Xi Jinping is vandaag als eerste Chinese president uit de geschiedenis aan zijn derde ambtstermijn begonnen nadat alle aanwezige leden van het Nationale Volkscongres hem met algemene stemmen hadden verkozen. Xi staat daarmee aan het hoofd van een regering die de komende vijf jaar de op een na grootste economie ter wereld door uitdagingen in binnen- en buitenland moet loodsen, schrijft South China Morning Post.
Volgens analisten wordt dit een cruciale periode voor zowel Xi als China. Xi staat voor de taak om de tegenvallende economische groei weer aan te jagen om de wereld ervan te overtuigen dat China’s unieke bestuurs- en ontwikkelingsmodel werkt. De komende termijn zal de president ook het hoofd moeten bieden aan de toegenomen rivaliteit met de VS, het Taiwanconflict en de economische gevolgen van de snelle vergrijzing van de Chinese bevolking.
De grondwet werd vijf jaar geleden nog herzien om de limiet op het aantal presidentstermijnen te schrappen
In de resterende twee dagen van de jaarlijkse parlementaire zitting zullen vertrouwde bondgenoten van Xi voor belangrijke regeringsfuncties worden benoemd. Net als vijf jaar geleden was de stemming in het parlement vooral een ceremonieel gebeuren dat de ondubbelzinnige loyaliteit en eerbied van de Chinese politieke elite voor de leider toonde.
Na de stemming legde Xi als president van het land en als hoofd van het leger de grondwettelijke eed af. Met dit symbolische gebaar wilde hij het gewicht van de grondwet benadrukken, terwijl die vijf jaar geleden nog werd herzien om de limiet op het aantal presidentstermijnen te schrappen, Xi’s politieke dogma’s erin op te nemen en het leiderschap van de partij over China te bekrachtigen. Xi is president sinds 2013 en heeft niet gezegd hoeveel termijnen hij nog van plan is te vervullen.
De grote demonstratie tegen het Cubaanse regime op 11 juli vorig jaar toonde aan dat de legitimiteitscrisis van de dictatuur zeer diep is. Maar het is nog een lange weg naar democratie, aldus de onafhankelijke Cubaanse pers.
Zal er dit jaar eindelijk verandering plaatsvinden in Cuba, nadat de dictatuur vorig jaar toonde hoe kwetsbaar ze is? Zullen de wensen in vervulling gaan van de Cubanen die ervan dromen het regime omver te werpen? Vooralsnog is er nog niets dat waar op wijst, ondanks de grootste spontane demonstratie tegen het regime sinds 1959, op 11 juli vorig jaar.
Alberto Méndez Castelló, een analist van de onafhankelijke site Cubanet, erkent pessimistisch te zijn: ‘Het echte Cubaanse maatschappelijk middenveld blijft gemuilkorfd’, stelt hij bitter vast. ‘Het panorama lijkt voorlopig niet te veranderen zolang de communisten aan de macht blijven met een totalitair regime dat in handen is van één enkele partij, wiens grondwet de “superieure sturende kracht van de samenleving en de staat” vormt’, zoals de preambule van de Cubaanse grondwet luidt.
Die omstandigheden zullen volgens Méndez Castelló vooralsnog elk initiatief van een onafhankelijk maatschappelijk middenveld verstikken. Hij spreekt van een ‘gevangen’ samenleving, ‘die met alle krachten werkt voor het in leven houden van wat de “dictatuur van het proletariaat” wordt genoemd, een totalitaire dictatuur. We zagen dat op 11 juli, toen demonstranten in elkaar werden geslagen en in de gevangenis werden gegooid. Het echte Cubaanse maatschappelijk middenveld zit achter de tralies. Deze mensen worden beschuldigd van opruiing of andere ‘misdaden’ die handig zijn om tegenstanders van het regime gevangen te zetten en te houden. In de context van stilte, geweld en repressie blijft democratie in Cuba onwaarschijnlijk, of beter gezegd: onmogelijk.’
Aan het begin van het jaar zaten enkele honderden activisten in Cuba achter de tralies
In de nasleep van de grote demonstraties van 11 juli waren er hier en daar nog wat sporadische opstanden, maar de beweging stierf snel uit. Niet zo vreemd, want het regime, dat aanvankelijk verrast was, sloot al snel het mobiele internet af, mobiliseerde alle beschikbare wetshandhavers en stuurde die de straat op, inclusief de beruchte ‘rode baretten’ van het leger. Er werden minstens vijfduizend arrestaties veriicht, zo meldde de in Madrid gevestigde ngo Cuban Prisoners Defenders.
De cijfers verschillen naar gelang de bronnen die je raadpleegt, maar aan het begin van het jaar zaten enkele honderden activisten in Cuba achter de tralies. Het communistische regime draait ter verklaring daarvan de riedel af die al sinds jaar en dag bekend is: ‘De gebeurtenissen van 11 juli werden georkestreerd, georganiseerd en gefinancierd vanuit de Verenigde Staten’, aldusGranma, het officiële dagblad van de Communistische Partij van Cuba (PCC). En, zo voegde het partijorgaan eraan toe, ‘de bedenkers van het verhaal over verontwaardiging onder het volk, zullen nu een ander verhaal construeren over een vermeende spontane opstand tegen de regering, die een buitenlandse interventie op het eiland zal aanmoedigen’.
Met het oog op de toekomst denkt Ariel Hidalgo, commentator van de onafhankelijke site 14ymedio, dat de gebeurtenissen van 11 juli gezien mogen worden als een overwinning. Pessimisten stelt hij gerust met de opmerking dat oorlogen nog nooit werden gewonnen met slechts een enkele veldslag.
‘Hoewel sommigen menen dat de protesten van 11 juli geen succes waren omdat de eindoverwinning tegen de tirannie op dat moment niet werd behaald, zoals velen hadden verwacht, hebben ze het bij het verkeerde eind’, schreef Hidalgo in november. Sterker nog, vervolgt hij, ‘het was een grote overwinning, want het maatschappelijk middenveld ontwaakte uit zijn lethargie: studenten, professionals, kunstenaars, geestelijken, vrijmetselaars, daaronder zelfs velen die tot dan toe trouwe voorstanders van de status quo waren.
De onderdrukkers durven niet langer massale demonstraties bijeen te roepen zoals in het verleden gebruikelijk was, omdat de geest van Ceausescu door de gangen van het Paleis van de Revolutie rondwaart. Toen ze het uiteindelijk waagden een samenzijn voor “revolutionaire herbevestiging” bijeen te roepen, weigerden velen die normaal gesproken aanwezig zouden zijn geweest om aanwezig te zijn. De glorieuze daad van 11 juli was een overwinning, maar een oorlog wordt nu eenmaal niet gewonnen met een enkele slag.’
‘11 juli was een zeer spontane, heterogene, transversale, horizontale sociale explosie, zonder verticaal leiderschap’
In een ander, recenter artikel haalt 14ymedio de Cubaans-Mexicaanse historicus Rafael Rojas aan, die de gebeurtenissen van 11 juli beschrijft als ‘een zeer spontane, heterogene, transversale, horizontale sociale explosie, zonder verticaal leiderschap. Als sociale uitbraak laat deze opstand van de samenleving een veel diepere legitimiteitscrisis zien dan de Cubaanse autoriteiten en de officiële media je willen doen geloven.’
Die crisis, vervolgt hij, ‘heeft weliswaar te maken met schaarste, tekorten, heel specifieke economische oorzaken, maar het is zeker ook een crisis van politieke legitimiteit.’ In dit verband legt hij uit dat het constitutionele proces in 2019 en de nieuwe grondwet die eruit voortkwam ‘overal tot ontevredenheid’ hebben geleid, ook in ‘hervormingsgezinde sectoren’. Sindsdien, stelt Rojas, ‘is er praktisch per decreet geregeerd’.
In een poging de geest van de 11 juli-beweging nieuw leven in te blazen, hadden activisten van de Archipiélago-beweging enkele maanden geleden, op 15 november, een vreedzame bijeenkomst gepland. Dat werd een mislukking omdat de dictatuur al sinds juli stappen had ondernomen. Zo surveilleerden de ordediensten overal in de straten van Havana.
Acteur en toneelschrijver Yunior García Aguilera, oprichter van Archipiélago, die eind vorig jaar is uitgeweken naar Spanje, ziet die mislukking van november niet als een al te groot drama. ‘Wat er op 15 november gebeurde, is in mijn ogen niet de ontknoping, maar een pauze: het is een pauze om na te denken over de vorm die de strijd voor verandering zou kunnen aannemen,’ verklaart hij tegenover 14ymedio.
Na de val van het communisme hebben Polen en Hongarije hun economie weliswaar hervormd naar westers ideaal, maar de open liberale samenleving keren ze de rug toe. ‘Orbán heeft weinig op met het westerse mensenrechtendiscours.’
In de zomer van 1992 bracht een 29-jarige Hongaar met politieke ambities voor het eerst een bezoek aan de VS. Zes weken lang toerde hij met een coterie van jonge Europeanen door het land op kosten van het German Marshall Fund, een Amerikaanse denktank voor trans-Atlantische samenwerking.
Viktor Orbán was al lange tijd gefascineerd door Amerika, maar toen het gezelschap door het centrum van Los Angeles liep, dat nog aan het bijkomen was van de Rodney King-rellen twee maanden eerder, leek hij niet erg betrokken en onder de indruk. Een Nederlandse journalist die ook aan de reis deelnam herinnert zich dat de Oost-Europeanen in de groep hun daggeld liever aan ‘een walkman en andere elektronica’ besteedden dan aan eten of dure hotels. De vrije markt en geavanceerde technologie spraken Orbán duidelijk meer aan dan de Amerikaanse strijd voor gelijkheid, gerechtigheid en de rechten van mensen van kleur.
Dat het lot van westerse minderheden Orbán koud liet werd nog duidelijker tijdens een rondleiding door het reservaat van de Umatilla-indianen in Oregon. Orbán en een van zijn reisgenoten, de Poolse journaliste Malgorzata Bochenek, luisterden naar de klachten over economisch onrecht. Hij reageerde met vragen over landverdeling. Waarom ontwikkelden de inheemse stammen geen strategie om hun gemeenschappelijke grond te gelde te maken? Dat hadden kleine Hongaarse pachtboeren zoals zijn ouders tenslotte ook met de collectieve landbouwbedrijven gedaan na het eind van het communisme. Orbán begon een businessplan voor het reservaat te ontvouwen, maar toen de Umatilla met wie hij sprak niet enthousiast genoeg reageerden, verloor hij algauw zijn belangstelling.
Het bezoek aan de VS sterkte hem in zijn voornemen om premier van Hongarije te worden
Wat Orbán het meest fascineerde tijdens de rest van de trip was de hogere politiek. De rondreis eindigde in juli in New York City, waar hij de Democratische Nationale Conventie bijwoonde en Bill Clinton genomineerd zag worden op de klanken van Don’t Stop van Fleetwood Mac. Deze opwindende gebeurtenis maakte veel indruk op Orbán. Het bezoek aan de VS sterkte hem in zijn voornemen om premier van Hongarije te worden.
De aard van de aantrekkingskracht die het Westen op jonge Oost-Europeanen uitoefende was in die tijd aan het veranderen. In 1989, toen Orbán in Oxford studeerde met een beurs van de Soros Foundation, stonden de westerse waarden van de Koude Oorlog – gedereguleerd kapitalisme, sociale stabiliteit en nationale tradities – nog fier overeind. Dat waren de waarden die hij mee terug wilde nemen naar zijn vaderland. Drie jaar later, tijdens zijn rondreis door de VS, was er een kentering merkbaar. Hoewel de vrije markt nog oppermachtig was, waren de Europese en Noord-Amerikaanse cultuur introspectiever geworden. Orbán stond achter de clintonistische benadering van economie en bestuur, maar hij had weinig op met het westerse mensenrechtendiscours, de discussies over gender en ras of de erfenis van kolonialisme en de holocaust.
Orbáns enthousiasme voor de Amerikaanse economie en zijn onverschilligheid jegens Amerikaanse culturele aangelegenheden waren een voorbode van de richting die Hongarije en Polen de volgende decennia uiteindelijk zouden inslaan. In de jaren negentig gingen de twee landen de rest van Oost-Europa voor in een economische shocktherapie, met verdergaande markthervormingen dan hun westerse adviseurs eisten. Maar in cultureel opzicht kozen Polen en Hongarije een conservatievere koers. Het gevolg is dat beide landen zichzelf als in- en in-Europees zijn blijven zien, ook al zijn ze steeds meer afstand gaan nemen van het liberalisme van de EU.
Jezelf modelleren naar een extern ideaal wekte onvermijdelijk gevoelens van schaamte en wrok op wanneer het volmaakte origineel onbereikbaar bleek
Tien jaar nadat ze samen met Orbán het Umatilla-reservaat in Oregon had bezocht, werd Malgorzata Bochenek adviseur van de Poolse president Lech Kaczynski, samen met zijn broer Jaroslaw de oprichter van de conservatief-nationalistische partij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) die nu de steun van bijna 45 procent van het Poolse electoraat geniet. Orbáns partij Fidesz bezet een supermeerderheid van twee derde van de zetels in het Hongaarse parlement. Beide partijen voeren een overeenkomstig beleid: het aanstellen van regeringsgezinde rechters en journalisten bij rechtbanken en media; het verdrijven van linkse en liberale ngo’s, academici en universiteiten; het schenden van het EU-handvest van de grondrechten door het beperken of verbieden van abortus en het niet wettelijk erkennen van transgenders; en het negeren van pogingen van Europese instituties om hen voor deze provocaties aansprakelijk te stellen.
Tegelijkertijd staan vier op de vijf burgers van Polen en Hongarije achter het EU-lidmaatschap van hun land. Het is de anti-liberalen in Boedapest en Warschau te doen om autonomie binnen Europa, niet om onafhankelijkheid daarbuiten.
Hoe komt het dat de revolutionairen van 1989 in de jaren tien en twintig van deze eeuw zo teruggrijpen op oude nationalistische waarden? Er is een aantal antwoorden op deze vraag, variërend van geleidelijke vervreemding, of een gedwongen terugkeer naar het eigenbelang als gevolg van een externe shock, tot de puberale opstand van leerlingen tegen hun voormalige leraren.
In hun boek Falend licht uit 2019 pleiten de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev en de Amerikaanse hoogleraar rechten Stephen Holmes voor de opstandhypothese. Zij betogen dat de overgang van het communisme naar de kapitalistische democratie werd gedreven door ‘liberalistische na-aperij’. De Oost-Europeanen namen de gewoonten, normen en instituties van de westerse wereld over om deelgenoot te worden van de welvaart en vrijheid daarvan. Het probleem, volgens Krastev en Holmes, was dat onderwerping aan dit ‘imitatiegebod’ tot ‘inherente spanningen’ leidde en ‘emotioneel belastend’ was. Jezelf modelleren naar een extern ideaal wekte onvermijdelijk gevoelens van schaamte en wrok op wanneer het volmaakte origineel onbereikbaar bleek. Onder invloed van dit vernederende minderwaardigheidscomplex grepen Orbán en Kaczynski de economische en migratiecrises uit de periode 2008-2015 aan om het westerse liberalisme te verwerpen en met een illiberaal alternatief te komen.
Groot-Hongarije
Krastev en Holmes zien de emigratie uit centraal Oost-Europa als een bepalende factor voor de aantrekkelijkheid van nationalistische politiek. De decennialange braindrain, zo betogen ze, heeft tot een demografische paniek geleid die volgens hen de angst voor de komst van immigranten uit het Midden-Oosten en Afrika aanwakkert. Vooral in Hongarije is de anti-immigratiepolitiek inderdaad hand in hand gegaan met pogingen de bevolkingsafname als gevolg van lage geboortecijfers en emigratie te remmen. Orbán heeft een ambitieus en populair gezinsbeleid ontwikkeld met maatregelen als nationalisatie van ivf-klinieken en genereuze leningen en belastingvrijstellingen voor jonggehuwden en grote gezinnen. Ook heeft hij burgerrechten verleend aan meer dan een miljoen in Slowakije, Roemenië, Kroatië, Servië en Oekraïne woonachtige etnische Hongaren en daarmee een diasporisch, door Fidesz geleid maatschappelijk middenveld gecreëerd in wat Hongaarse nationalisten als een ‘Groot -Hongarije’ beschouwen.
Maar andere landen hebben miljoenen burgers zien emigreren zonder tot illiberalisme te vervallen. Letland is tussen 1989 en 2017 27 procent van zijn bevolking kwijtgeraakt, Litouwen 22,5 procent, Kroatië 22 procent en Bulgarije 21 procent. Maar deze staten aan de Oostzee en in de oostelijke Balkan zijn niet in dezelfde mate veranderd als Polen en Hongarije. Hoewel ook daar een oude nationalistische tendens bestaat, is die niet dominant geworden in de nationale politiek. In Bulgarije is een EU-gezinde protestbeweging afgelopen lente als tweede geëindigd bij de parlementsverkiezingen en de vertrekkende premier van het land, Boyko Borisov, heeft benadrukt dat hij wil dat de ‘Euro-Atlantische oriëntatie van het land duidelijk zichtbaar is’. In Roemenië, waar een vijfde van de bevolking sinds 1990 is vertrokken, zijn geen sterke mannen dominant maar fanatieke corruptiebestrijders en protesterende EU-aanhangers. Polen en Hongarije daarentegen, waar het illiberalisme het verst gevorderd is, kennen de laagste netto emigratiepercentages in de regio.
Migratie doet de hang naar oude nationalistische waarden herleven, maar is geen afdoende verklaring voor de bredere crisis van het liberalisme. Anti-immigratiebeleid wordt in de meeste Europese landen gevoerd. Maar ondanks een algemeen anti-immigratiesentiment is het alleen in het VK, Polen en Hongarije dat nationalistische regeringen uit de Europese Unie zijn gestapt dan wel de waarden daarvan hebben afgezworen, en alleen in Boedapest en Warschau liggen het liberale maatschappelijk middenveld en de rechtsstaat onder vuur. Kaczynski en Orbán nemen niet vanwege hun chauvinisme een bijzondere plaats in onder de Europese nationalisten, maar vanwege hun autoritaire optreden tegen opponenten in eigen land en tegen Europese en internationale instituties.
In 2002 was Orbán verbitterd en ervan overtuigd dat post-communisten in de Hongaarse samenleving hadden samengespannen om zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen
De regeringspartijen in Polen en Hongarije voeren een breuk met het verleden door die in hun eigen ogen radicaler is dan de schijntransitie van 1989. Het antiliberale nationalisme in Oost-Europa is meer dan een uitbarsting van onbeheersbare hartstochten. Net als in 1989 wordt gedacht dat er sprake is van een historische opdracht en dat het eind van het communisme alleen maar het begin van de weg naar nationale bevrijding was. Het feit dat deze ideeën werden gevormd tijdens het transitiedecennium duidt er ook op dat de illiberale democratie een gericht project is en niet alleen reactief, met duidelijke eigen ideologische doelstellingen.
De opstand tegen het liberalisme begon in de late jaren negentig en het begin van deze eeuw, toen steeds meer rechts georiënteerde Polen en Hongaren op een radicalere breuk met het verleden begonnen aan te dringen. Tijdens Orbáns eerste premierschap, van 1998 tot 2002, toen Fidesz samen met de conservatieve Partij van Kleine Landbouwers (FKgP) regeerde, werden holocaustontkenning en racisme jegens de Roma aangemoedigd en steun uitgesproken voor de extreemrechtse regering van Jörg Haider in het naburige Oostenrijk. Maar omdat de Hongaarse economie gestaag groeide en het land in 1999 lid werd van de NAVO, werd het rechtse beleid van het kabinet al snel vergeten in de westerse hoofdsteden.
In 2002, toen hij de verkiezingen nipt verloor van de socialisten, was Orbán verbitterd en ervan overtuigd dat post-communisten in de Hongaarse samenleving hadden samengespannen om zijn ambtstermijn voortijdig te beëindigen. Toen Hongarije in 2004 lid werd van de EU, vloeiden er enorme sommen Europees geld naar een groep liberale politici rond de centrumlinkse premier Ferenc Gyurcsány, een econoom die in de jaren tachtig leiding gaf aan de communistische jeugdbeweging KISZ. Tijdens de transitie van communisme naar democratie hadden Gyurcsány en zijn oude kameraden een klein fortuin verdiend met pop-up-adviesbureaus die luisterden naar namen als Eurocorp International Finance Inc. Rond 2004 waren ze vaste gasten in Davos. Hoewel zo’n door opportunisme gedreven economische gedaanteverwisseling schering en inslag was in Midden- en Oost-Europa, maakten deze associaties het makkelijker voor Orbán om het Sovjetcommunisme en het Europese liberalisme af te schilderen als opeenvolgende vormen van buitenlandse overheersing.
Net als in Hongarije zorgde de rol van Poolse post-communisten bij de versoepeling van de politieke transitie naar een liberale democratie uiteindelijk voor een radicalisering van rechts. In 1997 begonnen conservatieve denkers voor het eerst om een ‘vierde Poolse republiek’ te roepen ter vervanging van de derde herhaling van zetten die was gevolgd op het communisme. Vier jaar later stichtten Lech en Jaroslaw Kaczynski PiS, met de belofte de Poolse samenleving radicaal te zuiveren en politiek te vernieuwen. Doel van de Kaczynski’s was om de uitvoerende en wetgevende macht met volle kracht in te zetten voor een definitieve afrekening met de ‘besmetting’ van het staatssocialisme. Vele jaren lang had het Poolse constitutionele hof pogingen gedwarsboomd om staatsinstituties en het maatschappelijk middenveld te zuiveren van iedereen met communistische banden, een proces dat ‘lustratie’ werd genoemd. Deze bescherming werd gesteund door EU-wetten ter bewaking van de persoonlijke waardigheid en levenssfeer.
Wat op het spel staat is niet de westerse identiteit, maar wie er geschikt is om in een gezuiverde Poolse natiestaat te worden opgenomen
Maar toen PiS in 2005 voor het eerst aan de macht kwam, werd de lustratie geïntensiveerd. Er kwam een wetsvoorstel dat ervoor zou hebben gezorgd dat 350.000 ambtenaren, journalisten, academici, leraren en directeuren van staatsbedrijven vroegere communistische banden hadden moeten erkennen, hoe oppervlakkig ook, op straffe van baanverlies. Massaal verzet van de progressieve Poolse elite tegen deze zeer ingrijpende zuivering zorgde er mede voor dat de Kaczynski’s in 2007 het veld moesten ruimen voor het liberale pro-Europese Burgerplatform van Donald Tusk.
Deze eerste mislukte poging om de Poolse samenleving grootscheeps te zuiveren vormt de achtergrond van de hernieuwde aanval die PiS sinds 2015 op het Poolse rechtssysteem onderneemt en die meer internationale aandacht heeft getrokken dan de eerdere. Maar de illiberale agenda van PiS was niet, zoals Krastev en Holmes doen voorkomen, een reactie op het imiteren van het Westen. Het is juist het verlangen van de Poolse antiliberalen naar een grondiger uitbanning van het communistische verleden, zonder acht te slaan op de beschermende EU-wetten, dat hen ertoe heeft gebracht de rechtbanken en de progressieve burgerbeweging van het land onder vuur te nemen. Net als in Hongarije heeft precies datgene wat de transitie van communisme naar een liberale democratie zo vreedzaam heeft doen verlopen, het onderhandelingsproces, een kliek rechtsnationalistische opstandelingen gekweekt die de mythe verspreidt dat er in 1989 geen zuivere machtsoverdracht heeft plaatsgevonden, maar een massale rehabilitatie van de elite. Wat op het spel staat is niet de westerse identiteit – iets waaraan de Polen nooit hebben getwijfeld – maar wie er geschikt is om in een gezuiverde Poolse natiestaat te worden opgenomen.
Uiteindelijk heeft het Poolse en Hongaarse verzet tegen EU-normen en individuele burgerrechten niet tot een overeenkomstig verlangen naar economische soevereiniteit geleid, zoals bij de Brexiteers. De Brusselse geldkraan is simpelweg te aanlokkelijk. Ook al heeft Orbán liberale instituties ontmanteld, toch heeft hij enorme sommen EU-geld weten aan te trekken om het bedje te spreiden voor een loyale oligarchie van Fidesz-getrouwe tycoons en agrarische ondernemers. Ook conservatieve nationalisten in Polen hebben materiële steun binnen geharkt van een politieke en economische unie waarvan ze de invloed steevast laken.
Deze ongevoeligheid voor politiek gedrag is het gevolg van de manier waarop de EU geld aan haar leden verstrekt, namelijk in grote tranches die over een groot aantal jaren zijn verspreid volgens een van tevoren opgesteld bestedings- en investeringsplan; actuele politieke wrijvingen tussen nationale regeringen en Brussel zijn niet van invloed op deze langjarige financiële verplichtingen. Tussen 2007 en 2020 hebben Oost-Europese lidstaten 395 miljard euro ontvangen, waarvan de helft naar Hongarije en Polen is gegaan.
Hoe moeilijk het is geworden om het illiberalisme binnen de EU te beteugelen bleek eind 2020. Terwijl EU-leiders een ongeëvenaard begrotings- en stimuleringspakket van 1,8 biljoen euro voorbereidden als reactie op de pandemie, lieten Boedapest en Warschau de onderhandelingen bijna ontsporen. Omdat ze bezwaar hadden tegen een mechanisme dat financiering automatisch aan wettelijke toetsing onderwierp, dreigden Polen en Hongarije de hele EU-begroting voor de komende zes jaar te vetoën.
Als lidstaten betoogden Polen en Hongarije dat ze het volste recht hadden op hun aandeel in het financieringsplan; illiberale regeringen bleken de wettelijke en verdragsrechtelijke taal vloeiend te spreken. Uiteindelijk werd op het laatste moment de lont uit het kruitvat gehaald door middel van een ‘interpretatieve verklaring’ waarin werd gegarandeerd dat het wettelijke sanctiemechanisme moest worden goedgekeurd door het Europese Hof van Justitie voordat het kon worden toegepast. Of het daarvan zal komen is maar de vraag.
Voorlopig zal de financiering aan betrekkelijk weinig regels zijn gebonden. De strijd tussen liberalen en illiberalen in Oost-Europa zal zich op zijn belangrijkste slagveld blijven voltrekken: de politieke, wettelijke en culturele instituties. Zoals de landelijke vrouwenstaking tegen het wettelijke verbod op abortus in oktober 2020 heeft aangetoond, is dit een noodzakelijk en belangrijk gevecht. Maar wat niet ter discussie staat, is het economische model van de regio. De liberalen en illiberalen zijn het erover eens dat na het eind van het communisme het kapitalisme de enige manier is om hun maatschappij verder te ontwikkelen.
Bescherming en veiligheid
Waar Krastev en Holmes het Poolse en Hongaarse verzet tegen het westerse liberalisme als een psychologische reactie beschouwen, komt de befaamde Duitse historicus Philipp Ther met een andere verklaring. Volgens hem is het nieuwe nationalisme niet zozeer een reactie op het imiteren van het Westen, als wel op de blootstelling van hele samenlevingen aan de grillen van de wereldmarkt. In zijn boek Das Andere Ende der Geschichte schrijft hij dat nationalistisch rechts een ‘coherent wereldbeeld heeft, dat kan worden gekenschetst als een pakket beloften dat bescherming en veiligheid biedt’.
Ther stelt dat de snelle transitie van staatssocialisme naar vrijemarktkapitalisme een behoefte aan zelfbescherming heeft aangewakkerd. In 1993 en 1994 bleek tijdens verkiezingen in verschillende landen dat de bevolking in grote onzekerheid verkeerde. Poolse en Hongaarse kiezers kozen centrumlinkse kabinetten met flink wat ex-communisten erin, maar dat bood weinig bescherming. De Poolse privatisering vertraagde maar stopte nooit. In Hongarije drukte de nieuwe regering algauw een strenger bezuinigingspakket door. Een andere koers werd gevolgd in Slowakije, waar premier Vladimír Mečiar niet alleen brak met het neoliberalisme van zijn Tsjechische collega Vaclav Klaus, maar bovendien de verenigde Tsjecho-Slowaakse staat ontbond. Tijdens Mečiars bewind in de jaren negentig was Slowakije in alle opzichten een voorloper van het huidige illiberalisme, waarin populisme, nationalisme en beschermende welvaart werden gecombineerd om een steeds autocratischer bewind te verbloemen. Als gevolg van Mečiars eigenmachtige optreden werd Slowakije in 1999 ongeschikt geacht voor het NAVO-lidmaatschap; het land sloot zich vijf jaar later bij de organisatie aan dan zijn Midden-Europese buurlanden.
De Oost-Europese transitie naar de vrije markt in de jaren negentig werd bemoeilijkt door de plaatselijke zwakte van de bij het liberalisme favoriete bewerkstelligen van een kapitalistische overgang, de onroerend goed bezittende bourgeoisie. De sociologen Iván Szelényi, Gil Eyal en Eleanor Townsley beschrijven deze uitdaging als ‘het creëren van kapitalisme zonder kapitalisten’. West-Europese geldschieters gaven aanvankelijk voorrang aan marktexpansie boven democratisering: van 1990 tot 1996 ging maar 1 procent van het internationale EU-hulpprogramma voor voormalige socialistische staten naar de financiering van politieke partijen, onafhankelijke media en andere burgerorganisaties. Maar waar de markten opbloeiden, bleef de middenklasse anemisch.
Dertig jaar later zijn de voordelen van de vrije economie ongelijk verdeeld; de inkomenskloof tussen stad en platteland is in Oost-Europa groter dan waar ook op het continent. Maar het vrijemarktdenken is inmiddels alomtegenwoordig in de regio. In zijn beroemde toespraak van juli 2014, waarin hij de noodzaak van een ‘illiberale democratie’ voor Hongarije uiteenzette, voorspelde Orbán dat ‘samenlevingen die op liberale organisatieprincipes zijn gebaseerd de komende jaren hun concurrentiepositie in de wereld niet zullen kunnen handhaven en waarschijnlijk met een terugval zullen worden geconfronteerd’ en kondigde hij aan dat ‘we zoeken naar een organisatievorm die ons concurrerend zal maken in deze grote wereldrace’.
Toch zou het verkeerd zijn deze overstap op wereldwijd kapitalisme geheel aan verwestersing toe te schrijven. In hun boek 1989: A Global History of Eastern Europe laten James Mark, Bogdan Iacob, Tobias Rupprecht en Ljubica Spaskovska er geen twijfel over bestaan dat het belang van de Oost-Europese elites bij het kapitalisme voorafging aan hun democratische gezindheid. Hervormingsgezinde bureaucraten tijdens de laatste jaren van het socialisme hadden hun blik vooral op Oost-Azië gericht. De successen van Deng Xiaopings China waren een voorbeeld voor de latere economische hervormingen van Gorbatsjov. In de jaren tachtig waren de marktgeoriënteerde hervormingen in Polen en Hongarije deels naar het voorbeeld van Zuid-Korea gemodelleerd, waar het autoritaire kapitalisme voor grote economische groei had gezorgd.
Oost-Europa beschouwde niet alleen andere regio’s als zijn einddoel. De Oost-Europese transitie in de jaren negentig groeide uit tot een ‘nieuw wereldwijd scenario’ voor Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en Aziatische landen. Van Mexico tot Zuid-Afrika, overal waren de Oost-Europese democratisering en economische liberalisering een lichtend voorbeeld voor zowel de regerende elite als de oppositie. Oost-Europeanen kwamen na verloop van tijd in een positie waarin ze hun eigen ervaring konden gebruiken om anderen te adviseren. In 2003 maakte de architect van de Poolse liberale hervormingen, Leszek Balcerowicz, een rondgang door Washington DC om te vertellen hoe de VS de Iraakse economie moesten oppeppen. Tijdens de Arabische Lente bezocht Lech Walesa Tunesië ‘om hun te vertellen hoe wij het hebben gedaan’, in de woorden van de toenmalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken Radoslaw Sikorski, die zelf naar Benghazi vloog om de Libiërs van advies te dienen die Gaddafi hadden verdreven.
Gemeenschappelijke Europese erfenis
Het feit dat Oost-Europeanen uiteindelijk als ambassadeurs van het Westen optraden versterkte het idee dat 1989 een te lang uitgebleven terugkeer was naar een natuurlijk cultureel thuis. Maar die ommekeer was al lang voor het eind van het communisme in gang gezet. In de jaren zeventig en tachtig namen de Tsjecho-Slowaakse, Poolse en Hongaarse en elites en dissidenten steeds meer afstand van het anti-imperialisme en de socialistische solidariteit met de Derde Wereld, en legden ze steeds meer nadruk op hun ‘gemeenschappelijke Europese erfenis’.
Deze focus op hoge Europese cultuur had duidelijk een zowel anti-Afrikaanse als anti-islamitische bijklank. In 1985 verklaarde de Hongaarse minister van Cultuur dat ‘Europa een culturele erfenis’ bezat, ‘een specifieke intellectuele hoedanigheid, namelijk het Europese karakter’. Tijdens een bezoek aan Boedapest twee jaar later kreeg de Spaanse koning Juan Carlos de vestingwallen te zien die de Habsburgse troepen in 1686 op de Ottomanen hadden veroverd, een communistische lofzang op de strijd van het christelijke Europa tegen de islam. Naar aanleiding van de gewelddadigheden van de moedjahedien verklaarde de Roemeense dictator Nicolae Ceaușescu dat de islamitische wereld ‘miljarden fanatiekelingen telt. Een langdurige oorlog kan het gevolg zijn.’
Ondertussen vielen Roemeense ballingen Ceaușescu zelf aan als een buitenlandse heerser die hun land een ‘tropisch despotisme’ had opgedrongen. De dissident Ion Vianu schreef in 1987 dat ‘het huidige Roemenië meer op een Afrikaans dan een Europees land lijkt’. Hij hekelde ‘de desorganisatie van het openbare leven, het onvermogen van de regering om het niveau van het oude continent te bereiken; de staat van de wegen, de smerigheid van de straten, de lege winkels, de wijdverbreide corruptie; de willekeur van de politie’. Dit alles, schreef hij, deed hem aan Haïti denken. ‘Roemenen met westerse idealen zijn een soort zwijgende meerderheid in het huidige Roemenië.’
Voordat er een eind kwam aan het communisme had bij veel Oost-Europeanen al een nieuw gevoel van culturele verwantschap postgevat. Deze toenemende identificatie van hun respectievelijke banden met Europa en het christendom verklaart waarom de anti-immigratieretoriek over een ‘Fort Europa’ dat migranten uit Afrika en het Midden-Oosten buiten moet houden, het afgelopen decennium zo’n vruchtbare bodem heeft gevonden in de regio.
Gesloten samenlevingen
Om die reden stond het jaar 1989 uiteindelijk voor een moment waarop Oost-Europa zich afsloot voor oude invloeden en zich openstelde voor nieuwe ideeën. De socialistische planeconomie en de internationale solidariteit met ontwikkelingslanden werden vaarwel gezegd, terwijl identificering met een smallere Europese beschaving gepaard ging met integratie in de geliberaliseerde wereldeconomie. Momenteel is deze combinatie van open en gesloten kenmerken nog altijd zichtbaar in Oost-Europa. Hongarije is het duidelijkste voorbeeld van deze hybride benadering: onder Orbán heeft het land het liberale idee van een open samenleving verworpen, maar onderhoudt het desondanks nauwe banden met de transnationale Europese auto-industrie en, via de EU en NAVO, met de militaire netwerken van het atlanticisme.
Orbán heeft de vragen over zijn internationale loyaliteit gecompliceerd door nauwe banden met Moskou en Beijing te onderhouden. Rusland voorziet Hongarije van energie, terwijl Chinese staatskapitalisten een regionale hub van het land hebben gemaakt voor de pogingen van Huawei om de 5G-technologie over Europa uit te rollen. Ook is Boedapest het eindstation van de nieuwe Balkanspoorweg die van de Griekse havenstad Piraeus door Belgrado loopt, onderdeel van het Chinese Belt & Road Initiative, een wereldwijd infrastructureel project ter bevordering van de handel. De aanleg van deze vrachtspoorlijn kost 2 procent van het Hongaarse bnp, het grootste investeringsproject in de Hongaarse geschiedenis.
Halverwege maart 2020, toen het coronavirus zich door Europa verspreidde, sloot Hongarije zijn grenzen voor niet-ingezetenen. Tijdens de Hongaarse lockdown waren de enige buitenlanders in het land driehonderd Zuid-Koreaanse ingenieurs die de versnelde opening moesten afronden van de tweede fabriek in het land die accu’s voor elektrische voertuigen produceert.
Koreaanse conglomeraten zijn recentelijk in Hongarije en Polen neergestreken als hoofdleveranciers van accu’s voor de Europese auto-industrie. Omdat VW, Audi, BMW, Mercedes-Benz en Renault zaten te springen om accu’s, lichtte ook de Poolse regering de hand met de quarantaineplicht zodat specialisten van het Koreaanse chemiebedrijf LG Chem konden doorgaan met de bouw van een enorme fabriek in de buurt van Wroclaw, een 2,8 miljard euro kostend project dat wordt gesteund door de Europese Investeringsbank. 35 jaar nadat Oost-Europese economen Seoel als een voorbeeld van autoritair kapitalisme bestempelden, lopen de industriële reuzen van Zuid-Korea de regio onder de voet.
Sinds het begin van de pandemie waarschuwen liberale commentatoren geregeld voor het gevaar dat nationalisme en conflicten tussen grootmachten tot een ineenstorting van de internationale politieke en economische orde zullen leiden. Maar waarschijnlijker dan zo’n dramatische deglobalisering is dat we overal op de wereld nationalistische leiders zullen zien die politiek gesloten samenlevingen bouwen op de grondvesten van een open economie: een globalisering zonder globalisten.
Derek Chauvin, die een mondkap droeg, ‘toonde geen emotie toen rechter Peter Cahill het vonnis voorlas’, schrijft Star Tribune, een lokale krant. Aan het einde van een drie weken durend, hoogoplopend proces in Minneapolis werd de voormalige politieagent dinsdag 20 april veroordeeld voor het doden van de Afro-Amerikaanse George Floyd, op 25 mei 2020.
Na een beraadslaging van ongeveer tien uur, verdeeld over twee dagen, achtten de twaalf juryleden de verdachte schuldig op alle drie punten – moord, doodslag en mishandeling met de dood tot gevolg. De vijfenveertigjarige agent werd geboeid en onmiddellijk in hechtenis genomen. De veroordeling zal over ongeveer acht weken zal plaatsvinden. Chauvin kan tot veertig jaar gevangenisstraf krijgen. Drie andere politieagenten die bij de arrestatie betrokken waren, moeten in augustus terechtstaan voor ‘medeplichtigheid’.
Het nieuws veroorzaakte een explosie van vreugde in Minneapolis, meldt CNN. De menigte, verzameld buiten het gerechtsgebouw en voor de Cup Foods-buurtwinkel waar George Floyd werd vermoord, scandeerde ‘gerechtigheid’ en ‘Black Lives Matter’. Na een interview met een witte man die tranen van vreugde huilde, sprak een verslaggever van de zender van een ‘teken van ongeloof’ onder de demonstranten ‘dat dit echt gebeurd is’.
Het vonnis, zo schrijft The New York Times, ‘was een moment van catharsis voor velen in de stad (…) en van collectieve genoegdoening’. Soortgelijke taferelen waren overigens in het hele land te zien. ‘Voor sommige zwarte Amerikanen in het bijzonder, was het moment bijzonder aangrijpend, de bevestiging dat gerechtigheid was geschied voor meneer Floyd.’
‘Chauvins veroordeling is de uitzondering die de regel bevestigt’, merkt The Atlantic op. ‘Historisch gezien’, legt het tijdschrift uit, ‘zijn moordzaken tegen politieagenten uiterst zeldzaam, en van de weinige zaken die worden voorgeleid, zijn veroordelingen uiterst zeldzaam.’
‘Hoewel dit een opluchting is, valt er hier niet veel te vieren. Een man is zonder reden gestorven’, schrijft The Root, een site die als tagline heeft: The Blacker the Content the Sweeter the Truth.
‘Het valt nog te bezien of het vonnis zal leiden tot een grotere verantwoordingsplicht van de politie en het momentum zal consolideren dat door de tragedie is ontketend’, stelt Vox. Voor The Washington Post betekent het een ‘potentieel keerpunt’ voor Joe Biden, ‘die van rassengelijkheid en politiehervorming een kernpunt van zijn campagne had gemaakt, maar de thema’s nog niet op de voorgrond van zijn presidentschap plaatste’.
Idriss Déby, president van Tsjaad, is gesneuveld op het slagveld
Hij stond meer dan dertig jaar aan het hoofd van Tsjaad, en had zichzelf moeiteloos een zesde termijn in de wacht gesleept. Het nieuws dat op dinsdag 20 april om 12.00 uur op de nationale radio en televisie bekend werd gemaakt, kwam voor iedereen als een verrassing: Idriss Déby Itno is dood.
‘De president van de republiek, staatshoofd, opperbevelhebber van de strijdkrachten, Idriss Déby Itno, heeft zojuist zijn laatste adem uitgeblazen terwijl hij de territoriale integriteit op het slagveld verdedigde. Met diepe bitterheid kondigen wij het Tsjadische volk het overlijden aan, deze dinsdag 20 april 2021, van de maarschalk van Tsjaad’, kondigde legerwoordvoerder generaal Azem Bermandoa Agouna aan, in een verklaring voorgelezen op TV Tchad.
‘De grondwet is ontbonden. Dat geldt ook voor de regering en de Nationale Vergadering. Een militaire overgangsraad (CMT), onder leiding van zijn zoon, Mahamat Idriss Déby [37 jaar], is geïnstalleerd voor achttien maanden’, meldt Chad Infos.
De president, die een van de befaamdste legers van het continent had opgebouwd, was gewend zich tussen de troepen te begeven. Volgens de eerste berichten zou hij gewond zijn geraakt tijdens gevechten tegen de opstand van rebellengroep FACT, die zijn doorgestoten vanuit Libië, in de regio Kanem, even ten noorden van N’Djamena. Op deze plek hebben de gevechten zich de afgelopen dagen geconcentreerd, met honderden doden tot gevolg.
Strijd tegen terrorisme
Met zijn 68 jaar, waarvan hij bijna de helft aan de macht heeft doorgebracht, is de man die zichzelf in 2020 uitriep tot ‘maarschalk voor het leven’, een van de alleenheersers die met ijzeren vuist regeren. Aan het hoofd van een van de meest doorgewinterde, best uitgeruste en best getrainde legers op het continent, was hij ook Europa’s en in het bijzonder Frankrijks beste bondgenoot. In de afgelopen jaren, toen Tsjaad werd bedreigd door zowel Boko Haram als jihadistische groeperingen uit de Sahel, toonde hij zich in deze gevechten onmisbaar.
De Burkinese krant L’Observateur Paalga schrijft over de overleden president: ‘Déby is nu helaas des te onmisbaarder omdat iedereen zich van één ding bewust is: als na Libië ook de Tsjadische dam zou breken, zou de hele regio worden overspoeld door terrorisme.’ Na de dood van Idriss Déby is niet alleen Tsjaad in onzekerheid gedompeld, maar de gehele regio.
Miguel Díaz-Canel krijgt de leiding in Cuba, maar Raúl Castro houdt de macht
Miguel Díaz-Canel, president van Cuba – vandaag 61 jaar oud –, is op 19 april officieel eerste secretaris geworden van de Communistische Partij van Cuba (PCC), het centrum van de macht op het eiland. Een positie die tot nu toe was voorbehouden aan de broers Castro, eerst aan Fidel, tot zijn overlijden in 2016, en daarna aan zijn broer Raúl (89).
De laatst overgebleven broer is nu al twee jaar bezig met het opzetten van deze overgang. Voor het eerst komt de achternaam Castro niet voor onder de vijftien leden van het Politbureau, het besluitvormingsorgaan van de PCC.
‘Castro gaat, castrisme blijft’
Raúl Castro heeft niettemin vele loyalisten in het Politbureau en het Centraal Comité geplaatst, en er zijn maar weinigen die geloven dat hij het land niet op de achtergrond met ijzeren vuist zal blijven regeren.
Hoewel hij na de revolutie van 1959 is geboren en dus geen deel uitmaakt van de ‘historische generatie’, heeft Miguel Díaz-Canel zich in de tijdperken van Fidel en Raúl als een goed apparatsjik gedragen. Hij is sinds 1997 zonder onderbreking lid van het Politbureau.
In zijn toespraak aan het einde van de zitting waarin hij door het partijcongres werd bekrachtigd, liet hij zelf doorschemeren dat de ‘generaal van het leger’, Raúl, meer dan alleen aan zijn zijde zou blijven.
‘Raúl Castro blijft de enige en onbetwistbare leider, met een grenzeloze macht’
Granma, het officiële dagblad van de PCC, citeert hem: ‘Kameraad Raúl (…) zal worden geraadpleegd over strategische beslissingen die van invloed zijn op het lot van de Cubaanse natie. Hij zal altijd aanwezig zijn, van alles op de hoogte worden gehouden. Hij zal energiek strijden, ideeën en voorstellen aandragen voor de revolutionaire zaak (…), en alert blijven om eventuele fouten of tekortkomingen te voorkomen.’
Continuïteit: daar wijst ook de onafhankelijke Cubaanse pers op. De website Diario de Cuba kopt: ‘Niets absurder dan te praten over het einde van het Castro-tijdperk in Cuba’. En schrijft vervolgens: ‘Raúl Castro blijft de enige en onbetwistbare leider, met een grenzeloze macht. Van nu af aan zal hij zich tevreden stellen met het uitzetten van de strategische lijnen, het nemen van de belangrijke beslissingen en vooral het toezien op zijn nieuwe luitenants.’
‘Castro gaat, Castrisme blijft’, kopt de website 14ymedio, die eraan toevoegt: ‘Castrisme gaat verder dan een man en zijn clan. Het is een manier om politieke macht uit te oefenen, de media te controleren, de economie te beheren via het leger (…) en ideologische propaganda te structureren.’
Door een serie aan rampen in de recente geschiedenis van Japan, zouden relatief veel inwoners ontvankelijker zijn geworden voor complottheorieën die verklaren waarom alles is misgegaan.
In enkele grote Japanse steden hebben de afgelopen tijd pro-Trumpdemonstraties plaatsgevonden, tot in de puntjes georganiseerd door de sterk in opkomst zijnde ‘J-Anon’-beweging. Zo maakte Jeffrey Hall, docent aan de Waseda-universiteit in Tokio, op 6 januari in een serie tweets melding van een betrekkelijk grote pro-Trumpdemonstratie in de Japanse hoofdstad, enkele uren voordat aan de andere kant van de wereld in Washington D.C. Trumpaanhangers het Capitool bestormden. En half december deelde BBC-journalist Shayan Sardarizadeh, die over complottheorieën schrijft, filmpjes van een andere pro-Trumpdemonstratie in Osaka en wees daarbij op de sterke groei van J-Anon, een beweging die net als haar gecrowdsourcede Amerikaanse tegenhanger QAnon samenzweringstheorieën verspreidt.
A pro-Trump #StopTheSteal march is being held right now in Tokyo. Hours before the #January6th march takes place in America, these people are holding their own event supporting the claim that Trump actually won the 2020 election. pic.twitter.com/6CNobnlzHk
Tot de ingreep door Twitter na de rellen in het Amerikaanse Capitool op 6 januari hebben Japanse QAnon-groepen zich op het platform gemanifesteerd met hashtags als #J-Anon en #QArmyJapanFlynn. Dat laatste als verwijzing naar Michael Flynn, de in ongenade gevallen Amerikaanse Nationale Veiligheidsadviseur aan wie gratie is verleend door Donald Trump, en een belangrijke figuur binnen QAnon. Ondanks de veelvuldige ingrepen door het platform, waarbij de laatste keer meer dan zeventigduizend accounts werden verwijderd, zijn beide hashtags sinds 13 januari 2020 nog altijd actief.
De beruchtste van de religieuze randgroeperingen was de Aum-cultus uit de jaren negentig, die het einde van de wereld voorspelde
Als reden voor de populariteit van QAnon in Japan, die blijkt uit demonstraties in verscheidene Japanse steden sinds de Amerikaanse verkiezingen in november 2020, wordt vaak de sociale ontwrichting genoemd die het gevolg is van de enorme aardbeving, tsunami en kernramp in 2011 en van de huidige covid-19-pandemie, waardoor sommige Japanners ontvankelijker zijn geworden voor complottheorieën die verklaren waarom alles is misgegaan.
In december 2020 schreef journalist en activist Ogesa Taro op de Japanse website Harbour Business Online dat de Japanse steun voor Trump afkomstig is van een gevestigd ecosysteem van extreemrechtse, ultranationalistische en anticommunistische groeperingen met een prominente aanwezigheid op social media. Ook komt de steun voor Trump volgens Ogesa mogelijk van andere groeperingen binnen het politieke spectrum in Japan, zoals activisten tegen de Amerikaanse basis in Okinawa, die de vorige president steunden omdat ze geloofden dat hij de Amerikaanse troepen uit hun land zou terugtrekken.
QAnon seems to be growing bigger and bigger in Japan.
There was a pro-Trump "Stop the Steal" rally in Osaka today and some members of team "QArmyJapanFlynn" were there. pic.twitter.com/EyDDGx7eKb
Ook mensen die opkomen voor de mensenrechten in China door zich te beijveren voor de democratisering van Hongkong en het beëindigen van de onderdrukking van de Oeigoerse minderheid, kunnen Trump volgens Ogesa als hun verlosser beschouwen.
Ten slotte zou de steun voor Trump daarnaast afkomstig zijn van religieuze randgroeperingen, ‘nieuwe religies’ genaamd, die ook wel als cultussen worden aangeduid. Deze hebben een rijke geschiedenis in Japan en dateren van de sociale beroering en de grotere godsdienstvrijheid die volgden na het gewelddadige einde van het shogunaat (de regeringsvorm die bijna 700 jaar lang in Japan aan de macht was) in 1867.
De oorlogsverwoestingen en de daarop volgende uitbreiding van de persoonlijke vrijheden na de Japanse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog, hebben de opkomst en groei van tal van nieuwe religieuze bewegingen bevorderd.
Einde van de wereld
De beruchtste van deze religieuze randgroeperingen was de Aum-cultus uit de jaren negentig, die het einde van de wereld voorspelde. Onder leiding van Asahara Shoko was de Aum-groepering verantwoordelijk voor een serie moorden, bomaanslagen en andere activiteiten, met als hoogtepunt de sarin-gasaanval op de metro van Tokio in maart 1995, waarbij dertien mensen om het leven kwamen en minstens 5500 gewonden vielen.
Sarah Hightower, een onafhankelijk onderzoeker die binnenlandse terreurbewegingen bestudeert, wijst erop dat Aum, net als QAnon, zeer succesvol was in het aantrekken van nieuwe aanhangers. In 1995 telde de Japanse Aum-cultus wereldwijd 65.000 leden, waarvan tussen de 30.000 en 50.000 in Rusland. Voorafgaand aan de aanslagen was Aum betrokken bij verscheidene commerciële operaties in Japan en verkocht de beweging overal ter wereld drugs en wapens.
Jeffrey Hall van de Waseda Universiteit, die op 6 januari de grote, goed georganiseerde pro-Trumpmarsen in Tokio filmde, constateerde inderdaad de deelname van religieuze randgroeperingen, waaronder Sanctuary Church (ook wel bekend als World Peace and Unification Sanctuary), Falun Gong en Happy Science. De laatste is een religieuze organisatie die een eigen politieke partij heeft in Japan.
Falun Gong, een internationale religieuze beweging die op het Chinese vasteland verboden is en vervolgd wordt, publiceert Epoch Times, een anticommunistische krant die zich steeds meer achter Trump schaart. Falun Gong heeft ook op andere plekken op de wereld, waarin in Taiwan, deelgenomen aan pro-Trumpdemonstraties of die helpen organiseren.
Who are they? Trump supporters affiliated with several religious groups: Happy Science, the Sanctuary Church, and Falun Gong – appear were sharing information about this event in Japanese. Although it's a weekday, the turnout is quite large pic.twitter.com/OB5Llo08Vs
Fujikura Yoshiro, een onderzoeker die over religieuze randgroeperingen in Japan publiceert op zijn blog Almost Daily Cult News, schreef op Twitter dat hij op 5 januari veel prominente leden van Happy Science had gezien bij een andere pro-Trumpdemonstratie in de wijk Hibiya in Tokio, waaraan volgens zijn schatting tussen de duizend en tweeduizend mensen deelnamen:
‘Gisteren hielden aanhangers van president Donald Trump een mars van Hibiya naar Ginza. De demonstratie werd gesponsord door de “Trump Supporters in Japan”-groepering van Happy Science, in samenwerking met de “Change Japan”-groepering van datzelfde Happy Science. Vermoedelijke cosponsor was de “New Federal State of China”, een groepering die betrekkingen heeft met Trumpaanhanger Steve Bannon, en de “President Trump Re-election Support Rally”.’
Volgens Fujikura leek het erop dat verschillende groeperingen samenwerkten als een soort ‘J-Anon All-Star Team’, allemaal samengebracht door Donald Trump.
‘Alles duidt erop dat de pro-Trumpgroeperingen een scala van religieuze groeperingen omvatten’
Ook psycholoog Norichika Horie merkte op Twitter op dat alles erop duidt dat de pro-Trumpgroeperingen een scala van religieuze groeperingen omvatten. Het is mogelijk dat dergelijke groeperingen het enthousiasme en de energie die door de vertrekkende Amerikaanse president worden opgewekt gebruiken om nieuwe volgelingen aan te trekken en extra inkomsten te werven.
Thoton Akimoto, een softwareontwikkelaar en journalist die regelmatig nieuwsberichten post op Twitter, is bang dat niet genoeg mensen zich herinneren hoe snel extreemrechtse bewegingen in cultussen kunnen veranderen, en hoeveel schade cultussen kunnen aanrichten. Hij waarschuwt voor deze pro-Trumpgroeperingen in Japan:
‘Er is een spreekwoord: “De cultus slaat toe op het moment dat je er niet meer op verdacht bent.” Nee, zo’n spreekwoord bestaat niet, ik verzin het hier ter plekke. Maar het is wel waar. We moeten beducht blijven voor het gedrag van Trumpaanhangers in Japan en de Verenigde Staten die de verkiezingsuitslagen in de VS ontkennen.’
Alleen in de postcommunistische landen van Oost-Europa verslaan de populisten bij verkiezingen geregeld de traditionele partijen, stelt deze Poolse socioloog vast.
In zeven van de vijftien Oost-Europese landen zijn populistische partijen aan de macht, in twee maken zij deel uit van de regeringscoalitie en in drie vormen ze de belangrijkste oppositie. Haalden in 2000 de populistische partijen nog maar in twee landen 20 procent van de stemmen, nu is dat in tien landen gebeurd. In Polen haalden ze in 2000 slechts 0,1 procent van de stemmen, maar nu hebben ze de meerderheid in het parlement en regeert de Partij voor Recht en Rechtvaardigheid (PiS). In Hongarije kon Fidesz, de partij van premier Viktor Orbán, op sommige momenten rekenen op een steun van meer dan 70 procent.
Maar behalve naar de naakte cijfers moeten we ook kijken naar de sociale en politieke factoren die er de oorzaak van zijn dat het populisme in Oost-Europa zoveel sterker is geworden. Om te beginnen bestaat in deze regio niet de traditie van de scheiding der machten, die de westerse democratie lange tijd heeft weten te behouden. Anders dan Jaroslaw Kaczynski, voorzitter van de PiS en de facto leider van Polen, kan zelfs Donald Trump niet de beslissingen van de rechter negeren of de veiligheidsdiensten tegen de oppositie inzetten.
Nog een belangrijk verschil is dat mensen in Oost-Europa meer naar materialisme neigen dan West-Europeanen, die de zorgen om hun fysieke welzijn veelal achter zich hebben gelaten en zich verbonden hebben met wat [de Amerikaanse politicoloog] Ronald Ingelhart ‘postmaterialistische waarden’ noemt.
Kwetsbaarder
Het effect is onder andere dat de Oost-Europese samenlevingen kwetsbaarder zijn voor aanvallen op abstracte liberale instituties zoals vrijheid van meningsuiting en een onafhankelijke rechtspraak.
Dat hoeft ons niet al te zeer te verbazen. Per slot van rekening is het liberalisme een westers importproduct. Als je de fenomenen Trump en Brexit even buiten beschouwing laat, is de cultuur van het sociale en politieke liberalisme diep geworteld in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. In Oost-Europa is het maatschappelijk middenveld niet alleen zwakker, het richt zich ook sterker op terreinen als liefdadigheid, religie en ontspanning dan op politieke vraagstukken. Daar komt bij dat in het buitengewoon diverse politieke landschap van de postcommunistische staten links zeer zwak is, zo niet geheel ontbreekt in het politieke leven.
De demarcatielijn ligt dus niet tussen links en rechts, maar tussen goed en kwaad. Daarmee komt Oost-Europa veel dichter bij de tweedeling ‘vriend of vijand’ die is geformuleerd door de Duitse antiliberale politiek filosoof en rechtsgeleerde Carl Schmidt. Elk kamp ziet zichzelf als de enige ware vertegenwoordiger van de natie, en vindt dan ook dat elke oppositie onwettig is en niet alleen in verkiezingen verslagen, maar ook monddood gemaakt moet worden.
En er is nog een onderscheid tussen de populisten in het Oosten en hun neven in het Westen. De eersten kunnen niet alleen rekenen op de steun van de arbeidersklasse, maar ook op die van de middenklasse. Volgens een onderzoek van de Universiteit van Warschau heeft politieke overtuiging niet te maken met wie wel of niet heeft geprofiteerd van de postcommunistische economische transformatie in het land. Onder het electoraat van de regeringspartij bevinden zich veel mensen die zich tevreden voelen over hun bestaan en bepaald niet achtergesteld zijn.
Die kiezers voelen zich aangetrokken tot het populistische gedachtengoed omdat dat hun een raamwerk biedt waarin ze hun positieve en negatieve ervaringen een plaats kunnen geven. Hebben ze zo eenmaal een doel gevonden, dan voelen de kiezers zich sterk verbonden met de partij. In plaats van zich vanuit hun persoonlijke ervaring een mening te vormen over de rechtspraak, vluchtelingen of de oppositie, luisteren ze naar hun leider en voegen ze zich in hun mening naar diens politieke keuze.
De arbeidersklasse wordt vooral gedreven door het verlangen om bij een gemeenschap te horen
Het succes van de PiS valt dus niet te verklaren vanuit de economische frustratie van de kiezers. De arbeidersklasse wordt vooral gedreven door het verlangen om bij een gemeenschap te horen. Hun tegenhangers uit de middenklasse zoeken hun bevrediging niet in materiële rijkdom, maar in het uitsluiten van degenen die als minderwaardig worden gezien – of het nu gaat om vluchtelingen, de verderfelijke elite of rechters die alleen de belangen van die elite dienen. Orbán en Kaczynski weten maar al te goed munt te slaan uit dat verlangen.
Je kunt je afvragen of het uiteindelijk niet het populisme zal zijn dat de werkelijke culturele – en vervolgens politieke – grenzen van de Europese Unie zal bepalen. Als de Poolse of Hongaarse politiek dichter bij die van Rusland blijkt te liggen dan bij die van Frankrijk of Oostenrijk, betekent dat dan dat de grenzen van de EU te ver zijn opgerekt? Kan het zijn dat hun plek aan de zijde van Rusland is, en niet aan die van West-Europa? Zijn de grenzen van de EU dan op de lange termijn niet meer te handhaven? Dit zijn netelige vragen, en alleen de Oost-Europeanen kunnen ze beantwoorden.
Auteur: Slawomir Sierakowski
Vertaler: Annemie de Vries
Xia Ming, hoogleraar politieke wetenschappen in New York, schetst een portret van zijn voormalige studiegenoot Wang Huning, de belangrijkste adviseur van de Chinese president.
Hij heeft zich weten te onderscheiden in een vijver van 1,4 miljard mensen, en dat verdient op zichzelf al respect! Of je nu met de prins of de tijger optrekt, het is één pot nat. Wang Huning heeft zich aangepast aan de politieke zeden van Zhongnanhai, de zetel van de Chinese regering, om er drie generaties monarchen te dienen. Dankzij zijn grote kennis van het raderwerk van de staat is hij steeds verder opgeklommen, een onmiskenbaar teken van zijn opmerkelijke intellectuele en emotionele kwaliteiten. Maar weinig mensen zullen die kwaliteiten betwisten: hij is een innemende man die in staat is om een missie tot een goed einde te brengen en problemen op te lossen, en hij loopt niet met zijn talenten te koop. Toch gaan we hier proberen zijn profiel wat verder uit te diepen.
Ik heb Wang Huning veelvuldig meegemaakt tussen 1981 en 1991 op de faculteit voor Internationale politiek van de Fudan-universiteit in Shanghai. In die tijd verkeerde hij nog niet in de hoogste kringen, zodat het mogelijk was zijn ware gezicht en zijn werkelijke karakter te zien. En ook al heb ik een jaar of twintig geen direct contact meer met hem gehad, ook daarna heb ik zijn levensloop kunnen volgen aangezien onderzoek naar de Chinese politiek mijn vakgebied is.
Hervormingstendensen
We zaten op dezelfde faculteit en woonden beiden in gebouw nr. 7 op de campus van Fudan. In 1981, toen ik aan mijn bachelor begon, was Wang, die tien jaar ouder is dan ik, bezig met zijn master. Na zijn afstuderen werd hij docent op Fudan en in het studiejaar 1982-1983 heb ik colleges geschiedenis van het westerse politieke denken bij hem gevolgd. In die tijd volgde hij als docent nog het voetspoor van zijn eigen leermeester Chen Qiren, hoogleraar politieke economie en een orthodoxe marxistisch leninist.
Maar naarmate de belangstelling voor het westerse denken en de hang naar politieke hervormingen toenamen, wist Wang Huning zijn vergelijkend onderzoek naar politieke regimes steeds verder uit te breiden. In de jaren tachtig kwamen onze interessesferen dichter bij elkaar te liggen. Hij en mijn scriptiebegeleider waren in 1987 samen verantwoordelijk voor het ‘Politieke verslag van het dertiende Partijcongres van de Communistische Partij van China’. De tekst van Wang is getiteld ‘Scheiding van partij en staat’ en ik heb meegeschreven aan het hoofdstuk ‘Deconcentratie van machten’, twee typerende thema’s voor de hervormingstendensen in de jaren tachtig, waartoe Deng Xiaoping in 1979 de aanzet had gegeven.
We zijn allebei in 1984 lid geworden van de Communistische Partij van China en ik heb lange tijd tot dezelfde cel behoord als hij. Onze werkkamers waren trouwens maar een paar stappen van elkaar verwijderd. Tijdens mijn master hebben we vaak samengewerkt; ik heb bijvoorbeeld meegewerkt aan de redactie van enkele van zijn boeken, waaronder aan Fubai he fan fubai (‘Corruptie en strijd tegen corruptie’).
Maar in 1989 werden we ongewild tegenstanders. In februari van dat jaar liet de universiteit haar studenten ‘de beste jonge docent’ kiezen, en ik eindigde volgens een van mijn studenten, de vicevoorzitter van de studentenvereniging, op de eerste plaats. Maar als gevolg van een ‘democratische centralisering’ van de uitslagen, een ironische verwijzing naar de handelwijze van de Communistische Partij, was het Wang Huning die won. Kort daarna spatte de democratische studentenbeweging van 1989, bekend van het bloedig onderdrukte Tiananmenprotest, uit elkaar.
Wang had zonder aarzelen de kant van Partij en regering gekozen, terwijl ik de kant van de studenten koos. Van toen af aan hebben onze wegen zich gescheiden. Na deze gebeurtenissen besloot ik naar de Verenigde Staten te gaan om te promoveren, terwijl Wang aan zijn beklimming van de machtsladder begon.
In de ogen van de meeste mensen is Wang Huning een gevierde geleerde, maar in werkelijkheid draagt hij de littekens van zijn tijd met zich mee. Hij heeft proefschriften begeleid, maar zelf heeft hij nooit een bachelor gedaan en is hij nooit gepromoveerd [zie de bio onder aan de tekst].
Omdat Wang Huning geen klassieke opleiding heeft genoten, vertoont zijn onderzoek grote methodologische tekortkomingen en een gebrek aan conceptualisering. Wanneer hij bijvoorbeeld een historische ‘balans’ opmaakt van de corruptie in China, volstaat hij met een gedetailleerde en subjectieve beschrijving, zonder zich ooit (of vrijwel nooit) in oorzaak en gevolg te verdiepen. Dat heeft hem uiteindelijk vatbaar gemaakt voor de theorieën van de Chinese ‘nationale specificiteit’, al in zwang sinds het begin van de eenentwintigste eeuw, en van het ‘cultuurrelativisme’.
Desondanks heeft Wang Huning ontdekt hoe hij moet slagen. In zijn boek over corruptie onderkent hij de ‘alomvattende, allesoverheersende aard van de Chinese overheid’, die systematisch tot uitdrukking komt op elke positie binnen een complex hiërarchisch systeem. Gedurende zijn hele carrière heeft hij zijn ellebogen gebruikt om een begeerde positie te bereiken, om vervolgens de aan die positie verbonden voordelen te monopoliseren en de weg naar een nog hogere functie te vinden.
In 1986, toen hij betrokken werd bij het schrijven van het politieke verslag van het dertiende Partijcongres, begon Wang Huning een sterke neiging tot “neo-autoritarisme” te vertonen
Wang is een typische apparatsjik. Hij is geboren in Shanghai in een familie van middelhoge ambtenaren en trouwde met een van zijn medestudenten, Zhou Qi, wier vader hoogleraar-onderzoeker was aan het Instituut voor Contemporain Internationaal Onderzoek in Beijing. Daarna begon een carrière die nauw verbonden was met het Partijapparaat.
Begin jaren tachtig behoorden de briljantste jonge onderzoekers op de campus van Fudan bijna allemaal tot het liberale kamp, dat economische en sociale hervormingen voorstond, en in mindere mate politieke hervormingen. Maar nadat tijdens een seminar van de filosofische faculteit van Fudan het marxistisch leninisme ter discussie was gesteld, werden ze het doelwit van een ‘campagne tegen geestelijke vervuiling’ die werd gelanceerd in 1983.
Toen Wang Huning in 1984 lid werd van de Partij, werd Wang Bangguo, hoofd van het onderzoekslaboratorium en de politicologische faculteit van Fudan, zijn mentor, met de bedoeling het liberale tij te keren. Met steun van hogerhand maakt Wang Huning daarna een bliksemcarrière. Hij werd de jongste universitair hoofddocent van Fudan. Dat was slechts de voorbode van talrijke andere roemrijke titels. Volgens sommigen is hij ‘gesmeed door de Partij’. Waarschijnlijk is in elk geval dat hij in die tijd de aandacht trok van Zeng Qinghong, destijds adviseur van Jiang Zemin in het stadhuis van Shanghai.
In 1986, toen hij betrokken werd bij het schrijven van het politieke verslag van het dertiende Partijcongres, begon Wang Huning een sterke neiging tot ‘neo-autoritarisme’ te vertonen, een stroming die zowel economisch liberalisme als een moderne dictatoriale macht voorstond en het liberaal-democratische gedachtegoed een halt wilde toeroepen. Toen de democratische beweging in 1989 uit elkaar spatte, nam hij het op voor Jiang Zemin, die door de liberale intellectuelen werd bekritiseerd omdat hij in mei van dat jaar de Shijie Jingji Daobao (World Economic Herald) had gesloten, een van de eerste liberale kranten van China, met als motief dat deze de democratische beweging ‘begunstigd’ zou hebben. Na het bloedbad van 4 juni 1989 op het Tiananmenplein in Beijing is het aantal liberalen in universitaire en politieke kringen in China vrijwel gedecimeerd, door middel van repressie of verbanning.
Chinese Hegel
Voor een vertegenwoordiger van het neo-autoritarisme als Wang Huning openden zich nieuwe horizonten. Hij werd de architect en goochelaar van een steeds reactionairder politiek regime.
Wang was tamelijk sterk beïnvloed door het marxistisch leninisme en andere Europese politieke theorieën. Ik herinner me dat in zijn colleges over de geschiedenis van het westerse politieke denken zijn bewondering voor Plato doorklonk, de ‘koning van de filosofie’, en voor boeken als De vorst van Niccolò Machiavelli en Leviathan van Thomas Hobbes. Zijn masterscriptie ging over nationale soevereiniteit, een geliefd onderwerp van de Franse politiek filosoof Jean Bodin (1529-1596), die manieren bestudeerde om de koning te helpen zijn absolute macht te consolideren en een eind te maken aan het feodalisme van de middeleeuwen.
Hij was in zekere zin een Chinese Hegel, die het bestaan van een dictatoriaal regime verdedigde en van mening was dat ‘de staat zijn bestaan dankt aan de komst van God naar de wereld’ (Hegel, Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie, 1820). Maar hij was ook een Chinese Heidegger, de beroemde filosoof die de denker van het fascistische regime werd. En als je in het politieke verslag van het negentiende Congres van de Communistische Partij van China, gepubliceerd in november 2017, de passage over de grote strijd, de grote werken en de grote dromen leest, te verwezenlijken door de Partij, moet je onwillekeurig ook aan een andere Duitse nazifilosoof denken, Carl Schmitt (1888-1985), voor wie ‘het specifieke politieke onderscheid het verschil tussen vriend en vijand is’. Met andere woorden, het belangrijkste van alles is om te weten wie er aan jouw kant staat en wie tot degenen behoort die bestreden moeten worden. Zonder deze potentieel dodelijke strijd zou de politiek niets voorstellen.
Het is niet zo abnormaal om te denken dat de weg naar “een sterk leger voor een sterk land” uiteindelijk tot hetzelfde historische lot zullen leiden dat Duitsland en Japan was beschoren
In zijn boek Meiguo fandui meiguo (Amerika tegen Amerika) uit 1991 poneert Wang Huning duidelijk voor welke uitdaging Azië naar zijn idee staat: dat Japan, het Land van de Rijzende Zon, de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog zware militaire klappen heeft toegebracht, en zware economische klappen in de jaren tachtig van de vorige eeuw, komt volgens hem doordat het individualisme, het hedonisme en de democratie zijn overwonnen door collectivisme, zelfopoffering en autoritarisme. Ziedaar de waarden en de historische ontknoping van de droom van een ‘rood Rijk van de Rijzende Zon’ dat hij samen met Xi Jinping wil realiseren.
Momenteel is het niet zo abnormaal om te denken dat de weg naar ‘een sterk leger voor een sterk land’, waarvoor het politieke verslag van het negentiende Congres onder de bezielende leiding van Wang Huning pleit, en het idee dat ‘de Partij almachtig is in het hele land’, uiteindelijk tot hetzelfde historische lot zullen leiden dat Duitsland en Japan was beschoren. Toch schrijft Wang Huning in zijn boek Zhengzhi di rensheng (Een politiek leven) uit 1994: ‘Het is verschrikkelijk dat wij meestal niet in staat zijn lering te trekken uit de gruwelen van het verleden.’ Volgens sommigen is Wang Huning het prototype van een geleerde in regeringskringen die liever in de schaduw vertoeft. Hij heeft misschien ongefundeerde verwachtingen gewekt, maar hij heeft zich nooit de ideeën van Socrates toegeëigend, die een ‘paardenvlieg voor Athene’ wilde zijn en een ‘wereldburger’ (Plato, Apologie van Socrates). Zijn kritische geest is slechts op één ding gericht: het door het slijk halen van de westerse mogendheden. Wellicht zal hij er ooit in slagen herboren te worden en zichzelf te overstijgen door een eind te maken aan de symbiotische relatie die hij met de totalitaire machthebbers onderhoudt en China in een meer liberale en democratische richting kunnen stuwen.
Toen ik in 1991 toestemming vroeg om Fudan te verlaten en in de Verenigde Staten te gaan studeren, zei Wang Huning me drie dingen: ten eerste dat hij zich niet tegen mijn vertrek zou verzetten; ten tweede dat de VS een grote machine was waarvan je absoluut het ritme diende te volgen om niet vermorzeld te worden; en ten derde dat zolang hij invloed had op Fudan, hij me altijd zou terugnemen als ik dat zou willen. Het eerste punt betrof een gunst aan mijn adres, het tweede was een nuttig advies en het derde zal me naar ik hoop nog eens van pas komen.
In ‘Een politiek leven’ schrijft Wang Huning: ‘De politieke belofte is een begrip dat nadere uitwerking verdient; het is misschien het logische beginpunt voor het creëren van een politieke filosofie in China.’ Maar dit voornemen mag geen pact van Faust met de duivel worden. Noch op persoonlijk vlak, noch wat het land betreft.
Duanchuanmei is een Chinese website, opgezet in 2015 door de advocaat Will Cai, die in Hongkong de kritiek kreeg dat hij op al te goede voet zou staan met Xi Jinping.
In februari krijgt Cuba een nieuwe president, als opvolger van Raúl Castro. Maar dat betekent niet dat de Castro-clan alle macht opgeeft, denken analisten. Daarvoor zijn de verhoudingen met de VS sinds de verkiezing van Donald Trump te gespannen.
Wie de Cubaanse leider Raúl Castro na de aanstaande presidentsverkiezingen ook zal opvolgen, hij zal een storm van uitdagingen het hoofd moeten bieden met als absoluut hoogtepunt orkaan Donald Trump. De zesentachtigjarige Castro heeft gezegd dat hij van plan is na de landelijke verkiezingen van februari 2018 terug te treden als hoofd van de Staatsraad en de Ministerraad. Wel verwacht men dat hij zal aanblijven als leider van de Cubaanse Communistische Partij van Cuba.
Sinds Donald Trump in januari 2017 zijn intrede deed in het Witte Huis is de relatie tussen de Verenigde Staten en Cuba duidelijk bekoeld. Zo verharde Trump zijn taal tegen Castro en heeft hij gezegd korte metten te maken met de toenaderingspolitiek van zijn voorganger Obama.
Zakendoen met staatsbedrijven die door Cubaanse militairen worden geleid, is voortaan verboden. De spanning tussen beide landen liep onrustbarend op toen het nieuws naar buiten kwam dat Amerikaanse diplomaten in Havana en medewerkers van de ambassade doelwit zouden zijn van aanvallen met geluidswapens of iets van dien aard. Beide regeringen hebben over en weer beschuldigingen geuit en de aanvankelijk terughoudende Cubaanse media deinzen er niet langer voor terug om Trump een ongelikte beer te noemen. Al hebben de Verenigde Staten de Castro-regering niet rechtstreeks beschuldigd, toch hamert regeringswoordvoerder Heather Nauert erop dat de Cubaanse regering op de hoogte moet zijn geweest van wat er is voorgevallen. Op zijn beurt heeft Cuba verklaard zich van geen kwaad bewust te ziijn. De hele episode lijkt een flashback van de Koude Oorlog.
‘De Communistische Partij heeft veel ervaring met het voeren van een sober beleid. In de jaren negentig wist ze de eenheid in Cuba te bewaren’
Voor Domingo Amuchástegui, voormalig analist bij de Cubaanse inlichtingendienst en momenteel woonachtig in Miami, is het ‘ondenkbaar’ dat onder de huidige omstandigheden iemand terug zal treden.
Het ‘Trump-effect’ is voelbaar in het politieke debat in Cuba, menen enkele analisten. Trumps nieuwe maatregelen, die het reizen naar Cuba en de handel met staatsbedrijven aan banden leggen, voeden de oude staat-van-beleg-mentaliteit op het eiland, zegt de Cuba Study Group, de Cubaans-Amerikaanse organisatie die de toenaderingspolitiek van oud-president Barack Obama steunde. Hoe groot de macht is van de conservatieven binnen de Cubaanse regering bleek al toen de regering de afgifte van nieuwe licenties voor werknemers in de private sector stopzette. ‘Raúl Castro zegt al langer dat de oude mentaliteit het voornaamste obstakel voor hervormingen is. Ook heeft hij gezegd dat de hervormingen zo snel gaan als de consensus dat toestaat. Die twee dingen wijzen er wel degelijk op dat er een groep is die het proces vertraagt,’ meent Carlos Alzugaray, oud-ambassadeur van Cuba bij de Europese Unie.
Wie de nieuwe president van Cuba ook wordt, hij zal het hoofd moeten bieden aan ingewikkelde uitdagingen die van invloed zijn op zijn politieke speelruimte. De olievoorziening uit Venezuela is het afgelopen jaar opgedroogd omdat Cuba’s bondgenoot zelf kampt met een economische crisis. Orkaan Irma, die over de noordkust van het eiland trok, heeft een spoor van verwoestingen achtergelaten. De Cubanen morren over de traag verlopende herstelwerkzaamheden en er waren kleine, spontane protestacties in de hoofdstad en in een aantal provincies. Econoom Carmelo Mesa-Lago verwacht dat de Cubaanse economie dit jaar opnieuw met 0,3 procent zal krimpen – het afgelopen jaar werd afgesloten met een recessie. Volgens Mesa Lago zit Cuba in de zwaarste economische crisis sinds 1990, het jaar waarin de Sovjet-Unie uiteenviel.
Moody’s Investors Service voorspelt dat als gevolg van orkaan Irma en de nieuwe maatregelen van de Trump-regering de Cubaanse economie met 0,5 procent zal krimpen. Manuel Cuesta Morúa, een tegenstander van het regime, die het voortouw nam om onafhankelijke kandidaten op de lokale verkiezingslijsten te krijgen, acht het niet uitgesloten dat Raúl Castro voorlopig aanblijft als hoofd van de regering vanwege ‘de kritieke situatie’ waarin Cuba plotseling terecht is gekomen door de nasleep van orkaan Irma en de verslechterde relatie met de Verenigde Staten. ‘Zo’n crisis kan beter door ervaren mensen worden aangepakt dan door nieuwkomers.’ Wel denkt Morúa dat Raúl Castro het regeren zal overlaten aan vicepresident Miguel Díaz-Canel, de zichtbaarste kandidaat tot nu toe. ‘Ik denk dat de Cubanen in institutionele zin voldoende zijn voorbereid om de toenemende problemen te trotseren en tegelijkertijd de politieke overgang door te zetten,’ zegt Richard Feinberg, docent politicologie aan de Universiteit van Californië in San Diego. ‘De Communistische Partij heeft veel ervaring met het voeren van een sober beleid. In de jaren negentig wist ze de eenheid in Cuba te bewaren.’
De gebroeders Castro.
‘Het is weinig waarschijnlijk, zo niet onmogelijk dat er zich géén wisseling van de wacht zal voordoen in de hoge echelons van de regering,’ meent oud-ambassadeur Alzugaray. ‘Raúl Castro heeft duidelijk te kennen gegeven dat hij wil terugtreden en de institutionele basis wil leggen voor het Cuba na de Castro’s. Raúl Castro is bijna negentig en staat bekend als iemand die het fijn vindt tijd met zijn familie door te brengen. Hij zal nu niet terugkrabbelen,’ aldus de Cubaanse ex-diplomaat. ‘Hij heeft niet voor niets voorgesteld dat een president maar twee termijnen mag aanblijven. Op die regel zal hij niet de eerste uitzondering zijn.’
Castro’s plannen dateren van 2013. Toen zei hij voor het eerst dat hij van plan was zich na vijf jaar uit de staatsraad terug te trekken. Op het zevende congres van de Communistische Partij van Cuba in 2016 heeft de president voorgesteld een leeftijdslimiet in te stellen voor leden van de regering en van de Communistische Partij, een voorstel dat door de aanwezige tachtigers die tot de ‘historische generatie’ behoren – de mannen die samen met Fidel en Raúl Castro deelnamen aan de omverwerping van de Baptista-dictatuur – lauwtjes werd ontvangen.
‘Vanaf het moment dat hij president werd (officieel in 2008) heeft Castro gepoogd de instituties te versterken, hetgeen de beste garantie op voortzetting van het regime zou zijn,’ aldus William LeoGrande, docent aan de American University. ‘Maar Castro heeft met geen woord gerept over het opgeven van zijn plek als eerste secretaris van de Communistische Partij van Cuba, en in die hoedanigheid heeft hij een grote vinger in de pap bij belangrijke beslissingen.’
Ander debat
Maar zelfs áls Castro uit de regering stapt, dan liggen de kaarten van het politieke debat nu anders, meent Arturo López Levy van de Universiteit van Texas in Río Grande en voormalig analist bij de Cubaanse inlichtingendienst. ‘Eerst ging het erover of vicepresident Díaz-Canel genoeg in huis had om te kunnen omgaan met een geglobaliseerde wereld en een pluriformere samenleving. Nu is het debat over de politieke hervormingen in Cuba uitgesteld of zelfs stopgezet,’ aldus López Levy. De regering heeft bijvoorbeeld het verzoek afgewezen van meer dan honderd onafhankelijke kandidaten om deel te mogen nemen aan de lokale verkiezingen van 26 november. In plaats van over progressievere kandidaten of andere politieke hervormingen gaat het huidige debat erover of Díaz-Canel en zijn team voldoende zijn klaargestoomd om een adequate strategie te ontwikkelen tegen Trump, en of ze de energie hebben om het tegen Washington op te kunnen nemen.
Auteurs: Nora Gámez Torres en Mimi Whitefield
Vertaler: Henriëtte Aronds
In 1977 voor het eerst uitgebracht als bijlage van de Miami Herald, staat sinds 1986 op eigen benen. Dé Spaanstalige krant (de tweede en meest gelezen in de VS) van de latinogemeenschap in Miami.
Of het nu om Lenin gaat of Karl Marx, de regerende Poolse conservatieve partij is vastbesloten alle herinneringen aan het communistische verleden uit te wissen.
Dankzij een in de lente van 2016 aangenomen wet hadden de Poolse steden tot 2 september van dit jaar om alle straten, gebouwen en openbare plekken om te dopen die ‘personen, organisaties, evenementen of data eren die gelieerd zijn aan het communisme of een ander totalitair regime’.
Deze wet past bij de manier waarop de ultraconservatieve partij Recht en Rechtvaardigheid (Pis), die sinds bijna twee jaar in Polen aan de macht is en het vaste voornemen heeft de revolutie van 1989 te vervolmaken, omgaat met het verleden. Volgens de PiS werd er tijdens de onderhandelingen die destijds tot een vreedzame overgang van communistische dictatuur naar democratie leidden, onvoldoende gebroken met het oude systeem en werd de verantwoordelijkheid van mensen die zich aan misdaden hadden schuldig gemaakt verzwegen. Al had Polen in het begin van de jaren negentig iedere verwijzing naar de meest controversiële figuren, zoals Lenin en Stalin, uit de publieke ruimte verwijderd, de journalistieke onderzoekssite OKO-press noemt een aantal andere namen die, hoewel ze gelieerd waren aan het communisme, niet per se in ongenade hoeven te vallen: Karl Marx, de verdedigers van Stalingrad of de Poolse vrijwilligers in de jaren dertig van de vorige eeuw.
De oppositiekrant Gazeta Wyborcza onthult welke strategie sommige steden volgen om de wet te omzeilen. In Warschau, waar de liberalen de meeste zetels hebben in de gemeenteraad, ‘zullen zes straten van naamgever veranderen. De nieuwe naamgevers hebben dezelfde achternaam maar een andere voornaam en een andere biografie.’
De burgemeester van Gdańsk, ook een liberaal, weigert vierkant de wet toe te passen, die hij zowel ‘absurd als strijdig met het principe van plaatselijke autonomie en de wil van de burgers’ noemt. De opstandige gemeenten zullen het moeten opnemen tegen de regioprefecten, die allemaal door PiS zijn benoemd toen de partij eind 2015 aan de macht kwam. De laatsten kunnen met de wet in de hand het omdopen van openbare plekken forceren als het Instituut voor Nationale Herinnering dat nodig acht.
Met het risico dat je straten met twee namen krijgt? Het nationalistische weekblad Gazeta Polska looft niettemin het Poolse ‘model’ en legt uit ‘hoe Polen Oost-Europa van de communistische smet zou moeten ontdoen’, met name Oekraïne, de Baltische staten en Moldavië.
De Franse 360.Sinds twintig jaar een begrip in de kiosk. Bijgenaamd het Pentagon van de journalistiek, omdat Courrier nauwlettend in de gaten houdt wat er over de hele wereld wordt geschreven door de media.
Het is een boosaardige grap van de geschiedenis. Honderdvijftig jaar nadat Karl Marx met Das Kapital zijn beroemde kritiek op het kapitalisme publiceerde, is hij zelf een product geworden waarmee geld wordt verdiend.
Het kapitalisme is meedogenloos. Vriend noch vijand ontziend dringt het door tot in de kleinste poriën van de maatschappij; alles en iedereen moet zich eraan onderwerpen. Zo ongeveer beschreef Marx de dynamiek van de moderne economische wereld. De man had gelijk – op een klein schoonheidsfoutje na. Waar Marx als uiteindelijke ommekeer een zegetocht van het proletariaat voorspelde, trok de wereldgeschiedenis een heel ander plan en bezorgde het kapitalisme de definitieve overwinning.
Wie daarvoor nog bewijs nodig heeft, moet naar Trier gaan. Daar staat in het voetgangersgebied tussen ijssalons en schoenwinkels een huis waar de filosoof zijn kinderjaren en jeugd heeft doorgebracht. Een stenen gedenkplaat herinnert aan de vroegere bewoner. Nu is er een EuroShop gevestigd: zonnebrillen, haarklemmen, fietspompen, alles kost hier een euro. Het is een boosaardige grap van de geschiedenis. In zijn belangrijkste werk Das Kapital (1867) waarschuwde de beroemdste telg van Trier immers voor minimale lonen, bedenkelijke arbeidsomstandigheden en globalisering. In 2017 is hijzelf allang een product waarmee geld wordt verdiend.
De man met de volle baard die zijn hele leven kritiek uitoefende op de rijken en met zijn grote gezin in soms bittere armoede leefde, maakt vlak voor zijn tweehonderdste geboortedag een revival door. Hij wordt weer gelezen, zijn werk is voor honderdduizenden mensen over de hele wereld een geestelijk kompas door bewogen tijden en zijn naam is de garantie voor toeristen en bezoekers. ‘Het is interessant om te zien hoe de grote analyticus van producten, waarde en prijsmechanismen nu zelf een product wordt,’ zegt Marien van der Heijden, hoofd Collectievorming van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Daar liggen diep weggestopt in de archieven handgeschreven documenten en alle bewaard gebleven manuscripten van Marx.
De recente financiële crisis heeft hernieuwde belangstelling gewekt voor de crisisprofeet en ook het komende jubileum zorgt voor een opleving in de Marx-business: in Trier, in Berlijn, in China – en ook een beetje in Londen. In de Britse hoofdstad heeft Marx meer dan de helft van zijn leven doorgebracht. Op de Highgate Cemetery in het noordwesten van Londen, waarvoor de toegangsprijs vier pond bedraagt, ligt hij begraven. Wie op een lentezondag in de metropool op zoek gaat naar sporen van Marx, stuit op Piccadilly Circus op een clubje geïnteresseerden – en op Heiko Khoo, een overtuigd marxist.
Khoo geeft enkele toeristen een twee uur durende rondleiding door de wijk Soho. Tien pond betalen ze ervoor. ‘U mag van geluk spreken dat u er op tijd bij bent,’ zo begroet hij zijn klanten, ‘want zodra de Chinezen horen dat Marx in Londen is geweest, komen er miljoenen hiernaartoe om deze excursie te maken.’ Een grap die maar ten dele grappig is bedoeld. De Marx-kenner heeft onlangs een boek geschreven over de Londense periode van de grote man. Dat wordt allereerst in China uitgegeven, zegt Khoo, daar waar hij de grote groeimarkt voor zijn nering vermoedt. De Chinese ambassade benadert hem nu al voor rondleidingen. Ook Chinese bankiers die op zakenreis in Londen zijn, volgen samen met hem het spoor van Marx. Maar op deze zondagmorgen zijn er geen Chinezen van de partij. Er is een bont gezelschap uit de hele wereld komen opdagen, onder wie de Amerikaan Joe. ‘Het kapitalisme is negentiende-eeuws. Wij hebben een economisch model voor de eenentwintigste eeuw nodig,’ vindt hij. Daarom is hij hier.
De eerste stop is bij een kroeg op een hoek, maar een paar straten van Piccadilly Circus. Tegenwoordig is hier een cocktailbar gevestigd, maar in de tijd van Marx heette deze zaak The Red Lion. In de vergaderruimte op de bovenverdieping van de pub kwamen Marx en zijn aanhangers in 1847 bijeen. Hier kreeg hij opdracht om Het Communistisch Manifest te schrijven. Khoo citeert de beroemde eerste zin: ‘Een spook waart door Europa. Het spook van het communisme.’
Armzalige jaren in Soho
Tijdens zijn leven was vrijwel niemand geïnteresseerd in de Duitse immigrant uit Trier, die in het Engeland van de industriële revolutie het grootste deel van zijn werk schreef. Hij was naar de stad aan de Theems gekomen omdat hij in Frankrijk en Duitsland als revolutionair werd vervolgd door de overheid. Een hoogopgeleide rebel.
Londen was de wereldhoofdstad van het kapitaal. Het was groot, rijk en duur. Het waren armzalige jaren voor Marx in Soho, zegt Khoo. Op de gevel van een huis in Dean Street is een blauwe gedenkplaat geschroefd. Vijf jaar heeft het gezin hier in een klein huisje gewoond, drie kinderen zijn hier gestorven. In de British Library verderop in de stad werkte Marx aan zijn boek. Tegenwoordig parkeren er dure sport- en terreinauto’s in Dean Street. Aan het einde van de rondleiding heft Khoo op straat De Internationale aan: ‘Makkers, ten laatste male.’ De voorbijgangers trekken hun wenkbrauwen op, de deelnemers applaudisseren.
In het IISG-archief in Amsterdam staan tientallen dikke boeken met daarin de bekendste citaten, stellingen en uitdrukkingen van Marx. Het manuscript van _Das Kapita_l is in juli 1943 verbrand bij het bombardement van Hamburg, zegt Van der Heijden. Het manuscript van Het Communistisch Manifest is vlak na de druk in 1848 door de zetter in Londen verscheurd. In Amsterdam hebben ze nog de handgeschreven eerste bladzijde van het manifest en de eerste druk van Das Kapital, met persoonlijke notities van Marx.
Van der Heijden heeft voor beide een aanvraag ingediend voor opname op de Werelderfgoedlijst van UNESCO, en op beide een positieve reactie gekregen. De twee geschriften zijn tegenwoordig onbetaalbaar. Op veilingen in Londen kost een simpele brief van de hand van Marx nu evenveel als een Volkswagen Golf en een kopie van Das Kapital met een handtekening van de auteur heeft de prijs van een Porsche. De kostbaarheden in Amsterdam liggen achter dikke deuren van staal. De archivarissen hebben er een waardevol pakket uit samengesteld, dat volgend jaar in bruikleen wordt gegeven aan Duitsland. In Trier moet de handel in Marx een economische factor van belang worden.
In zijn geboortehuis, waar hij ook zijn eerste levensjaar doorbracht, is al lange tijd een museum van de Friedrich-Ebert-Stiftung gevestigd. Meer dan 40.000 bezoekers heeft het afgelopen jaar getrokken, van wie een op de drie Chinezen. Een kaartje kost € 4, een fles Marx-wijn uit het Moezelgebied € 8,99. Dat is alleen maar een voorproefje: volgend jaar viert Trier de tweehonderdste geboortedag van Marx. Uit de hele wereld zullen bewonderaars toestromen. De oude Romeinse stad is zich aan het opmaken voor die stormloop.
De straten van de grote steden zijn weliswaar het decor van Porsches en Gucci-winkels, maar dat is niet meer dan een tussenstap op China’s pad naar het einddoel van de klasseloze maatschappij
Rainer Auts, verantwoordelijk voor de organisatie, bereidt met tien medewerkers de Groβe Landesausstellung in de zomer van 2018 voor. Dat moet een ‘kritisch eerbetoon’ aan de denker worden. De Bondsregering stelt 1,5 miljoen euro beschikbaar. De stad en de deelstaat doneren samen nog een miljoen. Het gemeenschapsgeld verhoogt de druk. ‘De wereld zal toekijken hoe we het doen,’ zegt Auts.
Evenals in Londen heeft men in Trier zijn hoop gevestigd op de Chinezen. Auts heeft een medewerkster naar een beurs in Xiamen gestuurd, de partnerstad van Trier. ‘Het potentieel is daar enorm,’ zegt hij. Een juiste bewering, want in China, het land dat binnenkort zeventig jaar lang door één partij wordt geregeerd die volgens velen alleen nog in naam communistisch is, heeft de commercialisering van Marx net een hoogtepunt bereikt. Bovendien is China het land met de meeste nieuwe rijken ter wereld.
Er zijn inmiddels meer dan een miljoen miljonairs. Sinds Deng Xiaoping aan het einde van de jaren zeventig met zijn hervormingen begon, propageert de Partij namelijk een ongebreideld kapitalisme in plaats van de klasseloze maatschappij. Juist daarom wordt de merknaam Marx graag gebruikt door de heersers van China: als bewijs voor het bestaansrecht van de dictatuur van het proletariaat in de vorm van de Partij. Zo’n 250 miljoen yuan (ongeveer 34 miljoen euro) aan subsidies stelt de Chinese president Xi Jinping, die zijn doctorstitel in de marxistische theorie behaalde, elk jaar beschikbaar: aan universiteiten, scholen, denktanks en nieuwe Marx-archieven ter ere van de denker. Een etikettenzwendel waar iedereen van weet.
Marx, aldus de propaganda, is voor China nog altijd actueel. De straten van de grote steden zijn weliswaar het decor van Porsches en Gucci-winkels, maar dat is niet meer dan een tussenstap op China’s pad naar het einddoel van de klasseloze maatschappij. Zo vond anderhalf jaar geleden in Beijing de eerste ‘wereldconferentie van het marxisme’ plaats. De Partij had professoren uit de hele wereld laten invliegen. Ze luisterden naar de toespraken van wetenschappers van de Partijscholen, die probeerden te motiveren waarom Marx nog een rol speelt in het China van nu.
Marx-merchandising.
In China oefent de staat controle uit over de Marx-business. In Duitsland loopt die vlak voor het kroonjaar helemaal vanzelf. In de bioscopen heeft wekenlang de film Der junge Karl Marx gedraaid, met August Diehl in de hoofdrol. In de boekhandels liggen pas verschenen biografieën. En dan zijn er nog de werken van Marx zelf, waarmee – dankzij verlopen auteursrechten – goed geld kan worden verdiend. In Duitsland wordt dat in praktijk gebracht door de Karl Dietz Verlag, een kleine uitgeverij van vakliteratuur met een ‘lang en ondanks alle verdiensten op uitgeefgebied toch roemloos verleden’, aldus directeur Martin Beck.
Tot 1989 heeft de Dietz Verlag als ‘een vlaggenschip van de SED-rechtvaardigingspropaganda’ gefungeerd, nu verschijnt daar Das Kapital als onderdeel van de Marx-Engels-Werke. Het boek behoort ‘tot onze kassuccessen’, zegt Beck. Op het dieptepunt van de financiële crisis in 2008 zijn er van het eerste deel ruim 3100 exemplaren verkocht, twee jaar daarvoor waren het er nog geen 800. Nu ligt het aantal ergens daartussen. De toenemende belangstelling in tijden van crisis heeft hebzucht gekweekt. Ook de uitgeverijen Kröner en Faber & Faber hebben de dikke pil opnieuw uitgegeven.
Geld verdienen met Marx is in trek. Maar is het niet een contradictie om de criticus van het kapitalisme zelf tot product te maken? Rainer Auts, de tentoonstellingsmanager in Trier, moet daar even over nadenken. Dan zegt hij: ‘Tegen dat verwijt kun je niets inbrengen.’ Voor hem staat de educatieve taak echter duidelijk op de voorgrond. Zullen de kaartjes in Trier dan goedkoper zijn dan bij vergelijkbare tentoonstellingen? Auts schudt het hoofd. ‘Ook wij staan bloot aan het kapitalistische streven naar meerwaarde.’
Auteur: Johannes Pennekamp, Marcus Theurer, Hendrik Ankenbrand, Stephan Finsterbusch
Vertaler: Pieter Streutker
Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.
Cuba nam afscheid van een leider wiens tijd allang voorbij was. Maar juist nu was hij misschien wel goed van pas gekomen. ‘Fidel was beter uitgerust om een bullebak in jumboformaat als de Amerikaanse president elect van repliek te dienen dan zijn rationelere broer Raúl.’
Van een afstand was hij ontzagwekkend. Dat heroïsche profiel, die blik waarmee hij een menigte overzag, ze waren even onontkoombaar als de herinnering aan zijn overwinning op het corrupte regime dat met zijn bordelen en casino’s en zijn whites-only golfclubs en strandhotels geheel ten dienste stond van een in Miami gevestigde Amerikaanse maffia en het ergste soort Amerikanen.
Er was ook het vonkje opwinding dat zo’n uitdagend gebalde vuist, zo’n rebelse retoriek altijd ontsteekt in de jongeren en armen op de wereld. Politici in Washington die zichzelf beschouwden als een baken in een onwetende, hulpeloze of regelrecht moordzuchtige Rest van de Wereld, zagen hem als een clowneske gek, maar ondertussen was er wel een eiland op nog geen 150 kilometer van Key West dat weigerde naar de pijpen van Uncle Sam te dansen of de Verenigde Staten ook maar iets te zeggen te geven.
Dan waren er de tastbare successen die zelfs in de zwaarste jaren van honger en gebrek op het eiland overeind bleven: de veelgeprezen stelsels voor onderwijs en gezondheidszorg, het beëindigen van de feitelijke apartheid, de extra aandacht voor baby’s en kinderen zodat die even gezond opgroeiden als hun tegenvoeters in de rijkste landen, een vroege belangstelling voor milieubewuste stedelijke ontwikkeling, baanbrekend medisch onderzoek. De normen die hij stelde legden de lat hoog voor de primitieve en roofzuchtige heersende klassen op het halfrond en lieten de armen zien wat ze mochten verlangen.
Van dichterbij werd het plaatje minder rooskleurig: smerige, overvolle gevangenissen als resultaat van vijftig jaar onhandige pogingen om de vrije gedachte te onderdrukken, een economie die er beter aan toe zou zijn geweest als hij was gerund door apen, gezinnen die uit elkaar waren gerukt door een starheid van hogerhand die deel van de nationale mentaliteit werd, kinderen die hun moeder verloren en moeders die hun kinderen verloren aan de zee bij pogingen om hun verstikkende geboorteland te ontvluchten, twee angstaanjagende weken waarin roekeloos gezwaai met kernkoppen de wereld op de rand van de totale vernietiging bracht. Ook was er de uitzichtloze verveling van de latere decennia, de claustrofobische treurigheid van het leven in een land dat zich moest plooien naar de fantasieën van zijn dictator.
En nu is Fidel Castro dood. Cubanen hebben een ongekend lange rouwperiode van negen dagen in acht genomen, al voelden de meesten van de elf miljoen eilandbewoners weinig voor het vertoon en de symboliek waarmee de staat luister probeerde bij te zetten aan het afscheid van een man wiens tijd allang voorbij was.
Nooit het plan
Het was nooit het plan geweest om zo lang te leven, zei hij afgelopen april tot een stilgevallen publiek op het Zevende Partijcongres in Havana, en inderdaad, degenen die zich hem herinnerden als de belichaming van mannelijke glorie in zijn beste olijfgroene dagen, huiverden bij de aanblik van de bevende, strompelende oude man in Adidas-trainingspak. Hij was negentig. Hij was altijd aan de macht gebleven. Hij was al meer dan tien jaar ziek. Het is al vaak gezegd: was hij in pakweg 1967 gestorven, op het hoogtepunt van zijn revolutie, dan zou hij daarna in heel Latijns-Amerika en daarbuiten zijn vereerd als een nieuwe Bolívar, een nieuwe Martí. Maar nu is het zelfs onmogelijk te zeggen hoe hij over tien jaar zal worden gezien. Gedeeltelijk omdat hij zo veel economische, morele en sociale misstanden heeft nagelaten en gedeeltelijk omdat de waarden waaraan hij vasthield – absolute loyaliteit, onwankelbaar geloof, het najagen van een utopie, onverzettelijke morele en fysieke moed – nu allemaal hopeloos uit de tijd lijken.
Hoe Cuba zal overleven zonder Fidel is niet echt een vraag: het eiland overleeft al zonder hem sinds zijn ziekte hem dwong om eerst tijdelijk en vervolgens permanent de macht over te dragen aan zijn broer Raúl Castro. Dat was tien jaar geleden. Sindsdien hebben er noodzakelijke en belangrijke veranderingen plaatsgevonden, zonder Fidel, maar het revolutionaire model dat hij heeft ingesteld sleept zich nog steeds voort en kan elk moment ineenstorten, net als de afbrokkelende gebouwen langs de Malecón, Havana’s beroemde zeeboulevard. Er is een snel opkomende toeristenindustrie, er is een beetje export, er komt steeds meer belangstelling voor het Cubaanse kankeronderzoek en andere medische innovaties, er bestaat een kleine, maar groeiende zakensector, mensen kunnen vrij van en naar Cuba reizen, er wordt minder scherp gecontroleerd op afwijkende meningen, de lhbt-gemeenschap heeft wat eerste successen behaald en er is steeds meer open toegang tot het internet.
Er zijn ook politieke gevangenen – weliswaar slechts een handvol, maar het feit dat ze er zijn bewijst dat het in Cuba nog steeds een misdaad is om een afwijkende mening te hebben. Met het onvermijdelijke verdwijnen van Cuba’s economische reddingsboei, het chavistische regime in Venezuela, dreigt een economische crisis. Bij zijn leven stuurde Hugo Chavez scheepsladingen olie naar Cuba in ruil voor goedkope artsen en sporttrainers; die zendingen zullen ongetwijfeld ophouden wanneer Chavez’ onbekwame opvolger Nicolás Maduro omvergeworpen wordt of aftreedt. En al sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie heeft het idealistische egalitarisme uit de eerste jaren van de revolutie plaatsgemaakt voor een samenleving die zich hongerig op de eerste kleine kruimels van het nieuwe consumentenkapitalisme stort, maar nu al de bijverschijnselen daarvan ondervindt: de snelle vorming van een klassenmaatschappij en toenemende ongelijkheid.
De allerbelangrijkste verandering voltrok zich aan het begin van dit jaar, toen Barack Obama naar Havana kwam ter gelegenheid van de hernieuwde diplomatieke betrekkingen tussen beide landen. Met dat bezoek erkenden de VS – eindelijk – dat 57 jaar passief-agressieve dreiging het fidelistische regime niet op de knieën had kunnen krijgen. Een bijzonder moment voor Cuba. Maar er zat een adder onder het gras: door de hand van Obama te drukken maakte Raúl Castro een einde aan een tijdperk waarin de VS niets in de Cubaanse melk te brokkelen hadden. Dit was slechts tien maanden voor de verkiezing van Donald Trump.
Uiterlijk was hij een zeer beschaafd man met uitstekende manieren, maar vanbinnen was hij een bullebak
En nu heeft Fidel het toneel verlaten op het moment dat hij misschien goed van pas was gekomen. Uiterlijk was hij een zeer beschaafd man met uitstekende manieren, maar vanbinnen was hij een bullebak. Na een nederlaag sloeg hij altijd harder terug; hij had het gewoon niet in zich om zich gewonnen te geven. Toen John F. Kennedy en Nikita Chroesjtsjov in de rakettencrisis van 1962 een overeenkomst sloten om de Sovjet-kernkoppen van Cubaans grondgebied te verwijderen, werd Fidel woest en organiseerde hij een protestdemonstratie tegen zijn Russische geldschieter. Een gedenkwaardige leus die dag was: Nikita, mariquita, lo que se da no se quita (‘Nikita, je bent een mietje, eens gegeven blijft gegeven’). Fidel was beter uitgerust om een bullebak in jumboformaat als de Amerikaanse president elect van repliek te dienen dan zijn rationelere broer Raúl.
In de tweets na de aankondiging van Fidel Castro’s dood was al te zien hoe de komende president mogelijke zwakke plekken aftastte. Nu de regering-Obama de relatie met Cuba heeft genormaliseerd, stelde Trump de Cubaanse regering voor, als een haai die een voorstel doet aan een zeebaars, om samen te gaan praten over een betere ‘deal’.
Het is niet moeilijk te bedenken wat voor deal Trump voor ogen staat. Hij heeft tot zijn eigen tevredenheid vastgesteld dat het volgens de grondwet niet verboden is om naast het presidentschap een bedrijf te bestieren, en al twitterde hij vervolgens dat het presidentschap misschien toch wel zijn volle aandacht zou vragen, dan nog kun je je voorstellen dat Trump zijn oog op de toekomst richt: nu of over vier jaar, voor zichzelf of voor zijn kinderen, is er voor een magnaat als hij geen aantrekkelijker investering denkbaar dan Cuba. De hotels aan zee, de golfclubs, de casino’s! Net als in de goede oude tijd.
Auteur: Alma Guillermoprieto
Alma Guillermoprieto is een gelauwerde Mexicaanse journaliste en auteur van verschillende boeken over Latijns-Amerika.
Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.
De Cubaanse blogger Yoani Sánchez beschrijft aan de hand van haar eigen familiegeschiedenis de opkomst en het failliet van het communisme in haar land. ‘Fidel is negentig. De jongeren hebben de tijd mee.’
Dit wordt een reis waarin drie perioden die mijn land heeft doorgemaakt de revue zullen passeren: een waarin jongeren hoop koesterden, een waarin ze gefrustreerd raakten en een waarin ze slim laveren tussen de vele hobbels op hun weg. Zonder hun veerkracht en moed zouden we nog minder rechten hebben en nog meer in de gaten gehouden en gecontroleerd worden. Zij deden het raam naar de vrijheid open toen de deur dicht was. Het zou past echt mooi zijn geweest als ze de drempel naar de vrijheid over waren gestapt zonder dat ze hun ideeën en politieke overtuigingen hoefden te verloochenen.
De eerste generatie is die van mijn vader. Hij was treinmachinist, lid van de Communistische Partij, onderdeel van de politieke orde die het in Cuba in 1959 voor het zeggen kreeg. Hij had geen keuze, hij kon alleen het pad volgen dat anderen voor hem hadden uitgetekend, de bebaarde jongens onder leiding van Fidel Castro en Che Guevara die in een heftige en gedenkwaardige periode hoopvol de bergen afdaalden en zich verscholen achter hun ‘historische opdracht’.
Mijn vader was nog een kind. Hij zag hoe zijn land veranderde. Er was euforie, er klonken strijdliederen en op de foto’s van toen kijken zijn landgenoten glimlachend en hoopvol naar de urenlang achter zijn spreekgestoelte orerende Grote Leider die zijn gestrekte wijsvinger demonstratief de lucht in steekt. Aan mijn vaders generatie de heroïsche taak om met alfabetiseringscampagnes en vrijwilligerswerk een rijk en ontwikkeld land van Cuba te maken. Kenmerkend voor die periode was het gevoel dat men aan de dag van morgen werkte, dat alle inspanningen, inzet en offers een betere toekomst zouden brengen voor de volgende generaties. Mijn vaders generatiegenoten waren jong, wilden plezier maken en de wereld ontdekken, maar namen genoegen met hun soldatenrol, want de volgende generaties zouden in een vrijer en welvarender Cuba leven.
Om die droom te laten uitkomen sloegen de leden van mijn vaders generatie de puberteit over, omarmden ze een doctrine die ver van hun bed stond – het marxisme-leninisme – en offerden ze hun beste jaren op het altaar van de geschiedenis op. Het was nooit genoeg, de regering vroeg steeds meer onbaatzuchtigheid en liet steeds minder ruimte voor zelfbeschikking. En klagen was uit den boze. Hun namen waren de eerste die op het zogeheten bonnenboekje werden genoteerd dat elke Cubaan recht gaf op dezelfde hoeveelheid producten. Zo voorkwam men sociale ongelijkheid en de wedergeboorte van de duivelse middenklasse die het Castro-regime door onteigening, stigmatisering en verbanning de nek had omgedraaid.
Mijn vader kon niet anders dan atheïst worden. De Cubaanse gezinnen verstopten hun schilderijen van het Heilig Hart van Jezus achter in de woonkamer, vermeden uitdrukkingen als ‘godzijdank’ en Kerstmis werd jarenlang uitgesteld. Voor de leiders was godsdienst niet alleen opium van het volk, het verschafte het individu een spirituele wereld waar zij geen toegang toe hadden. Wanneer Cubanen hun toevlucht namen tot het gebed of een smeekbede, raakten de partijambtenaren van het communistische systeem hun greep op hen kwijt. Op elk formulier dat ze moesten invullen voor een opleiding of een nieuwe baan stond die ene vraag over je geloofs-overtuiging. Velen stopten hun kruisje onder hun shirt, zeiden dat ze ‘trouwe kameraden’ waren en vinkten ‘nee’ aan. Nee, ze waren niet gelovig, en ja, met hun hand op het hart, ze geloofden alleen in de Revolutie, de Grote Leider en de Partij. Zo werd de basis gelegd voor de dubbele moraal waarvan de Cubaanse maatschappij doordrenkt is.
Gekleed in uniform, met militair kapsel en hoopvol over de toekomst kregen deze jonge mensen zelf kinderen, die ze grootbrachten in de overtuiging dat ze in een paradijs zouden leven waar iedereen gelijk en gelukkig zou zijn
Zij waren de Cubanen die vijftien jaar later, adolescenten inmiddels, deel uitmaakten van de troepen die naar de oorlogen in het verre Afrika werden gestuurd. Ze hadden geen flauw idee waarom. Ze waren niet meer dan dan kanonnenvlees, speelgoedsoldaatjes die door de Sovjet-Unie naar believen werden ingezet op het heftige strijdtoneel van de Koude Oorlog. Duizenden stierven, verloren hun verstand of vroegen zich huilend af wat de Cubanen in die oorlog te zoeken hadden.
Het was ook de generatie die afscheid moest nemen van familieleden die door het regime gedwongen werden te emigreren. In Camarioca en de haven van Mariel werden ze, groentjes zonder baardgroei nog, ingezet om tegen hun eigen familie ‘Laat het tuig maar opdonderen!’ te schreeuwen. Gekleed in uniform, met militair kapsel en hoopvol over de toekomst kregen deze jonge mensen zelf kinderen, die ze grootbrachten in de overtuiging dat ze in een paradijs zouden leven waar iedereen gelijk en gelukkig zou zijn.
Watervoorzieining in Oud-Havana, 1986.
Mijn generatie werd geboren in een land waar alles was voorgeprogrammeerd en waar voor jou werd beslist. Ik kwam ter wereld in een volkomen gesovjetiseerd Cuba.
Wij waren de ‘nieuwe mens’ voor wie het kapitalisme, de uitbuiting van de ene mens door de andere, de vrije markt van vraag en aanbod, respect voor privacy, en, uiteraard, vrijheid, niet bestonden. In het Cuba van de jaren zestig en zeventig wisten we wat onze collega aanhad en wat hij at in de kantine, want dat was exact hetzelfde als wat wij aten en wat wij droegen. Spreken in de eerste persoon enkelvoud werd een probleem. We spraken altijd in de wij-vorm, noemden elkaar ‘kameraden’ en hadden dezelfde dromen en angsten.
Vanuit het idee dat de massa van bovenaf moest worden aangestuurd werd mijn generatie naar de zogeheten plattelandsscholen gestuurd. Een sociaal en educatief laboratorium waar ze Cubanen van ons maakten die nog meer bij de Goede Zaak betrokken waren, die hun neus ophaalden voor bezit en die op elk moment bereid waren om hun schoolboeken in te ruilen voor een geweer als het vaderland – of de machthebbers die zich daarmee vereenzelvigden – daarom vroeg.
Als een mens in een door indoctrinatie gedomineerde omgeving zit, zal hij altijd iets voor zichzelf reserveren, een plek waar het gebazel van de macht niet te horen is en waarin geen enkele ideologie doordringt. Achter maskers van gezeglijkheid hielden we dit toevluchtsoord verborgen voor onze collega’s, familieleden of buren die ons wilden aangeven bij het systeem.
De machthebbers beloofden dat Cuba het paradijs op aarde zou worden, maar wij wilden nu van het leven genieten. We deden ons voor als makke schapen terwijl we steeds opstandiger werden. Routinematig scandeerden we leuzen die we een minuut later alweer vergeten waren. We leerden liegen, een masker opzetten, lauwtjes applaudisseren en eeuwige trouw zweren terwijl er diep van binnen alleen maar twijfel en apathie was. Leven was overleven geworden.
Toen we pubers waren viel de Berlijnse Muur. Al sloegen we zelf niet met hamers en beitels op dit symbool van een tijdperk, elke hamerklap resoneerde in ons hoofd. Mijn vader moest huilen om het communistische Duitsland dat hij ooit als ‘voorbeeldige arbeider’ had leren kennen en waar hij met eigen ogen had kunnen zien hoe de toekomst eruit zou zien. Maar ons hart maakte een vreugdesprongetje, ons gordijn – niet van ijzer maar van suiker – kon ook verdwijnen.
Honger
Nadat het congres van de Communistische Partij in 1991 had besloten dat gelovigen lid konden zijn van ’s lands enige politieke partij, haalden onze ouders hun oude, weggeborgen religieuze relikwieën weer tevoorschijn. Maar op datzelfde moment deed de honger zijn intrede, dat brandende gevoel in je maagstreek waardoor je aan niets anders meer kunt denken. Met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en het verdwijnen van het socialisme raakte Cuba zijn subsidies en de ‘rechtvaardige handel tussen de volken’ kwijt waarmee het decennialang het hoofd boven water had gehouden. Het wisselgeld dat ons afhankelijk maakte van het Kremlin was er niet meer.
We werden hard met onze neus op de feiten gedrukt. De werkelijkheid was wreed, droevig en uitzichtloos. Een wereld van verschil met de toekomstdromen waarmee mijn vader me in slaap had gesust toen ik klein was. Zijn generatie liet ons een zieltogende doctrine na; aan ons de zware taak haar te begraven.
De crisis rond de bootvluchtelingen die in augustus 1994 uitbrak, was een van de talloze manieren van mijn generatiegenoten om onze illusies ten grave te dragen. We trokken niet protesterend naar de pleinen, we haalden geen muren neer. Veel Cubanen gaven er de voorkeur aan om in wrakke bootjes de zee en de golven te trotseren.
Op de Malecón-boulevard in Havana zag je gedesillusioneerde mannen van mijn vaders leeftijd maar ook gefrustreerde jongeren in de kracht van hun leven vlotten in elkaar timmeren. Zij gingen weg, wij zwaaiden hen uit. Met hun vertrek begon het cynisme, het niets, de apathie, de desillusie, een periode waarin we nergens meer in geloofden maar ons ook niet verzetten. We hadden in onze vaderlandse geschiedenis het punt bereikt waarop je alleen het vege lijf probeerde te redden.
Terwijl de vluchtelingenbootjes met ruisende roeispanen richting Florida koersten en de stijfkoppige regering opriep om vol te houden in deze woelige economische tijden, zette mijn generatie zich aan de moeilijke taak van het ouderschap. De baby’s die werden geboren waren de kinderen van de ontgoocheling: de kleinkinderen van een generatie die brieste dat ze hun beste jaren aan een mislukt project hadden gegeven en de kinderen van een generatie die de ‘nieuwe mens’ had moeten voortbrengen maar die niet eens de ‘goede mens’ had voorgebracht.
Van de jongeren van tegenwoordig kun je niet veel verwachten, en toch doen ze het beter dan wij. De generatie van mijn zoon – hij is 21 – is grootgebracht met onze scepsis; ze hebben ons horen fulmineren bij de staatstelevisie, ons inkopen zien doen op de zwarte markt, ons heimelijk weg zien sluipen van de optochten en ons zachtjes horen mompelen dat we hoopten dat onze toekomst niet zou zijn waar onze ouders van hadden gedroomd. Inmiddels hadden we wel begrepen dat het paradijs een gouden kooi was waarin anderen ons wilden opsluiten.
Schouderophalend – dat typisch Cubaanse gebaar waarmee we willen zeggen: ‘kan mij wat schelen’ – ontmantelt de jongste generatie wat er nog over is van het communistische systeem. Dit doen ze zonder zichzelf op de borst te kloppen, misschien niet helemaal van harte en een tikkeltje gedesinteresseerd. Niets van wat er vanaf het spreekgestoelte klinkt raakt hen of maakt hen bang. Anders dan de Cubanen die hen voorgingen, kent de generatie die nu jonger is dan 25 de rantsoenbonnen niet waarmee je per jaar slechts een broek of shirt kon kopen. Of ze ooit een toespraak van Fidel Castro hebben gehoord, herinneren ze zich niet en ze hebben nooit punten voor goed gedrag op het werk of voor de partij hoeven verzamelen om een huishoudelijk apparaat te mogen kopen.
De generatie van mijn zoon zoekt het niet in de revolutie, want ze weten wat daarvan komt
Op het eiland waar zij wonen kun je apparaten zoals een ijskast nu alleen krijgen met echt geld. De zwarte markt heeft zich in alle uithoeken van de maatschappij genesteld. Zo ongeveer vanaf hun peutertijd zitten deze Cubaanse millenniumkinderen vastgeplakt aan het toetsenbord van hun computer. Hun ouders kochten de eerste computers en laptops op de illegale markt. Via alternatieve distributiekanalen kregen ze hun eerste kilobytes en videospelletjes, die niets te maken hebben met de ideologie die ze op school leren.
Met hun op Japanse manga’s, de internationale showbizz of tegendraadsheid geïnspireerde kapsels bepalen zij het straatbeeld. De generatie van mijn zoon zoekt het niet in de revolutie, want ze weten wat daarvan komt. Ze hebben geleerd om toespraken te wantrouwen van de Robin Hoods die geld van de rijken afpakken dat ze daarna eerlijk onder de armen verdelen, maar die niet geleerd hebben hoe je rijkdom creëert, hoe je een welvarend land vol mogelijkheden opbouwt zoals de in een olijfkleurig uniform gestoken man met baard uit de bergen ooit beloofde. Ze hebben hetzelfde uiterlijk en dezelfde dromen als jongeren uit Duitsland, Engeland of Guatemala. Ze kijken met de nodige minachting achterom en met een zeker vertrouwen naar een toekomst die niet zal zijn zoals de sciencefictionboeken uit de vorige eeuw voorspelden, maar ook niet zoals de totalitaire regimes predikten. Ze denken dat de toekomst in elk geval menselijker, pluriformer en vrijer zal zijn.
Als iemand tegen hen zegt dat het castroïsme nooit zal verdwijnen en dat Cuba nooit meer een democratie zal worden met alle imperfecties en risico’s die daarbij horen, glimlachen de jonge Cubanen en herinneren ze ons eraan dat er gedreven jongeren aan de basis stonden van de omwentelingen in het verre Rusland. Net als die jongeren zeggen ze tegen zichzelf dat het niet uitmaakt dat de mannen met hun ‘historische opdracht’ de scepter zwaaien; zij – fris en kritisch – hebben de tijd mee. Net als elders in de wereld groeien ze op, gaan ze naar de sportschool, luisteren ze naar illegaal gedownloade muziek, maken selfies en proberen hun leven via internet met anderen te delen, ook al leven ze in een land waar de overheid beducht is voor informatie. Het zijn twintigers, en Fidel is negentig. Ze horen bij de eenentwintigste eeuw, en de caudillo zit gevangen in de twintigste eeuw.
Deze kleinkinderen van de offergeneratie en kinderen van de utopiegeneratie vormen een groot deel van de emigratiegolf in Midden-Amerika. Ze lijden, sterven en leggen hun lot in handen van mensensmokkelaars om te vluchten uit een land dat nu het paradijs op aarde had moeten zijn dat de oudere generatie hun had beloofd. Deze jongeren zijn de toekomst. Ze geven haar gestalte op hun eigen manier. Zonder naar de adviezen van hun ouders te luisteren. Ze zijn jonger dan dertig, waarom zouden ze dan de weg volgen die anderen voor hen hebben uitgestippeld? Vooral als die anderen zich zo enorm hebben vergist. Het zijn de kleinkinderen en de kinderen van een hersenschim. Ze zijn pragmatisch genoeg om te vergeten en meelevend genoeg om te kunnen vergeven. Zij zullen wonen in een Cuba waar we nooit op hadden durven rekenen. Een land waar voor iedereen plaats is.
Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan up in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.
De auteur
Yoani Sánchez is een journaliste die vanuit Cuba onafhankelijk en kritisch bericht over het Cubaanse regime. ‘Ik verdedig geen speciale zaak, ik verdedig de vrijheid en de vrijheid van informatie,’ verklaarde ze op 7 oktober tegenover de Guatemalaanse webkrant Soy502.
Vanaf de veertiende verdieping van een flatgebouw in Havana – vandaar de naam 14ymedio – leidt zij sinds 2014 haar webkrant met een redactie van een tiental medewerkers, van wie de meesten vrijwilligers. Om de publicatie te kunnen bekostigen ontvangt zij financiële bijdragen van privépersonen.
Voordien publiceerde zij vanaf 2007 een blog, Generación Y, waarmee ze naam maakte in het buitenland, maar dat niet in goede aarde viel bij de autoriteiten in eigen land. Ze werd tal van malen lastiggevallen vanwege haar artikelen over het dagelijkse leven in Cuba en het optreden van overheidsinstanties. Haar landgenoten kunnen niet rechtstreeks kennis nemen van haar publicaties, want de toegang tot 14ymedio wordt in Cuba geblokkeerd. Maar, zo zei ze tegen Soy502, de artikelen worden er als pdf en via e-mail toch verspreid.
BELANGRIJKE GEBEURTENISSEN IN CUBA
1959 1 januari Na twee jaar guerrilla maakt Fidel Castro een triomfantelijke intocht in Havana. In februari neemt hij de leiding van de regering op zich. Dictator Fulgencio Batista wijkt uit naar het buitenland.
1961 7 oktober Nederlaag van de anti-Castro-gezinden, die door de VS worden gesteund en een landing uitvoeren in Playa Girón (Varkensbaai).
1962 De Amerikaanse president John Kennedy vaardigt een volledig embargo tegen Cuba uit.
1990 De Cubaanse regering neemt een reeks bezuinigingsmaatregelen om na de val van de Sovjet-Unie de economische crisis de baas te worden. Deze maatregelen vormen het begin van de ‘Speciale Periode’.
2008 Fidel Castro treedt af en wordt opgevolgd door zijn broer Raúl.
2014 Begin van de diplomatieke toenadering tussen de VS en Cuba.
Het Zuid-Afrikaanse ANC onderhoudt steeds warmere ideologische banden met China, iets wat het Westen zorgen baart. Maar volgens waarnemers zullen economische belangen altijd voorgaan.
De relatie tussen de Volksrepubliek China en Zuid-Afrika heeft zich de afgelopen jaren aanzienlijk verdiept, zoals wordt aangetoond door een aantal economische en politieke verklaringen. 2014 werd ‘het jaar van Zuid-Afrika in China’ genoemd. Dat werd vorig jaar gevolgd door ‘het jaar van China in Zuid-Afrika’. Nu is Zuid-Afrika opgewaardeerd tot China’s glorieuze ‘Alomvattende Strategische Partner’.
Het regerende ANC maakt er geen geheim van hoe het daarover denkt. Een discussiedocument van de Nationale Algemene Raad uit 2015 repte van een nieuwe ‘Koude Oorlog’, waarin het collectieve leiderschap van de Chinese Communistische Partij een leidend lichtpunt voor onze eigen strijd moet zijn.
Vanwege dergelijke verklaringen hebben waarnemers zich afgevraagd of de door het ANC geleide regering een geopolitieke draai naar China aan het maken is. Die gevoelens zijn versterkt doordat een bezoek van de Dalai Lama aan Zuid-Afrika tot drie keer toe vanwege bureaucratische rompslomp werd afgeblazen, en doordat de Chinese regering een ANC-opleidingsinstituut heeft gefinancierd.
Sinds 2010 is China Zuid-Afrika’s grootste handelspartner
De economische relatie van China met Zuid-Afrika bevestigt deze trend. Sinds 2010 is China Zuid-Afrika’s grootste handelspartner, met in 2013 een totale handelsomvang van 270 miljard rand [18 miljard euro]. De aankondiging tijdens de China-Afrika-top dat China nog eens 90 miljard rand [6 miljard euro] beschikbaar stelt voor Zuid-Afrika is opnieuw een bevestiging van de angst van sceptici dat het land zich telkens afhankelijker maakt van China.
Maar reacties op China’s investeringsbeloften zien meestal één belangrijk feit over het hoofd. Hoewel de Zuid-Afrikaanse regering zich zo misschien ideologisch afzet tegen haar traditionele westerse partners, zijn in economisch opzicht multilaterale relaties de nieuwe werkelijkheid.
Europa en de VS blijven belangrijke handelspartners. Directe buitenlandse investeringen uit die gebieden zijn veel groter dan die uit China. India is het enige BRICS-land – Brazilië, Rusland, India en China – dat in de top 5 van directe buitenlandse investeerders in Zuid-Afrika staat. Bovendien zijn inwoners van de VS, Groot-Brittannië en Duitsland nog altijd de belangrijkste buitenlandse bezoekers van het land.
Mensen die economisch gezien pragmatisch zijn ingesteld, krabben zich misschien op het hoofd over de vraag waarom de Zuid-Afrikaanse regering zich met China moet inlaten ten koste van afspraken met westerse partners. Maar dat is eigenlijk helemaal niet aan de hand. Zuid-Afrika mag dan op ideologisch niveau een draai maken, als het gaat om internationaal economische beleid is er niets veranderd. Volgens politicoloog Patrick Bond van de universiteit van KwaZulu-Natal mag de Zuid-Afrikaanse regering dan soms ageren tegen ‘de westerse imperialistische hegemonie’, tegelijk heeft het land zich diep verplicht aan de logica van de mondiale markt.
Trouwens, als het over internationale politieke economie gaat, is er niemand die ‘linkser lult en rechts vult’ dan de Chinezen zelf. De integratie van het land in het mondiale marktsysteem, de opkomst van een op consumptie gerichte middenklasse en de onophoudelijke jacht op buitenlandse grondstoffen om zowel de binnenlandse als de internationale consumptie op gang te houden, maken China tot een dominante speler in het wereldwijde kapitalisme. Het is ook veelzeggend dat de Chinese munteenheid, de renminbi, onlangs door het IMF is geaccepteerd als wereldmunt.
Logisch gevolg
China’s investeringen in Afrika zijn een logisch gevolg van dit proces, een feit dat veel Europeanen en Amerikanen, en zelfs Afrikanen, onverteerbaar schijnen te vinden. Niets maakt dit duidelijker dan de recente oprichting van de door Chinezen geleide Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB). Bij de nieuwe bank zijn de meeste grote mondiale spelers betrokken, inclusief Zuid-Afrika, maar opvallende afwezigen zijn Japan en de VS. De nieuwe bank overschaduwt nu al de BRICS Development Bank, die zich presenteerde als de grote verdediger van de belangen van het mondiale Zuiden.
De ambities van Zuid-Afrika en China hebben veel gemeen, als we China zien als een formidabele, mondiale marktspeler in plaats van simpelweg als een autoritaire eenpartijstaat. Beide landen zijn in hoge mate geïntegreerd in wereldwijde markten, terwijl ze tegelijkertijd ideologieën aanhangen die in wezen vijandig staan tegenover die markten. In dat opzicht maken ze deel uit van een breder post-Koude Oorlog economisch pragmatisme, waarin binnenlands en zelfs buitenlands beleid – of dat nu links of rechts is – ondergeschikt is aan de eisen van de markt.
Het kleine Britse broertje van de Australische The Conversation, opgericht door een groep journalisten, verwierf in de drie jaar dat ze bestaat al groot aanzien. The Conversation werkt met ‘open bronnen’ en wil mede op deze manier een frisse en onafhankelijke blik op het nieuws bieden. Op de site komen vooral onderzoekers en academici aan het woord.
Sinds de Cubanen zelf bedrijfjes mogen oprichten, ontstaan overal op het eiland kleine initiatieven. Voormalig ambtenaar Luís verkoopt bijvoorbeeld sinds kort zijn eigen koffie.
Bij het krieken van de dag hebben de slapelozen, de reizigers en de nachtwakers de primeur om van een kopje koffie te genieten dat de naam van dit heerlijke brouwsel alle eer aandoet. Vanaf drie uur ’s ochtends begint Luís Armando Cabrera Soler met de bereiding van zijn nectar in de dokterspraktijk aan de Calle 27 de Noviembre in Pinar del Río, 150 kilometer ten zuiden van Havana, waar hij woont. Zijn vrouw Madalina, arts, helpt hem bij het in gereedheid brengen van zijn uitrusting voor de straatverkoop: thermosflessen, tassen en een draagstel.
Ondertussen snuift de bewaker die in de buurt werkt genietend het aroma op van de koffie die gezet wordt. ‘Ik heb een lampje op mijn pet gemonteerd zodat een klant niet naar een straatlantaarn hoeft te lopen om goed te kunnen zien, en uiteindelijk is dit lichtpunt ook een vorm van reclame,’ vertelt Luís. Hij is begonnen met één thermosfles en nu heeft hij er elke ochtend vijf. ‘Ik heb mijn assortiment allereerst uitgebreid met een cortadito, koffie met een wolkje melk, zoals me was aangeraden door een taxichauffeur die dat in Havana had gezien. Daarna ben ik verdergegaan met cappuccino en koffie met een chocoladearoma of gecondenseerde melk.’
Een café beginnen is niet nodig: de klanten verdringen zich. ‘Kwaliteit is de beste reclame,’ verkondigt Luís. ‘Als ze me met een groot biljet willen betalen en ik heb geen wisselgeld, dan serveer ik ze gratis. Dat kost me geen geld, want uiteindelijk levert het me meer klanten op.’
Luís met een klant in Pinar del Río.
Over de koffie die hij gebruikt doet Luís niet geheimzinnig: ‘Café 100% Soler,’ zegt hij, terwijl hij het logo laat zien dat hij zelf heeft ontworpen. ‘Koffie die door mijn familie wordt geoogst en door mijzelf gebrand en gemalen. Mijn plantage in een dorpje hier in de buurt is niet groot, en daarom ben ik niet verplicht mijn productie aan de staat af te staan; maar ze is toereikend voor een heel jaar,’ legt hij uit.
In principe is de Cubaanse staat de enige die koffieoogsten mag opkopen, en overtreding van deze wet staat gelijk aan diefstal of illegale export. De enige manier om koffie te vercommercialiseren is door het in winkels te kopen waar je betaalt in CUC’s, de Cubaanse peso die inwisselbaar is tegen een tarief dat veel te hoog is voor gewone Cubanen. Door de hoge prijzen in deze winkels nemen de onafhankelijke ondernemers (cuentapropistas) hun toevlucht tot de informele markt.
‘Het moeilijkste is om aan weggooibekers te komen,’ zegt Luís terwijl hij een klant zijn koffie serveert. ‘Omdat je die nergens kunt kopen, ben ik aangewezen op de welwillendheid van buren en vrienden die ze voor me meenemen uit het buitenland.’
Door zijn creoolse humor weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen
Eerst werkte Luís bij de inkoopafdeling van de benzineverkoopdienst van Pinar del Río, die onder het ministerie van Energie en Mijnbouw valt. Voorzichtigheidshalve heeft hij deze baan eerst met zijn straatverkoop van koffie gecombineerd, ‘Veel mensen zijn bang om hun baan op te zeggen en een eigen bedrijf te beginnen. Ik heb de sprong alleen maar gewaagd omdat mijn bedrijfsinkomsten regelmatig begonnen te worden en de werkuren voor mijn baan mijn bedrijfje in de weg begonnen te staan.’
Door zijn creoolse humor en de vriendelijkheid waarmee hij een vuurtje geeft aan degenen die er eentje willen opsteken bij hun koffie, weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen. ‘Biljetten van hoeveel wil je terug hebben?’ grapt hij tegen een klant die geen kleingeld terug wil. ‘Ik zorg dat de mensen over de kleinste details tevreden zijn,’ licht hij toe.
Om negen uur ’s ochtends loopt zijn verkoop ten einde, maar begint de voorbereiding voor de volgende dag: hij moet de koffie branden en malen, de thermosflessen schoonmaken met chloor, de servetten wassen waarmee hij de druppels opneemt, de vlekken verwijderen van het witte blad waarop hij zijn koffie serveert en ten slotte zijn boekhouding doen. Zo eindigt de werkdag van Luís Armando Cabrera, die er geen spijt van heeft dat hij een kleine ondernemer is geworden.
Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan op in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.
De Chinese partijtop besteedt er liever geen aandacht aan, maar het is vijftig jaar geleden dat de Culturele Revolutie van Mao Zedong losbarstte. De ideologische starheid is nog te groot voor een heldere kijk op de zaak, zegt de Chinese historicus Ma Yong tegen Fenghuang Wang, een van de weinige tijdschriften die een kritisch geluid durven laten horen.
Liu Yuhan: Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat de Culturele Revolutie begon. Daarop volgden tien verschrikkelijke jaren. Wie heeft volgens u de aanzet gegeven?
Ma Yong, onderzoeker aan het Onderzoeksinstituut voor Moderne geschiedenis aan de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen:
‘De Culturele Revolutie kon in China plaatsvinden doordat het denken te uniform was geworden. Ware emancipatie van het denken kun je niet opleggen, die ontwikkelt zich vanuit een veelheid van stemmen. De Culturele Revolutie kon juist uitbreken en tot zulke ernstige uitwassen leiden doordat het ontbrak aan verschillende meningen, aan diversiteit. Want de mensen durfden zich niet te onderscheiden of ze konden het niet: binnen de Communistische Partij van China (CCP) had je vertrouwen in de leider, je volgde hem blindelings. En een reeks campagnes voor ‘ideologische hervormingen’ die vanaf 1951 werden gelanceerd, maakten onafhankelijk denken buiten de partij ook steeds moeilijker, met name voor intellectuelen, die toch bekendstaan om hun onafhankelijke geest.’
Waarom gebeurde dit?
‘In de zeventien jaar voorafgaand aan de Culturele Revolutie [van het uitroepen van de Volksrepubliek China tot 1966] was er interne onenigheid in de Communistische Partij over de te volgen ideologische lijn. Er zijn binnen de partij altijd stromingen en krachten geweest die tegen Mao Zedong waren, maar die zijn gemuilkorfd. Wat bijzonder jammer is. Maar dat had wel te maken met de nationale en internationale context van vóór 1949. Het was een tijd van oorlog [acht jaar lang tegen Japan, van 1937 tot 1945, gevolgd door vier jaar burgeroorlog tussen de communisten en de nationalisten van de Kwomintang], dus we konden niet zonder de adviezen van de militaire staf en al helemaal niet zonder voortvarende besluiten van de leiders. De CCP had echt behoefte aan een leider als Mao Zedong, die in staat was beslissingen te nemen.
Nadat China in 1945 Japan had verslagen, had niemand ter wereld gedacht dat de Kwomintang vier jaar later gedwongen zou worden het continentale deel van China prijs te geven aan Mao Zedong en de CCP [en de wijk te nemen naar Taiwan]. Door deze historische wapenfeiten wist Mao het vertrouwen van de bevolking te winnen en werd hij in het begin van de jaren vijftig als een ware god gezien, in ieder geval tot 1957 [toen hij de campagne Laat Honderd Bloemen Bloeien lanceerde waarbij de Chinezen werden aangemoedigd kritiek te leveren, meteen gevolgd door een campagne tegen rechtse elementen].’
De geschiedenis moet weer het terrein worden van historici en niet een speelbal van politici
En daardoor is hij ondanks zijn fouten een heilige geworden?
‘Precies. Achteraf gezien was het fout om Mao op een voetstuk te plaatsen. Dat past ook niet in de Chinese traditie van de macht. Voordat de Culturele Revolutie uitbrak, werden besluiten in theorie gemeenschappelijk genomen. Maar in feite legde Mao Zedong anderen zijn mening op. Als hij gelijk bleek te hebben, ging hij met de eer strijken, zo niet, dan kregen anderen de schuld. Later heeft Deng Xiaoping [die in 1978 aan de macht kwam] hier lering uit getrokken door te zorgen dat er altijd een vorm van onderlinge controle is bij besluiten van de partijleiding.’
Sommigen zijn tegen al die bespiegelingen op de Culturele Revolutie, omdat daar volgens hen iets anders achter zit. Wat vindt u daarvan?
‘Onzin. De Culturele Revolutie was een bijzondere periode in onze geschiedenis, dus die horen we te onderzoeken, net als elke andere historische ramp. Het verleden is nooit afgesloten. Als je er niet over na wilt denken, kan het opnieuw opspelen. En volgens mij zijn er geen kwade bedoelingen in het spel bij degenen die erop terugkijken. Fouten blijven fouten, misdaden blijven misdaden en het is juist de bedoeling om die te voorkomen door je in het verleden te verdiepen.
Ik twijfel niet aan de cijfers van maarschalk Ye Jianying (1896-1986), die zei dat de Culturele Revolutie twintig miljoen levens heeft geëist. [‘Twintig miljoen doden, honderd miljoen mensen slachtoffer van pesterijen en repressie.’] Bekijk je dat op familieniveau, dan heeft minstens de helft van de toenmalige bevolking daar tien jaar lang onder geleden. Natuurlijk moet je op zoiets dramatisch terugkijken. Daarnaast is het ook een historische gebeurtenis die als zodanig moet worden behandeld. De geschiedenis moet weer het terrein worden van historici en niet een speelbal van politici. Over heel wat zaken in onze recente geschiedenis hebben we nooit een consensus bereikt, en dat komt doordat we er nooit vrijelijk onderzoek naar konden doen. Het is nu vijftig jaar geleden, dus laten we nu, los van alle ideologie, de onderzoekers de ruimte geven.’
Die tien jaar staan in ons geheugen gegrift, maar bijna niemand praat erover. Hoe kunnen we voorkomen dat wordt doodgezwegen wat er in die tijd gebeurd is?
‘Hoe meer je historische gebeurtenissen probeert te verhullen, hoe groter de problemen worden voor latere generaties. En nog extra als dat lange tijd is gebeurd. Deze periode is zowel in het onderzoek als in gesprekken vrijwel taboe. We moeten deze vijftigjarige herdenking aangrijpen om alle beperkingen op onderzoek op te heffen. Van een pluriform China hebben we niets te vrezen, wel van een China dat bang is voor pluriformiteit. Laten we het erover eens worden dat we nog geen echte democratie hebben, maar daar wel naar op weg zijn. Alleen dan kunnen we aan zelfonderzoek doen.
De Culturele Revolutie was een ramp voor het hele volk. We moeten vaststellen wie daarvoor verantwoordelijk waren, niet vanuit wraakgevoelens of haat, maar simpel om daar helderheid over te krijgen. Op die manier kunnen we er lering uit trekken, tot een nationale verzoening komen en deze zware last van de geschiedenis afschudden. Daarbij moeten we wel bedenken dat de Culturele Revolutie voortkwam uit wat zich na de Eerste Opiumoorlog (1840) allemaal in ons land had afgespeeld. Je kunt de verantwoordelijkheid voor de Culturele Revolutie dus niet op het conto van één man schrijven.’
‘We hebben het altijd over die roemrijke zeventig jaar [vanaf de stichting van de Volksrepubliek China] en dat is begrijpelijk als je propaganda wilt maken, maar historisch gezien is dat niet bevredigend. Wil China zich echt verder ontwikkelen, dan moet het zijn recente geschiedenis onder ogen zien met alles wat daarbij hoort, zoals de volkscommunes, de collectivisatie, de Grote Sprong Voorwaarts en ook de drie jaren met natuurrampen [de officiële benaming voor een drie jaar durende hongersnood die meestal wordt gezien als het gevolg van de Grote Sprong Voorwaarts]. Als vergissingen niet worden erkend, stapelen die zich op en dat heeft vreselijke gevolgen. Het huidige China moet het niet weer zo ver laten komen en zorgen dat het zich langzaam van de last van de geschiedenis bevrijdt.’
Wat moeten we dan doen?
‘Een deel van de mensen die aan de Culturele Revolutie hebben meegedaan, leeft nog. Als het nu mogelijk wordt gemaakt om onderzoek te doen, krijgen deze mensen nog de kans zich te verantwoorden voor wat ze hebben gedaan en kan dankzij al hun verschillende meningen de waarheid aan het licht komen. Doen we niets, dan zal dat voor het bewind fatale gevolgen hebben en ziet het er slecht uit voor de toekomst van China.’
‘Ideologisch gezien zijn we wel ongeveer de lijn van de Culturele Revolutie blijven volgen’
Veel jongeren kijken nu met nostalgie naar de Rode Gardisten die zich ‘met hart en ziel in de politiek stortten om hun ideaal van democratische rechten te verwezenlijken’. Wat vindt u daarvan?
‘Al vóór de communistische tijd werden arbeiders, boeren en studenten gemobiliseerd en dat gebeurde ook tijdens de Culturele Revolutie. En altijd werden ze door de politiek gemanipuleerd. Degenen die nu nog denken dat de mensen spontaan meededen, lopen achter. Al die Rode Gardisten die door het land trokken en die massabijeenkomsten op het Tiananmenplein [om Mao te zien] waren nooit mogelijk geweest zonder toestemming van de hoogste leiding.’
Nu de economische groei stokt en het corruptieprobleem gevaarlijke vormen aanneemt, zijn steeds meer mensen bang dat we in een tweede Culturele Revolutie zijn beland en denken anderen dat de eerste nog steeds niet voorbij is. Hoe kijkt u hier tegenaan?
‘Daar zit wel iets in. Ideologisch gezien zijn we wel ongeveer de lijn van de Culturele Revolutie blijven volgen. En ideologische uitgangspunten zijn altijd een rem op de ontwikkeling van China geweest. In de jaren tachtig wilden de gematigden onder leiding van Deng Xiaoping echt een eind aan de Culturele Revolutie maken, maar de eerste tien jaar van hervormingen zorgden voor grote onrust binnen de Communistische Partij. Na invoering van de hervormingen en de Opendeurpolitiek is de Chinese economie enorm gegroeid, maar dat ging wel ten koste van hervormingen op andere gebieden. Dus ja, in zekere zin zijn we nog steeds niet van de invloed van de Culturele Revolutie bevrijd.’
Auteur: Liu Yuhan
Vertaler: Tess Visser
Fenghuang Wang
Hong Kong | news.ifeng.com
De site van het Hongkongse tijdschrift Fenghuang (Phoenix Weekly) is sinds enkele jaren het uithangbord van de meest liberale media in de Chinese deelstaat. Zo dicht bij Beijing luistert het nog steeds nauw wat er over de Grote Baas wordt geschreven. Maar de relatieve persvrijheid en de geboden ruimte voor commentaar en analyse worden enorm geapprecieerd door journalisten en lezers.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.