Tag: column

  • Bestaat er zoiets als een goede toerist?

    Bestaat er zoiets als een goede toerist?

    Protesten tegen overtoerisme nemen toe, en toch blijft de vraag naar goedkope reizen en verre bestemmingen groeien. Hoe kun je op vakantie gaan zonder deel van het probleem te worden?

    Sinds 2019 gaat het vaak over ‘vliegschaamte’; het ongemak wanneer je in een vliegtuig stapt terwijl je je bewust bent van de CO₂-uitstoot die dit met zich meebrengt. Treinen en boten wonnen als vervoermiddel aan populariteit en de vliegbranche leek zelfs gevaar te lopen omdat het aantal passagiers op zakelijke reizen bleef dalen. Cijfers als die uit Spanje – 222 miljoen gebruikers van de luchthavens in 2018 tegenover 236 miljoen in 2023 – laten echter zien dat het ecologisch bewustzijn bij de burger nog altijd minder groot is dan hun wens de wereld te verkennen.

    Massatoerisme is niets nieuws, maar concentreerde deze bedrijfstak zich eerst op bepaalde gebieden die erop in waren gespeeld, zoals de Spaanse stad Benidorm, inmiddels dreigt het alles op te slokken. Met de groeiende impact ervan heeft het idee postgevat dat, in de woorden van antropoloog en ecoloog Emilio Santiago, ‘onze beschaving aan toerisme ten gronde gaat’. 

    Als het gaat om verzet tegen misstanden in de consumptiemaatschappij, is je onttrekken vaak een vorm van luxe

    In 2019 waren protesten als die op de Canarische eilanden in mei en die van 28 juni 2024 in Malaga moeilijk voorstelbaar, waarbij milieukwesties werden gekoppeld aan de woningnood en de uitzichtloze situatie van de jongeren. Maar ook die uitgebuite jongeren willen in het hoogseizoen, als ze vakantie hebben, even van omgeving veranderen en als ze het zich kunnen permitteren liefst ergens ver weg uitrusten of nieuwe omgevingen verkennen. Oftewel: zelf in een toerist veranderen.   

    Juist daarom is het van belang om, net als bij de mode-industrie of de grote techbedrijven die onze data beheren, kritisch te kijken naar de vraag in hoeverre we willen deelnemen aan deze sector. En of we het ons wel kunnen permitteren dat niet te doen. Want als het gaat om verzet tegen misstanden in de consumptiemaatschappij, is je onttrekken vaak een vorm van luxe.

    Van schuld naar het zoeken van alternatieven

    ‘Een van de potsierlijkste privileges die het neoliberalisme in stand houdt, is het weekendje weg. Op zulke dagen krijgen de technische structuren van de kapitalistische samenleving even vrij spel – en dat uit zich in een van haar troosteloze uitwassen: feesten, drinken, een beetje seks’, schrijft Emilio Santiago in zijn recente essay ‘Psychogeografie van nabij; poëtische wandelingen tegen de toeristische dwang’. Toch stelt de ecoloog even later ook dat wie toerisme om morele redenen afwijst en denkt het te bestrijden door simpelweg de ongemakkelijke waarheid over de sociale en ecologische schade te onthullen, onherroepelijk op een politiek fiasco afstevent.

    Mogelijk helpt ‘vliegschaamte’ om de minderheid die verantwoordelijk is voor de meeste vluchten (in Frankrijk bedient 50 procent van de vluchten 2 procent van de bevolking) een schuldgevoel te bezorgen zodat ze enkele van hun verplaatsingen heroverwegen, maar het is niet erg effectief – en ook niet eerlijk – om een beroep te doen op de meerderheid van de bevolking. Al in 2001 stelde de VN een Mondiale Morele Code voor het Toerisme op met tien punten om het toerisme te veranderen in een activiteit die het milieu respecteert en bovendien de landen van bestemming ten goede komt. Maar deskundigen zijn het erover eens dat het verschijnsel eerder samenhangt met grote zakelijke en politieke belangen dan met het gedrag van de individuele toerist.

    Heeft het dan zin je af te vragen of je goed bezig bent op het moment dat je een vakantie plant? Bestaat er, naast die universele code van de VN, een richtlijn die ons als individu kan begeleiden wanneer we toerist worden? 

    Toeristen die onder toerisme lijden

    ‘Het toerisme is als een inktvis die zijn armen naar alle kanten uitstrekt,’ verzucht Juan Luis Toboso, curator en docent, die heeft gezien hoe Porto, de stad waar hij al ruim tien jaar woont, in korte tijd is veranderd. ‘Een van de vervelendste ervaringen wat mij betreft is dat deze stad ineens verschillende ritmes heeft. Die waren er altijd al wel voor degenen die de publieke ruimte innemen: je hebt nachtwerkers, kinderen die naar school gaan, vroege joggers… Maar er kwam een moment dat wij, die door de stad bewogen om ons steentje bij te dragen, werden gedomineerd door groepjes mensen met een ander ritme; dat van de grote menigte toeristen (dat zich op zijn beurt laat opsplitsen: dat van de senioren, dat van de feestgangers, dat van de wandelaars). Zoals wanneer je ’s avonds nog wat boodschappen wilt doen en je kunt er niet langs omdat de stoep vol staat met een groep sangríadrinkers.’ 

    Wat doet Toboso als hij zelf wil ontsnappen uit zijn ‘gekoloniseerde stad’? ‘Het valt niet mee om aan het toerisme te ontkomen, maar er zijn wel wat methodes,’ antwoordt hij. ‘Zo houd ik ervan om op vakantie vrienden te bezoeken. Ik zoek mensen op die al een tijd in een bepaalde stad wonen en probeer dan lokale producten te kopen en naar gewone cafés te gaan, niet naar trendy gelegenheden, en zo de meute en het toeristisch circuit te ontvluchten. Maar dat maakt natuurlijk dat die plekken op een gegeven moment misschien ook toeristisch worden. Een van de oorzaken van het probleem is onze obsessie om alles te posten. Als ik ergens lekker eet vertel ik het niet meer door aan vrienden van vrienden, want ik wil niet dat ze daarheen gaan, foto’s maken en zo het balletje aan het rollen brengen. Ik neem je straks mee naar een geweldig restaurant, maar vertel het niet verder! En ik zal niet toestaan dat je een foto neemt,’ waarschuwt hij.

    ‘Ik denk dat als mensen minder egoïstisch en inhalig waren, de algemene ervaring anders zou zijn’

    Fotograaf en cineast Raquel Agea is in Benidorm geboren en getogen. Ze vertelt dat opgroeien in een stad die zo sterk op toerisme gericht was, haar bewust heeft gemaakt van problemen die voor bezoekers vaak onzichtbaar blijven. Zo vraagt ze zich constant af of toerisme ook eerlijk kan zijn voor zowel werknemers als ecosystemen. ‘Ook als consument zou ik heel graag het antwoord op die vraag hebben. Ik denk dat als mensen minder egoïstisch en inhalig waren, de algemene ervaring anders zou zijn,’ merkt ze op. Ook zij ziet niet af van reizen, maar probeert het zo duurzaam mogelijk te doen. ‘Normaal gesproken passen de toeristische plaatsen zich uiteindelijk aan de bezoekers aan. Mijn insteek is precies andersom: ik wil zo’n plek als toerist en bezoeker benaderen vanuit respect, aandacht, liefde.’

    Overigens beseft Agea heel goed dat het begrip ‘verantwoordelijk toerisme’ – net als veel andere termen omtrent onthaasting en duurzaamheid – ongemerkt iets elitairs kan krijgen. Terwijl we het hier hebben over iets dat in wezen nog altijd een recht is. Vergelijk het met situaties waarin we, ondanks beter weten, toch voor de minst duurzame optie kiezen, simpelweg omdat dat is wat we ons kunnen veroorloven. ‘Alles is terug te brengen tot de economische klasse waartoe je behoort: als je geen geld en tijd hebt, kies je uiteindelijk voor de makkelijkste en snelste weg. En die ene keer per jaar dat je kunt reizen, hoef je je voor je gevoel niet zo druk te maken over duurzaamheid.’

    Tegenstrijdigheden

    Net als elke andere bedrijfstak roept het toerisme tegenstrijdige gevoelens op waar je niet zomaar omheen kunt, zeker wanneer er bijvoorbeeld wordt gestunt met goedkope aanbiedingen. Je kunt proberen je persoonlijke impact te beperken, je CO₂-voetafdruk meten of je aansluiten bij platforms die streven naar politieke en economische verandering. Maar zolang het systeem niet fundamenteel verandert, is het misschien nog het eerlijkst om de tegenstellingen gewoon onder ogen te zien.

    En laten we wel wezen, zegt Agea, als toerist veranderen we allemaal een beetje in een parodie van onszelf. ‘Het is grappig om mensen te zien die, naarmate de connotaties van toerisme negatiever worden, ontkennen er zelf een te zijn – omdat ze zogenaamd de typische valkuilen vermijden. Ook zij maken onvermijdelijk deel uit van wat ze proberen tegen te gaan.’

    Enrique Rey

    werkt sinds 2000 voor El País waar hij alledaagse zaken benadert vanuit de literatuur en de filososofie. Hij surft, ook graag op het internet.

  • Het sprookje van cashen en relaxen

    Het sprookje van cashen en relaxen

    Het klinkt mooi: een passief inkomen. Zonder werk toch omzet genereren. Maar zo eenvoudig is dat niet: om 2000 euro per maand bij te verdienen is al een klein vermogen nodig.

    Een onuitputtelijke geldbron, een boom in je achtertuin waar geld aan groeit, een magische, ongelimiteerde creditcard. Hoe verleidelijk zulke bronnen van rijkdom ook lijken, het zijn duidelijk verzinsels. Want, afgezien van het winnen van de loterij, geld zonder ervoor te werken is een sprookje. Toch?

    Sommige mensen zullen het daar wel volstrekt mee oneens zijn, tenminste als ze geloven in het moderne equivalent van de geldboom: een passief inkomen. Iedere maand geld binnenkrijgen zonder daar iets voor te hoeven te doen, dat klinkt als een sprookje. Daarom zijn er online ook mensen die beweren dat ze dat allang voor elkaar hebben, en jou zogenaamd waardevolle tips proberen te geven. Waarmee zij dan weer geld verdienen.

    Voordat we het over de methodes hebben, eerst een definitie: onder passief inkomen verstaan we een constante of regelmatige geldstroom waarvoor je niet hoeft te werken; bijvoorbeeld een uitkering of pensioen. Anders dan bij financiële onafhankelijkheid gaat het er bij een passief inkomen niet om alle kosten van levensonderhoud te dekken. De extra inkomstenstroom kan ook gewoon het maandbudget aanvullen of een kortere werkweek en meer vrije tijd mogelijk maken.

    Exclusieve indruk

    Het begrip ‘passief inkomen’ wordt veel gebruikt door zelfbenoemde zakelijke coaches en beleggingsprofessionals. Zij gebruiken deze term al jaren om ondoorzichtige bedrijfsstrategieën en dubieuze producten aan de man te brengen. Om een exclusieve en serieuze indruk te maken nodigen ze zogenaamd geselecteerde klanten uit voor chatgroepen waarin ze advies geven. Het verleidelijke join the group is op internet een meme geworden. Maar zijn dan alle mogelijkheden voor een passief inkomen flauwekul? Laten we een paar van de aangeprezen methodes eens onder de loep nemen.

    Een van de populairste strategieën voor een passief inkomen zijn huuropbrengsten. Daarbij zijn er verschillende opties die allemaal één gemeenschappelijk probleem hebben: je moet eerst onroerend goed bezitten. Dat kan behoorlijk in de papieren lopen, vooral in populaire grootstedelijke regio’s. Een simpel sommetje: wie met vastgoed 2000 euro per maand wil verdienen, dus 24.000 euro per jaar, moet bij een jaarlijks netto huurrendement van 2,4 procent bijvoorbeeld al 1 miljoen euro investeren.

    Om met een kleinere investering een hoger rendement te behalen, deed een paar jaar geleden het idee van ‘Airbnb-arbitrage’ opgeld. Een trend die vooral digital nomads, mensen die zonder vaste locatie werken en veel kunnen reizen, als geniale truc voor passief inkomen probeerden te verkopen. Daar was ‘alleen maar’ een aantal appartementen of huizen in verschillende landen voor nodig, liefst in populaire vakantieoorden met betaalbare koop- of huurprijzen. De leegstaande appartementen konden tijdelijk worden verhuurd als men er zelf geen gebruik van maakte, wat weer tot de beloofde ‘constante cashflow’ zou leiden.

    Als investeren geen optie is, moet je creatief zijn – in de ware zin van het woord

    Afgezien van de talrijke juridische restricties waarmee je in het buitenland bij de aankoop van onroerend goed en permanente onderverhuur rekening moet houden, is het verhuren van woningen natuurlijk een allesbehalve stressloze onderneming. Denk aan de schoonmaak, de sleutels overhandigen, communicatie, reparaties en de boekhouding. Een inkomen zonder te hoeven werken ziet er heel anders uit. En ook als je de appartementen alleen huurt – helemaal zonder startkapitaal wordt het lastig.

    Dat laatste probleem geldt ook voor passieve inkomensstrategieën op de aandelenmarkt. Om met ETF’s of aandelen een geldstroom van 2000 euro per maand te genereren, is een klein vermogen nodig. Als je ETF jaarlijks 4 procent dividend uitkeert, heb je een vermogen van 600.000 euro nodig om dat bedrag te realiseren. Bij een rendement van 2 procent is dat zelfs 1,2 miljoen euro. Bovendien is dividend nooit gegarandeerd en kunnen aandelenprij zen en dividenden sterk fluctueren. Zogenoemde P2P-leningen lijken aantrekkelijk door hun bijzonder hoge rendement. Ze zijn een populaire bron van passief inkomen, maar brengen ook aanzienlijke risico’s met zich mee. Het systeem werkt zo: via speciale platforms wordt het ingelegde geld als krediet aan particulieren verstrekt; de rente die zij betalen vloeit weer naar jou terug. Maar garanties zijn er niet. Het kan gebeuren dat kredietnemers hun schulden niet kunnen aflossen. En als het platform failliet gaat, is het voor beleggers vaak moeilijk hun geld terug te krijgen.

    Alle hier genoemde mogelijkheden voor het genereren van passief inkomen vereisen in het begin een forse kapitaalinvestering. Als dat geen optie is, moet je creatief zijn – in de ware zin van het woord. Een andere moge- lijkheid zijn namelijk creatieve bijver- diensten, ook wel side hustles genoemd. Met een blog kun je voor stukken met meer dan 1500 views per jaar in Duitsland geld krijgen van Verwertungsgesell- schaft Wort [een auteursrechtcollectief]. En dat niet alleen in het jaar van publicatie, maar ook langer, mits de artikelen genoeg lezers blijven trekken. Ook een YouTubekanaal kan aantrekkelijk zijn, omdat je op langere termijn van de advertentie-inkomsten van eenmaal gemaakte video’s kunt profiteren. De algoritmes van de meeste platforms zijn echter wel ontworpen om níéuwe content onder de aandacht te brengen; alleen als je continu produceert, heb je een kans om er op lange termijn geld mee te verdienen.

    Creatieve ‘side hustles’

    Het concept iets te creëren en daar jarenlang een deel van je inkomsten mee te genereren, werkt in theorie beter als je bijvoorbeeld een app programmeert en verkoopt of een boek schrijft. Maar in de praktijk is het probleem van creatieve side hustles, naast de aanvankelijke inspanning, dat de content relevant en populair genoeg moet zijn om er geld mee te verdienen. Online of van vrienden heb je misschien gehoord van andere mogelijkheden om passief inkomen te verwerven. Ook die functioneren niet zonder voorafgaande inspanning. Want het is net als met de geldboom: iemand moet hem wel eerst planten. Zonder tijd, werk of kapitaal te investeren kan er ook geen geldstroom ontstaan. De enige uitzonderingen zijn erfenissen, een prijs in de loterij of heel gulle vrienden.

    Het probleem met passief inkomen zit hem niet per se in de methodes; sommige werken wel, maar niet zoals de meeste mensen zich dat voorstellen. De term ‘passief’ is misleidend. Een betere term zou ‘inkomen op termijn’ zijn: na een periode van hard werken of een aanzienlijke kapitaalinvestering volgt een fase waarin je minder hoeft te doen en toch geld blijft verdienen. Dat is vermoedelijk ook wat de meeste coaches hopen die je online benaderen. Het feit dat ze zo actief proberen iets te verkopen, laat al zien dat ook zij de weg naar echt passief inkomen nog niet hebben gevonden.

    Thomas Kehl is opgeleid als bankier en informeert op zijn financiële YouTubekanaal ruim 3 miljoen mensen per maand.

    Laura Städtler studeerde politieke economie en bedrijfsjournalistiek en liep stage bij de economieredactie van SZ.

  • Zal AI in de toekomst leiden tot hogere belastingen?

    Zal AI in de toekomst leiden tot hogere belastingen?

    De arbeidsmarkt krijgt binnenkort een heel ander aanzien door de razendsnelle opkomst van kunstmatige intelligentie. Wereldwijd kunnen er honderden miljoenen banen verdwijnen. Een verhoging van de vermogens- en winstbelasting zou weleens onvermijdelijk kunnen zijn.

    De Verenigde Staten zijn nog steeds onomstreden koploper op het gebied van technologische innovatie. Door de aanhoudende dominantie van de ‘Magnificent Seven’ – Alphabet, Amazon, Apple, Meta, Microsoft, Nvidia en Tesla – is de Amerikaanse toppositie in de technologiesector verstevigd en hebben andere economieën moeite om aan te haken.

    Kijk naar de Europese Unie: 381 miljard euro bedroegen in 2023 de totale bruto interne uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling door overheden, bedrijven, onderwijsinstellingen en ngo’s. Dat komt ongeveer overeen met de 350 miljard dollar aan herinvesteringen die de zeven toonaangevende Amerikaanse technologiebedrijven alleen al in 2024 deden. 

    De invloed van de tech-boom op de mondiale financiële markten is ondertussen ingrijpend. Het aandeel van de sector bedraagt bijna 30 procent van de S&P 500 – meer dan de twee daaropvolgende grootste sectoren (de S&P 500 is een index die door zijn brede samenstelling een betrouwbaar beeld geeft van de ontwikkelingen op de Amerikaanse aandelenmarkt). Deze extreme concentratie, die voortkomt uit stijgende waardebepalingen van de Magnificent Seven, heeft twee tegengestelde effecten: de animo van investeerders stijgt erdoor, maar tegelijkertijd nemen de zorgen over mogelijke risico’s toe.

    Optimisten en sceptici

    Al met al is het geen wonder dat er een hevig debat woedt over de snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie: hoe de verstorende effecten te beheersen? Je hebt tech-optimisten die denken dat AI uiteindelijk goed zal zijn voor de werkgelegenheid. Ze wijzen op eerdere technologische omwentelingen. Weliswaar maakten die sommige arbeid overbodig door automatisering, ze leidden ook tot nieuwe bedrijfstakken en beroepen die het banenverlies ruim compenseerden en in één moeite door de productiviteit en economische groei stimuleerden.

    De optimisten hebben misschien een punt. Aan het begin van de twintigste eeuw werkte 40 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking in de landbouw. Nu is dat aandeel nog geen 2 procent. Toen het werk in de agrarische sector verdween, konden de mensen die brodeloos waren geworden terecht in nieuwe bedrijfstakken, die de ruggengraat van de moderne economie zouden gaan vormen. Het opvallendste voorbeeld is de dienstensector, die bijna 80 procent van de werkgelegenheid uitmaakt, tegen slechts 20 procent in de voorheen toonaangevende productie- en bouwsector tezamen.

    Er zijn echter ook tech-sceptici – met name onder beleidsmakers – die het niet zo rooskleurig inzien voor de werkgelegenheid. Ze vrezen dat AI een tijdperk van toenemende werkloosheid zal inluiden, waarbij steeds meer mensen overbodig worden in het arbeidsproces en de economische winst voornamelijk naar kapitaalbezitters vloeit.

    ‘wereldwijd staan arbeidsmarkten op het punt diepgaand te veranderen door AI’

    Goldman Sachs komt met wel heel verontrustende cijfers: volgens de bank kunnen door AI wereldwijd 300 miljoen voltijdsbanen verdwijnen. Het World Economic Forum is duidelijk optimistischer: dat voorspelt dat er 83 miljoen banen verloren gaan, maar 69 miljoen bij komen. Een nettoverlies dus van 14 miljoen banen, of slechts 2 procent van de huidige werkgelegenheid in bedrijfstakken die met AI te maken hebben.

    Eén ding staat vast: wereldwijd staan arbeidsmarkten op het punt diepgaand te veranderen door AI. Massale werkloosheid in de technologiesector zou de ongelijkheid kunnen vergroten, vooral tussen kapitaalbezitters en de miljoenen nieuwe werklozen. 

    Belastingen

    Ondertussen dient zich een dringende vraag aan: zullen de huidige winsten door AI leiden tot hogere belastingen in de toekomst? Beleidsmakers moeten immers nieuwe inkomstenbronnen zien aan te boren, willen ze de effecten van het banenverlies verzachten, sociale onrust voorkomen en essentiële overheidsdiensten, zoals nationale veiligheid, onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur behouden. Sommige overheden zien zich wellicht gedwongen om gaten in de begroting te dichten door de belastingen op de meest winstgevende sectoren te verhogen.

    Dat krijgen bedrijven en investeerders dan op hun bord, aangezien beleidsmakers zullen proberen de winst die voortkomt uit automatisering te herverdelen. Twee aspecten zijn van belang: ten eerste zijn bedrijven het primaire doelwit van belastingverhogingen, aangezien de fiscale basis krimpt vanwege banenverlies door technologische innovatie. In de tweede plaats kan de consumentenvraag dalen door lagere werkgelegenheid en minder besteedbaar inkomen, met nadelige gevolgen voor de economische groei.

    Hierdoor komen ondernemers in een lastig parket. Om belastingverhogingen te voorkomen, moeten ze de fiscale basis in stand houden en dus zorgen voor hoge werkgelegenheid. Maar hogere efficiëntie en meer winst bereik je alleen via automatisering – met het gevaar van hogere vennootschapsbelasting en een zwakkere consumentenvraag.

    Op korte termijn zal automatisering leiden tot meer efficiëntie en hogere winstmarges. Na verloop van tijd zullen deze winsten waarschijnlijk worden verminderd door hogere vennootschaps- en vermogensbelasting, aangezien overheden op zoek moeten naar nieuwe inkomsten om een universeel basisinkomen te financieren, dat essentieel is voor het waarborgen van de levensstandaard en het behouden van economische en sociale stabiliteit.

    Als de door AI veroorzaakte werkloosheid en extreme ongelijkheid niet worden aangepakt, kunnen ze grote schade toebrengen aan het sociale weefsel dat markten nodig hebben om te functioneren. Overheden zullen dan misschien genoodzaakt zijn de belastingen te verhogen, zodat de voordelen van automatisering niet ten koste gaan van de sociale cohesie op de lange termijn.

    Dambisa Moyo, internationaal econoom, schreef vier New York Times-bestsellers, waaronder Edge of Chaos: Why Democracy Is Failing to Deliver Economic Growth – and How to Fix It (Basic Books, 2018).

  • Hillary Clinton over de regering-Trump. ‘Hoe dom wil je het hebben?’

    Hillary Clinton over de regering-Trump. ‘Hoe dom wil je het hebben?’

    De recent gelekte berichten uit een Signal-groepschat tussen hooggeplaatste Amerikaanse functionarissen hebben velen verstomd achtergelaten, waaronder Hillary Clinton. In deze column uit The New York Times deelt de voormalige minister van Buitenlandse Zaken en First Lady haar ergernissen en zorgen over het beleid van de regering-Trump.

    Het is niet eens de hypocrisie die me zo stoort, maar de domheid. We zijn allemaal geschokt – geschokt! – dat president Trump en zijn team zich niets gelegen laten liggen aan het beschermen van geheime informatie of het naleven van federale dataretentiewetten. Maar dat is niets nieuws. Wat veel erger is, is dat hooggeplaatste functionarissen binnen de regering-Trump onze troepen in gevaar hebben gebracht door militaire aanvalsplannen te delen op een commerciële berichtendienst en per ongeluk een journalist hebben uitgenodigd voor de groepschat. Dat is gevaarlijk. En het is oerstom.

    Dit is het nieuwste incident in een hele reeks zelf aangebrachte wonden die de kracht van Amerika ondermijnen en onze nationale veiligheid in gevaar brengen. Honderden mensen ontslaan die zijn belast met de bescherming van onze kernwapens is ook dom. Net als het stopzetten van alle inspanningen om pandemieën te bestrijden, net nu in Afrika een dodelijke ebola-uitbraak om zich heen grijpt. Het is gespeend van elke logica om zuiveringsacties uit te voeren onder getalenteerde generaals, diplomaten en spionnen in een tijd waarin rivalen als China en Rusland hun mondiale invloedssfeer proberen te vergroten.

    In een gevaarlijke en complexe wereld voldoet het niet om sterk te zijn. Je moet ook slim zijn. Als minister van Buitenlandse Zaken in de regering-Obama heb ik me sterk gemaakt voor slimme kracht, voor het samenbrengen van de harde kracht van ons leger en de zachte krachten van onze diplomatie, ontwikkelingshulp, economische macht en culturele invloed. Geen van deze elementen afzonderlijk is in staat de klus te klaren. Samen maken ze het Amerika van nu tot een supermacht. De Trumpaanpak is die van de domme kracht. In plaats van een sterk Amerika dat al onze krachten gebruikt om een wereldleider te zijn en onze vijanden het hoofd te bieden, zal het Amerika van Trump in toenemende mate blind en blunderend te werk gaan, ontdaan van macht en vrienden.

    Massaontslagen

    Laten we beginnen met het leger, waarvan Trump beweert dat hij het hoog in het vaandel heeft staan. Laat u niet misleiden door zijn bravoure. Trump en zijn minister van Defensie, Pete Hegseth (bekend van de groepschat), hebben duidelijk meer affiniteit met hun strijd voor de bühne tegen woke dan met de voorbereidingen voor de echte strijd met Amerika’s tegenstanders. Is er werkelijk iemand die gelooft dat ons land veiliger wordt door elk eerbetoon aan de Tuskegee Airmen [een groep voornamelijk Afro-Amerikaanse piloten uit de tweede Wereldoorlog] te verwijderen? Het Trump-Pentagon heeft beelden verwijderd van het vliegtuig dat de atoombom afwierp, waarmee een einde werd gemaakt aan de Tweede Wereldoorlog, enkel en alleen omdat het vliegtuig Enola Gay heette. Dom.

    In plaats van samen te werken met het Congres om het defensiebudget te moderniseren zodat het aansluit op de veranderende dreigingen, ontslaat de president zonder geloofwaardige argumentatie hooggeplaatste generaals. Vijf voormalige ministers van Defensie, zowel Republikeinen als Democraten, hebben terecht gewaarschuwd dat dit onze ‘geheel vrijwillige krijgsmacht ondermijnt en onze nationale veiligheid in gevaar brengt’. Ook inlichtingendiensten hebben te maken gekregen met massaontslagen. Om de woorden van een voormalig spion te gebruiken: ‘We schieten onszelf door het hoofd, niet in de voet.’ Ook niet slim.

    ‘We schieten onszelf door het hoofd, niet in de voet’

    Als er al zo roekeloos wordt omgegaan met Amerika’s hard power, zal het geen verbazing wekken dat ook onze soft power het moet ontgelden. Als voormalig minister van Buitenlandse Zaken maak ik me met name zorgen over de plannen van de regering om ambassades en consulaten te sluiten, diplomaten te ontslaan en USAID te ontmantelen. Ik zal uitleggen waarom dat ertoe doet, want het belang hiervan wordt vaak minder goed begrepen dan dat van tanks en straaljagers.

    Als Amerikaanse topdiplomaat heb ik 112 landen bezocht en bijna anderhalf miljoen kilometer gereisd, en ik heb gezien hoe belangrijk het voor ons land is om in afgelegen gebieden te worden vertegenwoordigd. Het Amerikaanse leger is zich er al heel lang van bewust dat onze troepen proactief moeten worden ingezet om de Amerikaanse macht te beschermen en om snel te kunnen reageren in het geval van een crisis. Hetzelfde geldt voor onze diplomaten. Onze ambassades zijn onze ogen en oren, en ze leveren informatie voor de beleidsbeslissingen die in Washington worden genomen. Ze fungeren als uitvalsbases voor de operaties die onze veiligheid en welvaart borgen, variërend van het trainen van buitenlandse antiterrorisme-eenheden tot het helpen van Amerikaanse bedrijven bij het aanboren van nieuwe markten.

    China begrijpt de waarde van diplomatie ter plaatse en heeft dan ook overal ter wereld nieuwe ambassades en consulaten geopend, waardoor het er inmiddels meer heeft dan Amerika. Als de regering-Trump zich terugtrekt, laat ze het speelveld open voor Beijing, dat ongehinderd haar invloedssfeer verder kan uitbreiden.

    Diplomatie

    Diplomaten sluiten vriendschappen waardoor Amerika er niet alleen voor staat in deze competitieve wereld. Zo waren mijn collega’s en ik in staat om zware sancties op te leggen aan het nucleaire programma van Iran, waardoor we Teheran uiteindelijk wisten te dwingen de ontwikkeling van een bom te staken – iets wat Trump met zijn stoere praat niet is gelukt. (Sterker nog, hij heeft de financiering stopgezet van de inspecteurs die toezicht hielden op Iraanse onderzoeksfaciliteiten. Dom.)

    Diplomatie is betrekkelijk goedkoop, zeker in vergelijking met militair ingrijpen. Het is goedkoper om oorlogen te voorkomen dan om ze uit te vechten. Trumps eigen voormalige minister van Defensie, Jim Mattis, een gepensioneerde viersterrengeneraal van het Korps Mariniers, heeft tegen het Congres gezegd: ‘Als u het ministerie van Buitenlandse Zaken niet volledig financiert, zal ik meer munitie moeten kopen.’

    Onze ontwikkelingshulp, die nooit meer dan een klein deel heeft uitgemaakt van het federale budget, heeft een ongekende invloed gehad op de internationale stabiliteit, zeker in combinatie met effectieve diplomatie. Wanneer Amerikaanse hulpgelden een hongersnood of een uitbraak weten te voorkomen, wanneer we te hulp schieten bij een natuurramp of wanneer we scholen openen, winnen we de hearts and minds van de bevolking, van wie de loyaliteit anders misschien zou uitgaan naar terroristen of rivalen als China. We zorgen voor een vermindering van het aantal migranten en vluchtelingen. We versterken bevriende regeringen die anders wellicht omvergeworpen zouden worden.

    We zouden moeten investeren in de patriotten die ons land dienen, in plaats van hen te beledigen

    Ik zal niet beweren dat het allemaal makkelijk is, of dat het Amerikaanse buitenlandbeleid niet gebukt is gegaan onder verkeerde inschattingen. Leiderschap is bepaald niet eenvoudig. Maar we maken de meeste kans om het goed te doen, en om ons land sterker te maken, door onze overheid te versterken in plaats van te verzwakken. We zouden moeten investeren in de patriotten die ons land dienen, in plaats van hen te beledigen.

    Door slimme hervormingen kunnen federale instanties, waaronder het Ministerie van Buitenlandse Zaken en USAID, efficiënter en effectiever worden. Tijdens de regering-Clinton is met het Reinventing Government Initiative van mijn man, onder leiding van vicepresident Al Gore, in samenwerking met het Congres op doordachte wijze de bureaucratie gestroomlijnd en het personeelsbestand gemoderniseerd, waardoor er miljarden dollars zijn bespaard. In meerdere opzichten was dit het tegenovergestelde van de sloophameraanpak van de regering-Trump. Het overheidsapparaat wordt nu niet hervormd; het wordt met de grond gelijk gemaakt.

    Politiek gokspelletje

    Dit alles is zowel dom als gevaarlijk. En dan heb ik het nog niet eens over de schade die Trump aanricht door aan te pappen met dictators zoals de Russische Vladimir Poetin, door onze bondgenootschappen op te blazen – samenwerkingsverbanden die onze invloedsfeer vergroten en onze lasten verlichten – en door met het ondergraven van de Amerikaanse rechtsstaat onze morele invloed te verkwanselen. Of kijk hoe hij onze economie ondermijnt en onze staatsschuld laat oplopen. Propagandisten in Beijing en Moskou weten dat er wereldwijd een debat op gang is gekomen over verschillende staatsvormen.

    Over de hele wereld kijken mensen en leiders toe, benieuwd of democratie nog altijd vrede en voorspoed kan garanderen, of überhaupt nog kan functioneren. Als Amerika wordt bestuurd als een bananenrepubliek, met een stuitende corruptie en een leider die zichzelf boven de wet plaatst, verliezen we die discussie. Dan verliezen we ook de kwaliteiten die Amerika uniek en onmisbaar maken.

    Als er al sprake mocht zijn van een alomvattende strategie, dan zou ik niet weten wat die is. Misschien hoopt Trump terug te keren naar negentiende-eeuwse invloedssferen. Misschien wordt hij enkel gedreven door persoonlijke rancune en groeit het hem allemaal boven het hoofd. Als zakenman heeft hij zijn casino’s in Atlantic City failliet laten gaan. Nu heeft hij de veiligheid van de Verenigde Staten als inzet genomen. Als dit zo doorgaat, is een stommiteit met een groepschat wel het minste wat ons zorgen moet baren en zullen alle vuist- en vlagemoji’s ter wereld ons niet kunnen redden.

  • Waarom jongeren steeds minder vertrouwen hebben in de democratie

    Waarom jongeren steeds minder vertrouwen hebben in de democratie

    Het fascisme uit de jaren dertig veroorzaakte een genocidale oorlog. Inmiddels zijn de herinneringen vervaagd, net als het stigma dat aan extreemrechts kleeft. En dat is gevaarlijk voor de democratie.

    Overal ter wereld sterft de democratie uit. Dit klinkt misschien als paniekzaaierij, en roept op zijn minst een aantal vragen op. Want wat betekent dat eigenlijk? Komen er dan geen verkiezingen meer? Wordt de oppositie als crimineel afgespiegeld? Als dat de maatstaven zijn, is het Rusland van Vladimir Poetin nog altijd een democratie. Er zijn namelijk zes politieke partijen vertegenwoordigd in de Doema, het federale parlement, en er zijn in Rusland meer dan twintig geregistreerde politieke partijen. Maar zoals je waarschijnlijk begrijpt, is Rusland geen democratie: het is een natie die van een autoritair naar een totalitair regime afglijdt. Sinds Stalins tijd werden er niet zo veel Russen om politieke redenen vervolgd.

    Het geloof in de democratie is onmiskenbaar op zijn retour. Uit nieuw onderzoek blijkt dat een vijfde van de Britten onder de vijfenveertig gelooft dat het land het best kan worden bestuurd door ‘een sterke leider die zich niet druk hoeft te maken over verkiezingen’, terwijl dit onder hun oudere landgenoten 8 procent is. Deze cijfers weerspiegelen wereldwijde trends.

    Uit een onderzoek van Cambridge-onderzoekers in 2020, uitgevoerd in honderdzestig landen, bleek dat jongere generaties steeds minder vertrouwen hebben in de democratie. Daarnaast toonde een analyse van het Pew Research Center aan dat in 2024 bijna twee derde van de burgers in twaalf hoge-inkomenslanden ontevreden was over de democratie, een aanzienlijke stijging ten opzichte van net onder de helft in 2017.

    Economische uitsluiting

    Waar komt dit vandaan? Het Cambridge-onderzoek concludeerde dat economische uitsluiting een belangrijke reden was voor ontevredenheid onder jongeren. We kunnen een wijze les trekken uit het geval van Rusland. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, verklaarde de nieuwe Russische president, Boris Jeltsin, in 1990: ‘We zorgen ervoor dat de levensstandaard van de mensen niet daalt, en in feite moet die op den duur kunnen stijgen.’

    Binnen vier jaar werd het reële inkomen van Russen gehalveerd, en door de schoktherapie-beleidsmaatregelen belandden 32 miljoen Russen in armoede. In 2021 sprak nog slechts 16 procent van de Russen zich uit voor ‘het westerse model van democratie’. De chaos van het vrijemarktkapitalisme werd gepresenteerd als democratie, wat leidde tot een diep gevoel van desillusie – iets waar Poetin handig op inspeelde.

    Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen

    Groot-Brittannië heeft niet geleden onder de verschrikkingen van het Rusland van de jaren negentig. Toch vormde de giftige combinatie van neoliberaal economisch beleid en bezuinigingen een zware last voor de jongeren. Het thatcherisme beloofde vrijheid, maar leverde in plaats daarvan onzekerheid op. Stabiele banen zijn verdwenen, huurprijzen zijn gestegen, lonen gedaald, de jeugdzorg is gedecimeerd en afgestudeerden worden geconfronteerd met torenhoge schulden voor het volgen van een universitaire studie.

    Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen. Het is geen wonder dat democratie steeds meer aan aantrekkingskracht verliest voor hen en voor hun leeftijdsgenoten in andere landen die evengoed lijden onder het neoliberalisme. In Frankrijk bijvoorbeeld zegt bijna een derde van de jongeren het vertrouwen in de democratie te hebben verloren.

    Maar er is nog iets anders aan de hand. Neem de Verenigde Staten. De jaren zestig en zeventig vormden de ideale voedingsbodem voor de opkomst en triomf van een Trump-achtig figuur. De economie zat in een crisis: een giftige mix van hoge inflatie en stagnerende groei. Er vonden agressieve racistische protesten plaats tegen de burgerrechtenbeweging en er waren rellen door heel de VS. Er was ook veel meer criminaliteit en geweld, met een verdubbeling van het aantal moorden tussen het midden van de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig.

    Nadat bijna zestigduizend Amerikaanse soldaten omkwamen in de oorlog in Vietnam, eindigde het conflict in een pijnlijke nederlaag en ontstond het gevoel dat de macht van de VS aan het afbrokkelen was. Het verzet tegen links was veel wijdverspreider, zoals blijkt uit de Hard Hat Riot van 8 mei 1970, toen in New York antioorlogsdemonstranten door honderden bouwvakkers werden belaagd. 

    Een vervaagd verleden

    De persoon die in die tijd het dichtst in de buurt van Trump nu kwam was George Wallace, een racist en aanhanger van segregatie, zij het nog altijd minder grof en leugenachtig dan de huidige gekozen president. Hij haalde 13,5 procent in de presidentsverkiezingen van 1968, en de VS kregen uiteindelijk Richard Nixon als president en daarna Ronald Reagan, een rechtse rakker van een heel ander soort. 

    Toch vertoonden de VS van de jaren zestig en zeventig veel minder ontvankelijkheid voor fascistische sympathieën dan in de jaren dertig. Charles Coughlin, een priester met nazisympathieën, had 30 miljoen luisteraars voor zijn radioshow op een Amerikaanse bevolking van minder dan 130 miljoen. Uit één opiniepeiling leek naar voren te komen dat hij wat populariteit en invloed betreft enkel voor president Franklin D. Roosevelt onderdeed.

    Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd

    Wat is er dan veranderd? De schaduw van het fascisme uit de jaren dertig, dat resulteerde in een genocidale vernietigingsoorlog, verliest aan kracht. Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd. Amerikaanse kiezers uit de jaren zeventig waren misschien diep gedesillusioneerd, maar een Trump zouden ze te veel naar Mussolini vinden neigen, of zelfs een Hitler. Van deze angst is nu geen sprake meer.

    De democratie onder het kapitalisme wordt altijd al sterk ingeperkt door bedrijfsbelangen en plutocraten die veel meer macht hebben dan de gemiddelde kiezer. Wanneer het kapitalisme in een crisis belandt, zoals in 2008, wekken de fundamentele tekortkomingen ervan de woede op van het volk. Het gaat erom wie hiervan profiteert. Extreemrechts heeft een verbijsterend succesvolle sociale mediastrategie ontwikkeld die steeds meer volgelingen radicaliseert, terwijl links lichtjaren achterloopt.

    Mensen hebben alle reden om woedend te zijn, maar hun woede is verkeerd gericht. Het geloof in de democratie brokkelt af als gevolg van een falend economisch systeem, en als er geen overtuigende antwoorden op deze crisis komen, kan dat fataal blijken te zijn.

  • Oorlogen, crises en binnenkort weer Trump. Was vroeger echt alles beter? Helemaal niet!

    Oorlogen, crises en binnenkort weer Trump. Was vroeger echt alles beter? Helemaal niet!

    De wereld verkeert in zwaar weer, wat bij velen een sterk verlangen naar het verleden oproept. Nostalgie kan echter onze blik op de geschiedenis vertroebelen en een vertekend beeld schetsen van hoe het vroeger werkelijk was.

    Onlangs, tijdens een voetbalwedstrijd van de Dallas Cowboys, werd de camera gericht op de VIP-tribune: daar zat een goedgeluimde George W. Bush, de 43e president van de VS, in de loge. Dat waren nog eens tijden, aldus het gezelschap dat met mij voor de televisie zat. Toen de Republikeinen nog fatsoenlijk en betrouwbaar waren – in tegenstelling tot Donald Trump en zijn MAGA-discipelen! En zo denken veel mensen er vandaag over na de comeback van Trump, die zelfs onder nuchtere tijdgenoten wordt beschouwd als een potentiële doodgraver van de liberale democratie. Ah, die goeie ouwe tijd.

    Natuurlijk verschilt Bush, die uit het diepste establishment van de Grand Old Party kwam, in veel opzichten van Trump. Maar was alles toen echt zoveel beter in onze beleving?

    Bij de verkiezing van Bush in 2000 was er een hoop gesteggel bij het tellen van de stemmen in Florida (waar een van zijn broers gouverneur was). Even later kwam de schok van 9/11 en, als directe reactie, de zogeheten War on Terror: de invasie van Afghanistan, de invasie van Irak – onder valse voorwendselen – en de omverwerping van dictator Saddam Hoessein. Het Midden-Oosten verviel in chaos. Overal ter wereld werd gedemonstreerd tegen het Amerikaanse beleid; zelfs in Zwitserland gingen tienduizenden de straat op. Wie vandaag de foto’s bekijkt, zal versteld staan van het radicalisme: in Bern werd een groot spandoek door de stad gedragen: ‘USA World Enemy No. 1’ – de S in ‘USA’ is een hakenkruis.

    En de ooit gedemoniseerde Bush, die nu op wonderbaarlijke wijze weer populair is geworden, is slechts een willekeurig voorbeeld. Maar dat voorbeeld is symptomatisch voor de huidige tijdgeest in een heden dat gebukt gaat onder crises en oorlogen. Een tijdgeest die nostalgie wordt genoemd.

    Erkende ziekte

    Nostalgie was ooit een erkende ziekte. Het woord werd uitgevonden in Bazel aan het einde van de zeventiende eeuw in een medisch proefschrift door een zekere Johannes Hofer, die heimwee bestudeerde: een pathologisch verlangen om terug te keren naar de plaats van herkomst, vooral bij Zwitserse huurlingen. Later veranderde de betekenis van de term en maakte het concept snel carrière buiten de geneeskunde: het begrip stond nu voor een lyrische terugblik op voorbije, geïdealiseerde tijden. Mensen stelden zich een tijd voor die nooit was geweest, althans, niet zoals ze dachten dat hij was geweest. Maar het voelde goed. Nostalgie was ‘lijm voor alles’, zoals de Weense historicus Valentin Groebner het verwoordt.

    De romantisering en vervorming van het verleden leveren vandaag de dag bijzonder vreemde resultaten op. Enkele jaren geleden diagnosticeerde de socioloog Zygmunt Bauman in zijn boek Retrotopia een echt ‘tijdperk van nostalgie’; het oproepen van prachtig gekleurde verloren verledens is de laatste effectieve politieke utopie.

    Als je kijkt naar de politici die zich beroepen op die zogenaamd goeie ouwe tijd, is Baumans analyse allesbehalve vergezocht. Het ‘Make America Great Again’ van Trump is slechts het bekendste voorbeeld. En de bagatellisering van de openluchtgevangenis van de DDR door Duitse linkse en rechtse partijen is misschien wel het meest bizarre.

    Dit fenomeen is niet moeilijk te verklaren: het komt voort uit de worsteling met een heden dat als verwarrend en bedreigend wordt ervaren. Dat heden wordt gekenmerkt door veranderingen die zich schrikbarend snel voltrekken en door een stortvloed aan informatie in real time over de waanzin op aarde. De vele crises hebben geleid tot een wereldmoeheid waar vooral populisten handig gebruik van weten te maken. Zij die niets positiefs meer in de toekomst zien, worden bang en wenden zich tot het schijnbaar veilige en voorspelbare verleden – terug naar de rust. ‘De toekomst is niet meer wat ze geweest is,’ grapte de komiek Karl Valentin ooit. Tegenwoordig wordt deze uitspraak serieus genomen.

    De toekomst in westerse welvarende samenlevingen is veranderd van een belofte in een somber voorgevoel

    In feite is het geloof in een betere toekomst in het Westen grotendeels verloren gegaan, niet alleen onder de altijd al cultuurpessimistische conservatieven, maar over het gehele politieke spectrum. De afgekondigde rust- en keerpunten stapelen zich op en hellen altijd over naar de negatieve kant: eerst de pandemie, dan de aanvalsoorlog van Poetin in Oekraïne, de escalatie van het geweld in het Midden-Oosten, de dreigende signalen van China, de verzwakkende economieën, de toenemende sociale ongelijkheid, de democratische opkomst van ondemocratische krachten, niet in de laatste plaats door de nauwelijks beheersbare migratiestromen. En vooral: klimaatverandering en het uitsterven van diersoorten.

    De toestand van de wereld is niet erg rooskleurig. En dat roept angsten op. Je afkeren van het Westen of zelfs van de hele mensheid is een rage. De dreigende apocalyps heeft als genre allang de bestsellerlijsten veroverd – van Zeiten Ende (Het einde der tijden) tot Der Mensch schafft sich ab (De mensheid schaft zich af). Het boek van het moment is Verlust: Ein Grundproblem der Moderne (Verlies: een fundamenteel probleem van de moderniteit) van Andreas Reckwitz. Hierin analyseert de socioloog hoe de toekomst in westerse welvarende samenlevingen is veranderd van een belofte – we zullen het beter hebben dan vorige generaties – in een somber voorgevoel. En in de toekomst zullen we allemaal teleurgesteld zijn! Het burgerlijke idee van vooruitgang is vastgelopen, zo niet tot een einde gekomen, schrijft Reckwitz. Voorlopig is het enige advies dat overblijft veerkracht, oftewel het versterken van het vermogen om weerstand te bieden om beter om te gaan met de verlieservaringen van onze tijd.

    Dit zijn bevindingen die tot nadenken stemmen. Maar staan we echt op een belangrijk keerpunt in de geschiedenis?

    Rooskleurige retrospectie

    Als historicus kijk ik hier met scepsis naar. Bijna elke generatie was ervan overtuigd dat ze de laatste generatie vóór de ondergang was. Wanneer mensen tegenwoordig vol heimwee terugverwijzen naar voorbije decennia – in de politiek, de populaire cultuur, de journalistiek – blijven de grote onzekerheden van die tijd vreemd genoeg onderbelicht.

    Het ‘economische wonder’ vanaf 1950, dat achteraf zo overtuigend op ons overkomt, kwam voor tijdgenoten als een complete verrassing. De wereldorde werd bipolair en baarde mensen zorgen; volgens enquêtes waren de toekomstvoorspellingen tijdens de Koreaanse Oorlog pessimistischer dan ooit tevoren. In 1962, tijdens de Cubaanse Raketcrisis, had de mensheid geluk dat ze een nucleaire catastrofe kon vermijden. De VS voerden een verwoestende oorlog in Vietnam, terwijl West-Europa zich bewapende tegen een aanval van het Sovjetleger en zich terugtrok in bunkers. In 1972 publiceerde de Club van Rome De grenzen aan de groei, de heilige tekst van het scepticisme over de toekomst. Het jaar daarop volgden de schok van de olieprijs en de ergste recessie sinds 1945. De Britse historicus Eric Hobsbawm vatte het later samen in zijn boek Age of Extremes (1994): ‘Sinds 1973 is de geschiedenis van de twintigste eeuw de geschiedenis van een wereld die haar houvast verloor en afgleed naar instabiliteit en crisis.’

    De jaren tachtig waren sowieso een decennium van angst: zure regen, stervende bossen, het gat in de ozonlaag, de dreiging van een nucleair inferno, de ramp in Tsjernobyl, chemische rampen, de wereldwijde aidsepidemie, de heroïne- en crackepidemieën, maar ook de massale introductie van computers op het werk. Filosoof Jürgen Habermas sprak over de ‘nieuwe complexiteit’. En bijna niemand dacht er in deze ‘no future’-stemming aan dat de Berlijnse Muur een paar jaar later zou kunnen vallen. Zelfs de jaren negentig, die tegenwoordig worden geïdealiseerd als zulke onbekommerde jaren, waarin haastig het einde van de geschiedenis werd afgekondigd, bleven hectisch en wreed: de nerveuze reorganisatie van Oost-Europa, de Joegoslavische oorlogen, de genocide in Rwanda. Ze werden gevolgd door een decennium van islamitische terreur en de grootste wereldwijde financiële crisis sinds de beurskrach van 1929. Tot zover de goeie ouwe tijd.

    Nostalgie is een gevoelsmatige obsessie met een verleden dat nooit heeft bestaan

    De romantisering van het verleden kan psychologisch worden geïnterpreteerd. De jeugd en vroege volwassenheid stempelen ons meer dan latere jaren, terwijl negatieve ervaringen achteraf worden weggefilterd: deskundigen noemen dit ‘rooskleurige retrospectie’. Er is ook een trend om in het negatieve te blijven hangen, vooral in de media. Deze vertroebelt ons zicht op de positieve trends voor de lange termijn die er zijn, zoals wereldwijde verbeteringen op het gebied van gezondheid, welvaart, onderwijs, levensverwachting en vrede.

    Maar bovenal is het een basisprincipe van de geschiedenis dat het beeld in de achteruitkijkspiegel bedrieglijk is: de mist is opgetrokken, de vroegere onduidelijkheden hebben plaatsgemaakt voor duidelijke contouren. We weten hoe het is afgelopen. En met deze veronderstelde vanzelfsprekendheid vergeten we hoe zwaar en moeilijk deze tijden waren, hoe onzeker de toekomst ooit was – en hoe avontuurlijk sommige voorspellingen waren.

    Dit is geenszins bedoeld om de enorme uitdagingen van vandaag te bagatelliseren. En een serieuze bestudering van de geschiedenis helpt ons om het heden te begrijpen en de problemen aan te pakken. Maar nostalgie is een gevoelsmatige obsessie met een verleden dat nooit heeft bestaan. Klagen dat vroeger alles beter was, is niet alleen inhoudelijk verkeerd, onproductief en oncreatief – het is ook gevaarlijk. Er worden veel politieke spelletjes mee gespeeld, met ernstige gevolgen: mensen raken gedesillusioneerd en trekken zich terug, denken meer aan de wereld van gisteren dan aan die van morgen en ontvluchten uiteindelijk hun verantwoordelijkheden. Juist het tegenovergestelde is nodig – de verdediging en verdere ontwikkeling van onze liberale orde. Vooral in moeilijke tijden. 

  • Wegblijven van verslavingen is voorbehouden aan de rijken

    Wegblijven van verslavingen is voorbehouden aan de rijken

    Vrij zijn of losraken van alle verleidingen die op ons afkomen is een voorrecht geworden van de mensen die het kunnen betalen. ‘Er is een nieuw soort luxe ontstaan: vrij zijn van verlangens,’ schrijft Observer-columnist Martha Gill.

    Keuze uit het archief

    Wanneer het eind van het jaar in zicht komt, zijn er mensen die nadenken wat ze volgend jaar beter gaan doen of waar ze mee willen stoppen. Vaak moet achteraf geconstateerd worden dat de goede voornemens voor het nieuwe jaar niet zijn nagekomen.
    Deze column van The Guardian laat zien waarom het zo moeilijk is om slechte gewoontes los te laten: heel de economie is erop ingericht om ons te verleiden tot het kopen van van alles en nog wat. Wie van verslavingen af wil komen, heeft niet zozeer wilskracht als wel veel geld nodig, betoogt columnist Martha Gill.

    Het zijn echt welvaartsziekten, deze moderne kwalen. Verslaving aan sociale media, gamestoornissen, dwangmatig te veel suiker en bewerkte troep eten: het zijn producten van een maatschappij met meer dan genoeg eten, vrije tijd en verveling, en zonder de spanning van leven of dood die onze voorouders bezighield.

    We kunnen onze toenemende verslavingsproblemen misschien zien als een gezellige parasiet, maar het verontrustende feit is dat een groot deel van de economie nu draait op verslaving.

    Het pad van de prikkels is gemakkelijk te volgen: een verslaafde klant is een betrouwbare klant; en waarom zou je genoegen nemen met alleen de consumptie van je product, als je in plaats daarvan ook voor overconsumptie kunt zorgen? Hoogleraar David Courtwright noemt dit ‘limbisch kapitalisme’, naar het deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor de verwerking van emoties. Wereldwijde industrieën, zegt hij, beginnen zich hierop te richten.

    Reguleren

    In Groot-Brittannië zijn we eindelijk bezig met het reguleren van een aantal van de oudere ondeugden, zoals nicotine en alcohol. Dat is al moeilijk genoeg geweest – grote industrieën en miljoenen verslaafden hebben zich er decennialang fel tegen verzet. Maar er komen veel nieuwe ondeugden voor in de plaats. Voedingsmiddelenbedrijven maken optimaal gebruik van de verslavende eigenschappen van hun producten: ultrabewerkt voedsel, waarvan gedacht wordt dat het dwangmatig eten stimuleert, is nu goed voor twee derde van de calorie-inname van Britse jongeren. Gokverslaving neemt een hoge vlucht. We horen minder over workaholics dan vroeger, maar dat is misschien alleen maar omdat hun aandoening zo gewoon is; in plaats daarvan horen we over burn-out: het eindresultaat.

    En dan zijn er natuurlijk nog de smartphones, die ons leren hunkeren naar de volgende ping die meldt dat er een bericht binnenkomt, of naar een oplichtende retweet. Die apparaten koppelen ons op hun beurt aan de duizenden verslavende producten die de grootste techbedrijven ter wereld uit de grond stampen. Er zijn gokapps, gameapps en one-click shopping-apps – zelfs het aantal mensen dat verslaafd is aan fitnessapps neemt toe. En dan zijn er natuurlijk ook nog de sociale media, waaraan bijna de helft van de Britse tieners verslaafd is.

    Ondertussen staat Ozempic vooral bekend als een ‘Hollywoodfenomeen’, dat alleen beschikbaar is voor de rijken

    Maar boven deze onvermijdelijke nachtmerrie van dwangmatig werken, dwangmatig eten en dwangmatig klikken hangt een ander soort van leven. Sommigen weten met geld een uitweg uit hun verslaving te vinden, terug naar de ouderwetse realiteit. ­Terwijl de moderne wereld zich ons limbisch systeem binnenvreet, ontstaat er een nieuw soort luxe: vrij zijn van verlangens.

    Het ultieme voorbeeld is misschien wel de snelle groei van het geneesmiddel semaglutide (dat oorspronkelijk werd ontwikkeld voor de behandeling van diabetes). Het wordt behalve bij diabetes ook gebruikt om af te vallen, maar naarmate het aan populariteit wint, beginnen artsen en patiënten iets anders op te merken: semaglutide lijkt ook het verlangen naar alcohol, nicotine en opioïden te verminderen, en misschien zelfs de hang naar dwangmatig gokken en onlinewinkelen.

    Het lijkt niet in te werken op het spijsverteringsstelsel, maar op het verlangen zelf.

    Voor wie semaglutide gebruikt, lonkt dus een alternatieve realiteit. Het is moeilijk om het je voor te stellen: een smartphone hebben maar die niet steeds te hoeven checken, een bus Pringles wegzetten voordat hij leeg is. Want dit is de grootste uitdaging van het moderne leven: zelfbeheersing betrachten tegenover verslavende producten. En ook hier zie je een klassenkloof ontstaan. Natuurlijk zou niet iedereen semaglutide moeten gebruiken – de bijwerkingen worden nog onderzocht – maar de meeste mensen kunnen het zich toch niet veroorloven. Ondertussen staat Ozempic vooral bekend als een ‘Hollywoodfenomeen’, dat alleen beschikbaar is voor de rijken.

    Kloof

    De inkomenskloof is er ook als het gaat om het weerstaan van onlineverslavingen. Nu tijd zonder scherm voor je neus een schaars goed wordt, verdienen sommige bedrijven er geld mee in de vorm van digitale detoxweekenden of opvallend dure dumbphones. Net als scholen. In september begon een privéschool in Cambridge zichzelf te promoten als de eerste ‘schermvrije school’ in Groot-Brittannië. Deze zomer kondigde privéschool Eton aan smartphones te gaan verbieden en nieuwe leerlingen in plaats daarvan Nokia’s te geven. Ondertussen zitten kinderen uit gezinnen met een laag inkomen gemiddeld twee uur per dag meer op hun telefoon dan hun rijkere leeftijdsgenoten.

    Daarbij komt nog het feit dat geld je beschermt tegen allerlei omstandigheden die verslaving in de hand werken. Junkfood is het aantrekkelijkst als je niet de tijd, het geld of de emotionele energie hebt om op zoek te gaan naar gezonde alternatieven: om makkelijk klanten te lokken duiken fastfood­tenten dan ook vaak op in achterstandswijken. Hetzelfde geldt voor wedkantoren. Naast de eindeloos lange wachtlijsten bij de NHS [de openbare gezondheidszorg in Groot-Brittannië] voor therapie of om af te kicken kan een verslavingsbehandeling ook onbetaalbaar worden. We doen soms alsof het weerstaan van gokken, sociale media, zoete lekkernijen en emotioneel shoppen vooral een kwestie van wilskracht is – alsof de economie er niet op gebouwd zou zijn om ons deze dingen op te dringen. In werkelijkheid is het een voorrecht aan het worden dat maar weinigen zich kunnen veroorloven. 

  • De prijs van een duurzame verzorgingsstaat. ‘Btw is hard nodig’

    De prijs van een duurzame verzorgingsstaat. ‘Btw is hard nodig’

    Met stijgende kosten voor pensioenen, zorg en sociale zekerheid worstelen overheden in welvarende landen om hun begrotingen rond te krijgen. Een hogere btw biedt een haalbare oplossing.

    Terwijl overheden in welvarende landen steeds verder groeien, neemt hun effectiviteit af. Devoorzaken hiervan zijn niet eenvoudigvterug te draaien. Het bieden van zorg voor een vergrijzende bevolking, het aanpakken van loonongelijkheid en toenemende uitgaven aan pensioenenen uitkeringen zijn moeilijk verenigbaar. Tussen 1980 en 2022 stegen de sociale uitgaven in deze landen, voor zover meetbaar, van 14 naar 21 procent van het bbp.

    Toch zijn politici terughoudend om fiscale maatregelen te nemen die deze kostenstijgingen kunnen ondervan-gen. In veel gevallen hebben ze belas-tingen zelfs verlaagd. Dit heeft geleid tot hogere leningen en het bezuinigen op publieke diensten om de begroting rond te krijgen, waardoor veel overheidsdiensten op het punt van instorten staan. In delen van Canada wachten kinderen net zo lang op een plek inde crèche als dat ze daadwerkelijk in de crèche zullen doorbrengen. In Groot-Brittannië worden gevangenen vervroegd vrijgelaten door een tekort aan capaciteit. In Duitsland rijdt minder dan twee derde van de langeafstandstreinen op tijd.

    Minst schadelijk

    Politici proberen krampachtig het sociale zekerheidsstelsel in toom te houden, maar om een instorting van openbare diensten of fiscale crises te voorkomen, lijkt een belastingverhoging onvermijdelijk. Een haalbare en economisch minst schadelijke optie zou dan een verhoging van de btw zijn, oftewel een hogere belasting op consumptie. Het goede nieuws is dat meer herverdeling geen mokerslag voor het kapitalisme hoeft te betekenen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld uitbreiding van de ambtenarij of nationalisering van de industrie is het weghalen van geld bij Jan om Piet te betalen een betrekkelijk lichte economische ingreep.

    Als de helft van de overheidsbegroting bestaat uit uitkeringen, is het voor te stellen dat 40 procent van het bbp aan uitgaven opgaat, maar dat slechts 20 procent van de beroepsbevolking bestaat uit ambtenaren. Vanuit een puur economisch perspectief is het herverdelingssysteem kostbaar in die zin dat het prikkels verstoort, vooral door de belastingdruk op arbeid en ondernemingen. Herverdeling en vrije markten kunnen prima naast elkaar bestaan, mits het systeem voorkomt dat potentiële werknemers afhankelijk worden van bijstand en gebruik maakt van ‘effciënte’ belastingen die de prikkels grotendeels intact laten.

    Een grondbelasting zou de beste optie zijn. Helaas gruwen kiezers van dit idee

    Helaas hebben overheden tegenwoordig geen oog voor dit principe. De nieuwe Britse Labour-regering zal naar verwachting volgende maand de belastingen op sparen en investeren verhogen, wat nadelig zal zijn voor de groei. Canada heeft de vermogenswinstbelasting verhoogd, en de nieuwe Franse regering overweegt nieuwe heffingen op bedrijven. In de VS, waar een onverantwoord jaarlijks tekort van 7,3 procent van het bbp bestaat, ontwijken presidentskandidaten de noodzaak om belastingen te verhogen of efficiënter te maken. In plaats daarvan beloven ze verschillende geforceerde maatregelen, zoals het vrijstellen van fooien en, in het geval van Donald Trump, ook overuren van de inkomstenbelasting. Trump wil bovendien het belastingstelsel aanpassen met tarieven die schadelijk zijn voor de internationale handel.

    Politici zouden een andere koers moeten varen en proberen een efficiënter belastingstelsel op te zetten. Een grondbelasting zou de beste optie zijn. Helaas gruwen kiezers van dit idee, mogelijk omdat onroerendgoedbelasting grote, regelmatige betalingen met zich meebrengt. Dan maar de belasting op toegevoegde waarde (btw), een heffing op consumptie die prikkels alleen verstoort doordat bepaalde goederen en diensten zijn vrijgesteld.

    Hoge btw

    De ervaring toont aan dat het eenvoudiger is om de btw te verhogen dan andere efficiënte belastingen – zozeer zelfs dat de Amerikaanse Republikeinse Partij traditioneel tegen deze belasting is, omdat deze de ontwikkeling van een verzorgingsstaat vergemakkelijkt. (In de VS bestaan, opmerkelijk genoeg, alleen staatsbelastingen.) In 2011 verhoogde Groot-Brittannië zijn btw-tarief van 17,5 procent naar 20 procent. Publieke protesten bleven goeddeels uit. Een hoge btw heeft Scandinavische landen lange tijd geholpen om een grote overheid te combineren met bloeiende markteconomieën, met tarieven van 24 of 25 procent, die tot de hoogste in de welvarende wereld behoren. Estland verhoogt zijn btw in vergelijkbare mate om meer defensie-uitgaven te kunnen dekken.

    Een overheid die aan obesitas lijdt, heeft de btw hard nodig

    Een veelgehoord argument tegen de btw is dat deze regressief is, omdat de armen een groter deel van hun inkomen besteden dan de rijken. Maar de armen hebben ook het meest te winnen bij betere openbare diensten en snellere economische groei. Bovendien is btw minder regressief wanneer ze wordt afgezet tegen levenslang inkomen in plaats van het jaarlijkse inkomen; belastingverhogingen treffen rijke gepensioneerden die hun vermogen uitgeven en geen belasting meer betalen op arbeid.

    Een ander bezwaar tegen een verhoging van de btw is dat dit leidt tot prijsstijgingen en dus inflatie. Maar de inflatie is aanzienlijk afgenomen, en bij een geleidelijke verhoging zijn de effecten goed te beheersen. Wanneer publieke diensten in elkaar storten en schulden de pan uit rijzen, is er geen houden meer aan. Dan wordt de kiezerswoede onvermijdelijk en komen economieën in zwaar weer. De btw is geen wondermiddel, maar in vergelijking met weinig andere belastingen kan het helpen om publieke diensten te behouden nu de bevolking veroudert, en om een omvangrijke overheid te financieren zonder het vrije ondernemerschap te beperken. Een overheid die aan obesitas lijdt, heeft de btw hard nodig.

  • Hoe kom je van een dictator af?

    Hoe kom je van een dictator af?

    Dictators, van Poetin tot Kim Jong-un, lijken steviger in het zadel te zitten dan ooit. ‘De eenentwintigste eeuw zal in het teken staan van de confrontatie tussen dictatuur en democratie’, schrijft Marcel Dirsus, politicoloog en de auteur van het boek How Tyrants Fall.

    Vorige zomer reden duizenden Russische soldaten met zware wapens ‘in de verkeerde richting’ over de weg van Oost-Oekraïne naar Moskou. Militieleider Jevgeni Prigozjin was in opstand gekomen en rukte met Poetins eigen strijdkrachten tegen hem op. Heel even leek het alsof dit de val van het regime kon inluiden. De dreiging was zo reëel dat Poetin-getrouwe strijdkrachten aan de rand van Moskou versterkingen aanlegden en met gepantserde voertuigen in de stad patrouilleerden. Toen de luchtmacht de opmars van de rebellen probeerde te stuiten, haalden Prigozjins mannen enkele helikopters en een vliegtuig neer.

    Maar nog geen vierentwintig uur later was het alweer gedaan met de muiterij. En nog twee maanden later was Prigozjin dood. Het had Poetin niet zijn ambt, zijn vrijheid of zijn leven gekost, vanuit zijn paleis regeert hij nog steeds en lijkt hij zelfs steviger in het zadel te zitten dan ooit. De prijs voor zijn machtsbehoud wordt betaald door de Russen die hij onderdrukt en de Oekraïners die hij de dood in jaagt.

    Bepalende factoren

    Veel dictators hebben in het verleden minder geluk gehad. De Tunesische oud-president Ben Ali werd uit zijn land verdreven. Nicolae Ceaușescu, die meer dan twintig jaar de scepter zwaaide over Roemenië, werd terechtgesteld. Welke factoren bepalen of een tiran aan de macht blijft dan wel wordt afgezet?

    Dictators worden dagelijks wakker met een hoofd vol zorgen over iedereen die hen naar het leven staat. Van buitenaf kan het lijken alsof ze hun land in een ijzeren greep hebben, maar intern woedt er in zulke regimes een voortdurende strijd tegen het verval, want overal zitten vijanden en de hele boel kan ieder moment instorten.

    Het komt er simpelweg op neer dat tirannen die aan de macht willen blijven, moeten zorgen dat ze de steun behouden van de mensen met geld (de elites) en de mensen met wapens (de generaals). Poetin had de greep op Prigozjin misschien verloren, maar de elite en de generaals bleven hem trouw en daarom zit hij er nog. Toen de crisis tot uitbarsting kwam, lukte het Prigozjin niet om andere hoofdrolspelers van Poetin los te weken. Was hij daar wel in geslaagd, dan had niet hem maar Poetin zelf een voortijdige dood gewacht. Nu heeft de leider van de Wagner-groep aan den lijve ondervonden dat er geen grotere gok bestaat dan een opstand tegen een dictator. Als je die verliest, verlies je ook alles.

    Het constante probleem voor Poetin en andere dictators is dat ze nooit echt veilig zijn

    Het constante probleem voor Poetin en andere dictators is dat ze nooit echt veilig zijn. De steun van de elite en de loyaliteit van de generaals is duur en vereist vaak strategieën waarmee de machthebbers het volk van zich vervreemden. Dan kan de ontevreden massa in opstand komen. En als dat gebeurt, zoals in Tunesië in 2011 en Roemenië in 1989, kan het in een oogwenk voorbij zijn.

    De Tunesiërs en de Roemenen hadden iets heel belangrijks begrepen: om van een dictator af te komen, moet je de verdeeldheid binnen het regime opstoken. Als de straten vol burgers staan en de tiran bevel geeft het vuur te openen, staan de loyalisten voor een keuze: volgen ze die orders op en doden ze hun eigen burgers, of weigeren ze dat? Met scherp schieten op ongewapende burgers kan een opstand ontketenen die niet meer te stuiten is. Anderzijds is elk bevel dat niet wordt opgevolgd een duidelijk signaal van zwakte en interne verdeeldheid. In zo’n situatie zullen hoofdrolspelers binnen het regime zich soms op hun rol bezinnen. Iedereen staat het liefst aan de kant van de winnaar.

    Opties

    Om een regime omver te werpen moet je zelf macht hebben en niet te ver van het centrum van de macht staan. In Rusland kan het hoofd van de Nationale Garde meer bereiken dan een lagere ambtenaar in de hoofdstad, die op zijn beurt weer meer invloed heeft dan een winkelier in Jekaterinenburg of in het Aziatische deel van het land. Het buitenland heeft niet veel invloed, maar kan meehelpen door de positie van de dictator te verzwakken, het volk te steunen en sleutelfiguren die het systeem overeind houden enerzijds het leven zuur te maken en anderzijds een uitweg te bieden.

    Dat betekent brede sancties die de dictator beroven van de mogelijkheid om geld uit te delen aan de elite en de generaals, en maatregelen die de aanschaf bemoeilijken van de wapens waarmee protesten worden neergeslagen en de technologie waarmee tegenstanders worden bespioneerd. Als revolutionairen een plek nodig hebben om hun beweging te organiseren vanuit het buitenland, moeten ze die krijgen. Leden van het regime moeten worden gestimuleerd om over te lopen door geld en veiligheidsgaranties te bieden. Dissidenten moeten een brede coalitie smeden en de straat opgaan. Als ze zich kunnen mobiliseren, met name in de hoofdstad en andere grote steden, dan kan het systeem daaronder bezwijken.

    Zo’n aanpak haalt helaas weinig uit bij de diepst verankerde en meest gewelddadige regimes, zoals in het Rusland van Poetin, het Noord-Korea van Kim Jong-un en het China van Xi Jinping. Daar valt het volk nauwelijks nog te mobiliseren. Zelfs al zouden grote aantallen Russen, Noord-Koreanen of Chinezen hun leiders willen afzetten, het is daar praktisch onmogelijk om grote demonstraties te organiseren. En als demonstraties wel mogelijk waren, zouden ze het regime niet per se aan het wankelen brengen. Dat zou waarschijnlijk reageren met grof geweld, zodat het uitloopt op een bloedbad, maar geen verandering teweegbrengen.

    Als je maar geduld oefent, zullen zulke regimes op den duur vanzelf gaan wankelen

    Buitenstaanders hebben dan twee opties: geweld gebruiken, of geduld oefenen en zich voorbereiden op de dag dat de dictator een fout maakt die kan worden uitgebuit. Geweld, zowel openlijk als achter de schermen, is meestal geen aantrekkelijke optie, het kan contraproductief zijn of zelfs rampzalig uitpakken. Zelden is een democratie voortgekomen uit de loop van een buitenlands geweer. Maar alle dictators maken fouten, omdat het ook maar mensen zijn en omdat ze werken in een systeem waarin ze vaak van slecht nieuws worden afgeschermd: niemand wil de boodschapper zijn wiens slechte nieuws hem de kop kost. Als je maar geduld oefent, zullen zulke regimes op den duur vanzelf gaan wankelen. En als het zover is, kan een uitgekiende combinatie van steun geven en druk zetten net het zetje geven dat van een wankele despoot een oud-dictator maakt.

    De eenentwintigste eeuw zal in het teken staan van de confrontatie tussen dictatuur en democratie. De dictaturen maken nu nog een sterke indruk. Maar alle mensen verdienen inspraak in de manier waarop ze worden bestuurd. Waar mogelijk moeten democratieën steun geven aan dappere burgers die zich verzetten tegen onderdrukking en alle beschikbare middelen inzetten om dictaturen het leven zo moeilijk te maken dat ze sneller bezwijken onder de druk. Het lijkt er nu misschien niet op, maar vaak is het slechts een kwestie van tijd voordat tirannen – en de standbeelden die ze voor zichzelf oprichten – ten val komen.

  • Wie productiever wil leven moet minder multitasken

    Wie productiever wil leven moet minder multitasken

    In onze snelle, door technologie gedreven wereld lijkt multitasken de norm geworden, maar journalist Oliver Burkeman daagt je uit om één ding tegelijk te doen.

    Een paar maanden geleden stond ik op de rand van een zenuwinzinking; de lasten van het leven waren me te veel en ik leed aan omgevingsstress – een aandoening die in de jaren 2020 gewoon bij het leven lijkt te horen. In een poging mijn geestelijke gezondheid te behouden – of misschien wel terug te krijgen – ging ik een persoonlijke uitdaging aan. Andere mensen zouden op zo’n moment misschien meedoen aan een slopende triatlon of op een intensieve meditatieretraite gaan. Ik daarentegen besloot geen podcasts of muziek meer te luisteren tijdens het hardlopen, het autorijden, het uitruimen van de vaatwasser, noem maar op. Ik besloot me, met andere woorden, slechts te concentreren op wat ik nou eigenlijk aan het doen was, om maar één ding tegelijk te doen.

    Het was verrassend moeilijk. En mocht je het lollig vinden dat ik zo’n onbenullige verandering van mijn gewoonten ervoer als een groot existentieel gevecht, dan wacht ik wel even tot je bent uitgelachen, maar daarna zou ik je willen verzoeken: probeer het maar eens. Zoek uit welke trucjes jij gebruikt om te vermijden dat je aandacht honderd procent ligt bij wat het ook is dat je op dat moment doet, en laat die een week of twee achterwege. Dan kom je er misschien net als ik achter dat je, zonder het zelf in de gaten te hebben gehad, verslaafd was aan verschillende dingen tegelijk doen. En misschien ben je het dan ook met me eens dat de kunst om je leven te leiden als een opeenvolging van bezigheden – om de dingen een voor een te doen en de daaruit voortvloeiende confrontatie met onze menselijke beperkingen aan te gaan – weleens een van de meest cruciale vaardigheden zou kunnen zijn om overeind te blijven in de onzekere, crisisgevoelige toekomst die we met zijn allen tegemoetgaan.

    De neiging om te multitasken is overigens niets nieuws. ‘We denken met een horloge in de hand,’ klaagde Nietzsche al in 1887, ‘zelfs tijdens het middageten, terwijl we het laatste nieuws van de beurs lezen.’ En we weten ook al heel lang dat multitasken eigenlijk niet werkt. Je hebt vast weleens een artikel gelezen – terwijl je misschien met een half oog televisiekeek – over onderzoek dat uitwijst dat echt multitasken niet eens kán; in feite wisselt onze aandacht razendsnel tussen verschillende focuspunten zonder dat we ons daarvan bewust zijn, terwijl dat elke keer een grote mentale inspanning vereist. Uit een onderzoek onder chauffeurs bleek dat bij maar 2,5 procent van de deelnemers de prestaties er niet op achteruitgingen als ze twee dingen tegelijkertijd probeerden te doen. De rest van de mensen doet beide dingen gewoon veel slechter.

    Beladen met een enorme hoeveelheid werk zie je soms geen andere optie dan je aandacht dan maar te verdelen

    De druk die je voelt om te multitasken lijkt soms opgelegd van buitenaf. Beladen met een enorme hoeveelheid werk zie je soms geen andere optie dan je aandacht dan maar te verdelen. En als de problemen in de wereld om je heen je ook nog ter harte gaan, dan zijn er momenteel zo veel redenen tot ongerustheid – het klimaat, de staat van de democratie, de dreiging van artificiële intelligentie en het risico van een kernoorlog, om er maar een paar te noemen – dat multitasken een plicht lijkt voor iedere rechtgeaarde burger.

    Technologische ontwikkelingen voeren de druk nog verder op. Degenen onder ons die niet zijn opgegroeid in een digitale wereld kunnen zich een tijd herinneren dat we geen sociale media tot onze beschikking hadden om onszelf af te leiden van minder plezierige taken, een tijd waarin we door de aard van de voorhanden zijnde middelen en werkwijzen – de reguliere post bijvoorbeeld, of een bezoek aan de bibliotheek om research te doen – minder druk ervoeren van werkgevers of klanten om de grenzen van onze beperkte aandachtsspanne te overschrijden.

    Maar filosofen en spiritueel leraren hebben lang geleden al begrepen dat onze neiging om nooit geheel te willen opgaan in één bezigheid diepgeworteld is en voortkomt uit onze strijd tegen de sterfelijkheid.

    De hindoeïstische mysticus Patanjali bijvoorbeeld beschouwde één ding tegelijk doen als een kernonderdeel van yoga, waaruit blijkt dat mensen dat tweeduizend jaar geleden dus ook al niet makkelijk vonden. We verzetten ons tegen onze unipresence, zoals Jordan Raynor, een christelijke schrijver van boeken over productiviteit, het noemt, dat wil zeggen: ons onvermogen om ons op meer dan één plek tegelijk te bevinden, met als tegenpool de omnipresence die aan God wordt toegeschreven. En we komen in opstand tegen de korte duur van ons verblijf op aarde, dat gemiddeld maar zo’n vierduizend weken beslaat. Dit veroorzaakt een onplezierig gevoel van beperktheid, aangezien het betekent dat er altijd veel meer zal zijn wat we zouden kúnnen doen dan wat we daadwerkelijk zúllen doen. De keuze om een deel van onze tijd aan een bepaalde bezigheid te spenderen betekent automatisch de opoffering van talloze andere dingen die we in die tijd hadden kunnen doen.

    Dit verklaart de aantrekkingskracht van het multitasken: het behelst de loze belofte dat we de ketenen van onze eindigheid op een of andere manier kunnen afwerpen. We vertellen onszelf dat we met voldoende zelfdiscipline en de juiste tijdmanagementstrucs uiteindelijk alles aankunnen en een goed gevoel over onszelf zullen hebben. Hoewel je het gevoel kunt hebben dat het zich vlak om de hoek bevindt, komt dat Utopia er natuurlijk nooit. De enige manier om in een overweldigende wereld gezond van zinnen te blijven – en enige concrete invloed op die wereld te kunnen hebben – is niet langer te proberen om aan de condition humaine te ontsnappen en in plaats daarvan de realiteit van onze beperkingen onder ogen te zien. Dat is de ongemakkelijke waarheid.

    Als je jezelf afleidt van lastige taken door bijvoorbeeld podcasts te luisteren, worden die taken niet beter te verdragen

    Als je jezelf afleidt van lastige taken door bijvoorbeeld podcasts te luisteren, worden die taken niet beter te verdragen; integendeel, ze worden juist vervelender, doordat je ervan overtuigd raakt dat je ze slechts kunt verdragen als je jezelf daarbij afleidt. En ondertussen zul je de taak in kwestie niet naar behoren uitvoeren noch goed kunnen luisteren naar de inhoud van die podcast.

    Wie meer taken gedaan wil krijgen, moet leren om het grootste deel daarvan te laten wachten en zijn aandacht slechts te richten op een ervan. ‘Dat is het “geheim” van mensen die “zo veel dingen gedaan krijgen” en ook nog eens zo veel ogenschijnlijk moeilijke dingen,’ schrijft de managementgoeroe Peter Drucker in zijn boek The Effective Executive. ‘Ze doen maar één ding tegelijk.’ Om verschil te kunnen maken op één bepaald terrein moet je jezelf toestaan je niet in gelijke mate te bekommeren om alle andere terreinen.

    Er zal altijd te veel te doen zijn, wat je ook doet. Maar het voordeel van dit ogenschijnlijk ontmoedigende feit is dat je het jezelf dus ook niet kwalijk hoeft te nemen als het je niet lukt om alles te doen, en jezelf evenmin onder druk hoeft te zetten om het tempo bij te benen door eens even flink te gaan multitasken.

    In plaats daarvan kun je je beperkte tijd, energie en aandacht steken in een handvol bezigheden die er echt toe doen. Daar zul je dan ook nog eens meer van genieten. Dat het me inmiddels lukt om in het hier en nu te zijn terwijl ik hardloop, autorijd of kook is niet te danken aan een nieuw verworven spirituele vaardigheid. Nee, het komt gewoon doordat ik besef dat ik toch nergens anders kan zijn dan hier en nu, zodat ik de stressvolle pogingen om mezelf van iets anders te overtuigen, maar beter achterwege kan laten.

  • Thomas Piketty: ‘Zonder duidelijk doel loopt de Europese Unie vast’

    Thomas Piketty: ‘Zonder duidelijk doel loopt de Europese Unie vast’

    Met de dood van Jacques Delors eind 2023 slaat Europa een bladzijde om in zijn geschiedenis. Tijd dat we een kritische balans opmaken en lessen trekken voor de EU-verkiezingen in juni, schrijft Thomas Piketty.

    De Europese Akte (1986) met vrij verkeer van goederen en diensten, de Europese richtlijn (1988) over de liberalisering van kapitaalstromen, het Verdrag van Maastricht (1992): het is een understatement om te zeggen dat het Europa dat we nu kennen in de tijd van Jacques Delors, toen voorzitter van de Europese Commissie, is gevormd. Vooral het Verdrag van Maastricht is fundamenteel. Het vormde de Europese Economische Gemeenschap om tot één Unie. En het introduceerde één gemeenschappelijke munt: de euro werd in 1999 van kracht in de financiële sector en in 2002 beschikbaar voor particulieren.

    De daaropvolgende Europese Grondwet (2005) werd per referendum verworpen in Nederland (61,54 procent tegen) en Frankrijk (54,67 procent tegen). Het werd vervolgens met parlementaire middelen alsnog ingevoerd in de vorm van het Verdrag van Lissabon (2007), maar het kende eigenlijk geen grote nieuwigheden – het verdrag consolideerde vooral enkele cruciale besluiten die al tussen 1986 en 1992 waren genomen. Het begrotingsverdrag van 2012 scherpte criteria aan inzake schulden en tekorten, wederom zonder centrale innovatie.

    Verwaarloosde kwestie

    Wie wil begrijpen wat er op het spel stond in de Europese onderhandelingen die tussen 1985 en 1995 zijn gevoerd, leest het naslagwerk dat Rawi Abdelal in 2007 publiceerde (Capital rules. The construction of global finance). Gebaseerd op tientallen diepgaande interviews met de belangrijkste politieke spelers en hoge Europese functionarissen uit die tijd, in het bijzonder Jacques Delors, analyseert Abdelal met finesse de toekomstvisies en de onderhandelingsmarges van alle betrokken partijen.

    Samenvattend kunnen we stellen dat de Franse socialisten destijds erop gokten dat de euro en de Europese Centrale Bank (ECB), een machtige federale instelling die haar beslissingen bij meerderheid van stemmen neemt, uiteindelijk de creatie van een Europese publieke macht mogelijk zou maken. Die zou in staat zijn om de economische krachten effectiever te reguleren dan de linkse regering die sinds 1981 in Frankrijk aan de macht was.

    Om dit resultaat te bereiken, gaven de Franse socialisten gehoor aan de centrale eis van de Duitse christendemocraten. Die pleitten voor een liberalisering van de kapitaalstromen zonder enige publieke regulering, én zonder enige gemeenschappelijke belastingheffing. Een cruciale kwestie, die grotendeels werd verwaarloosd door François Mitterrand en Jacques Delors tijdens de onderhandelingen. Daarmee was de basis voor een compromis gelegd.

    Meederheidsbesluiten

    Dertig jaar later zijn de resultaten van deze innovaties genuanceerd. Enerzijds speelde de ECB een centrale rol bij het voorkomen van een ineenstorting na de financiële crisis van 2008 en de coronapandemie. Na aanvankelijke fouten tijdens de Griekse crisis, stelden meerderheidsbesluiten de ECB in staat om nationale veto’s – met name Duitsland – terzijde te schuiven, om snel en effectief aanzienlijke bedragen te mobiliseren om de Europese economie te stabiliseren en de crisis terug te dringen.

    ‘De Europese regels voor vrij verkeer van kapitaal bleken zo extreem dat zelfs het IMF ervoor terugschrok’

    Niemand weet wat er zou zijn gebeurd zonder gemeenschappelijke munt. Het is duidelijk dat de euroloze Scandinavische landen het niet zo slecht hebben gedaan. Toch stelt geen enkele geloofwaardige politicus vandaag een terugkeer naar de Franse franc of Nederlandse gulden voor.

    Aan de andere kant begrijpt iedereen dat geldschepping niet alle problemen oplost. Centrale banken zijn vooral bereid om banken en bankiers te redden, in plaats van investeringen in onderwijs, gezondheidszorg of het klimaat toe te staan. Daarmee dragen ze bij aan het concentreren van de rijkdom, aangezien de rijksten profiteren van de groei van aandelenmarkten die mogelijk gemaakt is door aandelenterugkoop, terwijl de inflatie het spaargeld van de armsten wegvaagt.

    Parlementaire unie

    De Europese regels voor vrij kapitaalverkeer uit 1992 bleken zo extreem en destabiliserend dat zelfs het IMF na de Aziatische crisis van 1997 en de crisis van 2008 besloot bepaalde controles op kapitaal voor kortetermijnstromen opnieuw in te voeren. De Europese regels dragen daarnaast bij aan het verergeren van belastingdumping: eindeloze verlagingen van bedrijfsbelastingen, ontwikkeling van belastingparadijzen en structurele onderbelasting van miljardairs en multimiljonairs.

    Hoe moeten we nu omgaan met dit complexe, Europese erfgoed? Ten eerste moeten we tot doel stellen dat zich binnen de EU een harde kern van landen vormt, die bij meerderheid besluiten kan nemen over belastingtechnische, begrotings- en milieu-aangelegenheden. Zelfs als deze ‘Europese Parlementaire Unie’ niet onmiddellijk het levenslicht ziet, moet zij een centraal doel blijven om naar te streven.

    Landen zullen, in afwachting van het vinden van een compromis, substantiële unilaterale maatregelen moeten nemen om intra-Europese en buiten-Europese fiscale, sociale en ecologische dumping tegen te gaan. Dit zal complexe maar overkomelijke crises veroorzaken, maar dit is onvermijdelijk als we aan de huidige blokkades willen ontsnappen.

  • Er moet meer tijd, geld en aandacht komen voor de afvang en opslag van CO₂

    Er moet meer tijd, geld en aandacht komen voor de afvang en opslag van CO₂

    Afvang en opslag van CO₂ zijn volgens experts van cruciaal belang voor het tegengaan van klimaatverandering, maar nu nog moeilijk te realiseren. Er is daarom grote vraag naar innovatieve technologieën die hierbij kunnen helpen.

    De aarde is zelfredzaam, oeroud en voortdurend ten prooi aan verandering. Alles wat op en onder het aardoppervlak gebeurt maakt deel uit van een eindeloze cyclus. Dat betekent dat tegenover elke verandering waarbij grondstoffen worden verbruikt een andere verandering moet staan die diezelfde grondstoffen weer aanvult. De basiselementen van het leven, zoals koolstof en stikstof, bewegen op die manier kringloop door levende wezens, door zeeën, land en lucht. Zelfs de aardkorst wordt gerecycled. Nieuwe aardkorst wordt aangemaakt waar tektonische platen van elkaar wegdrijven (meestal in het midden van de oceaan) en gesmolten gesteente uit de aardmantel eronder naar boven komt om het gat op te vullen. Oude aardkorst wordt vernietigd waar twee platen tegen elkaar aan duwen en een van de twee onder de andere schuift en in de aardmantel terug wordt gedrukt. Al miljarden jaren malen de raderen van deze grote cyclus langzaam rond. Maar een enkele keer hapert er iets. De rotsachtige pieken in het oosten van het Arabisch schiereiland zijn daar een voorbeeld van.

    Geologen hebben op het Arabisch schiereiland vooral oog voor het uitgestrekte sedimentatiebekken van de Perzische Golf en de landen daaromheen. In dat bekken is diep in de aarde organisch materiaal onder hitte en grote druk ingekookt tot onmetelijke hoeveelheden olie en gas die weer langzaam naar boven zijn gesijpeld en nu in steenlagen niet ver onder de oppervlakte zitten. Winstgevend gesteente om te onderzoeken. Helaas heeft de ontginning van dit en ander brandstofrijk gesteente elders op aarde het klimaat danig verstoord. In Dubai, een stad die met de opbrengst van die bodemschatten is gebouwd, kwamen de regeringen van de wereld op 30 november onderhandelen over maatregelen tegen het verstoorde klimaat, op de 28ste conferentie (COP28) over de uitvoering van het klimaatverdrag van de VN.

    Al is onze CO2-productie nog zo hoog, de biologische koolstofkringloop blijft een stuk omvangrijker

    Maar wie geïnteresseerd is in haperingen in de plaattektoniek, moet naar het Hadjargebergte in het oosten. In een vroeg stadium van de botsing tussen de Arabische en de Euraziatische plaat is een stuk oceaanbodem tussen de twee platen vast komen te zitten, wat er normaal gesproken toe zou leiden dat dit deel van de aardkorst terug in de mantel wordt geduwd. Maar in dit geval is het gesteente niet omlaag maar omhoog geduwd, als een houtkrul uit de schaaf van een timmerman. Daardoor is die zeebodem, overwegend basalt, plus een deel van de mantel waarop die had gerust, van de verwante steensoort peridotiet, nu aan de lucht blootgesteld. De zeebodem is mettertijd gebergte geworden.

    Zoals alle bergen zijn ook deze ten prooi aan erosie, eveneens een onderdeel van de grote kringloop. Door de erosie wordt er continu nieuw gesteente aan de lucht blootgesteld, en dat gesteente onttrekt CO2 aan die lucht in een proces dat chemische verwering wordt genoemd. Als de basische mineralen in het gesteente in contact komen met regen- en grondwater dat licht verzuurd is door de daarin opgeloste CO2, doet zich een reactie voor waaruit carbonaten zoals kalksteen ontstaan. Vooral het peridotiet in het Hadjargebergte is vatbaar voor deze verwering. Dat donkere gesteente is er doorschoten met witte kalksteenaders.

    Chemische verwering is niet de snelste vorm van natuurlijke CO2-opslag. De fotosynthese waar planten op het land en algen en bacteriën in zee hun energie uit halen, werkt op veel grotere schaal en onttrekt jaarlijks ruim driehonderd keer zoveel CO2 aan de atmosfeer. Maar die blijft er niet lang aan onttrokken. Op een tijdsschaal van dagen tot eeuwen wordt die CO2 weer teruggegeven aan de lucht door de planten zelf, de dieren die ze eten en de bodem waarin ze vergaan. De geologische koolstofcyclus verloopt een stuk trager. Carbonaatgesteente zoals dat in het Hadjargebergte blijft honderden miljoenen jaren stabiel.

    Verduurzamingsstrategie

    Tot voor kort was ADNOC, de nationale oliemaatschappij van de Verenigde Arabische Emiraten, in haar geologisch denken vooral gericht op het omhooghalen van olie en gas uit het rijke sediment van de Perzische Golf. Maar inmiddels denken ze ook aan de mogelijkheid om CO2 in de aarde terug te stoppen, en wel in het peridotiet van het Hadjargebergte. In de heuvels boven Fujairah, een stad aan de Golf van Oman, werkt ADNOC met de Omaanse startup 44.01 aan een test met een fabriek die CO2 diep in het gesteente moet injecteren, op zo’n manier dat het daar tot carbonaat versteent. Musabbeh Al Kaabi, hoofd Koolstofarme Oplossingen bij ADNOC, ziet de investering van zijn bedrijf in deze snelle steenvorming als onderdeel van een brede verduurzamingsstrategie van de olie-industrie, een strategie die ervoor moet zorgen dat de industrie zijn ‘onmisbare grondstof zo duurzaam mogelijk’ kan leveren.

    Het experiment in Fujairah is een van de nieuwe pogingen die wereldwijd worden ondernomen om een andere verstoring in de grote wereldwijde kringlopen ongedaan te maken: de verplaatsing van fossiele brandstoffen door de mens van hun stille rustplaats onder de grond naar de reuring van de dampkring. Als gevolg van de activiteiten van de mens heeft zich daar al grofweg een triljoen ton aan CO2 opgehoopt. En die hoeveelheid groeit jaarlijks met net geen 20 miljard ton. Om een indruk te krijgen van de schaal kun je dit vergelijken met andere planetaire kringlopen: die groei gaat zo’n zestig keer sneller dan dat het gesteente van de aarde CO2 aan de lucht onttrekt met chemische verwering, en ongeveer een tiende zo snel als er nieuwe biomassa wordt aangemaakt door fotosynthese. Dat een onbedoeld neveneffect van onze industrie in zijn koolstofflux überhaupt enigszins vergelijkbaar is met de processen die al het leven op aarde mogelijk maken, is buitengewoon.

    Het lijkt misschien ook geruststellend: al is onze CO2-productie nog zo hoog, de biologische koolstofkringloop blijft een stuk omvangrijker. Kan die niet simpelweg vergroot worden om dat beetje extra te absorberen dat wij produceren? Nee, helaas. De biologische koolstofkringloop is omvangrijk, maar ook uitgebalanceerd. De snelheid waarmee CO2 uit de lucht wordt gehaald door fotosynthese stemt bijna precies overeen met de snelheid waarmee de andere processen van het leven op aarde CO2 aan de dampkring teruggeven. Sinds die natuurlijke uitstoot vermeerderd werd met de CO2 van fossiele brandstoffen, heeft de fotosynthese manmoedig geprobeerd die toename bij te benen en er zoveel mogelijk van op te slurpen. Maar de aarde kan die hoeveelheid niet aan. Fotosynthese kan maar ongeveer een derde van de uitstoot van onze industrie en landbouw verwerken.

    Wat uit de aarde is gehaald kan er ook weer terug in worden gestopt om de balans te herstellen

    Door de ophoping van CO2 in de dampkring is de temperatuur van de aarde al met circa 1,2 graden gestegen. Die stijging zal doorgaan tot er een eind komt aan die ophoping, dat wil zeggen tot onze jaarlijkse toevoeging aan de CO2 in de dampkring min of meer tot nul is teruggebracht. Daarom hebben alle regeringen van de wereld op de klimaatconferentie van Parijs in 2015 afgesproken om daarnaar te streven.

    Dat betekent vooral dat de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen moet worden teruggedrongen. Maar de uitstoot van sommige sectoren, zoals de oceaanscheepvaart, sommige soorten landbouw en verschillende industriële processen, lijkt niet binnen afzienbare tijd te verhelpen. In het akkoord van Parijs stond dan ook dat stabilisatie niet per se een kwestie van nul uitstoot hoeft te zijn: het kan ook bereikt worden door middel van ‘een evenwicht tussen antropogene emissies (…) en verwijdering’ van CO2 uit de atmosfeer. De categorie ‘moeilijk terug te dringen’ uitstoot van broeikasgassen zou gecompenseerd mogen worden met opvang van CO2 die zich al in de atmosfeer bevindt. Met het project in Fujairah wil men een van de manieren demonstreren waarop wat uit de aarde is gehaald er ook weer terug in kan worden gestopt om de balans te herstellen.

    Netto nul

    Dat is de logica van ‘netto nul’. In 2015 had nog maar één land netto nul als doel van zijn economisch beleid geformuleerd: Bhutan. Dat heeft inmiddels navolging gekregen van 101 landen die samen goed zijn voor net iets meer dan tachtig procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Uit rechtse hoek klinkt steeds luider protest tegen deze ‘netto nul’-doelstellingen, met als argument dat maatregelen om de uitstoot terug te dringen te duur of hinderlijk of allebei zijn. Terwijl zij die de opwarming van de aarde sinds de industriële revolutie onder de twee graden willen houden, zoals in het Parijs-akkoord is afgesproken, weten dat de stappen die worden gezet om netto nul te bereiken nog lang niet ambitieus genoeg zijn. Zoals uit het voor COP28 gepubliceerde Emissions Gap Report van het milieuprogramma van de VN blijkt, bereikt geen van de G20-landen met zijn maatregelen tegen uitstoot het tempo dat nodig is om hun ‘netto nul’-doelstelling te halen.

    Veel minder zorgen maakt men zich over het achterblijven van de doelstellingen voor afvang van CO2. Weinig politici die naar netto nul zeggen te streven, beseffen hoe belangrijk de afvang en opslag van CO2 daarbij is. En van de weinigen die dat wel beseffen, zijn er maar weinig die inzien hoe groot de opgave is. Zelfs als de uitstoot met 90 procent wordt teruggedrongen, komen er nog altijd zoveel broeikasgassen de atmosfeer in dat het opvangen van genoeg CO2 om het evenwicht te herstellen een enorme klus wordt. Willen we een redelijke kans maken om de opwarming onder de twee graden te houden, zo wijst onderzoek van het Intergovernmental Panel on Climate Change uit, dan zou het verstandig zijn om te streven naar 5 miljard ton extra afvang van CO2 uit de atmosfeer per jaar. Volgens een rapport van een internationaal team wetenschappers uit 2023 is er in 2020 2,3 miljoen ton aan CO2 duurzaam opgeslagen (de aanplant van bossen niet meegerekend, omdat die ook nauwelijks verder kan worden opgeschaald), ofwel ongeveer twee duizendste van de doelstelling voor 2050. De installatie bij Fujairah heeft in de proeffase een capaciteit van maar duizend ton per jaar.

    Nieuwe vormen van duurzame opslag moeten veel sneller worden opgeschaald dan nu gebeurt

    Nieuwe vormen van duurzame opslag moeten veel sneller worden opgeschaald dan nu gebeurt. En ze moeten vertrouwen winnen. Veel van de mensen die beseffen dat afvang en opslag van CO2 nodig zijn, blijven niettemin sceptisch over de technologie, niet in de laatste plaats omdat die door de olie-industrie gepropageerd wordt. Al Kaabi’s visie van een wereld die vrij is om ‘op de meest duurzame wijze’ olie te blijven gebruiken en produceren is niet populair bij mensen die vinden dat het nodig is om met het gebruik van alle fossiele brandstoffen te stoppen. En de voor COP28 gekozen locatie onderstreept dat pijnpunt.

    Een van de redenen waarom oliemaatschappijen hierin vooropgaan, is dat zij expertise hebben met de opslag en winning van vloeistoffen in de aardkorst. Bovendien hebben ze diepe zakken, en de opslag van CO2 lijkt voorlopig een kostbare aangelegenheid te worden. De voor de hand liggende manier om dit efficiënt te financieren is via de markt. Maar geen van de bestaande CO2-markten kan deze taak aan. Dat betekent dat de ‘netto-nul’-strategie die het grootste deel van de wereld heeft omarmd niet alleen afhankelijk is van technologieën voor afvang en opslag van CO2 die nu nog in de kinderschoenen staan, maar ook van de vorming van een CO2-economie die dit economisch rendabel maakt. Het klimaatbeleid stelt dat mensen, hun regeringen en hun economie in de grote kringlopen van de planeet kunnen en moeten worden geïntegreerd. De grote vraag is alleen nog hoe dan moet gebeuren.

    Vijay Vaitheeswaran is adviseur duurzaamheid en innovatie voor het World Economic Forum (WEF) in Davos. Hij is te horen op NPR en de BBC, schrijft voor vooraanstaande dagbladen en trad op als spreker bij TED-talks, Aspen Ideas en AAAS-conferenties.

  • Superrijken handelen steeds egoïstischer. Wat betekent dat voor de samenleving?

    Superrijken handelen steeds egoïstischer. Wat betekent dat voor de samenleving?

    Vandaag de dag verzetten de allerrijksten zich tegen belastingverhogingen en financieringen voor hulpprogramma’s, wat historisch gezien uitzonderlijk is. Volgens econoom Guido Alfani snijdt de elite zichzelf hiermee in de vingers.

    Gedurende een groot deel van de westerse geschiedenis zijn de rijkste mensen door hun gemeenschap met scheve ogen bekeken en hebben ze geprobeerd in een gunstiger daglicht te komen door hun samenleving financieel te hulp te schieten in tijden van crisis, zoals tijdens epidemieën, hongersnoden en oorlogen. Deze symbiotische relatie bestaat niet meer. De hedendaagse rijken, die hun vermogen over het algemeen veilig door de Grote Recessie van 2008 en de recentere coronapandemie hebben geloodst, verzetten zich tegen pogingen om hun rijkdom af te romen voor de financiering van allerlei hulpprogramma’s.

    Dit is historisch gezien uitzonderlijk. Het financieel bijspringen tijdens grote crises is lange tijd de belangrijkste sociale functie van de rijken binnen de westerse cultuur geweest. Wanneer in het verleden het idee bestond dat de rijksten ongevoelig waren voor de benarde toestand waarin de massa verkeerde, en al helemaal wanneer ze een slaatje uit die toestand leken te slaan (of daar alleen maar van verdacht werden), zorgde dat voor maatschappelijke onrust, die ontaardde in rellen, opstanden en geweldpleging jegens rijken. Aangezien geschiedenis de onaangename hebbelijkheid heeft zich te herhalen, zouden we er goed aan doen de huidige ontwikkelingen, inclusief het onvermogen van wetgevers om de belasting voor rijken te verhogen, vanuit een langetermijnperspectief te bezien.

    Zondaars

    Laten we beginnen met de overweging dat westerse samenlevingen altijd moeite hebben gehad met de aanwezigheid van zeer rijke, of zelfs supperrijke individuen. Middeleeuwse theologen beschouwden rijke mensen als zondaars en vonden dat het vergaren van grote sommen geld ontmoedigd moest worden. Op zijn minst werd van de rijken verwacht dat ze het niet al te breed lieten hangen en dat ze omwille van hun zielenheil met gulle hand aan goede doelen schonken.

    Maar toen nieuwe ontwikkelingen op het gebied van handel en geldwezen mensen in staat stelden vermogens van nooit eerder vertoonde omvang op te bouwen, kon de aanwezigheid van extreem rijke individuen binnen de gemeenschap niet langer als een anomalie worden afgedaan. Vanaf de vijftiende eeuw werd, om te beginnen in de economisch meest ontwikkelde gebieden van Europa zoals Midden- en Noord-Italië, aan rijke mensen een specifieke sociale rol toebedeeld, namelijk die van particuliere geldbron waarop de gemeenschap in tijden van nood een beroep kon doen.

    Niemand bracht dit beter onder woorden dan de Toscaanse humanist Poggio Bracciolini. In zijn in 1428 voltooide traktaat ‘De avaricia’ (‘Over hebzucht’) betoogde hij dat ‘steden die er traditiegetrouw openbare graanschuren op nahouden bij wijze van voedselreserve ook in ruime mate dienen te beschikken over inhalige lieden, teneinde een soort particuliere geldschuur te vormen die eenieder van dienst kan zijn’.

    Er is historisch bewijs te over dat overal in de westerse wereld de rijken zich eeuwenlang op de meest uiteenlopende manieren van hun taak als geldschuur hebben gekweten, bijvoorbeeld door akkoord te gaan met het betalen van extra belasting in tijden van crisis of het verstrekken van leningen aan regeringen. In de vroegmoderne tijd ging het daarbij vaak om wettelijk afgedwongen leningen aan overheden, al moeten we ervoor waken deze als louter arbitrair machtsmiddel te beschouwen omdat ze niet waren voorbehouden aan absolute monarchieën maar ook, met name in oorlogstijd, werden afgedwongen door republikeinse regeringen zoals de Venetiaanse. Sterker nog, de rijke kooplieden die de belangrijkste ‘slachtoffers’ van gedwongen leningen waren, waren ook de bestuurders van patricische republieken die begrepen dat ze met particuliere middelen bijdroegen aan het algemeen nut. Zo legde de Republiek Venetië niet alleen na de verschrikkelijke plaag van 1630 gedwongen leningen op aan haar rijkste inwoners, maar werd er ook een beroep op hen gedaan om in de periode 1645-1669 een uitputtende oorlog met het Ottomaanse Rijk te financieren – al leverden vrijwillige leningen van haar patricische onderdanen de republiek een veel groter bedrag op.

    Dit verschilt al met al weinig van het patriottisme waarmee veel rijken tijdens de wereldoorlogen inschreven op noodleningen, zoals de Liberty Bonds die de Verenigde Staten in de jaren 1917-1918 uitgaven om de geallieerde oorlogsinspanningen te financieren. Deze leningen bleken een slechte investering, aangezien de reële rente vanwege hyperinflatie geneigd was negatief uit te vallen. Maar in de twintigste eeuw was de grens tussen vrije keuze en verplichting even vaag als in de zeventiende, aangezien regeringen elke kans aangrepen om de sociale druk op rijken die niet over de brug kwamen op te voeren. Soms gingen ze nog verder: in 1917 dreigde de Britse minister van Financiën expliciet met het confisqueren van bedrijfsmiddelen als er niet een bepaald minimumbedrag zou worden opgehaald voor een nieuwe ‘vrijwillige’ oorlogslening.

    De rijksten nemen niet langer de sociale rol op zich die ze eeuwenlang hebben vervuld

    Echt nieuw aan de manier waarop de rijken in de twintigste eeuw hun bijdrage aan de oorlogsinspanning moesten opvoeren was de uitbreiding van het progressieve belastingstelsel, waarbij de schijf voor de hoogste inkomens aanzienlijk werd opgehoogd (het historische maximum in de Verenigde Staten werd bereikt in de jaren 1944 en 1945, met een percentage van 94 procent voor inkomens boven de 200.000 dollar). Ook de onroerendezaak- en erfbelasting gingen drastisch omhoog. Historisch gezien vormen oorlogen natuurlijk de beste motivatie om burgers om een hogere bijdrage te vragen, of het nu in de vorm van bloed is of van geld. Maar in de twintigste eeuw werd van de rijken ook tijdens economische crises in vredestijd, met name de Grote Depressie van de jaren dertig, verwacht dat ze aanzienlijk meer bijdroegen aan de rijksbegroting dan de rest van de bevolking. Een expliciet voorbeeld is het belastingpakket dat in de Verenigde Staten werd ingevoerd als onderdeel van Franklin Roosevelts New Deal.

    De afgelopen vijftien jaar hebben we de Grote Recessie meegemaakt, die in sommige landen eveneens tot een staatsschuldencrisis leidde, gevolgd door de ergste pandemie sinds een eeuw, een aanhoudende oorlog in Oekraïne en de dreiging van een grootschalig conflict in het Midden-Oosten. Historisch gezien zou je verwachten dat er in deze periode opnieuw bij de rijken op aan was gedrongen dat ze hun traditionele rol zouden vervullen, en in veel westerse landen hebben politici dan ook voorstellen in die richting gedaan.

    Maar tot dusver hebben de discussies nog niet tot concrete actie geleid en recente belastinghervormingen lijken weinig te hebben geholpen om de rijken meer te laten bijdragen. Uit recente gegevens over de belastinghervormingen door Europese landen in het kielzog van de coronapandemie blijkt dat de hoogste schijven van de inkomstenbelasting of, voor zover die bestaat, de vermogensbelasting maar zelden zijn verhoogd, of hooguit in bescheiden mate. In de Verenigde Staten zijn voorstellen van de regering-Biden om de belasting voor de allerrijksten te verhogen, zoals een minimaal inkomstenbelastingtarief voor miljardairs, herhaaldelijk gesneuveld door gebrek aan voldoende politieke steun.

    Dit is verontrustend. Het betekent dat de rijksten dus niet langer de sociale rol op zich nemen die ze eeuwenlang hebben vervuld. Bovendien wordt hierdoor hun positie in de maatschappij enigszins onduidelijk.

    Ook moeten we ons afvragen of de uitzonderlijke veerkracht die de rijken bij recente crises aan de dag hebben gelegd de maatschappij als geheel niet minder veerkrachtig heeft gemaakt; want als de rijken hun vermogen tegen crises beschermen, betekent dat ook dat ze het tegen extra belastingen beschermen, waardoor overheden over onvoldoende middelen beschikken om de nood van de armere lagen van de bevolking, economisch of anderszins, te lenigen. Tot op zekere hoogte hebben regeringen dit gecompenseerd door de staatsschuld te verhogen, wat de vraag oproept wie die zal aflossen. Als je bedenkt dat veel westerse belastingsystemen hun rijken niet in dezelfde mate belasten als voorheen, is het waarschijnlijk dat de mate waarin de rijken zullen opdraaien voor de rekening van de covid-19-crisis extreem veel lager zal zijn dan die gedurende eerdere crises.

    Geschonden

    Hoe is zoiets mogelijk als de meerderheid van de inwoners van westerse landen (inclusief een deel van de rijken, zoals blijkt uit de In Tax We Trust-campagne) het erover eens is dat het doodnormaal is en volledig in lijn met de geschiedenis om in deze uitzonderlijke tijden een grotere bijdrage van de allerrijksten te vragen? Een andere culturele constante in de geschiedenis van het Westen is de wijdverbreide verdenking dat als de rijkste componenten van de samenleving rechtstreeks bij de politiek worden betrokken, ze buitensporig veel invloed kunnen uitoefenen op het politieke debat. Hier was men zich bijvoorbeeld goed bewust van in de middeleeuwen, toen in Europa veel republikeinse stadsbesturen probeerden te voorkomen dat de rijkste families toegang kregen tot de hoogste openbare ambten. En ook in de moderne tijd duikt die verdenking weer regelmatig op: denk aan de discussie over de toenemende concentratie van economische en financiële macht in de Verenigde Staten gedurende de eerste decennia van de twintigste eeuw, die bij beide politieke partijen leidde tot de vrees dat enkele superrijke individuen een doorslaggevende stem in de nationale politiek zouden kunnen krijgen.

    Maar vandaag de dag wordt de politieke betrokkenheid van de allerrijksten in veel westerse landen voor lief genomen. In sommige gevallen zijn superrijken zelfs president of premier geworden: een vroeg voorbeeld was Silvio Berlusconi, die in 1994 voor het eerst tot premier van Italië werd verkozen. Misschien zijn de recente pogingen om de rijken meer te laten bijdragen tijdens crises wel zo uitzonderlijk onsuccesvol geweest doordat de rijken zo uitzonderlijk goed in staat zijn om het beleid te beïnvloeden. Bovendien, zo zullen de superrijken als eersten bevestigen, betalen ze in absolute zin al meer belasting dan wie dan ook, een argument dat regelrecht uit de mond van een zeventiende-eeuwse Venetiaanse patriciër had kunnen komen, ware het niet dat de patriciër zich niet genoodzaakt zou hebben gevoeld een rechtvaardiging voor zijn bevoorrechte fiscale behandeling te verschaffen.

    Als de rijken actief hebben geprobeerd een hogere fiscale bijdrage te ontlopen, dan hebben ze zichzelf (en iedereen) daarmee misschien wel in de vingers gesneden. In veel westerse landen is het electorale succes van partijen die duidelijk tegen de gevestigde orde en de rijken zijn gekant vermoedelijk het gevolg van een wijdverbreide afkeer van een economische (en politieke) elite die als egocentrisch en opportunistisch wordt beschouwd. Dat de rijken een eeuwenoud sociaal contract hebben geschonden door de deuren van hun geldschuren dicht te houden, zal daarbij naar alle waarschijnlijkheid een rol spelen.

    Guido Alfani is hoogleraar economische geschiedenis aan de Bocconi-universiteit in Milaan.

  • Van de Griekse eilanden tot Amsterdam. Twee perspectieven op overtoerisme

    Van de Griekse eilanden tot Amsterdam. Twee perspectieven op overtoerisme

    Van noord tot zuid en oost tot west klagen bewoners over de ondraaglijke last van het toerisme. Terwijl gewone Grieken het zich niet meer kunnen veroorloven om hun snikhete steden te verlaten voor de schone lucht van de Griekse eilanden, denkt Amsterdam het probleem aan te kunnen pakken met de weinig gastvrije slogan ‘Stay Away’.

    Grieken hunkeren naar de Egeïsche eilanden, die onbetaalbaar zijn.

    Griekenland is afhankelijk van toerisme, maar veel Grieken hebben het gevoel dat datzelfde toerisme hun de mogelijkheid ontneemt om van geliefde plekken in eigen land te genieten. De eilanden in de Egeïsche Zee zijn bijvoorbeeld van oudsher een plek om te ontspannen, te zwemmen, te drinken en wilde seks te hebben. Naast deze aardse geneugten zijn het ook plekken van betovering en van metafysisch ontzag – door de eeuwen heen bezongen door Grieken en bezoekers uit het buitenland.

    De place to be in de jaren vijftig en zestig was Hydra (waar Leonard Cohen verbleef) en het nog kosmopolitischere Mykonos, de favoriet van de scheepsmagnaat Aristoteles Onassis, eigenaar van onder meer Olympic Airways. Beroemdheden, van Marlon Brando en Grace Kelly tot Brigitte Bardot en Jackie Kennedy Onassis, bezochten Mykonos en het eiland kreeg in 1971 een eigen vliegveld. Veel eilandbewoners en Griekse intellectuelen zien dat als het moment waarop de Griekse eilanden verpest werden. Bewoners zeggen in ieder geval al sinds de jaren negentig dat ze de winters, wanneer er geen toeristen zijn, de prettigste periodes vinden om er te zijn.

    Opeenvolgende Griekse regeringen beweren al jaren dat toerisme de motor van Griekenland is

    Opeenvolgende Griekse regeringen beweren al jaren dat toerisme de motor van Griekenland is. Het is niet zomaar een theorie of een wens: het gaat om beleid dat, hoewel het misschien niet nadrukkelijk wordt uitgedragen door de centrale regering, in praktijk wordt gebracht door particuliere toerismebureaus, door hotels, B&B’s en andere belanghebbenden. Ze worden in ieder geval aangemoedigd door de regering in Athene.

    31 miljoen bezoekers

    Na de economische ineenstorting van begin 2010 werd dat versterkt. In 2019 trok Griekenland ongeveer 31 miljoen bezoekers, tegenover 24 miljoen in 2015. Na de pandemie, toen de beperkingen door het coronavirus wegvielen, zagen sommige eilanden in de Egeïsche Zee een verbazingwekkend snel herstel van het toerisme. Aangezien de sector inmiddels goed is voor bijna 20 procent van het nationale bbp en één op de vijf banen, blijft de focus van de nationale economische strategie liggen op het verhogen van het aantal bezoekers.

    Maar het Griekse vakantieseizoen van 2023 zal door velen herinnerd worden als de hel, met de aanhoudende hittegolf in juli en de bosbranden op Evia, Corfu, Rhodos en andere eilanden waar sommige vakantieoorden veranderden in puin en as. Duizenden toeristen moesten vluchten of werden geëvacueerd. De schade aan de natuurlijke omgeving is groot – hoe hoog de kosten zijn voor de lokale gemeenschappen en het toerisme zal nog moeten worden berekend.

    Helse zomer

    Zal deze zomer met extreme temperaturen en bosbranden de idylle van de eilanden in de Egeïsche Zee voor de Grieken aantasten, terwijl de klimaatcrisis toeristen van elders tegelijkertijd dwingt om de aantrekkelijkheid van een zonvakantie te heroverwegen en in plaats daarvan bijvoorbeeld naar Denemarken of Ierland te gaan? Het valt te betwijfelen. De aantrekkingskracht van de kale, rotsachtige Cycladen, waar bomen schaars zijn en bosbranden zeldzaam, zou zelfs wel eens kunnen toenemen. Maar al vóór deze helse zomer was een goedkope, spontane augustusvakantie op de Griekse eilanden al onbereikbaar geworden voor veel gewone Grieken van het vasteland. 

    Alleen al de drie uur durende veerboot heen en terug kostte 600 euro

    Vorig jaar was een vakantie in augustus op het piepkleine en prachtige Koufonisi al nagenoeg onbetaalbaar voor een gezin van vier. Alleen al de drie uur durende veerboot heen en terug kostte 600 euro en een vijfdaagse vakantie in de eenvoudigste accommodatie moest minstens 2000 euro kosten.

    Erover klagen lijkt op ondankbaarheid, want Griekenland verdient veel geld aan het internationale toerisme, en het zal nu eenmaal zijn infrastructuur moeten verbeteren zoals een moderne staat betaamt. Maar als Grieken ervan uitgaan dat hun ‘recht’ om dicht bij huis frisse lucht in te ademen altijd zal blijven bestaan, dan hebben ze het mis. Het is een nostalgische gedachte geworden. Je kan het ook verlies noemen. Omdat de Egeïsche Zee iets biedt dat nergens anders te vinden is.

    Op Sifnos staat een piepklein oud kerkje dat Eftamartyros (de Zeven Martelaren) heet. Het staat op een kale rots, boven op een klif, geïsoleerd tegen de blauwe onmetelijkheid van de Egeïsche Zee.

    Het is er alsof je op een zeer persoonlijke pelgrimstocht bent

    Bij Eftamartyros, met zijn witte muren en blauwe koepel, ben je alleen met de zee, alleen met de lucht, alleen met de wind. Het is er alsof je op een zeer persoonlijke pelgrimstocht bent. De uitgestrektheid van ruimte, tijd, gevoel en reflectie heeft niet zozeer te maken met de landschappelijke schoonheid – het gaat veeleer om een betekenis die het zichtbare overstijgt.

    De Griekse dichter Odysseas Elytis was iemand die nadacht over de continuïteit van de Griekse taal door de eeuwen heen. Het modern-Griekse woord voor ‘zee’, zei hij, is thalassa, en dat is precies hetzelfde woord als in de tijd van Homerus werd gebruikt. Op plekken als Eftamartyros wordt dat gevoel van continuïteit van ruimte en tijd overgebracht door de uitgestrektheid van de zee. Het woord en het zeegezicht lijken oneindig; ze zijn van voor onze tijd en ze zullen er nog lange tijd zijn als wij niet meer bestaan. Ook zonder kennis van de Griekse taal is dit gevoel van permanentie er voor iedereen die naar de Egeïsche Zee wil luisteren en zich wil laten meevoeren door haar existentiële grootsheid. 

    Balans

    In een wereld die uit balans is, hebben we meer dan ooit de vrijheid nodig om onszelf van tijd tot tijd in de Egeïsche Zee te kunnen verliezen. Sommigen zullen daartoe nog steeds pogingen kunnen ondernemen – op voorwaarde dat ze een jaar van tevoren beginnen met het plannen van een verblijf in augustus en dat ze het feit accepteren dat ze de hoogste tarieven zullen moeten betalen. Omdat het de moeite waard is, ook als ze het zich niet kunnen veroorloven. 

    Welbeschouwd zullen Eftamartyros en het unieke gevoel erbij te horen en ernaar te verlangen altijd onbetaalbaar blijven.  

    – Elias Maglinis in The Guardian


    De toeristen zijn terug. Hoog tijd om te zeggen dat ze weg moeten blijven

    Ze staan grijnzend voor de poorten van Auschwitz voor een selfie. Ze duiken in de Trevifontein in Rome. Een man kerft zijn naam en die van zijn vriendin in een 2000 jaar oude bakstenen muur van het Romeinse Colosseum. Een Russische influencer wordt samen met haar man het land uitgezet omdat ze een naaktfoto van zichzelf heeft gepost voor een heilige 700 jaar oude banyanboom. Allemaal dragen ze bij aan klimaatverandering en aan de huidige hittegolf die een groot deel van Zuid-Europa teistert: transport van toeristen is verantwoordelijk voor 5 procent van de wereldwijde uitstoot en stijgt nog steeds. 

    Iedereen klaagt over toeristen. Maar nu, misschien wel voor het eerst, zijn een paar Europese steden – met Amsterdam voorop – begonnen er iets aan te doen. De kortstondige ervaring van rust tijdens de lockdowns zonder toeristen was de aanzet tot verandering. Gaandeweg beginnen steden zich te verzetten tegen het kapitalisme van het toerisme, en proberen ze de economische geschiedenis om te keren.

    In Barcelona steeg het aantal hotelgasten van 1,7 miljoen in 1990 naar 9,5 miljoen in 2019.

    Tussen 1998 en 2019 verdubbelde het officiële aantal aankomsten van internationale toeristen tot 2,4 miljard per jaar. Die stijging wordt toegejuicht door de lokale toeristenindustrie en de marketingafdeling voor toerisme van de overheid, maar de meeste inwoners van populaire steden moesten ondertussen lijdzaam toezien – hen was niets gevraagd. 

    De toename was vooral acuut in een paar Europese steden. Vanaf de jaren negentig, toen de meeste steden mooier en veiliger werden en goedkope vluchten en internationale treinverbindingen als paddenstoelen uit de grond schoten, werden korte tripjes naar deze plekken de norm. Stedentrips gaan het hele jaar door en nemen sneller toe dan traditionele ‘zon en strand’- of ‘rondreis’-vakanties, aldus Kerstin Bock van de Vrije Universiteit Berlijn. Om een extreem voorbeeld te noemen: in Barcelona steeg het aantal hotelgasten van 1,7 miljoen in 1990 naar 9,5 miljoen in 2019. Dat is exclusief de Airbnb’s, die woonruimte onttrekken aan de lokale woningmarkt.

    Moedige stap

    De vraag is: wat kunnen we eraan doen? Opzettelijk het toerisme terugdringen is een moedige stap, maar het is de vraag of dat haalbaar is in een wereld waarin miljarden nieuwe reizigers staan te trappelen. Maar als er één Europese stad vooroploopt in het afwijzen van toeristen, dan is het wel Amsterdam. De omstandigheden voor deze stad zijn er dan ook gunstig voor. Van 1995 tot 2019 groeide de regionale economie van Amsterdam met 132 procent. Relatief weinig daarvan kwam van toerisme: de drijvende krachten achter de groei waren informatie, communicatie (inclusief IT), financiële en zakelijke diensten. Die hausse zet nog steeds door en lokale bedrijven hebben het al moeilijk genoeg om personeel te vinden, ook zonder een overspannen toerismesector. 

    Veel restaurants, coffeeshops, bordelen en andere werkgevers moeten arbeidsmigranten importeren

    Veel restaurants, coffeeshops, bordelen en andere werkgevers moeten arbeidsmigranten importeren. Ondertussen wordt de grachtengordel – het centrum van Amsterdam waar de meeste toeristische bestemmingen liggen – vooral bewoond door rijke mensen die er niet op zitten te wachten dat hun nachten worden verstoord door lallende toeristen op bierfietsen. Inwoners willen ook andere winkelmogelijkheden dan op toeristen gerichte Nutella-winkels.

    De stad heeft geprobeerd om toeristen te spreiden. Maar dat heeft de trek naar de stad niet verminderd. Amsterdam verwelkomde (als dat de juiste term is) in 2010 5,3 miljoen hotelbezoekers. In 2019 waren dat er 9,2 miljoen, exclusief de miljoenen die in Airbnb’s overnachten.

    Maximum

    In 2021 stelde het stadsbestuur een maximum in van 20 miljoen bezoekers per jaar. Maar volgens prognoses wordt dat dit jaar al overschreden – vooral Chinese toeristen zijn nog maar net de pandemische beperkingen te boven. Als er niets wordt gedaan, zal het bezoekersaantal in 2024 waarschijnlijk hoger zijn.

    En dus komt Amsterdam in actie. De stad wil haar verouderde imago van goedkope pretstad afschudden en zich profileren als culturele bestemming. In de rosse buurt, waar bepaalde hotspots wekelijks door 900.000 voetgangers worden bezocht, hebben de autoriteiten honderden ramen van sekswerkers gesloten en moeten cafés en bordelen nu eerder sluiten (om drie uur ’s ochtends in plaats van om zes uur ’s ochtends). Het roken van wiet op straat is in het stadscentrum verboden. De stad hoopt ook een aantal hotels om te bouwen tot woningen en kantoren.

    De staat lijkt nu zelfs ook niet langer mee te werken aan de promotie van toerisme

    Een stad heeft beperkte mogelijkheden om toeristen te weren, maar in Nederland werkt de staat nu ook mee. Deze maand werd een rechtszaak gewonnen: om milieuredenen mag het aantal vluchten dat landt op Schiphol worden teruggedrongen. Een toerist die vanuit Keulen met de trein naar Amsterdam komt is misschien ‘duurzaam’, maar een toerist die vanuit Californië komt vliegen is dat niet.

    De staat lijkt nu zelfs ook niet langer mee te werken aan de promotie van toerisme. Het officiële internationale logo van Nederland – vroeger was dat een tulp naast het gebruiksvriendelijke maar onnauwkeurige woord ‘Holland’ (in feite is Holland alleen het westelijke deel van het land) – werd in 2019 veranderd in een soberder ‘NL Netherlands’, waarin alleen de golvende ‘L’ nog verwijst naar de tulp van voorheen. ‘Een traditioneel symbool met tulpen is te veel verbonden met toerisme en souvenirs,’ liet een van de ontwerpers van het logo weten.

    Stay away

    Voor wie nog twijfelt aan de wens van Amsterdam om veranderingen tot stand te brengen, is het zaak om eens te kijken naar de nieuwe reclamecampagne van de stad: ‘Stay Away’. De campagne is in eerste instantie gericht op jonge Britse mannen. Als een lid van die doelgroep googelt op een term als ‘vrijgezellenfeest Amsterdam’ krijgt hij wellicht de video te zien van een dronken man die wordt gearresteerd, voorzien van het motto: ‘Dus jij komt naar Amsterdam om de boel op stelten te zetten? Stay away.’

    Deze Stay Away-campagne is absoluut een primeur in de geschiedenis van toeristische marketing. Het zou zomaar het begin van een trend kunnen worden. 

    – Simon Kuper in Financial Times

  • Héctor Abad over het bombardement op Kramatorsk: ‘Waarom al die wreedheid?’

    Héctor Abad over het bombardement op Kramatorsk: ‘Waarom al die wreedheid?’

    De Colombiaanse schrijver Héctor Abad Faciolince zag hoe zijn Oekraïense collega Victoria Amelina omkwam bij een Russisch bombardement op een restaurant in Kramatorsk. Aangezien zij deze gruweldaad niet meer kan documenteren, doet hij het voor haar.

    Een paar dagen geleden had ik nog geen idee wat voor een raket de Iskander was. Ik weet eigenlijk niets van wapens, ik was dienstweigeraar en heb mijn hele leven geen kogel afgevuurd. Je kunt zeggen dat ik het toppunt van een pacifist ben: een lafaard. Maar omdat het een Russische Iskander was die voor mijn ogen de schrijfster Victoria Amelina doodde, voelde ik me verplicht uit te zoeken wat voor wapen dat precies is. Dit Russische speeltje kost om te beginnen drie miljoen dollar, weegt vier en een halve ton, heeft een bereik van vijfhonderd kilometer, vliegt sneller dan het geluid (meer dan twee kilometer per seconde) en is zo nauwkeurig dat het zijn doelwit met een marge van niet meer dan vijf meter treft. En ja, het was dit uiterst nauwkeurige wapen dat op zo’n tien meter van ons ontplofte.

    Waarom die excessieve wreedheid, die precisie, die enorme hoeveelheid geld om een simpel restaurant aan te vallen? De Russische inlichtingendiensten (zie hun desinformatiecampagnes, de leugens die ze verspreiden) verklaarden in eerste instantie dat zij het niet waren geweest, maar het Oekraïense leger. Vervolgens zeiden ze dat het restaurant Pizza Ria per abuis was aangevallen. En daarna beweerden ze dat het een legitiem doelwit was omdat op de eerste verdieping ‘tijdelijk een commandopost was ingericht voor de 56ste Brigade van de Oekraïense Mobiele Infanterie’.

    Elke buitenlandcorrespondent die in Kramatorsk is geweest heeft daar gegeten

    Vaststaat dat het restaurant geen eerste verdieping had en dat er geen enkele brigade in was gehuisvest. Elke buitenlandcorrespondent die in Kramatorsk is geweest heeft daar gegeten en weet dat het etablissement allesbehalve een militaire post is – of liever gezegd was. Zeker, er komen soldaten, als ze op verlof zijn, om er samen met hun familieleden te eten.

    Maar het was vooral een ontmoetingsplek voor de inwoners van Kramatorsk, een stad die aan het begin van de Russische inval nog 200.000 inwoners telde en nu nog maar 80.000. Dus waarom en met welk doel zo veel geld en zo veel precisie besteden aan een burgerdoel? Victoria had ons bij een andere gelegenheid het antwoord al gegeven: als straf voor een bevolking die niet Russisch wil zijn en die de Russen ook niet met open armen heeft ontvangen.

    Boekenbeurs

    Wat deden wij daar in Kramatorsk, op 40 kilometer van het front en in dat restaurant? Om dat te vertellen moet ik terug naar het begin en de lezer nog twee alinea’s van zijn tijd beroven. Eigenlijk waren Sergio Jaramillo (hoge commissaris voor de vrede en voor­malig viceminister van Defensie in Colombia) en ik naar Kyiv gekomen voor de Boekenbeurs, die er werd gehouden – ik om een roman te signeren die onlangs in Oekraïne is gepubliceerd en Sergio in het kader van de campagne ¡Aguanta Ucrania! (Hou vol Oekraïne!).

    Omdat ik al vanaf het begin deelneem aan die campagne en mijn Latijns-Amerikaanse collega’s heb aangespoord zich bij het initiatief aan te sluiten, was ik ook aanwezig op de presentatie van deze beweging, die werd bijgewoond door de Oekraïense juriste en vredesactiviste Oleksandra Matviichuk, winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, de filosoof Volodymyr Yermolenko, voorzitter van de PEN in Oekraïne, de Colombiaanse journalist Catalina Gómez, gespreksleider van het panel, en de ongelukkige Victoria Amelina. Ik zat naast haar.

    Op de presentatie werd ook een video vertoond die afgesloten werd met het volkslied van Oekraïne, gespeeld door Paquito D’Rivera op zijn klarinet. Het talrijke publiek was na die laatste scène tot tranen toe geroerd. Dat was op zaterdag. Het plan was om op maandag naar Polen terug te keren, maar Sergio en Catalina vonden dat we onze campagne nog beter over het voetlicht moesten brengen en dat we bovendien de terreur en de misdaden van de Russen in de strijd zelf moesten documenteren. Bangbroek die ik ben verzon ik allerlei smoezen om niet te gaan, maar mijn bezwaren werden door mijn vrienden compleet weggewuifd. Tijdens een diner met Victoria op zondag raakte ze zo opgetogen over onze Zuid-Amerikaanse solidariteit dat ze aanbood persoonlijk met ons mee te gaan naar Donetsk. Dat zou dan haar laatste excursie zijn voordat ze naar Frankrijk vertrok om een jaar lang, met een beurs die ze van de Franse overheid had gekregen, aan de voltooiing van haar boek over de Russische oorlogsmisdaden te werken. De volgende dag, maandag, kwamen we (ik met tegenzin en Victoria met heel veel zin) vroeg uit de veren om in negen uur de 550 kilometer van Kyiv naar Kramatorsk per auto af te leggen.

    De aanwezigheid van Amelina was cruciaal voor onze kennis van de wreedheid en de verschrikking die het Russische leger, zowel in de eerste weken van de invasie als in het jaar daarna, aan de dag heeft gelegd. Ze nam ons mee naar het huis waarin de Russen de dichter Wolodymyr Wakulenko hadden gemarteld en doodgeschoten, om hem vervolgens, zoals het lot was van zo veel Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, in een massagraf te dumpen. Ik heb een obsessie met de Holocaust, dus stond ik erop dat we in een buitenwijk van Charkiv stopten bij een monument voor de vijftienduizend Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord en in massagraven geworpen. In zijn ‘speciale militaire operatie’ om Oekraïne te ‘denazificeren’, vernietigde Poetin, de meest op Hitler lijkende president die we na 1945 gekend hebben, de menora die de plaats herdenkt waar de nazi’s hun misdaad pleegden.

    Er is één oorlogsmisdaad die ze niet meer kan documenten: de moord op haarzelf

    We spraken met militairen van het Oekraïense leger, soldaten zowel als officieren. Ze hebben niets weg van nazi’s, kan ik u verzekeren. Als ze al een tekortkoming hebben, dan is het wel dat hun leger nog steeds te ‘sovjet’ is, dat wil zeggen paranoïde (wat te begrijpen is in een oorlog), te log en inefficiënt (wat een grote handicap is in een oorlog). We leerden een heel aardige soldaat kennen, een vriend van Amelina met een engelachtige glimlach, die ons uitlegde dat hij weliswaar zijn hele leven overtuigd pacifist was geweest, maar dat hij er ook vast van overtuigd was dat Poetin en zijn trawanten maar één taal spreken en verstaan: die van bruut geweld. Dialoog en diplomatie hebben niets uitgehaald. Of we willen of niet, het enige wat er nu nog opzit is het kwaad met wapengeweld te lijf te gaan.

    Het afgelopen jaar heeft Victoria de fictie vaarwel gezegd en zich toegelegd op het opsporen en gedetailleerd documenteren van alle oorlogsmisdaden die door de agressor zijn gepleegd. Er is één oorlogsmisdaad die ze niet meer kan documenteren: de moord op haarzelf. Ik heb me voorgenomen de komende maanden over die afgrijselijke misdaad te schrijven, heel minutieus en gedetailleerd, tegen alle propaganda en leugens van de Russen in. Ik ben dat verschuldigd aan het recht in abstracte zin en aan het recht in praktische zin, dat ooit zal vonnissen over deze gruwelijke misdaad, gepleegd tegen een geweldige, uiterst dappere collega van mij, een schrijfster van dezelfde leeftijd als mijn dochter, die op haar beurt een zoontje van tien verweesd achterlaat. Aan haar kind ben ik dit op z’n minst verplicht, zodat hij over nog eens tien jaar precies zal weten hoe ze zijn dappere, briljante en lieftallige moeder hebben vermoord.

    Voor nu wil ik alleen nog het laatste ogenblik beschrijven dat Victoria Amelina bij kennis was. Ik zat tegenover haar op het terras van het restaurant. Omdat er een alcoholverbod gold, had ik mijn glas gevuld met ijs en iets wat leek op appelsap. Victoria keek naar mijn glas. ‘Dat lijkt wel whisky,’ zei ze glimlachend. En dat was het moment waarop de hel, in de vorm van de Iskander, neerdaalde. Nu heeft Victoria een toevluchtsoord gevonden in de hemel. Maar niet de hemel in de zin van het christelijk of islamitisch geloof. Nee, het is de immateriële, mentale, o zo menselijke hemel die we ‘herinnering’ of ‘nagedachtenis’ noemen.  

    Lees ook: