Tag: Burgeroorlog

  • Ethiopisch leger verovert verschillende steden in door oorlog verscheurd Tigray

    Ethiopisch leger verovert verschillende steden in door oorlog verscheurd Tigray

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Duitsland: hoofd cybersecurity ontslagen wegens vermeende banden met Rusland

    » VS: Frans cementbedrijf Lafarge zwaar bestraft voor steun aan IS in Syrië

    Ethiopische leger neemt sleutelstad Shire in

    Het Ethiopische leger heeft de controle over drie steden overgenomen van rebellen in de door oorlog verscheurde noordelijke regio Tigray, aldus de regering. Internationaal groeit de bezorgdheid over het opnieuw oplaaiende conflict tussen federale troepen en Tigrayse rebellen, bericht Al Jazeera.

    Een van de ingenomen steden is Shire, een universiteitsstad met een vliegveld. Het ligt op een strategisch kruispunt waardoor het Ethiopische leger ruimere toegang zou kunnen krijgen tot andere gebieden in Tigray, zoals de steden Axum en Adwa, of zelfs de regionale hoofdstad Mekelle, die 140 km verderop ligt. De stad herbergt tienduizenden mensen die door het conflict uit andere gebieden zijn verdreven.

    Het leger van Ethiopië en zijn bondgenoten, waaronder troepen uit het naburige Eritrea, vechten sinds eind 2020 af en aan tegen de Tigrayese strijdkrachten. Bij het conflict zijn al duizenden doden gevallen, miljoenen mensen op de vlucht geslagen en honderdduizenden op de rand van de hongersnood beland.

    Lees ook:

  • Waarom rechts Amerika het steeds vaker heeft over een ‘burgeroorlog’

    Waarom rechts Amerika het steeds vaker heeft over een ‘burgeroorlog’

    In de Verenigde Staten is ‘burgeroorlog’ de laatste tijd trending topic op rechtse sociale media. De oorlogszuchtige taal lijkt in toenemende mate te leiden tot gewelddadige acties in de echte wereld.

    Het aantal tweets waarin het woord ‘burgeroorlog’ voorkomt, stijgt binnen een paar uur tijd met bijna 3000 procent: veel aanhangers van Trump noemen de actie een provocatie. Vergelijkbare stijgingen zijn ook op Facebook, Reddit, Telegram, Parler en Gab te zien. En uiteraard op Truth Social, Trumps eigen sociale netwerk. Volgens metingen van Critical Mention, een bedrijf dat media in kaart brengt, is het gebruik van de term in radioprogramma’s en podcasts verdubbeld.

    Het aantal berichten over een burgeroorlog neemt een paar weken later opnieuw toe, nadat Joe Biden Trump en de ‘MAGA-Republikeinen’ een bedreiging voor ‘de fundamenten van de Amerikaanse republiek’ heeft genoemd tijdens een toespraak over de democratie in Philadelphia.

    Nu de tussentijdse verkiezingen van 8 november in zicht zijn en politieke discussies dringender en feller worden, bereiden deskundigen zich alweer voor op een toename in discussies over een burgeroorlog.

    Meer dan een metafoor

    Meer dan anderhalve eeuw na de daadwerkelijke Amerikaanse Burgeroorlog, de dodelijkste oorlog in de geschiedenis van het land, worden verwijzingen naar een nieuwe burgeroorlog binnen rechtse kringen steeds normaler. In veel gevallen wordt de term niet al te serieus gebruikt, eerder als een soort figuurlijke aanduiding van de toenemende verdeeldheid in het land. Toch merken onderzoekers dat de uitdrukking voor sommigen veel meer is dan alleen een metafoor.

    Onderzoekers die extremisme bestuderen, trekken op basis van opiniepeilingen, analyses van socialemediagedrag en een toename van bedreigingen de conclusie dat een groeiend aantal Amerikanen aanhoudend politiek geweld mogelijk acht en in sommige gevallen zelfs verwelkomt. Wat ooit slechts in de politieke periferie een onderwerp van discussie was, wordt steeds meer mainstream.

    Maar, hoewel er over het bestaan van de trend geen twijfel bestaat, bestaat onder deskundigen nog veel onenigheid over de implicaties ervan.

    ‘Ik heb niet kunnen voorzien hoe snel het geweld zou escaleren’

    Sommige aanhangers van extreemrechts gebruiken de term letterlijk, als een oproep tot een georganiseerde strijd waarin controle over de regering het einddoel is. Anderen hebben een langdurige opstand voor ogen met periodieke uitbarstingen van politiek geweld, zoals de aanval in augustus op het FBI-kantoor in Cincinnati. Een derde groep verwacht dat het land een ‘koude’ burgeroorlog tegemoet gaat: in plaats van de conflicten die een zogenaamde ‘hete’ oorlog kenmerken, zouden hardnekkige polarisatie en wantrouwen hiervan de belangrijkste symptomen zijn.

    ‘De vraag is hoe een “burgeroorlog” eruitziet en wat het woord betekent,’ zo stelt Elizabeth Neumann, assistent-secretaris terrorismebestrijding bij het ministerie van Binnenlandse Veiligheid onder Trump. ‘Ik heb niet kunnen voorzien hoe snel het geweld zou escaleren. Ik ken ook niemand die dat wel kon.’

    Neumann werkt inmiddels bij Moonshot, een particulier beveiligingsbedrijf dat online extremisme opspoort. In de week na Bidens toespraak van 1 september zag Moonshot het gebruik van het woord ‘burgeroorlog’ met 51 procent toenemen op de meest actieve pagina’s van 4Chan.

    Maar gesprekken over politiek geweld vinden niet alleen plaats op anonieme online fora.

    Staatsvijand

    Op 1 oktober, bij een rally van Trump in Michigan, beweerde Marjorie Taylor Greene, een Republikein uit Georgia, dat ‘Democraten Republikeinen dood willen hebben’. Daar voegde ze nog aan toe dat ‘Joe Biden elke vrijheidslievende Amerikaan tot staatsvijand heeft verklaard’. Michael T. Flynn, die korte tijd Trumps Nationale Veiligheidsadviseur was, zei onlangs bij een benefietevenement dat Amerikaanse gouverneurs de macht hebben om de oorlog te verklaren en dat ‘we dat waarschijnlijk gaan zien gebeuren’.

    Openbare aanklagers lieten maandag aan een jury in Washington een gecodeerd bericht zien dat Stewart Rhodes twee dagen na de presidentsverkiezingen van 2020 aan zijn kompanen stuurde. Rhodes, die de gewapende extremistische groep Oath Keepers heeft opgericht, schrijft: ‘We gaan dit niet redden zonder een burgeroorlog.’

    Volgens deskundigen zorgt het aanhoudende oorlogszuchtige taalgebruik ervoor dat de verwachting van politiek geweld wordt genormaliseerd.

    54 procent van de ondervraagden die zichzelf als ‘overtuigd Republikein’ beschreven, achtte een burgeroorlog in de komende tien jaar op zijn minst aannemelijk

    Eind augustus namen YouGov en The Economist onder vijftienhonderd volwassenen een enquête af. Maar liefst 54 procent van de ondervraagden die zichzelf als ‘overtuigd Republikein’ beschreven, achtte een burgeroorlog in de komende tien jaar op zijn minst aannemelijk. Slechts ongeveer een derde van alle ondervraagden achtte een dergelijke ontwikkeling onwaarschijnlijk. Uit een soortgelijke enquête die dezelfde organisaties twee jaar geleden afnamen, bleek dat bijna drie op de vijf mensen een ‘burgeroorlogachtige breuk in de VS’ enigszins of zeer onwaarschijnlijk achtten.

    ‘Wat je nu ziet, is dat een marginaal discours mainstream wordt,’ aldus Robert Pape, professor politicologie aan de Universiteit van Chicago en oprichter van het Chicago Project on Security and Threats.

    Onderzoekers van zijn instituut hielden bij in hoeveel tweets het woord ‘burgeroorlog’ voorkwam vóór- en nadat Trump over de huiszoeking in Mar-a-Lago berichtte. In de vijf voorafgaande dagen registreerden ze gemiddeld zo’n vijfhonderd tweets per uur. Op 8 augustus, in het eerste uur nadat Trump op Truth Social had geschreven dat ‘dit donkere tijden zijn voor onze natie’, liep dat op tot zesduizend. Later die avond bereikte het aantal tweets een maximum van vijftienduizend per uur. Een week later was het aantal nog steeds zes keer zo hoog als normaal en aan het eind van de maand was ‘burgeroorlog’ op Twitter opnieuw een trending topic.

    Fora

    Extremistische groepen dringen al jarenlang aan op een omverwerping van de regering. De meest radicale opvattingen – die vaak gepaard gaan met witte suprematie of religieus fundamentalisme – blijven volgens Pape uitzonderingen en worden in het hele land door minder dan vijftigduizend mensen aangehangen.

    Maar, zegt hij, degenen die worden beïnvloed door Trumps uitlatingen over de krachten die hem en zijn bondgenoten vanuit het ‘moeras van Washington’ en de ‘deep state’ zouden tegenwerken, vormen een veel grotere groep.

    Trumps beweringen hebben samen met de complottheorieën van QAnon en de opvattingen van antivaxers en verkiezingsontkenners bijgedragen aan een groeiende aversie tegen de overheid. Bovendien is de roep om meer rechten voor individuele staten aangewakkerd. ‘Wist u dat een gouverneur de oorlog kan verklaren?’ vroeg Flynn op 18 september tijdens een benefiet voor Mark Finchem, een Republikein die zich kandidaat heeft gesteld als minister voor Arizona. ‘En waarschijnlijk, waarschijnlijk gaan we dat zien gebeuren.’

    Nog geen twee weken na Trumps tweet ‘Bevrijd Michigan!’ bezette een menigte van zwaarbewapende demonstranten het Capitool van Michigan

    Noch Flynn noch Finchem reageerden op een verzoek om commentaar over de ronduit onjuiste uitspraken. In de Amerikaanse grondwet staat dat alleen het Congres de bevoegdheid heeft om oorlog te verklaren. Er wordt staten specifiek verboden om oorlog te voeren ‘tenzij ze daadwerkelijk worden aangevallen’.

    Hoe vergezocht ook, dergelijke ideeën worden vaak aangewakkerd door een groeiende groep socialemediakanalen als het rechtse platform Gab en Truth Social, dat door Trump is opgericht. Socialemediaplatforms staan vol met groepen en fora die gewijd zijn aan discussies over een burgeroorlog. Een van die fora op Gab wordt beschreven als een plek voor ‘oorlogsreportages’, ‘gevechtsvideo’s’ en verslagen van mensen die zijn omgekomen ten gevolge van ‘de burgeroorlog die tevens een tweede Amerikaanse Revolutie lijkt te worden’.

    Volgens Cybara, een Israëlisch bedrijf dat desinformatie bijhoudt, bereikte een tweet met de tekst ‘Ik denk dat de burgeroorlog zojuist is uitgeroepen’ meer dan zeventien miljoen Twittergebruikers, hoewel hij geplaatst was door een account met minder dan veertienduizend volgers.

    ‘Ideeën worden verspreid in zogenaamde fabeltjesfuiken. Daar worden nooit tegenargumenten gegeven, maar alleen maar steeds opnieuw dezelfde standpunten verkondigd,’ aldus Kurt Braddock, professor aan de Amerikaanse Universiteit, waar hij radicalisering en rekrutering binnen terroristische groepen bestudeert.

    Braddock gelooft niet dat deze berichten duiden op oorlogsplannen. Maar hij maakt zich zorgen over wat academici ‘stochastisch terrorisme’ noemen, waarbij schijnbaar willekeurige gewelddaden worden gepleegd die in werkelijkheid zijn aangewakkerd door ‘versleutelde boodschappendog whistles en andere vormen van subtekst’ in de uitspraken van publieke figuren.

    Rick Scott, senator van Florida, vergeleek de FBI met de Gestapo en stelde dat ‘dit niet ons land kan zijn’

    Trump is volgens Braddock een expert wat dergelijke uitspraken betreft. Hij geeft als voorbeeld een tweet van Trump uit april 2020 met de tekst ‘Bevrijd Michigan!’ Nog geen twee weken daarna bezette een menigte van zwaarbewapende demonstranten in Lansing het Capitool van Michigan. Ook haalt hij de toespraak aan die Trump op 6 januari vóór de bestorming van het nationale Capitool gaf. Daarin moedigde hij duizenden supporters aan om naar het Amerikaanse Capitool te marcheren en stelde hij: ‘Als jullie niet vechten als de hel, hebben jullie straks geen land meer.’

    ‘Trumps uitspraken zijn geen expliciete oproepen tot actie, maar doordat hij een enorme, toegewijde aanhang heeft, is de kans groot dat een of meer mensen erdoor geactiveerd worden,’ zegt Braddock.

    Een woordvoerder van Trump reageerde niet op verzoeken om commentaar.

    Retoriek

    Trump gebruikte het woord ‘burgeroorlog’ in 2019, toen hij in een tweet verklaarde dat ‘het tot een Burgeroorlogachtige breuk in de natie zou leiden waarvan ons land nooit zou genezen’ als hij uit zijn functie zou worden ontheven. Vorige maand zei Trump dat er ‘in dit land problemen zouden ontstaan zoals we die misschien nog nooit hebben gezien’ als hij zou worden aangeklaagd voor de manier waarop hij is omgegaan met de vertrouwelijke documenten waarnaar de FBI bij de recente huiszoeking zocht.

    Andere Republikeinen wekken met hun manier van spreken de indruk dat het land aan de rand van de afgrond staat. Greene schreef in augustus aan haar bijna 900.000 volgers op Facebook en Telegram dat de huiszoeking in Mar-a-Lago een goede illustratie is van het ‘soort dingen dat gebeurt in landen ten tijde van een burgeroorlog’. Rick Scott, senator van Florida, vergeleek de FBI met de Gestapo en stelde dat ‘dit niet ons land kan zijn’.

    Eind vorige maand noemde Republikeins senator Ted Cruz in een interview met The Texas Tribune immigratiewetgeving deels onwaarschijnlijk, onder andere vanwege een ‘politieke burgeroorlog’. Hij maakte eerder vergelijkbare opmerkingen, waaronder een oproep aan Texanen in november 2021 om zich van de rest van het land af te splitsen in het geval de Democraten ‘het land vernietigen’.

    ‘Ik heb nog nooit een toespraak van een Amerikaanse president gezien die meer tweedracht zaaide en meer haatdragend was’

    Nick Dyer, woordvoerder van Greene, stelt dat zij ‘fel tegen politiek geweld is’ en dat haar opmerkingen over een burgeroorlog betrekking hadden op de Democraten, die ‘zich gedragen als een regime dat een oorlog tegen de oppositie begint’. McKinley Lewis, hoofd communicatie van Scott, zegt dat die ‘NUL tolerantie heeft voor iedere vorm van geweld’, maar voegt daaraan toe dat hij ‘antwoorden zal blijven eisen’ over het onderzoek van de FBI in Mar-a-Lago.

    Republikeinen hebben vaak betoogd dat hun taalgebruik slechts een vorm van politieke retoriek is en dat de Democraten dat verdraaien om verdeeldheid te zaaien. Volgens hen zijn het juist de Democraten en aanhangers van links die geweld uitlokken, door volgers van Trump te bestempelen als aanhangers van wat Biden ‘semifascisme’ heeft genoemd.

    ‘Trek je plan, hamster spullen, wees veilig, verlaat de stad als je kunt’

    Naar aanleiding van navraag naar de uitspraken van Cruz zegt zijn woordvoerder Maria Jeffrey dat hij de schuld geeft aan president Biden. Hij zou ‘een wig in ons land hebben gedreven’.

    Na Bidens toespraak over de democratie schreef Brian Gibby, een freelance dataspecialist uit Charlotte in North Carolina, in een Substack-post dat de opmerkingen van de president ‘het begin van de Tweede Burgeroorlog’ markeerden. ‘Ik heb nog nooit een toespraak van een Amerikaanse president gezien die meer tweedracht zaaide en meer haatdragend was,’ schreef Gibby.

    The New York Times heeft Gibby gevraagd zijn mening toe te lichten. Hij stelt dat hij gelooft dat Biden ‘een verhit conflict in Amerika laat escaleren’. Hij vreest dat er rond de verkiezingen van november iets zal gebeuren dat ‘vergelijkbaar zal zijn met 6 januari, maar dan veel gewelddadiger’. Gewapende protestgroepen van beide kanten van het politieke spectrum zullen elkaar volgens hem te lijf gaan.

    ‘Trek je plan, hamster spullen, wees veilig, verlaat de stad als je kunt’, aldus Gibby.

    Lees ook:

  • Libische overheid laat vluchtelingen in de kou staan

    Libische overheid laat vluchtelingen in de kou staan

    De burgeroorlog in Libië, die tussen 2014 en 2020 op z’n hevigst was, lijkt voorbij nu het wapengekletter is weggeëbd. Toch verkeren ontheemde slachtoffers nog steeds in deplorabele omstandigheden. En de overheid is in geen velden of wegen te bekennen.

    In Libië leven op het moment duizenden mensen die hun huis zijn kwijtgeraakt door oorlogshandelingen of om andere redenen niet kunnen terugkeren naar hun woning.

    ‘Ondanks het einde van de burgeroorlog in Libië en het begin van een stroef politiek proces, zijn de gevolgen van dit langdurige conflict voor de lokale bevolking nog steeds even pijnlijk’, schrijft de pan-Arabische krant Al-Araby Al-Jadeed.

    ‘Ze wonen nog steeds in onhoudbare tijdelijke onderkomens en hebben te maken met zware omstandigheden, zoals de koude winter die rond deze tijd elk jaar terugkeert. Er zijn geen officiële statistieken beschikbaar over het precieze aantal mensen,‘ aldus Al-Araby.

    De overheid beweert dat ze geen goed inzicht in het aantal ontheemden en hun omstandigheden kan krijgen door politieke verdeeldheid en door andere vormen van overmacht.

    ICRC, het Internationale Comité van het Rode Kruis, kan wel enige indicatie bieden. De organisatie meldde onlangs dat het eind januari directe hulp heeft geboden aan 7200 gezinnen. Volgens het ICRC gaat het om families die door de burgeroorlog gedwongen werden hun verwoeste steden of huizen te verlaten.

    Overheid laat het afweten

    Bij gebrek aan financiële steun van de staat proberen de meeste slachtoffers hun huis op eigen kracht te herstellen, maar ter plaatse ontbreekt het aan zo’n beetje alles wat daarvoor nodig is.

    ‘In de zomer weten we niet waar we moeten overnachten vanwege de hitte. In de winter moeten we urenlang hout stoken om warm te blijven. Maar hoe moet ik ondertussen het probleem oplossen van regenwater dat door de kieren in de oude muren sijpelt en naar binnen komt door de ramen die provisorisch met plastic zijn gedicht?’ vraagt Nasr Haddar, een vluchteling uit de noordelijke stad Tawergha.

    In de stad Tarhuna, ten zuidoosten van Tripoli, bevindt zich een vluchtelingenkamp dat in 2011 werd geopend. De vervallen staat van het kamp laat zien hoe hoog de nood van de bewoners is.

    ‘Vluchtelingen missen de meest elementaire middelen van bestaan’

    ‘Het kamp is opgetrokken uit lichte, gammele constructies. Vluchtelingen missen de meest elementaire middelen van bestaan. Ondanks talloze oproepen heeft geen enkele overheidsinstantie de bevolking een oplossing of humanitaire hulp weten te bieden, vertelt Fradj Mohamed, een van de bewoners van het kamp.

    Allerlei ngo’s doen hun best om de oorlogsslachtoffers te helpen, maar hun inspanningen zijn een druppel op de gloeiende plaat. ‘Ondanks de burgerinitiatieven en de inspanningen van liefdadigheidsinstellingen die proberen zoveel mogelijk kleding en dekens voor de ontheemden te verstrekken, blijft het allemaal onvoldoende,‘ aldus Hassen Bourkane.

    Bourkane is lid van de Al-Taysir Charity Association, een humanitaire organisatie en vertelt aan Al-Araby Al-Jadeed dat een van de moeilijkheden waarmee liefdadigheids- en andere maatschappelijke organisaties te kampen hebben, de verspreiding van de ontheemden is.

    ‘Deze crisis heeft zo’n grote omvang aangenomen, dat de inzet van ngo’s niet voldoende is’

    Voorheen bevonden de vluchtelingen zich allemaal in kampen en dat betekende dat ze op specifieke, bekende plekken te vinden waren waar hun omstandigheden gemonitord konden worden. Maar de slechte omstandigheden in de kampen hebben ertoe geleid dat ze zijn vertrokken op zoek naar een betere plek. Zo zijn ze verspreid geraakt over een groot gebied en zijn hun omstandigheden moeilijker in kaart te brengen.

    Op hun beurt hebben de vluchtelingen, doordat ze zich hebben verspreid over het land, grote moeite om de weg te vinden naar beschikbare hulp. Hulp overigens die, ook al zouden ze er toegang toe vinden, bij lange na niet voldoende is.

    ‘Deze crisis heeft zo’n grote omvang aangenomen, dat de inzet van ngo’s niet voldoende is, zegt Hassen Bourkane. ‘Het is hoog tijd dat de overheid zich gaat inspannen.’

  • Gewapende drones geven doorslag in Ethiopische burgeroorlog

    Gewapende drones geven doorslag in Ethiopische burgeroorlog

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Turkije pakt oppositielid op wegens spionage voor Italië en Spanje

    » Chinese staatspers: Partijleden zijn verplicht drie kinderen te krijgen

    Gewapende drones uit Turkije en Iran geven het regeringsleger de overhand

    De al dertien maanden aanhoudende burgeroorlog in Ethiopië heeft opnieuw een dramatische wending genomen nu het tegenoffensief van de federale regering aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt tegen strijders uit de noordelijke Tigray-regio, waardoor de spectaculaire winst van de Tigray-strijdkrachten bij hun opmars naar het zuiden ongedaan is gemaakt, schrijft Al Jazeera.

    ‘Goedkope en efficiënte drones geven steeds vaker de doorslag in moderne conflicten’

    De Ethiopische staatsmedia verklaarden deze week dat regeringstroepen de strategische steden Dessie en Kombolcha hadden heroverd, de laatste in een reeks van overwinningen op het slagveld sinds premier Abiy Ahmed vorige maand zei dat hij naar de frontlinie zou trekken en de Ethiopiërs opriep zich bij de strijd aan te sluiten.

    Zoals Bellingcat al aantoonde is Ethiopië in het bezit van in Iran geproduceerde drones, daarnaast heeft het drones aangekocht van Turkije en bezit het ook Chinese drones. Dat versterkte wapenarsenaal zou bepalend kunnen zijn geweest in de opmars van het regeringsleger, aldus Al Jazeera. ‘Goedkope en efficiënte drones geven steeds vaker de doorslag in moderne conflicten’, schrijft de Qatarese nieuwssite.

    Lees ook:

  • In Mozambique worden olifanten zonder slagtanden geboren door stroperij

    In Mozambique worden olifanten zonder slagtanden geboren door stroperij

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Voor het eerst in drie jaar stemt Israëlisch parlement in met begroting

    » Italianen maken weer thuis pasta

    In de jaren tachtig werd 90 procent van de olifanten gedood

    Onderzoekers stelden vast dat jaren van conflict in Mozambique hebben geleid tot een groter aantal olifanten zonder slagtanden.

    Tijdens de burgeroorlog tussen 1977 en 1992 slachtten strijders van beide kanten olifanten om oorlogsinspanningen te financieren met ivoor. In een regio die nu Gorongosa National Park heet, werd ongeveer 90 procent van de olifanten gedood. De overlevende olifanten hadden iets gemeenschappelijks: de helft van de vrouwtjes had van nature geen slagtanden, terwijl voor de oorlog minder dan een vijfde geen slagtanden had.

    De helft van de vrouwtjesolifanten heeft geen slagtanden meer

    Na de oorlog gaven de overlevende vrouwtjes zonder slagtanden hun genen door met verwachte, maar ook verrassende resultaten. Ongeveer de helft van hun dochters had geen slagtanden. Verbluffender was dat twee derde van hun nakomelingen vrouwelijk was, schrijft NBC. De jaren van burgeroorlog ‘veranderden het evolutietraject in die populatie’, aldus evolutionair bioloog Shane Campbell-Staton van de Princeton University. Evolutie wordt doorgaans gezien als een traag verlopend traject, maar blijkbaar vinden soms ook op korte termijn veranderingen plaats.

    Lees ook:

  • ‘Hij was een moordenaar, net als zijn zoon’

    ‘Hij was een moordenaar, net als zijn zoon’

    Vijftig jaar geleden greep Hafez al-Assad de macht in Syrië. Voor de vader van huidig machthebber Bashar al-Assad ging het pad van studentenleider tot dictator niet over rozen. Neue Zürcher Zeitung maakte een portret van de stamvader van de huidige Syrische dictator.

    Toen Hafez al-Assad in 1930 ter wereld kwam in een arm bergdorp bestond het Syrië dat hij later zou regeren nog niet. Met het einde van de Eerste Wereldoorlog was er ook een einde gekomen aan het Ottomaanse rijk, en Parijs en Londen verdeelden het Midden-Oosten onder elkaar. Het Arabische cultuurgebied langs de oostelijke kust van de Middellandse Zee werd opgedeeld. Het zuiden werd het Britse Palestina, waaruit later Israël en Jordanië ontstonden. Ten noorden daarvan splitste Frankrijk de rest van het Ottomaanse Syrië op langs religieuze grenzen: Libanon voor de christenen, de kustgebieden rondom Latakia voor de alawieten en de bergen ten zuiden van Damascus voor de druzen. Een groot deel van de vroegere provincie Aleppo wees Parijs toe aan Turkije. Overbleef het rompstaatje Syrië.

    Assad zal later voor zijn gasten uit het Westen betogen vol verwijt afsteken over de verminking van het grote Syrië. Al op zestienjarige leeftijd sloot hij zich aan bij de juist opgerichte Baath-partij, die de Arabische natie wilde verenigen en vernieuwen (baath betekent ‘wedergeboorte’). Hun ideologen zochten antwoorden op existentiële vragen: welke grenzen moet het vaderland hebben? Hoe kunnen de Arabieren hun rechtmatige positie in de wereld opeisen? En hoe brengen we de oude elite ten val?

    Subversieve ideeën

    De macht in Syrië was toen in handen van de soennitische bourgeoisie in de grote steden, die de religieuze minderheden minachtte als ‘onvolwaardige Arabieren’. De oprichters van de Baath-partij waren echter afgestudeerd aan de Parijse elite-universiteit de Sorbonne. Zij introduceerden subversieve ideeën zoals secularisme en socialisme in het Midden-Oosten. En die vielen vooral bij de minderheden – alawieten, druzen, ismaëlieten en christenen – in vruchtbare aarde. 

    Ook al mocht Assad het westerse imperialisme graag ervanlangs geven, hij en andere alawieten profiteerden indirect van de Franse koloniale tijd. Om de soennitische meerderheid in Syrië te controleren en opstanden te onderdrukken had Parijs bij voorkeur alawieten en bijbehorende andere ‘betrouwbare’ minderheden gerecruteerd voor zijn speciale Levanttroepen. ‘Door de diensttijd bij de Fransen ontstond er een alawitische militaire traditie die beslissend is voor de latere opkomst van de geloofsgemeenschap,’ schrijft historicus Patrick Seale in zijn Assad-biografie.

    Op weg naar de macht schakelden ze eerst hun tegenstanders en vervolgens elkaar uit

    Maar de Fransen brachten vooral ook onderwijs in de afgelegen dorpen van de in hoofdzaak alawitische kustgebieden. Onder de Ottomanen was dit ondenkbaar. Zij zagen in de alawieten, wier geloof verwant is met de sjiitische islam, goddeloze ketters. Maar Assad kon nu als een van de eerste kinderen in zijn dorp naar een basisschool, en later naar een gymnasium in Latakia, waar hij tot de besten van zijn klas behoorde.

    De robuust gebouwde Assad was niet alleen een goede leerling. Als jonge partij-activist bewees hij op straat al snel over leiderskwaliteiten te beschikken, en op zijn eenentwintigste werd hij tot voorzitter van de Syrische studentenunie gekozen. Hij en zijn medestrijders deelden pamfletten uit, schreven slogans op de muren en relden tegen de politie en tegen rivaliserende partijgangers, zoals de islamistische Moslimbroeders. ‘De broeders hadden het op Assad gemunt en probeerden meermaals hem een pak slaag te geven,’ schrijft Seale. Eén keer hadden ze hem geïsoleerd en zouden ze hem een mes in de rug gestoken hebben.

    Gevechtspiloot

    Assad wilde eigenlijk medicijnen studeren, maar daarvoor hadden zijn ouders, vooraanstaande boeren in het dorp Kurdaha, geen geld. Daarom ging Assad naar de militaire academie, om gevechtspiloot te worden. Aangezien ook veel andere jongemannen uit achtergestelde bevolkingsgroepen en minderheden deze weg kozen, werd het leger een broedplaats voor revolutionairen die zich tegen de heersende klasse van de soennitische ondernemersfamilies en grootgrondbezitters verzetten. Van de onafhankelijkheid tot de machtsovername door Hafez al-Assad in 1970 beleefde Syrië zestien militaire staatsgrepen, waarvan er negen succes hadden.

    De opkomst van de alawieten begon in 1963 met een door Baath-officieren geleide coup, waaraan ook Assad deelnam. Drie jaar eerder had de jonge luchtmachtofficier met vier kameraden buiten medeweten van de Baath-leiding het Militair Comité opgericht. Twee van hen waren alawieten, twee ismaëlieten, een eveneens met de sjiieten verwante geloofsrichting. Op weg naar de macht schakelden ze eerst hun tegenstanders en vervolgens elkaar uit.

    Assads voorbeeld was het Egyptische staatshoofd Gamal Abdel Nasser. Die bracht in 1952 met zijn vrije officieren de monarchie ten val, ging de confrontatie aan met de westerse grootmachten en zocht toenadering tot de Sovjet-Unie. Vooral de nationalisering van het Suezkanaal in 1956 tegen de Britse en Franse belangen in maakte Nasser tot een held in de hele Arabische wereld. Men verwachtte zo veel van Nasser dat Syrië twee jaar later een unie met Egypte aanging.

    Nasser Atassi and Assad
    Assad (midden) in 1969 tijdens een ontmoeting met de Egyptische president Gamal Abdel Nasser (rechts)

    De Verenigde Arabische Republiek (VAR) mislukte echter al gauw omdat Nasser zijn Syrische partners degradeerde tot onderdanen. Hij decimeerde het Syrische officierskorps, ontnam de partijen hun macht en begon socialistische hervormingen door te voeren – hij nationaliseerde onder andere de banken. Daarmee riep hij in Syrië het verzet op van zowel de conservatieve krachten als de linkse Arabische nationalisten. In 1961 maakten conservatieve soennitische officieren uit Damascus een eind aan het verbond met Egypte. Slechts twee jaar later bracht Assads militaire comité samen met overtuigde nasseristen de ‘secessionisten’ weer ten val, waarbij Assad de taak had om Dumair, het steunpunt van de luchtmacht ten oosten van Damascus, onder zijn controle te brengen.

    Een paar weken voor de coup in Damascus had de Iraakse tak van de Baath-partij in februari 1963 de macht overgenomen in Bagdad. Het idee van een pan-Arabische unie tussen Syrië, Irak en Egypte werd serieus besproken, er was zelfs een ontwerp voor een grondwet. Maar Assad en zijn Baath-officieren wensten een Arabische federatie met Egypte op voet van gelijkheid. Omdat dat voor de machtsbewuste Nasser onbespreekbaar was, lanceerde de Egyptische president een propagandacampagne tegen de Baath-partij. Dat was het einde van de pan-Arabische illusies in Damascus: Assads Militair Comité zuiverde het officierskorps van het leger van nasseristen en dwong pro-Egyptische ministers tot aftreden.

    Het leger wordt de partij

    Voor de Baath-officieren leek het nu duidelijk dat ze het leger volledig onder controle moesten hebben om hun regime te stabiliseren. De strijdkrachten moesten niet meer een afspiegeling zijn van het partijenlandschap waarin verschillende fracties met elkaar rivaliseerden, maar een exclusief instrument in dienst van één partij: de Baath. In opdracht van het Militair Comité organiseerde de pas 33-jarige luchtmachtcommandant Assad een hiërarchische partijstructuur binnen het leger en zorgde ervoor dat de sleutelposities werden bezet door loyalisten.

    Terwijl hij zich op de achtergrond geduldig bezighield met de strategische personeelspolitiek, liet Assad de regeringsposten over aan andere leden van het Militair Comité. De alawiet Mohammed Umran werd plaatsvervangend regeringsleider, Salah Jadid – ook een alawiet – klom op tot chef van de generale staf [andere bronnen vermelden dat Salah Jadid een druus was, en niet een alawiet-red]. De rol van staatshoofd werd overgedragen aan de soenniet Amin al-Hafiz, die algauw gold als Syriës sterke man. Later zei Assad echter: ‘Zonder onze toestemming kon hij geen soldaat overplaatsen.’

    Maar nauwelijks was de Baath aan de macht en had ze haar rivalen geëlimineerd of er ontstonden scheuren tussen de partij en haar militaire vleugel, en ook binnen het Militair Comité. Umran was het niet eens met de meedogenloze manier waarop Hafiz, Jadid en Assad in 1964 een gewapende opstand van de door de lokale zakenwereld gesteunde Moslimbroeders neersloegen. Umran wendde zich daarom tot Michel Aflak, de oprichter en jarenlange secretaris-generaal van de Baath, en verried hem de geheime structuren van het Militair Comité. Om tegen het Militair Comité op te treden verbond de civiele partij-elite zich met generaal Hafiz, die onafhankelijk wilde zijn.

    In februari 1966 kwam het tot een confrontatie tussen de oude Baath-garde rondom de oud-student van de Sorbonne Michel Aflak en het door Jadid aangevoerde Militair Comité. Zwaarbewapende eenheden – waarbij Assads jongere broer Rifaat een van de commandanten was – vielen de residentie van het staatshoofd Hafiz aan, die na lange gevechten moest capituleren. Hafiz, Aflak en andere wegbereiders van het Baathisme gingen in ballingschap. Umran werd in 1972 in het Libanese Tripoli vermoord, kort voor zijn geplande terugkeer naar Syrië.

    Defensieminister

    Na de coup werd Assad minister van Defensie, maar al gauw beleefde hij een paar van zijn zwartste en leerzaamste dagen. Verzwakt door de eindeloze interne machtsstrijd had het Syrische leger in de Zesdaagse oorlog van 1967 op de Golanhoogten niets in te brengen tegen Israël. In de nasleep liep de spanning met Jadid op. ‘Assad was bereid samen te werken met alle Arabische staten, ook de zogenaamd reactionaire monarchieën Jordanië en Saoedi-Arabië, om een sterke positie tegenover Israël te verwerven,’ verklaart Syrië-expert Nikolaos van Dam. Voor Jadid kon daar geen sprake van zijn: ‘Zijn mensen wilden zich concentreren op de opbouw van een socialistische staat in Syrië.’

    Terwijl het regime de klassenstrijd streed, rijke families onteigende en hun leden ontsloeg uit overheidsdienst, installeerde Assad als defensieminister zijn mensen op de sleutelposities in het leger. Onder invloed van Jadid onthief het partijcongres Assad van zijn functie. Maar kort daarop, op 13 november 1970, liet de toen 40-jarige Assad zijn tegenspeler bij een vreedzame coup arresteren. Tot zijn dood in 1993 zat Jadid in een gevangenis in Damascus. ‘Dat was het einde van degenen die meenden dat de partij machtiger was dan het leger,’ aldus Van Dam.

    Als Hafez nog had geleefd was het mogelijk niet eens tot een burgeroorlog gekomen in Syrië

    Assad voelde zich sterk genoeg om af te zien van een soennitische stroman voor het hoogste ambt in de staat. In 1973 liet hij zich door een volksraadpleging tot president kiezen. De alleenheerschappij van Assad en zijn door alawieten gecontroleerde veiligheidsdienst verzekerden Syrië decennialang van een voordien onvoorstelbare politieke stabiliteit. Dat hij zich verzoende met de (soennitische) hogere en middenklasse in de steden doordat hij een liberalere economische politiek voerde, droeg daar ook aan bij. ‘Assad was pragmatischer dan alle andere Baath-leiders, geen marxist of leninist,’ zegt de Syrische publicist en activist Ayman Abdel Nur. ‘Hij begreep de gelaagdheid van de samenleving en gaf elke groep iets wat ze graag wilden.’

    Ook in de buitenlandse politiek toonde Assad zich flexibel. Met Sovjet-Russische wapenhulp bouwde hij een leger van 400.000 man op zonder zich aan de communistische doctrine of het dictaat van Moskou te onderwerpen. Hoewel hij zichzelf beschouwde als Arabisch nationalist en reïncarnatie van de intussen gestorven Nasser, ging Assad na de islamitische revolutie van 1979 in Iran een alliantie aan met het anti-Israëlische moellahregime en later met de sjiitische Hezbollah-militie in Libanon. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, zocht Assad toenadering tot het Westen en nam in de Golfoorlog van 1990 deel aan de coalitie tegen de Iraakse dictator Saddam Hoessein.

    Burgeroorlog

    Toen Hafez al-Assad in het jaar 2000 stierf, nam zijn jongere zoon Bashar de leiding over. De door Hafez opgebouwde ‘sjiitische as’ van Iran tot Libanon bleek na het uitbreken van de burgeroorlog in 2011 van levensbelang voor het overleven van het alawitische regime. Maar als Hafez nog had geleefd was het mogelijk niet eens tot een burgeroorlog gekomen, meent Abdel Nur. Het netwerk van de vader was veel uitgebreider dan dat van zijn zoon Bashar. Het omvatte alle religieuze groeperingen en alle belangrijke zakenlieden, in het bijzonder die van Damascus en Aleppo. Ieder kreeg wat hem toekwam. Alleen met hun steun zou het Assad senior in 1982 gelukt zijn de hernieuwde opstand van de Moslimbroeders in Hama neer te slaan. Die slachting kostte wel zo’n 20.000 doden.

    Assad family
    De familie Assad begin jaren zeventig. Linksachteraan Hafez, vooraan van links naar rechts: Bashar, Maher, zijn vrouw Anisa Makhlouf, Majd, Bushra en Bassel. – © syrianhistory.com

    In tegenstelling tot zijn vader kreeg Bashar de macht in de schoot geworpen. De oogarts werd in het jaar 2000 alleen maar opvolger omdat zijn oudere broer Bassel – een parachutist en commandant in de republikeinse garde – bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Bashar heeft de erfenis verspeeld, zoals zonen van rijke ouders meestal doen, volgens Abdel Nur: ‘Hij werd te begerig.’ De hele economie werd onder controle gebracht van zijn neef Rami Makhlouf. ‘Daarom zijn de Syriërs geflipt.’

    Maar ondanks alle goede eigenschappen geldt ook voor Hafez al-Assad: ‘Hij was een moordenaar, net als zijn zoon. Maar hij had politieke ervaring.’ 

  • Westen geeft 
Saoedi-Arabië vrij spel

    Westen geeft 
Saoedi-Arabië vrij spel

    Saoedi-Arabië is verantwoordelijk voor duizenden burgerdoden in Jemen. En wat doet het Westen? Dat kijkt toe en levert wapens.

    Op 9 augustus treft een bom een bus vol kinderen in de provincie Sa’dah, in het noorden van Jemen. Hulpverleners tellen 51 doden en 79 gewonden. De beelden van de bebloede kinderen veroorzaken een golf van internationale verontwaardiging.

    De woede is gericht tegen de militaire coalitie onder Saoedische leiding, die sinds maart 2015 in Jemen opereert 
ter ondersteuning van de voormalige president Al-Hadi, die in 2015 door de Houthi-rebellen werd verdreven. De bombardementen van deze coalitie hebben al duizenden burgerslachtoffers gemaakt. De VN, de VS en Frankrijk eisen een onderzoek. Spanje zegt wapenleveringen aan Riyad te heroverwegen. De gêne in Washington groeit wanneer CNN een week later onthult dat het bloedbad is veroorzaakt door een lasergestuurde bom van 
Amerikaanse makelij, door de VS aan hun bondgenoot geleverd.

    Mensenrechtenorganisaties eisen al jaren dat er een eind wordt gemaakt aan de wapenleveranties aan alle 
strijdende partijen in Jemen, en komen ook nu in het geweer. Zij hopen dat het bloedbad van Sa’dah de westerse landen kan overtuigen van de noodzaak hun Arabische bondgenoot te dwingen zijn militaire betrokkenheid te verminderen. Maar nadat de Spaanse regering begin september aankondigde het 
contract voor de levering van bommen te annuleren, is ze nu teruggekrabbeld onder druk van Saoedi-Arabië, dat dreigde een voor Spanje veel lucratievere deal over de levering van vijf oorlogsschepen te verscheuren.

    De Duitse regering kondigde begin dit jaar een moratorium af op de wapenexport naar landen die bij de oorlog in Jemen zijn betrokken, maar werd onlangs betrapt op het schenden ervan. ‘Niet verwonderlijk’, zegt een westerse 
fabrikant die in Riyad is gevestigd. 
‘De Duitse bedrijven zitten in de 
problemen in het koninkrijk. Als ze hierheen komen om zaken te doen, 
wil niemand hen ontvangen.’

    Agressieve diplomatie

    Begin augustus had Saoedi-Arabië al woedend gereageerd op een tweet van de Canadese minister van Buitenlandse Zaken, waarin zij kritiek uitte op 
de arrestatie van mensenrechtenactivisten in het koninkrijk. Er volgden strafmaatregelen, waaronder het wegsturen van de Canadese ambassadeur en het bevriezen van Saoedische investeringen in Canada. Dit soort boze reacties is tekenend voor het duo dat in Riyad aan de macht is, koning Salman bin Abdoel al-Saoed en zijn zoon Mohammed bin Salman. Zij gaven het bevel voor het militair ingrijpen in Jemen, uitgevoerd in samenwerking met de Verenigde Arabische Emiraten en alom opgevat als een nieuwe, agressievere vorm van diplomatie om de 
uitbreiding van de Iraanse invloed in het Midden-Oosten in te perken. De Houthi-strijders zijn zaiditisch – een tak van het sjiisme – en de Saoediërs beschouwen hen als Teherans paard van Troje. ‘Ze hebben besloten dat 
niemand hun in de weg zal staan, hoe dan ook’, verklaart een zakenman die de machtige kringen in Saoedi-Arabië goed kent. ‘Zolang de VS hen steunt, kunnen ze zich alles veroorloven.

    Rouwende toeschouwers kijken naar de begrafenisstoet voor de slachtoffers van de luchtaanval op een bus in Sa’dah, begin augustus, waarbij 51 doden vielen, onder wie 40 kinderen. – © Getty Images
    Rouwende toeschouwers kijken naar de begrafenisstoet voor de slachtoffers van de luchtaanval op een bus in Sa’dah, begin augustus, waarbij 51 doden vielen, onder wie 40 kinderen. – © Getty Images

    Met een olieprijs van 80 dollar per vat lopen ze ook weinig risico. En de Britten mopperen voorlopig ook niet, net zomin als de Fransen.’
    Begin september kwam Saoedi-Arabië zijn bondgenoten enigszins tegemoet. De coalitie die aanvankelijk had verklaard dat het bombardement op Sa’dah ‘binnen het internationale recht’ viel, erkende ‘zich te hebben 
vergist’. Het koninkrijk beloofde de 
verantwoordelijken te straffen en de familie van de slachtoffers een schadevergoeding aan te bieden. Maar de kans dat deze zeldzame schuldbekentenis verandering zal brengen in de beschietingen en het burgerleed zal verminderen, lijkt vooralsnog klein.
    In drieënhalf jaar strijd, waarin volgens de organisatie Jemen Data Project 18.000 luchtaanvallen zijn uitgevoerd,

    heeft Riyad altijd burgerdoelen getroffen: eerst vooral economische infrastructuur, later ook markten, woongebouwen en openbare bijeenkomsten. Bij een deel van die beschietingen is 
er duidelijk sprake van een vergissing, een gevolg van het notoire gebrek aan professionaliteit bij de Saoedische piloten. Maar de bombardementen maken ook deel uit van een strategie: het 
isoleren en uitputten van de Houthi’s, die het grootste deel van het dichtbevolkte noorden van het land beheersen. Het gevolg: van de in totaal 6600 burgerslachtoffers sinds maart 2015 zijn 
er 4300 omgekomen door bommen van de coalitie, volgens een schatting van het Hoge Commissariaat voor de 
Rechten van de Mens van de VN. En dat is nog een voorzichtige schatting. De onafhankelijke organisatie ACLED, die de gegevens van het conflict bijhoudt, spreekt over 50.000 doden tussen januari 2016 en juli 2018, en daarbij worden de slachtoffers van de ineenstorting van de staat en de economie niet meegeteld.

    In reactie op de verontwaardiging van mensenrechtenorganisaties zetten de vs, die de vliegtuigen van de coalitie in de lucht bevoorraden en het koninkrijk voorzien van inlichtingen, de Saoediërs nu onder druk om hun trefzekerheid te verbeteren.

    ‘Jemen is het Vietnam van de Saoedi’s geworden’

    Tot nu toe tevergeefs. De Saoediërs beweren geen andere keus te hebben dan doorgaan met de aanvallen in het gebied rond Hodeida, de grootste haven van het land, van waaruit de Houthi’s eenderde van hun inkomsten zouden betrekken. De bombardementen dienen als drukmiddel op de Houthi’s om te onderhandelen over een politieke oplossing voor het conflict.

    ‘Jemen is het Vietnam van de Saoedi’s geworden’, zegt een VN-functionaris. ‘Ze zijn er op kleine schaal aan begonnen en nu is er sprake van een vlucht naar voren, waarbij alle internationale verdragen met voeten worden getreden. Maar Trump heeft toch geen goed woord over voor het Internationaal Strafhof en de Europese leiders maken zich alleen druk om de werkgelegenheid en kunnen blijkbaar niet tot een gezamenlijk standpunt komen, dus wat kan hun gebeuren?’ Niet veel, 
moet een westerse functionaris tot zijn spijt toegeven. ‘Alle belangrijke bondgenoten van Riyad uiten hun twijfels, ze weten dat deze oorlog niet te winnen valt. En toch blijven ze prioriteit geven aan de verkoop van wapens.’

    Louis Imbert, Benjamin Barthe

    Auteurs: Louis Imbert, Benjamin Barthe

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van generaal Charles de Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 eigendom van drie private investeerders). Le Monde onderhoudt een groot netwerk van 
correspondenten over de hele wereld.

  • In Jemen sterven meer mensen van honger dan door geweld

    In Jemen sterven meer mensen van honger dan door geweld

    De Verenigde Arabische Emiraten voeren een eindeloze oorlog tegen de Houthi-rebellen in het noorden van Jemen. In plaats van alles in goede banen te leiden, helpen ze het land te gronde te richten. Een reportage vanuit Al Mukalla, een zuidelijke stad in crisis.

    Al Mukalla is een afgelegen havenstad in het uiterste zuidoosten van Jemen. De trage witte stad balanceert tussen rotskust en zee en is de laatste pleisterplaats voor een onmetelijke woestijnvlakte die zich uitstrekt tot de grens met Oman. Het leven van de stad speelt zich voornamelijk af op de kustboulevard, net als in de omringende vissersdorpen.

    Voordat hij in de oude stad verdwijnt, beschrijft deze boulevard een smalle bocht: daar heeft zich in de ochtend van woensdag 5 september een kleine menigte demonstranten verzameld. Ze protesteren al twee dagen tegen de koersval, afgelopen zomer, van de Jemenitische munt. De rial heeft sinds januari een derde van zijn waarde verloren. Daardoor belandt Al Mukalla, net als het hele land dat het armste van de Arabische wereld is, in een nieuwe crisis. Het maakt ook een eind aan de dromen over autonomie van deze vreedzame regio, die zich al sinds eind 2014 van het in oorlog verkerende Jemen heeft losgemaakt, en ook aan die van de Verenigde Arabische Emiraten die er dankzij het conflict in feite een protectoraat van hebben gemaakt.

    De Jemenitische regering van Abd Rabbuh Mansur Al-Hadi, die al in maart 2015 naar de Saoedische hoofdstad Rijad is uitgeweken, lijkt machteloos. Ze heeft al drie jaar geen begroting meer opgesteld. De schaarse inkomsten, afkomstig van olie en in- en uitvoerrechten, zijn onvoldoende om de ambtenarensalarissen te betalen. Om een illusie van stabiliteit in stand te houden laat de regering sinds eind 2016 rials in Rusland drukken. De laatste lading biljetten is in april afgeleverd in de haven van Aden, een andere zuidelijke havenstad die sinds 2015 fungeerde als tijdelijke hoofdstad van Jemen. Maar niemand wil ze meer hebben. In Al Mukalla eisen de verhuurders dat de huur voortaan in Saoedische rials wordt betaald.

    Deze crisis is van kapitaal belang voor een land waar de gevechten minder levens eisen dan de ineenstorting van de staat en de economie, die zorgt voor toenemende risico’s van hongersnood en epidemieën. Hoeveel doden eigenlijk? Niemand die het weet. Volgens een hoge VN-functionaris heeft de militaire interventie van een door Saoedi-Arabië geleide coalitie tegen de door Iran gesteunde Houthi-rebellen tussen maart 2015 en augustus 2016 aan meer dan tienduizend burgers het leven gekost. Maar dit cijfer weerspiegelt allang de werkelijkheid niet meer. In het noorden van het land hebben de rebellen de hoofdstad Sanaa in handen. Ze vormen er een rebellenkabinet en controleren de dichtstbevolkte regio’s.

    Onontwarbare situatie

    De coalitie erkent dat het onmogelijk is de rebellen militair te verslaan. Ze isoleert de belegerde zones door middel van een gedeeltelijke blokkade, waardoor acht miljoen mensen niet meer bereikbaar zijn voor humanitaire hulp en een hongerdood dreigen te sterven. De Saudische hoofdstad Rijad bombardeert het noorden vanuit de lucht, maar zet geen fronttroepen in. De Verenigde Arabische Emiraten, de belangrijkste strijdmacht ter plaatse, vinden dat ze met meer dan honderd doden al te veel verliezen hebben geleden.

    Ze kunnen hun Jemenitische bondgenoten in het zuiden er maar niet van overtuigen dat ze het verre noorden, dat hun zo vreemd is, moeten ‘bevrijden’. Maar weinigen zijn bereid om vanwege hun rivaliteit met het sjiitische Iran, dat de Houthi-rebellen van verre en tegen weinig kosten steunt, te sterven voor de soennitische monarchieën in de Perzische Golf. Het is een onontwarbare situatie. De Emiraten wachten geduldig af. Ze spelen een beetje de baas over het zuiden en laten het vaak aan zijn lot over. Ze rivaliseren met de regering van Hadi, die ze incapabel en corrupt vinden en te zeer gelieerd aan de politieke islam van de Moslimbroeders, hun zwarte schapen.

    In deze chaos mag Al Mukalla nog van geluk spreken. De regio is decentraal gelegen en solidair. Burgers mogen in de stad geen wapens dragen: een zeldzaamheid in dit land waar een automatisch geweer vaak als een natuurlijk verlengstuk van mannelijkheid wordt beschouwd. Hier kunnen de Emiraten zich tegenover hun grote Amerikaanse bondgenoot beroemen op het succes van hun antiterroristische politiek in Jemen. In de lente van 2016 hebben ze de jihadisten van Al-Qaida op het Arabisch Schiereiland (AQAS), de lokale afdeling van de terroristische organisatie die door Washington als een van de gevaarlijkste ter wereld wordt beschouwd, uit Al Mukalla verdreven. Dankzij de oorlog had AQAS de facto een jaar lang een staat kunnen stichten in de haven en omgeving voordat het zich onder druk van de Emiraten moest terugtrekken.

    Moeders en kinderen in het ziekenhuis van al-Khoukha, Jemen. De voorraden van het ziekenhuis zijn op, 40 procent van de kinderen is ondervoed. Door de oorlog zijn vluchtroutes afgesneden. – AP Photo / Nariman El-Mofty
    Moeders en kinderen in het ziekenhuis van al-Khoukha, Jemen. De voorraden van het ziekenhuis zijn op, 40 procent van de kinderen is ondervoed. Door de oorlog zijn vluchtroutes afgesneden. – AP Photo / Nariman El-Mofty

    De inwoners waren hun ‘bevrijders’ en beschermers bijzonder dankbaar. Maar nu, bijna twee jaar later, worden ze ongeduldig. ‘Op de lange termijn willen de Emiraten blijven en investeren, maar ze pakken het verkeerd aan’, zegt een treurige Badr Basalmah, een voormalige Jemenitische minister van Transport die afkomstig is uit Al Mukalla. ‘Kijk zelf maar: de regio heeft nog geen cent aan ontwikkelingsgeld ontvangen en ze zijn niet in staat een stabiele regering te vormen. De mensen beginnen hun vlag op straat te verbranden.’ Een reusachtig portret van Mohammed Ben Zayed, de sterke man van de Emiraten, dat op een reclamezuil in Al Mukalla prijkte, is tijdens de betogingen begin september verscheurd.

    De Emiraten hebben meebetaald aan het opknappen van de gevangenis van de stad. Ze hebben de kustwacht van snelle boten voorzien die onder hun gezag patrouilleren, en volgens de plaatselijke autoriteiten hebben ze het equivalent van 15,7 miljoen euro voor gezondheidszorg gestort en ook op andere vlakken hulp beloofd. In de haven hebben ze ervoor gezorgd dat de enige sleepboot weer functioneert. Dat is onmisbaar voor de handel, maar de plaatselijke ondernemers schieten er niets mee op.

    ‘De prijzen zijn te hoog en onze salarissen te laag. Ik kan niet eens meer suiker kopen. We redden het niet meer’

    Even voor het middaguur op die vijfde september hebben tientallen leden van de veiligheidstroepen van de stad, sommigen met een bivakmuts, de boze burgers met stokslagen uiteengedreven. Ze hebben op de boulevard pick-uptrucks met zware mitrailleurs opgesteld en nieuwsgierigen verjaagd. Een uur later weigert een honderdtal betogers op een kruispunt tegenover het centrale ziekenhuis zich te verspreiden. ‘De prijzen zijn te hoog en onze salarissen te laag. Ik kan niet eens meer suiker kopen. We redden het niet meer. De autoriteiten hebben ons gezegd dat ze er niets aan kunnen doen, dus zijn we de straat op gegaan’, zegt Anwar Ali (40), die werkt als arbeider in de fabriek voor tonijnconserven in de oude stad en in het ziekenhuis wordt behandeld aan een wond op zijn voorhoofd als gevolg van een stokslag. Aan de te dure benzine is al een tekort: voor de pompen staan wachtrijen van enkele uren.

    De volgende dag houden de winkeliers wantrouwig hun rolluiken dicht. Net als elders in het zuiden van het land, in Aden en in de provincies Abiyane en Lahij, beginnen de betogingen opnieuw en de gouverneur van Al Mukalla, Faraj Salmen Al-Bahsani, heeft uiteindelijk zijn steun aan de betogers toegezegd. Voor de microfoon van het plaatselijke radiostation heeft hij de plaatselijke regering gedreigd de volgende levering van ruwe olie vanuit zijn provincie Hadramaout, voorzien voor begin oktober (de regio is met dertigduizend vaten per dag goed voor meer dan de helft van de nationale productie), te zullen blokkeren als er geen serieuze reactie komt op de valutacrisis.

    Onhandigheid of onverschilligheid?

    In de enorme baai waar het water kalm is, ligt altijd een tiental schepen voor anker. De bemanning moet soms enkele weken wachten voordat ze aan land kan gaan in de haven, een uitgestrekt terrein met twee kades dat door kokende hitte wordt geteisterd en waar het te ondiep is voor schepen met een zeer grote tonnage. Arbeiders doden de verveling in de schaduw van krappe hangars en enkele silo’s.

    In januari heeft de coalitie een mobiele hijskraan beloofd, die node wordt gemist op de kades. De coalitie had de ambitie de havens van Al Mukalla en Aden verder te ontwikkelen om het scheepsverkeer in de houthistische zone in het noorden te beperken. Nu de VN er niet in is geslaagd begin september in Genève de vredesonderhandelingen te hervatten, bombardeert de coalitie Hodeida, de grootste haven van het land, en dreigt ze de stad te bestormen. Ondertussen wacht Al Mukalla nog altijd op zijn hijskraan.

    Is het onhandigheid of onverschilligheid? Diverse grote importeurs in Al Mukalla geven de coalitie de schuld van de trage toegang tot de haven. Uit vrees voor illegale wapenleveranties aan de Houthi-rebellen moet elke lading vóór het lossen van een blanco volmacht van Rijad zijn voorzien. Sinds kort zouden de Emiraten hetzelfde doen vanaf hun militaire basis op de luchthaven van Al Mukalla, die ze nog steeds niet heropenen voor burgergebruik. Diverse ondernemers hebben zich bij de gouverneur beklaagd over pogingen tot afpersing. ‘We betalen ons blauw’, klaagt Abubaker Mohammad Bajersh, een grote importeur van voedingswaren. ‘Die vertragingen leveren ons boetes van de verzekeraars op. Uiteindelijk zullen ze het enige internationale bedrijf dat ons nog in Al Mukalla wil leveren, de Mediterranean Shipping Company, ook tegen ons in het harnas jagen.’

    De Emiraten weigeren dit slechte functioneren voor hun rekening te nemen. ‘In Zuid-Jemen hebben we de pech dat we met een inefficiënte Jemenitische regering moeten samenwerken’, verklaarde een hoge functionaris van de Emiraten afgelopen augustus op doorreis in Parijs. ‘We hebben een politieke oplossing nodig voor het conflict met de houthisten. In de tussentijd gaan we Aden en de Jemenieten niet drijvende houden: dat is een verloren zaak. We hebben de middelen niet om het land te reorganiseren.’

    Deze afwachtende houding werkt het uiteenvallen van het land in de hand. In Aden laten de Emiraten hun plaatselijke bondgenoten, gewapende separatisten en salafisten, dromen van de wedergeboorte van een onafhankelijke staat in het zuiden, die in 1990 aan het eind van de Koude Oorlog is verdwenen. In Al Mukalla mikken ze op een regionalistischer sentiment: de provincie wordt de facto autonoom.


    Gouverneur Faraj Salmen Al-Bahsani voelt zich verantwoordelijk: hij wantrouwt zowel Sanaa als Aden. Hij noemt zich een legitimist, maar op zijn gouvernementsgebouw wappert geen enkele vlag, noch die van het verenigde land, noch die van het oude zuiden. Dit graatmagere mannetje met holle ogen, wiens wervelkolom wordt geteisterd door slaapgebrek, is een van de weinige Jemenitische bestuurders die niet van corruptie wordt beticht. Als militair koestert hij een instinctief wantrouwen jegens de politiek, die hem in 1994 twintig jaar naar Saoedi-Arabië heeft verbannen aan het eind van een burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden. Hij houdt zijn provincie op de been ‘zonder ook maar één cent van de centrale regering te ontvangen’, benadrukt hij. Hij houdt 20 procent van de olie-inkomsten en de havenbelasting van Al Mukalla in.

    Voor de toekomst mikt Bahsani vooral op investeringen van degenen die uit zijn regio Hadramaout zijn vertrokken en zich in de middeleeuwen en daarna sinds de achttiende eeuw met succes in de Golfregio en Zuid-Azië hebben gevestigd. Sommigen behoren tot de rijkste families van Saoedi-Arabië, zoals de Bin Ladens en de Bugshans. Deze grote neven spreken hem moed in, maar ze investeren niet: Al Mukalla is niet zeker genoeg. Voorlopig keren er vooral mensen zonder geld terug. Sinds een jaar worden duizenden arbeidsmigranten door de Saoedische autoriteiten het land uitgezet. Zo ook de familie van Faiz Bajaber, een 19-jarige student. Zijn twee ooms en hun gezinnen hebben zich net bij hem gevoegd, na verjaagd te zijn uit Rijad. ‘Mijn vader is nog in Djedda, hij heeft een carrosseriebedrijfje. Maar aan het geld dat hij stuurt hebben we niet genoeg’, zegt hij wanhopig.

    De salarissen die arbeidsemigranten aan hun gezinnen overmaken zijn onmisbaar voor Jemen, maar het worden er steeds minder. Bahsani schat dat over een jaar minimaal 500 duizend van hen in het land zullen zijn teruggekeerd. Dat kan een enorme schok veroorzaken. De regering-Hadi in Rijad heeft haar grote beschermheer daarvoor gewaarschuwd, maar zonder succes.

    Auteur: Louis Imbert
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • Orbáns oorlog tegen Soros wordt steeds absurder

    Orbáns oorlog tegen Soros wordt steeds absurder

    De Hongaarse regering schakelt een tandje bij in de propagandaoorlog tegen belegger George Soros. Men waarschuwt nu zelfs voor ‘burgeroorlogachtige toestanden’.

    Wie dacht dat de campagne van de Hongaarse regering tegen belegger en filantroop George Soros zijn dieptepunt wel had bereikt, komt bedrogen uit. In een postercampagne in juli werd het land zo ongeveer overstroomd met weinig flatteuze portretten van de 86-jarige Amerikaan van Hongaarse afkomst. Naast de gemene grijns waarmee hij was afgebeeld stond: ‘Wij staan niet toe dat Soros als laatste lacht.’ En de volgende propagandagolf is al onderweg. De regering heeft een ‘nationale consultatie’ georganiseerd: een soort volksraadpleging die door de partij van Orbán, Fidesz, is ingevoerd. Aan alle huishoudens wordt een lijst met uiterst suggestieve vragen gestuurd, dit keer over het zogenaamde ‘Soros-plan’: het door de regering naar voren gebrachte verwijt dat Soros jaarlijks een miljoen migranten in Europa wil vestigen en zodoende de naties wil opheffen.

    Staatsvijand

    Fidesz-fractieleider Lajos Kósa bevestigt dit voornemen in de wandelgangen van een besloten vergadering in Velence, waar de partij bijeen is ter voorbereiding op de parlementsverkiezingen van komend voorjaar. ‘Het echte gevaar komt van het plan-Soros,’ zei premier Orbán in zijn speech, aldus de regeringsgezinde internetsite Origo. Naar aanleiding van de nederlaag van de Hongaarse regering − wier klacht over het verplichte quotum asielzoekers door het Hof van Justitie van de Europese Unie werd afgewezen − verklaarde hij dat Brussel ‘de wil van Soros’ probeert door te zetten. Maar de EU zou Hongarije niet klein krijgen en het plan zou tot mislukken gedoemd zijn als het volk Fidesz steunde en Orbán voor de derde keer de verkiezingen zou winnen.

    Al maanden lijkt dit het belangrijkste verkiezingsthema van Fidesz te worden. Orbán heeft voor zijn confronterende en polariserende politieke stijl altijd een tegenstander nodig, en daarvoor voldoet de zwakke oppositie allang niet meer. Daarom heeft hij Soros de afgelopen twee jaar uitgeroepen tot een soort staatsvijand die op de achtergrond alles aanstuurt. Kritische, linkse non-gouvernementele organisaties (ngo’s) en zelfs de EU worden door diens ‘maffia-achtige netwerk’ beïnvloed, zo beweert Orbán. Het afwijzen van de klacht van Hongarije door het Europese Hof is een geschenk uit de hemel, omdat het zijn standpunt bevestigt.

    Maar op deze manier wordt het verhitte klimaat geschapen waarin Orbán floreert en waardoor hij zich als redder van Hongarije kan voordoen

    In haar veldtocht tegen Soros − die pikant genoeg ooit Orbán ondersteunde met een beurs voor Oxford − pakte de regering afgelopen voorjaar eerst de door de miljardair opgerichte Central European University aan. Ze vaardigde kort daarop een wet uit die alle vanuit het buitenland gefinancierde ngo’s aan de leiband legt. Ook al heeft de postercampagne in juli volgens Hongaarse media de belastingbetaler meer dan 17 miljoen euro gekost en de regering het verwijt bezorgd antisemitisch te zijn, de toon is inmiddels nog veel grover geworden. Al in maart waarschuwde László Kövér, een van de voornaamste Fidesz-ideologen, dat er voorafgaand aan de verkiezingen gewelddadige botsingen zouden komen. Hij had het over een mogelijke aanval op Hongaarse instituties door een vermeende alliantie van de oppositie met ‘organisaties van Soros’. Kövér beweerde zelfs dat in Boedapest burgeroorlogachtige toestanden dreigden te ontstaan.

    De laatste tijd hebben steeds meer partijvertegenwoordigers zijn waarschuwing voor een ‘hete herfst’ overgenomen, al is daar geen enkele concrete aanwijzing voor. Links Hongarije bevindt zich nog steeds in een beklagenswaardige positie en is alleen met zichzelf bezig, terwijl de rechts-extremistische partij Jobbik zich de afgelopen twee jaar opvallend gematigd opstelt. Bij de laatste grote demonstraties, zoals die tegen de ngo-wet, kwam het niet tot botsingen van enige omvang. Toch verklaarde de plaatsvervangend voorzitter van de nationale veiligheidscommissie (en van Fidesz), Szilárd Németh, dat de geheime diensten straatgevechten voorafgaand aan de verkiezingen als een serieus gevaar beschouwden. Door het buitenland gefinancierde organisaties zouden van plan zijn de binnenlandse orde in Hongarije te verstoren, beweerde Németh, en hij noemde drie activistische leden van de oppositie, onder wie de internationaal bekende toneelregisseur Árpád Schilling, als de aanstichters. Volgens de website Budapest Beacon verklaarden andere leden van de veiligheidscommissie juist dat de geheime diensten helemaal niet hadden gewaarschuwd voor onrust.

    Iets dergelijks gebeurde recent met betrekking tot journalisten die de regering onwelgevallig waren. Al eind juli had Orbán in zijn jaarlijkse toespraak op de zomeruniversiteit in Baile Tusnad (een stad in Roemenië waar veel etnische Hongaren wonen) gezegd dat de verkiezingsstrijd niet tegen de oppositie zou worden gevoerd, maar tegen vijanden van buiten. Hij noemde zoals gebruikelijk het ‘netwerk’ van Soros, maar voor het eerst ook diens ‘media’. Een paar dagen geleden publiceerde de nieuwssite 888.hu, eigendom van een nauw aan Orbán gelieerde adviseur, een lijst van ‘Soros-propagandisten’ die Hongarije in het buitenland zwartmaken. De Hongaarse Vereniging van Journalisten Múosz veroordeelde de lijst, waarop namen van medewerkers van Politico, Reuters en Bloomberg prijkten.

    Geen enkel bewijs

    Voor de tegen leden van de oppositie, journalisten en activisten ingebrachte verwijten ontbreekt ieder bewijs. Maar op deze manier wordt het verhitte klimaat geschapen waarin Orbán floreert en waardoor hij zich als redder van Hongarije kan voordoen. De ‘nationale consultatie’ tegen het ‘Soros-plan’ dient geen enkel ander doel, evenmin als die tegen de EU afgelopen voorjaar. Ook toen verpakte de regering in een overheidsenquête een massa valse beweringen, zodanig dat de Europese Commissie zich genoodzaakt zag die in een brochure van vier pagina’s te rectificeren. De juridisch overigens vrijblijvende enquêtes kosten de belastingbetaler 4 miljoen euro, aldus de krant Magyar Nemzet. En daar komt de miljoenen verslindende informatiecampagne, die feitelijk alleen Fidesz-propaganda is, nog bij.

    Auteur: Meret Baumann

    Openingsbeeld: De gewraakte poster waarop Soros met een gemene grijns staat afgebeeld. – © HH

    Text Here Neue Zürcher Zeitung
    Zwitserland | dagblad | oplage 155.000

    Een van de oudste kranten ter wereld. Dagblad van wereldklasse bekend om zijn intellectuele diepgaande stijl en zijn liberale signatuur.

  • Hoe Rusland in Syrië zijn positie als militaire wereldmacht bevestigde

    Hoe Rusland in Syrië zijn positie als militaire wereldmacht bevestigde

    De militaire escalatie van Vladimir Poetin in Syrië was wreed en nietsontziend. Het was een showcase van Ruslands militaire macht. Met als doel: een nieuwe machtsrelatie met het Westen.

    Uit het archief

    De Russische militaire tactiek in Syrië, waar het land Assad te hulp schoot, lijkt steeds meer een voorbode te zijn van de wrede aanvallen in Oekraïne. Ook in Syrië deinsde Rusland er niet voor terug om burgerdoelen te bombarderen.

    Als Aleppo valt zal de gewelddadige oorlog in Syrië een geheel nieuwe wending krijgen, met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de regio maar ook voor Europa. De meest recente aanval van de regering op de belegerde stad in het noorden van Syrië, waarbij nog eens tienduizenden mensen op de vlucht zijn geslagen, is ook beslissend voor de betrekkingen tussen het Westen en Rusland. Ruslands luchtmacht speelt een sleutelrol in het conflict. Als de anti-Assadrebellen, die sinds 2012 een deel van Aleppo in handen hebben, worden verslagen, resten in Syrië alleen nog het regime van Assad en Islamitische Staat. Dan is alle hoop vervlogen dat er ooit nog een overeenkomst gesloten zal worden waarin de Syrische oppositie een rol krijgt toebedeeld. En dat is een uitkomst waar Rusland al veel langer op uit is – de achterliggende reden van het besluit van Moskou, vier maanden terug, om over te gaan tot militair ingrijpen.

    Aleppo zal voor een groot deel bepalend zijn voor de verdere ontwikkelingen

    Het valt nauwelijks toeval te noemen dat de bombardementen op Aleppo, het symbool van de anti-Assadopstand, uitgerekend begonnen op het moment dat in Genève vredesbesprekingen werden gevoerd. Die vredesbesprekingen liepen dan ook al snel vast. De Russische militaire escalatie, bedoeld om het Syrische leger te steunen, moest voorkomen dat een heuse Syrische oppositie zeggenschap zou krijgen over de toekomst van het land. De plannen die het Westen en de Verenigde Naties hadden voorgesteld moesten worden gedwarsboomd. Dit was volkomen in tegenspraak met het feit dat Moskou zich had gecommitteerd om te zoeken naar een gemeenschappelijke, politieke aanpak om einde te maken aan de oorlog. De naschokken zullen wijd en zijd voelbaar zijn. Als de Europeanen in 2015 íéts duidelijk is geworden, dan is het wel dat ze de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten niet buiten de deur kunnen houden. En als Europa iets heeft geleerd van het conflict in Oekraïne van 2014, dan is het dat Rusland niet bepaald een vriend van Europa is. Het is een revisionistische mogendheid die tot militaire agressie in staat is.

    Twee mannen met een dode baby, slachtoffer van de recente bombardementen op Aleppo. – © Reuters
    Twee mannen met een dode baby, slachtoffer van de recente bombardementen op Aleppo. – © Reuters

    Dominante positie

    Sterker nog, nu de toekomst van Aleppo op het spel staat, maken de gebeurtenissen – meer dan ooit sinds het uitbreken van de oorlog – duidelijk dat er direct verband is tussen de Syrische tragedie en de in strategisch opzicht verzwakte positie van Europa en het Westen als geheel. Dat het conflict op die manier naar buiten doorsijpelt is een effect dat Rusland niet alleen nauwlettend in de gaten houdt, maar ook in de hand werkt. Dat de instabiliteit zich verspreidt over Europa past uitstekend binnen het streven van Rusland om zich een dominante positie te verwerven door alle twijfels en tegenstellingen uit te buiten in de landen die Rusland als zijn vijand beschouwt.

    Aleppo zal voor een groot deel bepalend zijn voor de verdere ontwikkelingen. Een nederlaag voor de Syrische oppositiegroepen zal IS nog meer sterker in het idee dat zij als enige opkomen voor de soennitische moslims – terwijl IS de bevolking terroriseert in de gebieden die het in zijn macht heeft. De situatie vertoont vele wrange kanten, niet in de laatste plaats gelegen in het feit dat de strategie van het Westen in de strijd tegen IS stoelde op het idee om de lokale Syrische oppositietroepen op de grond te versterken, zodat zij uiteindelijk de jihadistische opstandelingen zouden kunnen verdrijven uit het bolwerk Raqqa. Als uitgerekend de mensen die de grondtroepen hadden moeten vormen om deze klus te klaren in Aleppo worden omsingeld en genadeloos in de pan worden gehakt, op wie kan het Westen dan terugvallen? Rusland heeft van begin af aan volgehouden dat het IS bestrijdt, maar in Aleppo helpt Rusland bij het verslaan van de Syrische groeperingen die in het verleden effectief zijn gebleken in de strijd tegen IS.

    Als er al ooit twijfels bestonden over het oogmerk van Vladimir Poetin in Syrië, dan zijn die volledig weggenomen door de recente militaire escalatie rond deze stad. Vladimir Poetin past in Syrië precies dezelfde strategie toe als in Tsjetsjenië: zware militaire aanvallen op stedelijke gebieden, teneinde alle opstandelingen te doden of te verdrijven. De betrekkingen tussen de Syrische machtsstructuur en de Russische geheime dienst gaan ver terug – tot in het Sovjettijdperk. Net zoals onder het bewind van Poetin de Tsjetsjenen die mogelijk een rol zouden kunnen vervullen bij vredesbesprekingen letterlijk uit de weg werden geruimd, gooit nu Assad alle politieke tegenstanders op een hoop, onder de noemer ‘terrorisme’. En aangezien er in Tsjetsjenië nooit sprake is geweest van een overeenkomst (enkel van een regelrechte oorlog en totale verwoesting, totdat het Kremlin zijn eigen Tsjetsjeense leider installeerde), behoort ook in Syrië een overeenkomst met de oppositie voor Poetin niet tot de mogelijkheden.

    Een onontploft Russisch explosief in de buurt van Aleppo. – © Getty Images
    Een onontploft Russisch explosief in de buurt van Aleppo. – © Getty Images

    Macht

    Maar de strategische belangen van Rusland gaan nog veel verder. Poetin wil opnieuw zijn macht vestigen in het Midden-Oosten, maar uiteindelijk is het hem om Europa te doen. Het beslissende moment vond plaats in 2013, toen Barack Obama na een gifgasaanval afzag van luchtaanvallen op Assads militaire bases. Dat zette Poetin ertoe aan om op het Europese continent de westerse standvastigheid nog eens extra op de proef te stellen. Poetin werd destijds duidelijk verrast door de volksopstand in Oekraïne, maar hij wist al snel zijn macht te herstellen met de inzet van geweld en de annexatie van grondgebied. Hij had – terecht – de inschatting gemaakt dat zijn hybride oorlog in Oekraïne niet door het Westen kon worden voorkomen. Het Russische beleid in Oekraïne heeft het veiligheidsevenwicht in het Europa van na de Koude Oorlog dan ook op zijn grondvesten doen schudden, en Poetin zou graag zien dat Rusland munt slaat uit de nieuwe machtsverhoudingen.

    Als Europa iets heeft geleerd van het conflict in Oekraïne, dan is het dat Rusland niet bepaald een vriend is

    De militaire betrokkenheid van Rusland in Syrië plaatst de NAVO voor een groot dilemma, nu een van de belangrijkste leden in de frontlinies staat. De betrekkingen tussen Turkije en Rusland staan al maanden onder grote spanning. Inmiddels heeft Moskou Turkije openlijk gewaarschuwd geen troepen naar Syrië te sturen om Aleppo te beschermen. Hoe de Turkse leider daarop zal reageren is ook al een vraagstuk dat de Europese leiders hoofdpijn bezorgt.

    Dit alles speelt zich af in een tijd waarin de Europese regeringsleiders als nooit tevoren de samenwerking zoeken met Ankara, teneinde het vluchtelingenprobleem het hoofd te bieden. Als Turkije gaat dwarsliggen op de Midden-Oostenflank van de NAVO dient dat de Russische belangen. Evenzeer zal een nieuwe uittocht van vluchtelingen Rusland in de kaart spelen. De vluchtelingencrisis heeft diepe kloven geslagen in het continent en rechtse, populistische partijen spinnen er garen bij – en veel van die partijen zijn Ruslands politieke bondgenoten in het verzet tegen het project Europa. De vluchtelingencrisis zet belangrijke Europese instituties onder druk – het gevaar van een Brexit is toegenomen (wat Rusland alleen maar zal toejuichen) – en de vluchtelingencrisis ondergraaft de positie van Angela Merkel, de drijvende kracht achter de Europese sancties tegen Rusland.

    Natuurlijk is het overtrokken om te zeggen dat Poetin dit van begin af aan heeft voorzien. Hij heeft de ontwikkelingen willen sturen, maar ondertussen wordt hij er ook door meegesleept. Rusland is niet verantwoordelijk voor het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië, noch heeft het de hand gehad in alle gebeurtenissen in Oekraïne. Maar het cynisme waarmee Rusland het spel speelt zou in het Westen en de Verenigde Naties meer alarmbellen moeten doen rinkelen dan nu het geval is.

    Poetin mag zichzelf graag neerzetten als een man van orde, maar zijn beleid heeft alleen maar gezorgd voor meer chaos, en daar moet Europa een steeds hogere prijs voor betalen. Om het Russische regime tot een andere handelswijze aan te zetten is meer nodig dan alleen optimisme. In Aleppo voltrekt zich een humanitaire ramp. Het is van het grootste belang dat we de verbanden zien tussen het uitzichtloze lot van deze stad, de toekomst van Europa, en het Rusland dat hier dreigend boven hangt.

  • Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Kwaliteit produceren is niet voldoende. Je moet je ook aanpassen aan je markt, zegt de Japanse hoogleraar Technische Wetenschappen Yotaro Hatamura. Het tijdperk van Japan als technologische grootmacht lijkt ten einde.

    De industriële grootmacht Japan schudt al een tijdje op zijn grondvesten. Elektronicareuzen als Sony en Sharp kampen met financiële problemen en de halfgeleiderssector, kort geleden nog de trots van het land, wordt overvleugeld door zijn Zuid-Koreaanse en Chinese concurrenten. Wat is de oorzaak van dit debacle? Die vraag stelden we aan Yotaro Hatamura, emeritus hoogleraar Technische Wetenschappen aan de Universiteit van Tokio en verdediger van de theorie dat men door schade en schande wijs wordt.

    Na de Tweede Wereldoorlog voerde de Japanse industrie een verbeten strijd om haar achterstand op het Westen in te lopen en het vervolgens te overtroeven. Deze inspanningen hebben bijgedragen aan de economische ontwikkeling van het land; de groei bereikte zijn hoogtepunt in de jaren tachtig. Toen het technologische en kwalitatieve niveau van Japanse producten erkenning begon te vinden in het buitenland, ging de archipel er prat op een ‘technologische grootmacht’ te zijn. Maar sindsdien is de financiële situatie van de Japanse bedrijven danig verslechterd, vooral als gevolg van de prijsdaling die is veroorzaakt door de Chinese en Zuid-Koreaanse massaproductie.

    Hoe kan aan deze problemen het hoofd worden geboden? Yotaro Hatamura heeft een zeer originele kijk op deze vraag. Volgens hem kan de periode van zeventig jaar sinds 1945 worden verdeeld in twee grote tijdvakken: vijftig jaar wonderen en twintig jaar getalm. ‘Zoals schepen zich ’s nachts op hun bestemming oriënteren aan de hand van vuurtorens, hebben de Japanse ondernemingen een hoog technologisch niveau bereikt door zich op het Westen te oriënteren en alles in het werk te stellen om hun achterstand in te halen. Dat was hun bestaansreden.’ Maar nadat ze hun doel hadden bereikt, hebben ze het laten afweten. ‘De Japanse bedrijven hadden naar hun eigen bestaansredenen moeten zoeken, maar ze hebben zichzelf alleen maar gefeliciteerd.’

    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons
    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons

    Als voorbeeld noemt Hatamura de halfgeleiders. In de jaren tachtig voldeed meer dan 95 procent van de Japanse productie aan de kwaliteitsnormen, terwijl het Zuid-Koreaanse Samsung bleef steken op tussen de 60 en 70 procent. De Japanse fabrikanten staken de draak met hun Zuid-Koreaanse collega’s, die volgens hen alleen maar ‘rotzooi’ produceerden. Maar door tegen lage kosten te produceren is Samsung erin geslaagd grote hoeveelheden halfgeleiders af te zetten, waardoor het nieuwe apparatuur kon aanschaffen en daarmee de kwantiteit en de kwaliteit van zijn productie kon verbeteren, totdat het uiteindelijk de Japanse markten veroverde.

    Ongeluk

    Hatamura komt met een boodschap om de Japanse industrie te stimuleren: ‘Japan moet de illusie laten varen dat het een technologische grootmacht is.’ Dat dit nodig is werd hem duidelijk toen hij de commissie voorzat die het ongeluk in Fukushima onderzocht. Tot zijn grote verbazing bleken de verantwoordelijken voor de kerncentrale niet te weten in welke staat de brandstof in de reactoren verkeerde. Er waren diverse programma’s om die te analyseren en de resultaten daarvan spraken elkaar tegen. Bovendien waren alle programma’s van Amerikaanse makelij. ‘Met andere woorden, de Japanse centrales worden gerund door mensen die nooit rekening hebben gehouden met de mogelijkheid van een ongeluk,’ aldus Hatamura. In principe moet er na een nucleair ongeluk een reconstructie plaatsvinden om er zeker van te zijn dat de uitkomsten van het gesimuleerde analyseprogramma corresponderen met de verschijnselen die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan. De onderzoekscommissie had om zo’n reconstructie gevraagd, maar die werd te kostbaar bevonden.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren’

    Desondanks willen de regering en de zakenwereld de reactoren weer opstarten en hebben ze zelfs de ambitie die te exporteren. ‘Dat is ontoelaatbaar,’ zegt Hatamura met stemverheffing, en hij veroordeelt het weer opstarten van een van de reactoren op het eiland Kyushu. ‘Hoewel de eerste regel die in een nieuw reglementeringsprogramma zou moeten worden opgenomen het bestaan van een evacuatieplan voor de bevolking zou moeten zijn, is daarin niet voorzien. De regering en de elektriciteitsbedrijven zeggen “lessen te hebben getrokken uit Fukushima”, maar volgens mij hebben ze er alleen de lessen uit getrokken die ze wilden trekken.’ Volgens deze verdediger van het principe dat men door schade en schande wijs moet worden is er sprake van schrijnende onverschilligheid.

    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Als het eenmaal de illusie heeft laten varen dat het een technologische grootmacht is, wat voor toekomst heeft Japan dan nog in dit tijdperk van globalisering? Volgens Hatamura moeten de Japanse bedrijven zich ervan bewust worden dat er verschillende waarden bestaan, en drie regels in acht nemen die ook zijn eigen credo vormen: zich ter plaatse begeven, het werkelijke terrein verkennen en vervolgens in contact treden met de plaatselijke bevolking en in alle openheid met hen discussiëren. Op die manier zullen ze producten kunnen ontwikkelen die zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden, met andere woorden, zullen ze de plaatselijke waarden leren begrijpen – en dat is volgens de emeritus hoogleraar de sleutel tot succes.

    Waarden

    Hatamura wijst erop dat sommige Japanse bedrijven deze drie regels inmiddels in praktijk beginnen te brengen. Zo is Nissan in China een succesvolle joint venture aangegaan met een plaatselijk bedrijf dat kleine motoren inbouwt in luxe automodellen. Veel Chinezen die hun auto als een statussymbool zien, hebben voor hetzelfde geld liever een luxueus model dan een model met goede prestaties.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren,’ aldus Hatamura. ‘In werkelijkheid zouden fabrikanten moeten proberen te beantwoorden aan de consumentenverwachtingen op het gebied van kwaliteit, prijs, ontwerp, functies, gebruiksgemak en -plezier, garantie enzovoort. Als Japan in de problemen is gekomen door de wereldwijde concurrentie, dan is het omdat het onvoldoende rekening heeft gehouden met de waarden van de lokale bevolkingen.’

    Kan men zich om die reden tevredenstellen met het verkopen van hoogwaardige technologie aan het buitenland? In 2013 leverde de East Japan Railway Company (JR East) 180 wagons van een oude serie aan Indonesië, samen met de technische ondersteuning die nodig was om het materieel te onderhouden. Het jaar daarop leverde het bedrijf er nog eens 170. De technische ondersteuning waarin het contract voorzag omvatte onderhoud, exploitatie en garantie. De afgelopen jaren was Japan ook in de strijd met China voor de aanleg van een hogesnelheidslijn in Indonesië [Jakarta heeft de opdracht op 4 september aan China gegund]. Het contract met JR East toont aan dat het niet voldoende is om de nieuwste modellen van de hogesnelheidstrein Shikansen te verkopen, maar dat je ook moet beseffen dat er gewoon behoefte kan zijn aan een regionaal netwerk, vooral als daar te weinig materieel voor is.

    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Volgens Hatamura moet Japan in staat zijn om in te spelen op de behoeften van zijn partners, ook al zijn die laatste zich daar misschien nog niet van bewust. ‘JR East verkoopt niet alleen treinstellen van een oude serie, het verkoopt ook spoorwegvoorzieningen. Door een land bekend te maken met je eigen manier van opereren draag je ook bij aan de ontwikkeling van dat land. Daarmee verzeker je je niet alleen van een markt, maar ook van plaatselijke waardering. En je kunt je manifesteren in landen waar je aanwezigheid onontbeerlijk is.’

    Niemand heeft een kant-en-klaarrecept om uit de industriële impasse te geraken. Maar om nieuwe waarden te kunnen kweken zal Japan zich allereerst moeten ontdoen van zijn trots als industriële grootmacht die, zoals we hebben gezien, alleen maar een illusie is.

    Indicatoren halfstok

    ‘Volgens recent gepubliceerde gegevens gunt de Japanse economie premier Abe nog geen rust in dit moeilijke jaar’, onthult The Economist. ‘Het bbp van Japan is in het tweede trimester met 1,2 procent gedaald, waar het eerste trimester nog een groei te zien gaf. Voor het derde trimester wordt gevreesd. De industriële productie is in augustus verder gedaald, wat op een mogelijke recessie duidt’, aldus het Britse weekblad. Toch toont premier Shinzo Abe zich optimistisch; hij mikt zelfs op een toename van het bbp met 22 procent tot 600 miljard yen [4500 miljard euro], overigens zonder aan te geven hoe hij dat wil bereiken en op welke termijn. De vertrouwensindex van de grote industriële bedrijven is in september met 3 procent gedaald.

    Auteur: Takashi Ishitsuka
    Vertaler: Peter Bergsma

    Mainichi Shimbun
    Japan, dagblad, oplage 3.960.000 (ochtendeditie), 1.660.000 (avondeditie met andere inhoud)
    Oudste krant van Japan, 1872 voor het eerst uitgegeven onder de naam Tokyo Nichi Nichi Shimbun. De krant wordt twee keer per dag gedrukt. De site is ook in het Engels te lezen. Krant voor het politieke midden.