Zeker 14 doden en 3 gewonden bij bomaanslag op legerbus
Op woensdag 20 oktober zijn in Damascus ten minste veertien mensen gedood en drie anderen gewond geraakt bij een bomaanslag op een legerbus. Het was de ‘bloedigste‘ aanslag die de Syrische hoofdstad ‘in jaren‘ heeft getroffen, aldus Al-Jazeera.
Volgens het officiële Syrische persagentschap was de bus met soldaten het doelwit van een ‘terroristische aanval’, uitgevoerd door twee bommen die aan het voertuig waren bevestigd en die ontploften toen het rond 6:45 uur plaatselijke tijd op een druk kruispunt in het stadscentrum reed. Een derde explosief, dat van de bus viel, werd naar verluidt ontmanteld. De aanval werd niet onmiddellijk opgeëist.
Kort na de aanval voerde het leger van Assad bombardementen uit in Ariha, in de provincie Idlib, in het noordwesten van het land, het laatste belangrijke bolwerk van de rebellen en jihadisten, waarbij volgens Syrian Observatory for Human Rights (SOHR) ten minste dertien doden vielen, merendeels burgers. Een ‘bloedbad’, volgens de Libanese website Al-Modon, die vijandig staat tegenover het Syrische regime.
‘Syrië is zeer ver verwijderd is van enige vorm van stabiliteit’
De aanval die Damascus trof is ‘een zeldzame gebeurtenis’ sinds de regeringstroepen in 2018 de controle herwonnen over gebieden in de buitenwijken van Damascus die in handen waren van de rebellen.
Volgens de website Enab Baladi van de Syrische oppositie was op 4 augustus in Damascus echter al een bus met Syrisch militair personeel het doelwit van een aanslag geweest. De aanslag werd opgeëist door de salafistische en jihadistische groepering Hurras al-Din.
In 2020, zo vervolgt Enab Baladi, zijn de hoofdstad van Syrië en haar voorsteden het toneel geweest van verschillende aanslagen, ‘waaronder acht in Damascus (…) door middel van op afstand bediende bommen’.
Voor Syrië-deskundige Joseph Daher, geciteerd door Al-Jazeera, toont deze aanslag aan dat Syrië ‘zeer ver verwijderd is van enige vorm van stabiliteit’. Nadat het regime van Bashar al-Assad dankzij Rusland en gewapende facties gelieerd aan Iran de controle over een groot deel van het Syrisch grondgebied heeft herwonnen, is het idee ontstaan dat Syrië na tien jaar oorlog weer stabiel is geworden. ‘Syrië bevindt zich nog steeds in een conflictsituatie’, aldus Daher.
Tijdens zijn lessen Nederlands voor gevorderden begrijpt de oorspronkelijk Iraanse programmamaker Bahram Sadeghi meteen wat ‘van de regen in de drup’ betekent. Vijfendertig jaar later schreef hij een aangrijpend boek over hoe hij als deserteur uit het Iraanse leger aankwam in de Rotterdamse haven – en de lange weg die daarop volgde. Een voorpublicatie.
Op 5 oktober 1985 schiet een Egyptische dienstplichtige politieagent op een groep vakantie vierende Israëlische toeristen in de Sinaï, vlak bij de grens met Eilat. Zeven toeristen, onder wie vier kinderen, worden gedood.
Twee maanden later lukt het mij, achttien jaar jong én dienstplichtig tijdens de bloedige oorlog tussen mijn land Iran en buurland Irak, om als verstekeling uit Iran te vluchten, samen met drie andere jonge landgenoten. Nadat we een paar dagen diep in het ruim van een Filipijns vrachtschip verscholen gezeten hebben, is onze voorraad eten en drinken op. We verlaten onze schuilplek en maken ons bij de bemanning bekend. We worden in aparte hutten opgesloten en een paar dagen later krijgen we te horen wat de kapitein van plan is: het schip zal naar Europa varen en na haar vracht te hebben opgehaald terugkeren naar Iran. Daar zal de kapitein ons overdragen aan de Iraanse autoriteiten. En in de tussentijd blijven we opgesloten in onze hutten. Een paar jaar later zal ik meteen begrijpen wat ‘van de regen in de drup’ betekent, als die uitdrukking tijdens de lessen Nederlands voor gevorderden behandeld wordt.
Een kleine week na de start van mijn vlucht vaart het schip door het Suezkanaal. Egyptische douanebeambten komen aan boord om de documenten van de opvarenden te controleren. In het Engels vertel ik de twee besnorde douaniers dat ik niet terug gestuurd wil worden naar Iran, want met de straf die in die tijd op ‘desertie in oorlogstijd’ stond (een extra jaar dienstplicht plus een aantekening in de overheidsadministratie als ‘deserteur’) heb je eigenlijk geen toekomst in Iran.
De volgende dag: een sympathieke rossige Egyptische tolk die Perzisch met een zangerige Arabische tongval spreekt, probeert me gerust te stellen door een paar keer te zeggen dat een gevluchte Iraanse deserteur goede kans maakt om in Egypte te mogen blijven. Na de Islamitische Revolutie zagen de Iraanse leiders Egypte als de verrader van de Palestijnse zaak omdat Egypte al een paar jaar toenadering zocht tot Israël, de aartsvijand van Iran. ‘Als je voor de Iraanse regering vlucht, kun je op onze clementie rekenen,’ is zijn heldere samenvatting van de geopolitieke verhoudingen. Maar als we op hun clementie kunnen rekenen, waarom zitten er dan gewapende militairen voor onze hutten? Aan het einde van de dag komt de aap uit de mouw. De tolk vertelt dat de meegekomen ambtenaren ons ervan verdenken spionnen van de Iraanse regering te zijn, die na die aanslag in de Sinaï voor nóg meer onrust in Egypte willen zorgen. Met stomheid geslagen word ik teruggebracht naar mijn hut. Met tranen in mijn ogen zie ik door de patrijspoort de palmbomen, die met hun groene bladeren zo mooi afsteken tegen het goudkleurige zand, aan me voorbijgaan: we varen weer.
Een paar weken later wordt de schutter veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf plus dwangarbeid, en op zaterdag 11 januari 1986 komt het schip in Rotterdam aan, aan de Wilhelminakade om precies te zijn.
De daaropvolgende dag lukt het ons met meer geluk dan wijsheid om uit het schip te ontsnappen en melden we ons bij de politie.
Vlindereffect
De Amerikaanse wiskundige en meteoroloog Edward Lorenz bedacht in 1961 de metafoor van het butterfly effect, het vlindereffect: de vleugels van een vlinder kunnen in Brazilië voor een minuscule luchtverplaatsing zorgen die maanden later een tornado in Texas kan veroorzaken.
Niet de vleugels van een vlinder maar de dodelijke kogels die een Egyptische agent op een zonnige zaterdag om 16:40 uur op een zandduin in de Sinaï afvuurde, zorgden ervoor dat ik, als deserteur/bootvluchteling uit Iran, in Nederland ben beland.
Maar als een aanslag, waar ik part noch deel aan had, een van de belangrijkste gebeurtenissen uit mijn leven is gebleken, wat is dan de impact van die aanslag op de direct betrokkenen geweest?
Zoals de toen vijfjarige Tali, die de aanslag overleefde doordat haar moeder Anita zich op haar wierp en de kogels opving die anders Tali zouden hebben geraakt? Hoe heeft die aanslag de verdere levensloop van Ehud bepaald, die er als twaalfjarige in slaagde om drie kinderen te redden, terwijl zijn jongere broer Amir werd doodgeschoten? Wat is er eigenlijk van de dader, de Egyptische Suleiman Khater, terechtgekomen?
Praten over de aanslag was geen makkelijke opgave voor sommigen van de betrokkenen
Algauw na de start van mijn research kom ik erachter dat er, afhankelijk van of je pro-Egypte of pro-Israël bent, verschillende versies bestaan over wat er op die fatale dag in oktober 1985 is gebeurd. Verder blijkt, niet geheel verrassend, dat praten over de aanslag geen makkelijke opgave is voor sommigen van de betrokkenen, zoals enkele van de Israëlische nabestaanden me mailden:
– I received your request, I am sorry I did not answer. I can not be interviewed on the subject matter. I hope you understand me.
– Sorry, I wish you success with the book but do not want to discuss this. Good luck.
– I do not wish to share anything about me with the world. Hope you respect my wish.
– Hello, I would like to keep my silence. Thank you.
Het vlindereffect speelt een belangrijke rol in de chaostheorie, die op haar beurt het gedrag van ‘niet-lineaire dynamische systemen’ onderzoekt, leert Wikipedia.
Soms heb ik het idee dat ik begrijp wat de bovenstaande zinnen betekenen. Met dit boek probeer ik enige grip te krijgen op het waanzinnigste dynamische systeem met al zijn niet-lineaire gedragingen, onvoorspelbaarheid en willekeur dat ik ken: mijn leven.
21 september 1980, Abadan, Iran
Ik ben bijna dertien jaar oud en heb met mijn vriendjes afgesproken om deze laatste dag van de zomervakantie voetballend in het park door te brengen. Maar je kunt plannen wat je wilt, er is altijd iets waar je geen rekening mee kunt houden, en in ons geval was het niet de hond van een parktoezichthouder (altijd een nachtmerrie in een land waar je als moslim weinig ervaring met honden hebt), nat gras (betekent vieze kleren dus straf van moeder) of oudere kinderen (die ons altijd wegjagen en de beste voetbalplekken inpikken), om maar een paar veel voorkomende voorbeelden te noemen.
Ik denk dat het zo rond elf uur in de ochtend moet zijn geweest dat we het luchtalarm hoorden, gevolgd door knallen in de verte. Worden we nou gebombardeerd? Zou de oorlog nu écht begonnen zijn?
In de maanden voorafgaand aan de oorlog drongen Iraakse gevechtsvliegtuigen geregeld het luchtruim van Iran binnen, altijd ’s nachts. Midden in de nacht rende ik dan met mijn twee oudere broers het dak van ons huis op om de rode kogels van luchtafweergeschut te zien die de donkere hemel doorkliefden terwijl ze gebroederlijk naar hetzelfde punt (een voor ons onzichtbaar Iraaks vliegtuig) zweefden.
Het was een prachtig schouwspel, moet ik eerlijk bekennen. Mijn geboortestad Abadan was een mooi doelwit voor een aanvaller die snel resultaat wilde boeken: een grote stad met een paar honderdduizend bewoners (altijd slim om burgerdoelen te bombarderen, want chaos verzekerd), een olieraffinaderij waar het hele land van afhankelijk was (economie in het hart raken plus oliebranden die bijna niet te blussen zijn) en lekker dichtbij (slechts gescheiden door een rivier van een paar honderd meter breed).
‘Mam, de oorlog is uitgebroken! Moeten we morgen toch naar school?’
Mijn moeder is al een paar dagen eerder begonnen met het klaarmaken van het huis voor de aanvang van het nieuwe schooljaar. Op die laatste dag zijn de tapijten aan de beurt. Nou hadden we in die tijd wel een stofzuiger, een Amerikaanse Hoover, maar mijn moeder gelooft niet echt in de moderne technieken en daarom komt er een paar keer per jaar een aantal ‘tapijtkloppers’ naar ons huis om de tapijten op professionele wijze uit te kloppen en, waar nodig, te reinigen. Uiteraard heeft mijn moeder geen idee dat dit de laatste keer is dat de tapijten schoongemaakt zullen worden.
Ik ren door de stofwolk die de tapijtkloppers in ons voortuintje opwerpen, vind mijn moeder naast de wasmachine (net als bij de stofzuiger heeft mijn moeder weinig vertrouwen in de werking van de wasmachine en daarom blijft ze er soms naast staan om de boel in de gaten te houden) en roep: ‘Mam, de oorlog is uitgebroken!’ Gevolgd door een zin die alleen van een bijna dertienjarige jongen kan komen: ‘Moeten we morgen toch naar school?’
12 oktober 1980, Abadan, Iran
Met mijn twee oudere broers, een paar neven en hun vrienden slaap ik sinds een aantal dagen op de stoep van ons huis. Ik vind het fijn om zo op de stoep te slapen, want met alle bommen en raketten die op onze stad afgevuurd worden, is het veiliger om buiten te slapen – bij een inslag kan het plafond naar beneden komen. Maar veiligheid is niet de enige reden waarom ik buiten slapen fijn vind. Het is vooral heel stoer om naast oudere jongens met hun wapens te liggen. Maar aan de andere kant vind ik het ook vies: niet de stoep zelf, want we liggen op onze Perzische tapijten, maar vanwege de roetdeeltjes die ’s nachts neerdalen en alles zwart maken. Die roetdeeltjes zijn ontstaan doordat de raffinaderij al weken in de fik staat. Je moet het meegemaakt hebben of op de tv gezien hebben (denk aan de beelden van de hevige bosbranden aan de Amerikaanse westkust anno 2021) om het te kunnen geloven, maar soms duurt het een paar dagen voordat we de blauwe hemel weer zien.
Begin november 1980, Mahshahr, Iran
Abadan is praktisch, maar gelukkig niet hermetisch omsingeld door de Iraakse troepen. Als je erin slaagt om de eerste dertig tot veertig kilometer (niemand weet precies hoeveel) door de woestijn te lopen en daarmee de Irakezen te omzeilen, kom je op een gegeven moment Iraanse troepen tegen die je meenemen naar het veilige Mahshahr, zo’n honderd kilometer verderop. In de ochtendschemering brengen mijn broers ons gezin met de auto naar de rand van de stad, tot aan de plek waar een auto niet verder kan omdat hij anders door het zand zou zakken.
Mijn vader had ik wel eens met een pet op gezien, want als lasser werkzaam in de olie-industrie in het zuidwesten van Iran moest hij vaak onder de felle zon werken en daarom had hij meerdere petten. Maar mijn moeder met een pet op, over haar hoofddoek? Er zijn van die beelden die je niet gauw vergeet.
4 november 1980, VS
Jimmy Carter, de eerste Amerikaanse president die ik bewust heb meegemaakt, verliest op die dag de presidentsverkiezingen van Ronald Reagan. Net als vele andere Iraniërs heb ik geen idee wie Reagan is, maar die vervloekte Carter ken ik wel degelijk: sinds de aanloop naar de Islamitische Revolutie in de zomer van 1978 (die een halfjaar later tot de val van de sjah van Perzië leidde), is Carter als supporter van de sjah niet van de Iraanse radio en tv weg te slaan. Natuurlijk hebben we nu, midden in de oorlog met Irak, andere zaken aan ons hoofd dan de Amerikaanse verkiezingen, maar het bericht van Carters smadelijke nederlaag (hij wint slechts in zes staten!) vormt een kleine pleister op de oorlogswonde. Niet alleen door zijn steun aan de sjah werd Carter in Iran gehaat, maar ook omdat hij de architect was van de schandelijke Camp David-akkoorden, waarmee Egypte en Israël een jaar eerder vrede met elkaar hadden gesloten en waarmee ze, in onze ogen, de Palestijnse zaak in de uitverkoop hadden gedaan.
Zonder de bemiddeling van president Carter zou Israël zich misschien niet uit de Sinaï teruggetrokken hebben en zou de schutter Suleiman Khater niet in de Sinaï gestationeerd zijn geweest, waar hij, vijf jaar na de ondertekening van de Camp David-akkoorden, een bloedbad zou aanrichten.
Oktober 1982, Bandar Abbas, Iran
Na een jaartje als vluchteling eerst in Mahshahr en later in Khorramabad gewoond te hebben en af en toe familie in andere steden bezocht te hebben, denk ik zo ongeveer te weten wat discriminatie betekent. Maar pas als we ons in de loop van 1982 permanent in Bandar Abbas vestigen (mijn vader ging ons voor en wij volgden later) ervaar ik hoe verschrikkelijk het is om ergens te – moeten – wonen waar je niet oorspronkelijk vandaan komt. Neem mijn gemiddelde dag als scholier in Bandar Abbas: de busrit van ongeveer een halfuurtje naar school is al een ware nachtmerrie. Ik reis met een paar andere vluchtelingenkinderen per bus en er zijn altijd oudere lokale jongens die direct aan ons kunnen zien (hier hebben wij een lichtere huid dan de oorspronkelijke bevolking) en horen dat we niet uit Bandar Abbas komen. Het treiteren begint in de bus, met soms een vechtpartij bij het uitstappen. En aangezien we een lange middagpauze hebben waarin we naar huis gaan, kan het gebeuren dat ik soms op één dag meerdere keren in een vechtpartij terechtkom.
Mei 1985, Bandar Abbas, Iran
Ik zet op een rijtje wat de opties zijn voor een scholier als hij zijn diploma heeft gehaald, want met mijn bijna achttien jaar en de dienstplicht die in mijn nek hijgt, heb ik de tijd niet mee:
1) Je gaat direct het leger in:
• In het ergste geval ga je gedurende de twee jaar durende dienst dood.
Iran telde zo veel oorlogsgehandicapten dat wij op de Paralympische Spelen bij de grootste sportnaties hoorden
• Als je méér pech hebt, raak je gewond, waarbij het verlies van benen (geen ondenkbaar vooruitzicht met eindeloze mijnenvelden die dagelijks honderden slachtoffers eisen) het vaakst voorkomt. Op een gegeven moment telde Iran zo veel oorlogsgehandicapten dat wij op de Paralympische Spelen bij de grootste sportnaties hoorden: olympisch goud voor het zit-volleybalteam in 1984, 1988, 1992, 1996 en 2000 om maar een voorbeeld te noemen.
• En als je nóg meer pech hebt, raak je gewond bij een chemische aanval, met levenslange gevolgen voor je huid, longen en ogen.
2) Je wordt aangenomen op een universiteit:
Tijdens de studietijd krijg je vrijstelling van de dienstplicht, maar na het behalen van je bul, en dat kan je tot zes jaar oprekken, moet je alsnog het leger in.
Klinkt niet slecht, want wie weet is die vervloekte oorlog tegen de tijd dat je afgestudeerd bent, afgelopen, maar de kans om toegelaten te worden, zelfs op een onbeduidende universiteit ergens in het achtergebleven zuidoosten van het land, is in die tijd even groot als de kans dat het Iraans elftal wereldkampioen voetbal wordt. En met honderdduizenden dienstplichtigen die via die route de dienstplicht willen omzeilen, is de concurrentie moordend.
3) Je wordt aangenomen op de lerarenopleiding:
Tijdens de opleiding van twee jaar krijg je vrijstelling van de dienstplicht en zolang je daarna lesgeeft hoef je ook niet het leger in. Maar je moet wel tegen het streng islamitische regime van de lerarenopleiding bestand zijn. In mijn laatste jaar van de middelbare school deed het verhaal van een aanstaande leraar de ronde die de islamitische regels op de lerarenopleiding zo zat werd dat hij zich vlak voor het afstuderen officieel voor gek liet verklaren (vergelijkbaar met het Nederlandse S5) om van de opleiding af te mogen gaan. Om vervolgens alsnog het leger in te moeten, want je kunt het zo gek niet bedenken, de oorlog weet wel raad met alle soorten kanonnenvlees.
4) Je vlucht naar het buitenland:
Afhankelijk van je budget en de route (via land, naar Turkije of Afghanistan/Pakistan, of via de zee, naar Dubai) schat ik mijn slagingskans ergens tussen nul en nihil in, vanwege het feit dat wij als armlastige vluchtelingen niet genoeg geld hebben om een dergelijke onderneming te betalen en de grenzen bovendien heel streng gecontroleerd worden. Als je als dienstplichtige opgepakt wordt, krijg je een ‘vermelding’ in de overheidsadministratie als deserteur (oftewel: einde verdere carrière) en moet je daarbovenop een extra jaar aan de grens met Irak dienen. En de grens met Irak is op dit moment de laatste plek in het universum waar je wil zijn.
Geen vlucht naar het buitenland dus.
5 oktober 1985, Ras Burqa, Egypte
Suleiman Khater, volledige naam: Suleiman Mohammed Abdul-Hamid Khater, werd geboren in 1961 in het plaatsje Ikayyad, in het noorden van Egypte, op zo’n tweeënhalf uur rijden van de hoofdstad Caïro. Hij was het jongste kind van een gezin met drie zoons en twee dochters. Op 4 oktober 1982 begint de dienstplicht van Suleiman en hij wordt op 1 mei 1983 bij de centrale veiligheidstroepen in Zuid-Sinaï gestationeerd, bij Ras Burqa, of zoals het leger het officieel noemt: Point 46. Point 46 bestaat uit twee gebouwen om te slapen en te werken, en één gebouw waarvandaan de omgeving in de gaten gehouden wordt. Suleiman werd, en wordt nog steeds vaak ‘soldaat’ genoemd terwijl er volgens de Camp David-akkoorden van 1979 geen soldaten op die plek mochten zijn (en de Egyptenaren die er wel waren mochten geen automatische wapens dragen zoals Suleiman deed). De term die later gebruikt zal worden om zijn functie aan te geven, is police conscript serving in a special border patrol unit, wat je als ‘dienstplichtige politieagent werkzaam bij de grensbewaking’ kunt vertalen.
Schoot Suleiman Khater, zoals veel Arabische bronnen melden, op een groep Israëlische spionnen die verkleed als toeristen én met kinderen als ultieme afleidingsmanoeuvre zijn geavanceerde communicatieapparatuur wilden stelen? Waren het eigenlijk wel kinderen? Sommigen van hen waren behoorlijk lang voor hun leeftijd, vond een aantal Egyptische journalisten en schrijvers die later over de schietpartij schreven. Of was Suleiman een geradicaliseerde moslim die een steeds grotere hekel kreeg aan Israëli’s die onbeschaamd in de Sinaï vakantie kwamen vieren nadat hun regering een vernederend akkoord had gesloten met Egypte? Of zou hij door zijn lange verblijf in de Sinaï simpelweg zijn doorgedraaid (bevangen door kwaadaardige woestijndjinns)?
Rond 16 uur beginnen drie volwassenen, Ilana, Haman en Anita, en negen kinderen aan de beklimming van de zandduin waarop de uitkijkpost van de Egyptische militairen zich bevindt.
Omstreeks 16.20 begint Suleiman Khater te schieten.
• Haman Shelach (44) wordt in zijn buik geraakt. Later verklaart de Israëlische minister van Gezondheid Mordechai Gur namens de artsen die de dodelijke slachtoffers hebben onderzocht dat de wond van Haman ernstig was, maar dat hij, als hij (en dat gold ook voor een aantal andere slachtoffers) snel naar een ziekenhuis was gebracht, de aanslag zou hebben overleefd.
• Ilana Shelach (43) wordt in het hoofd geraakt en overlijdt direct.
• Tzlil Shelach (12) wordt in haar ruggengraat getroffen en overlijdt door bloedverlies. Volgens de artsen was ze te redden geweest, maar zou ze verlamd zijn geraakt.
• Ofri Turel (12) wordt in het hoofd geraakt en overlijdt direct.
• Dina Barri (10) wordt in haar been geraakt en overlijdt door bloedverlies.
• Amir Baum (10) wordt in zijn been geraakt en overlijdt door bloedverlies.
• Ook Anita Griffel (35) overlijdt uiteindelijk door bloedverlies, nadat ze is geraakt in de arm en de heup.
Dat zijn de doden.
• Ehud, de broer van Amir, wordt in zijn keel geraakt door rondvliegende scherven. Bloedend, maar verrassend kalm weet hij achter een rots te schuilen en hij roept naar de andere kinderen om hem te volgen. Zo leidt de twaalfjarige Ehud zijn broertje Moshi (vijf jaar, geraakt aan zijn rechter schouder door een afgeketste kogel), Amnon Barri (zeven jaar, ongedeerd) en Na’ama Korn (acht jaar, ongedeerd) naar beneden.
• Tali Griffel (vijf jaar) overleeft de schietpartij doordat haar moeder Anita zich over haar heen werpt en de kogels opvangt die anders Tali zouden hebben geraakt.
Net als de verschillende verhalen over wat voorafging aan de schietpartij (zoals de als kind verklede spionnen) zijn er verschillende verhalen over wat er in de eerste uren na de schietpartij is gebeurd.
In grote lijnen zijn de meeste bronnen het eens over de volgende punten:
• In de eerste uren na de schietpartij mocht niemand bij de lichamen komen die op de zandduin lagen. Over de reden daarvan verschillen de bronnen (van ‘zorgen dat de plaats delict niet vervuild raakt’ tot ‘Egyptenaren zien graag Joden sterven’) maar het heeft volgens de Israëlische artsen waarschijnlijk geleid tot onnodig bloedverlies en het overlijden van sommige slachtoffers.
• Ergens tussen 19.30 uur en 20.30 uur geeft Suleiman zich over. Hij wordt vastgehouden in de Fanara-gevangenis, vlak bij de stad Suez.
• De doden en een aantal gewonden worden eerst naar een ziekenhuis in Nuweiba, Egypte, gebracht (één uur rijden ten zuiden van Ras Burqa), en uit-eindelijk naar het Yoseftal-ziekenhuis in Eilat, Israël (45 minuten rijden ten noorden van Ras Burqa).
• Bij Ras Burqa kwam op zaterdag 5 oktober 1985 de zon om 05.36 uur op en ging om 17.23 uur onder. De temperatuur schommelde overdag rond de dertig graden Celsius.
December 1985, Bandar Abbas, Iran
Nooit heb ik een wonderlijker kerel gekend dan Nasser. Met Nasser, een man van begin dertig en net als ik een vluchteling uit Abadan die als ‘lader’ in de haven werkt, maak ik kennis tijdens een van mijn inspectierondjes als tallyman. We raken met elkaar in gesprek: hij blijkt overal en nergens in Abadan gewoond te hebben, strooit met namen van dealers, pooiers, verzetsstrijders (zowel uit de tijd van de sjah als van na de revolutie), topvoetballers, gokkers, corrupte politiechefs, illegale bierbrouwers en tapijthandelaren etc. die allemaal uit mijn geboortewijk komen en vergeet blijkbaar dat ik een jongetje van dertien was toen ik Abadan verliet en dus geen weet had van wat er in – de onderwereld van – Abadan gebeurde. Ik vertel Nasser dat ik mijn middelbareschooldiploma heb gehaald en over een paar maanden in dienst moet. Volgens Nasser is het ontzettend stom als ik met al mijn ervaring in de haven de mogelijkheid om te ontsnappen niet benut en in plaats daarvan een ongewisse toekomst in het leger tegemoetga.
Maar wat als ik opgepakt word? vraag ik hem. We gaan het heel slim aanpakken, zegt Nasser.
Zei hij nou ‘wij’?
17 december 1985, Bandar Abbas, Iran
Onder het streng toeziende oog van de Filipijnse bemanning beginnen de Iraanse laders het schip te verlaten, maar dat gaat zoals altijd langzaam en tamelijk chaotisch, met als voordeel dat alle aandacht van de bemanning naar de arbeiders uitgaat, waardoor ik ongestoord via het luik dat Nasser op een kiertje heeft gezet, het ruim in kan gaan. Op klaarlichte dag.
Naast Nasser zitten Hafez en Jalil, mijn twee andere reisgenoten. Hafez is al één jaar en Jalil al twee jaar op de vlucht voor de dienstplicht, en net als ik hebben zij geen geld voor een smokkelaar. Nog altijd, na 35 jaar, kan ik er met mijn hoofd niet bij dat ik een van de gevaarlijkste dingen in mijn leven heb ondernomen met drie mensen die ik amper kende. Maar misschien is dat iets wat je alleen kunt doen als je jong bent en geen echt besef van de gevaren hebt. Tijdens de research voor dit boek vind ik in de krantenarchieven afschuwelijke berichten over verstekelingen die overboord zijn gegooid in de periode dat ik als verstekeling Iran verliet. Zo werden kapitein Antonis Plytzanopoulos van het schip Garifalia en zijn crew opgepakt en veroordeeld omdat ze elf Afrikanen voor de kust van Somalië in het water hadden gegooid. Die zaak kwam aan het rollen omdat de scheepskok het geheim niet voor zich kon houden en naar de politie stapte.
Na ongeveer één week varen bereiken we het Suezkanaal, waar tot mijn onbeschrijfelijke ontsteltenis een rossige Egyptenaar met zangerig Perzisch accent me vertelt hoe een aanslag in zijn land tussen mij en mijn vrijheid staat. De volgende dag kijk ik uit de patrijspoort en zie ik Egypte aan me voorbijtrekken.
Eind december 1985, Egypte/Israël
Op 28 december 1985 veroordeelt de rechtbank Suleiman Khater tot 25 jaar gevangenis plus dwangarbeid. Twee dagen later wordt hij van de gevangenis in Suez naar een militaire gevangenis in Caïro gebracht.
Kerst 1985, Limasol, Cyprus
Jalil, die in de keuken werkt, hoort van de kok dat we onderweg zijn naar Cyprus. Daar herhaalt zich bijna hetzelfde tafereel als bij het Suezkanaal; als de Cypriotische douanebeambten onze hut binnenkomen, vertel ik namens ons allemaal dat we uit Iran gevlucht zijn én dat de kapitein ons terug wil brengen naar Iran zodra hij zijn vracht heeft opgehaald in Europa (we weten nog steeds niet in welk land, maar volgens de kok wordt het zeker een Europese haven).
Ik weet niet meer welke reden ze daarvoor hebben gegeven, of ze überhaupt een reden hebben gegeven, maar na drie dagen voor anker gelegen te hebben voor de haven van Limasol vertellen de Cyprioten dat we – ‘so sorry, sad situation unfortunately’ – niet welkom zijn in hun land. Hoe kunnen deze mensen, die gedurende drie dagen onze verhalen hebben gehoord, ons in de steek laten?
In 2019 publiceert onderzoeksjournalist Linda Polman een boek over tachtig jaar Europees vluchtelingenbeleid met de veelzeggende titel Niemand wil ze hebben.
7 januari 1986, Egypte
De Egyptische staatsradio maakt bekend dat een bewaker van de ochtendploeg in de militaire gevangenis in Nasr City bij Caïro het lichaam van Suleiman Khater in zijn cel heeft gevonden, met een laken opgehangen aan de raamtralies.
Half januari 1986, Rotterdam
Op zaterdag 11 januari 1986, vier dagen na het over-lijden van Suleiman, meert ons schip aan bij de Wilhelminakade in Rotterdam-Zuid. Er wordt op de deur van onze hut geklopt, en nadat de barricadebalk verwijderd en de deur van het slot is gehaald, lopen twee geüniformeerde douanebeambten onze hut binnen. Hun hoofden raken bijna het plafond, waarmee voor mij het bewijs is geleverd: inderdaad, we zijn nu echt in Holland. De blonde reuzen vertellen dat ze al door de kapitein op de hoogte gebracht zijn van onze situatie, maar willen voor de zekerheid van onszelf weten wat ons verhaal is. ‘En graag kort en bondig.’
Ten einde raad smeek ik om in Nederland te mogen blijven
Ten einde raad smeek ik om in Nederland te mogen blijven want gedwongen terugkeer naar Iran, zoals de kapitein dat wil, zou een ramp voor ons zijn. Als we na een dag nog niets van de Hollanders hebben gehoord, vrezen we hetzelfde scenario als in Egypte en Cyprus. Maar gelukkig hebben we een ongelooflijke meevaller: ondanks het feit dat de patrijspoort in onze hut vrij klein is, waardoor we de omgeving niet goed kunnen verkennen, zien we dat er midden in het hekwerk op de kade (dat minstens drie meter hoog en dus niet te beklimmen is) een lichtmast staat. We bedenken een plan om de muurplanken van onze hut los te schroeven en via de aangrenzende hut, die leegstaat, te ontsnappen en één verdieping hoger naar het dek te gaan, de loopplank af te lopen, een meter of vijftig naar de lichtmast te rennen, de lichtmast op te klimmen zoals je een ladder op klimt, en aan de andere kant weer naar beneden te klimmen. Wie plaatst er in godsnaam een lichtmast in het hekwerk?
April 2019, Jeruzalem, Israël
Op het moment dat ik haar opzoek, is Tali 38 jaar oud, lichaamstherapeut van beroep met een eigen praktijk, moeder van vier kinderen en getrouwd met de Amerikaan Mitch, die als vertaler werkt. ‘Een paar weken na de aanslag ben ik met mijn Amerikaanse vader naar de VS gegaan. Het eerste jaar verkeerde ik in een shocktoestand, was echt bang voor alles, maar het scheelde enorm dat ik in Amerika was, want daar was ik veilig. Na een paar sessies met de kinderpsychiater kreeg ik te horen dat alles goed was. ‘In de VS gedroeg ik me als een all American girl: ik deed erg mijn best op school, sportte fanatiek en had veel vrienden. Een overachiever, zoals wij Amerikanen dat noemen. Maar ik vertelde niemand over wat mij als kind was overkomen, de trauma’s die ik daaraan had overgehouden: zo was ik en ben ik nog altijd bang voor vuur. Zelfs het aansteken van de kandelaars voor de viering van sjabbat vind ik angstaanjagend. In de eerste jaren na de aanslag raakte ik behoorlijk van slag als ik harde knallen hoorde, vooral als die klinken als geweerschoten.’
Ik vertel Tali dat ik van plan ben om ook de familie van Suleiman Khater op te zoeken om te kijken wat de impact van die aanslag én zijn zelfmoord op hun leven is geweest. Zal ik je op de hoogte houden van die kant van het verhaal, vraag ik haar. ‘Nee hoor, ik hoef dat allemaal niet te weten. Die man heeft mijn moeder van mij afgenomen, de vrouw die de kogels heeft opgevangen die anders mij zouden hebben geraakt. Ik zie wel eens oma’s met hun kleinkinderen in het park en denk dan: als mijn moeder nog had geleefd, had zij dat ook kunnen meemaken. Ik hoef echt niet te weten hoe het met de familie van die man gaat.’
November 2019, Caïro – Ismaïlia, Egypte
Terwijl ik duizend doden sterf omdat mijn Egyptische fixer die achter het stuur zit twee telefoons in zijn handen houdt waarmee hij om de haverklap belt of waarop hij gebeld wordt, berichtjes ontvangt én verstuurt, en wonderbaarlijk genoeg in staat blijkt tegelijkertijd te roken, ben ik onderweg van Caïro naar Ismaïlia, de dichtstbijzijnde stad bij het geboortedorp van de schutter Suleiman Khater die over hotels beschikt. ‘Ik hoorde op de radio dat iemand uit onze provincie zeven Israëli’s had gedood. Pas de daaropvolgende dag hoorde ik dat Suleiman de schutter was geweest, toen er iemand langskwam die zich voorstelde als collega van Suleiman en ons vertelde dat Suleiman zeven Israëli’s had gedood. Met mijn moeder en zus zijn we direct met de auto naar Nuweiba gegaan,’ vertelt Abd Almoneim, de broer van Suleiman. Suleiman verzekert zijn familie dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Hij heeft alleen maar gedaan wat een goede militair zou doen. Drie maanden later hoort Abd Almoneim, wederom op de radio, dat zijn broer zelfmoord heeft gepleegd. ‘We hebben om een tweede autopsie gevraagd, maar de regering weigerde. Er werd gezegd dat kolonel Khadafi, de toenmalige leider van Libië, artsen wilde sturen om het lichaam van Suleiman te onderzoeken, maar daar gaf Mubarak geen toestemming voor. Wat ik het ergste vind, is dat we nog altijd geen doodsakte hebben. Er is niemand van de regering geweest die officieel heeft verteld hoe Suleiman is overleden. Mijn broer leeft officieel nog.’
Bahram Sadeghi
Bahram Sadeghi (1967, Iran) schrijft voor landelijke dag-bladen, is programmamaker en een veelgevraagd presentator. In het jaar dat covid-19 zijn mooi opgebouwde freelance-bestaan deed instorten, schreef hij een boek dat in november verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact.
De moord op generaal Qassem Soleimani zal ingrijpende gevolgen hebben voor de Amerikaanse, Iraakse en Iraanse politiek, aldus hoogleraar politicologie Mehrzad Boroujerdi. Toch acht hij de kans klein dat het tot een escalatie van het conflict in het Midden-Oosten zal leiden.
Keuze uit het archief
Bij een dubbele bomaanslag werden woensdag meer dan 103 mensen gedood in de Iraanse stad Kerman. Het bloedbad vond plaats tijdens de herdenking van de dood van de Iraanse militair leider Qassem Soleimani, die op 3 januari 2020 werd vermoord door een Amerikaanse aanval in Bagdad. Een dag later eiste Islamitische Staat de aanslag op.
In dit artikel, dat enkele dagen na zijn dood gepubliceerd werd, bespreekt hoogleraar politicologie Mehrzad Boroujerdi welke rol Qassem Soleimani speelde in Iran en de impact van zijn moord op het conflict in het Midden-Oosten, dat recent weer tot een kookpunt is gekomen.
Generaal Soleimani (1957-2020) was al 22 jaar commandant van de geduchte Quds-brigade van de Revolutionaire Garde en daarmee de belangrijkste militaire leider van de Islamitische Republiek Iran.
De man die tot de Iraanse Revolutie van 1979 de kost had verdiend als metselaar en medewerker van het gemeentelijke waterbedrijf, bewees vervolgens zijn moed in de oorlog met Irak en groeide daarna uit tot de meest gevreesde Iraanse generaal van de afgelopen vijftig jaar. In 2005 noemde de opperste leider ayatollah Khamenei hem een ‘levende martelaar’, en hij wordt gezien als het brein achter belangrijke militaire overwinningen van Iran en zijn bondgenoten in Irak, Syrië en elders.
Soleimani had in Iran de status van een superheld, en was voor de Amerikaanse strijdkrachten in Irak een belangrijk doelwit. Zijn liquidatie wordt een complicerende factor in de Iraakse politiek. Als vergelding voor de aanslag op hem en op Abu Mahdi al-Muhandis, plaatsvervangend commandant van Hashd al-Shaabi [de overkoepelende organisatie van sjiitische volksmilities], gaan sjiitische milities ongetwijfeld meer aanvallen op de Amerikaanse strijdkrachten uitvoeren. Vanuit de bevolking en de politiek zal de druk op het parlement toenemen om bij wet te eisen dat de Amerikaanse strijdkrachten zich terugtrekken. Zelfs de ayatollahs Sistani en Moqtada al-Sadr, twee sjiitische geestelijken die tegen Iraanse inmenging zijn, staan nu onder druk om deze aanslag te veroordelen.
Interim-premier Adil Abdul-Mahdi zal waarschijnlijk het veld moeten ruimen voor een meer pro-Iraanse politicus. De demonstranten die tegen de corruptie betogen, zullen merken dat hun protesten overschaduwd worden door de repercussies van Soleimani’s liquidatie en de onontkoombare dynamiek van de Amerikaans-Iraanse rivaliteit in Irak.
Martelaar
Als militaire operatie is de actie van de VS zonder meer geslaagd, maar de politieke consequenties zien er minder rooskleurig uit. Er doemen grote vragen op: hoe zal de VS omgaan met woedende menigtes? Hoe zal het reageren op de in heel de islamitische wereld te verwachten golf van aanvallen op zijn strijdkrachten, instellingen en belangen? Is Trumps regering straks gedwongen nog meer troepen naar de regio te sturen, in een verkiezingsjaar? De Amerikanen hebben een ernstige inschattingsfout gemaakt door de complexiteit van de Iraakse politiek te reduceren tot het probleem van Iraanse inmenging. Ze hebben misschien een of twee grote vijanden uit de weg geruimd, maar daarmee Iran een grote politieke overwinning in Irak op een presenteerblaadje gegeven.
De aanslag op Soleimani heeft ook gevolgen voor Iran. De dood van een man met zo veel kennis van de militaire verhoudingen in de regio en zo’n goede band met veel militieleiders in Iran, Irak en Syrië is een groot verlies. De martelaar Soleimani zal door de Iraanse staat worden bewierookt op een wijze die niet meer gezien is sinds de dood van ayatollah Khomeini. Velen zullen daarbij even vergeten dat Soleimani een van de 24 commandanten van de Revolutionaire Garde was die in 1999 in een dreigende brief eisten dat de hervormingsgezinde president Khatami harder optrad tegen studentenprotesten. En zijn dood zal ook het nieuws over de gewelddadige onderdrukking van de demonstraties vorige maand naar de achtergrond drukken. Bovendien zal het regime in Irak nu meer maximalistische doelen nastreven. En indachtig het gezegde dat wraak een gerecht is dat je het best koud serveert, zullen ze zelf een tijdstip bepalen om de dood van Soleimani te wreken.
Betekent dit alles dat we onherroepelijk op een oorlog afstevenen? Niet per se. Een escalerende oorlog in het Midden-Oosten is wel het laatste wat Trump in een verkiezingsjaar kan gebruiken. En de Iraanse machthebbers zijn ook slim genoeg om te beseffen dat ze geen oorlog kunnen voeren met een lege schatkist en een bevolking die zich steeds meer van hen afkeert. Bovendien willen ze, met al hun retoriek over de martelaar Soleimani, hun politieke voordeel in Irak niet verspelen. De oven van het Midden-Oosten is dus flink opgestookt, maar het staat nog niet vast dat hij ook op ontploffen staat.
Tatjana Sedych maakt al veertien jaar in haar eentje de onafhankelijke krant van de gemeente Vanino, in het Verre Oosten van Siberië. Dat leverde haar de Sacharovprijs op – maar ook een afgebrand huis en een aanslag op haar leven.
Martijn Smiers, Rusland-correspondent van RTL4, tipte de redactie dit artikel: ‘Het verhaal van Tatjana viel mij op omdat dit Rusland in het klein is. Het land heeft uitstekende journalisten. Niet alleen in Moskou, maar ook in provinciesteden en dorpjes. Die journalisten verdienen weinig, worden vaak tegengewerkt door de plaatselijke autoriteiten en toch kiezen ze niet voor een comfortabel bestaan bij de staatsmedia. Zelfs niet als ze, zoals Tatjana, invalide zijn en een moordaanslag om hun oren krijgen.’
In de markt tegenover de haven bedekken zo’n vijftien vrouwen hun houten kisten met een doek en leggen de eerste oogst erop: de nog niet opgegeten wintervoorraad jam, de door hun mannen gevangen vis en kiemplantjes. Ze verkopen puree van duindoornbessen, pijnboompitten in een schaal, gedraaide limoentakjes en blaadjes van rode bosbessen. Hun vis is een geschenk uit de Tatarski-baai: vandaag liggen er op de toonbank gedroogde komkommervisjes (die vangen ze in de winter en in de badkamer hangen ze de visjes aan een spijker te drogen), gedroogde regenboogspiering, gerookte roze zalm en krabben (tien euro voor een kilo). Al dagen wachten ze hier op de adelaarsvarens. Als de oogst begint, zijn ze er voor 30 cent per bos en worden ze in elk huis gebakken met ui en knoflook. Een deel van de varens wordt ingezouten voor de winter. De rest wordt opgestuurd naar de kinderen in Europees Rusland, in een pakketje, samen met gedroogde komkommervisjes.
Langs de kraampjes, steunend op een wandelstok, loopt een vrouw. Ze begroet elke verkoper, vraagt of ze het niet koud hebben, hoe vandaag de handel gaat en ze deelt de krant uit. Dit is Tatjana Sedych, uitgever, redacteur en enig journalist van de plaatselijke krant Moje Poberezje (‘Mijn Kust’). Elke zaterdag heeft ze, hier op de markt, een ontmoeting met haar lezers.
Een bevriende verkoper heeft de rolstoel al voor haar uitgeklapt. Die staat in de winkel ernaast en wacht daar op Tatjana, van zaterdag tot zaterdag. Ze bevestigt een blad met opschrift ‘Abonnement 2018’ aan haar wandelstok. De lezers komen non-stop naar Tatjana toe. De een klaagt over het leven, de ander vraagt of ze kan kijken naar haar lekkende dak, en weer een ander laat haar een medisch dossier zien.
Moje Poberezje is een zwart-witte krant van aanvankelijk acht à tien pagina’s. Nu zijn het er vier: de drukkerij is duur. Het eerste nummer verscheen in januari 2004, en zowel toen als nu is dit de enige onafhankelijke krant in Vanino.
Edelstenen
Tatjana werd in 1958 geboren, op het eiland Sachalin, in een geologisch verkenningsdorp. Haar ouders waren opgeroepen om daar, in het Verre Oosten van Siberië, te werken. Ze woonden in het Noorden van Sachalin, in trailers, midden in de taiga. De bewoners noemden hun dorpje dan ook Razvedka (‘Verkenning’).
In Razvedka was een medische post, een crèche en een schooltje met één grote klas voor alle kinderen. Om bij het station te komen, moest je eerst een aantal kilometer lopen over een onverharde weg. Als je geluk had kon je met de paardenslee. De trein – die bestond uit een locomotief en één wagon – ging één keer per dag: 28 kilometer naar het dorp Ocha en daarna nog eens 12 kilometer naar de haven Moskalvo, de rand van het eiland. Bussen waren er niet.
Toen bij Tamara, de moeder van Tatjana, ’s nachts de weeën begonnen, werd ze in Razvedka op een paardenslee gezet en uit Razvedka naar het ziekenhuis in Moskalvo gebracht. Daar werd Tatjana geboren.
Als er een ingezonden brief was waarin stond dat de autoriteiten niets deden, zeiden ze Tatjana dat de krant daarover niet ging schrijven. In die gevallen stuurde Tatjana zelf een antwoord. Iemand moest het doen
Tatjana werd journalist na haar dertigste, toen ze al twee kinderen had. Ze verhuisde in 1991 naar Vanino met haar man, een militair die daarheen werd uitgezonden. Midden jaren negentig begon ze stukjes in te sturen bij de plaatselijke krant Voschod (‘Zonsopgang’). Later kwam de hoofdredacteur bij haar thuis langs en bood haar een baan aan.
Ze werd aan het werk gezet bij de brievenrubriek. Daar moest ze ingezonden brieven lezen en interne memo’s schrijven met wat de lezers bezighoudt. Soms kwamen er artikelen naar aanleiding van een ingezonden brief. Soms werd een lezersbrief naar de plaatselijke autoriteiten gestuurd als alleen die het probleem konden oplossen.
Maar als er een ingezonden brief was waarin stond dat de autoriteiten niets deden, zeiden ze Tatjana weleens dat de krant daarover niet ging schrijven. In die gevallen stuurde Tatjana dan maar zelf een antwoord. Iemand moest het doen.
Toen Tatjana op een dag zag dat een collega haar artikel ter controle naar de autoriteiten stuurde, waarna het stuk niet gepubliceerd werd, besloot ze de krant te verlaten.
Ze ging aan de slag bij een particuliere krant. Daar had ze weliswaar niet te maken met afhankelijkheid van de autoriteiten, maar wel met een baas en met zakelijke belangen. Om als journalist openlijk te kunnen schrijven over wat er aan problemen leefde onder de mensen, zag ze in, moest ze zelf een krant oprichten.
Mama, brand!
Het eerste nummer haalde ze zelf op bij de drukker. Ze slaagde erin om 900 exemplaren bij plaatselijke kraampjes te bezorgen. Om tien uur ’s avonds was ze thuis, bracht ze haar dochter naar bed, en schreef ze tot drie uur ’s nachts het tweede nummer. Om vier uur werd ze wakker van haar dochter, die schreeuwde. ‘Mama, brand!’
De garage was in brand gestoken, het vuur verspreidde zich naar naar het huis. Toen ze wakker werden, stond de voordeur al in vuur en vlam. Voor alle ramen zaten tralies, behalve één: daardoor kropen ze naar buiten. Op de veranda lag het eerste nummer van de krant, een oplage van 10.000, die – net als de woning – in vlammen op ging. Van de auto bleef alleen een geraamte over.
Na de brand ging Tatjana vaak naar de politie. Ze eiste een strafzaak, maar de daders zijn nooit gevonden.
‘Ik dacht: Daar sta je dan op straat en overal om je heen gaat het leven gewoon door. Maar er zijn toch daders? We hebben politie, de brandweer, justitie. Maar ze deden alsof er niets gebeurd was, alsof niemand het wat interesseerde, alsof iedereen het was vergeten.’
Tatjana en haar dochter gingen noodgedwongen op de redactie wonen. Overdag werd er in het kantoor gewerkt; ’s avonds dweilden ze de vloer, legden ze een matras neer en gingen ze slapen.
Aangezien de eerste oplage in de vlammen was opgegaan, was er geen omzet binnengekomen. Maar de drukkerij moest wel worden betaald. Tatjana had dus meteen een schuld.
In die periode werd Tatjana gebeld door ‘De Jonge Verre Oosterling’, een loyale krant uit de stad Chabarovsk, die loyaal is aan de autoriteiten. Ze boden haar een baan aan, maar Tatjana weigerde resoluut: ‘Ik heb niet mijn eigen krant opgericht om mijn huis te laten afbranden en de boel te sluiten.’ Het tweede nummer kwam er, gewoon op tijd.
De krant van Tatjana heeft een ongeschreven handvest, bestaande uit drie regels die Tatjana zelf heeft bepaald en nooit overtreedt.
Regel 1: de mens, in voor- en tegenspoed, staat altijd voorop.
Wanneer je in Vanino alles al hebt geprobeerd om je recht te halen en alle wegen zijn uitgeput, dan ga je naar Tatjana.
Als je over het werk van Tatjana een actiefilm zou maken, dan zou zij de heldin zijn die strijdt tegen twee grote krachten: de autoriteiten van de gemeente Vanino en hun loyale pers. De autoriteiten hebben enorm veel macht. Gedurende de hele film proberen ze de heldin, die opkomt voor de plaatselijke bewoners die door de autoriteiten zijn vernederd, te gronde te richten. De machthebbers vinden dat een individu niets waard is, dat je er geen aandacht aan moet besteden. De heldin vecht voor de waarheid en voor de eer van de gewone man. Ze gelooft dat iedereen respect, aandacht en een stukje in de krant verdient. En ze wint keer op keer.
Dat deed bijvoorbeeld een groep scholieren, die willen dat hun klas blijft bestaan, terwijl de autoriteiten hem willen sluiten aangezien het onrendabel is om zo weinig kinderen les te geven. Tatjana Sedych schrijft het ene artikel na het andere, plus nog een stuk of tien brieven naar alle instanties. Met vereende krachten lukt het de journalist, de ouders en activisten de klas te behouden. De kinderen kunnen nog steeds naar hun eigen dorpsschool.
Er kwamen ook een keer vissers op de redactie die op de oever een kleine, gewonde zeehond hadden gevonden. Het beestje kruipt, schreeuwt van de pijn. Tatjana is al op zoek naar een auto en brengt hem naar een dierenarts.
Wie beschermd wil worden tegen de politie, gaat ook naar Tatjana Sedych. Zelfs als dat de politie zelf is, zoals de agente die bij haar werk gewond raakte en daardoor vaak niet kan werken. Eerst kreeg ze een medische verklaring, daarna hebben ze haar ontslagen.
Regel 2: schrijf de waarheid, wees nooit niet bang.
De plaatselijke kranten zijn niet alleen afhankelijk van de autoriteiten omdat ze daar subsidie van krijgen, de journalisten wonen bovendien in dezelfde straat als de ambtenaren. Je relatie met hen verpesten, is zeer onverstandig. Als je vandaag iets verkeerds schrijft, geven ze morgen geen commentaar meer, word je niet meer uitgenodigd voor evenementen en heb je niets meer om over te schrijven. Bovendien ontmoet je de ambtenaren ’s avonds in de winkel of op de school van je kind.
Maar Tatjana schrijft alles in haar kleine plaatselijke krant. Ze legt uit dat haar krant een informatieplatform is voor burgers die een beroep doen op de autoriteiten. Hier heerst geen enkele zelfcensuur, alles wordt afgedrukt opgeschreven zoals het is. Enkele voorbeelden van recente artikelen: ‘Wanneer gaan ze eindelijk een mensenleven op waarde schatten?’ – over het opheffen van een dorpsziekenhuis; ‘Ze zijn nog niet af of ze moeten al gerepareerd’ – over de nieuw aangelegde wegen; ‘Passagiers zijn slechts aanvullende lading’ – over de problemen met de veerboot tussen het vasteland en het eiland Sachalin.
Regel 3: Kom in actie.
Eigenlijk is dit een vreemde regel voor een journalist. In een land of regio waar de autoriteiten hun werk doen, hoeven journalisten geen actie te ondernemen. Maar Tatjana moet in Vanino een keuze maken: ofwel mengt ze zich in het leven van haar sprekers en biedt ze hulp, ofwel schrijft ze gewoon haar stukje. Tatjana heeft ervoor gekozen om in actie te komen.
Nadat Tatjana stukken van de betreffende persoon heeft ontvangen gaat ze instanties schrijven en bellen. Hun antwoorden publiceert ze in haar krant. Ze gaat door tot het verhaal is afgerond.
In december werd ze gebeld door een vrouw die huilend vroeg: ‘Weet je nog dat er in januari op zee een zeilboot is gezonken? Daarbij is mijn zoon omgekomen.’ Het lichaam van haar zoon was aangespoeld in Japan. Sinds de ramp was er bijna een jaar verstreken, maar de ouders hadden het lichaam nog steeds niet terug.
Het was een oude vissersboot. Alle opvarenden waren jongens uit de buurt. Op 7 januari vorig jaar, toen het schip begon te zinken, zond de kapitein een SOS-signaal uit. In de meldkamer hoorden ze de kapitein: ‘Aan iedereen, iedereen die mij hoort! We zijn in nood…’ De kapitein bleef nog een tijd aan de lijn – toen werd het stil. In de lokale media kwamen er berichten dat er een zeilschip was gezonken. Wat later werd gemeld dat de zoektocht naar de schippers was gestaakt.
Igor Jasjin was negentien jaar, kwam net uit militaire dienst en besloot wat bij te verdienen als matroos op een zeilschip. Zijn lichaam spoelde aan op het noordelijkste puntje van Japan. In zijn duikpak werd zijn telefoon gevonden. Het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken werd geïnformeerd en al snel werd duidelijk uit welk dorp de jongen kwam. Zijn ouders deden een DNA-test en er was een match.
Dat was begin februari, maar er was al bijna een jaar voorbij en het lichaam van de zoon was nog altijd niet overgebracht naar Rusland. Wat zijn ouders ook deden, niets hielp, ook niet de talloze telefoontjes naar het ministerie van Buitenlandse Zaken. En toen belde Igors moeder Tatjana.
Tatjana maakte een reportage en een paar dagen later kwam de gouverneur naar Vanino. ‘Toen ik hem dit verhaal vertelde, was hij verbijsterd: “Dit kan bij ons toch niet gebeuren?” Dat kan dus wel. Ik vroeg de gouverneur om deze zaak onder zijn hoede te nemen. Uiteindelijk konden de ouders een week later hun zoon begraven. Maar ik denk soms wel: Wat zijn we toch een geduldig volk, want die ouders hebben bijna een jaar gewacht. In die tijd heeft zijn vader een hartaanval gehad.’
Spoorloos verdwenen
In 2007 zat de redactie van Moje Poberezje in een kantoor naast het plaatselijke veteranenhuis. Tatjana zag dat daar vaak een oude vrouw kwam die altijd werd weggejaagd. Een van de leiders van dat Veteranenhuis schreeuwde dan tegen die kleine vrouw: ‘Ga weg, u heeft hier niets te zoeken!’ Ze ging weg, kwam weer terug, en werd opnieuw de deur gewezen. Op een dag zag Tatjana hoe ze op de stoep zat te huilen. Tatjana bracht haar naar de redactie, gaf haar een glaasje water en liet haar vertellen.
De vrouw heette Kifaja Salachova. Haar man, Sachabtdin Salachov, was een gedecoreerd oorlogsveteraan die hoog in aanzien stond. Na de oorlog belandde hij in Vanino. Hij werkte in de haven als bewaker, hij zat in een klein hokje. In 1972 was hij in zijn hokje vergeten de kookplaat uit te zetten. Hij verbrandde op zijn werk, levend.
Vanaf dat moment verdween zijn naam uit meerdere lijsten met veteranen, alsof hij nooit heeft had bestaan. Maar Kifaja mocht bij de veteranenraad niet naar binnen, ze werd niet uitgenodigd voor feestdagen en ze kreeg het nabestaandenpensioen voor veteranen niet. De herinnering aan haar man was verdwenen uit de archieven en zijzelf werd uit de gemeenschap gezet, weggejaagd, onzichtbaar gemaakt. Ze vertelde dit aan Tatjana en huilde.
Tatjana werd boos en begon de informatie te checken. Ze vond het portret van Sachabtdin Salachov in het schoolmuseum onder een stapel van soortgelijke veteranenfoto’s. Op de achterkant van het portret was andermans naam geschreven.
In de administratie van de lokale overheid waren er geen documenten die bevestigden dat veteraan Salachov in het district had gewoond. Toen vroeg Tatjana informatie op in het Centrale Archief van het ministerie van Defensie: heeft deze veteraan bestaan? Drie maanden later kwam het antwoord: ja, hij heeft bestaan en hij heeft die-en-die onderscheidingen gekregen. Tatjana stelde dezelfde vraag in Tatarstan, van waaruit Sachabtdin Salachov was vertrokken voor militaire dienst: ook hier daar was het antwoord bevestigend. Na een paar maanden stapelde het bewijs zich op. Sachabtdin Salachov was officier, had twaalf dankbetuigingen gekregen van de opperbevelhebber, was onderscheiden met een medaille voor militaire verdiensten en de Orde van de Rode Ster.
Met alle documenten en brieven ging Tatjana naar de districtsraad van veteranen en naar het gemeentebestuur. Weduwe Salachova werd weer opgenomen in de plaatselijke Veteranenraad en ze kreeg het nabestaandenpensioen. Vanaf dat moment zat ze bij feestdagen op de eerste rij.
De mensen begrepen niet waarom ik dat gedaan had. Deze man had zijn hele leven in de cel gezeten en wilde nu opeens menselijk worden behandeld
Tatjana ontving zelfs brieven uit de gevangenis. In de gemeente zijn er twee: ‘nummer een’ in Vanino en ‘nummer vijf’ in het naburige stadje Sovjetskaja Gavan. De gevangenen vroegen in hun brieven om hulp, klaagden, zochten een penvriend en vertelden verhalen uit hun leven. In de krant verscheen katern ‘de Rode Sneeuwbal’, met fragmenten uit die brieven.
Op een dag kwam er een man naar de redactie die iets wilde vertellen: in zijn flat, op de begane grond, woonde een oude man zonder benen. Hij kon zijn huis niet uit. Dat deze invalide man zijn halve leven in de gevangenis had doorgebracht in de gevangenis, ontdekte Tatjana pas later, toen ze er langsging. In de kamer zaten mannen rond een tafel in het midden van de kamer kaart te spelen. Er hing een dikke laag sigarettenrook. Tatjana groette iedereen en stelde zich voor. Toen ze met de eigenaar van de kamer begon te praten, Pjotr, ging de rest van het gezelschap ervandoor. Met hem wilden ze niks te maken hebben. Hij woonde eigenlijk in een oude opslagruimte, maar aangezien er in de flat geen kamer vrij was, hadden de autoriteiten de invalide man nadat hij vrij was gelaten daar maar geplaatst.
Maar de flat was zacht gezegd niet op rolstoelen ingesteld. Pjotr kon er de badkamer niet mee in en ook niet naar buiten. Hij ging nooit via de conciërgedeur naar buiten, maar klom in plaats daarvan uit het raam. Pal onder dat het raam had hij zijn oude auto geparkeerd. Hij klom op de vensterbank en daalde af, langs de muur, leunend op een trapladder, rechtstreeks zijn auto in. Hij liep al tegen de zestig. Tatjana hoorde zijn verhaal aan en beloofde na te denken over hulp.
Toen Pjotr een keer in het ziekenhuis lag, huurde Tatjana twee klussers in. Ze kozen behang uit, kochten verf, kwasten en, plamuurmessen. De klussers verfden de meubels, poetsten de kroonluchter, plakten het behang, witten het plafond, vervingen het beddengoed en het servies. Het werd schoon en licht. En op de gang plaatsten de autoriteiten zelfs iets wat leek op een opritje voor rolstoelen.
‘Pjotr belde me later op. Hij was heel dankbaar en zei dat hij niet had verwacht dat iemand met zijn levensverhaal nog eens zou worden geholpen. Ze hadden me alles over hem verteld hoor, dat hij verschrikkelijke dingen heeft gedaan. Ik kreeg veel reacties op mijn onderneming in de trant van “Nou, ze heeft iemand gevonden om te helpen hoor…” De mensen begrepen niet waarom ik dat gedaan had. Deze man had zijn hele leven in de cel gezeten en wilde nu opeens menselijk worden behandeld. Dus schreef ik in mijn krant: “Waarom zou je iemand zelfs op die leeftijd niet kunnen laten begrijpen dat het leven ook anders kan zijn, dat je anders kan leven. En dat je op een menselijke manier kan worden behandeld.”’
Hakken
Tatjana’s onverzettelijkheid blijkt ook uit haar beslissing nooit in rolstoel over straat te gaan, ook al heeft ze sinds haar twaalfde geen linkerbeen meer. Ze loopt op krukken met een prothese. ‘Fysiek gezonde mensen en gehandicapten worden door anderen vaak als gelijken beschouwd. Maar we zijn niet gelijk, voor ons is alles zwaarder, elke beweging, elke verplaatsing. Veel mensen die iemand in een rolstoel zien, denken dat hij het zwaar heeft, maar wanneer ze iemand op krukken zien, denken ze er niet over na hoe zwaar hij het heeft. Diegene loopt immers. Maar iemand die loopt terwijl hij eigenlijk voor zijn gezondheid in een rolstoel zou moeten rijden, overwint zichzelf. Het is in Rusland onmogelijk om je in een rolstoel te verplaatsen.’
Tatjana bestelt haar houten prothese in Chabarovsk, bij de enige prothesemaker in het Verre Oosten van Siberië, waar ze nog protheses maakten in de naoorlogse jaren. Haar prothese overleeft dienstreizen naar dorpjes en de taiga die ze op zoek naar verhalen bezoekt.
Vroeger, wanneer de prothese het niet hield, vroeg Tatjana de havenarbeiders om hulp. Zij boorden een nieuw gaatje of schroefden de prothese weer vast. Later stopte ze in haar portemonnee een oude munt van drie kopeken – een grote sleutel meezeulen in haar handtas is onhandig – voor het geval de prothese losraakt of de voet eraf valt. Dan gaat ze een trappenhuis in, draait ze het met de munt weer vast en gaat weer verder.
De prothese is als een pook: je kunt hem niet hoger of lager zetten. Toen Tatjana op hoge hakken wilde lopen, bedacht ze een oplossing – en ze vroeg een havenarbeider die te maken. Aan de onderkant van het scheenbeen zaagde hij twee stukjes eraf. Als Tatjana nu op hakken wil lopen, zet ze aan de achterkant van de prothese een kleine inham erop, waardoor er een hak ontstaat.
Als je Tatjana naar haar gezondheid vraagt, fronst ze haar wenkbrauwen en verandert snel het gespreksonderwerp.
Haar zoon, Timur, noemt zijn moeder ‘Tatjana 911’, omdat ze altijd te hulp schiet. Samen met zijn zus, Zjanna, dringt hij erop aan dat ze dichterbij gaat wonen, in Europees Rusland. Timur woont aan de andere kant van het land, waar hij films maakt en een gezin heeft. Dochter Zjanna is stewardess in Moskou en heeft eveneens een kind. Beiden moedigen ze haar aan de krant te sluiten. ‘Je hebt genoeg mensen gered, je hebt lang genoeg over het mijnenveld gelopen, kom naar ons.’ Tatjana stelt de beslissing al lange tijd uit.
‘Ga je verhuizen?’ vraag ik haar.
‘Ik snap ook wel dat ik een dagje ouder word en dat mijn gezondheid niet meer is zoals vroeger, maar durf niet te stoppen. Ik hou van mijn papieren krant. Ook al is hij zwart-wit en primitief. De grootste groep lezers zit in kleine dorpjes, langs de spoorlijn, zij lezen de papieren krant, ze zitten niet op internet, ze hebben zelfs geen computer.’
‘Maar je kan toch verhuizen en op afstand werken?’
‘Waarom? In Europees Rusland barst het van de journalisten en media. Hier ben ik nodig.’
‘Je komt oorspronkelijk niet uit Vanino. Hoe komt het dat je van deze omgeving bent gaan houden?’
‘Misschien komt het door de liefde voor het vak. Daardoor leer je de omgeving kennen. Je wordt er verliefd op. Bijvoorbeeld op het uitzicht vanuit mijn raam. Daar wil ik eigenlijk nooit afscheid van nemen.’
Vanuit haar raam heeft ze het mooiste uitzicht op de baai van Vanino.
Auteur: Viktoria Mikisha
Vertaler: Martijn Smiers
Takie Dela
Rusland | website | ruim 2 miljoen bezoekers per maand
Takie Dela (‘Van die dingen’) is een Russische nieuwssite die in 2015 werd opgericht door een liefdadigheidsorganisatie. De website brengt dagelijks reportages over sociale problemen in Rusland, vaak longreads met foto’s, meestal aan de hand van persoonlijke verhalen. Bij sommige artikelen kunnen lezers direct doneren aan een goed doel dat met het verhaal te maken heeft.
Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.
Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.
Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.
Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.
Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.
Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.
Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.
Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld
We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.
Vreselijk hoe we afstompen, hè?
Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.
Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.
Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.
Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.
Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.
Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.
De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.
Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?
Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.
Symbolisch en willekeurig
Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.
Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.
Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.
Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.
Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.
Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.
Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.
De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.
Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.
De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.
Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’
Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.
Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’
Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.
In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!
Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.
Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?
De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.
En het is mijn schuld.
Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.
De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.
Boodschappers van de terreur
Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.
De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.
Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.
De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.
Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.
Dus: vooral in Europa.
In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.
In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.
In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.
Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.
Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.
Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.
De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.
Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.
Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.
Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.
De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.
De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online
Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.
De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.
Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.
Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.
Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.
Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.
En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.
Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.
De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.
Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.
Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.
Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?
Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.
Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.
Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.
Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.
Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.
De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.
Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?
Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).
Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.
Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op
Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.
Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.
Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.
Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.
Het Werther-effect
Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.
Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.
In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.
Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.
Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.
Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.
Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.
Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.
Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.
De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.
Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.
Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?
Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.
Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.
Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.
En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.
We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.
In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.
Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.
Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.
Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.
Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.
Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.
Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel
Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel,Der Stern, de Süddeutsche Zeitung,Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.
En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.
Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.
De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.
Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.
Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.
Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
Dat jihadisten juist Spanje als doelwit kozen, heeft te maken met de geschiedenis van het Iberisch Schiereiland. De mythe van ‘Al Andalus’, zoals zij Spanje liever noemen, wordt als rechtvaardiging gebruikt bij de verwezenlijking van het kalifaat.
In de ogen van de ideologen van het jihadterrorisme blijft Spanje ‘het verloren Al-Andalus’, een paradijselijk oord dat met geweld is afgepakt van de islam en dat hoe dan ook moet worden terugveroverd. Voorlopig is dat streven nog toekomstmuziek, eerst moet er een aantal andere doelen worden gerealiseerd. Zo moet de moslimwereld worden bevrijd van alle westerse invloed en moet het kalifaat de plaats innemen van de huidige regimes, zodat een effectieve invoering van de sharia is gewaarborgd. Toch zal de enorme omvang van deze eerste opdrachten de noodzaak om de ‘bloedende wond Al-Andalus’ te helen niet verminderen.
Dat Spanje wordt genoemd is niet toevallig. Militante groeperingen putten uit een oude doctrine met een lange traditie die deze episode uit de geschiedenis aanwijst als de bron van al het kwaad in de door interne verdeeldheid geplaagde islamitische wereld, maar ook als een toetssteen op basis waarvan belangrijke lessen voor de toekomst van de moslimgemeenschap kunnen worden getrokken en wordt voorkomen dat de fouten uit het verleden opnieuw worden gemaakt.
Verloren land
De terroristen hebben de ideeën die al een tijd lang leefden bij vooraanstaande radicaal-islamitische intellectuelen op agressieve wijze eigengemaakt en nieuw leven ingeblazen. In zijn eerste publieke videoboodschap na de aanslag van 11 september aarzelde Osama Bin Laden niet om het volgende te zeggen: ‘Dat de hele wereld weet dat wij niet zullen toestaan dat de tragedie van Al-Andalus zich in Palestina herhaalt.’ Waarmee hij twee afzonderlijke gebeurtenissen die maar liefst vijf eeuwen van elkaar zijn gescheiden met elkaar verbond alsof het één enkele tragedie betrof waartegen hij op leven en dood zou strijden.
Het discours van Islamitische Staat heeft niet alleen het merendeel van de door Al-Qaida uitgewerkte argumenten overgenomen, maar heeft ze ook meer kracht gegeven dankzij hun hyperactieve propagandamachine, die zijn gelijke niet kent in de geschiedenis van het terrorisme. In weerwil van de voortdurende strijd om het leiderschap van de globale jihadbeweging met de groep die nu wordt geleid door de Egyptenaar Ayman al-Zawahiri, blijft Al-Andalus krachtig klinken in het discours van IS. Niet alleen als legitimatie van het nietsontziende geweld waar we in Barcelona en Cambrils getuige van zijn geweest, maar Al-Andalus wordt ook gebruikt als wapen om de aan Al-Qaida gelieerde Noord-Afrikaanse jihadistische groeperingen aan te vallen, die wordt verweten zich niet genoeg in te spannen om de islam te verspreiden op het Iberisch Schiereiland en de rest van Europa, waarbij de Arabische veroveraars uit het verleden als glorieus bewijs van stal worden gehaald.
De mythe van het verloren land en de territoriale honger naar de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla in Noord-Afrika verklaren waarom Spanje onevenredig vaak opduikt in de jihadpropaganda. De extra hoge dreiging in Spanje is structureel en zal niet veranderen, wat er ook binnen of buiten ons land zal gebeuren. De aanhoudende propaganda die op internet wordt verspreid zal tot gevolg hebben dat in de gewelddadige fantasieën van de huidige en toekomstige extremisten de woorden zullen blijven weerklinken van allen die op enig moment de mythe van Al-Andalus hebben gebruikt ter rechtvaardiging van hun doel en van de dood van eenieder die verzet biedt bij de verwezenlijking van het kalifaat, het nieuwe ideaal. Het doet er weinig toe dat de jihadistische protostaat die IS de laatste jaren heeft proberen op te bouwen uiteen aan het vallen is: het erfgoed waaraan IS ten koste van alles wil vasthouden is virtueel van aard.
De video’s die een utopisch leven tonen in het nieuwe kalifaat dat in Syrië en Irak van de grond begon te komen, zullen worden gebruikt om de toekomstige generaties extremisten op te roepen tot wraak tegen de landen die, zoals Spanje, actief bijdroegen aan de mislukking van het nieuwe kalifaat. Ons land zal de komende decennia extra worden bedreigd vanwege twee onwrikbare argumenten: dat Spanje in het verleden het middeleeuwse kalifaat zijn kostbaarste deel heeft afgepakt, en dat het in het heden de realisering van de nieuwe jihadistische droom in de kiem heeft gesmoord.
Manuel Torres is politicoloog. Hij geeft les aan de Universiteit van Sevilla en schreef onder andere: El eco del terror, over ideologie en propaganda in jihadterrorisme.
Volgens tabloid Daily Mail is de tijd van tolerantie voor jihadi’s voorbij. ‘Hoeveel gruwelijkheden moeten we nog ondergaan voordat we stoppen hun mensenrechten boven onze veiligheid te stellen?’
De timing en de plek werden met opzet zo uitgekozen dat er zo veel mogelijk mensen zouden worden gedood en verminkt. Het wapen vol spijkers, schroeven en moeren werd geselecteerd zodat overlevenden zo ernstig mogelijke verwondingen zouden worden toegebracht.
De grootste wreedheid van de dader was de bewuste keuze voor het popconcert van een zangeres die met name populair is bij kinderen en tienermeisjes, kennelijk om het diepste verdriet teweeg te brengen en normale menselijke gevoelens maximaal geweld aan te doen.
Als we al meer bewijs nodig hadden gehad dat we in het vrije Westen vijanden herbergen die, verteerd door haat, als doel hebben onze manier van leven te vernietigen, dan is dat op die maandagavond 22 mei vol bloed en tranen in de Manchester Arena wel geleverd.
Zoals de gruweldaad in Manchester zo pijnlijk duidelijk maakt, wordt het toch tijd dat we onder ogen zien dat de balans in Groot-Brittannië om onze veiligheid te waarborgen dringend weer moet worden aangepast
Na de ergste massamoord in Groot-Brittannië sinds de aanslagen van 7 juli 2005, zijn de gedachten van alle medewerkers van deze krant allereerst bij de dodelijke slachtoffers en hun families, de verminkten en allen die zo wreed zijn beroofd van hun ouders, geliefde kinderen en broertjes en zusjes. We zijn hun echter meer verschuldigd dan uitdagende verklaringen dat terrorisme niet kan winnen, of steun- en saamhorigheidsbetuigingen in ons aller verdriet.
Sterker nog, hoewel de volledige details van de achtergrond van de zelfmoordterrorist nog boven water moeten komen, is er al voldoende bekend om essentiële leringen te trekken uit dit recentste voorbeeld uit een lange lijst gruweldaden die in naam van de islam door fanatici zijn gepleegd.
Vijftien jaar geleden zei een vooraanstaand politicus over een andere massamoord: ‘Deze gebeurtenissen helpen ons er op een verschrikkelijke manier aan herinneren dat vrijheid eeuwige waakzaamheid vergt. En we zijn te lang onoplettend geweest. We hebben degenen die ons haten onderdak verleend, degenen die ons bedreigden getolereerd en het degenen die ons verzwakten naar de zin gemaakt.’
Deze woorden kwamen van Margaret Thatcher en de gebeurtenissen waaraan zij refereert waren de aanslagen van 9/11. Vandaag de dag, nadat de roekeloze interventies van westerse politici in Irak, Libië en elders het islamitische fanatisme hebben doen oplaaien, zijn haar woorden nog steeds meer dan waar. Maar hoe lang moeten we nog in doodsangst verkeren voordat we naar die woorden gaan handelen?
In elke samenleving moet er een balans zijn tussen burgerveiligheid en burgerlijke vrijheden. Zoals de gruweldaad in Manchester zo pijnlijk duidelijk maakt, wordt het toch tijd dat we onder ogen zien dat de balans in Groot-Brittannië om onze veiligheid te waarborgen dringend weer moet worden aangepast.
3000 jihadstrijders
Er zijn meer dan drieduizend jihadstrijders in het Verenigd Koninkrijk, en nog eens honderden komen terug uit Syrië of sturen hun gezinnen hiernaartoe. Dankzij het handenwringen over burgerlijke vrijheden door de ellendige Nick Clegg wordt maar een zevental strijders onderworpen aan vrijheidsbeperkende maatregelen ter preventie van terrorisme.
Intussen verspreiden belastingontwijkende socialmediagiganten met dodelijke onverantwoordelijkheid terroristische rekruterings- en bommenbouwpakketvideo’s zonder dat de wet hun iets kan maken.
Ook zelfmoordterrorist Salman Abedi volgt het overbekende patroon waarbij hij kennelijk is geradicaliseerd in dit land nadat zijn ouders hier bescherming hadden gekregen; in hun geval tegen het Libië van Gaddafi.
Verontrustend genoeg heeft hij vermoedelijk wel de aandacht van veiligheidsdiensten getrokken, maar blijkt nergens uit dat hij ook onder bewaking is geplaatst.
Hoeveel gruwelijkheden moeten we nog ondergaan voordat we verdachten routinematig gaan volgen en stoppen hun mensenrechten boven onze veiligheid te stellen? Hoeveel terugkerende jihadstrijders met hun gehersenspoelde vrouwen mogen hier nog terugkeren en ongehinderd rondlopen?
Iedere rechtgeaarde Britse moslim zou de Mail moeten steunen in de eis voor grotere macht voor veiligheidsdiensten om degenen die de goede naam van hun religie door het slijk halen te volgen en uit te roeien.
Onze premierskandidaat Jeremy Corbyn, die heeft meegedaan aan demonstraties ter ondersteuning van IRA-moordenaars en platforms met Midden-Oostenfanatici heeft gedeeld, spreekt graag in abstracte termen over terrorisme. Hij zou de gezinnen van de verminkte en gedode slachtoffers in Manchester eens moeten vragen wat het daadwerkelijk betekent.
Zij weten het. Zo lang wij mensen blijven herbergen die ons haten, mensen tolereren die ons bedreigen en wij het de mensen die ons verzwakken naar de zin maken, zullen zij niet de laatsten zijn die onder de gruwelijke realiteit van terrorisme moeten lijden.
De politieke mening van de Daily Mail is rechts, conservatief en populistisch en de krant is kritisch over de EU, immigranten, buitenlanders en andere minderheden. Deze oriëntatie gaat terug tot de begindagen; de oprichter van de krant, Lord Rothermere, stond positief tegenover de politiek van Oswald Mosley en publiceerde in januari 1934 de krantenkop ‘Hurrah for the Blackshirts’, waarmee hij zijn sympathie voor de British Union of Fascists uitdrukte. Naast de gebruikelijke artikelen over politiek, economie, binnen- en buitenlands nieuws en opinie wordt zeer veel aandacht besteed aan sport, roddel, (seks-)schandalen van nationale en internationale beroemdheden, gezondheidstips en vrouwenzaken als make-up, mode en stijl. De bijnaam van de krant, vooral gebezigd door tegenstanders ervan, is de Daily Wail _(dagelijkse klaagzang) of de _Daily Fail (dagelijkse afgang).
De haast ondraaglijke waarheid, schrijft columnist Fintan O’Toole, is dat gruweldaden zoals die in Manchester voorlopig deel zullen uitmaken van ons bestaan.
Een massamoord plegen is niet moeilijk en hoe buitensporiger, hoe makkelijker. Een lichaam is week en makkelijk uiteen te rijten. Een leven is kwetsbaar en makkelijk te verwoesten. Fatsoen, menselijke waardigheid en medeleven zijn broze en hachelijke waarden. De barricades die aarde van hel scheiden, beschaving van barbarisme, zijn poreus en zitten vol gaten.
Onze huidige manier van leven gaat gepaard met de wetenschap dat deze barricades elk moment geslecht kunnen worden, dat we in een oogwenk van een doorsnee gelukkig bestaan in een onbestaanbare verschrikking kunnen belanden.
Net als de wetenschap dat andere mensen met verrassend gemak van zoons, broers, collega’s of aardige buren kunnen veranderen in de meedogenloos wrede wezens die ons in de hel doen belanden en die zich verlustigen in het onmetelijke leed dat ze aanrichten.
We houden die kennis op afstand omdat we niet anders kunnen. Om door te kunnen leven, de gewone dingen te blijven doen, om te kunnen blijven vasthouden aan de alledaagse banden, aan het vertrouwen en het fatsoen, alles wat het cement vormt van een samenleving, moeten we die wetenschap verbannen naar de randen van ons bewustzijn. Maar daar blijft hij niet zitten. Een gruweldaad als die in Manchester is bij uitstek bedoeld om die kennis weer naar de voorgrond van ons bewustzijn te halen, en te zorgen dat hij zich daar zo stevig verankert dat vertrouwen en fatsoen worden verdrongen en de samenleving uiteenvalt.
Het heeft niet zo heel veel zin om die terroristen lafaards te noemen
Het heeft niet zo heel veel zin om die terroristen lafaards te noemen. Vanuit het verwrongen perspectief van de terrorist, is er juist moed vereist om het allerergste te doen. Als je mensen ten diepste wilt vervullen van afschuw en haat, is het veel beter om een aanslag te plegen op kinderen dan op soldaten, is het veel moediger om alle morele grenzen te overschrijden dan je aan een soort erecode te houden. Voor de terrorist bestaat een taboe enkel om het te doorbreken. Het onacceptabele is het meest wenselijke, het ondenkbare het meest inspirerend, het onuitsprekelijke de beste manier om iets onder woorden te brengen.
Hier in Ierland zijn we maar al te vertrouwd met deze gestoorde logica. We weten dat de mensen die gruweldaden begaan, die bommen laten ontploffen tijdens een concert, of in een pub, of tijdens een uitvaartdienst, geen monsters zijn – helaas. Het zijn domweg ware gelovigen. Ze geloven in een toekomstige plek, in een tijd van politieke harmonie, waarin iedereen gelukkig zal zijn en het recht zijn loop zal hebben. En ze weten dat anderen, de zwakke ongelovigen, de komst van deze gezegende toestand in de weg staan omdat zij de waarheid niet kunnen zien.
Zij zijn niet verlicht. Ze zijn onwetend en voor hen is het heden – het onvolmaakte heden met zijn compromissen en zelfgenoegzaamheid en simpele genoegens – draaglijk. En dat maakt de onwetenden verachtelijk.
Leven met een paradox
Het is een kleine stap van verachten naar doden, van het neerkijken op anderen omdat ze jouw overtuiging missen naar denken dat ze het verdienen om geofferd te worden voor jouw streven.
De haast ondraaglijke waarheid is dat zo lang er mensen onder ons zijn die er voldoende van overtuigd zijn dat deze manier van denken niet alleen acceptabel is, maar ook te verdedigen of zelfs verheven, gruweldaden deel zullen uitmaken van ons bestaan. Onze regeringen moeten waakzaam zijn, en slim, en efficiënt. We hebben veiligheids- en inlichtingendiensten nodig die de gemeenschappen en de culturen begrijpen waarin die dodelijke mentaliteit een voedingsbodem vindt.
We hebben een politiek en een religieus discours nodig dat weigert deze gemeenschappen te verketteren of ze van ons te vervreemden, zonder ook maar een millimeter mee te gaan in dit kwaad. We hebben regeringen nodig die zich niet door gruweldaden laten verleiden om de democratie, de mensenrechten en de waarden van een open samenleving te verloochenen. Maar we weten ook dat zelfs wanneer we over dat alles beschikken, het niet moeilijk is om te doden. Het kan willekeurig waar gebeuren, met willekeurig welk wapen, tegen willekeurig welk menselijk doelwit – hoe zachter hoe beter. Maar wat moeten we met deze kennis? Er zit niets anders op dan te leven met een paradox – we moeten het ons realiseren en we moeten het vergeten. We moeten rouwen om de doden, ‘hun vele namen noemen,’ proberen te voelen wat hun naasten voelen, voor zover we dat aankunnen. We moeten wel, aangezien dat is wat een beschaving in leven houdt.
Het is ook precies wat voorkomt dat we vervallen tot barbarij – dit rouwen, dit peilloze leed, het verdriet dat die levens stuk voor stuk uniek waren, een wonder, en nu voorgoed zijn verdwenen. De klokken die voor hen luiden, luiden voor ons allen – zodra we dat niet langer horen, zodra we zo zijn gehard en afgestompt dat de doden slechts getallen zijn, zijn we verloren.
Zij kennen geen schaamte maar ze willen dat wij ons schamen voor onze dagelijkse decadentie en ons onbeduidende, banale bestaan
Maar tegelijkertijd mogen we niet ons vermogen verliezen om te vergeten. We mogen niet toestaan dan onze geest wordt vergiftigd, zoals de moordenaars willen, door nihilisme of afschuw en wanhoop. We mogen niet toestaan dat de golf van walging en woede alle gewone dingen van het leven overspoelt.
Er is altijd de kwestie van schuldgevoel – hoe kunnen we gewoon doorgaan met lachen en eten en liefhebben en dansen en naar luchtige liedjes luisteren terwijl er zo veel angst om ons heen heerst en er zo veel kwaad onder ons huist? Maar we mogen het niet laten gebeuren dat we ons gaan schamen voor de gewone dingen, want dat is precies wat de moordenaars van ons willen. Zij kennen geen schaamte maar ze willen dat wij ons schamen voor onze dagelijkse decadentie en ons onbeduidende, banale bestaan.
Hun moed schuilt in het vermorzelen van de grenzen van het alledaagse, het opblazen van een gedeelde menselijkheid en een alledaagse wellevendheid. Onze moed schuilt in het verstevigen van diezelfde grenzen en daarbinnen ons eigen leven leiden. Onze moed is groter dan die van hen – doden is niet zo moeilijk, fatsoenlijk leven met de dreiging van de dood wél.
De dubbele aanslag van 9 april op de koptische gemeenschap in Alexandrië en Tanta, ten noorden van Caïro, toont volgens deze commentator aan dat het veiligheidsbeleid van de regering-Al-Sisi een mislukking is.
Dit jaar werd 9 april geen feest voor wie zich opmaakte om Palmzondag te vieren. Want in twee kerken, in Tanta en in Alexandrië, vloeide er bloed en vielen er in totaal 44 doden en zo’n honderd gewonden. Dat confronteert ons met een trieste realiteit, en we zouden nu de moed moeten hebben om het ronduit toe te geven: Arabische christenen hebben reden om zich onveilig te voelen in het Midden-Oosten.
IS blijft dat keer op keer bewijzen. Maar het zet alleen voort wat anderen al eerder deden. Want van het ‘kalifaat’ van Mosul was nog geen sprake tijdens het antikoptische geweld in 1998 in Al-Kosheh, een stad in Midden-Egypte, en ook niet tijdens de schietpartij voor een kerk in Qena in 2010 [in het zuiden van het land], en evenmin tijdens de aanslagen op kerken in Alexandrië en Aswan in 2011, om nog maar te zwijgen van alle andere aanslagen in diverse Egyptische steden waar kopten zijn vermoord, enkel en alleen omdat ze kopten waren.
De bom die op 11 december vorig jaar ontplofte in de Sint-Marcuskathedraal, waarbij 25 doden vielen, markeerde simpelweg het begin van de ‘mosulisering’ in deze lange reeks aanslagen op de koptische gemeenschap.
Indoctrinatie
Wij hebben, net als vele anderen, geschreven wat we moesten schrijven om deze schandelijke daden te veroordelen. We hebben gezegd wat we moesten zeggen over de verantwoordelijkheid van de Egyptische autoriteiten in verband met het toenemend sektarisch geweld, en over het falen van de overheid om haar burgers tegen het terroristische ongedierte te beschermen. Dit geweld treft trouwens niet alleen christenen. Een sjiitische moslim weet zich evenmin veilig als hij in een moskee van zijn geloofsgemeenschap gaat bidden. Hij moet voortdurend op zijn hoede zijn voor soennieten die geïndoctrineerd zijn met teksten als ‘sjiieten zijn ketters’. Maar ook de soennieten voelen zich bedreigd door sjiieten met een denkwereld die overloopt van een blind confessionalisme.
In de buurt van Damascus zijn alevitische Syrische vrouwen door islamistische strijders gevangengenomen en in kooien opgesloten, in Syrië zijn christelijke priesters en monniken ontvoerd of vermoord, en de christenen in Mosul werden gedwongen in ballingschap te gaan toen ze weigerden djizja (hoofdelijke belasting) te betalen aan ‘kalief’ Abu Bakr al-Baghdadi.
Dat er een confessionele wind door de Arabische wereld waait, valt dus moeilijk te ontkennen. Je hoeft ook maar te kijken wat er – minder zichtbaar, maar in feite even kwaadaardig – op sociale media voorbijkomt, waar bijvoorbeeld wordt uitgelegd dat je God niet om genade moet vragen voor een jonge christelijke Jordaniër die bij een auto-ongeluk is omgekomen.
Ik dacht altijd dat Egyptenaren dankzij hun vaderlandsliefde eensgezind genoeg waren om de verleiding te weerstaan zich aan te sluiten bij de Arabische club van ongebreideld confessionalisme. Maar nu dringt het besef door dat het eerste begin, de burgeroorlog in Libanon, niet meer dan een opwarmronde was, want Syrië en Irak laten sinds een paar jaar zien dat het allemaal nog veel erger kan.
Tegenwoordig doen alle Al-Sisi-gezinde grote kranten hun uiterste best om wetshandhavers vrij te pleiten van elk verzuim, maar daarbij weten ze niets beters aan te voeren dan dat er in Stockholm, Londen en Parijs ook terroristische aanslagen zijn geweest. Die kletspraatjes veranderen niets aan het feit dat met de dag duidelijker wordt dat dit regime, sinds het via een staatsgreep aan de macht is gekomen, mislukking op mislukking stapelt, zowel wat betreft de economie als de openbare veiligheid. Het bewijs: de vrijwel dagelijks voorkomende aanvallen op politie, militairen en kerken, om nog maar te zwijgen over de situatie in de Sinaï, die veel overeenkomsten vertoont met de strijd tussen de Turkse staat en de Koerden van de PKK.
De aanslagen op kerken in Alexandrië en Tanta laten zien dat Egypte in een acute sociale en politieke crisis verkeert. De politiestaat van Abdel Fattah al-Sisi is niet bij machte geweest de Egyptenaren daarvoor te behoeden. Om de veiligheid van de Egyptenaren te waarborgen is het dan ook de hoogste tijd hen van dit regime te verlossen.
Thomas S. en Angela, allebei bekeerd tot de islam, wilden een aanslag plegen op Frankrijks beroemdste bouwwerk. Le Monde reconstrueerde hun tragische verhaal.
Keuze uit het 360-archief
Afgelopen woensdag (8 september) is in de rechtbank van Parijs het proces begonnen tegen de daders van de aanslagen op 13 november 2015 in Parijs, die plaatsvonden in concertzaal Bataclan, op verschillende caféterrassen in de stad en in het voetbalstadion in Saint-Denis. IS eiste de aanslag, waarbij 130 mensen om het leven kwamen, op. Van de tien aanslagplegers overleefde alleen Salah Abdeslam. Hij staat terecht in het strafproces, samen met negentien anderen die geholpen hebben bij het voorbereiden van de aanslag.
Anderhalf jaar na ‘Bataclan’ wilden Thomas S. en zijn vriendin Angela, beiden bekeerlingen, een aanslag plegen op de Eiffeltoren. De veiligheidsdiensten verijdelde de aanslag. De Franse krant Le Monde vertelt het verhaal van hun ‘gemankeerde liefde’.
Het moest een ‘feest’ worden. Een dodelijke bruiloft. Zij zou de weduwe worden van een man ‘die geschiedenis ging maken’. Hij de heroïsche pleger van een ‘symbolische’ aanslag die ‘de hele economie overhoop zou gooien’. Hij had hem nog nooit in het echt gezien, de Eiffeltoren. Maar hij vond hem ‘lelijk’, dat ‘ijzeren ding’.
Hij deed veel onderzoek op internet, met zijn PlayStation 3. Zo hoopte hij minder op te vallen. Sites over metaalconstructies, architectuur. Hoe je die kon laten ontploffen met thermiet. Zij droomde dat ze ‘hem zou zien vallen’. Hij wist niet zeker of dat zou lukken. Maar ze hoopten dat ze hem in elk geval ‘konden verbuigen’.
De twintigjarige Thomas S. en de zestienjarige Angela (een pseudoniem, omdat ze minderjarig is) hebben een puberliefde voor elkaar opgevat die een krankzinnige wending zal nemen. Hun aanhouding op 10 februari 2017 maakt een eind aan hun ‘magnifieke’ plan, zoals zij het noemde. Angela wordt van haar bed gelicht in het huis van haar moeder, in Montpellier. Hij in een appartementje van vrienden, in Clapiers in de Hérault, niet ver daarvandaan.
Cyberinfiltratie
Tijdens hun voorlopige hechtenis waren Thomas S. en Angela zeldzaam spraakzaam over hun plan. Le Monde kreeg inzage in de onderzoeksgegevens van de Franse antiterrorismeafdeling SDAT, die werden verzameld via cyberinfiltratie. Op kalme toon gaf Angela haar versie van de gebeurtenissen, met een ontwapenende mengeling van oprechtheid en zelfverzekerdheid.
Om de Eiffeltoren op te blazen moesten ze minstens met zijn tienen zijn, hadden ze berekend. ‘Iemand moest tegen de voet opklimmen, een ander moest een rookgordijn leggen om het zicht te benemen en de aandacht af te leiden. Een derde moest op de militairen schieten die op dat moment zouden willen ingrijpen,’ zo legde ze uit. Ze zouden allemaal bomgordels om hebben. Thomas S. begreep al snel dat het ‘te moeilijk’ zou worden. Maar hij wilde ook wel genoegen nemen met het stationsplein of de Place de la Comédie in Montpellier.
Het stel verzweeg tegenover de politiemensen niets over de stappen die ze hadden ondernomen. Ze waren op zoek gegaan naar wapens en hadden chemische producten gekocht: een liter aceton, waterstofperoxide, zwavelzuur. De onderzoekers troffen 70 gram van het explosief TATP aan dat Thomas S. al in zijn appartementje had gefabriceerd. Hij had daar al het materiaal voor een perfecte werkplaats: kolven, injectiespuiten, beschermende handschoenen. Niets wat anderen dan zijzelf had kunnen verwonden, gezien de kleine hoeveelheden, maar het mengsel was instabiel en ze hadden op elk moment hun handen kunnen verliezen voordat ze overgingen tot hun daad.
Los van hun jihadistische ambities gaat het verhaal van Thomas S. en Angela vooral over een gemankeerde liefde. Een ontmoeting op internet in de zomer van 2016 op muslima.com, waar hij onmiddellijk wordt verleid door haar pseudoniem. Zij is ‘Salafiya’, hij ‘Salafi’.
Op de datingsite kun je het hokje “bekeerd” of “geboren moslim” aankruisen, de lengte van de baard kiezen
Op deze datingsite kunnen de profielen naar hartenlust worden aangepast. Je kunt het hokje ‘bekeerd’ of ‘geboren moslim’ aankruisen, de lengte van de baard kiezen, ‘polygamie accepteren’ of alleen maar ‘misschien’ zeggen. De twee jongelui, aanhangers van een orthodoxe stroming van de islam, vinden elkaar snel.
Uit voorzorg, om conventioneel over te komen, tooide Angela zich aanvankelijk met haar nikab. Ze loog over haar leeftijd. Met haar halflange haar, haar amandelbruine ogen en haar engelachtige gezicht viel ze al snel in de smaak bij Thomas S. Hij liet gemakkelijker zien wie hij was: cool atletisch type, paardenstaart, doffe blik door te veel cannabis. Een ‘vermoeide gelovige’, in zijn eigen woorden, een galeislaaf van het gebed. Op PS3 was zijn pseudoniem ‘Weedweed War’. Angela bezweek ondanks alles voor zijn charme.
In het begin is er weinig kans dat hun liefde buiten het web een succes zal worden. Hij woont in Charleville-Mézières, in de Franse Ardennen, zij in de Hérault, 900 kilometer zuidelijker. Ze hebben geen rijbewijs, geen geld en wonen nog bij hun ouders. Thomas S. bij zijn vader, een werkloze dakwerker, gestrand in een dorpje van 1900 zielen aan de oever van de Semois bij de Frans-Belgische grens. Angela bij haar moeder, peuterleidster, in een onbestemde buitenwijk van Montpellier.
Hun respectievelijke zwakten worden hun cement. Hij ‘is altijd naar zichzelf op zoek geweest’. De ene dag ‘begeesterd’, de volgende bereid om ‘met alles te stoppen’. Vóór de islam was hij in de ban van krachttraining, hij had zelfs een tijdje de pest gehad aan ‘Maghrebijnen’. Angela was lange tijd gothic. Ze heeft erg geleden onder de scheiding van haar ouders.
Daarna bekeerde ze zich langzaam maar zeker tot de islam. Ongeveer tegelijk met haar moeder, die van oorsprong Kroatisch is en katholiek. Op haar drieënveertigste besloot die te hertrouwen met een zestien jaar jongere Marokkaan. Als de bekering van Angela doorzet, ziet haar moeder haar liever met een sluier dan als gothic. Als het gezin in de zomer van 2016 in Marokko is, koopt ze op de markt van Fez een djilbab voor Angela, die zowel gezicht als lichaam bedekt.
Zich een gemeenschappelijke toekomst voorstellen is moeilijk voor de virtuele verloofden. Thomas S. is in de vijfde klas van de middelbare school van school gegaan en is een opleiding tot dakwerker gaan volgen in Poix-Terron in de Ardennen. In juni 2015 krijgt hij zijn diploma. Hij heeft wat tijdelijke baantjes. Maar al heel gauw gaat het mis. Hij wordt werkloos, zoals zovelen in zijn regio. Angela heeft altijd veel problemen met school gehad. Haar moeder heeft haar gespijbel gecompenseerd door haar thuis les te geven. Als Angela Thomas S. ontmoet, staat ze op het punt de derde klas over te doen.
De geliefden voeren langeafstandsgesprekken. Hij in zijn kamertje onder de hanenbalken, zij in het hare met alleen een bed en een wandrekje. Ze surfen op sites waar complottheorieën worden verkondigd. Ze raken in vervoering door de anasheed, de strijdlustige propagandaliederen van Islamitische Staat. Angela houdt veel van Par amour, waarin de lof van de jihad wordt gezongen uit hartstocht voor Allah. Ze heeft schrijftalent en heeft in 2015 al een novelle gepubliceerd, Âme (Ziel), een dialoog tussen een jong meisje en haar dubbelgangster, een dode puber.
Twee weken lang overweegt ze hem aan te geven op het platform Stop-Djihadisme
De fatale samenloop vindt plaats in augustus 2016, als Thomas S. besluit zich bij zijn geliefde te voegen. De smoes is snel gevonden: hij is begonnen aan een opleiding tot lasser in Alès, in de Gard, op ongeveer een uur van Montpellier. Die lente had hij ook al willen ‘trouwen’, met een meisje uit Yvelines. Maar zij gaf hem op het laatste moment de bons. Dit keer zou het lukken. Diverse keren brengt hij stiekem een bezoek aan Angela: zoenen in het trappenhuis, hartstochtelijke omhelzingen in de gangen van de ondergrondse garage.
Thomas S. houdt de opleiding nog geen twee maanden vol. Half december 2016 wordt hij weggestuurd wegens geweldpleging en spijbelen. Bij gebrek aan onderdak neemt hij zijn intrek in een technische ruimte in de kelder van het flatgebouw van Angela. De buren houden hem voor een dakloze, bieden hem dekens aan, een elektrisch kacheltje. Het meisje sluipt regelmatig stiekem het appartement van haar moeder op de eerste etage uit. Twee weken lang overweegt ze het uit te maken, hem aan te geven op het platform Stop-Djihadisme. Maar hij zegt dat hij haar zal ‘vermoorden’ als ze hem verlaat.>
Op een matras op de vloer beramen ze uiteindelijk hun plan: een huwelijk vergezeld van een aanslag. Zo zal Thomas S. zich wreken voor zijn mislukking. ‘Jullie hebben verhinderd dat ik naar Syrië ging, dus doe ik dit,’ zou hij bij zijn aanhouding zeggen. Om later, tijdens zijn voorlopige hechtenis, te bekennen: ‘Ik baalde van Frankrijk, ik had geen toekomst.’ Zij stelt zich voor dat ze op die manier haar verloren maagdelijkheid kan compenseren.
Het idee van de Eiffeltoren komt van haar. Hij zou sterven als kamikazestrijder. Zij zou vervolgens naar Syrië vluchten en de ‘hidjra’ volbrengen, de pelgrimstocht van Mekka naar Medina. De politiemensen vroegen hem of ze Hayat Boumeddiene en Amedy Coulibaly wilden imiteren, die in januari 2015 een aanslag pleegden op de koosjere supermarkt Hyper Cacher in Parijs. Maar ze hadden net zo goed over de prehistorie kunnen beginnen. De jaloerse Thomas S. had in elk geval een bomgordel voor haar voorzien. Zodat ze zich zou kunnen opblazen als mannen aan de Turks-Syrische grens haar probeerden ‘aan te randen’. Zij zag daar niets abnormaals in.
Dringend gezocht: een broeder met een goed tawhid (een goed geloof). We hebben vervoer, geen zorgen’
Maar om te kunnen trouwen heeft het jonge paar een ‘voogd’ nodig. Dat vereisen de geloofsconventies. Ze proberen met de imam te spreken. Maar die raadt hun vriendelijk aan geduld te hebben.
Op kerstavond, aan tafel, durft Thomas S. uiteindelijk om de hand van Angela te vragen. Maar haar moeder wimpelt hem beleefd af, ervan overtuigd dat hun verhouding ‘niet serieus’ is. Dan verzint het jonge paar een list. Het huwelijk zal ‘geheim’ zijn. Als er een ‘voogd’ nodig is, zullen ze die zoeken op de plek waar alles mogelijk is: het internet. En omdat de man dat moet doen, en Thomas S. te veel zal opvallen, zal Angela zich vermommen.
Zij zal ‘de man’ zijn. Internetmagie, de klassieke truc van beginnende jihadisten. Als Facebookpseudoniem kiest ze ‘Ansar al-Haqq Ghuraba’, de verdediger van ‘de vreemde waarheid’. Exit haar gebruikelijke ‘maman1295’ op Skype. Als profielfoto gebruikt ze een leeuw, ‘om eruit te zien als een strijder’. Op de achtergrond zet ze een zwart-witte vlag met de sjahada, de geloofsbelijdenis. Op zelfverzekerde en gehaaste toon plaatst ze een oproep: ‘Dringend gezocht: een broeder met een goed tawhid (een goed geloof). We hebben vervoer, geen zorgen.’
‘Leunstoeljihadist’
Thomas S. en Angela hebben zich voorgenomen de aanslag vóór maart te plegen. Op 13 februari 2017, op zijn laatst om negen uur. Op die dag moet Thomas S. voor de rechter verschijnen wegens geweldpleging tegen een klasgenoot in Alès. Het paar is bang dat hij een flinke gevangenisstraf zal krijgen. Angela is er bovendien van overtuigd dat haar vader haar ‘doorheeft’. Haar radicalisering is geen geheim meer, denkt ze. Ze is bang dat ze elk moment ontmaskerd kunnen worden.
De rechercheurs verdenken hem ervan een bemiddelaar in jihadkringen te zijn, een ‘beroepskoppelaar’ haast. Onderzoek naar zijn relaties wijst uit dat hij in nauw contact staat met talrijke geradicaliseerde, zelfs veroordeelde personen. Eind januari wordt hij gesignaleerd vanwege zijn activisme, en de lijst verdenkingen is lang: geweldpleging, smaad, import van verdovende middelen…
Toch legt Angela contact met hem in haar hoedanigheid van man. Er wordt een ontmoeting geregeld voor de kunstacademie van Montpellier. Deze officiële presentatie van de ‘aanstaande echtelieden’ vindt plaats op 4 februari, in aanwezigheid van drie vrienden van Malik H. Maar het huwelijk wordt niet voltrokken.
Angela richt zich voortaan op het zoeken naar onlinehandleidingen voor het vervaardigen van explosieven
De versies lopen uiteen. Volgens Angela zoekt Malik H. liever iemand anders. Hijzelf zegt twijfels te hebben gehad over de betrouwbaarheid van het stel. Hij zou desondanks hebben gedaan alsof hij hun ‘huwelijksreis’ kon betalen.
Ondertussen is Angela van school gegaan, enkele dagen na haar zestiende verjaardag op 24 januari. Dat was voorzien, haar moeder had het idee om haar een opleiding tot naaister te laten volgen. Een sprong in het duister voor het jonge meisje: ze richt zich voortaan op het zoeken naar onlinehandleidingen voor het vervaardigen van explosieven.
Dankzij een vriendin uit de moskee heeft ze ook een leegstaand appartement voor Thomas S. geregeld, waar hij later gearresteerd zal worden. Als op 2 februari het vooronderzoek begint, komt uit de afgeluisterde telefoongesprekken een jong stel naar voren dat geobsedeerd is door hun plan. ‘We hebben elkaar wederzijds beïnvloed,’ zal een berouwvolle Angela later zeggen.
In de bodemloze put van het internet komt het meisje ook in contact met een jihadist die zich tussen Syrië en Turkije ophoudt. Zonder er helemaal zeker van te zijn, verdenkt de politie een 26-jarige man uit Grenoble, Nidhal H., ervan haar vlucht naar voren te hebben aangemoedigd. Als oud-strijder van Al-Nusra was hij Facebookvriend van Rachid Kassim, die ervan wordt beschuldigd diverse aanslagen in Frankrijk te hebben gefinancierd.
Trouw zweren aan IS
Het net sluit zich. De jihadist is alleen bereid Angela bij haar ‘hidjra’ te helpen als ze ‘trouw zweert’. Daarna kan hij haar papieren bezorgen via een in Frankrijk gevestigde tussenpersoon. Ze krijgt de suggestie een imitatie te maken van de video van de plegers van de aanslag op een priester in Saint-Étienne-du-Rouvray op 26 juli 2016.
In dit filmpje, dat nauwelijks zeven seconden duurt, is Angela alleen, omhuld door haar nikab. Voor zich heeft ze haar laptop. De hele achtergrond van het scherm wordt in beslag genomen door de vlag van IS. Daarna declameert ze in één adem: ‘Salam aleikum, ik zweer trouw aan kalief Ibrahim van Islamitische Staat.’ Een ‘simpele eed’, in haar ogen, alleen bedoeld om ‘te mogen trouwen’.
Het is 6 februari. De video is verzonden. Thomas S. heeft Malik H. minstens één keer teruggezien en hem zijn plan ontvouwd. Hij en Angela wilden wapens, kalasjnikovs. Malik H. zegt dat hij bang werd. Het hem uit zijn hoofd wilde praten. Hij was daar alleen maar vanwege ‘de voogdij’, verdedigt hij zich. Zij verzekeren op hun beurt dat hij bereid was hun ‘materieel’ te leveren, lees: mee te doen. Malik doet dat af als ‘een grapje’.
Op 9 februari vindt een laatste ontmoeting plaats. Het huwelijk wordt opnieuw uitgesteld. Maar de tijd dringt. De opname van de video van de eed van trouw van Thomas S. is voorzien voor 11 februari. De jongeman reist een laatste keer per bus op en neer naar Charleville-Mézières. Hij wil afscheid nemen van zijn familie en zijn identiteitskaart ophalen.
De vader van Angela krijgt op 8 februari, de dag van haar video, een sms in het Kroatisch van een onbekend nummer: ‘Tata’ (papa). ‘Wie bent u?’ vraagt hij. ‘Tatina’ (je dochtertje), antwoordt de afzender. Daar blijft het bij.
De gealarmeerde SDAT komt op 10 februari in actie. Tijdens het doorzoeken van het appartement van Thomas S. vinden ze behalve explosieven ook een in het Arabisch gesteld document, geschreven door Angela. Op de voorkant een ‘huwelijksprotocol’. Dat had Angela op internet gevonden. Een mengeling van doua (gebeden) en verwijzingen naar soera’s uit de Koran, vergezeld van een to-dolijst: walima (feestmaal), duff (een kleine trommel die geoorloofd is tijdens islamitische huwelijken waar muziek verder streng verboden is), ‘lied’, ‘zeven dagen bruiloft’. Op de achterkant staat een woord dat iets heel anders voorspelt: ‘dodenwassing’.
In Het bruidspaar van de Eiffeltoren, een surrealistisch toneelstuk uit 1921 waarin het verhaal wordt verteld van een tragisch-grotesk huwelijk op de eerste etage van de ‘ijzeren dame’, heeft Jean Cocteau een dialoog opgenomen tussen twee denkbeeldige personages. Aan het slot van het stuk zegt de een tegen de ander: ‘Ik neem u mee (naar de Eiffeltoren) om u, eerder dan iedereen, iets unieks te laten zien.’ Het aanvankelijke enthousiasme van de ander bekoelt al snel als die ziet wat het is: ‘Het lijkt wel een begrafenis.’ Het recht kent toevalligheden waar de literatuur geen weet van heeft.
Fictie en werkelijkheid
De link tussen de Eiffeltoren en terrorisme is niet nieuw. Begin 2015 zou de Franse thriller Made in France in première gaan, geregisseerd door Nicolas Boukhrief, met in de hoofdrol Malik Zidi. Die laatste speelt een journalist die zijn moslimachtergrond gebruikt om te infiltreren in een moskee in de buitenwijken van Parijs, en in contact komt met een groep would-beterroristen die dood en verderf willen zaaien in de Franse hoofdstad.
De filmposter liet de Eiffeltoren zien in de vorm van een machinegeweer. Maar na de aanslag in januari 2015 op Charlie Hebdo werd de release van de film uitgesteld tot 18 november. Op 13 november werd Parijs echter opnieuw opgeschrikt door aanslagen, op de Bataclan en het Stade de France, waardoor opnieuw uitstel volgde.
Uiteindelijk verscheen de film op 29 januari 2016 op video-on-demand.
Het heeft er steeds meer schijn van dat het Westen militair wil gaan ingrijpen in Libië. Maar zal dit de situatie niet juist verergeren?
Westerse landen staan op het punt een offensief te lanceren tegen IS in Libië, aldus een militaire woordvoerder in de westelijke stad Misrata. Maar ter plekke bestaan grote zorgen dat verdere internationale inmenging in het land de situatie alleen maar zal verergeren.
Libië is de afgelopen weken opgeschrikt door een reeks grote aanslagen van IS, waaronder een bomaanslag op een politiebureau in Zliten, bij Misrata, op 7 januari, waarbij vijfenzestig mensen omkwamen en honderd anderen gewond raakten. Ook heeft IS aanslagen uitgevoerd op de belangrijkste olieterminals van Libië in R’as Lanoef en Sidra. Het zijn deze incidenten die hebben geleid tot speculaties dat de VS en zijn bondgenoten hun strijd tegen IS wel eens zouden kunnen uitbreiden naar Libië.
De situatie op 8 februari.
Het nationale oliebedrijf van Libië (NOC) heeft ook opgeroepen tot een interventie om strategische delen van het land, waaronder de olieterminals, te beschermen. Ibrahim Bate el Mal, een woordvoerder voor de militaire raad van Misrata, verklaarde dat officials al gesprekken hebben gevoerd met Amerikaanse, Franse en Italiaanse militaire contacten. ‘Ik kan alleen maar zeggen dat de Amerikanen, Fransen en Italianen hebben gevraagd hoe zij de Libiërs kunnen helpen tegen IS te vechten, en dat de operatie niet lang zal duren. We zijn dicht bij een interventie,’ aldus Bate el Mal.
Maar hij gaf ook toe dat veel mensen bezorgd zijn dat een militaire interventie kan mislukken en het misschien al te laat zou kunnen zijn. ‘Ik denk dat het verkeerd was om zo lang te wachten. We hebben het gevaar waarschijnlijk onderschat. Ik denk dat zelfs de westerse regeringen het verkeerd hebben gezien,’ zei hij. ‘Het punt is dat enerzijds de expansie van IS uit de hand is gelopen, maar dat anderzijds het gevaar bestaat dat de situatie door een militaire interventie alleen maar slechter wordt. Dat is het gevoel van onze mensen en onze troepen.’
IS zal het spookbeeld oproepen van een westerse overname van het land
In 2011 was een door de NAVO geleide luchtcampagne – met Amerikaanse, Franse, Italiaanse en Britse steun – van cruciaal belang bij het omverwerpen van het regime van de Libische leider Muammar Kadhafi. Maar het land is sindsdien in de greep van instabiliteit en onrust.
Volgens Basher Bernani, lid van de gemeenteraad van Zliten, zijn de meeste mensen tegen buitenlands ingrijpen. ‘Deze situatie kan niet langer worden opgelost door luchtaanvallen,’ aldus Bernani. ‘Ze hadden eerder tussenbeide moeten komen, maar nu heeft IS Sirte helemaal ingenomen. Er zijn fundamentalistische militieleden in Benghazi, Misrata en Bin Jawad, er zijn “sleeper cells” in Tripoli en hier in Zliten en in Sabratha zijn twee trainingskampen.’
Mensensmokkel
Bernani zegt dat de plaatselijke bevolking bang is dat een buitenlandse interventie door IS als propaganda kan worden gebruikt om het spookbeeld op te roepen van een westerse overname van het land. Daardoor wint IS aan steun onder jonge mensen en kan de beweging sympathiserende strijders aantrekken uit Tunesië, Marokko, Algerije en andere landen, via de poreuze grenzen van Libië. ‘Het is waarschijnlijk dat Europese militaire actie de situatie zal verergeren en tientallen buitenlandse strijders hierheen zal brengen,’ zegt hij.
Sinds IS op 7 januari zijn aanwezigheid in Zliten kenbaar maakte door de bomaanslag op het politiebureau, terwijl driehonderd rekruten op het plein daarvóór aan het trainen waren, hebben officials als Bernani voortdurende gewapende bescherming nodig gehad als zij zich door de stad bewogen. Terwijl we over het verwoeste plein lopen, wijst hij op scherven van de bomvrachtwagen, die was volgeladen met stukjes ijzer en scherpe messen om zo veel mogelijk slachtoffers te maken. ‘We hebben de armen en benen van onze jongens teruggevonden op de derde verdieping van het slaapverblijf,’ zegt hij. ‘Twaalf families hebben zonen verloren en kunnen niet rouwen, omdat de lichamen onherkenbaar zijn verminkt.’
Bersani zegt dat onderzoekers denken dat IS het politiebureau op de korrel heeft genomen vanwege de banden met de Libische Kustwacht, die de faciliteit ook als rekruterings- en trainingscentrum gebruikte. Hij zegt dat Zliten een belangrijk tussenstation is voor mensen die de Middellandse Zee proberen over te steken naar Europa, en dat IS connecties lijkt te zijn aangegaan met andere militiegroeperingen die betrokken zijn bij de mensensmokkel, als een manier om inkomsten te verwerven. ‘Het wordt nu steeds duidelijker dat IS betrokken is bij de mensensmokkel, waardoor ze verzekerd zijn van grote hoeveelheden contanten,’ zegt hij.
Volgens andere officials was de aanval in Zliten voor IS ook belangrijk, omdat de beweging zo aantoonde dat ze aanwezig is in de kuststrook tussen Tripoli en Misrata, en dat ze de middelen en de manschappen heeft om elders in Libië aanslagen te plegen.
Mustafa Ben Aish, een ander lid van de gemeenteraad van Zliten en de directeur van een noodeenheid die in actie kwam na de bomaanslag op het politiebureau, verklaarde dat IS profiteert van de machtsstrijd tussen de rivaliserende regeringen in Tripoli en Tobroek. De situatie werd deze maand verder gecompliceerd door de aankondiging van een nationale regering. Deze wordt gesteund door de VN, maar afgewezen door veel leden van de twee concurrerende parlementen van Libië.
‘De Libiërs zijn niet klaar voor een nieuwe oorlog’
Martin Kobler, de VN-gezant voor het land, gaf toe dat het politieke vredesproces te traag is verlopen om gelijke tred te kunnen houden met de expansie van IS. Hij betichtte de groepering van het ‘stelen van grondgebied van het Libische volk’.
‘De enige echte winnaar is IS, en de verwoesting van de barakken is daar het bewijs van,’ zegt Ben Aish, terwijl hij een lijst laat zien van de doden en gewonden. ‘De zwaarst gewonden werden geëvacueerd naar andere landen. Er zijn er nu vijftien in Italië en ongeveer twintig in Turkije. Sommigen van hen verkeren in kritieke toestand en iedere keer dat ik een telefoontje van hun familie krijg denk ik dat het in plaats van die jongens ook mijn eigen zoon had kunnen zijn. Dat is heel pijnlijk voor me,’ zegt hij.
Na de bomaanslag in Zliten heeft IS aanvallen gepleegd op de olieterminals in R’as Lanoef en Sidra, waarbij minstens 37 personen zijn omgekomen en een stuk of vijf opslagtanks in brand zijn gevlogen, zodat een nieuwe klap is uitgedeeld aan de toch al zwaar belaagde Libische oliesector.
Olie
Vóór de revolutie van 2011 produceerde Libië 1,6 miljoen vaten ruwe olie per dag, vandaag nog geen 350.000. De aanvallen van IS doen vrezen voor een totale ineenstorting van de industrie. Voor IS lijkt het doel niet het verkopen van olie, zoals de beweging in Syrië en Irak heeft gedaan, maar het saboteren van de economie, waardoor Libië nóg instabieler wordt en IS kan profiteren van het machtsvacuüm.
Volgens Bate el Mal zijn de militaire inlichtingenchefs bang dat een mogelijke interventie het land verder kan destabiliseren. IS-strijders uit Syrië, Irak en van elders zouden aan de oproep gehoor kunnen geven het territorium van het zelf uitgeroepen kalifaat te komen verdedigen. Hij zei dat strijders uit Soedan, Tunesië, Egypte, Algerije en Jemen zich al in Sirte aan het verzamelen waren, en opperde dat Kadhafi-loyalisten die uit zijn op wraak de beweging in de geboortestad van de vroegere leider steunen, net zoals aanhangers van Saddam Hoessein ervan zijn beticht IS in Irak te hebben gesteund.
‘We zien hier gebeuren wat in Irak al met de Baath-partij is gebeurd,’ zei hij.
‘De Libiërs betalen nu de prijs voor de gevolgen van hun revolutie. Ze zijn niet klaar voor een nieuwe oorlog, maar hun kinderen sterven door toedoen van IS. Al wat de beweging wil is het land verwoesten.’
Onafhankelijke site met een groot reservoir aan correspondenten, die de gebeurtenissen in ‘Midwest-Azië’ op de voet volgen o.l.v. David Hearst, afkomstig van The Guardian.
CHRONOLOGIE: van hoop tot chaos
20 okt 2011 | Dictator Muammar Kadhafi wordt gedood in Sirte. Drie dagen later roept de Nationale Overgangsraad (CNT) ‘de bevrijding’ van het land uit als slotstuk van de opstand die in februari begon en door een westerse coalitie wordt ondersteund.
7 juli 2012 | Eerste vrije verkiezingen. Het Verbond van Nationale Krachten (AFN) komt als winnaar uit de bus. Het correcte verloop van de verkiezingen lijkt hoopgevend. Op 8 augustus draagt de CNT de macht over aan het parlement, de Algemene Nationale Raad (CGN).
14 okt 2012 | Ali Zeidan wordt tot premier benoemd.
2013 | De milities die Kadhafi hebben bestreden, weigeren de wapens neer te leggen en blijven actief in de grote steden. Islamistische stromingen, in het parlement vertegenwoordigd door de Partij voor Recht en Wederopbouw (PJC), blijven de regering in de wielen rijden. In het oosten van het land roeren de federalisten van Ibrahim Jadran zich. Het komt sporadisch her en der tot botsingen.
20 feb 2014 | Vorming van een Grondwetgevende Raad, die in april voor het eerst bijeenkomt.
11 maart 2014 | Ali Zeidan wordt afgezet en ontvlucht het land. Abdallah al-Theni neemt tijdelijk zijn plaats in.
16 mei 2014 | Generaal Khalifa Haftar, ex-balling in de VS, duikt op in Libië en begint de Operatie Waardigheid tegen de islamistische milities.
25 juni 2014 | Opnieuw verkiezingen. Het nieuwe parlement, zetelend in Tobroek, krijgt internationale erkenning.
22 augustus 2014 | Een coalitie van islamistische milities, waaronder de Libische Dageraad, bezet Tripoli en steunt de CGN, die weigert het nieuwe parlement te erkennen.
september 2014 | Er komt een dialoog op gang onder leiding van de VN-gezant Bernardino Léon.
september 2014 | IS duikt op in Derna.
januari 2015 | IS bezet Sirte, maar wordt uit Derna verdreven.
17 dec 2015 | Er wordt in Skhirat (Marokko) een akkoord gesloten tussen een aantal strijdgroepen na bemiddeling van de nieuwe VN-gezant Martin Kobler.
14 jan 2016 | Gevechten met IS rond de belangrijkste olie-installaties.
19 januari | Er wordt een regering van nationale eenheid gevormd onder leiding van de voormalige architect Faiez Sarraj, onafhankelijk van beide ‘parlementen’. De regering zal in Tripoli zetelen. Om alle politieke groeperingen en alle etnische minderheden een stem te geven, telt deze regering 32 ministers, maar zij wordt (nog) niet erkend door alle deelnemers.
In de Franse media wordt druk gespeculeerd over de vraag waarom bij de aanslagen van vrijdag-de-dertiende de ‘rocktempel’ Le Bataclan aan de boulevard Voltaire een van de doelwitten was. Een bevredigend antwoord wordt niet gegeven.
De zaal werd een jaar of tien geleden een enkele maal afgehuurd door joodse organisaties in Parijs voor het geven van benefietvoorstellingen ten bate van de goede doelen van de Magav, de Israëlische grenspolitie. Le Bataclan heeft wel eens een joodse eigenaar gehad. De Eagles of Death Metal, de Amerikaanse band die er vrijdagavond optrad, heeft niet lang geleden ook in Israël een concert gegeven. Maar het blijft gissen. Het meest voor de hand liggend: er waren veel mensen bijeen in een kleine ruimte en het was een relatief gemakkelijk doelwit zonder al te veel bewaking.
Le Bataclan – oorspronkelijk Ba-Ta-Clan, naar een destijds populaire operette van Jacques Offenbach uit 1855 – heeft een lang en wisselvallig verleden. De zaal werd in 1865 gebouwd als café-concert naar een ontwerp van een architect, Charles Duval, die ook al niet een onuitwisbaar stempel op Parijs heeft gedrukt. Het was de tijd van de ‘chinoiseries’: het dak kreeg de vorm van een pagode. Beneden was het café met biljartzalen, boven de danszaal. Tijdens de belegering van Parijs door de Duitsers in 1870 en de daaropvolgende opstand van de Commune deed het café dienst als veldhospitaal.
Er traden in later tijden veel revuemeisjes op en beroemdheden als Aristide Bruant, Maurice Chevalier (die er zijn debuut maakte), en ook Buffalo Bill kwam er met zijn Wild West-show.
In 1926 werd het café-concert voor het eerst ingrijpend verbouwd: Le Bataclan werd een bioscoop en bleef dat tot 1969. Daarna werd het gebouw jarenlang als opslagruimte gebruikt. In 1983 begon het aan een tweede leven als concertzaal voor rockbands van allerhande pluimage. Opnieuw werd er binnen een ingrijpende verbouwing uitgevoerd, en de voorgevel herkreeg de oorspronkelijke beschildering in rood en geel.
In september van dit jaar werd Le Bataclan overgenomen door de Groupe Lagardère Entertainment, waarvan onder meer ook het vrouwentijdschrift Elle, de uitgeverij Grasset en het radiostation Europe 1 deel uitmaken.
Auteur: Patrick Straumann
Vertaler: Peter Bergsma
Neue Zürcher Zeitung Zwitserland, dagblad, oplage 155.000
Een van de oudste kranten ter wereld. Dagblad van wereldklasse bekend om zijn intellectuele diepgaande stijl en zijn liberale signatuur.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.