ter wereld, 1,03 meter hoog; en als hij op zijn achterste poten stond, was hij 2 meter en 29 centimeter. En een stad (Asjchabad, in Turkmenistan) bleek ook een eenzaam record te kunnen verwerven, voor de ‘hoogste dichtheid van gebouwen met een witmarmeren gevel’.
    In de categorie wereldrecords heeft dit jaar een man uit de Verenigde Staten 52 records in 52 weken gebroken. Elke week kwam hij met een nieuwe uitdaging. Bijvoorbeeld ondersteboven aan een rekstok hangen en tegelijkertijd jongleren met vijf balletjes.
    De records zijn allemaal gecheckt door Guinness World Records en worden opgenomen in het officiële wereld­recordboek.
    (360, Amsterdam)

    Een van de tentoonstellingsruimten was afgesloten, althans gedeeltelijk. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. De kamer achter de deur was leeg, op een tafel na. Daarop lag een handvol edities van het Guinness Book of Records. Sinds de basisschool had ik niet meer aan dit boek gedacht. Destijds was het een groot, kleurrijk werk met een harde kaft en zo’n vijfhonderd pagina’s vol foto’s van mensen die rare dingen doen, zoals hun haar heel lang laten groeien of jongleren met messen.

    1294627 copy

    Dit waren boeken die kinderen vrolijk uitpakten met Kerstmis en waarover ze ruzie maakten met hun broers en zussen. Bladerend door de oude edities – 1994, 2005, 2012 – besefte ik voor het eerst dat er een verband bestond tussen het donkere Guinness-bier en het Guinness-boek. Ook had ik ineens honderd vragen die niet in me waren opgekomen toen ik me als achtjarige vergaapte aan de man met de rekbaarste huid of de man die de meeste naalden in zijn hoofd had gestoken.

    Overleven

    Zelfs nu, in het tijdperk van YouTube en TikTok, waarin je jezelf enkel met je telefoon in een mum van tijd roem, rijkdom en erkenning kunt bezorgen voor allerlei prestaties, weet het Guinness Book of Records te overleven. Dat mag een klein wonder heten. Het boek, dat sinds 1999 wordt uitgegeven onder de naam Guinness World Records, biedt nog steeds een lawine aan gekke foto’s en harde feiten.

    Het bedrijf dat het boek publiceert, en dat eveneens Guinness World Records (GWR) heet, heeft wel een ingrijpende gedaantewisseling ondergaan sinds het eerste jaaroverzicht dat ik ooit kreeg, de groen-zilveren editie van 2002. De verkoop is de afgelopen jaren teruggelopen, dus er moesten nieuwe verdienmodellen komen. En die konden niet allemaal rekenen op goedkeuring van de oude GWR-garde. Als ik Anna Nicholas hierover spreek, in de jaren tachtig en negentig hoofd pr, beklaagt ze zich erover hoe de dingen zijn veranderd. Zo zijn de records nu veel meer gericht op sensatie, om te voldoen aan de vraag van een publiek dat de gekste dingen kan vinden op sociale media, wanneer het maar wil. ‘Guinness had er kennelijk geen moeite mee om zijn toegewijde publiek schaamteloos in de steek te laten’, schreef een ooit fervente fan in 2020 in een blog.

    1432599 copy

    Het is vreemd om Guinness World Records – een naar een biermerk genoemd bedrijf dat de meest krankjorume menselijke wapenfeiten in het zonnetje zet – te zien als iets dat zichzelf zou kunnen verloochenen. Dat is net alsof je zegt dat Pizza Express zichzelf verloochent. Maar hoe meer ik me verdiepte in de wereld van de recordbrekers, hoe beter ik het begon te begrijpen. Al is het nog zo absurd – of juist omdát het zo absurd is –, het breken van records is verweven met onze diepste interesses en verlangens. Verdiep je eens grondig in de man die probeert de meeste lepels op een menselijk lichaam te laten balanceren, of in de vrouw met de ambitie om de oudste salsadanseres ter wereld te worden: op den duur ga je geloven dat je rechtstreeks in de menselijke ziel tuurt.

    Springstok

    Op een winderige ochtend aan het eind van de herfst zie ik in het Olympic Park in Oost-Londen een jongeman die, zo geconcentreerd als maar mogelijk is, rondspringt op een springstok. Tyler Phillips – hawaïshirt, lang haar onder een helm en de uitstraling van een Californische surfer – probeert die dag het record te breken van het hoogste aantal opeenvolgende sprongen over auto’s, met een springstok. Achter hem staan vijf taxi’s naast elkaar opgesteld, met telkens een paar meter ruimte ertussen. Een tiental medewerkers van Guinness World Records is getuige van deze poging. Een van hen draagt een blauw met grijs pak met een GWR-logo op zijn borstzak – een pak dat veel personeelsleden, zo hoor ik later, hekelen vanwege de statische elektriciteit die het genereert. Het betreft Craig Glenday, de hoofdredacteur, die toekijkt met de onbewogenheid van iemand voor wie het aanschouwen van een man die met een springstok over auto’s springt nu eenmaal tot zijn dagelijkse werkzaamheden behoort.

    1231402 copy

    Er hangt spanning in de lucht. Nog één keer worden de hoogte van de auto’s (1,88 m) en de ruimtes tussen de auto’s (280 cm) gemeten. Er zijn camera’s om de prestatie vast te leggen. Phillips heeft wat oefenruns gedaan zonder auto’s. Eén keer gaat hij daarbij plat op zijn bek. Ik krimp ineen.

    Dan is het zover. Absolute stilte. Phillips concentreert zich en zet zichzelf in beweging. Hij springt over de eerste auto, de tweede, de derde. Iedereen houdt de adem in. Ook de laatste sprong wordt volbracht. Phillips landt ongedeerd, laat zijn springstok vallen en maakt een feestelijke achterwaartse salto. ‘Yes!’ schreeuwt hij, en hij rent naar Glenday om die te omhelzen. (Inmiddels heeft Phillips zijn eigen record gebroken: in Milaan sprong hij over zes auto’s.)

    Het record uit 2007 van de meeste met het hoofd stukgeslagen wc-brillen binnen één minuut staat op 47

    Al sinds 2001 maakt Glenday deel uit van GWR, wat hem een zeer afwisselend beroepsleven heeft opgeleverd. Ontberingen zijn hem echter niet bespaard gebleven. Toen hij in Istanboel was om een vrouw te ontmoeten die haar oogbollen het verst kon uitpuilen, liep hij door een insectenbeet een infectie op die bijna tot een amputatie leidde. En hij zat ooit een week vast in het uiterste zuiden van Chili met de band Fall Out Boy, die naar Antarctica wilde vliegen om het record te breken van optredens op elk continent in zo kort mogelijke tijd. ‘De mensen daar dachten dat ik ook in de band zat. Wat doet die dikke ouwe vent in Fall Out Boy, vroegen ze zich af.’

    1061784 copy

    Een paar weken na Phillips’ hoogstandje bezoek ik Glenday op het hoofdkantoor van Guinness World Records, in hartje Londen. Het bedrijf heeft meer dan vierhonderd werknemers, en vestigingen in New York, Dubai, Tokio en Beijing, maar het hoofdkantoor zit in een onopvallend gebouw bij Tottenham Court Road. Op het eerste gezicht is het niets bijzonders. Totdat je blik wordt getroffen door objecten als de puck van de langstdurende ijshockeywedstrijd ooit (52 uur en 1 minuut, in 2002) en een kapotte wc-bril van een recordpoging uit 2007 om de meeste wc-brillen in één minuut met het hoofd stuk te slaan (47). Hier stellen Glenday en zijn team de boeken samen en daarmee maken of breken ze de dromen van kandidaat-recordverbeteraars van over de hele wereld.

    Geblinddoekt op één been

    Glenday wil graag dat ik zelf ook probeer een record te breken. Hij bladert door een database van zo’n zestigduizend records om er een te vinden dat gemakkelijk op kantoor te doen is, en niet al te moeilijk te breken. Onze keuze valt op het langst geblinddoekt op één been staan. Het record staat op 31 minuten en 14 seconden. Glenday print zes pagina’s met richtlijnen. Voor gecompliceerdere records kunnen die richtlijnen tientallen pagina’s beslaan, maar in dit geval is het allemaal redelijk eenvoudig. Ik lees dat ik mijn geheven been niet op mijn staande been mag laten rusten, dat twee onafhankelijke getuigen mijn poging moeten timen met stopwatches die tot op een honderdste van een seconde nauwkeurig zijn, dat ik mijn poging ter verificatie door Guinness moet laten filmen en dat zelfs als ik blind zou zijn een blinddoek verplicht is.

    Zoals iedereen die een recordpoging doet, krijg ik drie kansen. Mijn eerste poging strandt op een treurige 3,4 seconden, mijn tweede op 25,06 en mijn derde op 31,03. Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat ik toch wat verbaasd ben. Toen ik de richtlijnen las, had een stemmetje mij ingefluisterd: ‘Stel je voor dat dit een tot nog toe onontdekt talent van je is: geblinddoekt op één been staan.’ Nee, ik had niet echt verwacht dat ik het record ging breken, maar het idee dat het heel misschien zou kunnen vond ik toch spannend.

    Als kind dacht ik dat Guinness een soort hogere macht of wereldse autoriteit was. Iets wat altijd al had bestaan. Onzin, natuurlijk. Het begon in 1951 met een meningsverschil. De directeur van Guinness, Hugh Beaver, was op jacht in het Ierse Wexford en zijn gezelschap kon het er niet over eens worden wat de snelste vogel was waarop gejaagd mocht worden. Het bleef aan Beaver knagen, tot hij drie jaar later ineens bedacht dat er waarschijnlijk wel vaker over dit soort zaken werd gekibbeld, en dat er vast behoefte was aan een boek met antwoorden. Met beschrijvingen van wereldrecords, en van de extremen die zich in de natuur voordoen. Zo’n boek zouden ze kunnen neerleggen in pubs die Guinness verkochten. Of gewoon verkopen in de winkel, wat de brouwerij een nieuwe bron van inkomsten zou opleveren.

    ‘Een boek dat ongetrouwde tantes cadeau doen aan hun nichtje’

    Om dit plan te verwezenlijken wendde Beaver zich tot Ross en Norris McWhir­ter, een tweeling die een bedrijf runde dat feiten en cijfers leverde aan de kranten van Fleet Street [van oudsher het centrum van de Britse pers]. De eerste editie, die in 1955 verscheen, was gebaseerd op de nogal uiteenlopende persoonlijke voorkeuren van de broers, maar ook op wat zij gepast vonden. Norris had een hekel aan popmuziek, die volgens hem ‘van voorbijgaande aard’ was, dus bleef het aantal records op dat gebied beperkt. Seksrecords ontbraken geheel. ‘Die kun je uit de medische literatuur halen. Wij maken een boek dat ongetrouwde tantes cadeau doen aan hun nichtje,’ aldus Norris in 1954. In plaats daarvan konden lezers te weten komen wat de hoogste levenslange melkopbrengst van een koe was (147.476 kilo, op conto van de Friese melkkoe Manningford Faith Jan Graceful in Groot-Brittannië). In het voorwoord van de eerste editie stond: ‘Guinness hoopt dat dit boek veel meningsverschillen zal oplossen, en een verhitte sfeer zal omzetten in licht.’

    993789 copy

    Het boek werd razend populair, het jaarlijkse Guinness Book of Records was geboren en de tweeling McWhirter bleef twintig jaar lang aan het roer. Daar kwam een dramatisch einde aan toen Ross in 1975 werd doodgeschoten door de IRA, nadat hij publiekelijk een beloning van 50.000 pond had uitgeloofd voor informatie die leidde tot de veroordeling van terroristen die bommen hadden gelegd in Groot-Brittannië. Norris ging in zijn eentje verder, trad in 1985 af als hoofdredacteur, maar bleef tot 1996 aan in een adviserende rol. ‘Het boek was Norris en Norris was het boek,’ zegt Anna Nicholas. Onder zijn hoofdredactionele leiding werd het hoofdkantoor van GWR een toevluchtsoord voor de grootste excentriekelingen van het Verenigd Koninkrijk, die alle denkbare en ondenkbare records kwamen opeisen: van de zwaarste teckel tot ’s werelds grootste tandenborstel. (Norris was ook uitgesproken rechts – hij had een hekel aan vakbonden en aan de Europese Unie, en zag tijdens de apartheid niets in sancties tegen Zuid-Afrika – hoewel die opvattingen niet duidelijk naar voren kwamen in het boek.)

    GettyImages 1080797854
    Norris (links) en Ross McWhirter, die aan de basis stonden van het Guinness Book of Records, met een van de kleinste bierflesjes ter wereld: een miniatuur van Guinness Stout, in 1974. – © Getty Images

    Vandaag zou iedereen die met zijn vrienden bakkeleit over de vraag wat de snelste vogel is waarop je mag jagen (de middelste zaagbek, met 130 km/u) natuurlijk op internet kijken, en niet in de nieuwste Guinness World Records. Het bedrijf heeft een uitgesproken analoge uitstraling – de objecten die op het kantoor zijn uitgestald, het fysieke van het boek zelf. Maar als ik Glenday spreek in het GWR-hoofdkwartier, in een vergaderruimte die genoemd is naar Elaine Davidson, de vrouw met de meeste piercings ter wereld, beweert hij heel boud dat het tijdperk van informatie-op-aanvraag het boek niet minder relevant heeft gemaakt. Hij kan het sterker vertellen: het digitale tijdperk is voor hen misschien zelfs gunstig geweest.

    Hij positioneert GWR als een soort factchecker van het absurde. Het bedrijf werkt nauw samen met experts op de meest uiteenlopende gebieden, van surfen, architectuur en extreem weer tot robotica en legpuzzels. Glenday stelt dat het boek een autoriteit bezit waarop al die informatie op internet nooit kan bogen: de records die erin staan zijn gemeten, het bewijs is op video vastgelegd, er zijn richtlijnen aan de hand waarvan het record is geverifieerd. ‘Je kunt net zo goed je vraag hardop op straat stellen en kijken wat voor antwoord je krijgt: zo werkt internet,’ aldus Glenday. Hij klinkt een beetje als iemand die is overgevlogen uit 1995 en met mij wil praten over iets nieuws dat internet heet.

    Vier soorten records

    Er zijn, wat mij betreft, vier soorten Guinness-wereldrecords. Type één: records die worden gebroken zonder dat je van een poging kunt spreken. De meeste woorden in een hitsingle bijvoorbeeld (Rap God van Eminem: 1560), of de giftigste adder (de zaagschubadder, Echis carinatus). Type twee: sportieve prestaties. De snelste knock-out in een bokswedstrijd (4 seconden), de langste tenniswedstrijd (11 uur en 5 minuten) enzovoorts. Type drie zijn de records die we ons herinneren uit onze kindertijd en die puur en alleen lijken te bestaan om wat ze zijn: records. Het grootste uit geroosterde sneetjes brood opgebouwde mozaïek (189,59 vierkante meter), de kortste tijd waarin iemand met zijn neus een sinaasappel een mijl voortduwt (22 minuten en 41 seconden) en – misschien de meest legendarische – de langste vingernagels (13,06 meter).

    993696 copy

    Dan is er nog een vierde soort: marketingstunts. Zo vestigde [het Amerikaanse bonenmerk] Bush’s Beans in 2020 het record voor de grootste gelaagde bonendip (493 kg, zeventig lagen), ‘ter ere van de Super Bowl’. Twee jaar eerder maakte de Moontower Pizza Bar in Burleson (Texas) ’s werelds grootste verkoopbare pizza (1,98 vierkante meter). Prijs: 299,95 dollar, exclusief btw.

    Voor sommige mensen illustreert deze laatste categorie hoe diep het bedrijf is gezonken. ‘Ze hebben de intellectuele integriteit van de tweeling verkwanseld,’ zegt Norris’ zoon Alasdair McWhirter. ‘Het ging hen om een kennisgerichte zoektocht, daar liepen ze enorm warm voor. Nu gaat het alleen nog maar om geld verdienen.’ Sinds Guinness in 1997 met een ander conglomeraat, Grand Metropolitan, fuseerde tot Diageo, moet GWR zichzelf bedruipen en is het niet meer een vrijblijvende afdeling van een bierbrouwerij. (GWR is nu eigendom van het Canadese conglomeraat Jim Pattison Group.)

    Tegenwoordig is GWR Consultancy, de tak die in 2009 werd opgericht om tegen betaling beoordelingen uit te voeren, goed voor de helft van de omzet van het bedrijf. Merken die in het kader van een publiciteitscampagne een record willen breken, kunnen nog net niet zomaar een vermelding in het boek kopen; maar vanaf 11.000 pond helpt een GWR-consultant wel mee bij het brainstormen over een recordpoging die de meeste pr oplevert, en krijg je er een officiële beoordelaar bij. In 2022 kreeg Mastercard een stel voetballers zover om het record te breken van de op de grootste hoogte gespeelde voetbalwedstrijd op een paraboolvlucht. Dat gebeurde in een speciaal vliegtuig, op 6166 meter hoogte, tijdens een vlucht waarbij de zwaartekracht korte tijd werd opgeheven.

    993313 copy

    Misschien iets minder indrukwekkend was de stunt waarvoor [de Britse witgoedketen] Currys in 2021 verantwoordelijk was: ’s werelds grootste piramide van wasmachines (13,6 meter), op een parkeerplaats in Lancashire. En zoals elk bedrijf moet GWR zelf ook af en toe voor wat publiciteit zorgen. Vermeldingen die verband houden met opwindende nieuwsberichten, zoals Elon Musk die nu het record heeft voor ‘het grootste bedrag dat één persoon ooit is kwijtgeraakt’, zijn ongekend krachtige uitingen van zelfpromotie; ze zijn een garantie dat de woorden ‘Guinness World Records’ genoemd zullen worden door de grootste mediabedrijven ter wereld, van Sky News en CBS tot de Hindustan Times en The Guardian.

    Wat vindt Glenday van klachten dat de organisatie niet in haar voordeel is veranderd, namelijk meer geld, minder ziel? ‘We hebben niets opgegeven, we hebben alleen een zakelijke kant toegevoegd,’ zegt hij. ‘Het is het oude liedje: nostalgie is ook niet meer wat het geweest is.’ Trouwens, zegt hij, de meeste van deze als recordpoging vermomde marketingstunts halen het boek niet eens.

    Kritiek

    Sinds de invoering van de consultancy-tak heeft GWR meer kritiek te verduren gekregen. De ernstigste klacht betreft de manier waarop het bedrijf zich inliet met Gurbanguly Berdimuhamedow, van 2007 tot 2022 de sterke man van Turkmenistan. (Zijn zoon Serdar zwaait er nu de scepter.) Het regime van Berdimuhamedow gooide mensen zonder proces in de gevangenis, beheerste de media, vervolgde homoseksuelen en vrouwen die een abortus wilden, en discrimineerde etnische en religieuze minderheden. Maar de Turkmeense dictator was ook een fervent GWR-fan. Zijn regering, en aan de regering gelieerde instanties, dienden in de periode 2011-2018 zeven aanvragen voor recordpogingen in. Op zijn instigatie brak de stad Asjchabad het record van ‘hoogste dichtheid van gebouwen met een witmarmeren gevel’. Een toren die hij liet bouwen won het record voor de grootste architectonische afbeelding van een ster. (GWR zei dat ze niet mochten vertellen hoeveel geld Turkmenistan had betaald voor diensten van GWR Consultancy.)

    Glenday geeft nu toe dat de bemoeienissen van GWR met Berdimuhamedow een misstap zijn geweest, gezien de mensenrechtensituatie in Turkmenistan. Het bedrijf haakt nu een stuk minder gretig in op zaken die weleens ‘een politieke invalshoek’ zouden kunnen hebben. ‘Een school in Turkmenistan die een recordpoging wil wagen, daar is niets mis mee. Maar als de minister van Cultuur erachter zit, dan denk je: Wacht even.’

    993248 copy

    De kern van GWR berust bij het werk dat de ongeveer negentig beoordelaars verrichten. Zij moeten feiten van fictie scheiden en voor zover de instelling ‘waardigheid’ kan worden toegedicht, is het hun taak die te behouden. Beoordelaars moeten bij elk evenement een speciaal jasje dragen, precies zo’n kledingstuk dat Glenday droeg bij de springstokpoging, wat voor weer het ook is. Ze mogen tijdens het werk niet eten of drinken, en na diensturen niet aanpappen met degene die een recordpoging heeft ondernomen. Ze nemen een ingelijst certificaat mee naar elke recordpoging, en als die niet succesvol is nemen ze het weer mee terug om het te versnipperen: geen overdreven maatregel, er zijn weleens certificaten uit Guinness-prullenbakken gestolen.

    Vroeger moesten beoordelaars van GWR bij elke recordpoging aanwezig zijn – in de begindagen was dit meestal Norris McWhirter in eigen persoon. Mick Meaney, een Ier die in 1968 probeerde het wereldrecord ‘langst levend begraven liggen’ te verbeteren, bracht 61 dagen door in een doodskist onder een bouwterrein in Kilburn. Hij leefde op ‘biefstuk en sigaretten’ die hem via een buisje werden bezorgd. Zijn ontlasting deed hij in een speciaal aangebrachte afzuigbuis. Maar hij was vergeten een GWR-beoordelaar uit te nodigen om zijn poging persoonlijk te verifiëren, dus werd hem een plek in het boek ontzegd. ‘Eén beoordelaar vloog een keer naar Sydney om risotto te wegen en stapte toen weer in het vliegtuig terug. Dan ben je lang van kantoor,’ aldus Glenday.

    Naast gewone mensen die een bepaald record willen breken, en bedrijven die om publicitaire redenen een recordpoging doen, is er nog een andere categorie: mensen die van het breken van records een ambacht op zich hebben gemaakt, met eigen regels en vaardigheden. Dit zijn de superrecordbrekers, de goden op de GWR-Olympus. ‘Ze hebben een bepaald aura om zich heen, een houding, een aanwezigheid,’ vertelt de ervaren beoordelaar Alan Pixley. ‘Het is zaak je daar niet door te laten intimideren.’

    Geen mens heeft ooit in één minuut zo veel marshmallows gevangen die uit een zelfgemaakte katapult waren geschoten (77)

    Dit is het soort mensen dat elke week een record probeert te breken. David Rush, een leraar uit Boise in Idaho, brak zijn eerste record – het langst geblinddoekt jongleren – in 2015. Sindsdien heeft hij er meer dan 250 gebroken. Geen mens heeft ooit in één minuut zo veel marshmallows gevangen die uit een zelfgemaakte katapult waren geschoten (77), of zo veel T-shirts aangetrokken in 30 seconden (17). ‘Je kunt niet alleen in alles beter worden,’ zegt Rush via Zoom, ‘maar als je ook nog eens de overtuiging hebt dat je ergens beter in kunt worden, vergroot dat je vermogen om dat te realiseren enorm.’

    979384 copy

    Een directe concurrent van Rush is Silvio Sabba, een sportschooleigenaar die even buiten Milaan woont en momenteel de meeste Guinness World Records op zijn naam heeft staan: 193. Sabba heeft een bijzondere gave voor het herkennen van zogeheten soft records: records die de meeste mensen kunnen breken, als ze de zaken op de juiste manier aanpakken. Voor Sabba is het breken van records niet in de eerste plaats een fysieke prestatie, maar een strategische. In dertien jaar tijd heeft hij geleerd een record nooit meer dan een klein beetje te breken, zodat hij, als iemand hem verbetert, diens poging zonder al te veel extra training weer kan overtreffen. ‘Ik verdedig graag de records die ik bezit,’ vertelt hij.

    Onderlinge kameraadschap

    Bijna alle superrecordbrekers roemen de onderlinge kameraadschap. Ze vormen een gemeenschap; velen gebruiken het woord familie. Er is ook een duidelijke patriarch: de 68-jarige Ashrita Furman, al meer dan veertig jaar recordbreker en een bron van inspiratie voor veel leden van de jongere generatie. Rush herinnert zich nog dat hij als kind op tv zag hoe Furman een wereldrecord brak door vijftig halveliterglazen op zijn kin te balanceren. André Ortolf, een 29-jarige Duitser die als specialiteit heeft dingen heel snel op te eten (hoe vloeibaarder het voedsel, hoe beter), zegt dat zijn eerste GWR-boek de editie van 2004 was. Op haast elke pagina kwam hij de naam Furman tegen. ‘Ik realiseerde me: oké, deze man breekt bijna alle records. Dan kan ik er ook wel eentje breken.’

    Furman is nu 68 en woont in New York. Hij bewaart zijn ruim zevenhonderd GWR-certificaten in een doos van doorzichtig plastic in zijn kledingkast. Hij heeft er zo veel dat hij al niet eens meer een certificaat aanvraagt wanneer hij een nieuw record breekt. Dit is een man die precies weet na hoeveel koprollen je moet overgeven, welk merk eieren zich het beste leent om op een plat oppervlak te laten balanceren en welke spieren in je voeten het eerst vermoeid raken als je te lang op een yogabal staat. Hij haalt zijn exemplaar van het eerste Guinness-boek tevoorschijn, dat natuurlijk aardig beduimeld is, en leest voor uit het voorwoord, over het omzetten in licht van de verhitte sfeer waartoe meningsverschillen kunnen leiden. Hij klinkt zo eerbiedig als een evangelist die een passage uit de Bijbel voordraagt.

    Furmans carrière begon toen hij zestien was, en teleurgesteld in het leven. Op een dag ontmoette hij Sri Chinmoy, een Indiase spirituele leraar die in Queens woonde. Hij besloot vrijwel direct om voortaan diens volgeling te zijn. Ashrita is niet zijn voornaam (dat is Keith), maar de nieuwe spirituele naam die hij aannam, zoals alle volgelingen van Sri Chinmoy deden. Een paar jaar later was een aantal van hen aan het trainen voor een wielerwedstrijd van vierentwintig uur rond Central Park. De bedoeling was om door lichaamsbeweging een transcendente staat te bereiken. Furman, allesbehalve een sportief type, wilde aanvankelijk niet meedoen, maar hij begon zich schuldig te voelen en schreef zich een week voor de race alsnog in. De avond ervoor kwamen de deelnemers bijeen om met hun leraar te mediteren. ‘En hij zei, gewoon voor de lol: hoeveel mijl denken jullie af te gaan leggen? De besten dachten: misschien 300 of 325 mijl. En mijn leraar zei tegen mij: “En jij Ashrita? 400 mijl?”’

    45493 copy

    Furman ging direct naar huis en schreef zijn testament, uit angst dat de wielerwedstrijd hem het leven zou kosten. Zijn bezittingen, waaronder een konijn en wat vogels die hij in
    goochelshows voor kinderen gebruikte, liet hij na aan zijn kamergenoot. De volgende dag fietste hij zonder training 405 mijl en eindigde op een gedeelde derde plaats. Het was hem ‘simpelweg’ gelukt door te mediteren, zegt hij.

    Deze kracht heeft hij gebruikt om honderden records te breken. Hij springstokte op de Zuidpool, liep 120 kilometer met een melkfles op zijn hoofd en won een aardappelzakloop van een jak in Mongolië, en dat allemaal om Sri Chinmoy bij een breder publiek bekend te maken. ‘Ik besefte wat ik allemaal kon. En ik niet alleen,’ zegt hij. Hij herhaalt wat Rush vertelde: ergens de beste in zijn is niet aangeboren. Het is iets wat je besluit te doen.

    De wereldrecords van Guinness zijn een manier om de waarde van menselijk streven te erkennen, wat het ook behelst

    GWR mag dan een bedrijf zijn, voor de mensen die een recordpoging doen is het veel meer dan dat. George Kaminski, die tot 2007 een recordverzameling klavertjes vier bezat, plukte die allemaal op het terrein van gevangenissen in Pennsylvania, waar hij een levenslange straf uitzat. De vrouw met de langste vingernagels, Diana Armstrong, heeft niet de langste vingernagels omdat ze met haar foto in een boek wil staan, maar omdat ze besloot ze nooit meer te knippen nadat haar dochter, met wie ze altijd haar nagels liet doen, op zestienjarige leeftijd overleed.

    Ik vroeg iedereen die ik sprak of het bijhouden van wereldrecords volgens hen belangrijk was. ‘Wat versta jij onder belangrijk?’ vroeg Rush. ‘Het gaat erom wat jij of andere mensen belangrijk vinden.’ De Olympische Spelen waren aanvankelijk gericht op krijgskunst: speerwerpen, hardlopen, worstelen. Er zijn nieuwe categorieën toegevoegd: basketbal, skateboarden. Maar de meeste prestaties die we waarderen, op de Olympische Spelen en elders, zijn willekeurig. De wereldrecords van Guinness zijn een manier om de waarde van menselijk streven te erkennen, wat het ook behelst: om de prestatie op zich te huldigen. Anna Nicholas weet nog wel wat zij zo fascinerend vond aan werken bij GWR: ‘Nergens anders vond je zo’n volkomen inclusieve gemeenschap. Het maakte niet uit wie je was of waar in de wereld je was: je kon een fenomenale recordbreker zijn op je eigen gebied en je stempel drukken op de wereld.’

    1917245 copy

    Een paar maanden na mijn ontmoeting met Furman spreek ik Glenday opnieuw. Hij heeft een frustrerende week achter de rug: een poging tot ‘hoogste bungeejump gecombineerd met het dopen van toast in gekookte eieren’ mislukte door een uitzonderlijk harde wind. Maar hij blijft monter. ‘Het is gewoon spannend om te lezen over zaken die nooit in je zouden zijn opgekomen, of die je je nooit hebt kunnen voorstellen. Je krijgt een adrenalinekick van zo’n ontdekking. Dat gaat niet over. Ik krijg die kick nog steeds als ik dingen zie die ik nog nooit heb gezien. Wat dacht je van een hond en een kat, samen op een scooter? Die hebben we dit jaar.’

    2216468 copy

    Op een dag log ik in op Zoom om te zien hoe Ortolf, de jonge recordbreker die heel snel kan eten, zijn volgende record probeert te breken: het snelst 500 gram M&M’s op kleur sorteren, met maar één hand. De houder van de titel, een man uit Perth, heeft dit in 1 minuut en 33,03 seconden voor elkaar gekregen. Ortolf heeft in zijn huis in Augsburg zeven schalen van gelijke hoogte voor zich neergezet, plus een camera op een statief. Hij opent de zak met M&M’s, leegt die in een van de kommen en toont de nu lege zak aan de camera, aan mij en zijn andere getuige, een vriend. Hij gaat zitten, houdt zijn linkerhand achter zijn rug, legt zijn rechterhand plat op tafel. Een paar keer haalt hij rustig adem. De timer start, en hij begint. Hij heeft een techniek ontwikkeld: eerst blauw, omdat hij die het gemakkelijkst ziet.

    2796840 copy

    Het enige geluid zijn de afgemeten ademhaling van Ortolf en het ritmische getik van de blauwe chocola op keramiek. Daarna volgen de bruine, de groene, de gele en de oranje M&M’s. De laatste kleur kan hij eruit scheppen. Op het moment dat de laatste handvol in de schaal belandt, stopt zijn getuige de klok: 1 minuut en 27,45 seconden. Weer een record op zak, zijn honderdvierde. Een brede glimlach verschijnt op Ortolfs gezicht. ‘Yes,’ zegt hij. ‘Yes!’

    Lees ook:

  • Verder kijken dan de schoonheid van een Vermeer: ‘In de schilderijen ligt koloniaal verdriet besloten’

    Verder kijken dan de schoonheid van een Vermeer: ‘In de schilderijen ligt koloniaal verdriet besloten’

    Als je weet waar je moet kijken, kun je het geweld van Vermeers tijd terugvinden in zijn serene meesterwerken. Zijn schilderijen kunnen niet slechts als decoratief of technisch hoogstaand worden gezien, betoogt kunstliefhebber en schrijver Teju Cole. Ze dragen de last van eeuwen koloniale geschiedenis op hun schouders.

    Ik maakte kennis met Vermeer toen ik op een middag door de boeken en publicaties bladerde die bij ons thuis, in Lagos, in de boekenkast stonden. Ik was veertien of vijftien. Tussen de oude studieboeken van mijn ouders (Nigeriaanse toneelstukken, Franse geschiedenisboeken, handboeken over bedrijfsmanagement) vond ik iets dat ik nog niet eerder had gezien: het jaarverslag van een multinational. Ik weet niet meer welk bedrijf het was, maar het moet iets met eten of drinken te maken hebben gehad, want op de voorkant stond een schilderij van boeren in een glooiend veld en op de achterkant dat van een vrouw die melk inschenkt.

    Ik weet nog hoe kalm ik me die middag voelde en hoe gefascineerd ik was door de afbeeldingen in het verslag. Ze leken de ruimte om me heen te transformeren. De onderschriften vertelden me dat het de schilderijen De korenoogst van Pieter Bruegel de Oude en Het melkmeisje van Johannes Vermeer betrof. Ik kende deze werken niet, maar ik was al wel een groot kunstliefhebber en wist wanneer iets me echt raakte. Vooral het schilderij van Vermeer had een indrukwekkende, mysterieuze aantrekkingskracht. Nog nooit had ik een muur zo goed geschilderd gezien, of een menselijke figuur zo overtuigend gesitueerd in de visuele ruimte. En alles was doordrenkt van licht dat het tafereel, meer nog dan andere schilderijen, levensecht maakte. De term ‘Noordelijk licht’ kwam toen nog niet in me op, maar ik wist wel dat ik naar iets vreemds en verleidelijks keek, iets dat zich afspeelde in een wereld die radicaal verschilde van mijn tropische omgeving.

    Portaal

    Nog steeds ontroert het me als ik terugdenk aan het stille wonder dat zich op die middag voor mijn adolescentenoog voltrok. Sindsdien is mijn band met kunst veranderd: nu zoek ik naar het problematische. Een schilderij van Vermeer is voor mij niet meer simpelweg ‘vreemd en verleidelijk’, maar een artefact dat getuigt van ’s werelds complexiteit: de tijd waarin het schilderij gemaakt werd, bijvoorbeeld, is verstrengeld met onze tijd. Op deze manier kijken doet in geen enkel opzicht afbreuk aan die kunstwerken. Integendeel, het verleent ze openheid: wat eerst een tweedimensionaal oppervlak was, wordt een portaal waarlangs nieuwe onthullingen worden gedaan.

    Dit voorjaar stond ik in het Rijksmuseum in Amsterdam opnieuw oog in oog met Het melkmeisje, drieëndertig jaar na die dag in Lagos. Opnieuw maakte ik kennis met haar nederigheid, degelijkheid en met het huishoudelijk werk dat ze constant moest verzetten. Ik houd niet minder van haar dan vroeger. Zij was het die Wislawa Szymborska’s inspireerde tot het schrijven van haar epigrammatische gedicht ‘Vermeer’ (door Karol Lesman vanuit het Pools naar het Nederlands vertaald):

    Zolang die vrouw uit het Rijksmuseum

    in geschilderde stilte en concentratie

    uit een kan in een schaal

    dag in, dag uit melk giet,

    verdient de Wereld

    geen einde van de wereld.

    Het was een veelgeprezen tentoonstelling. De conservatoren van het Rijksmuseum brachten het grootste aantal schilderijen van Vermeer bijeen die ooit samen zijn getoond: achtentwintig van de ongeveer vijfendertig overgebleven schilderijen die over het algemeen aan hem worden toegeschreven. Het is een enorme prestatie, die flink wat coördinatie van de organisatoren vereist heeft en waarvoor bruikleengevers vrijgevig zijn geweest. Onze generatie gaat een dergelijke verzameling op deze schaal waarschijnlijk niet nog een keer meemaken.

    Toch had ik tot dan toe geen echte interesse in de tentoonstelling gehad. De redenen hiervoor begonnen zich op te stapelen. Alle toegangskaartjes, bij elkaar opgeteld zo’n 450.000 stuks, waren binnen een paar weken na de opening uitverkocht en zelfs als het me was gelukt er een te bemachtigen, was het ongetwijfeld druk geweest in de museumzalen. Bovendien had ik mijn twijfels over de beperkte insteek van de tentoonstelling: de ene Vermeer na de andere… De meeste succesvolle tentoonstellingen vereisen simpelweg meer contextualisering. Maar wat me echt begon tegen te staan, was de niet-aflatende lovende feedback. De naam Vermeer is een soort codewoord geworden: Vermeer is synoniem voor artistieke uitmuntendheid. Veel van de lovende recensies klonken evengoed als emotionele codes. Waar ‘grootheid’, ‘perfectie’ en ‘sublimiteit’ eigenlijk voor stonden, was een heel specifiek soort culturele ervaring. Wie de tentoonstelling wel had gezien, riep jaloezie op bij de wegblijvers. Met een haast religieuze toewijding werd beloofd dat het een ‘once-in-a-lifetime’-ervaring zou zijn. (Maar hebben we onze mooiste kunstervaringen niet juist in een klein museum, op een rustige dag? En zijn de momenten waarop we bewust van kunst genieten niet allemaal ‘once-in-a-lifetime’-ervaringen?) De overtuiging dat de kunstwerken prachtig waren was op de een of andere manier tot een dogma verworden: ze waren niets dan prachtig. Iedereen leek eensgezind in het enthousiasme, en het was bijna onmogelijk om iemand te vinden die een kritisch tegengeluid vertegenwoordigde.

    De laatste golf reguliere bezoekers werd naar buiten geleid, zodat wij, de drie gelukkigen, als enigen overbleven met achtentwintig Vermeers

    Een paar Nederlandse vrienden wisten toch een toegangskaartje voor me te regelen, waardoor mijn vastberadenheid afzwakte. Toen nodigde Martine Gosselink, directeur van het Mauritshuis (de thuisbasis van Meisje met de parel en tevens een van de belangrijkste bruikleengevers van de tentoonstelling), me uit om na sluitingstijd met haar door de tentoonstelling te lopen. Dat aanbod afslaan zou compleet absurd zijn geweest. Samen met een vriend bezochten we op 13 maart de tentoonstelling. De laatste golf reguliere bezoekers werd naar buiten geleid, zodat wij, de drie gelukkigen, als enigen overbleven met achtentwintig Vermeers.

    Vermeer was geen productief schilder: waarschijnlijk heeft hij in totaal maar tweeënveertig schilderijen gemaakt. Logischerwijs dachten kunsthistorici lange tijd dat dit lage productietempo het gevolg was van een bijzonder nauwgezette techniek. Maar uit röntgenfoto’s en infraroodbeelden blijkt dat hij niet veel tijd besteedde aan zijn onderschilderingen en maar heel weinig voorbereidende tekeningen maakte. Wat deed hij dan met al die extra tijd? Allereerst werkte hij overdag als kunsthandelaar, het beroep dat hij van zijn vader overnam. Bovendien was hij zelf vader van vijftien kinderen (waarvan vier tijdens zijn leven overleden). Het moet een luidruchtig huishouden zijn geweest. 

    Terwijl het op de achtergrond dus waarschijnlijk steeds lawaaierig was, maakte Vermeer verbluffende, evenwichtige schilderijen, twee of drie per jaar. In zijn schilderijen doet hij dingen met licht die geen enkele schilder vóór hem had gedaan. Volgens kunsthistoricus Lawrence Gowing neemt Vermeer zijn onderwerp nauwelijks in acht; hij richt zich alleen op de uiterlijke verschijning ervan. ‘Vermeer lijkt niet geïnteresseerd in, of zich zelfs niet bewust van wat hij schildert. Hoe het licht hier valt… Noemen andere mensen dat een neus? Een vinger? Wat weten we van de vorm ervan? Voor Vermeer doet dit er allemaal niet toe, de conceptuele wereld van namen en kennis vergeet hij en hij houdt zich alleen bezig met wat zichtbaar is: de toon, de lichtval.’

    We bleven staan voor Brieflezende vrouw. Het was adembenemend. Er zijn maar een paar tinten verf gebruikt: de muur is gebroken wit met blauwe ondertonen; de grote kaart van de regio’s Holland en West-Friesland is lichtbruin met een vleugje groen; de twee stoelen aan weerszijden van de vrouw hebben glinsterende koperen spijkers die de diepblauwe bekleding op zijn plaats houden. De ene stoel is groter dan de andere, staat dichter bij de kijker. Tussen de stoelen bevindt zich de ruimte waarin de vrouw staat. Ze draagt een blauw jasje en een donkere, olijfgroene rok. Alle kleuren zijn zo dof dat het lijkt alsof je ze niet op een schilderij bekijkt, maar in een verre herinnering. De vrouw is en profil weergegeven en lijkt diep in gedachten verzonken. Ze heeft haar ogen dromerig neergeslagen en houdt met beide handen een brief vast. Er zitten linten in haar haar. Het blauwe, klokvormige huisjasje is een zogenaamde beddejak. Ze is zwanger. Geleerden betwijfelen of ze zwanger is, of zeggen dat we het niet zeker kunnen weten. Maar van geleerden vragen we dat ze ons uitleggen wat voor ons nog onzichtbaar is, niet wat we overduidelijk wél zelf kunnen zien.

    Hebzucht

    Wat heeft hij haar geschreven – want het moet toch zeker een hij zijn, de vader van haar kind? Haar mond staat een beetje open. Vermeers suggestiviteit begint langzaam vorm te krijgen. De kaart, de vroege ochtend, de brief die door de nacht reisde om bezorgd te worden: onder de stilte van de scène gaat een verhaal schuil. Er is hier sprake van drama, zo niet van melodrama. We stellen ons iemand voor die ver weg is en wiens afwezigheid wordt overpeinsd door degene die hij heeft achtergelaten. Misschien is hij wel een soldaat of een zeeman. De rugleuning van de stoel links werpt zachte, blauwachtige schaduwen op de muur. Het raam waarlangs het licht binnenvalt, wordt alleen geïmpliceerd, niet afgebeeld, en het licht valt op het voorhoofd van de vrouw en op haar flauw opbollende beddejak, blauw als de zee. Het is het resultaat van penseelwerk dat precies maar niet pietluttig is; een streepje licht hier, een streepje licht daar. Als kijker houd je je adem in, omdat je niet wil onderbreken wat hier ook maar gaande is. De vrouw wacht op de terugkeer van haar geliefde, op de geboorte van haar kind. De schilder wacht, na elke ochtend achter zijn ezel te hebben gewerkt, tot de volgende ochtend aanbreekt, en de ochtend daarop. Hij wacht op de momenten dat het licht hem gunstig gezind is, wacht tot het werk af is. Lawrence Gowing heeft gelijk: Vermeer schildert het licht. En hij schildert, op voortreffelijke wijze, de tijd.

    Maar laten we nu op zoek gaan naar het problematische. Overal in het oeuvre van Vermeer zie je voorwerpen zoals die in Brieflezende vrouw, voorwerpen die ons herinneren aan de enormiteit van de wereld. De wereld van Vermeer ontstond na de langdurige strijd die de Nederlanden voor onafhankelijkheid van de Spaanse overheersing voerden. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog en de directe nasleep ervan vestigden de Nederlanders handelsposten in Azië, Afrika en Amerika. In binnen- en buitenland bloeide het kapitalisme op – en daarmee werd de basis van een koloniaal rijk gelegd. Hoewel Nederlanders aan den lijve hadden ondervonden hoe onderwerping voelde, nam hun verlangen om anderen te onderwerpen niet af. De Verenigde Oost-Indische Compagnie domineerde de zeeroutes waarlangs haar aandeelhouders het geld binnen harkten. De West-Indische Compagnie was een belangrijke speler in de handel in tot slaaf gemaakten. Gewone Nederlandse burgers werden rijk van deze criminele ondernemingen. Zich opnieuw bewust van hun positie in de wereld, vulden ze hun huizen met zeldzame objecten en vergezochte snuisterijen. Je kon luxe voorwerpen hebben, en ze bovendien op schilderijen laten afbeelden. Die schilderijen herinnerden je onder andere aan je sterfelijkheid, maar ook aan je rijkdom.

    In zijn treffende boek Vermeer’s Hat (2008) geeft historicus Timothy Brook een overzicht van de herkomst van de verschillende voorwerpen die op Vermeers schilderijen zijn weergegeven. Ze komen van over de hele wereld. Brook zegt bijvoorbeeld dat het zilver op de tafel in Vrouw met weegschaal afkomstig zou kunnen zijn uit de beruchte Potosí-zilvermijn, een helse plek die draaide op de arbeid van tot slaaf gemaakte mensen in het toenmalige Peru (tegenwoordig Bolivia). Het vilt op de hoed van de soldaat in De soldaat en het lachende meisje is vrijwel zeker gemaakt van beverhuiden die Franse avonturiers uit de gewelddadige handelsnetwerken van het zeventiende-eeuwse Canada haalden. De luchtige scène die op dit zogenaamde genreschilderij staat afgebeeld, brengt Brook in verband met de bittere geschiedenis van de ‘hongerwinter van 1649-50’. De Europese hebzucht naar pelzen leidde tot verdrijving, oorlog en de uitmoording van de Huron-indianen.

    Martine vertelt dat de beddejak in Brieflezende vrouw is geschilderd met ultramarijn, het zeldzaamste en duurste blauwe pigment waarover een zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder kon beschikken. Ultramarijn werd gemaakt van lapis lazuli, dat naar West-Europa werd geïmporteerd vanuit Afghaanse mijnen; het kwam van ergens voorbij de zee (in het Latijn ‘ultra marinus’). Waarschijnlijk gaf zo’n duur pigment Vermeer meer prestige en stelde het hem in staat een hogere prijs voor zijn schilderijen te vragen. Waarschijnlijk bracht hij zijn werk graag in verband met schilderijen uit vroeger tijden, waarin lapis lazuli werd gebruikt voor het blauw van het gewaad van de Maagd Maria. Het effect van ultramarijn is oogverblindend en emotioneel. Maar wie ontgon de lapis lazuli in Afghanistan? En onder welke omstandigheden?

    Elk kunstwerk zegt iets over de materiële omstandigheden van zijn tijd. De allerbeste kunstwerken tonen niet alleen aan – ze vertellen er ook iets over. Binnen de omlijsting van één groot schilderij bestaan medeplichtigheid en transcendentie naast elkaar. Dat is wat ik dacht toen ik door de museumzalen liep. In de tentoonstelling kwamen deze onderwerpen niet aan bod en ik las de catalogus, die wetenschappelijk en inzichtelijk was, pas later, maar eerder die middag had ik geluncht met Valika Smeulders, hoofd van de afdeling geschiedenis van het Rijksmuseum. Smeulders was medecurator van de baanbrekende slavernijtentoonstelling die in 2021 in het museum werd gehouden. Daar werden artefacten uit de eigen collecties van het Rijksmuseum en uit een breed scala aan andere bronnen getoond. Er waren schilderijen, prenten, tekeningen en documenten, maar ook plantagebellen, voetstokken, een koperen halsband, een brandijzer met een logo (waarschijnlijk van de WIC) en een ceremonieel glas dat succesvolle slavendrijvers gebruikten om te toasten. Regelmatige bezoekers van het Rijksmuseum waren gewend om lovende verhalen over hun nationale geschiedenis te horen. Hier werden ze geconfronteerd met de wreedheid op de plantages in Batavia, Zuid-Afrika en de Banda-eilanden en met de verhalen van een selecte groep van de honderdduizenden mensen die door de Nederlanders tot slaaf werden gemaakt.

    Ze biedt haar lichaam en haar land aan. Het schouwspel is van een onverbloemde brutaliteit

    Eén schilderij in die tentoonstelling was van Pieter de Wit, mogelijk een leerling van Rembrandt. De directeur-generaal van de Goudkust staat erop afgebeeld, ene Dirk Wilre, in een sierlijk interieur in Elmina Castle, in het huidige Ghana. Schildertechnisch kan De Wit zich absoluut niet meten met Vermeer, maar het valt me op dat een paar details in zijn werk overeenkomen met De geograaf, een schilderij dat Vermeer maakte in hetzelfde jaar, 1669. In beide schilderijen bevindt zich links een buitenraam met glas-in-lood, er staat een globe en op tafel ligt een bont tapijt. Maar op het schilderij van De Wit zijn twee figuren te zien die niet op De geograaf staan afgebeeld. Een van hen is een vrouw: ze is zwart, heeft een ontbloot bovenlichaam en knielt op één knie, in een duidelijke staat van dienstbaarheid. Als de slippers die op de vloer liggen van haar zijn, zou die dienstbaarheid ook seksueel van aard kunnen zijn. De geknielde vrouw overhandigt Wilre een landschapsschilderij met daarop Fort Sint George. Ze biedt haar lichaam en haar land aan. Het schouwspel is van een onverbloemde brutaliteit.

    De tentoonstelling in het Rijksmuseum, die tot en met 4 juni te zien was, hing vol aangrijpende schilderijen. Vele daarvan maakte Vermeer ergens midden jaren 1660, toen hij op het hoogtepunt van zijn focus en inventiviteit was. In die jaren maakte hij een aantal onsterfelijke werken: onder andere de verschillende variaties op het thema van een eenzame vrouw in een verstild interieur met een met bont afgezette beddejak aan. In Vrouw met weegschaal is ze zwanger en is de kamer donkerder dan gewoonlijk, met enkel een glimp van daglicht dat zich van achter het citroengele gordijn een weg naar binnen heeft gebaand. De weegschaal die de vrouw omhooghoudt is leeg; ze is aan het balanceren, niet aan het wegen. Op de tafel voor haar liggen gouden en zilveren munten en parels en achter haar hangt een schilderij van het Laatste Oordeel. 

    Op een ander schilderij staat de Vrouw met parelsnoer en profil; ze kijkt naar links. Het is hetzelfde gele gordijn, ditmaal opengetrokken, waardoor zacht licht naar binnen valt. Links in de schaduw staat een donkerblauwe porseleinen pot met een harde glans die contrasteert met de zachte textuur en gele kleur van haar beddejak – een iets kouder geel dan dat van het gordijn. Schrijvende vrouw in het geel bestaat ook weer voornamelijk uit geel en blauw. We weten niet wie ze is, deze vrouw uit lang vervlogen tijden; van alle vrouwen weten we het niet en zullen we het waarschijnlijk ook nooit weten. Ook deze vrouw draagt een geel jasje. (Vermeers weinige rekwisieten hebben iets weg van de favoriete acteurs van een toneelschrijver.) Ze zit aan haar schrijftafel en kijkt ons rechtstreeks aan met iets wat lijkt op diepmenselijk begrip. Het is een prachtig schilderij, afkomstig uit de collectie van de National Gallery in Washington. Ik had het al eerder gezien, maar nog nooit goed bekeken. Tenslotte ga je daarom naar het museum: om opnieuw te leren kijken, om schoonheid en ook problemen te ontdekken. En ja, daar is het Meisje met de parel, verbluffend en direct. Zo bezien, in de context van alle werken bijeen, is het domweg het zoveelste hoogtepunt. Maar wat een reeks schilderijen, en wat een hoogtepunt.

    Troost en terreur

    Als we de tentoonstelling bijna verlaten, haast ik me terug om nog één keer te gaan kijken naar het schilderij dat me het meest heeft verrast: Schrijvende vrouw in het geel. Haar blik heeft een schaduwachtige complexiteit, een zachte glimlach; op haar irissen zitten witte puntjes. (Ze voelt voor mij veel echter aan dan de Mona Lisa.) Er zitten ook witte accenten op haar enorme pareloorbellen. Als ze echt zijn, zijn de parels geoogst door parelduikers in de Golf van Mannar, gelegen tussen het huidige Sri Lanka en India. Met haar rechterhand houdt ze een ganzenveer vast. Daaronder staat een streep witte verf die perfect een stuk papier verbeeldt. De sierlijke schrijfdoos, gemaakt van verschillende houtsoorten en versierd met ronde metalen noppen, komt waarschijnlijk uit het Goa van de Portugese overheersing. Wie zou hem gemaakt hebben? vraag ik me weer af. Onder welke omstandigheden? Achter haar is een schilderij te zien waarop in een donkere omberkleur een viola da gamba staat afgebeeld: verstilde muziek die suggereert of bevestigt dat het in dit schilderij om de liefde draait. Maar als haar geliefde afwezig is, wie heeft haar aandacht dan gegrepen? Naar wie glimlacht ze met zo’n zachte vertrouwdheid?

    Naar jou. Haar blik heeft de jouwe eeuwenlang vastgehouden, de tijd voor jou opgeschort. Nergens in het schilderij is een harde lijn te zien, alleen lagen verf die naast elkaar zijn gezet. De kleurvlekken vloeien in elkaar over alsof je kijkt door een oude cameralens die maar niet scherp wil stellen. De zachtheid van Schrijvende vrouw in het geel is zo doordringend dat het lijkt alsof het schilderij op het punt staat in rook op te gaan. Ochtend na ochtend zit Vermeer achter zijn ezel, terwijl buiten de wereld raast, een wereld waar mensen knielen in onderwerping, waar mensen worden gebrandmerkt met een heet ijzer. Zelfs vóór zijn eigen deur is er de gewelddadige zwager die dreigt de vrouwen in zijn huishouden in elkaar te slaan. De afbeeldingen zijn onherroepelijk met deze externe problemen verbonden. Die amoureuze soldaten houden geen verkleedpartijtje. Ze vechten en doden. In Vermeers oeuvre is geen enkel schilderij te vinden van een eenvoudig, gelukkig gezin, van een moeder, vader en kind in huiselijke vrede. Nee, de wereld van de schilderijen is poëtisch en lyrisch, maar ook gebroken, kwetsbaar, geïsoleerd en vol angst. Zijn schilderijen (en die van anderen; mijn betoog reikt verder dan Vermeer) kunnen niet slechts als decoratief of technisch hoogstaand worden gezien. In de schilderijen ligt verdriet besloten en ze hebben recht op een eerlijker context, een groter verhaal. We bewijzen ze geen gunst als we ze alleen maar zien als advertenties voor schoonheid of eenvoudige symbolen van cultuur en elegantie. Op hun lange reis door de eeuwen heen hebben de schilderijen van Vermeer zowel troost als terreur meegebracht. En zolang dat het geval is, verdient de wereld geen einde van de wereld.

    Teju Cole is romanschrijver, essayist en fotograaf. Van 2015 tot 2019 schreef hij de rubriek On Photography die werd genomineerd voor een National Magazine Award. Hij is docent schrijven aan Harvard.

    Lees ook:

  • Hoe overleef je als niet-gebonden land een spagaat tussen supermachten

    Hoe overleef je als niet-gebonden land een spagaat tussen supermachten

    Verreweg de meeste landen ter wereld nemen een pragmatisch neutraal standpunt in en willen vooral uit politieke en economische overwegingen geen partij kiezen tussen de VS, China en Rusland. Een analyse van de zogeheten niet-gebonden landen.

    Veel landen die gevangen zitten tussen Amerika, China en Rusland willen in geen geval partij kiezen. Nu de naoorlogse, door de VS geleide wereldorde uiteenvalt en economieën almaar verder losgekoppeld raken, proberen ze deals te sluiten die scheidslijnen overstijgen. Een transactiegerichte aanpak die de geopolitiek een nieuw aanzien geeft.

    Wil je de niet-gebonden machten goed in kaart brengen, bekijk je ze dan eens door een Russische lens. Onze zusterorganisatie EIU [Economist Intelligence Unit, een organisatie die ontstaan is uit The Economist en analyses uitvoert voor het bedrijfsleven] heeft landen geanalyseerd op basis van hun economische en militaire banden met Moskou, hun diplomatieke standpunten zoals die blijken uit hun stemgedrag in de VN en hun steun aan en uitvoering van sancties. Er zijn 52 landen, goed voor 15 procent van de wereldbevolking, die het optreden van Rusland hekelen: het Westen en zijn bondgenoten. Slechts 12 landen staan achter Rusland. Dit betekent dat de overige 127 staten niet duidelijk voor een van beide kampen kiest.

    Wat niet-gebonden landen gemeen hebben is een nietsontziend pragmatisme 

    Om een idee te krijgen van wat niet-gebondenheid precies inhoudt, heeft The Economist ook gekeken naar de 25 grootste economieën (t25) die de kat uit de boom hebben gekeken bij de Oekraïense oorlog, of die neutraal willen blijven in de Chinees-Amerikaanse confrontatie, of beide. Deze ‘transactiegerichte’ groep is in termen van welvaart en politieke organisatie buitengewoon gevarieerd van samenstelling: zowel het reusachtige India als dwergstaat Qatar behoren ertoe. Wat ze gemeen hebben is een nietsontziend pragmatisme. 

    Ze vertegenwoordigen nu 45 procent van de wereldbevolking. Hun aandeel in het mondiale bbp is gestegen van 11 procent in 1992 naar 18 procent in 2023, en is daarmee hoger dan dat van de EU. Hun strategie van neutraliteit brengt ernstige risico’s met zich mee, maar biedt ook grote kansen. Hun succes of falen zal de wereldorde tientallen jaren beïnvloeden. En zowel de VS als China zullen proberen deze landen voor zich te winnen.

    Kloof

    In de twintigste eeuw had niet-gebondenheid verschillende betekenissen voor verschillende landen op verschillende momenten. Tijdens conferenties in Bandung in Indonesië (1955) en Belgrado in Joegoslavië (1961) presenteerden leiders een ‘derde wereld’, naast het Westen en het Sovjetblok. Vanaf het einde van de jaren zestig richtten deze landen hun pijlen steeds meer op economische ongelijkheid tussen het ‘mondiale zuiden’ (een minder beladen term voor ‘derde wereld’) en het industriële noorden. De niet-gebonden beweging was een formele instelling waarvan bijna elke Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse staat lid werd. Toen de Koude Oorlog ten einde kwam werd ze, in de woorden van een Indiase academicus, ‘een zieltogende organisatie, die een waardige begrafenis behoefde’.

    De niet-gebonden landen van nu zijn niet te herkennen aan lidmaatschap van een instelling, maar aan gedrag. Middelgrote machten zijn het, die zich laten leiden door pragmatisme en opportunisme. In een recent boek betoogt de voormalige Chileense diplomaat Jorge Heine dat landen in de twintigste eeuw vaak per toeval in een van de invloedssferen van de supermachten terechtkwamen. Tegenwoordig is het meer zo dat ze mogelijkheden ‘actief’ evalueren om bepaalde doelen te bereiken, zo stelt hij. Sommigen noemen dit ‘minilateralisme’ (in tegenstelling tot multilateralisme) – het aansturen van discrete allianties of groeperingen, in plaats van je lot in handen van één blok te leggen.

    ‘Europa moet zich bevrijden van de mentaliteit dat de problemen van Europa de problemen van de wereld zijn, maar dat de problemen van de wereld niet de problemen van Europa zijn’

    Niet-gebonden landen vinden westerse leiders meestal hypocriet. In het eerste jaar van de oorlog werd ongeveer 170 miljard dollar aan hulp toegezegd aan Oekraïne – ongeveer 90 procent van wat de ontwikkelingscommissie van de OESO, een groep van 31 westerse donoren, in 2021 aan mondiale hulp uitgaf. Voor het Westen is deze vrijgevigheid een uiting van solidariteit met een mededemocratie; voor anderen toont ze aan dat rijke landen vooral geld ophoesten als dit hun belangen dient. ‘Europa moet zich bevrijden van de mentaliteit dat de problemen van Europa de problemen van de wereld zijn, maar dat de problemen van de wereld niet de problemen van Europa zijn,’ zo stelde Subrahmanyam Jaishankar, de Indiase minister van Buitenlandse Zaken, vorig jaar.

    Deze stellingname komt in grote lijnen overeen met de publieke opinie. Uit een rapport van Cambridge University van vorig jaar bleek dat in liberale democratieën 75 procent een negatief beeld heeft van China en 87 procent ongunstig over Rusland oordeelt. Onder de 6 miljard mensen die elders wonen is het beeld nagenoeg omgekeerd. Er is dus een kloof tussen hoe het Westen de wereld ziet en hoe de rest van de wereld die ziet. In een opiniepeiling, eerder dit jaar gepubliceerd door de Europese Raad voor Buitenlandse betrekkingen (een denktank), stelde 48 procent van de Indiërs en 51 procent van de Turken dat multipolariteit of niet-westerse dominantie de toekomstige wereldorde zal bepalen. Slechts 37 procent van de Amerikanen, 31 procent van de EU-bevolking en 29 procent van de Britten waren het hiermee eens. Het Westen denkt dat het naar een vervolgaflevering van de Koude Oorlog kijkt, de rest van de wereld ziet een geheel nieuwe film.

    Gemeenschappelijk doel

    Wie zitten er dan allemaal in die t25? Het is, zoals gezegd, een diverse groep die bestaat uit landen met bevolkingen die tot de grootste ter wereld behoren, waarvan er twee – India en Indonesië – de grootste democratieën ter wereld zijn. Je hebt ook Vietnam, Saoedi-Arabië en Egypte, alle bestuurd door autocraten van uiteenlopende snit. Er zijn grote verschillen wat welvaartsniveau betreft. In Saoedi-Arabië is het bbp per persoon ruim 24.000 euro, ongeveer evenveel als dat van een aantal Europese landen, terwijl het in Pakistan op zo’n 1440 euro blijft steken.

    Naarmate de globalisering zich uitbreidde, zijn de t25 een handel in vele richtingen gaan drijven. Zo’n 43 procent geschiedt met het westerse blok, 19 procent met het Chinees-Russische blok en 30 procent met landen uit geen van beide kampen. Misschien is het gezien de ligging van Mexico niet verrassend dat 77 procent van de totale handel van dat land met het Westen is, en dat ook Israël en Algerije voor meer dan 60 procent handel daarmee drijven. Geen ander t25-land kent zo’n intensief handelsverkeer met China als Chili (meer dan een derde), maar tegelijkertijd betreft 40 procent van dat handelsverkeer het Westen. Meer dan de helft van de Argentijnse handel, en bijna de helft van die van India, wordt met andere niet-gebonden landen gedreven.

    De wapeninvoer toont ook een complex netwerk van loyaliteiten. India dekt zich slim in. Tussen 2018 en 2022 was Rusland de belangrijkste leverancier, die India voor 45 procent van zijn wapens voorzag, maar het land ontving van Europa nog eens 29 procent en waarschijnlijk zal het zich nog zelfredzamer maken met Amerikaanse hulp. Met het rivaliserende China, dat levert aan India’s aartsvijand Pakistan, kan geen sprake zijn van handel. Israël, Marokko, Saoedi-Arabië en Zuid-Afrika verlaten zich voor het overgrote deel op de Verenigde Staten als het om wapenimport gaat.

    Geopolitieke allianties zijn sinds 2018 almaar belangrijker geworden bij het bepalen van directe buitenlandse investeringen

    Er is geen bestuursorgaan dat niet-gebonden landen en hun belangen vertegenwoordigt. En dat zal er waarschijnlijk ook niet komen. In plaats daarvan zijn er uiteenlopende organisaties, zoals de G20, die platforms bieden die grote niet-gebonden landen in meer of mindere mate van nut zijn. De BRICS-groep – Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika – is een forum voor middelgrote machten die expansie nastreven: er is een discussie gaande over of Iran en Saoedi-Arabië mogen toetreden. Tijdens klimaatgesprekken in VN-verband is een brede groep van meer dan honderddertig landen, waaronder China, rond de tafel gaan zitten.

    Ondanks hun verschillen hebben de niet-gebonden landen een gemeenschappelijk doel: gunstige overeenkomsten sluiten in een veranderlijke omgeving. Twintig jaar lang konden velen relaties opbouwen met zowel het Westen en China als Rusland. Dat is verleden tijd. Het Westen legt Rusland sancties op en beperkt China’s toegang tot technologie.

    Voor veel landen betekent dit nu een ernstige bedreiging. Door de sancties tegen Rusland stegen de energie- en voedselprijzen wereldwijd, met ernstige gevolgen voor de niet-westerse wereld. Onlangs heeft Janet Yellen, de Amerikaanse minister van Financiën, Amerikaanse bedrijven aangespoord om hun toeleveringsketens naar bevriende staten over te hevelen. Ook investeringen verplaatsen zich. En ondertussen bloeit er iets moois op tussen Beijing en Moskou. Recent onderzoek van het IMF heeft uitgewezen dat geopolitieke allianties, zoals die blijken uit stemgedrag in de VN, sinds 2018 almaar belangrijker zijn geworden bij het bepalen van directe buitenlandse investeringen. De scenario’s van het IMF ten aanzien van gefragmenteerde handel voorspellen dat de impact in opkomende markten meer dan twee keer zo slecht kan zijn als in ontwikkelde markten.

    Geen ‘automatische allianties’

    Maar velen in de niet-gebonden wereld gokken er ook op dat ze voordeel kunnen putten uit deze economische en politieke fragmentatie door hun relaties met diverse grootmachten af te palen en zelf andere landen te beïnvloeden. Om deze transactiestrategie te begrijpen, is het goed te kijken naar de aanpak van enkele grote landen die tussen twee vuren zitten. Neem Brazilië. Dat verzet zich tegen wat Mauro Vieira, minister van Buitenlandse Zaken, ‘automatische allianties’ noemt. Luiz Inácio Lula da Silva, die in januari aan zijn tweede leven als president van Brazilië begon, ziet ambtsgenoot Biden als een bondgenoot in de strijd tegen klimaatverandering; op hun bijeenkomst in Washington DC in februari werden gezamenlijke milieu-instellingen, die door de vorige president Bolsonaro waren opgedoekt, in ere hersteld. De VS zien Brazilië als een ‘grote niet-NAVO-bondgenoot’, en die status geeft recht op robuustere samenwerking met de Amerikaanse strijdkrachten.

    Maar ook Brazilië laveert tussen de supermachten. Net als andere landen in de regio heeft het afwijzend gereageerd op westerse voorstellen om oud materieel van Russische makelij aan Oekraïne te leveren in ruil voor nieuwe wapens. Het bezoek van Lula aan Beijing in april onderstreept het economische belang van China. De handel tussen Brazilië en China bedroeg in 2022 een kleine 140 miljard euro, wat 37 keer zo veel is als twintig jaar geleden. Dit is onder meer te danken aan de wijze waarop Brazilië gebruik heeft gemaakt van de tarievenoorlog tussen China en de VS. Ten koste van Washington voerde het de export van landbouwproducten naar China op.

    De angst van India voor China heeft in een aantal opzichten gezorgd voor toenadering tot het Westen

    Brazilië gaat ook zelf op avontuur. Lula bezoekt binnenkort Afrika om de invloed van Brazilië daar nieuw leven in te blazen. Tijdens zijn eerste periode als president steeg de handel met Afrika van een kleine 5,5 miljard euro in 2003 naar ruim 23 miljard euro in 2012, en Zuid-Afrika mocht toetreden tot het brics-blok. Lula’s voorganger begaf zich niet naar Afrika. Hijzelf vindt duidelijk wel dat het de moeite loont.

    De angst van India voor China heeft in een aantal opzichten gezorgd voor toenadering tot het Westen. In maart bracht de premier van Japan – dat net als India, de VS en Australië tot het ‘quadrilaterale’ Indo-Pacifische veiligheidsforum Quad behoort – een historisch bezoek aan Delhi. In het financiële jaar 2021-22 overtrof de handel van India met de VS die met China. Toch koopt India nog steeds wapens en goedkope olie van Rusland en is het onwaarschijnlijk dat het zijn jarenlange banden met dit land zal verbreken, tenzij het regime van Poetin kernwapens gaat inzetten.

    Praktisch, niet partijdig

    Net als Brazilië profileert India zich in het buitenland: alleen China zit dieper in de import en export met Afrika bezuiden de Sahara. Het gemiddelde jaarlijkse totaal aan directe buitenlandse investeringen van India bedroeg van 2004 tot 2008 0,7 miljard euro (minder dan de helft van die van Zweden), maar een decennium later 28 miljard (meer dan die van Duitsland en Japan samen). Vorige maand nodigde India vertegenwoordigers van 31 Afrikaanse landen uit voor war games. En India heeft beloofd zijn voorzitterschap van de G20 dit jaar te gebruiken om de ‘stem van het mondiale zuiden’ te laten horen.

    Turkije wil zijn invloed in het mondiale zuiden eveneens vergroten. Het heeft veiligheidsovereenkomsten met dertig Afrikaanse staten gesloten. De militaire export naar Afrika vervijfvoudigde tussen 2020 en 2021. Adviseurs van de Turkse president Erdogan zeggen dat het ‘nieuwe Turkije’ zijn eigen partners kan uitkiezen. Dat kan verklaren waarom Turkije zich neutraal opstelt ten aanzien van de oorlog in Oekraïne. Ankara heeft zijn banden met Moskou recent aangehaald. De Turkse export naar Rusland kwam in 2022 uit op bijna 7 miljard euro, een stijging van 45 procent ten opzichte van het jaar ervoor.

    Saoedi-Arabië verkleint zijn afhankelijkheid van zijn historische bondgenoot, de VS, door tegen China aan te schurken, dat nu de grootste handelspartner van het koninkrijk is. Kijk naar de besluiten, deze maand, en in oktober, door de OPEC, waarin Saoedi-Arabië het hoogste woord voert, om de olieproductie terug te dringen. Vorige maand ondertekende Saoedi-Arabië een overeenkomst met Iran, waarbij China had bemiddeld, en sloot het zich aan bij de Shanghai Co-operation Organization, een Euraziatische praatclub. China zegt zo snel mogelijk een vrijhandelsovereenkomst met de Golf te willen sluiten.

    De betrekkingen van de Golfstaten met Afrika bleven ooit beperkt tot energie, landbouw en de politiek van de Hoorn van Afrika. Nu willen Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten contracten voor de winning van delfstoffen in de wacht slepen; DP World, een havenexploitant uit Dubai, is bezig uit te groeien tot een cruciaal bedrijf op het Afrikaanse continent, en Qatar manifesteert zich op uiteenlopende manieren op het diplomatieke toneel. Vorige maand was het betrokken bij onderhandelingen over de vrijlating van Paul Rusesabagina, een gedetineerde Rwandese dissident (en inspirator voor de film ‘Hotel Rwanda’).

    Zelden klonken westerse beloften om de veiligheid te garanderen in sommige delen van Afrika zo hol

    Afrikaanse landen hebben zich lange tijd naar beide grootmachten gericht. Het Westen is door de bank genomen hun belangrijkste voorziener in ‘zachte‘ behoeften geweest: onderwijs, gezondheid en, mocht een regering dat willen, mensenrechten. China biedt ‘hardware’: bruggen, wegen, havens, en de leningen om die te bouwen. Voor infrastructuurprojecten ten zuiden van de Sahara bedroegen de leningen van het belangrijkste Amerikaanse ontwikkelingsbureau tussen 2007 en 2020 minder dan een tiende van de leningen die de twee grote ontwikkelingsbanken van China verstrekten (1,7 miljard tegen ruim 20 miljard euro).

    Zelden klonken westerse beloften om de veiligheid te garanderen in sommige delen van Afrika zo hol. ‘De Amerikaanse troepen en agenten moeten ergens slapen. Maar de veiligheidsrelatie komt onze economische ontwikkeling helemaal niet ten goede,’ legt een voormalig adviseur van een Afrikaanse president uit. ‘Daarvoor hebben we China nodig.’ In augustus verlieten, na negen jaar, de laatste Franse troepen Mali; de Wagner-groep, bestaande uit Russische huurlingen, houdt de regerende junta nu overeind.

    De niet-gebonden landen kiezen liever geen partij. Maar de grootmachten VS en China willen ze graag in hun invloedssfeer trekken. Beijing ziet zijn leiderschap over het mondiale zuiden als een manier om beter weerwerk te kunnen bieden aan de VS. Het positioneert zich als rolmodel binnen een brede familie van ontwikkelingslanden. Het zet zich af tegen het Westen, dat volgens Beijing meer waarde hecht aan exclusiever gezelschap, zoals dat van de G7. ‘China laat zich zien waar en wanneer het Westen dat niet doet,’ zegt Yemi Osinbajo, de vertrekkende vicepresident van Nigeria.

    Oosterse vrienden, westerse vrienden

    China is de belangrijkste handelspartner van ongeveer 120 landen en voor velen de geldschieter in eerste en laatste instantie. Tussen 2007 en 2020 stopte het meer geld in infrastructuur ten zuiden van de Sahara dan de volgende acht grootste geldschieters tezamen. Dit is van cruciaal belang voor het oplossen van staatsschuldcrises. Uit een analyse van 73 ontwikkelingslanden door het IMF blijkt dat China in 2006 slechts 2 procent van de externe schulden van deze groep bezat, waar de ‘club van Parijs’ – een groep grotendeels westerse crediteuren – 28 procent voor zijn rekening nam. In 2020 bedroegen deze percentages respectievelijk 18 en 10.

    Westerlingen mogen hier terecht hun wenkbrauwen bij fronsen. China’s ‘win-win’-retoriek verdonkeremaant de meedogenloze houding van Beijing. In het boek Banking on Beijing (2022), van onder anderen Bradley Parks van AidData (een onderzoeksinstelling), valt te lezen hoe China zijn economische instrumenten gebruikt voor politieke doeleinden. Geldstromen worden vaak naar de thuisdistricten van zittende leiders omgebogen, en ook is China meer dan westerse landen bereid geld te lenen aan corrupte en autocratische landen. AidData ontdekte ook dat als een land 10 procent vaker met Beijing meestemt bij de VN, het ook meer Chinese projecten in dat land tegemoet mag zien. Chinese leningen gaan vergezeld van ongewoon strikte clausules betreffende vertrouwelijkheid en onderpand. Chinese ontwikkelingsprojecten zouden echter wel tot een verhoging van het bbp per persoon leiden, merkt Parks op.

    De VS bedrijft nu diplomatie op plekken die het eerder heeft verwaarloosd

    De VS en bondgenoten proberen de Chinese inspanningen te ondervangen door hun boodschap aan de niet-gebonden wereld te verfijnen. Washington erkent dat de internationale orde die het leidt alleen legitiem is als andere landen er vrijwillig mee instemmen. ‘Landen willen niet gedwongen worden te kiezen, en dat willen wij ook niet,’ aldus Jake Sullivan, nationale veiligheidsadviseur van president Biden, eerder dit jaar in The Washington Post. De VS bedrijft nu diplomatie op plekken die het eerder heeft verwaarloosd. Kamala Harris, de Amerikaanse vicepresident, Janet Yellen en Antony Blinken, minister van Buitenlandse Zaken – allemaal hebben ze Afrika in 2023 bezocht. Biden volgt binnenkort.

    De VS hebben ook de veiligheidssamenwerking met invloedrijke niet-gebonden landen versterkt. In november ontmoette minister van Defensie Lloyd Austin zijn Indonesische collega voor de vierde keer; in januari kwamen Amerikaanse en Indiase functionarissen overeen de samenwerking op het gebied van geavanceerde defensietechnologieën verder uit te bouwen. In totaal onderhoudt de VS 88 ‘defensiepartnerschappen’ (uitgezonderd formele allianties zoals die met de NAVO), al is een aantal vrij beperkt van aard. 

    Hoewel de VS en de EU de afgelopen jaren de Belt and Road Initiative, ofwel de door China geïnstigeerde Nieuwe Zijderoute, probeerden te pareren met concurrerende plannen, blijft de indruk bestaan dat je nog altijd beter bij Beijing kunt aankloppen voor geld om je infrastructuur te verbeteren en daarmee je economie te transformeren. Nadat Kamala Harris een soundtrack met Afrikaanse artiesten had uitgebracht om haar recente bezoek aan het continent luister bij te zetten, merkte een hoge Afrikaanse functionaris droogjes op dat de Chinezen met leningen en ingenieurs komen aanzetten en de Amerikanen met playlists.

    Een politieke paradox

    Alom wordt ervan uitgegaan dat de regering-Biden een buitenlands beleid op twee niveaus voert: op de eerste plaats komen de betrekkingen met de belangrijkste democratische bondgenoten in Europa en Azië (met de hoop dat India daarvan ooit deel zal uitmaken) – en daarna met rammelende mondiale instituties. Aan de bemiddelende rol van die instituties heeft een brede groep landen, waaronder de meeste niet-gebonden landen, behoefte, of het nu gaat om ontwikkeling, schuldverlichting, veiligheid of financiën.

    Dat brengt drie uitdagingen met zich mee. In de eerste plaats moet de westerse eenheid standhouden. Dat is niet vanzelfsprekend. Tijdens zijn recente bezoek aan China zei de Franse president Emmanuel Macron dat de Europese staten het Amerikaanse beleid ten aanzien van Taiwan niet zomaar moeten volgen, noch een boodschap hoeven te hebben aan het Amerikaanse ‘ritme’.

    Het risico van deze bundeling van krachten is dat het mondiale zuiden verder vervreemd raakt van de internationale orde

    De tweede uitdaging is de mogelijkheid dat China de mondiale instellingen ondermijnt door bijvoorbeeld te kiezen voor bilaterale schuldenverlichting in plaats van zich volledig in te zetten voor gecoördineerde inspanningen op dat gebied. De halsstarrige houding van Chinese crediteuren bij het IMF vermindert de flexibiliteit die het kan bieden aan landen die met schulden worstelen.

    De laatste uitdaging betreft het wantrouwen jegens het Westen vanwege al zijn verbroken beloften. Neem de klimaatfinanciering. In 2009 zeiden rijke landen dat ze in 2020 ruim 90 miljard euro per jaar naar arme landen zouden sluizen; het jaarlijkse totaal is nooit hoger geweest dan 77 miljard.

    Op grond van hun gedeelde liberale waarden en geschiedenis schaarden westerse landen zich achter Oekraïne na de Russische invasie. Zij hebben ook hernieuwde vastberadenheid aan de dag gelegd jegens een autoritair China. Het risico van deze bundeling van krachten is evenwel dat het mondiale zuiden verder vervreemd raakt van de internationale orde. Het zou tragisch zijn als de VS, door het Westen te verenigen, het contact met de rest van de wereld verliest.

    Lees ook:

  • Hoe schadelijk is mijnbouw in de diepzee voor de onontdekte dieren die er leven?

    Hoe schadelijk is mijnbouw in de diepzee voor de onontdekte dieren die er leven?

    Door een groeiende behoefte aan grondstoffen staan ondernemingen in de rij om ertsen en metalen van de zeebodem te halen. Dat gaat uiteraard niet zonder ernstige milieuschade. Het team van wetenschapper Pedro Martínez Arbizu onderzoekt in hoeverre het leven in de diepzee zich kan herstellen.

    Tweeduizend kilometer uit de kust van Mexico glijdt de Sonne over de nachtzwarte Stille Oceaan. Het schip sleept een instrument achter zich aan dat is uitgerust met foto- en videocamera’s en vlak boven de zeebodem zweeft. Aan boord kijkt Lilian Böhringer van het Alfred Wegener Instituut in Bremerhaven gefascineerd naar de livebeelden uit een diepte van 4500 meter. De vlakke bodem is bezaaid met steenklompen zo groot als aardappelen. Op het eerste gezicht lijkt die vreemde wereld op een dood maanlandschap. Maar in het licht van de schijnwerper ontwaart de bioloog overal tekenen van leven in het zachte sediment: kruipsporen, wormgaten, de omtrek van een zeester die zich heeft ingegraven.

    Dan trillen er vreemdsoortige diepzeebewoners op haar beeldscherm. Een paar hebben een houvast gevonden op de stenen: anemonen die op bloemen lijken, fragiele koraalboompjes en sponzen op steeltjes, waaraan slangsterren zich vastklampen. Elke twintig seconden maakt de camera een foto van de bodemfauna. Böhringer vergroot het laatste snapshot. ‘Een prachtige zeekomkommer!’ roept ze enthousiast. Het bizarre wezen draagt een soort zeil op de rug en door het roze, bijna transparante lichaam schemert het spijsverteringskanaal. ‘In de diepzee zijn deze dieren bonter en veelsoortiger dan in de koraalriffen.’ Algauw zijn er ook witte, oranje en violette zeekomkommers te zien, stekelige worsten en buikige zeevarkens met beenstompjes.

    Sonne Expedition CCZ TimK 6
    De mangaanknollen op de bodem van de Stille Oceaan zijn miljoenen jaren oud. Ze worden gevormd door vulkanische processen en bevatten behalve mangaan en ijzer ook kostbaardere metalen zoals kobalt, nikkel en platina. – © Tim Kalvelage

    Geleidelijk verandert het uitzicht: de steenklompen zijn steeds meer bedekt met sediment, de levende wezens worden minder talrijk. Na een paar honderd meter is de zeebodem veranderd in een zandwoestijn. ‘We benaderen bijna het ontginningsgebied,’ zegt de onderzoekster na een blik op haar kaart met de positie van het schip. Kort daarna verschijnen op de bodem de anderhalve meter brede sporen van een tonnen zwaar rupsvoertuig. Op de doorploegde akker zitten een paar zee-egels. Een rood oplichtende garnaal zwemt door het beeld. Het gesteente is verdwenen en daarmee ook de dierenwereld die erop leeft.

    Op een diepte van 4000 tot 6000 meter over een oppervlak groter dan de EU ligt 25 tot 40 miljard ton mangaanknollen

    In de herfst van 2022 is vanuit Californië in het noordoosten van de Stille Oceaan een expeditie vertrokken met het Duitse onderzoeksschip Sonne. Een team van 38 mensen wil onderzoeken welke schade de mijnbouw in de oceaan achterlaat. Anderhalf jaar geleden testte de Belgische onderneming Global Sea Mineral Resources (GSR) in deze regio een oogstmachine met de afmetingen van een maaidorser. Die werd ontwikkeld om ertsen te verzamelen van de zeebodem: mangaanknollen die in de loop van miljoenen jaren op de diepzeevlaktes zijn ontstaan. Ze bevatten felbegeerde metalen zoals kobalt, koper en nikkel, die van belang zijn voor nieuwe technologie. Maar de ontginning zou een nog nauwelijks onderzocht ecosysteem op grote schaal kunnen verwoesten.

    Maritieme eldorado

    De Clarion-Clipperton Zone (CCZ), een zeegebied tussen Hawaï en Mexico, is het maritieme eldorado. Op een diepte van 4000 tot 6000 meter ligt daar over een oppervlak groter dan de EU ongeveer 25 tot 40 miljard ton mangaanknollen. De Internationale Zeebodemautoriteit (ISA), een VN-organisatie, beheert deze reusachtige voorraden erts. Ze geeft licenties uit voor internationale wateren – tot dusver alleen voor de verkenning van de bodemschatten. Op dit moment werkt de autoriteit aan een reglement voor de ontginning. Deze Mining Code zou deze zomer goedgekeurd kunnen worden en meteen het startschot zijn voor de diepzeemijnbouw.

    Naast GSR behoort ook de Duitse Bundesanstalt für Geowissenschaften und Rohstoffen tot de zeventien licentiehouders in de CCZ. De claims omvatten elk 75.000 vierkante kilometer, ongeveer de oppervlakte van Beieren. In 2021 heeft GSR in het Belgische en het Duitse licentiegebied twee grote knollenvelden van ongeveer 30.000 vierkante meter geoogst en de klompen aan de rand van de testvelden overgeladen. Tegelijkertijd voerde het Europese onderzoeksproject MiningImpact, gecoördineerd door onderzoeksinstituut Geomar uit Kiel, een onafhankelijke milieustudie uit. Nu keren de wetenschappers met de Sonne terug om de gevolgen voor het ecosysteem te onderzoeken.

    Fauna zou tientallen tot misschien zelfs duizenden jaren nodig hebben om zich te herstellen

    ‘De soortenrijkdom in de CCZ is even groot als in de tropische regenwouden, vooral vanwege de mangaanknollen. Daarop vestigen zich veel dieren, die op hun beurt weer andere organismen aantrekken,’ vertelt expeditieleider Pedro Martínez Arbizu van het Duitse onderzoekscentrum naar mariene biodiversiteit in Wilhelmshaven, tijdens de tocht naar het Duitse licentiegebied. ‘Bij eerdere reizen hebben we honderden nieuwe soorten geregistreerd.’

    Mijnbouw in de diepzee zou hun leefruimte onherstelbaar beschadigen, vreest hij, omdat oogstmachines de knollen verwijderen en veel stof doen opwaaien. ‘De sedimentwolken verspreiden zich tot ver buiten het mijngebied,’ aldus de bioloog. ‘Filtreerdieren zoals sponzen worden onder de deeltjesregen begraven en zouden kunnen stikken.’

    Sonne Expedition CCZ TimK 5
    Met de onderwaterrobot zijn bewegingen op de zeebodem mogelijk met een precisie tot op de centimeter. Met de grijparm neemt het team proefmonsters op een experimenteerveld. – © Tim Kalvelage

    Voor de expeditie, die acht weken zal duren, werden containers vol meetinstrumenten en apparatuur om monsters te nemen ingeladen, waaronder miljoenen kostende hightechapparaten voor diepzeeonderzoek: een op afstand bestuurbare duikrobot met grijparmen en een torpedovormige autonome duikboot om de zeebodem mee in kaart te brengen.

    Haperingen

    Het begin van de reis verloopt moeizaam. Het coronavirus heeft zichzelf aan boord weten te smokkelen. De besmette mensen moeten zich isoleren in hun hutten. Voor de anderen geldt: mondkapjes dragen en afstand houden. Gegeten wordt er in ploegen – haastig en zwijgzaam. Bovendien hapert de techniek: de gps-lokalisering werkt niet goed, de instrumenten landen niet op de bedoelde coördinaten op de zeebodem. De duikrobot heeft een lek en als er een touw breekt, verdwijnen waardevolle instrumenten ongecontroleerd de diepte in.

    Maar onderzoekers en scheepsbemanning lossen de problemen op. Ook de verloren apparatuur kan met behulp van de duikrobot op de oceaanbodem worden gelokaliseerd en onbeschadigd worden geborgen. En na tien dagen klinkt het verlossende bericht van de kapitein door de luidsprekers: ‘Alle PCR-tests zijn negatief!’ Bij het avondeten is de stemming in de eetzaal uitgelaten.

    Nog 100 meter, 50… ‘Stop!’ zegt Martínez Arbizu. De matroos stopt de lier. Het apparaat schommelt nu enkele meters boven de bodem, op 4100 meter diepte. Op het beeldscherm zijn een paar plastic buizen te zien, en daaronder de zeebodem. Geen mangaanknollen te bekennen. De onderzoekers willen het door een dikke laag sediment bedekte gebied rondom de mijnlocatie onderzoeken. De lier loopt weer en de buizen boren zich in het sediment.

    Sonne Expedition CCZ TimK 3
    Sedimentmonsters worden op het schip gehesen. – © Tim Kalvelage

    Ruim een uur later is het apparaat terug aan dek. Meteen stelt een tiental wetenschappers de kostbare monsters veilig. Een tropische regenbui klettert op het scheepsdek. Een paar minuten later zijn de sedimentkernen al op weg naar de laboratoria. Ze moeten onder andere laten zien of door diepzeemijnbouw zware metalen uit de zeebodem vrijkomen en hoe de samenstelling van de bacteriële gemeenschap verandert.

    Het team van Martínez Arbizu speurt in het sediment naar dieren die nog geen millimeter groot zijn. Die vormen een groot deel van de diepzeefauna, volgens de bioloog. Op de werktafel voor hem ligt een plas modderig water. Het ruikt naar ethanol. Hij zeeft een sedimentmonster door een fijnmazige stalen zeef. De kleinste levende wezens die daarop achterblijven worden geconserveerd in alcohol en later in Duitsland geteld en gedetermineerd. ‘Het meest vinden we roeipootkreeftjes,’ zegt hij, ‘en draadwormpjes. Alleen al in het Duitse licentiegebied zijn er daarvan ongeveer tienduizend keer zoveel als sterren in onze Melkweg.’

    Oceaanschatten

    Sinds de eeuwwisseling groeit de belangstelling voor grondstoffen in de diepzee. Naast metaalrijke zwavelertsen en kobaltkorsten op onderzeese bergen zijn de knollenvelden bijzonder gewild. Al in de jaren zeventig werden er pogingen gedaan om ze te benutten, uit angst voor een tekort aan reserves aan land. Nu zijn de energietransitie en de digitalisering de grote aanjagers van de zoektocht naar de oceaanschatten. Mangaanknollen bevatten meerdere metalen die onontbeerlijk zijn voor elektrische auto’s, windmolens en smartphones. Experts schatten dat de hoeveelheid kobalt in de CCZ drie tot zes keer zo groot is als de wereldwijde reserves aan land.

    Voorstanders argumenteren dat diepzeemijnbouw niet alleen zou kunnen voorzien in onze groeiende behoefte aan grondstoffen, maar ook onze afhankelijkheid zou verminderen van politiek instabiele en ondemocratische staten. Bijvoorbeeld van Congo, waar ruim tweederde van alle kobalt ter wereld vandaan komt, en van China, dat dominant is bij de verdere verwerking van het metaal. Bovendien zouden de maatschappelijke en de milieukosten geringer zijn dan bij mijnbouw aan land, aangezien er geen mensen verplaatst en geen bossen gerooid hoeven te worden, en minder giftig afval ontstaat.

    Sonne Expedition CCZ TimK 4
    Als diepzeegesteente wordt gewonnen, verliezen sedentaire dieren hun leefgebied. Als alternatief biedt Sabine Gollner op proef kunstknollen aan. – © Tim Kalvelage

    Wetenschappers waarschuwen daarentegen voor enorme schade aan het gevoelige ecosysteem door het oogsten van de knollen, die zo belangrijk zijn voor het overleven van veel soorten, door het opgewerveld sediment en het lawaai van oogstvoertuigen in de zeer stille diepzee en het slijk dat transportschepen terugstorten in zee. De traag groeiende fauna zou tientallen tot misschien zelfs duizenden jaren nodig hebben om zich te herstellen. Dat blijkt ook uit een experiment voor de kust van Peru, waar onderzoekers in 1989 een knollenveld omploegden. Bijna dertig jaar later waren de sponzen daar nog niet teruggekeerd.

    Diepzeemijnbouw heeft minder milieukosten aangezien er geen mensen verplaatst en geen bossen gerooid hoeven te worden

    De kennis over de diepzeefauna en hun biotoop is nog heel onvolledig. Hoe oud worden de organismen en hoe groot is hun verspreidingsgebied? Hoe planten ze zich voort? Welke soorten hebben een sleutelpositie in het ecosysteem? Deze vragen moeten worden beantwoord om het risico van de diepzeemijnbouw serieus te kunnen inschatten. Anders sterven soorten uit voordat ze worden ontdekt.

    Desondanks wil de Internationale Zeebodemautoriteit in juli regels voor de diepzeemijnbouw goedkeuren. Reden voor die haast: Nauru, een klein eilandstaatje in de Stille Oceaan met een licentie in de CCZ, heeft in 2021 een beroep gedaan op een paragraaf in het internationale zeerecht. Volgens die paragraaf moet de autoriteit binnen twee jaar een reglement produceren. In de Mining Code moeten de toegestane grootte van de mijngebieden, de milieuvoorwaarden en de verdeling van de opbrengsten worden vastgelegd. Met de resultaten van de ontginningstest willen de onderzoekers aanbevelingen opstellen, bijvoorbeeld voor het aanwijzen van beschermde gebieden en voor milieucontroles.

    Sonne Expedition CCZ TimK 2
    Met de duikrobot verkennen de onderzoekers de zeebodem op ruim 4000 meter diepte. Na een succesvolle inzet wordt de robot weer op het achterschip van de Sonne gehesen. – © Tim Kalvelage

    De Sonne is intussen al vier weken onderweg op de Stille Oceaan. Dag en nacht gaan instrumenten het water in. ’s Nachts zie je vermoeide gezichten van onderzoekers die uit hun kooi zijn gebeld omdat er monsters aan dek komen. Tijdens nachtenlange sessies met de camera verkent Lilian Böhringer de zeebodem. Overdag werkt ze zich in het zweet in de fitnessruimte of geniet ze aan dek van het zonnige weer en maakt ze kruiswoordpuzzels. ’s Avonds haalt ze met een stralende blik zeekomkommers en andere diepzeedieren uit de verzamelbox van de duikrobot, als die weer aan dek komt.

    Prototype

    Bij het expeditieteam hoort ook een vertegenwoordiger van de industrie, François Charlet, die leiding geeft aan de grondstofverkenning van GSR in de CCZ. De geoloog heeft in 2021 al de milieustudie begeleid. Tijdens de dagelijkse meeting voor wetenschappers in de conferentieruimte – de Sonne is nu in het Belgische licentiegebied – laat hij een video zien van de ontginningstest. Te zien is hoe het oogstvoertuig de knollen en de bovenste sedimentlaag opzuigt. In technisch opzicht was de test een succes: ‘De Patania II heeft 90 procent van de knollen geoogst,’ zegt hij.

    De Patania II was slechts een prototype. De Patania III moet drie keer zo groot worden en in 2025 voor het eerst worden ingezet. Dan heeft GSR een ontginningstest gepland met een boorschip en een transportsysteem dat de knollen naar de oppervlakte brengt. Ook GSR meent dat mijnbouw in de diepzee minder verwoestend zal zijn dan aan land vaak het geval is. Op basis van wetenschappelijke inzichten zou men internationaal geldende regels overeen kunnen komen. ‘Wij willen feedback van het wetenschappelijk onderzoek om de mijnbouw zo milieuvriendelijk mogelijk vorm te geven,’ zegt Charlet. Dan zou men in 2028 kunnen beginnen, na verdere milieustudies en als er een milieumanagementplan is opgesteld. Mocht diepzeemijnbouw onverantwoord blijken, dan zal GSR geen licentie voor ontginning aanvragen.

    De concurrentie wil al snel beginnen met de knollenoogst. Kort voor de Sonne was The Metals Company met een boorschip naar de CCZ gevaren. Op basis van een overeenkomst met Nauru, Tonga en Kiribati neemt die Canadese onderneming deel in drie licentiegebieden. In oktober 2022 bracht het meer dan 3000 ton mangaanknollen naar de oppervlakte. De Internationale Zeebodemautoriteit had het plan voor de milieucontroles weliswaar bekritiseerd, maar uiteindelijk toch toestemming gegeven voor de test. Vanaf 2024 wil The Metals Company op industriële schaal gaan ontginnen.

    Zou de fauna van de knollenvelden zich daarvan herstellen? Zou ze daarbij geholpen kunnen worden? Diepzee-ecoloog Sabine Gollner van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) op Texel wil dat uitzoeken. In de container op het achterdek kijkt ze naar een wand vol beeldschermen. Voor haar zitten de piloot van de duikrobot en een collega die de grijparm bedient. Na de landing trekt de arm plastic frames uit een box, het ene na het andere, en plaatst deze op het spoor van het rupsvoertuig in het testgebied. Andere komen daarnaast. Aan het frame zijn knollen van klei bevestigd: een pottenbakker heeft er drieduizend voor haar gemaakt. ‘Het experiment moet antwoord geven op de vraag of sponzen, anemonen en koralen zich ook vestigen op kunstmatige knollen,’ zegt ze. ‘Zo ja, dan zouden ontgonnen gebieden daarmee hersteld kunnen worden.’ Maar de kosten zouden enorm zijn.

    Ecosysteem

    Al sinds 2021 worden zulke frames in het testgebied uitgezet. Een aantal daarvan wil de onderzoekster nu weer omhoog halen. Opnieuw strekt de duikrobot zijn grijparm uit. Een grenadiervis met grote ogen duikt kalmpjes op in het licht van de schijnwerper en verdwijnt weer in de duisternis. Later krabt Gollner in het laboratorium met een scheermesje de knollen schoon. Op Texel zal ze de biofilm analyseren. Het zou weleens vele jaren kunnen duren voordat er grotere organismen op de kunstmatige knollen groeien. In het gunstigste geval.

    Sonne Expedition CCZ TimK 1
    Expeditieleider Pedro Martínez Arbizu zoekt in sedimentmonsters naar de kleinste levende organismen. – © Tim Kalvelage

    Na bijna twee maanden op zee is er weer land in zicht. Kort voor Kerst bereikt het schip de Californische kust. In de tussentijd heeft de Duitse Bondsregering verklaard dat ze de diepzeemijnbouw voorlopig niet zal steunen. De risico’s en het ecosysteem van de diepzee moeten eerst beter worden onderzocht. De volgende reizen van de Sonne staan al gepland.

    Lees ook:

  • Hoe de wilde koeien van Cedar Island al zwemmend een orkaan overleefden

    Hoe de wilde koeien van Cedar Island al zwemmend een orkaan overleefden

    Toen een vloedgolf tientallen wilde paarden en koeien wegvaagde van de kust van North Carolina, had niemand verwacht dat er overlevers zouden zijn. Tot er hoefafdrukken in het zand verschenen. ‘Koeien zijn stoïcijnen; ze verbijten zich.’

    De wilde paarden hebben allemaal een naam. Ze heten bijvoorbeeld Ronald, Becky of Clyde. Het klinkt wat gewoontjes, zelfs voor een paard, en toch is elke naam een soort ereteken. Want al jarenlang vernoemen de bewoners van Cedar Island in North Carolina ieder veulen dat in de plaatselijke kudde mustangs geboren wordt, naar de oudste nog levende persoon die zijn naam nog niet aan een paard gegeven heeft. Op die manier is elke eilandfamilie van oudsher verbonden met de kudde.  

    Cedar Island, gelegen in een deel van North Carolina dat bekendstaat als Down East, is wat tegenwoordig in de Verenigde Staten doorgaat als afgelegen. Hoewel het in vogelvlucht maar 65 kilometer verwijderd ligt van Cape Hatteras, met zijn toeristen, hypotheekmakelaars en restaurants met namen als Dirty Dick’s Crab House, blijft Cedar Island een plaats met slechts een handvol mensen en bedrijven, waar het onzeker is of je op zondagavond in een restaurant terecht kunt – of zelfs maar een bord hush puppies [gefrituurde maisdeegballetjes] kunt scoren. Bij aankomst merk je niet eens dat Cedar Island een eiland is. Als je de hoge Monroe Gaskill Memorial Bridge oprijdt, die het eiland met het vasteland verbindt, kun je gemakkelijk denken dat je een van de vele rustige, meanderende rivieren in de regio oversteekt. In feite is het de Thorofare, een smal zoutwaterkanaal dat de Pamlico Sound in het noorden en de Core Sound in het zuiden met elkaar verbindt. De Pamlico is een van de grootste lagunes aan de Amerikaanse kust, de Core is smal en compact. Cedar Island ligt ertussenin, en samen worden ze omsloten door de Outer Banks.

    Onder het kolkende geweld van orkaan Dorian veranderde Cedar Island compleet

    Ik schreef net dat Cedar Island twee lagunes scheidt, en op de kaart klopt dat ook. Maar in werkelijkheid is het gebied minder afgebakend. Delen van het kleine eiland staan soms onder water, afhankelijk van de wind, het getij en het seizoen, met name tijdens het orkaanseizoen.

    Het amfibische karakter van Cedar Island was nog nooit zo duidelijk als op de ochtend van 6 september 2019. Onder het kolkende geweld van orkaan Dorian veranderde het gebied compleet. De Pamlico en Core Sound voegden zich samen tot één woeste watermassa, die Cedar Island deed slinken tot een fractie van zijn oppervlakte. Het eiland was niet langer gescheiden van het vasteland door de dunne blauwe lijn van de Thorofare, maar door bijna tien kilometer oceaan.

    Mustangs

    De meeste van de pakweg tweehonderdvijftig mensen die op het eiland woonden zaten veilig in hun huizen die gebouwd waren op een strook niet al te hoge grond, maar precies hoog genoeg om de gesel van de orkanen te doorstaan. De wilde paarden daarentegen – negenenveertig in totaal – hadden een probleem.

    Er waren ook enkele koeien. Die hadden geen naam.

    Er bestaat niet zoiets als een echte wilde koe. Hoewel de runderen op Cedar Island min of meer vrij rondlopen, heten ze in vaktermen ‘verwilderd’ – het zijn de afstammelingen van ontsnapte gedomesticeerde dieren. De mustangs op het eiland zijn ook verwilderd, en bezoekers komen vaak naar Cedar Island in de hoop de zogenaamde ‘bankerpaarden’ te zien. Maar bijna niemand komt speciaal naar het eiland om de ‘zeekoeien’ te fotograferen. 

    Door heel Amerika is de mustang – met zijn wapperende manen en roffelende hoeven – de aardse belichaming van schoonheid en vrijheid

    Toch zijn de koeien opvallende verschijningen. Hun kleur varieert, maar de meeste hebben een blonde vacht die past bij het witte zand en de schittering van de zon op de noordelijke kaap van Cedar Island, waar zowel koeien als paarden rondzwerven. Toeristen zijn blij als ze de koeien zien maar toch niet zo blij als met de paarden. Hier en door heel Amerika is de mustang – met zijn wapperende manen en roffelende hoeven – de aardse belichaming van schoonheid en vrijheid. Voor de koeien geldt dat niet.

    Voor de bewoners van Cedar Island maken de koeien deel uit van wat hun thuis zo eigen maakt, vormen ze een dierbaar en vertrouwd onderdeel van de gemeenschap en haar geschiedenis. In feite zijn de koeien al veel langer op het eiland dan de mustangs, die drie decennia geleden werden overgeplaatst uit de bekendere Shackleford Banks-kudde. Maar de relatie die mensen op het eiland hebben met paarden is anders dan die met koeien, zoals bijna overal ter wereld geldt.

    ‘Vroeger was dit paardenland,’ zegt Priscilla Styron, die al dertig jaar op Cedar Island of in de omgeving woont en op de veerbootterminal werkt. ‘Iedereen reed paard, er waren Pony Pennings [een jaarlijks event], we deden van alles. Iedereen was altijd aan het paardrijden.’ Wat de koeien betreft was het niet zo lang geleden voor eilanders nog normaal om er een van het strand te halen, om ze thuis vet te mesten en te slachten. 

    Toen orkaan Dorian Cedar Island naderde, maakte niemand zich druk om de dieren. Een eilandbewoner, die zichzelf een ‘eenvoudige boerenjongen’ noemt en zijn naam niet vermeld wil zien, lacht om het idee dat wilde dieren zich zouden laten bijeendrijven en van het eiland voeren tot de storm voorbij is. Niet dat iemand dacht dat het nodig was, aldus Priscilla Styron. ‘Meestal beschermen ze zichzelf, je hoeft je er geen zorgen om te maken,’ zegt ze. ‘Ze hebben betere zintuigen dan wij.’ Cedar Island had nog nooit meer dan een of twee exemplaren van zijn wilde kudden verloren in een storm – en Down East heeft meer dan genoeg dieren.

    Een Cedar Island-koe heeft een redelijke kans om haar tienerleeftijd te halen, en soms zelfs haar dertigste verjaardag

    In 2019 liepen er misschien vijfentwintig koeien op het eiland – niemand wist het zeker, want niemand hield de telling bij, zelfs niet de bewoners die op hun runderbuurtjes gesteld waren. Voor ten minste enkele koeien was Dorian niets nieuws. Weinig koeien in Amerika leven langer dan zes jaar; de meeste worden veel jonger geslacht. Maar een Cedar Island-koe heeft een redelijke kans om haar tienerleeftijd te halen, en soms zelfs haar dertigste verjaardag. Een koe die in 2019 twintig jaar oud was, kon minstens tien orkanen hebben meegemaakt: Dennis, Floyd, Isabel, Alex, Ophelia, Arthur, Matthew, Florence en twee Irenes. De kudde kon rekenen op de ervaring van de ouderen.

    Complex sociaal gedrag

    Biologen hebben pas onlangs ontdekt dat koeien complex sociaal gedrag vertonen, en dat ze diepgaand inzicht hebben, wat we niet zouden verwachten van dieren die we typeren als slonzig, zachtaardig en sloom. Een wilde kudde organiseert bijvoorbeeld crèches en deelt de kalveren in leeftijdsgroepen in. Meestal staat zo’n crèche onder toezicht van één volwassen koe terwijl de rest gaat grazen. Dat werkt alleen als de oppassers begrijpen dat het hun taak is te zorgen voor de kalveren die niet van hen zijn, zelfs als ze daardoor genoegen moeten nemen met minderwaardig voer terwijl de anderen van groenere weiden genieten. En de kalveren moeten snappen dat ze onder toezicht staan, ook al is hun moeder uit het zicht.

    Niemand legde vast hoe de koeien reageerden toen Dorian naderde, maar evolutiebioloog Mónica Padilla de la Torre kan ons een goed beeld geven. ‘Ze zijn meestal niet bang voor storm. Ze houden van storm,’ vertelt Padilla. ‘Ze houden van koelte en schaduw, en ze zijn blij als het regent.’

    Toen orkanen nog niet werden opgespoord door satellieten en weerradars, waren koeien nuttige voorspellers

    Nog voor de orkaan aan de zuidelijke horizon opdoemde, begon de kudde zich waarschijnlijk al te verplaatsen – met die gebruikelijke traagheid van vee, dat maanwandelgangetje – naar een schuilplek. Toen orkanen nog niet werden opgespoord door satellieten en weerradars, waren koeien nuttige voorspellers. De migratie, vertelt Padilla, werd geïnitieerd door de leiders van de kudde. Bij vee wordt de pikorde vastgesteld na een gewelddadig treffen, en als dat eenmaal geregeld is, ontstaat er een goedaardige dictatuur. De leiders krijgen de beste plaatsen om te eten en de beste schaduw om in te liggen, en ze nemen belangrijke beslissingen, zoals wanneer het met een storm op komst tijd is om zich terug te trekken naar hoger gelegen gebied. 

    Voor het vee van Cedar Island was hoger gelegen gebied een berm van met kreupelhout bedekte duinen tussen het strand en het moerasland in. Daar graasden de koeien en kauwden en herkauwden ze, letterlijk. Het ruwe voer passeert een spijsverteringsorgaan, de pens, dat mensen niet hebben. Ze leken helemaal niet in paniek maar vormden een bucolisch tafereel, afgeleid van het Griekse woord boukolos, dat ‘koeherder’ betekent.

    Een goede waarnemer, zegt Padilla, kon subtiele verschillen tussen de dieren hebben opgemerkt: moeders die waakzaam of onbezorgd waren, kalveren die speels of lui waren, overduidelijke eenlingen of paren die elkaar likten of verzorgden. Padilla heeft eens maandenlang de communicatie van koeien bestudeerd – ik vond haar woordspeling ‘koe-municatie’ verrassend sterk – door de in het wild lopende dieren die ze observeerde met bijnamen als Dark Face en Black Udder [Zwarte Uier], te onthouden. (Ze besefte toen nog niet dat die laatste een perfecte verwijzing is naar de klassieke Britse tv-komedie Blackadder. Wat is dat toch met koeien en woordspelingen?) Op Cedar Island, vertelt Padilla, was het niet zomaar een kudde die geconfronteerd met een storm. Het was een groep individuen, elk met persoonlijke relaties, inclusief wat Padilla zonder meer vriendschappen noemt. 

    Orkaan Dorian

    Dorian arriveerde in het diepe duister van de eerste uren van 6 september. Drie dagen eerder had hij de Bahama’s geteisterd met windsnelheden van bijna 300 kilometer per uur, waarmee de orkaan het record verbrak voor de windsnelheid van een Atlantische cycloon die ooit aan land werd gemeten. Sommige waarnemers stelden zelfs voor hem als een categorie zes te classificeren op de vijfpuntsschaal van orkaankracht. Tegen de tijd dat hij North Carolina bereikte was hij wat afgezwakt, maar het was nog steeds een orkaan. Pikzwarte wolken pakten zich samen voor de maan en de sterren. De lichtjes van Cedar Island flikkerden met moeite door de regen heen. De orkaan raasde langs de kust op weg naar Cape Hatteras. Voor hij daar aan land ging, zweepte hij de Pamlico en Core Sound op tot een schuimende, spuitende massa, brullend blies hij zandplaten richting de duinen. Het struikgewas waaronder de koeien waarschijnlijk hun toevlucht hadden gezocht en dat door de voortdurende landinwaartse bries al steeds gebogen staat, kromp nog meer ineen onder het gebeuk van de storm. Dorian bereikte op Cedar Island een windstoot van 117 kilometer per uur – de sterkste die in de staat gemeten werd.

    Toen het oog van orkaan Dorian griezelig kalm over het eiland was getrokken en de windsnelheid daalde tot slechts een stevige bries, leek er weinig meer te vrezen. De achterste helft van de storm moest nog komen, maar de bewoners van Cedar Island, mens of geen mens, hadden erger gezien. Zelfs in het laagseizoen heeft de kust van North Carolina te maken met orkanen. Als je beelden ziet van een strandhuis dat instort in de beukende branding, is de kans groot dat het is opgenomen op de Outer Banks. Wie rondrijdt in Down East ziet veel huizen op drie meter hoge palen; in sommige woningen kom je alleen met een lift op de eerste verdieping. Op kaarten is te zien dat een groot gebied van de Outer Banks, waaronder het grootste deel van Cedar Island en enorme delen van het vasteland, als de zeespiegel met iets meer dan dertig centimeter stijgt, onder water staat. Toch maken de bewoners geen aanstalten om te vertrekken. De klappen opvangen, daar zijn ze hier geoefend in.

    Maar in dit geval gebeurde er iets ongewoons toen het centrum van de storm naar het noorden trok. Rond half zes ’s ochtends kreeg Sherman Goodwin, eigenaar van Island’s Choice, de enige winkel annex tankstation op Cedar Island, een telefoontje van een vriend die vlak bij de winkel woonde. Er was in het gebied een stormvloed aan het opkomen, zei de vriend. Een kwartier later, toen Goodwin door het schemerige ochtendlicht naar zijn winkel reed, was het water zo erg gestegen dat het over de motorkap van zijn Chevy-truck sloeg, die door de offroad-ophanging en de terreinbanden ook nog eens extra hoog is. ‘Het leek een vloedgolf die binnenstroomde,’ zei Goodwin. ‘Het ging heel snel.’

    Om te begrijpen wat er die ochtend op Cedar Island gebeurde, moet je je voorstellen dat je over het oppervlak van hete soep blaast

    Tegen de tijd dat Sherman en zijn vrouw Velvet – ‘Mijn moeder vond die film National Velvet zo leuk’ – hun winkel bereikten, moesten ze in het gebouw schuilen. Velvet zag in de storm een kikker langs een raam voorbij vliegen. Een schildpad spoelde aan tot bovenaan de trap bij de ingang. ‘Het scheelde niet veel of hij kwam de winkel binnen,’ zegt Sherman. Op een foto is te zien hoe de benzinepompen onderliepen tot aan de prijstikkers.

    Om te begrijpen wat er die ochtend op Cedar Island gebeurde, moet je je voorstellen dat je over het oppervlak van hete soep blaast. De vloeistof gaat rimpelen en klotst tegen de andere kant van de kom. Dat effect had Dorian ook op de Pamlico Sound, maar hier ging het om een constante, krachtige wind die uren aanhield.

    De orkaan stuwde het water naar de kust van het vasteland, dat in de woorden van Chris Sherwood, oceanograaf bij de U.S. Geological Survey (USGS), ‘absoluut perfect’ is om water binnen te krijgen dat door de wind is aangedreven. De rivieren Bay, Neuse, Pamlico en Pungo stromen in de Pamlico Sound door brede mondingen die het water net zo gemakkelijk binnenlaten als uitstoten. Een groot deel van de overige kustlijn is een enorme spons van moerassen. Wat zich in deze verzameling waterbekkens ophoopt, is in feite een berg van water die door de wind op zijn plaats wordt gehouden.

    Mensen die de geluiden van North Carolina kennen, weten welke trucs de felle wind kan uithalen. Kusthistoricus David Stick legde eens uit dat tijdens een orkaan achthonderd meter zeebodem in de luwte van de Outer Banks bloot kan komen te liggen als het zeewater naar het westen wordt gestuwd. Wanneer dat gebeurt, kan er een bizar fenomeen optreden: van de landzijde kan nog een stormvloed komen die de eilanden voor de kust treft in wat een overstroming aan ‘Sound’-kant wordt genoemd. Wetenschappers kennen het als een seiche [haling].

    De lawine van zeewater was gelijk aan ongeveer een derde van het gemiddelde debiet van de Amazonerivier

    Toen het oog van Dorian de Pamlico Sound passeerde, begon de seiche die door de storm was veroorzaakt weer in te storten. Vervolgens begon de wind die vanuit de zuidelijke helft van de orkaan blies, dus in de tegengestelde richting, het water terug te drijven in de richting waar het vandaan kwam. In zekere zin daalde de seiche ook; het oceaangetij trok zich in de vroege ochtenduren terug, terwijl de orkaan, die nog steeds druk zette op de Atlantische Oceaan, het water naar het oosten dwong en een depressie achterliet. Deze krachten werkten samen om de seiche, die drie meter hoger was dan het waterpeil van de oceaan, uit de Pamlico Sound in oostelijke richting naar de Atlantische Oceaan te sturen.

    Vloedgolf

    De lawine van zeewater was gigantisch, gelijk aan ongeveer een derde van het gemiddelde debiet van de Amazonerivier, verreweg de grootste rivier ter wereld. De Amazone echter stroomt in zee via een enorme riviermond. De vloedgolf van Dorian probeerde de open Atlantische Oceaan te bereiken langs de ‘dijk’ die de Outer Banks-eilanden vormen, gescheiden van elkaar door slechts enkele nauwe kanaaltjes. Aan de zuidkant van de Pamlico Sound bevond zich een extra obstakel: Cedar Island.

    Het water ging niet om het eiland heen. Het overspoelde het.

    De vloedgolf verdween bijna net zo snel als hij was gekomen en trok verder naar de Outer Banks, waar hij zich op het eiland Ocracoke stortte als een muur van water die hoger was dan ze er ooit hadden gezien. Zodra Dorian was gepasseerd, begon het overstromingswater zich terug te trekken. Op Cedar Island bleef in de gebouwen een dikke, vettige smurrie achter en de wegen lagen vol puin, maar er werden geen ernstige gewonden gemeld. Meer dan een derde van de gebouwen op Ocracoke was beschadigd, maar voor zover bekend waren er geen doden gevallen.

    ‘Moeder Natuur heeft ze aan ons gegeven en dus kan Moeder Natuur ze ook weer van ons afnemen’

    Zodra de oceaan voldoende gekalmeerd was en de eilandbewoners weer konden uitvaren, kwam het eerste nieuws naar buiten over verliezen uit de kuddes paarden en rundvee van Cedar. ‘Toen zagen ze er veel,’ zegt Styron. ‘Ik bedoel: drijvend.’ Dat Cedar Islanders hun hart niet op de tong dragen over zulke dingen, blijkt duidelijk uit de reactie van een anonieme bron als ik vraag wat de mensen erbij voelden dat veel dieren waren omgekomen. Na een ongemakkelijke pauze zegt hij: ‘Dat kun je wel raden, toch?’ En hij voegt eraan toe: ‘Moeder Natuur heeft ze aan ons gegeven en dus kan Moeder Natuur ze ook weer van ons afnemen.’ 

    Als er al getuigen waren van wat er was gebeurd met de wilde kuddes van Cedar Island, dan hebben ze zich niet gemeld. Maar hoogstwaarschijnlijk heeft niemand iets gezien, want de vloedgolf kwam zonder waarschuwing in de duisternis, en de paarden en koeien liepen vaak ver bij de huizen vandaan. De dieren zullen niet diep geslapen hebben die vroege ochtend – wilde dieren zijn ’s nachts waakzamer dan mensen die veilig in hun huizen zitten. Toch waren ze misschien minder alert geworden, omdat ze voelden dat ze de zoveelste orkaan hadden overleefd.

    Dan komt plotseling de zee het land op. Bijna drie meter hoog water bedekt de stranden. Het zet de moerassen onder, waar de koeien zich tegoed doen aan zeehaver en zeegras, en het stroomt over de laagste duinen. Uit het onderzoek van Padilla weten we hoe het schouwspel moet hebben geklonken: hoog, staccato geloei – de alarmkreet van een koe – schalt door de vochtige lucht, het gekrijs van de kalveren wedijvert met het brullen van de wind en de branding. In het water dat met duizelingwekkende snelheid stijgt, zoeken moederkoeien in allerijl naar hun jongen, terwijl rundermaatjes vechten om niet van elkaar gescheiden te worden.

    Achtentwintig paarden zijn weggevaagd. Niemand weet precies hoeveel koeien er zijn meegesleurd – vier van hen lukt het aan land te blijven, en plaatselijke bewoners schatten later dat tussen vijftien en twintig dieren door de vloed zijn meegenomen. Waarschijnlijk tilde het water hun hoeven van de grond, het ene dier na het andere, eerst de veulens en kalfjes, daarna de volwassenen. Tot ze allemaal in de storm waren verdwenen.

    Ander kaliber

    De eilanden die gezamenlijk bekendstaan als de Core Banks, gelegen ten zuidoosten van Cedar Island, zijn ongeveer 60 kilometer lang en in de meeste gevallen nog geen anderhalve kilometer breed. Op de kaart zien ze eruit als een skeletachtige vinger die treurig naar de Noord-Atlantische Oceaan wijst. Zoals de meeste wadeilanden zijn ze laag – ongeveer 2,5 meter boven zeeniveau, met de hoogste duinen tot 7,5 meter – en samen vormen ze de Cape Lookout National Seashore, een beschermd natuurgebied. Orkanen houden altijd flink huis op wadeilanden, maar op de ochtend van 7 september 2019, de dag nadat orkaan Dorian toesloeg, werd duidelijk dat deze storm van een ander kaliber was.

    Voor de orkaan over het gebied trok, waren North en South Core Banks van elkaar gescheiden door één passage, de Ophelia Inlet. Na de storm ontstonden er 99 extra kanalen, die de wadeilanden in 101 stukken verdeelden. Het waren niet gewoon inhammen, maar echte doorgangen. De seiche die over Cedar Island spoelde, botste tegen de wadeilanden en boorde zich er dwars doorheen. ‘In de geschiedenis van het park hadden we aan de Sound-kant nog nooit zoiets gezien als na orkaan Dorian,’ vertelt Jeff West, beheerder van Cape Lookout National Seashore. ‘Ik kreeg vaak het verwijt dat ik twintig procent van het park had laten verdwijnen.’

    West zat op de eerste onderhoudsboot die van Cedar Island naar de Outer Banks voer. Hij meerde aan bij een Park Service-plek enkele kilometers noordwaarts op de Outer Banks en reed in een terreinwagen het strand af. Na vijftig meter kwam hij bij de eerste doorgang. Toen hij tot aan zijn nek in het water stond, vond hij het eerste karkas. Hij nam niet de tijd om vast te stellen of het een paard of een koe was. ‘Soms vinden grote vissen ze lekker,’ vertelt hij.

    Uiteindelijk vindt het personeel van Cape Lookout bijna vijfentwintig dode paarden en koeien, en ook herten en zeevogels. De meeste lagen langs de openzeezijde van de South Core Banks, waarschijnlijk door Ophelia Inlet binnengedreven, voordat ze op het strand aanspoelden. De karkassen die het verst weg lagen werden gevonden bij de vuurtoren van Cape Lookout, bijna vijftig kilometer verwijderd van de plek waar de dieren in zee terechtkwamen.

    Op Cedar Island waren ook zwemmende koeien gespot

    Werkers van Cape Lookout begroeven de lichamen die niet door het tij waren meegevoerd.  

    De meeste media-aandacht ging naar de schade die was aangericht op het eiland Ocracoke. In het eerste bericht over de verloren kuddes van Cedar Island werd alleen gesproken over de verdronken paarden; de koeien kwamen pas in latere artikelen aan de beurt. In de nieuwsstroom dook een futiel berichtje op dat algauw werd vergeten toen de Democraten in het Congres een afzettingsprocedure tegen Donald Trump overhandigden.  

    De vraag is of koeien kunnen zwemmen. Dat kunnen ze. Wie kent niet de beelden van cowboys in het Wilde Westen die met hun kudde een diepe rivier oversteken, om ze naar groene weides of naar de markt te brengen? Op Cedar Island waren ook zwemmende koeien gespot. Een vaste bezoeker beschrijft ‘schattige kalfjes’ die in de rij staan om de oversteek te maken naar Hog Island, net ten zuidoosten van Cedar Island in de Core Sound. ‘Ik had zoiets van: Niet doen! Het is wel een halve kilometer, dat kunnen jullie niet,’ zegt hij. Maar voor de kalveren bleek het een makkie.

    Een smal kanaal oversteken bij kalme zee is één ding, zwemmen tijdens een orkaan is totaal iets anders. Je moest wel erg optimistisch zijn om te geloven dat er dieren van Cedar Island waren die het hadden overleefd. ‘Door hoe de wind waaide was het volgens mij extreem zwaar om je hoofd boven water te houden. Je moest zwemmen terwijl de golven over je heen sloegen,’ zegt Pam Flynn, een gepensioneerde kleuterleidster die sinds 1972 in Down East woont en heeft gezocht naar overlevende dieren. ‘Het moet een marteling zijn geweest, die laatste momenten vol angst en pijn. Hartverscheurend.’

    Pootafdrukken

    Een maand ging voorbij. Als snel slibden de geulen weer dicht door de wind en de golven, maar wat vroeger de zuidelijke punt van de North Core Banks was, bleef twee jaar lang een apart eiland: Middle Core Banks. Op een dag begin oktober stapten leden van het team natuurbeheer van Cape Lookout in hun terreinwagen voor een routineklus op de Middle Core Banks. Bijna dagelijks speurden ze het strand af naar nesten van zeeschildpadden en vogels die gered moesten worden van een populair Amerikaans tijdverdrijf: strandrijden. Dit keer zagen ze iets heel anders: de sporen van een of ander groot dier. Ze waren te groot om van een hert te zijn, en ze hadden twee tenen in plaats van een hoef, dus ze konden niet van een paard zijn. Het kon niet anders of het waren de pootafdrukken van een koe. Een koe van Cedar Island.

    ‘Ik kon het eerst niet geloven,’ zegt West. Als het hulpteam hem foto’s van de pootafdrukken stuurt, wil West niets liever dan deze overlevende koe met eigen ogen zien.

    West bracht zijn jeugd door op een ranch vlak bij Temple, Texas, waar hij leerde om koeiensporen te volgen. Die ervaring zou hem nu van pas komen. In de dagen nadat de hoefafdrukken waren ontdekt, bleek de koe hen steeds te vlug af te zijn, want nog niemand van de National Park Service had haar gezien. Vaak zijn de koeien van Cedar Island ’s nachts actief en verplaatsen ze zich zo snel als schimmen. En hoewel Middle en North Core Banks op sommige plekken zo smal zijn dat je in drie minuten van de Sound-kant naar de Atlantische kant loopt, bestaan ze vooral uit een labyrint van meertjes, moerassen en struikgewas waar het stikt van de vliegen. Bovendien hadden de reddingswerkers ook op de kleine, aangrenzende eilandjes hoefafdrukken gezien; ondanks haar recente zeeavontuur bleek de koe nog steeds korte oversteken te maken. ‘Totaal niet bang om te zwemmen,’ zegt West met bewondering in zijn stem.

    Uiteindelijk vond hij het dier per toeval. West was uitgevaren naar Long Point op North Core Banks, waar enkele rustieke houten hutten stonden die het parkbeheer toen alles nog normaal was verhuurde aan toeristen. De stormvloed had twee stevige bouwwerken verwoest die de door Dorian geteisterde hutten van elektriciteit en gezuiverd water voorzagen. En daar staat hij op z’n dooie gemak te grazen, een duinkleurige koe in de duinen. Zijn vacht lijkt op goudkleurig zand dat over wit zand heen is geblazen. Hij is stevig gespierd en een beetje aan de zware kant: een doodgewone koe.

    ‘We waren ongelooflijk blij toen we de koeien zagen’

    ‘Krijg nou wat, als dat geen koe is!’ West herinnert zich dat hij het hardop zei. ‘Ik kon mijn eigen ogen niet geloven.’ De koe schrok toen ze West zag en ging ervandoor. 

    West wist dat hij de koe moest weghalen. Dat was niet alleen het beste voor het beest zelf, maar ook voor de wilde fauna en flora in het natuurgebied. Het personeel van Cape Lookout had het echter te druk met het opnemen en herstellen van de schade die Dorian had aangericht en kon zich niet om een eigenzinnig rund bekommeren. Het nieuwtje over de overlever verspreidde zich als een lopend vuurtje zodra bezoekers weer naar de Core Banks gingen en de sporen zagen. Onder hen bevonden zich Pam Flynn en haar vriend Mike Carroll. ‘We bleven steeds weer teruggaan,’ zegt Flynn. Ten slotte hadden ze geluk. ‘We waren ongelooflijk blij toen we de koeien zagen.’

    Overlevers

    Inderdaad: niet koe maar koeien, want het waren er drie. De klassieke bleekblonde, die West had gezien, een andere met grote, lichtbruine vlekken als een oude wereldkaart, en een bleek, jongvolwassen exemplaar, waarschijnlijk het kalf van de eerste koe. Op de een of andere manier hadden ze het overleefd en elkaar gevonden, en samen vormden ze een minikudde. ‘Ik begon weer te geloven dat er ook goede dingen in het leven zijn, een sprankeltje hoop,’ zegt Flynn. ‘Een teken dat het goedkomt, zo van: Het is oké, we komen hier doorheen en gaan verder.’

    Op 12 november bracht de Charlotte Observer het verhaal van de overlevende koeien, en vervolgens brak er een mediacircus los op Cedar Island. Een onfortuinlijke plaatselijke figuur, die in de pers onjuist aangeduid werd als de eigenaar of verzorger (de koeien hebben geen van beiden), kreeg te maken met opdringerige verslaggevers aan de deur die hem achterna zaten op zijn eigen terrein. Vooral op televisie werd de geschiedenis van de overlevers gepresenteerd als een bizar goednieuwsverhaal. The Virginian-Pilot bestempelde hen als ‘de koeien die een natie in vervoering brachten’. 

    ‘Ik begon weer te geloven dat er ook goede dingen in het leven zijn’

    Het was het verrassingselement dat het verhaal zo aantrekkelijk maakte: in onze ogen zijn koeien domme, stuntelige, licht komische bruten, geen heldhaftige vechters. De media strooiden natuurlijk met woordspelingen, die het vitalistische verhaal een kinderachtig tintje gaven. Orkaan Dorian kwam ‘als een veedief in de nacht’ aan land en had ze ‘getemd’. Ze noemden het overleven van de koeien ‘een loeisterk verhaal’. The News&Observer uit Raleigh tweette: ‘Zeven kilometer “loeien” met de riemen die je hebt? Wie had gedacht dat koeien zo goed konden zwemmen?’

    Om in te schatten hoe ver de koeien tijdens hun beproeving hadden gezwommen, gingen de journalisten uit van de kortste afstand tussen Cedar Island en de Core Banks en voor hun metingen gebruikten ze digitale hulpmiddelen zoals Google Maps. De meesten schatten de zwemafstand op zes kilometer; NBC gaf de voorkeur aan het precieze getal 5,46 kilometer. Maar toen Alfredo Aretxabaleta, een oceanograaf die bij de USGS werkt, een van deze rechtlijnige metingen zag, leek die hem onjuist. ‘Tijdens een storm denk ik niet dat dit de route is die ze zouden nemen,’ zegt Aretxabaleta. Hij vermoedt dat hun reis langer was – veel langer.

    Aretxabaleta bestudeert de weg die objecten op drift afleggen, met behulp van computermodellen van wind, getijden en stromingen. Hij gooit soms traceerbare apparatuur in zee om te zien waar die heen drijft; zijn wetenschap wordt gekscherend ‘driftologie’ genoemd, maar helpt ons te begrijpen hoe klimaatverandering kusterosie kan beïnvloeden, waar olielozingen en andere soorten verontreiniging kunnen stromen, en waar we maritiem zoek- en reddingswerk moeten uitvoeren. ‘In zekere zin,’ zegt Aretxabaleta, ‘kan dit voorval met de koeien ons ook van nut  zijn bij zoek- en reddingsacties.’

    Toevallig groeide Aretxabaleta op in Spaans Baskenland, op een boerderij waar de koeien af en toe een duik namen in een irrigatievijver. (Zijn conclusie: ‘Het zijn geen goede zwemmers.’) Na orkaan Dorian begon Aretxabaleta in zijn vrije tijd de route te reconstrueren die de overlevende koeien van Cedar Island waarschijnlijk hadden afgelegd. Wat daaruit tevoorschijn kwam, strookte totaal niet met de theorie dat de koeien via de kortste route de Core Sound waren overgestoken. 

    Elke koe vecht niet zozeer om te zwemmen, maar om te blijven drijven

    Volgens Aretxabaleta’s model is de zee, als in de grijze nevel van het eerste licht de koeien worden meegesleurd, een chaos van kolkend, schuimend en opspattend water. Met hun ogen slechts een paar centimeter boven water, verliezen de koeien al snel het land uit het oog tussen golven van wel drie meter hoog; voor een koe is het bijna onmogelijk om de rest van de deinende kudde in de gaten te houden. Elke koe vecht niet zozeer om te zwemmen, maar om te blijven drijven. De stromingen en getijden zijn de baas, versterkt door de kracht van de storm.

    De dieren worden eerst met hoge snelheid naar het zuidoosten gestuwd langs de kust van Cedar Island en vervolgens naar het midden van de Core Sound, waar ze geleidelijk dichter naar de krachtige uitstroom bij Ophelia Inlet worden gezogen. Maar als het tij verandert van eb naar vloed, trekt Ophelia de dieren niet langer naar zich toe, maar duwt ze van zich af. Nu de oceaan weer de Sound in stroomt, wordt de kudde terug naar het noorden gedreven. Eindelijk keert het tij weer en heeft Core Sound vele tientallen nieuwe kanalen gevormd waardoor het water terug naar de Atlantische Oceaan wordt gestuwd. Net als in een badkuip met gaten, zijn het de grootste gaten die de sterkste zuigkracht hebben. Alle nog levende dieren worden weer naar Ophelia Inlet getrokken.

    Het vooruitzicht om door een kanaal te moeten zwemmen, kan angstaanjagend zijn. Surfers graven soms doorgangen tussen de zee en het zoetwater dat zich achter de duinen heeft verzameld; de stroming die in zulke kanalen ontstaat, bootst een rivierversnelling na, met golven die hoog genoeg zijn om op te surfen. De Core Sound is niet veel rustiger dan dat. Nadat het vee van Cedar Island wordt weggespoeld, zakt de wind zeven uur lang niet onder stormkracht en blijven de schuimkoppige golven veel langer hangen. De Core Sound heeft ondiepe plekken zoals zandbanken, en Aretxabaleta hield daar rekening mee in zijn simulaties. Toch is het volgens hem onwaarschijnlijk dat de koeien gedurende hun reis ook maar een ogenblik houvast hebben gevonden op de bodem.

    Zijn model verklaart hoe de koeien en paarden die dood werden gevonden op South Core Banks daar terechtkwamen, vervolgens de Ophelia Inlet werden ingezogen, om daarna aan de zuidkant in de open Atlantische Oceaan te verdwijnen. Volgens zijn schatting zwom geen van de overlevende koeien vier mijl in een rechte lijn. Aretxabaleta denkt dat de afstanden die de koeien levend of dood aflegden variëren van 45 tot bijna 65 kilometer. Zelfs de kortste afstand is aanzienlijk groter dan de afstand over het Engelse Kanaal. Dat is meer dan tien keer wat zwemmers afleggen in een Ironman-triatlon. Volgens de berekening van Aretxabaleta is de absoluut kortste periode die een koe in het water zou hebben gelegen 7,5 uur; de langste is 25 uur.

    Geluk of wijsheid?

    ‘Waren het mensen geweest, dan was het ongelooflijk. Ik bedoel, zoals Robinson Crusoë,’ zegt hij. ‘Het feit dat die drie koeien het hebben overleefd, is haast een wonder te noemen.’

    Maar stel dat we geen genoegen nemen met wonderen, laat staan een ‘loei van een wonder’ als dit! Stel dat we weigeren te geloven dat de koeien het puur toevallig hebben overleefd, dan nog kunnen we andere factoren in overweging nemen, die allemaal te maken hebben met hoe mensen rundvee behandelen.

    De eerste mogelijkheid is dat de koeien van Cedar Island hun beproeving konden doorstaan doordat ze een ras apart waren, niet figuurlijk maar letterlijk. Bloedgroep- en DNA-tests laten zien dat de wilde paarden die op Cedar Island leven waarschijnlijk afstammen van Spaanse koloniale paarden, die in 1521 met Juan Ponce de León in de Verenigde Staten aan land kwamen. Ook de koeien kunnen Spaans koloniaal bloed hebben; maar dat weet niemand, omdat hun genetische samenstelling nog moet worden bestudeerd. Zeker is dat er sinds 1584 runderen zijn achtergelaten of schipbreuk hebben geleden langs de kust van North Carolina. De Cedar Island-runderen zouden een afstamming van meer dan vier eeuwen kunnen hebben.

    Rundvee van Spaanse afkomst is berucht om zijn taaiheid

    Spaans koloniaal rundvee is anders dan de commerciële rassen die vandaag de dag de overhand hebben. ‘Ze leven lang, het zijn goede moeders en ze eten dingen die andere runderen niet eten,’ zegt Jeannette Beranger, senior programmamanager bij de Livestock Conservancy in Pittsboro, North Carolina. ‘En ze zijn slim. De lokale bewoners zeggen altijd: “Pas op dat ze je lunch niet stelen!”’

    Ze zijn ook berucht om hun taaiheid. In de tijd vóór de Burgeroorlog stond het pineywoods-rundvee van Spaanse afkomst er bijvoorbeeld om bekend dat het hitte kon verdragen, bestand was tegen ziekten en kon leven in een omgeving die te onherbergzaam was voor commerciële rassen. Het ruige karakter van de pineywoods-koeien leidde tot een heel andere relatie tussen hen en hun eigenaars dan we tegenwoordig zien in de industriële landbouw. Sommige veeboeren hadden zo veel respect voor hun vee dat ze niet toestonden dat er honden werden gebruikt die de dieren opjagen tijdens het bijeendrijven. Anderen vonden het verkeerd en onwaardig om de koeien binnen een omheining op te sluiten. Pas in de jaren 1950, met commercieel voer en gemotoriseerd materieel dat gebruikt werd om de weiden vrij te maken en te maaien, begonnen de pineywoods-kuddes te verdwijnen, hoewel een klein aantal boeren in het diepe zuiden ze nog steeds fokt.

    Phillip Sponenberg, een veterinair wetenschapper die al vijftig jaar zoekt naar de zuiverste afstammelingen van Spaans vee in de Verenigde Staten, bespeurt aanwijzingen dat de koeien van Cedar Island althans een spoortje van die afkomst dragen. ‘Sommige zijn hoofdzakelijk wit maar hebben wel donkere oren, ogen, neuzen en hoeven. Dat is een vrij uniek kleurenpatroon dat in Noord-Amerika vaak een Spaanse oorsprong heeft,’ zegt hij. Sommige Cedar Island-runderen hebben ook gedraaide hoorns als die van een Spaanse koloniale koe.

    Het feit dat er überhaupt koeien zijn die de vloedgolf van Dorian hebben overleefd, is een duidelijk bewijs dat het hier niet om gewoon rundvee gaat

    Verschillende deskundigen die ik sprak, zeggen dat het feit dat er überhaupt koeien zijn die de vloedgolf van Dorian hebben overleefd, een duidelijk bewijs is dat het hier niet om gewoon rundvee gaat. De meesten waren het erover eens dat geen enkel modern ras zo’n ramp zou hebben doorstaan. Hieruit blijkt hoe we koeien hebben gedegradeerd en er zwakke en hulpbehoevende dieren van hebben gemaakt. We voelen ons er comfortabel bij en kunnen de onprettige gedachte mijden dat deze dieren, die we zo graag eten, de orkaan konden overleven doordat ze dezelfde mentale energiebronnen hebben als wij in extreme omstandigheden. Niet alleen een aangeboren overlevingsinstinct dus, maar een sterke wil om te leven – sterk genoeg om een urenlange strijd op leven en dood vol te houden.

    Ik onderbreek hier mijn verhaal om te zeggen dat ik rundvlees eet. Mijn cornflakes eet ik met koemelk en in mijn kleerkast heb ik lederen schoenen en riemen. Toch stel ik net als veel andere mensen vragen bij het fokken en slachten van koeien. Het zijn ethische dilemma’s die ingewikkeld en zijn soms ronduit bizar. Maar ik had nooit gedacht dat ik nog eens bij de psychologie van de koe zou uitkomen. Ik wilde gewoon weten waarom de ene koe zwemmend een orkaan kon overleven en de andere niet.

    Koeienpsychologie

    Opmerkelijk genoeg voor een dier dat duizenden jaren voor het begin van de beschaving werd gedomesticeerd, stamt de wetenschappelijke bestudering van koeien, los van hun rol als vee, vooral van recente datum. Toen Mónica Padilla de la Torre meer dan tien jaar geleden het bestaande onderzoek naar communicatie tussen koeien bestudeerde, ontdekte ze tot haar verbazing dat er nog bijna niets over dit onderwerp was onderzocht. Daarom begon ze vanaf nul en ging ze de koeien door een verrekijker observeren, als een Dian Fossey van de weilanden. “Ik denk dat we de morele verantwoordelijkheid hebben om deze dieren, waar we al zo lang mee leven, te leren kennen,” zegt ze.

    Voor een artikel in 2017 las Lori Marino, een biopsycholoog, elke studie die ze kon vinden over koeienpsychologie. Opnieuw viel de vondst tegen. ‘Er valt nog veel te leren over deze dieren,’ zegt Marino. ‘Er bestaat weerstand om hun cognitieve, sociale en emotionele complexiteit werkelijk onder ogen te zien.’

    Het probleem is natuurlijk dat die complexiteit onze relatie met de soort kan verstoren. Onze houding ten opzichte van koeien komt volgens Marino voort uit de heersende ideologie die hen afschildert als saaie wezens die hun leventje wel goed vinden zo, ook al bestaat dat leventje uit overbevolkte stallen, onbehandelde kreupelheid, brandwonden door een gloeiend heet ijzer en kalveren die bij ze worden weggehaald – praktijken die van alledag zijn in de moderne bio-industrie.

    Koeien zijn stoïcijnen; ze verbijten zich

    In Marino’s analyse van het beschikbare onderzoek stelde zij echter vast dat koeien ‘een zeer gevoelige tastzin hebben’ en dat ze op dezelfde manier reageren op letsel of mogelijke pijn als honden, katten en mensen: ze vermijden deze door te hinken, kreunen en tandenknarsen, en vertonen als ze pijn hebben een hoger gehalte aan stresshormonen in hun bloed. Maar hevige pijn en stress zijn bij koeien wellicht moeilijker te herkennen, doordat ze zich als prooidieren evolutionair zo hebben aangepast dat ze geen enkel teken van zwakheid tonen dat roofdieren zou kunnen aantrekken. Koeien zijn stoïcijnen; ze verbijten zich.

    Hoewel er weinig bekend is over koeienpsychologie, vond ik wat ik las toch verrassend. Het raakte me om te horen dat koeien elkaar gemakkelijk herkennen en dat ze in staat zijn koeien van welk ras dan ook te onderscheiden van andere diersoorten. Koeien kunnen met gemak door fysieke doolhoven navigeren en de weg in zich opslaan, en daarin zijn ze beter dan kippen, ratten en zelfs katten, zodat de onderzoekers in de studie concludeerden dat ‘de opgave te eenvoudig was’. Toen de koeien werden getest in complexere doolhoven, slaagde een op de vijf in de moeilijkste uitdagingen. Toen ze zes weken later opnieuw werden getest, wisten ze nog precies de weg door het doolhof te vinden.

    Dit is relevante informatie om de vraag te kunnen beantwoorden waarom koeien een orkaan konden overleven door te zwemmen. Want je weg door een doolhof vinden, vergt niet alleen intelligentie maar ook motivatie. Weliswaar wist slechts een op de vijf koeien het ingewikkeldere doolhof door te komen, maar de reden daarvoor kan zijn dat koeien een hekel hebben aan alleen zijn en bang zijn op plekken waar roofdieren zich goed kunnen schuilhouden, zoals een doolhof. Tijdens de test bleek dat sommige koeien, ondanks dat ze aan het eind wat lekkers als beloning kregen, toch tegenstand boden, opgaven of bang werden, terwijl andere moediger en nieuwsgieriger waren. Volgens de onderzoekers ‘kan dit betekenen dat ook persoonlijkheid een rol speelt’. 

    Wilskracht

    Dat ze waarschijnlijk een sterke persoonlijke wil hebben, blijkt ook uit voorbeelden van koeien die uit een slachthuis wisten te ontsnappen. Een van de opmerkelijkste gevallen is een koe van bijna 500 kilogram die in 2002 uit een fabriek in Cincinnati losbrak. Het crèmekleurige rund sprong over een hek van een meter hoog, werd gezien in een nabijgelegen zijstraat, vervolgens op een grote parkeerplaats, waarna ze zich uiteindelijk tussen de bomen in een stadspark wist te verbergen. Elf dagen lang kon ze de dierenbescherming ontwijken en was ze de verdovingspijlen, de vallen en zelfs thermische beelden van een politiehelikopter te slim af, totdat ze uiteindelijk werd gevangen.

    De dieren die we opeten zijn naamloos, maar ontsnapte koeien die het nieuws halen worden vaak beloond met een naam. Daarna is het onwaarschijnlijk dat ze weer in de industriële productie belanden. In dit geval werd de koe Cincinnati Freedom genoemd, en ze verbleef de rest van haar dagen in een opvangcentrum waar ze weinig contact had met mensen maar wel een band ontwikkelde met drie andere koeien die uit het slachthuis waren ontsnapt. Toen ‘Cinci’ in 2008 stervende was, vielen haar maatjes de auto van een behandelend dierenarts aan.

    We hebben altijd gedacht, vanuit onze heersende ideologie, om Marino’s term te gebruiken, dat de manier waarop koeien de wereld om hen heen ervaren uitsluitend aangeboren of instinctief is. Volgens deze benadering zou de overleving van de koeien, toen ze van Cedar Island werden meegesleurd in de woeste oceaan, uitsluitend zijn bepaald door geluk en fysieke kracht.

    Is het denkbaar dat drie van hen zo’n buitengewone mentale kracht bezaten dat ze hun lichaam tot het uiterste konden laten drijven, alleen om te overleven?

    Als elke koe een eigen persoonlijkheid heeft, misschien niet zo complex als de onze maar daarom niet minder uniek, dan moeten we die zienswijze wellicht bijstellen. Nadat de storm de kudde had meegesleurd, raakten sommige koeien misschien al snel in paniek en bezweken ze doordat ze water binnenkregen of uitgeput raakten. Andere, die door de sterke stroming van de seiche steeds verder van land werden meegesleurd, zouden geleidelijk hun vechtlust hebben verloren. Maar is het denkbaar dat drie van hen zo’n buitengewone mentale kracht bezaten dat ze hun lichaam tot het uiterste konden laten drijven, alleen om te overleven?

    ‘Hier is de term “wilskracht” op zijn plaats,’ zegt Marino. ‘Zonder twijfel.’

    Niemand zal ooit zeker weten wat de koeien precies hebben doorgemaakt. Hebben de twee die later samen aan land werden gezien, ook samen gezwommen? We zullen er nooit achter komen. Maar we mogen er wel van uitgaan dat de koeien in het water ten minste hebben geprobeerd bij elkaar te blijven. Studies tonen aan dat de stress bij koeien alleen al doordat ze een andere koe zien vermindert. Waarschijnlijk waren ze minder bang voor het stormgeweld doordat ze samen waren en maakte dat alleen al het verschil.

    We kunnen ons de drie koeien voorstellen terwijl ze wanhopig hun ogen dichtknijpen tegen de schuimende golven en de wind. De kou die in hun ledematen trekt, de pijn die hun spieren geleidelijk aan uitput, de dorst en honger na uren op zee, het gekmakende gejank van de wind. Dan eindelijk weer land zien, of misschien eerst ruiken. Het gebrul van de angstaanjagende zee-inhammen horen en vechten om er niet in meegezogen te worden.

    Hun hoeven die het zand raken.

    Krabbelen om voet aan de grond te krijgen.

    Het land op gestuwd worden, terwijl het water onder hun poten doorraast. Teruggesleurd worden, de woeste oceaan in.

    Eindelijk kunnen ze vrij rondlopen, buitengewoon opgelucht dat ze nog in leven zijn. 

    Wat daarna gebeurde, kunnen we illustreren aan de hand van een ander overlevingsverhaal van een dier. Toen orkaan Fran in 1996 toesloeg, trof een vloedgolf de kantoren van een autobergingsbedrijf uit New Bern, North Carolina, en steeg het water tot bijna een halve meter. Binnen zat waakhond Petey, die 25 centimeter groot was. Toen het water zich had teruggetrokken, vond de eigenaar van Petey zijn hond levend maar compleet uitgeput terug. Toen hij zag dat Petey tot aan zijn nek doorweekt was met modderig, olieachtig water, vermoedde hij dat zijn huisdier wel acht uur lang in het gebouw had gewatertrappeld om te overleven. Zoals elk dier dat een zware beproeving heeft doorstaan, sliep Petey vervolgens een paar dagen achter elkaar.

    ‘Mavericks’

    Hoewel het tegenwoordig niet meer zo vaak gebruikt wordt, hebben we een woord voor koeien die net als mustangs vrij rondlopen: mavericks [buitenbeentjes]. Die naam hebben ze te danken aan een zekere Samuel A. Maverick uit Texas. Rond het jaar 1850 verdwenen zijn dieren, die niet opgemerkt waren, in het omliggende land. Er bestaat een versie van het verhaal waarin de koeien door een orkaan uiteengejaagd werden.

    Het is dan ook niet zo gek dat op 21 november 2019 zes cowhands – compleet met lasso’s, beenkappen en sporen – de taak kregen om de drie ‘mavericks’ op North Core Banks te gaan zoeken. Een van de mannen droeg een geweer geladen met verdovingspijlen, en Jeff West reed met een Park Service-terreinwagen naast de cowhands te paard. Het plan was altijd geweest om de koeien terug te halen, zei West. Desondanks werd er hevig gediscussieerd.

    ‘Sommige mensen vonden dat we ze moesten afmaken. Einde probleem,’ zegt West. ‘Anderen vonden het zonde van het belastinggeld – dat hoorde ik vaak. Weer anderen zeiden dat we ze met rust moesten laten. Gewoon daar op de Banks laten rondlopen.’

    ‘Ze verdienen een leven. Maak van onze schatjes geen vlees, na alles wat ze moesten doorstaan!’

    Velen waren van mening dat de koeien het alleen hadden overleefd om bij een eigenaar terecht te komen die ze zou vetmesten voor de slacht. Op de Facebookpagina van de Cape Lookout National Seashore kwam het thema naar voren dat de koeien het verdienden om in leven te blijven; door hun doop in de vloed waren ze hun plaats in het systeem der dingen ontstegen. ‘Als ze dan toch weggehaald moeten worden, breng ze dan naar een reservaat. Ze verdienen een leven. Maak van onze schatjes geen vlees, na alles wat ze moesten doorstaan!’ schreef Misty Romano. Don Riggs uit Asbury, New Jersey, schreef: ‘Meen je dat nou? Sla dan ook de boerderij over en breng ze meteen naar het slachthuis!’ Judy Cook uit Oak Island, North Carolina, vond de koeien gewoon ‘net zo cool als de paarden’.

    De huidige opvatting over koeien is niet eenduidig. Velen van ons, zo niet de meesten, lijken in staat om ergens in hun hoofd het idee te koesteren dat koeien ook gevoelige wezens zijn die onze compassie verdienen. Even goed zijn we in staat om de gedachte te onderdrukken dat we koeien doden voor ons profijt, nadat we ze onder wrede omstandigheden hebben laten lijden. Jessica Due, senior directeur redding en dierenwelzijn bij Farm Sanctuary, een organisatie die zich inzet voor het stopzetten van de agrarische exploitatie van vee, vertelt een verhaal dat illustreert hoe dit kan uitpakken. Het opvangcentrum is meer dan eens door dezelfde man gebeld om een dier uit het slachthuis te komen redden. De man in kwestie is de eigenaar van het slachthuis. Hij belt in het zeldzame geval dat een koe tijdens de verwerking aan het bevallen is. Daar trekt hij de grens; hij wil absoluut niet dat deze moederkoeien gedood worden. Los daarvan ziet hij bijna dagelijks koeien geslacht worden.

    Maar juist nu er meer onderzoek gedaan wordt ter ondersteuning van het idee dat koeien meer zijn dan we altijd dachten, liggen ze ook onder vuur als milieuvervuilers. Runderen zouden 9 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen veroorzaken, onder andere door hun beruchte winden en boeren die veel methaan bevatten. Koeien die door een orkaan heen zwemmen: het zou een hedendaagse prent van Hokusai kunnen zijn. Daarom kijken progressieven en veganisten uit naar een toekomst met veel minder koeien – om de planeet te redden, om de dieren te beschermen tegen onze wreedheid, of allebei. Maar in de rundvleesindustrie willen de meesten er nog niet aan dat koeien echt gevoel hebben. In de tienduizend jaar van de relatie mens-koe hebben de koeien nog nooit zo weinig medestanders gehad als nu. 

    Klimaatvriendelijke veeboerderij

    Stephen Broadwell, de leider van de cowhands die bijna drie maanden na orkaan Dorian nog steeds over North Core Banks draven, is een van die medestanders. Broadwell draagt vaak een cowboyhoed en zijn huid is verweerd door de zon, maar hier houdt het stereotype zo’n beetje op. Hij  groeide op tussen de maïs, tabak en sojabonen, in het gebied waar het Piemond Plateau in North Carolina en de kustvlakte in elkaar overgaan. Hij droomde ervan om ranger te worden. ‘Zo gaat dat, ik denk dat het in je zit,’ zegt hij. Op zijn dertiende nam hij een vakantiebaantje op een boerderij van 80.000 hectare in het zuiden van Colorado, en toen was het besloten: hij werd cowboy.

    Hij studeerde vroegtijdig af aan de middelbare school, behaalde zijn diploma als dierenartsassistent en kon meteen aan de slag bij 3R Ranch Outfitters aan de voet van de Wet Mountains, ten zuidwesten van Pueblo. Daar kwam hij in aanraking met veehouderij die natuurlijke systemen probeert na te bootsen. ‘De buren zagen die ranch als een soort van magisch paradijs, maar het ging simpelweg om een wijze van bedrijfsvoering waarmee al jaren eerder begonnen was. Dat maakte me enthousiast.’

    Het bedrijf dat hij tegenwoordig runt, Ranch Solutions, kan het best worden omschreven als een holistisch adviesbureau voor veehouderijen. Broadwell doet alles op je land wat nodig is, ook een nieuw huis bouwen en je eerste koeien weiden. Maar hij heeft één regel: als je meer vee wil houden dan goed is voor je land, dan doet hij niet mee. Hij laat foto’s zien waarop zijn team door het weelderige, kniehoge gras van het terrein van een klant rijdt. Het is een veld dat al was begraasd, maar waar het vee werd weggehaald voordat het helemaal kaalgevreten was. Het grasland werd bemest met stalmest en voorzien van begroeiing die zorgt voor meer stikstof in de bodem tijdens de winter, waardoor het grasland meer koolstof kan opslaan. Broadwell gelooft dat een veeboerderij een ecosysteem kan vormen. 

    We moeten minder koeien houden en ze laten grazen op een manier die het natuurlijke systeem nabootst

    De bewering dat je met holistisch management zo ver kunt gaan, wordt fel betwist, maar recent onderzoek wijst uit dat vee inderdaad kan leven en sterven zonder bij te dragen aan klimaatverandering. (Hierbij moet worden opgemerkt dat er sprake is van een belangrijke ‘pot-verwijt-de-ketelfactor’, aangezien de CO2-voetafdruk van de gemiddelde Amerikaanse mens twee keer zo groot is als die van de gemiddelde Amerikaanse koe.) Maar we moeten wel minder koeien houden en ze laten grazen op een manier die het natuurlijke systeem nabootst. We moeten ze bovendien weghouden van land dat beter geschikt is voor voedselgewassen.

    Ons vee zou in de toekomst wel eens kunnen lijken op de Cedar Island-kudde. Deze koeien zijn in staat hitte te overleven die moderne rassen zou doen uitdrogen, op land waar onze gewassen niet kunnen groeien. Ze hebben zich aangepast om te eten wat bijna geen ander dier kan. ‘Zelfs een geitenbok eet het niet,’ zegt  Broadwell. Hier zijn de koeien ziekteresistent, drinken ze brak water en moeten ze zichzelf verdedigen tegen roofdieren. Ze hebben over het algemeen weinig nodig, laat staan koolstofrijke lekkernijen. Het is het soort koeien waar we in het verleden respect voor hadden, en misschien komt dat ooit terug.’

    ‘Ik groeide op met verhalen van mijn oudere familieleden over hoe ze koeien door de rivierbedding moesten drijven’ – steile kliffen en ravijnen. ‘Dat ze meer op herten dan op koeien leken,’ zegt Jeff West, terugdenkend aan zijn jeugd in Texas. ‘We hielden koeien in het militair reservaat van North Fort Hood, en we bemoeiden ons maar één keer per jaar met ze: als we ze gingen ophalen. Sommige koeien waren behoorlijk stoer. Maar niet zoals deze hier op Cedar Island. Ik ben nog nooit zulke koeien tegengekomen.’

    Reddingsactie

    Toen Ranch Solutions en West voor de reddingsactie op North Core Banks aankwamen, waren ze van plan om de overlevende koeien uit het moerasgras te halen, dat in een enorme laag modder groeit die op sommige plaatsen zo dik is dat een paard er tot aan de buik in kan wegzakken. Dan was er nog de chaparral [taaie begroeiing]. ‘Dicht is een slecht woord om het te beschrijven,’ zegt West. ‘Niemand komt erdoorheen, zo weerbarstig is het.’ Het kostte veel tijd om de koeien te lokaliseren en ze vervolgens naar open gebied te drijven, zodat ze een voor een met een pijl konden worden verdoofd. Twee van de drie waren door de verdoving gewillig genoeg om naar de trailer te worden geleid die met de veerboot naar het eiland was gebracht.

    De derde koe, de eerste die na de orkaan gezien werd – alleen – was absoluut niet gewillig. Ze ontsnapte naar de noordkant en slaagde erin zich te verstoppen in bijzonder dichtbegroeid en moeilijk begaanbaar gebied. Het team kon nog net zien waar ze verdween en slaagde erin haar met een tweede pijl te raken. Daarna wachtten ze, want nu zou ze wel in slaap gaan vallen. Maar dat gebeurde niet. Uiteindelijk probeerden de cowhands haar te benaderen.

    ‘En weer ging ze ervandoor,’ zegt West.

    Net achter de kust ligt het vakantieterrein van Long Point, waar West de koe een paar weken na de storm voor het eerst had gezien. De gebouwen staan nog steeds leeg. De wind giert en suist langs de verweerde houten muren. Met de hordeuren die piepen in hun roestige scharnieren en het hoefgetrappel van de paarden in het zand, is dit het perfecte decor voor een schietpartij in een spaghettiwestern. Een van de ruiters ziet een vrije vuurlijn. De knal van zijn geweer weerkaatst tussen de chalets en lost op in het gebrul van de kolkende branding.

    Het lukt de koe opnieuw om weg te komen, ook al heeft ze drie shots aan verdovend middel in haar lijf en sijpelt het bloed van haar bleke vacht. Ze rent van het terrein af. Het strand op. Na bijna anderhalve kilometer kan ze niet meer. Dus wandelt ze verder. ‘Als een O.J. Simpson, maar dan in slow motion,’ zegt West. ‘Ik en alle andere cowboys in een trage achtervolging, stapvoets achter die koe aan, tot ze stopt.’

    Als ze dan eindelijk stilstaat, staart ze hen aan. ‘Zo van: kom maar op,’ zegt West. De mannen omsingelen haar, maar ze slaagt er nog een laatste keer in om weg te komen. Dan gooien ze touwen om haar heen en dwingen haar naar de grond.

    Daarna gaat het gemakkelijker. De zon staat al aan de horizon als ze een dekzeil onder haar buik trekken en haar het strand afslepen. Ingesloten tussen de wanden van de trailer komt ze bij naast haar twee overlevende koeienmaatjes. Het verse hooi en water dat hun wordt aangeboden, weigeren ze alle drie.

    Hereniging

    De volgende ochtend neemt Ranch Solutions de koeien mee in de ferry over de Core Sound en rijdt dan via de noordelijke kaap van Cedar Island naar het strand. Broadwell heeft de eer de deur van de aanhanger open te gooien. Met voorzichtige passen lopen de koeien naar de uitgang. Dan breken ze los uit hun cel. Ze rennen – galopperen – het zand op, met hun kop in de lucht en gespitste oren. Want ze voelen dat ze thuis zijn – en vrij. 

    Op Cedar Island bracht de terugkeer van de koeien een vertrouwd gevoel met zich mee. Toen ik een winkelier vroeg hoe de eilandbewoners nu met de dieren omgaan, aarzelde ze geen moment: ‘Hevig beschermend,’ zei ze. Niemand die ik sprak op Cedar Island kende iemand die getuige was van de hereniging van de drie koeien met de overgebleven kudde – de vier dieren die niet door de storm waren meegesleurd. Maar volgens Padilla hebben ze waarschijnlijk elkaars snuit besnuffeld, zachtjes geloeid en een beetje gestoeid. Dat kan ook van verdriet geweest zijn.

    ‘Alles wijst erop dat er besef van verlies is en leedgevoel, criteria die aan mijn opvatting van rouw voldoen’

    Mensen die dit onderwerp hebben onderzocht, zoals Barbara J. King, emeritus hoogleraar antropologie aan het College of William and Mary en auteur van How Animals Grieve, denken dat de klap het hardst aankwam toen de overlevende dieren thuiskwamen en de kudde gedecimeerd aantroffen. Het zou best kunnen dat ze het gebied hebben afgezocht naar vermiste kuddegenoten en luid hebben geloeid in een poging contact te maken. King, die haar woorden zorgvuldig kiest, zegt: ‘Alles wijst erop dat er besef van verlies is en leedgevoel, criteria die aan mijn opvatting van rouw voldoen.’

    Maar eenmaal thuis bleek er sprake te zijn van een andere soort verrassing. De koe die zo hard had gevochten om niet door de mannen te worden gevangen, bleek drachtig te zijn. Zou dat een rol hebben gespeeld bij haar overleving? Als een koe wil vechten voor haar leven, kan ze dan ook vechten voor het leven van haar ongeboren kalf? ‘Biologisch gezien zou dat geen gekke aanname zijn,’ zegt Padilla. ‘Ze wil dat het kalf in leven blijft.’

    Twee maanden nadat ze was teruggebracht naar Cedar Island, beviel de drachtige koe van een gezond kalf, zo blond als de duinen. Alsof het wilde laten zien wat het in de baarmoeder had meegemaakt, werd het geboren met één bruin en één blauw oog. Het kalf kreeg geen naam, maar de moeder wel: Dori. Dat is geen verwijzing naar het personage in Finding Nemo dat zingt over hoe we in moeilijke tijden moeten blijven zwemmen, zwemmen, zwemmen; ze werd vernoemd naar orkaan Dorian.

    Lees ook:

  • ‘Mijn Iraanse moeder en ik hebben vaak last van culturele botsingen’

    ‘Mijn Iraanse moeder en ik hebben vaak last van culturele botsingen’

    Opgegroeid in verschillende culturen met verschillende normen, raakte de Iraanse Dina Nayeri (1979) vaak in conflict met haar moeder. Nu haar dochter ouder wordt, begint ze hun relatie in een ander licht te zien.

    We woonden in 2020, toen mijn dochter Elena vier was, korte tijd in Frankrijk. Op onze eerste dag, toen onze keuken nog vol stond met dozen, gingen we samen naar de McDonald’s. Ik vertelde haar dat die in Frankrijk ‘Le Macdo’ genoemd wordt. Ik zette haar op de toonbank en las haar de Franse menukaart voor, terwijl ze giechelend tegen me aan leunde. ‘Mama, de Fransen zijn zo grappig!’ Een paar weken later kwamen we een jongen van haar school tegen. ‘Coucou, Elena!’ zei hij. Ze zwaaide koeltjes naar hem en grijnsde toen naar mij. ‘Vind je dat niet grappig?’

    Haar slinkse lach deed me denken aan de eerste keer dat ik zag hoe westerse families met elkaar omgingen. Ik was negen en we waren net gevlucht uit Iran, omdat mijn moeder zich tot het christendom had bekeerd – en dus een afvallige was. Mijn moeder, broer en ik hadden tot dan toe zonder verblijfsvergunning in onzekerheid in Dubai gewoond. Toen ons migrantenhostel onverwacht sloot, werden we opgenomen door een gezin van Australische missionarissen. We trokken ons op onze eerste avond in hun huis gedrieën terug in onze slaapkamer om het over hun gewoontes te hebben. We giechelden. We waren dankbaar dat we een comfortabele kamer en een bed hadden, maar de familie was in onze ogen zo vreemd.

    Het was ook spannend om het gedrag van witte mensen onder de loep te nemen; die kans kregen we niet vaak. Mijn moeders ogen werden zo groot als schoteltjes toen het eten werd opgediend: we kregen plakken ham, koude groenten en wat restjes. Hun zoon Nathan, een jongen van mijn leeftijd, kreeg elke avond eerst even tijd voor zichzelf om daarna met veel omhaal door zijn beide ouders te worden toegestopt. We vonden het een bizar ritueel.

    Ik had nog nooit tijd voor mezelf gekregen. Mijn moeder bemoeide zich altijd met mijn zaken. Ze had in het hostel in mijn bed geslapen. Dat de deur van Nathans slaapkamer dichtging, vond ik zo theatraal. Zo onnodig. Deden moeders in andere landen ook de deuren van hun kinderen dicht? Wachten ze ook geduldig af tot het heilige speelkwartier afgelopen was? Mijn moeder, mijn broer en ik verkeerden toen we net geëmigreerd waren in een permanente staat van verwondering en verbijstering. Alles wat die Engelsen deden vonden we vreemd. We klampten ons ’s avonds aan elkaar vast en giechelden erom tot ons lachen overging in huilen. Dan vielen we in elkaars armen in slaap. We wensten dat we hun humor op een dag zouden begrijpen, zodat we ontspannen bij ze aan tafel konden zitten.

    Psychische grenzen

    Vandaag de dag moet ik vaak weer aan Nathans gesloten slaapkamerdeur denken. Mijn moeder, mijn broer en ik leefden zo’n twintig jaar lang diep binnen elkaars psychische grenzen, we deelden matrassen en borden eten en spraken een hybride geheimtaal. We leerden om van elkaar te houden in tijden van crisis, maar we werden slecht in alleen zijn, gemoedsrust voelen en elkaars privacy waarborgen. Er was haast geen ruimte voor individualiteit. Waar we ook waren – of we nu vastzaten in een vluchtelingenkamp, een luchthaven of een smerig appartement in Oklahoma – het was alsof we samenleefden in een oude, vertrouwde kamer, die volhing met wandtapijten en rook naar de maaltijden van thuis.

    We grapten en huilden en vochten in die warme bunker. We schreeuwden dingen naar elkaar die we nooit tegen iemand anders zouden zeggen. We brachten ons trauma op lelijke manieren tot uiting en wisten dat we vergeven zouden worden. Onze bloedband zorgde ervoor dat geen enkele uitbarsting te ver zou gaan. Terwijl daarbuiten oorlog, chaos en ontheemding op ons wachtten, vulden we onze kamer met gezellige familiedrama’s. Het rumoer om ons heen ging met de jaren liggen en het werd vanbinnen donkerder en onrustiger. We werden groter, de lucht werd ranzig en mijn broer en ik vertrokken, de een na de ander, op zoek naar een nieuwe horizon en een nieuw gezin.

    We kwamen enkele maanden nadat mijn partner, mijn dochter en ik in Frankrijk waren aangekomen een andere jongen van Elena’s school tegen. ‘Coucou, Benjamin!’ Deze keer initieerde Elena het contact en ze sprak zijn naam zo nasaal uit dat ik moest lachen. ‘Bah-Jamah.’ Het was alsof haar neustussenschot opeens scheef was gaan staan. Ze staarde me boos aan. ‘Houd op, mama!’ fluisterde ze. Ik kromp ineen. Elena’s francofonie werd steeds overtuigender. Iets wat ik nooit zou bereiken, omdat ik het verschil tussen ‘en’ en ‘an’ niet kon horen. Binnen de kortste keren zou ik de enige zijn die vond dat de Fransen zo dom, zo grappig zijn. ‘Houd op!’ fluisterde Elena telkens als ik Frans probeerde te spreken met haar vrienden.

    We leefden diep binnen elkaars psychische grenzen, we deelden matrassen en borden eten en spraken een hybride geheimtaal

    ‘Lach jij maar, jongedame,’ zei ik tegen haar, ‘maar dit is wel mijn derde taal.’ Die woorden brachten me plotseling weer terug naar mijn eerste huis in het zuiden van de Verenigde Staten. Een klein appartement waar mijn moeder, mijn broer en ik begonnen aan een lange klus: Amerikaans worden. Ik maakte grapjes over het Engels van mijn moeder en ze zei dan: ‘Lach maar, Khanom (jongedame), maar vergeet niet dat ik een Perzisch doktersdiploma heb.’ Ik dacht altijd dat ik tien jaar lang met mijn moeder in die warme, denkbeeldige kamer verbleef. Maar misschien heb ik haar daar al een jaar of twee na onze aankomst in Oklahoma achtergelaten, toen ik snel en doelbewust assimileerde en mijn accent op honderd subtiele manieren aanpaste die mijn moeder niet kon waarnemen.

    Ik weet inmiddels dat de lekker ruikende kamer, die denkbeeldige, veilige ruimte die ik deelde met mijn broer en moeder, nooit echt veilig was voor een meisje. Het is niet de bedoeling dat een Iraanse dochter ooit vertrekt. Van een zoon wordt verwacht dat hij uiteindelijk het huis uitgaat, maar een dochter moet daarbinnen wegrotten. Ze mag nooit breken met haar moeders waarden, nooit trots zijn op een prestatie waarvoor haar moeder zich zou schamen. Ik realiseerde me dit in 2013. Ik was drie maanden ervoor gescheiden, voelde me eindelijk vrij in mijn mooie studio in de Lower East Side in New York. Twee mannelijke familieleden stelden toen voor dat mijn moeder en ik zouden gaan samenwonen, omdat we nu allebei alleen waren. Het kwam niet eens in hen op dat we privacy nodig zouden hebben.

    Engelse therapeut

    Mijn moeder en ik zitten nu, tien jaar later en met een oceaan tussen ons in, in onze keukens – ik in mijn Europese huurappartement, zij op haar Amerikaanse boerderij – en we praten via onze schermen, vergezeld door een Engelse therapeut. Het idee van alleen zijn met mijn moeder is beangstigend geworden, dus ik heb een compromis voorgesteld. ‘Dit is niet normaal,’ protesteert mijn moeder tegen mijn nieuwe grenzen: dat ik niet meer wil praten over wat ik schrijf, dat ik niet op religieuze preken zit te wachten, dat ik geen nachtmerries en paranoia meer accepteer (zoals familieleden ervan verdenken samen te zweren en bij elk beetje jeuk meteen bang zijn dat ze een hersenvliesontsteking heeft).

    IMG 9832

    Maar wat is voor moeders en dochters normaal? Ik wil dat een sociaal wetenschapper mij dat vertelt, en niet een Iraanse moeder. In Iran zorgen dochters ervoor dat er tussen hen en hun moeders een illusie van hechtheid blijft bestaan, ook al is dat voor henzelf een last. Moeders hebben kritiek. Dochters luisteren. Dat is liefde, denk ik dan maar.

    Mijn moeder heeft zich in de loop der jaren duizenden keren uitgesloofd om overheerlijke maaltijden voor me te maken. Ze heeft mijn spijkerbroeken ingenomen, mijn wenkbrauwen geëpileerd en me aan het lachen gemaakt. Maar ze heeft ook mijn expertise niet serieus genomen, me opgedragen mijn diploma onder dat van mijn ex-man te hangen, mijn partners zwartgemaakt en rivaliserende moederfiguren ervan beschuldigd me te hersenspoelen. Voor haar weegt dat allemaal bij lange na niet op tegen de maaltijden en het epileren. Het komt nooit in haar op dat ik recht heb op mijn eigen normen en waarden, of dat ik het beledigend vind dat ze me niet in staat acht om mijn eigen mening te vormen. Ik ben in haar ogen gewoon een dom kind dat gemanipuleerd wordt door slimmere mensen: door sluwe mannen of heksachtige, rivaliserende moeders.

    Ze kunnen er niets aan doen, die overbezorgde, getraumatiseerde moeders

    Wanneer ontheemde kinderen volwassen worden, verlangen ze ernaar weer normaal te zijn. We willen niet de hele tijd alles zorgvuldig hoeven af te wegen, niet alles fout doen. We willen dikke zware deuren die onze mentale kamers scheiden van die van onze ouders – enige afstand en tastbare grenzen tussen het heden en het verleden. Soms wordt dat verleden belichaamd door een ontroostbare, buitenlandse moeder, die altijd maar aanklopt en ons blijft uitnodigen.

    Telkens als ik een harde grens afdwing, betrekt mijn moeders gezicht. Ze blijft terugkeren naar ons denkbeeldige toevluchtsoord, waar we gedrieën opgekruld tegen elkaar aan zaten. Ze wil dat haar kinderen ook weer een keer naar die bunker komen, om er samen een kopje thee te drinken en te lachen. Als ik een grap maak, denkt ze dat de deur misschien op een kiertje gaat. Haar ogen lichten op. Ik wil haar die warmte blijven geven, maar ik trek me, omdat ik gevaar bespeur, achter mijn eigen deur terug. Dus blijft ze weer alleen en verward achter.

    Mijn moeder en ik hebben vaak last van culturele botsingen. Maar ons grootste conflict gaat hierover: mijn moeder heeft zich toen ik een puber was voortdurend beziggehouden met het bedekken van mijn lichaam en het corrigeren van mijn manieren. Ze maakte dat ik me ervoor schaamde vrouw te worden. Mijn beklemmende, religieuze opvoeding heeft een enorme invloed gehad op wat voor ouder ik wil zijn: ik doe er alles aan om ervoor te zorgen dat Elena zich niet veroordeeld voelt.

    ‘Weirdos, geen perfectos’

    Mijn dochter, die nu zeven is, zei laatst tijdens het tv-kijken: ‘Nu gaan ze lekker zoenen.’ Ik wilde de vier seconden doorspoelen waarin er redelijk braaf gezoend werd, maar hield me in. Omdat ik haar deze vrijheid geef, deelt ze al haar diepste geheimen met me. Mijn moeder kromp toen ik een kind was ineen als televisiepersonages begonnen te flirten. Ze veranderde zelfs van zender. Als er in een programma gezoend werd, bestempelde mijn moeder het als verdorven en verbood ze ons ernaar te kijken. Ze zei dingen als: ‘Als je naar onchristelijke dingen kijkt, vertrouw ik je niet meer met de tv.’ Eerlijk is eerlijk: zij zou als kind geslagen en uit huis gezet zijn als ze romantische tv-series zou hebben gekeken.

    Eén keer, toen ik twaalf was, snauwde mijn moeder me af omdat ik een smakeloze grap had gemaakt. Mijn borstkas verkrampte, waardoor ik me in mijn maaltijd verslikte. Ze vertelde later, om mijn schaamte te verzachten, iets wat haar als jong meisje in het Teheran van voor de revolutie was overkomen. Terwijl ze haar huiswerk aan het doen was, mompelde ze achteloos drie interessante woorden die ze op de televisie had gehoord. ‘Maria, Maagdelijke Moeder.’ Dat mantra leent zich in het Farsi, met de vele zachte m-klanken, goed voor gezang. Haar vader liep langs, hoorde haar mompelen, besefte wat ze zei en gaf haar een harde klap in haar gezicht. Een jongen was dat in deze situatie niet overkomen, in geen van onze generaties, en dat maakt me boos. Maar het verhaal doet me ook grinniken: mijn moeder hield zich als kind al bezig met de moeder van alle martelaren.

    ‘Laten we weirdos zijn, mama,’ zegt Elena soms terwijl ze vrolijk danst, ‘geen perfectos!’ Ze roept in het openbaar dingen als: ‘Mama, waar eindigt mijn vagina?’ Als een vreemde ons dan afkeurend aankijkt, staar ik terug en antwoord ik luid: ‘Je vagina is via je baarmoederhals verbonden aan je baarmoeder.’ Soms laat ik op mijn telefoon een medische tekening zien. En dan, wanneer ik denk dat ik me daardoor op de een of andere manier afzet tegen mijn moeder, bedenk ik me plotseling dat zij in Iran gynaecoloog is geweest. Dat ze me ditzelfde diagram heeft laten zien. Ze heeft dan wel geprobeerd om me af te zonderen en me voor de wereld te verstoppen, zoals Iraanse moeders dat doen, maar ze is ook een rationele, wetenschappelijke volwassene geweest, een dokter in een witte jas die voor haar plezier ingewikkelde wiskundige puzzels oploste. Mijn moeder deed aan magisch denken en hing religieuze dogma’s aan, maar ze had ook sterke armen en grote hersenen, en ik aanbad haar.

    Goede Aziatische dochters glippen gemakkelijk hun fantasiewerelden in en uit

    ‘Normaal’ betekent in Iran dat er ruimte wordt overgelaten voor die tweeledigheid. Goede Aziatische dochters glippen gemakkelijk hun fantasiewerelden in en uit. Ze zijn loyaal en ze voeren een soort van toneelstukjes op voor hun moeders. Ze blijven in hun denkbeeldige kamers zitten, blijven doen alsof het logisch is dat westerlingen zo dom en zo grappig zijn. Ik ben blijkbaar geen goede Aziatische dochter meer.

    Mijn moeder en ik hadden een aantal maanden geleden – voordat we de Engelse therapeut hadden gevonden – een uitputtend gesprek van twee uur lang. Mijn moeder noemde me toen terloops een concubine, omdat ik niet getrouwd ben. Ons hele project, onze poging tot verzoening, viel meteen in duigen. Ik sms’te een vriendin van me, die ook immigrant en schrijver is, om mijn beklag erover te doen.

    ‘Ze kunnen er niets aan doen! Die overbezorgde, getraumatiseerde moeders… Het is dus echt waar, we hebben allemaal dezelfde moeder!’ Mijn vriendin vindt dat we mild moeten zijn. Dat we voor onze moeders moeten doen alsof we trouwe Aziatische dochters zijn, steeds in gedachten houdend dat we daarna weer terug kunnen naar onze eigen veilige, feministische huizen. ‘De manier waarop zij zijn opgevoed was zoveel erger,’ benadrukt ze. ‘Besef wat voor culturele bullshit zij van hun moeders hebben meegekregen. Daarvan geven ze zo weinig door aan ons… zoveel minder dan wat zij hebben gekregen.’ Het is waar, onze moeders hebben een opvoeding gehad die wij ons niet kunnen voorstellen. Pakken slaag en lange stiltes, body shaming, schaamte rondom seksualiteit, slopende werkzaamheden.

    Mijn moeder heeft koude nachten in de gevangenis moeten doorbrengen. Ze heeft haar twee kinderen mee uit huis gesleurd en een nieuw leven opgebouwd. De moeder van mijn moeder, die vorig jaar in Londen overleed, was een kindbruid in Teheran. Ze was dertien toen ze trouwde met een volwassen man – hij was gelukkig niet zestig, maar negentien, maar dat was een schrale troost voor een meisje dat geen enkele seksuele voorlichting had gehad toen ze het zelf moest ondergaan. Mijn grootmoeder wilde sindsdien niets meer weten van de Iraanse cultuur. Tot aan haar dood trok ze voor zichzelf harde, westerse grenzen. Ze wantrouwde Iraniërs in Londen.

    Wat is voor moeders en dochters normaal? Ik wil dat een sociaal wetenschapper mij dat vertelt, en niet een Iraanse moeder

    Ik vraag mijn vriendin, die zachtaardiger is dan ik, wat die Aziatische moeders toch van ons willen, waarom ze ons niet met rust kunnen laten. Ze antwoordt: ‘Ze willen dochters die hen, wanneer ze oud zijn, kunnen begrijpen en beschermen en vertalen.’ Want de wereld verandert. De regels van onze moeders leken misschien wat burgerlijk in de jaren negentig – typisch iets waar een cabaretier grappen over zou maken. Maar inmiddels zijn ze voor jongere generaties ondoorgrondelijk geworden.

    Toch ben ik daar niet zo zeker van. Ik denk dat onze gebroken moeders, hoewel ze hun dochters onder de duim houden, voor hun kleinkinderen kunnen veranderen in de gezellige grootmoeders die je in films ziet. In grootmoeders die vreselijk misplaatste dingen zeggen, maar niet bedreigend zijn, zoals een dronken oom op een familiefeest. Mijn moeder en dochter giechelen samen over lippenstift en tekeningen van vogels. Wanneer Elena net zo danst als Lizzo, geniet mijn moeder met volle teugen. Het komt niet in haar op om Elena erop aan te spreken. We zijn alleen brutaal tegen de generaties direct boven en onder ons. Er is met een generatie die verder van ons verwijderd is genoeg afstand voor verwantschap, voor gelach, zelfs voor begrip.

    ‘De slechte situatie’

    Ik geloofde mijn grootmoeder toen ze mijn grootvader een verkrachter noemde. Misschien kwam dat doordat ik zelf geen nauwe band met mijn grootvader had gehad. Ik woonde in de zomer waarin ik eenentwintig werd bij mijn oma in haar appartement in Londen. Als ik menstruatiepijn had – wat ze omschreef als ‘de slechte situatie’ – gaf ze me Kahlua en pistachenoten. Haar familie heeft altijd geweigerd de verkrachting te erkennen. Maar cijfers liegen niet. Mijn tante en moeder waren elf en negen jaar oud toen hun moeder vijfentwintig werd.

    Mijn moeder en tante wisten dat ik, direct na mijn grootmoeders dood, haar verkrachting openlijk de wereld in zou slingeren. Dus braken ze vlak nadat ze overleden was bij haar thuis in. Ze verwijderden al haar digitale bestanden en verbrandden al haar papieren, met uitzondering van een paar van haar gedichten en zeven pagina’s onschuldige, maar geweldig rare, christelijke sciencefiction die ze had geschreven. Schreef ze die verhalen om terug te keren naar de kindertijd die haar ontnomen was? Mijn oma’s laatste woorden aan mij waren: ‘Ik ben mijn autobiografie aan het schrijven. Wil je me helpen?’ Zij had de eerste regel al geschreven: ‘Ik heb een heel korte jeugd gehad.’ Die eerste regel is alles wat er van haar over is.

    Mijn moeder en ik trapten tot vorig jaar, toen mijn grootmoeder stierf en haar appartement geplunderd werd en haar nalatenschap vernietigd, nog wel eens lol samen. We assimileerden in de loop der jaren, wat ertoe leidde dat onze grappen vaker over de vreemde gewoontes van Iraniërs gingen dan over die van Amerikanen. Tijdens de pandemie was ik een kort verhaal aan het schrijven. Mijn moeder vertelde me verhalen uit haar jeugd. ‘We epileerden onze wenkbrauwen en zeiden tegen mensen dat ons haar was uitgevallen door een te traag werkende schildklier,’ vertelde ze, terwijl ze in haar vuistje lachte. ‘Alleen bij je wenkbrauwen?’ vroeg ik, giechelend. ‘Dus door een te traag werkende schildklier vielen zeker alleen de extra haren rondom jullie wenkbrauwen uit? Verder nergens?’ ‘Onze beenharen verdwenen daardoor ook,’ zei ze, en ik barstte in lachen uit. Een schildklierprobleem dat alleen ongewenst lichaamshaar aantast… Iraanser dan dat wordt het niet. ‘De grootmoeders geloofden het!’ Of ze lieten het maar voor wat het was. Of ze deden eraan mee.

    Heel even, terwijl we theedronken en grappen maakten over de vrouwen van het Iraanse platteland, waande ik me weer in de veilige bunker die we met ons meedroegen toen we net gemigreerd waren. Die heilige ruimte van waaruit we andere mensen uitlachten om hun ijdelheid, om hun persoonlijke grenzen, om hun borden met vleeswaren.

    Zorgen alle moeders ervoor dat hun dochters doodsangsten uitstaan?

    ‘Ik denk dat er hier sprake is van intergenerationeel trauma,’ zei de therapeut tijdens onze tweede sessie. Er was dus meer aan de hand dan alleen een culturele kloof. Het is waar dat de vrouwen in onze familie gemigreerd zijn, mishandeld door mannen en een diepe, smeulende pijn voelen. Iedereen in mijn familie doet een beetje ongemakkelijk over seks. Nu denk ik dat dat niet alleen door de cultuur of de theocratie komt, maar ook door de verkrachtingen die mijn grootmoeder in haar kindertijd herhaaldelijk moest doorstaan en die door de gemeenschap werd goedgekeurd. Die misdaad is de reden dat wij allemaal ter wereld zijn gekomen.

    Elena gilde het uit toen ik een keer rond bedtijd zei dat de deuren ’s nachts op slot moeten. ‘Vertel me geen enge dingen! Vertel me die pas als ik twintig ben!’ Zorgen alle moeders ervoor dat hun dochters doodsangsten uitstaan? Of ben ik begonnen iets aan haar door te geven dat diepgeworteld en onvermijdelijk is?

    Mijn moeder houdt echter vol dat onze problemen volledig te wijten zijn aan cultuurverschillen en botsende opvattingen over wat normaal is. ‘In mijn cultuur,’ zegt ze, ‘respecteer je je moeder. Je stelt niet zoveel muren op tussen jezelf en je moeder.’ Soms zegt ze precies wat ik denk: ‘We hadden toch een hechte band?’ Dan krijg ik een steen in mijn maag, omdat ik weet dat ik op een dag de privéruimte die ik met Elena deel zal kwijtraken. ‘Leg me eens uit,’ gaat mijn moeder verder, ‘op welke leeftijd moeders ophouden moeder te zijn.’ Ik heb geen idee, maar ik weet dat het onvermijdelijk is, dat mijn hart zal breken als ik ertegen vecht. Ik kan soms urenlang aan Elena’s nek ruiken. Ik gaf mijn moeder op de begrafenis van mijn oma met tegenzin een knuffel, en ze snoof hongerig aan mijn nek. Ik voelde me geschonden en verbijsterd, maar ik had ook met haar te doen. Ik rukte me snel los. Hoe meer ze me nodig had, hoe groter de kwelling. Ik begon na te denken over mezelf, over hoe ik over twintig jaar zou zijn. Zou ik me ook te stevig vastklampen aan mijn dochter?

    ‘Zien jullie twee wat jullie me nu aandoen?’ onderbreekt de Engelse therapeut ons, met de handen in het haar. Mijn moeder en ik hebben al een tijdje tegen elkaar zitten schreeuwen. We vallen stil. We hebben onszelf voor schut gezet ten overstaan van een witte vrouw. We hebben de gewoonte om terug te keren naar die chaotische dagen waarin elke uitbarsting vergeeflijk was. Nu hebben we het gezelschap van een Engelse vrouw nodig om ons netjes te gedragen. Hoewel we midden in een ruzie zitten, voel ik de drang om mijn moeder te vertalen tegenover de Europeaanse vrouw, want dat is mijn werk. Ik doe het al sinds ik klein ben, maar het is ook letterlijk mijn werk – ik schrijf over Iraniërs voor westerse lezers. Mijn moeder haat het dat ik openhartig schrijf over mijn onzekerheden of mislukkingen: ik onthul volgens haar te veel en doe af aan ons geromantiseerde vluchtelingenverhaal.

    Interpretaties

    De schrijver Matthew Salesses benadrukt in zijn werk vaak dat verhalen in verschillende culturen anders geïnterpreteerd worden. Hij schrijft dat een zin afhankelijk van de lezer anders begrepen wordt. ‘Ze wist honderd procent zeker dat ze hem haatte,’ kan bijvoorbeeld verschillende betekenissen hebben. Een westerse lezer zal ervan uitgaan dat de vrouw in kwestie tegen het einde van het verhaal van de man zal houden, of dat ze dat al doet. Diezelfde zin kan voor mijn grootmoeder betekenen dat de vrouw binnenkort gedwongen wordt met de man te trouwen. Dit is precies het soort zin waar mijn moeder en ik ruzie over maken. Als ik schrijf dat een fictieve Iraanse moeder een tekortkoming heeft, die later in het verhaal zou kunnen zorgen voor begrip of verbondenheid, zoekt mijn moeder er een belediging in. ‘Je vindt me gewoon een domme immigrant,’ zegt ze dan. Ik leg uit dat het saai is om alleen maar weerbaarheid en kracht te tonen, dat je op een andere plek moet beginnen dan waar je wilt eindigen. Imperfecte verhalen zijn interessanter, belonen meer dan mythische heldenverhalen. Falende personages zijn geliefder. Ze wuift het allemaal weg. Het is Amerikaanse onzin.

    Mijn moeder vindt het angstaanjagend om in het bijzijn van westerlingen ontmaskerd te worden. Eerlijk schrijven, met mijn eigen stem, is voor mij genezend, vergelijkbaar met bidden. Mijn moeder slaat onze goede dagen op in haar geheugen. Ze maakt in haar hoofd onze kleren schoner en onze gezichten mooier; we lachen elkaar toe alsof we op een Hallmark-kaart staan. Ik sla diezelfde herinneringen op, maar dan wel met barsten en al. Wat ik het bewaren waard vind, verwerk ik in mijn schrijven. ‘Je hebt mijn dierbare herinnering verpest,’ zegt mijn moeder dan, als ze mijn werk leest. Maar waarom zouden we alleen maar misleidend geruststellende migrantenverhalen mogen vertellen? Waarom zouden we alleen maar stiekem blijven giechelen om borden vol met ham? Ik wil lezers uitnodigen om de wereld door mijn ogen te zien – het is niet mijn doel om er voor hen presentabel van af te komen.

    Ik wil dat lezers inzicht krijgen in alle specifieke, schitterende manieren waarop we ons als eikels gedragen – ik vind dat dat gevierd moet worden. Laat ik eens beroep doen op het hiërarchisch denken dat in de Iraanse cultuur zo belangrijk is. Ik word door het Europese en Amerikaanse publiek betaald om over mijn gebreken te praten – geeft dat me niet juist een hogere status? Maakt dat me geen koningin, in plaats van een miserabel iemand?

    Schijnvertoning

    Ik heb vrienden die thuis de goede Aziatische dochter spelen. Ze veranderen in een afgevlakte versie van zichzelf, die onderdanig en lief is. Mijn moeder toonde haar respect voor haar eigen moeder, serveerde haar thee, zei ‘U’ tegen haar. Door het schrijven ben ik maar al te bewust geworden van deze schijnvertoningen. Ik heb altijd mezelf willen zijn, en als iemand van me eist dat ik een toneelstukje opvoer, ben ik gelijk weg. Ben ik mijn moeder – die veel onrecht heeft geleden – een geruststellend optreden verschuldigd, als dat ritueel voor mij schadelijk is?

    We bespreken de dag dat mijn moeder me een ‘concubine’ noemde. Ze vraagt me rekening te houden met haar cultuur – te beseffen dat ze er niets aan kan doen. Ik moet denken aan hoe ik mezelf verdedig als ik mijn leerlingen niet met de juiste voornaamwoorden aanspreek. Ik wil elke keer dat ik stuntel zeggen: ‘Heb geduld met me. Ik ben het met je eens, maar zit nog vast in de gewoontes van een andere generatie. Ik doe mijn best.’ Ik wijs ze er soms op dat we in mijn moedertaal, het Farsi, überhaupt geen gendergebonden voornaamwoorden hebben. En dat ik alleen maar klungel, omdat ik veramerikaniseerd ben. Als ik mijn oorspronkelijke, Iraanse zelf was, zouden voornaamwoorden voor mij niet eens bestaan.

    Mijn studenten zijn een mysterie voor me, net als ik dat voor mijn moeder ben. We stuntelen allebei in de dialecten die we hebben aangeleerd. Mijn moeder vraagt om het voordeel van de twijfel. Misschien moet ik het haar geven, omdat ik het ook verlang van mijn studenten, en omdat ik het op een dag van Elena zal moeten krijgen. We zijn allemaal op een bepaalde manier ontheemd, verdwaald in de tijd, de buitenlandse moeders van de volgende generatie.

    Kinderen leren dat je intens van iemand kan houden zonder diegene te mogen

    Ik denk terug aan vroeger en probeer vergevingsgezind te zijn. Ik herinner me hoe mijn moeder mijn wonden heeft verzorgd. Ze masseerde mijn spieren als ik thuiskwam van taekwondotraining. Ze belde me bijna elke avond tijdens mijn scheiding. Die telefoontjes waren voor mij een troost, omdat er toen een veilige afstand tussen ons was. Ze was in Thailand, als dappere Amerikaanse vrijwilligster van het Vredeskorps. Maar toen ze terugkeerde naar de VS verscheen ze ongevraagd aan mijn deur met zakjes thee en basmati en afgeprijsde pijnstillers, als de opdringerige Iraanse moeder die weer over mijn grenzen heen ging.

    Soms, wanneer ik net enorme behoefte heb aan tijd met mijn dochter, duwt Elena me weg. Heb ik mijn moeder hetzelfde aangedaan? Ik ben vastgeroest in mijn perspectief, waardoor ik alleen nog maar kan zien wie mijn moeder in mijn tienerjaren was: een vrouw met steenkolenengels en een hooghartige houding, die erbij wilde horen, maar daar niet in slaagde. Misschien is het al genoeg om haar maar voor even te begrijpen. Om te weten dat ze (een beetje) gelijk heeft – want alles draait om taal en cultuur. Voor mij is ‘concubine’ een scheldwoord. Voor haar betekent het woord niets meer dan alle duizenden andere woorden die ze in haar leven heeft gezegd.

    Nee zeggen

    Mijn moeders cultuur schrijft voor dat jonge vrouwen dienstbaar zijn en zichzelf opofferen. Ik vroeg Elena een paar dagen geleden of ik een van haar frietjes mocht. Ze dacht erover na en zei toen: ‘Ik zou je graag een frietje geven, mama, maar het spijt me, ik denk dat ik ze allemaal zelf wil opeten.’ Ik lachte en probeerde te beslissen of dit het moment was om haar te leren delen, of om dankbaar te zijn dat mijn dochter weet hoe ze ‘nee’ moet zeggen.

    Diep vanbinnen was ik opgelucht. Mijn god, dacht ik, het is me gelukt. Dit is mijn reactie op een generatie van opdringerige immigrantenmoeders die geloven in het dogma van een dochter die zichzelf totaal wegcijfert. Dat dogma hebben ze allemaal van hun moeders geleerd, en die op hun beurt weer van hun moeders. Mijn zachtaardige vriendin, die ook schrijft en Aziatisch is, stuurde een citaat naar me van de boeddhistische monnik Thích Nhất Hạnh. Onze talenten en onze fouten, zo schrijft Nhất Hạnh, hebben we allemaal geërfd. Ze zijn niet van ons. Mijn vriendin wil dat ik accepteer dat we niet veel van onze moeders verschillen. Ze wil dat ik door blijf vechten, beter leer vechten.

    Veel kinderen leren als ze volwassen worden dat je intens van iemand kunt houden zonder diegene ook maar in de verste verte te mogen. We bereiden ons voor op het pijnlijke moment dat ook ons eigen kind dat onderscheid leert – en we hopen dat ze niet alleen van ons zullen houden, maar ons ook blijven mogen. Toch blijft de beangstigende mogelijkheid bestaan dat ze er niet eens bij zullen stilstaan en dat ze direct zullen besluiten dat alleen van ons houden meer dan genoeg is. Dus doen we hun slaapkamerdeur dicht en wachten we af. We proberen niet te luisteren naar hun speelrituelen en naar de grenzen die ze introduceren en die we op een dag zullen moeten respecteren.

    Het was toen ik een kind was te veel gevraagd om aan te kloppen voordat ze mijn kamer in kwam

    Ik weet nu al dat ik Elena’s waarden op een dag niet meer zal kunnen doorgronden. Maar zal ik van haar verlangen dat ze tegen me liegt, zodat ik oud kan worden in een fantasiekamer? Ik rolde toen ik jonger was met mijn ogen als ik kinderen beleefdheid of zorgzaamheid zag veinzen om iets lekkers te krijgen. ‘Weet die moeder niet dat ze gemanipuleerd wordt?’ dacht ik dan. Nu, wanneer Elena een toneelstukje opvoert, is alleen al het feit dat ze de woorden uitspreekt voor mij genoeg. Haar optreden is een geschenk. Ik stel me voor hoe mijn dochter op haar dertigste liefde en toewijding uitdraagt en een lange zucht onderdrukt terwijl ik aan haar nek snuffel. En dan denk ik: ‘Weet je wat? Daar neem ik genoegen mee.’

    Soms doe ik voor Elena ook alsof – de politieke geschillen van haar My Little Pony-eenhoorntjes interesseren me bijvoorbeeld eigenlijk vrij weinig. Dan moet ik denken aan alle keren dat mijn moeder zich voor mij probeerde te houden aan westerse grenzen. (Het was toen ik een kind was te veel gevraagd om aan te kloppen voordat ze mijn kamer in kwam. Later was het te veel gevraagd om eerst op te bellen voordat ze me thuis kwam opzoeken. Maar af en toe vroeg ze me plechtig: ‘Is dit een goed moment?’) Ik veroordeelde haar, omdat ze zo stuntelig met die Amerikaanse grenzen omging. Ze hield het altijd vol tot het moment waarop iets stressvols haar deed wankelen en al haar Iraanse verwachtingen toch weer naar de oppervlakte kwamen.

    ‘Ze hebben zoveel meegemaakt,’ herhaalt mijn vriendin.

    ‘Wees aardig,’ bedoelt ze. ‘Denk aan de grappige dokter die wiskundige puzzels oploste en in een ander universum je vriendin had kunnen zijn. Stel je voor hoe ze zich als verward kind een weg moest banen door het duistere mijnenveld dat een huishouden in Teheran in het midden van de vorige eeuw moet zijn geweest. Een kind dat geslagen wordt als ze een mysterieus, nieuw woord gebruikt.’ Ik haal diep adem en stem in met een vervolgsessie met de Engelse therapeut die ons leert om ons te gedragen. Ik kijk er eventjes naar uit om mijn moeders gezicht te zien. Ik mis onze lekker ruikende bunker. Ik zet Zoom aan, we zeggen hallo. Dan doen we onze monden open en beginnen we in onze vreemde talen door elkaar heen te praten.

    Lees ook:

  • Kaja Kallas, de Estse premier die het gevaar van Poetin voorzag

    Kaja Kallas, de Estse premier die het gevaar van Poetin voorzag

    Voordat andere regeringsleiders dat deden, waarschuwde de Estse premier Kaja Kallas al voor Vladimir Poetin. Wie is deze vrouw, die nu als mogelijke secretaris-generaal van de NAVO genoemd wordt?

    In Kaja Kallas’ familie worden twee soorten verhalen verteld over de jaren in Siberië. Er zijn verhalen over de honger, de kou en de angst. Over hoe Sovjet-soldaten Kallas’ moeder in 1949 met haar moeder en grootmoeder in een veewagen opsloten en hen naar het oosten deporteerden, tot voorbij Novosibirsk. En er zijn verhalen waar ze om lachen. Over hoe ze een naaimachine in de veewagen meetorsten en hoe deze machine hen van een bescheiden inkomen voorzag, omdat ze op een plaats waar alleen wat houten hutten stonden, voor anderen kleding oplapten. ‘Mijn grootouders hebben verschrikkelijke dingen doorstaan,’ zegt Kaja Kallas, ‘en ze hebben mij geleerd dat je moet vieren dat je leeft.’

    Kallas zit aan de ovale tafel waar ze als regeringsleider van Estland buitenlandse gasten ontvangt. Twee dagen na ons gesprek zal ze hier de minister van Defensie van de Verenigde Staten Lloyd Austin ontmoeten en een week eerder was de Zweedse premier Ulf Kristersson op bezoek.

    Allemaal kennen zij het verhaal van haar grootouders. Ze weten dat de minister-president de dochter is van een vrouw die als baby naar Siberië werd gedeporteerd en dat alleen met veel geluk heeft overleefd. Het verhaal stond in een artikel van Kallas in The New York Times, en ze vertelde het tijdens een toespraak voor het Europees Parlement in maart 2022, twee weken nadat Rusland Oekraïne was binnengevallen.

    Voor het tweede deel van Kallas’ familiegeschiedenis is zelden genoeg tijd. Voor de terugkomst uit Siberië en voor het gevoel dat haar grootouders aan hun kinderen en kleinkinderen hebben meegegeven: ons krijgen ze niet meer klein. Kallas zegt dat ze thuis heeft geleerd dat veel mensen zich in zware tijden van hun beste kant laten zien.

    Al in januari 2022, toen de meesten in Europa meenden dat er alleen omdat Rusland meer dan 100.000 soldaten naar de Oekraïense grens stuurde, nog geen reden was voor paniek, kwam Kallas in actie. Ze eiste ondersteuning voor Oekraïne. En leverde wapens.

    Waarschuwingen

    De media berichtten destijds routinematig over haar waarschuwingen. Het was het Baltische geluid dat iedereen nou wel kende: Poetin is gevaarlijk, we moeten de NAVO in het oosten versterken, we moeten stoppen met Nord Stream. Na 24 februari zei Kallas hetzelfde, maar nu werd er wel naar haar geluisterd. De premier van een landje met maar net 1,3 miljoen inwoners veranderde in een politicus met wie op het wereldtoneel rekening wordt gehouden en die nu zelfs als kandidaat wordt genoemd voor de opvolging van Jens Stoltenberg als secretaris-generaal van de NAVO.

    En dat niet alleen omdat de regeringsleiders in Berlijn, Parijs en Brussel hebben moeten toegeven dat Kallas het met haar inschatting van Poetin bij het rechte eind had – maar ook omdat zij optreedt als iemand die zich in het licht van de schijnwerpers van de wereldgeschiedenis op haar gemak voelt.

    De digitalisering is onderdeel van een overlevingsstrategie van Estland

    Haar liberale partij Reformier (de Hervormingspartij) blijft stabiel op ruim 30 procent. Daarop volgt lang niemand tot – allebei rond de 20 procent – de rechts-populistische partij EKRE (de Conservatieve Volkspartij) en de middenpartij Kesker (de Centrumpartij). Hoe komt het dat de 45-jarige Kallas, die haar ambt pas twee jaar bekleedt, een van de belangrijkste waarschuwende stemmen van Europa is geworden?

    Medio december 2022 moet de bondskanselier Olaf Scholz in Berlijn tijdens het afsluitende panelgesprek van de Digitaliserings-top van de Duitse regering uitleggen hoe het vordert met de digitalisering in Duitsland. Hij zit erbij met zijn typische Scholzse verfrommeldheid, die erop lijkt te wijzen dat hij zich wel genoeglijkere dingen kan voorstellen voor een dergelijke vrijdagnamiddag. Naast hem zit Kallas. Ze straalt. ‘Het is een grote eer voor mijn land dat ik hier vandaag ben. Als men ziet waar wij vandaan komen en waar we vandaag staan, dat we gelijkwaardig zijn aan Duitsland – dat betekent heel veel voor ons,’ zegt Kallas.

    Lichtend voorbeeld

    Ze is hier uitgenodigd als lichtend voorbeeld, als premier van E-Estonia, de digitale koploper van de EU. En ze vervult die rol glansrijk. ‘Wij hebben alles al eens uitgeprobeerd. U heeft het voordeel dat u van onze fouten kunt leren,’ stelt ze. Spontaan applaus uit de zaal. ‘Er is natuurlijk wel een verschil wanneer je dit doet voor een land met 84 miljoen burgers en wanneer je het doet voor een land dat zo groot is als het uwe,’ bromt Scholz. ‘Wij hebben sinds 2007 te maken gehad met het afweren van cyberaanvallen vanuit Rusland,’ zegt Kallas.

    Het beeld dat van dit panelgesprek blijft hangen is dat van een vrouw die in vlekkeloos Engels vertelt over behaalde successen, terwijl naast haar een man met de nodige tegenzin over de problemen van het federalisme spreekt.

    Een underdog moet altijd meer moeite doen. Kallas heeft dat zozeer geïnternaliseerd dat je haar, wanneer je haar langere tijd volgt, vaak kunt zien wachten. Ze wacht tijdens de Veiligheidsconferentie in München midden februari op de Franse president Emmanuel Macron, die vanwege zijn begrip van macht graag als laatste een kamer binnenkomt. Precies zo zit ze in het Estse dorp Varbola in haar eentje voor twintig lege stoelen te wachten, terwijl de gepensioneerden die haar hebben uitgenodigd nog aan de koffie zitten.

    GettyImages 1374879595
    Premier Kaja Kallas op een persconferentie met de toenmalige Britse premier Boris Johnson en Jens Stoltenberg, secretaris-generaal van de NAVO. – © Getty Images / Leon Neal

    Als Kallas tijdens het interview in haar kantoor in Tallinn over digitalisering spreekt, wordt duidelijk dat het er voor de Esten nooit alleen om ging hoe ze op soepele wijze uit het papieren tijdperk konden komen. De digitalisering is onderdeel van de overlevingsstrategie van het land, omdat ze Estland op de kaart zet. ‘Als mensen niet weten dat je bestaat, merken ze het ook niet als je verdwijnt,’ zegt Kallas. Dat is de les die de Esten hebben getrokken uit eenenvijftig jaar Sovjetbezetting. ‘Toen het IJzeren Gordijn werd neergelaten, hebben Frankrijk en Duitsland ons niet gemist. Maar wij, wij hebben jullie wel gemist. Wij hebben de vrijheid gemist.’

    Hoe pak je dat aan, niet nog eens vergeten te worden? ‘We moeten nuttig zijn, we moeten laten zien dat we nodig zijn.’ Kallas somt op hoe Estse troepen hebben deelgenomen aan de Franse militaire missie in Mali, hoe Estse reddingswerkers kort na de aardbeving in Turkije zijn komen helpen.

    Broche

    Kallas heeft voor dit interview een lichtgele jurk aangetrokken en draagt op haar borst een blauw-zwart-witte broche, de kleuren van Estland. Die is op de gele ondergrond niet te missen. Het veiligheidsbeleid van het land, dat een grens van zowat 300 kilometer met Rusland deelt, schrijft niet alleen een verhoging tot drie procent in het defensiebudget voor. Het schrijft ook voor dat de Esten actief moeten laten zien dat het land bestaat.

    Op een namiddag in februari, een uur rijden van de hoofdstad Tallinn, gaat Kallas op bezoek bij de vereniging van particuliere bosbezitters. Estland bestaat voor de helft uit bos. Wie niet kan meepraten over bodemkwaliteit en de behoeftes van berken, hoeft niet te proberen premier van Estland te worden.

    Superwoman

    De bosbezitters hebben dennentakken op het pad gelegd, zodat Kallas op haar weg van de auto naar het kampvuur en de worstjes niet uitglijdt over de bevroren grond. Een uur lang wordt er uitsluitend over bomen gesproken. Iets apart van het gezelschap staat Anniki Leppik, die administratief werk doet voor de bosbezitters.

    Ze draagt wandelschoenen en een parka. ‘Hoe Kallas de wereld afreist, dat is een beetje zoals Superwoman, ze komt echt overal,’ zegt Leppik. Hier in het bos gaan ze wel op een bijzondere manier om met superhelden. Aan het einde wordt er geen groepsfoto gemaakt, geen selfies met Kallas. In plaats daarvan geven ze haar een fles vers getapt berkensap cadeau.

    De ene vrede is de andere niet. Voor ons in Oost-Europa ging het stalinisme verder

    Onderweg in het bos is Kallas met haar chauffeur en assistent bij een snackbar gestopt. Gehaktballen en een koolsalade voor 7,80 euro. Aan andere tafels wordt kort opgekeken als de premier met haar dienblad voorbijloopt, dan wordt er weer verder gegeten. ‘Zo gaat dat in Estland,’ zegt Kallas. ‘We laten elkaar met rust.’ Een man wenkt haar. Kallas begroet hem bij naam. ‘Nu ja, en daarnaast is het een klein land en kennen we elkaar.’

    Voor Kallas geldt dat in het bijzonder. Haar vader, Siim Kallas, was een van de kopstukken in de Estse Onafhankelijkheidsbeweging en voorzitter van de Estse centrale bank. In 2002 werd hij premier. Vanaf 2004 was hij EU-commissaris voor Estland. De roddelpers berichtte over Kaja Kallas’ eerste huwelijk, omdat ze met begin twintig al tot de vooraanstaande personen van het land hoorde. Toen ze op haar drieëndertigste besloot de politiek in te gaan en een zetel in het Estse parlement bemachtigde, was het eerste commentaar van de pers dat ze niet hetzelfde voor elkaar zou kunnen krijgen als haar vader.

    Vaders faam

    Haar vaders faam bracht niet alleen met zich mee dat ze al vroeg in de schijnwerpers stond, maar ook dat haar jeugd in het teken stond van de politiek. Kallas herinnert zich hoe er op 20 augustus 1991 Sovjet-tanks naar Estland werden gestuurd nadat het land zich onafhankelijk had verklaard. Ze was veertien jaar oud en verbleef bij haar grootouders op het platteland; haar vader was in de hoofdstad. ‘Ik was ongelooflijk bang, ik dacht dat ik mijn vader nooit meer zou zien. Ik kende immers alle verhalen over wat de Russen doen met mensen die zich verzetten.’

    Dit moment haalt Kallas ook aan omdat ze wil benadrukken wat ze sinds Ruslands oorlog tegen Oekraïne als een mantra herhaalt: de ene vrede is de andere niet. ‘Toen de Tweede Wereldoorlog voorbij was, begon men in West-Europa aan de wederopbouw. Voor ons in Oost-Europa ging het stalinisme verder. De deportaties, de moorden, de onderdrukking, de schaarste.’ Ieder kind weet dat oorlog verschrikkelijk is, zegt Kallas. En aan degenen die eisen dat Oekraïne zo snel mogelijk een vredesakkoord met Rusland sluit, legt ze – telkens opnieuw – uit hoe het voelt wanneer het einde van de bombardementen niet hetzelfde betekent als het einde van het geweld.

    Op het eerste gezicht lijkt Kallas’ een sterke positie te hebben bemachtigd door als ooggetuige een zeer duister beeld van Rusland te schetsen, een beeld dat het Westen aanvankelijk niet serieus nam. Maar haar invloed is ook groot omdat ze over de toekomst spreekt. Over een toekomst die in Estland al werkelijkheid is en die, als het aan haar ligt, ook voor Oekraïne mogelijk moet worden.

    GettyImages 543858146
    Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Jeroen Dijsselbloem (l) in gesprek met een van de kopstukken in de Estse Onafhankelijkheidsbeweging en voorzitter van de Estse centrale bank, Siim Kallas. – © Getty Images / Thierry Tronnel

    Van 2014 tot 2018 was Kallas Europarlementariër. Ze werd in deze periode door de nieuwssite Politico als een van de invloedrijkste parlementariërs bestempeld. Zij was erbij toen de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne werd ondertekend. ‘Mijn vader heeft voor de Esten meegewerkt aan de toetredingsprocedure tot de Europese Unie. Een generatie later sta ik aan de kant van de EU en bereid de toetreding van de volgende staat voor,’ zegt ze. Voor Kallas is de Europese Unie een belofte dat er vooruitgang wordt geboekt.

    Op haar Instagramprofiel zie je Kallas zelden handen schudden. Ze omhelst. Bijvoorbeeld de voorzitter van het Europees parlement, Roberta Metsola, die ze een vriendin noemt. Of de voorzitter van de Europese Commissie von der Leyen, die ze in ons gesprek kortweg Ursula noemt. Toen Kallas in 2018 een boek over haar tijd als parlementariër schreef en benadrukte wie ze allemaal had leren kennen, maakte de Estse pers daar grappen over. Vandaag verkondigt de publieke omroep: ‘Estland profiteert enorm van Kallas’ internationale zichtbaarheid.’

    Netwerk

    Kallas gebruikt haar wijdvertakte netwerk om haar opvattingen op het gebied van de buitenlandse politiek naar voren te brengen. Ze eist dat Vladimir Poetin als oorlogsmisdadiger wordt vervolgd. Ze staat erop dat Oekraïne de oorlog moet winnen en dat alleen Oekraïne kan bepalen wanneer die overwinning behaald is. En ze doet er alles voor om de oorlog bij de media op de voorgrond te houden.

    Dat Estland meer dan zestigduizend vluchtelingen heeft opgenomen, wat percentueel meer is dan welk ander EU-land dan ook, laat ook zien hoe serieus zij is over solidariteit met Oekraïne. De Russische aanval op Oekraïne voelt voor Estland als een schampschot. Als de Russen Oekraïne aanvallen met de rechtvaardiging dat ze het land ‘bevrijden’, waarom zou die logica dan niet ook voor Estland gelden?

    Uitgerekend op 24 februari viert Estland ieder jaar zijn onafhankelijkheid. Dit jaar wordt tegelijkertijd met de viering ook de aanval op Oekraïne op dezelfde datum herdacht. De Estse onafhankelijkheid presenteert Kallas niet als iets vanzelfsprekends, maar als iets waar zijzelf voor heeft gevochten. Kallas was achttien en studeerde nog aan de rechtenfaculteit toen ze tegelijkertijd op een ministerie aan de slag ging. ‘Mensen die niet veel ouder waren dan ik, hebben destijds onze staat opnieuw uitgevonden.’

    Een partijgenoot zou haar eens hebben aangeraden zich mannelijker te gedragen, om succesvoller te zijn

    In 1992 werd historicus Mart Laar op 32-jarige leeftijd premier van Estland. ‘We moesten onze relatie met de staat volledig herzien,’ zegt Kallas. Ten tijde van de Sovjet-Unie was je een held als je iets van de bezetter wist te stelen. Tegenwoordig is Estland een van de minst corrupte lidstaten van de EU. Op haar verkiezingsposters, die in februari overal in Tallinn hingen, zie je in een bovenhoek het symbool van haar partij. Het is een eekhoorn die op het punt staat op te springen. Een eekhoorn? Kallas: ‘Het is een ijverig en altijd actief beestje, dat zich er goed op voorbereidt de winter door te komen.’

    Alleen wil en kan niet iedereen in Estland zich met het eekhoorntje identificeren. Hoezeer Kallas ook straalt in de buitenlandse politiek, in de binnenlandse politiek is haar positie minder stabiel. ‘De jaren waarin we de Esten telkens weer nieuwe successen zoals EU- of NAVO-toetreding konden voorschotelen, zijn voorbij,’ zegt politicoloog Tõnis Saarts van de Universiteit van Tallinn. Het zelfbeeld van het gestaag vorderingen boekende land vervaagt, en tegelijkertijd neemt het aantal mensen toe dat hard wordt getroffen door inflatie en stijgende energieprijzen. In Estland klinkt er geen sterk links geluid, en wie bang is voor achteruitgang, wendt zich tot de rechts-populistische partij EKRE. Kallas wordt door rechtse politici een ‘oorlogsprinses’ genoemd, haar defensiebeleid noemen ze ‘hysterisch’.

    Desalniettemin wil geen van de tegenstanders van Kallas iets wezenlijks veranderen aan de grondslagen van de nationale buitenlandse politiek. Niemand in Estland verlangt dat het land uit de NAVO stapt of toenadering zoekt tot Rusland. ‘EKRE is een partij die zich in de eerste plaats op mannen richt, omdat veel van hun kiezers het niet kunnen verkroppen dat Estland voor het eerst door een vrouw wordt geregeerd,’ zegt Saarts.

    Mannen

    Wie eens wil meemaken dat Kallas haar diplomatieke en vriendelijke manier van spreken laat varen, moet haar vragen naar mannen in de politiek. ‘Vrouwen moeten twee keer zo hard werken,’ zegt Kallas, ‘en dan nog wordt onze competentie voortdurend betwijfelt.’ Een partijgenoot zou haar eens hebben aangeraden zich mannelijker te gedragen, om succesvoller te zijn. Inmiddels heeft Kallas voor vragen over haar nadrukkelijk vrouwelijke optreden een standaardantwoord klaarliggen. Totdat ze werd gekozen als premier had ze geen enkele broek in huis. Nu heeft ze er alleen een paar gekocht omdat het gemakkelijker is als ze bij een bezoek aan de troepen op een tank moet klimmen.

    Als je met mensen praat die Kallas goed kennen, zeggen zij dat ze op haar sterkst is wanneer ze bij anderen weerstand voelt. Kallas zelf zegt over Estland hetzelfde als over haar grootouders: ‘Door onze geschiedenis weten we dat wij ook de moeilijkste tijden kunnen doorstaan.’ Om deze geschiedenis te begrijpen raadt zij aan het monument voor de slachtoffers van het Sovjetcommunisme te bezoeken, dat onder haar voorganger werd opgericht.

    Het gedenkteken staat aan de rand van Tallinn, pal aan de Oostzee. Je loopt via een lange gang omhoog, op de wanden staan de namen van mensen die zijn gedeporteerd of zijn omgebracht. 75.000 mensen, een vijfde van de Estse bevolking, werden tussen 1940 en 1941 door de communistische bezetters gedood, opgepakt of gedeporteerd. Men had het bij dat aantal kunnen laten. In plaats daarvan is in het monument een fruittuin aangeplant. Boven een halve cirkel appelbomen staat in grote letters een gedicht. Het gaat over hoe een onweersbui een bijenvolk overrompelt. Op de muur, om de tekst van het gedicht heen, zitten twaalfduizend bijen van metaal, elk zo groot als een hand. Het is windig en donker in deze avond in februari, in geen van de appelbomen zitten knoppen. Maar de bijen spreken van de hoop dat er een nieuwe lente komt.

    Lees ook:

  • Hoe Afrika het hoofd biedt aan de snelst groeiende verstedelijking ter wereld

    Hoe Afrika het hoofd biedt aan de snelst groeiende verstedelijking ter wereld

    Aan de westkust van Afrika, van Ivoorkust tot Nigeria, ontstaat een verstedelijkt gebied dat in 2050 zo’n 51 miljoen en in 2100 zelfs een half miljard inwoners zal tellen. Hoe gaat de regio om met deze gigantische bevolkingsgroei? ‘Afrika is ongetwijfeld het continent dat de toekomst van de verstedelijking zal bepalen.’

    Er wordt al lang gezegd dat niemand precies weet hoeveel inwoners de Nigeriaanse hoofdstad Lagos telt. Toen ik er tien jaar geleden een tijd verbleef, bedroeg het inwonertal volgens een voorzichtige schatting van de VN 11,5 miljoen mensen, maar andere schattingen liepen op tot 18 miljoen. Het enige waarover iedereen het eens was, was dat Lagos heel hard groeide. De stad telde al veertig keer zoveel inwoners als in 1960, bij de onafhankelijkheid van Nigeria. Een plaatselijke demograaf vertelde me dat er dagelijks vijfduizend mensen bij kwamen, meestal afkomstig van het Nigeriaanse platteland. En de stad is sindsdien alleen maar blijven groeien. De VN verwacht dat er in 2035 zo’n 24,5 miljoen mensen wonen.

    Wat er in Lagos gebeurt, zie je overal op het continent gebeuren. Afrika telt momenteel 1,4 miljard inwoners. Volgens deskundigen zoals Edward Paice, de schrijver van Youthquake: Why Africa’s Demography Should Matter to the World, zal dat halverwege deze eeuw bijna verdubbeld zijn. Eind deze eeuw zal de bevolking van Afrika, in 1950 goed voor nog geen tiende van de wereldbevolking, volgens ramingen van de VN een omvang bereiken van 3,9 miljard mensen, oftewel 40 procent van de mensheid.

    Sinds de achttiende eeuw wordt gedaan alsof Afrika buiten de geschiedenis staat

    Duizelingwekkende cijfers, maar ze vertellen niet het hele verhaal. Daarvoor moeten we nader inzoomen. Want deze verbluffende bevolkingsgroei zal vooral in de steden plaatsvinden. Als je dat eenmaal beseft, wordt nog duidelijker wat er op het spel staat. Westers commentaar op de Afrikaanse bevolkingsgroei is vaak alarmerend van toon en wat kortzichtig van aard, louter gericht op wat het betekent voor de migratie naar Europa. En de manier waarop de Afrikaanse landen omgaan met de snelste verstedelijking in de geschiedenis van de mensheid, zal ook zeker invloed hebben op de vraag hoeveel van die talloze miljoenen mensen in Afrika blijven of elders een heenkomen zoeken. Uit een recente peiling door een Zuid-Afrikaanse stichting bleek bijvoorbeeld dat 73 procent van de jonge Nigerianen graag binnen drie jaar het land uit zou willen. Maar gezien de schaal van dit hele verhaal zullen de gevolgen veel verder reiken dan alleen de omvang van migratiestromen: het wordt bepalend voor kwesties die uiteenlopen van de mondiale economische welvaart tot de toekomst van de Afrikaanse natiestaat en de kansen om de wereldwijde klimaatcrisis te beteugelen.

    Patina Gappah

    De Zimbabwaanse schrijver en advocaat Patina Gappah schreef onlangs een essay voor Financial Times onder de titel ‘We are daring to invent the future’, oftewel: ‘Wij durven het aan de toekomst uit te vinden’. De Afrikaanse toekomst welteverstaan, beschreven door een generatie Afrikaanse auteurs die de wereld een hedendaagse Afrikaanse blik op het continent bieden.

    Gappah leerde deze groep rond 2007 kennen, in de tijd dat ze als jurist in Genève werkte. Een drijvende kracht was de Keniaanse schrijver Binyavanga Wainaina (1971-2019). Andere schrijvers die ze noemt zijn onder meer Chimamanda Ngozi Adichie, Teju Cole, Molara Wood, Muthoni Garland en Yvonne Adhiambo Owuor. ‘We zijn jong, getalenteerd en Afrikaans, en we beloven de uitgeverswereld te dekoloniseren’, schrijft Gappah. ‘Onze missie is om de kijk op Afrika te veranderen.’ En, veelzeggend: ‘De Senegalese filmmaker Ousmane Sembène zei ooit over zijn films: “Afrika is mijn publiek, het Westen en de rest zijn mijn afzetmarkt.” Die spirit drijft ons.’

    Het succes van deze groep Afrikaanse schrijvers heeft een positieve invloed gehad op de uitgeverswereld en de literaire productie in Afrika. Maar er zijn nog bergen te verzetten. ‘Ik mis die begindagen van hectische e-mails, spontane ontmoetingen en hevige ruzies’, schrijft Gappah. ‘Ik mis de dromen die we hadden toen we nog jong en onbevreesd waren.’

    Er is met name één plek die als het epicentrum van deze stedelijke transformatie moet worden beschouwd: een deel van de Afrikaanse westkust dat zich vanaf Abidjan, de economische hoofdstad van Ivoorkust, over zo’n 1000 kilometer naar het oosten uitstrekt via Ghana, Togo en Benin tot helemaal in Lagos. Deskundigen beschouwen deze kuststrook sinds kort als de regio met de snelste verstedelijking ter wereld, een toekomstige ‘megalopool’: een groot gebied met meerdere dicht opeengepakte metropolen. Toen in de jaren vijftig het inwonertal van de zogeheten New York Metropolitan Area de tien miljoen overschreed, werd die agglomeratie de kern van een van de eerste verstedelijkte regio’s die als megalopool werden aangemerkt: een vrijwel aaneengesloten dichtbevolkt grootstedelijk gebied dat zich over 640 kilometer uitstrekt van Washington D.C. tot Boston. Andere regio’s kregen ook al snel dat etiket, zoals de strook van Tokio tot Osaka in Japan, later gevolgd door gigantische agglomeraties in India, China en Europa.

    Nieuwe steden

    Maar het gebied tussen Abidjan en Lagos staat nu op het punt om die allemaal verre te overtreffen. Over iets meer dan tien jaar zullen de grote steden daar samen veertig miljoen inwoners tellen. Dan wordt de bevolkingsomvang van Abidjan met 8,3 miljoen inwoners bijna net zo groot als die van het huidige New York. En het verhaal van de kleinere steden in de regio is al even spectaculair. Als die zelf niet uitgroeien tot grote agglomeraties, worden ze wel langzaam opgeslokt door de grotere steden eromheen, zoals Oyo in Nigeria, Takoradi in Ghana en Bingerville in Ivoorkust. Daarnaast ontstaan nieuwe steden op plaatsen die een generatie geleden praktisch uitgestorven waren. Met die plaatsen meegerekend zal de totale bevolking van deze kuststrook in 2035 naar verwachting de 51 miljoen aantikken, ongeveer net zoveel als van de agglomeratie in het noordoosten van de VS toen die voor het eerst een megalopool werd genoemd.

    Maar anders dan die Amerikaanse superregio, waarvan het inwonertal zijn hoogtepunt allang heeft bereikt, zal dit deel van West-Afrika steeds verder blijven groeien. In 2100 zal de kust tussen Abidjan en Lagos naar verwachting de grootste aaneengesloten dichtbevolkte stadsregio ter wereld zijn, met een inwonertal van rond een half miljard.

    ‘Ik heb in China en in India gewerkt, en tot voor kort ging de meeste aandacht voor verstedelijking daar ook naartoe, maar Afrika is ongetwijfeld het continent dat de toekomst van de verstedelijking zal bepalen. En in die strook aan de West-Afrikaanse kust zijn de grootste veranderingen op til,’ zegt Daniel Hoornweg, hoofddocent verstedelijking aan de Ontario Tech University. ‘Als dat gebied zich efficiënt kan ontwikkelen, wordt het meer dan de som der delen – en die delen zijn op zich al heel groot. Maar als de ontwikkeling slecht verloopt, wordt er een ongelooflijke hoeveelheid economisch potentieel verspeeld en kan daar in het slechtste geval de hel losbarsten.’

    De eerste keer dat ik langs deze kust reisde, was eind jaren zeventig, een lange tocht per auto naar Nigeria vanuit Ivoorkust, waar mijn familie toen woonde. Mijn vader, die voor de Wereldgezondheidsorganisatie leidinggaf aan een medisch opleidingsprogramma voor twintig landen, moest naar een bijeenkomst in Lagos en vroeg mijn broers en mij mee te reizen. Ik zat destijds in het eerste jaar van mijn studie in de VS, maar het was zomervakantie en ik had wel zin in een lange tocht met een rammelende oude grijze Land Rover. 

    Hij had de route vooraf uitgestippeld op een versleten Michelin-kaart. We merkten al snel dat veel van de wegen die op de kaart in rood stonden aangegeven (wat een nationale of internationale hoofdweg moest aanduiden) niet veel meer behelsden dan tweebaanswegen met asfalt dat soms al volledig vernield was door het zware vrachtverkeer of weggesleten door jaren van moessons. De secundaire en tertiaire wegen, op de kaart aangegeven met gele en witte lijntjes, stelden ons voor nog grotere uitdagingen: onverharde routes die soms meer weg hadden van een karrenspoor dan van een autoweg. Geradbraakt en onder het stof zaten we in die auto. Er waren hele stukken waar de omgeving zo uitgestorven was dat we zelf jerrycans met benzine moesten meenemen.

    Een jammerlijk gevolg van de koloniale geschiedenis van deze regio is dat de Britten en Fransen weliswaar wegen en spoorlijnen hebben aangelegd om landbouwproducten en delfstoffen vanuit het achterland van hun kolonie naar de moderne havens aan de kust te kunnen vervoeren (en ze van daaruit met veel winst naar het thuisland te verschepen), maar dat ze in hun felle onderlinge koloniale rivaliteit weinig deden om verbindingen aan te leggen tussen hun koloniën en die van het andere land. Toen ik in 1992 opnieuw een lange autorit langs deze kust maakte, was er aan weerszijden van de grens tussen Ivoorkust en Ghana een weg aangelegd om de grote lagune aan de kust te omzeilen, zodat de pittoreske maar riskante grensovertocht met de oude veerpont tot het verleden behoorde. Slechts weinig mensen konden zich toen ten volle voorstellen hoe ingrijpend deze kuststreek in de jaren daarna nog zou veranderen – al waren achteraf beschouwd sommige tekenen al duidelijk te zien.

    Go-slows

    In 1980 had Lagos nog steeds meer weg van een reeks middelgrote stadjes die door wegen en bruggen met elkaar waren verbonden. Maar begin jaren negentig was die agglomeratie al explosief gegroeid en danig vastgelopen. De stad stond bekend om de ergste verkeersopstoppingen ter wereld, door de bewoners go-slows genoemd. En ook Abidjan, de een-na-grootste stad in de regio, was inmiddels aan het veranderen. De buitenwijken breidden zich steeds verder uit, in de richting van de grens met Ghana in het oosten. Ook de andere nationale en economische hoofdsteden van deze regio, Accra in Ghana, Lomé in Togo en Cotonou in Benin, begonnen onstuimig te groeien.

    Maar tijdens recentere bezoeken aan de regio, in het vorige decennium, kreeg ik pas echt goed zicht op de stedelijke revolutie waardoor West-Afrika zo ingrijpend verandert. In Ivoorkust lag er inmiddels een echte snelweg van Abidjan naar de grens met Ghana. Oude koloniale hoofdsteden als Bingerville en het pittoreske maar al sinds lang ingedutte Grand-Bassam waren door Abidjan opgeslokt en in slaapsteden veranderd. Onderweg langs de Ghanese kust was het uitzicht niet meer te vergelijken met dat van het dunbevolkte landschap van enkele decennia terug. Bijna de hele rit was het één lange aaneenschakeling van grote en kleinere steden. Er waren hele stukken waar je de stad nooit echt uit reed.

    Zoals altijd in deze regio is het Lagos dat de meest dramatische veranderingen te zien geeft. Dat heeft inmiddels dikke stedelijke uitlopers naar het westen, naar de grens met Benin. Dat smalle Franstalige buurland met twaalf miljoen inwoners wordt op die manier niet zozeer een economische satelliet van Nigeria, als wel van Lagos zelf. (Als de deelstaat Lagos een onafhankelijk land was, zou het de op drie na grootste economie van Afrika zijn.)

    In het kielzog van de groei van Lagos stijgt aan de hele Afrikaanse westkust het tempo van de verstedelijking en begint zowel het verkeer van inwoners als de regionale handel de oude koloniale grenzen steeds meer te overschrijden. En dat verandert het leven van tientallen miljoenen mensen aan die kustcorridor op manieren waarmee niemand onder het oude koloniale bestuur noch in de zes decennia onafhankelijk bestuur daarna ook maar enige rekening lijkt te hebben gehouden.

    Begin 2022 reisde ik weer naar de westkust af. Ditmaal niet voor een lange reis, maar voor een aantal kortere autotochten door Ghana, Togo en Benin. Overal waar ik kwam, zag ik tekenen van de snelheid en de omvang van de historische veranderingen die daar nu plaatsvinden. In Ghana bezocht ik een stad waar ik al eerder was geweest, Takoradi, en de daarmee vergroeide spoorwegstad Sekondi. In 1980 telde deze dubbelstad in totaal 197.000 inwoners. Dit jaar overschreed het inwonertal een drempel die maar veertien Amerikaanse steden ooit hebben bereikt: die van een miljoen inwoners. Daarmee is het inwonertal in iets meer dan één generatie meer dan vervijfvoudigd.

    Toen ik op een ochtend in juli in Takoradi aankwam, werd daar net het islamitisch Offerfeest gevierd. De smalle straatjes van de binnenstad waren volgelopen met jonge leden van de moslimminderheid, allemaal gekleed in kleurrijk versierde gewaden. Toen dit stadscentrum meer dan een eeuw geleden werd gebouwd, was Takoradi de enige havenstad van Ghana. Dit was de haven waar in 1947 het schip arriveerde met de toen nog onbekende Kwame Nkrumah, die zijn land (als kolonie toen nog Britse Goudkust geheten) tien jaar later naar onafhankelijkheid zou voeren. De oude binnenstad leek met zijn veranda’s en dofgrijze en pastelkleurige gebouwen nog op een decor voor een kostuumfilm. Maar vlak buiten het centrum bevond zich een gigantische bouwplaats waar boven de stoffige straten een enorm viaduct verrees. Als dat eenmaal is voltooid, kunnen auto’s het oude, uit zijn voegen gegroeide centrum links laten liggen, onderweg naar de veel grotere moderne periferie waar de meeste mensen nu wonen.

    In 2050 zal van alle mensen onder de 18 zo’n 40 procent Afrikaan zijn

    Aan de westelijke rand van Takoradi keek ik rond in een nieuw winkelcentrum. Op de schappen van een drukke supermarkt zag ik Zuid-Afrikaanse wijn, Zwitserse bonbons, doosjes bosbessen van hetzelfde merk dat ik in New York altijd koop en – helemaal een veeg teken van het besteedbaar inkomen – dure blikken hondenvoer. Er zaten ook Portugese en Chinese restaurants, een schoonheidssalon, belwinkels en een winkel in bruidsjurken die goede zaken deed.

    Het is niet meteen duidelijk waar de inkomsten vandaan komen die de bedrijvigheid in zo’n winkelcentrum kunnen verklaren. Deels waarschijnlijk uit het werk in de nabije offshore-olie-industrie, deels uit een onlangs uitgebreide regionale haven en deels uit een combinatie van oude cacaoteelt en nieuwe banen in de ICT. En dat is tekenend voor het verschil tussen deze en oudere megaregio’s. Zoals uit het werk van Hegel en Hume blijkt, wordt in het Westen al minstens sinds de achttiende eeuw gedaan alsof Afrika buiten de geschiedenis staat – alsof het niet echt een actieve deelnemer is aan het heden, en nog minder relevant voor de toekomst. Dat beeld is altijd verkeerd geweest, maar wie er nog aan vasthoudt zou deze kustregio eens moeten bezoeken. In Lagos, Accra, Abidjan en zelfs in veel kleinere plaatsen als Takoradi vind je geglobaliseerde enclaves die sterk verbonden zijn met de rijke wereld pal naast uitgestrekte stukken stedelijke haveloosheid, wijken die enerzijds overlopen van hoopvolle ambitie en anderzijds vastzitten in hopeloze armoede.

    Op een andere ochtend reed ik van het hart van de Ghanese hoofdstad Accra naar de stad Kasoa, nog geen 50 kilometer verderop. Kasoa wordt soms wel de snelst groeiende agglomeratie van het continent genoemd. Toen ik in de jaren zeventig voor het eerst langs deze kust reisde, was het nog niet veel meer dan een rommelige verzameling kraampjes langs de weg. In 1984 telde Kasoa drieduizend inwoners. Krap tien jaar geleden waren het er bijna zeventigduizend. En inmiddels wonen er zo’n half miljoen mensen, evenveel als in Edinburgh of Tucson.

    In de breedte

    Het uitzicht vanaf een viaduct over Kasoa herinnert je eraan dat Afrikaanse steden zich altijd eerder in de breedte dan in de hoogte uitbreiden. Hoogbouw zie je er niet veel, zeker niet voor woningen. Van bovenaf gezien heeft Kasoa iets onafs en onbehouwens. De jonge stad strekt zich vanuit het kruispunt van hoofdwegen in alle richtingen uit, de straten staan vol files. Volgens veel deskundigen is dit een problematisch aspect van de verstedelijking in West-Afrika: dat die bijna volledig ongepland verloopt.

    In de drukke straten van Kasoa stikte het van de kraampjes en bedrijvige handel in van alles en nog wat. Langs de stoffige zijwegen van de hoofdweg wemelde het van de jongeren die zakjes koud water aanboden, achter auto’s aan renden om kaarten met beltegoed en goedkoop plastic speelgoed te verkopen en van onder parasols op straathoeken luidkeels de prijzen omriepen van luchtig zoet brood of bananenchips.

    Wat vooral opviel waren de vele schoolkinderen die je in uniform en met een rugzakje over straat zag lopen. In 2050 zal van alle mensen onder de 18 zo’n 40 procent Afrikaan zijn, en tegen het eind van de eeuw de helft. In de straten van Kasoa komen zulke cijfers tot leven. Overal zag je reclameborden voor kinderdagverblijven, kleuterscholen en ‘internationale scholen’. Het enige andere soort advertenties dat daarmee kon wedijveren was afkomstig van kerken, die schermen met beloften van succes in deze én de volgende wereld.

    De meeste mensen die je in steden als Kasoa op straat ziet, zijn relatieve nieuwkomers van het platteland die in gammele, uit betonblokken opgetrokken huisjes wonen. De 55-jarige Julius Ackatiah was hier sinds kort een bedrijfje begonnen na jaren in Italië te hebben gewoond, waar hij door het verkrijgen van een nieuwe nationaliteit in een rijk Europees land de Afrikaanse emigratiedroom had verwezenlijkt. Ik sprak hem aan toen ik hem naar buiten zag kijken bij de eenvoudige etalage van de winkel waar hij tweedehands spullen uit Italië verkoopt. 

    Waarom had hij voor Kasoa gekozen, vroeg ik? Accra is de laatste tijd te vol en te duur geworden, zei hij, en Kasoa zit in de lift. ‘Er zijn hier veel mensen, en die willen een huis inrichten en een nieuw leven opbouwen. Dat is goed voor de zaken.’ Op de trap van zijn winkel waar hij me te woord stond, was hij omringd door zijn koopwaar: goedkope plastic stoelen, tafels en bankstellen, computermonitoren en allerhande huishoudelijke apparatuur, van koelkasten en magnetrons tot strijkijzers.

    Algiers en Caïro zijn nog steeds de enige Afrikaanse steden waar forensen met de metro kunnen

    Een van de grootste uitdagingen voor de opkomende megaregio’s in Afrika is de zwakke verkeersinfrastructuur. In 2018 richtten meer dan veertig landen samen de Afrikaanse Continentale Vrijhandelszone op, een overeenkomst die volgens deskundigen kan leiden tot een groei van het Afrikaanse bbp met 450 miljard dollar in 2035, vooral dankzij een toename van de interne handel binnen Afrika. Er zijn sindsdien nog tien landen toegetreden, waaronder Nigeria, zodat de vrijhandelszone nu echt het hele continent bestrijkt. ‘In feite is dit buiten de Wereldhandelsorganisatie de grootste vrijhandelszone ter wereld,’ zegt Astrid Haas, een onafhankelijke Oegandese econoom uit Kampala. ‘Dit is bedoeld om in het hele continent Afrikaanse landen gemakkelijker met elkaar handel te laten drijven, om zowel tarifaire als non-tarifaire belemmeringen weg te nemen.’

    Maar om het volle potentieel hiervan te ontsluiten moet er intensiever worden samengewerkt tussen buurlanden, met name als het gaat om verbetering van de fysieke infrastructuur. Algiers en Caïro zijn nog steeds de enige Afrikaanse steden waar forensen met de metro kunnen. (In de afgelopen jaren hebben betrokken burgers wel tracés geopperd voor mogelijke metrolijnen in steden als Kigali [in Rwanda] en Port Harcourt [in Nigeria], maar dat zijn voorlopig alleen nog hoopvolle ideeën.) In Abidjan en Lagos worden bovengrondse lightrailtrajecten aangelegd, maar dat zijn kleinschalige projecten die alweer achterliggen op schema. En het gebrek aan goede wegen blijft deze regio parten spelen. Afgezien van de vierbaansweg tussen Accra en Kasoa bestaat de bijna 1000 kilometer lange kustroute praktisch geheel uit een tweebaansweg zonder markering; deze loopt door allerlei dorpen en stadjes waar je soms goed moet uitkijken voor roekeloze voetgangers en loslopende dieren.

    En dan heb je nog de geldbeluste politieagenten en militairen die automobilisten staande houden om ze af te persen onder het mom van verkeerscontroles of misdaadbestrijding. Afgelopen zomer werd ik aan de rand van Takoradi staande gehouden door een gezette politieagent die pinda’s stond te kauwen en alsof het de normaalste zaak van de wereld was aan me vroeg: ‘Wat heb je voor me meegebracht?’ Onderweg in West-Afrika kun je dagelijks zulke vragen verwachten, met of zonder glimlach gesteld. Op een reis door Ghana in de jaren negentig telde ik op de 550 kilometer van de noordelijke stad Bolgatanga naar de centraal gelegen stad Kumasi 72 wegversperringen. En bij grensovergangen is het van oudsher nog veel erger gesteld met die roofzucht.

    Maar er is wel enige reden voor optimisme. In mei 2022 maakte de Afrikaanse Ontwikkelingsbank bekend 15,6 miljard dollar te hebben verzameld voor de aanleg van een nieuwe snelweg langs de kust, van Lagos naar Abidjan. ‘Dat wordt zoiets als de weg tussen Baltimore en New York, een tolweg,’ zegt Lydie Ehouman, transporteconoom bij de bank. Zij vertelde dat de weg, die overal vier tot zes rijbanen moet tellen, in 2026 moet worden opgeleverd. ‘Het verkeer moet er goed kunnen doorstromen, met een chip in je kenteken zodat je niet bij tolpoortjes hoeft te stoppen. Het wordt een moderne snelweg.’ Volgens economen van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank kan de handel tussen de deelnemende landen door deze West African Highway met 36 procent groeien.

    Stimulans

    ‘Als mensen eenmaal vertrouwen hebben in de beschikbaarheid van snel en betrouwbaar vervoer, zul je ook andere drastische veranderingen zien,’ zegt Hoornweg, de onderzoeker van Ontario Tech University. ‘Langs de grote verkeersaders zullen de vastgoedprijzen scherp stijgen, en dat wordt een stimulans om meer in de hoogte te gaan bouwen, meer flats dus, in plaats van een steeds groter oppervlak te beslaan. De steden zullen ook veel efficiënter en milieuvriendelijker worden, en dat maakt hun ontwikkeling duurzamer.’

    Vanaf de grond is dat nu nog moeilijk voorstelbaar. In Lagos begint zich weliswaar een indrukwekkende verzameling moderne torenflats te vormen. En in het centrum van Accra is een schitterend nieuw project gepland aan het water, met luxe woontorens, kantoorgebouwen, chique winkelcentra en luxe hotels. Maar zulke projecten voorzien vooral in een behoefte van de mensen die al rijk zijn, niet van de miljoenen mensen in de regio die binnenkort dringend om huisvesting verlegen zitten. Vergelijk dat eens met China, waar elke grote stad wordt omringd door enorme clusters van hoge woontorens. Dit soort projecten lijkt dan ook niet zozeer een voorbode van de toekomst, maar een teken dat de bestuurders in de regio de lat veel te laag leggen bij het inspelen op de ingrijpende demografische en sociale veranderingen die eraan zitten te komen. En dat geldt misschien zelfs ook voor die snelweg langs de kust.

    ‘Het beste wat West-Afrika zou kunnen overkomen is dat iemand deze landen ervan overtuigt om serieus lering te trekken uit de ervaringen van Azië,’ zegt Alain Bertaud van het Marron Institute van de New York-universiteit. In zijn vorige functie als planoloog bij de Wereldbank adviseerde hij China over de ontwikkeling van een van de succesvolste megaregio’s ter wereld, in de Parelrivierdelta. ‘Dichtbevolktheid levert op zichzelf nog geen welvaart op,’ zegt hij. ‘Je hebt veel meer vervoerscapaciteit nodig, waaronder nieuwe spoorlijnen en nieuwe wegen om de kustweg te verbinden met het achterland en met kleine steden, waar de goedkopere grond ligt.’ Hij wijst erop dat daarvoor veel nieuwe, grensoverschrijdende infrastructuur moet worden aangelegd, wat nergens ter wereld gemakkelijk is. ‘In India zagen we dat het al moeilijk is om een corridor aan te leggen door verschillende deelstaten binnen hetzelfde land. In Afrika heb je nog veel betere coördinatie nodig.’

    De Oegandese econoom Haas onderschrijft dat. ‘Afrika heeft jaarlijks voor 20 tot 25 miljard dollar aan investeringen in infrastructuur nodig, plus nog eens elk jaar 20 miljard voor huisvesting. Het is moeilijk om een indruk te geven van de schaal. We hebben het over enorm oplopende aantallen, mensen moeten met klem tot actie worden aangespoord.’

    Tegen het einde van mijn reis reed ik in drie uur van Accra naar de grens met Togo. Toen we Accra uit reden, maakte de stad al snel plaats voor vele kilometers bedrijventerrein. Van daar helemaal tot aan de grens, bijna 200 kilometer lang, reed je door een typisch stadsrandenlandschap, met als opvallendste kenmerk de alom aanwezige scholen langs de weg waar je kinderen zag rondhangen of sporten.

    Zodra ik bij de grens uit mijn auto stapte, werd ik omringd door mensen die me wilden helpen een taxi te vinden, geld te wisselen of de controle van mijn visum en vaccinatiebewijzen te bespoedigen. Ik sloeg alle hulp af en was aangenaam verrast hoe vlot de formaliteiten aan beide zijden van de grens verliepen. Mijn eerste vraag aan de taxichauffeur aan de Togolese kant van de grens was hoever het nog was naar de hoofdstad Lomé. Hij lachte. ‘U bent al in Lomé,’ zei hij. ‘Met een kwartiertje bent u bij uw hotel.’

    De volgende dag, een zondag, reed ik een half uurtje naar een stadje verder oostwaarts met Royce Wells, een dertigjarige Amerikaanse ICT’er. Hij ging daar kijken hoe het stond met de bouw van zijn huisje aan het strand. Togo is een bijzonder smal land, ingeklemd tussen Ghana en Benin: van noord naar zuid bestrijkt het bijna 700 kilometer, maar de kustlijn is maar 50 kilometer breed. Het is dan ook een langgekoesterde droom van de lokale bovenlaag en buitenlandse investeerders om van dit land een soort tussenhandelsnatie te maken en daarmee te verdienen aan de arbitrage (kleine prijsverschillen) op grond van onder meer de sterke valutaschommelingen in Nigeria en Ghana en de verschillende gradaties van corruptie en politieke risico’s in de buurlanden.

    Hoewel Togo met regelmatige verkiezingen probeert de schijn van democratie op te houden, is de macht er al sinds 1963 in handen van één familie. Maar anders dan in Nigeria is de stroomvoorziening er stabiel, het internet snel en het dagelijks leven niet zo precair. Met het oog op zijn handelstoekomst heeft Togo een haven aangelegd met een veel grotere capaciteit dan het land nodig heeft, en daarnaast produceert het cement, staal en andere industriële en consumptiegoederen voor de grotere buurlanden. Wells ziet hier dan ook kansen en hoopt te kunnen verdienen aan de bouw van hotels. ‘Plaatsen waar ze leren de juiste fiscale prikkels en juridische waarborgen [voor investeerders] te ontwikkelen, kunnen geld verdienen aan de tekortkomingen van Lagos,’ zegt hij. 

    ‘We laten heel weinig achter voor de jeugd. Die hebben we in feite bestolen’

    Anderen betwijfelen of het ooit zover zal komen. Dat vergt immers uitgekiend beleid van de hoogste bestuurslagen. Volgens Bright Simons, een prominent politiek analist en ondernemer in Ghana, is de vijf landen omspannende megaregio ‘een van de meest braakliggende bestuurlijke landschappen ter wereld’. De regeringen zijn ‘ongelooflijk onstrategisch’, zegt hij. ‘Ik verbaas me altijd over het enthousiasme waarmee de elites hier liever een kamer van koophandel met Mexico opzetten, dus met een of ander ver land, dan met hun eigen buurlanden.’

    De behoeften van de groeiende West-Afrikaanse bevolking botsen hier op de hardnekkige realiteit van de natiestaat, en met name op de onderlinge verschillen in hun koloniale geschiedenis. Ivoorkust, Benin en Togo zijn voormalige Franse koloniën, Nigeria en Ghana waren door Groot-Brittannië gekoloniseerd. Met als blijvend gevolg verschillende officiële talen (Engels of Frans) en in de Franstalige landen ook een munteenheid die de sporen van de kolonisatie draagt, de CFA-franc, waarvan de waarde vroeger was gekoppeld aan de Franse franc en nu aan de euro. Maar de belangrijkste koloniale erfenis wordt misschien wel gevormd door de in zichzelf gekeerde bestuurlijke elites, die van oudsher nauwelijks oog hadden voor hun buurlanden, als gevolg van het koloniale verleden en het feit dat de Frans- en Engelstalige landen bijna om en om liggen. Zo tekende ik uit de mond van een Nigeriaan in Accra op: ‘Pas sinds ik geregeld in Ghana kom, besef ik ineens dat het niet ons buurland is. Eerst heb je nog Benin en dan Togo.’

    Het een-na-kleinste land

    Cotonou, de economische hoofdstad van Benin (vlak bij de bestuurlijke hoofdstad Porto-Novo), ligt maar 30 kilometer van Nigeria en nog geen 125 van Lagos. Toch lijkt men zich hier nauwelijks bewust van de aanwezigheid van die nabije kolos. Deze stad met zevenhonderduizend inwoners (in 2100 naar verwachting vijf miljoen) heeft een keurig aangeharkt klein regeringscentrum, compleet met een modernistisch presidentieel paleis met gevels van glas. Dat paleis is zo groot als Benin klein is: het is het een-na-kleinste land in de corridor. Met zijn laagbouw en drukke scooterverkeer waan je je in Cotonou vaak eerder in een provinciestadje of een dorp. Maar of Benin het nu leuk vindt of niet, het lijkt toch gedoemd om ooit te worden opgeslokt door het steeds sneller groeiende Lagos.

    Toen ik een oude kennis, een succesvol zakenman uit Benin, vroeg of de inwoners en de bestuurders van zijn land nauwe betrekkingen onderhielden met Nigeria, was het antwoord nee. ‘Vanuit ons Franse chauvinisme beroemt de elite zichzelf hier nog steeds op de gedachte dat dit het Quartier Latin van de regio is,’ zei hij. Een verwijzing naar de periode voor de onafhankelijkheid, toen Frankrijk van Benin het regionale centrum voor koloniaal onderwijs had gemaakt. ‘Onze leiders kunnen slecht vooruitkijken. Als je tegen de president zegt dat hij mooie schoenen aan heeft, is hij in de zevende hemel. Met Nigeria als buurland hadden we Engels hier al lang geleden als verplichte tweede taal op school moeten invoeren, maar niemand heeft daar ooit aan gedacht.’

    Zulk pessimisme, op basis van een schamper oordeel over de kwaliteit van het nationaal bestuur in West-Afrikaanse landen, is wijdverbreid. ‘Om die zwaar verstedelijkte toekomst leefbaar te maken hebben we tegelijkertijd een functionerende Ghanese staat, functionerende staten in Benin en Togo en een op zijn minst functionerende Nigeriaanse regering nodig,’ zegt E. Gyimah-Boadi, de zeventigjarige medeoprichter en voormalig hoofd van de denktank Ghana Center for Democratic Development. ‘Ergens wil ik graag geloven dat de jongeren van West-Afrika hun eigen redders kunnen zijn, en dat ze door het falen van mijn generatie niet per se zelf tot falen zijn gedoemd. De natiestaat is een enorme vloek geweest. Sommigen van ons zijn er wel bij gevaren, maar we laten heel weinig achter voor de jeugd. Die hebben we in feite bestolen.’

    Lees ook:

  • Yuval Noah Harari: ‘We kunnen van de Oekraïeners leren dat verandering mogelijk is’

    Yuval Noah Harari: ‘We kunnen van de Oekraïeners leren dat verandering mogelijk is’

    Volgens historicus en schrijver Yuval Noah Harari wordt in Oekraïne bepaald welke richting de geschiedenis van de mensheid uit zal gaan. De grootste politieke prestatie van de mensheid was het terugdringen van oorlog. Die ontwikkeling staat nu op het spel.

    Aan de crisis in Oekraïne ligt een fundamentele vraag ten grondslag over de aard van de geschiedenis en de aard van de mensheid: is verandering mogelijk? Kunnen mensen hun gedrag veranderen, of blijft de geschiedenis zich eindeloos herhalen en zijn mensen ten eeuwigen dage gedoemd tragedies uit het verleden telkens opnieuw op te voeren zonder dat er iets verandert behalve het decor?

    Eén stroming ontkent ten stelligste dat verandering mogelijk is. Ze betoogt dat de wereld een jungle is, dat de sterke aast op de zwakke en dat militaire kracht de enige manier is om te voorkomen dat het ene land het andere opslokt. Zo is het altijd geweest, en zo zal het altijd blijven. Mensen die niet in de wet van de jungle geloven houden zichzelf niet alleen voor de gek, ze zetten ook hun bestaan op het spel. Ze zullen niet lang overleven.

    Een andere stroming betoogt dat de zogenaamde wet van de jungle helemaal geen natuurwet is. Ze is door mensenhanden gemaakt, en mensen kunnen haar veranderen. Archeologische annalen wijzen uit dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt geloofd, het eerste duidelijke bewijs voor georganiseerde oorlogvoering pas van dertienduizend jaar geleden stamt. Ook daarna zijn er veel periodes geweest waarin ieder archeologisch bewijs voor een oorlog ontbreekt. Anders dan de zwaartekracht is oorlog geen fundamentele natuurkracht. De intensiteit en het bestaan ervan zijn afhankelijk van onderliggende technologische, economische en culturele factoren. Als deze factoren veranderen, verandert de oorlog mee.

    Het bewijs van zo’n verandering zien we overal om ons heen. De afgelopen generaties hebben kernwapens de oorlog tussen supermachten in een krankzinnige vorm van collectieve zelfmoord doen ontaarden die de machtigste landen op aarde ertoe dwingt conflicten op een minder gewelddadige manier op te lossen. Hoewel oorlogen tussen grote mogendheden, zoals de Tweede Punische Oorlog of de Tweede Wereldoorlog, een vooraanstaande plaats innemen in de geschiedenisboeken, is er de afgelopen zeven decennia geen rechtstreekse oorlog tussen supermachten geweest.

    Kenniseconomie

    In diezelfde periode is de wereldeconomie veranderd van een materiële economie in een kenniseconomie. Waar materiële bezittingen als goudmijnen, graanvelden en oliebronnen ooit de belangrijkste bronnen van rijkdom waren, is tegenwoordig kennis de belangrijkste bron. En waar je olievelden met geweld kunt veroveren, zal dat met kennis niet lukken. Gevolg is dat de gewapende strijd aan winstgevendheid heeft ingeboet.

    Ten slotte heeft er wereldwijd een culturele aardverschuiving plaatsgevonden. Veel elites in de geschiedenis, zoals Hunnenhoofdmannen, Vikingjarls en Romeinse patriciërs, hadden een positieve kijk op oorlog. Heersers van Sargon de Grote tot Benito Mussolini probeerden zichzelf onsterfelijk te maken door middel van veroveringen (en kunstenaars als Homerus en Shakespeare gingen daar maar al te graag in mee). Andere elites, zoals de christelijke kerk, zagen oorlog als een noodzakelijk kwaad.

    Maar de afgelopen generaties werd de wereld voor het eerst in de geschiedenis gedomineerd door elites die oorlog niet als een noodzakelijk kwaad beschouwden. Zelfs types als George W. Bush en Donald Trump, laat staan de Merkels en Arderns van deze wereld, zijn heel andere politici dan Attila de Hun of Alarik de Goot. Zij dromen als ze aan de macht komen gewoonlijk eerder over binnenlandse hervormingen dan over oorlog in het buitenland. In kringen van kunstenaars en denkers staan de meest toonaangevende vertegenwoordigers – van Pablo Picasso tot Stanley Kubrick – eerder bekend om het uitbeelden van de zinloze gruwelen van de oorlog dan om het verheerlijken van de architecten daarvan.

    Gevolg van al deze veranderingen is dat de meeste regeringen aanvalsoorlogen niet langer als een acceptabele manier beschouwen om hun belangen te behartigen en dat de meeste landen niet langer fantaseren over het veroveren en annexeren van hun buren. Het is gewoon niet waar dat alleen militaire macht kan voorkomen dat Brazilië Uruguay verovert of dat Spanje Marokko binnenvalt.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Parameters van de vrede

    Dat oorlog op zijn retour is blijkt uit talloze statistieken. Sinds 1945 gebeurt het relatief zelden dat internationale grenzen opnieuw worden getrokken door een buitenlandse invasie, en geen enkel internationaal erkend land is volledig van de kaart geveegd door een buitenlandse verovering. Aan andere soorten conflicten, zoals burgeroorlogen en opstanden, is geen gebrek geweest. Maar zelfs wanneer je alle soorten conflicten in beschouwing neemt, zijn er in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw minder slachtoffers gevallen door menselijk geweld dan door zelfmoord, auto-ongelukken en obesitas-gerelateerde aandoeningen. Buskruit is minder dodelijk geworden dan suiker.

    Geleerden kibbelen over de exacte cijfers, maar het is belangrijk om verder te kijken dan rekenmodellen. De afname van oorlog is zowel een psychologisch als een statistisch verschijnsel. Het belangrijkste kenmerk ervan is een grote verandering in de betekenis van het woord ‘vrede’. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis betekende vrede alleen maar ‘de tijdelijke afwezigheid van oorlog’. Toen mensen in 1913 zeiden dat er vrede was tussen Frankrijk en Duitsland, bedoelden ze dat er op dat moment geen rechtstreekse confrontatie was tussen het Franse en het Duitse leger, maar iedereen wist dat een oorlog elk moment zou kunnen uitbreken.

    De afgelopen decennia is de betekenis van het woord ‘vrede’ veranderd in ‘de onwaarschijnlijkheid van oorlog’. Voor veel landen is het bijna ondenkbaar geworden dat ze zouden worden binnengevallen en veroverd door buurlanden. Ik woon in het Midden-Oosten, dus ik weet heel goed dat er uitzonderingen zijn op deze regel. Maar het erkennen van de regel is minstens even belangrijk als het kunnen benoemen van de uitzonderingen.

    De ‘nieuwe vrede’ is geen statistische meevaller of hippieverzinsel. Ze komt het duidelijkst tot uiting in kille begrotingscijfers. De afgelopen decennia voelden veel regeringen op de wereld zich veilig genoeg om maar zo’n 6,5 procent van hun begroting aan defensie te besteden, terwijl er veel meer naar onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijk werk ging.

    Wij zijn geneigd dat als vanzelfsprekend te beschouwen, maar het is een verbazingwekkende noviteit in de geschiedenis van de mensheid. Duizenden jaren lang was het leger veruit de grootste post op de begroting van iedere vorst, khan, sultan en keizer. Aan onderwijs of medische zorg voor de massa werd nauwelijks een cent uitgegeven.

    Dat er minder oorlog werd gevoerd kwam doordat mensen betere keuzes maakten

    Dat er minder oorlog werd gevoerd kwam niet door een goddelijk wonder of een verandering in de natuurwetten. Het kwam doordat mensen betere keuzes maakten. Je kunt het met recht een van de grootste politieke en morele prestaties van de moderne beschaving noemen. Maar dat het een gevolg is van een menselijke keuze betekent helaas ook dat het omkeerbaar is.

    Technologie, economie en cultuur blijven veranderen. De opkomst van cyberwapens, AI-gestuurde economieën en nieuwe militaristische culturen zou een nieuw oorlogstijdperk kunnen inluiden, erger dan alles wat we tot dusver hebben meegemaakt. Om in vrede te leven moet bijna iedereen de juiste keuzes maken. Een slechte keuze door maar één partij kan daarentegen tot oorlog leiden.

    Daarom zou de Russische inval in Oekraïne iedereen op aarde zorgen moeten baren. Als het opnieuw doodnormaal wordt dat machtige landen hun zwakkere buren opslokken, dan zou dat van invloed zijn op het denken en doen van alle mensen op de wereld. Het eerste en duidelijkste gevolg van een terugkeer naar de wet van de jungle zou een sterke toename van de defensiebegrotingen zijn ten koste van alle andere begrotingen. Het geld dat naar leraren, verpleegkundigen en sociaal werkers zou moeten gaan zou in plaats daarvan aan tanks, raketten en cyberwapens worden besteed.

    Ook zou een terugkeer naar de jungle de wereldwijde samenwerking ondermijnen bij het tegengaan van bijvoorbeeld catastrofale klimaatverandering of het reguleren van ontwrichtende technologieën zoals kunstmatige intelligentie en genetische manipulatie. Het is niet eenvoudig om met landen samen te werken die van plan zijn je te elimineren. En naarmate klimaatverandering en de AI-wapenwedloop versnellen, zal de dreiging van een gewapend conflict alleen maar toenemen en zou een vicieuze cirkel die fataal kan zijn voor onze soort zich kunnen sluiten.

    De richting van de geschiedenis

    Wie gelooft dat historische verandering onmogelijk is, en dat de mensheid de jungle nooit heeft verlaten en dat ook nooit zal doen, rest alleen nog maar de rol van roofdier of prooi. Als ze voor die keus zouden komen te staan, zouden de meeste leiders liever de geschiedenis ingaan als alfaroofdieren en hun naam willen toevoegen aan de lugubere lijst van veroveraars die die arme leerlingen uit hun hoofd moeten leren voor hun geschiedenisexamens.

    Maar zou een verandering misschien mogelijk zijn? Zou de wet van de jungle een keus kunnen zijn in plaats van iets onontkoombaars? Zo ja, dan zou elke leider die ervoor koos een buurland te veroveren een speciale plek in de geschiedenis van de mensheid krijgen waarbij die van Timoer Lenk verbleekt. Hij zou de geschiedenis ingaan als iemand die onze grootste prestatie teniet heeft gedaan. Net toen we dachten dat we uit de jungle waren, sleurde hij ons er weer in.

    Ik weet niet wat er in Oekraïne zal gebeuren. Maar als historicus geloof ik dat verandering mogelijk is. Dat beschouw ik niet als naïviteit, maar als realisme. De enige constante in de menselijke geschiedenis is verandering. En dat kunnen we misschien leren van de Oekraïners. Vele generaties lang kende Oekraïne weinig anders dan tirannie en geweld. Ze kregen twee eeuwen tsaristische autocratie te verduren (die uiteindelijk bezweek tijdens de grote ommekeer van de Eerste Wereldoorlog). Een korte poging tot onafhankelijkheid werd in de kiem gesmoord door het Rode Leger dat de Russische heerschappij weer invoerde. Daarna werden de Oekraïners geteisterd door de gruwelijke door mensen veroorzaakte Holomodor (letterlijk vertaald de hongerpest), de stalinistische terreur, de nazibezetting en decennia ondraaglijke communistische dictatuur. Toen de Sovjet-Unie instortte, leek de geschiedenis te garanderen dat de Oekraïners opnieuw de weg van wrede tirannie zouden inslaan – ze waren immers niet anders gewend?

    Maar ze maakten een andere keus. Ondanks de geschiedenis, ondanks de schrijnende armoede en ondanks schijnbaar onoverkomelijke obstakels stichtten de Oekraïners een democratie. Anders dan in Rusland en Belarus werden in Oekraïne functionarissen herhaaldelijk vervangen door oppositiekandidaten. Toen ze in 2004 en 2014 opnieuw door autocratie werden bedreigd, kwamen de Oekraïners tot tweemaal toe in opstand om hun vrijheid te verdedigen. Hun democratie is iets nieuws. Net als de ‘nieuwe vrede’. Beide zijn kwetsbaar, en wellicht is ze geen lang leven beschoren. Toch zijn beide mogelijk, en kunnen ze diepgeworteld raken. Alles wat oud is, is ooit nieuw geweest. Het ligt er alleen maar aan waar mensen voor kiezen.

    Lees ook:

  • ‘Ze sloegen hem dood in de cel en sleepten hem als een beest naar buiten’

    ‘Ze sloegen hem dood in de cel en sleepten hem als een beest naar buiten’

    Sinds zijn aantreden voert president Nayib Bukele in El Salvador een nietsontziende oorlog tegen bendegeweld. Tienduizenden worden op beschuldiging van lidmaatschap van een bende opgesloten in de gevangenis. Twee ex-gevangenen vertellen over slechte omstandigheden en martelingen.

    Beiden zagen ze mensen sterven in hun cel, beiden werden ze gemarteld en beiden brachten maanden door in een overvolle gevangenis, met amper voedsel en zonder enige bijstand van een advocaat. Door El País verzamelde getuigenissen van twee mensen die gevangenzaten tijdens de noodtoestand – door president Nayib Bukele van El Salvador uitgeroepen in het kader van zijn oorlog tegen bendegeweld – komen overeen met meldingen van systematisch misbruik door nationale en internationale mensenrechtenorganisaties. Het gaat onder meer om sterfgevallen tijdens hechtenis, extreme overbezetting, marteling, willekeurige opsluiting – ook van minderjarigen – en het ontbreken van de mogelijkheid te communiceren met advocaten of familieleden.

    Manuel vertelt dat de gevangenis in zijn geval letterlijk duisternis betekende. ‘Vanaf het moment dat ik de gevangenis inging tot ik eruit kwam heb ik geen zonlicht gezien.’ Dat was van half april vorig jaar tot begin februari 2023. Manuel zat dus nagenoeg een jaar opgesloten in de Izalco-gevangenis, ongeveer twee uur ten westen van de hoofdstad. Hij zat met meer dan zeventig mensen in een cel die geschikt was voor twintig personen. Door het ruimtegebrek sliepen de gevangenen om beurten zittend, in shifts van twee of drie uur. Er was slechts één toilet. Normaal gesproken kregen de gevangenen één maaltijd per dag: ‘twee tortilla’s en een lepel bonen’.

    Onder zijn celgenoten was iemand met diabetes, ‘een man van tweeënzestig die een winkel had en veel huilde’. Hij mocht van de anderen de hele nacht zittend slapen terwijl de rest bleef staan. Maar op een dag werd hij niet meer wakker. Verschillende mensen probeerden hem te verplaatsen, maar hij was verstard. Toen de bewakers arriveerden, had hij geen hartslag meer. Manuel vertelt dat er slechts ‘twee of drie keer’ een dokter kwam om deze man de insuline-injecties te geven die volgens hem elke week door de familie werden gestuurd. Het gebrek aan medische hulp in de gevangenissen is een van de schendingen van grondrechten die door verschillende organisaties aan de kaak worden gesteld.

    Martelmethodes

    Een andere gevangene, vertelt Manuel, ‘een jongeman van eenentwintig jaar die Daniel heette’, stierf eveneens in zijn cel. ‘Hij was wanhopig en schreeuwde om medicijnen of klaagde over honger en pijn.’ De politie reageerde met geweld; schoppen of slaag met knuppels of met de kolf van hun geweren. ‘Op een dag sloegen ze hem zo hard en vaak dat hij stierf. Ze sleepten hem als een beest naar buiten.’

    Uit onderzoek van Human Rights Watch, dat toegang had tot een database van het ministerie van Justitie, blijkt dat alleen al tijdens de eerste vijf maanden van de noodtoestand, van maart tot augustus, ten minste tweeëndertig mensen werden geregistreerd als ‘overleden in gevangenschap’, zonder dat de omstandigheden zijn opgehelderd. De meesten van hen bevonden zich in de gevangenissen van Mariona en Izalco, waar ook Manuel gevangenzat. Een andere telling van de Salvadoraanse organisatie Cristosal, die loopt tot eind oktober, brengt het aantal doden op tachtig.

    Naast de afranselingen heeft Manuel het ook over een andere martelmethode. In de cel werden regelmatig waterslangen gebruikt en als de vloer nat was, werd een stroomstootwapen geactiveerd ‘zodat we allemaal een schok kregen’.

    Onder de gevangenen waren mensen met tatoeages van twee bendes, MS-13 en Barrio 18. ‘Ik sprak niet met ze omdat ik ze haat. Ik had het gevoel dat ik daar zat vanwege hen.’ Het was gebruikelijk om gezamenlijk te bidden. ‘Het geloof was onze steun.’ Manuel vertelt dat een van de gevangenen in het bijzonder, een evangelist, voor iedereen bad. ‘De grootste vijand die je hebt als je daarbinnen zit, is de somberte. Je voelt een immense leegte en je wilt gewoon dood.’

    Politieagenten hebben de mogelijkheid om vrijwel iedereen op te sluiten

    Manuel werd eind maart gearresteerd, een paar dagen na het begin van de noodtoestand die nu al een jaar duurt. Volgens hem ging het om een wraakactie van enkele politieagenten. Tijdens de pandemie hadden agenten zijn tienjarige zoon geslagen omdat hij geen persoonsbewijs bij zich had toen hij op straat tortilla’s verkocht. Manuel gaf de agenten aan en een rechter veroordeelde hen. Vervolgens verschenen tien agenten bij zijn huis met een arrestatiebevel. Diezelfde dag begonnen de mishandelingen, die duurden ‘tot ze zich begonnen te vervelen’. Hij had twee gebroken ribben. Maar Manuel, een administratief medewerker die tot aan zijn arrestatie op een kantoor werkte waar hij Excel-documenten invulde en fotokopieën maakte, is nog het meest gekwetst doordat hij door de pers werd voorgesteld als een bendelid dat zich schuldig zou hebben gemaakt aan afpersing, moord en lidmaatschap van een terroristische organisatie.

    De operatie van Bukele beoogt het geweld terug te dringen en de bendes te ontmantelen. Maar dit proces gaat niet alleen gepaard met beschuldigingen van mensenrechtenschendingen, maar ook met toenemende gebrek aan transparantie. Volgens een telling eind januari door de minister van Justitie en Veiligheid, Gustavo Villatoro, zijn bijna 63.000 mensen gearresteerd. Dat is geen willekeurig aantal; het komt overeen met het geschatte aantal bendeleden in dit land met slechts zes miljoen inwoners.

    Kritische politieagenten hebben bekendgemaakt dat ze sinds het begin van de noodtoestand quota opgelegd krijgen om het symbolische aantal arrestaties te bereiken waar de president voortdurend naar verwijst. Van het totale aantal gevangenen is volgens de president zelf 5 procent weer vrijgelaten. Mensenrechtenorganisaties in het land hekelen het feit dat van nauwelijks een derde van de gedetineerden bewezen is dat ze banden hebben met bendes. Bovendien worden strafbare feiten, zoals lidmaatschap van een ‘terroristische organisatie’, zo ruim en onnauwkeurig omschreven dat ze de mogelijkheid bieden om vrijwel iedereen op te sluiten.

    Hoopvol

    Dolores Almendares, die eveneens met El País sprak, werd op 6 mei vorig jaar door vijf politieagenten gearresteerd op beschuldiging van afpersing. ‘Ze vertelden me dat mijn kinderen “huur” ophaalden bij bedrijven en dat ik dat geld incasseerde,’ vertelt de gemeentelijke bode uit Cuscatancingo, een stad ten noorden van San Salvador. Ze kreeg een akte voorgelegd met daarin de beschuldigingen, maar weigerde te ondertekenen omdat ‘ze geen bewijs hadden’. Ze vroeg om een advocaat, maar ook zij kreeg geen enkele juridische bijstand gedurende de vijf maanden dat ze gevangenzat. Dolores, die lid is van een vakbond, vermoedt dat ze eigenlijk werd gearresteerd omdat ze verschillende stakingen voor betere werkkleding en hogere lonen organiseerde.

    Eenmaal op het politiebureau werd ze in de cel geplaatst met ‘meisjes van bedenkelijk allooi. Sommigen hadden MS op hun voorhoofd getatoeëerd’. Ze zegt dat ze niet bang was omdat ze ‘daar nooit bij hoorde’. Net als Manuel besloot ze niet met de andere gedetineerden te praten, want ‘stilte levert je wat op, terwijl je door te praten juist iets kunt verliezen’. Ze herinnert zich dat een politieman tijdens de eerste nacht tegen haar zei: ‘Nu zijn jullie het doelwit. Ik kan jullie nu neerschieten en zeggen dat jullie wilden ontsnappen.’

    Ze schat dat er meer dan achthonderd vrouwen opeengepakt sliepen op de betonnen vloer

    Tijdens haar eerste dag in de Ilopango-gevangenis, op een half uur van de hoofdstad, werd ze samen met andere gevangenen op een rij gezet. Ze werd uitgekleed, moest samen met twintig andere vrouwen in een ton op de binnenplaats baden en vervolgens moest ze door een scanner. Daarna werd ze in haar genitaliën gekeken ‘om te zien of ik drugs of iets dergelijks bij me droeg, denk ik’. Dolores bracht tweeëntwintig dagen door in een ruimte van 150 vierkante meter met een blikken dak en wanden van geperforeerd metaal. Ze schat dat er meer dan achthonderd vrouwen opeengepakt sliepen op de betonnen vloer, ieder met het hoofd tegen de voeten van een ander. Het toilet was een emmer en de douche een slang. Het eten bestond uit ‘gedroogde bonenpasta’.

    Een van de gevangenen, ‘een meisje genaamd Esmeralda’, had onder aan haar nek een tatoeage van het symbool voor oneindigheid. Dolores herinnert zich dat ‘Esmeralda moest overgeven van alles wat ze te eten kreeg. Ze leed ook aan diarree en is uiteindelijk aan uitdroging gestorven.’ Toen ze het bewustzijn verloor, moest ze door verschillende gevangenen worden gedragen ‘omdat ze zo zwaar was’. Vervolgens werd ze meegenomen door de politie en is ze nooit meer gezien. ‘Ze vertelden ons dat ze onderweg naar het ziekenhuis is overleden.’

    Mensenrechtenorganisaties hekelen het feit dat de autoriteiten de dood van gevangenen niet melden. Er zijn zelfs verhalen dat families de lichamen van hun gedetineerde familieleden in een massagraf aantroffen.

    Dolores bracht nog drie maanden door in de gevangenis van Apanteos, anderhalf uur buiten de hoofdstad. ‘Daar werden we iets beter behandeld. We mochten een uur naar buiten op de binnenplaats, ze gaven ons drie maaltijden en soms kwamen er priesters langs.’ Tijdens haar verblijf in de gevangenis waren er twee onlinehoorzittingen. Er waren geen getuigen of advocaten aanwezig.

    Half september werd ze vrijgelaten. Ze moet zich om de twee weken op het politiebureau melden. Haar proces staat gepland voor 8 december, maar haar advocaat vertelde haar iets wat haar voorzichtig enige hoop geeft: ‘Als de noodtoestand voor die tijd wordt beëindigd, zullen degenen die weg mochten uit de gevangenis, helemaal vrij zijn.’

    Lees ook:

  • Wat we van Seneca kunnen leren over het omgaan met tegenslag

    Wat we van Seneca kunnen leren over het omgaan met tegenslag

    Innerlijke harmonie, dat leidt tot een gelukkig leven, aldus de Romeinse filosoof Lucius Annaeus Seneca. Hij gaf al in het jaar 58 elf belangrijke adviezen die ons nog altijd een eind op weg kunnen helpen.

    ‘Alle mensen, broeder Gallio’, schreef de Romeinse filosoof en staatsman Lucius Annaeus Seneca rond het jaar 58 aan zijn broer, ‘willen graag gelukkig leven, maar ze slagen er maar niet in te ontdekken wat een leven gelukkig maakt.’ Het is heel goed mogelijk dat Seneca zijn uitspraak baseerde op eigen ervaringen. Hij was een geluksdeskundige en schreef zijn leven lang over het klassieke begrip eudaimonia, wat ruwweg wil zeggen ‘leven in overeenstemming met de natuur’ of, in moderne taal, ‘in innerlijke harmonie’. Toch was zijn leven allesbehalve harmonieus. 

    Na jarenlange ernstige gezondheidsperikelen werd Seneca onder keizer Claudius uit Rome verbannen. Hij zou terugkeren als privéleraar en later adviseur van keizer Nero; die had hem aanvankelijk heel hoog zitten, maar beschuldigde hem later (waarschijnlijk valselijk) van samenzwering, met als gevolg dat Seneca werd gedwongen zelfmoord te plegen. Zoals Ryan Holiday, de maker van de website Daily Stoic, me in een e-mail bezwoer: ‘Dat hij überhaupt ’s morgens zijn bed uit kon komen, laat staan glimlachen, was een zuiver staaltje menselijk uithoudingsvermogen.’ 

    Dit is allemaal zonder meer heftiger dan wat jij in je dagelijks leven te verduren hebt – je dacht zeker dat jij een slechte baas had? – maar misschien kun je je er wel iets bij voorstellen. Je wilt gelukkig en gezond zijn, maar de lastige omstandigheden knagen onophoudelijk aan je; ze leiden je af van het gebruikelijke denken en doen dat je zou kunnen helpen om vreugde te beleven, en om voor ogen te houden wat de zin van je leven is.

    Hij spoort je gewoon aan om je emotionele uitersten te beheersen, teneinde er niet door beheerst te worden

    Seneca schreef zijn essay ‘Over het gelukkige leven’ tijdens de genoemde moeilijke laatste jaren met Nero. Het handelt over wat nodig is om je gemoedsrust te bewaren wanneer je wordt geconfronteerd met persoonlijke chaos. Hij koos de vorm van een advies aan zijn broer, maar het was ongetwijfeld ook aan zichzelf gericht. Iedere alinea is een juweel, en het geheel is je aandacht en tijd volledig waard. Maar gelukkig voor ons was hij bovendien zo behulpzaam om elf belangrijke lessen uit te lichten waarvan hij geloofde dat je ze ter harte moet nemen om in harmonie te zijn. Ze zijn vandaag de dag nog even relevant als twee millennia geleden.

    Les 1: Ik zal de dood en een blijspel met dezelfde gelaatsuitdrukking aanschouwen.

    Seneca suggereert niet dat je moet lachen bij begrafenissen of huilen bij blijspelen, en ook zegt hij niet dat verdriet en lachen slecht zijn. Hij spoort je gewoon aan om je emotionele uitersten te beheersen, teneinde er niet door beheerst te worden. En het is een geweldig advies. In 2020 bestudeerden Franse onderzoekers het verband tussen een gelijkmatige gemoedsgesteldheid en diverse gevoels- en gedragsniveaus. Ze ontdekten dat bij gelijkmoedigheid negatieve elementen als gepieker, zwartgalligheid en neurotische instabiliteit minder heftig uitpakten.

    Les 2: Ik zal beproevingen, hoe groot ze ook mogen zijn, dulden door mijn lichamelijk vermogen te ondersteunen met mijn geestkracht.

    Een van de belangrijke lessen uit modern onderzoek is dat fysieke en geestelijke fitheid centraal staan in een gelukkig leven. Twee van de levenslange gewoonten van oudere mensen die zowel gelukkig als gezond zijn, zijn continu blijven leren en gezonde lichaamsbeweging. Gegoten in een simpele vuistregel: lees en wandel iedere dag – twee bezigheden die vandaag de dag even revolutionair zijn als ze in Seneca’s tijd waren. Of, als je echt efficiënt wilt zijn: wandel terwijl je naar een boek luistert!

    Deze les gaat verder dan ‘geld maakt niet gelukkig’

    Les 3: Ik zal rijkdom net zo hard verachten wanneer ik die bezit als wanneer ik die niet bezit. Bevindt hij zich elders, dan zal ik geen traan laten. Flonkert hij om mij heen, dan zal ik niet opgewekter zijn dan anders. Of het fortuin nu aanklopt of niet, ik sla er geen acht op.

    Deze les gaat verder dan ‘geld maakt niet gelukkig’. Seneca wil hier zeggen dat gehechtheid aan rijkdom tot ellende leidt. Wetenschappelijk onderzoek had hem niet overtuigender gelijk kunnen geven. In het tijdschrift Personality and Individual Differences lieten onderzoekers in 2017 zien dat materialisme je welzijn kan aantasten en tot depressie kan leiden. 

    Les 4: Ik zal al het land beschouwen als het mijne, en het mijne als toebehorend aan de hele mensheid. 

    Deze les bouwt voort op Les 3 en benadrukt dat ellende niet alleen een gevolg is van graaien, maar ook van al te zeer vasthouden aan wat je hebt. Dezelfde opvatting kom je tegen in veel godsdiensten en filosofische tradities. Ze is bijvoorbeeld verwant aan wat katholieken ‘solidariteit’ noemen: het idee dat we allemaal broeders en zusters zijn, dus dat (bijvoorbeeld) het feit dat ik eigendom bezit in wezen neerkomt op rentmeesterschap ten behoeve van het algemeen welzijn.

    Les 5: Ik zal zo leven dat ik in gedachten houd te zijn geboren voor anderen, en ik zal de natuur ervoor danken: hoe had ze immers beter voor me kunnen zijn? Ze heeft mij alleen aan allen gegeven, en allen aan mij alleen. 

    Oftewel: liefdadigheid is een geschenk voor de gever. Dienstbaarheid aan anderen is een van de makkelijkste manieren om gelukkiger te worden. Stapels onderzoek getuigen van het inzicht dat vrijwilligerswerk en liefdadigheid, dus geld uitgeven ten behoeve van anderen, en drastischer handelingen zoals bloed geven of een orgaan doneren, het welzijn stuk voor stuk verhogen.

    Deze les is een variant op het oude gezegde ‘Alles met mate’

    Les 6: Wat ik ook bezit, ik zal het niet hebzuchtig oppotten of roekeloos verspillen.

    Deze les is een variant op het oude gezegde ‘Alles met mate’, maar ze gaat verder dan de aanname dat matiging moreel superieur is: in Seneca’s ogen leidt ze ook tot innerlijke harmonie. Opnieuw lijkt de aanname door onderzoek te worden ondersteund. Je ziet haar duidelijk terug in aangelegenheden als eten en drinken, maar zelfs bij deugden loont matiging, in die zin dat bijvoorbeeld hard werken niet moet verworden tot werkverslaving. 

    Les 7: Ik zal in gedachten houden dat ik geen waarachtiger bezit heb dan wat ik heb weggegeven aan mensen die het verdienen. Ik zal geen voordeel halen uit de omvang of hoeveelheid, of uit iets anders dan de waarde die de ontvanger eraan toekent. 

    De gedachte hier is dat de echte waarde van wat ik doe niet zit in hoeveel het mij kost, maar in hoeveel het jou ten goede komt. Zo bestaat bijvoorbeeld de waarachtige waarde van je werk niet uit je salaris, maar eerder uit in hoeverre het anderen helpt. Van altruïsme kun je de huur niet betalen, maar als je deze les ter harte neemt, kan ze je leren je prioriteiten te verleggen en misschien zelfs leiden tot een betere baan.

    Les 8: Ik zal niets doen vanuit maatschappelijk prestige, maar alles in overeenstemming met mijn geweten. Telkens wanneer ik iets in alle eenzaamheid doe, zal ik het gevoel hebben dat de ogen van het Romeinse volk op mij gericht zijn.

    Deze les is tweeërlei: 1) weersta sociale vergelijking; 2) handel privé net zo als publiek. De eerste les is essentieel in de psychologische literatuur en verklaart waarschijnlijk in niet geringe mate waarom sociale media – waarin we onszelf constant vergelijken met vreemden en vrienden – het welzijn van veel mensen zo onder druk zetten. In de tweede les wordt benadrukt dat integriteit en consistentie leiden tot geluk, en dat hypocrisie leidt tot ongeluk. Onderzoekers hebben aangetoond dat het ‘zelfbeeld onoprecht te zijn’ afbreuk doet aan onze menselijke behoefte onszelf te zien als authentiek, consistent en coherent. 

    ‘Liefde draagt een bevrijdende kracht in zich,’ zei Martin Luther King

    Les 9: Ik zal aangenaam zijn jegens mijn vrienden, vriendelijk en mild jegens mijn vijanden: ik zal vergeving schenken voordat mij om vergiffenis wordt gevraagd, en zal de wensen van eerbare mensen tegemoet komen. 

    Deze oude les – ‘Heb uw vijanden lief’, zoals het in de Bijbel staat – ligt achter vele van de filosofieën waarin wordt getracht de neiging te doorbreken je vijanden te haten. ‘Liefde draagt een bevrijdende kracht in zich,’ zei Martin Luther King in 1957 in een preek. ‘En er is daar een kracht die mensen op den duur verandert.’ In mijn eigen onderzoek heb ik aangetoond dat een liefdevolle houding in weerwil van verschillen niet alleen praktisch is, maar ook een bron van immense vreugde kan zijn.

    Les 10: Ik zal in gedachten houden dat de wereld mijn geboortestad is, dat haar bestuurders de goden zijn, en dat zij boven mij en om mij heen staan en bekritiseren wat ik doe of zeg. 

    Dit advies gaat nog een stapje verder dan het tweede deel van Les 8: ik moet niet alleen handelen alsof anderen toekijken, ik moet handelen alsof God toekijkt. Onderdeel van een studie was een experiment waarbij gelovigen en niet-gelovigen ervoor konden kiezen geld te geven aan een vreemde of het voor zichzelf te houden. Wanneer ze vooraf waren gevraagd te denken aan God of een soortgelijk concept, bleken ze ruim tweemaal zo gul als wanneer er geen religieuze overwegingen in het spel waren. En wanneer er een seculier moreel aspect als ‘burgerzin’ of ‘juryrechtspraak’ wordt ingebracht, is het effect nagenoeg even groot. Denk ook aan wat we leerden van Les 5: zo’n afgedwongen gulheid komt niet alleen de mensen aan wie je geeft ten goede, maar ook jezelf.

    Les 11: Wanneer de natuur mijn adem terugvraagt, zal ik dit leven vaarwel zeggen en iedereen aanroepen als getuige dat ik mijn best heb gedaan er een goed geweten en goede bezigheden op na te houden; dat niemands vrijheid, die van mijzelf het minst, door mij in het gedrang is gekomen.

    Deze les spoort ons aan het goede van anderen voor ogen te houden als de manier om onze dood in vrede te accepteren. Een studie uit 2014 naar stervende kankerpatiënten wees inderdaad uit dat patiënten die vrede hadden met hun situatie ‘geconcentreerd [waren] op anderen. Zij zagen hun eigen ziekte als een kans om anderen iets te geven, of het nu was door vrienden te bemoedigen, door kleinkinderen iets over het leven te leren of door deel te nemen aan wetenschappelijke experimenten om toekomstige patiënten te helpen.’ Van Seneca zelf is bekend dat hij in volle gemoedsrust is gestorven. Weliswaar was hij gedwongen zijn eigen leven te beëindigen, maar hij voltrok zijn lot heel kalm, terwijl hij sprak over moed tijdens het leven en de dood. Rubens’ beroemde schilderij De dood van Seneca toont de filosoof rechtop stervend, waarmee hij gestalte geeft aan het Romeinse ideaal virtus: deugdzaamheid, moed en karakter. 

    Ze mogen dan verstandig klinken, maar Seneca’s lessen zijn niet altijd makkelijk na te leven

    Ze mogen dan verstandig klinken, maar Seneca’s lessen zijn niet altijd makkelijk na te leven. Ze zijn in strijd met veel van onze natuurlijke impulsen: om egoïstisch te handelen, om onszelf met anderen te vergelijken, om zo veel mogelijk te verwerven, om ten koste van alles in leven te blijven.

    Seneca begreep deze spanning ten volle. Hij was zo behulpzaam om ons naast zijn regels een geheime formule te bieden om voordeel te halen uit deze doelstellingen, zelfs als volledige belichaming onmogelijk is: probeer het. ‘Een genereuze geest meet zijn inspanningen niet af aan zijn eigen kracht, maar aan die van de menselijke natuur’, schreef hij, ‘teneinde verheven doelen te koesteren en plannen te beramen die te omvangrijk zijn om zelfs door hen die met het grootste intellect begiftigd zijn ten uitvoer te worden gebracht.’ Deze doelstellingen behelzen niet een oefening in nietigheid, maar eerder een in vallen en opstaan en vooruitgang. De enige manier om ware gemoedsrust te verwerven is het elke dag een beetje te proberen. 

    Lees ook:

  • De vermenging van nieuws en entertainment leidt tot een waarheidsvrije wereld

    De vermenging van nieuws en entertainment leidt tot een waarheidsvrije wereld

    Door de constante behoefte aan ontsnapping en vermaak is de grens tussen fictie en werkelijkheid vervaagd, op televisie, in de politiek en in ons dagelijks leven. ‘Het wordt stilaan moeilijk om de harde realiteit nog anders dan als entertainment tot je te nemen.’

    De trend begon op TikTok, zoals zo vaak. Klanten van Amazon die op hun videodeurbel een bezorger voor de deur zagen staan, vroegen die bezorger om een dansje te maken. Die pakketbezorgers, werkzaam bij ‘het meest klantgerichte bedrijf op aarde’ en dus sterk afhankelijk van de waardering van de klant, deden wat hen gevraagd werd. De klanten plaatsten de videobeelden op TikTok. ‘Ik zei doe eens een dansje voor de camera en hij deed het!’ luidde de tekst bij beelden van een anonieme werknemer die wat lusteloze pasjes uitvoert. Een andere klant schreef het verzoek met krijt op het pad naar de voordeur. Doe een dansje, stond er, met een smiley en het woord ‘smile’ erbij. Wat de bezorger braaf deed. Zijn huppeldansje kreeg meer dan 1,3 miljoen likes.

    Toen ik dat filmpje zag, reageerde ik zoals ik bij het nieuws tegenwoordig wel vaker reageer: ik keek vol ongeloof toe, dacht even na over het verschil tussen wat louter bizar en wat werkelijk dystopisch is, en ging weer over tot de orde van de dag. Maar ze lieten me niet los, die filmpjes die op internet waren gezet door klanten die zichzelf als regisseur beschouwen, met beelden van mensen die tijdens het uitvoeren van hun werk ineens in een heel andere rol worden geduwd.

    In het metaversum, zo luidt de belofte, kunnen we straks eindelijk doen wat in sciencefiction is voorspeld: in onze illusies leven

    Veel dystopieën hebben één kenmerk gemeen: dat entertainment de bewoners van die naargeestige werelden vaak geen vlucht uit de werkelijkheid biedt, maar ze er juist in gevangen houdt. In Orwells 1984 heb je het telescherm, een apparaat dat wel iets weg heeft van de videodeurbel: beeldscherm en camera in één. In Fahrenheit 451 van Ray Bradbury worden alle boeken door het totalitaire regime verbrand, maar wordt tv-kijken gestimuleerd. In Brave New World van Aldous Huxley gaan mensen naar de bioscoop voor ‘feelies’ (‘voelms’): films die ook de tastzin aanspreken, ‘veel echter dan de werkelijkheid’. In de sciencefictionroman Snow Crash beschreef Neal Stephenson in 1992 een vorm van virtueel entertainment waar mensen zo volledig in opgaan dat ze er praktisch in kunnen wonen. Hij doopte dat het Metaverse.

    ANP 457963431
    Het metaverse- paviljoen was voor het eerst te zien op een internationale expo in 2022 in Beijing. © Imagine China / Stringer / ANP

    Inmiddels is dat metaversum vanuit de sciencefiction overgesprongen naar ons dagelijks leven. Microsoft, Alibaba en ByteDance (het moederbedrijf van TikTok) hebben allemaal zwaar geïnvesteerd in virtual en augmented reality. Ze hebben ieder zo hun eigen aanpak, maar hun doel is hetzelfde: van entertainment iets maken waarvoor we niet kiezen, per kanaal, stream of feed, maar iets waar we in wonen. In het metaversum, zo luidt de belofte, kunnen we straks eindelijk doen wat in sciencefiction is voorspeld: in onze illusies leven.

    Eindeloosheid

    Er is geen bedrijf dat hier zwaarder op inzet dan dat van Mark Zuckerberg. In oktober 2021 doopte hij Facebook om tot Meta om in dit ideële landschap alvast zijn vlag te planten. Het nieuwe bedrijfslogo was het wiskundige symbool voor oneindigheid, een kronkel zonder begin of eind. Heel toepasselijk: het herdoopte bedrijf wil zijn gebruikers een soort eindeloosheid bieden. Waarom zou je genoegen nemen met gewone gebruikers als je er bewoners van kunt maken?

    Meta’s belofte van een virtuele werkelijkheid om helemaal in op te gaan lijkt nu nog net zo onbeholpen als de headset die je nodig hebt om dat grenzeloze entertainment te beleven. Maar de belofte is ook overbodig: Zuckerberg werpt zich op als grote vernieuwer, maar de virtuele omgeving die hij in de markt wil zetten, bestaat in feite al. Die Amazon-bezorgers die een dansje deden, waar bevonden die zich anders dan in het metaversum?

    De Finse strijd tegen nepnieuws

    Zijn we gedoemd om langzaam weg te zinken in het metaversum en er nooit meer uit te geraken, zoals de lotuseters in de Odyssee van Homeros?

    Niet als het aan de Finnen ligt. Wat betreft weerbaarheid tegen desinformatie stond Finland in oktober voor de vijfde keer op rij bovenaan de Media Literacy Index: een lijst van 41 Europese landen die sinds 2017 wordt samengesteld door Open Society Institute Sofia (OSIS). Het Finse succes is het resultaat van het gedegen gratis onderwijs – alom beschouwd als het beste ter wereld – en van daadwerkelijke inspanningen om studenten te onderwijzen over nepnieuws. Mediageletterdheid is er onderdeel van het curriculum vanaf de kleuterschool. De gedachte is: tieners van nu zijn opgegroeid met sociale media, maar dat betekent nog niet dat ze gemanipuleerde nieuwsartikelen of video’s van politici kunnen herkennen en zich ertegen kunnen wapenen.

    Uit een studie in het British Journal of Developmental Psychology blijkt dat juist adolescenten zeer gevoelig zouden zijn voor samenzweringstheorieën. Dat is een belangrijke reden waarom Finland focust op jongeren. Maar behalve onderwijsprogramma’s heeft de regering ook bibliotheken aangewezen als plek om volwassenen te onderwijzen over misleidende informatie online. Niet onverstandig, gezien het feit dat mediamanipulatie door buurstaat Rusland sinds de oorlog in Oekraïne nog weliger tiert dan voorheen.

    Romanschrijvers waarschuwden dat we ons in de toekomst helemaal aan ons entertainment zullen uitleveren. Dat zal ons zo afleiden en afstompen dat we alle gevoel voor realiteit verliezen. Het ontsnappen aan de alledaagse sleur zal zo’n alomvattende onderneming worden dat we dááraan niet meer kunnen ontsnappen. Het zal resulteren in een bevolking die niet meer nadenkt, zich niet meer in een ander kan verplaatsen, en zelfs niet meer weet hoe ze kan regeren en geregeerd kan worden.

    Die toekomst is al aangebroken. Of we het nou willen of niet, we leven al in het metaversum.

    Wetenschappers die waarschuwen dat de VS zich ontwikkelen tot een ‘post-truth’-samenleving, hebben het daarbij meestal over de kwalijke zaken die onze politiek verzieken: de desinformatie, de argwaan, de president die blijkbaar dacht dat hij de loop van een orkaan kon bepalen met een viltstift. Maar de opkomst van een waarheidsvrije wereld raakt ook de cultuur.

    In 1961 hield Newton Minow, die toen net door John Kennedy was aangesteld als hoofd van de Amerikaanse toezichthouder op de media, een toespraak voor tv-bonzen. En hij wond er geen doekjes om. De zenderbazen, zei hij, vulden de ether met ‘een optocht van spelshows, afgezaagde sitcoms over volstrekt ongeloofwaardige gezinnen, moord en doodslag, sensatie, geweld, sadisme, bloedvergieten, boeven en schurken in het Wilde Westen, privédetectives, gangsters, nog meer geweld en tekenfilms’. Onder hun handen veranderde het tv-landschap in ‘een onafzienbaar braakland’.

    Dat etiket bleef hangen. Zijn toespraak wordt meestal aangehaald vanwege zijn kritiek op de kwaliteit van de tv-programma’s, maar getuigde ook van een vooruitziende blik wat betreft de macht van het medium. Avond aan avond straalde de tv zijn illusies de huizen en hoofden van de mensen in. Dat vormde hun wereldbeeld terwijl het hen afleidde van de werkelijkheid.

    Toen Minow zijn toespraak hield, bestond het tv-landschap in Amerika nog maar uit drie zenders die nog geen 24 uur per dag uitzonden en stonden tv’s alleen in de woonkamer. Nu stikt het overal van de schermen. De entertainmentomgeving is zo onafzienbaar dat je jezelf erin kunt verliezen. Zodra we een serie hebben uitgekeken, krijgen we van de streamingdienst al suggesties voor andere die misschien bij ons in de smaak vallen. Als het algoritme klopt, gaan we bingen, kunnen we uren- of zelfs dagenlang opgaan in een fictieve wereld – zijn we niet alleen bankhangers, maar lotuseters.

    ‘Voelms’ 

    En ondertussen lonken op dezelfde apparaten de sociale media met hun eigen belofte van amusement zonder end. Instagram-gebruikers staren naar de levens van vrienden en beroemdheden en zetten ondertussen hun eigen geretoucheerde levensverhaal online voor andermans vermaak. De eindeloze talentenshow van TikTok is zo fascinerend dat binnen inlichtingendiensten wel gevreesd wordt dat die door China wordt gebruikt om Amerikanen te bespioneren en propaganda te verspreiden: ‘voelms’ als oorlogswapen. Zelfs op het minder door foto’s geobsedeerde Twitter betreden gebruikers een alternatieve werkelijkheid. In de woorden van New York Times-columnist Ross Douthat: ‘Het is een plek waar mensen gemeenschappen vormen en bondgenootschappen smeden, vriendschappen en seksuele betrekkingen aanknopen, schreeuwen en flirten, juichen en bidden.’ Het is ‘een plek die mensen niet alleen bezoeken, maar waar ze wonen’.

    ANP 462972928
    Tentoonstelling van metaverse- producten in Kunshan, in de provincie Jiangsu, Oost-China. – © Zhang Congyu / Imaginechina via AP Images / ANP

    Ik heb ook op die manier op Twitter gewoond – en op Instagram en Hulu en Netflix. Ik wil niets afdoen aan de waarde van het entertainment zelf – dat zou onzinnig zijn en in mijn geval ook enorm hypocriet. Maar ik wil wel wat vraagtekens zetten bij de greep die dit alomvattende entertainment begint te krijgen op mijn leven, en misschien ook op dat van u.

    Als je lang genoeg in die omgeving verblijft, wordt het stilaan moeilijk om de harde realiteit nog anders dan als entertainment tot je te nemen. We raken zo gewend aan die uitvergrote werkelijkheid dat de saaie oude échte versie van de wereld erbij begint te verbleken. Een app met weersvoorspellingen stuurde me laatst een pushbericht over ‘interessante stormen’. Ik wist niet dat mijn stormen ook al interessant moesten zijn. Of neem de e-mail die ik kreeg van TurboTax met de vrolijke boodschap: ‘We hebben de mooiste belastingmomenten van dit jaar verzameld en daarmee je eigen persoonlijke belastingverhaal samengesteld.’ De absurditeit van het amusementsdictaat ten top: dat zelfs mijn aangiftebiljet nu al vergezeld gaat van een trailer met hoogtepunten.

    Het lijken misschien maar banale, onschuldige voorbeelden. Bedrijven die het van gekkigheid niet meer weten. Maar elke nieuwe mogelijkheid tot vermaak versterkt ook onze zucht ernaar: de neiging om altijd maar op verstrooiing uit te zijn, koste wat kost te voorkomen dat we ons gaan vervelen, altijd voorrang te geven aan de gedramatiseerde versie van gebeurtenissen boven de feitelijke. Wie in het metaversum leeft, gaat verwachten dat het echte leven zich op dezelfde manier ontrolt als op ons beeldscherm. En wat hierbij op het spel staat, is niet niks. In het metaversum is het helemaal niet schokkend maar volkomen vanzelfsprekend dat iemand die vooral bekendstaat als Twitter-orakel en presentator van een spelshow gekozen wordt tot president.

    Er kan zich geen grote gebeurtenis voordoen of een productiemaatschappij maakt er wel pseudofictie van

    In de jaren sinds Minow de zenderbazen toesprak, is het tv-jargon doorgesijpeld in de manier waarop wij in Amerika praten over de wereld om ons heen. Als we vinden dat iemands ideeën nergens op slaan, zeggen we dat die de draad kwijt is (‘they lost the plot’). Paria’s worden ‘gecanceld’, alsof ze een tv-serie zijn die van de zender wordt gehaald. Vroeger schreven mensen hun levensomstandigheden toe aan de grillen van het lot of de wil van goden. Wij mopperen op de artistieke keuze van ‘de scenaristen’ en jammeren dat Amerika weleens aan zijn laatste seizoen bezig kan zijn. Dat is natuurlijk maar scherts, maar het is humor met een ongemakkelijk randje. Zulke uitdrukkingen lijken tekenen van een sluipend besef dat we werkelijk in ons entertainment zijn gaan wonen.

    In mei 2022 werden in Texas op de Robb Elementary School in Uvalde negentien kinderen en twee van hun leraren doodgeschoten. Quinta Brunson, bedenker en hoofdrolspeler van de sitcom Abbott Elementary, deelde op Twitter een dag later een van de vele berichten die ze naar aanleiding van die schietpartij had gekregen: een fan van de serie had haar gevraagd om een verhaallijn over een schietpartij op een school toe te voegen. ‘Mensen bij wie het niet opkomt om meer te eisen van de politici die ze hebben gekozen, maar in plaats daarvan om “entertainment” vragen’, schreef ze op Twitter. ‘Ik kan niet langer vragen “gaat alles wel goed met jullie”, want het antwoord is “nee”.’

    Haar ergernis was begrijpelijk. Toch kun je het moeilijk haar fans verwijten, die uit verdriet om een echte schietpartij troost zochten in een fictieve. Zij zijn inmiddels geconditioneerd om te verwachten dat alles in het nieuws onmiddellijk tot entertainment wordt verwerkt.

    Want er kan zich geen grote gebeurtenis voordoen of een productiemaatschappij maakt er wel pseudofictie van. In 2019 kwamen 346 mensen om toen twee vliegtuigen van het type Boeing 737 Max neerstortten. Begin 2020 kopte Variety al: ‘Serie over ramp met Boeing 737 Max in de maak’. In juli 2020 berichtte The Hollywood Reporter dat het volgende grote project van Adam McKay zou gaan ‘over een hyperactueel thema: de wedloop naar een coronavaccin’. In januari 2021 lukte het Reddit-gebruikers om met een gezamenlijke actie de aandelenkoers van de winkelketen GameStop op te drijven. Een week later kondigde MGM aan dat het de filmrechten had verworven op een boekvoorstel over dit verhaal – dus geen boek, maar een voorstel voor een boek. In het metaversum herhaalt de geschiedenis zichzelf, eerst als tragedie en daarna als wrange dramedy op HBO Max.

    Producenten jatten natuurlijk al verhaalideeën van de voorpagina’s van kranten zolang er voorpagina’s bestaan. Het verschil met vroeger is de snelheid en de schaal waarop het tegenwoordig plaatsvindt. Er zijn commerciële redenen voor die manische run op filmrechten. Het is over het algemeen makkelijker om goede ideeën uit de werkelijkheid te halen dan om iets nieuws te verzinnen. Maar de streamingdiensten zouden die series niet blijven maken als er geen mensen naar keken. En het kan verwarrend zijn om ernaar te kijken.

    ‘Dit verhaal is helemaal waar. Behalve de delen die volledig verzonnen zijn’

    Een goede illustratie van de gebruikelijke aanpak in dit nieuwe ‘vers van de pers’-genre is het terugkerende zinnetje aan het begin van elke aflevering van de Netflix-serie Inventing Anna uit 2022: ‘Dit verhaal is helemaal waar. Behalve de delen die volledig verzonnen zijn.’ Inventing Anna is het sterk gefictionaliseerde verhaal van Anna Sorokin (beter bekend onder haar valse naam Anna Delvey), een Russische vrouw die zich als Duitse erfgename voordeed om rijke New Yorkers in te palmen en hun geld af te troggelen. Het is een verhaal over het succes van leugens die zo brutaal waren dat ze ook iets zeggen over sommige vaak verbloemde waarheden: het wensdenken in de financiële wereld en Amerika’s eeuwige kwetsbaarheid voor doortrapte oplichters. 

    Het metaversum droeg altijd al de belofte in zich dat het ons naar werelden kan brengen die anders voor ons gesloten blijven

    Inventing Anna is gebaseerd op een reportage uit 2018 van Jessica Pressler in New York Magazine. Van dat artikel, meeslepend geschreven maar trouw aan de waarheid, wordt in de serie een eigen versie gemaakt. Inventing Anna is zowel flitsend als provocerend en scherpzinnig. Het speelt zich af in wat postmodernisten een hyperrealiteit noemen: in verzadigde kleuren, met een razend hoog verteltempo, soms meer videoclip dan drama. En waar de serie je vooral van wil overtuigen, is de gedachte dat een wankele verhouding tussen feit en fictie op zichzelf al leuk is om mee te spelen.

    Dat maakt deze serie representatief. Ook in WeCrashed, Super Pumped: The Battle for Uber, The Dropout en tal van andere series worden nieuwsverhalen omgekat tot mooi verpakt amusement. In Gaslit, Winning Time, A Friend of the Family, Pam & Tommy en American Crime Story gebeurt dat met waargebeurde verhalen uit een verleden dat zo kort geleden is dat je het nog niet echt geschiedenis kunt noemen. Het zijn vaak heel bewuste staaltjes ‘kwaliteits-tv’ en ze zijn vaak ook heel goed: slim script, mooie productie en goede acteurs.

    Voyeurisme 

    Die tv-series hebben ook iets aangenaam voyeuristisch dat zelfs de meest gedetailleerde en best geschreven journalistiek moeilijk kan evenaren. Het metaversum droeg altijd al de belofte in zich dat het ons naar werelden kan brengen die anders voor ons gesloten blijven. In een recent reclamespotje belandt één jonge vrouw via de Quest 2-headset van Meta midden in een kluwen footballspelers op het veld, en een andere in het pak van Iron Man. Een serie als The Crown biedt een vergelijkbare ervaring. Daar zitten we ineens bij de koninklijke familie in de slaapkamer. We zien ze ruziën. We zien ze huilen. Het is een biopic over mensen die nog leven.

    Dat voyeurisme kan natuurlijk alleen bestaan bij de gratie van het feit dat deze series niet gebonden zijn aan de regels van non-fictie. Zoals in zoveel series in dit genre gaat een ver doorgevoerd fotorealisme in The Crown gepaard met onbekommerde artistieke vrijheden. Enerzijds is er een tot op de naad nauwkeurige kopie te zien van het weinig verhullende zwarte jurkje, de ‘revenge dress’, waarmee Diana zich in het openbaar vertoonde nadat het overspel van prins Charles aan het licht was gekomen. Anderzijds bevat de serie dialogen, gebeurtenissen en zelfs complete personages die volledig verzonnen zijn. In 2020 kreeg Netflix van de Britse minister van Cultuur het verzoek een disclaimer bij het programma op te nemen dat het in wezen om fictie gaat. Netflix weigerde dat met het argument dat de kijkers dat ongetwijfeld al weten. Maar de directie zal toch ook wel beseffen dat de aantrekkingskracht van de serie er juist in schuilt dat de verzinsels worden opgedist met het aplomb van waargebeurde feiten.

    Afgelopen najaar zat ik met mijn partner naar een aflevering te kijken van Gaslit, over het leven van de door het Watergate-schandaal beroemd geworden Martha Mitchell. We waren onder het kijken allebei ook met onze telefoon in de weer, en op een gegeven moment beseften we dat we allebei hetzelfde aan het doen waren: op Wikipedia kijken of de scène die we net hadden gezien echt gebeurd was. Daar is die serie niet voor bedoeld. Als je naar een programma als Gaslit of The Crown kijkt, word je geacht te weten dat het verhaal wel in grote trekken waar is, maar niet tot in elk detail. Het is niet de bedoeling dat je je gaat afvragen waar het verschil zit tussen non-fictie en een ‘licht’ gefictionaliseerd verhaal. En al helemaal niet dat je op Wikipedia de serie die je op Starz ziet aan de historische feiten gaat toetsen. 

    Nu protesteert de tv-liefhebber in mij en zegt vergoelijkend: het is ook maar tv. Het is maar voor de lol. En dat is ook zo. Ik heb van Gaslit genoten. En toen Uma Thurman in Super Pumped als Arianna Huffington werd gecast en blijkbaar maar één regieaanwijzing kreeg (‘hoe theatraler, hoe beter’), kon ik mijn ogen niet van het scherm houden. Maar per saldo beginnen zulke series toch ons gevoel te ondermijnen voor wat echt waar is en wat erbij werd verzonnen, of juist weggelaten, om er een smeuïg verhaal van te maken.

    Neem het Theranos-schandaal. Journalisten deden nauwgezet verslag van het bedrijf van Elizabeth Holmes terwijl de gebeurtenissen zich ontvouwden, vooral in The Wall Street Journal, en de hele opkomst en ondergang van haar leugens werd door een verslaggever van die krant, John Carreyrou, meesterlijk beschreven in zijn boek Bad Blood. Maar al dat bedrog blijkt zo fascinerend te zijn dat het nu ook onderwerp is van een documentaire, van de true-crimepodcast The Dropout, van een miniserie op Hulu die ook The Dropout heet, en binnenkort van een op Carreyrous boek gebaseerde bioscoopfilm van Adam McKay die ook Bad Blood heet. Je kunt het de consument van al dit nieuws en entertainment niet kwalijk nemen als die niet meer precies weet waar ze haar kennis nu vandaan heeft – en of die kennis op feiten of slechts op fictie berust.

    En bizar genoeg is deze hele fictionalisering van het Theranos-debacle nu ook al een rol gaan spelen in de niet-fictieve verhaallijn. In de rechtszaak tegen voormalig Theranos-directeur Sunny Balwani moesten in maart 2022 twee juryleden worden vervangen omdat ze afleveringen van The Dropout hadden gezien, wat hun mening over de in de rechtszaak behandelde feiten kon beïnvloeden. 

    Nieuws en entertainment

    In de jaren negentig maakten mediacritici zich – terecht – zorgen dat het nieuws te veel entertainment werd, of het nu ging om de schreeuwpartijen in het praatprogramma Crossfire, de sensatiezucht van nieuwsprogramma’s als Dateline of de overspannen aandacht voor de berechting van O.J. Simpson. Toen kwam de opkomst van entertainment dat zich voordeed als nieuwsprogramma en daar voor veel kijkers ook mee samenviel: Jon Stewart, Stephen Colbert, Samantha Bee. De kritiek dat nieuwszenders zich blindstaren op kijkcijfers of dat te veel kijkers het journaal hebben verruild voor The Daily Show klinkt inmiddels achterhaald. Het onderscheid is praktisch verdwenen: het nieuws is entertainment geworden en entertainment is het nieuws geworden.

    ANP 453254515
    Bezoekers nemen deel aan een virtual reality (VR) game op de Thailand Metaverse Expo 2022 in Bangkok. – © EPA/Rungroj Yongrit / ANP

    In januari 2021 kondigde het Britse televisienetwerk Sky aan dat Kenneth Branagh de rol van Boris Johnson zou spelen in een miniserie over de pandemie. Toen Branagh in september 2022 de vraag kreeg of het niet onlogisch was, zo’n tv-serie over een historische crisis die nog niet voorbij was, ging hij daartegen in. ‘Volgens mij zijn dit bijzondere gebeurtenissen,’ zei hij, ‘en het behoort ook tot onze taak om daar aandacht aan te geven.’

    De pandemie die al meer dan tweehonderdduizend Britten het leven heeft gekost en de premier die zich stuntelend een weg door de catastrofe baande, hebben aan aandacht van de BBC en The Times bepaald geen gebrek gehad. Maar Branaghs opmerking was veelzeggend. De opkomst van deze hyperrealistische tv-series valt samen met de neergang van de instellingen die van oudsher verslag doen van de wereld zoals die is. De journalistiek moet machteloos toezien hoe deze semifictie nu terrein verovert. We zijn stilaan gewend geraakt aan de gedachte dat iets niet echt gebeurd is zolang er geen tv-serie of film over is gemaakt. We halen de schouders op als er groot nieuws is: we wachten wel op de miniserie. En we gaan er klakkeloos van uit dat de daarin gepresenteerde versie van de werkelijkheid waar is – behalve de delen die volledig verzonnen zijn.

    Waardenstelsel

    Halverwege de vorige eeuw voltrok zich volgens historicus Warren Susman een grote verandering. Het Amerikaanse normen- en waardenstelsel had tot die tijd altijd de nadruk gelegd op een verzameling eigenschappen die je kunt samenvatten onder de noemer ‘karakter’: eerlijkheid, vlijt en plichtsgevoel. Met de opkomst van de massamedia veranderde dat, schrijft Susman. In de mediabewuste en op consumptie gerichte maatschappij die Amerikanen toen opbouwden, werd steeds meer waarde gehecht aan – en kwam dus ook meer vraag naar – wat Susman ‘persoonlijkheid’ noemt: charme, innemendheid, het vermogen om mensen te vermaken. ‘De sociale rol die iedereen in de nieuwe persoonlijkheidscultuur geacht werd te spelen was die van de performer’, schrijft Susman. ‘Elke Amerikaan moest leren zichzelf te spelen.’

    Die behoefte is er nog steeds. Maar inmiddels gaat het niet meer alleen om charme in onderling contact, maar om het vermogen die charme op een groot publiek over te brengen. De sociale media hebben van ons allemaal echte podiumkunstenaars gemaakt. ‘De wereld is een schouwtoneel’ was ooit beeldspraak. Tegenwoordig is het een feitelijke beschrijving van het leven in het metaversum. Zoals journalist Neal Gabler al voorzag in zijn boek Life: The Movie is performen – als taal maar ook als norm – tot praktisch alle facetten van ons dagelijks leven doorgedrongen.

    Geen betere manier om klanten aan je te binden dan door ze te vertellen dat hun leven een film waard is

    H&M beloofde zijn klanten in een reclamecampagne onlangs dat ‘jij in elke dag de hoofdrol speelt’. Mijn partner boekte laatst een hotelkamer voor een weekendje weg. De e-mail waarin de boeking werd bevestigd bevatte de mededeling dat zijn verblijf hem zou helpen ‘je verhaal verder vorm te geven’. Mijn iPhone heeft inmiddels de gewoonte om door mij gemaakte foto’s en video’s samen te voegen tot kleine films. De software voegt er zelfs automatisch een soundtrack aan toe. En die filmpjes dienen zich spontaan aan. Laatst werd ik getrakteerd op een diapresentatie van foto’s die ik van mijn hond had genomen, met vioolmuziek die zo uit een geschiedenisdocumentaire leek te komen. De reden is natuurlijk puur commercieel. Geen betere manier om klanten aan je te binden dan door ze te vertellen dat hun leven een film waard is. Een leven zo rijk dat de filmrechten worden opgekocht: de nieuwe Amerikaanse droom.

    Of de nieuwe Amerikaanse nachtmerrie. Op Twitter is ‘hoofdpersoon’ al een aanduiding voor wie daar de pispaal van de dag is. De mensen die naar zo iemand uithalen, vaak in felle bewoordingen, reageren soms op echte maar soms ook alleen op vermeende misstappen van die persoon, die ze zelf niet kennen. Hoe dan ook geven ze blijk van wat de psycholoog John Suler het online-ontremmingseffect noemt: de neiging van mensen om in de digitale ruimte gedrag te vertonen waaraan ze zich offline nooit zouden bezondigen. Wellicht komt die ontremming voort uit de gedachte dat de digitale wereld anders is dan de ‘echte’, of uit een gevoel dat er bij online-uitwisselingen niet zo veel op het spel staat. Maar het resultaat is soms dat de mensen aan de andere kant van het scherm worden bejegend alsof het helemaal geen mensen zijn – alsof ze niet echt zijn.

    Op een dag in juli 2022 zat Lilly Simon in de New Yorkse metro toen iemand haar zonder dat ze het wist begon te filmen. Het apenpokkenvirus was in die tijd door de WHO net tot wereldwijd gevaar uitgeroepen en waarde rond in de stad. Simon heeft een genetische aandoening waardoor er tumoren groeien aan haar zenuwuiteinden, die soms zichtbaar zijn op haar huid. Ze zijn meestal goedaardig, maar kunnen pijnlijke complicaties opleveren. En ze zijn niet besmettelijk. De persoon die haar filmde wist dat allemaal niet. Die zoomde gewoon in op haar benen en armen, trok daar conclusies uit en plaatste de uitkomst van dat ‘onderzoek’ op TikTok. Toen Simon daarvan hoorde, plaatste ze zelf een filmpje met een reactie. ‘Ik laat jullie de jaren van therapie en behandelingen niet ongedaan maken die ik heb doorstaan om hiermee te leren leven,’ zei ze. Al snel ging haar filmpje viraal, werd het andere filmpje verwijderd en kon Simon The New York Times een interview geven over die hele ervaring.

    Min of meer een happy end dus, van wat toch een akelig verhaal is over hoe het leven in het metaversum eruit kan zien: iemand die nietsvermoedend op weg is naar haar werk wordt tegen haar zin tot hoofdpersoon gebombardeerd van een film waarvan ze niet eens wist dat ze erin zat. De dynamiek is doodsimpel en ontluisterend. De mensen op ons scherm zien eruit als personages, dus beginnen we ze ook als personage te bejegenen. En personages zijn uiteindelijk toch vervangbaar. Ze dienen slechts het verhaal. Zodra we ze niet meer nodig hebben, kunnen we ze eruit schrijven.

    De ontremming mag dan in de onlinewereld beginnen, maar blijft daar niet toe beperkt. De dystopische kanten van het metaversum hebben ook politieke implicaties, zij het niet precies op de manier die de profetische romanschrijvers uit de vorige eeuw voor ogen hadden. Zij stelden zich een bevolking voor die met oppervlakkig entertainment werd zoet gehouden. Ze hielden geen rekening met de mogelijkheid dat het telescherm mensen juist zou aanzetten tot politiek geweld.

    Mijn collega Tom Nichols heeft betoogd dat de deelnemers aan de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 in grote mate gedreven werden door verveling – en door het gevoel dat ze er recht op hadden de held te worden in hun eigen Amerikaanse Revolutie. Wie de gebeurtenissen die dag live op tv heeft gevolgd, moet zijn opgevallen hoeveel plezier de bestormers hadden in hun plundering. Ze poseerden voor (belastende) foto’s. Ze maakten livestreams van de vernielingen voor hun volgers. Ze speelden opstandje voor Insta. Een opvallend groot aantal oproerkraaiers ging gekleed als superheld. Sommigen hadden een campagnevlag van Trump om de hals gebonden, die als een cape achter ze aan fladderde terwijl ze plunderend door het gebouw trokken.

    Een van de redenen dat QAnon zo welig tiert is dat het goed past bij het metaversum

    Sommige oproerkraaiers hadden zich verkleed als helden uit een ander fictief universum: niet dat van Marvel of DC, maar QAnon. De oorsprong van die complottheorie is ingewikkeld en er zijn verschillende verklaringen voor de blijvende aantrekkingskracht ervan. Maar een van de redenen dat QAnon zo welig tiert is dat het zo goed past bij het metaversum. De QAnon-aanhangers hebben zich zo diep teruggetrokken in hun eigen bubbel dat ze in een universum van fictie leven. Ze geloven vooral in de anonieme serieproducent die de werkelijkheid schrijft, regisseert en produceert en af en toe een intrigerende hint laat vallen over wat er in de volgende aflevering te gebeuren staat. De held van deze serie is Donald Trump, de man die misschien wel als geen ander in onze geschiedenis een meester is in de kunst van manipulatie via televisie. De schurken in dit verhaal zijn de vertegenwoordigers van de ‘deep state’, duizenden pedofiele onmensen die het met elkaar gemunt hebben op de kinderen van Amerika.

    Ook de pogingen om de aanstichters van de bestorming ter verantwoording te roepen zijn ons als entertainment voorgeschoteld. ‘Hoorzittingen 6 januari kunnen realityblockbuster van de zomer worden’ luidde de kop van een opiniestuk bij CNN in mei 2022. De impliciete boodschap was dat de hoorzittingen een flop zouden zijn als ze niet genoeg kijkers trokken. ‘LOL niemand kijkt hiernaar’ zette een van de Republikeinse commissieleden tijdens de uitzending van de hoorzittingen op Twitter, om de indruk te wekken dat het zo’n kijkcijferflop was.

    Manipulatie van verkiezingen

    Dat de strijd tegen nepnieuws belangrijk is bewijst de ontmaskering half februari van ‘Jorge’.

    Dankzij samenwerking van dertig media, waaronder The Guardian, Le Monde, Der Spiegel en El País, werd ‘Jorge’ min of meer op heterdaad betrapt door een team van drie undercoverjournalisten die zeiden gebruik te willen maken van zijn diensten: de duistere kunst van politieke manipulatie. Gespecialiseerd in geheime politieke operaties, bereidde ‘Jorge’ vier weken voor de Nigeriaanse presidentsverkiezingen in 2015 een reis naar het Afrikaanse land voor. Op 17 januari dat jaar vroeg hij per mail om informatie aan Cambridge Analytica: het beruchte politieke adviesbureau dat meewerkte aan illegale manipulatie van de gegevens van miljoenen Facebook-gebruikers ten behoeve van de Trump-campagne in 2016.

    ‘Jorge’ werkte met Cambridge Analytica aan een geheim plan om Afrika’s grootste democratie te manipuleren en om de zittende Nigeriaanse president Goodluck Jonathan herkozen te krijgen. Dat mislukte, maar het lukte ‘Jorge’ aanvankelijk wel om door media-manipulatie de Nigeriaanse verkiezingen uitgesteld te krijgen. ‘Jorge’ werd door The Guardian en mediapartners ontmaskerd als Tal Hanan, een hacker- en desinformatiespecialist die opereert vanuit Israël. Hij noemt zijn groep ‘Team Jorge’ en beweert ‘namens klanten’ in het geheim te hebben gewerkt aan meer dan 33 verkiezingscampagnes op ‘presidentieel niveau’.

    Maar de hoorzittingen flopten niet. Integendeel, de eerste trok zo’n twintig miljoen kijkers – vergelijkbaar met die van een uitzending van Sunday Night Football. En dat kijkcijfersucces was deels te danken aan het feit dat de commissie er zulke boeiende tv van wist te maken. Er werden welbespraakte en in veel gevallen telegenieke getuigen opgeroepen. Uit de wanordelijke hoeveelheid informatie van elke dag werd steeds een begrijpelijke verhaallijn gedestilleerd. De hele productie was zo’n succes dat The New York Times de hoorzittingen op de lijst van de beste tv-programma’s van 2022 zette.

    De commissie begreep dat de mensen alleen interesse zouden hebben in de gebeurtenissen van 6 januari 2021 – interesse in de meest grootschalige poging tot een staatsgreep in de Amerikaanse geschiedenis – als het geweld en landverraad van die dag vertaald werden in die universele Amerikaanse taal: een goeie show.

    In september 2022 zette Ron DeSantis, gouverneur van Florida, een groep asielzoekers op het vliegtuig. Ze kregen te horen dat ze naar een plek werden gevlogen waar ze onderdak, financiële ondersteuning en werk zouden krijgen. In werkelijkheid vlogen de toestellen naar Martha’s Vineyard, het rijke vakantie-eiland boven New York, waar de verblufte migranten niets anders wachtte dan de al even verblufte lokale bewoners. Maar die bewoners gaven hun wel voedsel en onderdak. Asieladvocaten schoten te hulp. Journalisten bemachtigden de brochure die aan de asielzoekers was uitgedeeld en maakten bekend met welke valse beloften deze mensen hier als zetstuk waren gebruikt.

    Opgestookt door tv

    Het hele ‘stuur ze naar Martha’s Vineyard’-plan was opgestookt door de tv. Toen de Texaanse gouverneur Greg Abbott migranten begon af te voeren naar plekken waar ze naar zijn idee ten laste zouden komen van Democratische kiezers, werd ‘migranten verkassen’ een terugkerend gespreksthema op Fox News, met name in de ontbijtshow Fox & Friends. De presentatoren bleven maar grappen maken over de vervoermiddelen waarmee mensen naar Martha’s Vineyard gebracht konden worden. Die grap werd zo vaak herhaald dat, zoals je wel vaker ziet, de grap een plan werd en dat plan vervolgens werkelijkheid, zodat wanhopige en misleide asielzoekers als een Amazon Prime-pakketje werden verstuurd naar een eiland dat was uitgekozen omdat Barack Obama er zijn vakanties doorbrengt.

    En al resulteerde die hele show alleen maar in beelden van een plaatselijke bevolking die zijn best deed om mensen in nood te helpen, het leidde bij de producenten niet tot zelfkritiek, maar tot de aankondiging van nog meer theater. Senator Ted Cruz, wiens vader toevallig als vluchteling naar de VS was gekomen, kondigde aan dat een groep asielzoekers naar de plek zou worden gebracht waar Joe Biden zijn vakanties doorbrengt. (‘Volgende keer naar Rehoboth Beach, Delaware,’ zei hij.) Ook Abbott voerde weer migranten af uit Texas: ditmaal liet hij ze afzetten voor de woning van vicepresident Kamala Harris in Washington. En de commissie van Republikeinse senatoren deed er nog een schepje bovenop met het toevoegen van publieksparticipatie aan de show: in een e-mail om fondsen te werven werd kiezers gevraagd wat de volgende bestemming moest zijn waar Republikeinse gouverneurs migranten naartoe moesten ‘verkassen’.

    ‘Het doel van de propagandist’, schrijft Aldous Huxley, ‘is om een groep mensen te laten vergeten dat andere groepen mensen ook mensen zijn.’ Donald Trump had de neiging zijn tegenstanders collectief als ‘kwaadaardige, afschuwelijke’ mensen weg te zetten. De beeldspraak is er sindsdien alleen maar hallucinanter op geworden. In september 2022 hield het Congreslid Marjorie Taylor Greene een zaal vol jongeren voor dat haar Democratische collega’s ‘een soort schepsels van de nacht zijn, zoals heksen, vampiers en grafrovers’.

    Het lijkt misschien bespottelijk, maar het dient een doel. Dit taalgebruik is bedoeld om te ontmenselijken. En het heeft effect. Het Public Religion Research Institute publiceerde vorig jaar een onderzoek naar de invloed van QAnon op het denken van Amerikanen. Bijna twintigduizend geënquêteerden werd de vraag voorgelegd of ze het eens waren met de QAnon-gedachte dat ‘overheid, media en de financiële wereld in handen zijn van pedofiele Satan-aanbidders’. Zestien procent, bijna een zesde, antwoordde ja.

    In 1985 schetste cultuurcriticus Neil Postman in zijn boek Amusing Ourselves to Death een land dat zich verliest in entertainment. Wat Newton Minow in 1961 ‘een onafzienbaar braakland’ had genoemd, was in de Reagan-tijd volgens Postman uitgemond in wat hij ‘het totale afglijden in banaliteit’ noemde. Hij zag een publiek dat gezag verwart met beroemdheid en dat politici, geestelijk leiders en docenten niet beoordeelt op hun wijsheid, maar op hun vermogen om mensen te vermaken. Hij vreesde dat die grensvervaging zou voortduren. Hij was bang dat het onderscheid dat aan alle andere ten grondslag ligt, dat tussen feit en fictie, aan die vaagheid ten onder zou gaan.

    Eind 2022 onthulde The New York Times dat George Santos, die net door Long Island in het Huis van Afgevaardigden was gekozen, niet alleen zijn cv had verzonnen of aangedikt (een maar al te bekende politieke zonde), maar zijn complete levensverhaal. Hij had zich in feite als een fictief personage verkiesbaar gesteld, en gewonnen. De hele en halve leugens die hij had opgedist over zijn opleiding, zijn arbeidsverleden, zijn werk voor goede doelen en zelfs zijn geloofsovertuigingen, waren van een verbijsterende brutaliteit. En ze werden ook veelal afgedaan met een collectief schouderophalen. ‘Iedereen liegt zijn cv bij elkaar,’ zei een van zijn kiezers tegen de The New York Times. Een ander beweerde nog steeds achter hem te staan: ‘Mij heeft hij nooit voorgelogen,’ zei ze. Reacties die doen denken aan die voormalige Obama-kiezer die in 2016 in Politico uitlegde waarom hij van kamp was veranderd: ‘Trump is tenminste leuk om naar te kijken.’

    Daar wordt de grootste angst van Postman bewaarheid. En die van Hannah Arendt. Uit haar analyse van samenlevingen in de greep van totalitaire dictators (de maar al te reële dystopieën van halverwege vorige eeuw) maakte Arendt op dat de ideale onderdanen van zo’n regime niet de fervente aanhangers zijn die geloven in de goede zaak, maar juist de mensen die alles en niets geloven: mensen voor wie het onderscheid tussen feit en fictie niet meer bestaat.

    Een republiek heeft burgers nodig, entertainment alleen toeschouwers

    Een republiek heeft burgers nodig, entertainment alleen toeschouwers. In 2020 maakte een oud-ambtenaar van Volksgezondheid zich zorgen dat ‘de kijkers het na nog een seizoen wel gehad hebben met corona’. Die zorg bleek terecht: de Amerikanen hebben grote moeite met een pandemie die zich niet wil houden aan een keurige verhaalopbouw: een overzichtelijk plot met een climax waar iedereen gelouterd uit komt.

    Het leven in het metaversum brengt een schrijnende tegenstrijdigheid met zich mee. Nooit eerder konden we zo veel informatie over onszelf met zo veel anderen delen. En zoals uit het ene na het andere onderzoek blijkt: nooit hebben we ons méér alleen gevoeld. Op zijn best kan fictie ons vermogen vergroten om de wereld door andermans ogen te zien. Maar fictie kan ook vervlakkend werken. Denk bijvoorbeeld aan al die Amerikanen die in de donkerste dagen van de pandemie het dragen van een mondkapje maar bleven betitelen als ‘deugpronken’ – geen echte ziektebestrijdingsmaatregel, maar het uitdragen van een politiek standpunt. Of denk aan al die echt gebeurde drama’s – schietpartijen op scholen, gezinnen die door een hardvochtige overheid uit elkaar worden gehaald – die door commentatoren worden afgedaan als het werk van ‘acteurs’. In een normaal functionerende maatschappij staat de mededeling ‘ik ben een echt mens’ buiten kijf. In de onze moet je maar hopen dat iemand je gelooft.

    Onze weelde, onze last

    Dit kan weleens het punt zijn waar ons de draad van het verhaal uit handen glipt. Dit kan het sombere slot worden van America: The Limited Series. Maar misschien is het nog niet te laat om te doen waar de inwoners van de fictieve dystopieën niet in slaagden: opkijken van het scherm en elkaar en de wereld zien zoals die zijn. Ons door het entertainment laten meeslepen, maar niet opsluiten. 

    ‘Worden jullie niet vermaakt?’ brult Maximus, de held van de film Gladiator, tegen de Romeinse menigte voor wie zijn pijn hun vertier is. Misschien kunnen we zowel in de gevangengenomen strijder als in de toeschouwers iets van onszelf zien. We voelen zijn terechte woede. We herkennen het plezier dat zij beleven. Nooit eerder werden we zo met vermaak overladen als nu. Dat is onze weelde – en onze last.

  • Waarom een slank lichaam vrouwen een hoger salaris oplevert

    Waarom een slank lichaam vrouwen een hoger salaris oplevert

    Hoe hard feministen ook door de jaren heen hebben geroepen dat vrouwen zich van hun ijdelheid moesten bevrijden, gewicht en uiterlijk spelen voor velen nog altijd een belangrijke rol. Vrouwen die slank zijn, krijgen zelfs beter betaald.

    Mireille Guiliano is een succesvolle, slanke vrouw. Ze werd geboren in Frankrijk en studeerde in Parijs, waarna ze als tolk voor de Verenigde Naties ging werken. Vervolgens ging ze in de champagnebranche, en in 1984 trad ze in dienst bij Veuve Clicquot, dat toen nogal matig presteerde. Ze klom op in de rangen en lanceerde een dochteronderneming in de VS. Daarvan werd ze in 1991 directeur en ze leidde het bedrijf met groot succes. In haar appartement met uitzicht op Manhattan biedt ze een glas water aan. ‘Je weet hoeveel ik van water hou,’ zegt ze. Inderdaad, want veel water drinken is een hoofdregel in Waarom Franse vrouwen niet dik worden, Guiliano’s bestseller over afvallen en slank blijven ‘op Franse wijze’. 

    In het boek beschrijft ze hoe vreselijk ze het als tiener vond om zwaarder te worden toen ze een zomer in Amerika verbleef. Haar ongemak bereikte een dieptepunt toen ze weer terugkwam in Frankrijk en haar vader, in plaats van haar te omhelzen, zei dat ze eruitzag ‘als een zak aardappelen’. Ze ging op dieet, pikte haar oude Franse gewoonten weer op (veel water, afgemeten porties, regelmatig bewegen) en liet de weegschaal weer in haar voordeel doorslaan.

    GettyImages 182297968
    De Amerikaanse auteur en uitgever Helen Gurley Brown (1922-2012) en de Amerikaanse socialite Gloria Vanderbilt wonen een signeersessie bij op Madison Avenue in New York, 1996. Beiden adviseerden vrouwen om van 800 calorieën per dag te leven. – © Rose Hartman / Archive / Getty Images

    Als succesvolle vrouw die bereid is publiekelijk over haar uiterlijk en gewicht te praten, is Guiliano een zeldzaamheid. ‘Natuurlijk wil niemand het erover hebben,’ zegt ze. ‘Het is gemakkelijker om te doen alsof het vanzelf gaat.’ Opeenvolgende feministische golven vertelden verstandige vrouwen dat ze zich moesten bevrijden van ijdelheid, van de huishoudelijke slavernij en van een door voortplanting bepaald bestaan.

    Maar een vrouw die diep wordt geraakt door een opmerking over haar gewicht is geen uitzondering. Aubrey Gordon, medepresentator van Maintenance Phase, een podcast die hedendaagse problemen rond afvallen en welzijn aanpakt, kreeg al op haar tiende van een arts te horen dat ze overgewicht had. En Roxane Gay, een Amerikaanse auteur, beschrijft de schrik op het gezicht van haar ouders toen ze op dertienjarige leeftijd terugkwam van haar eerste semester op een kostschool en zo’n 14 kilo meer woog dan toen ze vertrok.

    Vandaag de dag is het perfecte lichaam de ‘weasel body’

    Het zijn persoonlijke maar ook universele ervaringen, althans in de rijke landen. Ze weerspiegelen de druk op vrouwen om op een ‘ideaal’ te lijken. Dat ideaal is in de loop der tijd veranderd. Naakten uit de Renaissance tonen bijvoorbeeld weelderige rondingen, maar de laatste decennia is slankheid het schoonheidsideaal. In de jaren tachtig gold in New York de ‘social x-ray’ – een term die Tom Wolfe introduceerde in zijn roman Het vreugdevuur der ijdelheden om vrouwen te beschrijven die zo dun waren dat ze haast tweedimensionaal leken. In Londen werd dat in de jaren negentig het ideaal van heroin chic.

    Als een wezel

    Vandaag de dag is het perfecte lichaam ‘weasel body’, zegt een vrouw uit Los Angeles, die om zich heen veel vrouwen ziet die fysieke perfectie nastreven. Ze proberen er zo gestroomlijnd en strak uit te zien als een wezel, alsof ze door het water kunnen glijden zonder een rimpeling te veroorzaken. Het streven naar zo’n lichaam laat misschien iets meer eten toe dan de diëten van vroeger, maar het is even moeilijk te bereiken.

    Alle vrouwen zijn zich uiteindelijk bewust van het belang dat aan hun lichaam wordt gehecht. Het is alsof meisjes nietsvermoedend door een bos lopen en dan de bomen te zien krijgen. Wellicht vragen ze zich af hoe die bomen daar gekomen zijn, hoelang ze er al groeien en hoe diep hun wortels werkelijk gaan. Maar ze kunnen er weinig aan doen en het is bijna onmogelijk om zich de wereld anders voor te stellen. Het fabeltje dat slimme en ambitieuze vrouwen, die hun waarde op de arbeidsmarkt kunnen bepalen op basis van hun intelligentie of opleiding, geen aandacht hoeven te besteden aan hun figuur is moeilijk vol te houden als je kijkt naar gegevens over de wisselwerking tussen gewicht en loon of inkomen. De relatie is anders in arme landen waar rijke mensen over het algemeen zwaarder zijn dan arme.

    In landen als de VS, Groot-Brittannië en Duitsland en rijke Aziatische landen als Zuid-Korea zijn rijke mensen dunner dan arme mensen. Kenmerkend is een licht dalende relatie tussen maatstaven voor gewicht zoals de bodymassindex (BMI) – een maat voor zwaarlijvigheid – of het deel van de bevolking dat zwaarlijvig is, en het inkomen, gemeten naar lonen, het aantal mensen onder de armoedegrens of het inkomenskwartiel.

    Venus von Willendorf 01 2
    De Venus van Willendorf, een iconische sculptuur van 25.000 jaar voor Christus, wordt meestal geïnterpreteerd als een vruchtbaarheidssymbool. Het beeld is te zien in het Natuurhistorisch Museum in Wenen. – © Wikipedia

    Dat arme mensen meer kans hebben op overgewicht wordt vaak verklaard met het argument dat zwaarlijvigheid in rijke landen een kenmerk is van armoede. Arme mensen zouden zich moeilijk gezond voedsel kunnen veroorloven. Ze grijpen misschien eerder naar bewerkt voedsel of fastfood, omdat ze geen tijd hebben om thuis te koken of minder tijd hebben om te sporten; slechter betaalde banen gaan immers vaak gepaard met lange diensten en met minder flexibiliteit dan de banen van de ‘laptopklasse’. Aangezien een laag inkomen vaak het gevolg is van een beperkte opleiding, kan het gebrek aan opleiding ook leiden tot gebrek aan kennis over een gezond gewicht.

    Het probleem met al deze verklaringen is dat de correlatie tussen inkomen en gewicht op landelijk niveau in de meer ontwikkelde landen bijna volledig voor rekening komt van vrouwen. Uitgedrukt in een grafiek toont het verband tussen inkomen en gewicht in de VS en Italië een horizontale lijn voor mannen en een dalende lijn voor vrouwen. 

    Zuid-Korea

    In Zuid-Korea is de correlatie positief voor mannen, maar deze wordt ruimschoots tenietgedaan door de sterk negatieve correlatie bij vrouwen. In Frankrijk loopt de lijn voor mannen licht naar beneden, maar voor vrouwen veel steiler. Dergelijke patronen, op welke manier ook gemeten, lijken te gelden voor de meeste rijke landen.

    Met andere woorden: rijke vrouwen zijn veel slanker dan arme vrouwen, maar rijke mannen zijn ongeveer even dik als arme mannen. Wallis Simpson, van wie het huwelijk met koning Edward VIII leidde tot diens troonsafstand, zou hebben gezegd dat een vrouw ‘nooit te rijk of te dun kan zijn’. Kennelijk moet ze allebei of geen van beide zijn.

    Je zult dan moeten uitleggen waarom die dynamiek alleen vrouwen lijkt te treffen

    Dat zou iedereen tot nadenken moeten stemmen die denkt dat armoede de verklaring is voor zwaarlijvigheid, of dat rijk zijn bevorderlijk is voor een lager gewicht. Je zult dan moeten uitleggen waarom die dynamiek alleen vrouwen lijkt te treffen. Misschien is het verband voor beide geslachten hetzelfde, maar verschillen de beroepen die ze uitoefenen en die slankheid vereisen of tot gevolg kunnen hebben. Mannen doen onevenredig veel laagbetaald fysiek werk, zoals in de bouw (hoewel verplegend personeel onevenredig vaak uit vrouwen bestaat, die evenveel tijd lopend of staand doorbrengen als bouwvakkers). Van sommige rijke vrouwen, zoals actrices, kan expliciet worden geëist dat zij slank zijn om bepaalde rollen te kunnen spelen.

    GettyImages 965573312
    De obsessie voor slankheid is nooit uit het modebeeld verdwenen.De terugkeer van de zogenaamde heroin chic-look, het graatmagere schoonheidsideaal van de jaren negentig, leverde felle reacties op in de bladen. Modeshow van Dior, tijdens de Prêt-à-Porter in 1997 in Parijs.© Getty Images

    Toch is het moeilijk te geloven dat een van deze wetmatigheden het complete verschil verklaart. Uit gegevens van het Amerikaanse Bureau of Labour Statistics (BLS) blijkt dat slechts 3,5 procent van de beroepsbevolking intensief lichamelijk werk doet (in sommige categorieën, zoals bewegingsonderwijs en dansen, werken veel vrouwen). Slechts 0,1 procent van deze mensen heeft een baan als acteur. Dat er een genderkloof bestaat in de relatie tussen inkomen en gewicht die niet gemakkelijk kan worden verklaard door andere verschillen tussen mannen en vrouwen, wijst op een andere verklaring: misschien helpt dun zijn vrouwen om rijk te worden.

    Minder loon

    Uit talloze studies blijkt dat vrouwen met overgewicht of obesitas minder betaald krijgen dan hun slankere collega’s, terwijl er weinig verschil bestaat in loon tussen mannen met overgewicht en mannen die medisch gezien binnen het ‘normale bereik’ vallen. Er zijn uitzonderingen: uit een Zweeds onderzoek bleek dat zwaarlijvige mannen minder betaald kregen, maar zwaarlijvige vrouwen niet. Maar uit onderzoek in de VS, Groot-Brittannië, Canada en Denemarken blijkt dat vrouwen met overgewicht minder verdienen. De straf voor een zwaarlijvige vrouw is aanzienlijk: het kost haar ongeveer 10 procent van haar inkomen.

    Uit onderzoek blijkt dat vrouwen met overgewicht 10 procent minder verdienen

    Dat kan zelfs nog een onderschatting van de werkelijkheid zijn, want de loonkloof is moeilijk te meten bij mensen die geen werk vinden vanwege hun omvang. De hoogste schattingen van hogere lonen voor slanke vrouwen zijn zo significant, dat het bijna evenveel loont om af te vallen als om bij te scholen. De loonpremie voor het behalen van een masterdiploma bedraagt ongeveer 18 procent. Dat is slechts 1,8 maal de premie die een zwaarlijvige vrouw in theorie verdient door zo’n 29 kilo af te vallen – ruwweg de hoeveelheid die een matig zwaarlijvige vrouw van gemiddelde lengte moet afvallen om in het medisch gedefinieerde ‘normale bereik’ te vallen. Die maatregel lijkt vooral significant te zijn voor witte vrouwen – het bewijs voor zwarte of Latijns-Amerikaanse vrouwen is zwakker (hoewel dat gedeeltelijk kan worden verklaard door het feit dat studies vaak gebruikmaken van de BMI, wat tot een verkeerde classificatie van deze vrouwen kan leiden).

    Discriminatie van zwaarlijvige vrouwen is niet afgenomen naarmate hun aantal toenam. ‘Je zou een afnemend loonverschil kunnen verwachten doordat er steeds meer mensen met overgewicht bij komen’, schreef econoom David Lempert in een paper voor het BLS, omdat overgewicht meer algemeen aanvaard is. In plaats daarvan is het stigma van mensen met overgewicht meegegroeid met hun aantal; het is tussen 1980 en 2000 bijna verdubbeld. Lempert suggereert dat dit kan komen doordat ‘de toenemende zeldzaamheid van slankheid heeft geleid tot een hogere premie voor slanke mensen’.

    De conclusie van het artikel stapelt de ene kwaad makende zin op de andere. Naarmate zwaardere vrouwen ouder worden, schrijft Lempert, ondervinden zij de gevolgen van jarenlange cumulatieve loondiscriminatie. Hun startloon is lager, en gedurende hun loopbaan krijgen deze vrouwen minder loonsverhoging en promotie. Uit het artikel blijkt ‘dat een drieënveertigjarige vrouw met overgewicht in 2004 een grotere loonstraf kreeg dan toen ze twintig was in 1981’, en ook dat ‘een twintigjarige vrouw met overgewicht nu een grotere loonstraf krijgt dan ze in 1981 op twintigjarige leeftijd zou hebben gekregen’.

    Deels kan dat een weerspiegeling zijn van de hogere kosten die werkgevers moeten betalen voor hun zwaarlijvige werknemers, vooral in Amerika. De premie voor een ziektekostenverzekering wordt in de VS vaak door de werkgever betaald, en iemand met overgewicht of obesitas heeft doorgaans hogere kosten, onder andere doordat er bij het ouder worden meer gezondheidsproblemen optreden. Toch is het onduidelijk waarom deze kosten alleen op vrouwen worden afgewenteld. En studies in Canada en Europa (waar door de overheid gefinancierde gezondheidszorg de norm is) tonen al even grote loonstraffen voor vrouwen.

    De houding tegenover zwaarlijvige personen is aanzienlijk negatiever geworden

    Het idee dat het bestraffen van zwaarlijvigheid toe- in plaats van afneemt wordt onderbouwd door de resultaten van een onderzoek van de Harvard-universiteit naar impliciete vooroordelen. Aan de testpersonen wordt gevraagd mensen van verschillend ras, geslacht, seksuele geaardheid of gewicht te associëren met woorden als ‘goed’ of ‘slecht’. In het algemeen gaan de uitkomsten de positieve kant op: discriminatie op grond van ras en geslacht is de afgelopen tien jaar afgenomen. Negatieve associaties met homo’s zijn met eenderde gedaald. Gewicht is de uitzondering: de houding tegenover zwaarlijvige personen is aanzienlijk negatiever geworden.

    GettyImages 515463142
    Wallis Simpson, van wie het huwelijk met koning Edward VIII leidde tot diens troonsafstand, zou hebben gezegd dat een vrouw ‘nooit te rijk of te dun kan zijn’.  © Bettmann via Getty Images

    In deze context lijken de argumenten die vaak worden gebruikt om te verklaren waarom vrouwen en meisjes zo veel druk voelen om slank te zijn, en een laag zelfbeeld hebben als zij dat niet zijn, jammerlijk onvolledig. Misschien voelen vrouwen zich inderdaad slecht over zichzelf omdat ze zich vergelijken met die slanke hinde op de omslag van een tijdschrift en laten ze zich wijsmaken dat die foto’s onbewerkt en haalbaar zijn. Misschien heeft een arts of een van hun ouders toen ze klein waren een opmerking gemaakt over hun gewicht. Maar naast deze druk is er ook die krachtige prikkel van de markt: vrouwen zien haarscherp in dat niet afvallen of slank worden hun letterlijk geld kost.

    Rendement

    Het is voor iedereen logisch dat tijd steken in een opleiding economisch rendement oplevert. Op dezelfde manier lijkt het voor vrouwen logisch om te streven naar een slank lichaam. Obsessief bezig zijn met wat en hoeveel je moet eten, dure fitnesslessen: het zijn investeringen die rendement opleveren. Voor mannen geldt dat niet.

    Vrouwen zijn zich tot op zekere hoogte hiervan bewust. Een generatie geleden leek het voor hen nog vanzelfsprekend. ‘Het belangrijkste waar je na – of tijdens – je werk mee bezig moet zijn, is je uiterlijk en je uitstraling. Het is ondenkbaar dat een vrouw die “alles wil” dik zou willen zijn, of zelfs mollig’, schreef Helen Gurley-Brown, redacteur van Cosmopolitan in de jaren tachtig en negentig, in haar boek Having It All – alvorens allerhande advies te geven over hoe je overleeft op 800 calorieën per dag en vrouwen aan te moedigen dagelijks op de weegschaal te gaan staan en te accepteren dat ‘diëten een hel is’ en ‘op te houden daar depressief van te worden’.

    Bodypositivity

    Zo’n benadering werd vier decennia geleden misschien makkelijker geslikt, maar de economische realiteit is niet heel erg veranderd. Het enige andere is het leidende narratief, dat nu bodypositivity omarmt en diëten schuwt. In plaats van het South Beach- of het Atkins-dieet gaan vrouwen nu bepaalde voedingsmiddelen mijden: ze eten glutenvrij, veganistisch of suikerarm, onder het mom van gezondheid of welzijn, om hun darmflora te verbeteren of om hun energieniveau te verhogen. Mensen geven veel geld uit aan SoulCycle-lessen, om sterk en fit te worden, maar niet om calorieën te verbranden. ‘Zelfs vrouwenglossy’s zijn nu sceptisch over de van bovenaf opgelegde verhalen over hoe we eruit moeten zien… maar de psychologische parasiet van de ideale vrouw heeft zich zo geëvolueerd dat ze nu ook overleeft in een ecosysteem dat zich zogenaamd tegen haar verzet’, schrijft Jia Tolentino in haar boek Spiegeldoolhof. Het feminisme ‘heeft de tirannie van de ideale vrouw niet uitgeroeid, maar haar stevig verankerd en juist weerbarstiger gemaakt.’

    Omdat zwaarlijvigheid een verhoogd gezondheidsrisico met zich meebrengt, zullen sommigen beweren dat het geen probleem is dat vrouwen worden gestimuleerd om af te vallen. Maar dit berust op twee wankele pijlers van de logica: ten eerste dat mensen hun gewicht volledig onder controle kunnen hebben, en ten tweede dat schaamte een goede motivator is.

    The Crush Gibson
    De Gibson Girl, getekend door Charles Gibson, werd de personificatie van vrouwelijke schoonheid in de negentiende eeuw: lang en slank in S-vormig corset, maar met royale boezem, heupen en billen. – © Charles Dana Gibson

    De meeste mensen kennen het effect dat een beetje minder eten en meer bewegen heeft op hun lichaam. Daarom is het gebruikelijk om te denken dat gewicht en obesitas veranderbare eigenschappen zijn – eigenschappen waar slanke mensen aan werken en dikke mensen niet. Als dat het geval was, zou het voor vrouwen mogelijk zijn om discriminatie op grond van gewicht achter zich te laten, door zich aan te passen aan het lichaamstype dat de maatschappij van hen verlangt. 

    Het is bijna onmogelijk om af te vallen én op gewicht te blijven

    Maar dit idee van volledige controle is misplaatst. Mensen melden vaak dat ze zwaarder worden als ze antidepressiva gaan gebruiken; bij vrouwen is dat bijvoorbeeld vaak het geval als ze lijden aan aandoeningen zoals het polycysteus-ovariumsyndroom. Roxane Gay beschrijft hoe haar gewicht toenam in de nasleep van een brute aanranding. Het roept ook de vraag op waarom een groot deel van de mensheid in de jaren tachtig collectief de controle over zijn eetgewoonten verloor en in de ontwikkelde landen zwaarlijvigheid sterk begon toe te nemen. Wetenschappers twijfelen over het antwoord (sommigen wijzen op de opkomst van bewerkt voedsel), maar zijn het er wel over eens dat het bijna onmogelijk is om af te vallen én op gewicht te blijven. Mensen die dat lukt zijn veel zeldzamer dan mensen die het hun leven lang proberen, daar niet in slagen en zichzelf de schuld geven.

    Misschien werkt schaamte voor sommige mensen. Het werkte voor Guiliano. Op de vraag waarom ze na de opmerking van haar vader besloot om af te vallen, in plaats van hem uit te schelden, aarzelt ze even. ‘Hij had natuurlijk gelijk,’ zegt ze dan.

    Hoge prijs

    Maar denk ook aan de enorme kosten die het stigma, de schaamte en de angst met zich meebrengen voor vrouwen en meisjes die zich hun leven lang zorgen maken over wat hun overgewicht hun gaat kosten. Het is onmogelijk om niet te merken hoeveel tijd, energie en geld vrouwen investeren in het bijhouden wat ze eten, in dieetboeken en in fitnesscursussen.

    Iedereen die weleens een sapkuur of een dieet van koolsoep heeft geprobeerd, weet dat slank willen zijn ten koste gaat van andere belangrijke dingen die meisjes en vrouwen willen doen, zoals je kunnen concentreren op examens en werk, of genieten van eten. Volgens sommige onderzoeken zijn zesjarige meisjes zich al bewust van de verwachting dat ze dun moeten zijn. Vervolgens kunnen ze als pubers ‘door de plotselinge schoonheidseisen worden overweldigd, slachtoffer worden van anorexia en boulimia’, schrijft Tolentino. De meeste vrouwen proberen zich aan te passen. Maar welke keuze ze ook maken, de prijs is hoog.

    Lees ook:

  • De temperatuurstijging valt mee. Is er reden voor voorzichtig optimisme?

    De temperatuurstijging valt mee. Is er reden voor voorzichtig optimisme?

    De Amerikaanse journalist David Wallace-Wells boezemde in 2017 angst in met zijn boek De onbewoonbare aarde. Nu schrijft hij met iets meer optimisme. De voorspellingen over de opwarming van de aarde van een aantal jaar geleden vallen minder apocalyptisch uit dan gedacht. Wat betekent dat voor onze toekomst?

    Je kunt nooit echt in de toekomst kijken, je kunt er alleen over fantaseren en vervolgens proberen de nieuwe wereld te begrijpen zodra die zich aandient. Een paar jaar geleden klonken de klimaatvoorspellingen voor deze eeuw nog vrij apocalyptisch. De meeste wetenschappers waarschuwden voor een opwarming van de aarde met vier of vijf graden als de wereld op de oude voet doorging. Dat zou zo ingrijpend zijn dat er niet alleen voedselcrises, toenemende hittestress en economische en andere conflicten tussen staten werden voorspeld, maar dat we volgens sommigen afstevenden op de totale ondergang van de beschaving, einde oefening voor de mensheid. (Misschien hebt u hier zelf al eens nachtmerries over gehad of er voortekenen van ontwaard in uw nieuwsfeed.)

    Nu de aarde inmiddels al 1,2 graden is opgewarmd, schatten wetenschappers dat de opwarming deze eeuw waarschijnlijk op ergens tussen de twee en drie graden zal uitkomen. (Een schatting die wordt bevestigd in een VN-rapport dat eind oktober werd uitgebracht in de aanloop naar de klimaattop COP27 in het Egyptische Sharm-el-Sheikh.) Met wat meer gezamenlijke daadkracht kan het nog iets lager uitvallen, en met wat pech en minder daadkracht ook iets hoger. Die getallen klinken misschien abstract, maar waar het op neerkomt is dit: dankzij de verbluffende daling van de prijzen voor groene energie, een waarlijk wereldwijde politieke mobilisatie, een scherpere blik op de toekomst van onze energie en serieuze aandacht voor dit thema bij wereld-leiders zijn we er in amper vijf jaar tijd in geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren.

    In amper vijf jaar tijd zijn we erin geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren

    Decennialang werd het denken over de toekomst van het klimaat gedomineerd door enerzijds een kinderlijk naïef geloof dat we heus wel op de oude voet zouden kunnen doorleven, en anderzijds het doemdenken over een ecologische eindtijd waarin het leven of het bestaan van misschien wel miljarden mensen gevaar zou lopen. De afgelopen jaren zagen we deze twee uitersten ook terug in de klimaat-modellen. Als we de meest ambitieuze doelen van het akkoord van Parijs maar zouden halen en de opwarming onder de anderhalve graad konden houden, zo was de algemene gedachte, zou ons leven min of meer bij het oude kunnen blijven. Maar als we niet snel iets aan de uitstoot van broeikasgassen deden en de opwarming lieten stijgen tot boven de drie of zelfs vier graden, zouden we onze ondergang tegemoet gaan.

    Tragisch uitstelgedrag

    Geen van beide scenario’s lijkt nu nog erg waarschijnlijk. De meest angstaanjagende voorspellingen zijn onwaarschijnlijk geworden door de vergroening die nu al plaatsvindt, en de meest hoopvolle zijn inmiddels nauwelijks nog haalbaar door tragisch uitstelgedrag. Het aantal haalbare toekomst-scenario’s wordt snel kleiner, en dat geeft ons een duidelijker beeld van wat ons te wachten staat: een nieuwe, ernstig verstoorde wereld, met een bevolking van miljarden mensen en een klimaat dat ver afstaat van het oude normaal, maar dat gelukkig nog lang niet tot een echte apocalyps hoeft te leiden.

    De afgelopen maanden heb ik tientallen gesprekken gevoerd – met klimaatwetenschappers, economen en beleidsmakers, met opiniemakers en activisten, en met schrijvers en filosofen – over die nieuwe wereld en hoe we ons die moeten voorstellen. De meest stimulerende en ruimdenkende kijk op het vraagstuk kwam misschien wel van Kate Marvel van de NASA, een van hoofdauteurs van de vijfde National Climate Assessment [het periodieke milieurapport voor de Amerikaanse overheid]. ‘De wereld wordt wat wij ervan maken,’ zegt Marvel. Zelf kom ik steeds weer terug bij drie aanknopingspunten om de mogelijke toekomstroutes enigszins mee in kaart te brengen.

    De doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn

    Ten eerste: de doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn. Dat is ontegenzeggelijk goed nieuws en, in een tijd van wanhoop en klimaatpaniek, een ondergewaardeerd teken van de vooruitgang die al geboekt is en die van mondiaal belang is.

    Ten tweede, en dit is minstens zo belangrijk: de meest waarschijnlijke toekomstscenario’s behelzen nog steeds een mate van opwarming die lange tijd rampzalig werd geacht – een bewijs van het mondiale onvermogen om de opwarming binnen ‘veilige’ grenzen te houden. Door decennialang bijna geen maatregelen te nemen hebben we die kans verspeeld. En wat misschien nog zorgwekkender is: hoe meer we te weten komen over de mogelijke gevolgen van zelfs een relatief beperkte opwarming, des te akeliger en problematischer die lijken te zijn. In het persbericht bij het recente VN-rapport werd voorspeld dat een opwarming van meer dan twee graden zal resulteren in ‘onafzienbaar leed’.

    Ten derde heeft de mensheid nog steeds heel veel zelf in de hand: hoe warm het zal worden en hoeveel inspanningen we ons getroosten om elkaar tegen die dreigingen en verstoringen te beschermen. Als we erkennen dat een werkelijk apocalyptische opwarming van de aarde nu een stuk minder waarschijnlijk lijkt dan nog maar enkele jaren geleden, halen we de toekomst uit het domein van de mythevorming en brengen haar terug in de arena van de geschiedenis: iets waarin en waarover we strijd kunnen leveren, een verhaal van zowel welvaart als leed – al zullen die niet gelijkelijk over iedereen worden verdeeld.

    Klimaatpolitiek

    Het is niet zo gemakkelijk om dit beeld helemaal helder te krijgen. Deels omdat klimaatactie nog een open vraag blijft, deels omdat het moeilijk is de schaal van de klimaatverandering af te wegen tegen mogelijke reacties van de mens, en deels omdat we niet meer zomaar kunnen teruggrijpen op dat handige narratieve stramien van apocalyps versus het oude normaal. Maar door het hele palet aan mogelijke klimaatscenario’s te beperken, verruilen we de ene verzameling onzekerheden (over de mate van opwarming) voor een andere: die van politieke keuzes en menselijke reacties daarop. We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken. Dat begint nog steeds met het terugdringen van de broeikasgassen, maar het is niet langer redelijk om te denken dat het daarbij kan blijven. De politiek van vergroening zal zich ontwikkelen tot een politiek die ook kijkt naar wat er daarna moet gebeuren, op het vlak van klimaatadaptatie, financiering en rechtvaardige verdeling (om maar enkele kwesties te noemen). Lange tijd leek de toekomst van de wereld af te hangen van het welslagen van de vergroening, maar een duidelijk pad naar een toekomst met twee of drie graden opwarming betekent dat die toekomst nu ook afhangt van wat we gaan doen als het zover is. Met andere woorden: onze toekomst hangt af van een nieuwe en breder georiënteerde klimaatpolitiek.

    We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken

    ‘We leven in een verschrikkelijke wereld, en we leven in een prachtige wereld,’ zegt Marvel. ‘Het is een verschrikkelijke wereld die nu al meer dan één graad is opgewarmd. Maar ook een prachtige wereld waarin we beschikken over heel veel manieren om stroom op te wekken die goedkoper, rendabeler en makkelijker toepasbaar zijn dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Er verschijnen uiterst geloofwaardige artikelen in wetenschappelijke tijdschriften die betogen dat een snelle overstap naar hernieuwbare energie per saldo geen kostenpost zal zijn, maar een winstmaker,’ zegt ze, en ze schudt haar hoofd alsof ze het zelf bijna niet kan geloven. ‘Als je me dat vijf jaar geleden had verteld, had ik gedacht: wauw, dat is een wonder.’

    GettyImages 1388204699
    Bouw van de ITER-reactor in het Franse onderzoekscentrum Cadarache, waar de fusiereactie zal plaatsvinden. – © Jean-Marie Hosatte / Gamma-Rapho via Getty

    Hoe is dat zo gekomen? Om te beginnen heeft de wereld er werk van gemaakt om af te stappen van steenkool.

    Steenkoolgebruik

    In 2014 werkte klimaatwetenschapper en podcastmaker Justin Ritchie nog aan zijn proefschrift. Daarin vroeg hij zich af waarom zo veel klimaatmodellen rekenden op een grote piek in het steenkoolgebruik in de eenentwintigste eeuw. Iedereen wist wel dat de decennialange economische groei van China op steenkool dreef, maar wetenschappers die zich met de energietoekomst bezighielden, betwijfelden toen al of datzelfde model ook voor alle andere opkomende landen van kracht zou zijn, en al helemaal of de rijke landen ooit weer structureel op steenkool zouden terugvallen. 

    Alleen was dat inzicht nergens terug te vinden in de mix van economische, demografische en materiële veronderstellingen over toekomstige ontwikkelingen die als basis diende voor de talrijke modellen waarmee klimaat-wetenschappers prognoses maakten over de klimaatgevolgen, onder meer voor het VN-klimaatpanel IPCC. Het opvallendste voorbeeld was een emissievoorspelling getiteld RCP8.5, die uitging van een op z’n minst vijfvoudige groei van het steenkoolverbruik in de loop van deze eeuw. Dit was het somberste scenario, waarin de mens geen enkele maatregel nam – in de wetenschappelijke literatuur en door journalisten wel betiteld als het ‘business as usual’-scenario. Toen Ritchie en zijn promotiebegeleider in 2017 hun onderzoek publiceerden in het tijdschrift Energy Economics, gaven ze het de suggestieve ondertitel: ‘Zijn gevallen van een enorme toename in steenkoolverbruik nog aannemelijk?’ Gezien de huidige ontwikkelingen is het antwoord daarop nu simpelweg: nee. 

    Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie

    Al jaren leefden er vragen over de toekomst van steenkool, vooral bij de mensen die meenden dat in prognoses over duurzame energie de groei van wind- en zonne-energie belachelijk laag werd ingeschat. Maar de inmiddels brede scepsis over de somberste doemscenario’s voor de uitstoot van broeikasgassen is toch vooral terug te voeren op het kleine groepje mensen dat het werk van Ritchie las en daarmee Twitter op ging. Onder hen Roger Pielke Jr., een hoogleraar milieukunde die door de Republikeinen vaak als deskundige wordt opgeroepen bij hoorzittingen in het Congres over het klimaat. En ook de uitgesproken Britse investeerder Michael Liebreich, oprichter van een door Michael Bloomberg opgekocht bedrijf voor groen beleggingsadvies, die in 2019 op sociale media steeds luidkeels riep dat RCP8.5 ‘gelul’ is. En tot slot de wat ingetogener klimaatwetenschappers Zeke Hausfather en Glen Peters, die in 2020 een opiniestuk in Nature publiceerden waarin ze stelden dat ‘het “business as usual”-verhaal misleidend is’. (Ik had het jaar daarvoor een artikel gepubliceerd waarin ik hetzelfde spoor volgde.)

    Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie. Maar Hausfather schat dat het naar beneden bijstellen van die aannames verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de vastgestelde vooruitgang die we hebben geboekt, en dat alleen de andere helft te danken is aan oplossingen afkomstig van technologie, overheidsbeleid en de markt.

    Neem om te beginnen de technologie. Energienerds hoef je het niet meer te vertellen, maar buiten dat wereldje beseft bijna niemand hoe snel en drastisch de kosten van technieken voor groene energie zijn gedaald. Dat is net zo’n verbluffend en misschien ook wel net zo’n belangrijk verhaal als dat van de nieuwe mRNA-vaccins, die binnen enkele maanden werden ontwikkeld en verspreid om de wereldwijde pandemie te bestrijden.

    Zonne-energie 

    De kosten van zonne-energie en van de technologie van lithiumbatterijen zijn sinds 2010 met ruim 85 procent gedaald, en die van windenergie met ruim 55 procent. Het Internationaal Energieagentschap heeft onlangs voorspeld dat zonne-energie ‘de goedkoopste bron van elektriciteit in de geschiedenis’ zal worden. En volgens een rapport van [de onafhankelijke financiële denktank] Carbon Tracker woont 90 procent van de wereldbevolking op plaatsen waar nieuwe groene energie goedkoper zou zijn dan nieuwe vuile energie. Ter vergelijking: als de benzineprijs net zo sterk was gedaald, zou de [Amerikaanse] prijs aan de pomp, die in 2010 bijna 3 dollar per gallon bedroeg, nu gezakt zijn tot onder de 50 cent.

    De markten hebben dit ook door. Het volume aan investeringen in groene energie is dat van de investeringen in fossiele brandstoffen dit jaar voorbij-gestreefd, ondanks de stormloop op gas en het ‘terugvallen op steenkool’ als gevolg van de Russische inval in Oekraïne. Na decennia van dalingen zijn de kosten van duurzame productie nu weer een klein beetje gestegen door problemen in de toeleveringsketen, maar de algehele trend is toch met het blote oog zichtbaar: er worden wereldwijd genoeg fabrieken voor zonnepanelen gebouwd om daarmee de zonne-energie te produceren die nodig is om de opwarming onder de twee graden te houden. En het aantal zonneparken dat de VS in de planning hebben, is groter dan de totale mondiale capaciteit van dit moment. Liebreich heeft het al over een kantelpunt, waarna het toekomstplaatje van energie er volledig anders uit zal zien.

    Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid

    Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid. Vijf jaar geleden had nog bijna niemand gehoord van Greta Thunberg en de schoolstakingen van Fridays for Future, van Extinction Rebellion en de Sunrise Movement. Toen was er geen serieuze discussie over de Amerikaanse Green New Deal en de Europese Green Deal, er werd nog niet eens gefluisterd over het ‘Fit for 55’-programma [waarmee de EU de uitstoot van broeikasgassen wil terugdringen], de Inflation Reduction Act van de VS [die in feite neerkomt op een klimaatwet] of de belofte van China dat zijn uitstoot vanaf 2030 zal afnemen. Een paar prominente wereldleiders waren klimaatsceptici. Er was bijna geen land ter wereld dat serieus sprak over het elimineren van alle broeikasgassen, het gesprek ging alleen over verlaging van de emissie en veel landen hadden het daar niet eens serieus over. Inmiddels is meer dan 90 procent van het mondiale bbp en ruim 80 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen gebonden aan diverse toezeggingen te streven naar nettonuluitstoot, die elk een historisch ongekend tempo van vergroening beloven.

    Nu zijn dat grotendeels nog papieren toezeggingen, die op de korte termijn veel te vrijblijvend zijn om te kunnen doorgaan voor echte maatregelen en meer weg hebben van een minzame uitsteltactiek. Maar je kunt toch spreken van een nieuw tijdperk voor klimaatactie als de overgrote meerderheid van de wereldleiders zich genoodzaakt ziet om zulke beloften te doen – onder druk van demonstranten, van de angst bij het brede publiek en de wensen van kiezers, en ook steeds meer onder druk van de krachtige logica van nationaal eigenbelang. Wat vroeger vooral een moreel moetje leek, wordt nu steeds meer gezien als een economische kans, zozeer dat er zelfs al sprake is van geopolitieke rivaliteit. Toen Boris Johnson nog premier van het Verenigd Koninkrijk was, zei hij dat hij zijn land het ‘Saoedi-Arabië van de windenergie’ wilde maken. En de Inflation Reduction Act is vooral gericht op versterking van de Amerikaanse concurrentiepositie op het vlak van groene energie. China, dat al bijna evenveel capaciteit voor de productie van duurzame energie aan het opbouwen is als de rest van de wereld bij elkaar, maakt ook 85 procent van alle zonne-panelen ter wereld (en verkoopt bijna de helft van alle elektrische voertuigen die wereldwijd worden gekocht). Volgens een recent artikel over de energietransitie in het wetenschappelijk tijdschrift Joule kan snellere vergroening de wereld in 2050 al biljoenen dollars opleveren.

    Andere kant op

    Met voorspellingen koop je nog niets. Maar ze sturen ons wel een andere kant op. Marshall Burke, een klimaatwetenschapper aan de Stanford-universiteit die verontrustende voorspellingen heeft gedaan over de kosten van het broeikaseffect (bijvoorbeeld dat het mondiale bbp door klimaatverandering een kwart lager kan uitvallen), zegt dat hij de grafieken die hij in zijn colleges gebruikt heeft moeten aanpassen en dat hij zijn prognoses van enkele jaren terug nu al moet herzien. ‘Het klimaatprobleem is een gevolg van keuzes van de mens, en de winst die we nu boeken is daar ook een gevolg van,’ zegt hij. ‘En die keuzes moeten we toejuichen. Het is nog niet genoeg. Maar het is wel verbazingwekkend.’

    Kernfusie in Frankrijk

    Gaat het misschien in Zuid-Frankrijk gebeuren, in de gemeente Saint-Paul-lès-Durance, 30 kilometer ten noordoosten van Aix-en-Provence?

    Daar bouwen ruim dertig landen sinds 2010 aan een installatie voor kernfusie, een proces dat van nature voorkomt in de zon en de sterren, maar dat bijzonder moeilijk is na te bootsen op aarde. Mocht het lukken, dan is de winst enorm. Kernfusie belooft een vrijwel onbeperkte vorm van energie die, anders dan fossiele brandstoffen, geen broeikasgassen uitstoot en, in tegenstelling tot de huidige kernsplijting, de wereld niet opzadelt met langdurig gevaarlijk kernafval. Slechts 1 gram brandstof levert het equivalent op van 8 ton olie aan fusie-energie. Ofwel: een rendement van 8 miljoen op 1, aldus CNN .

    Experts waren altijd terughoudend over de vraag wanneer fusie-energie op grote schaal beschikbaar zal zijn. Tot februari van dit jaar. Toen berichtten Britse wetenschappers een recordhoeveelheid van 59 megajoule fusie-energie te hebben opgewekt die gedurende vijf seconden in stand te werd gehouden in een reusachtige, donutvormige machine die een ‘tokamak’ wordt genoemd. Het was slechts genoeg om één huis een dag lang van energie te voorzien, en er ging meer energie in het proces zitten dan eruit kwam. Maar het bewijs was geleverd dat kernfusie inderdaad mogelijk is op aarde. Alle ballen op Zuid-Frankrijk dus.

    Ook Matthew Huber van de Purdue-universiteit, een van de klimaatwetenschappers achter het idee dat hitte en vochtigheid een drempelwaarde kunnen bereiken die fataal is voor het menselijk voortbestaan, zegt dat hij zich tegenwoordig een stuk minder zorgen maakt dan vroeger. Al denkt hij op basis van de lange geschiedenis van onze planeet nog wel dat de aarde eerder drie dan twee graden zal opwarmen. ‘Sommige collega’s hebben bij die drie graden iets van: O nee, dat is verschrikkelijk, we doen het helemaal verkeerd!’ zegt hij. ‘En dan zegt iemand als ik: Nou ja, vroeger dachten we dat we afstevenden op vijf graden. Dan is drie graden dus al winst.’

    Wel een schrijnend soort winst. ‘Het goede nieuws is dat we beleid hebben gemaakt waarmee de voorspelde gemiddelde mondiale temperatuur significant naar beneden kan worden bijgesteld,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Katharine Hayhoe, een van de hoofdauteurs van meerdere National Climate Assessments in de VS, en een evangelisch christen met een zekere faam als een soort klimaatfluisteraar van centrumrechts. Het slechte nieuws, zegt ze, is dat we ‘de snelheid en de hoogte van de extremen systematisch hebben onderschat’. Zelfs als de temperatuurstijging beperkt blijft tot twee graden, zouden de extremen volgens haar ‘overeen kunnen komen met wat je zou hebben voorspeld bij een opwarming van vier tot vijf graden’.

    Sneller en extremer

    ‘De dingen gebeuren sneller en extremer,’ beaamt de Britse econoom Nicholas Stern, die in 2006 leiding gaf aan een belangrijk onderzoek naar klimaatrisico’s. Met groene technologie ‘hebben we het groeiverhaal van de eenentwintigste eeuw in handen,’ zegt hij. Maar hij maakt zich zorgen over de toekomst van het Amazonegebied, het smelten van de CO2-rijke permafrost in het Noordpoolgebied en de instabiliteit van de ijskappen: stuk voor stuk potentiële kantelpunten ‘die ons boven het hoofd kunnen groeien’. ‘Met elk IPCC-rapport is het weer erger dan je dacht, ook als je al dacht dat het heel erg was,’ zegt hij. ‘Een opwarming van twee graden betekent niet per se het einde van de mensheid, maar er gaan dan wel veel doden vallen, je krijgt veel migratiestromen, veel conflicten om ruimte en water.’

    bc35e149 7607 4cbf a827 581596e58be2‘We zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat al onder water’

    ‘Ik bedoel, we zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat toch al onder water?’ zegt de Nigeriaans-Amerikaanse filosoof Olufemi O. Taiwo, die de afgelopen jaren veel heeft geschreven over klimaatrechtvaardigheid in de context van herstelbetalingen voor slavernij en kolonialisme. ‘Als je kijkt naar wat we nu al zien bij nog geen twee graden opwarming: dat geeft geen enkele aanleiding tot optimisme.’

    Wat allemaal weer een heel andere kijk op de nabije toekomst oplevert, ook dat is waar. De wereld zal steeds warmer worden en het resultaat daarvan steeds schadelijker, zelfs al wordt de vergroening zodanig versneld dat we de meest ambitieuze doelstellingen halen: een halvering van de uitstoot in 2030 en twintig jaar later netto nul. ‘Die jaartallen, 2030, 2050, die zeggen helemaal niets,’ aldus Gail Bradbrook, een van de Britse oprichters van Extinction Rebellion. ‘Waar het om gaat is de totale hoeveelheid CO2 in de lucht, en die is al veel te hoog. Die jaartallen kunnen worden gebruikt als excuus om het probleem op de lange baan te schuiven. Maar het belangrijkste is dat we op dit moment schade aanrichten, en dat we absoluut zo snel mogelijk een eind moeten maken aan alle activiteiten die de situatie verergeren.’

    Het is allemaal dus maar net hoe je ernaar kijkt. In de toekomst zal het klimaat er slechter aan toe zijn dan nu, maar beter dan veel mensen tot voor kort hadden gedacht. De wereld is harder op weg om te vergroenen dan we ooit voor mogelijk hielden, maar nog lang niet snel genoeg om ernstige problemen te voorkomen. Zelfs als we met gemak onder de twee graden blijven, gaan we nog een roerige toekomst tegemoet, met zodanige verstoringen van het natuurlijk evenwicht dat die een gevaar kunnen vormen voor veel maatschappelijke en politieke zeker-heden die we al generaties lang vanzelfsprekend vinden.

    Extreem weer

    Delhi telde het afgelopen voorjaar 78 dagen met temperaturen van boven de 100 graden Fahrenheit (37,8 graden Celsius), en de kans op zo’n maandenlange hittegolf is door de klimaat-verandering dertig keer zo groot geworden. Op het noordelijk halfrond is de kans op droogte twintig keer zo groot geworden. Resultaat: droge rivierbeddingen van de Yangtze en de Donau tot de Colorado. Ineens kwamen er gedumpte lijken bloot te liggen in Lake Mead, en voetafdrukken van dinosaurussen in Texas, explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en een ‘Spaans Stonehenge’ in Guadalperal. In landbouwgebieden op meerdere continenten stonden gewassen zo te stoven in de zon dat oogsten geheel of gedeeltelijk mislukten. Alleen al in de stad Phoenix stierven honderden mensen van de hitte; in Engeland, Portugal en Spanje waren het er meer dan duizend.

    Wekenlang stond een derde van Pakistan blank door overstromingen na de moessonregens, wat tientallen miljoenen mensen op de vlucht dreef en de katoen- en rijstoogst verwoestte. Allemaal factoren die meer dan bevorderlijk zijn voor het aanwakkeren van migratie, conflicten en besmettelijke ziekten in een land dat het toch al moeilijk heeft – een land dat in zijn hele industriële bestaan ongeveer evenveel CO2 heeft uitgestoten als de Verenigde Staten alleen al in dit jaar. In het Caribisch gebied en de Stille Oceaan groeiden tropische stormen in nog geen 36 uur uit tot hevige orkanen.

    Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden?

    China zuchtte maandenlang onder zo’n intense hitte dat, zoals een meteoroloog het mooi verwoordde, ‘er in de hele wereldgeschiedenis van het klimaat niets ook maar in de verte mee vergelijkbaar is’. Net als met de pandemie probeerde China de verstoringen van het dagelijks leven zo veel mogelijk te verbloemen. Maar doordat fabrieken werden stilgelegd, voelde de rest van de wereld toch de gevolgen in de toe-leveringsketens voor halfgeleiders, geneesmiddelen, zonnecellen, iPhones en Tesla’s. Allemaal productieketens die dus al in de problemen kwamen bij een opwarming van slechts 1,2 graden.

    ANP 435769929
    Fusiereactor bij het Max-Planck-Instituut voor Plasmafysica in het Duitse Garching bei München.© Christian Lunig / Science Photo Library via ANP

    Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden? Extreem weer, nog heviger en veel vaker dan nu. Verstoringen en ontwrichting op bijna alle niveaus, van bacteriologisch tot geopolitiek. Honderden miljoenen mensen die ten prooi vallen aan leed en onrecht, omdat de baten van industriële activiteit zich ophopen in die delen van de wereld die juist niet onder de ergste gevolgen lijden. Innovatie ook, waaronder nieuwe oplossingen die we ons nu nog niet kunnen voorstellen, en een beetje nieuwe welvaart, zij het minder dan als de aarde niet zou opwarmen. Gewenning aan rampen die steeds groter zullen zijn en meer schade aanrichten, en daardoor wellicht een zekere moeheid als het gaat om medeleven met de in het mondiale Zuiden aangerichte ravage, uitmondend in het soort antisociale afstandelijkheid die dit soort salondiscussies mogelijk maakt. 

    Apocalyptisch denken

    Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven – en dan met klimaatverstoringen die steeds groter en schadelijker worden, die we het hoofd zullen bieden met een nog onbekende combinatie van mislukking en succes, verdriet en nieuwe kansen.

    ‘Wat het Westen altijd parten speelt is het eindtijddenken – de zondeval, het christendom en zo,’ zegt Tim Sahay, een in Mumbai geboren klimaatexpert en medeoprichter van het nieuwe tijdschrift The Polycrisis. ‘Dat is onuitroeibaar, wij zien alleen de mogelijkheden voor doemdenken.’ De uitdagingen zijn groot en reëel, en komen voor een onevenredig deel op het bordje van de ontwikkelingslanden, zegt hij, maar de uitkomst staat niet bij voorbaat vast, althans niet per se. ‘We denderen de donkere berg af,’ zegt hij. ‘Ergens is dat natuurlijk eng, maar het kan op zoveel verschillende manieren aflopen. Ik vind het allemaal heel spannend. Wat voor steden zal Brazilië bouwen? Wat voor land wordt Indonesië?’

    Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven

    Er zijn plaatsen waar de klimaatretoriek zachter begint te klinken – of misschien moet je het juist harder noemen, omdat existentiële abstracties plaatsmaken voor keihard realisme. In 2009 zei Mohamed Nasheed als president van de Malediven op de klimaattop in Kopenhagen nog: ‘Hoe kunt u mijn land vragen om uit te sterven?’ Tegenwoordig klinkt hij pragmatischer. Hij wijst op de noodzaak van klimaat-financiering – geldelijke steun van ontwikkelingsbanken en noordelijke instituties om de groene transitie en de weerbaarheid van de lokale bevolking te stimuleren – en filosofeert over de noodzaak van lastenverlichting voor arme landen door schulden kwijt te schelden. Ook stimuleert hij wetenschappelijk onderzoek naar genetisch gemodificeerd koraal dat beter bestand is tegen het opwarmende water.

    Mia Mottley, de premier van Barbados, neemt het op tegen het IMF en de Wereldbank en spoort andere kwetsbare landen aan om het ook harder te spelen. Greta Thunberg, het onverzettelijke gezicht van het klimaat-activisme, heeft onlangs haar steun bevestigd voor het in gebruik houden van bestaande kerncentrales. En Rupert Read, ooit woordvoerder van Extinction Rebellion, roept inmiddels op tot de vorming van een ‘gematigde vleugel’ in de klimaatbeweging. De klimaatwet die de Verenigde Staten uiteindelijk kreeg, behelsde geen Green New Deal, geen zware CO2-heffing of strenge regelgeving voor vermindering van de uitstoot, maar een breed vertakt, op positieve prikkels gebaseerd vergroeningspakket dat ook steun omvat voor kernenergie en zelfs voor CO2-opslag, wat voor ‘klimaatlinks’ lange tijd taboe was.

    Problematische puinhoop

    Dit klinkt misschien alsof er nu sprake is van een groeiende consensus, en tot op zekere hoogte is dat ook zo. Maar de wereld waar dit over gaat is nog steeds een problematische puinhoop. Economisch historicus Adam Tooze heeft het afgelopen jaar het woord ‘polycrisis’ populair gemaakt als aanduiding voor de lawine aan grote uitdagingen die de fundamentele stabiliteit en continuïteit van de wereldorde bedreigen. De Franse president Macron, de belichaming van soepel neoliberaal optimisme, heeft de huidige roerige tijd al getypeerd als ‘het einde van de overvloed’. De voormalig voorzitter van het Europees Parlement Josep Borrell gebruikte ‘radicale onzekerheid’ als omschrijving voor ons tijdsgewricht, en vergeleek Europa later ook nog met een ‘tuin’ in de ‘jungle’ van de wereld, waarbij hij waarschuwde dat ‘de jungle de tuin kan binnendringen’.

    India: Industrieel eigenbelang

    Het laatste land waarvan je een energierevolutie verwacht, is wellicht India.

    Het haalt immers bijna driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool en heeft 39 nieuwe kolencentrales in aanbouw. India veroorzaakt de op twee na grootste uitstoot van broeikasgassen ter wereld en verbrandt meer steenkool dan enig ander land behalve China. Op de klimaatconferentie vorig jaar in Glasgow blokkeerde India voorstellen om het gebruik van steenkool af te bouwen. Maar toch deed de Indiase premier Narendra Modi op diezelfde conferentie een belofte die, als hij wordt nagekomen, van zijn land één groene energiecentrale zal maken. Volgens Modi heeft India tegen 2070 een ‘nettonuluitstoot’. Grootspraak? Niet als het aan India’s grootste industriëlen ligt, de multimiljardairs Gautam Adani en Mukesh Ambani, schrijft The Economist.

    Adani beweert dat zijn bedrijven tegen 2030 zo’n 70 miljard dollar zullen besteden aan groene energie in India. Met bijna 5 gigawatt (GW) aan zonne-energiecapaciteit sinds medio 2021 staat zijn divisie Adani Green Energy nu al op gelijke hoogte met het Italiaanse Enel Green Power, als ’s werelds grootste ontwikkelaars van zonne-energie. Ambani laat zich ook niet onbetuigd en is van plan 80 miljard dollar te besteden aan schone energie in India. Hij wil in 2025 20 GW aan zonne-energiecapaciteit hebben gebouwd, die volledig door zijn eigen bedrijven zal worden gebruikt.

    De Amerikaanse klimaatgezant John Kerry heeft, wellicht per ongeluk, erkend dat de kosten van klimaatschade in het mondiale Zuiden al in de ‘biljoenen’ lopen. Hij noemde dat bedrag niet om aan te geven hoeveel steun die regio nodig heeft, maar om te illustreren waarom de noordelijke landen die schade niet zullen vergoeden. (Hij voegde eraan toe dat hij weigert zich daar schuldig over te voelen.) Schrijver en activist Bill McKibben is bang dat de transitie, ook al wordt die nu opgevoerd tot een snelheid die voorheen ondenkbaar was, toch niet snel genoeg zal komen: ‘Het gevaar bestaat dat je straks een wereld hebt die draait op zon en wind, maar in wezen nog steeds een defecte planeet is.’ De prangendste vraag is nu of dit defect gerepareerd kan worden – of we de komende verstoringen in de hand weten te houden en de talloze miljoenen mensen die erdoor worden bedreigd weten te beschermen. Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?

    Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?

    Middelen daarvoor zijn er genoeg – een schier eindeloos aantal. Aangezien het grootste deel van de infrastructuur in de wereld berekend is op klimaatomstandigheden die nu al achter ons liggen, vergt het een mondiaal bouwproject om ons tegen klimaatverstoringen te beschermen. Met de aanleg van waterwerken tegen overstromingen bijvoorbeeld, zowel op natuurlijke wijze met mangrovebossen en wetlands als op kunstmatige wijze met dijken en dammen, zeeweringen en zeesluizen. Strengere bouwvoorschriften voor woningen, robuustere bouwmaterialen en stedenbouwkundige ontwerpen die meer rekening houden met het weer. Spoorlijnen, asfaltwegen en alle andere soorten infrastructuur die hittebestendig worden gemaakt. Betere systemen om het weer te voorspellen en voor extremen te waarschuwen. Zuiniger waterbeheer, ook in uitgestrekte landbouwgebieden zoals in het westen van de Verenigde Staten. Koelcentra, droogtebestendige gewassen en effectievere investeringen in noodhulp voor wat Juliette Kayyem, een voormalige ambtenaar van het Amerikaanse departement voor Binnenlandse Veiligheid, ons nieuwe ‘tijdperk van rampen’ noemt.

    Stormen richten steeds meer schade aan, mede doordat we maar blijven uitbreiden en bouwen in de richting van wat wel het uitdijende middelpunt van de storm wordt genoemd. Dat onrustbarende patroon zie je zowel bij opkomende stadjes langs de kust van Florida als in de delta van Bangladesh: steeds meer mensen die zich ophopen op plaatsen waar ze gevaar lopen, soms tegen beter weten in.

    Optimistischere klimaatwaarnemers wijzen er vaak op dat we ons dan misschien wel steeds meer blootstellen aan extreem weer, maar dat het aantal doden als gevolg van natuurrampen niet toeneemt. Sterker nog: dat is zelfs spectaculair gedaald, van gemiddeld zo’n vijfhonderdduizend doden per jaar een eeuw geleden tot ongeveer vijftigduizend nu – terwijl het aantal klimaatgerelateerde natuurrampen volgens de Wereld Meteorologische Organisatie vervijfvoudigd is.

    Trend

    Maar of deze trend zich in een wereld met twee graden opwarming zal voortzetten is niet duidelijk. Met de orkaan Ian kreeg een welvarend en goed voorbereid stukje van het mondiale Noorden dit jaar bijvoorbeeld te maken met zijn dodelijkste orkaan sinds 1935. De drastische daling in het aantal dodelijke slachtoffers van natuurgeweld vond vooral plaats tussen de jaren twintig en de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen het zakte tot net onder de honderdduizend. In de afgelopen vijftig jaar, toen de destabilisering van ons weer als gevolg van de opwarming van de aarde begon, is het veel minder scherp gedaald. En de daling was nog lager – of misschien zelfs nul, afhankelijk van de cijfers waarnaar je kijkt en hoe je die interpreteert – in de laatste drie decennia, toen de temperatuurstijging sterker werd en de wereld opgewarmd raakte tot boven de leefbare bandbreedte waarbinnen de temperatuur op aarde zich gedurende heel de geschiedenis van de mensheid had bevonden.

    Bij veel initiatieven wordt prioriteit gegeven aan kortetermijnbeperking van het klimaatrisico

    Misschien betekent dit dat de wereld het laaghangend fruit van de adaptatie al grotendeels heeft geoogst. Betere meteorologische voorspellingen en waarschuwingssystemen hebben we immers al: daardoor werd het aantal doden als gevolg van recente moessons in Bangladesh en orkanen in Florida drastisch beperkt. De mondiale kosten van de klimaatschade lopen al in de biljoenen, en in ontwikkelingslanden kan de rekening voor adaptatie in 2030 al 300 miljard dollar per jaar bedragen. In Texas is men in Galveston begonnen met de aanleg van de ‘Ike Dike’ om de haven te beschermen, à raison van 31 miljard dollar. New York denkt aan een stelsel van stormvloedkeringen. Kosten: 52 miljard. Met andere woorden, de opwarming maakt adaptatie nu al moeilijker en duurder, en het zou weleens heel moeilijk of zelfs onmogelijk kunnen blijken om de in de vorige eeuw geboekte vooruitgang voort te zetten tot in de volgende.

    Het laatste IPCC-rapport, van afgelopen februari, stelt dat er ‘vooruitgang bij de planning en invoering van adaptatiemaatregelen’ is geboekt, maar waarschuwt ook dat ‘bij veel initiatieven prioriteit wordt gegeven aan onmiddellijke kortetermijnbeperking van het klimaatrisico, wat de kans op transformationele adaptatie verkleint’ – oftewel: middelen die worden besteed aan reparatie en aanpassing van bestaande structuren zijn niet meer beschikbaar voor nieuwe infrastructuur en herhuisvesting. ‘In sommige ecosystemen zijn de harde grenzen van de adaptatie al bereikt,’ stelt het IPCC: ‘met de toenemende opwarming van de aarde zullen de verliezen en de schade toenemen en zullen ook andere natuurlijke en menselijke systemen tegen de grenzen van hun adaptatievermogen aanlopen’.

    Menselijke aanpassing 

    ‘Wat we bij het huidige niveau van opwarming zien, geeft volgens mij al een indruk van waar de grenzen van de menselijke aanpassing liggen,’ zegt Fahad Saeed van Climate Analytics. Deze Pakistaanse wetenschapper uit Islamabad zag zijn land het afgelopen halfjaar ten prooi vallen aan maandenlange extreme hitte, misoogsten en overstromingen als gevolg van moessonregens waardoor een derde van het land blank stond, een miljoen huizen werd verwoest en 30 miljoen mensen ontheemd raakten. De totale schade is geraamd op minstens 40 miljard dollar: 11 procent van Pakistan bbp in 2021. ‘Je kunt je niet voorstellen wat er gaat gebeuren als de opwarming anderhalve graad bereikt,’ zegt hij. ‘Nog extremere situaties? Dan krijg je nog meer verwoesting.’

    ‘Twee graden is een stuk beter dan vier graden,’ zegt Michael Oppenheimer, een van de klimaatwetenschappers die in 1988 de inmiddels legendarische waarschuwing voor het broeikaseffect aanboden aan de Amerikaanse Senaat. ‘En anderhalve graad is nog beter dan twee graden. Maar in beide gevallen betekent dat niet dat er niets meer te doen valt.’

    Oppenheimer heeft zich de laatste jaren steeds meer beziggehouden met de vraag wat we moeten doen en waaraan we kunnen afmeten hoe het ervoor staat met onze adaptatie. ‘Hoe goed kunnen we tegenwoordig omgaan met een situatie waarin overstromingen niet eens in de honderd jaar maar vaker plaatsvinden?’ vraagt hij zich af. ‘Niet zo goed.’ Hij vindt dat we hogere eisen aan onszelf moeten stellen, dat we het niet normaal mogen gaan vinden dat een orkaan in Florida honderd levens kost. Extreme natuurrampen ontwikkelen zich nu veel sneller, en dat betekent dat ‘succes niet langer een kwestie is van hoe goed je op zo’n gebeurtenis bent voorbereid en hoe goed je die te boven komt, maar ook hoe snel’. Hij verwijst naar het IPCC-rapport uit 2019 over de oceanen, waarin stond dat overstromingen die ooit tot de categorie ‘eens in de honderd jaar’ werden gerekend, rond 2050 in veel delen van de wereld jaarlijks zouden plaatsvinden. ‘Dus je moet alles weer op orde krijgen voordat de volgende toeslaat, in een situatie waarin die volgende overstroming datzelfde jaar nog kan plaatsvinden – en in het ergste geval dezelfde maand nog. Op sommige plaatsen overstroomt het op den duur al bij hoogtij.’

    Woorden voor klimaatverdriet

    Het begon met ‘solastalgia’, een samentrekking van het Engelse solace [troost] en nostalgia [nostalgie].

    Die term werd door de Australische filosoof Glenn Albrecht bedacht voor de pijn die mensen voelen door veranderingen in hun nabije leefomgeving, zoals het verlies van een lievelingsplek. Kunstenaars Alicia Escott en Heidi Quante gingen een stap verder: met hun Bureau of Linguistical Reality bedachten ze, samen met mensen over de hele wereld, duizenden woorden om gevoelens van klimaatverdriet te beschrijven, schrijft Smithsonian Magazine.

    Hun project begon acht jaar geleden, toen ze geen woorden konden vinden om hun zorgen over de droogte in Californië te beschrijven. In 2015 reisden ze tijdens het klimaatakkoord naar Parijs, waar ze een mobiel kantoor inrichtten. Gekleed in bijpassende jumpsuits hingen ze spandoeken en borden op met de naam van hun project en begonnen ze gesprekken met iedereen die nieuwsgierig was naar hun activiteiten. Het leverde fraaie resultaten op: Yonderlonging – rouwen om een grote open ruimte waarvan je vreest dat die snel zal verdwijnen. Morbique – het morbide verlangen om naar plekken te reizen voordat ze veranderen door klimaatverandering. Shadowtime – het plotse bewustzijn van de mogelijkheid dat de nabije toekomst drastisch anders zal zijn dan het heden.

    Meer woorden vind je op hun website, waar je zelf ook bijdragen kunt leveren: bureauoflinguisticalreality.com

    ‘Dan wordt herstel iets heel anders dan waar we tegenwoordig aan denken,’ zegt Oppenheimer. ‘Dan krijg je een totaal andere leefsituatie en moet je accepteren dat sommige plekken bijna continu blank staan. Of je verwezenlijkt de droom die sommige mensen over adaptatie koesteren, dat we het leven totaal anders inrichten. De hele opzet van productie en infrastructuur, totaal anders.’

    Adaptie

    Als je maar lang genoeg over adaptatie praat, komt het gesprek vanzelf op kwesties die vrij technisch klinken. Kunnen er nieuwe dijken worden aangelegd, kunnen de kwetsbaarste gemeenschappen worden verplaatst? Kunnen landbouwgronden worden verplaatst, kunnen er nieuwe droogtebestendige zaden worden ontwikkeld? Kan een infrastructuur voor afkoeling soelaas bieden tegen de nieuwe hitterecords, en kunnen waarschuwings-systemen voorkomen dat er doden vallen door natuurrampen? Wat kunnen we verwachten van innovatie bij de aanpak van milieuproblemen die ongekend zijn in onze geschiedenis?

    Maar de fundamentelere vragen hebben misschien eerder betrekking op de verdeling van middelen. Wie krijgt die zaden? Wie kan die dijken bouwen, en wie loopt er gevaar als ze niet voldoen of niet gebouwd worden? En wat is het lot van de mensen die het zwaarst door de opwarming worden getroffen? Het politieke debat over dit soort vraagstukken wordt grofweg geschaard onder de noemer ‘klimaatrechtvaardigheid’: in hoeverre zal de klimaatverandering de nu al buitensporige ongelijkheid in de wereld versterken en verdiepen, en in hoeverre kunnen de landen in het mondiale Zuiden zich ontworstelen aan de nu al onrechtvaardige situatie die de klimaatwetenschapper Farhana Sultana ‘klimaatkolonialiteit’ noemt?

    ‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie’

    ‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie,’ zegt filosoof Taiwo. ‘In de prognoses die ik heb gezien voor ontheemding bij twee graden opwarming, zowel voor migratie binnen landen als voor migratie over grenzen heen, gaat het over tientallen zo niet honderden miljoenen. En ik denk niet dat we al een politiek discours hebben over de implicaties daarvan.’

    De schattingen hierover lopen enorm uiteen, en die verscheidenheid is een van de duidelijkste tekenen dat ondanks alle kennis die we over de toekomst van ons klimaat hebben opgebouwd, heel veel van de complexe en elkaar versterkende effecten van de opwarming nog steeds schuilgaan achter de onvermijdelijke onzekerheid die rond de reactie van de mens hangt. Op de korte termijn zal migratie volgens het IPCC waarschijnlijk vooral het gevolg zijn van sociaaleconomische omstandigheden en falend bestuur. ‘Er zal sprake zijn van een, laten we zeggen sociaal-ecologische druk op een schaal die een stuk groter is dan wat we nu zien,’ zegt Taiwo. ‘Of dat zich vertaalt in mensenstromen binnen landen en daarbuiten, of het zich vertaalt in grootschalige adaptatiestrategieën waarvoor we nog geen politiek kader hebben, of simpelweg in sterfte op een schaal waarvoor we dat ook niet hebben, of in een combinatie van al die zaken – wie het weet mag het zeggen. Misschien is er een andere mogelijke uitkomst van deze combinatie van spanningen bij twee graden opwarming. Zoals grotere weerbaarheid en duurzaamheid van lokale gemeenschappen, en innovatie op het gebied van energie en politiek, landbouw en cultuur.

    Uit kwetsbare landen hoor je al een generatie lang steeds variaties op één simpel thema: dat de rijke landen de schade moeten compenseren. ‘Het is niet alleen een kwestie van aanpassen,’ zegt de Keniaanse klimaatactivist Elizabeth Wathuti, ‘want je kunt niet van mensen vragen dat ze zich aanpassen aan het verlies van hun huis. Hun huizen worden weggespoeld, hun vee en hun kinderen worden meegesleurd. Ze gaan dood. Hoe moeten ze zich daaraan aanpassen? En misoogsten, hoe kun je je daaraan aanpassen? Hoe kun je je aanpassen aan honger? Als je twee dagen niet hebt gegeten, is dat geen kwestie van aanpassen.’

    Sahay, van het tijdschrift The Polycrisis, beschrijft een wereld met een door de klimaatverandering opgestookte machtsstrijd waarin allianties van minder ontwikkelde landen de rijkere mogendheden tegen elkaar uitspelen, een soort geestelijke erfgenaam van de door Indonesië aangevoerde beweging van niet-gebonden landen tijdens de Koude Oorlog. Hij noemt de opkomende alliantie van ongebonden landen rond Brazilië, Rusland, India en China (BRIC) ‘een nieuwe troefkaart’ en schetst de mogelijkheid van een nieuwe groep ‘elektrostaten’, als opvolger van de oliestaten van de vorige eeuw, die agressief zullen onderhandelen over de toegang tot hun eigen hulpbronnen. 

    ‘Westerlingen gaan er klakkeloos van uit dat mensen in het mondiale Zuiden zich wel tegen fossiele brandstoffen zullen keren als ze zwaar worden getroffen door een klimaatramp,’ zegt de Indiase romanschrijver Amitav Ghosh, die ook een aantal indringende essays over het onrecht van het broeikasprobleem op zijn naam heeft staan. ‘Maar dat is volkomen uit de lucht gegrepen. In het Zuiden beseft iedereen dat toegang tot energie het verschil bepaalt tussen armoede en geen armoede. Daar beschouwt niemand fossiele brandstoffen als het grote probleem. Daar wordt juist het veel te kwistige gebruik van fossiele brandstoffen door het Westen als het grote probleem gezien.’

    Onvoorstelbare toekomst

    ‘We leven in een onvoorstelbare toekomst,’ zegt essayist Rebecca Solnit, die zich in haar werk steeds meer richt op de politieke en sociale uitdagingen van klimaatverandering. ‘Zaken die tot voor kort nog onmogelijk, ondenkbaar of onwaarschijnlijk werden geacht, zijn inmiddels volkomen normaal.’ Tegenwoordig merkt ze dat ‘mijn hoop vooral neerkomt op radicale onzekerheid’, zegt ze. ‘Je ziet dat de wereld niet zo kan doorgaan, dat is waar. Maar dat betekent niet dat de wereld niet kan doorgaan. Het betekent dat de wereld wel zal doorgaan, niet zoals ze nu is, maar in een nu nog onvoorstelbaar veranderde gedaante.’

    Een conservatief perspectief

    Moet het Westen herstelbetalingen doen aan ontwikkelingslanden vanwege aangerichte klimaatschade?

    Niet als het aan de aartsconservatieve columnist Allison Pearson van de Britse Telegraph ligt. De recente klimaatconferentie in Sharm-el-Sheikh vindt ze ‘een gigantische oplichterstruc die door de mondiale elites wordt losgelaten op goedgelovige bevolkingsgroepen die de gedachte aan een groenere, schonere wereld mooi vinden (wie niet?), maar die nog steeds geen idee hebben van de enorme kosten en opofferingen die komen kijken bij het behalen van nul uitstoot’.

    Het Westen wordt volgens haar ’verantwoordelijk gehouden voor miljardenbetalingen aan landen waar het slecht weer is, omdat wij fabrieken hebben uitgevonden. En auto’s.’ Buigen voor dergelijke ‘emotionele chantage door ontwikkelingslanden terwijl je eigen landgenoten met enorme problemen kampen is niet alleen verkeerd, maar ook immoreel’. Vervolgens schrijft ze in een denkbeeldige brief aan de regering van Pakistan: ‘Als u volhardt in uw oneerlijke eisen voor “klimaatherstel”, stellen wij voor dat u ons royalty’s betaalt voor het volgende: de verbrandingsmotor, spinmachines, stoomkracht, asfalt, spoorwegen, auto’s, vliegtuigen, radio, televisie, computers, geneesmiddelen en het world wide web.’

    De conclusie: ‘Het is uiteraard absurd om compensatie te eisen voor alles wat het Verenigd Koninkrijk aan de wereld heeft bij- gedragen. Even absurd is het toezeggen van miljarden die we eenvoudigweg niet hebben om historische “schadeclaims” af te handelen.’

    Toen ik in 2017 terugkeek op meerdere decennia van politiek onvermogen, hield ik de politieke mobilisatie van de afgelopen vijf jaar nog niet voor mogelijk. Als je me toen had verteld over de radicale versnelling van groene technologie die ophanden was, had ik je misschien wel willen geloven, maar zou ik vooral verbaasd zijn geweest. Maar redenen voor optimisme mogen geen redenen zijn om achterover te leunen. Integendeel, want de bijgestelde verwachtingen zijn niet alleen een blijk van hoeveel er de afgelopen vijf jaar is veranderd, maar ook van hoeveel er de komende vijf, vijfentwintig en vijftig jaar nog meer kan veranderen.

    De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt

    Twee graden opwarming is niet onvermijdelijk. Het kan nog steeds zowel beter als slechter uitpakken. De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt. Er moet dus veel meer worden gedaan om dat doel te halen, en nog meer om de wereld onder de twee graden opwarming te houden, zoals in het akkoord van Parijs werd beloofd. (Doordat de benodigde maat-regelen uitbleven of te lang zijn uitgesteld, zal zelfs het IPCC-scenario dat was bedoeld om de opwarming tot anderhalve graad te beperken nu de prognose opleveren dat we die anderhalve graad al in het volgende decennium overschrijden.) En omdat de vergroening weer kan stokken en het klimaat gevoeliger kan blijken te zijn dan verwacht, is ook een uitkomst van drie graden opwarming nog steeds mogelijk, zij het iets minder waarschijnlijk dan tot voor kort werd gedacht.

    GettyImages 1388204636 1
    De bouw van de Internationale Thermonucleaire Experimentele Reactor (ITER) in het onderzoekscentrum Cadarache in Frankrijk. – © Jean-Marie Hosatte / Gamma-Rapho via Getty

    De totale uitstoot van broeikasgassen daalt nog steeds niet, en er is nog een hele weg te gaan om van de toekomstige piek tot nul te komen. Daardoor zijn al deze aanpassingen van de verwachtingen voorlopig nog vooral theorie – een nieuwe reeks lijnen die we naïef op een whiteboard tekenen terwijl we wachten tot ze werkelijkheid worden. Zowel dit jaar als volgend jaar zal de totale uitstoot waarschijnlijk een nieuwe recordhoogte bereiken. Dat betekent dat er op dit moment meer schade wordt toegebracht aan het toekomstige klimaat van onze planeet dan op enig ander moment in de geschiedenis. Het zal allemaal eerst erger worden voordat het zich stabiliseert.

    Maar we krijgen wel een steeds duidelijker beeld van de klimaatverandering, en hoe dreigend dat er ook uitziet, we zullen die nieuwe wereld begaanbaar moeten maken – door stappen te zetten om de schade te beperken en ons met adaptaties te beschermen tegen wat niet meer te voorkomen valt. Met vier graden opwarming lijken de gevolgen onoverkomelijk. Met twee graden opwarming ligt niet het hele voortbestaan van de mensheid in de waagschaal, maar verandert alleen het landschap waarin we onze nieuwe toekomst moeten bouwen.

    ‘We hebben al een lange weg afgelegd en we hebben nog een lange weg te gaan,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Hayhoe. ‘We zijn al halverwege de helling, het was buffelen. Rust even uit, geef jezelf een schouderklopje, en kijk dan weer omhoog: daar moeten we naartoe. Dus voorwaarts, mars.’