Tag: crisis

  • FTX sleurt cryptowereld mee in val

    FTX sleurt cryptowereld mee in val

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Grote vulkaan Hawaï ineens zeer actief

    » China versoepelt coronabeperkingen na protesten

    Cryptobedrijf BlockFi was het volgende bedrijf dat omviel

    De ineenstorting van de cryptobeurs FTX blijft een spoor van verwoesting door de cryptowereld trekken. Maandag kondigde het cryptobedrijf BlockFi aan dat het faillissement heeft aangevraagd onder de Amerikaanse Chapter 11-regeling, meldt The New York Times. BlockFi, vorig jaar nog een bedrijf dat ruim 15 miljard dollar waard was, is net als veel andere start-ups op de cryptomarkt in korte tijd een hoop waarde verloren.

    Hoewel het faillissement van FTX een grote klap voor de cryptowereld was, zijn de problemen al langer aan de gang. Stablecoin (een stabiele cryptomunt) TerraUSD kelderde begin dit jaar en ook bitcoin en ether, twee vertrouwde en toonaangevende munten op de markt, zitten in een diep dal. Dat FTX, een van de grootste cryptobeurzen ter wereld, in zeer korte tijd ineenstortte, heeft het vertrouwen van beleggers en investeerders al helemaal een knauw gegeven.

    BlockFi, dat groot werd door leningen in cryptogeld te verstrekken en zo de traditionele financiële wereld te verbinden met de cryptowereld, had eerder dit jaar ongeveer 275 miljoen dollar aan leningen gekregen van FTX. Door de problemen bij FTX en de dalende waarde van crypto kwam BlockFi dermate in de problemen dat het, net als het platform, de stekker uit het bedrijf moest trekken.

    Lees ook:

  • Haïtianen hebben tijd, ruimte en steun nodig

    Haïtianen hebben tijd, ruimte en steun nodig

    Haïti, het armste land van het westelijk halfrond, wordt behalve door natuurrampen geterroriseerd door extreem bendegeweld. Het zogenaamde Montana-akkoord zou daar verandering in kunnen brengen.

    Rivaliserende criminele groepen hielden de hoofdstad Port-au-Prince al in een ijzeren greep voordat vorig jaar president Jovenel Moïse werd vermoord. Het machts-vacuüm dat hij achterliet werd direct overgenomen door de bendes van onder andere Jimmy Chérizier, die bekendstaat onder de schuilnaam Barbecue. Ze blokkeerden de belangrijkste haven en de aanvoer van brandstof en voedsel. 

    Door dergelijke bendes, waarvan de meeste banden hebben met politieke en zakelijke leiders, ligt de Haïtiaanse economie nu zo goed als stil. Cholera, waaraan ooit zo’n tienduizend Haïtianen stierven, begint opnieuw om zich heen te grijpen.

    Officieel staat Ariel Henry aan het hoofd van de Haïtiaanse regering. Henry, die buitengewoon onpopulair is, is aan de macht gekomen met steun van de Verenigde Staten en andere grote regionale mogendheden. Toen een coalitie van Haïtiaanse maatschappelijke organisaties voorstelde om een meer representatieve interim-regering te vormen en de democratie weer op te bouwen, hebben Henry en zijn buitenlandse bondgenoten daar een stokje voor gestoken. Inmiddels vinden er in de grote steden al weken straatprotesten plaats, waarin zijn aftreden wordt geëist. Het is op veel plekken zo onveilig geworden dat Henry vrijdag pleitte voor een internationale veiligheidsmissie die de politie moet helpen de controle over de straten terug te krijgen.

    Er vinden al lange tijd verkiezingen plaats, maar kun je spreken van echte democratie?

    Hoewel de situatie complex lijkt, draait de chaos in feite om dezelfde vraag die al 230 jaar lang de aanleiding is van bijna elke crisis op het eiland: wie krijgt in Haïti de macht? En: komt er een moment waarop de Haïtianen dat vraagstuk zelf kunnen oplossen, of blijven buitenstaanders cruciale beslissingen nemen over de toekomst van het land?

    Die tweede vraag houdt mij al bezig sinds ik als jonge verslaggever bij The New York Times voor het eerst naar Haïti ging. Dat was in 2004, aan de vooravond van de tweehonderdste verjaardag van de Haïtiaanse onafhankelijkheid – het enige moderne voorbeeld van een succesvolle opstand die geleid werd door tot slaaf gemaakten. Naar aanleiding van mijn ervaringen in Haïti heb ik me als correspondent in Afrika en Azië altijd beziggehouden met zelfbeschikking en autonoom bestuur van de voorheen gekoloniseerde volkeren van het Zuiden. Vragen over zelfbeschikking zijn tevens de reden dat ik nu naar Haïti ben teruggekeerd. Het land is al lang onafhankelijk, maar kent het echte vrijheid? Er vinden al lange tijd verkiezingen plaats, maar kun je spreken van echte democratie?

    Jean-Bertrand Aristide

    Toentertijd, in 2004, was Jean-Bertrand Aristide aan de macht: een charismatische voormalige katholieke priester en de eerste democratisch verkozen president. Hij kreeg te maken met een grote golf van protesten, waarvan sommige niet alleen steun kregen van zijn oude vijanden uit de kleine, rijke elite, maar ook van vroegere trouwe bondgenoten, die hem nu als een beginnend autocraat zagen. De laatste parlementsverkiezingen waren nooit gehouden, dus Aristide regeerde in wezen per decreet. Om politieke druk uit te oefenen blokkeerden de Verenigde Staten en Europese partners elk honderden miljoenen dollars aan beloofde hulp. Volgens mensenrechtenactivisten spoorde Aristide straatbendes ertoe aan zijn regering te beschermen en tegenstanders van zijn regering te intimideren en zelfs te doden.

    Als verslaggever van een baanbrekende ontwikkeling raakte ik al snel verdwaald in alle voortschrijdende veranderingen. Ik bracht mijn dagen op straat door, waar ik gewone mensen interviewde. De meesten van hen bleven trouw aan Aristide, omdat het hem gelukt was zich vanuit de sloppenwijken omhoog te werken. Hun woede was tastbaar en zorgde vaak voor gewelddadige conflicten op straat.

    ‘Het is essentieel dat Haïti een hoopvolle toekomst krijgt. Dit is het begin van een nieuw hoofdstuk’

    Net als veel andere buitenlandcorrespondenten in Haïti destijds bracht ik mijn avonden door in het gezelschap van jonge Haïtianen die op mij leken: twintigers die in Noord-Amerika een universitaire opleiding hadden genoten, vloeiend Engels en Frans spraken en kosmopolitisch ingesteld waren. Hun rijke ouders hadden bedrijven die door Aristides beleid van herverdeling in het nauw kwamen, en ze steunden politici die hem wilden afzetten. Onder het genot van eindeloze flessen Prestige-bier en kip djon djon werd mijn kijk op de situatie onvermijdelijk gevormd door hun blik. In elk geval zorgde die voor een subtiele afzwakking van een grimmige realiteit, namelijk dat aan de wil van de meerderheid van het Haïtiaanse volk werd voorbijgegaan.

    Eind februari 2004 zorgde een gewapende opstand ervoor dat Aristide zijn macht verloor, waarna hij als balling werd weggevoerd in een Amerikaans vliegtuig. Kort daarop arriveerden Amerikaanse mariniers en verklaarde George W. Bush: ‘Het is essentieel dat Haïti een hoopvolle toekomst krijgt. Dit is het begin van een nieuw hoofdstuk.’

    Wie wilde af van Aristide? Tijdens alle straatprotesten tegen zijn regering was me duidelijk geworden dat oppositie tegen hem niet beperkt bleef tot een kleine rijke elite. Maar gezien zijn enorme populariteit onder de armen is het onwaarschijnlijk dat de meerderheid van de Haïtianen hem weg wilde hebben.

    Machtige vijanden

    Aristide had een aantal machtige vijanden gemaakt. Hij had geëist dat Frankrijk Haïti 21 miljard dollar zou betalen, als compensatie voor de enorme schuld die het zijn voormalige kolonie had nagelaten. Frankrijk was een van de eerste landen die zijn afzetting eisten. Aristides bondgenoten zouden zijn vertrek later een ontvoering noemen en de toenmalige Franse ambassadeur verklaarde onlangs in een interview met The New York Times dat de Verenigde Staten en Frankrijk in feite ‘een staatsgreep’ hadden gepleegd. Amerikaanse ambtenaren hebben zich daarentegen lang tegen die karakteriseringen verzet. Later zou onderzoek van The New York Times aantonen dat een machtige, conservatieve, Amerikaanse organisatie deels verantwoordelijk was voor de vorming van de oppositie tegen Aristide. Dat riep nieuwe vragen op over de verantwoordelijkheid van de Verenigde Staten.

    Aristide had zich ingezet voor een eerlijke herverdeling, om zo democratie en gelijkheid te verzekeren. Maar alle positieve elementen van wat hij vertegenwoordigde, waren verdwenen. Het enige wat resteerde, was de negatieve kant van zijn nalatenschap: de bendes die hem hadden geholpen zijn presidentschap veilig te stellen. Van dat trauma is Haïti nooit echt hersteld, waardoor het een gebroken natie is geworden die leeft in de schaduw van het machtigste land ter wereld. Voor de rest van de wereld is het nu niets meer dan een boeman, een hoofdpijndossier, een speelbal.

    Wat is de wereld vandaag de dag aan Haïti verschuldigd? Allereerst – en dit is het belangrijkst: laat het met rust. De Haïtianen moet tijd, ruimte en steun worden gegund om een andere toekomst voor hun land te realiseren.

    Wat kan er gebeuren? Dat zij er een groter potje van maken dan wij?

    Dan Foote, die vroeger als speciaal gezant van de VS in Haïti zat, levert sindsdien bijzonder felle kritiek op het Amerikaanse beleid. Foote: ‘Het Amerikaanse buitenlandse beleid gelooft onbewust nog steeds dat Haïti bestaat uit een stel domme zwarte mensen die hun land niet zelf kunnen organiseren. En dat wij ze moeten vertellen wat ze moeten doen, omdat het er anders echt slecht aan toe zal gaan. Maar elke keer dat internationale krachten hebben ingegrepen, hebben ze Haïti overhoopgegooid. Het is tijd om de Haïtianen een kans te geven. Wat is het ergste wat er kan gebeuren? Dat zij er een groter potje van maken dan wij?’

    Haïti is door machtiger mogendheden gebruikt en misbruikt sinds Columbus in 1492 de noordkust van het eiland bereikte. De Verenigde Staten hebben Haïti afwisselend genegeerd en onderdrukt. Eerst weigerden ze het land te erkennen, om het vervolgens in 1915 binnen te vallen en het negentien jaar lang als een soort kolonie te gebruiken. De VS achtten het in de Koude Oorlog van essentieel belang om hun grote invloed op de Haïtiaanse politiek en economie te behouden. Dat deden ze, soms met moeite, van 1957 tot 1986, toen achtereenvolgend Duvalier sr. en Duvalier jr. aan de macht waren.

    De afgelopen twaalf jaar is de Haïtiaanse politiek steeds meer verdeeld geraakt, onder andere door een verpletterende aardbeving en een reeks stormen en orkanen. De politiek wordt al een tijd lang gedomineerd door centrumrechtse leiders die Amerikaanse steun genieten en die naar alle waarschijnlijkheid corrupt zijn en banden onderhouden met criminele netwerken. 

    Buitenlandse inmenging

    Door het isolement van Haïti en door buitenlandse inmenging is de politieke cultuur giftig geworden. Niemand vertrouwt elkaar meer en er heerst paranoia. Bij gebrek aan een moderne, industriële economie zijn er in het land sterk uiteenlopende sociale lagen ontstaan. Er is een handelsklasse die haar geld voornamelijk verdient door goederen te importeren en te verkopen aan alle anderen – straatarme mensen die rondkomen van een hongerloon of van geld dat ze krijgen overgemaakt vanuit de bloeiende diaspora die zich uitstrekt tot onder andere de Verenigde Staten, Canada en Frankrijk.

    De gebeurtenissen van de afgelopen tijd hebben het vertrouwen van de Haïtianen in hun verkiezingen aangetast. Bij de eerste echt democratische verkiezingen van 1990 bracht meer dan de helft van de kiesgerechtigden een stem uit. Bij de laatste verkiezing was de opkomst minder dan 20 procent.

    Er is veel meer nodig om het vertrouwen in de regering te herstellen

    Zo ongeveer elke buitenstaander en de huidige regering zelf hebben de neiging om zo snel mogelijk verkiezingen te organiseren. Op die manier kan de ongrondwettelijke regering worden vervangen door een regering die de wensen van het Haïtiaanse volk vertegenwoordigt. Maar in een land met zo’n gebrek aan veiligheid is het nauwelijks mogelijk om geloofwaardige verkiezingen te houden. En hoewel verkiezingen een vereiste zijn voor werkelijke autonomie, zijn ze, zelfs als ze eerlijk en vrij zijn, niet voldoende. Er is veel meer nodig om het vertrouwen in de regering te herstellen.

    Onder verschillende Haïtianen leeft desalniettemin een klein maar hardnekkig sprankje hoop: zij geloven dat het eindelijk tijd is om een politiek faillissement af te kondigen. Alle oude politieke schulden zouden volgens hen vereffend moeten worden, zodat Haïti met een frisse start de toekomst tegemoet kan. Een groot deel van de Haïtiaanse samenleving, waaronder concurrerende politieke partijen, vakbonden, maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten, hebben samen een gedetailleerd plan opgesteld waarmee Haïti een politieke overgang kan realiseren.

    Dit zogenaamde Montana-akkoord eist dat er een interim-president wordt aangesteld. Voorstanders van het akkoord hebben begin dit jaar een kandidaat gekozen: Fritz Jean, een voormalig gouverneur van de Haïtiaanse centrale bank. Volgens Jean heeft het land tijd nodig om de maatschappelijke infrastructuur opnieuw op te bouwen en naar verkiezingen toe te werken. Hij belooft dat hij zich te zijner tijd niet kandidaat zal stellen voor het presidentschap.

    Speelbal

    Het Haïtiaanse volk is gedurende het merendeel van zijn bestaansgeschiedenis een speelbal geweest van machtige invloeden van zowel buitenaf als binnenuit; van koloniale en neokoloniale machten, economische elites, wereldwijde criminele netwerken en politici die hun eigen zakken wilden vullen.

    Dit alles doet me denken aan de term granmoun uit het Haïtiaanse Kreyòl. Letterlijk vertaald betekent het ‘grote persoon’, maar het heeft een diepere, onderliggende betekenis. Als je een granmoun bent, beschik je over je eigen lot, heb je de controle over je leven en je toekomst. Als je een granmoun bent, ben je soeverein. Magali Comeau Denis, leider van de groep die het Montana-akkoord wil verwezenlijken, stelt het begrip centraal in haar toekomstvisie voor Haïti. ‘Dit is de eerste keer in de Haïtiaanse geschiedenis dat we echt samen over onze toekomst praten. Economische, sociale, politieke en gemeenschapsgroepen zitten met elkaar aan tafel, hebben een eigen inbreng, stellen veranderingen voor en maken bezwaren,’ zegt ze. En ze sluit af met de hoopvolle woorden: ‘Dit is het. Dit is onze kans.’

    Als de rest van de wereld het land met rust laat, zou dat zomaar eens de eerste stap naar Haïtiaanse zelfbeschikking kunnen zijn, naar de onafhankelijke zwarte republiek die de revolutie ooit beloofde. 

  • In Argentinië komt de crisis niet terug. Hij is nooit weggeweest

    In Argentinië komt de crisis niet terug. Hij is nooit weggeweest

    Of er een vloek op de Argentijnse economie rust, vraagt deze journalist zich af. Het land is al vijf keer van munt veranderd, lijdt onder torenhoge inflatie en is als gevolg van de mondiale crises de grootste debiteur van het Internationaal Monetair Fonds.

    In het rampjaar 2020 stortte de Argentijnse economie in. Uit officiële cijfers blijkt dat er sprake is van een krimp van 10 procent. Samen met die in Peru is dat de grootste van het hele Latijns-Amerikaanse continent – als we de Venezolaanse catastrofe buiten beschouwing laten.

    Toen de Argentijnse economie in 2002 in een vrije val terechtkwam, was de krimp maar een fractie groter, namelijk 10,9 procent. De inflatie is gigantisch (deze bedroeg de afgelopen twaalf maanden 38,5 procent en blijft toenemen), de peso wordt steeds minder waard en de reserves van de Centrale Bank bedragen nog geen 3 miljard dollar. Vier op de tien Argentijnen leeft in armoede. Op macro-economisch niveau is de situatie zeer alarmerend. 

    GettyImages 1228035184
    Vrijwilligers delen maaltijden uit in Buenos Aires. Door inflatie zijn de prijzen voor voedsel flink gestegen. – © Carol Smiljan / NurPhoto / Getty

    Maar Argentinië is gewend aan de cyclus van vallen en opstaan en aan een relatieve economische achteruitgang. Sinds 1921, nu precies een eeuw geleden, toen het een van de rijkste landen ter wereld was en het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking gelijk was aan dat van Frankrijk en Duitsland, kent het land een gemiddelde inflatie van 105 procent per jaar en moest het noodgedwongen vijf keer van munt veranderen: tot 1969 had je in Argentinië de peso moneda nacional, daarna kwam de peso ley (tot 1983), vervolgens kreeg je de peso argentino (tot 1985), die werd vervangen door de austral (tot 1991) en nu is de peso de Argentijnse munt. Sinds 1980 is Argentinië, als enige land ter wereld, tot vijf keer toe gestopt met het aflossen van zijn buitenlandse schuld. Er is geen land dat zo’n hoge schuld heeft bij het IMF, er moet 44 miljard dollar worden terugbetaald. 

    Uitstel van betaling

    Toen de peronist Alberto Fernández in december 2019 president werd stond het land er slecht voor. Weer kon Argentinië zijn schulden niet aflossen en het zat al drie jaar in een recessie. En toen, een paar weken later, was daar de pandemie. Minister van Economische Zaken Martín Guzmán moest op twee fronten tegelijk strijd leveren. Tijdens lange videovergaderingen met particuliere schuldeisers moest hij opnieuw onderhandelen over de af te lossen schulden. Hij sleepte er uitstel van betaling uit en wist de rente aanzienlijk te laten dalen. Dat gaf een beetje lucht. Nu probeert hij het IMF zover te krijgen dat ze ermee akkoord gaan om de terugbetaling van het geleende geld over een langere periode uit te smeren. 

    Op het andere front was het voor Guzmán nog ingewikkelder: hoe moest de overheid subsidie verlenen aan bedrijven en inwoners die vanwege corona hun activiteiten moesten stilleggen? Argentinië had immers geen toegang tot de kredietmarkten. De minister had geen andere keuze dan de geldpers te laten draaien.

    In 2020 heeft de Argentijnse Centrale Bank meer dan 1,2 biljoen peso bij laten drukken

    In 2020 heeft de Argentijnse Centrale Bank meer dan 1,2 biljoen peso bij laten drukken (het geld werd door drukkerijen in Brazilië en Spanje gedrukt omdat de Argentijnse geldpersen al 24 uur per dag draaiden), met het risico dat de inflatie toeneemt. En dat lijkt nu het geval te zijn. Afgelopen januari zijn de prijzen met 4 procent gestegen.  

    Desondanks blijft het land doordraaien. Een goed voorbeeld van die continuïteit, ondanks alle tegenslagen die Argentinië in het verleden en momenteel moet trotseren, is Galfione y Cia, een garenfabriek die door Hugo Galfione in 1947 is opgericht, toen Juan Domingo Perón president van Argentinië was. Hugo’s kleinzoon, Luciano Galfione, is nu directeur van het bedrijf. De familie Galfione heeft onvoorstelbaar moeilijke tijden het hoofd weten te bieden, zoals na 2001 de hyperinflatie en de periode van de ruilhandel. Luciano Galfione betaalt maandelijks honderdvijftig salarissen uit, staat aan het hoofd van drie fabrieken en overleeft dankzij de binnenlandse markt. 

    Een verklaring voor de moeizame duurzame groei en de enorme inflatiedruk moet gezocht worden in de binnenlandse markt: de Argentijnse economie staat tamelijk los van de internationale handel. Je hoeft alleen maar naar Chili te kijken – een land met 19 miljoen inwoners, Argentinië telt 44 miljoen – om een idee hiervan te krijgen.

    Chili exporteert voor ongeveer 70 miljard dollar en importeert voor ongeveer 59 miljard dollar. Argentinië daarentegen exporteert voor iets meer dan 60 miljard, vooral graan en vlees, en importeert voor ongeveer hetzelfde bedrag. Galfione grapt: ‘Moet je eens zien hoe rijk het land zou zijn als het zich niks van de Argentijnen aan zou trekken.’

    In 1984, toen Argentinië een van de meest akelige dictaturen de rug kon toekeren, kwam econoom en Nobelprijswinnaar Paul Samuelson met een soortgelijke gedachte, zonder grappig te willen zijn: ‘Argentinië is het klassieke voorbeeld van een economie waar de relatieve stagnatie niet het gevolg is van het klimaat, de rassenongelijkheid, de malthusiaanse armoede of de technologische achterstand. Het lijkt wel of de samenleving en niet de economie ziek is.’ 

    Vorige regering

    De peronistische regering van Alberto Fernández houdt de vorige regering van de liberaal Mauricio Macri (2015-2019) verantwoordelijk voor de huidige crisis. Het klopt dat de peso 40 procent van zijn waarde verloor en dat de gigantische lening van het IMF grotendeels is weggevlogen in wanhopige pogingen het begrotingstekort te dichten en in speculaties (een groot deel van de 44 miljard dollar die Argentinië kreeg is naar het buitenland gegaan of verdwenen in kluizen).

    Toen tijdens de voorverkiezingen in augustus 2019 duidelijk werd dat de peronisten een comeback zouden maken kelderden de beurzen en devalueerde de peso met nog eens 38 procent. Om te voorkomen dat de boel zou instorten werd deviezencontrole van kracht. Maar Macri had op zijn beurt ernstige problemen geërfd van zijn voorgangster Cristina Fernández de Kirchner, de huidige vicepresident. 

    ‘De ene crisis stapelt zich op de andere,’ zegt Diego Sánchez-Ancochea, docent Politieke Economie aan de universiteit van Oxford. ‘Argentinië komt maar niet uit de crisis: in de jaren tachtig werd de staatsschuld groter, in de jaren negentig probeerde men via privatiseringen de problemen op te lossen, en met de crisis van 2001 en 2002 via wisselkoersen. Er worden maatregelen getroffen maar de structurele problemen worden nooit opgelost. De crisis komt niet terug, nee, de crisis is nooit weggeweest.’ 

    De crisis van de peso is chronisch. Decennia van hoge inflatie en waardevermindering van de peso plus het corralitotrauma van 2001-2002 (de bevriezing van bankrekeningen, waardoor de Argentijnen bijna een jaar lang niet bij hun geld konden; toen de maatregel werd opgeheven bleken hun dollartegoeden getransformeerd te zijn in gedevalueerde peso’s) hebben ervoor gezorgd dat Argentinië een land is met twee munten. Zo worden de prijzen op de vastgoedmarkt uitgedrukt in dollars. 

    Men beschouwt de jaren tachtig vaak als het ‘verloren decennium’

    ‘De dollar is niet zomaar een variabele, maar een thermometer die aangeeft hoe het is gesteld met de economie en de politiek, en ook een instrument om geld te sparen,’ stelt Mariana Luzzi, die samen met Ariel Wilkis het boek El dólar, historia de una moneda argentina (‘De dollar, geschiedenis van een Argentijnse munt’) schreef. Argentinië zal nooit de hoeveelheid dollars kunnen genereren die het land nodig heeft, waardoor deviezencontrole  (particulieren mogen niet meer dan tweehonderd dollar per maand kopen) noodzakelijk is. Omdat er geen toerisme meer is, is het tekort aan dollarbiljetten nog nijpender geworden. De situatie is zo ernstig dat het verboden is om luxe auto’s en kostbare drank te importeren. 

    GettyImages 1227924848
    Bezorgers wachten op bestellingen in de hoofdstedelijke uitgaanswijk Abasto. – © Carol Smiljan / NurPhoto / Getty

    Spagaat

    Het lukt Argentinië maar niet om uit de spagaat te komen waar het sinds jaar en dag in gevangen zit. Enerzijds heb je de landbouwsector, de grote dollarmachine, met een uitstekende concurrentiepositie op de internationale markt en voorstander van vrijhandel. Anderzijds is er de industrie, die sinds het eerste bewind van Juan Perón (1946-1955) wordt gereguleerd door een bijna autarkisch protectionisme, dat is samen te vatten in wat de peronisten keer op keer herhalen: ‘Wij zorgen voor onszelf.’  

    Douglas Southgate, verbonden aan de Ohio State University en Latijns-Amerikadeskundige, poneert de volgende verklaring: ‘In Argentinië rust een uitzonderlijke vloek op de grondstoffen, die zijn oorsprong heeft in de agrarischesector. De landbouw, die een zeer gunstige internationale concurrentiepositie heeft, heeft relatief weinig werknemers nodig en de beste landbouwgrond is in handen van relatief weinig mensen. Hierdoor is deze sector een geliefd fiscaal doelwit voor politici die gekozen worden door mensen die in andere economische sectoren werken. De belasting van de Argentijnse landbouw heeft een chronisch slecht presterende nationale economie tot gevolg met frequente, ernstige crises.’ 

    In werkelijkheid is de landbouwsector direct of indirect goed voor meer dan twee miljoen arbeidsplaatsen. Dat is 14 procent van de werkende bevolking, terwijl de sector maar tien procent bijdraagt aan het bbp. De ware kracht van de landbouwsector – en de oorzaak van de conflicten die de sector heeft met het peronisme vanwege de belastingen en bronheffingen – zit hem in zijn sterke concurrentiepositie: van elke tien dollar die het land verdient aan zijn export, komt zeven dollar voor rekening van de landbouwsector. Zonder de landbouwexportindustrie zouden er nauwelijks deviezen het land binnenkomen. 

    Ondernemer Galfione heeft zijn eigen kijk op de zaak: ‘Mijn opa Hugo, de oprichter van ons bedrijf, had landbouwgrond in Santa Fe, Recreo, de duurste grond met de hoogste opbrengst, de sojagraanschuur van Argentinië. De man verkoopt in 1947 zijn landbouwgrond in Santa Fe en vertrekt naar Buenos Aires om een kousenfabriek op te zetten omdat volgens hem de industrie de toekomst is. Als ik hem nu zou spreken dan schoot ik hem overhoop. Maar alle gekheid op een stokje, hij had niet eens ongelijk, want elk ontwikkeld land heeft een krachtige industrie nodig.’ 

    Het probleem is dat Argentinië nooit een sterke industrie heeft gehad. 
    De overheid koos voor het model van importsubstitutie en begon halverwege de twintigste eeuw zelf allerlei soorten goederen te produceren zodat ze niet geïmporteerd hoefden te worden. Dit was het model dat destijds voor het hele continent werd aanbevolen door de Comisión Económica para América Latina y el Caribe (CEPAL) van de 
    Verenigde Naties om de economie te ontwikkelen en om de handelsbalans en de betalingsbalans in evenwicht te houden. De Argentijnse industriesector werd door de overheid beschermd en ontwikkelde zich zo verder totdat de dictatuur van 1976 brak met dit politieke beleid. ‘De militairen maakten een einde aan deze aanpak,’ aldus Luciano Galfione. 

    Het is goedkoper om een container naar China te verschepen dan een vrachtwagen uit Catamarca naar Buenos Aires te laten komen

    Toen in 1976 de wereld gebukt ging onder een oliecrisis steeg het bbp in Argentinië naar 51 miljard dollar, dat van Zuid-Korea naar 30 miljard dollar. Vandaag de dag is de Argentijnse economie goed voor iets meer dan 80 miljard dollar, die van Zuid-Korea (dat sinds een halve eeuw zijn industrialisering heeft opgevoerd dankzij werkomstandigheden die grenzen aan slavernij en het manipuleren van wisselkoersen) bedraagt nu 1,4 biljoen dollar en is een exportkanon. 

    Wat is er in Argentinië gebeurd? Ondernemer Galfione legt het uit. In 2016 probeerde hij een project op te zetten waarbij hij met behulp van nanotechnologie kristalgaren met een speciale structuur kon maken dat bestand was tegen hitte, insecten en bacteriën. Hij had subsidie nodig die de overheid in de periode van Macri hem niet verleende. ‘Mijn machines kunnen zich meten met alle andere op de wereld en ik produceer op wereldniveau. Maar de kosten nekken me. China of India verkopen hun producten onder de kostprijs van de grondstoffen. Ik ben goedkoper dan Italië of Spanje, maar zij laten hun producten nu in het Oosten maken.’

    Er zijn ook nog andere problemen zoals de energie- en transportkosten: ‘De logistieke kosten rijzen de pan uit. Het is goedkoper om een container naar China te verschepen dan een vrachtwagen uit Catamarca naar Buenos Aires te laten komen.’ Het resultaat is een wijdvertakte industrie die over het algemeen maar moeilijk kan concurreren met het buitenland. 

    Aangezien er geen concurrentie is met het buitenland omdat er nauwelijks wordt geïmporteerd – de invoerrechten zijn hoog – behoren de producten tot de middenmoot. De hoogwaardige technologie in bepaalde sectoren (genetische manipulatie, kernenergie, farmaceutische industrie) volstaat niet om dit patroon te doorbreken en dan is er ook nog een niet-aflatende braindrain naar het buitenland. 

    Fundamenteel probleem

    ‘Er is een fundamenteel probleem: een gebrek aan consistentie in de macro-economische politiek,’ constateert Néstor Castañeda, verbonden aan het University College in Londen en lid van het Institute of the Americas. ‘De productiestructuur is niet in balans en heeft externe financiering nodig. Alles hangt af van buitenlandse deviezen. Telkens als de wereldhandel krimpt of de buitenlandse investeringen afnemen, is er een gebrek aan reserves. Dit is niet op te lossen.

    Aan de ene kant komt Argentinië zijn financiële verplichtingen niet na, waardoor de toegang tot de grote markten wordt ingeperkt; aan de andere kant is er een gebrek aan coördinatie tussen het valutabeleid, het fiscale beleid en het monetaire beleid. Tien jaar lang is er groei, dan stort de boel in en is het weer terug bij af.’  

    In 2027 zal het welvaartsniveau van 2011 worden bereikt

    Men beschouwt de jaren tachtig vaak als het ‘verloren decennium’ van de Argentijnse economie. Er kwam een einde aan de dictatuur en met Raúl Alfonsín kwam de democratie maar ook de hyperinflatie. In 1989 stegen de prijzen met meer dan 3000 procent. In de garenfabriek maakte de vader van Luciano Galfione de balans op in kilo’s in plaats van in peso’s, want het was onmogelijk om de prijs van een product vast te stellen. Maar als je de macro-economische ontwikkelingen bekijkt, zijn er tientallen jaren verprutst, ook al werd er in de jaren negentig gemakkelijk geld verdiend toen onder president Carlos Menem de peso net zoveel waard was als de dollar. En ook al lukte het tijdens de gouden jaren van Néstor Kirchner (2003-2007) sterk te groeien met weinig inflatie dankzij de brute, door de vrije val van 2001-2002 opgelegde, bezuinigingen en dankzij de stijging van de sojaprijzen.  

    Econoom Martín Rapetti schat dat het bbp in Argentinië vandaag de dag nagenoeg gelijk is aan dat van 1974. Maar helaas is de ongelijkheid tussen rijk en arm veel groter. Bijna een halve eeuw vermorst. In een interview met dagblad Clarínschetst Rapetti een somber scenario: als je ervan uitgaat dat de Argentijnse economie in 2021 met 6 procent stijgt en jaarlijks gestaag doorgroeit met 4,5 procent, iets wat niet erg waarschijnlijk is, dan zal pas in 2027 het welvaartsniveau van 2011 worden bereikt.

  • Belandt klimaatbeleid na corona weer onderaan de agenda?

    Belandt klimaatbeleid na corona weer onderaan de agenda?

    Dat de hele wereld – in meer of mindere mate – werd platgelegd om corona te bestrijden, had als bijeffect dat ook de CO2-uitstoot omlaagging. Maar heeft het klimaat wel prioriteit als straks de economie weer uit het slop moet worden getrokken?

    Dossier Klimaat

    Nu vrijwel overal ter wereld is begonnen met vaccineren en het einde van de coronacrisis in zicht is, selecteren wij artikelen voor u uit ons archief die onze blik weer op een ander urgent probleem richten: de klimaatcrisis.

    Dit artikel verscheen eerder op 11 juni 2020 in nummer 181 van 360 Magazine.

    Hoe zal de strijd tegen de opwarming van de aarde er over een jaar uitzien, in de wereld na corona? Die vraag wordt dezer dagen vaak gesteld door beleidsdeskundigen en activisten, en het is een vraag met grote implicaties. Sommigen hopen dat de crisis het beste in ons en onze leiders naar boven zal brengen, en dat de heropleving van stevig overheidsingrijpen in deze pandemie perspectief biedt voor de strijd tegen klimaatverandering.

    Anderen vrezen het ergste: dat in het streven om de zwaar getroffen wereldeconomie nieuw leven in te blazen het klimaat straks weer onderaan de internationale agenda zal belanden.

    De optimisten vinden, net als Bill Gates, dat de strijd tegen de pandemie en die tegen de klimaatverandering politiek gezien op hetzelfde neerkomen. In beide gevallen hebben we volgens Gates behoefte aan ‘innovatie en wetenschap en een wereld die samenwerkt’. De manier waarop covid-19 ons leven op zijn kop zet, zal ons volgens de optimisten doordringen van de voordelen van onderlinge hulp en zal beleidsmakers voorzichtiger maken bij toekomstige gevaren; ze zullen meer geneigd zijn om gehoor te geven aan de waarschuwingen van deskundigen, en minder om te blijven denken dat het allemaal wel zal loslopen.

    Krachtige overheid

    Ze hopen ook dat de samenleving als geheel zal erkennen dat de overheid de macht en de taak heeft om doortastend op te treden in het algemeen belang, of dat nu met het opleggen van een lockdown is of met daadkrachtig beleid om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. ‘De overheid heeft een grote centrale rol in de bescherming van onze veiligheid en gezondheid in tijden van crisis,’ zegt Mark Maslin, een klimatoloog van University College London. ‘We moeten deze nieuwe acceptatie van de dominantie van de overheid in ons leven gebruiken om de economie in ons land en elders een grondslag van grotere duurzaamheid te geven.’

    De optimisten weten zich gesterkt door mensen als Fatih Birol, de directeur van het Internationaal Energieagentschap in Parijs, die de crisis vorige maand omschreef als ‘een historische kans om energie-investeringen de richting van de duurzaamheid op te sturen’. De regeringen van de G20 hebben samen al zo’n 5 biljoen dollar uitgetrokken voor de stimulering van hun eigen economie na de lockdown, en Birol roept ze op om ‘van schone energie de kern te maken van hun plannen ter bestrijding van de coronacrisis’.

    Lees ook:

    Als ze dat doen, zou het een keerpunt kunnen zijn. Nu door de lockdown de vervuiling enorm is afgenomen, voorspelt Glen Peters, directeur van het Center for International Climate Research in Oslo, dat 2020 ‘met goed beleid het jaar kan worden dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen zijn historische hoogtepunt heeft bereikt’.

    Maar er gaan ook pessimistischer stemmen op. Die waarschuwen dat de gunstige effecten van de kortstondige lockdown worden overschat. Volgens de meeste analisten zal de daling van de CO2-uitstoot van zeer korte duur zijn. In China daalde die uitstoot in februari met zo’n 25 procent, omdat er veel kolencentrales werden stilgelegd. Maar Lauri Myllyvirta van het Finse Center for Research on Energy and Clean Air zegt dat de verbranding van steenkool eind maart alweer op het oude niveau was.

    ‘De coronacrisis levert in de strijd tegen klimaatverandering meer tijdverlies dan -winst op’

    Wereldwijd zal de daling van de CO₂-uitstoot in 2020 waarschijnlijk heel klein zijn, ergens tussen de 0,5 en 2,2 procent, aldus Zeke Hausfather en Seaver Wang, klimaatwetenschappers van het Californische Breakthrough Institute. [Volgens ramingen die in december door het Global Carbon Project zijn vrijgegeven, is de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 5,6 procent gedaald.] De CO2-concentratie in de dampkring, de thermostaat van de aarde, zal waarschijnlijk blijven stijgen. ‘Zo te zien gaat de coronacrisis ons in de strijd tegen klimaatverandering meer tijdverlies dan tijdwinst opleveren,’ zegt Hausfather.

    De pessimisten zijn bang dat de crisis op politiek gebied ook eerder een stap achteruit dan vooruit zal betekenen. De combinatie van burgers die angstig zijn en overheden en bankiers die met alle macht proberen de economische groei weer aan te zwengelen zal politieke kortzichtigheid en nationalisme stimuleren. De doemdenkers waarschuwen dat de economische stimuleringspakketten vooral steun zullen bieden aan oude, energie-
    intensieve en fossiele brandstof slurpende sectoren en ruim baan zullen geven aan de verdere plundering van natuurlijke hulpbronnen zoals de regenwouden.

    ‘Het virus heeft een economische crisis veroorzaakt, en de mensen zullen minder bereid zijn te betalen voor het redden van toekomstige generaties,’ zegt Dieter Helm, die als energie-econoom aan de Universiteit van Oxford meerdere Britse kabinetten van advies heeft gediend. Hij vraagt zich af of met de uitbraak van het virus ‘het neutraliteitsstreven wellicht over zijn hoogtepunt is’: dat het eindelijk breed gedragen doel van volledig klimaatneutrale energiewinning rond 2050 straks weer van de politieke agenda verdwijnt.

    Op oude voet

    Volgens de pessimisten zal men ook driftig proberen om ‘belemmerende’ regelgeving terug te dringen door milieuwetgeving te schrappen of simpelweg niet te handhaven. En de ‘oorlog’ tegen het virus zal ten koste gaan van de aandacht voor andere gevaren die ons voortbestaan bedreigen, zoals de klimaatverandering.

    ‘Als er verkeerd mee wordt omgegaan, kan de pandemie alle vaart uit de al genomen maatregelen en beleidsvoornemens halen,’ zegt Andrew Norton, directeur van het in Londen gevestigde International Institute for Environment and Development. Als er biljoenen dollars worden uitgegeven om bedrijven te helpen op de oude voet voort te gaan, ‘houden we geen financiële middelen meer over om te investeren in een emissieloze toekomst’, beaamt Martin Siegert, medeoprichter van het Grantham Institute for Climate Change van Imperial College London.
    Dus welke kant gaat het op?

    De Verenigde Staten zijn slecht begonnen. De Amerikaanse milieu-inspectie heeft al aangekondigd de industrie in deze zware tijden te helpen door de handhaving van de milieuwetgeving grotendeels op te schorten. En het Congres heeft een stimuleringspakket van 2,2 biljoen dollar goedgekeurd waarmee het weliswaar geen belastinggeld stopt in een reddingsplan voor de toch al noodlijdende steenkolenindustrie, maar ook geen duurzaamheidseisen stelt aan de bedrijven die wel steun krijgen. Zoals de luchtvaartsector: hun lobbyisten hebben met succes geijverd voor het schrappen van de voorwaarde dat hun CO2-uitstoot in 2050 gehalveerd moet zijn – ook al had de sector zich daarop al eerder
    vastgelegd.

    Activisten zijn hier boos over en voeren de druk op om aan toekomstige steunpakketten wel milieueisen te verbinden. Maar volgens Ted Nordhaus en Alex Trembath van het Breakthrough Institute zullen ze, om de komende maanden iets te bereiken, ‘minder tijd moeten stoppen in het klimatologische pleidooi tegen de infrastructuur die ze willen afbreken, en meer in de economische onderbouwing van de infrastructuur die ze willen bouwen.’

    Myllyvirta waarschuwt dat ook China’s aangekondigde stimuleringspakket ‘niet rept over de milieu- of klimaataspecten van veel stimuleringsmaatregelen’. En de laatste weken is er ineens een hele reeks nieuwe kolencentrales goedgekeurd. Het enige goede nieuws is dat ook de productie van zonnepanelen enorm is gestegen. Eén Chinese fabrikant, GCL Systems, heeft plannen ingediend voor een fabriek die jaarlijks genoeg panelen kan leveren om 60 gigawatt aan stroom te produceren – de helft van de huidige wereldmarkt.

    screenshot 2020 06 10 at 11 27 15 1

    In Europa heerst meer optimisme. In de woorden van de Britse milieu-econoom en VN-adviseur Nicholas Stern: ‘Dit is het moment om een nieuw internationalisme te smeden en uit deze crisis te komen met een economie die veel duurzamer en weerbaarder is en meer in harmonie met de natuur, om voort te bouwen op onze verbondenheid en gedeelde kwetsbaarheid.’

    Het beeld van ‘afgelaste vluchten, lege winkels en wegen, van consumptie teruggebracht tot het zuiver noodzakelijke, van videovergaderen en thuiswerken, dwingt ons na te denken over alles wat we altijd vanzelfsprekend hebben gevonden,’ zegt Chris Hilson, hoofd van het Reading Center forClimate and Justice van de Universiteit van Reading.

    Green Deal

    De Europese Unie zegt zich met haar stimuleringspakket te willen houden aan de onlangs aangekondigde Green Deal om de CO2-uitstoot terug te dringen. Maar er klinken ook tegengeluiden. De Tsjechische premier Andrej Babis heeft al opgeroepen om de Green Deal op te geven ten bate van de strijd tegen het virus. De Poolse regering pleit voor opschorting van het Europese systeem van emissiehandel, dat grote vervuilers bestraft. En de belangenvereniging van Europese autofabrikanten ACEA roept op tot uitstel van de invoering van de voorgenomen doelen ter verlaging van de CO2-uitstoot.

    Maar Frans Timmermans, de vicevoorzitter van de Europese Commissie die over de Green Deal gaat, twitterde vanuit zelfisolatie: ‘We brengen nu terecht veel offers, maar als er betere tijden komen – en die zullen komen – dan zijn we vastberadener dan ooit om onze mensen en onze planeet te beschermen en te genieten van de natuur die ons omringt.’

    En misschien is dat geen wensdenken. Sommige marktanalisten denken dat deze crisis net het duwtje is dat de wereld nodig had om het oude energiebeleid naar de mestvaalt van de geschiedenis te verwijzen. Zij wijzen vooral op de olieprijzen, die eind maart kelderden tot een niveau dat ze in geen achttien jaar hadden gehaald. En als later dit jaar de rem eraf gaat in de economie, kunnen die lage prijzen weliswaar leiden tot een grote stijging van de vraag, maar door de lage prijzen zijn veel olieputten nu verlieslatend en toekomstige investeringen in nieuwe olie- en gasvelden onrendabel. Volgens deze analisten zou de prijsschok ons dan ook versneld naar de absolute piek in olieproductie kunnen leiden, waarna de oliewinning gestaag zal afnemen.

    ‘Vergroening blijft het komende decennium een aantrekkelijke beleggingsoptie’

    Jessica Alsford, hoofd duurzaamheidsonderzoek bij Morgan Stanley, publiceerde in april een artikel waarin ze op basis van gesprekken met investeerders concludeert dat de ontwikkeling van klimaatbeleid op de korte termijn weliswaar vertraging kan oplopen, maar ‘vergroening het komende decennium een aantrekkelijke beleggingsoptie blijft’. Het dalende rendement van de olie-industrie ‘kan geld vrijmaken voor duurzame energie’. De lage prijzen kunnen overheden er ook toe aanzetten een eind te maken aan de bestaande subsidies voor fossiele brandstoffen en over te stappen op economische stimuleringspakketten voor schone energie. Al met al, schrijft ze, ‘blijkt uit onze analyse dat de huidige crisis het afscheid van fossiele brandstoffen kan versnellen’.

    Valentina Kretzschmar van het energieadviesbureau Wood Mackenzie denkt ook dat het investeringsrendement voor duurzame energie door de lage olieprijzen alleen maar beter wordt: ‘Kapitaal stroomt niet meer alleen naar Big Oil. Projecten voor hernieuwbare energie gaan er opeens net zo aantrekkelijk uitzien.’ Veelzeggend: de grootste schaliegasproducent in North Dakota, Whiting Petroleum, volgens de website nog steeds een bedrijf met een ‘sterk en verantwoord plan voor het creëren van langetermijnwaarde’, heeft op 1 april faillissement aangevraagd.

    Terugslag

    Maar ook als groene investeringen het economische tij meehebben, kan het in de politiek nog heel anders lopen. Optimisten mogen graag beweren dat de door het coronavirus veroorzaakte onzekerheid het publiek weer doet verlangen naar de kennis van deskundigen en daadkracht van bestuurders, zodat de waarschuwingen van klimaatwetenschappers serieuzer genomen zullen worden. Maar sommige pessimisten vrezen juist een rechtse terugslag: dat op de een of andere manier niet het virus zelf, maar de experts de schuld zullen krijgen van de crisis en de nawerking daarvan. Een begin daarvan hebben we vorige maand misschien al gehoord in Trumps speculatie dat de (door experts voorgestelde) ‘remedie niet erger mag zijn dan het probleem zelf’.

    Milieuactivisten krijgen nu al kritiek van libertarisch rechts omdat ze juichen over de afname van de luchtvervuiling, terwijl het virus de economie verwoest. Brendan O’Neill, de hoofdredacteur van het mede door de conservatieve Charles Koch Foundation gefinancierde onlinetijdschrift Spiked, zegt dat ‘deze pandemie ons toont hoe het leven eruit zou zien als de milieuactivisten hun zin kregen’. Carl-Friedrich Schleussner van de internationale denktank Climate Analytics heeft er op de website Carbon Brief al voor gewaarschuwd: ‘Het verhaal dat de economische catastrofe van het coronavirus “goed” is voor het klimaat, is een gevaarlijke boodschap, die de steun voor klimaatmaatregelen kan ondermijnen.’

    De strijd om de steun van de burger is dus begonnen. Nu de VN-klimaattop van november is uitgesteld naar medio volgend jaar, zullen zowel de optimistische als de pessimistische geluiden nog geruime tijd te horen zijn. Het is afwachten of de afgevaardigden op de top van 2021 in Glasgow met verdubbelde kracht zullen trachten de klimaatcrisis af te wenden, of dat het klimaat dan inmiddels nog maar een voetnoot bij de agenda van hun regering is.  

  • ‘We hebben allemaal wel een slash’. De generatie die niet zonder plan B kan

    ‘We hebben allemaal wel een slash’. De generatie die niet zonder plan B kan

    In het neoliberale kapitalisme wordt flexibiliteit, het vermogen je aan te passen, hoog gewaardeerd. De slasher voert dat tot in het extreme door.

    Mariana Cáceres is illustrator/tatoeëerder en Gonçalo Vicente noemt zich personal trainer/osteopaat/opleider. Soraia Tomás is verpleegkundige/dj en Filipa Costa is logopedist/danseres. Ze zijn rond de dertig en hebben meer dan één professionele identiteit. Wie behoort tot de zogenaamde slash-generatie – in China een waar fenomeen – vindt ervaringen belangrijker dan carrière of kijkt eerder naar een bedrijfsmissie dan naar status. Maar in tijden van crisis kan het ook een alternatief bieden.

    Ze tekende altijd al graag. Mariana Cáceres (28) overwoog om architectuur of design te gaan studeren en volgde zelfs een cursus restauratie, maar koos uiteindelijk voor de designopleiding aan de faculteit voor beeldende kunst van de Universiteit van Lissabon, terwijl ze in diezelfde tijd bij instituut Ar.Co het illustreren en striptekenen ontdekte. Tatoeëren kwam er later bij. Illustrator/tatoeëerder worden was niet haar ambitie, het gebeurde gewoon. Via een vriend kwam ze in een tatoeagestudio. ‘Je maakt leuke tekeningen, wil je leren tatoeëren?’ werd haar gevraagd. ‘Zo is het begonnen, uit het niets.’

    ‘Ik had het niet verwacht, nu nog denk ik weleens: wat tatoeëer ik veel!’ vertelt ze. Ze heeft een eigen stijl, een lijnvoering die haar onderscheidt, of het nu op een poster, in een krant of met het menselijk lichaam als ondergrond is. Vier jaar geleden stopte ze met het parttimewerk in cafés en restaurants dat ze had om haar rekeningen te kunnen betalen. Ze is echter niet van plan om te kiezen tussen illustratie en tatoeage. Ze maakt deel uit van een generatie voor wie het verlangen om ‘meerdere dingen te doen’ en ‘te experimenteren’ bij het leven hoort – maar financiële onzekerheid ook.

    Plan B

    ‘We hebben bijna allemaal wel een slash. Het is heel moeilijk om alleen van het illustreren of tatoeëren te leven,’ legt Cáceres uit. Als je geen vaste baan of contract hebt, geeft een tweede professionele identiteit een beetje vrijheid en een mogelijk plan B om op terug te vallen. De afgelopen jaren kon ze dankzij het tatoeëren veel reizen en werken in steden als Berlijn – uitwisselingen tussen tatoeagestudio’s komen veel voor – maar in 2020 was het al een hele uitdaging om de lockdown te overleven. ‘Vanwege de pandemie gingen de studio’s dicht. In die tijd ben ik weer meer gaan illustreren,’ vertelt ze.

    De term ‘slasher’ werd ruim tien jaar geleden voor het eerst gebruikt in de context van meervoudige professionele identiteiten: het begrip werd in de Verenigde Staten gemunt, in een artikel uit 2007 van New York Times-columnist Marci Alboher. Toch is de zogenoemde ‘slash-generatie’ – beschreven in Susan Kuangs gelijknamige boek uit 2016 – nog steeds een actueel verschijnsel, en in China een populair fenomeen. Daar bestaat volgens de krant JingDaily zelfs een Slasher Festival.

    De benaming wordt gebruikt voor millennials, jongvolwassenen die nu in de twintig of dertig zijn, met een goede opleiding en werkzaam als zelfstandige, en met meer dan één professionele identiteit. In het Westen denk je dan aan freelancers – een al langer bestaand begrip dat niet precies hetzelfde betekent (maar daar komen we nog op terug) – terwijl het in communistisch China verwijst naar een homogenere, stedelijke elite die ervoor kiest om als zelfstandige te werken en het belangrijk vindt om ervaringen op te doen zonder zich te hoeven beperken tot één enkele professionele carrière.

    ‘Het freelancebestaan is een verschijnsel dat in de westerse context veel normaler is. In China is het veel baanbrekender,’ aldus marketingspecialist Carolina Afonso, die lesgeeft aan het hoger instituut voor economie en management van de Universiteit van Lissabon.

    Voor deze generatie geldt: ‘The coolest identity today is to have more than one’, zoals het in JingDaily heet. Oftewel: meerdere identiteiten hebben is synoniem met succes. Er zijn intussen al rond de tachtig miljoen Chinese slashers, van wie de overgrote meerderheid hoogopgeleid is en in de grote steden woont. Een groep in opkomst, die zich ook in zijn keuzes als consument onderscheidt en een uitdaging vormt voor de grote merken.

    Zoals de meeste millennials worden ze ‘gedreven door goede doelen’ en streven ze naar ‘nieuwe ervaringen’, zodat ‘de daad van het kopen voor hen een daad van kiezen is, iets wat zinvol moet zijn; ze halen hun neus op voor de vulgariteit van mainstreamluxe’, aldus Afonso.

    Levensstijl

    Alvorens gedetailleerder in te gaan op het verschijnsel slash-generatie, benadrukt Afonso dat ‘er niet eens consensus is’ over de begrenzing van de millennialgeneratie. ‘Jongeren staan meer open voor verandering. Maar millennial zijn is geen kwestie van leeftijd, het heeft veel meer te maken met een levensstijl,’ legt ze uit. Het kan ook inhouden dat je steeds meer verschillende functies opstapelt. ‘Ze laten zich niet definiëren door hun beroep. Vandaar die slash, omdat ze meer dan één beroep kunnen hebben.’ Het zijn jongeren ‘die veel belang hechten aan persoonlijke ontwikkeling en soft skills, die hun geld meer op waarde schatten en geïnteresseerd zijn in cultuur, milieukwesties, de doelstellingen van merken; dat telt voor hen meer dan status,’ aldus Afonso.

    Dat beeld wordt bevestigd door wat de 27-jarige slasher Gonçalo Vicente vertelt. ‘De laatste tijd koop ik liever wat minder en doelbewuster. Neem bijvoorbeeld mijn schoenen: ik let niet meer zo op de esthetische kant of op wat in de mode is, ik kies niet voor het bekendste merk, maar voor het merk dat schoenen maakt die echt een goede pasvorm hebben en gezonder zijn voor mijn voeten,’ zegt hij. Vicente is personal trainer/osteopaat/opleider – en niet zo lang geleden was hij ook nog ondernemer. ‘Ik ben afgestudeerd in de sportwetenschappen aan de faculteit menselijke bewegingsleer van de Universiteit van Lissabon, en personal trainer worden is altijd mijn ware passie geweest, maar ik wil niet stil blijven staan.’

    In de afgelopen drie jaar was het toerisme een ‘side business’ voor Vicente. De fitnessroutes in Lissabon brachten hem in aanraking met een bedrijf dat tuktuks verhuurde en dat nu is gesloten vanwege covid-19. Zijn eigenlijke drijfveer is zijn onuitputtelijke belangstelling voor het menselijk lichaam. In de osteopathie zocht hij therapeutische kennis die hij als aanvulling kon gebruiken bij de persoonlijke trainingen die hij binnen en buiten de sportschool geeft. Hij geeft ook cursussen aan de Fitness Academy Portugal, op het hoogste niveau, waarna je je officieel personal trainer mag noemen. Zich onderscheiden is een van zijn doelen, meer dan het verzamelen van identiteiten of beroepen. Uiteindelijk streeft hij ernaar zich ‘bewegingstherapeut’ te mogen noemen – een benaming die in Portugal nog niet zo gebruikelijk is – en zodoende weer een slash in zijn beroepsomschrijving te kunnen wegstrepen. Osteopathie en personal training ‘zijn gebieden die elkaar aanvullen’, aldus Vicente.

    Neokapitalisme

    Volgens Vítor Sérgio Ferreira, onderzoeker aan het instituut voor sociale wetenschappen van de Universiteit van Lissabon, is het vanuit sociologisch gezichtspunt niet zinvol het woord ‘generatie’ te gebruiken, ‘alsof alle jongeren hetzelfde zouden zijn’. Bovendien, waarschuwt hij, ‘is dat soort categorieën – de millennials, generatie X, generatie Y, generatie Z enzovoort – bijna altijd afkomstig uit buitenlandse literatuur, en niet alles gebeurt overal ter wereld tegelijkertijd op dezelfde manier’. Een voorbeeld? De zogenaamde babyboomers. ‘In Portugal had de Tweede Wereldoorlog minder ingrijpende gevolgen en deed die generationele verandering zich pas voor in de nasleep van 25 april’ [1974, de Anjerrevolutie]. 

    Toch wil de socioloog daarmee niet zeggen dat de slash geen relevante kwestie is. De tendens is volgens hem ‘feitelijk waarneembaar en is een sociaal gevolg van het neokapitalisme’. In een wereld die berust op voortdurende technologische veranderingen is het wenselijk dat werknemers ‘zo flexibel en wendbaar mogelijk zijn’.

    ‘De slasher voert flexibiliteit tot in het extreme door’

    ‘Het fenomeen “slash” is niet meer dan wat vroeger in de arbeidssociologie werd omschreven als ‘pluriactiviteit’ – een begrip dat sterk verbonden was met precaire sociale omstandigheden,’ aldus Ferreira. Dat in Portugal 16,5 procent van de werkzame bevolking zzp’er is, berust veelal eerder op noodzaak dan op vrije wil, en datzelfde geldt voor het hoge percentage mensen met een dubbele baan in de cijfers van het Portugese nationaal statistisch instituut. Door de pandemie is dat cijfer in het tweede trimester van 2020 gedaald tot 154.300, maar in 2019 hadden nog bijna 226.000 Portugezen, oftewel 4,6 procent van de werkzame bevolking, twee banen.

    Binnen de groep met een freelanceleefstijl wijst Ferreira op een subgroep die meer aansluit bij de definitie van de slash-generatie uit het boek van Susan Kuang: de jongeren in de kunstsector die hij tijdens zijn onderzoek naar ‘nieuwe droomberoepen’ de hele tijd tegenkwam. ‘In de tattoomarkt, bijvoorbeeld, waren de oudste professionals alleen tatoeëerder, maar dat is veranderd. Nu zijn het jongeren die een kunstopleiding hebben gevolgd en die tevens designer enzovoort zijn. Het idee heerst dat er een competentie is – namelijk: tekenen – die toepasbaar is in verschillende beroepsactiviteiten,’ aldus Ferreira. ‘Ambachtelijk werk krijgt steeds meer esthetische waardering en stijgt daarmee in aanzien. Als je tegenwoordig zegt dat je kok bent, of bierbrouwer, is dat niet meer hetzelfde als twintig jaar geleden; het houdt nu ook in dat je creatief bent.’

    Flexibiliteit

    Desondanks houdt een leven als slasher, waarin je verschillende dingen tegelijk doet, ook al is het misschien een keuze, ‘altijd verband met je leefomstandigheden’, benadrukt Ferreira. ‘Het neoliberale kapitalisme heeft flexibele mensen nodig. Er is een heel discours over ondernemerschap en soft skills, ook wel transversale competenties. Tegenwoordig wordt flexibiliteit, het vermogen om je aan te passen, hoog gewaardeerd en de slasher voert dat tot in het extreme door.’ 

    Of dat positief of negatief is, of het in tijden van crisis meer zekerheid biedt of niet, dat zijn volgens Ferreira moeilijk te beantwoorden vragen. ‘De mensen zijn kinderen van hun tijd. Dit is een actueel discours dat uiteindelijk voldoet aan de behoeften van het neoliberale kapitalisme. Voor sommigen is het goed, voor anderen slecht. Het hangt altijd af van je uitgangspositie. Als je uit een bemiddelde familie komt, zul je het zien als een kans om nieuwe dingen te ervaren. Zo niet, dan zul je die flexibiliteit zien als iets wat onzekerheid geeft. De sociale context is bepalend.’

    Los van de sociale omgeving is het algemeen bekend dat een bestaan als slasher makkelijker is geworden door internet. De 27-jarige Soraia Tomás woont in Coimbra, is verpleegkundige/techno-dj en wijdt zich binnen de organisatie Portugal Medical Cannabis aan het bestuderen en verbreiden van therapeutische toepassingen van cannabis. In het verleden verkocht ze vegetarische hamburgers; ze had zelfs een eigen merk. Ze ziet zichzelf als een jonge slasher in een geglobaliseerde en technologische wereld die dat mogelijk maakt, maar denkt niet dat het vermogen tot multitasken van de huidige jongeren een eigenschap van hun generatie is. ‘Ik denk zelfs dat de mensen vroeger harder werkten.’

    Tomás’ werk in de gezondheidssector kwam goed van pas in tijden van pandemie, nu er geen feesten zijn waar ze achter de draaitafel kan staan

    Haar wisseldiensten als verpleegkundige lieten haar altijd genoeg ruimte om technofeesten bij te wonen – en de tatoeages en piercings die horen bij haar imago als dj zijn tegenwoordig geen probleem meer, je kunt zijn wie je bent, ook binnen de context van een ziekenhuis. Haar werk in de gezondheidssector kwam goed van pas in tijden van pandemie, nu er geen feesten zijn waar ze achter de draaitafel kan staan. ‘Nadat ik mijn specialisatie had afgerond, besloot ik ontslag te nemen en alleen nog parttime te gaan werken. Ik dacht er zelfs over als verpleegkundige op een cruise mee te gaan om serieus geld te verdienen,’ vertelt ze. Corona gooide roet in het eten, maar ze klaagt niet. Ze heeft geen gebrek aan werk en in haar passie voor het onderzoek naar therapeutische cannabis heeft ze de motivatie gevonden waaraan het haar voorheen ontbrak.

    Ook het leven van slasher Filipa Costa uit Guimarães werd overhoop gegooid door de pandemie. De dertigjarige logopedist/danseres was gewend haar tijd te verdelen tussen de kliniek en de showwereld, maar sinds maart is haar werk als danseres bij concerten met populaire Portugese muziek bijna opgedroogd. ‘Ik heb alleen aan een paar televisieprogramma’s meegedaan,’ vertelt ze.

    Costa, die al sinds haar twaalfde danst, heeft verschillende opleidingen gevolgd en maakt deel uit van een dansgezelschap dat Midden-Oosterse dansen uitvoert en veel optreedt bij evenementen. Ze wilde kinderarts worden maar koos voor de logopedie en vertelt dat haar universitaire opleiding altijd ‘plan A’ is geweest. Evengoed is ze er trots op te hebben bijgedragen aan het doorbreken van het cliché dat muziek en volksdansen uit de Arabische wereld gelijkstaan met schaarsgeklede vrouwen. Het was niet gepland, maar wat aanvankelijk een betaalde hobby was, werd een tweede professionele identiteit. Ze ziet zichzelf als slasher en wil dat blijven ook. ‘Ik zie mezelf op dit moment niet kiezen.’ 

  • Rocksterfilosoof Sandel: ‘We moeten af van de maatschappij van winnaars en verliezers’

    Rocksterfilosoof Sandel: ‘We moeten af van de maatschappij van winnaars en verliezers’

    De enige uitweg uit de crisis is de maatschappij te ontdoen van ‘winnaars’ en ‘verliezers’. Dat zegt Michael Sandel, de ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’.

    Michael Sandel was achttien jaar toen hij zijn eerste belangrijke les kreeg in de kunst van het politiek bedrijven. 

    De toekomstige filosoof was in 1971 voorzitter van de leerlingenvereniging van zijn highschool in de wijk Pacific Palisades in Los Angeles, op het moment dat Ronald Reagan, de toenmalige gouverneur van de staat California, in diezelfde stad woonde. Sandel, die over gebrek aan zelfvertrouwen nooit te klagen heeft gehad, daagde Reagan uit voor een debat ten overstaan van 2400 linkse tieners. Het was op het hoogtepunt van de oorlog in Vietnam, die had gezorgd voor de radicalisering van een hele generatie, en iedere studentencampus was vijandelijk gebied voor een conservatieve geest. Enigszins tot Sandels verbazing nam Reagan de handschoen op en kwam hij, geheel in stijl, in een zwarte limousine aan bij de universiteit. Het gesprek dat volgde voldeed allerminst aan de verwachtingen van de jeugdige gesprekspartner van de gouverneur.

    ‘Ik had een lange lijst voorbereid met in mijn ogen erg lastige vragen,’ vertelt de inmiddels 67-jarige Sandel via een videoverbinding vanuit zijn werkkamer in Boston. ‘Over Vietnam, over het stemrecht voor achttienjarigen – waar Reagan tegen was, over de Verenigde Naties, over sociale zekerheid. Ik dacht dat ik hem met zo’n publiek makkelijk de baas zou zijn. Hij reageerde vriendelijk, aimabel en respectvol. Na een uur realiseerde ik me dat ik niet de winnaar van dit debat was, maar de verliezer. Reagan pakte ons in, zonder ons te overtuigen met zijn argumenten. Negen jaar later wist hij op diezelfde manier in het Witte Huis te komen.’

    Sandel liet zich niet afschrikken door deze vroege nederlaag, maar ontwikkelde zich tot een van de beroemdste intellectuelen en debaters in de Engelstalige wereld, met een leerstoel aan de Harvard-universiteit. Hij is wel omschreven als een ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’ die vanaf zijn basis op Harvard online een miljoenenpubliek bereikt. Luisteraars van zijn serie The Public Philosopher op BBC Radio 4 zullen vertrouwd zijn met zijn socratische manier van vragen stellen, waarbij hij de aannames van zijn publiek op een spitsvondige manier op de proef stelt. Miljoenen mensen die zijn lezingen over gerechtigheid gratis volgen via YouTube, zullen vertrouwd zijn met het hoge, ernstige voorhoofd en de vriendelijke, zachte manier van spreken.

    Politiek is Sandel ontegenzeglijk links georiënteerd. In 2012 zette hij Ed Milibands vernieuwingsplannen voor de Britse Labourpartij intellectuele luister bij, door op het partijcongres van dat jaar een lezing te houden over de morele grenzen van de markt. 

    Die toespraak, en zijn in datzelfde jaar verschenen boek What Money Can’t Buy, inspireerden Miliband tot zijn kritiek op het ‘roofdierkapitalisme’, waarmee de Labourleider na de financiële crisis een belangrijke bijdrage leverde aan het Britse politieke debat.

    What Money Can’t Buy bezegelde Sandels status als wellicht de meest geduchte criticus van het vrijemarktdenken in de Engelstalige wereld. Maar in een tijd waarin de politiek steeds gepolariseerder en giftiger wordt, moet hij steeds vaker terugdenken aan die vroege ontmoeting met Reagan. ‘Die heeft me veel geleerd over het belang van aandachtig luisteren,’ zegt hij,  ‘dat evenveel gewicht in de schaal legt als de kracht van argumenten. Voor mij was het een les in wederzijds respect en inclusiviteit in het publieke debat.’

    ANP 20630768
    Twee studenten klappen tijdens een gastcollege van de beroemde Amerikaanse filosoof Michael Sandel. – © Bert Spiertz / Hollandse Hoogte

    De vraag hoe je deze burgerdeugden nieuw leven kunt inblazen, vormt 
    de kern van Sandels nieuwe boek The Tyranny of Merit, dat afgelopen september verscheen. Hoe kan het – getuige de recente presidentsverkiezingen – diep verdeelde Amerika terugkeren naar een minder rancuneus, genereuzer openbaar leven? Het beginpunt blijkt ongemakkelijk genoeg een afrekening te zijn met de zelfgenoegzaamheid waarin een hele progressieve generatie zich heeft gewenteld.

    The Tyranny of Merit is Sandels reactie op de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Voor mensen als Barack Obama, Hillary Clinton, Tony Blair 
    en Gordon Brown zal het uitdagende lectuur zijn. Door het bepleiten van een ‘tijdperk van verdienste’ als oplossing voor de uitdagingen van globalisering, ongelijkheid en de-industrialisatie, zo betoogt Sandel, hebben de Democratische Partij en haar Europese tegenhangers de westerse arbeidersklasse en haar waarden links laten liggen, met rampzalige gevolgen voor het algemeen belang.

    Opklimmen

    Sandels toon is gematigd als altijd, zijn formuleringen vertonen de kenmerkende souplesse en elegantie. Maar er is enige frustratie voelbaar wanneer hij de opkomst beschrijft van een stroming die hij beschouwt als ondermijnend links individualisme: ‘De oplossing voor de problemen van globalisering en ongelijkheid, zo werd ons aan weerszijden van de Atlantische Oceaan voorgehouden, was dat degenen die hard werken en zich aan de regels houden, zo hoog moeten kunnen opklimmen als hun inspanningen en talenten toelaten. Dat noem ik in het boek de “retoriek van het opklimmen”. Dat werd een geloofsartikel, een schijnbaar oncontroversiële stijlfiguur. We zullen een eerlijk speelveld creëren, werd door centrum-links gezegd, zodat iedereen gelijke kansen heeft. En als we dat doen, zullen degenen die dankzij hun inspanningen, talent en harde werken opklimmen, hun plaats ten volle hebben verdiend.’

    De aanbevolen manier om ‘op te klimmen’ was het volgen van een hogere opleiding. Oftewel, om de mantra van Blair te citeren: ‘Education, education, education.’ Sandel citeert een toespraak van Obama uit 2013 waarin de president studenten voorhield: ‘Wij leven in een eenentwintigste-eeuwse wereldeconomie. En in een wereldeconomie kunnen banen overal naartoe gaan. Bedrijven zoeken naar de best opgeleide mensen, waar die ook wonen. Als je geen goede opleiding hebt gevolgd, zal het moeilijk worden om een baan te vinden waarvan je kunt rondkomen.’ Aan degenen die bereid waren de vereiste inspanning te leveren werd beloofd: ‘Dit land zal altijd een plek zijn waar je kunt slagen als je je best doet.’

    Tegen deze benadering heeft Sandel twee fundamentele bezwaren. Het eerste, en meest voor de hand liggende, is dat het legendarische ‘eerlijke speelveld’ een hersenschim blijft. Hoewel zijn eigen Harvard-studenten er 
    volgens hem inmiddels in toenemende mate van overtuigd zijn dat hun succes het resultaat is van hun eigen inspanningen, is tweederde van hen afkomstig uit de hoogste inkomensklassen. Datzelfde is het geval op andere gerenommeerde Amerikaanse universiteiten. De relatie tussen sociale klasse en SAT-scores, op grond waarvan de vervolgopleiding van middelbare scholieren wordt bepaald, is onbetwist. In meer algemene zin, merkt Sandel op, stagneert de sociale mobiliteit in |de VS al decennialang. ‘Kinderen van arme ouders blijven als volwassenen meestal arm.’

    Succesethiek

    Maar het belangrijkste thema van The Tyranny of Merit is de links-liberale consensus die dertig jaar lang heeft geheerst en die nu door Sandel genadeloos op de korrel wordt genomen. Zelfs een perfecte meritocratie, zegt hij, zou een slechte zaak zijn. ‘Het boek probeert aan te tonen dat daar een donkere, demoraliserende kant aan zit,’ legt hij uit. ‘De implicatie is dat degene die niet opklimt dat alleen maar aan zichzelf te wijten heeft.’ 

    De centrum-linkse elite heeft de oude klassenloyaliteit laten varen en een nieuwe rol op zich genomen als moraliserende levenscoach, die zich erop toelegt individuen uit de arbeidersklasse een wereld te helpen vormen waarin ze op zichzelf zijn aangewezen. ‘Over globalisering,’ zegt Sandel, ‘zeiden deze lieden dat de keuze er niet langer een was tussen links en rechts, maar tussen “open” en “gesloten”. Open betekende een vrije stroom van kapitaal, goederen en mensen over grenzen heen.’ Deze stand van zaken werd niet alleen gezien als onomkeerbaar, maar ook gepresenteerd als heilzaam. ‘Wie er op enigerlei manier bezwaar tegen maakte, was bekrompen, bevooroordeeld en antikosmopolitisch.’

    De cultuur was doordesemd van een meedogenloze succesethiek: ‘Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers. Hun inspanningen waren minder effectief geweest. Ze hadden bijvoorbeeld geen universitaire graad behaald.’ Naarmate centrum-links en de vertegenwoordigers ervan een steeds betere economische positie kregen, nam de focus op opwaartse mobiliteit toe. ‘Ze raakten voor hun achterban – en in de VS ook voor hun financiering – steeds meer aangewezen op de hogere beroepsgroepen. In 2008 werd Obama de eerste Democratische presidentskandidaat die meer campagnegeld binnenhaalde dan zijn Republikeinse opponent. Dat was een keerpunt, maar het werd destijds niet opgemerkt of benadrukt.’

    In de Verenigde Staten stagneert de sociale mobiliteit al decennialang

    Arbeiders werd in feite voorgehouden dat als ze zich niet ‘verbeterden’, ze de last van hun mislukking zelf maar moesten dragen. Velen voelden zich verraden en stemden anders. ‘Het populistische verzet van de afgelopen jaren is een opstand tegen de tirannie van de verdienste, zoals die werd ervaren door degenen die zich vernederd voelen door de meritocratie en door deze algehele politieke ontwikkeling.’

    Het is een vernietigende analyse. Sympathiseert hij dan met het trumpisme? ‘Ik koester geen enkele sympathie voor Donald Trump, dat vind ik een verwerpelijke figuur. Maar in mijn boek betuig ik begrip voor degenen die op hem hebben gestemd. Het enige authentieke aan Trump, ondanks zijn ontelbare leugens, is zijn intense gevoel van onzekerheid en zijn diepe wrok tegen de elite, die volgens hem zijn leven lang op hem heeft neer-gekeken. Dat is een zeer belangrijke verklaring voor zijn politieke aantrekkingskracht.

    ‘Oordeel ik hard over de Democraten? Ja, omdat hun onkritische omhelzing van marktaannames en meritocratie de weg heeft vrijgemaakt voor Trump. Ook al heeft Trump nu de verkiezingen verloren en zal hij de Oval Office moeten verlaten, de Democratische Partij zal alleen in haar missie slagen als ze meer oog heeft voor legitieme grieven en ressentimenten, waaraan de progressieve politiek in het globaliseringstijdperk het nodige heeft bijgedragen.’

    Tot zover de diagnose. De enige uitweg uit de crisis, meent Sandel, is het 
    ontmantelen van de meritocratische aannames die een maatschappij van winnaars en verliezers van een moreel keurmerk hebben voorzien. De coronapandemie, en in het bijzonder de nieuwe waardering voor zogenaamd ongeschoold, slecht betaald werk, biedt een beginpunt voor vernieuwing. ‘Dit is het moment om een debat te beginnen over de waardigheid van werk; over de beloning van werk in zowel financiële zin als in termen van waardering. Nu pas realiseren we ons hoe enorm afhankelijk we niet alleen zijn van artsen en verpleegkundigen, maar ook van bezorgers, supermarktmedewerkers, vrachtwagenchauffeurs en mensen in de thuiszorg en de kinderopvang, van wie velen zijn aangewezen op een nulurencontract. Dat noemen we vitale arbeidskrachten, maar het zijn meestal niet de best betaalde of meest gerespecteerde arbeidskrachten.’

    Er moet een radicale herevaluatie komen van de manieren waarop 
    bijdragen aan het algemeen welzijn worden beoordeeld en beloond. Het geld dat wordt verdiend in de Londense City of op Wall Street, staat bijvoorbeeld in geen enkele verhouding tot de bijdrage van financiële speculatie aan de reële economie. Belasting op financiële transacties moet fondsen vrijmaken die op een eerlijker manier kunnen worden verdeeld. Maar voor Sandel is het woord ‘eer’ even belangrijk als de betalingskwestie. Er moet een herverdeling komen van zowel waardering als geld, en van beide moet er meer gaan naar de miljoenen mensen die werk doen waarvoor geen universitaire graad is vereist.

    ‘We moeten opnieuw nadenken over de rol van universiteiten als poortwachters van kansen,’ zegt hij, ‘een rol die we langzamerhand als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. 

    Diplomaterreur is het laatste aanvaardbare vooroordeel geworden. Het zou een ernstige vergissing zijn om de investering in beroepsopleidingen en leertrajecten over te laten aan rechts. Meer investeringen zijn niet alleen belangrijk om mensen zonder een hogere opleiding te helpen de kost te verdienen; de publieke erkenning die eruit voortvloeit kan meer waardering kweken voor de bijdrage aan het algemeen welzijn door mensen die niet naar de universiteit zijn geweest.’

    Nieuw respect en een andere status voor niet-gediplomeerden, zegt hij, zouden eindelijk eens gepaard moeten gaan met enige nederigheid van de kant van de winnaars van de zogenaamde meritocratische wedloop. 

    Aan degenen die, zoals veel van zijn Harvard-studenten, geloven dat ze hun eigen succes simpelweg verdienen, geeft Sandel de wijsheid van Prediker mee: ‘Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hard-loper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat hij die wijs is niet altijd zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom (…) Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval.’

    Nederigheid

    ‘Nederigheid is een burgerdeugd die op dit moment van wezenlijk belang is,’ zegt Sandel, ‘omdat het een nood-zakelijk tegengif is tegen de meritocratische overmoed die ons uiteen heeft gedreven.’

    The Tyranny of Merit is het nieuwste salvo in Sandels levenslange intellectuele strijd tegen een sluipend individualisme dat sinds het tijdperk van Reagan en Thatcher overheersend is geworden in westerse democratieën. ‘Jezelf als selfmade en zelfvoorzienend beschouwen. Dat beeld van het zelf oefent grote aantrekkingskracht uit, omdat het je op het eerste gezicht macht geeft: ik red het zelf wel, ik kom er wel, als ik mijn best maar doe. Het is een bepaalde kijk op vrijheid, maar wel een die gebreken vertoont. Het leidt tot een competitieve marktmeritocratie die scheidslijnen versterkt en solidariteit ondermijnt.’

    Sandel hanteert een vocabulaire dat liberale ideeën over autonomie aan de kaak stelt op een manier die decennialang uit de mode is geweest. Woorden als ‘ondergeschiktheid’, ‘schuldplichtigheid’, ‘mysterie’, ‘nederigheid’ en ‘geluk’ komen herhaaldelijk voor in zijn boek. De impliciete stelling is dat kwetsbaarheid en wederzijdse erkenning de basis kunnen worden voor hernieuwde affiniteit en gemeenschapszin. Het is een maatschappijbeeld dat het absolute tegendeel vormt van wat het thatcherisme is gaan heten, met zijn nadruk op zelfredzaamheid als voornaamste deugd.

    Naast het ‘klappen voor de zorg’ zijn er volgens hem meer optimistische tekenen dat er eindelijk een ethische verschuiving plaatsvindt. ‘De Black Lives Matter-beweging heeft de progressieve politiek morele energie gegeven. Het is een multiraciale beweging van verschillende generaties geworden, die ruimte biedt voor een publieke afrekening met onrechtvaardigheid. Het toont aan dat je ongelijkheid niet alleen maar tegengaat door het opheffen van meritocratische grenzen.’

    Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers

    Aan het eind van het boek vertelt Sandel het verhaal van Henry Aaron, 
    de zwarte honkballer die opgroeide in het gesegregeerde zuiden van de VS en in 1974 het homerunrecord van Babe Ruth brak. Aarons biograaf schreef dat het slaan tegen een honkbal ‘de eerste meritocratische handeling in Henry’s leven was’. Dat is niet de lering die we moeten trekken, zegt Sandel. ‘De moraal van Henry Aarons verhaal is niet dat we van de meritocratie moeten houden, maar dat we een systeem van raciale onrechtvaardigheid moeten verachten waaraan je alleen kunt ontsnappen door homeruns te slaan.’

    Eerlijke concurrentie vormt geen rechtvaardige maatschappijvisie. Dat moeten Joe Biden en zijn Europese tegenhangers goed begrijpen. Als bron van inspiratie, zegt hij, zouden ze te rade kunnen gaan bij een van zijn intellectuele helden, de Engelse christen-socialist R.H. Tawney [1880-1962]. ‘Tawney betoogde dat gelijkheid van kansen hooguit een deelideaal was. Zijn alternatief was niet een onderdrukkende gelijkheid van resultaten. Het was een brede, democratische ‘gelijkheid van omstandigheden’ die burgers van alle rangen en standen in staat stelt met opgeheven hoofd door het leven te gaan en zichzelf te beschouwen als deelnemer aan een gezamenlijke onderneming. Uit die traditie komt mijn boek voort.’ 

    Dit artikel werd geselecteerd door journalist, programmamaker en presentator Chris Kijne.

  • De overheid als verzekeringsbedrijf

    De overheid als verzekeringsbedrijf

    Corona heeft de wereld niet alleen in een gezondheidscrisis en een recessie gestort, het luidt volgens Capital ook een nieuw economisch bestel in, nu belangrijke principes van het kapitalisme buiten werking zijn gesteld.

    Toen Berlijn in het voorjaar wegkwijnde, toen de meeste kantoren, restaurants en hotels waren gesloten en er geen toerist te bekennen was, werd één gast on-gewoon vaak in de hoofdstad gesignaleerd: Carsten Spohr, de baas van Lufthansa. Vaak zat hij te lunchen bij Midtown Grill op de Potsdamer Platz, waar ze uitstekende hamburgers serveren, maar vanwaar je ook de belangrijkste adressen – zoals het ministerie van Financiën en het kantoor van de Bondskanselier – snel te voet kunt bereiken. Na een paar minuten van de zon en de frisse lucht te hebben genoten, begaf de baas van Europa’s een-na-grootste luchtvaartmaatschappij zich dan naar bijeenkomsten met advocaten, ambtenaren, staatssecretarissen en ministers. 

    Op dat moment mocht het merendeel van de bijna zevenhonderd Lufthansa-vliegtuigen niet meer vliegen en zag de luchtvaartmaatschappij elk uur 1 miljoen euro verdampen. Spohr wist dat er maar één partij was die hem nu nog kon helpen: de overheid.

    Zoals bekend had hij succes, want in juni redde de federale regering Lufthansa met een staatsbelang en een lening voor een totaalbedrag van 9 miljard euro. Maar dat was nog maar het begin. Ook reisconcern Tui kreeg een kapitaalinjectie, en nog eens dertig bedrijven – waaronder werven, staalconcerns en toeleveranciers in de auto-industrie – hebben Berlijn inmiddels laten weten dringend geld nodig te hebben. De regering heeft voldoende kapitaal gereserveerd, in de eerste ronde alleen al 100 miljard euro voor staatsdeelnames.

    Corona heeft de wereld niet alleen in een gezondheidscrisis en een recessie gestort, het luidt ook een nieuw economisch bestel in. Belangrijke principes van het kapitalisme zijn buiten werking gesteld en de overheid dringt diep door in bedrijven, branches en markten. Centrale banken, staatshuishoudingen en bedrijven zijn met elkaar ‘verstrengeld als een bord spaghetti’, zegt top-investeerder Mohamed El-Erian.

    In een crisis als deze lijkt de overheid het enige instituut dat het vliegwiel van de economie weer kan aanzwengelen, en daarom komt ze overal tussenbeide. Sinds maart is dat ook noodzakelijk, om het verlies van miljoenen banen te voorkomen. Wat dit aangaat hebben regeringen en centrale banken geleerd van de economische crises in het verleden. En toch heerst er bij veel mensen een diep gevoel van onbehagen: waar leidt dit toe op de lange termijn?

    liam mcgarry ERp8mLTYE3k unsplash 2
    Over twee, drie jaar, als het virus hopelijk geen schrik meer inboezemt, treden de oude problemen weer op de voorgrond en waarschijnlijk nog nadrukkelijker: de groei zal nog altijd mager zijn, de kloof tussen arm en rijk zal groter zijn geworden. – © Unsplash

    Nieuwe macht

    Die vraag is des te meer gerechtvaardigd als je ervan uitgaat dat de nieuwe macht van de overheid niet met het virus zal verdwijnen. Als we zijn bekomen van de schrik over de pandemie, zullen de oude twijfels terugkeren over de zegen van een vrijemarkteconomie, over de grote belofte van het kapitalisme dat het groei en welvaart voor iedereen zal brengen. En misschien zullen die twijfels zelfs nog dringender zijn. Daarom heeft Joe Biden, de verkozen president van de Verenigde Staten, een plan gemaakt voor een nieuw pakket van 3 à 4 biljoen dollar. Duizenden miljarden dus voor de gezondheidszorg, de consumptie, de modernisering van de openbare infrastructuur, de ecologische energietransitie, zuinigere auto’s, nieuwe koelkasten. 

    Natuurlijk zullen er nog altijd bedrijven en branches zijn waarvoor het business as usual is, die winst maken en gezond zijn – dat is zoals gewoonlijk een kwestie van vraag en aanbod. Ook zullen er op de financiële markten elke dag weer biljoenen de wereld over worden gejaagd. En toch breekt er een nieuw tijdperk aan voor het kapitalisme.

    De dag dat de oude wereld teloorging, was 9 maart van dit jaar. De financiële markten waren al langer nerveus, maar die maandag stortten de beurzen en de grondstoffenmarkten in – de olieprijs daalde met ruim een kwart, de aandelenmarkten met 8 tot 10 procent. De besluiten die de belangrijkste centrale banken van de wereld in de dagen daarna namen, waren en zijn ongekend. De Amerikaanse Fed koopt sindsdien onbeperkt staats- en bedrijfsobligaties op. De Europese Centrale Bank (ECB) kwam eveneens met een extra programma om alle mogelijke waardepapieren op te kopen. Bijna veertig andere centrale banken over de hele wereld volgden die voorbeelden. 

    Dit soort interventies van centrale banken hebben iets onwerkelijks, door de onvoorstelbare bedragen en het hoge abstractieniveau. En ons dagelijks leven gaat gewoon door. We werken, doen boodschappen, proberen opdrachten binnen te slepen of wachten tot het leven weer is genormaliseerd. Maar ook wij merken de effecten van het vele geld; zo hebben de beurzen sinds de crash in maart 30 tot 40 procent aan waarde gewonnen en zijn ook de huizenprijzen in Duitsland onverstoorbaar verder gestegen. Wie voor de crisis vermogen had, zal tijdens de crisis waarschijnlijk nog rijker worden.

    Geld speelt geen rol meer, is het devies van de postcoronawereld

    Circa 2800 miljard euro aan staatsobligaties heeft de ECB inmiddels opgekocht, waarvan 700 miljard euro sinds eind maart. Van alle nieuw aangegane schulden door de eurolanden in 2020 heeft de centrale bank ruim 70 procent overgenomen. Nog eens 600 miljard euro heeft de ECB gestoken in bedrijfs- en consumentenleningen en pandbrieven. In totaal hebben de Fed, de ECB, de Bank of England en de Bank of Japan inmiddels schulden opgekocht ter waarde van omgerekend circa 18 biljoen dollar.

    Het aanbod van de centrale banken in 2020 luidt dus: om de boel in coronatijd en daarna draaiende te houden verlenen we onbeperkt krediet. Geld speelt geen rol meer, is het nieuwe devies van de postcoronawereld. En als bedrijven aarzelen, delen regeringen gewoon uit aan het volk. ‘De schuldenlast van de overheid is irrelevant,’ zegt de invloedrijke Amerikaanse econoom Stephanie Kelton in een interview met Capital.

    Paradigmaverschuiving

    Historicus en econoom Adam Tooze heeft dit beleid als geen ander geanalyseerd. Hij zegt: ‘De kredietsystemen voor het bedrijfsleven zijn nauw verbonden met de staatshuishoudingen en de centrale banken.’ De scheiding tussen het fiscale en het monetaire beleid, vele decennia een dogma van het kapitalisme, is ten grave gedragen. Michael Heise, hoofdeconoom van vermogensbeheerder HQ Trust, spreekt van een ‘paradigmaverschuiving’ en waarschuwt: ‘Er wordt niet gesproken over de mogelijke gevolgen voor de lange termijn.’ 

    De effecten van dit beleid zijn bijvoorbeeld te zien in de auto-industrie. Er zijn maar weinig branches waar de handel zo vaak via schulden verloopt. Deze nemen de vorm aan van leasecontracten of leningen, meestal van de huisbanken van de autofabrikant, die het geld daarvoor via obligaties verkrijgen. Zowel de leningen als de obligaties worden uiteindelijk opgekocht door de ECB, die al voor corona over circa 40 miljard euro aan obligaties en gesecuritiseerde leningen beschikte. Dat zou inmiddels wel eens aanzienlijk meer kunnen zijn. Het ontvangen geld van de ECB is beschikbaar voor nieuwe leningen, nieuwe auto’s of – via op de pof gefinancierde overheidssubsidies – voor elektrische auto’s.

    In principe zijn er twee mogelijkheden voor de overheid om de conjunctuur 
    te ondersteunen. Ten eerste door de consumptie te stimuleren, bijvoorbeeld via belastingverlagingen of cheques. Daarvan profiteert iedereen, maar dergelijke instrumenten zijn duur en het effect ervan is omstreden. Daarom nemen regeringen graag hun toevlucht tot gerichte hulp aan bedrijven en branches. Afgezien van de btw-verlaging is Duitsland met het conjunctuurpakket van 130 miljard euro vooral deze tweede weg ingeslagen. Directe hulp heeft verschillende voordelen, want het is beter te sturen en regeringen kunnen er doelen aan verbinden die ze belangrijk vinden. 

    Verzekeringsbedrijf

    Zo trok de federale regering tot 9 miljard euro uit voor de opbouw van een waterstofeconomie, 5 miljard voor verbetering van het mobiele netwerk, 5 miljard voor kunstmatige intelligentie, 2,5 miljard voor de uitbreiding van de elektromobiliteit, nog eens 2 miljard voor de auto-industrie, 1,2 miljard voor nieuwe bussen en vrachtwagens, 1 miljard voor luchtvaartmaatschappijen die nieuwe vliegtuigen kopen (Lufthansa) en 2 miljard voor bouwbedrijven. ‘Alleen wie geen belangenbehartiger aan tafel had, stond met lege handen,’ zegt econoom Jan Schnellenbach hierover.

    János Kornai, een voormalig hoogleraar economie aan de Harvard-universiteit, beschreef in 1986 wat er gebeurt wanneer bedrijven zich tot de overheid richten voor geld: ‘De bedrijfsleiding houdt zich dan niet bezig met de verkopen en de markt, maar met contacten met de bureaucratie.’ De overheid ‘functioneert dan als een allesomvattend verzekeringsbedrijf’, schreef Kornai. ‘Ze neemt alle verantwoordelijkheid voor riskante transacties op zich.’

    Groei en welvaart

    Lang voor corona zette econoom Mariana Mazzucato al vraagtekens bij het belangrijkste principe van liberale economen, namelijk dat groei en welvaart het best gedijen daar waar ondernemers ongehinderd zaken kunnen doen. Dat standpunt werd het felst verdedigd door de Oostenrijkse econoom Friedrich August von Hayek. Mazzucato bracht daartegen in dat alle varianten van hayekiaanse idealen – hoe mild ook – naïef zijn. Volgens haar onderschatte Hayek de rol van de overheid als ondernemer en manager schromelijk, omdat die tegenwoordig niet alleen de regels bepaalt, maar ook ideeënleverancier, grondlegger, financier en ontwikkelaar is. Van het begin van de spoorwegen tot de uitbreiding van atoomenergie en de ontwikkeling van internet, telkens hadden regeringen geld verstrekt, ideeën ingebracht, opdrachten gegeven en prioriteiten gesteld.

    Zo beschouwd is de nieuwe rol van de overheid geen blinde escalatie, maar een consequente uitbreiding. Maar wie betaalt, wil meepraten, en die kans laten politici zich niet ontgaan. Integendeel: net als in de VS en Frankrijk, waar actief industriebeleid traditie is, willen ook de meeste Duitse politici in deze crisis niet meer het verwijt krijgen dat ze alleen maar geld aan het uitgeven zijn. Zo is er niet simpelweg een kooppremie voor auto’s, maar een voor de mobiliteitstransitie.

    Maar wie dit interventiebeleid volgt, raakt al snel verstrikt in een spiraal van interventies. Aan de basis van elektromobiliteit lag de wens om de CO₂-uitstoot op straat terug te dringen. Daarom werden er voor fabrikanten reductiedoelstellingen geformuleerd; en omdat elektrische auto’s geen uitlaatgassen uitstoten, werden die met nul uitstoot in de berekeningen opgenomen. De autofabrikanten begonnen dus met het ontwikkelen van elektrische auto’s, zij het aarzelend, want de klanten bleven sceptisch. Dus greep de federale regering opnieuw in, dit keer met miljarden voor koopprikkels en de uitbreiding van het aantal laadpalen. Maar omdat ook dat niet voldoende was, kregen autofabrikanten subsidie voor de ontwikkeling van voertuigen, het onderzoek naar nieuwe accu’s en het opzetten van accufabrieken in Duitsland. En dit jaar zijn er ook nog eens hogere subsidies voor de aankoop.

    ‘De ECB zou de schulden voor eeuwig moeten laten staan’

    Nu worden er inderdaad meer elektrische auto’s verkocht. Maar doordat de verkoop van benzine- en dieselauto’s slecht loopt, groeit de hoop – ook onder bedrijven die te lijden hebben onder de transformatie van de branche – op een volgende interventie van de overheid, in elk geval een verlenging van de werktijdverkorting tot eind 2021. Dan zijn de bedrijven tenminste de last van de loonbetalingen kwijt. De last om in de verkeerde tijd de verkeerde producten te fabriceren weegt dan nog maar half zo zwaar. 

    Groei noch winst

    Martina Merz is niet te benijden. De algemeen directeur van staalconcern ThyssenKrupp strijdt op tal van fronten en na de verkoop van het enige bedrijfsonderdeel waarvan nog groei en winst mocht worden verwacht, de liftentak, is er niet veel meer over waarvan ze nog iets van een toekomstplan kan smeden. Sinds de zomer maakt ze er dan ook geen geheim van: ‘Staatsdeelname is een optie.’ En de politiek zegt geen nee, maar zegt momenteel alleen dat er een onderzoek naar loopt. 

    Een directe deelname van Duitsland zou prima in het plaatje passen: van Lufthansa, van Tui, en zelfs van de farmaceutische start-up CureVac in Tübingen, die als toonaangevende ontwikkelaar van een coronavaccin bepaald niet krap bij kas zit, heeft de federale regering bijna een kwart van de aandelen. Waarom dus niet ook van een staalconcern? Zo ontstaan perspectieven, zeggen politici. Of ‘zombie-bedrijven’ die zonder overheidshulp helemaal niet meer kunnen bestaan, waarschuwen economen. 

    Een deelname in ThyssenKrupp roept twee vragen op, die veel verder strekken dan het bedrijf en de crisis. De eerste luidt: hoeveel verandering en hoeveel vernieuwing staan we nog toe in onze economie? De thuisbasis van de staalgigant, het Ruhrgebied, is eigenlijk aansporing genoeg om een structuurverandering niet doelloos decennialang uit te stellen [het Ruhrgebied had in de tweede helft van de twintigste eeuw al te maken met een kolen- en staalcrisis]. Uit een onderzoek in opdracht van Allianz bleek onlangs dat er in Europa inmiddels zo’n dertienduizend bedrijven zijn, met in totaal negen miljoen werknemers, die eigenlijk te veel schulden hebben en alleen nog dankzij de lage rente overleven. Analoog aan de zombiebedrijven spreken de auteurs van ‘zombiebanen’.  

    De tweede vraag betreft de capaciteiten van de overheid, die controle zal willen uitoefenen op de deelname in beurs-genoteerde concerns. Maar er zijn nu al minstens dertig bedrijven die een staatsdeelname verlangen – en die lang niet allemaal zo professioneel zullen worden geleid als een DAX-concern. Waar zijn de ambtenaren, de juristen, de accountants en de bedrijfseconomen in overheidsdienst die dit deelnamemanagement op zich moeten nemen? Het gevaar dat de overheid met een groot aantal deelnames het overzicht kwijtraakt, ligt nadrukkelijk op de loer. Ze kan zich niet genoeg vakkennis eigen maken.

    Toch klinken zelfs de duidelijkste liberale stemmen inmiddels gereserveerd. Zo zegt Karen Horn, oud-voorzitter van de Hayek-Gesellschaft, dat de situatie lastig is: eerst het Chinese staatskapitalisme als tegenmodel van het democratische kapitalisme in het Westen en nu ook nog corona – waarschijnlijk is dat te gecompliceerd voor de oude leer van de pure markteconomie. Zelfs ThyssenKrupp had zich zonder corona mogelijk weten te herpakken, en Tui en Lufthansa hadden waarschijnlijk zelfs uitstekende zaken gedaan. ‘Om dat ten onder te laten gaan vond ook ik verkeerd,’ zegt Horn. ‘Als zich ooit een keynesiaanse situatie heeft voorgedaan, dan is het nu wel.’

    De belangrijkste functie van de markt – de beste verdeling van schaarse 
    middelen – is niet meer van toepassing, althans niet overal en onbeperkt. De plaats van de markt wordt steeds meer ingenomen door redders, regelgevers, politici en ambtenaren. Ze bepalen niet alleen de regels, maar ook de koers, producten en productienormen. Of bedrijven daarmee tegemoetkomen aan de wensen van hun klanten, en of ze daarmee winst zullen maken, is van secundair belang. De overheid staat borg.

    De aansprakelijkheid van ondernemers en managers wordt vervangen door een staatsverzekering, waarbij het eigen risico in geval van schade omgekeerd evenredig is met de grootte van het bedrijf. Heette het na de financiële crisis van 2008-2009 dat banken nooit meer zo groot mochten zijn dat hun faillissement niet kon worden geriskeerd met het oog op de gezondheid van de reële economie, vandaag de dag geldt dit voor grote delen van juist die reële economie, voor zowel bedrijven als hun personeel: we zijn allemaal too big to fail.

    Des te meer als de crisis van het kapitalisme langer gaat duren dan de 
    pandemie. Over twee, drie jaar, als het virus hopelijk geen schrik meer inboezemt, treden de oude problemen weer op de voorgrond en waarschijnlijk nog nadrukkelijker: de groei zal nog altijd mager zijn, de kloof tussen arm en rijk zal groter zijn geworden. Langlopende onderzoeken tonen aan dat het stimulerende effect van schulden op de groei gestaag afneemt, maar dat de verhouding schulden-vermogen stabiel blijft. Het zullen dus vooral de rijken zijn die door de met schulden gefinancierde coronaprogramma’s nog rijker worden. Dat zal helemaal tot de conclusie leiden dat de markt alleen het niet klaarspeelt en dat we een sterke overheid nodig hebben die financiert, opricht en op gang helpt. Waarbij de centrale banken nog altijd voor het geld zorgen.

    Vermogensbeheerder Jens Ehrhardt, een marktliberaal van de oude school, beschouwt de huidige weg desondanks als de enige mogelijke. Over een paar decennia kun je het erover hebben wat je met al die schulden doet, zegt hij. 

    ‘De ECB zou de schulden gewoon voor eeuwig moeten laten staan,’ stelt hij in een interview met Capital, ‘of ze meteen helemaal moeten afschrijven’. Zo’n schuldsanering, de bevrijding van oude verplichtingen, zou voor Ehrhardt zelfs een manier zijn om afscheid te nemen van de staatseconomie – en terug te keren naar de markteconomie. 

  • Detentiecentra zijn wreed, maar de woestijn is erger

    Detentiecentra zijn wreed, maar de woestijn is erger

    Het zerotolerancebeleid van de regering-Trump heeft de zuidelijke grens van de VS veranderd in een gebied waar de kwetsbaarste mensen op aarde de dood vinden of verdwijnen. Volgens voormalig Border Patrol-agent Francisco Cantú heeft de situatie een kritiek punt bereikt – niet vanwege de criminaliteit, maar vanwege de minachting voor het menselijk leven.

    In de drieënhalf jaar dat ik bij de United States Border Patrol werkte, van 2008 tot 2012, had ik de grootste moeite met het Amerikaanse immigratiebeleid op de momenten dat ik het probeerde uit te leggen aan de mensen die er het directst bij betrokken waren.

    Tijdens een grenspatrouille werd ik een keer aangesproken door een vrouw aan de andere kant. Ze hunkerde naar informatie over haar zoon. Ze wist niet waar, of hoe lang geleden, hij de grens was overgestoken, ze wist niet of hij werd vastgehouden of dat hij ergens onderweg was verdwaald. Ze wist niet eens of hij nog wel in leven was.

    Het kost me moeite om me te herinneren wat ik tegen haar heb gezegd. Het zou kunnen dat ik heb uitgelegd dat het oversteken van de grens er vaak op neerkomt dat je dagen of weken door de woestijn loopt. Het zou kunnen dat ik haar heb aangeraden haar zoon als vermist op te geven. Het zou kunnen dat ik haar het nummer heb gegeven van een telefonische hulplijn waar de naam en de geboortedatum kunnen worden vergeleken met iemand in het immigrantendetentiesysteem – iemand die door de Amerikaanse overheid wordt gezien als een misdadiger, als een lichaam dat een bed in beslag neemt in een particulier detentiecentrum. Iemand die, voor de vrouw die trillend achter het hek stond, álles betekende.

    Na een maand van verontwaardiging over de onmenselijkheid van het zerotolerancebeleid van president Trump, zijn we de afgelopen weken getuige geweest van een stroom van verwarrende en uiteenlopende verklaringen omtrent immigratie: de president heeft voorgesteld immigranten zonder papieren het recht op een eerlijke rechtsgang te onthouden, minister van Justitie Jeff Sessions is er heel stellig in dat iedere volwassene die illegaal de grens oversteekt dient te worden vervolgd, het hoofd van de Customs and Border Protection heeft laten weten dat gezinnen hun proces weer in vrijheid mogen afwachten. Ondertussen zijn duizenden kinderen en ouders van elkaar gescheiden en zitten ze vast in een web van opvanglocaties en detentiecentra, die worden geleid door non-profitorganisaties of door particuliere gevangenis-, beveiligings- en defensieorganisaties.

    Manifeste misstand

    Het is belangrijk dat we ons realiseren dat deze crisis, veroorzaakt door een regering-Trump die ouders en kinderen scheidt, slechts de meest manifeste misstand is van een al tientallen jaren lopend project om een ‘uitzonderingstoestand’ te creëren aan onze zuidelijke grens. Dit concept werd in de nasleep van 11 september gebruikt door de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben om de noodtoestand te duiden die door verschillende regeringen werd uitgeroepen teneinde verschillende rechten en vormen van bescherming in te trekken of op te schorten. Toen de president in april aan de grens de National Guard inzette (een maatregel die ook twee van zijn voorgangers hebben genomen), liet hij weten dat ‘de situatie aan de grens een kritiek punt heeft bereikt’. Maar welbeschouwd is het aantal mensen dat de grens oversteekt al langere tijd historisch laag – ondanks een paar recente pieken – en is de grens momenteel veiliger dan ooit. Al kun je je afvragen: veiliger voor wie?

    Wat er aan de grens gebeurt, is voor de meeste Amerikanen een ver-van-mijn-bedshow. Maar binnen de wereld van de grensbewaking heeft de militarisering van de grens geleid tot een cultuur die is doortrokken van oorlogstermen en -tactieken. Agenten van de grenspolitie noemen immigranten ‘misdadigers’, ‘vreemdelingen’, ‘lichamen’ of ‘toncs’ (mogelijk een acroniem van temporarily out of native country, of van territory of origin not known – of een verwijzing naar het geluid van de klap van een Maglite-zaklamp op het hoofd van een immigrant). De grenspolitie beschikt over drones, helikopters, infraroodcamera’s, radar, grondsensoren en gepantserde voertuigen. Maar hun dodelijkste wapen is van geografische aard – de woestijn zelf.

    De grensbewaking in de jaren negentig viel samen te vatten als ‘preventie door middel van afschrikking’. De grenspolitie trad hard op tegen migranten die in steden als El Paso de grens overstaken. Er werden muren gebouwd, er werden torenhoge budgetten vrijgemaakt en er werden talloze nieuwe mensen in dienst genomen om in de grenssteden te patrouilleren. Buiten de steden, zo was de veronderstelling, zou de meedogenloze woestijn het vuile werk opknappen en mogelijke migranten weren, ver buiten het oog van de media.

    Een kruis markeert het graf van een immigrant in Holtville, Californië, in 2016. – © John Moore / Getty Images
    Een kruis markeert het graf van een immigrant in Holtville, Californië, in 2016. – © John Moore / Getty Images

    Doris Meissner, die van 1993 tot 2000 aan het hoofd stond van de Immigration and Naturalization Service (INS), zei in The Arizona Republic dat de INS ervan overtuigd was dat ‘de geografische omstandigheden aan onze kant stonden’ en dat de stroom immigranten vanzelf zou opdrogen wanneer mensen zich zouden realiseren wat die omstandigheden behelsden.

    Maar zelfs toen duidelijk werd dat grote aantallen mensen evengoed de tocht door de woestijn maakten en er jaarlijks honderd of meer mensen door de ontberingen het leven lieten, hield de overheid vast aan haar beleid. ‘Op geen enkel moment is serieus overwogen om vanwege die consequenties de teugels aan de grens te laten vieren,’ erkent Meissner. Met andere woorden: alles bleef bij het oude, in de wetenschap dat er migranten om het leven kwamen.

    De grenspolitie beroept zich geregeld op de zoekacties die ze uitvoeren, om te laten zien dat ze in zekere zin een humaan beleid voeren. Maar dat is net zoiets als brandweerlieden die een bedankje willen omdat ze een brand hebben geblust die hun eigen baas heeft aangestoken. Doordat ik een training kreeg als ambulancebroeder, kon ik me vastklampen aan de gedachte dat ik de migranten hielp, en zo kon ik mijn ogen sluiten voor het feit dat ik deel uitmaakte van een systeem dat hen de dood in dreef. Dergelijke redeneringen verhullen ook de wreedheid van de grenspolitie: ik heb meegemaakt dat agenten groepen migranten over een verlaten gebied verspreidden en hun watervoorraad vernietigden, handelingen die ook uitvoerig zijn beschreven door mensenrechtenorganisaties.

    CNN bracht onlangs aan het licht dat de grenspolitie een lager aantal sterfgevallen onder migranten heeft geregistreerd dan in werkelijkheid het geval was

    Het zerotolerancebeleid van de huidige regering stoelt op dit idee van afschrikking. In een interview op Fox News legde Laura Ingraham minister Sessions het vuur na aan de schenen. Op haar vraag of kinderen van hun ouders werden gescheiden met de bedoeling mensen te ontmoedigen de grens over te steken, erkende hij uiteindelijk: ‘Ja, hopelijk komt de boodschap nu over.’

    De regering heeft laten weten dat zelfs dit beleid ‘humanitair’ is, deels omdat het toekomstige migranten ervan kan weerhouden hun kinderen deze gevaarlijke tocht te laten ondernemen. Daarmee wordt voorbijgegaan aan bewijs dat gedurende vele decennia is vergaard: ongeacht de hel die migranten moeten doorstaan om de grens over te steken, zullen ze de gok wagen om te kunnen ontsnappen aan de concretere dreiging van geweld in hun thuisland, om zich te herenigen met hun gezin of om in ieder geval iets van economische zekerheid te verwerven.

    Beleidsmakers gaan er ook aan voorbij dat een strengere grensbewaking vrijwel altijd de netwerken van mensensmokkelaars, die vaak aan een kartel zijn verbonden, in de kaart speelt. Die zien het als een kans om de prijs op te drijven en kwetsbare migranten over te halen een nog riskantere oversteek te wagen om maar niet gepakt te worden.

    Jason de León, die aan het hoofd staat van het Undocumented Migration Project, zegt dat de overheid immigranten zonder papieren ziet als ‘mensen wier leven geen enkele politieke of sociale waarde heeft’ en ‘mensen wier dood weinig tot niets betekent’. Deze devaluatie van het leven van migranten is geen kwestie van retoriek: CNN bracht onlangs aan het licht dat de grenspolitie een lager aantal sterfgevallen onder migranten heeft geregistreerd dan in werkelijkheid het geval was. In de officiële overzichten van meer dan zesduizend doden in zestien jaar zijn zeker vijfhonderd sterfgevallen weggelaten – er worden dus letterlijk levens uitgevaagd.

    Kritiek punt

    De logica van afschrikking verschilt niet zo veel van de logica van oorlogsvoering: de grens is erdoor veranderd in een gebied waar de uitzonderingstoestand geldt, een gebied waar de kwetsbaarste mensen op aarde de dood vinden of verdwijnen, een gebied waar kinderen worden losgerukt van hun ouders om een boodschap af te geven: je bent hier je leven niet zeker. In die zin heeft de situatie aan de grens een kritiek punt bereikt – niet vanwege de criminaliteit, maar vanwege de minachting voor het menselijk leven.

    We mogen niet wegzakken in onverschilligheid. In de nasleep van de hevige protesten tegen het uiteenrukken van gezinnen, die in het hele land hebben geklonken, is het nu van wezenlijk belang dat we onze woede richten op het barbaarse beleid dat dit mogelijk heeft gemaakt.

    Auteur: Francisco Cantú
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Francisco Cantú studeerde Internationale Betrekkingen en ging daarna in dienst bij de US Border Patrol, als tweetalige grenswacht van Mexicaanse komaf. Hij moest uitgeputte en uitgedroogde landgenoten detineren, wanhopige mannen, vrouwen en kinderen. Hij moest drugspartijen onderscheppen en dode lichamen bergen. Totdat hij er psychisch niet meer tegen kon en ontslag nam. Over zijn ervaringen aan de grens schreef hij The Line Becomes a River, Dispatches from the Border, in het Nederlands vertaald door Molly van Gelder (De streep wordt een rivier. Berichten van de grens) en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep.

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 571.500

    Krant der kranten. Won meer Pulitzerprijzen dan enig ander medium. Motto: ‘All the news that’s fit to print.’

  • Mexico’s perfecte storm

    Mexico’s perfecte storm

    De Mexicaanse staat schudt op zijn grondvesten. Reden: een binnenlandse crisis veroorzaakt door regeringspartij PRI, en een buitenlandse crisis veroorzaakt door Donald Trump.

    Er lijkt zwaar weer op komst voor de Mexicaanse staat. Binnenslands neemt de crisis rondom het vraagstuk van veiligheid toe, rijzen de corruptieschandalen de pan uit en worden tegelijkertijd de justitiële en politionele instellingen doelbewust ondermijnd, waardoor het wankele staatsapparaat nog meer op lemen voeten komt te staan. En buitenslands is er Donald Trump, die zijn vijandige houding tegenover Mexico nog verder heeft aangescherpt met zijn dreigement de Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst (NAFTA) op te zeggen en Mexico almaar de schuld blijft geven van de talloze drugsdoden die de VS teisteren.

    Het samenvallen van een binnenlandse politieke crisis met een buitenlandse dreiging is een verschijnsel dat zich sinds de tijd van Lázaro Cárdenas del Río (Mexicaans president van 1934 tot 1940) en de daaropvolgende periode van de Tweede Wereldoorlog niet meer heeft voorgedaan. Toentertijd werd de binnenlandse politieke en economische crisis te lijf gegaan door een nog krachtig autoritair regime, dat gesteund werd door de Amerikaanse regering, die beducht was voor de internationale consequenties van een ineenstortende Mexicaanse staat. Maar nu wordt de regering van de PRI (Partido Revolucionario Institucional – Institutioneel Revolutionaire Partij) geconfronteerd met een Noord-Amerikaanse president die zich alleen bekommert om zijn eigen imago en niet in staat is de gevolgen van zijn daden te voorzien.

    Legitimiteit

    De buitenlandse dreiging zou het hoofd geboden kunnen worden als de huidige regering niet voortdurend bezig was de interne politieke polarisatie aan te wakkeren, in een poging een onderzoek naar haar corruptiepraktijken af te wenden. Het recente besluit van de president om de speciale aanklager inzake verkiezingsdelicten, Santiago Nieto, te ontslaan, alsmede zijn weigering om een openbare aanklager belast met corruptiezaken aan te stellen en een nieuwe procureur-generaal der Republiek te benoemen, zijn stuk voor stuk maatregelen die de doodsteek geven aan een rechtsstelsel dat in wezen toch al eerder fictief dan reëel is. Laten we niet vergeten dat 98 procent van de misdaden in Mexico onbestraft blijft en dat misdaden tegen de menselijkheid, zoals ontvoeringen, en niet te vergeten corruptie, gewoon nooit bestraft worden. Een regering die weigert een effectief rechtsstelsel op te zetten verliest haar legitimiteit, niet alleen ten opzichte van haar eigen onderdanen, maar ook tegenover de rest van de wereld, juist op een moment dat hulp van buitenaf onmisbaar is om de dreiging van een onvoorspelbare Noord-Amerikaanse regering het hoofd te bieden.

    De regering van Enrique Peña Nieto heeft zich ten doel gesteld het project dat president Carlos Salinas vijfentwintig jaar geleden inzette – een neoliberaal model van economische integratie met de Verenigde Staten – nieuw leven in te blazen, maar met behoud van de politieke macht in handen van de autoritaire PRI-elite. De relatieve – en trage – democratisering van het land gedurende de beginfase van het neoliberale project (getolereerd als instrument om het maatschappelijk protest in de hand te houden) liep in het jaar 2000 spaak en zorgde voor een wisseling van de presidentiële macht. Maar de PRI slaagde erin tijdens de opeenvolgende regeringen van de PAN (Partido Acción Nacional – Nationale Actiepartij) een vetomacht in het parlement te handhaven, en aangezien de PAN meewerkte aan het neoliberaal project en geen eigen democratisch project had, werd in essentie het beleid van het oude regime voortgezet, onder de discrete dekmantel van de zogenaamde ‘electorale democratie’.

    Enrique Pena Nieto – © AP
    Enrique Pena Nieto – © AP

    De regering van Peña Nieto heeft zich ten doel gesteld de aarzelende stappen voorwaarts die tijdens de democratische lente van begin deze eeuw werden gezet teniet te doen: de ontmanteling van onafhankelijke instituties die vrije verkiezingen, los van enige partijmacht, dienden te garanderen en die moesten zorgen voor transparantie in de uitoefening van het openbaar bestuur. De instituties die zorg moeten dragen voor transparantie kunnen vanwege het ontbreken van een effectief rechtsstelsel geen vuist maken om hervormingen door te voeren. De instituties die vrije verkiezingen dienen te garanderen zijn volledig in de macht van de PRI, met name het Federaal Electoraal Tribunaal, dat brutaalweg de frauduleuze gouverneursverkiezingen van dit jaar heeft goedgekeurd. Concreet: de verkiezingen in de deelstaat Mexico waren een proeve op grote schaal van hoe bestuurlijke macht kan worden ingezet om massaal stemmen op te kopen en ongestraft een systeem van algeheel cliëntelisme door te voeren.

    De PRI maakt het niet uit of ze het land te gronde richt – als ze maar overleeft

    Dat is de reden waarom de regering van Peña Nieto aan het eind van haar mandaat is verwikkeld in het schandaal (want dat is het) van een regelrechte terugkeer naar de oude electorale ondeugden van het autoritair bewind en de feitelijke ontmanteling van de rechtsstaat waartoe de burgermaatschappij de afgelopen jaren de aanzet heeft gegeven. De PRI neemt deze vermetele stappen omdat in 2018 niet alleen haar bestaan als politieke partij op het spel staat, maar ook haar president en de kliek om hem heen gevaar lopen vervolgd te worden voor de corruptieschandalen waarbij ze betrokken zijn. De PRI keert terug naar haar oorsprong om op de oude manier de verkiezingen te winnen die ze, als ze volgens de wet werden gehouden, onherroepelijk zouden verliezen. De PRI maakt het niet uit of ze het land te gronde richt – als ze maar overleeft.

    Auteur: Alberto J. Olvera
    Vertaler: Jos den Bekker

    Alberto J. Olvera is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Instituut voor Sociaal Historisch Onderzoek van de Universiteit van Veracruz.

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Politiek links georiënteerd, maar kritisch ten opzichte van de Spaanse socialisten.

  • Joseph Stiglitz: ‘De euro heeft niet de beloofde welvaart gebracht’

    Joseph Stiglitz: ‘De euro heeft niet de beloofde welvaart gebracht’

    In zijn nieuwe boek veegt Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz de vloer aan met de euro. Om de muntunie te redden zou het volgens hem goed zijn als sommige landen de eurozone verlaten.

    Keuze uit het archief

    Met ingang van 1 januari 2026 is Bulgarije toegetreden tot de eurozone. Daarmee hebben nu 21 van de 27 EU-landen de euro als betaalmiddel. Maar is dat wel zo positief? Niet als je het aan de econoom en analist Joseph Stiglitz vraagt. In dit interview van Le Monde van tien jaar geleden legt hij uit waarom de eurozone gebaat is bij minder leden.

    Een hoog werkloosheidscijfer, lage groei, groeiend populisme: volgens Nobelprijswinnaar economie Joseph Stiglitz draagt de euro schuld aan de ergste kwalen van de eurozone van dit moment. Als er niets verandert, voorspelt hij, zal de eenheidsmunt de lidstaten in een impasse drijven. In zijn onlangs verschenen nieuwe boek, De euro. Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt, bespreekt hij welke hervormingen de muntunie mogelijk zouden kunnen redden. Daarbij schuwt hij het taboe niet van een ‘scheiding in goed overleg’ tussen de Unie en sommige lidstaten.

    U beschrijft de euro als een economische mislukking. Welke fouten hebben we gemaakt?

    ‘De weeffouten in de eenheidsmunt zitten er al in sinds de invoering. In 1992 dacht Europa dat een muntunie, waarbinnen de landen hun eigen economie niet meer via wisselkoersen en het renteniveau konden beïnvloeden, kon werken als de regeringen hun overheidsfinanciën maar op orde hielden en de inflatie in toom hielden. Ze voerden strenge begrotingsregels in en riepen een centrale bank in het leven die de prijzen moest bewaken. De markt, dachten ze, zou het evenwicht wel bewaren. Maar ze hadden het mis. De euro heeft niet de beloofde welvaart gebracht, maar in plaats daarvan tot verdeeldheid en ongelijkheid geleid. En toen de crisis toesloeg, ging het van kwaad tot erger.’

    ‘De Europese begroting moet veel ambitieuzer worden dan de huidige’

    Waarom?

    ‘Tijdens de crisis konden de zuidelijke eurolanden hun munt niet meer devalueren om hun export aan te jagen en zo hun economie te ondersteunen. In plaats daarvan moesten ze, om toch nog concurrerend te blijven, snijden in de salarissen, terwijl de werkloosheid explodeerde. Jonge hogeropgeleiden hadden geen andere keus dan massaal te emigreren, wat deze landen van hun kostbaarste bezit beroofde. Gedwongen door hun strakke begrotingen stopten deze regeringen vervolgens met nog in infrastructuur en onderwijs te investeren en trokken daarmee een wissel op hun toekomstige groei. Deze vicieuze cirkel moet hoognodig worden doorbroken.’

    De eurozone heeft sinds het uitbreken van de crisis haar instellingen versterkt, vooral door het invoeren van een bankenunie. Is dat niet voldoende?

    ‘Jawel. Maar de derde pijler van die bankenunie, het depositogarantiestelsel, is er bijvoorbeeld nog niet. Sommige landen schrikken ervoor terug om het in te voeren. Maar hoe langer de eurozone wacht met het doorvoeren van dergelijke noodzakelijke hervormingen, hoe groter het risico op een nieuwe crisis wordt. En als die er komt, zullen landen sneller de eurozone verlaten.’

    Wat zou er allereerst moeten gebeuren?

    ‘De bankenunie compleet maken en een garantiestelsel voor overheidsschulden invoeren. Maar ook moet er een Europees solidariteitsfonds komen ter bevordering van de stabiliteit, dat landen helpt die in een recessie dreigen te raken. Er bestaat momenteel ondersteuning voor landen die zich aansluiten bij de Europese Unie. Waarom zou je die landen opeens niet meer ondersteunen als ze eenmaal binnen zijn? Tot slot is het essentieel om de begrotingsregels te versoepelen, zodat landen niet langer gedwongen worden om tijdens een recessie in hun toekomstige uitgaven te snijden.’

    U roept op om de overheidsuitgaven te verhogen. Waar moet dat geld vandaan komen?

    ‘Je kunt niet heen om een veel ambitieuzere Europese begroting dan de huidige. De inkomsten daarvoor zouden kunnen komen uit een kleine progressieve belasting voor particulieren en bedrijven. Dat zou een dubbel voordeel bieden: er komen Europese belastinginkomsten binnen, en tegelijk wordt er geharmoniseerd hoe er nu in de verschillende lidstaten mee omgegaan wordt. Dat zou ook helpen om de fiscale concurrentie, waar vooral Ierland en Luxemburg zich schuldig aan maken, terug te dringen. Verder maakt een Europese belastinggrondslag de uitgifte van Europese obligaties geloofwaardiger.’

     


    Europese obligaties uitgeven op het moment dat regeringen zo weinig vertrouwen in elkaar hebben klinkt utopisch…

    ‘Het argument van het gebrek aan vertrouwen tussen landen is een slecht excuus. Je kunt prima zulke obligaties uitschrijven, zolang je maar regels opstelt die budgetoverschrijdingen beperken en verstandig beheer van de overheidsfinanciën door lidstaten garanderen.’

    Wat is het probleem met de Europese Centrale Bank?

    ‘Het mandaat van de bank – ervoor zorgen dat de inflatie niet boven de grens van twee procent uitkomt – is te zwak. Dat heeft tot enorme fouten geleid, zoals in 2011, toen die op het hoogtepunt van de crisis het rentetarief verhoogde. De missie van de ECB zou moeten worden uitgebreid met groei en werkgelegenheid, waarbij een grote flexibiliteit mogelijk moet zijn om van moment tot moment te reageren. Op dit moment zou bijvoorbeeld de prioriteit moeten liggen bij het omlaag brengen van de werkloosheid.’

    U heeft het over de mogelijkheid van een ‘scheiding in goed overleg’ tussen lidstaten. Hoe zou die in zijn werk gaan?

    ‘Een vertrek uit de eurozone van een lidstaat zou, zolang het maar goed geregeld is, relatief pijnloos kunnen verlopen. Daarbij zijn meerdere scenario’s denkbaar. Als Duitsland uittreedt, dan daalt voor de andere lidstaten de euro vanzelf in waarde, wat hun export een impuls zou geven. Duitsland zou in dat geval profiteren van zijn sterkere munt, waardoor de schuldenlast – die dan nog steeds in euro’s is – vermindert. Als een land als Griekenland de eurozone verlaat, stort meteen de waarde van de nationale munt in – waardoor dat land veel concurrerender wordt. De hoogte van de overheidsschuld, nog steeds in euro’s, zou daarentegen door het plafond gaan. Een herstructurering van de schuld wordt dan onvermijdelijk: maar als dit goed uitonderhandeld wordt, levert het geen al te grote problemen op. Het voorbeeld van Argentinië laat zien dat het een land, wanneer het van zijn schuldenlast bevrijd is en zijn wisselkoers weer zelf kan bepalen, economisch opeens voor de wind kan gaan.’

    Maar Argentinië zit juist aan de grond!

    ‘Vanaf het moment dat Argentinië zichzelf in 2002 failliet verklaarde en weer vanaf nul begon, maakte het een sterke groei door, van wel acht procent per jaar. Die hield aan tot 2008. De problemen waar het land nu in zit hebben te maken met het rampzalige economisch beleid dat daarna is gevoerd.’

    Wordt een land dat de eurozone verlaat niet altijd onmiddellijk door speculanten aangevallen?

    ‘De eurozone wordt inderdaad voortdurend door speculanten bedreigd. Als bij het referendum over de grondwetswijziging in Italië van dit najaar het Nee gaat winnen, dan zullen speculanten de verzwakte banken van dat land waarschijnlijk genadeloos aanvallen. Maar er bestaan instrumenten om ze tegen zulke aanvallen te beschermen, bijvoorbeeld door de kapitaalpositie van deze banken te controleren. Dat deed IJsland in 2008 om zijn munt te beschermen, en de economie van dat land staat er nu goed voor.’

    ‘Contant geld is zoiets twintigste-eeuws! In veel landen, vooral in Noord-Europa, is het al bijna helemaal verdwenen’

    U vindt dat wanneer Griekenland de eurozone verlaat, het land een elektronische munt zou moeten voeren. Gaat dat werken, in een land waar contant geld nog koning is?

    ‘Contant geld is zoiets twintigste-eeuws! In veel landen, vooral in Noord-Europa, is het al bijna helemaal verdwenen. Consumenten betalen contactloos, bedrijven boeken geld over… Gewoontes op dat vlak veranderen razendsnel. De overgang naar een elektronische munt in Griekenland, net als in heel Europa, zou de traceerbaarheid van financiële transacties een stuk eenvoudiger maken. Dat beperkt de mogelijkheden van fraude en belastingontwijking.’

    De Brexit is een eerste test hoe een scheiding zou kunnen verlopen. Hoe kan een Britse uittreding uit de Europese Unie het beste worden geregeld?

    ‘Er bestaat het risico dat men de scheiding voor Groot-Brittannië erg pijnlijk zal willen maken, zodat het Britse voorbeeld andere landen zal afschrikken die met het idee van uittreding spelen. Maar dat zou betekenen dat de Europese Unie verder door angst bijeengehouden wordt in plaats van door solidariteit. Dat zou een erg slecht signaal afgeven. De Europese leiders kunnen beter een nieuwe vorm van economische integratie met de Britten zoeken, waarbij aan ieders belangen gedacht wordt en waar iedereen van profiteert. Gebeurt dat niet, dan eindigen we allemaal als verliezer.’

    Naast een scheiding in goed overleg noemt u ook de mogelijkheid van een ‘flexibele euro’. Hoe zou die functioneren?

    ‘Het idee zou zijn om in de muntunie een pauze in te lassen, zodat er tijd is om hervormingen door te voeren die de levensvatbaarheid van de eenheidsmunt vergroten. Er worden dan tijdelijk binnen de eurozone drie of vier homogene groepen van landen gecreëerd, die ieder een andere euro gebruiken, elk met een andere wisselkoers. Zodra de hervormingen zijn doorgevoerd, gaan ze weer over op dezelfde munt, maar dit keer onder voorwaarden waarbij aan de welvaart van alle landen is gedacht.’

  • Rusland stevent af op politieke crisis

    Rusland stevent af op politieke crisis

    Welke kant gaat Rusland op? Krijgt het land meer democratie of schiet het in een totalitaire kramp? Duidelijk is in elk geval dat het huidige systeem op ontploffen staat, schrijft mensenrechtenactivist Lev Ponomariov.

    Onafhankelijke deskundigen hadden het al voorspeld: de economische crisis, die voornamelijk wordt veroorzaakt door de gedaalde olieprijs, een agressieve buitenlandpolitiek, internationale sancties en Russische contrasancties, zal in 2016 nog niet voorbij zijn. En inderdaad neemt de inflatie toe, dalen de ambtenarensalarissen, zijn de bejaardenpensioenen te laag geworden om de basisbehoeften van te kunnen betalen en wordt de kloof tussen de rijken en de armen, waarvan er steeds meer zijn, alsmaar groter. De overheid blijkt niet in staat te zijn om deze problemen aan te pakken. Dat belooft een golf aan maatschappelijke protesten op te leveren.

    Keuze uit het archief

    Op vrijdag 7 oktober ontving de Russische burgerrechtenorganisatie Memorial, samen met de Oekraïense organisatie Center for Civil Liberties en de Belarussische mensenrechtenactivist Ales Bialiatski, de Nobelprijs voor de Vrede. Lev Ponomariov was betrokken bij de oprichting van Memorial en zet zich al decennia in voor de bescherming van de mensenrechten in het land van Vladimir Poetin. In 2016 publiceerde Moskovskij Komsomolets, de op een na grootste krant van Rusland, een opiniestuk van de mensenrechtenactivist.

    Het land begint wakker te worden. Om dat te constateren hoef je alleen maar te kijken naar de manier waarop maatschappelijke organisaties zich organiseren in de strijd tegen bepaalde illegale besluiten van de autoriteiten – bijvoorbeeld tegen de stedelijke verdichting en het opheffen van groenstroken ten gunste van Moskouse projectontwikkelaars. Daarbij gaat het niet alleen om het recht van de Moskovieten op gezonde lucht, maar meer in het algemeen om het recht van burgers 
om tegen willekeur te strijden. Deze kwestie is onlangs aan de orde geweest in de Mensenrechtenraad van het Kremlin [een adviesraad van Poetin].

    Waaraan het ook te merken is: parlementsleden, economen en ondernemers komen steeds openlijker met kritiek. De voornaamste informatiekanalen blijven voor politieke tegenstanders ontoegankelijk, maar het lukt ze wel om hun stem te laten horen via sommige media die nog vrij kunnen opereren en via de sociale netwerken. Opvallend genoeg zijn de afwijkende geluiden soms ook afkomstig van 
regeringsleden en deskundigen die dicht bij de macht staan.

    De spanning zal alleen maar verder oplopen met de komende electorale cyclus van parlementsverkiezingen in 2016 en presidentsverkiezingen in 2018. Die vormen een cruciale test, zowel voor de regering als voor de samenleving. Wat kunnen we verwachten en waarop moeten we voorbereid zijn? Net als mijn activistische collega’s streef ik in deze roerige tijden diepgaande veranderingen na, maar dan wel zonder bloedvergieten. Want aan bloedige scenario’s is geen gebrek. Verblind door de macht van de grote getallen voorspellen sommigen voor 2017 zelfs een nieuwe gewapende revolutie.

    Regering

    Maar met welke krachten hebben we op dit moment te maken? Allereerst is er de regering. Die heeft als doel: zichzelf beschermen. Daarvoor is er de keuze uit twee strategieën. Enerzijds kun je uit angst voor een ‘oranjerevolutie’ steeds repressiever worden. Sinds 2012 zijn 
er wetten aangenomen die allerlei vrijheden en protestvormen inperken. De zaak Ildar Dadin, de eerste man in de geschiedenis van post-Sovjet-Rusland die vreedzaam demonstreerde en om die reden in de gevangenis belandde, 
is hiervan een duidelijk voorbeeld. Verder zal binnenkort een wet worden aangenomen die de veiligheidsdiensten meer ruimte geeft om gewapend of met geweld tegen burgers op te treden. 
Tegelijk worden er maatregelen genomen om maatschappelijke organisaties uit besluitvormingsorganen te verwijderen: via diverse amendementen zijn de commissies van toezicht op de gevangenissen opgeheven. De wet op de ‘buitenlandse agenten’ die al langere tijd van kracht is, heeft ervoor gezorgd dat tientallen, zo niet honderden ngo’s moesten stoppen. Het aantal strafrechtelijke vervolgingen wegens ‘extremisme’ neemt sterk toe. Daarbij gaat het in feite niet om echte oproepen tot geweld, maar vooral om kritiek, zelfs al is het maar een like of het delen van een bericht op de sociale media.

    Maar omdat wel duidelijk is dat repressie alleen onvoldoende is om de protesten te smoren, probeert de regering anderzijds ook de meest actieve delen van de oppositie te manipuleren. Ze doen alsof ze via zogenaamde vernieuwing van de elites de corruptie bestrijden. Dat biedt wettelijk enige manoeuvreerruimte aan bepaalde critici die zowel door het Kremlin als door de oppositie worden gesteund, maar door het radicale deel van de oppositie worden gehekeld. Toch ligt het volgens mij allemaal niet zo simpel. Want als het aantal critici onder de sympathisanten van de regering en binnen het Kremlin groot genoeg wordt, dan zou er een kritische massa kunnen ontstaan die de situatie mogelijk zelfs doet kantelen. Laten we niet vergeten dat het Democratisch Platform van de CPSU [de Communistische Partij van de Sovjet-Unie] in soortgelijke omstandigheden is ontstaan en vervolgens een beslissende rol speelde in de vreedzame democratische revolutie aan het eind van de jaren tachtig.

    Werkneemsters van een Russische borstelfabriek. De overheid blijkt niet in staat de economische problemen op te lossen. – © Sergey Maximishin / HH
    Werkneemsters van een Russische borstelfabriek. De overheid blijkt niet in staat de economische problemen op te lossen. – © Sergey Maximishin / HH

    Aan de andere kant staat de oppositie, die momenteel in twee hoofdstromingen verdeeld is. De ene stroming wil dat Rusland een open Europees land blijft, dat bereid is tot samenwerking met zijn westerse buurlanden en tot het bevorderen van de democratie op zijn grondgebied. De andere stroming hangt het idee aan dat Rusland zijn problemen kan oplossen door een totalitaire staat met een gesloten economie te worden en door de geldpers aan te zetten als dat nodig is om de op de wapensector draaiende industrie te steunen. Daarmee zou meteen ook het corruptieprobleem zijn opgelost. Want uiteraard wordt door de angst voor het executiepeloton de corruptie dan uitgeroeid 
of in ieder geval sterk verminderd. Grosso modo was dit ook het plan dat de coupplegers van het Staatscomité voor de Noodtoestand in 1991 hadden uitgebroed. Wat een prachtige gelegenheid om wraak te nemen voor hun mislukte coup. Maar dan zou Rusland wel 
veranderen in een soort Noord-Korea.

    Er zijn al veel maatregelen genomen om het land te isoleren, maar of het definitief die kant op gaat is niet zeker. De regering schuift de beslissing voor zich uit en speelt een gevaarlijk spel. Enerzijds versterkt het Kremlin het isolationisme en beschermt het de corrupte bovenlaag. De overgrote meerderheid van de bevolking is zorgvuldig op dit scenario voorbereid, doordat men compleet wordt gehersenspoeld, met name via de televisie: ‘de vijand is overal’, dat werk. Anderzijds krijgen we via diezelfde televisie beelden voorgeschoteld van Poetin in gesprek met Kerry en horen we daarbij dat Amerika een ‘partner’ van Rusland is. Vervolgens kondigt de minister van Economische Zaken aan dat de Amerikaanse banken zouden kunnen deelnemen in toekomstige privatiseringen. De regering doet alsof ze met haar tijd meegaat en weet zo een aantal tegenstanders over de streep te trekken om het beleid van Vladimir Poetin te steunen.

    De oppositie is verdeeld in een “westerse” en een isolationistische stroming

    Voor mij en vele anderen is wel duidelijk dat er geen enkele substantiële verbetering mogelijk is zonder het 
politieke systeem omver te werpen. 
En dat zal alleen gebeuren als de mensen de straat opgaan. Het besef begint al bij ze door te dringen ‘dat dit geen leven is’, ze eisen verandering. Dit doet erg denken aan de situatie aan het eind van de jaren tachtig, toen de hervormingsgezinde krachten binnen de CPSU terrein begonnen te winnen. Dat was destijds het echte begin van de perestrojka. Omdat er tegenwoordig twee tegenovergestelde richtingen binnen de oppositie zijn, zal de toekomst van Rusland worden bepaald door de stroming die de publieke opinie voor zich weet te winnen. Het Kremlin geeft natuurlijk alle steun aan de isolationistische stroming.

    Het komt er dus op neer dat een politiek-economische crisis onvermijdelijk is. De huidige leiders van Rusland zullen moeten aftreden. Ze moeten nu kiezen met wie ze willen samenwerken om de overgang zo pijnloos mogelijk te laten verlopen, zowel voor henzelf als voor het land. Mochten de democraten aan de macht komen, dan moeten de onttroonde politieke leiders niet worden vervolgd, dat is in een democratie niet gebruikelijk. Voorlopig heeft vooral de antidemocratische oppositie, die ijvert voor ‘de harde hand’ en ‘de eigen Russische weg’, voordeel van het beleid van het Kremlin. Maar met onttroonde leiders zal die natuurlijk weinig consideratie hebben.
    Rusland heeft op zijn pad dus nog heel wat lastige hobbels te nemen. Maar dat pad is voor alle Europese landen lang en moeilijk geweest. En ook Rusland verdient het om even welvarend te worden als zij.

    Auteur: Lev Ponomariov
    Vertaler: Tess Visser

    Moskovski Komsomolets
    Rusland | dagblad | oplage 1.160.000

    Naar het sensationele neigend dagblad waar tussen de lichte en soms schunnige onderwerpen belangrijk nieuws is te vinden.

    lev ponomaryov

    Wie is Lev Ponomariov?

    Lev Ponomariov werd in 1941 geboren in Tomsk. Hij was democratisch afgevaardigde van 1990 tot 1996, in 1988 betrokken bij de oprichting van burgerrechtenorganisatie Memorial, lid van de oppositiebeweging Een Ander Rusland en directeur van mensenrechtenorganisatie Za Prava Tsjeloveka. Die laatste is door de Russische minister van Justitie onlangs op de lijst van ‘buitenlandse agenten’ gezet, op grond van de in 2013 aangenomen Russische wet op ngo’s die ‘politiek actief zijn en geld uit het buitenland ontvangen’.

  • Komt er een nieuwe beurskrach?

    Komt er een nieuwe beurskrach?

    Staan we aan de vooravond van een nieuwe crisis? Philip Aldrick van de Engelse Times is er bang voor. Maar volgens zijn landgenoot Roger Bootle (The Telegraph) zal het zo’n vaart niet lopen.

    JA

    De markt is in paniek. Economen, presidenten van centrale banken, politici, topbankiers en vooraanstaande mensen uit het bedrijfsleven mogen er dan van overtuigd zijn dat de fundamenten van de economie geen paniekverkopen rechtvaardigen, daar trekt de markt zich niets van aan.

    De markt is bang voor, om met Rumsfeld te spreken, de ‘bekende onbekende zaken’ en de ‘onbekende onbekende zaken’. In een wereld waar niemand volledig de risico’s begrijpt, hebben overheden en centrale banken geen munitie meer en gaat angst zichzelf voeden. Geen enkele investeerder wil de laatst overgeblevene zijn. Dus gaan ze met z’n allen naar de uitgang en halen ondertussen het gebouw omver.

    Er is veel om ons zorgen over te maken. De wereld ziet er tegenwoordig gevaarlijker uit dan ooit. De gezamenlijke mondiale schuld is in de acht jaar sinds 2007 van ongeveer 110.000 miljard dollar gestegen tot 140.000 miljard dollar, waarvan ongeveer de helft voor rekening komt van opkomende markten, terwijl het IMF schat dat de particuliere sector voor het exorbitante bedrag van 3300 miljard dollar heeft geleend.

    De ontwikkelingslanden hebben een kwart van hun gezamenlijke schuld bij olie- en mijnbouwondernemingen, veelal in dollars. De olieprijs is sinds juni 2014 zeventig procent gedaald en de goederenprijs met vijfenveertig procent. Omdat de inkomsten dramatisch zijn teruggelopen, is de valutamarkt ook ingestort, waardoor die dollarschulden nog lastiger af te lossen zijn.

    Al na een snelle blik op wat er in de markt gebeurt kun je zien dat dat argument geen steek houdt en dat het heel gevaarlijk kan uitpakken

    Verliezen en betalingsproblemen zijn onvermijdelijk en zullen zich via de financiële markt afwentelen op de ontwikkelde landen. Hoe ernstig die gevolgen zullen zijn weet niemand, maar er wordt al openlijk gesproken over crises in Brazilië en Turkije. Dat zijn de ‘bekende onbekende zaken’.

    Maar wat de handelaren echt schrik aanjaagt is wat hierna komt. Sinds Lehman Brothers hebben beleidsmakers, en centrale banken in het bijzonder, de wereld veranderd. De schuldenzeepbel van de opkomende markten werd deels verder opgeblazen in een bewuste poging meer krediet in de mondiale economie te stoppen door een kwantitatieve versoepeling en zeldzaam lage rentepercentages.

    Omdat centrale banken probeerden de groei te stimuleren, hebben ze ook fundamenteel de manier veranderd waarop krediet wordt verstrekt. Met de invoering van strengere bankregels verplaatste het krediet zich naar ‘schaduwbanken’ – aan weinig regels gebonden vermogensbeheerders en hedgefondsen. ‘Sinds de crisis is bijna al het netto krediet afkomstig van de obligatiemarkten,’ aldus Mark Carney, de president van de Bank of England. Precies op het moment dat de obligatiemarkten met zestig procent explosief stegen tot 74.000 miljard, weerhielden nieuwe regels banken ervan zich op de markt te begeven, te bemiddelen tussen kopers en verkopers. Als een hedgefonds tegenwoordig assets van de hand wil doen, is het veel moeilijker om een koper te vinden. Ten gevolge daarvan kelderen de prijzen.

    Market makers

    In de huidige periode van lage rentes hebben de schaduwbanken zich met z’n allen op de zeer winstgevende assets gestort en daarmee een correlatierisico gecreëerd. De afgelopen tien jaar hebben beleggingsfondsen bijvoorbeeld hun aandeel in de snel toenemende junkbondmarkt verdubbeld tot dertig procent. De vrees bestaat dat ze tegelijkertijd hun geld zullen terugeisen, zodat de prijzen dramatisch zullen dalen, wat dan weer andere markten zal besmetten. Centrale banken maken zich zo veel zorgen dat ze er al over praten om te gaan optreden als ‘market makers in de rol van laatste redmiddel’. Dat idee is een uitbreiding van de traditionele rol als noodkredietverstrekker aan banken zoals Northern Rock en brengt met zich mee dat ze riskante assets zoals junkbonds op hun balans opnemen, wat ook risico’s voor de belastingbetaler betekent.

    Voorlopig is dat nog theorie. Centrale banken zijn er niet op ingericht om als laatste redmiddel de markt op te gaan en dat maakt de handelaren nog benauwder. Als de markt vastloopt, en volgens handelaren zitten we daar niet ver vandaan, zullen centrale banken à l’improviste beleid moeten maken, net als in 2008.

    Laten we de traditionele banken niet vergeten. Er zouden nieuwe regels moeten komen om de belastingbetaler te beschermen door verliezen af te wentelen op obligatiehouders (de markt weer). Deze week kwam Deutsche Bank in het oog van de storm terecht. Zouden politici echt de reusachtige Duitse leenbank failliet laten gaan? Deutsche Bank is zo groot dat de ineenstorting daarvan van Lehman een vingeroefening maakt. Dat zijn de ‘onbekende onbekende zaken’ – de stijging in de marktfinanciering, een liquiditeitsprobleem, nieuwe bail-inregels voor de banken en een theoretische noodoplossing.

    Philip Aldrick is economieredacteur bij The Times. 
Tot 2013 vervulde 
hij diezelfde functie bij The Telegraph.
    Philip Aldrick is economieredacteur bij The Times. 
Tot 2013 vervulde 
hij diezelfde functie bij The Telegraph.

    Nu hebben centrale banken een nieuwe verklaring, namelijk dat de natuurlijke rentevoet lager is dan ooit vanwege fundamentele veranderingen in de mondiale economie. Het is een excuus voor permanent lage, of zelfs negatieve rentes. Al na een snelle blik op wat er in de markt gebeurt kun je zien dat dat argument geen steek houdt en dat het heel gevaarlijk kan uitpakken. Negatieve rentes versmallen de marges van de bank, waardoor ze nog zwakker worden. En hoe kan een markt nog functionerend genoemd worden als investeerders 6500 miljard dollar lenen aan overheden?

    Een redelijkere verklaring wordt wellicht gegeven door de Bank for International Settlements [Bank voor Internationale Betalingen], namelijk dat ‘rentecijfers dalen als de schuld toeneemt’. Door de rente steeds te verlagen, vergroten de centrale banken de problemen van de wereldeconomie door juist ‘de afhankelijkheid van het op schuld gebaseerde groeimodel dat aan de basis lag van de crisis’ te versterken. De markt maakt zich geen zorgen over de fundamenten. Ze zijn bezorgd dat als zich een probleempje voordoet, de vreemde nieuwe wereld die de centrale banken hebben gecreëerd, zo broos is dat die ineen kan storten.

    Auteur: Philip Aldrick
    Vertaler: Paul Bruijn

    The Times
    VK | dagblad, oplage | 404.000

    The Times verscheen voor het eerst in 1785 onder de naam The Daily Universal Register, maar wijzigde die naam al drie jaar later. Het was lange tijd de krant van het Britse establishment met grote politieke invloed, zeer gedegen, wars van sensatie en met wereldwijd een faam van zeer grote betrouwbaarheid (al valt daar wel iets op af te dingen – zo hield de krant in 1920 het antisemitische schotschrift 
De Protocollen van Zion aanvankelijk voor een authentiek document). Maar de alom geroemde journalistieke integriteit liep onherstelbare schade op toen de krant in 1981 als prestigeobject in handen viel van de Australische krantenmagnaat Rupert Murdoch en diens News Corp. Voormalig hoofdredacteur Harold Evans schreef een journalistieke bijbel over de toen nog iconische krant, Good Times Bad Times.

    NEE

    Vaste lezers kennen mij niet als een toonbeeld van optimisme. Maar midden in dat allesoverheersende doemdenken over de vooruitzichten van de wereldeconomie ben ik weliswaar niet echt optimistisch, maar toch ook weer niet zo pessimistisch als de financiële markten zijn.

    Hun doemdenken heeft de meeste commentatoren beïnvloed en zou een wereldwijde terugval kunnen veroorzaken in het vertrouwen in de echte economie, wat juist weer zou leiden tot dat waar de markten zich zo veel zorgen over maken.

    Hebben de markten gelijk dat ze bezorgd zijn? Naar alle waarschijnlijkheid kijken ze op een kille, berekenende, rationele manier naar de toekomst. Zij laten zich niet meevoeren op de golven van emotie waar mensen zich in hun normale leven door laten leiden. Dat schrijven de financiële handboeken tenminste voor.

    Toch weten we dat markten zich soms laten verleiden tot euforie. De vroegere voorzitter van de Fed, Alan Greenspan, heeft dat ooit hun ‘irrationele optimisme’ genoemd.

    Ze reageerden irrationeel optimistisch op de techaandelen tijdens de internethausse en later reageerden ze irrationeel optimistisch op de Amerikaanse vastgoedmarkt en de solvabiliteit van derivaten en verscheidene vormen van financiële constructies om risico’s uit het financiële systeem weg te toveren.

    Maar als de markten in staat zijn tot irrationeel optimisme zijn ze ook in staat tot irrationeel pessimisme. Dat is er volgens mij op dit moment aan de hand. Elk nieuwsbericht lijkt wel pessimistisch te worden geïnterpreteerd.

    De wereldeconomie nog steeds tussen de twee en drie procent per jaar

    Dus toen onlangs de Zweedse centrale bank de rentetarieven verlaagde in een poging de economie te stimuleren, werd dat geïnterpreteerd als een teken dat het nu echt heel slecht ging.

    Hetzelfde geldt voor iedere verlaging van de olieprijs. Net toen we dachten dat we weer uit het dal van de jaren 2008-2009 omhoog aan het kruipen waren, kregen we te maken met een reeks misleidend negatieve signalen.

    Waarop is het huidige doemdenken van de spelers op de markt en de commentatoren gebaseerd?

    Ik vermoed dat het deels een reactie is op het feit dat ze niet op de financiële crisis en de daaruit voortvloeiende ineenstorting van de productie hebben kunnen anticiperen. En nu willen ze niet nog een keer verrast worden.

    Maar als we op zoek gaan naar gefundeerde redenen voor het pessimisme in plaats van een psychologische analyse, denk ik dat de meeste mensen de problemen in China zullen noemen. Toch is het enige wat er in China gebeurt een verlaging van het groeitempo. Die vertraging heeft zich niet ontwikkeld tot een recessie en zoals het er nu naar uitziet, zal dat ook niet gebeuren. Sterker nog, verscheidene indicatoren wijzen erop dat de Chinese economie zich stabiliseert, zij het met een veel lager groeitempo dan enkele jaren geleden. Maar naast China, en deels ermee samenhangend, was er ook het probleem van de instorting van de olie- en goederenprijzen. Dat heeft ernstige schade toegebracht aan die bedrijven en die landen die dat produceren.

    Zwakte

    In principe zou het voordelen voor de consument moeten hebben opgeleverd, maar die voordelen zijn klein en zeer verspreid. Dus zelfs als al die voordelen bij elkaar opgeteld op hetzelfde bedrag uitkomen, hebben ze lang niet dezelfde impact. En er is een duidelijke symmetrie met betrekking tot solvabiliteit en kredietrisico.

    Veel bedrijven en zelfs enkele landen zouden door de val van de olieprijzen in de afgrond gestort kunnen worden, maar nergens zal een bankroet worden afgewend door het feit dat het inkomen van de olieconsument licht gestegen is. Toch zorgen de lage olieprijzen voor veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, voor een stevige opleving.

    Onlangs is een andere ingrediënt toegevoegd aan deze situatie: de gebleken zwakte van de grote banken. Die lijkt haar oorzaak te vinden in de nadelige consequenties van negatieve rentepercentages op de rentabiliteit van banken, in de consequenties die de banken ondervinden van die bedrijven en landen die verliezen hebben geleden door de val van de olie- en goederenprijzen, en de consequenties van de algehele zwakte van de wereldeconomie.

    Hoewel het bancaire systeem in verscheidene landen zwak is, is er sinds de crash ook veel vooruitgang geboekt. Verder laten de geld- en kredietcijfers niet zien dat het systeem als geheel in een crisis is beland. Bovendien groeit de wereldeconomie nog steeds tussen de twee en drie procent per jaar. Dat is weliswaar lager dan de groeipercentages van voor de crash van 2008-2009. De totaalvraag is sindsdien niet sterk genoeg gegroeid om de wereldeconomie zich weer te laten herstellen naar een normaal niveau. Maar de redenen daarvoor zijn andere dan algemeen wordt aangenomen.

    De Chinese terugval is maar één oorzaak, en voor Engeland zelfs niet zo’n belangrijke. De Britse export naar China groeit weliswaar snel, maar is nog klein. Ierland is voor ons een grotere markt dan China.

    Roger Bootle is een Brits econoom. 
Hij schrijft een wekelijkse column in de Daily Telegraph, en publiceerde verschillende boeken.
    Roger Bootle is een Brits econoom. 
Hij schrijft een wekelijkse column in de Daily Telegraph, en publiceerde verschillende boeken.

    Een belangrijke oorzaak van de zwakte in de wereldeconomie is de eurozone, waarvan het productieniveau nog steeds niet terug is op het peil van voor de crisis. Daartegenover zijn de productieniveaus van Engeland en de Verenigde Staten respectievelijk zeven en tien procent boven het peil van voor de crisis. De wereld zou er dus een stuk beter uitzien als het bbp van de eurozone dezelfde groei had vertoond als dat van de VS of van Engeland.

    Ook al was er vorig jaar een groei van anderhalf procent – wat relatief een goed resultaat was –, nu lijkt die groei weer te slinken.

    We weten allemaal waarom de eurozone zo zwak is. Het is een combinatie van de wurggreep op de zwakkere landen aan de randen van de EU veroorzaakt door een verlies aan concurrentiekracht, uitzonderlijk hoge schuldenniveaus en fiscale onmacht; de voortdurende neiging tot onderbesteding in Duitsland en Nederland; en de onmiskenbare structurele problemen in Frankrijk. De eerste twee zijn rechtstreeks het gevolg van de euro. Het wordt nu algemeen erkend dat de euro een economische ramp is voor Europa. Het wordt echter nog niet algemeen aanvaard dat de euro ook een belangrijke oorzaak is van de zwakte van de mondiale economie. De economie van de eurozone is groter dan die van China. Bovendien is het huidige overschot op de lopende rekening ook groter. Waarom benadrukken niet meer mensen de zwakte van de eurozone in plaats van die van China als de oorzaak van de kommer en kwel in de wereldeconomie?

    Dit specifieke onderdeel van de wereldproblemen zal echter waarschijnlijk niet snel worden opgelost. Misschien heb ik mezelf met dit betoog ook wel in de gelederen der pessimisten geschaard.

    Auteur: Roger Bootle
    Vertaler: Paul Bruijn

    The Daily Telegraph
    Verenigd Koninkrijk | dagblad, oplage 840.000

    Anti-Europees tot op het bot, strijdlustig en imagobewust, kortom: het conservatieve dagblad van Engeland op broadsheet. Samen met de Daily Mail is The Daily Telegraph, opgericht in 1855, de toonaangevende conservatieve krant van ‘Middle England’. De krant heeft als bijnaam ‘Torygraph’, vanwege haar hechte banden met de conservatieve partij.

  • Twee broers, één recept en een bittere breuk

    Twee broers, één recept en een bittere breuk

    De broers Fouad en Zouhair dreven jarenlang de beste falafelzaak van Libanon, die alle conflicten in het land overleefde. Tot ze een zakelijk geschil kregen. Nu hebben ze twee zaken, pal naast elkaar, en spreken ze niet meer met elkaar.

    Vroeger, toen Mustafa Sahyoun jr. in de falafelzaak van zijn oom Zouhair werkte, bracht zijn vader Fouad hem ’s middags wel eens in zijn bonkige Peugeot 304 naar zijn werk, schuddend over de met kogelgaten en granaatkraters bezaaide weg. In het niemandsland tussen Oost- en West-Beiroet werden de wegen onbegaanbaar door het puin van kapotgeschoten gebouwen en moest Mustafa te voet verder. Hij stapte uit de veilige Peugeot en zocht zijn weg over een verlaten, stoffig pad dat door de ‘Groene Grens’ liep, een lange strook verwoeste gebouwen die tussen 1975 en 1990, ten tijde van de Libanese Burgeroorlog, als enige bufferzone tussen de strijdende christelijke en islamitische partijen had gediend.

    Mustafa beschikte over een identiteitsbewijs waarmee hij langs de controlepost in de wijk Mathaf mocht. Hij hield een taxi aan, waarmee hij het resterende deel aflegde van de route naar Zouhairs falafelzaak in het christelijke Oost-Beiroet. Na zijn reis door de verwoeste stad stond Mustafa de rest van de dag kikkererwten te pureren en er knapperige falafelballetjes van te frituren, die hij met verse peterselie, plakjes tomaat, gehakte radijs en veel taratorsaus vol knoflook in pitabroodjes propte. Fouad en Zouhair, die in de roerige jaren zeventig en tachtig allebei hun eigen falafelzaak in Beiroet hadden, vonden het belangrijk dat de jonge Mustafa net als zij stap voor stap de kunst van het falafel maken leerde.

    De broers waren erg close en beschouwden hun falafelzaken als een gezamenlijke onderneming, ook al had ieder de zijne. Toen de oorlog hen van elkaar scheidde, omdat ze ieder in een ander deel van de stad woonden, maakten ze de gevaarlijke reis door niemandsland om elkaar indien nodig te helpen.

    Een witbetegelde muur scheidt de broers van elkaar

    Veertig jaar later zijn de afstand en de conflicten die Fouad en Zouhair van elkaar scheidden er niet meer. Toch werden de broers opnieuw uit elkaar gedreven. Ze werken elke dag een paar meter bij elkaar vandaan en maken falafel op de manier die ze van hun vader hebben geleerd. Maar in plaats van dat ze een keuken delen, is Zouhair de enige eigenaar van de oorspronkelijke zaak aan de Damascusstraat met blauwe neonverlichting. Eén pand verderop heeft Fouad zijn eigen, nieuwe filiaal, versierd met rode neonlichten waar ‘Falafel M. Sahyoun’ op staat. Slechts een witbetegelde muur scheidt de broers van elkaar: een grens die nooit wordt overschreden. Ze wisselen geen woord meer.

    Fouad en Zouhair erfden het familiebedrijf van hun vader, de eerste Mustafa Sahyoun, die in 1933 in een achterafstraatje een van de eerste falafelzaken in het centrum van Beiroet opende. Een paar jaar later, toen de stad was gegroeid, opende hij de grote zaak aan de Damascusstraat. In de twintig jaar daarna werd falafel meer dan alleen een manier om geld te verdienen: Mustafa droeg zijn geheime recept over aan Fouad en Zouhair, twee van zijn zes zoons, die nog steeds elke stap van de originele bereidingswijze volgen.

    De oude Mustafa leerde zijn zoons het vak met vallen en opstaan, na school en in het weekend, en liet ze toekijken terwijl hij de broodjes falafel voor de klanten maakte. Van de soort peterselie die op de plaatselijke markt wordt gekocht tot de manier waarop het deeg voor het broodje wordt gekneed: elk onderdeel van het proces is uitgedacht en heeft een reden.

    Fouad Sayhoun in zijn zaak.
    Fouad Sayhoun in zijn zaak.

    Het beste recept

    Falafel wordt overal in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee gegeten. Het zou zijn ontstaan in Egypte, waar Koptische christenen het tijdens de vasten bereidden als alternatief voor vlees. Maar zoals iedereen in Beiroet je kan vertellen, denken de Libanezen dat zij het gerecht hebben geperfectioneerd en wordt Sahyouns recept algemeen als het beste beschouwd, zowel door eetrecensenten als door het publiek. Het verschilt iets van de andere recepten: Mustafa stond erom bekend dat hij alleen bonen en kruiden toevoegde, en geen uien (omdat hij niet wilde dat zijn klanten uit hun mond roken), maar wel peterselie die koks uit andere culturen gebruiken. Het resultaat is een falafel die van buiten krokant maar vanbinnen vochtig is en iets vlezigs heeft: een zilt, rijk contrast met de knapperige radijs, de sappige tomaat en de verse peterselie en munt eromheen.

    Falafel slecht alle sociaaleconomische grenzen. In de zaken van de broers kost een broodje falafel zo’n anderhalve euro. Je kunt ze meteen opeten of per tien meenemen in een plastic tasje. Vooraanstaande Libanese politici lopen er even gemakkelijk binnen als bouwvakkers in vieze overalls. Ze eten hun broodje buiten of staand aan een van de vitrines met natuurstenen blad. Volgens zowel Fouad als Zouhair stuurden verschillende voormalige Libanese presidenten lijfwachten of chauffeurs naar hun zaak om grote aantallen broodjes te halen.

    De familie Sahyoun is islamitisch, maar daar merkte je in het bedrijf weinig van. Zelfs toen de Libanese burgeroorlog op zijn hevigst was, verkocht Falafel Mustafa Sahyoun broodjes aan alle partijen die deelnamen aan de bloedige sektarische strijd. Gemakkelijk was dat niet. De beide broers herinneren zich gewelddadige confrontaties op de stoep van de zaak en geschreeuw van mannen met kalasjnikovs. ‘Als er iets aan de hand was, lag het hele land plat,’ zei Fouad. ‘De volgende dag moest je weer door.’

    Zouhair Sahyoun (rechts), in zijn zaak.
    Zouhair Sahyoun (rechts), in zijn zaak.

    Doordat de zaak van Mustafa senior aan de Groene Grens lag die de moslims van de christenen scheidde, lag hij midden in het oorlogsgebied. Nadat Mustafa in 1977 was gestorven en het conflict was verhevigd door de moord op een prominente christelijke politicus, zagen de broers zich genoodzaakt de zaak te sluiten.

    De stad werd letterlijk verscheurd, en Fouad en Zouhair kwamen ieder aan hun eigen kant van de scheidslijn te wonen. Fouad woonde in West-Beiroet, Zouhair in de buurt van het huis van zijn vader, in het oosten van de stad. Het was sowieso al moeilijk om tijdens de burgeroorlog een zaak draaiende te houden, maar de broers stonden ook nog eens voor de onmogelijke taak de Groene Grens over te steken wanneer ze wilden samenwerken. Uiteindelijk besloot Fouad een pand in West-Beiroet te kopen en erboven te gaan wonen, terwijl Zouhair een falafelzaak in Oost-Beiroet begon.

    Toen er in 1990 eindelijk een einde aan de strijd kwam, bestond Falafel Mustafa Sahyoun nog steeds en keerden Fouad en Zouhair al snel terug naar de Damascusstraat. Hun zaak was na de jarenlange oorlog in één grote puinhoop veranderd, de straat waaraan hij lag was er nog erger aan toe. ‘Alles lag aan diggelen,’ zei Fouad. ‘We hadden een week nodig om het te herstellen. Er was geen weg meer, dus je kon er niet met de auto komen. Daarom parkeerden mensen om de hoek en kwamen ze hiernaartoe lopen.’

    ‘Hij is mijn broer niet meer. Het is afgelopen, voorbij’

    De broers knapten de zaak op en sloegen aan het koken. Terwijl Beiroet opkrabbelde, kwamen de eerste klanten. ‘Toen onze voormalige klanten wisten dat we hier zaten, kwamen ze terug en vertelden ze het aan anderen door,’ zei Fouad. ‘Er ging een jaar overheen voordat iedereen het wist.’

    Falafel Mustafa Sahyoun liep twaalf jaar lang als een trein, tot 2006, opnieuw een gewelddadig jaar. Hoewel de zaak lang niet zo leed onder de Israëlische invasie als onder de burgeroorlog, eindigde het jaar met een onoverkomelijk verschil van inzicht tussen de broers over de toekomst van het bedrijf. Fouad stapte eruit, trok in het pand naast de oorspronkelijke zaak en begon een concurrerend falafelrestaurant met hetzelfde menu, logo en recept.


    Geen van beide broers laat zich uit over de breuk, maar de sfeer van verbittering is te proeven in de paar meter die hen van elkaar scheidt. ‘Ik doe het niet voor het geld, maar om de naam van mijn vader hoog te houden,’ zei Fouad. ‘Of je doet het voor je naam óf voor het geld. Ik heb voor de naam gekozen. Hij is mijn broer niet meer. Het is afgelopen, voorbij.’

    Nu de broers geen woord meer met elkaar wisselen, moeten klanten tussen de twee zaken kiezen, hoewel het product min of meer hetzelfde is. In Fouads zaak kun je ook pittige chilisaus krijgen, terwijl Zouhairs oorspronkelijke vestiging uitsluitend de op tahin gebaseerde taratorsaus serveert. De broers zitten op maar een paar meter bij elkaar vandaan achter de kassa. Ze groeten hun vaste klanten en houden scherp in de gaten welke zaak een nieuwkomer binnengaat.

    Auteur: Mohamad Yaghi
    Vertaler: Nico Groen

    Roads & Kingdom
    VS, roadsandkingdoms.com
    Tijdschrift voor eten, politiek, reizen en cultuur. Begon in Myanmar met de focus op Birmees nieuws maar wordt inmiddels gemaakt in New York en Barcelona. Onlangs uitgeroepen tot Best Travel Journalism Site. Werkt o.a. samen met Slate.

  • En u, meneer de president?

    En u, meneer de president?

    Algerije verkeert in crisis sinds de olieprijs is gekelderd. Per 1 januari heeft president Bouteflika strenge bezuinigingsmaatregelen ingevoerd. Maar, vraagt journalist Abdou Semmar zich af, zouden die niet voor iedereen moeten gelden?

    Het is crisis. De financiële reserves van de overheid verdwijnen als sneeuw voor de zon. Megaprojecten als de uitbreiding van de metro in Algiers zijn in de ijskast gezet. 2016 begint met verhogingen van de elektriciteits- en brandstofprijzen en een groot aantal andere consumptiegoederen. De dinar is in een vrije val geraakt, de inflatie is op hol geslagen. Ondertussen stuurt Abdelaziz Bouteflika, de president die zich alleen in geschreven vorm tot zijn volk richt, ons een boodschap waarin hij zonder blikken of blozen aan ons vraagt om ‘offers te brengen’ vanwege deze crisis, waarvan het einde nog niet in zicht is nu de prijs van een vat olie rond de 25 dollar zit en mogelijk richting de 20 dollar zal zakken.

    Tot het tegendeel bewezen is, hangen de prestaties van een leider niet af van hoe fraai zijn dienstauto glanst

    Opofferingen. Het is een term die nogal gevoelig ligt bij een volk dat het klappen van de zweep in dit opzicht kent. Maar zijn onze leiders in deze crisis eigenlijk bereid om zelf offers te brengen? Bouteflika heeft ze op dit punt tot nu toe helemaal niets opgedragen. Zo blijven, midden in een financiële crisis, onze hoge ambtenaren, ministers, directeuren van staatsbedrijven en hoge pieten van militaire en civiele instellingen in glanzende Duitse auto’s rondrijden. Van de president tot de ambtenaren op ministeries en bij overheidsinstellingen, allemaal zitten ze met hun doorluchtige derrières nog steeds in Audi’s, Volkswagens en Mercedessen. Zou het nu echt zo’n opoffering voor ze zijn om van die luxe wagens over te stappen op Renaults Symbol made in Oran? De overheid zou mooi kunnen bezuinigen en tegelijk een krachtig signaal aan de samenleving afgeven door deze schandalig luxe wagens af te schaffen, ze te verkopen en de inkomsten uit de verkoop in de schatkist te storten.

    Demonstraties tegen de bezuinigingen vanuit het Algerijnse parlement, 12 januari 2016.
    Demonstraties tegen de bezuinigingen vanuit het Algerijnse parlement, 12 januari 2016.

    Privileges

    Tot het tegendeel bewezen is, hangen de prestaties van een leider niet af van hoe fraai zijn dienstauto glanst. Er is dus geen reden om deze levensstijl voort te zetten terwijl ons land steeds meer gebrek lijdt. Opofferingen zegt u, meneer de president? Waarom dan niet voor altijd de Club des Pins [een soort gated community] sluiten, dat ‘groengebied’ waar de bobo’s van het regime en hun trouwe aanhang op kosten van de Algerijnse schatkist verblijven? Elk jaar gaan er zonder enige transparantie aanzienlijke sommen geld op aan voedsel, onderdak en onderhoud van de villa’s van onze leiders. Zou dit geld niet beter besteed zijn als het in meer strategische sectoren werd geïnvesteerd, om zo de huidige financiële crisis het hoofd te bieden? Trouwens, waarom zou de Club des Pins niet opnieuw een toeristendorp kunnen worden en op die manier weer inkomsten genereren?

    Jammer genoeg heeft op dit moment alleen nog maar de kleine man met opofferingen te maken, terwijl die het al zwaar te verduren heeft door de hoge kosten van levensonderhoud. Erger nog, de overheid blijft privileges uitdelen aan hoge functionarissen. Kijk maar naar die majestueuze villa die een Chinees bedrijf in Hydra [een wijk in Algiers, op zo’n zes kilometer van het centrum] heeft gebouwd, vlak bij het ministerie van Energie en Mijnbouw. Het is een waar paleis, van alle gemakken voorzien. Volgens meerdere bronnen zou deze villa van ruim een miljoen euro moeten dienen als tweede officiële residentie van onze geëerde Abdelaziz Bouteflika, de president die zijn volk vraagt zich opofferingen te getroosten.

    Dovemansoren

    Zelfs ons leger voorziet zichzelf geregeld van nieuw materieel en nieuwe wapens. Zijn deze dure uitgaven echt nodig voor de nationale veiligheid? Wie het weet, mag het zeggen. In ieder geval is het totaal niet transparant hoe de megabegroting van het leger – ruim twaalf miljard dollar – wordt beheerd.

    Financiële crisis zegt u? Maar dan wel alleen voor het voetvolk. Want onze leiders, beneveld als ze zijn door de hoogte van hun ivoren torens, blijven doof voor de wanhoopskreten van de samenleving en zetten hun comfortabele levens gewoon voort. Die dovemansoren van ze, die kunnen ons land nog wel eens heel duur komen te staan!

    Auteur: Abdou Semmar
    Vertaler: Tess Visser

    Abdou Semmar is hoofdredacteur van Algérie-Focus.

    Algérie-Focus
    Algerije, website, www.algerie-focus.com
    Onafhankelijk en geëngageerd, brengt sinds 2008 Algerijns nieuws en achtergronden onder het motto ‘De plicht om te weten’.

  • De firma zwendel en bedrog

    De firma zwendel en bedrog

    Bankiers aan het praten krijgen is lastig – vraag het maar aan Joris Luyendijk. Toch wagen twee journalisten van het Duitse weekblad Die Zeit een manhaftige poging. In een bijgebouw van de Deutsche Bank in Frankfurt voeren ze eindeloze gesprekken met gewezen topbankiers die hier hun laatste dagen slijten. Hun doel: een verklaring vinden voor de funeste cultuur die de bank én de wereldeconomie in een crisis zonder weerga stortte.

    Hij heeft geleefd voor de bank. Hij heeft ervoor gestreden en geleden, maar nu kent zelfs de receptioniste hem niet meer. ‘Breuer?’ vraagt ze, en bladert door de namenlijst. ‘Wie moet dat zijn?’

    Veertig jaar heeft Rolf Breuer voor de Deutsche Bank gewerkt, hij was woordvoerder van het bestuur en voorzitter van de raad van commissarissen. Wanneer zijn chauffeur hem ’s morgens naar het hoofdkwartier in Frankfurt reed – de twee zilveren torens die bijna iedereen wel eens op tv of op een krantenfoto gezien heeft –, dan stond er in de ondergrondse garage al iemand te wachten om het portier voor hem open te doen. Met de lift ging hij zonder 
tussenstops naar boven.

    In de wereld waarin Rolf Breuer toen leefde, is het belangrijk hoe groot een kantoor is, op welke etage het zich bevindt en hoeveel licht er binnenvalt. Licht symboliseert macht. Rolf Breuer had veel macht, alleen de hemel had hij boven zich, en onder zich: de hele stad. Toen hij in 2006 zijn laatste 
functie opgaf, behield hij, zoals zoveel voormalige leidinggevenden, nog een chauffeur, een secretaresse en zijn kantoor boven in toren A.

    Maar als je nu bij de receptie naar 
hem vraagt, lijkt niemand hem meer 
te kennen.

    Deutsche Bank was een van de meest gerespecteerde ondernemingen ter wereld. Nu worden er 6000 processen tegen de bank gevoerd

    De kwestie wordt pas opgelost als er een tweede receptioniste bij komt. Breuers kantoor, weet ze, is intussen ergens anders: in een laag gebouw, meteen om de hoek, in de schaduw 
van de torens. Daar zitten degenen 
die niet meer nodig zijn.

    In bijna elk bedrijf, bijna elk concern, heb je die oude heren die er nog steeds zijn, al hebben ze allang geen functie meer. Soms is het de patriarch die het familiebedrijf heeft opgebouwd en tot bloei gebracht. Soms zijn het de voormalige bestuurders. Aanvankelijk mogen ze hun kantoor houden, dan zie je ze ’s morgens komen en door de hal lopen. Maar vroeg of laat worden ze toch verzocht te verhuizen – eerst naar een andere hoek van de etage, dan naar een andere etage. En soms naar een ander gebouw. Die oudgedienden horen meestal niets van de spot waarmee over hen wordt gesproken: dat ze nu in de ‘grafkamer’ zitten, zoals het in een groot Duits concern heet, of op het ‘olifantenkerkhof’, zoals ze in sommige bedrijven zeggen.

    Het is maar een paar stappen van de tweelingtorens naar de kleine dwarsstraat waarin het sterfhuis staat. Zes traptreden voeren naar de ingang. 
Aan de gevel niets wat op de Deutsche Bank wijst, geen bedrijfslogo. Op het gazon ervoor heeft een vastgoedfirma haar billboards in de grond geplant: 
die verhuurt hier opslagruimte op toplocatie.

    Rolf Breuer, de voormalige CEO van de Deutsche Bank. – © Guido Krzikowski / Getty Images
    Rolf Breuer, de voormalige CEO van de Deutsche Bank. – © Guido Krzikowski / Getty Images

    Zwendel en bedrog

    Het huis heeft geen portier en geen receptionist. Slechts een kleine camera houdt de deur in de gaten. Bel je aan, dan meldt zich een vriendelijke vrouwenstem. ‘Tweede etage,’ zegt ze. 
Op de tweede etage weer een deur, weer een camera. En een bel. Een medewerkster doet open. Het is er 
heel stil.

    Hier, in deze stilte, zullen we een 
verklaring vinden voor de ongekende neergang van de Deutsche Bank.

    Ooit was het een van de meest gerespecteerde ondernemingen van het land, misschien zelfs van de wereld. ‘Alles begint met vertrouwen’ was de slogan waarmee de Deutsche Bank reclame maakte. Nu is het een onderneming waartegen wereldwijd zesduizend processen gevoerd worden. Een paar vonnissen zijn geveld, een paar schikkingen getroffen, in andere gevallen wordt nog gerechtelijk onderzoek gedaan. Het gaat om witwassen, belastingfraude, rentemanipulatie. 
Het gaat om misbruik van vertrouwen.

    Het opzienbarendste proces vindt plaats in München, waar de huidige bestuursvoorzitter Jürgen Fitschen, twee van zijn voorgangers en nog twee voormalige topmanagers van de bank zich voor de rechtbank moeten verantwoorden. Vroeger was de Deutsche Bank een symbool van degelijkheid 
en betrouwbaarheid. Nu is ze ook een symbool van zwendel en bedrog.

    Het antwoord op de vraag hoe het zo ver kon komen, wordt vooral gezocht in het hoofdkwartier van de bank, in de tweelingtorens, waar aandeelkoersen en grondstofprijzen flikkerend over honderden schermen rollen, waar opgewonden analisten zoeken naar de beste koopadviezen, en waar helemaal bovenin de bestuurders regeren over wereldwijd honderdduizend mede-werkers. Maar feitelijk verbergt het antwoord zich bijna helemaal beneden, op de grond, waar diegenen terechtgekomen zijn die niets meer te zeggen hebben in de bank, maar die jarenlang de koers ervan bepaalden.

    Achter de deur gaan we naar rechts, door een smalle gang. De naambordjes op de deuren aan beide zijden zijn te lezen als een who is who van de Deutsche Bank.

    Hilmar Kopper, van 1977 tot 1997 in 
de raad van bestuur, de laatste acht jaar als woordvoerder. En nog vijf jaar als voorzitter van de raad van commissarissen van de Deutsche Bank.

    Ulrich Weiss, negentien jaar in de raad van bestuur, van 1979 tot 1998.

    Georg Krupp, dertien jaar in de raad van bestuur, van 1985 tot 1998.

    Michael Endres, tien jaar in de raad van bestuur, tot 1998.

    Carl-Ludwig von Boehm-Bezing, elf jaar in de raad van bestuur, van 1990 tot 2001.

    Ronaldo Schmitz, negen jaar, van 1991 tot 2000.

    En Rolf Breuer, zeventien jaar in de raad van bestuur. Woordvoerder van 1997 tot 2002, daarna vier jaar voorzitter van de raad van commissarissen.

    Veel bankiers openen het gesprek met de zin: Deze ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden

    Hier zitten ze: mannen wier kantoren vroeger zo groot waren dat je heel wat stappen moest zetten voor je ergens bij een bureau stond. Hun huidige kantoren liggen dicht op elkaar gepakt, als honingraten. De deur van Breuer is gesloten, hij is er vandaag niet. Maar Robert Ehret is er wel. Hij heeft zijn kamer helemaal aan het eind van de gang, links achterin.

    Ehret zit aan zijn bureau. Meteen bij 
de begroeting bekent hij dat hij een fout heeft gemaakt: hij had zijn bezoek eigenlijk een half uur moeten laten wachten. Het laten wachten behoort tot de laatste machtsmiddelen die hij en zijn kantoorburen nog hebben, en dat weet hij. De kamer van Ehret is ongeveer acht, hooguit tien vierkante meter groot. Uit zijn oude kamer heeft hij alleen de stoel meegenomen. Ook heeft hij wat kunstwerken meegebracht, een paar beeldjes, en een schilderij: Rode Ahorn heet het, zijn vrouw heeft het geschilderd.


    Robert Ehret is niet het enige voormalige bestuurslid van de Deutsche Bank dat met Die Zeit spreekt. Maar hij is de enige die toestemming geeft met naam en toenaam geciteerd te worden. De anderen willen in geen geval geciteerd in een krantenartikel opduiken. Sommigen zeggen kort voor het afgesproken tijdstip weer af. Anderen bellen de dag na de ontmoeting ongerust naar de redactie, omdat ze vrezen dat ze te veel hebben gezegd en zichzelf in de problemen zullen brengen. Weer anderen openen het gesprek met de zin: ‘Deze ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden.’ Zo presteren ze het om tegelijkertijd te praten en te zwijgen, een techniek die ook verderop in dit artikel nog een rol zal spelen.

    De openheid van Ehret heeft te maken met zijn leeftijd. Hij is nu negentig. Toen hij toetrad tot de raad van bestuur van de bank, heette de bondskanselier nog Willy Brandt. Toen hij het bestuur verliet, stond Helmut Kohl aan het begin van zijn kanselierschap. De neergang van de Deutsche Bank was nog niet begonnen. Daarvoor zijn anderen dan Robert Ehret verantwoordelijk: degenen die na hem kwamen en die nu met hem in het sterfhuis zitten.

    Net als met de meisjes

    Robert Ehret belichaamt een tijd waarin bankdirecteuren nog bankiers werden genoemd. Toen men nog veel waarde hechtte aan goede persoonlijke contacten, niet alleen aan goede cijfers. Een handdruk was net zo veel waard als een overeenkomst. Bankiers waren hooggeachte mannen en de Deutsche Bank was een achtenswaardige onderneming.

    Robert Ehret heeft zich op dit bezoek voorbereid, hij heeft trefwoorden genoteerd en ze voor het gesprek nog gedicteerd aan zijn secretaresse. Nu liggen de papieren geprint voor hem. Ehret is zeer lang en mager, en hij draagt het uniform van de geldadel: een pak, wit overhemd met fijne lichtblauwe streepjes, gouden manchetknopen. Op zijn das zijn kleine beursstieren afgebeeld, het symbool voor stijgende koersen. Hij ziet er helemaal uit zoals men zich een voormalig bestuurslid voorstelt.

    Maar hij praat anders. Bloemrijker. Softer. Ehret komt met zinnen als: 
‘Met een bank is het als met de meisjes. Als je reputatie in duigen ligt, krijg je hem niet meer goed.’ Of: ‘Een bank gaat nooit kapot aan een zaak te weinig, maar soms wel aan een zaak te veel.’ Het zijn zinnen die je op verschillende manieren kunt interpreteren. Ehret noemt geen namen, geen concrete gebeurtenissen, hij wijst geen schuldigen aan.

    Na een kwartier brengt de secretaresse belegde broodjes en sap. Terwijl Ehret vertelt is in de kamer ernaast een stem te horen. Zijn bureau is slechts door een dunne wand gescheiden van dat van zijn buurman. In hun grote kantoren hadden de mannen die ooit topmanagers waren dikke wanden en dubbele deuren. Boven de deuren waren twee lampjes gemonteerd: groen en rood. Vanachter hun bureau konden de mannen met een druk op de knop bepalen welk lampje boven hun deur brandde. Wie ’s morgens het rode lampje aandeed, bleef de hele dag ongestoord.

    De Trading Room van de Deutsche Bank. – © Ulrich Baumgarten / Getty Images
    De Trading Room van de Deutsche Bank. – © Ulrich Baumgarten / Getty Images

    Het behoort tot de privileges van een bestuurder van de Deutsche Bank dat hij heel veel geld verdient, maar dat is het onbelangrijkste privilege. Ook de managers onder de bestuurder verdienen heel veel, ook zij hebben meer dan genoeg. Maar zij worden bijvoorbeeld niet bediend door een sterrenkok, zoals de bestuursleden hoog boven in toren A, wiens keuken geldt als een van de beste van de stad. De managers onder het bestuursniveau mogen schilderijen uitzoeken uit de kunstcollectie van de bank, en die in hun kantoor hangen. Maar de bijzonder waardevolle 
exemplaren zijn voorbehouden aan 
de bestuursleden.

    In het sterfhuis bestaan nauwelijks nog privileges. De chauffeur rijdt je 
’s morgens niet meer de ondergrondse garage in. De lift glijdt niet zonder tussenstop naar boven. De bank heeft een vroegere bestuurder bij zijn vertrek uit de toren een rekening gepresenteerd voor zijn bureaustoel. Dat heeft deze man zeer gekwetst, en niet vanwege het geld. Het was zijn gevoel van eigenwaarde dat plotseling weg was.

    ‘Ik heb nog wel andere dingen te doen, vooral in het culturele leven,’ zegt 
een van de oudgedienden. Het klinkt alsof hij zichzelf wil overtuigen dat 
zijn carrière nog niet voorbij is.

    ‘Je hebt toch het gevoel dat het nog 
niet over is. Dat je nog nodig bent, 
nog meedoet,’ zegt een ander.

    De kantoren van deze mannen waren zo groot dat je heel wat stappen moest zetten voor je bij een bureau stond

    De eerste minuten van deze gesprekken, die officieel nooit gevoerd zijn, verlopen meestal zo: de mannen uit het huis in de schaduw van de torens vertellen over hun afspraken, over hun ideeën en welke belangrijke mensen ze juist nog ontmoet hebben. Wie ze al wat langer kent, uit de tijd toen ze zelf nog bestuurslid waren, merkt aanvankelijk geen verschil met vroeger.

    Maar dan valt op dat ze niet meer ophouden met praten, dat ze opeens tijd hebben, veel meer tijd dan vroeger. Ze lijken heel blij te zijn dat er iemand is die naar hen luistert.

    En vroeg of laat komt het eruit.

    Dan vertelt een voormalig bestuurslid dat hij brieven schrijft aan de huidige leidinggevenden. Hij biedt zijn advies aan. Maar hij krijgt geen antwoord.

    Je moet je de mannen aan de top van de bank voorstellen als verzamelaars, dat is de eerste stap naar inzicht in de crisis waarin deze onderneming verkeert. Zoals de Deutsche Bank al jarenlang schilderijen en beeldhouwwerken verzamelt, zo besteden haar beste managers jaren aan het verzamelen van tekenen van macht. Maar terwijl de collectie van de bank steeds verder groeit, ze omvat inmiddels 60.000 kunstwerken, raakt een bestuurslid dat te oud is om nog langer te functioneren, in één klap alle bewijzen van zijn machtspositie kwijt. Dan is alle macht weg.

    En de oorlog verloren.

    Concurrenten bestrijden

    Want ook daarin lijkt iedereen die 
carrière maakt bij een bank op een fanatieke verzamelaar: er is altijd een ander, een concurrent, die op hetzelfde uit is; die al heeft waar je zelf nog van droomt; die al heeft bereikt wat je zelf nog moet bereiken. Dat is de indruk die je in het gesprek met de oudgedienden krijgt: dat een bestuurder permanent bezig is zijn concurrenten te bestrijden. Dat het erom gaat steeds opnieuw nederlagen te verwerken en allianties te smeden.

    ‘Met leugens en waarheid moet je 
strategisch omgaan,’ zegt een voormalig bestuurslid.
    ‘Je was blij als de ander een klap in 
z’n smoel kreeg,’ zegt een ander.

    ‘Het gaat om tactische slimheid,’ 
formuleert een derde.

    Het gaat erom op zeker moment de overwinning te behalen, ook al is het een late, laatste triomf. Zoals eertijds met Clemens Börsig.

    Börsig zat vijf jaar lang, van 2001 tot 2006, in het bestuur van de Deutsche Bank. Hij was niet geliefd in die tijd. Velen beschouwden hem als ijdel en egocentrisch, anderen ronduit als incompetent. Meerdere leden van de raad van commissarissen, die eerder 
in het bestuur van de bank hadden gezeten en nu toezicht hielden op het werk van Börsig, lieten hem steeds weer merken hoe laag ze hem achtten, en dat ze zelf veel meer voorstelden dan hij.

    Dan, in mei 2006, klimt Börsig op tot in de raad van commissarissen. Daar volgt hij Rolf Breuer op als voorzitter. Nu is hij het die de macht heeft. En in het voorjaar van 2007 gebruikt hij die.

    Op dat moment worden de tweelingtorens gerenoveerd; alle medewerkers moeten tijdelijk verhuizen. De voormalige leidinggevenden, die nog boven in toren A resideren, krijgen een kantooretage aangeboden in een kleine dwarsstraat vlak achter de bank. Geen punt, denken ze eerst, het is maar tijdelijk.

    Bij een gemeenschappelijke maaltijd licht Börsig de verhuisplannen toe aan de oudgedienden, die hem jarenlang hadden bestreden. Als een van hen, Carl-Ludwig von Boehm-Bezing, informeert hoe lang ze in hun nieuwe, nietige kantoortjes zullen moeten blijven, draait Börsig eromheen.

    Daarmee is duidelijk: het zal voor altijd zijn.

    Daarom bestaat dus het sterfhuis: omdat Clemens Börsig wraak nam.

    Clemens Börsig, de man die wraak nam en ervoor zorgde dat zijn vroegere tegenstanders in de kleine dwarsstraat kantoor kregen.
    Clemens Börsig, de man die wraak nam en ervoor zorgde dat zijn vroegere tegenstanders in de kleine dwarsstraat kantoor kregen.

    Kredietcrisis

    Een gewone werknemer die niet tevreden is met zijn werkplek, kan niet zomaar thuisblijven. Hij heeft een contract getekend, hij is verplicht op de werkplek te verschijnen. De mannen in het kleine buurhuis van de Deutsche Bank zijn daar vrijwillig, niemand belet ze om in een mooi buitenhuis van hun pensioen te genieten. Maar het lukt ze niet de bank te verlaten, ze blijven gevangen in een wereld waarin een groot kantoor op de bovenste verdieping tot levensdoel is verklaard. Alleen hebben ze nu een klein kantoortje, bijna beneden.

    Voor mannen die een heel beroepsleven lang strijden om macht en status, en op grond van leeftijd ten slotte alles verliezen, hoef je geen medeleven te voelen. Je zou hun gevechten, hun tactische manoeuvres met meer of minder interesse vanuit de verte kunnen gadeslaan als iets wat je verder niet aangaat – ware het niet dat praktisch elke Duitser onontkoombaar met de Deutsche Bank verbonden is, ook als 
hij er geen rekening heeft en er geen aandelen in bezit.

    Deutsche Bank was een van de banken die door steeds riskantere goktransacties in het jaar 2007 de wereldwijde kredietcrisis ontketende, waarop in 2009 de zwaarste recessie sinds de beurscrisis van 1929 volgde. Over de hele wereld verloren miljoenen 
mensen hun baan. Alleen al de Duitse belastingbetalers moesten de reddingsacties van de regering met vele miljarden euro’s financieren. Maar de Deutsche Bank slaagde erin hieraan te verdienen, door op de ineenstorting van de wereldeconomie te speculeren.

    Het was de Deutsche Bank die jarenlang miljarden euro’s uitleende aan Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal, ook toen allang duidelijk was dat deze landen hun schulden nooit zouden kunnen terugbetalen. Na het uitbreken van de eurocrisis in 2010 waren het opnieuw de belastingbetalers die daarvoor moesten opdraaien.

    Er wordt dezer dagen veel gesproken over geautomatiseerde geldhandel, over computeralgoritmen die de effectenhandel reguleren, over supersnelle computers die zelfstandig aandelen kopen. Maar de basis voor de gokspelletjes van de Deutsche Bank werd niet gelegd in het binnenste van een computer, maar in een vergaderzaal hoog boven in toren A. Daar komt het bestuur samen en neemt het haar besluiten. Steeds opnieuw waren er in de afgelopen jaren momenten waarop de mannen die nu geen macht meer hebben verzocht werden hun hand 
op te steken, waarop ze moesten beslissen: ben ik voor of tegen?

    Bijvoorbeeld toen het erom ging de Deutsche Bank al of niet om te vormen tot een investeringsbank.

    In het jaar 1989 besluit het bestuur van de Deutsche Bank de Britse investeringsbank Morgan Grenfell te kopen. Door de fusie krijgt de onderneming er honderden kapitaalmarktexperts en effectenhandelaars bij. De Deutsche Bank, die tot dan toe vooral geld verdiende met kredietverstrekking aan andere ondernemingen, stapt nu met veel aplomb de beurshandel in. De strategieafdeling van de bank stelt dan een rapport op voor het bestuur waarin ze waarschuwt voor de risico’s van de overname van Morgan Grenfell. De werkwijze van investment bankers past niet bij de cultuur van een handelsbank. Op dit rapport reageert de toenmalige topbankier Alfred Herrhausen met woorden van deze strekking: ‘Goed werk, maar ik vraag uw begrip voor het feit dat we anders hebben beslist.’ Dan stuurt hij het terug naar de opstellers. Een paar weken later is Herrhausen dood, vermoord door een terreurcommando van de [linksextremistische] RAF (Rote Armee Fraktion). De koop van Morgan Grenfell wordt afgerond door de opvolger van Herrhausen: Hilmar Kopper.

    Investment bankers

    Tien jaar later, in juni 1999, koopt de Deutsche Bank ook nog de Amerikaanse zakenbank Bankers Trust, een enorm handelshuis.

    Gemeten aan het balanstotaal is de Deutsche Bank nu de 
grootste bank ter wereld. En het zijn 
de investment bankers die de grootste broek aanhebben. Ze incasseren miljoenen aan bonussen, een veelvoud 
van wat de bestuurder verdient.

    Op 29 januari 2002 besluiten de heren van de raad van bestuur de bank een andere organisatiestructuur te geven. Het nieuw gevormde gremium onder de raad van bestuur bestaat uit de dikbetaalde directeuren van de afzonderlijke investeringsbanken. Zij hebben nu macht – maar anders dan het bestuur zijn ze niet aansprakelijk voor de transacties. Macht en verantwoordelijkheid worden losgekoppeld.

    Het zijn de investment bankers die jaren later met Amerikaanse vastgoedkredieten gokken, die nog Griekse staatsobligaties kopen als ze allang kunnen weten dat het land op de rand van bankroet staat, die speculeren op de ineenstorting van de wereldeconomie die ze zelf mede veroorzaakt hebben.

    Nu heeft een beursgenoteerd bedrijf als de Deutsche Bank niet tot doel het Algemeen Nut te dienen. Het hoogste doel is niet het geld van de belastingbetaler te beschermen, maar om meer winst te maken. Toch was ook vanuit dat perspectief de uitbreiding met de investmentactiviteiten een slechte zaak voor de Deutsche Bank.

    De vernieuwing van het financiële systeem zou van binnenuit moeten komen. Maar dat gebeurt niet

    Naar schatting 40 tot 50 miljard euro vloeiden in de afgelopen vijftien jaar als bonusuitkeringen in de zakken van de investment bankers. Maar al hun riskante transacties op de financiële markt hebben de bank uiteindelijk geen geld opgeleverd. Ze hebben haar geld gekost.

    Na alle schandalen is de bank op de beurs nu veel minder waard dan tien jaar geleden. Ook van het waardevolle bezit van de Deutsche Bank – haar aandelen in de belangrijkste Duitse industrieën – is bijna niets over. Ze werden verkocht om de transacties van de bank te financieren.

    Het was een bankroof van binnenuit.

    Occupy-activisten demonstreren bij het proces tegen de topmannen van de Deutsche Bank. Ze dragen maskers met de gezichten van bestuurders als Norbert Fitschen, Josef Ackermann en Rolf Breuer. – © HH
    Occupy-activisten demonstreren bij het proces tegen de topmannen van de Deutsche Bank. Ze dragen maskers met de gezichten van bestuurders als Norbert Fitschen, Josef Ackermann en Rolf Breuer. – © HH

    Goktransacties, kredieten aan zeer zwakke eurolanden, uitbreiding van investeringsactiviteiten: de leden van het bestuur hadden steeds het belang van de Deutsche Bank voor ogen, zelfs al heeft het ten slotte niet geleid tot het verhoopte resultaat. Zo ongeveer staat het in de officiële bekendmakingen van de bank.

    Maar de voormalige bestuursleden, 
die deze beslissingen indertijd hebben genomen of gesteund hebben en van wie er nu een paar in het sterfhuis zitten, vertellen een ander verhaal. U moet het zich zo voorstellen, zegt een van hen: als het gremium stemde over een strategische kwestie inzake de toekomst van de bank, dan dacht op dat moment niemand aan die toekomst. Je dacht aan je eigen toekomst, je eigen macht. En aan de macht van een ander bestuurslid, die beknot moest worden. Dan stak je je hand op, hoewel je eigenlijk tegen de beslissing was – in de wetenschap dat een concurrent door deze beslissing in de problemen zou komen. Of omdat je daarmee een tijdelijke alliantie met een ander bestuurslid sloot.

    Een ander vertelt: ‘Ik ben toen begonnen alles te noteren en documenten 
te verzamelen om mezelf in te dekken. In het begin is dat een volkomen nieuwe ervaring. En dan merk je: zo doet waarschijnlijk iedereen het.’

    Maar als ze het allemaal zo doen, dan moet een bestuurslid wel denken: Welke documenten hebben de anderen in handen waarmee ze mij kunnen beschadigen? En als ze papierwerk tegen mij verzamelen, waartoe zijn ze dan in staat?

    Er is een voormalige bestuurder die in zijn villa de telefoonaansluiting liet verwijderen in de vaste overtuiging 
dat hij werd afgeluisterd. Een andere vroegere bestuurder heeft zijn interne bankdocumenten bij drie advocaten in drie verschillende kluizen gedeponeerd.

    In zeker opzicht functioneert de Deutsche Bank als een kloosterorde. Iedereen controleert elkaar. Een uitgekiend systeem van privileges, sancties en intimidatie smoort elke kritiek. Wie weet heeft van illegale praktijken in de bank, kan dat niet openbaar maken. Want zelfs als de beweringen juridisch waterdicht zouden zijn, zelfs als de verwijten met documenten onderbouwd kunnen worden, zou de bank de verrader financieel te gronde kunnen richten met eisen tot schadevergoeding wegens schending van vertrouwelijkheid of vermeende reputatieschade. ‘Als je toetreedt tot het bestuur, dan kom je er niet meer onschuldig uit,’ zegt een van de oudgedienden. ‘Het is een levenslange deal.’

    En dus zwijgen de voormalige bestuurders. Zelfs als ze praten. Daarom hebben zo veel gesprekken die ze met Die Zeit voerden, officieel nooit plaatsgevonden.


    Het grote betonblok in het centrum van München wekt vanbinnen de indruk van een scholengemeenschap uit de zeventiger jaren. Bruine vloertegels, mosterdgele wanden. Groene metalen deuren. In zaal B 273 houdt de vijfde strafkamer van het Landesgericht München, I zitting. In een vitrine naast de deur hangt een lijst van aangeklaagden. Helemaal bovenaan staat: Dr. Breuer, Rolf-Ernst. De achternaam in hoofdletters geschreven.

    Breuer zit in de gerechtszaal vooraan, vlak voor de rechters. Op het eerste gezicht ziet hij eruit als vroeger: elegant double-breasted jasje, de witte haren in een strakke scheiding, een gebruind gezicht. 77 jaar is hij nu. 
Nauwelijks gerimpeld. En toch maakt deze man een bijzonder verouderde indruk, zijn bruine tint kan dat niet verhullen. Hij beweegt zich stijf, zijn mimiek lijkt wel bevroren.

    Het is een proces zoals er in de geschiedenis van het Duitse bedrijfsleven nog nooit een geweest is. In de kern gaat het erom hoe nauw men het in het bestuur van de Deutsche Bank neemt met de waarheid.

    Dertien jaar geleden gaf de toenmalige topman van de Deutsche Bank Breuer een televisie-interview waarin hij liet weten dat mediaondernemer Leo Kirch in financiële nood verkeerde. Een paar maanden later was Kirch failliet – en diende hij een eis tot schadevergoeding in tegen Breuer en de bank. Breuer, 
zo luidde het verwijt, zou er met zijn uitspraak voor gezorgd hebben dat Kirch van niemand meer krediet kreeg. Er volgde een langslepende juridische strijd. De Deutsche Bank betaalde 925 miljoen euro aan de erven van Leo Kirch, nadat de partijen in februari 2014 tot een schikking waren gekomen.

    Na dertien jaar is nog steeds niet duide-
lijk of Breuer in dit televisie-interview gewoon wat voor de vuist weg praatte, zorgeloos en naïef, of dat het interview misschien een middel was om een doel te bereiken. Kirch bezat een groot aandelenpakket in uitgeverijconcern Springer. En hij was kredietklant bij 
de bank. Mogelijk vreesde men bij Springer indertijd dat Kirchs aandelenpakket in handen zou vallen van een ongewenste buitenlander, zoals mediamagnaat Rupert Murdoch. 
Om dat te verhinderen zouden Kirchs aandelen via de Deutsche Bank naar Springer teruggesluisd moeten worden. Maar dan zou Kirch eerst failliet moeten gaan.

    Wat dus ook gebeurde na Breuers interview.

    Jürgen Fitschen (achterste rij, tweede van rechts), Rolf Breuer (vooraan rechts) en Josef Ackermann (tweede rij, tweede van rechts) wachten op hun proces in de zaak van mediamagnaat Leo Kirch. – © Jörg Koch / Getty Images
    Jürgen Fitschen (achterste rij, tweede van rechts), Rolf Breuer (vooraan rechts) en Josef Ackermann (tweede rij, tweede van rechts) wachten op hun proces in de zaak van mediamagnaat Leo Kirch. – © Jörg Koch / Getty Images

    Achter Breuer in de gerechtszaal zit Josef Ackermann, zijn opvolger als 
baas van de bank. Daarachter Jürgen Fitschen, Ackermanns opvolger. Twee voormalige bestuursvoorzitters en de huidige, en ook nog de twee vroegere topmanagers Clemens Börsig en Tessen von Heydebreck: vijf topbankiers van de Deutsche Bank samen voor de rechter, ook dat is nog nooit vertoond. De aanklacht luidt: opzettelijke misleiding van de rechtbank.

    In een eerder proces zouden de vijf managers opzettelijk valse verklaringen hebben afgelegd om de eis tot schadevergoeding van Kirch af te wenden.

    In het bestuur en in de raad van commissarissen hebben de vijf elkaar ooit bittere strijd geleverd. Breuer tegen Ackermann, Ackermann tegen Börsig. Heydebreck hield zich buiten alle gevechten, zoals hij zich altijd in alles afzijdig hield. En Fitschen bracht het uiteindelijk tot de leiding van de bank omdat hij te midden van alle vetes een acceptabele compromiskandidaat was.

    Vijf mannen die vele jaren van hun leven dezelfde werkgever hadden, en slechts één ding gemeen hebben: dat ze nu samen aangeklaagd zijn. Zo zitten ze in gerechtszaal B 273, hun advocaten tussen hen in, als menselijke scheidingsmuren. Vroeger, in de bestuursvergaderingen, dronken ze hun koffie uit porceleinen kopjes. Het personeel wist precies wie van hen zijn fruit graag geschild at. In de rechtszaal staat een waterautomaat in de hoek, dat iedereen zelf mag bedienen. De plastic bekertjes zijn zo dun dat ze makkelijk breken als je er te hard in knijpt.

    Loyaliteit

    Het probleem van het Münchense 
proces is dat het in wezen over het verkeerde gaat. Het openbaar ministerie wil een aanklacht bewijzen die waarschijnlijk nooit te bewijzen valt. De officieren van justitie vragen in dit proces niet naar het mogelijke belang van de bank om aan Kirchs Springeraandelen te komen. Dat speelt vanuit juridisch oogpunt geen rol. En zo zou het goed kunnen dat de aangeklaagden de rechtszaal verlaten met een vrijspraak.

    Desondanks zegt het proces veel over de methoden van de bank, over al haar vuile zaakjes.

    Handelaars van de Deutsche Bank moeten meegeholpen hebben om de goudprijs te manipuleren. Ze hebben meegeholpen om belangrijke rentetarieven als Libor en Euribor te manipuleren. Belastingfraude bij de handel in CO2-certificaten, witwaspraktijken in Rusland: steeds gaat het om criminele economische delicten waarvan de bank geprofiteerd zou kunnen hebben.

    Een paar beschuldigingen bestrijdt de bank. Toch werden interne opnames van telefoongesprekken gewist en werd onderzoek van de overheid tegengewerkt. Dit voorjaar betaalde de Deutsche Bank een recordboete van 2,5 miljard dollar aan Amerikaanse en Britse overheidsorganen.

    Als we spreken met voormalige bestuurders, tonen ze zich verbijsterd over hoe het met de bank gegaan is. Terwijl ze zelf de beslissingen namen die tot deze ontwikkeling leidden – 
en elkaar intussen bestreden. Of wegkeken. Of zwegen.

    Ze zwijgen nog steeds. Zouden de 
oude bestuurders in het sterfhuis hun kritiek met naam en toenaam uiten, dan zouden ze zich tegen de gemeenschap keren – en door de bank worden verstoten. Ze zouden moeten vertrekken en helemaal geen kantoor meer hebben bij de Deutsche Bank, zelfs geen kleintje in het bijgebouw. ‘Ik kan niet in het openbaar spreken,’ zegt een van de mannen, ‘omdat ik als pensioentrekker bepaalde loyaliteitsverplichtingen heb.’

    Een andere voormalige bestuurder zegt: ‘Je moet bereid zijn een heleboel te verdragen als je uit de orde treedt.’

    Wie dat doet, geldt als onbetrouwbaar, ook buiten de bank. In de financiële wereld van Frankfurt is de maatschappelijke omgeving immers niet beperkt tot de eigen bank of het eigen advocatenkantoor: men ziet elkaar thuis in de Taunus, waar bijna alle leidinggevenden wonen; men treft elkaar bij het operabal of bij de nieuwjaarsreceptie van de Duitse beurs. Ook nu nog gaan de oudgedienden eens in de week samen lunchen, maken ze de korte wandeling naar de ‘Frankfurter Gesellschaft’, hun deftige herensociëteit, waar men hen kent en waar ze begroet worden als vroeger. Maar een afvallige krijgt geen uitnodigingen meer, of hij zit aan apart tafeltje, als hij dat nog krijgen kan. Hij hoort er niet meer bij.

    Dat overkwam Otto Steinmetz.

    Aanklacht

    De grote aula van de Salzburger Universiteit ziet eruit als een elegant 
theater. Wit gestuukt, grote luchters, aan de wand hangen olieverfschilderijen. De Salzburger gemeenschap heeft zich vandaag opgedoft: de vrouwen in klederdracht, de mannen in donkere pakken. Op het podium staan de af-
gestudeerden van de masterstudie Gastrosofie: vijftig vrouwen en mannen die in het afgelopen semester veel geleerd hebben over voeding en ethiek. Een van hen is drie keer zo oud als de meeste anderen: Otto Steinmetz, zeventig jaar.

    Ook Steinmetz werkte ooit bij de 
Deutsche Bank, meer dan dertig jaar lang. Ook hij draagt de littekens van 
de veldslagen die hij geleverd heeft. 
Nu staat hij daar, de rode map met het getuigschrift in de hand, als iemand die nog een leven voor zich heeft. Maar hij heeft ook al een heel leven achter zich.

    Voor het podium speelt een jazzband de oude Beatlessong When I’m Sixty Four. Misschien overdenkt een van de afgestudeerden op dit moment wel hoe het op z’n 64ste zal zijn. Otto Steinmetz kan onmogelijk vergeten zijn hoe het hém verging toen hij 64 was.

    Dat was in 2008, op het hoogtepunt van de kredietcrisis. Dan ziet bankier Otto Steinmetz van dichtbij hoe de mateloosheid van zijn collega’s bijna het hele financiële systeem ruïneert. 
In interviews bekritiseert Steinmetz later de buitensporige rendementsverwachtingen van de banken, de blindheid van de toezichthouders en het wegkijken van de politici. Hij kan dat doen, want hij hoort dan al niet meer bij de community.

    Wanneer de bankroof van binnenuit begint, is Otto Steinmetz de hoogste risicomanager onder het bestuur. Hij controleert de kredietboeken en moet ingrijpen als de zakelijke risico’s van 
de bank te groot worden. Dat is voor 
de bank als geheel een belangrijke taak. Maar voor de investment bankers is Steinmetz alleen maar een storende factor. Hij vraagt door, wil alles heel precies weten. Ze dwarsbomen hem. Wanneer hij bij de Bankers Trust in New York opeens niet meer naar binnen mag, escaleert de zaak. Steinmetz waagt het ongehoorde: hij dient een aanklacht in tegen zijn eigen werkgever, eist dat hij zijn werk volgens voorschrift kan doen. Hij keert zich tegen de bank, tegen het zwijgen, hij breekt het bolwerk open. De bank gooit hem eruit. Dan volgt een jarenlange juridische strijd, die hij verliest.

    Ook toen Steinmetz in Frankfurt 
werkte, bleef hij in Mannheim wonen en trok niet naar de Taunus, zoals de meeste andere bankmanagers. Hij wilde afstand houden, onafhankelijk blijven. Steinmetz was erbij toen 
mensen gepromoveerd en weer ten 
val gebracht werden. Hij heeft nog geprobeerd om zich in de geest van 
de klassieke bankier aan een morele erecode te houden. Maar uiteindelijk was hij zelf een van degenen die ten 
val gebracht werden.

    Steinmetz vertelt dat een van de mannen uit het sterfhuis onlangs bij een receptie in Berlijn naar hem toekwam. Zijn naam wil hij niet noemen. Maar hij, Steinmetz, werd nu geprezen door degenen die hem indertijd hadden laten vallen, vertelde de man. Niemand die nu zijn kantoor in het kleine gebouw naast het grote heeft, was destijds bereid zich voor hem in te zetten.

    Op zeker moment bereikt ook Steinmetz het punt waarop hij heel zwijgzaam wordt, hoewel hij eigenlijk zou moeten uitpakken en alles vertellen wat hij weet. Maar opeens zegt hij helemaal niets meer. Zijn vrouw vertelt dat het bijna vier jaar durende proces tegen de bank de verschrikkelijkste tijd van hun leven is geweest.

    Ook Otto Steinmetz is niet vrij.

    rtr3bhct

    De mannen in het sterfhuis hadden bijna twee decennia de tijd om de neergang van de Deutsche Bank tegen te houden. Ze hebben de tijd laten verstrijken. Ze lieten toe dat de investment bankers de macht overnamen. Ze zwegen toen degenen die verantwoordelijk waren voor de schandalen in functie bleven, of zelfs een nog hogere functie kregen.

    ‘We speelden het spel allemaal tactisch, we hebben allemaal gelogen,’ zegt een van de oudgedienden. Ze vreesden waarschijnlijk ook hun eigen neergang.

    En dat is nog altijd zo. Het kantoor in de dwarsstraat mag klein zijn, maar als een van de chauffeurs hen ’s morgens thuis afhaalt, weten de buren niet dat hij helemaal niet naar het grote kantoor in de torens gaat, maar naar dat kamertje. Niemand hoeft te weten dat de agenda’s bijna leeg zijn, en dat de aktetas alleen een boterham bevat.

    Geen verandering

    Het is het zoete gif van het comfort. Zolang het werkt, zal er geen echte afrekening plaatsvinden over wat er met de bank is gebeurd. Er zal niets veranderen, niets geleerd worden. 
Een paar dagen geleden kondigde de bank een radicale reorganisatie van
 het concern aan, een paar bestuurders moeten vertrekken, het leidinggevende gremium onder het bestuur wordt afgeschaft. Macht en verantwoordelijkheid moeten weer in één hand komen. Maar zolang het de bestuurders alleen om de uitbreiding en het behoud van de eigen macht gaat, zolang de structuren boven in de toren en zelfs beneden bij de oudgedienden niet veranderen, zolang de insiders zwijgen, zal de neergang doorgaan. 
En die raakt niet alleen de Deutsche Bank.

    ‘Om een volgende grote financiële crisis te voorkomen, zou de hele architectuur van de financiële wereld fundamenteel vernieuwd moeten worden,’ zegt een voormalig bestuurder. ‘Dat de politiek daartoe niet in staat is, zien we aan de halfslachtige hervormingen tot nu toe. De druk zou moeten komen van degenen die een bank van binnenuit kennen. Maar dat gebeurt niet.’

    Op de kantooretage in de kleine dwarsstraat achter het hoofdkwartier van de Deutsche Bank, in zijn kamer links aan het eind van de gang, spreekt de negentigjarige Robert Ehret over zijn leeftijd en hoe zwaar het hem valt alles los te laten. Ook Ehret is na zijn tijd in het bestuur gaan studeren: theologie en filosofie. Maar anders dan Steinmetz is hij altijd een insider gebleven, net als de anderen aan deze gang. 
‘Aan het eind van het leven worden de ruimtes steeds kleiner,’ zegt Robert Ehret, ‘en de laatste ruimte zal de kleinste zijn.’ Hij zegt dat hij nu in de voorlaatste ruimte zit, en daar wil blijven tot het einde.

    Auteurs: Marc Brost en Andres Veiel
    Vertaler: Piet Meeuse

    Marc Brost is chef van de Berlijnse redactie van Die Zeit.
    Andres Veiel is een bekende documentairemaker.

    Die Zeit
    Duitsland | 540.000
    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.