Tag: column

  • Boomers als boosdoeners. Waarom we af moeten van generationeel hokjesdenken

    Boomers als boosdoeners. Waarom we af moeten van generationeel hokjesdenken

    De hokjes en de labels, generaties indelen in demografische groepen om ze daarna de schuld te kunnen geven van de woningnood of van klimaatschade: het leidt alleen maar tot ongekende verdeeldheid in de samenleving. Terwijl generaties juist veel overeenkomsten hebben.

    Het typeren van generaties heeft alles te maken met verdeeldheid. We worden in groepen ingedeeld op basis van de periode waarin we zijn geboren, en die periode krijgt vervolgens een pakkend label, dat het goed doet in de media, waarna alle aandacht uitgaat naar de veronderstelde conflicten tussen de verschillende groepen.

    We vinden het veel makkelijker om de schuld voor ongewenste veranderingen in de schoenen te schuiven van bepaalde generaties dan van willekeurig welke andere demografische groep. Zo hebben de babyboomers alle huizen ingepikt, alle rijkdom weggekaapt en de aarde verwoest; millennials zijn verantwoordelijk voor het einde van het huwelijk, de teloorgang van feestjes op kantoor en zelfs voor de ondergang van marmelade (sinds 2013 daalt de verkoop). 

    Ondertussen hebben de ouderen altijd al commentaar gehad op de jongeren: in 400 v.Chr. mopperde Socrates al over de jeugd met hun ‘slechte manieren, hun minachting voor gezag en hun gebrek aan respect voor ouderen’. Maar tegenwoordig beschikken we over de middelen om deze eeuwige vooroordelen op grote schaal uit te dragen.

    Misleidend

    Dat vormt een cruciaal element van wat inmiddels is uitgegroeid tot een generatiegekleurde cultuuroorlog. We worden bestookt met verhalen over een ‘woke’ generatie die is geobsedeerd door ‘safe spaces’ en die een ‘cancelcultuur’ cultiveert. Maar dat beeld is misleidend. Het is waar dat jonge mensen een andere kijk hebben op verschuivende sociale normen – maar dat is nooit anders geweest.

    Jongere generaties voelen zich gewoon beter op hun gemak bij nieuwe culturele opvattingen, omdat ze niet zijn opgegroeid met de oude opvattingen. Sterker nog, als je over een langere termijn kijkt naar trends, is het min of meer een constante dat de jongste generatie zich twee keer zo goed op haar gemak voelt bij de nieuwste culturele opvattingen dan de oudste generatie. In de jaren tachtig, toen de babyboomers jongvolwassenen waren, speelden kwesties als de rol van vrouwen op de werkplek en de acceptatie van homoseksualiteit; voor de jongeren van nu is het belangrijkste onderwerp vermoedelijk genderidentiteit, of de manier waarop we naar de geschiedenis kijken. De hete hangijzers verschillen, maar de generationele patronen vertonen griezelig veel overeenkomsten. 

    Het feit dat we nu zo’n ongekend grote kloof ervaren heeft meer te maken met de tijd waarin we leven dan met fundamentele generationele kenmerken.

    We hebben een ongekende toename gezien van de persoonlijke rijkdom bij ouderen

    Er zijn twee wezenlijke contextuele veranderingen die een verklaring kunnen bieden. De eerste is van economische aard. We hebben een ongekende toename gezien van de persoonlijke rijkdom bij ouderen, waarbij de babyboomers op kop lopen. Zoals blijkt uit een recent rapport van de Resolution Foundation [een Britse denktank], bezit deze oudere groep meer dan de helft van al het privévermogen, zeven keer zoveel als de millennials. Natuurlijk is rijkdom in grote mate gekoppeld aan levensloop, in die zin dat vermogen wordt opgebouwd met het ouder worden. Maar deze kloof is van een andere orde dan die in het verleden, en dat patroon zien we in veel landen terug. 

    Neem de Verenigde Staten: toen de babyboomers gemiddeld 45 jaar waren, hadden ze 42 procent van al het Amerikaanse privévermogen in handen. Toen generatie X diezelfde mijlpaal bereikte, was dat slechts 15 procent – en voor de millennials zal dit ongetwijfeld nog lager zijn. Dat is een ingrijpende nieuwe verdeling, het gevolg van historische ontwikkelingen en van de bescherming van de belangen van de boomers, door hun electorale gewicht.

    Clickbait

    Daarnaast kan ons toegenomen besef van een intergenerationele kloof niet los worden gezien van onze nieuwe informatieomgeving, die ongekende verdeeldheid zaait. Conflicten zijn clickbait, en de generationele groepen staan vaak in de frontlinie.

    Ik heb zonder het te weten een klein voorbeeld van die zogenaamde verdeeldheid in het leven geroepen met een onderzoek dat we in 2022 uitvoerden om na te gaan wat voor beeld de verschillende generaties in het Verenigd Koninkrijk van elkaar hebben. In een van de vragen kwam een opmerking aan de orde uit een interview met tv-persoonlijkheid Kirstie Allsopp, die leek te impliceren dat jongeren geen huis konden kopen omdat ze te veel geld uitgaven aan Netflix, sportschoolabonnementen, dure koffietjes en vakanties naar het buitenland. Het schokkende was dat de helft van het publiek het met Allsopp eens was – en nog schokkender: generatie Z was het er percentueel gezien net zozeer mee eens als oudere generaties.

    De huidige lichting jongeren heeft zich duidelijk een zeker zelfverwijt eigen gemaakt, terwijl het feit dat de huizenprijzen al decennialang de hoogte in schieten, de lonen stagneren en het veel lastiger is geworden om een hypotheek te krijgen veel logischere verklaringen zijn voor het geringe eigenhuisbezit.

    Maar de belangrijkste les school voor mij niet in de vraag of de bewering al dan niet klopte, het interessantste was de berichtgeving over onze opiniepeiling. De koppen waren stuk voor stuk variaties op ‘Boomers wijten het aan Netflix en afhaalmaaltijden dat jongeren geen huis kunnen kopen’, terwijl de boomers die mening niet in sterkere mate waren toegedaan dan wie ook. Nieuwssites weten als geen ander dat stukken waarin een generatiekloof wordt opgevoerd, zeker als boomers de boosdoener zijn, beter worden gelezen en meer worden gedeeld.

    Ondanks alle retoriek zijn we in werkelijkheid innig verbonden met de generaties onder en boven ons

    Hoe dan ook, ondanks alle geforceerde, overtrokken maar natuurlijk ook daadwerkelijke scheidslijnen is het onwaarschijnlijk dat het tot een echte breuk zal komen tussen de generaties, of dat de jongeren een politieke tegenaanval zullen inzetten. Dat komt deels doordat ze de neiging hebben hun sombere situatie aan zichzelf te wijten, maar er zijn ook nog andere redenen.

    Ondanks alle retoriek zijn we in werkelijkheid innig verbonden met de generaties onder en boven ons, vanwege onze familie. We houden van onze ouders en onze grootouders en we willen, voor een belangrijk deel uit eigenbelang, dat ze het kapitaal behouden dat ze hebben vergaard, en dat ze alle mogelijke steun blijven ontvangen – want anders blijft er minder voor ons over of draaien wij op voor de kosten. De ontstellende hoeveelheid kapitaal bij de oudste generatie zal uiteindelijk doorsijpelen naar beneden. Het probleem is alleen dat het ongelijk verdeeld zal zijn – en dat ondermijnt de gezamenlijke inspanning van jongere generaties om verandering te bewerkstelligen.

    Het gebrek aan woede en actiebereidheid onder jongeren is frustrerend voor diegenen onder ons die vinden dat er hoognodig een betere regeling tussen de generaties moet komen. Maar om dat voor elkaar te krijgen moeten er eerst twee reusachtige beleidskwesties worden aangepakt: de vraag hoe we kapitaal belasten, en de vraag hoe we de ontwrichte huizenmarkt weer vlot trekken. Vermogen en huisvesting zijn zo nauw verbonden aan de periode waarin je bent geboren, dat alleen radicale actie de keten van intergenerationeel privilege kan doorbreken. Maar gezien het gebrek aan wrok jegens diegenen in onze omgeving die daardoor zouden worden getroffen, is de kans op dergelijke actie niet groot. De ironie wil dat de verschillen tussen de generaties niet groot genoeg zijn, noch voldoende emotioneel beladen, om tot een eerlijkere uitkomst te leiden. We zullen dus een andere manier moeten zoeken om om dat voor elkaar te krijgen.

    Lees ook:

  • Het kapitalisme komt altijd weer sterker uit de crisis tevoorschijn

    Het kapitalisme komt altijd weer sterker uit de crisis tevoorschijn

    Ondanks alle kritiek is het einde van het kapitalisme nog lang niet in zicht, schrijft de Duitse econoom Otmar Issing. ‘Het wordt tijd dat intellectuelen die af willen van de markteconomie zich bij die realiteit neerleggen.’

    Bij elke crisis van enige omvang verschijnen profeten ten tonele die het einde van het kapitalisme verkondigen. Dat soort voorspellingen kennen we al eeuwen. Maar tot nu toe zijn ze nooit uitgekomen, het kapitalisme heeft steeds weten te overleven en kwam vaak zelfs sterker uit crises tevoorschijn. Marx’ these van de noodzakelijke economische en sociale ontwikkeling en de onvermijdelijke ondergang van het kapitalisme bleek gewoon onjuist.

    Door een lang voor onmogelijk gehouden oorlog in Europa, de dreiging van een wereldwijde milieucrisis, het verwachte einde van het fossiele tijdperk, toenemende geopolitieke spanningen met het risico van handelsoorlogen, een voorspelbare strijd over de verdeling van inkomen en vermogen en het indrukwekkende succes van het Chinese economische model is een constellatie ontstaan waarin allerlei profeten wederom, en dit keer zeer nadrukkelijk, het einde van het kapitalisme zullen voorspellen. Door de veelheid aan crisishaarden verwachten ze min of meer dat het kapitalisme dit keer voorgoed schipbreuk zal lijden.

    De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem

    Behalve door deze cyclische bewegingen wordt het kapitalisme begeleid door een constante, je zou bijna zeggen ‘trouwe’ oppositie van talrijke intellectuelen. Ze maken over het algemeen geen onderscheid tussen het ongebreidelde negentiende-eeuwse Manchester-kapitalisme met zijn erbarmelijke omstandigheden en de moderne marktsystemen waarin de staat een essentiële rol speelt, door middel van allerhande interventies de economie corrigeert en stuurt, en zorgt voor een steeds breder sociaal vangnet. De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem. Hun aanval is simpelweg gericht op het ‘kapitalisme’ als zodanig, en onder die vlag vervalt dan ook de noodzaak tot differentiatie tussen de veelheid aan uitdrukkingsvormen.

    Creatieve vernietiging

    De Oostenrijkse macro-econoom Joseph Schumpeter heeft de markt beschreven als een medium van ‘creatieve vernietiging’ dat achterhaalde activiteiten verdringt en ruimte creëert voor vooruitgang; de markt functioneert als effectief stimuleringssysteem door succesvolle innovaties te belonen met winst. In de economische geschiedenis zijn daarvan ontelbaar veel voorbeelden te zien. Tijdens de pandemie werd de superioriteit van het marktmechanisme opnieuw overtuigend aangetoond. Neem alleen al BioNTech: het echtpaar Sahin reageerde op de uitbraak van de pandemie door, grotendeels gefinancierd door particulier durfkapitaal, zijn onderzoek te concentreren op het vinden van een vaccin. In onverwacht korte tijd presenteerden ze een oplossing die miljoenen mensen het leven heeft gered.

    Dat dit onderzoek is uitgevoerd op basis van door de overheid gefinancierd fundamenteel onderzoek doet geen afbreuk aan de effectiviteit van de markt als stimuleringsmechanisme. De markteconomie opereert tenslotte niet in een beleidsvrije ruimte, maar is geïncorporeerd in het staatsbestel. Het bevorderen van de wetenschap is een kerntaak van de overheid. In het samenspel van staat en markt ontstaan de beste resultaten.

    De voornaamste bron van scepsis of zelfs vijandschap ten aanzien van de markteconomie is echter de kritiek dat dit systeem onvermijdelijk in strijd is met fundamentele beginselen van rechtvaardigheid. Onder economen woedt al jaren een verhit debat over de ongelijkheid in de verdeling van inkomen en vermogen. Ook voorstanders van het marktsysteem zien hier het risico dat de grote en vooral toenemende ongelijkheid tot afnemende politieke acceptatie leidt. Deze opvatting gaat samen met het verwijt dat economische macht ook de politiek in zijn greep krijgt en dan ook het staatsbeleid in vergaande mate bepaalt. Die combinatie maakt dat de weg naar hervorming van het systeem definitief is afgesloten.

    Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig.

    Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig. Voor hen is het marktmechanisme per definitie asociaal en onrechtvaardig. Aan meer motivering hebben ze geen behoefte, vooral omdat het socialisme klaarstaat als superieure, op rechtvaardigheid gebaseerde orde. Publicaties die deze lijn volgen, krijgen vaak religieuze trekjes.

    De oorsprong van deze antipathie ligt in een ver verleden. Plato staat als een prominent vertegenwoordiger vooraan in de rij. Zijn minachting voor alle economische activiteit, vooral voor handelaren, gecombineerd met het idee van een optimale staatsinrichting met een filosoof-koning aan het hoofd, heeft door de eeuwen heen diepe sporen achtergelaten, niet alleen in de filosofie. Het lijkt op het eerste gezicht vergezocht om van Plato via allerlei tussenstadia een lijn te trekken naar de pretenties van moderne intellectuelen; en toch zijn hun gemeenschappelijke wortels makkelijk te herkennen. De vergelijking strookt ook met de observatie dat deze elitaire, zich althans elitair voelende, groep zich vrijwel zonder uitzondering niet in de actieve politiek mengt. De rol van koning is nu eenmaal niet te vergeven, dus zou men zich in een democratie moeten bezighouden met de problemen van alledag. Dan kun je beter het idee van een betere wereld propageren, en daar is het socialisme bij uitstek geschikt voor.

    Een paar eeuwen later hebben de grote religies in dezelfde richting gewerkt. De geschiedenis van het communisme in de vroege kerkgemeenschappen dient nog steeds als referentiepunt voor een betere samenleving. De ontwikkeling van het christendom is te complex verlopen om het christelijke standpunt over de economie onder één noemer te kunnen brengen. Maar men doet de twee christelijke kerken geen onrecht door ze niet bepaald als verdedigers van het kapitalisme te zien. (De school van Salamanca en de katholieke sociale leer vormen belangrijke uitzonderingen. De huidige paus belichaamt als het ware het kerkelijke speerpunt tegen het kapitalisme.)

    Overlevingskunstenaar

    Met zijn veelsoortige, buiten het economische liggende wortels is en blijft het socialisme een idee dat, ondanks alle in de praktijk mislukte pogingen, kan worden beschouwd als een soort intellectuele overlevingskunstenaar. Het socialisme zien als een hopeloos mislukt idee is iets heel anders dan het kapitalisme in al zijn vormen goedkeuren. Ook is het niet voldoende om te wijzen op de fundamentele verschillen tussen het ongebreidelde Manchester-kapitalisme en moderne markteconomieën. Gebeurtenissen zoals de bankencrisis, waarbij na grote particuliere winsten de verliezen op de samenleving werden afgewenteld, perverteren de argumenten voor de markteconomie. Die zondeval wordt niet goedgemaakt door het feit dat de staat ongehoord heeft gefaald bij het reguleren van en toezicht houden op de banken.

    Het volstaat evenmin om sociale rechtvaardigheid een ‘wezelwoord’ (als een ei dat door een wezel is leeggezogen en zo van zijn inhoud is beroofd) te noemen, zoals de Oostenrijkse Nobelprijswinnaar voor economie Friedrich A. von Hayek deed. Met de roep om meer (sociale) rechtvaardigheid worden wereldwijd ideologische gevechten geleverd en verkiezingscampagnes uitgevochten en ook vaak gewonnen. Het is een hele uitdaging om liberale boodschappen, zoals die van de filosoof John Rawls, in een krachtige slogan uit te drukken.

    Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen?

    Het verdelingsvraagstuk vraagt om antwoorden, net als om het voor een zelfstandig leven, gelijke kansen en participatie noodzakelijke onderwijs. Het paal en perk stellen aan de macht van het geld is altijd al een belangrijk agendapunt van de neoliberalen geweest. In het tijdperk van de moderne netwerkeconomie is het een even urgente als moeilijke opgave geworden. Tegenover de vermoedelijk nooit aflatende beloften van een beter leven zal de markteconomie, met haar hoge eisen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid, altijd haar uiterste best moeten doen de goedkeuring van de burgers te krijgen.

    Een onbevooroordeelde blik op de geschiedenis levert een eenduidige diagnose op. Alle experimenten om het socialisme in de praktijk te realiseren zijn uiteindelijk mislukt. Vrijheid en welvaart gedijen op lange termijn alleen in de combinatie van een democratische rechtsstaat en markteconomie. Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen? Ook al geeft het beeld van de ideeëngeschiedenis daarvoor niet veel hoop, het is toch zaak steeds opnieuw het debat aan te gaan. 

    Lees ook:

  • Globalisering heeft niet geleid tot de economie die we nodig hebben

    Globalisering heeft niet geleid tot de economie die we nodig hebben

    Veel mensen zijn bezorgd over de slechte toestand van de wereldeconomie. Om die te verbeteren, moet de politiek een nieuw systeem bedenken dat de nationale en mondiale belangen beter in evenwicht brengt, betoogt columnist Rana Foroohar.

    Er heerst veel algemene verwarring, zo niet regelrechte angst, over de toestand van de wereldeconomie. De oorlog in Oekraïne, de schommelende gasprijzen, de torenhoge hypotheekrente, de aanhoudende gevolgen van de pandemie en het dreigende vooruitzicht van een recessie: al deze factoren lijken samen te smelten tot één grote chaos.

    Die angst is reëel. Maar de chaos is van voorbijgaande aard – deze wordt grotendeels veroorzaakt door het tumult dat gepaard gaat met elke overgang van een oude naar een nieuwe economische orde. Elke economie maakt cycli door van groei en krimp, maar de belangrijkste indicator binnen die cycli heeft niet zozeer te maken met marktprijzen of werkloosheidscijfers als wel met de onderliggende politieke filosofie.

    Ongeveer een halve eeuw lang was onze politieke economie gebaseerd op het heersende concept van het neoliberalisme – het idee dat kapitaal, goederen en mensen grenzen moeten kunnen overschrijden op zoek naar het productiefste en meest winstgevende rendement. Veel mensen associëren dit principe met de trickledowneconomie van Ronald Reagan en Margaret Thatcher, of zelfs met de ondernemersvriendelijke economische ideeën over financiële markten en handel die Bill Clinton en Barack Obama omarmden. Maar de wortels van de filosofie gaan verder terug.

    Ongelijkheid

    De term ‘neoliberalisme’ werd in 1938 bedacht op een bijeenkomst in Parijs van economen, sociologen, journalisten en zakenlieden die zich zorgen maakten over de – in hun ogen buitensporige – staatscontrole op de markten na de Great Depression. Ze dachten dat de belangen van de natiestaat en de democratie wel eens problemen zouden kunnen gaan opleveren voor de economische en politieke stabiliteit. Het stemgerechtigde publiek kon niet worden vertrouwd, en dus moesten nationale belangen (of, meer in het bijzonder, nationalisme) worden in-geperkt door internationale wetten en instellingen, zodat markten en de samenleving als geheel goed konden functioneren.

    Mondiale instellingen als het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank en latere organisaties als de Wereldhandelsorganisatie – instellingen die in wezen gaan over grensoverschrijdende mondiale financiën, handel en ondernemingen – werden beïnvloed door deze neoliberale filo-sofieën. Zij pleitten krachtig voor de Washington-consensus, een reeks economische beginselen die waren afgeleid van de hoofdingrediënten marktliberalisering en onbelemmerde globalisering. Dit recept zorgde voor meer groei dan ooit tevoren; de vier jaar voorafgaand aan de financiële crisis van 2008 behoorden wereldwijd tot de sterkste groeiperioden in de afgelopen halve eeuw. Maar ze leidden ook tot grote ongelijkheid binnen de afzonderlijke landen.

    Geld beweegt zich veel sneller over grenzen dan goederen of mensen

    Hoe kon dat? Voor een deel doordat geld zich veel sneller over grenzen beweegt dan goederen of mensen. De ‘goedkoop kapitaal voor goedkope arbeid’-afspraak tussen de Verenigde Staten en Azië, vanaf de jaren tachtig, kwam voornamelijk ten goede aan multinationals en de Chinese staat, zo blijkt uit academisch onderzoek. De Reagan-Thatcher-revolutie bevrijdde het wereldkapitaal door de financiële sector te dereguleren, en de wereldhandel werd vervolgens volledig vrij-gelaten in het Clinton-tijdperk, met overeenkomsten als NAFTA en de uiteindelijke toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie. Qua beleidsbelangen sloeg de balans tussen het scheppen van binnenlandse banen en de integratie van de wereldmarkt door naar het laatste. Het idee was dat goedkopere consumentenprijzen van importgoederen de afgevlakte of zelfs dalende lonen zouden compenseren.

    martijn baudoin LAfUhkyRPOI unsplash kopie
    © Martijn Baudoin / Unsplash

    Maar dat gebeurde niet. Al vóór de pandemie en de oorlog in Oekraïne stegen de prijzen van goederen en diensten die essentieel zijn voor de middenklasse – van huisvesting tot onderwijs en gezondheidszorg – veel sneller dan de lonen. Dat is nog steeds het geval, zelfs met de recente looninflatie. Het gevoel dat de wereldeconomie te ver af is komen te staan van nationale belangen speelde een rol bij de opkomst van het populisme, nationalisme en zelfs fascisme (in de vorm van Donald Trump en de Make America Great Again-beweging) waar we nu mee worstelen. Het is van een bittere ironie dat juist de filosofieën die bedoeld waren om politiek extremisme in te dammen, het tegenovergestelde hebben bewerkstelligd, omdat ze te ver zijn gegaan.

    Neoliberale filosofie

    De neoliberale filosofie is failliet, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook elders, getuige het verzet in Groot-Brittannië tegen het mislukte experiment van oud-premier Liz Truss met belastingverlagingen met een beoogd trickledowneffect. Door arbeid uit te besteden aan meerdere landen zou de maakindustrie productiever en het bedrijfsleven efficiënter worden. Maar die vermeende efficiëntie bleek bij elke vorm van wereldwijde stress grotendeels in te storten, of het nou ging om pandemieën, tsunami’s, storingen in havens of andere onvoorziene gebeurtenissen.

    Complexe toeleveringsketens leidden al ver voor de mondiale crises van de afgelopen jaren tot verschillende rampen. Denk bijvoorbeeld aan Rana Plaza in Bangladesh, de fabriek die kleding maakte voor diverse mondiale merken (die geen idee hadden van risico’s in hun toeleveringsketen) en die in 2013 instortte, waarbij ruim elfhonderd mensen om het leven kwamen. Ondertussen werd de vrijhandel, die geacht werd de vrede tussen landen te bevorderen, zelf een systeem dat door commercieel ingestelde landen en door de staat geleide autocratieën kon worden misbruikt, met diepe politieke tegenstellingen in binnen- en buitenland als gevolg.

    Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen

    Gelukkig zwaait de slinger van de politieke economie uiteindelijk weer terug en maken uitgespeelde filosofieën plaats voor nieuwe. Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen. Zo’n verschuiving maken we nu door. De wereld is zich aan het herschikken – niet terug naar het ‘normaal’ van conventionele neo-liberale economische modellen, maar naar een nieuw normaal. Zowel in beleidskringen als in het bedrijfsleven en de academische wereld wordt nagedacht over het juiste evenwicht tussen mondiaal en lokaal.

    Het handelsbeleid houdt steeds meer rekening met arbeids- en milieunormen, vanuit de gedachte dat goedkoop niet altijd goedkoop is, bijvoorbeeld als producten het milieu aantasten of door kinderhanden worden gemaakt. Om rekening te houden met privacy en liberale waarden wordt er opnieuw nagedacht over de handel in digitale diensten. (Willen we echt dat onze persoonlijke gegevens worden overgedragen aan big tech of grote controlestaten zoals China?) Leveringsketens worden niet alleen korter vanwege de geopolitiek, maar ook door nieuwe technologieën (zoals gedecentraliseerde landbouw en 3D-printers) die het mogelijk maken om productie en consumptie dichter bij huis onder te brengen.

    En nu?

    En nu? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de economische globalisering niet opnieuw te ver vooruitloopt op de nationale politiek? En hoe kunnen we problemen oplossen zonder te verzanden in het protectionisme van de jaren dertig of in valse nostalgie naar een voorbije tijd?

    Er bestaat nog geen nieuwe ‘theorie van alles’ voor de post-neoliberale wereld. Maar dat betekent niet dat we de oude filosofie niet ter discussie moeten blijven stellen. Een van de hardnekkigste neoliberale mythen was dat de wereld plat was en dat nationale belangen ondergeschikt zouden zijn aan de wereldmarkten. De afgelopen jaren hebben dat idee onderuitgehaald. Het is aan degenen die de liberale democratie een warm hart toedragen om een nieuw systeem te bedenken dat lokale en globale belangen beter in evenwicht brengt.

  • Kleine mensen leven langer

    Kleine mensen leven langer

    Lang zijn heeft over het algemeen onze voorkeur. Maar kleinere mensen hebben de toekomst: ze leven langer en besparen tonnen voedsel per jaar. 

    Vanuit mijn gezichtspunt – met mijn lengte van 1 meter 52 – is lang zijn een wijdverbreide superioriteitsfantasie die al lang geleden met pensioen had moeten gaan. Het was zinvol om te zwijmelen over lengte toen het ging om overleven. Eeuwen geleden, toen de noodzaak om je te verdedigen zich dagelijks, zo niet elk uur voordeed, konden lange mensen gemakkelijker hun familie beschermen en tegelijk wat steak van de wolharige neushoorn mee naar huis brengen. Wie het uithoudings-vermogen heeft om de hele dag in een kantoorstoel door te brengen, neemt tegenwoordig in plastic verpakt vlees mee naar huis.

    Er is een aanhoudend debat over de gemiddelde lengte van een bevolking en wat dat betekent voor de welvaart en status van een natie, maar ik ben meer geïnteresseerd in lengte op individueel niveau. Ons succes als individu hangt niet af van het in elkaar kunnen slaan van andere mensen of dieren. En zelfs als dat wel zo was: in dit tijdperk van wapens en drones maakt lang zijn je alleen maar een makkelijker doelwit.

    In Size Matters schreef journalist Stephen S. Hall dat Frederik Willem I van Pruisen in de achttiende eeuw exorbitante bedragen neertelde om ‘reusachtige’ soldaten uit de hele wereld te rekruteren, waarmee hij ‘voor het eerst in een grote, post-middeleeuwse samenleving de wenselijkheid van lang zijn’ institutionaliseerde en daarmee aan lengte een tastbare waarde toekende, die nog tot in de moderne tijd doorklinkt.

    50 centimeter lang

    Arne Hendriks, 1 meter 95, is initiatiefnemer van The Incredible Shrinking Man, een artistiek, prijswinnend onderzoek naar de mogelijkheden om een mens te creëren van vijftig centimeter lang, een mens die beter op aarde past.

    Er bestaat ook een Klub Lange Mensen in Nederland, alleen toegang boven de 1.80 m., waar praktische, motorische en gedragsmatige problemen onder de aandacht van de overheid, producenten en leveranciers worden gebracht. Klub Lange Mensen was bijvoorbeeld nauw betrokken bij het ontwerp van een nieuwe vliegtuigstoel.

    De echo van deze vroege menselijke verlangens en vooroordelen is in onze geest blijven hangen als een bijzonder pakkende marketingjingle, zozeer zelfs dat we onze stem uitbrengen op lange kandidaten in de veronderstelling dat zij betere leiders zijn. Ook kiezen we vaak lange mensen als partner zonder dat er doorslaggevende data zijn waaruit blijkt dat zij betere echtgenoten zijn. John Kenneth Galbraith, de ruim twee meter lange econoom en diplomaat, beschouwde onze voorkeur voor lange mensen als ‘een van de meest flagrante en algemeen geaccepteerde vooroordelen in onze samenleving’. Anderen gaan tot het uiterste voor een paar centimeter erbij – steeds meer mensen geven tot wel 150.000 dollar uit voor ondraaglijke operaties om hun ledematen te verlengen, en ouders geven gezonde kinderen behandelingen met groeihormonen waarvan de bijwerkingen onbekend zijn.

    Dat weet ik omdat ikzelf een van die kinderen was. Als tiener injecteerde ik drieënhalf jaar lang Humatrope in mijn dijen op aandringen van mijn ouders, die vreesden dat ik buiten de boot zou vallen omdat ik klein was. Ik begrijp waarom ze dat dachten, gezien de manier waarop kleine mensen in onze maatschappij worden behandeld – een liedje met de tekst ‘short people got no reason to live’ stond een paar jaar voor mijn geboorte op nummer 2 in de Billboard Hot 100.

    Nu heb ik een tweeling, en mijn twee kinderen behoren tot de kleinsten van hun kleuterschool, maar in plaats van ze medicijnen te geven vanwege een verouderd maatschappelijk vooroordeel, laat ik ze zijn zoals ze zijn: klein. Want klein is beter, en klein is de toekomst.

    Minder cellen

    We zeggen maar eens in de vier jaar iets positiefs over iemand die klein is, wanneer Simone Biles ons betovert in haar turnpakje. Daardoor blijven de vele voordelen die kleine mensen hebben, onderbelicht. Korte mensen leven gemiddeld langer en krijgen minder vaak kanker. Volgens een theorie komt dit omdat er met minder cellen een kleinere kans bestaat dat er iets fout gaat. Dat heb ik liever dan kunnen dunken bij basketbal.

    Kleine mensen zijn ook inherente natuurbeschermers, een cruciaal gegeven in deze wereld met acht miljard mensen. Thomas Samaras, die al veertig jaar onderzoek doet naar lengte – en in kleine kring bekendstaat als de ‘Godfather of Shrink Think’, een onbekende filosofie die kleinheid superieur acht – berekende dat als we alleen al in Amerika met behoud van dezelfde proporties 10 procent korter zouden zijn, we 87 miljoen ton voedsel per jaar zouden besparen (om nog maar te zwijgen van biljoenen liters water, biljarden eenheden aan energie en miljoenen tonnen afval).

    ‘Ik wil niet dat lange mensen zich slecht voelen over zichzelf,’ zegt Samaras oprecht, ‘maar de tijd is rijp om klein te zijn.’

    Ouders scheppen op over hoe hun kinderen ‘hun de oren van het hoofd eten’, en al binnen een week uit hun schoenen zijn gegroeid – alsof ze daar een medaille voor verwachten. Mijn kinderen eten als knaagdiertjes en dat is prima – ze zijn gezond. Door hun lage percentielen besparen we geld en voedsel, en ze passen een jaar lang in hetzelfde paar schoenen. Groeien als onkruid? Nee, bedankt. Ik ga voor groeien als een cactus.

    Kleine mensen besparen niet alleen grondstoffen, maar zijn misschien ook het best aangepast om op lange termijn te overleven

    Kleine mensen besparen niet alleen grondstoffen, maar omdat grondstoffen schaarser worden door de groeiende wereldbevolking en de opwarming van de aarde, zijn ze misschien ook het best aangepast om op lange termijn te overleven (en niet alleen omdat er meer van ons in een ruimteschip passen als we deze door ons vernielde planeet moeten verlaten). Yuval Noah Harari schreef in zijn boek Sapiens over een vroege menselijke soort die een eiland bewoonde dat Flores heet. Door een stijging van de zeespiegel was het eiland afgesneden van andere landmassa’s.

    ‘De grotere mensen, die veel voedsel nodig hadden, stierven als eersten’, schreef Harari. Na een evolutieproces van vele generaties was de gemiddelde lengte van de mensen op het eiland slechts anderhalve meter. Ze konden alles wat grotere mensen konden – gereedschap maken, jagen – maar ze konden ook in leven blijven in moeilijke tijden.

    Door te paren met kleinere mensen, verklein je de behoeften van volgende generaties en red je mogelijk de planeet. Door op datingsites in je profiel de gewenste minimumlengte van potentiële partners te verlagen zet je een stap in de richting van een groenere planeet.

    Compenseren

    Nancy Blaker, een onderzoeker in Nederland die sociale status heeft bestudeerd, zegt dat kleine mannen, tegen de heersende stereotypen in, hun kleine lengte mogelijk ‘compenseren’ door positieve eigenschappen te ontwikkelen. ‘Het gaat niet om agressief en gemeen zijn,’ zegt ze. ‘Kleine mannen gedragen zich slim en strategisch en dat kan ook betekenen dat ze zich prosociaal opstellen.’

    Mijn man, die 1 meter 67 is, zegt dat lang zijn een stuk makkelijker zou zijn geweest dan te moeten investeren in zijn gevoel voor humor, maar ik weet wel dat ik niet met hem zou zijn getrouwd als mijn wangen niet zo’n pijn hadden gedaan van het lachen op onze eerste date.

    Het probleem is dat we nog steeds de illusie koesteren en als stelregel hanteren dat ‘meer van iets’ altijd waarde toevoegt. Het was Alberto Hayek – mijn vroegere, inmiddels gepensioneerde endocrinoloog van het Rady Children’s Hospital in San Diego – die me hierop heeft gewezen. Ik vroeg hem waarom ouders een behandeling met groeihormonen willen voor kinderen die geen onderliggende medische aandoening hebben. Hij zei dat het streven naar lengte vanzelfsprekend is in een kapitalistische maatschappij. ‘Alles is groot – de gebouwen, de bedrijven,’ zei hij en legde uit dat het ideaalbeeld dat ouders van hun kroost hebben wordt bepaald door de gedachte dat groter beter is.

    ‘Er zijn kleine mensen die het goed doen en een fantastisch leven leiden, en er zijn lange mensen die zich ellendig voelen’

    Een andere endocrinoloog, Adda Grimberg, wetenschappelijk directeur van het Growth Center van het Children’s Hospital of Philadelphia, zegt dat lengte-discriminatie weliswaar bestaat, maar dat bezorgde ouders ten onrechte denken dat lang zijn de sleutel is tot succes en erbij horen. ‘Er zijn kleine mensen die het goed doen en een fantastisch leven leiden, en er zijn lange mensen die zich ellendig voelen,’ aldus Grimberg. ‘Het is niet de lengte op zich die het resultaat bepaalt.’

    Daar ben ik het mee eens. Als klein persoon heb ik gemerkt dat er maar één ding is wat ik niet kan: dingen uit hoge schappen pakken. Maar dat gaat prima in de supermarkt, want lange mensen reiken graag naar dingen – het geeft ze het gevoel dat hun buitensporige ledematen tenminste een doel hebben.

    In sommige delen van de wereld wordt klein zijn juist gevierd. Arne Hendriks, een docent en kunstenaar van 1 meter 95, gebruikt optredens en tentoonstellingen om mensen aan te moedigen hun kleinere lengte te omarmen. Hij heeft zelfs de hoeveelheid zuivel en suiker in het dieet van zijn zoons teruggebracht in een poging hun groei te beperken en hen te behoeden voor de nadelen van lang zijn. ‘Het is tijd voor lange mensen om hun arrogantie te laten varen,’ zegt Hendriks. ‘Wees niet overmoedig als je lang bent, want je zult waarschijnlijk jonger sterven, meer gezondheidsproblemen hebben en voor meer vervuiling zorgen.’

    De toekomst die ik voor ogen heb, is anders: ik wil dat de kinderen van mijn kinderen de waarde van klein zijn inzien. Ik wil dat ze zichzelf klein maar fijn noemen! En als de een roept: ‘Ik ben de kleinste’, hoop ik dat de ander door zijn knieën gaat om zich kleiner te maken en roept: ‘Nee, ik ben de kleinste!’ 8630c425 48f1 495f 951b 9d6f0c7612ce

  • Gelijke rechten hebben is iets anders dan gelijk zijn

    Gelijke rechten hebben is iets anders dan gelijk zijn

    Niemand wil buitengesloten worden, iedereen wil erbij horen. Van gendertaal tot vrouwenzwembad: inclusie wordt een dogma. Maar hoe zit het met ons recht om anders te zijn, vraagt deze Zwitserse journalist zich af.

    Hoe meer we verschillen benadrukken, hoe gelijker we willen zijn. Afgelopen zomer wilde iemand met een baard en een lage stem in Zürich per se naar binnen in het vrouwenzwembad. Het management dacht dat de bezoeker een man was. Aan de F in het paspoort konden ze echter zien dat het om een vrouw ging. Een trans vrouw. Ze eiste toegang tot dit zwembad, waar uitsluitend vrouwen kwamen. 

    Moet iedereen altijd alles mogen? Inclusie beweert verschillen te negeren, maar eigenlijk benadrukt ze die juist. Waarom moeten vrouwen met een baard naar het vrouwenzwembad kunnen? Waarom mannen naar een vrouwen-wc? Waarom moet het mannetje op het verkeerslicht voor voetgangers worden vervangen door een zwangere vrouw? Waarom wordt de ‘voetgangersoversteekplaats’ een ‘zebrapad’? Waarom willen vrouwen naar de herensociëteit? Waarom moet elk stuk in de krant voor iedereen te begrijpen zijn? Waarom moeten mannen naar het vrouwenzwembad kunnen?

    In 2017 eiste de extreemrechtse vleugel van de SVP (Zwitserse Volkspartij) in een motie dat mannen toegang moesten krijgen tot een vrouwenzwembad. Als reden werd gelijkstelling aangevoerd. Dus niet alleen links vecht voor inclusie, ook rechtse politici doen dat als ze er politiek profijt van denken te hebben.

    Het terechte verlangen naar inclusie leidt tot het nivelleren en veronachtzamen van behoeften die met verscheidenheid samenhangen

    Inclusie is een begrip dat de weg wijst naar een rechtvaardiger samenleving. Als iedereen erbij hoort, sluit je niemand uit. Als we niemand uitsluiten, wordt niemand gediscrimineerd. En tegenwoordig voelt men zich snel achtergesteld en over het hoofd gezien. Meer dan wat ook moet genderinclusief taalgebruik met al die gevoelens rekening houden. In het Duits is de vraag naar inclusie in de taal goed zichtbaar door alle sterretjes, slashes en andere tekens die worden gebruikt. Voorbeeld: ‘Studenten’ wordt minimaal ‘Studentinnen und Studenten’ of het inmiddels officieel goedgekeurde ‘Student/-innen’, maar steeds vaker zie je in plaats daarvan ook ‘StudentInnen’ (met een hoofdletter I), ‘Student*innen’, ‘Student_innen’ of ‘Student:innen’. De inclusiegedachte dringt door tot in alle aspecten van het leven. Tegen het streven altijd met iedereen rekening te houden en zonder uitzondering voor iedereen de deur te openen, valt eigenlijk niets in te brengen. Het probleem is dat er verschillen zijn die je niet kunt negeren. 

    Het terechte verlangen naar inclusie leidt tot het nivelleren en veronachtzamen van behoeften die met verscheidenheid samenhangen. Vrouwen in een vrouwenzwembad willen onder elkaar zijn en verschoond blijven van mannelijke blikken. Mannelijke studenten op de sociëteit praten onderling anders dan wanneer er vrouwen bij zijn. Zou het daarom beter zijn als er ook vrouwen bij kwamen, zodat mannen net zo gaan praten als vrouwen? Waarom moeten we allemaal gelijk zijn en ons aan elkaar aanpassen? Wat is dat toch met die angst voor verschillen? Bestaat er zelfs geen recht op anders zijn?

    Gelijkberechtiging

    Gelijkberechtiging is niet hetzelfde als gelijkheid. Bij gelijkberechtiging hoort dat iedereen dezelfde rechten heeft en ieders vrijheid gewaarborgd is. De mening van anderen wordt gerespecteerd en er heerst wederzijdse tolerantie. Een democratie beschermt minderheden, maar maakt niet iedereen gelijk.

    Voordat inclusie een modewoord werd, was het een gangbare term met betrekking tot mensen met een handicap, wie daardoor ongehinderd toegang tot openbare ruimten werd gegarandeerd en in staat werden gesteld maatschappelijk te participeren. Mensen in een rolstoel moeten toegang hebben tot gebouwen met trappen, in treinen zijn zitplaatsen voor hen gereserveerd, ze spelen handbal. Visueel gehandicapten kunnen de nieuwe roman van Thomas Hürlimann in brailleschrift lezen, voor doven wordt het tv-journaal vertaald. Dat is goed.

    Bij inclusie gaat het om de verwachting dat er op een dag geen verschil meer bestaat tussen de meest uiteenlopende mensen

    Toen deed inclusie zijn intrede op scholen. Moeilijk lerende leerlingen krijgen les in normale klassen en worden behandeld als ieder ander. Het is niet de bedoeling dat ze zich anders voelen, maar dat ze er ‘volkomen natuurlijk bij horen’, zoals het inclusieve concept wil. Toch wordt deze orthopedagogische aanpak inmiddels ook bekritiseerd omdat hij nivellerend en romantiserend zou zijn. Als je het bijzondere wegincludeert, kan dat voor het betrokken kind zelfs contraproductief zijn.

    Bij inclusie gaat het om de verwachting dat er op een dag geen verschil meer bestaat tussen de meest uiteenlopende mensen. Om te beginnen voor de wet. Maar steeds vaker wordt op basis van subjectieve gevoelens beargumenteerd wat rechtvaardig is: hetgeen waarvan men uitgesloten is, wordt als ontkenning van de eigen persoon ervaren, als afwijzing van iemands uniciteit, alsof iemand zijn bestaansrecht wordt ontnomen. Zo wordt inclusie een dogma en is vaak niet duidelijk wie echt van inclusie profiteert. Universiteiten lopen voorop. 

    1563875612229
    De Federatie van Zwitserse Vrouwenverenigingen organiseerde in 1958 een tentoonstelling in Zürich die de precaire situatie van werkende vrouwen in de naoorlogse jaren onder de aandacht bracht. Ondertussen namen zij een duik in het gemengde Seebad Utoquai. 
    © Baugeschichtliches Archiv der Stadt Zürich

    Identiteitspolitiek

    De hogeschool van Zürich voor toegepaste wetenschappen heeft ten behoeve van haar studenten onlangs richtlijnen voor inclusief taalgebruik gepubliceerd, waarmee de aanspreekvormen ‘mijnheer’ en ‘mevrouw’ moeten verdwijnen. Op de universiteit van Bazel zijn onlangs genderneutrale wc’s geïnstalleerd. Op de vraag wie deze wc’s mag gebruiken, geven de leiders van het project Diversiteit en Inclusie van de universiteit op hun website het filosofische antwoord: ‘Iedereen is welkom van de allgendertoiletten gebruik te maken.’

    Inclusie is een paradoxaal gevolg van identiteitspolitiek

    Inclusie is een paradoxaal gevolg van identiteitspolitiek. Hoe meer de samenleving versnipperd raakt in duidelijk afgebakende identiteiten, hoe meer groepen aandringen op zichtbaarheid en erkenning door inclusie. De afkorting lgbtqia+ wordt niet voor niets aangevuld met een plusteken. Zo wordt geen enkele seksuele oriëntatie of identiteit vergeten. De afkorting voert zichzelf ad absurdum.

    Openheid en tolerantie lijken een bewijs dat iemand voor inclusie vecht. Uit onderzoek blijkt dat steeds minder jongeren zich ‘exclusief’ aangetrokken voelen tot het andere geslacht en steeds vaker als biseksueel uit de kast komen. Nog inclusiever – en dus sociaal rechtvaardiger – is het liefdesleven van panseksuelen; hun maakt het niet uit of de ander man of vrouw, homo, hetero, trans, non-binair of aseksueel is. Inclusie als het ontbreken van enige seksuele voorkeur. Inclusief handelen maakt dat je je goed voelt over jezelf. Dat geldt niet alleen bij de partnerkeuze, maar bij alle andere voorkeuren. ‘Ik ben de meest inclusieve luisteraar aller tijden,’ zei dj en muziekproducent Steve Aoki tegen The Guardian, die hem naar zijn muzikale voorkeuren vroeg. Door even graag naar welke band dan ook te luisteren, van Abba tot ZZ Top, doet hij ongetwijfeld niemand pijn, maar het klinkt ook ongelooflijk saai.

    Mensen die erop staan nergens te worden buitengesloten maken zich er even makkelijk van af. Zij zien zichzelf als slachtoffer, in plaats van verschillen te accepteren en als onderdeel van een complexe identiteit te beschouwen. Maar omdat slachtofferidentiteiten zo machtig zijn geworden, worden naar geslacht gescheiden zones in de openbare ruimte opgeheven en voor iedereen toegankelijk gemaakt. Daarbij stuiten we echter ook op de grenzen van de inclusiegedachte: het Utoquai-bad in Zürich moest zijn uitsluitend voor vrouwen bestemde afdelingen heropenen, zo fel was het protest van de vrouwen.

    De grens is ook merkbaar, en wel als paradox, wanneer het includeren van de ene groep de andere groep uitsluit. In officiële brieven wordt steeds vaker simpele of gemakkelijke taal gebruikt. Dat is bedoeld om ook mensen met een cognitieve beperking te bereiken. In musea worden schilderijen van eenvoudige bijschriften voorzien, en op heel wat redacties leest een speciaal daarvoor aangestelde persoon met leesproblemen de teksten vooraf om taalkundige hobbels uit de weg te ruimen. Maar juist gendertaal zit vol met zulke hobbels. Alleen al het vermelden van de vrouwelijke naast de mannelijke vorm maakt een tekst voor sommigen onleesbaar. En het gendersterretje is pas een echt obstakel. Iedereen includeren, sluit anderen uit.

    Verschillen erkennen

    We moeten minderheden beschermen, maar niet doen alsof iedereen gelijk is. Daar hebben ook degenen om wie het gaat niets aan. Als het minder goed presterende kind op een gewone school merkt dat het anders is, zal het daar pas echt onder lijden. Bedrijven creëren tegenwoordig banen voor mensen met een handicap zonder dat duidelijk is aangegeven welke taken ze moeten verrichten. Maar ook iemand met een handicap wil graag worden aangenomen omdat hij of zij goed is, niet omdat hij of zij een handicap heeft. En heel wat vrouwen worden zelfs liever met de generieke mannelijke vorm aangesproken dan op zo’n omstandige en taalkundig onesthetische manier.

    ‘Nee mogen zeggen hoort ook bij gelijkheid’

    Econoom en voormalig topzwemmer Alex Miescher schreef onlangs in de NZZ am Sonntag dat in de sport het ongedifferentieerd claimen van inclusie botst met de essentie van sport: het wedstrijdelement. Bovendien zullen volgens hem mensen met een handicap in de sport soms onder elkaar willen blijven, en ook hijzelf kon niet deelnemen aan de zware skiwedstrijden op de Lauberhorn of aan de Paralympics omdat hij daar gewoon niet goed genoeg voor was of niet voldeed aan de voorwaarden voor deelname. ‘Nee mogen zeggen hoort ook bij gelijkheid.’

    Wie nee zegt, erkent verschillen zonder daar een waardeoordeel aan te verbinden. In plaats van de tegenwoordig zo hoog aangeslagen individualiteit aan te voeren als rechtvaardiging om overal toelating en inclusie te eisen, kun je het ook anders, positiever zien: ik ben belangrijk als degene die ik ben, en juist daarom hoef ik niet overal bij te zijn. Ook niet overal bij hoeven horen geeft een gevoel van exclusiviteit. Exclusie kan mij op een positieve manier laten zien dat ik anders ben. Ook dat betekent vrijheid. Inclusie daarentegen elimineert de verschillen waarmee een individu zich onderscheidt. Uit angst voor verschillen moet iedereen gelijk zijn. Maar gelijkberechtiging is iets heel anders dan nivellering.

  • Davos 2022 maakte duidelijk dat de industriële elite niet klaar is voor ‘woke kapitalisme’

    Davos 2022 maakte duidelijk dat de industriële elite niet klaar is voor ‘woke kapitalisme’

    Op het World Economic Forum van mei 2022 in Davos kwamen rechtse populisten en sceptici uit de industriële sector in het geweer tegen een visie op zakendoen die verdergaat dan winst maken. Maar is de kentering nog tegen te houden?

    Het World Economic Forum (WEF) dat afgelopen mei [2022] plaatsvond in Davos had een triomf moeten worden voor gastheer Klaus Schwab. Bijna een halve eeuw nadat deze econoom in Zwitserland zijn eerste bijeenkomst organiseerde voor wereldleiders, CEO’s en financiers, leek zijn overtuiging dat bedrijven het algemeen belang moeten dienen te hebben gezegevierd over het oude idee dat bedrijven alleen maar bestaan om winst te maken voor hun aandeelhouders.

    In een boek dat tijdens het forum gratis verkrijgbaar was, verklaarden Schwab en zijn coauteur er zeker van te zijn dat het idee van ‘stakeholder-kapitalisme’, kapitalisme in dienst van alle belanghebbenden, eindelijk ‘gemeengoed was geworden’.

    Maar veel Davos-gangers leken daar minder zeker van, ook al liepen ze van het ene naar het andere panel dat toezeggingen deed om de CO2-uitstoot te verminderen en bezochten ze cocktailparty’s waar werd gelobbyd voor steun aan de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Het baarde hun steeds meer zorgen dat de grondbeginselen van het stakeholderkapitalisme – en de toenemende investeringen op het gebied van milieu, maatschappij en governance die daarmee gepaard gaan – onder vuur komen te liggen van populistische politici, tegenstanders uit de financiële sector en een ander soort activisten dan Schwab zich had voorgesteld.

    Elon Musk

    Elon Musk, misschien wel de meest prominente kapitalist van onze tijd, bestempelde de ESG-criteria voor duurzame beleggingen (milieu, maatschappij en governance) afgelopen mei als ‘zwendel’ nadat zijn bedrijf Tesla, baanbrekend producent van elektrische auto’s, was verwijderd uit de ESG-index van Standard and Poor’s (S&P). De scores van zulke indexen zijn afhankelijk van ‘hoe links een bedrijf is’, beweerde hij in een meme die op Twitter werd gedeeld.

    Tariq Fancy, in een vorig leven hoofd duurzaam beleggen van de Amerikaanse vermogensbeheerder BlackRock, noemt duurzaam beleggen nu ‘een gevaarlijke placebo’. Deze scepsis heeft overheden ertoe aangezet om strengere regels op te leggen. De Amerikaanse toezichthouder SEC stelt regels op om de ESG-referenties van beleggingsproducten kritisch door te lichten, en de ‘taxonomie voor duurzame financiering’ van de EU definieert inmiddels wat als groen geldt.

    ‘Ik werk hier al meer dan twee jaar aan en het voelde lange tijd alsof ik tegen de stroom in moest zwemmen’

    De conservatieve activisten die op jaarlijkse bijeenkomsten recordaantallen proteststemmen verzamelen, beijveren zich nu om de ESG-criteria en het stakeholderkapitalisme om te dopen tot iets wat holler, hypocrieter en zelfs schadelijker is: ‘woke kapitalisme’.

    Volgens Vivek Ramaswamy, een conservatieve ondernemer en auteur, is deze felle reactie veroorzaakt doordat de elite over de schreef is gegaan. Hij haalde deze maand meer dan 20 miljoen dollar op bij de libertaire techinvesteerder Peter Thiel en anderen om een anti-ESG-investeringsgroep te beginnen die volgens hem graag de olie- en gasaandelen zal kopen die grote vermogensbeheerders steeds meer mijden. ‘Ik werk hier al meer dan twee jaar aan en het voelde lange tijd alsof ik tegen de stroom in moest zwemmen,’ zegt hij. ‘Maar nu is het tij gekeerd.’

    Bekertje moraliteit

    Na de financiële crisis van 2008 werden de leiders van het bedrijfsleven en de financiële wereld gezien als ‘het tuig van de Amerikaanse richel’, zegt Ramaswamy, en hun wens om hun reputatie te herstellen viel samen met die van jongere werknemers om met hun werk een hoger doel te bereiken. ‘Bedrijven grepen die kans aan door ze naar Ben & Jerry’s te sturen, waar ze een bekertje ijs konden bestellen met een bekertje moraliteit erbij,’ zegt hij, verwijzend naar het merk van Unilever dat Black Lives Matter heeft gesteund en zich verzette tegen Israëlische nederzettingen in de Palestijnse gebieden. Het gevaar van dit soort activisme, zegt hij, is dat naarmate de stemmen uit het bedrijfsleven luider klinken, ‘een kleine elite daarvan gaat bepalen wat goed is voor de samenleving als geheel’. Volgens Ramaswamy gaat de bepalende culturele en politieke strijd van onze tijd niet tussen links en rechts, maar ‘tussen de kaste van managers en de moderne burger’. 

    Terwijl peilingen een scherpe daling laten zien van het Republikeinse vertrouwen in grote bedrijven, werken rechtse activisten aan het terugdraaien van veel veranderingen die zijn doorgevoerd onder de vlag van ESG en het stakeholderkapitalisme.

    De afgelopen twee maanden heeft een conservatieve belangengroep een rechtbank in Californië overgehaald om twee staatswetten tegen te houden die diversiteitsquota zouden hebben opgelegd aan raden van bestuur. Tijdens jaar-vergaderingen zijn tal van CEO’s, van Goldman Sachs tot Meta, door conservatieve aandeelhoudersgroepen onder druk gezet vanwege hun liefdadigheidsdonaties of gelijkheidsbeleid. Eén zo’n groep, het Free Enterprise Project, beweert het Amerikaanse bedrijfsleven te willen behoeden voor ‘de socialistische fundamenten van woke’.

    Sinds enkele jaren voelen CEO’s zich aangemoedigd door hun personeel en hun klanten (en door peilingen waaruit blijkt dat het bedrijfsleven meer vertrouwen geniet dan regeringen, non-profitorganisaties of media) om openbare standpunten in te nemen over onderwerpen die ze vroeger misschien hadden vermeden. Ook dit jaar kregen Davos-gangers van Edelman, een Amerikaans pr-bedrijf dat daar onderzoek naar doet, te horen dat de meeste mensen vinden dat CEO’s de verantwoordelijkheid hebben om zich uit te spreken over kwesties als klimaatverandering en discriminatie. Maar recent wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de calculus achter het innemen van het soort sociaal-liberale standpunten dat een kapitalist als ‘woke’ zou kunnen bestempelen, complexer is.

    Nadelen

    ‘Uit mijn onderzoek blijkt dat de voordelen niet opwegen tegen de nadelen,’ zegt Vanessa Burbano van de Columbia Business School in New York, die de reacties heeft bestudeerd van werknemers van bedrijven die zich uitspraken over de ‘wc-wetsvoorstellen’ van 2017, bedoeld om voor te schrijven van welke wc’s transgenders gebruik zouden moeten maken. Ze ontdekte dat CEO’s die een standpunt over de kwestie innamen werknemers die het niet met hen eens waren demotiveerden, terwijl werknemers die het wel met hen eens waren niet op een zinvolle manier werden gemotiveerd. 

    Sommige bedrijven lijken zulke risico’s al in te calculeren bij het nemen van beslissingen over hun politieke interventies. Swarnodeep Homroy, universitair hoofddocent finance aan de Rijksuniversiteit Groningen, ontdekte dat bedrijven in staten met een sterk gepolariseerd electoraat eerder geneigd waren om te stoppen met het doen van donaties aan Republikeinen die de verkiezingsoverwinning van Joe Biden in 2020 ontkenden. Ze waren minder geneigd om dit te doen als ze politieke risico’s liepen, zoals het verspelen van overheidscontracten. 

    In Davos zeiden Amerikaanse CEO’s dat ze pragmatische ‘probleemoplossers’ in het Congres wilden aanmoedigen, maar een van hen klaagde off the record dat hij momenteel niemand zag in het midden van een steeds sterker verdeeld politiek landschap.

    ‘Ik ben echt bang dat de ESG-criteria in een lippendienst zijn ontaard en dat het te veel een kwestie van afvinken is geworden’

    Die polarisatie zal er waarschijnlijk toe leiden dat meer CEO’s hun stem zullen laten horen bij de sociale geschillen die hun werknemers het meeste aan het hart gaan, zegt Vanessa Burbano. ‘Werknemers realiseren zich dat hun leiders voor een keuze staan over wat ze moeten zeggen en doen, en zijzelf kunnen daar mogelijk invloed op uitoefenen op een manier die vijf jaar geleden nog ondenkbaar was,’ zegt Burbano.

    Hoewel ze de motieven van hun critici wantrouwen, erkennen diverse voorstanders van duurzamere manieren van zakendoen de beperkingen van de ESG-criteria, die weliswaar ambitieus van opzet zijn, maar onduidelijk zijn omschreven.

    ‘Ik ben echt bang dat de ESG-criteria in een lippendienst zijn ontaard en dat het te veel een kwestie van afvinken is geworden,’ zegt lady Lynn Forester de Rothschild, wier Coalition for Inclusive Capitalism een invloedrijke groep op stakeholders gerichte CEO’s vertegenwoordigt.

    Bedrijven hebben geen andere keus dan milieuvriendelijker te worden

    Homroy op zijn beurt vermoedt dat bedrijven geen andere keus hebben dan milieuvriendelijker te worden, maar hij vreest ook dat ze steeds meer zullen terugschrikken voor een sociaal activisme dat hen kwetsbaar maakt voor aanvallen.

    De meeste Davos-gangers zijn nog steeds overtuigd van de commerciële kans die in elk geval door de ‘E’ in ESG wordt geboden, die van ‘environment’ oftewel ‘milieu’. De noodzaak om de overgang naar emissiearme technologieën te financieren is een aankondiging van wat McKinsey-consultants ‘de grootste herverdeling van kapitaal in de geschiedenis van de mensheid’ hebben genoemd. Sommigen geloven ook dat hun nieuwe sociale positionering zal helpen bij het aantrekken en vasthouden van talent.

    Vooralsnog, zegt Rothschild, zijn veel CEO’s vooral verbijsterd door de aanvallen op hun experimenten met een ander soort kapitalisme en weten ze niet wanneer ze opnieuw op de korrel zullen worden genomen. ‘Je weet nooit wanneer de piano op je hoofd zal vallen als je over straat loopt,’ zegt ze. En ook niet wie hem een zetje zal geven. 

    Lees ook:

  • Thomas Piketty: ‘De sociale kwestie moet weer de kern vormen van het politieke debat’

    Thomas Piketty: ‘De sociale kwestie moet weer de kern vormen van het politieke debat’

    Naar aanleiding van de Franse verkiezingen afgelopen juni schreef de Franse stereconoom over de huidige situatie in zijn land, waar volgens hem te weinig aandacht is voor de sociale kwestie. Onder andere omdat de identiteitskwestie de overhand kreeg.

    Is het mogelijk, zowel in Frankrijk als op Europese en internationale schaal, de uit drie lagen bestaande democratie achter ons te laten en opnieuw een kloof tussen links en rechts te creëren waarbij herverdeling en sociale ongelijkheid centraal staan? Dat was de inzet van de jongste Franse parlementsverkiezingen.

    Laten we om te beginnen de contouren van de drielagendemocratie nog eens onder de loep nemen die zich tijdens de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen hebben afgetekend. Tellen we de uitslagen van de verschillende linkse en groene partijen bij elkaar op, dan komt dit sociaal-ecologische blok uit op 32 procent van de stemmen. Kijken we naar de stemmen die zijn uitgebracht op Macron en Pécresse, dan zien we dat het liberale of centrumrechtse blok ook 32 procent van de stemmen heeft behaald. De drie kandidaten van het nationalistische of extreemrechtse blok (Le Pen, Zemmour, Dupont-Aignan) haalden precies dezelfde score van 32 procent. Als we de 3 procent die plattelandskandidaat Lasalle behaalde gelijkelijk over de drie blokken verdelen, komen we uit op drie vrijwel gelijke lagen.

    Deze driedeling is deels verklaarbaar vanwege de specifieke kenmerken van het Franse kiesstelsel en de politieke geschiedenis van het land, maar er liggen ook algemenere redenen aan ten grondslag. Laten we vooropstellen dat de drielagendemocratie geenszins het einde betekent voor de politieke kloof die is gebaseerd op uiteenlopende sociale klassen en economische belangen, integendeel zelfs. Het liberale blok behaalt veruit de beste resultaten bij de sociaal meest bevoorrechte kiezers, welk criterium ook wordt gehanteerd (inkomen, erfenis, opleiding), met name bij de oudsten onder hen. Als dit ‘bourgeoisblok’ een derde van de stemmen weet te vergaren, is dat ook voor een groot deel het gevolg van het feit dat de oudste en welvarendste Fransen de afgelopen decennia in groteren getale naar de stembus gaan dan de rest van de bevolking, iets wat eerder niet zo was.

    De facto heeft dit blok de synthese bewerkstelligd van de economische elite met oud of nieuw geld die van oudsher centrumrechts stemt en de gediplomeerde elite die sinds 1990 vrijwel overal de scepter heeft gezwaaid over centrumlinks. Als dit blok evenredig over alle sociaaldemografische groeperingen was verdeeld, zou het toch maar nauwelijks een kwart van de stemmen binnenhalen en nooit in zijn eentje kunnen regeren. Het linkse blok daarentegen zou ruimschoots aan kop gaan omdat dat het beste scoort bij het gewone volk, en vooral bij de jongsten onder hen. Ook het nationalistische blok zou vooruitgang boeken maar in mindere mate, omdat het gewone volk dat daarop stemt evenwichtiger over de leeftijdsgroepen zijn verdeeld.

    Links en het triomferende liberalisme

    In zekere zin zou je kunnen zeggen dat deze driedeling de drie grote ideologische families weerspiegelt die het Franse politieke leven al meer dan twee eeuwen bepalen: het liberalisme, het nationalisme en het socialisme. Sinds de industriële revolutie steunt het liberalisme op de markt en de sociale verschuivingen die de economie teweegbrengt en trekt het voornamelijk mensen aan die baat hebben bij het systeem. Het nationalisme is een antwoord op de sociale crisis die het gevolg is van de ontpersoonlijking van het land en de etno-nationale solidariteit, terwijl het socialisme niet zonder moeite universele emancipatie probeert te bevorderen door middel van onderwijs, kennis en het delen van de macht.

    Het nieuwe aan de huidige situatie is dat de sociale kwestie niet zo heftig meer speelt

    In meer algemene zin hebben we altijd al geweten dat het politieke conflict structureel instabiel en multidimensioneel is (de identitaire en religieuze kloof, de kloof tussen stad en platteland, de sociaaleconomische kloof et cetera) en niet kan worden teruggebracht tot een eendimensioneel links-rechtsconflict dat zich in de loop van de tijd opnieuw zal voordoen. Toch voerde in talrijke configuraties die we in het verleden hebben kunnen waarnemen, of in elk geval in die welke ons zijn bijgebleven, de sociale kwestie de boventoon en was die de belangrijkste spil in het sociale conflict door het tegenover elkaar zetten van een sociaal-internationalistisch links en een liberaal-conservatief rechts.

    Het nieuwe aan de huidige situatie is dat de sociale kwestie niet zo heftig meer speelt, deels omdat links toen het aan de macht kwam zijn hervormingsambities heeft gematigd en vaak het liberalisme heeft omarmd dat na de val van het communisme in zwang raakte, met als gevolg dat de identiteitskwestie de overhand heeft.

    Een riskante gok

    Wat kenmerkend is voor de drielagendemocratie is allereerst dat de werkende klasse sterk verdeeld is over migratie en de postkoloniale kwestie: stedelijke jongeren hebben minder moeite met integratie en stemmen over het algemeen links. Het minder jonge electoraat op het platteland daarentegen voelt zich in de steek gelaten en wendt zich tot het nationalistische blok. Het bourgeoisblok hoopt zich voor altijd te kunnen handhaven dankzij deze tweedeling, maar dat is een riskante gok, want de retoriek waarvan het nationalistische blok zich bedient, vaak aangemoedigd door het bourgeoisblok, is allesbehalve constructief en verergert het conflict alleen maar. In tegenstelling tot wat de andere blokken beweren is het linkse blok allerminst blind voor de veiligheidskwestie, maar wil het juist belastinggeld bestemmen voor de versterking van politie en justitie.

    De beschuldiging dat er bij links sprake zou zijn van communautarisme is volstrekt ongerijmd

    De beschuldiging dat er bij links sprake zou zijn van communautarisme, dat niet markt of staat centraal stelt maar de samenleving, is volstrekt ongerijmd. Dat jongeren met een migratieachtergrond massaal op het linkse blok stemmen is omdat dat hen als enige tegen het heersende racisme beschermt en het discriminatievraagstuk serieus neemt. Het wordt hoog tijd dat de sociale kwestie weer de kern vormt van het politieke debat in Frankrijk, niet omdat het volksblok per definitie gelijk heeft en het bourgeoisblok ongelijk (de noodzakelijke mate van herverdeling is nooit eenvoudig te bepalen), maar omdat sociale klassenconflicten meer stof tot nadenken bieden en de democratie in staat stellen te functioneren. Laten we hopen dat deze verkiezingen daarbij zullen helpen.

  • Westplaining: hoe linkse opiniemakers het verhaal van het Kremlin overnemen

    Westplaining: hoe linkse opiniemakers het verhaal van het Kremlin overnemen

    Jeffrey Sachs, Varoufakis en Naomi Klein maken zich volgens deze auteur schuldig aan ‘gedachteloze propaganda’. ‘Ze hanteren een opvatting van het begrip soevereiniteit die opvallend veel lijkt op die van Rusland.’

    Door de Russische aanval op Oekraïne te wijten aan de oostelijke uitbreiding van de NAVO, herhalen enkele prominente figuren van het westerse politieke links gedachteloos de propaganda van het Kremlin. Anderen onthullen gedachteloos hun ware houding ten opzichte van Oost- en Centraal Europa: even neerbuigend en postkoloniaal als die van de imperialisten die ze zo gretig bekritiseren.

    Naomi Klein, die zo briljant de door Amerika geleide poging om Irak te ‘bevrijden’ heeft beschreven in de context van de westerse belangen omtrent olie in het Midden-Oosten, en die zo meeleefde met de Irakezen die aan de ‘shockdoctrine’ waren blootgesteld, prees onlangs Phyllis Bennis’ ‘uitstekende analyse’ van de oorlog in Oekraïne. Volgens Bennis moet men, om de aanval van Poetin op Oekraïne te begrijpen, teruggaan naar 1997, toen Washington ‘de NAVO onder druk zette om naar het Oosten uit te breiden, waardoor een veiligheidsgarantie werd verbroken die de VS na de Koude Oorlog aan Rusland hadden gegeven’. 

    Amerika zou geen wapens naar Oekraïne moeten sturen, want dat zou het militair-industrieel complex enkel ten goede komen

    Ze noemt de NAVO een ‘anachronistische alliantie’ die aan Rusland is opgedrongen, waardoor Rusland NAVO-troepen in zijn directe omgeving als een bedreiging beschouwt. Daarom, zelfs als de oorlog in Oekraïne ‘ongerechtvaardigd’ is, is deze niet ‘niet-uitgelokt’ – Rusland werd simpelweg door de VS die richting in geduwd. Amerika zou geen troepen en wapens naar Oekraïne moeten sturen, want dat zou het militair-industrieel complex enkel ten goede komen. Het moet de sancties ook niet aanscherpen, want die leveren gewoonweg geen resultaat op. De reactie op het conflict moet diplomatie zijn.

    Dus de NAVO en de VS moeten gezamenlijk besluiten om zware wapens en raketten terug te trekken van de Russische grens en in het openbaar erkennen wat de NAVO voor zichzelf allang heeft erkend: dat Oekraïne in de nabije toekomst niet zal toetreden tot de militaire alliantie.’

    Maar hoe zit het met Oekraïne? Moet het gewoonweg accepteren dat een buurland zijn territoriale integriteit heeft geschonden, zijn bevolking vermoordt en zijn steden verwoest? Wie kan het wat schelen? Niet die auteur van de ‘uitstekende analyse’, noch Naomi Klein. Na een overweldigend kritische reactie – Adrian Zandberg, een prominent linksgeoriënteerd lid van het Poolse parlement, nam de auteur van The Shock Doctrine haar ondraaglijke naïviteit en Angelsaksische arrogantie kwalijk – verwijderde Klein de tweet.

    NAVO

    Owen Jones, columnist van The Guardian, podcaster en activist, die welsprekend de belangen van de arbeidersklasse verdedigt, fanatiek islamofobie en transfobie aan de kaak stelt en (regelmatig) de trieste ondergang van Boris Johnsons regering voorspelt, deelde een soortgelijke analyse met de wereld, geschreven door Jeffrey Sachs. 

    Ook Sachs is van mening dat de VS moeten verzekeren dat ze Oekraïne niet tot de NAVO zullen toelaten. Vooral omdat ‘het uitbreiden van het convenant naar het oosten na de ineenstorting van de USSR onnodig, roekeloos en provocerend was’. Echte vrienden van Oekraïne, redeneert Sachs, zouden tot een compromis tussen de VS en de NAVO met Rusland moeten oproepen – ‘een compromis dat de legitieme veiligheidsbelangen van Rusland respecteert en tegelijkertijd de soevereiniteit van Oekraïne 
    volledig ondersteunt’.

    Het creëren van een ‘neutrale bufferzone’ tussen Rusland en het Westen is een uitstekend idee

    Jones tweette het opiniestuk van Sachs en voegde eraan toe dat het creëren van een ‘neutrale bufferzone’ tussen Rusland en het Westen een uitstekend idee is. Toegegeven, na vele kritische reacties kwam hij tot inkeer en verontschuldigde hij zich voor zijn ‘extreem domme, gevoelloze en simpelweg foute’ tweet. Vervolgens begon hij te waarschuwen voor het nucleaire conflict dat ons te wachten staat als het Westen betrokken zou raken bij de oorlog in Oekraïne.

    Hypocrisie

    Dezelfde waarschuwingen worden herhaald door een andere prominente linkse columnist, namelijk Bernie Sanders’ voormalige speechschrijver David Sirota, die, tot groot genoegen van Poetin, Amerikanen beschuldigt van hypocrisie: ‘Het is moeilijk om te zien dat de mensen die met hun leugens Amerika ertoe aanzetten honderdduizenden Irakezen te vermoorden, nu doen alsof ze belang hechten aan het internationaal recht en onschuldige levens.’

    ‘De enige hoop op een vreedzame oplossing is een NAVO-verklaring dat Oekraïne niet zal toetreden tot het bondgenootschap’

    Een andere hoogvlieger van het westerse politieke links, Yanis Varoufakis, de voormalige Griekse minister van Financiën, die zo overtuigend het recht van Griekenland verdedigde om soevereine beslissingen te nemen over zijn toekomst, roept al meer dan een week dat ‘de enige hoop op een vreedzame oplossing een NAVO-verklaring is dat Oekraïne niet zal toetreden tot het bondgenootschap’.

    The Guardian publiceerde op zijn beurt een artikel van Ted Galen Carpenter, een expert gelieerd aan het libertaire Cato Institute – een denktank die wordt gefinancierd door de gebroeders Koch, sponsors van rechts Amerika. Carpenters verhaal dat de aanval op Oekraïne is toe te schrijven aan het ‘arrogante en toondove’ beleid van de NAVO, en dat de ‘vriendschappelijke’ waarschuwingen van Rusland werden genegeerd, sluit naadloos aan op het narratief van het Kremlin. Carpenter suggereert dat Moskou inderdaad recht heeft op de Baltische staten; ze maakten immers niet alleen deel uit van de USSR, maar ook van het Russische Rijk. ‘De schokkend arrogante bemoeienis van het kabinet-Obama’ zou op zijn beurt hebben geleid tot de val van een pro-Russische president in 2014. Vervolgens bracht deze houding Rusland ertoe de Krim te annexeren, uit angst voor zijn veiligheid. ‘We betalen nu de prijs voor de kortzichtigheid en arrogantie van het buitenlandse beleid van Amerika,’ besluit hij.

    Branko Marcetic waarschuwde in de belangrijkste uitlaatklep van het jonge Amerikaanse extreemlinkse Jacobin dat ‘de CIA sinds 2015 in het geheim anti-Russische groeperingen in Oekraïne traint. Alles wat we tot dusver weten wijst erop dat neonazi’s extreemrechtse terroristen over de hele wereld inspireren.’ En in februari klaagde hij dat ‘progressieve wetgevers de crisis in Oekraïne hebben moesten temperen in een wereld die nog steeds besmet is met de na 2016 virale cocktail van 
    anti-Russische hysterie en McCarthy-achtige beschuldigingen’.

    Soevereiniteit

    De benadering van (sommige) westerse linkse experts ten aanzien van de oorlog in Oekraïne toont niet alleen hun verregaande mildheid tegenover Rusland, maar ook een opvatting van het begrip soevereiniteit – of in ieder geval de soevereiniteit van Oekraïne en heel Oost- en Centraal Europa – die opmerkelijk veel lijkt op die van het Kremlin.

    Het Westen is schuldig omdat het Rusland heeft uitgelokt. Maar welke zonden het ook heeft begaan, het heeft hoe dan ook recht op onafhankelijkheid – het is tenslotte ondenkbaar dat iemand beslissingen zou nemen voor de VS, Canada of het VK. De mensen die door het Westen worden onderdrukt – Irakezen, Afghanen, Palestijnen en inheemse bevolkingen – hebben dit recht ook en verdienen het des te meer vanwege eeuwenlange koloniale onderdrukking. Oost- en Centraal-Europa daarentegen – een beetje wild, een beetje barbaars, een beetje tussen een jongere broer en een provinciale oom in, het mythische land Bordurië, Zubrowka, Ruritanië – kan worden opgeofferd. Het is niet voor het eerst dat dat zou gebeuren, en het zal ook niet de laatste keer zijn.

    Het gebied van Oost- en Centraal-Europa is slechts een pion op het geopolitieke schaakbord

    Volgens deze logica waren het niet de Oekraïners die in 2014 besloten dat ze dichter bij de Europese Unie dan de Euraziatische Unie stonden – het waren de VS die een staatsgreep pleegden, ogenschijnlijk in een maatschappelijk vacuüm. Of de Oost- en Midden-Europese staten zich bij de NAVO wilden aansluiten, is allerminst van belang: hun toelating tot de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie was duidelijk een vergissing, want hoe zouden ze ooit aan de verplichtingen kunnen voldoen? Het zou veel beter zijn om het bij een ​​‘bufferzone’, een niemandsland, te laten. Het gebied van Oost- en Centraal-Europa is slechts een pion op het geopolitieke schaakbord, zonder enige zeggenschap over zijn eigen toekomst. 

    En hoewel zo’n cynische en botte benadering aan de rechterzijde van het politieke spectrum geen verrassing zou zijn, is het onbegrijpelijk dat politiek links, dat meestal zo gevoelig is voor andermans leed en het recht op een eigen identiteit verdedigt, dezelfde houding aanneemt. Blijkbaar kunnen sommige van zijn vertegenwoordigers geen twee simpele dingen tegelijk: ze zijn niet in staat én het Amerikaanse imperialisme aan de kaak te stellen én het Russische imperialisme te zien voor wat het is. Nou, Rusland heeft een scala aan methoden en een lange traditie van inspirerende dienstbare idioten om uit te putten. 

  • ‘Klap voor de tiener die afgelopen zomer zijn eerste zoen misliep’

    ‘Klap voor de tiener die afgelopen zomer zijn eerste zoen misliep’

    Klap voor zorgverleners, klap voor helden. Klap voor leraren, klap voor vuilnisophalers, klap voor postbodes, klap voor apothekers, klap voor vakkenvullers, klap voor de politie. Klap voor buren die medicijnen brengen aan vroegere vijanden en het tasje maar een klein beetje in de regen laten staan. Klap voor freelancers die aan één stuk door werken om oude pornogewoontes tegen te gaan, waar hun huisgenoten vooral niet achter mogen komen. Klap voor de vrouw die tijdens haar dagelijkse wandeling vooruit sjokt alsof elke voetstap weer een vloek is. Klap voor het stel dat de straat oversteekt en omzichtig uitwijkt voor tegenliggers, alsof ze op de vroege ochtend al stomdronken zijn. 

    Klap voor de snackmakers die om de drie kwartier met nieuwe ideeën voor crumpets en kaasvervangers komen. Klap voor de vaatwassers, in het begin nog enthousiast over alle aandacht die ze kregen: was het afval van drie maaltijden per dag eerst een grote uitdaging (‘Een bord vol vegen Nutella en sriracha? Mijn God, ik ga ervoor!’), nu is het een belediging, en elke wasbeurt een volgende stap richting een elektrische dood. Klap voor de man in de flat aan de overkant die elke ochtend om tien uur ‘Yoga met Adriene’ doet en dan de rest van de dag in zijn badjas fanatiek Fifa speelt. Klap voor de planten in huis die ondanks het nieuwe, experimentele gietschema niet stierven. Klap voor de geurkaars die het huis vult met de herinnering aan grapefruit om de angstzweetlucht van vijf mensen te verdringen. 

    Klap voor de voetballers die in hun vrije tijd meer voor hongerige kinderen doen dan politici voor wie het hun werk is. Klap voor de ouders die een week met een halve tomaat en een zakje geraspte kaas doen. Klap voor de vreemden die anderen voeden die zichzelf niet kunnen voeden. Klap voor koffie, klap voor aspirine, klap voor Sinaspril, klap voor gin. Klap voor foto’s van andermans huizen op Instagram, in de jaren zeventig in warme landen van hout en beton gebouwd, vol kleine, smaakvolle details waar je ’s avonds op in kunt zoomen.

    Klap voor de avonden die betekenen dat er weer een dag voltooid is. Klap voor de kleine dingen die goed zijn gedaan, zoals een mooi geslepen potlood of een niet-aangebrande snee toast. Klap voor een uur thuisonderwijs zonder uitbarstingen, voor een niet-gesmeten boek. Klap voor de persoon die al maanden de deur niet is uit geweest en voor wie de slaapkamer een atletiekbaan is, het raam een spiegel, de telefoon een raam. Klap voor de Twitteraar die besluit een video over microchips in het vaccin niet te delen. Klap voor de honden, doodmoe van zoveel aandacht.

    Klap voor weer een vrijwel pijnvrije minuut en weer een en weer een

    Klap voor de tiener die afgelopen zomer die eerste zoen misliep, tongen en handen in de schaduw van een boom. Klap voor de moeder van de tiener die in een kleine ruimte met al die hormonen zit opgescheept. Klap voor de momenten van verbondenheid, zo zeldzaam en mooi dat ze flonkeren als lovertjes in de modder. Klap voor de tijd die voorbijging, al die uren waarin we niet zijn doodgegaan, al die weken, al die maanden, klap voor weer een vrijwel pijnvrije minuut en weer een en weer een.

    Klap voor het stel dat elkaar vond in de lockdown en klap voor de stuitende gewoontes die ze voor elkaar blijven verbergen in de donkere hoeken van hun tweekamerflat. Klap voor de dame met de afvalgrijper mondkapjes uit de struiken haalt. Klap voor de persoon die je zijn angstdroom vertelt, ook al onthult die veel te veel voor dit uur van de dag. Klap voor ovenfrites die zelfs nog eetbaar zijn als ze de hele nacht hebben gestaan. Klap voor to-dolijstjes, voor hun lonkende mogelijkheden. Klap voor de belofte van sneeuw.

    Klap voor de neef in de chatgroep die alle door zijn tante geforwarde hoax-berichten weerlegt zonder ooit een neerbuigende of geërgerde toon aan te slaan

    Klap voor de jongen die goed reageert op het plotselinge verdriet van zijn vriend. Klap voor maaltijdplanning en een pastasaus uitgesmeerd over meer dan twee weken. Klap voor het meisje dat haar schoonmaakritueel zo vakkundig heeft uitgebreid dat ze nu langer dan drie uur per dag haar paniek kan bedwingen. Klap voor de neef in de chatgroep die alle door zijn tante geforwarde hoax-berichten weerlegt zonder ooit een neerbuigende of geërgerde toon aan te slaan. Klap voor die heel grote boom in het park die vast ergere dingen heeft gezien.

    Klap voor de ex die galant een dronken middernachtelijk bericht negeert. Klap voor onbeperkte data. Klap voor de bedden die ’s morgens in kantoren veranderen en de keukens die veranderen in scholen. Klap voor de kat, die het allemaal niets kan schelen. Klap voor het weer, eens iets anders om over te praten. Klap voor het stukje duimnagel dat dapper standhield, ook al wordt het al elf hele maanden bijna continu lastiggevallen door zijn zusterhand. Klap voor de klassenassistent op Zoom die bij het voorleesuurtje alle stemmen doet en voor de videoles waarin de Brexit wordt toegelicht aan de hand van vuilniszakken.

    Klap en klap, laat je stukgewassen handen droog tegen elkaar slaan met de kracht en intensiteit van een baby die een ijsje ziet. Klap tot ze rauw zijn en blijf klappen en klap nog harder wanneer ze dreigen te gaan bloeden. Klap tot je je knokkels voelt, klap tot je het gevoel hebt dat je je handen tot aan de polsen afklapt.

    Klap, om je respect te tonen, om te laten zien dat je leeft, om te laten zien dat je deze kleine overwinningen opmerkt. Om iets te doen te hebben en zonder woorden iets te zeggen en al doet het een beetje pijn, je hoort iemand niet wuiven, maar wel klappen.

  • De shoppingmall 
is koning in Siam

    De shoppingmall 
is koning in Siam

    In de Thaise hoofdstad Bangkok schieten de overdekte winkelcentra als paddenstoelen uit de grond. Staan ze symbool voor het lege consumptiekapitalisme? Of juist voor de veerkracht van de nieuwe middenklasse?

    Ik ben geboren en getogen in Bangkok. Over welke stad ik ook fantaseer om er te wonen, altijd kom ik uiteindelijk weer uit bij de verstopte, vervuilde, bruisende straten van de hoofdstad van Thailand. Bangkok is mijn thuis. Maar het is wel een vreemd soort thuis. Mijn familie en vrienden wonen er, maar het is ook niet per se een thuis waar je dol op bent. Bangkok is een stad die wordt beleefd en ervaren, en minder een stad die wordt bewonderd of waarvan wordt genoten. Het is een soort haat-liefdeverhouding die moeilijk valt te begrijpen – tenzij je ervandaan komt. Altijd als buitenlandse vrienden vragen wat er te doen is in Bangkok, of wat wij er doen, luidt mijn antwoord: ‘Niet veel.’

    Vanwege de hitte kun je er in de openlucht niet zo actief zijn, en Bangkok is dermate dichtbevolkt dat een wandeling in het park of een bezoek aan een museum meer gedoe dan plezier oplevert. Het verkeer en het openbaar vervoer in de stad zorgen ervoor dat het twee keer zo lang duurt als elders eer 
je ergens bent. Sporten of iets kunstzinnigs doen kost geld – je moet je deze creatieve en fysieke inspanningen wel kunnen veroorloven. Wat blijft er dan voor de meeste inwoners van Bangkok over om te doen? De activiteit die het meest geschikt is, en waar we allemaal van kunnen genieten, is het bezoeken van shoppingmalls.

    Alles wat je mogelijkerwijs zou willen hebben, kun je kopen in een shoppingmall in Bangkok

    Alles wat je mogelijkerwijs zou willen hebben, kun je kopen in een shoppingmall in Bangkok. En je kunt er naar de film gaan, of bowlen. Iedere inwoner van Bangkok kan bevestigen dat we de meeste tijd doorbrengen in die shoppingmalls. Daar ontmoeten we mensen, daar wandelen we, eten we, winkelen we. Daar gaan we heen om gezien te worden – of om gewoon ergens heen te gaan. De laatste jaren 
is er een grote toename geweest van het aantal gewone overdekte winkelcentra en duurdere malls, vooral in 
de wijken Siam, Thonglor en Ekamai. Veel oude shoppingmalls, zoals het Emporium, zijn opgeknapt, terwijl kleinere overdekte winkelcentra zoals K Village, The Commons en Seenspace als paddenstoelen uit de grond schieten.

    In haar boek Meeting of Masks probeert Sophorntavy Vorng de reden van die snelle opkomst te achterhalen. Zij stelt dat de spectaculaire toename van het aantal shoppingmalls en andere stedelijke hotspots gelijke tred houdt met de opkomst van de middenklasse. De gewone man zou zeggen dat je tot de middenklasse behoort als je genoeg te eten en genoeg te besteden hebt. En in shoppingmalls kun je eten en geld uitgeven. Er is een ingewikkeld verband tussen de klasse waartoe je behoort en welke shoppingmall je bezoekt in Bangkok. Malls zoals EmQuartier, Siam Paragon en Central Embassy zijn chic, terwijl Tesco Lotus, Central Rama 3 en Big C minder klasse hebben. De middenklasse is de enige groep is het zich kan permitteren om zich in al die verschillende malls te laten zien. De middenklasse eet graag van meer walletjes, wil de luxe van de hogere klasse, maar gaat er ook prat op zich in verschillende sociale milieus te kunnen bewegen.

    In dit tijdperk van sociale media is het voor de Thaise middenklasse gebruikelijk om het beeld van ‘een perfect leven’ neer te zetten. De toename van het aantal shoppingmalls en ‘eetplekken’ is daar een gevolg van. Eten is altijd een integraal onderdeel geweest van de Thaise maatschappij, maar de sociale media hebben iets van prestige toegevoegd aan het uit eten gaan. Als in een restaurant het eten wordt geserveerd, halen de mensen hun telefoon tevoorschijn om een foto te maken van het gerecht en die op Facebook of Instagram te posten.

    Volgens Sophorntavy Vorng weerspiegelt het gedrag van de middenklasse het verlangen om de status te verwerven van de elite of de hogere kringen, met hun rijkdom, macht, roem en connecties. Dat klopt, maar vaak wordt over het hoofd gezien dat die middenklasse ongelooflijk hard moet werken om de huidige positie in de maatschappij vast te houden, in het besef dat ze misschien wel nooit door het Thaise glazen plafond heen kan breken.

    De Siam Paragon shoppingmall met beneden de ingang naar Siam Ocean World. – © Massimo Borchi / HH
    De Siam Paragon shoppingmall met beneden de ingang naar Siam Ocean World. – © Massimo Borchi / HH

    Afglijden in de voedselketen is geen optie, en de ultieme droom is natuurlijk dat je meer dan genoeg geld hebt om uit te geven. Geld maakt niet gelukkig, zoals het gezegde luidt, maar je kunt er wel dingen mee kopen die kunnen bijdragen aan het geluk. Met geld kun je luxe kopen voor jou en je familie. In de Thaise samenleving worden kinderen geacht te werken en te zorgen voor hun ouders als die oud zijn. Daarom doen ze jarenlang werk dat goed betaalt, maar niet het soort werk waar hun hart ligt. Daarom ook leven sommigen zich op sociale media uit in het scheppen van het imago dat ze alles hebben – een knap uiterlijk, een prachtig huis, schitterende kleren en een liefdevol gezin. Het is een soort koesteren van een illusie.

    Vorng beweert ook dat de onvrede van 
hen die niet tot de hogere klasse behoren de oorzaak is van de politieke onlusten tussen de roodhemden [aanhangers van oud-premier Thaksin, meestal afkomstig uit de lagere middenklasse] en de geelhemden, die zich al sinds 2005 voordoen. De macht, de mogelijkheden en de onschendbaarheid van een kleine groep in de samenleving hebben demonstranten aangezet tot geweld, schrijft ze. In mei 2010 stichtten roodhemden tijdens een demonstratie brand in shoppingmall Central World, een daad die wordt omschreven als een ‘bijzonder schrijnend voorbeeld van de reactie van de arbeidersklasse op hun uitsluiting van de Thaise economische vooruitgang en de shoppingmalls, die zo uitbundig symbool staan voor het moderne consumptiekapitalisme’. Maar naar mijn mening is het hele verhaal, zoals de meeste dingen in dit land, te ingewikkeld om één partij de schuld te geven, en is de waarheid te gecompliceerd om te simplificeren.

    In Thailand zijn politieke onlusten niets nieuws, vooral niet in de hoofdstad. Ik ben geboren ten tijde van de Black May-protesten in 1992, toen tweehonderdduizend mensen demonstreerden tegen het militaire bewind van generaal Suchinda Kraprayoon. Verhalen over bruut militair optreden en burgerslachtoffers mogen dan op scholen overal in het land weggemoffeld worden, ze maken nog steeds deel uit van de geschiedenis van Bangkok, er wordt nog steeds fluisterend over gesproken, zij het alleen onder heel goede vrienden. Die verhalen volgen ons overal, net als schaduwen, maar 
we draaien ons zelden om en testen 
ze op hun waarheidsgehalte.

    Wandelen en dromen

    Hoewel Vorngs onderzoek naar het Thaise klassenstelsel belangrijk is, slaagt ze er niet in een overtuigend verband aan te tonen tussen klasse 
en de politieke onrust in het land. 
Door zich alleen te richten op klasse 
als factor voor het geschil tussen de geelhemden en de roodhemden, negeert Vorng andere invloedrijke 
factoren die verweven zijn met het leven in Thailand, zoals propaganda, opvoeding, onderwijs en religie.

    Mijn ervaring als Thaise vrouw, opgegroeid met mensen uit verschillende milieus, heeft me geleerd dat niet alles in mijn land zo zwart-wit is als het lijkt. Klasse is niet altijd de factor die ons verdeelt. De geelhemden zijn niet alleen burgers uit de middenklasse, de roodhemden niet alleen woedende arbeiders.

    Ik heb een arbeider gekend die als het maar even kon naar bijeenkomsten van de roodhemden in Sanam Luang ging, maar ik heb ook een arbeidster gekend die de geelhemden hielp bij de blokkade van luchthaven Suvarnabhumi. Ik heb een vriendin gehad uit de middenklasse wier familie de straat op ging om de ochtend na de militaire coup in 2006 te feesten, maar ik heb ook een docente uit de middenklasse gehad die zonder scrupules haar lessen gebruikte om de standpunten van de roodhemden te verkondigen. Ook heb ik vrienden, familieleden en kennissen uit alle klassen die geen belangstelling meer hebben voor de politiek en die zich uit het debat hebben teruggetrokken, omdat ze alle partijen even slecht vinden. Het maakt nauwelijks uit wie het land bestuurt, zeggen ze: ons dagelijks leven zal daar echt niet beter van worden. Dus ja, het klassenonderscheid wordt misschien gebruikt om de woede bij sommige demonstranten aan te wakkeren, maar het is niet altijd de factor die iemands politieke voorkeur bepaalt.

    We weten alleen zeker dat voor veel mensen in Thailand het leven niet eerlijk is. Sommigen proberen die onrechtvaardigheid te bestrijden door zich aan te sluiten bij een politieke partij, anderen door hard te werken en te overleven en weer anderen door te dromen over en te streven naar betere tijden. In het bijzonder de mensen uit de middenklasse dromen van verandering. Altijd. Daar zijn ze beter in dan de meeste anderen. Ze kunnen dromen omdat ze glimpjes van het paradijs hebben opgevangen in een of andere duistere fantasie, die is ingegeven door manipulaties van de hogere klasse en door hun eigen hoop dat het gras aan de andere kant groener moet zijn.

    Misschien zijn de mensen in de middenklasse niet de onechte, zielloze mensen zoals ze vaak worden afgeschilderd

    Thai zeggen dat we naar de duurdere shoppingmalls gaan om te duen len, wat simpelweg betekent ‘om te wandelen’. En diezelfde wandeling ondernemen we allemaal, keer op keer. We struinen dezelfde winkels af en eten hetzelfde voedsel. Toch komen we steeds terug omdat er niets beters is om naartoe te gaan.

    Misschien vat die wandeling wel samen wat het betekent om tot de middenklasse van Bangkok te behoren. Misschien zijn de mensen in de middenklasse niet de onechte, zielloze mensen zoals ze vaak worden afgeschilderd. Misschien zijn het juist mensen die eeuwig in het tussengebied leven, die doelloos kuieren in helverlichte ruimten, etalages bekijken en maar een heel klein hapje van het feestmaal proeven.

    En schuilt daar niet een ingetogen soort veerkracht in, in dat wandelen en dromen? Ik zou het graag willen geloven. Anders wordt het allemaal zo ondraaglijk treurig.

    Auteur: Pim Wangtechawat
    Vertaler: Paul Bruijn

    Mekong Review
    Cambodja | oplage onbekend

    Kwartaalblad dat in 2010 werd opgericht in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh en tegenwoordig wordt gemaakt in Australië. Recensies, essays, poëzie, fictie, interviews en achtergrondjournalistiek over wat er op cultureel en politiek vlak speelt in Zuidoost-Azië. Zowel een platform voor schrijvers en geleerden in de regio als een politieke stem in landen waar de vrijheid van meningsuiting nogal eens wordt ingeperkt.

    CONTEXT: Shoppingmall in Indonesië minder populair

    De 82 winkelcentra in de Indonesische hoofdstad Jakarta maken een revolutie door om te kunnen overleven. De krant Kompas neemt een tiental van deze malls, zoals ze ook hier worden genoemd, onder de loep. Veertig jaar na de opening is in Blok M, een van 
de oudste winkelcentra, nog maar 37 procent van het oppervlak bestemd voor de detailhandel, tegenover 100 
procent een kleine twee jaar geleden. 
‘Met de indeling die we in 2018 zullen doorvoeren, willen we erkenning krijgen als cultureel centrum,’ zegt Medina Latief, de directrice. Er komen meer cafés en restaurants, en daarnaast zal 5000 vierkante meter worden bestemd voor gedeelde werkruimten (coworking), terwijl een hele etage wordt verhuurd aan onlinewinkels.

    Een ander voormalig winkelcentrum, Pasaraya, is in zijn geheel – zeven verdiepingen – verhuurd aan Go-Jek, het Indonesische Uber. ‘Dat trekt jonge, creatieve mensen. Het centrum is er trots op dat het beschikt over de meest “professionele” moskee van Indonesië’, aldus de krant.

    Pondok Indah Mall daarentegen, een van de luxere winkelcentra, houdt vast aan ‘tastbare koopwaar’. ‘De mensen komen omdat ze producten in het echt willen zien en kunnen aanraken,’ meent de directie. ‘Goedkope spullen kun je online kopen, maar duurdere niet.’

  • Onzinpraters veranderen niet

    Onzinpraters veranderen niet

    Lucy Kellaway schreef ruim twintig jaar lang succesvolle columns voor de Financial Times over ‘managementspeak’. In haar afscheidsstuk blikt ze nog één keer terug op haar vergeefse strijd tegen ‘onzintaal’.

    Bijna een kwarteeuw lang schrijf ik nu columns waarin ik tegen mensen uit de zakenwereld 
zeg dat ze moeten ophouden met het uitslaan van onzintaal. En al even lang trekken zij zich daar niets van aan. Het eerste voorbeeld dat ik kan vinden is een stuk uit 1994, waarin ik dat vreselijke zakenjargon op de hak nam en betoogde dat de taal nu zo dom was geworden dat de slinger wel weer snel de andere kant op zou zwaaien en 
normaal praten over zakendoen weer de overhand zou krijgen. De woorden waar ik in die tijd iets tegen had? 
‘Mondiaal’, ‘downsizen’, ‘de markt’ en, vooral, het wiskundig onmogelijke 
‘je voor 110 procent inzetten’.

    Ach, de onschuld van die tijd.

    Klik door naar juli 2017 en lees de blogpost van een ondernemer over zijn bedrijf. ‘We zijn voor 1.000.000 procent gefocust op positieve, toekomstgerichte, actiematige inspanningen om verandering te faciliteren.’ Deze nonsens kreeg ik vorige week van iemand doorgestuurd; ik las het en haalde mijn schouders op.

    Zakenonzin is 1.000.000 procent keer zo onzinnig geworden, en ik voorspel niet langer een correctie in de markt. Ik weet voor 110 procent zeker dat die er niet komt

    De afgelopen twee decennia zijn er twee dingen gebeurd. Zakenonzin is 1.000.000 procent keer zo onzinnig geworden, en ik voorspel niet langer een correctie in de markt. Ik weet voor 110 procent zeker dat die er niet komt. Niet alleen is de productie van onzin over de hele linie gestegen, de grootste individuele zondaars hebben al mijn pogingen om ze het schaamrood naar de kaken te jagen genegeerd en zijn steeds erger gaan raaskallen. Een van de grootste flauwekulkampioenen is Howard Schulz, topman van koffieketen Starbucks. Geen andere manager, dood of levend, heeft me zo veel materiaal voor mijn columns geleverd als hij. Toch gaat hij gewoon door en blijft hij zichzelf overtreffen. Aan het begin van dit jaar kondigde hij aan dat de nieuwe Starbucks-‘roasteries’ (branderijen) de klant ‘een koffiegerichte beleving bieden die hem onderdompelt in ultratopkwaliteit’. In deze zin vol jargongericht ultratopkwaliteitgezwets is ‘een’ het enige acceptabele woord. Schulz brouwde hier een mix van oud en nieuw jargon met wat modieusheid en daarbovenop een zelfverzonnen extraatje. ‘Bieden’ en ‘beleving’ zijn erg, maar niet nieuw. ‘Ultratopkwaliteit’ is nodeloze woordinflatie. ‘Onderdompelen’ is modieus, maar slecht gekozen als het over gloeiendhete vloeistoffen gaat. De innovatie hier is ‘koffiegericht’. Wie weet leest meneer Schulz de Financial Times niet en sturen de mensen om hem heen die dat wel doen hem liever geen artikelen door die de spot drijven met zijn taalgebruik. Maar ik betwijfel of het enig verschil zou maken als hij de columns wel zou lezen.

    De zakenwereld bestaat uit twee soorten mensen. Je hebt mensen die kletspraat verkopen (de meerderheid) en mensen die dat niet doen. Typerend voor de ware kletspraters zoals meneer Schulz is dat ze er eenvoudigweg geen enkel probleem in zien. En waarom zouden ze ook? Ik heb me decennialang druk gemaakt over niets anders dan woorden, en ondertussen heeft hij het leef- en drinkpatroon van de halve wereld veranderd. Het is voor een groot deel aan hem te danken dat we allemaal over straat lopen met een kartonnen emmer vol lichtbruin spul dat we opslurpen door een plastic deksel. Niet alleen heeft meneer Schulz deze verandering teweeggebracht, hij heeft er 
ook iets aan verdiend. Zo’n 3,1 miljard dollar. Onzin uitslaan heeft hem geen kwaad gedaan, integendeel: ik ben bang dat het hem vooruitgeholpen heeft. De nieuwe ‘roasteries’ hebben een buitengewoon platte Willy Wonka-achtige aankleding met bonen die rondsuizen in doorzichtige buizen. 
Als de stijl over de top is, moet de taal meedoen.

    ‘Al mijn liefde en respect’

    Schulz heeft in de loop der jaren telkens weer laten zien dat foute taal goed werkt voor zakenmensen. Dus als een analist je vraagt of je een aankoop overweegt, kun je ofwel ‘nee’ zeggen, wat wel erg recht voor zijn raap is, of je kunt 34 woorden uitspreken, zoals hij een paar jaar geleden deed: ‘Ik zou zeggen dat we op de korte termijn genoeg op ons bord hebben, en er ligt niets duidelijk in onze zichtlijn dat erop wijst dat we bezig zijn de aankoop daarvan te entameren.’ Bingo. Nu vervelen je toehoorders zich inmiddels zo erg dat je niks meer hoeft uit te leggen.

    Nog een grotere prestatie van Schulz is dat hij ons is voorgegaan naar het verhogen van de emotionele inzet. Je kunt geen liefde kopen met geld, maar je kunt weinig geld wel goedmaken met liefde. Dus stuurde hij onlangs een e-mail naar de 100.000 of daaromtrent Amerikaanse Starbucks-medewerkers, van wie hij de meesten nooit heeft ontmoet en die veelal maar zo’n 10 
dollar per uur verdienen, en ondertekende die met ‘ik betuig jullie al mijn liefde en respect’.

    Onzinpraters zullen nooit veranderen. Of liever: er ligt niets duidelijk in mijn zichtlijn dat erop wijst dat het gezonde verstand weer een toekomstgerichte koers zal kiezen. Maar dat wil niet zeggen dat mijn campagne van de afgelopen decennia totaal voor niets is geweest. De paar mensen die géén onzintaal uitslaan, beleven veel plezier aan het bespotten van degenen die dat wel doen. Deze dappere en eenvoudige enkelingen hebben me in de loop der jaren talloze voorbeelden gestuurd, en een aantal daarvan staat hieronder afgedrukt. Ik betuig de FT-lezer geen liefde, maar ik uit wel mijn respect en dankbaarheid tegenover al degenen die me zo rijkelijk van materiaal hebben voorzien.

    © Getty
    © Getty

    WAT & HOE in onzintaal. Een praktische gids

    De afgelopen maanden ben ik nog eens door de collectie zakennonsens gegaan die ik in die twee decennia heb opgebouwd, met het idee om de mooiste voorbeelden hier te publiceren. Maar al spittend in mijn archief realiseerde ik me dat elke taal zijn eigen regels heeft – en onzintaal dus ook. Hieronder geef ik de acht belangrijkste regels van die taal, met prachtige voorbeelden van de manier waarop je die toepast.

    1. Gebruik nooit een kort woord als je het ook met een lang woord afkunt

    Is het eerste principe van de journalistiek vereenvoudigen en vervolgens overdrijven, dan is de eerste regel van kletskoek: ingewikkeld maken en vervolgens versluieren.
    Een HR-manager liet vorig jaar tijdens een heidag zien hoe dat werkt, door de aanwezigen te waarschuwen ‘zich bewust te zijn van hun persoonlijke merk-optica’. Met andere woorden: stop je overhemd in je broek. Managementadviseurs hebben het verwerven van opdrachten op deze manier tot ware kunst verheven, door eerst een probleem uit te vinden en vervolgens aan te bieden dat op te lossen.

    Accenture liet tien jaar geleden zien hoe je het banale verandert in het omineuze: ‘Met de opkomst van de multipolaire wereld is het vinden en managen van talent een meer complexe, turbulente en tegenstrijdige opgave geworden.’ Wat geeft het dat de wereld maar twee polen heeft en dat het niet moeilijker is dan vroeger om goede mensen te vinden – Accenture voegde waarde toe door betekenis weg te nemen.

    Het interessante van het versluieren is dat je er maar een paar woorden voor nodig hebt. De beste titel ooit voor een onderzoeksrapport: ‘Robustify Learnability’ (‘Leerbaarheid robuustificeren’) – een rapport uit 2005 van de Federal Reserve.

    2. Alledaagse eufemismen 
werken prima

    In onzintaal wordt alles wat 
negatief is verhuld, zodat niemand ergens de hele schuld voor hoeft te dragen. Uber heeft de afgelopen maanden baanbrekend werk verricht door taal te produceren die zo lelijk en saai is dat het publiek alleen maar kan reageren door af te haken. Het bedrijf heeft afwisselend toegegeven dat het heeft ‘ondergeïnvesteerd in de chauffeursbeleving’ en ‘in reputationeel opzicht rood staat’, in de hoop dat niemand zal bedenken dat de organisatie haar chauffeurs heeft belazerd en een erg beroerde naam heeft.

    Regel 2 komt goed van pas als een bedrijf mensen wil ontslaan. De jongste eufemismen komen van een investeringsmaatschappij die het ontslaan van personeel onlangs omschreef als ‘naar de sportschool gaan (…) de celvernieuwing op gang brengen en zo het bedrijf weer fit maken voor winstgevende groei’. Vreselijk, maar nog niets vergeleken bij de manier waarop EY een aantal partners wegwerkte door een boodschap rond te sturen waarin stond: ‘We verheugen ons op het versterken van ons alumninetwerk.’

    3. Negeer de grammatica die je 
op school hebt geleerd

    Een van de mooie aspecten van onzintaal is zijn syntactische 
soepelheid – elk zelfstandig naamwoord kan een werkwoord worden en andersom. Oscar Munoz [ceo van United Airlines] paste deze regel onnavolgbaar toe, toen hij het in april van dit jaar had over het ‘ontvliegtuigen’ (deplaning) van een man die hardhandig uit een van zijn toestellen werd gewerkt.

    Mijn archief zit vol mooie voorbeelden van ‘vernaamwoording’ en ‘verwerkwoording’: ‘koude-douchen’, ‘prioriteren’, ‘bijprating’. Maar het allermooiste kwam van een manager die probeerde een memo op te stellen en zei: ‘Er moet een betere manier zijn om dat te talen.’ Hij heeft gelijk. Die moet er zijn.

    ‘Bel een cliënt op en zeg dat je van hem houdt. Dat telefoontje zal hij niet vergeten’

    4. Te veel emotie bestaat niet

    Het begon allemaal in 2003, toen de inmiddels overleden Jimmy Lee een e-mail stuurde aan iedereen binnen zijn afdeling van zakenbank J.P. Morgan, waarin hij schreef: ‘Bel een cliënt op en zeg dat je van hem houdt. Dat telefoontje zal hij niet vergeten.’

    Sindsdien heeft Irene Rosenfeld van de firma Kraft zichzelf ‘de CEO van de vreugde genoemd, en heeft John Cahill, wereldwijd CEO van McCann Health, gezegd: ‘De verdubbeling 
van ons mens-zijn is de magie 
waarmee we betere resultaten 
zullen genereren.’

    Vooral millennials zijn goed in het verhogen van de emotiefactor. Onlangs werd in de Financial Times een Estée Lauder-medewerker van ergens in de twintig geciteerd: ‘De oudere leidinggevenden waren in extase over het niveau van ideevorming dat uit deze sessie voortkwam.’ Dit doet het ergste vrezen. Passie is kennelijk niet meer genoeg. Extase is het nieuwe doel.

    5. Maak je iets simpels, geef het 
dan een nieuwe naam, zodat 
niemand snapt wat het is.

    In de loop der jaren is Toyota de auto een ‘duurzame mobiliteitsoplossing’ gaan noemen, Amazon heeft het boek ‘een leeshouder’ genoemd, Speedo gaf de badmuts het predicaat ‘haarmanagementsysteem’ en een flesje water van Nestlé wordt wel een ‘betaalbaar, draagbaar lifestyledrankje’ genoemd. Deze regel is wel de vreemdste van allemaal, omdat 
er geen reden voor is.

    6. Beperk je niet tot woorden die 
in het woordenboek staan

    Verzin ze zelf door twee of meer bestaande woorden aan elkaar te breien. Het beste voorbeeld ooit kwam van Eversheds, een stoffige advocatenfirma, die in 2007 aantrekkelijk probeerde te klinken voor jonge sollicitanten door te adverteren voor ‘knowlivators, innovateers, performibutors, proactolopers, prioricators en winnomats’, waarbij die laatste een nogal ongelukkige combinatie van winners en 
diplomats was.

    7. Je kunt nooit te veel metaforen 
en clichés in één zin gebruiken

    Hier is Rick Hamada, CEO van IT-bedrijf Avnet, een meester in: ‘Om onze dienstverlening nog één extra klap dieper te boren, denken we zelfs aan meerdere zwembanen van kansen rond business.’ Maar hij haalt het nog niet bij deze managementconsultant: ‘Je zult moeten inzien dat de mijlpalen die we hebben geslagen in deze zwembanen ons een routekaart bieden voor dit stroomdiagram. Als we tolpoorten tegenkomen, zullen we vaststellen waar jij in de waterval zit…’

    8. Negeer regel 1

    De dodelijkste nieuwe taal is niet één grote klomp robuustificerende leerbaarheid. Hij is simpeler, maar niet minder verwarrend. Hierbij gebruik je korte, bekende woorden, maar de crux is dat je ze iets anders laat betekenen. Het woord van dit moment is ‘spelen’.

    Strategieconsultants stellen dit soort vragen aan hulpeloze cliënten: Waar speel je? Hoe ga je winnen? En trendy zakenmensen verwijzen naar werkactiviteiten als ‘speelboek’ en ‘speellijsten’. Uit de mond van onzintaligen betekent spelen niet spelen. Het betekent werken.

    En de grootste wauwelaar is…

    De grootste onzintaalgiganten 
passen niet alle regels toe, maar kiezen die regels die hun het best 
uitkomen. Mijn drie eeuwige favorieten doen dat elk op hun eigen grootse wijze, maar verdienen allemaal een prijs: hierbij medailleer (verwerkwoording) ik deze drie.

    Het brons gaat naar Rob Stone, co-CEO van reclamebureau Cornerstone, voor het op heroïsche wijze vermengen van cliché, metafoor en gebakken lucht om daarmee niets te zeggen: ‘Nu merken een wereldvoetafdruk uitbouwen, gaan ze op zoek naar de alles-is-toegestaanfilosofie die altijd onderdeel van ons stuurhuis is geweest.’

    Het zilver komt toe aan Angela Ahrendts, die in een jaarverslag van Burberry de meest mysterieuze zin schreef die ooit is bedacht: ‘In het groothandelskanaal vertrok Burberry door deuren die niet op één lijn stonden met merkstatus en investeerde in presentatie via zowel verbeterde assortimenten als toegewijd, gecustomiseerd vastgoed in belangrijke deuren.’ Ik heb deze zin in de loop der jaren aan veel deskundigen in de zakenwereld voorgelegd, maar niemand heeft ooit kunnen zeggen wat hij betekende of waarom een regenjassenmaker zo gefixeerd is op deuren.

    De overtuigende, verdiende winnaar van de gouden medaille is J*ohn Chambers, die als CEO van Cisco een e-mail op zijn ondergeschikten afvuurde* met als aanhef ‘Team’ en als afsluiter: ‘Wij zullen de wereld wakker schudden en de planeet een stapje dichter bij de toekomst brengen.’

    Met gewone woorden en een eenvoudige zinsbouw produceerde hij het engste stukje onzin ooit. Gelukkig heeft de planeet in de vier jaar daarna kennelijk op eigen kracht de toekomst weten te bereiken, zonder hulp van John Chambers of iemand anders bij Cisco.

    Auteur: Lucy Kellaway

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • 7. Stop met de term nepnieuws

    7. Stop met de term nepnieuws

    De term nepnieuws bestaat pas kort, maar heeft nu al zijn betekenis verloren. Weg ermee, vindt Margaret Sullivan.

    Om zich af te zetten tegen een tv-interviewer die zei dat Obamacare toch ook goede kanten heeft, greep de Republikeinse ex-senator en Tea Party’er Jim DeMint naar een makkelijke sneer: ‘Dat valt allemaal in de categorie nepnieuws.’

    Om het CNN-bericht te ontkrachten dat Ivanka Trump haar intrek nam in de kantoren in de East Wing van het Witte Huis, die traditioneel het domein van de first lady zijn, gebruikte radiopresentator en complotdenker Alex Jones dezelfde term. En om de belangrijkste Witte Huis-correspondent van ABC, Jonathan Karl, af te serveren koos een aartsconservatieve website het voor de hand liggende ‘nepnieuwsbrenger’.

    ‘Nepnieuws’ heeft wel degelijk een eigen betekenis: opzettelijk bedachte leugens in de vorm van nieuwsartikelen, bedoeld om het publiek te misleiden. Bijvoorbeeld: het onjuiste verhaal dat paus Franciscus zijn steun voor Donald Trump had uitgesproken, of het ongegronde bericht dat Hillary Clinton vlak voor de verkiezingen aangeklaagd zou worden.

    Maar al bestaat de term nog niet zo lang, hij heeft zijn betekenis nu al verloren. Sneller dan je ‘pizzagate’ kunt uitspreken heeft hij allerlei totaal verschillende betekenissen gekregen: liberale prietpraat. Linkse ideeën. Of gewoon alles uit de wereld van het nieuws dat de toehoorder niet wil horen.

    Noem een leugen gewoon een leugen. Noem een broodje aap een broodje aap. Noem een complottheorie bij zijn naam

    ‘De snelheid waarmee deze term gepolariseerd raakte en zelfs een retorisch wapen werd, laat zien hoe efficiënt de conservatieve media zijn geworden,’ zegt Nikki Usher, hoogleraar aan de George Washington-universiteit. En journalist Jeremy Peters schreef in The New York Times: ‘Conservatieve tv- en radiopersoonlijkheden, top-Republikeinen en zelfs Trump zelf hebben zich van dit begrip meester gemaakt en het ingezet tegen elk nieuws dat niet in hun kraam te pas kwam.’

    Dus ik wil een eenvoudig voorstel doen aan de wereld die zich met de waarheid bezighoudt. Laten we een lijn uitgooien en dat arme kind van het podium trekken. Inderdaad: gebruik het gewoon niet meer.

    Noem een leugen gewoon een leugen. Noem een broodje aap een broodje aap. Noem een complottheorie bij zijn naam. ‘Nepnieuws’ is per slot van rekening een diffuse uitdrukking.

    Kwartiertje roem

    Begrijp me niet verkeerd. Leugens in de vorm van nieuwsverhalen zijn een echt probleem en moeten echte aandacht krijgen. Dat werd maar al te duidelijk toen een man uit North Carolina met zijn automatisch geweerd in de aanslag een pizzeria in Washington binnenliep om ‘zelf eens uit te checken’ wat hij op internet had gelezen: verzonnen onzin over een niet-bestaand kinderprostitutienetwerk waar Hillary Clinton bij betrokken zou zijn.

    We moeten een manier vinden om erover te praten. Hoogleraar Usher, om maar iemand te noemen, vindt de tijd nog niet rijp om het begrip nepnieuws uit te bannen, omdat het volgens haar nog nut heeft voor ‘de politiek onafhankelijke, gemiddeld geïnformeerde, gewone kiezer, die nog niet bij uiterst rechtse of uiterst linkse media is beland’ – voor hem is het een manier om in één woord zijn zorg te uiten over fouten, desinformatie en complotdenken.

    En ja, al deze problemen bestaan echt, en het is belangrijk om erover te discussiëren. Maar het helpt niet om ze allemaal bij elkaar in een blender stoppen en dan op te kloppen tot één schuimige naam. ‘Nepnieuws’ heeft zijn kwartiertje roem gehad. Laten we dit besmette begrip nu uit zijn lijden verlossen.

    Auteur: Margaret Sullivan
    Vertaler: Annemie de Vries

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Shakespeare leeft

    Shakespeare leeft

    Javier Marías, gelauwerd schrijver van deze tijd, is openlijk schatplichtig aan het werk van Shakespeare. Het ontmoedigt hem niet om ‘de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis’ binnen te stappen. Het is één grote inspiratiebron. El País vroeg hem naar zijn verhouding met de oude meester.

    Ik ken talloze auteurs die in hun jonge jaren – toen ze misschien alleen nog maar lezers waren – 
de allergrootste schrijvers lazen en 
zich daarna nooit meer aan hun werk waagden. Deels begrijp ik dat: je wordt moedeloos, bang of zelfs gedeprimeerd als je de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis binnenstapt. ‘Als dit bestaat’, zeg je dan tegen jezelf (ik als eerste), ‘wat voor zin heeft het dan dat ik vellen volschrijf met mijn flauwekul? Zo’n grote hoogte of zoveel diepgang ligt niet alleen buiten mijn bereik, eigenlijk is het onnodig om hier nog een letter aan toe te voegen. Bijna alles is al gezegd, en ook nog eens op de best mogelijke manier.’

    Dat verklaart waarom er schrijvers zijn die, om niet kopje onder te gaan en om de kracht 
te vinden om maanden of jaren achter de computer of schrijfmachine te gaan zitten, moeten doen alsof Cervantes, Dante, Proust, Faulkner, Montaigne, Conrad, Hölderin, Flaubert, James, 
Dickens, Baudelaire, Eliot, Melville, Rilke en ongetwijfeld nog vele anderen nooit hebben bestaan. Het laatste wat in hen opkomt, is hun teksten weer gaan lezen, althans niet als ze aan het werk zijn, want de gedachte die daar vaak uit voortvloeit is: Ik kan er beter het zwijgen toe doen en de overbelaste drukpersen niet met nog een literair werk opzadelen: er zijn er al te veel, 
en het overgrote deel is overbodig. Het is zeer waarschijnlijk dat dit ook voor mijn werken geldt.

    Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels

    Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels; en gelooft u me, er is geen romanschrijver of dichter, behalve wanneer ze een enorm hoge dunk van zichzelf hebben – ze bestaan, echt waar –, die daar voor, tijdens of na het schrijven geen last van heeft.

    Superioriteit

    Met het oog op deze wijdverbreide schroom verbaast het misschien enigszins – wie weet hebben ze me daarom gevraagd om dit stuk te schrijven – dat ik, min of meer een schrijver van deze tijd, voortdurend in contact sta (‘in gesprek ben’ zou pretentieus klinken) met Shakespeare, de ontzagwekkendste van allemaal, zozeer zelfs dat ik hem vaak in mijn teksten citeer, parafraseer, bespreek. Ik heb veel aan hem te danken, zeven van mijn boektitels zijn Shakespeare-citaten of ‘bewerkte versies’ daarvan.

    Niet dat die ontmoedigende bewondering me vreemd is, die angstaanjagende verbijstering die de allergrootste schrijvers bij je teweegbrengen, in wier nabijheid je je een illusionist of een ijdeltuit voelt. We leven in een tijd waarin ontzag voor je tijdgenoten haast niet voorkomt, want 
de oude, als ik me niet vergis middeleeuwse spreuk ‘iedereen is gelijk’ doet meer dan ooit opgeld. Welk gebied het ook betreft (met uitzondering van de sport), overal is het gebruikelijk om iemands ‘superioriteit’ niet te erkennen.

    shakespeare first folio title page introduction

    Het is nu nauwelijks voorstelbaar dat iemand zou reageren als de verteller in Der Untergeher van Thomas Bernard, die zijn pianistenloopbaan eraan geeft wanneer Glenn Gould zijn pad kruist, omdat hij beseft dat hij, hoe vakkundig hij ook zou worden, nimmer in de buurt zou komen van het talent en de virtuositeit van de Canadese vertolker. Een hedendaagse kunstenaar moet zijn bewondering voor zijn tijdgenoten de kop indrukken – of in elk geval verzwijgen –, en al helemaal wanneer het landgenoten betreft of wanneer ze in zijn taal schrijven. Het gaat zelfs zover dat we voor ons zelfbehoud ook onze doden in diskrediet moeten brengen – wat zijn ze irritant, wat zijn ze lastig, hoe klein maken ze ons, hoezeer benadrukken ze onze tekortkomingen en middelmatigheid –, of ze in elk geval negeren en uiteraard uit de weg gaan. Nogal wat auteurs verkondigen tegenwoordig dat ze nauwelijks iets hebben gelezen – ze vinden het de moeite niet – en dat film, televisie, stripboeken of videospelletjes hun enige referentiekader is. Het taaltalent dat je mogelijk hebt, is niet in het geding als je niet weet wat anderen met taal voor elkaar hebben gekregen.

    Mysterie

    Ik neem zonder meer aan dat in deze laffe, benepen wereld mijn houding anachronistisch is. Ik lees Shakespeare vaak omdat hij een vruchtbare bron voor me is, een schrijver die me prikkelt. In plaats van mij te ontmoedigen, nodigen zijn grootsheid en mysterie me uit om te schrijven, ze stimuleren me, geven me zelfs ideeën; de ideeën die hij alleen maar schetste en liet liggen, die hij slechts suggereerde of terloops formuleerde en besloot niet verder uit te denken of te onderzoeken. Ideeën die er niet met zoveel woorden staan en waarnaar je ‘op zoek moet gaan’. Daarom had ik het over mysterie: Shakespeare heeft, naast een hoop andere, één merkwaardige eigenschap: als je hem leest of naar hem luistert, begrijp je hem zonder al te veel inspanning, of anders dwingt de betovering waarmee hij ons omhult wel om verder te lezen. Maar kijk je nauwkeuriger of analyseer je de zinnen die je in eerste instantie meende te begrijpen, dan merk je dat je ze niet altijd begrijpt, dat ze raadselachtig zijn, dat ze meer betekenen dan ze zeggen, dat ze, behalve 
te zeggen wat ze zeggen, een nevel van betekenissen en mogelijkheden, resonanties en echo’s, ambiguïteiten en contradicties achterlaten; dat ze meer behelzen dan de woorden die er staan.

    In mijn romans heb ik voorbeelden gegeven: ‘It is the cause, it is the cause, my soul’. Zo begint Othello zijn beroemde monoloog alvorens hij Desdemona om het leven brengt. De lezer of toeschouwer leest of hoort deze woorden keer op keer en begrijpt ze. Maar wat betekenen ze verdorie toch? Othello zegt niet ‘She is the cause’ of ‘This is the cause’, wat duidelijker en makkelijker te begrijpen is. Of wanneer Macbeth te horen krijgt dat Lady Macbeth dood is en hij murmelt: ‘She should have died hereafter’. Wat betekent die beroemde zin, als alles reddeloos verloren is en Macbeth meteen daarna zal sterven? Maar ook Lady Macbeth, haar handen besmeurd met het bloed van de door haar man vermoorde koning Duncan, draait zich om naar Duncan en zegt: ‘My hands are of your colour; but I shame to wear a heart so white’ Het is niet helemaal te begrijpen wat ‘white’ hier betekent: onschuldig en onbezoedeld, bleek en geschrokken, of bang? Hoe graag zij ook Macbeths lot wil delen door haar handen in bloed te drenken, feit is dat niet zij de moordenares is, of dat ze hoogstens tot moorden heeft aangesticht, aangezet of verleid. Alleen haar echtgenoot heeft zijn hart werkelijk bezoedeld.

    Het is zijn taal, zijn stijl die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen

    Het zijn voorbeelden waar ik me vroeger van heb bediend. Maar er zijn nog honderden andere. ‘That I was as great as is my grief, or lesser than my name! Or that I could forget what I have been, or not remember what I must be now!’, zegt Richard II op het dieptepunt in zijn leven. Shakespeares verhalen zijn zelden origineel, zelden door hem bedacht. Dat bewijst maar weer eens hoe ondergeschikt plots zijn en hoe belangrijk vorm is. Het is zijn taal, zijn stijl 
die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen. Hij wijst naar verborgen paden die hij niet grondig heeft verkend en verleidt ons daar op avontuur te gaan. Misschien is hij daarom de levendigste klassieke schrijver, die onophoudelijk wordt bewerkt en opgevoerd; die zweeft boven immense films en series als The Lord of the Rings, The Sopranos, The Godfather of Game of Thrones, of, minder prominent, House 
of Cards. Aan hem durven we ons wel 
te wagen. Niet alleen ik natuurlijk, al 
is er in mijn geval geen sprake van ook maar de minste verhulling. Of andere schrijvers het nu willen toegeven of niet: Shakespeare is en blijft de schrijver die het meest door onze aderen stroomt en de grootste inspirator is van ons gestamel.

    Auteur: Javier Marías
    Vertaler: Henriëtte Arons

    Javier Marías (Madrid, 1951) geldt al jarenlang als serieuze kandidaat voor de Nobelprijs.
    Zijn werk, vertaald in drieënveertig talen, is veelvuldig bekroond met nationale en internationale prijzen. Hij schreef onder meer Allerzielen, Een hart zo blank, De verliefden en Zo begint het slechte. Zijn drieluik Jouw gezicht morgen verschijnt in juni bij uitgeverij Meulenhoff.
    Hij schrijft wekelijks een column voor El País.

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.