Ouders willen het beste voor hun kind(eren), maar goed is goed genoeg, stelt filosoof Alain de Botton. In zijn nieuwste boek geeft hij levenslessen aan opvoeders & meer boekentips in deze top 5 non-fictie, aangeraden door 360 en Athenaeum Boekhandel.
De dochter van Cleopatra – Jane Draycott
Cleopatra Selene II, dochter van Cleopatra en Marcus Antonius, kwam ter wereld als een Egyptische prinses. Na de Slag bij Actium in 31 v. Chr. werd ze als gevangene naar Rome gebracht. In de eerste moderne biografie van Cleopatra Selene reconstrueert Jane Draycott haar levensverhaal.
De koninkrijken van Midden-Europa – Martyn Rady
Midden-Europa was een bakermat voor de Reformatie, fungeerde als slagveld in de twee wereldoorlogen en het hedendaags nationalisme vond er zijn oorsprong. In deze nieuwe geschiedenis neemt Martyn Rady ons mee naar een regio met een turbulent verleden.
Over vrijheid – John Stuart Mill
Een vurig pleidooi uit 1859 voor de vrijheid om naar eigen inzicht te denken, te spreken en te leven. Maar vrijheid moet ook samengaan met morele verantwoordelijkheid; dat is de grondslag voor een betere samenleving. John Stuart Mills Over vrijheid is een grondtekst van het moderne liberale denken.
Had ik maar… – Robert L. Leahy
We kunnen ons vrijwel allemaal situaties herinneren waarvan we wilden dat ze anders waren verlopen, dat we andere keuzes hadden gemaakt. Spijt is naast liefde de bekendste menselijke emotie. Gevoelens van spijt en schuld horen er niet alleen bij, we hebben ze zelfs nodig, schrijft Leahy.
Goed genoeg ouderschap – Alain de Botton
Een fijn idee: de ideale opvoeding bestaat niet. Op zijn kenmerkende lichtvoetige wijze geeft Alain de Botton levenslessen aan ouders, waaronder hoe je ‘nee’ moet zeggen, en hoe je onder de oppervlakte van ‘slecht’ gedrag moet kijken om de kern van wat er aan de hand is te vinden.
Latijns-Amerikaanse schrijvers als Mónica Ojeda en Samantha Schweblin zijn belangrijke namen in een nieuw soort gothic literatuur. Hun ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ verbeeldt de terreur waar veel vrouwen van Mexico tot Argentinië dagelijks mee te maken hebben.
‘Ik ben een auteur van korte verhalen, dus ik ga het ook kort houden.’ Met deze woorden sprak de Argentijnse schrijver Samantha Schweblin afgelopen woensdag tegenover een New Yorks publiek haar dank uit bij de uitreiking van de National Book Award, een van de meest prestigieuze literaire prijzen van de Verenigde Staten. Ze deelt haar prijs in de categorie vertaalde literatuur met Megan McDowell, die zorg droeg voor de Engelse vertaling van de winnende verhalenbundel Siete casas vacías (Seven Empty Houses, in het Nederlands vertaald als Zeven lege huizen).
Het is al de derde prijs waarmee de schrijver zich dit jaar profileert. Bovendien is ze de eerste Argentijnse die de National Book Award wint sinds Cortázar dat in 1967 deed met Rayuela: een hinkelspel. Schweblin was echter niet de enige genomineerde Latijns-Amerikaanse schrijver: finaliste in dezelfde categorie was Mónica Ojeda uit Ecuador met haar roman Mandíbula (in het Engels vertaald als Jawbone). Al verschilt Schweblins stijl van die van Ojeda, Siete casas vacías en Mandíbula hebben veel gemeen: beide boeken ademen een ongewone sfeer waarin de horror flirt met het bovennatuurlijke maar ook deel uitmaakt van het verontrustende, gewelddadige dagelijkse leven van de personages.
Schweblin en Ojeda zijn twee van de bekendere namen in een reeks Latijns-Amerikaanse schrijvers van wat Alejandra Amatto, onderzoeker aan de Universidad Nacional Autónoma de México (UNAM) en coördinator van het Seminar over Fantastische Literatuur aan dezelfde instelling, typeert als niet-realistische literatuur. In het rijtje Latijns-Amerikaanse schrijvers met succes bij zowel de kritiek als het publiek en met speciale belangstelling voor ‘gruwelijke, fantastische, speculatieve fictie’ horen ook Mariana Enríquez, Liliana Colanza, María Fernanda Ampuero, Giovanna Rivero, Cecilia Eudave en Fernanda Trías thuis.
Dagelijkse horror
‘Sinds 2016 is niet alleen de belangstelling bij het lezerspubliek gegroeid, ook uitgeverijen publiceren en verspreiden inmiddels gretig het werk van diverse Latijns-Amerikaanse schrijvers,’ laat Alejandra Amatto aan elDiario.es weten. ‘In de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw vond een herijking van niet-realistische genres plaats die boven tafel brengen wat de ware dagelijkse vormen van terreur zijn voor ons als Latijns-Amerikaanse vrouwen,’ aldus de academica.
Het gaat niet aan om zulke uiteenlopende schrijvers uit verschillende windstreken te reduceren tot een bepaalde generatie of een uitgeeffenomeen, maar Mónica Ojeda (Guayaquil, 1988) is het met Amatto en andere door elDario.es geïnterviewde schrijvers eens dat de laatste jaren een groter onthaal ten deel viel aan literatuur ‘waarin wordt gewerkt met angst’. ‘Ik denk dat het te maken heeft met het feit dat we leven in een wereld die steeds angstaanjagender wordt en dat we die benaderen vanuit nieuwe invalshoeken, bijvoorbeeld vanuit de angst voor raciaal of seksueel geweld,’ licht ze telefonisch toe. Voor Ojeda zit het bijzondere van de Latijns-Amerikaanse schrijvers in het feit dat ze ‘de angst via de geografie belichten’. ‘Omdat onze geografie vanuit het globale noorden altijd als een perifere en marginale plek is gezien, brengen we de lezers iets nieuws waar ze tevoren geen weet van hadden. Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald, daarom levert de beschrijving ervan overal een andere filosofie van de angst op,’ benadrukt ze.
Angst is geografisch, historisch en maatschappelijk bepaald
Deze geografische component van de angst krijgt zorgvuldig gestalte in uiteenlopende thematische interesses: Enríquez schrijft over vormen van staatsterreur die te maken hebben met de dictatuur in Chili, Argentinië en Uruguay, Colanzi behandelt de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en de landonteigening die veel inheemse groeperingen treft in landen als Bolivia, en auteurs als Ojeda of Ampuero richten zich op patriarchale vormen van geweld in de intiemere, familiaire context, die niettemin verbonden is met de realiteit van Ecuador. ‘Het is niet alleen een thematisch maar ook een structureel perspectief, dat kan worden beschouwd vanuit de context van het genre en van de Latijns-Amerikaanse geografie, maar de reikwijdte is universeel: schrijvers als Enríquez zijn in meer dan vijftig landen vertaald,’ aldus Amatto.
Ojeda wijst er ook op dat veel van haar tijdgenoten ‘schrijven over angst en terreur maar niet per se vanuit het genre’. Amatto is het met haar eens en beaamt dat deze Latijns-Amerikaanse schrijvers uit de niet-realistische hoek de mechanismen van het kwaad doorgronden zonder de klassieke parameters van het genre te hoeven volgen, en zich bovendien laten inspireren door nationale en regionale esthetische tradities – de fantastische literatuur van Argentinië, de gothic van de Andes of de ‘zonderlinge’ literatuur van Uruguay – met thematische en esthetische overlappingen.
‘Deze schrijvers werken niet vanuit afgebakende genres en de kritiek moet altijd waken om niet alles over één kam te scheren; zo kunnen we in het geval van Mariana Enríquez denken aan fantastische, angstaanjagende teksten, en in dat van Lilianza Colanzi zie je een mix van Andes-elementen en sciencefiction,’ specificeert de onderzoekster van de UNAM.
Herontdekt
Elena Garro, Amparo Ávila, Inés Arredondo, Armonía Sommers en Silvina Ocampo zijn enkele van de Latijns-Amerikaanse schrijvers die zich in de twintigste eeuw bezighielden met horror en fantastische en speculatieve thema’s en nu worden herontdekt door nieuwe generaties schrijvers en vrouwelijke academici. ‘Het genre was vanaf het begin moeilijk in kaart te brengen en werd als minderwaardig beschouwd omdat daarin vanzelfsprekend de dominante maatschappelijke thema’s en codes worden gemeden of juist uit diverse hoeken en percepties worden bevraagd,’ zegt Lola Ancira (Querétaro, 1987), een van de schrijvers die in het Latijns-Amerikaanse panorama uitblinkt met boeken als Despojos of El vals de los monstruos. ‘Ik juich alles wat er rondom door vrouwen geschreven genrefictie gebeurt enorm toe, want die werd decennialang niet erkend of serieus genomen.’
De Mexicaanse Laura Baeza (1988, Campeche), die in haar verhalenbundel Una grieta en la noche Mexico-Stad gebruikt als spookachtig decor, denkt dat het succes van de Latijns-Amerikaanse schrijvers met hun niet-realistische werk ‘verder gaat dan een historische rechtzetting of een uitgeeffenomeen, maar te maken heeft met hun kwaliteit. ‘Overigens,’ zegt ze, ‘juich ik het toe dat velen bij onafhankelijke uitgeverijen publiceren. Ook de migratie verbindt ons. Er is nog geen aanduiding voor de schrijvers van Midden-Amerika tot aan de grens met de Verenigde Staten, en we moeten het ook hebben over Guatemala, over Belize, over de grens vanuit het specifieke oogpunt van de terreur.’
‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd’
‘Wij zijn de erfgenamen van een Latijns-Amerikaanse literatuur waarin het fantastische genre heel belangrijk was en groeiden op in een tijd waarin zich de democratisering van de film en de popcultuur voltrok, met alle gruwelverhalen van dien,’ verklaart María Fernanda Ampuero (Guayaquil, 1976), die in de verhalenbundels Pelea de gallos en Sacrificios humanos huiselijk geweld en vrouwenmoorden aankaart met een stijl die zowel bloederig als poëtisch kan zijn. ‘Ik heb het mechanisme van het geweld van kinds af aan bestudeerd, sinds onheuglijke tijden is er die maatschappelijke bezorgdheid die niet te maken heeft met een satanische idee-fixe maar met wat ons in het echte leven overkomt, en ik gebruik dat mechanisme, dat ik goed ken, om over onze tijd te spreken.’
Ojeda schrijft naar eigen zeggen niet om maatschappelijke thema’s aan te kaarten, want voor haar ‘is de literatuur geen middel maar een doel op zich’, wat niet betekent dat zij of andere schrijvers als zij hun ogen sluiten voor bepaalde misstanden in Latijns-Amerika, zoals de vrouwenmoorden, de verdwijningen en andere gewelddaden die in het bijzonder vrouwen treffen. ‘Ik voel dat ik veel gemeen heb met schrijvers die de angst, het geweld en de pijn voelbaar willen maken. Ik weet niet of je kunt spreken van een generatie, maar ik zie wel overeenkomsten qua interesses, al vind ik het vooral boeiend om de verschillen en het eigene van iedere blik binnen een collectief te herkennen,’ aldus Ojeda. ‘Het lijkt me niet goed om de eigenaardigheden van bepaalde schrijvers te verdoezelen om ze maar te laten passen in een bepaald frame.’
Verwantschap
Baeza zegt zich juist onderdeel te voelen van ‘een generatie die zich voedt met andere generaties’. Eerder heeft ze de roman Niebla ardiente gepubliceerd met de gruwelijke vrouwenmoorden in Mexico als uitgangspunt, maar de bundel Una grieta en la noche is haar eerste horrorboek. In een land waar iedere dag tien vrouwen worden vermoord blijft Baeza schrijven over femicide, want ‘dat is waarmee ik iedere dag wakker word’. ‘Maar,’ zegt ze, ‘ik moest daarvoor wel de werkelijkheid vervormen, en die vrijheid heb ik binnen dit genre en het korte verhaal, dat voor mij een onuitputtelijk laboratorium is.’
‘Ik voel verwantschap met een heleboel andere Latijns-Amerikaanse schrijvers wat hun zoektocht betreft, maar niet qua resultaat. Ieder van ons volgt een eigen weg, de een schrijft realistisch, de ander schept een complete kosmogonie,’ benadrukt María Fernanda Ampuero. Los van het strikt literaire voelt ze zich als vrouw met andere Latijns-Amerikaanse schrijfsters verbonden in de aanklacht: ‘Wij zijn bang, wij maken ons grote zorgen om het geweld tegen vrouwen en meisjes, tegen het ecosysteem, tegen de inheemse gemeenschappen die de strijd aangaan met grote ondernemingen, en dat komt vanzelfsprekend in de literatuur terecht.’
Er is weliswaar een lange rij van in de jaren zestig, zeventig of begin tachtig geboren schrijvers die volledig door de kritiek en de lezers zijn omarmd, maar er zijn ook schrijvers die nu doorbreken en aandachtig naar de vorige lichting kijken. Alicia Mares (1996) en Andrea Chapela (1990), beiden uit Mexico, publiceerden onlangs in Spanje hun verhalenbundels Cocodrilario (uitgegeven door Horror Vacui) en Ansibles, perfiladores y máquinas de ingenio (uitgegeven door Almada). Mares gebruikt lijfelijke, brute horror die direct is terug te voeren op bijvoorbeeld Ojeda’s stijl, terwijl Chapela in verschillende van haar verhalen een apocalyptisch en hypertechnologisch Mexico oproept.
‘Al spelen mijn verhalen in Tlaxcala, Tijuana of Veracruz, wat ik beschrijf is een terreur die zich afspeelt in een intiem bestek, binnen de vier muren van een huis, in een gemeenschap,’ vertelt Mares, terwijl ze als haar grote voorbeelden onder andere de verhalenbundel Las voladoras van Mónica Ojeda noemt en meer schrijvers uit de Andes, zoals Giovanna Rivero. Mares maakt deel uit van een generatie die veel van haar literaire voorbeelden heeft leren kennen via sociale media, wat voor Amatto het succes verklaart van deze schrijvers, die met hun volgers in gesprek zijn en in real time berichten delen, een manier om literatuur buiten academische en specialistische kringen te verspreiden.
Eigen stijlmiddelen
Lola Ancira komt nog met namen als Viridiana Carrillo, Magdalena López en Yesenia Cabrera, ‘die het genre ieder voor zich benaderen vanuit eigen perspectieven en met eigen stijlmiddelen’. ‘De nauwste band die ik voel met andere schrijvers van mijn generatie betreft het onheilspellende en lichamelijke: linksom of rechtsom komt de vrouwelijke lichamelijkheid in ons werk aan bod,’ meent ze. ‘En ook het vraagstuk van het afwijkende moederschap. Thema’s die tot voor kort te intiem en onbeduidend werden gevonden, terwijl juist het intieme eigenlijk het publieke verandert.’
De canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen
Het is een feit: de canon wordt breder en ruimt plaats in voor nieuwe verhalen, horizonten en problemen. Schweblin wilde het in haar dankwoord dan misschien kort houden, maar zowel zij als vele andere Latijns-Amerikaanse schrijvers hebben nog een lange weg te gaan. ‘Wat ik belangrijk vind is dat we elkaars werk lezen, ik leer van degenen die er waren, die er zijn, en die net komen kijken,’ aldus Laura Baeza. En Ojeda acht de speculatieve, horror-gerelateerde literatuur niet alleen waardevol om ‘je eigen tijd goed te lezen, maar ook om te anticiperen op de toekomst’. ‘Interessant voor Latijns-Amerika is dat vele schrijvers zich via deze genres afwenden van de richtsnoeren van het globale noorden en naar binnen kijken, naar wat hen omringt: ze distantiëren zich van de canon die is geschreven door witte mannen en gaan nadenken over hoe het bij henzelf toegaat – speculatieve fictie op een andere plek, dat is het echt interessante,’ concludeert ze.
Rushdie was vorig jaar het slachtoffer van een aanslag
Het herstel van Salman Rushdie na de aanslag van vijf maanden geleden vordert, maar hij zal zijn nieuwe roman niet promoten, zo heeft zijn agent bevestigd. Dat meldde The Guardiangisteren. Rushdie schreef Victory City voordat hij werd aangevallen in het Chautauqua Institution in de staat New York, waardoor hij het zicht in één oog verloor en één hand nu niet meer kan gebruiken. Het wordt zijn eerste boek dat sindsdien is gepubliceerd. De publicatie van de roman staat gepland op 9 februari.
Victory City wordt gepresenteerd als een verkorte vertaling van een fictieve Sanskrietsaga in versvorm, die lang in een pot in de grond begraven was en nu opnieuw verteld wordt door een ‘nederige’ verteller. Het verhaal speelt zich af in een magische versie van veertiende-eeuwse India.
De hoofdfiguur wil een koninkrijk creëren waar vrouwen ‘noch gesluierd noch verborgen zijn’
De roman omspant tweehonderdvijftig jaar, waarin de ‘dichteres, wonderdoenster en profetes’ haar goddelijke doel probeert te vervullen: vrouwen zeggenschap geven in een patriarchale wereld en een koninkrijk creëren waar vrouwen ‘noch gesluierd noch verborgen zijn’.
Volgens wetenschapper en schrijver Najwa Bin Shatwan wacht Libië op het moment dat zijn burgers als feniksen uit de as verrijzen. Inmiddels plaatsen vrouwelijke auteurs in het tijdperk na oud-dictator Moammar Gaddafi de verhalen van het land in een nieuwe context.
Hawwa – de Arabische naam voor Eva – is een tienermeisje in het landelijke Benghazi, in de jaren zestig. Ze weet meerdere zwangerschappen te overleven nadat ze is uitgehuwelijkt aan Adam, een vrachtwagenchauffeur, en ze strijdt voor haar vrijheid en haar reproductieve rechten. Dit verhaal is terug te vinden in The Horses’ Hair, de veelgeprezen roman van de Libische wetenschapper en schrijver Najwa Bin Shatwan. In feite is dit het verhaal van de erfzonde, maar dan met zwarte humor verteld door een ongeboren kind dat de lezer de tragische levensloop van de ouders toont.
Het boek doet denken aan feministische hervertellingen zoals Circe, de roman uit 2018 waarin de Amerikaanse schrijver Madeline Miller enkele Griekse mythen hervertelt vanuit het perspectief van een tovenares, die normaal gesproken wordt afgeschilderd als de slechterik. Op vergelijkbare wijze kijkt Shatwan in haar oeuvre door een vrouwelijke bril naar de Libische geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. ‘Bin Shatwans beschrijvingen van vrouwelijke auteurs die in Libië kunnen rekenen op censuur vanuit de maatschappij zelf, laten zien dat schrijven voor een vrouw een revolutionaire daad is’, schreef journaliste Orna Herr in het mondiale literaire tijdschrift Index on Censorship.
Shatwan maakt deel uit van een groeiende groep Libische schrijvers die meer ruimte creëren voor een gendergerelateerde kijk binnen de literatuur. Dit markeert een belangrijk omslagpunt in het nog altijd kleine literaire wereldje in Libië. Door complexe vrouwelijke personages neer te zetten dragen steeds meer Libische schrijvers voorzichtig hun ideeën uit over gendergelijkheid.
Gedomineerd door mannelijke schrijvers
Van oudsher wordt de Libische literatuur gedomineerd door mannelijke schrijvers, die hun eigen archetypen gebruiken om belangrijke historische momenten te beschrijven en de realiteit van het moment te doorgronden. Bekende voorbeelden zijn de dichter Khaled Mattwa uit Benghazi, die bekendheid verwierf door met een unieke flair te verhalen over legenden en keerpunten in de geschiedenis, of Alessandro Spina, die dieper in de Libische geschiedenis dook met een reeks romans, waaronder The Confines of the Shadow.
Maar de laatste jaren zijn er steeds meer vrouwelijke auteurs op het toneel verschenen: Libische vrouwen of Italiaanse vrouwen die in Tripoli zijn geboren. Zij nemen de geschiedenis van het land onder de loep, grofweg vanaf 1900, maar dan vanuit vrouwelijke personages. Denk aan Alma Abate, die in Ultima estate in suol d’amore de opkomst van de in 2011 gedode despoot Moammar Gaddafi bekijkt door de ogen van Sara. Of denk aan Maryem Salama, die in From Door to Door schrijft over gemengde huwelijken in de beginjaren van de twintigste eeuw, met als vertelstem de jonge verpleegkundige Fatima. Door op die manier naar de geschiedenis te kijken, proberen ze te breken met het beeld van de vrouw als lijdzaam object.
Safa Elnaili, verbonden aan de Arabische faculteit van de Universiteit van Ala-bama, signaleerde deze trend toen ze onderzoek deed naar de korte verhalen die waren gepubliceerd op Almostakbal, een populaire Libische website. Wat haar trof was de centrale rol van vrouwen in deze narratieven, iets wat nieuw was binnen de Libische literaire canon. ‘De geschilpunten in deze verhalen worden belicht vanuit de positie van het vrouwelijke personage in relatie tot familieleden, de maatschappij en de sociopolitieke context,’ zegt ze.
In de begintijd van Gaddafi’s bewind, in de jaren zeventig, riep de regering een uitgeverij in het leven. Alle auteurs moesten zich in hun geschriften positief uitlaten over de autoriteiten, en wie dat weigerde werd gevangengezet of gedwongen het land te verlaten, of kreeg een verbod om ooit nog te schrijven.
Afvlakking
In 2013, twee jaar na het begin van de revolutie die zou leiden tot de val van Gaddafi, schreef Maryem Salama, een schrijver en dichter uit Tripoli, een gedicht waarin ze het beeld gebruikte van vuurwerk dat wordt aangestoken. Omdat er geen uitgeeftraject beschikbaar was, publiceerde ze het op haar Facebookpagina. Een paar uur later reageerde iemand: ‘Dank je. Ik huil nog steeds van brandend geluk in een dood huis.’
‘Dank je. Ik huil nog steeds van brandend geluk in een dood huis’
Het beeld is Salama altijd bijgebleven en sindsdien gebruikt ze de allegorie van een feniks om naar haar land te verwijzen. ‘Libië zit nog midden in zijn ontstaansgeschiedenis. Het moment is nog niet daar dat de grote vogel uit de as herrijst,’ zegt ze tijdens een videogesprek. ‘Het land wacht op het moment dat de Libische burgers de verantwoordelijkheid nemen om uit te groeien tot een groots volk van een groots land. Ze moeten lezen, ze moeten kennis opdoen en ze moeten handelen.’
Dat proces is met name van cruciaal belang in een land waar Gaddafi de Libische geschiedenis heeft herschreven om zijn eigen doelen te dienen. Naast het feit dat hij de uitgeefwereld inlijfde, maakte hij korte metten met alles wat zijn visie van Libië als homogene Arabische maatschappij kon ondermijnen. Het Tamazight, de taal en het schrift van de Berbers (een etnische groep in Libië en andere Noord-Afrikaanse landen), werd ver-boden en mocht niet meer worden onderwezen. Wie opkwam voor de cultuur en de rechten van de Berbers werd vervolgd, gevangengezet of zelfs vermoord. Dat betekende een afvlakking van de culturele diversiteit.
‘Gaddafi’s historisch revisionisme heeft een zwart gat geslagen in het histogram… voor Libiërs,’ zegt uitgever Ghassan Fergiani, een man van in de zeventig die in Tripoli woont. ‘Negentig procent van de Libiërs is geboren rond of na de periode dat Gaddafi aan de macht kwam. Zijn versie van de geschiedenis van Libië is dat alles pas begon toen hij aan het bewind kwam.’
In de jaren vijftig, het decennium waarin Libië zijn onafhankelijkheid verwierf, opende Fergiani’s vader, Mohammed Bashir Fergiani, drie goedlopende boekwinkels in Tripoli. Daarnaast zette hij ook de uitgeverij Dar Al Fergiani op. Nadat Gaddafi in 1969 aan de macht was gekomen, werd het bedrijf op last van de autoriteiten gesloten en emigreerde het gezin naar Engeland. In Londen stelde Fergiani’s vader zijn leven in dienst van een zoektocht naar oude edities en zeldzame uitgaven uit Libië en de Arabisch-sprekende wereld – boeken die hij vervolgens herdrukte met zijn nieuwe bedrijf, Darf Publishing.
Boegbeeld
Een van de auteurs die zijn zoon momenteel uitgeeft is Salama. De zesenvijftigjarige, wier boeken zich richten op de positie van vrouwen in de Libische samenleving, is door recensenten wereldwijd bejubeld als het boegbeeld van een nieuwe generatie Libische schrijvers.
Salama legt uit dat Gaddafi een gevoel van onzekerheid bij de Libiërs in de hand werkte door valse informatie te verstrekken. Vóór Gaddafi hadden schrijvers de mogelijkheid om zich op natuurlijke wijze te ontwikkelen, te groeien, en nieuwe manieren te zoeken om met Libische tradities om te gaan en tot een nieuwe, hedendaagse cultuur te komen. ‘Die natuurlijke mogelijkheid werd ingeperkt door de vuist van Big Brother,’ zegt ze ernstig. ‘We zijn opgegroeid in een stalen kooi, wisten niet meer dan wat hij wilde dat we wisten, hadden niet meer manoeuvreerruimte dan zijn instructies. De Libische vrouwen hebben daar het meest onder geleden.’
Maar naar verluidt werden deze vrouwen door Gaddafi ook lastiggevallen en misbruikt
We spreken elkaar in een videogesprek. Salama geeft me een virtuele rond-leiding en laat me de boeken zien in de kast naast haar. Haar gezicht begint te stralen als ze haar eigen boeken in het Arabisch en het Engels uit de kast haalt. ‘Niet om op te scheppen,’ zegt ze grappend, ‘maar om je te laten zien hoe die boeken eruitzien.’ De schrijver werkt aan een boekvertaling en presenteert ondertussen een ochtend-programma op een plaatselijke radiozender; daarnaast is ze ook nog bezig met de voorbereidingen voor een nieuw radioprogramma over literatuur.
Wat vrouwen betreft zond Gaddafi tegenstrijdige boodschappen de wereld in. De flamboyante leider stond erom bekend dat hij zich omringde met vrouwelijke lijfwachten, ook wel de ‘Amazonegarde’ genoemd – een ver-wijzing naar de mythologische verblijfplaats van de Amazones in Libië. Maar naar verluidt werden deze vrouwen door Gaddafi ook lastiggevallen en misbruikt.
Gaddafi riep een militaire training in het leven voor meisjes op de middelbare school, maar volgens Salama, die in haar jeugd ook deze training moest volgen, was deze niet bedoeld om gelijkheid te bevorderen. Sterker nog, zegt ze, het was een voorwendsel om vrouwen een gedegen opleiding te onthouden, aangezien de militaire training ten koste ging van andere leerstof.
Verschillende problemen
In het dagelijks leven kregen vrouwen in Libië met verschillende problemen te maken als gevolg van Gaddafi’s beleid, zegt schrijver Mahbuba Khalifa. Ze spreekt via een videoverbinding vanuit haar huis in Tunis, in het buurland Tunesië, waar ze met haar gezin woont na jaren om veiligheidsredenen in het buitenland te hebben vertoefd. ‘De vrouwen in mijn land moeten twee keer zo hard werken om een balans te vinden tussen enerzijds hun hoop en hun ambities – niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun familie – en anderzijds de realiteit, die een schaduw over hun leven werpt.’
Khalifa is een vrouw van in de zestig met een zachte stem. Ze draagt een montuurloze bril en haar blonde haar is keurig gekamd. Naast haar op een bruine bank zit haar dochter – en tevens redactrice – Rima, met een alerte, vastberaden blik in haar ogen, het donkere haar in een staart. Rima, een van Khalifa’s vier kinderen en zelf ook schrijver, vult op zakelijke toon de antwoorden van haar moeder aan, of plaatst die binnen een bepaalde context. ‘Zij is degene die me heeft aangemoedigd mijn teksten te delen met de rest van de wereld,’ zegt Khalifa met een trotse blik op haar dochter, die instemmend knikt. ‘Mijn moeder had een schat aan verhalen, maar ze wist die niet op waarde te schatten. Iemand moest haar een zetje geven,’ zegt Rima.
‘Mijn moeder had een schat aan verhalen, maar ze wist die niet op waarde te schatten. Iemand moest haar een zetje geven’
Het ontsluiten van het Libische erfgoed is wat Khalifa al haar hele leven drijft. ‘Het gaat ver terug, vormt een doorgaande lijn en biedt motivatie,’ zegt ze. Ze schrijft een historische roman over haar geboorteplaats Derna, een havenstad in het oosten van Libië, in wat vroeger een van de rijkste regio’s was. Ze ging er weg op haar achttiende, maar nog altijd voelt ze zich sterk met de stad verbonden. De roman gaat over het lijden van de inwoners van Derna als gevolg van de strijd tussen de ge-allieerden en de asmogendheden in de Tweede Wereldoorlog. Er werd onder meer gestreden in de Libische woestijn. Ze kwam erachter dat inwoners van de kuststeden hun toevlucht hadden gezocht in grotten in de bergen, die dekking boden voor de luchtaanvallen van de geallieerden – een gegeven dat een rol speelt in haar boek.
Khalifa haalt ook herinneringen op uit haar eigen leven. ‘Sommige waren geïnspireerd op het feit dat ik voortdurend verhuisde van de ene plek naar de andere, in Libië of daarbuiten. Dat alles heeft mijn verbeelding verrijkt.’
‘Het voortdurende reizen was voor ons noodzakelijk,’ vertelt Rima. ‘Mijn vader [de Libische politicus en jurist Goma Attaiga] was een tegenstander van het Gaddafi-regime, en omwille van onze veiligheid moesten we het land ontvluchten. Mama heeft zelf jarenlang onder pseudoniem geschreven voor oppositiebladen.’
Khalifa’s eerste roman, We Were and They Were, kwam in 2021 uit in het Arabisch en werd dankzij mond-tot-mondreclame een groot succes bij het Libische lezerspubliek. Het was autobiografisch, zegt ze. ‘Ik wilde het verhaal vertellen van een Libische vrouw die een bepaalde periode uit de geschiedenis van ons land had meegemaakt en die op persoonlijk vlak was geraakt door een aantal belangrijke gebeurtenissen.’
Getuige
De losjes op haar eigen ervaringen gebaseerde roman brengt haar leven in kaart, van haar studiejaren tot aan de val van Gaddafi in augustus 2011. ‘Het begin van mijn studie viel samen met de ingrijpende veranderingen die in Libië plaatsvonden als gevolg van de coup tegen de monarchie. Mijn generatie was getuige van veranderingen die heel verwarrend waren voor de Libische bevolking, die destijds een vreedzaam bestaan leidde.’
Ze herinnert zich de tijd dat er net olie was ontdekt en er goede hoop was op een welvarende toekomst. ‘Van het ene op het andere moment sloeg dat om in een leven van zorgen, en van angst voor de nieuwe bewindhebbers,’ zegt ze. ‘Er werden mensen opgepakt en vrijheden afgenomen, en we zagen enorme veranderingen op sociaal en economisch gebied.’ Khalifa zwijgt even en denkt terug aan het moment dat haar man werd opgepakt. ‘Dat heeft mijn leven voorgoed een andere wending gegeven.’
Tegenwoordig maken deze vrouwelijke auteurs bewerkingen van lokale volksverhalen, Griekse mythen en heilige teksten
Tegenwoordig maken deze vrouwelijke auteurs bewerkingen van lokale volksverhalen, Griekse mythen en heilige teksten. ‘In Libië is er een grote nalatenschap van historische fictie, wat logisch is, gezien de belangrijke rol van het land in de geschiedenis van het Middellandse Zeegebied, en gezien de diverse volken die Libië door de eeuwen heen hebben bewoond of gekolonialiseerd,’ zegt de in Tripoli wonende schrijver Kawther Eljehmi.
De achtendertigjarige spreekt via een videoverbinding vanuit haar huis in Tripoli. Ze behoort tot een generatie van schrijvers die dankzij internet zijn komen bovendrijven. Eljehmi begon 2016 te bloggen; drie jaar later zette ze al haar artikelen en verhalen op de populaire Facebookpagina Fasila, speciaal bestemd voor Libische auteurs. Via internet nam de aandacht voor haar verhalen toe en kreeg ze een vaste volgersschare – nog voordat twee jaar geleden haar eerste roman uitkwam, Aidoun.
Italiaanse Libiërs
De instabiele situatie van het land is de ernstigste kwestie die bij het schrijven komt kijken. ‘Bij mijn eerste roman liep het allemaal nog best soepel. Ik schreef terwijl ik zwanger was van deze kleine,’ zegt ze, terwijl haar vierjarige zoontje Moness zijn neus tegen de webcam drukt. ‘Maar het was veel lastiger om mijn tweede roman te voltooien.’ Dat was tijdens de burgeroorlog van 2019. Eljehmi woonde in een buurt waar veel werd gevochten. Door de bominslagen was het ‘vrijwel onmogelijk’ een schrijfritme te vinden.
Toch wist ze het boek af te krijgen. The Colonel gaat over een fictief personage dat doet denken aan Gaddafi. Eljehmi is alweer bezig aan een nieuwe roman, die handelt over kinderen van Libische vrouwen die met een buitenlander zijn getrouwd. Deze kinderen hebben geen recht op gratis onderwijs en gezondheidszorg, omdat ze niet als Libiërs worden gezien.
Italiaanse schrijvers houden zich ook bezig met historische afrekeningen. Zij nemen de Italiaanse kolonisatie van Libië onder de loep. Libië, voorheen Ottomaans bezit, werd van 1911 tot 1943 bezet door Italië. Op 24 december 1951 riep Libië de onafhankelijkheid uit. In 1970 beval Gaddafi de uitzetting van de Italiaanse bevolking.
Mythologie en de vrouwelijke blik vormen het perspectief
Ook bij de Italianen vormen mythologie en de vrouwelijke blik het perspectief van waaruit de auteurs naar het verleden kijken. Een goed voorbeeld hiervan is Le amazzoni van Manuela Piemonte, dat vorig jaar uitkwam. Dit boek kijkt door de ogen van twee kleine meisjes naar het door Italië bezette Libië in de jaren veertig.
Piemonte (43) werkte in de uitgeefwereld en was scenarioschrijver, toen ze zich aan haar eerste roman waagde. Ze houdt van research en verzamelde een enorme hoeveelheid archiefmateriaal over het onderwerp van haar boek. Via een videoverbinding toont ze me, wat aarzelend maar toch met enige trots, een collectie fascistische memorabilia die ze in dienst van de literatuur heeft verzameld: oude boeken, fascistische speldjes en ansichtkaarten. ‘Ik wilde zeker weten dat mijn beschrijvingen tot in de kleinste details zouden kloppen.’
De hoofdpersonages in Le amazzoni zijn de dochters van Italiaanse kolonisten op het Libische platteland, op het moment dat Benito Mussolini het land de oorlog verklaart. In een periode dat ze Libië moeten verlaten houden ze zich vast aan een indringend beeld dat ze zich herinneren: dat van een Berber-vrouw die te paard door de woestijn stuift. Ze willen net zo worden als die vrouw. ‘Toen ik onderzoek deed naar de periode van de Italiaanse kolonisatie, kwamen de Amazones me voor als een toonbeeld van kracht,’ zegt Piemonte. ‘Pas later kwam ik erachter dat Libië de plek is waar de vrouwelijke krijgers in de Griekse mythen vandaan kwamen.’
Ná de oorlog
Er is nog een periode waar Italiaanse schrijvers zich mee bezighouden, en dat is de tijd ná de oorlog. De inmiddels overleden Alma Abate, die in Tripoli werd geboren, beschrijft in de roman Ultima estate in suol d’amore, die vorig jaar verscheen, een multicultureel Tripoli waar Italianen, Engelsen, Fransen, Amerikanen, joden, christenen en moslims in harmonie samenleven.
Diezelfde periode wordt ook onder de loep genomen in de gefictionaliseerde autobiografie Il casa di Shara Band Ong: Tripoli, van de zestigjarige Mariza D’Anna, die eerder boeken schreef over de geschiedenis van haar familie in Libië. ‘Ik wilde een ervaring delen die veel in Libië geboren Amerikaanse kinderen zullen herkennen: verjaagd worden van de plek die je als je thuis beschouwt,’ zegt ze aan de telefoon vanuit Trapani, op Sicilië, haar thuis sinds ze door Gaddafi werd verbannen. Het boek verscheen vorig jaar.
Zoals D’Anna over Libië spreekt, lijkt het land het midden te houden tussen een verre droom en een plek uit historische verslagen. ‘Ik heb niet heel veel literaire uitwisselingen gehad met Libische schrijvers toen ik aan deze roman werkte, want ik wilde juist mijn eigen herinneringen vastleggen,’ zegt D’Anna, die het land niet meer in mocht – als een in Libië geboren Italiaanse stond ze jarenlang op Gaddafi’s zwarte lijst. ‘Ik ben me ervan bewust dat sommige Libiërs, die waarschijnlijk een volstrekt andere ervaring hebben gehad, het verwarrend kunnen vinden dat ik deze pré-Gaddafi-jaren beschrijf als een gelukkige periode.’ Maar, besluit ze, ‘dat is wel hoe ik het me herinner’.
360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen, of online te vinden zijn.
Tegen de grenzen van geëngageerde literatuur
Duits neonazisme in historisch perspectief
LITERATUUR | In zijn nieuwste roman De kleindochter plaatst de Duitse auteur Bernhard Schlink, wereldberoemd geworden met De voorlezer (1995), de opmars van neonazi’s in het oosten van Duitsland in een historisch kader.
Na de dood van zijn vrouw Birgit stuit boekhandelaar Kaspar op het manuscript van haar autobiografische roman. Zo komt hij tot de ontdekking dat ze kort voor hun huwelijk in de jaren zestig een dochter op de wereld heeft gezet die is achtergebleven in het voormalige Oost-Duitsland. Kaspar weet de familie op te sporen en zet vervolgens alles in het werk om de 14-jarige kleindochter Sigrun te ontdoen van het extreem nationalistische gedachtegoed waarmee ze is geïndoctrineerd.
Op de NDR-site stelt Annemarie Stoltenberg dat Schlink het verhaal ‘niet alleen tegen de achtergrond van historische gebeurtenissen presenteert, maar tegelijkertijd zorgvuldig probeert te achterhalen wat de politieke systemen met de ziel van de burgers hebben gedaan.’
Volgens Peter Mohr in Kulturmagazin vertelt Schlink zijn verhaal ‘met verve, heeft hij voorbeeldige research verricht en zijn de beschrijvingen van het radicaal-rechtse milieu volledig authentiek.’ Niettemin vergelijkt Mohr de missie van hoofdpersoon Kaspar met ‘een oefening op de evenwichtsbalk van een oudere turnster. Schlinks poging is goed bedoeld, maar doet pijn bij het lezen.’
‘Schlinks poging is goed bedoeld, maar doet pijn bij het lezen’
Ook Dorothea Westphal van Deutschlandfunk heeft een ambivalent gevoel over de roman. Ze vindt dat Schlink helder inzicht biedt in de extreemrechtse gemeenschap en goed laat zien hoe lastig het is om te vechten tegen een hardnekkige ideologie. ‘Daar staat tegenover dat de gesprekken tussen beide hoofdpersonen houterig verlopen, waardoor de hoofdpersonages niet geloofwaardig overkomen.’
In de Süddeutsche Zeitung mist Christian Mayer het evenwicht bij de sleutelfiguren: ‘De auteur ontpopt zich als een romanticus van de oude stempel. Tegen beter weten in hoopt hij mensen tot inkeer te brengen, zodra ze daartoe de kans krijgen.’
Terwijl Hans-Rüdi Kugler zich in het Zwitserse Tagblatt afvraagt hoe ver Schlink kan gaan met deze geëngageerde literatuur. ‘Met hoeveel goede bedoelingen hij de opkomst van rechts-extremistische groeperingen uit de geschiedenis ook probeert te verklaren, ondanks zijn verhalende elegantie lijkt dit boek meer een casestudy voor maatschappelijk werkers.’
Die Enkelin van Bernard Schlink, door Marcel Misset uit het Duits vertaald als De kleindochter, verscheen begin december bij uitgeverij Cossee
Door Diederik Samwel
De nieuwe generatie Girls
Maar dan Spaans en meer kamikaze
SERIE | ‘Serieus, we gaan nu stoppen met drugs. Geen coke, geen K, geen speed, geen LSD, geen joints, geen marihuana, geen opium, geen GHB, niets’, beweert een van de hoofdpersonen aan de telefoon in de trailer van Autodefensa [Zelfverdediging], de Spaanse serie die sinds eind november te zien is op het Spaanse platform Filmin.
Komiek Berta Prieto en kunstenaar en zangeres Belén Barenys ‘spelen hierin zichzelf, leven hun leven op het parodische af. In hun verkenningsdrift snijden ze veel onderwerpen aan die momenteel spelen en waar we nog geen duidelijke antwoorden op hebben,’ typeert El País, die een lang portret aan hen wijdt. Die onderwerpen zijn behalve drugs bijvoorbeeld ook psychische gezondheid en seksuele consensus. El Periódico de España vergelijkt de serie dan ook met het Amerikaanse Girls, maar noemt de Spaanse variant ‘meer kamikaze en meer gericht op generatie Z’.
Meteen sinds de release van de trailer veroorzaakte Autodefensa niet alleen veel discussie in de Spaanse pers, maar ook op sociale media
In een interview met de krant zeggen de twee makers, geboren in 1982: ‘De twintigers van vandaag weten al beter hoe ze over hun gevoelens moeten praten, wij wisten niet goed wat we ermee moesten.’ Ook daarover gaat de serie. Niet dat ze zichzelf zien als ‘de stem van hun generatie’; ‘iedereen kan zich nu gemakkelijk uiten’ dankzij sociale netwerken, aldus La Vanguardia. Ze wilden gewoon hun leven als jongvolwassenen laten zien, met alle passies en al het tumult, zonder het te verfraaien.
Meteen sinds de release van de trailer veroorzaakte Autodefensa niet alleen veel discussie in de Spaanse pers, maar ook op sociale media. Een van de kritieken op de serie luidde bijvoorbeeld de vraag wanneer er eens een serie verschijnt over meisjes die graag thuis een boek lezen. Prieto noemt deze reactie in gesprek met La Vanguardia nogal vrouwonvriendelijk: ‘Want even los van de kwaliteit van de serie weet ik zeker dat we in de trailer twee meisjes laten zien die het naar hun zin hebben en doen wat ze willen.
Door Laura Weeda
Engelse veteraan dingt mee naar een Oscar
Stiff upper lip tot het bittere einde
FILM | Privélevens bestaan niet op het Londense departement voor Openbare Werken in de jaren vijftig. Zelfs collega’s die dagelijks met dezelfde trein naar hun werk gaan wisselen geen persoonlijke informatie uit. Op kantoor is de belangrijkste bezigheid om lastige dossiers onderop te leggen of naar een andere afdeling door te schuiven. Wat gebeurt er dan wanneer een van hen vlak voor zijn pensioen te horen krijgt dat hij nog zes maanden te leven heeft? Hij stapt subtiel uit zijn rol, zonder ook maar een greintje van zijn waardigheid te verliezen.
Dat is de kern van Living, de Engelse, door de Zuid-Afrikaan Oliver Hermanus geregisseerde bewerking van Ikiru (1952) van de Japanse grootmeester Akira Kurosawa. Diens landgenoot Kazuo Ishiguro, romanschrijver en Nobelprijswinnaar, tekende voor het script. En dat is duidelijk te zien, vindt Anthony Lane in zijn bespreking voor The New Yorker. Hoofdrolspeler Bill Nighy (72) roept herinneringen op aan Anthony Hopkins in Remains of the Day, de verfilming van Ishiguro’s gelijknamige roman, die als hondstrouwe butler uit plichtsbesef de liefde van zijn leven laat schieten: ‘Wanneer zulke acteurs zo inventief en intuïtief een verwelkte en bekrompen man vertolken, geloven we dan wat we zien of zijn we getuige van een briljante vertolking?’
Volgens Constance Jamet van Le Figaro zou er best eens een Oscarnominatie in kunnen zitten voor Nighy: ‘Een haast Spartaanse acteerprestatie waarbij elk sentiment even doorleefd en verstild overkomt.’
‘Alleen al zo’n terloops gesprekje met een agent op straat: daar krijg je zelfs een steen mee aan het huilen’
In The Independent verbaast Clarisse Loughrey zich over de keuze van de makers om Living 70 jaar na Kurosawa’s origineel in het naoorlogse Londen te situeren. ‘Maar wat maakt het uit? De film is fascinerend. Vooral door het glanzende charisma van Nighy. Hij legt het als een slangenhuid over de stoïcijnse rust van zijn karakter. Zo krijgt het bijna iets spookachtigs. Is de man al halfdood of verdient hij ten volle zijn bijnaam op kantoor: Mr. Zombie?’
Tara Brady van The Irish Timesis diep onder de indruk van regie, cast, set design en aankleding: ‘Gewoon perfect. Alleen al zo’n terloops gesprekje met een agent op straat: daar krijg je zelfs een steen mee aan het huilen.’
Living van regisseur Oliver Hermanus is vanaf 29 december te zien in de bioscoop
Door Diederik Samwel
Immens populaire poseerlessen
Want iedereen kan mooi op een foto staan
FOTOGRAFIE | Een TikTok-gebruiker plaatste onlangs een korte video. ‘Mijn naam is August. Ik ben een gehandicapte transman,’ schreef hij. ‘Ik hou van foto’s maken, maar ik weet niet wat ik met mijn lichaam of mijn handen moet doen! Ik ben op zoek naar hulp.’
De video van August was gericht aan één persoon in het bijzonder: poseergoeroe David Suh, die 4 miljoen volgers heeft op TikTok en het idee uitdraagt dat er niet zoiets bestaat als niet fotogeniek zijn. Iedereen kan goed op de foto staan, als je maar weet hoe je jezelf presenteert, beschrijft LA Times de boodschap van de uit Zuid-Korea afkomstige 28-jarige fotograaf, die inmiddels samenwerkte met vele grote namen uit de industrie. Hij heeft nu een studio in Los Angeles, maar dankt zijn bekendheid, met zo’n 4,3 miljoen volgers op TikTok en 1,1 miljoen op Instagram, aan sociale media.
‘Lichaamstaal was de eerste taal die we hadden,’ schrijft Insider. En het is die vorm van communicatie waar Suh met zo veel succes op focust: ‘Vergeet hoe je eruit wil zien, bedenk hoe je wilt overkomen.’ Op die manier zouden we de controle, die we over ons uiterlijk nooit volledig hebben, weer kunnen verleggen naar onszelf.
The Washington Post plaatst een kritische noot. Hoewel de fotograaf erop uit is om de culturele normen van onze schoonheid een beetje te verbreden, en daarmee meevaart op de recente golf van acceptatie van het eigen lichaam en eigenliefde, gaat hij niet zo ver te zeggen dat je er niet per se goed uit hoeft te zien op een foto. Zou dat niet een nog betere boodschap zijn?
Schrijvers van over de hele wereld nemen deel aan het project
Onlangs kwamen ruim tweehonderd mensen bijeen voor een bijzondere ceremonie in een bos met duizend sparren ten noorden van Oslo. Dat bos is in 2014 aangeplant door de Schotse kunstenaar Katie Paterson. De boompjes zijn nu nog maar een meter hoog, maar in 2114 zijn ze groot genoeg om het papier te leveren voor een speciale collectie boeken: enkele van ’s werelds meest gerenommeerde auteurs hebben namelijk bij de Bibliotheek van de Toekomst in Oslo manuscripten ingeleverd die pas over een eeuw zullen worden gedrukt, met papier dat van de sparren komt, meldt BBC.
De ceremonie in het bos voor deze Bibliotheek van de Toekomst – een honderdjarig kunstproject dat door Paterson is bedacht om onze ideeën over tijd te verruimen en het besef van onze verplichtingen aan het nageslacht te vergroten – vindt sinds 2014 elk jaar plaats. De kunstenaar nodigt jaarlijks samen met een kleine groep mensen een prominente schrijver uit om een manuscript te leveren. Die opdrachten lopen door tot 2113, waarna de boeken allemaal zullen worden gepubliceerd.
Tot aan de publicatie worden de manuscripten honderd jaar lang bewaard in de grootste openbare bibliotheek van Oslo
Margaret Atwood was de eerste auteur die een verhaal inleverde, met de titel Scribbler Moon; daarna ontving de Bibliotheek van de Toekomst inzendingen vanuit de hele wereld, van de Engelse romanschrijver David Mitchell en de IJslandse dichter Sjón tot de Turkse Elif Shafak, Han Kang uit Zuid-Korea en de Vietnamees-Amerikaanse dichteres Ocean Vuong. Dit jaar kwamen de Zimbabwaanse auteur Tsitsi Dangarembga en de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård naar het bos om hun verhaal te overhandigen. De auteurs mogen niets over de inhoud van hun werk onthullen, maar alleen de titel prijsgeven: dat van Dangarembga heet Narini en haar ezel (narini is Zimbabwaans voor ‘oneindigheid’); dat van Knausgaard heet Blind boek.
Tot aan de publicatie worden de manuscripten honderd jaar lang bewaard in de grootste openbare bibliotheek van Oslo, in afgesloten glazen laden in een kleine houten opslag die ‘De stille kamer’ wordt genoemd.
Mevrouw Sapiens onderzoekt het beeld van de prehistorische mannelijke jager en de vrouwelijke verzamelaar; De betutteling van de Amerikaanse geest laat zien wat de cultuur van safe spaces aan Amerikaanse universiteiten doet met de geest van studenten & Meer tips in deze Top-5 non-fictie, aangeraden door 360 en Athenaeum Boekhandel.
De zee – Rachel Carson
Nu de oceanen en zeeën door toedoen van de mens in gevaar zijn, maakt deze klassieker van mariene bioloog Rachel Carson ons onverminderd bewust van de kwetsbaarheid en het belang van de oceaan, inclusief het leven dat erin huist, en van onze verantwoordelijkheid de planeet gezond te houden.
Mevrouw Sapiens – Thomas Cirotteau
In de prehistorie hielden mannen zich bezig met jagen. Volgens de lesboekje verzamelden vrouwen bessen, kookten en zorgden voor de kinderen. Maar klopt dit beeld? Een internationaal team van wetenschappers twijfelt er ernstig aan. Mevrouw sapiens blijkt machtiger en krachtiger dan lang is gedacht.
De stilte voor de storm – Gal Beckerman
Grote politieke en maatschappelijke veranderingen vallen of staan met het werk van de vooruitstrevende denkers die achter de schermen het heft in eigen hand nemen – van zeventiende-eeuwse wetenschap tot het huidige sociale media-activisme.
De betutteling van de Amerikaanse geest – Jonathan Haidt & Greg Lukianoff
Dit boek laat zien wat de cultuur van safe spaces aan Amerikaanse universiteiten doet met de geest van studenten. Het sterk doorvoeren van politieke correctheid brengt ons vermogen kritisch na te denken in gevaar.
Eenling zijn – Rüdiger Safranski
Rüdiger Safranski stelt dat ieder mens in de eerste plaats een individu is. De een zoekt liever aansluiting bij de groep, de ander heeft de ambitie om de eigenheid te cultiveren. Tussen de twee polen van eenling en gemeenschap zijn er indrukwekkende pogingen geweest om individueel te zijn.
In de bibliotheek van het afgelegen, honderd inwoners tellende Matinicus Isle, 35 kilometer voor de kust van Maine, zijn alle boeken welkom, maar de bibliotheek heeft een speciale voorkeur voor boeken die elders in het land verboden zijn. Zo kwam bewoner Eva Murray onlangs terug van het vasteland met onder meer And Tango Makes Three, het verhaal van twee mannelijke pinguïns die samen een kuiken grootbrengen. Volgens de American Library Association is dat een van de meest verboden boeken in de VS. ‘We kopen verboden boeken in om publiekelijk weerstand te bieden tegen de drang om boeken te verbieden,’ zegt vrijwilliger Murray in gesprek met Bangor Daily News.
Het past bij Matinicus, waar het adagium leven en laten leven en waardering voor verschillen essentieel is. ‘Wij zijn in de bevoorrechte positie om te zeggen: we verbieden geen boeken.’
Ondanks een tegenvallende decembermaand door omikron, was 2021 ‘weer een jaar van solide groei’ voor de Amerikaanse boekhandelsketen Barnes & Noble, aldus CEO James Daunt in Publishers Weekly. Daunt nam de zieltogende keten in september 2019 over met financiële steun van Elliott Advisors. De omzet lag in de eerste acht maanden van 2021 5 procent tot 6 procent boven het niveau van 2019, aldus Daunt, en ook november was erg sterk, totdat de coronacijfers weer opliepen.
Volgens Daunt wordt de algehele omzetstijging in zijn branche aangewakkerd door de impact van TikTok-onderdeel BookTok, waarmee lezers boeken en literatuur aanprijzen. Het onderdeel is vooral gericht op jeugdliteratuur, fantasy en romantische literatuur. Het succes van BookTok om jonge mensen voor boeken te interesseren, past in een trend die Daunt zegt al langer waar te nemen: tieners en jongvolwassenen zijn het belangrijkst voor de boekverkoop. ‘Ik verdien geen geld aan ouderen, ik verdien geld aan jonge mensen’, aldus Daunt.
360 Top-5 non-fictie, getipt door Atheneum Boekhandel in Amsterdam.
Pelgrim langs Tinker Creek – Annie Dillard
Bijna dagelijks zwerft Annie Dillard langs de oevers van de rivier Tinker Creek in Virginia. Geen detail ontgaat haar. Energiek en bezield vertelt ze in haar boek over de vaak genadeloze natuur in en rond de rivier en laat ze zien hoe gedurende de seizoenen alles onophoudelijk aan verandering onderhevig is.
Giftige positiviteit – Whitney Goodman
Onze cultuur is geobsedeerd door positiviteit, en positief denken wordt gezien als oplossing voor al onze problemen. Maar waarom zijn dan toch zo veel mensen ongelukkig? Psychotherapeut Whitney Goodman stelt dat positiviteit ook heel giftig kan zijn en slecht voor je (mentale) gezondheid.
Stadsnomade – Amy Liptrot
In de hoop haar geïsoleerde leven op de Orkneyeilanden achter zich te laten boekt Amy Liptrot een enkele reis Berlijn. Alles is vluchtig, inclusief haar internetdates. Het enige wat haar richting geeft, is de natuur om haar heen: zwemmen in Berlijnse meren en de stadse wildernis ontdekken.
Wereldcrisis – Geoffrey Parker
Geoffrey Parker deed uitgebreid onderzoek naar veranderingen in het klimaat halverwege de zeventiende eeuw in Europa, Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en Azië. Hij constateert dat de invloed van het klimaat op de geschiedenis van de mensheid veel groter is dan altijd werd verondersteld.
Over tirannie – Timothy Snyder
Historicus Snyder gebruikt twintig strategieën die burgers kunnen gebruiken om de democratie te beschermen tegen een autoritaire overheid, en werkt deze uit met concrete voorbeelden uit de geschiedenis. Over tirannie is schitterend geïllustreerd door kunstenaar Nora Krug.
Menselijk zweet is veel meer dan alleen verkoelend. Soms ruikt het ‘ranzig, geitachtig’ naar een flinke doses ‘stinkkaas’ of naar ‘een mengsel van rijp tropisch fruit met ui’, dan weer prikkelt het onze zintuigen op een aangename manier.
In de sportschool getuigt een bezweet T-shirt van krachts-inspanning en doorzettingsvermogen, maar bij een kennismakingsgesprek is het een teken van zwakte en onzekerheid. Voor de sauna betalen we om te zweten, voor een taxi met airco juist om te voorkomen dat we bij een receptie op ook maar één zweetdruppeltje worden betrapt. Geen twijfel aan: de mens heeft een schizofrene verstandhouding met zweet. Nu eens heeft lichaamsvocht een erotische aantrekkingskracht, dan weer wekt het weerzin.
Eerst en vooral is zweten essentieel om te kunnen overleven: zo beschermt het lichaam zichzelf tegen oververhitting. Ieder mens heeft twee tot vijf miljoen zweetklieren. Het merendeel daarvan zijn eccriene zweetklieren, die over het hele lichaam verspreid liggen. Door die klieren dringt een waterig-zoutachtig vocht door tot op het huidoppervlak, waar het verdampt en ons lichaam afkoelt. Apocriene zweetklieren komen daarentegen alleen voor op enkele behaarde lichaamsdelen, zoals onder de oksels. Deze geurklieren scheiden een olieachtig secreet af. Het vocht zelf is weliswaar reukloos, maar vormt tegelijkertijd ook een buitenkansje voor heel wat huidbacteriën. De afvalproducten van dit afbraakproces resulteren in wat wij doorgaans een zweetlucht noemen.
Vrouwen ruiken daarentegen meer naar ‘een mengsel van rijp tropisch fruit met een zweem van ui’
Ieder mens heeft zijn eigen unieke zweetgeur. In haar lezenswaardige boek The Joy of Sweat schrijft de Canadese wetenschapsjournalist en docent Sarah Everts dat er genderspecifieke tendensen zijn. Zo worden mannengeuren vaker gedomineerd door een geurmolecuul dat ze omschrijft als ‘een ranzige, geitachtige stank met een geur van stinkkaas’. Vrouwen ruiken daarentegen meer naar ‘een mengsel van rijp tropisch fruit met een zweem van ui’.
Hoe onaangenaam die zweetlucht tegenwoordig ook kan zijn, in oorsprong was hij een belangrijk communicatiemiddel. Veel zoogdieren bakenen hun territorium af – met waarschuwingssignalen of juist met liefdesboodschappen. ‘Maar bij mensen wordt de oorspronkelijke biologische betekenis van de apocriene zweetklieren nog maar slecht begrepen,’ zegt Everts. Misschien verraadde de zweetlucht van onze voorouders ooit dat iemand bang was, of dat een vriend of familielid ziek was.
Bezwete T-shirts
Ook bij het vinden van een partner speelden zweetklieren mogelijk een belangrijke rol – en misschien doen ze dat nog steeds. In de jaren negentig liet evolutiebioloog Claus Wedekind van de Universiteit van Lausanne vrouwen ruiken aan bezwete T-shirts van mannen. De proefpersonen hadden voorkeur voor de reuk van mannen met een immuunsysteem dat niet te sterk leek op het hunne, maar dit juist goed aanvulde. Vroeger, toen mensen in kleine groepen leefden, voorkwam die voorkeur mogelijk dat een vrouw een man koos die te nauw aan haar verwant was.
Hoewel dat risico tegenwoordig geringer is en andere factoren bij de partnerkeuze veel belangrijker zijn, geloven sommigen nog altijd in de erotische werking van het okselholtebouquet. Everts deed mee aan een zweetdating in Moskou waarbij de deelnemers aan hun date snuffelden. Om een tipje van de sluier op te lichten: zij stuitte daarbij inderdaad op een geur waar ze warm van werd.
Sterke zweters kunnen wel drie theelepels zweet per minuut verliezen
Eccriene zweetklieren zijn minder verbonden met intieme gevoelens. Maar ook zij kunnen een mens onzeker maken of voor schut zetten. Everts doet veel aan sport, vertelt ze, ‘en ik ben altijd de eerste die zweet’. Dat vond ze vaak vervelend en het bracht haar op het idee een boek over zweet te schrijven. Uit onderzoek bleek dat de zweetproductie van haar lichaam gemiddeld is. Maar sommige mensen hebben enorm veel zweetporiën, of hun zenuwsysteem is zo ingesteld dat het maar al te gauw een zweetsignaal afgeeft. Sterke zweters kunnen wel drie theelepels zweet per minuut verliezen.
Zweten is een zeer menselijk fenomeen. Mensen hebben, schrijft Everts, tien keer zoveel eccriene zweetklieren als chimpansees en kunnen twaalf keer zo sterk zweten als een koe. Bij andere zoogdieren zoals honden en katten komen eccriene zweetklieren alleen voor op de poten. Zij reguleren niet de warmtehuishouding maar vergroten bij het klauteren en jagen hun grip op de grond. Afkoelen doen onze favoriete huisdieren onder meer door te hijgen met de tong uit de bek. Maar dat is een actief proces dat energie kost.
Afkoelingsstrategieën
Ook in vergelijking met andere afkoelingsstrategieën is zweten een behoorlijk slimme oplossing. Kangoeroes bijvoorbeeld likken hun onderarm om af te koelen. De Nieuw-Zeelandse zeebeer urineert over zijn buik en achterpoten als het hem te warm is. Ooievaars en gieren spatten modder op hun poten. En als honingbijen oververhit dreigen te raken, braken ze hun maaginhoud uit en smeren die met hun voorpoten over hun hele lijf.
Hoewel zweet voor 99 procent uit water bestaat, is de resterende 1 procent in velerlei opzichten heel interessant. Die bestaat namelijk uit honderden chemische substanties die door het lichaam worden afgescheiden uit het weefselvocht tussen bloedvaten en weefsels. De belangrijkste zijn zoutbestanddelen zoals natrium, kalium en chloride. Andere substanties verraden onze ondeugden: vermaard en berucht is de geur van knoflooketers. Everts beschrijft zelfs het geval van een verpleegkundige uit Zuid-Afrika die vertwijfeld een arts raadpleegde omdat er rood zweet uit haar poriën kwam. De kleur bleek afkomstig van de tomatenchips die de vrouw met kilo’s naar binnen had gewerkt.
Sinds enkele jaren neemt ook de sportgeneeskunde ons zweet nauwkeuriger onder de loep. Bij het interdisciplinaire onderzoeksproject WeCare proberen wetenschappers uit Zürich, Neuchâtel, Lausanne en Barcelona een zweetmeetapparaat voor duuratleten te ontwikkelen. Hiermee moeten triatleten, wielrenners en marathonlopers onderweg voortdurend controleren hoeveel water, natrium of kalium zij hebben uitgezweet. ‘Zo kunnen zij dan op het juiste moment de juiste hoeveelheid van het juiste vocht tot zich nemen,’ zegt Mathieu Saubade van het Centrum voor Sportgeneeskunde van het Universitair Medisch Centrum Lausanne, die als onderzoeker bij het project betrokken is.
Realtime
Volgens Saubade is de wetenschappelijke belangstelling voor dergelijke toepassingen de afgelopen tijd sterk gestegen. Tot nog toe waren er echter nog geen apparaten op de markt om de bestanddelen van zweet in realtime te meten. Dat komt door de complexiteit van dat lichaamsvocht. ‘Hoeveel en hoe we zweten is afhankelijk van verschillende factoren,’ zegt Saubade. Omgevingstemperatuur, leeftijd, geslacht, het uur van de dag en voeding zijn onder meer relevant. Conditie is een andere factor: de zweetklieren van topatleten werken efficiënter dan die van ongetrainde mensen, zij hebben ‘leren’ reageren op hoge lichaamstemperaturen. Ondanks de vele factoren die van invloed zijn is Saubade ervan overtuigd dat er in de niet al te verre toekomst apparaten op de markt komen die gericht zijn op het constant meten van zweet.
De politie zou al aan de mogelijkheid werken om aan het zweet van vingerafdrukken te kunnen aflezen of iemand alcohol of drugs heeft gebruikt
Zweet bevat heel veel informatie. Het leven van mensen met diabetes zou veel gemakkelijker worden als zij hun bloedsuiker konden meten zonder zich te hoeven prikken. En voor automobilisten zou een waarschuwingssignaal via een smartwatch nuttig zijn als ze na een avondje stappen te veel alcohol op hebben. De politie werkt volgens Sarah Everts al aan de mogelijkheid om aan het zweet van vingerafdrukken te kunnen aflezen of iemand alcohol of drugs heeft gebruikt.
Maar wat als bedrijven in de toekomst informatie uit zweet verzamelen om sollicitanten te beoordelen? Of als ziektekostenverzekeringen een zweettest vragen om korting op de premie te kunnen geven? Everts vreest dat het niet lang meer duurt voordat dergelijke ideeën worden omgezet in praktijk. Misschien is dat ook een reden waarom zweten ons vaak in verlegenheid brengt, zegt ze. ‘Wij hebben geen controle over ons zweet en het verschaft intieme informatie over ons.’
Na de Amerikaanse invasie in Irak in 2003 werden veel bibliotheken in het land door vandalen verwoest. De oeroude bibliotheek al-Qadiriya ontsprong de dans, en dat was niet voor het eerst.
Bibliothecaris Abdoellsalem Abdoelkarim beweegt zich behoedzaam tussen de boekenplanken van de al-Qadiriyya-bibliotheek. Historische pronkstukken met zijdezachte kaft worden uit glazen toonkasten gehaald en het bezoek met gepaste trots voorgelegd.
In veel gevallen gaat het om rijkelijk versierde exemplaren van de Koran. Een ervan – handgeschreven, in twee delen, met pagina’s van bijna een meter lang – werd honderden jaren geleden gedoneerd door een Indiase prins van de Taj Mahal.
‘Deze hier is enig in zijn soort en dus heel bijzonder,’ zegt Abdoelkarim, terwijl hij een koran toont met randen van bladgoud en kleurrijke, vervlochten bloemenmotieven – ook al eeuwenoud en ooit door de moeder van een Ottomaanse sultan cadeau gedaan.
‘Door het hele boek zie je dat elk vers eindigt met een unieke afbeelding – een bloem, een zespuntige ster, een kom fruit, allerlei motieven,’ licht de bibliothecaris toe. ‘Nergens anders treffen we dit aan. Tal van deskundigen op het gebied van kalligrafie, tekens en symbolen komen dit boek bestuderen. De betekenis van veel afbeeldingen blijft echter mysterieus.’
Zwart van de inkt
De bibliotheek maakt deel uit van een uitgestrekt complex dat zowel een schitterende moskee als het heiligdom van Sjeik Abd al-Qadir al-Jilani herbergt. Deze Perzische wetenschapper uit de elfde eeuw bracht het grootste deel van zijn volwassen leven door in Bagdad en stichtte er de soefi-broederschap al-Qadiriyya.
Een van de opmerkelijkste stukken is een gehavende, bevlekte, dertiende-eeuwse tekst die de plundering van Bagdad in 1258 overleefde. 800.000 inwoners vielen toen ten offer aan Mongoolse legers onder leiding van generaal Hulagu, kleinzoon van Dzjenghis Khan.
‘De Mongolen verbrandden de bibliotheken en gooiden zo veel boeken in de Tigris dat het water zwart werd van de inkt,’ vertelt Abdoelkarim. ‘Dit boek, dat uitleg biedt over de Koran en de islam, is een van de weinige die uit de rivier werden gered.’
Samen met de volledige collectie van de al-Qadiriyya-bibliotheek ontsnapte het werk ook aan de golf van vernielingen en plunderingen die volgde op de door de VS geleide invasie van Irak in 2003. Alleen al in Bagdad werden tien bibliotheken verwoest. Het verlies van vele waardevolle boekencollecties omschreef Saad Eskander, directeur van de Nationale Bibliotheek en het Nationaal Archief, als een ‘nationale ramp die het voorstellingsvermogen te boven gaat’.
‘Dit was de enige bibliotheek die werd gespaard. Dat was te danken aan God en aan onze medewerkers en vrijwilligers. Gewone mensen, geen politie of bewakers, die hier bleven om de instelling te beschermen,’ vertelt sjeik Abdoelrahman, een vooraanstaand geestelijke die verbonden is aan de moskee.
‘Toen de Amerikanen poolshoogte kwamen nemen,’ vervolgt hij, ‘zeiden we dat we eenvoudige mensen waren die zich enkel bekommerden om ons heiligdom en onze religieuze voorwerpen, en dat we maar twee kalasjnikovs hadden voor onze veiligheid. We mochten die houden. Ze gingen weer weg.’
Doodsbang dat de Qadiriyya-collectie hetzelfde lot zou treffen als andere geplunderde en in lichterlaaie gezette bibliotheken in Bagdad, besteedden hoofdbibliothecaris Abdoelmajid Mohamed en zijn personeel een volle dag aan het overbrengen van de meest kostbare boeken naar de kelder, die ze hermetisch afsloten terwijl in de hele stad geweervuur klonk. ‘Toen ik om tien uur ’s avonds wegging, waren de straten totaal verlaten,’ zegt Mohamed. ‘Iedereen was in die tijd doodsbang, dus reden er geen taxi’s. Ik ben te voet naar huis gegaan.’
Het complex, tegenwoordig beschermd door betonnen muren en bewaakt door de militaire politie, doorstond in 2007 een aanslag met een autobom. De materiële schade was gering en er vielen relatief weinig burgerslachtoffers. Maar in 2014 werd het opnieuw bedreigd toen Aboe Bakr al-Baghdadi, de leider van IS, zijn strijders de opdracht gaf ‘de tombes van Hussein ibn Ali in Karbala (ten zuiden van Bagdad) en van Abdoel Qadir Jilani in Bagdad te vernietigen’, omdat het zou gaan om ‘polytheïstische centra’ van ketterse soefi’s en sjiieten.
‘We hielden ons hart vast na de verklaringen van die types van de zogenaamde Islamitische Staat, maar vertrouwden op God,’ zegt Sjeik Abdoelrahman, terwijl hij zich over een groep Pakistaanse pelgrims ontfermt. ‘Ze noemden zich moslims, maar wij vertegenwoordigen al eeuwenlang moslims en de islam, en we zijn er nog steeds. Waar zijn zij nu?’
Volgens vrijwilligers lokt Jilani’s graf dagelijks een groot aantal Irakezen en honderden pelgrims. Soennieten zowel als sjiieten, die soms helemaal uit Pakistan en Mauritanië komen. Ook ontvangt het complex regelmatig christenen en af en toe een hindoe, en er schijnt zelfs elk jaar een boeddhist het heiligdom te bezoeken. Voor de bibliotheek hebben de bedevaartgangers echter weinig belangstelling.
‘Deskundigen voorkomen bederf door de boeken regelmatig te ‘vaccineren’. Onze bijna tweeduizend manuscripten, die ook erg waardevol zijn, behandelen ze met speciale middelen’
Tot de verzameling behoren niet alleen religieuze boeken, maar ook veel waardevolle oude wetenschappelijke teksten en manuscripten. Het oudste is een 950 jaar oud werk over Arabische taalkunde. ‘We conserveren alles heel zorgvuldig omdat het uiterst kostbaar is,’ zegt Abdoelkarim. ‘Deskundigen voorkomen bederf door de boeken regelmatig te ”vaccineren”. Onze bijna tweeduizend manuscripten, die ook erg waardevol zijn, behandelen ze met speciale middelen.’
Nora, een directe vrouwelijke afstammelinge van Jilani die in Londen studeert en daar hoopt te promoveren, brengt elk jaar een maand lang tussen de manuscripten door. Maar de leeszaal in de al-Qadiriyya-bibliotheek is heden ten dage vaak leeg. Honderden jaren lang kwamen er Iraakse studenten, onderzoekers en geleerden. Tegenwoordig geven die de voorkeur aan internet. De bibliotheek, die met 80.000 tot 85.000 titels een van de grootste van Bagdad is na de verwoestingen in 2003, moet nog wat aanhaken bij de moderne tijd. ‘We willen graag contact met bibliotheken in het buitenland, maar we hebben niet eens een e-mailadres,’ zegt Abdoelkarim.
De website Middle East Eye werd in 2014 opgericht en wil de voornaamste nieuwsbron zijn voor het Midden-Oosten. Hoofdredacteur is David Hearst, voormalig buitenlandredacteur van The Guardian. Volgens critici heeft de site banden met de Moslimbroeders.
Sinds september bouwen demonstranten piramides van boeken voor het regeringsgebouw in Boekarest. Hun doel: behoud van het pluralisme in het onderwijs.
Er is al heel wat onzin gedebiteerd over de kwestie schoolboeken. Ministers, ouders, iedereen vond dat hij zijn steentje moest bijdragen. Een gedachte die op zichzelf niet verkeerd is, behalve dat er in deze kakofonie van een werkelijk debat amper sprake is. Laat ons de feiten eens op een rij zetten, om af te rekenen met allerlei mythes.
Waarom hebben wij nog schoolboeken nodig terwijl de Finnen er juist afstand van hebben gedaan? Omdat wij ons niet in dezelfde situatie bevinden als de Finnen, die een goed functionerend onderwijsstelsel hebben met voldoende financiële middelen. Het schoolboek is een leermiddel dat de leerlingen nodig hebben, waarin ze de basiskennis kunnen vinden van het onderwezen vak – oefeningen, toetsen en opgaven. En dat geldt voor alle leerlingen, ongeacht hun sociale klasse. Leerlingen uit iets gegoedere milieus hebben verder nog toegang tot aanvullende leermiddelen.
Voor arme kinderen is het schoolboek het enige leermiddel en voor de meeste kinderen is het schoolboek het enige boek dat ze ooit zullen lezen. want naar schatting leest vijftig procent van de Roemenen na zijn schooltijd geen enkel boek meer. Dus laten wij, in plaats van rondjes te lopen rond het schoolboek zoals indianen rond een totempaal, het eens hebben over wat nodig is om er op lange termijn voor te zorgen dat leerlingen toegang hebben tot voldoende en diverse leermiddelen.
2 euro per stuk
Eind augustus maakte minister van Onderwijs Liviu Pop bekend dat particuliere uitgeverijen geen schoolboeken meer mogen uitgeven en aan de staat mogen verkopen. De staatsuitgeverij Editura Didactica si Pedagogica (‘Didactische en pedagogische uitgeverij’) zal voortaan het monopolie hebben. Hij beschuldigde particuliere uitgeverijen ervan schoolboeken van slechte kwaliteit te hebben gedrukt om leerlingen te verplichten aanvullende leermiddelen aan te schaffen [de leermiddelen die scholen gebruiken naast de schoolboeken].
In zijn ogen hebben de ‘baronnen’ van de aanvullende leermiddelen enorme fortuinen vergaard, naar schatting 100 miljoen euro, terwijl de kinderen eronder lijden en de staat belastinginkomsten misloopt. De winsten die genoemd worden zijn enorm. Als de boekensector in zijn geheel toch eens zo veel zou opbrengen als alleen al de schoolboekensector! Maar in Roemenië gaat er helemaal niet zo veel geld om in deze sector.
Later kwam de minister op zijn standpunt terug: sommige van deze aanvullende leermiddelen mogen worden gebruikt, maar alleen met uitdrukkelijke toestemming van zijn eigen ministerie. Maar het echte probleem is dat schoolboeken bij ons nooit duur zijn geweest, ze kosten twee euro per stuk. Voor dat geld is het lastig een kwalitatief goed schoolboek aan te bieden, dus de uitgevers doen wat ze kunnen. In andere Europese landen kost een schoolboek tien à twaalf euro. Zijn wij armer dan de overige lidstaten? Natuurlijk. Maar als we blijven weigeren in onderwijs te investeren, zullen we niet alleen letterlijk arm blijven, maar ook figuurlijk, in ons brein [volgens Eurostat investeert Roemenië het minst in onderwijs, namelijk 3,1 procent van het bbp].
De aanvullende leermiddelen zijn inderdaad overal verkrijgbaar. Sommige zijn goed, andere zijn slecht, sommige zijn duur, andere niet. Wie moet het kaf van het koren scheiden? De leraren, want zij weten welke aanvullende leermiddelen hun leerlingen nodig hebben. In plaats van dat het ministerie voor hen besluit om slechts één lesmethode per vak te gebruiken, zou het wat meer vertrouwen moeten hebben in hun oordeel en zou het hen moeten laten aangeven wat werkt en wat niet werkt. Kan het dat doen? Ja. Doet het dat? Nee.
Toch gaat het overal zo in de EU: er bestaat een markt voor schoolboeken en een markt voor aanvullende leermiddelen die voortdurend met elkaar concurreren, en de kwaliteit geeft de doorslag. Maar ons ministerie verklaart liever dat er een schoolboekenmaffia is, dat ‘baronnen’ fortuinen verdienen en dat, om deze grijze economie aan banden te leggen, er slechts één lesmethode mag worden gebruikt – waarmee het voorbijgaat aan het feit dat de Roemeense staat over genoeg instrumenten beschikt om illegale praktijken tegen te gaan. In plaats van justitie haar werk te laten doen verklaart de minister dat het schoolboek een ‘gemeen goed van nationaal belang’ is en besluit hij dat alle schoolboeken voor alle vakken door één uitgeverij worden gedrukt en uitgegeven, namelijk de staatsuitgeverij.
Bovendien wordt de minister hierin bijgevallen door allerlei parlementsleden en ministers die argumenten van het niveau van de stamtafel aanvoeren, zoals die van de voorzitter van de Kamer van Afgevaardigden die riep: ‘Echt, in onze tijd, toen wij op school zaten, waren wij misschien dommer dan de generaties van tegenwoordig, maar wij hadden per vak maar één schoolboek en kijk eens, het leverde waardevolle mensen op voor het land – ingenieurs, leraren, economen.’
Er gaat geen najaar voorbij of er breekt weer een schandaal uit over schoolboeken
In mijn tijd, dat klopt, hadden wij per vak slechts één schoolboek. En omdat we maar één boek hadden, werd het jaar in, jaar uit gebruikt. En er waren er nooit genoeg voor alle leerlingen, vaak moesten twee leerlingen een exemplaar delen.
Maar waar hebben we het eigenlijk over? Dat weet inderdaad niemand meer. Iedere dag worden er enorme hoeveelheden energie gestoken in discussies over schoolboeken (alsof we geen deel uitmaken van de Europese Unie, nog in het socialistische Roemenië leven, als zusterstaat van Noord-Korea), over de taalfouten van de minister van Onderwijs, de financiële belangen van uitgeverijen, de opvattingen van de premier. In plaats daarvan kunnen we beter nuchter vaststellen dat het desbetreffende ministerie bestuurlijk incapabel is, wat het ieder jaar weer aantoont, want er gaat geen najaar voorbij of er breekt weer een schandaal uit over schoolboeken. Vijf jaar geleden ging het over de digitale schoolboeken, nu over het feit dat er maar één schoolboek per vak mag worden gebruikt. De instellingen die er iets over zouden moeten zeggen, zoals de Academie of toonaangevende universiteiten, hullen zich in stilzwijgen.
Ondertussen wordt er gedemonstreerd. We vechten tegen ideologieën in plaats van ons te herinneren dat er een onderwijspact bestaat dat getekend is door alle partijen, waar we niemand meer over horen. We stellen stompzinnige vragen over de noodzaak om al dan niet één schoolboek per vak te hebben in plaats van ons zorgen te maken over de kwaliteit van het onderwijs. En van de schoolboeken.
Is dat normaal? Het gaat allemaal ten koste van onze kinderen die ons over twintig jaar zullen zeggen dat er weer een generatie is ‘opgeofferd’. Door ons.
Cultureel tijdschrift met sociologische en soms politieke inslag. Drijvende kracht achter het weekblad is Andrei Plesu, een vooraanstaand Roemeens intellectueel en voormalig minister van Cultuur. Het ‘Oude Dilemma’ staat bij uitstek te boek als Europa minnend.
De redactie van 360 attendeert u graag op een aantal buitenlandse non-fictieboeken die in het Nederlands zijn vertaald. De auteurs, goede bekenden van 360, kunt u eerder zijn tegengekomen op de pagina’s van ons magazine. Vandaar. Dankzij een samenwerking met Veen Media kunt deze boeken nu heel eenvoudig bestellen op veenmedia.nl/360magazine.
Verslag uit hel Aleppo
Als freelance-oorlogscorrespondent verslaat Francesca Borri maandenlang de slag om Aleppo. Collega-freelancers vertrekken naar nieuwe brandhaarden, maar Borri, de enige vrouw ter plaatse, blijft. Er is nog genoeg te vertellen over de alledaagse werkelijkheid in de hel van Aleppo.
Dit dagboek is een beklemmend verslag van haar dagelijks leven aan het front, de druk van de concurrentie tussen correspondenten en haar positie als vrouw te midden van dit alles.
Onze vrouw in Aleppo – Francesca Borri
De Geus € 18,99
De nieuwe Zadie Smith
Zadie Smith (1975) is een van de grootste en invloedrijkste schrijfsters van haar generatie. Ze schrijft regelmatig voor The New Yorker en heeft inmiddels een indrukwekkend oeuvre op haar naam staan.
Gloednieuw is Swing Time, een verhaal over twee meisjes die naar elkaar toetrekken door een vergelijkbare achtergrond, maar uiteindelijk totaal verschillende levens tegemoet gaan. De roman speelt met moderne maatschappelijke thema’s en zal goed vallen bij liefhebbers van Americanah van Chimamanda Ngozi Adichie.
Swing Time – Zadie Smith
Prometheus, Fictie € 19,95
Eerste biografie Erdogan
De Franse Turkijekenners Nicolas Cheviron en Jean-François Pérouse achterhalen de realiteit van de zeemanszoon die een hoofdrolspeler op het wereldtoneel werd. De auteurs, die al bijna twintig jaar de opkomst van Erdogan volgen, schreven de eerste grote biografie van de man die, met name sinds de mislukte staatsgreep van juli 2016, door de wereld met argusogen wordt bekeken. Het is een helder portret van een ongrijpbaar en omstreden politicus.
Erdogan. Nieuwe vader van Turkije? – Nicolas Cheviron & Jean-François Pérouse
Prometheus € 35,00
Unieke politieke carrière
In editie 83 besteedde 360 uitgebreid aandacht aan Bernie Sanders, een opmerkelijk politicus die het Hillary Clinton destijds steeds moeilijker maakte in de peilingen voor het kandidaat-presidentschap.
Zijn hele leven vocht Sanders hard tegen het bestaande politieke etablissement. Hij startte een succesvolle politieke beweging in zijn thuisstaat Vermont en veroverde een zetel in het Huis van Afgevaardigden. In dit boek geeft hij interessante inzichten in een politieke carrière die in vele opzichten uniek is voor Amerikaanse begrippen.
Feel the Bern! – Bernie Sanders
Lebowksi € 19,99
>> Lees hier het artikel over Bernie Sanders uit editie 83 terug.
Bestelt u een boek waarover eerder is geschreven in 360? Stuur een e-mail naar marketing@360international.nl en u ontvangt het betreffende nummer gratis digitaal.
Journalist Robert D. Kaplan, wiens nieuwe boek begin maart verschijnt, is een verwoed lezer. Welke boeken zou hij meenemen naar een kamer waar hij de rest van zijn leven zou wonen?
Ik heb veel te veel boeken. Maar ik kan ze niet wegdoen omdat er aantekeningen in staan die ik nog wil gebruiken. Toch is het opruimen van boekenkasten een taak die je moet verrichten voordat de ouderdom echt toeslaat. Eén boek betekent vrijheid; te veel boeken staan nieuwe ontdekkingen in de weg. Als je bij alles wat je ziet of hoort een citaat paraat hebt, sta je niet meer open voor wat nieuw en anders is.
Gebonden boeken zijn voor een gevestigd bestaan. Ik heb relatief weinig hardcovers en nog minder eerste drukken. Geen bibliofiel zal onder de indruk zijn. Mijn bibliotheek bestaat grotendeels uit groezelige paperbacks vol aantekeningen die ik in de loop der jaren heb gemaakt. Toch zijn al mijn boeken me dierbaar. Als je weinig geld hebt, koester je de boeken die je hebt en koop je alleen wat je echt graag wilt hebben.
‘Boeken die ik lang geleden aanschafte zijn net als oude vrienden die je uit het oog verloren bent: ze waren misschien niet perfect, maar ze zitten voor altijd in je geheugen’
Ik was al drieënvijftig toen ik mijn eerste fulltimebaan kreeg. Daarna volgden de banen elkaar op en soms had ik er zelfs meerdere tegelijk. Ik was dus pas vrij laat in mijn leven in de gelegenheid om veel boeken te kopen, en die gingen toen elk afzonderlijk steeds minder voor me betekenen. Het meest gehecht ben ik aan de boeken die ik tientallen jaren geleden kocht. Daarmee is het net als met oude vrienden die je uit het oog verloren bent: ze waren misschien niet perfect, maar ze zitten voor altijd in je geheugen.
Er is evenwel nog een tweede overeenkomst tussen herinneringen en spullen, namelijk dat het oude en dierbare door het nieuwe wordt overwoekerd. De icoon die ik ooit van een Roemeense kunstenaar kreeg en vroeger zo’n prominente plaats innam, staat nu half verscholen achter een boek over de Balkan en een Cambodjaans beeldje en achter dat beeldje staat ook nog een print die ik haast een leven geleden in een museum in Lahore kocht. Ik moet dat alles echt opruimen. Kijk uit voor het narcisme van de verzamelaar!
Maar het valt me zwaar. Een goede pocket naast het bed en zelfs de goedkoopste hotelkamer krijgt beschaving. Nadat zijn bibliotheek in 1931 door een menigte in brand was gestoken, schreef de Britse gouverneur van Cyprus, sir Ronald Storrs: ‘Als je gedachten vaak en langdurig bij ze hebben verwijld, kunnen ook dingen die gewoonlijk als levenloos worden beschouwd, bijna net zo veel voor je gaan betekenen als geliefde wezens die altijd in je gedachten blijven. Als ik mijn ogen sluit, kan ik nog elk boek op zijn plaats zien staan…’ Het citaat komt uit een van de weinige eerste drukken die ik wel bezit.
Geen levenloos voorwerp is zo sensueel als een boek. In mijn handen heb ik The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825 van C.R. Boxer, verschenen in 1969 en een van de heilige teksten van iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Portugal. Ik bekijk de omslag van mijn pocketuitgave van Hutchinson uit 1977. Op de bovenste helft staan smaakvolle zwarte letters op een witte achtergrond en op de onderste helft is een landkaart afgedrukt met eroverheen een schilderij van een karveel op een woelige turquoise zee. De pocket voelt aan als een middeleeuwse vaas.
Tientallen jaren had ik de gewoonte om telkens als ik aan een nieuw project begon, een mooie studie over het onderwerp te kopen. The White Nile (1960) en The Blue Nile (1962) van Alan Moorehead voor mijn boek over de Hoorn van Afrika. The Pathans (1958) van Olaf Caroe, in een uitgave van Oxford University Press / Karachi voor mijn boek over Afghanistan. Een eerste druk van John Reeds The War in Eastern Europe (1916), een zeldzame uitspatting, voor mijn boek over de Balkan. The Opium Clippers (1933) van Basil Lubbock, een exemplaar van de oorspronkelijke editie van Charles E. Luriat Company, een andere uitspatting, voor mijn boek over de Indische Oceaan. Enzovoorts. Aan boeken die jarenlang met een bepaald doel worden bewaard, kleven niet alleen herinneringen (dat spreekt voor zich), maar ze onthullen ook iets over de echte waarden van de eigenaar. Je bibliotheek kan namelijk iets heel anders over je zeggen dan je zelf denkt.
Boeken hebben bovendien nog beter dan foto’s het vermogen om de plaats waar je ze gelezen hebt, tevoorschijn te toveren. Zo voel ik bij De Buddenbrooks weer de sfeer van Praag in de winter van 1981. Door de Koude Oorlog was de stad in stilte gedompeld en waren er zo weinig mensen op straat dat de standbeelden en waterspuwers op de pleinen nog mooier waren dan ze toch al zijn. Ik weet nog dat ik na een interview met een communistische functionaris en met een geheim agent op mijn hielen terugliep naar mijn hotelkamer, en daar las over het huisje aan de Mecklenburgse kust waar de geur van koffie hangt en Tony Buddenbrook warme gevoelens krijgt voor een student medicijnen, een romance die vanwege familieverplichtingen bij een zomerliefde blijft. Bij het boek Vaders en zonen zie ik weer het dichte bos in Roemenië voor me waar ik in de zomer van 1973 wegens noodweer twee dagen in mijn eentje vastzat in een lodge. De duistere strekking van Toergenjevs pastorale vertelling over het negentiende-eeuwse Rusland is zo modern dat ik me er wel alleen, maar niet eenzaam voelde.
Een verhaal van Nabokov
Jonge mensen kunnen in het heden leven. Dat is een gevoel dat ouderen, die niet meer zo onbezorgd in het leven staan, dolgraag terug willen krijgen. Het lezen van een boek is een daad van verzet, niet alleen tegen de afleidingen van het elektronische tijdperk, maar ook tegen eigen zorgen en het gevoel dat je iets moet. Het doel is niet succes, maar opgaan in het nu. Je wilt weer net als vroeger urenlang helemaal verdwijnen in dat verhaal van Toergenjev. Hij liet me een door passie totaal verkild hart zien, waardoor ik voor het eerst begreep dat ideologie, hoe abstract de redeneringen ook zijn, uiteindelijk op shakespeareaanse diepten berust.
Met paperbacks is het als met de grammofoonplaten van vroeger. Nieuw zijn ze glanzend en mooi, maar op den duur kunnen ze op de oude rommel op zolders gaan lijken. Het stoffige, vergeelde papier past niet meer in deze glasheldere tijd. Weg met die troep, zeg ik tegen mezelf. Houd alleen de boeken waar je het meest om geeft. Decimeer je bibliotheek. Breng je verzameling terug tot de essentie.
Er is een kort verhaal van Nabokov, getiteld ‘Wolk, burcht, meer’. De hoofdpersoon kan niet meer tegen zijn drukke reisgenoten, die van hem eisen dat hij zich aanpast. Maar dat kan hij niet en hij wil aan hen – of eigenlijk aan de wereld – ontsnappen. Hij komt bij een herberg. ‘Boven was een kamer voor reizigers. “Weet u, ik neem hem voor de rest van mijn leven,”’ zei hij tegen de herbergier. Het was een ‘heel gewone’ kamer. Maar ‘uit het raam kon je duidelijk het meer met zijn wolk en zijn burcht zien, in een roerloos en volmaakt samengaan van geluk’. In ‘één stralende seconde besefte hij dat daar, in die kleine kamer met dat prachtige uitzicht waarvan de tranen je in de ogen kwamen, het leven zou zijn zoals hij het zich altijd gewenst had’. Hij hoefde nu alleen nog maar ‘de weinige bezittingen die hij had’, waaronder een paar boeken, naar deze kamer zien te krijgen.
Welke boeken – één plank vol op zijn hoogst, een stuk of vijfentwintig dus – zou ik meenemen naar zo’n kamer waarin ik de rest van mijn leven zou wonen? Het moeten boeken zijn die heel veel voor me betekenen. Ze moeten me veranderd hebben of een beslissende invloed op mijn leven hebben gehad, en dat niet per se ten goede, want zonder problemen en zelfs onaangenaamheden kun je een leven geen leven noemen.
Ik weet welke boeken ik zou kiezen. In de volgende alinea’s beschrijf ik er slechts eentje.
Ik pak een oude pocket van een plank. Het is The Governments of Communist East Europe van H. Gordon Skilling in een uitgave van 1971; het boek verscheen voor het eerst in 1966. Ik bekijk het met genegenheid. De omslag is even saai en academisch als de titel: helemaal grijs, met bruine letters en zonder foto. Dit is een werk waarbij schoonheid en literaire talenten geen rol spelen. Anders dan de studie over het Portugese wereldrijk is het geen mooi boek. En toch is het een van de boeken die ik zou meenemen naar de fictieve kamer van Nabokov.
Aan het eind van de zomer van 1981 liep ik door King George Street in Jeruzalem. Het zonlicht was schel aan mijn ogen. Moe, zweterig en met een lichte hoofdpijn liep ik doelloos door, totdat ik een boekwinkel zag op ongeveer dezelfde hoogte van het aan een parallelstraat gelegen King David Hotel. Het was een stoffig winkeltje met kasten van grijs metaal. Er was geen stoel of kruk en de boeken stonden ongeordend door elkaar. Zoals ik zomaar wat door de stad dwaalde, zo had ook mijn leven op dat moment geen doel.
Een paar weken later zou ik uit het Israëlische leger (IDF) ontslagen worden en ik wist nog niet wat ik daarna zou doen. Ik was 29 jaar. Ik had geen collegeopleiding die een goed opstapje was naar de wereld van de journalistiek. Ik was freelanceverslaggever in Arabische landen en Israël geweest en had ook veel gelezen en gereisd, maar gepubliceerd had ik nog maar weinig. In de paar jaar dat ik in Israël woonde, was ik behalve door het land zelf gefascineerd geraakt door het ‘Heilige Land’ en al zijn godsdiensten. Zo had ik een passie opgevat voor alle soorten religieuze gebouwen, van de synagoges en Griekse kloosters in de woestijn van Judea tot de middeleeuwse islamitische monumenten. Vanuit die interesse had ik ook een aantal geïllustreerde boeken over archeologie en het orthodoxe christendom geschreven, onder eigen naam of als ghostwriter. Ze waren door Israëlische uitgeverijen gepubliceerd, maar verkochten amper. In feite was ik dus werkloos. Bovendien vond ik het leven in Jeruzalem verstikkend. Ik wilde weer reizen.
Puur toeval
Het was puur toeval dat ik op dat moment stuitte op The Governments of Communist East Europe, maar dat ik het meteen van de plank pakte toen mijn oog erop viel, was niet toevallig. De schrijver, de Canadees H. Gordon Skilling, was een vrij bekende Oost-Europadeskundige en zette zich in de jaren van de Koude Oorlog vanuit Toronto, waar hij aan de universiteit doceerde, in voor anticommunistische dissidenten. Hij was vooral geïnteresseerd in het toenmalige Tsjechoslowakije en had ook een boek over de twintigste-eeuwse geschiedenis van dat land geschreven. Maar dat alles wist ik toen nog niet. Voor mij was hij nog louter een naam op een saai ogend en goedkoop boek. Ik besloot er een blik in te werpen omdat het een herinnering bij me opriep.
In de zomer van 1971 had ik een paar dagen met de trein door Joegoslavië gereisd. Dat korte bezoekje was me zo goed bevallen dat ik na mijn afstuderen – in de zomer van 1973 – een trektocht van drie maanden door communistisch Europa maakte. Ik begon in Oost-Duitsland, ging naar Polen en Tsjechoslowakije en trok vandaar in zuidoostelijke richting naar Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Ik logeerde in jeugdherbergen of thuis bij mensen die ik onderweg tegenkwam. Het was midden in de Koude Oorlog en in de westerse media werden al deze landen op één hoop gegooid als ‘satellietstaten van Moskou’. Maar zodra ik vanuit Oost-Berlijn in Warschau aankwam, begonnen de verschillen me op te vallen. Zo heerste er in Polen een veel vrijere sfeer dan in Oost-Duitsland, dat aanvoelde als een gevangenis. Hongarije leek op Polen in die zin dat je overal vrolijke jongeren zag, met wie je ook gemakkelijk contact kon maken. Buurland Roemenië daarentegen was niet alleen veel armer, maar ook zo gesloten dat een westerse bezoeker als ik er met niemand vriendschap kon sluiten. In Bulgarije ten slotte was de situatie weer anders. Op het platteland daar kreeg ik het gevoel alsof ik niet meer in Europa was: het was er precies zoals ik me toen het Midden-Oosten voorstelde.
De reis in 1973 leverde qua werk niets op. Pogingen om reportages gepubliceerd te krijgen mislukten door mijn gebreken als schrijver en wellicht ook doordat er niet veel belangstelling was voor een regio waar in die tijd weinig nieuws gebeurde. Na terugkomst in de VS vond ik een baan bij een kleine krant en spaarde genoeg geld om weer te gaan reizen, ditmaal door de Arabische wereld. Die reis eindigde in Israël, zonder dat ik wist wat ik er wilde gaan doen. Ik vreesde dat mijn leven volledig de mist in zou gaan. Al leunend tegen de metalen kast in de stoffige boekwinkel begon ik Skillings boek te lezen. Op pagina vijf begreep ik plots dat de reputatie van het Westen in Oost-Europa al voor de Tweede Wereldoorlog een knauw had gekregen door de Brits-Franse appeasementpolitiek. Een groot deel van de jaren dertig werden niet de westerse landen, maar de communisten als de grote tegenstanders van de nazi’s gezien. Het verlies van Oost-Europa aan Stalin had dus zijn wortels in Chamberlains pact met Hitler in München in 1938.
Op pagina zeven realiseerde ik me dat de Sovjet-Unie Oost-Europa deels zo makkelijk had kunnen veroveren en behouden doordat de landen daar onderling verdeeld waren. Acht jaar eerder waren de verschillen tussen de satellietstaten me al opgevallen. Omdat ik moe werd van het staande lezen, kocht ik het boek en vertrok naar mijn loft in Musrara, een buurt niet ver van de Oude Stad.
De dagen daarop legde Skilling voor mij een wereld bloot van nationale conflicten, interne politieke problemen en tal van bevolkingsgroepen die allemaal hun eigen, afgebakende gebied hadden. Maar al die gebieden waren eenvoudig te penetreren door grootmachten, of het nu ging om het oude Habsburgse keizerrijk of de latere Sovjet-Unie. ‘Via de Donauvlakte waren volkeren van elders en invasielegers gekomen. (…) Meer dan een dozijn nationaliteiten vormen er een etnisch mozaïek dat net zo gevarieerd is als de geografie. (…) Hoewel de meeste Slaven uit Azië kwamen, leidde de culturele verwantschap niet tot politieke eenheid. Conflicten tussen Slaven onderling en tussen hen en anderen hingen samen met verschillen in geloof en in ervaringen met bezettingen.’ Dit is de transcriptie van de stenografische notities die ik destijds achter in het toen al tien jaar oude boek maakte. ‘Doordat de orthodoxe kerken per land zelfstandig waren en er bovendien de verdeeldheid tussen katholiek en protestant was, bracht de godsdienst geen eenheid.’
Verder was er natuurlijk nog de kloof tussen katholiek en orthodox, die zo oud is als het geschil tussen Rome en Byzantium. Bij het woord ‘orthodox’ in het boek van Skilling moest ik denken aan de Griekse kloosters in de woestijn van Judea die ik vaak had bezocht. Betoverende, naar muskus ruikende gebouwen vol iconen en fresco’s die met eitempera zijn geschilderd. De kloosters zijn ommuurd en liggen in een geblakerd, zinkkleurig landschap.
Het boek maakte een buitenlandcorrespondent van me
In het interbellum had de democratie in de Oost-Europese landen niet echt wortel geschoten, zo schreef Skilling verderop in zijn boek. Daarna had de Tweede Wereldoorlog onder de volkeren in deze contreien winnaars en verliezers gecreëerd en in 1945 was de geschiedenis in feite bevroren. Ondertussen waren Roemenië en Albanië nog sterk agrarisch, een opmerking die me trof omdat ik nu beter begreep waar het verschil tussen Roemenië en Hongarije vandaan kwam dat me in 1973 zo had geschokt. Minutenlang bestudeerde ik de etnische kaart op pagina dertien. Die kaart was heel anders dan de kaarten uit de Koude Oorlog die ik vagelijk kende.
Nauwelijks gecovered
Net als belangrijke inzichten kan ook een plan in een fractie van een seconde bij je opkomen. Het enige land van het Warschaupact waarmee Israël diplomatieke betrekkingen had, was Roemenië en nog belangrijker voor mijn doel was dat het een directe vliegverbinding had met Boekarest. Ik besloot dat ik de dag na mijn ontslag uit het Israëlische leger naar Roemenië zou vliegen voor een nieuwe reis door Oost-Europa.
Ik had wat geld gespaard van mijn verdiensten als ghostwriter. Ditmaal zou ik het goed aanpakken, zo hield ik mezelf voor. Met Skillings boek als gids zou ik me helemaal richten op de verkoop van artikelen aan dagbladen om zo een basis voor de toekomst te leggen. In 1981 was de journalistieke belangstelling voor Oost-Europa, en zeker voor de Balkan, buitengewoon klein. Skilling onderscheidde drie subregio’s in Oost-Europa: de Noord-Europese laagvlakte, de Donauvlakte en ‘het ruige en bergachtige Balkanschiereiland’. Met deze laatste subregio gaf hij aandacht aan een gebied (en zelfs een woord) dat tientallen jaren uit het nieuws verdwenen was. Op de publiciteitsschaal lag ‘de Balkan’ eertijds precies aan de andere kant ten opzichte van Israël en het Midden-Oosten. Werden de persconferenties in Jeruzalem druk bezocht door journalisten die allemaal achter hetzelfde verhaal aanjoegen, de in Europa zelf gelegen Balkan werd amper gecoverd. En dat terwijl de regio in historisch en cultureel opzicht niet minder interessant was dan het land waar ik op dat moment woonde.
Ik zou de opmerking aan het eind van Skillings boek, dat alle door hem behandelde landen nog steeds ‘hun eigen kenmerken hebben’ – en het communisme op hun eigen manier praktiseerden – tot het thema van mijn verhalen maken, besloot ik. Oog hebben voor de verschillen tussen mensen en landen is even belangrijk als het zien van de overeenkomsten. Alleen als je beide ziet, doe je de mens recht.
Ik begon in kranten te zoeken naar berichten over Oost-Europa en met name over de Balkan, en bestudeerde microfilms op het persarchief van de bibliotheek van het Amerikaanse Informatiecentrum in West-Jeruzalem. Al snel zag ik een patroon. De in Warschau of Wenen gevestigde correspondenten van de grote dagbladen gingen zo ongeveer eens per jaar naar het zuidelijke deel van Oost-Europa om afwisselend een verhaal over Joegoslavië, Roemenië of een ander land daar te maken. Ook ontdekte ik dat verscheidene kranten meldden dat de Roemeense munt nog maar zo weinig waard was dat de bevolking Kent-sigaretten als betaalmiddel gebruikte. Hoe interessant ook, ik vond het toch vreemd dat alle correspondenten met hetzelfde verhaal kwamen. Er moest toch iets meer uit Roemenië te melden zijn.
Ten slotte trok een bericht van een persbureau dat ergens weggestopt in de Jerusalem Post stond mijn aandacht. De correspondent in Belgrado meldde dat in heel Oost-Europa zo af en toe de elektriciteit uitviel. De vermoedelijke oorzaak was dat de Sovjet-Unie bezuinigde op de brandstofsubsidie aan de Oost-Europese landen. Indertijd kon ik dat uiteraard niet weten, maar dit feit markeerde het begin van tien jaar economische teruggang die mede de oorzaak was van de latere onrust die het communisme fataal werd. In oktober 1981 ontdekte ik ergens binnen in een krant nog een ander berichtje uit Belgrado van een persbureau. In de Zuid-Joegoslavische provincie Kosovo waren opstootjes geweest van etnische Albanezen. Bij mijn vertrek uit Israël had ik circa tien van dit soort berichten verzameld.
Op de dag van mijn ontslag uit het leger leverde ik mijn uniform en plunjezak in bij bakum, de legerbasis even buiten Tel Aviv, waar de diensttijd van alle Israëlische soldaten begint en eindigt. Vervolgens diende ik het verzoek in voor een reis naar het buitenland, een regel voor reservesoldaten die oproepbaar moeten zijn. De jonge vrouw in uniform vroeg waar ik heen wilde. Op mijn antwoord reageerde ze wat verbaasd. Roemenië was lid van het Warschaupact, dat nauwe banden had met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie en radicale Arabische landen. ‘Daar gaan niet veel Israëli’s naartoe,’ zei ze. ‘Waarom? En dat nog wel aan het begin van de winter?’ Ik zei dat ik christelijk-orthodoxe kloosters wilde bezoeken, een onderwerp waarover ik boeken geschreven had. ‘Bel het ministerie van Buitenlandse Zaken in Jeruzalem voor het adres en telefoonnummer van de Israëlische ambassade in Roemenië, voor het geval u daar veiligheidsproblemen krijgt,’ zei ze met een toonloze stem terwijl ze me mijn reisvergunning gaf. De vergunning was alleen voor Roemenië, zo vervolgde ze. Van de IDF had ik geen toestemming voor een reis naar andere Oost-Europese landen, waar Israël geen ambassades had. Ik accepteerde de voorwaarden wetende dat ik me er toch niet aan zou houden. Hoe gering de inmenging ook was, op dat moment wist ik dat ik misschien niet naar Israël zou terugkeren.
Zodra ik de volgende ochtend aan boord van het El Al-toestel naar Boekarest was gegaan, legde ik mijn Israëlische paspoort helemaal onder in mijn tas. Na aankomst liet ik mijn Amerikaanse paspoort zien en gooide ik mijn retourticket weg. En toen ik later bij de ambassades van andere communistische landen in Boekarest visa aanvroeg, gebruikte ik weer mijn Amerikaanse paspoort. Dankzij Skillings boek had ik nu een roeping en een doel. Wie historische boeken leest, leert iets over de omstandigheden waarin hij of zij is opgegroeid. Doordat ik in het Europa van de Koude Oorlog dook – in de negen jaar hierop zou ik Oost-Europa meermaals bezoeken – heb ik veel geleerd over mijn eigen tijd. Dat boek maakte een buitenlandcorrespondent van me, zonder dat iemand me had ingehuurd.
Auteur: Robert Kaplan
Vertaler: Margreet de Boer
Robert D. Kaplan is al 25 jaar correspondent van The Atlantic. Hij schreef veertien boeken over buitenlandse politiek en reizen, waaronder Moesson en Balkanschimmen. Zijn nieuwe boek, Duister Europa, verschijnt op 3 maart bij Unieboek | Het Spectrum. Kaplan spreekt op 15 maart in De Balie in Amsterdam.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.