Tag: Ethiopië

  • Tigray: Afrikaanse academici roepen op tot dialoog | ‘Groen’ staal uit Zweden

    Tigray: Afrikaanse academici roepen op tot dialoog | ‘Groen’ staal uit Zweden

    Afrikaanse intellectuelen roepen op tot dialoog in Ethiopië

    ‘Ethiopië staat aan de rand van de afgrond, we moeten handelen.’ Zo luidde de noodkreet van bijna zestig Afrikaanse intellectuelen in het tijdschrift African Arguments op 26 augustus, twee weken na de oproep van premier Abiy Ahmed tot een algemene mobilisatie van de Ethiopische bevolking.

    ‘Wij zijn ontzet en geschokt door de steeds verder verslechterende situatie in Ethiopië’

    De auteurs, die zichzelf omschrijven als ‘Afrikaanse intellectuelen die zich bezighouden met het continent en de diaspora‘ en die ‘hun werkzame leven hebben gewijd aan het begrijpen van de oorzaken van en mogelijke oplossingen voor intra- en inter-Afrikaanse conflicten’, waarschuwen de internationale gemeenschap voor de dramatische ontwikkelingen in de oorlog in Tigray. ‘Wij zijn ontzet en geschokt door de steeds verder verslechterende situatie in Ethiopië.’

    In hun open brief roepen zij zowel de Ethiopische regering als de regionale regering van Tigray op om ‘positief te reageren op de herhaalde oproepen tot een politieke dialoog, ook met de betrokken groepen in de regio’s Amhara en Oromia’. Zij dringen er bij de buurlanden op aan ‘maximale druk’ uit te oefenen en bij de gehele internationale gemeenschap om het werk van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD) en de Afrikaanse Unie (AU) te steunen.

    Lees ook:


    De laatste zwaardmakers van Toledo

    De Carthaagse generaal Hannibal en de Romeinse legioenen waren ruim tweeduizend jaar geleden al fan van zwaarden uit het Spaanse Toledo. De reputatie van deze zwaarden was enorm; met honderden smeden was de stad een van ’s werelds belangrijkste centra voor dit ambacht. Nu zijn er nog maar twee ambachtelijke zwaardmakers over. Ze vormen de laatste schakel in de duizenden jaren oude traditie, aldus The Guardian.

    ‘Zwaarden maken is nauw verbonden met deze stad’, zegt Antonio Arellano van Artesania Arellanos. ‘Als we dat kwijtraken, is het een enorm verlies.’

    ‘Toen ik begon zat het in en om het historische centrum van Toledo nog vol met werkplaatsen’

    Arellano is afkomstig uit een lange lijn van ijzerbewerkers en begon dertig jaar geleden met het maken van zwaarden. Klanten bestonden toen al niet meer uit edellieden en zwaardvechters; in plaats daarvan concentreerde het bedrijf zich op toeristen en verzamelaars die graag een beroemd stuk Toledo-staal wilden aanschaffen. ‘Toen ik begon zat het in en om het historische centrum van Toledo nog vol met werkplaatsen’, aldus Arellano, met zijn 69 jaar de laatste meester-zwaardsmid van Toledo. De afgelopen jaren moesten de lokale zwaardmakers concurreren met inferieure, massaal geproduceerde zwaarden uit Azië. Vervolgens kwam corona en bleven de toeristen weg.

    Toch zal Arellano’s zoon het bedrijf overnemen, want er is nog hoop, schrijf de Britse krant. Belangstelling voor geschiedenis heeft geleid tot een stroom aan opdrachten van tv-series en theaterproducties die op zoek zijn naar historisch nauwkeurig materiaal. En onlangs tekende Arellano een overeenkomst met een historisch themapark, waar zijn zoon ten overstaan van het publiek zwaarden zal gaan smeden.


    Groen staal uit Zweden

    De groene staalonderneming HYBRIT uit Zweden heeft ’s werelds eerste staal geleverd dat is geproduceerd zonder gebruik van steenkool. Het bedrijf wil een revolutie teweegbrengen in een industrie die goed is voor ongeveer 8 procent van de mondiale CO2-uitstoot. HYBRIT, eigendom van SSAB, Vattenfall en mijnbouwbedrijf LKAB, levert het ‘groene’ staal aan Volvo voor een testfase en mikt op volledige commerciële productie in 2026. Volgens SSAB, dat verantwoordelijk is voor 10 procent van de Zweedse en 7 procent van de Finse CO2-uitstoot, is de proeflevering een ‘belangrijke stap in de richting van een volledig fossielvrije keten’, aldus Reuters.

    ‘Ik ben blij de minister te zijn in een land waar de industrie bruist van energie voor een groene reset

    HYBRIT startte vorig jaar met testactiviteiten in zijn proeffabriek in Luleå, in het noorden van Zweden. Ook het bedrijf H2 Green Steel werkt aan een fossielvrije staalfabriek in Noord-Zweden. ‘Ik ben blij de minister van Ondernemen en Energie te zijn in een land waar de industrie bruist van energie voor een groene reset’, was de reactie van Ibrahim Baylan, minister van Ondernemen, Industrie en Innovatie.

  • Ruzie om controversiële dam in Nijl | Gewonden bij betoging in Libanon

    Ruzie om controversiële dam in Nijl | Gewonden bij betoging in Libanon

    Ethiopië en Egypte ruziën om controversiële dam

    Ethiopië heeft Egypte laten weten dat het is begonnen met de volgende fase van het vullen van de controversiële Grand Ethiopian Renaissance Dam (GERD) in de belangrijkste zijrivier van de Nijl. De aankondiging komt enkele dagen voordat de Veiligheidsraad zal vergaderen over deze kwestie. Egypte wijst het ‘eenzijdige initiatief’ af en noemt de stap ‘een schending van internationale wetten en normen’, schrijft Al-Jazeera.

    De GERD, die na voltooiing het grootste hydro-elektrische project van Afrika zal zijn, zorgt al bijna tien jaar voor een diplomatieke impasse tussen Ethiopië en de stroomafwaarts gelegen landen Egypte en Soedan, die vrezen voor hun drinkwatervoorziening.

    Lees ook:


    Gewonden bij betoging in Libanon

    De oproerpolitie heeft dinsdag traangas afgevuurd op betogers buiten de residentie in Beiroet van interim-minister van Binnenlandse Zaken Mohamed Fahmi, waarbij een onbekend aantal betogers gewond raakte, de meesten door het inademen van traangas, aldus lokale media.

    Familieleden van de slachtoffers van de explosie van 4 augustus 2020 in de haven van Beiroet, waarbij meer dan 200 mensen omkwamen, ‘demonstreerden door symbolische houten doodskisten in hun armen te dragen’, meldt L‘Orient-Le Jour. En door ‘een sterke vastberadenheid te tonen om recht te doen geschieden’. De demonstranten beschuldigen de minister ervan het onderzoek naar de explosie in de haven, die ongeveer een jaar geleden plaatsvond, te hebben geblokkeerd.

    Lees ook:


    Gevangenisstraf voor tennisster

    Aanklagers is Spanje eisen een gevangenisstraf van vier jaar voor voormalig tennisster Arantxa Sánchez Vicario en haar ex-man Josep Santacana. Ze worden ervan beschuldigd geld te hebben weggesluisd om te voorkomen dat ze een grote schuld moesten betalen. De voormalige winnares van Roland Garros, zou ‘in opdracht’ van haar echtgenoot hebben gehandeld om te voorkomen dat een schuld moest worden voldaan aan de Banque de Luxembourg, die sinds 2010 een bedrag van miljoenen euro’s claimde. Na jaren van vergeefse aanmaningen, stapte de bank naar de rechter, bericht El País.

    De aanklagers eisen ook dat het tweetal 6,1 miljoen euro schadevergoeding aan de bank betaalt.

  • Rebellen nemen hoofdstad Tigray in | 48 graden in Siberië

    Rebellen nemen hoofdstad Tigray in | 48 graden in Siberië

    In Ethiopië nemen rebellen de hoofdstad van Tigray weer in

    De Ethiopische regering heeft afgelopen maandag een ‘unilateraal en onvoorwaardelijk staakt-het-vuren’ afgekondigd in Tigray, de provincie waar het rebellerende Tigray People’s Liberation Front (TPLF) de hoofdstad Mekelle heroverde. Volgens de internationale pers is dit een grote tegenslag voor premier Abiy Ahmed, die in november nog beweerde de regio onder controle te hebben.

    Dit is een ‘groot keerpunt’ in het conflict in Tigray, schrijft The New York Times. Maandag trokken troepen die loyaal zijn aan de dissidente autoriteiten in dat deel van Noord-Ethiopië, Mekelle binnen, waar de regering na bijna acht maanden vechten een staakt-het-vuren beval. Het Ethiopische leger bezet sinds november vorig jaar de regio Tigray, na de controle van de regionale regering te hebben overgenomen. Maar de Tigrese troepen (TPLF) brachten maanden door met hergroeperen en rekruteren van nieuwe strijders, en kwamen na enkele tegenaanvallen van afgelopen week terug naar de hoofdstad Mekelle.

    Al-Jazeera bevestigt dat TPLF, de voormalige regerende partij van de regio, maandag de controle over de hoofdstad van Tigray heeft herwonnen. Inwoners beweren voor het eerst sinds november troepen met regionale uniformen in de stad te hebben gezien.

    Tegenslag

    Verschillende bronnen vertelden BBC dat mensen op straat opgetogen zijn en dat op sociale media sympathisanten van de Tigrinya-rebellen te zien zijn die met vlaggen door de straten marcheren.

    ‘De snelle opmars van de Tigrese troepen is een grote tegenslag voor de regering van de Ethiopische premier Abiy Ahmed’, legt The New York Times uit. Toen het federale leger vorig jaar naar Tigray werd gestuurd om dissidente lokale autoriteiten af te zetten, verzekerde Abiy Ahmed dat de operatie slechts een paar weken zou duren. Mekelle werd op 28 november ingenomen. Maar de gevechten tussen TPLF-troepen en het Ethiopische federale leger, gesteund door troepen van regionale autoriteiten in de buurt van Amhara en het leger van Eritrea, dat grenst aan Tigray, werden nooit echt beëindigd.

    ‘Veel jonge mensen, handelaren en boeren hebben zich aangesloten bij TPLF’

    Het TPLF lanceerde vorige week een offensief, terwijl in een groot deel van de rest van het land nationale verkiezingen werden gehouden, waarvan de resultaten nog moeten worden bekendgemaakt. ‘Veel jonge mensen, handelaren en boeren hebben zich aangesloten bij TPLF’, vertelde een functionaris in de interim-regering van Tigray aan The Washington Post. ‘Ze hebben het gevoel dat ze vechten voor hun voortbestaan. Ze zullen nooit stoppen met vechten, dat is zeker. Dat is nu ondenkbaar.’

    Het eenzijdige staakt-het-vuren dat maandag is afgekondigd, heeft volgens de regering tot doel de voedselproductie en de verdeling van humanitaire hulp mogelijk te maken. De wapenstilstand zou in ieder geval moeten duren tot het einde van het oogstseizoen in Tigray, dat in september eindigt.

    ‘Het aanhoudende conflict leidt tot een snel verergerende humanitaire crisis, die er volgens de VN voor zorgt dat 350.000 mensen, waarvan 140.000 kinderen, op de rand van hongersnood verkeren, zo bericht Emmanuel Akinwotu, correspondent van The Guardian in West-Afrika.

    Lees ook:


    Kinderen zijn doelwit van jihadisten in Mozambique

    In een jaar tijd zijn naar verluidt zeker vijftig kinderen ontvoerd in de Mozambikaanse provincie Cabo Delgado, waar de bevolking sinds 2017 massaal op de vlucht is voor jihadisten, schrijft Le Courrier International. Meisjes moeten trouwen onder dwang en worden onderworpen aan seksueel geweld, terwijl jongens worden geïndoctrineerd en getraind om te doden.

    Die alarmerende signalen klinken ook in de Mozambikaanse pers. Op 20 juni wijdde de krant O País een artikel aan het voortdurende humanitaire drama in Cabo Delgado. Deze provincie, die rijk is aan natuurlijke hulpbronnen, is gelegen in het uiterste noordoosten van het land aan de grens met Tanzania, en is sinds 2017 het strijdtoneel voor bloeddorstige eenheden onder leiding van islamitische terroristen, waarvan sommigen zijn gelieerd aan de Islamitische Staat.

    ‘In april waren er 732.000 ontheemden in Cabo Delgado’, schrijft het dagblad, ‘waarvan 46 procent kinderen.’ Deze laatsten, verzwakt door de exodus, vallen ten prooi aan de jihadisten, schrijft Myrta Kaulard, coördinator van de Verenigde Naties in Mozambique, in O País: ‘Er zijn meldingen van meisjes en vrouwen die zijn ontvoerd, gedwongen werden tot huwelijken en die seksueel worden misbruikt, evenals berichten over kinderen die onder dwang worden gerekruteerd voor gewapende groepen.’

    ‘In een jaar tijd zijn ten minste 51 kinderen ontvoerd door gewapende, opstandige groepen

    De ngo Save the Childen, geciteerd door de krant Notícias, stelde eerder deze maand vast dat ‘in een jaar tijd ten minste 51 kinderen, voornamelijk meisjes, zijn ontvoerd door gewapende, opstandige groepen in de provincie Cabo Delgado’. Deze cijfers geven alleen de gemelde gevallen weer, aldus het artikel; het daadwerkelijke aantal kinderontvoeringen ligt veel hoger.

    Indoctrinatie

    Mussa Amade bevestigt dit in een artikel van Lusa News Agency. Amade is gevlucht uit Palma, een stad die afgelopen 24 maart door jihadisten werd bestormd tijdens een spectaculaire aanval, dichtbij faciliteiten die Total aan het opzetten was voor een toekomstig gasproject. Amade ‘vertelt over nachten waarin vreemden de huizen binnenkwamen om te doden, te ontvoeren en te plunderen wat ze konden’.

    Het conflict tussen islamitische terroristen en het Mozambikaanse leger, dat volgens de ngo ACLED al minstens 2800 levens heeft geëist, wordt op de voet gevolgd door João Feijó, die werkt voor de ngo Observatório do Meio Rural. In een interview dat hij eerder deze week gaf aan Deutsche Welle, zegt de onderzoeker: ‘De opstandige gewapende groepen die actief zijn in Cabo Delgado breiden hun gelederen uit door jonge mensen te ontvoeren. Het gaat om kinderen en pre-adolescenten vanaf twaalf jaar, die ze indoctrineren en militair training geven. Dat worden degenen die vervolgens aanslagen uitvoeren.’

    ‘Het deradicalisering van kindsoldaten zal nog lange tijd duren’

    Het is een fenomeen dat niet nieuw is in Mozambique, constateert João Feijó, aangezien ‘er al honderden kindsoldaten werden gerekruteerd tijdens de burgeroorlog’, die het land zestien jaar lang teisterde. Het probleem dat zich toen voordeed, duikt weer op benadrukt hij: ‘De waarheid is dat de regering strijdt tegen kinderen die zich in het tegenovergestelde kamp bevinden, hetzij onder dwang, hetzij vrijwillig. Het wordt steeds moeilijker om mensen aan te vallen waarvan niet bekend is of het burgers of opstandelingen zijn.’

    De tragedie zal nog lang voortduren, voegt hij eraan toe: ‘ouders waarvan kinderen werden ontvoerd, hebben geen toegang meer tot gerechtigheid. Ze kunnen nergens hun beklag doen omdat de autoriteiten in het noorden van het land zelf op de vlucht zijn geslagen. Het deradicaliseren van deze kindsoldaten, van wie sommigen heroïsche verhalen opdissen over aanslagen die ze pleegden, en het opnieuw professioneel integreren ervan, zal nog lange tijd duren.’

    Lees ook:


    48 graden in Siberië

    De temperaturen in Siberië overtreffen momenteel die van Delhi, schrijft de Indiase nieuwssite DNA. Volgens de site registreerden twee EU-satellieten een temperatuur van 48 graden Celsius aan de grond in Arctisch Siberië tijdens een aanhoudende hittegolf.

    We weten allemaal, schrijft DNA, dat Rusland en dan vooral het noordelijke deel van Sint-Petersburg via Moskou tot aan Siberië, een van de koudste regio’s op aarde is. Maar klimaatverandering is zeer zichtbaar in dit deel van de wereld. De registratie van 48 graden Celsius werd gedaan door de Copernicus Sentinel 3A- en 3B-satellieten van de EU op 20 juni, de langste dag van het jaar.

    Sint-Petersburg en Moskou braken vorige week decenniaoude temperatuurrecords

    De temperaturen in Sint-Petersburg stegen vorige week dinsdag tot een recordhoogte van 34 graden, en daarmee beleefde de stad de hoogste temperaturen sinds 1998. De temperaturen in Moskou braken een dag later een record toen ze 34,8 graden bereikten. Het vorige record van 34,7 graden, stamt uit 1901.

    In Siberië lag de temperatuur van het landoppervlak zondag boven de 35 graden en pieken van 48 graden werden geregistreerd bij Verchojansk en van 37 graden in Saskylach, die beide ten noorden van de poolcirkel liggen.

    Klimaatverandering

    Het is een voorspelbare start van het zomerseizoen, volgens DNA, na een lente waarin honderden bosbranden het Siberische platteland verschroeiden en grote steden verduisterden en bedekten met dekens van rook.

    Veel van deze lentebranden worden ‘zombievuren’ genoemd omdat het bosbranden betreft die vorige zomer begonnen, nooit volledig werden geblust en nu weer opflakkeren. De zombievuren smeulen maandenlang onder winterijs en sneeuw, gevoed door het koolstofrijke veen onder het oppervlak. Met de komst van de dooi in de lente, laaiden de oude vuren weer op.

    Mei 2021 was Delhi’s warmste meimaand ooit

    De gemiddelde temperaturen in het noordpoolgebied stijgen al jarenlang veel sneller dan waar dan ook op aarde, grotendeels doordat zee-ijs smelt als gevolg van door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde.

    Ondertussen zijn New Delhi en de omliggende gebieden in India dit jaar ook getuige van een zomer met recordtemperaturen, met kwik dat steeg tot 45 graden. Mei 2021 was Delhi’s warmste meimaand ooit, met maximumtemperaturen van 45 graden of zelfs hoger.

    Het is bizar maar waar: op 20 juni lagen de temperaturen in Delhi tussen de 25 en 35 graden, veel lager dus dan de thermometers in Siberië aangaven.

    Lees ook:

  • EU-leiders veroordelen Orbáns antihomowet | Zijn de Chinese coronavaccins wel effectief?

    EU-leiders veroordelen Orbáns antihomowet | Zijn de Chinese coronavaccins wel effectief?

    Hongaarse antihomowet leidt tot verhit debat in Brussel

    De recente Hongaarse wet die het ‘promoten’ van homoseksualiteit onder minderjarigen verbiedt, heeft donderdag tijdens de EU-top in Brussel de gemoederen verhit. Zeventien landen deden een plechtige oproep om de Europese waarden te respecteren, waarbij Mark Rutte zelfs voorstelde dat Hongarije de EU zou verlaten.

    ‘De Hongaarse antihomowet lijkt het geduld van de Europese leiders te hebben opgebruikt’, constateert El País. Tijdens de top die donderdag in Brussel van start ging, kreeg de Hongaarse premier Viktor Orbán te maken met een ‘ongebruikelijk gemeenschappelijk front van zeventien landen die hem beschuldigen van het overtreden van de Europese regels tegen discriminatie en het stigmatiseren van homoseksuelen’.

    Het Hongaarse parlement heeft vorige week een wet heeft aangenomen die het afbeelden van homoseksuelen in educatief materiaal, televisieprogramma’s, en films en series gericht op jongeren verbiedt. De wet is volgens de Hongaarse regering bedoeld om ‘kinderen te beschermen’, schrijft The Guardian.

    In een brief spreken zeventien EU-landen zich uit tegen ‘elke vorm van discriminatie op grond van seksuele geaardheid’

    In hun brief aan de EU-leiders spraken de zeventien ondertekenende landen – die een breed spectrum van politieke kleuren bestrijken, van progressief links in Spanje tot conservatief rechts in Oostenrijks – zich uit tegen ‘elke vorm van discriminatie op grond van seksuele geaardheid’ en benadrukten dat ‘respect en verdraagzaamheid de kern vormen van het Europese project’, bericht RFE-RL.

    Al voor het begin van de besprekingen liepen de spanningen hoog op: bij hun aankomst in Brussel namen de meeste EU-leiders een standpunt in over het onderwerp en beloofden zij verhitte debatten.

    ‘Homoseksualiteit als een gevaar voor jongeren zien, is vergeten dat homoseksueel zijn geen keuze is’

    De Luxemburgse premier Xavier Bettel, de enige openlijk homoseksuele EU-leider, heeft ‘geput uit zijn eigen ervaring’ om de Hongaarse wet te bekritiseren, meldt L’Essentiel. ‘Het moeilijkste was om mezelf te accepteren, toen ik besefte dat ik verliefd was op een persoon van hetzelfde geslacht’, zei hij vlak voor het begin van de top. ‘Op nationaal niveau homoseksualiteit in een kwaad daglicht stellen, het als niet-normaal beschouwen. Het als een gevaar voor jongeren zien, is vergeten dat homoseksueel zijn geen keuze is, in tegenstelling tot intolerantie tonen’, voegde hij eraan toe.

    Volgens Spaanse bronnen heeft ook premier Pedro Sánchez zich krachtig uitgesproken tegen ‘het vereenzelvigen van homoseksualiteit met pedofilie en pornografie’, waarvan volgens velen sprake is in de onlangs goedgekeurde Hongaarse wet, aldus El País.

    Financial Times stelt dat ‘de spanningen hoog opliepen’ tijdens de debatten. ‘Orbán verdedigde zijn wet door te zeggen dat deze bedoeld was om jongeren te beschermen en seksuele voorlichting voor te behouden aan ouders, niet aan scholen’.

    Mark Rutte

    Dit verweer overtuigde de Nederlandse premier Mark Rutte niet, die zei dat Hongarije met deze wet ‘niets meer in de EU te zoeken had’. Hij suggereerde zelfs dat Orbán in de voetsporen van het Verenigd Koninkrijk moet treden en ‘gebruik moet maken van artikel 50 van het Europees Verdrag’ om de EU te verlaten, ‘als hij de regels en waarden van de EU niet wil respecteren’, aldus CNN.

    Het zal niemand verbazen dat Orbán standvastig bleef en heeft verzekerd dat hij ‘de wet niet zal intrekken’, schrijft La Stampa. De Europese Commissie is echter niet van plan het hierbij te laten en heeft Hongarije om ‘uitleg’ gevraagd, aldus El Confidencial.

    Lees ook:


    Hoe effectief zijn de Chinese coronavaccins?

    Meer dan negentig landen gebruiken Chinese vaccins om de pandemie te bestrijden. Nu verschillende van hen worden geconfronteerd met nieuwe uitbraken van het coronavirus, rijst de vraag of de vaccins van Sinovac en Sinopharm wel goed werken. De cijfers uit de praktijk lijken de twijfels te bevestigen die ontstonden tijdens klinische proeven, meldt The New York Times.

    De Wereldgezondheidsorganisatie schreef dat de doeltreffendheid van het Sinovac-vaccin bij het voorkomen van symptomatische infecties in klinische proeven 51 procent bedroeg in Brazilië, 67 procent in Chili, 65 procent in Indonesië en 84 procent in Turkije. Voor het vaccin van Sinopharm bedroeg de werkzaamheid 78 procent in de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Egypte en Jordanië. Ter vergelijking: de vaccins van Pfizer/Biontech en Moderna hadden een werkzaamheidsgraad van meer dan 90 procent.

    Om de doeltreffendheid van de Chinese vaccins in de praktijk te beoordelen, heeft The New York Times onder meer gekeken naar Mongolië, Bahrein en de Seychellen, die ‘althans ten dele’ op deze vaccins hebben vertrouwd in hun vaccinatiecampagne.

    ‘In plaats van bijna volledig coronavrij te zijn, kampen Mongolië, Bahrein en de Seychellen nu met een uitbraak van besmettingen’

    Tussen 50 en 68 procent van de mensen in de drie landen is al volledig gevaccineerd, volgens gegevens van Our World in Data. ‘Maar in plaats van bijna volledig coronavrij te zijn’, schrijft de krant, ‘kampen de drie landen nu met een uitbraak van besmettingen’.

    Volgens gegevens van The New York Times behoorden deze landen op 22 juni tot de vijftien landen ter wereld met het hoogste incidentiecijfer (het aantal infecties per 100.000 mensen).

    ‘Als de vaccins goed genoeg zijn, zouden we dit patroon niet moeten zien’, verklaart viroloog Jin Dongyan van de Universiteit van Hongkong tegen de krant.

    Minder doeltreffend

    De site Quartz is het daarmee eens: ‘Nieuwe golven van coronagevallen op plaatsen waar veel mensen zijn ingeënt met vaccins van Sinopharm of Sinovac doen vrezen dat deze vaccins in werkelijkheid minder doeltreffend zijn dan de autoriteiten hadden gehoopt’.

    The New York Times meldt ook dat meer dan 350 Indonesisch gezondheidswerkers, die volledig zijn ingeënt met Sinovac, de ziekte hebben opgelopen. Ook vergelijkt de krant de situatie op de Seychellen met die in Israël – landen met een vergelijkbaar hoge vaccinatiegraad. De archipel in de Indische Oceaan, die hoofdzakelijk het vaccin van Sinopharm gebruikt, heeft een dagelijks aantal bevestigde coronagevallen van 716 per miljoen, vergeleken met 4,95 gevallen per miljoen in Israël, dat Pfizer gebruikt.

    ‘Sinopharm heeft een minimaal effect gehad op het verminderen van de overdracht’

    Kan de aard van de vaccins zelf dit verschil verklaren? Quartz legt uit hoe Chinese vaccins verschillen van Amerikaanse vaccins. ‘Moderna en Pfizer (…) zetten messenger-RNA (mRNA) in, genetisch materiaal dat cellen instructies geeft om zich tegen het coronavirus te verdedigen. Sinopharm en Sinovac maken daarentegen gebruik van een geneutraliseerde versie van het coronavirus om immuniteit op te wekken.’

    De aard van de coronavirusvarianten speelt waarschijnlijk ook een rol. De deltavariant (ook wel bekend als de Indiase variant) vermindert de doeltreffendheid van de vaccins van AstraZeneca en Pfizer, zoals het tijdschrift Nature een paar dagen geleden vaststelde. Wellicht is dat effect nog belangrijker bij de Sinovac- en Sinopharm-vaccins.

    Volgens Australisch immunoloog Nikolai Petrovsky is het in ieder geval ‘redelijk om op basis van het verzamelde bewijsmateriaal aan te nemen dat het Sinopharm-vaccin een minimaal effect heeft gehad op het verminderen van de overdracht [van de ziekte]’, vertelde hij aan The New York Times.

    Hij voegde eraan toe dat er een groot risico bestaat dat mensen die een van de Chinese vaccins hebben gekregen, weinig of geen symptomen hebben en toch het virus op anderen kunnen overdragen.

    Lees ook:


    Tientallen doden na aanval van het Ethiopisch leger in Tigray

    Op dinsdag 22 juni heeft een luchtaanval van het Ethiopische leger tientallen mensen gedood in de stad Togoga, in Tigray, de noordelijke regio van het land dat in conflict is met Addis Abeba.

    ‘Ten minste 64 mensen werden gedood en 180 raakten gewond in een luchtaanval [op 22 juni] die gericht was op een markt in de door oorlog verscheurde regio Tigray’, meldde The Guardian op donderdag. De aanval komt op een moment dat ‘de gevechten tussen het TPLF (Tigray People’s Liberation Front), dat de regio controleert, en regeringstroepen verhevigen.’ Bovendien vond de aanval een dag na controversiële parlementsverkiezingen plaats, waarbij ‘miljoenen Ethiopiërs niet hebben kunnen stemmen’, waaronder de bevolking van Tigray.

    Dit is ‘de dodelijkste aanval’ sinds het conflict acht maanden geleden begon, aldus CNN. Het conflict heeft hongersnood veroorzaakt en ervoor gezorgd dat miljoenen mensen op de vlucht zijn geslagen.

    Uiterst zorgwekkend

    Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken verklaarde ‘zeer bezorgd’ te zijn over de berichten over de situatie ter plaatse en ‘veroordeelde krachtig’ deze daad van de Ethiopische regering. Ook de VN en de Europese Unie hebben de aanslag veroordeeld, voegt de Amerikaanse nieuwssite eraan toe. Brussel beschouwt deze aanslag als ‘uiterst zorgwekkend’.

    CNN meldt op basis van ‘medische bronnen’ dat ambulances die de gewonden kwamen redden, werden tegengehouden door legerofficieren die ‘hen ervan beschuldigden de Tigrinya-strijdkrachten te willen helpen’.

    De woordvoerder van het Ethiopische leger, geïnterviewd door persbureau AFP en geciteerd door The Guardian, zei dat alleen militair personeel het doelwit was van de luchtaanval en dat de gewonden of doden strijders ‘in burgerkleding’ waren. ‘De Ethiopische luchtmacht maakt gebruik van de nieuwste technologie en voerde de aanval dus uit met precisie en succes’, verklaarde kolonel Getnet Adane van het Ethiopische leger.

    Lees ook:

  • ‘Als je iemands karakter wilt testen, geef hem dan macht’

    ‘Als je iemands karakter wilt testen, geef hem dan macht’

    Abraham Lincoln zei het al: geef iemand macht en hij (/zij) laat zijn ware aard zien. Er zijn talloze voorbeelden van beloftevolle politici die zich, eenmaal aan de macht, ontpopten tot meedogenloze onderdrukkers.

    Lange tijd werd ervan uitgegaan dat macht corrumpeert, een theorie die onder meer was gebaseerd op het beroemde Stanford-gevangenis-experiment uit 1971. Een onderzoek van Smithsonian Institution kwam echter tot een andere conclusie: macht corrumpeert niet, maar versterkt al bestaande ethische tendensen. Of in de woorden van Abraham Lincoln: ‘Bijna iedereen kan tegenspoed doorstaan, maar als je iemands karakter wilt testen, geef hem dan macht.’

    De volgende machthebbers doorstonden de test niet:

    Abiy Ahmed

    Abiy Ahmed werd op 2 april 2018 beëdigd tot de twaalfde premier van een zeer onrustig Ethiopië. In de protesten tegen politieke ongelijkheid, landonteigening en mensenrechtenschendingen waren honderden doden gevallen en werden duizenden mensen opgepakt. De meeste demonstranten waren Oromo en Amharen, de twee grootste etnische groepen in Ethiopië, die samen 60 procent van de bevolking vormen. Velen voelden zich oneerlijk behandeld door de machthebbers, die vooral behoorden tot de Tigrinya-groep, die minder dan 7 procent van de bevolking uitmaakt. Ahmeds voorganger Desalegne stapte op om hervormingen mogelijk te maken.

    Aanvankelijk maakte Abiy – Oromo-moeder en Amhara-vader – de verwachtingen waar. Hij liet tienduizenden dissidente Ethiopiërs vrij en ging in gesprek met gevluchte tegenstanders in het buitenland. Hij nodigde Isaias Afewerki, de president van Eritrea, uit om het grensconflict tussen de twee landen te beslechten – met succes. In oktober dat jaar presenteerde Abiy Ahmed zijn nieuwe kabinet, dat voor de helft uit vrouwen bestaat – die volgens Ahmed minder geneigd zijn tot corruptie dan mannen. Op Abiys voordracht heeft het land sinds 1 november 2018 ook voor het eerst een vrouw als opperrechter, Meaza Ashenafi.

    Abiy ontving in 2019 de Nobelprijs voor de Vrede ‘voor zijn inspanningen om vrede en internationale samenwerking te bereiken’

    Deze inspanningen leverden Abiy in 2019 de Nobelprijs voor de Vrede op: ‘voor zijn inspanningen om vrede en internationale samenwerking te bereiken, en in het bijzonder voor zijn beslissende initiatief om het grensconflict met buurland Eritrea op te lossen’.

    Maar sinds de oorlog in Tigray, en zijn vermeende rol daarin, heeft de reputatie van de Ethiopische premier een flinke deuk opgelopen. Abiy beweerde aanvankelijk dat de oorzaak van de oorlog de aanval van Tigray op militaire bases in de regio was. Maar zijn ‘overwinningstoespraak’ eind vorig jaar onthulde dat gedetailleerde voorbereidingen voor een oorlog al ruim twee jaar geleden begonnen.

    Aanleiding voor het conflict is de weigering van TPLF, de regerende partij van Tigray, om op te gaan in de partij van Abiy. Op de vraag waarom hij niet eerder tot actie overging, zou Abiy hebben gereageerd dat Ethiopië op dat moment niet over voldoende militaire capaciteit beschikte. Het federale leger was heimelijk versterkt, onder andere met dronecapaciteit, op zo’n wijze dat het buiten het zicht van de leiders van Tigray bleef.

    Vlak voor de oorlog werden de internet-, telefoon- en elektriciteitsleidingen naar Tigray door de overheid afgesloten, schrijft Netblocks. Sindsdien zijn alle wegen, inclusief het luchtruim, geblokkeerd. Ook de banken zijn gesloten. Tigrinya die buiten Tigray werken worden ontslagen. Journalisten mogen geen verslag uitbrengen vanuit Tigray, schrijft het Zuid-Afrikaanse Mail & Guardian. Er is enkel toestemming voor hulporganisaties om steun te bieden in gebieden die onder controle van de overheid vallen.

    Sinds het begin van de oorlog zijn de steden van Tigray onderworpen aan zware bombardementen en beschietingen. De regio wordt op verschillende fronten tegelijk aangevallen. Er wordt melding gedaan van wijdverbreide plunderingen van Eritrese en Amhara-militairen, waaronder die van bijzondere culturele en religieuze artefacten.

    Voor de Tigreeërs zelf komt het geweld niet als verrassing: ‘Abiy, met zijn geveinsde politiek van verzoening, liet ons in de steek.’

    De aanpak doet denken aan de door de regering veroorzaakte hongersnood in Ethiopië van 1984-1985. Door opzettelijke verarming en verwaarlozing en de daaropvolgende emigratie werden Tigrinya steeds meer als arme mensen beschouwd. In Eritrea werd Agame, de naam van het oostelijke Tigray-gebied, veranderd in een denigrerende term waarmee naar alle Tigrinya werd verwezen. In de Ethiopische regio Amhara werden Tigrinya aangeduid met termen als sprinkhanen, luizen, bedelaars, banda [verrader] en nog veel meer, en deze zijn nog altijd gangbaar.

    Lees ook:


    Asma al-Assad

    Asma al-Assad had mooie dromen voor de Syrische hoofdstad Damascus toen ze er vanuit Londen heen trok om bij haar man Bashar te zijn. Het zou een welvarende, culturele wereldhoofdstad worden. Maar terwijl niet veel later vele onschuldige burgers als gevolg van een oorlog tegen opstandige groepen omkwamen, leek zij vooral bezig met het uitbreiden van haar schoenencollectie.

    Lees ook ons uitgebreid portret van de First Lady van Syrië:


    Narendra Modi

    ‘Dit is een leider die ons land vooruit wil helpen’, zeiden veel Indiërs in 2014 over Narendra Modi, die dat jaar de verkiezingen won. Hij zou in tegenstelling tot tegenstander Rahul Ghandi niet uit zijn op eigenbelang. Zeven jaar later is duidelijk dat Modi wel degelijk zijn ‘eigen groepering’, de hindoebevolking, voortrekt. Met maatregelen als het abrupt afschaffen van een deel van de bankbiljetten in 2016 en een al even abrupte lockdown vorig jaar, benadeelt hij bovendien het overgrote armere deel van de bevolking.

    Lees ook dit artikel van schrijver en essayist Arundhati Roy:


    Aleksander Loekasjenka

    Aleksander Loekasjenka won de eerste democratische verkiezingen van Belarus in 1994 als ‘corruptiebestrijder’. Maar hij duldt geen tegenspraak. Na beschuldigingen van stembusfraude in 2020 ontstonden massale protesten, die ‘de laatste dictator van Europa’ met harde hand neersloeg. Meer dan 32.000 mensen zouden zijn gearresteerd.

    Lees ook dit uitgebreid portret van de ‘laatste dictator van Europa’:


    Evo Morales

    Evo Morales werd als kandidaat van de socialistische MAS-partij in 2006 de eerste Boliviaanse president van inheemse afkomst. Bij zijn aantreden beloofde hij: ‘We zullen een einde maken aan de koloniale staat en het neoliberale model. Vijfhonderd jaar van verzet door de inheemse volkeren van Amerika zijn voorbij.’

    De gedeeltelijke nationalisatie van olie en gas betaalde royale sociale programma’s die het armoedecijfer terugbrachten van 59 tot 35 procent. Het armste land van Zuid-Amerika werd het snelst groeiende land, met een gemiddelde toename van 5 procent per jaar gedurende meer dan tien jaar.

    In 2014 voerde Morales een nieuwe grondwet in om een derde presidentstermijn mogelijk te maken

    Maar de voormalig leider van de vakbond van cocaboeren kreeg al snel autoritaire trekjes. Hij voerde in 2014 een nieuwe grondwet in om een derde presidentstermijn mogelijk te maken. Een referendum in 2016 voor een vierde termijn, werd verworpen. Maar een jaar later oordeelde het constitutionele hof – bestaande uit door zijn partij aangestelde rechters – dat hij het toch nog eens kon proberen.

    De bij voorbaat controversiële verkiezingen van 2019 verliepen chaotisch, onder andere doordat de voorlopige telling van de stemmen abrupt werd onderbroken nadat de elektriciteit uitviel. Vierentwintig uur later, bij het hervatten van de telling, had Morales ineens de 10 procentpunt voorsprong die nodig was om zijn rivaal, Mesa, in de eerste ronde te verslaan, overschreden.

    Na de massale protesten die deze gang van zaken opleverde, gesteund door de grootste vakbond van het land, het leger en de politie, trad Morales af en vluchtte naar Mexico en later Argentinië.

    Een zelfbenoemde interim-regering onder leiding van Jeanine Áñez, een evangelisch christen die werd ingezworen met een bijbel zo groot als een koelkast, moest zo snel mogelijk nieuwe verkiezingen organiseren. Morales’ vertrouweling Luis Arce en zijn MAS-partij wonnen die verkiezingen, waarop Morales terugkeerde naar Bolivia. Arce werd president.

    In maart werden Áñez en haar voormalige interim-ministers gearresteerd voor terrorisme en opruiing vanwege hun rol in de protesten van 2019. ‘Politieke vervolging,’ volgens de voormalig conservatieve interim-president, ‘in de stijl van een dictatuur.’

    En nu is er een campagne op touw gezet die Morales weer terug aan het hoofd van de regering moet krijgen, als opvolger van president Arce: ‘Evo vuelve’; ‘Evo keert terug’. Hij wil immers nog die vierde termijn uitdienen, waar hij recht op heeft. Want, zoals een commentator in de Boliviaanse krant Los Tiempos schrijft: ‘Volgens Morales en zijn volgelingen is Evo het magische antwoord op elk probleem.’

    Lees ook dit artikel over de Nicaraguaanse president Daniel Ortega:

  • Hongersnood dreigt in Tigray | Estland vraagt VK om sancties tegen Belarus

    Hongersnood dreigt in Tigray | Estland vraagt VK om sancties tegen Belarus

    Hongersnood dreigt in Tigray

    Mark Lowcock, ondersecretaris-generaal voor humanitaire zaken en noodhulpcoördinator van de Verenigde Naties, waarschuwde deze week dat dringende maatregelen nodig zijn om hongersnood in de Ethiopische regio Tigray te voorkomen. ‘Er is een ernstig risico op hongersnood als hulp de komende twee maanden niet wordt uitgebreid’, aldus Lowcock tegen Al-Jazeera.

    In november vorig jaar gaf premier Abiy Ahmed van Ethiopië opdracht tot een militaire operatie in Tigray nadat hij het Tigray People’s Liberation Front beschuldigde van aanvallen op federale legerkampen. Het conflict in Tigray heeft in zeven maanden tijd duizenden mensen gedood en circa vijf miljoen mensen hebben dringend hulp nodig.

    Lees ook:


    Estland doet oproep aan VK

    De president van Estland, Kersti Kaljulaid, heeft er bij Groot-Brittannië op aangedrongen actie te ondernemen om te voorkomen dat antidemocratische regimes zoals dat van Belarus corrupt geld kunnen doorsluizen via het financiële centrum van Londen, aldus The Guardian.

    Haar pleidooi komt nadat de EU nieuwe economische sancties tegen Belarus heeft aangekondigd, alsmede strafmaatregelen tegen de nationale luchtvaartmaatschappij van Belarus, in een reactie op de kaping van een Ryanair-vlucht die leidde tot de arrestatie van de dissidente journalist Roman Protasevitsj, eerder deze week.

    Lees ook:

    De Estse president riep de Britse regering op eensgezind te zijn met de EU en alles in het werk te stellen om zich te verzetten tegen antidemocratische regeringen, zoals die van de Belarussische president Aleksander Loekasjenka. ‘We begrijpen dat er wettelijke beperkingen zijn, maar wees zo sterk als u kunt zijn, want dit is geld waarvoor het Belarussische volk lijdt onder een regime dat hun democratische rechten vertrapt’, aldus Kaljulaid.


    Cultuursector VS wacht nog op 16 miljard

    In december riep het Amerikaanse Congres een nieuw subsidieprogramma in het leven om muziekpodia, theaters en musea te steunen die vanwege de pandemie hun deuren moesten sluiten, maar van de beloofde 16 miljard is nog geen dollar uitgekeerd, meldt CNN. Uitbaters maken zich ernstig zorgen over de uitbetaling, die onder meer wordt vertraagd door technische problemen.


    Duitse vrouw verdient €1192 per maand minder

    De inkomenskloof tussen vrouwen en mannen in Duitsland groeit, zo blijkt uit cijfers van het Federaal Bureau voor de Statistiek. Mannen zouden gemiddeld 1.192 euro bruto meer per maand verdienen dan vrouwen.

    Het salarisverschil tussen mannen en vrouwen is 4 euro groter dan vier jaar eerder

    Het gemiddelde inkomen in april 2018, de laatst beschikbare cijfers, was 2.766 euro per maand. Over dat gemiddelde was het salarisverschil tussen mannen en vrouwen 4 euro groter dan vier jaar eerder, schrijft Die Tageszeitung. De kloof wordt vooral duidelijk bij hogere salarissen. Bijna 3,2 miljoen mannen, tegenover slechts ongeveer 800.000 vrouwen, verdienden 5.100 bruto euro per maand of meer. Dat komt neer op een mannelijk aandeel van bijna 80 procent. Bij topverdieners met minimaal 12.100 euro per maand lag het aandeel mannen met ruim 87 procent zelfs nog hoger. In deze salarisgroep gaat het om 158.000 mannen en 23.000 vrouwen.

    Omgekeerd zijn vrouwen sterk oververtegenwoordigd in groepen met lagere inkomens. Ongeveer 12,5 miljoen vrouwen ontvingen minder dan het gemiddelde inkomen van 2.766 euro, tegenover 8,3 miljoen mannen. Dit komt overeen met een vrouwelijk aandeel van ruim 60 procent.


    Hoger opgeleiden verlaten Italië

    Steeds meer hoger opgeleiden verlaten Italië. Volgens de Italiaanse Rekenkamer is de braindrain de afgelopen jaren sterk gestegen. ‘Beperkte vooruitzichten op een baan en lage lonen dwingen steeds meer afgestudeerden om het land te verlaten’, aldus de Rekenkamer, geciteerd door ANSA, die een toename noteert van 41,8 procent sinds 2013.

    Diploma’s in Italië bieden geen grotere kans op werk vergeleken met lagere opleidingsniveaus

    Net als andere landen ziet Italië steeds meer jonge mensen afstuderen, maar in tegenstelling tot andere landen, vertrekken steeds meer afgestudeerde jongeren naar het buitenland, zo stelt de Rekenkamer. ‘Het fenomeen is te wijten aan de aanhoudende moeilijkheden bij het betreden van de arbeidsmarkt en het feit dat diploma’s in Italië, in tegenstelling tot andere OESO-landen, geen grotere kans op werk bieden vergeleken met lagere opleidingsniveaus.’

    Opeenvolgende regeringen hebben geprobeerd de braindrain terug te draaien en ook de huidige premier Mario Draghi heeft gezworen om van Italië ‘een land voor jongeren‘ te maken met behulp van het door de EU gefinancierde coronaherstelplan.


    Veel Koreanen hebben geldzorgen

    Meer dan de helft van de volwassenen in Zuid-Korea heeft het afgelopen jaar last gehad van angst en depressie vanwege hun financiële status, zo blijkt uit Koreaans onderzoek schrijft The Korea Herald. Het onderzoek werd eind vorig jaar uitgevoerd onder 2000 mensen tussen 20 en 64 jaar, en wijst uit dat 58,1 procent van de respondenten hoge niveaus van stress en neiging tot zelfmutilatie heeft ervaren. Ongeveer 3,2 procent van de deelnemers dacht zelfs aan zelfmoord vanwege hun verslechterde financiële situatie. Niveaus van stress en depressie lagen hoger bij vrouwen en dertigplussers, de respons op zelfmoord en zelfmutilatie lag hoger bij mannen en bij twintig- en dertigjarigen.

    De deelnemers werd gevraagd om hun financiële welzijn te beoordelen op een schaal van nul tot 10. De gemiddelde score was 4,79. De mate van tevredenheid en geluk met financiële omstandigheden lag gemiddeld onder de 5 punten, terwijl het gemiddelde voor angst boven de 5 uitkwam.


    Minder expats in Saoedi-Arabië

    Maar liefst 2,24 miljoen buitenlandse werknemers hebben de privésector in Saoedi-Arabië verlaten sinds het koninkrijk in 2017 begon het aandeel van Saoedi’s in de sector te verhogen. Uit officiële gegevens blijkt dat het aantal buitenlandse werknemers van 2017 tot en met het eerste kwartaal van 2021 met 26,4 procent is afgenomen, bericht Middle East Monitor.

    Eind 2016 werkten er 8,49 miljoen expats in het land, eind maart 2021 waren dat er nog 6,25 miljoen. Het aantal Saoedische werknemers steeg in dezelfde periode met 10 procent van 1,68 miljoen naar 1,84 miljoen.

    Saoedi-Arabië wil het werkloosheidspercentage onder zijn burgers in 2030 teruggebracht hebben tot 7 procent.

    Lees ook:

  • Tractorprotest in Delhi | Nederland in het nieuws | Volstaat het vaccin nog?

    Tractorprotest in Delhi | Nederland in het nieuws | Volstaat het vaccin nog?

    Moderna ontwikkelt een nieuwe versie van haar vaccin

    Moderna kondigde maandag 25 januari aan uit voorzorg te werken aan een nieuwe vorm van het vaccin tegen covid-19 tegen de variant van Sars-CoV-2 die in Zuid-Afrika verscheen, meldt Financial Times.

    Laboratoriumtests tonen aan dat het vaccin dat is ontwikkeld door de Amerikaanse start-up werkt tegen deze Zuid-Afrikaanse variant en ook tegen de variant die voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk is ontdekt, aldus het bedrijf. Maar net als het vaccin van Pfizer-BioNTech, is dit product iets minder effectief tegen de variant uit Zuid-Afrika, schrijft The New York Times, die het nieuws een ‘verontrustend teken’ noemt.

    Moderne onderzoekers onderzochten bloedmonsters van acht mensen die twee doses van het vaccin hadden gekregen, en twee apen die waren gevaccineerd, legt het Amerikaanse dagblad uit. Hoewel de details van de studie ‘niet zijn gepubliceerd of peer-reviewed, is een samenvatting van de bevindingen op de BioRxiv- website geplaatst. Volgens dit document waren de neutraliserende antilichamen even effectief tegen de Britse variant als tegen de oorspronkelijke vorm van het coronavirus. Geconfronteerd met de Zuid-Afrikaanse variant, werd de effectiviteit van deze antilichamen zes keer kleiner. Maar toch, zei het bedrijf, blijven deze antilichamen ‘boven beschermingsniveaus’.

    Worstcasescenario

    Stéphane Bancel, directeur van Moderna, vertelde Financial Times dat het gaat om de voorbereiding op ‘het worstcasescenario’, en dat hij geen zorgen’ had over de effectiviteit van het vaccin de komende maanden. ‘Als er iets moet gebeuren in de zomer, zullen we iets doen, maar we zullen niet te laat komen.’ De autoriteiten eisen misschien niet dat een nieuwe versie van het vaccin een hele reeks klinische proeven bij mensen ondergaat, zei hij, omdat het dezelfde genetische technologie zou hebben als het oorspronkelijke vaccin.

    Volgens The Wall Street Journal benadrukt ‘Moderna’s initiatief de mogelijkheid van een noodzakelijke wijziging’ in de toekomst ‘van de vaccins tegen covid-19 – en misschien van een toediening aan de bevolking in de vorm van herhaalde doses – om een ​​evoluerend virus aan te vallen’. 


    Italiaanse premier Giuseppe Conte treedt af

    De Italiaanse premier, Giuseppe Conte, moet vandag (26 januari) aftreden in de hoop een derde regering te vormen; een ontwikkeling waartegen hij ‘met hand en tand had gevochten, uit angst dat hij niet naar het Chigi-paleis zal kunnen terugkeren’, schrijft Il Messaggero. Conte hoopt na het besluit van Matteo Renzi om zijn partij terug te trekken uit de regerende coalitie op 13 januari van het staatshoofd mandaat te krijgen om te proberen een nieuwe meerderheid op te bouwen.


    Nederlandse rellen internationaal in het nieuws

    Maandagavond moest de oproerpolitie opnieuw optreden tegen groepen demonstranten in verschillende steden in Nederland, nadat zaterdagavond om 21.00 uur een avondklok van kracht was geworden om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, meldt The New York TimesMaandagavond 22.00 uur waren meer dan 70 mensen gearresteerd en in Haarlem en Rotterdam gebruikte de politie traangas om de menigte uiteen te drijven, aldus de politiechef. Na de botsingen die zondag de anti-restrictiedemonstraties in bepaalde Nederlandse steden hadden onderbroken, veroordeelde premier Mark Rutte het geweld ‘onaanvaardbaar’, en kondigde hij aan dat de overtreders zullen worden gestraft. ‘Dit heeft niets met protest te maken, dit is crimineel gedrag’, citeert The Guardian Rutte.


    Het Spaanse Illa-effect

    De Spaanse minister van Volksgezondheid Salvador Illa, die op dinsdag 26 januari zal aftreden, staat bovenaan de peilingen voor de belangrijkste verkiezing van het jaar in Spanje. De verkiezingscampagne begint op vrijdag 29 januari.

    Eind jarig tachtig begon begon Illa, een inwoner van La Roca del Vallès, ten noorden van Barcelona, zoon van een textielarbeider en afgestudeerd in filosofie, op 54-jarige leeftijd zijn politieke carrière. Hij was een hoge ambtenaar voordat hij een leidinggevende werd van de PSC, schrijft El País.

    In januari 2020 werkte Salvador Illa achter de schermen om de Catalaanse linkerzijde van de ERC ertoe te brengen de vorming van een linkse uitvoerende macht in Spanje te vergemakkelijken. Premier Pedro Sánchez bedankte hem door hem tot minister van Volksgezondheid te benoemen. Deze functie leverde hem in tijden van corona veel media-aandacht op, schrijft El País: ‘Hij ging van de stafchef van de vijfde politieke partij van Barcelona naar de populairste tweede minister.’

    ‘Die kalme en serene man die moeilijkheden overwon en de boot leidde tijdens de maanden van de pandemie’

    La Vanguardia noemt Illa ‘die kalme en serene man die moeilijkheden overwon en de boot leidde tijdens de maanden van de pandemie’. Deze kwaliteiten zouden hem in staat moeten stellen de complexe betrekkingen die Catalonië onderhoudt met de centrale regering van Madrid, te kalmeren.

    ‘Hij wordt opgeroepen om de ernstigste constitutionele crisis van de afgelopen veertig jaar het hoofd te bieden’, zegt El País, daarmee verwijzend naar het proces van onafhankelijkheid van Catalonië.

    Volgens de laatste peiling loopt de PSC (23,9%) dus voorop bij de verkiezingen voor het parlement van Catalonië, vóór de separatisten van ERC (20,6%) en JxCat (12,5%).

    Salvador Illa moet als minister van Volksgezondheid worden vervangen door Carolina Darias. De heropleving van de pandemie doet echter twijfels rijzen over het houden van de Catalaanse verkiezingen. Deze werden door de Generalitat uitgesteld tot 30 mei, waarna het Hooggerechtshof tijdelijk besloot tot 14 februari.


    Onrust op de Al-Fashaga-driehoek

    Op de grens tussen Soedan en Ethiopië wordt de Al-Fashaga-driehoek op grond van verdragen die zijn gesloten onder Britse kolonisatie opgeëist door Soedan, maar de scheidslijn tussen de twee landen is nooit duidelijk gedefinieerd en het gebied is gecultiveerd door Ethiopische boeren, die al meer dan twintig jaar onder bescherming staan van milities.

    ‘De kwestie werd terzijde geschoven, en hoewel er Ethiopische landbouwactiviteit in dit gebied was, leek men te begrijpen dat dit niet betekende dat het Ethiopische grond was’, zegt William Davison, analist die gespecialiseerd is in Ethiopië voor de Internationale Crisis Group, geïnterviewd door Deutsche Welle.

    Maar sinds de start van een Ethiopische militaire operatie tegen de dissidente regio Tigray begin november 2020 (lees hierover ook ons artikel Nobelprijswinnaar voor de Vrede voert meedogenloze oorlog in Tigray, Ethiopië) is de situatie veranderd. De Ethiopische ambassadeur in Khartoem beschuldigt het Soedanese leger ervan ‘het Ethiopische gebied’ te zijn binnengekomen en ‘eigendommen te hebben geplunderd, kampen in brand te hebben gestoken, (…) Ethiopiërs te hebben gedood en ontheemd’.

    Elk land heeft zijn interne problemen die verhinderen dat ze een oorlog aangaan

    Soedan beweerde op haar beurt dat het aan het begin van het conflict in Noord-Ethiopië met goedkeuring van de Ethiopische premier Abiy Ahmed 6000 troepen naar de grens heeft gestuurd om de infiltratie van strijders van het Volksfront te voorkomen. Een bewering die door Ethiopië wordt ontkend, meldt de Sudan Tribune.

    Op 18 januari beschuldigde de Soedanese minister van Defensie Ethiopië ervan eveneens troepen aan de grens te verzamelen. Toch zijn experts van mening dat een gewapend conflict onwaarschijnlijk is. 

    Zo zegt Walid Al-Nour, een Soedanese politiek analist, tegen The East African: ‘De twee landen hebben de diplomatieke betrekkingen niet verbroken. De Soedanese ambassadeur is niet naar Addis geroepen en de Ethiopische ambassadeur niet naar Khartoem. Elk land heeft zijn interne problemen die verhinderen dat ze een oorlog aangaan die hen vanbinnen en vanbuiten zou raken.’

    Ethiopië betrekt ook een een derde partij bij het conflict: Egypte. De drie landen zijn verwikkeld in een onenigheid over de Grote Renaissance Dam (GERD) in Ethiopië, die Egypte beschouwt als een bedreiging voor haar watervoorziening en, bij uitbreiding, landbouwcapaciteiten. De onderhandelingen, die enkele jaren geleden zijn begonnen, liggen nog steeds stil, en Ethiopië begon in juli begon met het vullen van de dam.


    Tienduizenden boeren rijden met tractoren door Delhi

    Vandaag (26 januari) worden duizenden tractoren verwacht in de straten van Delhi ter gelegenheid van de Dag van de Republiek, de nationale feestdag die de verjaardag viert van de grondwet van onafhankelijk India, die in 1950 van kracht werd. De traditionele militaire parade moet plaatsvinden in aanwezigheid van de hele regering van Modi in het centrum van de hoofdstad, en de boze boeren willen laten zien dat ze zich niet neerleggen tegen de hervorming van de landbouwtarieven.

    Nadat ze twee maanden lang werden geblokkeerd bij de hoofdingangen van Delhi, ‘mochten ze nu de stad binnenkomen om drie afzonderlijke routes te volgen van in totaal ongeveer 100 kilometer, maar ze bleven in de perifere gebieden en begonnen hun circuit niet tot de officiële militaire parade voorbij was’, meldt The Hindu.

    De huidige situatie. Ondertussen meldt o.a. India Today dat de situatie ‘gespannen’ is.

    Naast ‘de tienduizenden boeren uit Punjab, Haryana en westelijk Uttar Pradesh’ die dinsdag in de straten van Delhi worden verwacht, zijn andere groepen van plan om elders in het land te demonstreren in verband met de feestdag, ‘vooral in Kerala, Gujarat en Orissa’, evenals in Maharashtra, waar honderden tractoren de afgelopen drie dagen van het platteland naar Mumbai zijn samengekomen. Vanaf maandag werd een grote bijeenkomst gehouden in het hart van de economische hoofdstad van het land, ‘in solidariteit met de demonstranten in Delhi’, meldt de Hindustan Times.

    In tegenstelling tot de nationaal regerende Hindu Nationalist Party (BJP) sloten politiek leiders uit de regio zich aan bij de duizenden boeren die zich bij het beroemde Victoria Terminus-station hadden verzameld om het ‘gebrek aan debat’ aan de kaak te stellen dat kenmerkend was voor de goedkeuring van de controversiële hervorming in september 2020. Ze hekelden ook ‘de voordelen die particuliere bedrijven uiteindelijk zullen ontlenen’ aan de maatregelen, die volgens hen onevenwichtig zijn.

  • Nobelprijswinnaar voor de Vrede voert meedogenloze oorlog in Tigray, Ethiopië

    Nobelprijswinnaar voor de Vrede voert meedogenloze oorlog in Tigray, Ethiopië

    Tigray, de noordelijkste regio van Ethiopië, is op alle manieren van de rest van de wereld afgesloten. De tactiek die Ethiopië en Eritrea gebruiken – om het gebied te verarmen en verzwakken – heeft haar wortels in een ver verleden, zegt Gebrekirstos Gebremeskel. Hij waarschuwt voor ‘genocidale onderstromen’.

    Over de auteur

    Gebrekirstos Gebremeskel komt uit de regio Tigray en heeft [half december 2020] al wekenlang niets vernomen van zijn familie.

    Gebremeskel: ‘Tijdens de beruchte, door de regering veroorzaakte hongersnood in Ethiopië van 1984-1985 vluchtte ik als kind met een deel van mijn familie. Na een zware tocht van een maand bereikten we Soedan. Ongeveer een jaar later keerden we terug naar Ethiopië en nog weer later had ik de mogelijkheid naar school te gaan. Dat bracht me op een buitengewoon pad, dat me uiteindelijk helemaal naar Amsterdam leidde, waar ik nu promotieonderzoek doe.

    ‘Drie decennia later zitten de Tigrinya midden in wat lijkt op een herhaling van 1984-1985, zo niet erger. Opnieuw worden ze gebombardeerd, afgeslacht en uitgehongerd, en vluchten ze naar Soedan. In de uitgeputte kinderen op de schouders van hun ouders, en in de geschokte ouders zelf, zie ik mezelf en mijn moeder.

    ‘Ondanks de genocidale motieven en doelstellingen behandelen de media de gebeurtenissen als een normaal conflict tussen een regering en enkele “rebellen”, waarbij ze meegaan in het verhaal van de regering, die een totale communicatieblack-out heeft opgelegd, zodat de Tigrinya onmogelijk hun stem kunnen laten horen. Omdat niemand de oorlog met de nodige ernst behandelt, heb ik deze taak zelf op me genomen.’

    Op 3 november 2020 maakte de Ethiopische premier Abiy Ahmed, die in 2019 de Nobelprijs voor de Vrede ontving, op Facebook bekend dat zijn regering een militaire interventie was begonnen in Tigray, een van de regionale staten van Ethiopië. Inmiddels [eind december 2020] wordt Tigray al twee maanden lang op meerdere fronten aangevallen door troepen uit de naburige Ethiopische regiostaat Amhara, en door het Ethiopische en Eritrese leger. 

    Abiy beweerde dat de oorzaak van de oorlog de aanval van Tigray op militaire bases in de regio was. Maar uit zijn recente ‘overwinningstoespraak’ voor het voormalige parlement bleek dat gedetailleerde voorbereidingen voor een oorlog al ruim twee jaar geleden waren begonnen.

    In antwoord op zijn eigen vraag – ‘Sommige mensen vragen: waarom zijn de [militaire] maatregelen niet eerder genomen, waarom zo laat?’ – zei hij: ‘Iemand die de capaciteit van de vijand en van deze regionale krachtenbundeling doorziet, stelt die vraag niet.’ Met andere woorden: de overheid was niet eerder in staat om te handelen.

    Fikre Tolossa, een vertrouweling van de premier, bevestigt in een bericht van 7 november dat Abiy al lang van plan was Tigray aan te vallen. Fikre vertelt dat hij Abiy een jaar geleden ontmoette en hem vroeg waarom hij geen maatregelen nam tegen het TPLF, de regerende partij van Tigray, die weigerde op te gaan in de partij van Abiy. Abiys reactie was dat Ethiopië op dat moment niet over dezelfde militaire capaciteit beschikte. Aan het parlement onthulde Abiy dat het federale leger onlangs heimelijk werd versterkt, onder andere met drones, op zo’n wijze dat het buiten het zicht van de leiders van Tigray bleef.

    Sinds het begin van de oorlog gaan de steden van Tigray gebukt onder zware bombardementen en beschietingen. De regio wordt op verschillende fronten tegelijk aangevallen door de Ethiopische Nationale Defensiemacht, het Eritrese leger, de Amhara-veiligheidstroepen en milities en speciale troepen uit Afar en andere regio’s. Er worden massaal levens verwoest en eigendommen vernietigd. Eritrese en Amhara-militairen maken zich schuldig aan wijdverbreide plunderingen, waaronder, volgens verschillende rapporten, die van gewaardeerde culturele en religieuze artefacten

    Vlak voor de oorlog werden de internet-, telefoon- en elektriciteitsleidingen naar Tigray door de overheid afgesloten. Alle wegen, en ook het luchtruim, zijn geblokkeerd. De banken zijn gesloten. Tigrinya die buiten Tigray werken, worden ontslagen.

    GettyImages 1229985349 1 1
    Tigrinya in een VN-vluchtelingenkamp in Zuid-Soedan. – © Byron Smith / Getty

    Tigrinya mogen zelf ook niet vliegen. Dat geldt zelfs voor mensen die voor internationale organisaties werken. Tigrese vredeshandhavers in Somalië en Zuid-Soedan werden hierdoor geraakt, en ook Tedros Adhanom Ghebreyesus, directeur-generaal van de WHO, lag onder vuur.

    Journalisten mogen geen verslag uitbrengen vanuit Tigray. Er is enkel toestemming voor hulporganisaties om steun te bieden in gebieden die onder controle van de overheid vallen. Vóór de aanvallen waren ongeveer een miljoen Tigrinya afhankelijk van hulp. Uit rapporten blijkt dat sinds de oorlog nog eens een miljoen mensen ontheemd zijn geraakt. 

    Meer dan vijftigduizend Tigrinya zijn naar Soedan gevlucht, nadat de Amhara-facties westelijk Tigray hadden bezet. Als de vluchtelingen niet zouden worden tegengehouden door binnenvallende troepen, zouden dat er veel meer zijn. Ooggetuigen en de regering van Tigray hebben melding gemaakt van moordpartijen en uitzettingen van Tigrinya, waarschijnlijk op veel grotere schaal dan de bekende slachtpartijen die plaatsvonden in Mai Kadra.

    Het westen van Tigray is bezet door Amhara-leiders. Enorme reclameborden in de steden maken dit duidelijk. Hetzelfde gebeurt in het zuiden van Tigray. Het Eritrese leger heeft tot diep in Tigray de Eritrese vlag gehesen. In een verklaring van 4 december noemde de regering van Tigray de oorlog een poging om het Tigrinya-volk uit te roeien. En voor wie de Ethiopische geschiedenis kent, is dat niet verrassend.

    Concurrerende nationale identiteiten 

    Tigray is de oorsprong van bijna alles wat Ethiopië heeft verworven: al drieduizend jaar een ononderbroken staat, de Aksumitische en pre-Aksumitische beschavingen, het Ethiopische (Ge’ez-)schrift, het toegangspunt voor zowel het christendom als de islam, de religieuze muziek van St.-Yared uit de zesde eeuw, het land van de eerste hidjra [de eerste volgelingen van de profeet Mohammed vluchtten in 613 of 615 naar het koninkrijk Aksum], de vele archeologische vindplaatsen en kloosters, de uitgebreide Ge’ez-literatuur en de Slag bij Adwa, om maar een paar voorbeelden te noemen. Maar juist deze geschiedenis vormt een bron van chronische politieke problemen, zowel in Ethiopië als in Eritrea. 

    Voorafgaand aan het kolonialisme was Tigray een as van politiek en macht in Ethiopië en Eritrea, waarvan de hoofdstad Mekelle het belangrijkste politieke centrum vormde. In die tijd stonden de landen samen bekend als Abessinië. Zoals historicus Richard Reid zegt: ‘Tigray/Abessinië (…) is het schimmige imperium waarvan de aanwezigheid constant is, zij het meer in het hoofd van de mensen dan in werkelijkheid.’

    Eind negentiende eeuw werd dit politieke centrum door de koloniale machthebber Italië en een Ethiopische interne machtsstrijd in tweeën gesplitst: het huidige Ethiopische Tigray enerzijds en het Tigrinya-sprekende deel van Eritrea anderzijds. 

    Koning Menelik II van Shewa [de regio van hoofdstad Addis Abeba, ten zuiden van Tigray] moedigde de Italianen, die voet aan de grond wilden, aan om Tigray te verdelen en ontzegde het gebied de toegang tot wapens. Tigray werd, net als nu, aangevallen door het aan Italië gelieerde Eritrea en Meneliks Amhara-strijders [de bevolkingsgroep waartoe de koning behoorde] in Ethiopië. Zo ontstonden er twee machtscentra: Asmara in Italiaans-Eritrea, en het Addis Abeba van koning Menelik II van Shewa. 

    Asmara wilde een nieuwe nationale identiteit creëren die volledig gescheiden was van Tigray/Aksum. Addis Abeba wilde zich de Tigrinya/Aksum-geschiedenis toe-eigenen en het Tigrinya-volk assimileren of elimineren. Het had een Centraal-Ethiopië voor ogen met de Amhara als legitieme heersers, waar alle andere volken onder zouden moeten vallen. 

    Om hun doel na te streven en te voorkomen dat Tigray in opstand zou komen, gebruikten zowel het Italiaanse Eritrea als het nieuwe Amhara-Ethiopië tactieken om de regio te verzwakken en te verarmen. De Tigrese elite werd geëlimineerd door middel van arrestaties en onderlinge strijd. Tigray werd onderworpen, verarmd, buitengesloten en uiteindelijk verwaarloosd. 

    Door de opzettelijke verarming en verwaarlozing en de daaropvolgende emigratie werden Tigrinya steeds meer als arme mensen beschouwd. In Eritrea werd Agame, de naam van het oostelijke Tigray-gebied, veranderd in een denigrerende term waarmee naar alle Tigrinya werd verwezen. In Amhara-Ethiopië werden Tigrinya aangeduid met termen als sprinkhanen, luizen, bedelaars, banda [verraders] et cetera, en deze zijn nog altijd gangbaar.

    Onderdrukking, opstanden en straffen

    Aan het eind van de negentiende eeuw, in het Ethiopië van Menelik, die zich inmiddels tot keizer had gekroond, werd Tigray onderdrukt en vernietigd. De hedendaagse historicus Fisseha Abiye Ezgi schreef dat ‘elke man die ze konden vinden, werd afgeslacht of zijn geslachtsdelen werden afgesneden’.

    Tigrinya werden in alle richtingen verjaagd. Gebrehiwet Baykedagne, een politiek econoom uit die tijd en zelf Tigrinya, beschreef de omstandigheden als volgt: ‘Er zijn nauwelijks Tigrese jongeren meer in hun geboorteplaats. Als een zwerm bijen zonder hun koningin zijn ze doelloos verspreid over de vier uithoeken van de aarde.’

    Veel Tigrinya vluchtten naar Italiaans-Eritrea, waar ze als minderwaardig werden behandeld door de Italianen, om een ​​gevoel van ‘privilege’ te creëren onder de Tigrinya die uit het Italiaanse-Eritrea zelf afkomstig waren. In Amhara-Ethiopië werden de Tigrinya nog slechter behandeld. Zo schreef kroniekschrijver Afework Gebreyesus, om maar een voorbeeld te noemen: ‘[wanneer Tigrinya spreken] in hun taal, ondergaan zwangere vrouwen een miskraam en drogen de borsten van vrouwen die net zijn bevallen uit.’ 

    In 1943 kwamen de Tigrinya in opstand tegen keizer Haile Selassie, de uiteindelijke opvolger van Menelik. De belangrijkste reden was het intrekken van de autonome status van Tigray en het opleggen van directe heerschappij van Shewa. De Tigrinya eisten een einde van de onderdrukking en herstel van het zelfbestuur. 

    Haile Selassie bombardeerde Tigray met de hulp van de Britse Royal Airforce en dwong het tot onderwerping. Als straf werd het Ethiopische leger losgelaten op de mensen, wat resulteerde in wraakzuchtige massamoorden, rooftochten en plunderingen. 

    Infrastructuur die door Italianen was achtergelaten werd ontmanteld en naar Shewa gebracht – net zoals de storm troopers van Isaias Afewerki [de president van Eritrea] nu geroofde goederen uit Tigray naar Eritrea brengen. In de jaren veertig werden bijvoorbeeld stroomgeneratoren die elektriciteit leverden aan Adwa, Selekleka en Adigrat ontmanteld en naar Addis Abeba gebracht. De steden moesten tientallen jaren wachten voordat ze toegang konden krijgen tot elektriciteit. Bijna alle scholen in Tigray werden gesloten. Tigrinya spreken was verboden, zelfs tussen twee Tigrinya die zakendeden. 

    De onderdrukking en de grieven leidden uiteindelijk in 1975 tot de tweede opstand, een langdurige strijd onder leiding van het Tigray People’s Liberation Front (TPLF).  Dat vormde een tactische alliantie met het toenmalige Eritrese People’s Liberation Front (EPLF) en voerde een guerrillaoorlog tegen de communistische junta van Mengistu Hailemariam, de opvolger van keizer Haile Selassie. Het EPLF vocht voor onafhankelijkheid van Ethiopië. Het TPLF vormde uiteindelijk een strategische alliantie met andere politieke groeperingen en richtte in 1988 het Ethiopian People’s Revolutionary Democratic Front (EPRDF) op.

    Hongersnoodkans

    Tijdens de beruchte hongersnood van 1984-1985 vormde Tigray het centrum van de crisis. De communistische junta zag hierin een kans om de Tigrinya voor eens en voor altijd uit te roeien. De partij lanceerde een moorddadige campagne met als motto: ‘om alle vissen te doden, moest de hele zee leeglopen’ – de zee waren de Tigrinya, de vissen de TPLF-strijders. 

    Tigrinya werden uit hun dorpen verdreven, bijeengedreven op markten en in humanitaire hulpcentra, en ‘hervestigd’ in gebieden verspreid in het zuiden. De rest werd afgeslacht en dorpen en steden werden gebombardeerd. Tigrinya probeerden te ontsnappen door naar Soedan te vluchten, waar ze hulp konden krijgen. De communistische junta bombardeerde de vluchtende massa’s zodra ze die in haar vizier kreeg. 

    Nu blokkeren federale soldaten en Amhara-milities opnieuw de weg naar Soedan, waarover wanhopige Tigrinya proberen te vluchten.

    Na zeventien jaar van bittere, gewapende strijd werd de communistische junta omvergeworpen. In 1991 werd Eritrea de facto onafhankelijk. Het EPRDF nam de macht over in Addis Abeba en regeerde over Ethiopië van 1991 tot 2019, toen Abiy de organisatie ontbond om de Welvaartspartij te vormen die nu regeert zonder te zijn verkozen.

    De komst van Abiy Ahmed 

    Het is belangrijk op te merken dat Abiy Ahmed niet werd gekozen door het Ethiopische volk, maar door het EPRDF, de coalitiepartij waarin hij, voordat hij het premierschap op zich nam, als minister diende en die hij, nadat hij het premierschap had aangenomen, beschuldigde van het plegen van terrorisme tegen het Ethiopische volk. 

    Toen Abiy aan de macht kwam, gaf hij geen blijk van de wens het EPRDF-hervormingsprogramma uit te voeren, noch om een ​​andere routekaart op dit gebied te volgen. Hij had zijn eigen plan: consolidatie van de macht om de ‘zevende koning’ van Ethiopië te worden, in zijn eigen woorden. Volgens hem was dit wat zijn moeder voor ogen had gehad en aan hem had doorgegeven toen hij zeven jaar oud was. 

    Op een golf van populistisch anti-Tigray-sentiment zag hij daarom de ervaren TPLF-leiders als een bedreiging voor zijn macht. Hij begon onmiddellijk de erfenis van het EPRDF aan te tasten, die in de ogen van veel Ethiopiërs synoniem was met de erfenis van het TPLF. Hij nodigde iedereen uit van wie hij dacht dat het de vijand van zijn vijand was: Eritrea, Ginbot 7 en andere oppositiegroepen uit de diaspora. Hij werkte ook hard om buitenlandse steun te winnen door acties te ondernemen die een internationaal publiek aanspraken; zo liet hij zijn kabinet voor de helft uit vrouwen bestaan.

    Ondertussen bleef Abiy de Tigrinya afschilderen als corrupt en slecht, hun heerschappij als ‘27 jaar duisternis’. Ook begon hij tegenstanders uit te schakelen, uiteindelijk zelfs degenen die ooit zijn naaste bondgenoten waren. De Tigrinya zagen welke richting het uitging – autocratisch bestuur – maar verzetten zich niet openlijk tegen Abiy, in de hoop dat de koers zou wijzigen – wat niet gebeurde.

    Vier gebeurtenissen vielen in het bijzonder op:

     1) De aanval op Tigrinya

    Anti-Tigrinya-propaganda en -retoriek groeiden onder Abiy en werden genormaliseerd in de media en op officiële fora. Het TPLF kreeg de schuld van bijna elk gewelddadig incident of probleem waarmee het land te maken kreeg.

    In codewoorden en onder het voorwendsel het TPLF aan te vallen droeg Abiy bij verschillende gelegenheden bij aan het ontmenselijken van de Tigrinya. Een paar maanden nadat hij het premierschap had aangenomen, verwees hij naar hen als ‘የቀን ጅቦች’ (daglichthyena’s) en ‘ፀጉረ ልውጥ’ (onbekende anderen), twee in de Ethiopische context onmenselijke en met haat beladen uitdrukkingen. Hoewel hij niet expliciet de Tigrinya noemde, begreep iedereen naar wie hij verwees. 

    2) De Eritrese ‘vredesovereenkomst’

    Tigray, dat de langste grens deelt met Eritrea, de diepste verwondingen heeft van de oorlog tussen Ethiopië en Eritrea van 1998 tot 2000 en een van de belangrijkste actoren was in die oorlog, werd volledig buitenspel gezet door de vrede tussen Abiy van Ethiopië en Isaias Afewerki van Eritrea.

      

    3) De ontbinding van het EPRDF en de vorming van de Welvaartspartij

    De manier waarop Abiy zich haastte om het EPRDF te ontbinden en de Welvaartspartij te vormen, was opmerkelijk. Er werd geen Ethiopische juridische procedure gevolgd bij de ontbinding van het EPRDF, en de oprichting van de Welvaartspartij voldeed niet aan de wettelijke vereisten. Toen het TPLF deze punten naar voren bracht, kon ze van geen enkele kant op bijval rekenen.  

    Het TPLF weigerde zich bij de nieuwe partij aan te sluiten, maar besloot met de naderende verkiezingen in het vooruitzicht, die volgens Abiy eerlijk zouden verlopen, verder niet voor ophef te zorgen. Op de weigering van het TPLF om lid van zijn partij te worden reageerde Abiy door alle resterende TPLF-leden uit zijn kabinet en andere federale posten te ontslaan, zodat Tigray geen hoge vertegenwoordiging meer had in de federale regering. 

    4) Uitstel van verkiezingen en termijnverlenging 

    Abiy heeft bij verschillende gelegenheden verkondigd dat verkiezingen noch verplicht noch noodzakelijk zijn. Op 10 juni 2019 antwoordde hij op vragen in Aksum: ‘Er zijn landen die al twintig of dertig jaar geen verkiezingen hebben gehouden.’ Dit herinnerde de Tigrinya aan Isaias’ reactie: ‘Welke verkiezingen? We zullen drie, vier decennia wachten’, in reactie op de vraag van Al Jazeera wanneer er verkiezingen in Eritrea zouden komen.

    Verkiezingen werden gewoonlijk altijd in mei gehouden, enkele maanden voor het verstrijken van de regeringsperiode. Het door Abiy uitgekozen bestuur, dat zich realiseerde dat zijn nieuwe Welvaartspartij geen kans had om de verkiezingen te winnen, stelde de verkiezingen uit tot augustus, midden in het regenseizoen. Toen covid-19 kwam, greep Abiy zijn kans en werden de verkiezingen opnieuw uitgesteld.

    Niet alleen is een regering die haar eigen ambtsperiode verlengt problematisch en is het mechanisme waarmee ze dat deed constitutioneel twijfelachtig, Abiys regering overschreed ook een constitutioneel mandaat van de regionale staten toen ze de ambtstermijn van de staatsraden verlengde. De regering van Tigray zag dit als een duidelijke poging om op ongrondwettelijke wijze de macht te grijpen.

    Timing

    In zijn Machiavelli-achtige boek The Stirrup and the Throne schreef Abiy: ‘De vijand achtervolgen kan tijdelijk nuttig zijn. Maar een vijand die niet volledig verpletterd is zodat hij niet meer opstaat, zal terugkomen om aan te vallen. Het is daarom belangrijk om een geschikt moment af te wachten om de vijand te verslaan en zijn dromen te verwoesten.’

    Een gezamenlijke Ethiopische en Eritrese militaire aanval tegen Tigray werd door ESAT [een televisiestation van Ethiopiërs in ballingschap, dat sterk op de hand is van Abiy] voor het eerst geopperd en aanbevolen in hun uitzending van 1 juli. De video werd gedeeld door de aan Isaias Afewerki gelieerde Eritrese pers met de boodschap ‘dit is onvermijdelijk; het TPLF staat op de Eritrese agenda’. In een uitzending van 2 oktober riep Abiy de regering op banken, elektriciteit, internet en telefoon in Tigray af te sluiten en salarisuitbetalingen te verstoren. 

    In de uitzending van 7 oktober riep ESAT op tot het sluiten van bedrijven en bankrekeningen van Tigrinya. ‘Het belangrijkste punt is dat de overheid maatregelen moet nemen om het levensonderhoud van de Tigrinya-bevolking te verstoren’, was de letterlijke boodschap. Niet alleen werden gewassen achtergelaten om ze te laten verrotten, ook werden ze opzettelijk vernietigd door binnenvallende troepen. Het belangrijkste commerciële westelijke deel van Tigray, waar onder andere de sesamproductie plaatsvindt, is nu verwoest. 

    Opnieuw was het doel de Tigrinya te verzwakken en verarmen. 

    En precies toen de wereld gefocust was op de Amerikaanse verkiezingen, kozen Abiy en Isaias ervoor de daad bij het woord te voegen. Geholpen door Tigrese officieren die in de regio gestationeerd waren verijdelde Tigray hun plan, en zo belandden we in het conflict dat al anderhalve maand [sinds begin november 2020] duurt en zal blijven voortduren. 

    Genocidale onderstromen

    De etnische profilering en doelgerichtheid, de harde en verwoestende maatregelen tegen Tigray en de Tigrinya, de plundering en de vernietiging van burgers en civiele infrastructuur, de bloedbaden, de blokkades, de collectieve straffen, de bombardementen en de weigering van onafhankelijk onderzoek en het toestaan ​​van humanitaire hulp, moeten worden gezien als het product van genocidale onderstromen. 

    Het plan van de regering van Abiy is om Tigray uiteindelijk uit te hongeren, net zoals de communistische junta deed tijdens de burgeroorlog en hongersnood van 1984-1985. Internationale interventie is nodig om een ​​eenentwintigste-eeuwse genocide van Rwandese proporties en een stille slachting van miljoenen Tigrinya door verhongering te voorkomen. [Op 2 december werd een akkoord bereikt om VN-hulp naar de regio toe te laten.]

  • 4. Goede hoop in Afrika

    4. Goede hoop in Afrika

    Ethiopië heeft zijn eerste vrouwelijke president, en een kabinet dat voor de helft bestaat uit vrouwen. Salonfeminisme? Misschien. Maar goed voorbeeld doet goed volgen.

    Abiy Ahmed, de premier van Ethiopië, heeft de gewoonte om met grootse politieke gebaren deining te veroorzaken op het hele Afrikaanse continent. In korte tijd heeft hij duizenden politieke gevangenen vrijgelaten, vrede gesloten met Eritrea en democratische verkiezingen beloofd in een van de meest autocratische landen in Afrika.

    Zijn meest recente actie zal wellicht de grootste schokgolven veroorzaken: hij gaf de helft van de ministersposten aan vrouwen. Hiermee sluit Ethiopië aan bij Rwanda, dat ook evenveel vrouwen als mannen in zijn kabinet heeft. [Ethiopië heeft bovendien sinds 25 oktober zijn eerste vrouwelijke president, Sahle-Work Zewde, die werd gekozen op voorspraak van de premier.]


    Cynici zien de benoemingen als een handige truc om buitenlandse geldschieters te paaien en een besmeurd blazoen op te vijzelen. Daar zit misschien wat in. Maar laten we niet vergeten dat goed voorbeeld goed doet volgen en dat er daadwerkelijk iets kan veranderen. 
Vooralsnog zijn Ethiopië en Rwanda helaas uitzonderingen. Nu de Liberiaanse president Ellen Johnson Sirleaf is afgetreden, telt het Afrikaanse continent naast Zewde alleen nog mannelijke regeringsleiders.

    Maar met Rwanda en Ethiopië als lichtende voorbeelden stijgt de druk op andere landen om vooral niet achter te blijven. Atiku Abubakar, presidentskandidaat voor de volgende verkiezingen in Nigeria, beloofde 40 procent van de posten in zijn kabinet aan vrouwen en jongeren af te staan, zo meldde de Nigeriaanse pers. Het woord ‘afstaan’ – gekozen door de verslaggever en niet noodzakelijk door de presidentskandidaat – is hierbij veelzeggend. Het tekent de hardnekkige tegenzin om de macht, die ‘rechtmatig’ aan mannen toebehoort, over te dragen. 


    Seksuele uitbuiting

    Maar Afrika doet er beter aan dat idee te omarmen. Dat geldt zowel voor politici als voor de kiezer. Vrouwen zijn onevenredig vaak slachtoffer van veel van het onrecht dat op het Afrikaanse continent heerst – of het nu gaat om seksuele uitbuiting, beperkte toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, of banenschaarste. Ondanks de geboekte vooruitgang is het aantal ondervoede meisjes dat niet naar school gaat nog altijd groter dan het aantal jongens.

    Recente gebeurtenissen in Liberia en Zuid-Afrika onderstrepen niet alleen dat vrouwen kwetsbaar zijn voor seksueel geweld, maar vooral ook dat ze hiertegen in het geweer komen. In Liberia gingen zowel vrouwen als mannen de straat op uit woede over de onthullingen dat meisjes van een door de Amerikaanse liefdadigheidsinstelling More Than Just Me gerunde school herhaaldelijk door de medeoprichter van de organisatie waren verkracht. In Zuid-Afrika trad Cheryl Zondi uit de anonimiteit om in de eerste live uitgezonden verkrachtingszaak te getuigen tegen de evangelische priester die haar vanaf haar veertiende had misbruikt.

    Terwijl ze met haar getuigenis op veel steun kon rekenen en de donkere krochten van de Zuid-Afrikaanse verkrachtingscultuur aan het licht blootstelde, toonde het proces ook aan waarom vrouwen huiverig zijn om hun mond open te doen. Zondi werd op een agressieve manier ondervraagd en voor leugenaar uitgemaakt, en ze werd gedwongen onnodige, pijnlijke details van haar verkrachting te onthullen.

    Sahle-Work Zewde is de eerste vrouwelijke president van Ethiopië. – © HH
    Sahle-Work Zewde is de eerste vrouwelijke president van Ethiopië. – © HH

    Vrouwelijke strijders

    Gelukkig kan Afrika bogen op een lange traditie van sterke vrouwen. Voordat de Arabieren en Europese kolonisten Afrika onder de voet liepen en patriarchale religies als de islam en het christendom over het continent uitrolden, waren veel Afrikaanse samenlevingen matriarchaal. De Ashanti, in wat nu Ghana is, kennen een matrilineaire afstamming en overerving gaat meestal via de vrouwelijke lijn.

    Onder Afrikaanse vrijheidshelden bevinden zich veel vrouwen, hoewel ze maar al te vaak uit de geschiedenis zijn weggeschreven. In de voormalige Britse kolonie Rhodesië, het huidige Zimbabwe, voerde spiritueel leider Nehanda Charwe (1840-1898) het verzet aan tegen de British South Africa Company (BSAC). In Kenia speelden vrouwen een prominente rol in het verzet tegen de koloniale macht, hoewel er nauwelijks straatnamen naar vrouwelijke vrijheidsstrijders zijn vernoemd.

    Ook in het huidige Afrika is er geen gebrek aan inspirerende vrouwen. Zonder de onvermoeibare inzet van Thuli Madonsela, de voormalige ombudsvrouw van Zuid-Afrika, was oud-president Jacob Zuma ongetwijfeld nooit voor het gerecht gesleept. Ook onder de grote Afrikaanse schrijvers bevinden zich talrijke vrouwen, waaronder de Nigeriaanse Chimamanda Ngozi Adichie. En belangrijker nog: op het hele continent zijn het de vrouwen die de boel bijeenhouden, die het meeste zware werk verrichten en een centrale rol spelen binnen het gezin.

    
Uit talloze studies blijkt dat de samenleving als geheel – vrouwen én mannen – baat heeft bij geschoolde, sterke vrouwen. Dat een presidentskandidaat in Nigeria zich geroepen voelt om vrouwen meer macht te geven, is een positief teken. Maar hoe eerder vrouwen zelf die macht beginnen op te eisen, hoe beter.

    Auteur: David Pilling

    Financial Times
    VK | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld, met internationale economisch en financieel nieuws.

  • De mysterieuze vrijgezellenclub die Ethiopië platlegde

    De mysterieuze vrijgezellenclub die Ethiopië platlegde

    Ze zijn jong, ongetrouwd en boos. De Ethiopische Qeerroo-beweging wist met stakingen en protestacties de premier van een van Afrika’s meest dictatoriale regimes ten val te brengen.

    Tegenwoordig is Desalegne bankier. Maar ooit was hij een Qeerroo: een jonge, energieke, ongetrouwde man afkomstig uit Ethiopiës grootste etnische groep, de Oromo, en gebonden aan wat hij noemt ‘een verantwoordelijkheid om het volk te verdedigen’.

    Twaalf jaar geleden hielp hij mee om massaprotesten te organiseren tegen een verkiezingsuitslag die volgens velen gemanipuleerd was door het regerende Ethiopian Ethiopisch Volksrevolutionair Democratisch Front (EPRDF). Hierdoor belandde hij in de gevangenis wegens terrorisme.

    Sindsdien is hij getrouwd en heeft hij, zoals velen van zijn generatie, de politiek grotendeels gemeden. Tot 12 februari, toen hij samen met vele anderen in Adama en de regio Oromia meedeed aan een staking voor de vrijlating van oppositieleiders en de beëindiging van het autoritaire regime.

    De boycot, die drie dagen duurde en een groot deel van Centraal-Ethiopië stillegde, resulteerde op 13 februari in de vrijlating van Bekele Gerba, een prominente Oromo-politicus die in Adama woont, en binnen 48 uur in het aftreden van Ethiopiës veel bekritiseerde premier, Haile Mariam Desalegne. De geschokte regering riep daarna op 15 februari voor de tweede keer in twee jaar de noodtoestand uit.

    ‘Alles lag plat,’ zegt Desalegne over de staking in Adama. ‘Bijna iedereen deed mee – zelfs ambtenaren.’ Voor hem en veel andere inwoners van Adama is er maar één verklaring waarom deze normaal zo rustige stad zich aansloot bij de opstand die zich sinds 2014 over delen van Ethiopië heeft verspreid: de Qeerroo.

    Jonge vrijgezellen

    Wie de Qeerroo precies zijn, en hoe ze hebben geholpen om een van Afrika’s sterkste en meest autocratische regeringen op de knieën te krijgen, is niet zo eenvoudig te begrijpen. In de traditionele Oromo-cultuur staat de term voor een jonge vrijgezel. Maar tegenwoordig staan de Qeerroo symbool voor zowel de Oromo-beweging – een strijd om meer politieke vrijheid en een grotere, etnische vertegenwoordiging in landelijke structuren – als voor een hele generatie Ethiopische jongeren die de laatste tijd assertiever is geworden.

    ‘Zij zijn de stem van het volk,’ verklaart Debela, een tweeëndertigjarige taxichauffeur in Adama. Hij zegt dat hij te oud is om een van hen te zijn, maar dat hij hun protest begrijpt. ‘Zij zijn de voorhoede van de Oromo-revolutie.’

    De identiteit van de Oromo is veel sterker geworden sinds het EPRDF in 1994 een model van etnisch gebaseerd federalisme instelde. ‘In het verleden was het een schande om als Oromo te worden beschouwd,’ zegt Desalegne, wijzend op de etnische assimilatiepolitiek van de twee voorgaande Ethiopische regimes, keizerlijk en communistisch. ‘Maar nu zijn mensen er trots op om Oromo te zijn. Dat heeft de Qeerroo aangemoedigd.’

    Naarmate de Oromo-beweging de afgelopen jaren een groter zelfvertrouwen kreeg, trok de rol van de Qeerroo in het organiseren van onrust steeds meer de aandacht van de staat. Begin dit jaar kondigde de politie plannen aan om hard op te treden tegen de Qeerroo, met het argument dat het een clandestiene groep was die het land wilde destabiliseren en controle wilde krijgen over lokale overheidskantoren. Ze werden zelfs beschuldigd van terrorisme. Hoewel veel mensen dat tegenspreken, twijfelen weinigen aan de huidige kracht van de Qeerroo als undergroundgroep.


    Sinds de vorige noodtoestand in augustus 2017 werd opgeheven, organiseerden Qeerroo-netwerken stakingen en protestacties in verschillende delen van Oromia. Dit ondanks het feit dat de overheid vanaf eind vorig jaar het complete mobiele internet heeft platgelegd in alle regio’s behalve de hoofdstad.

    Bekele Gerba, de oppositieleider, schrijft zijn vrijlating uit de gevangenis toe aan de Qeerroo. Zij stuurden ook honderden mensen naar zijn huis in Adama om hem geluk te wensen. Maar net als vele oudere activisten bekent hij dat hij maar weinig weet van hoe ze zich organiseren. ‘We weten niet wie de leiders zijn en we weten niet of ze een centraal commando hebben.’

    Maar in een recent interview met The Guardian lichtten twee lokale leiders in Adama, Haile en Abiy (niet hun echte namen), hun methoden toe. Volgens de twee mannen, beiden achter in de twintig, heeft elk district van de stad één Qeerroo-leider met minstens twintig ondergeschikten die allemaal verantwoordelijk zijn voor het verspreiden van boodschappen en informatie over komende stakingen. Ze zeggen dat hun netwerken de afgelopen maanden beter georganiseerd zijn. Er is nu een hiërarchische commandostructuur en zelfs één enkele leider voor het hele Oromia. ‘Dat zorgt voor discipline en stelt ons in staat met één stem te spreken,’ zegt Abiy.

    Hun taak is moeilijker geworden door de afwezigheid van internet. ‘Via sociale media kun je een boodschap in enkele seconden verspreiden,’ zegt Abiy. ‘Nu kan het wel twee weken duren omdat we van deur tot deur moeten gaan.’ In plaats van WhatsApp en Facebook te gebruiken, distribueren ze nu papieren flyers, vooral op universiteitscampussen.

    ‘De Qeerroo zijn als een voetbalteam. Jawal is misschien de doelman, die helpt en aanwijzingen geeft, maar wij zijn de aanvallers’

    De rol van Oromo-activisten in de diaspora, vooral die in de VS, blijft eveneens van cruciaal belang, ondanks de stillegging van internet. Zecharias Zelalem, een in Canada wonende Ethiopische journalist, zegt dat de Qeerroo dankzij prominente socialemedia-activisten het politieke gewicht hebben gekregen waaraan het jeugdbewegingen in andere delen van het land nog steeds ontbreekt. Vooral het werk van Jawar Mohammed, de controversiële stichter van het in Minnesota gebaseerde Oromia Media Network (in Ethiopië verboden), heeft volgens hem de stem van de Qeerroo versterkt.

    ‘Jawar geeft ons politieke analyses en advies,’ legt Haile uit. ‘Hij kan toegang krijgen tot informatie, zelfs van binnen de regering, die hij deelt met de Qeerroo. Wij evalueren die informatie en beslissen dan of we er iets mee gaan doen.’

    Hij en Abiy ontkennen allebei dat Jawar vanuit het buitenland de protesten zou leiden, een vermoeden dat in Ethiopië wijdverbreid is. ‘De Qeerroo zijn als een voetbalteam,’ reageert Haile. ‘Jawal is misschien de doelman, die helpt en aanwijzingen geeft, maar wij zijn de aanvallers.’

    De herinstelling van de noodtoestand heeft kwaad bloed gezet bij veel Qeerroo in Adama en elders in Oromia. Die stap wordt algemeen beschouwd als een tactloze poging om het protest te stoppen.

    Leden van de Oromo-beweging protesteren in de hoofdstad Addis Abeba tegen de regering in oktober 2017. – © Minasse Wondimu Hailu / Getty Images
    Leden van de Oromo-beweging protesteren in de hoofdstad Addis Abeba tegen de regering in oktober 2017. – © Minasse Wondimu Hailu / Getty Images

    Sommige analisten vrezen dat de leden van een nu nog voornamelijk vreedzame, politieke beweging door nog meer repressie hun toevlucht zullen nemen tot geweld en extremisme.

    Veel mensen binnen de regering, en ook elders in het land, maken zich zorgen over een toename van etnisch gemotiveerde aanvallen op mensen en gebouwen, en speciaal op etnische Tigray die zo’n zes procent van de bevolking vormen, maar toch de politiek en het zakenleven zouden domineren.

    Eind vorig jaar werden er staatstroepen naar universiteitscampussen gestuurd vanwege het escalerende etnische geweld waarbij meerdere doden vielen. Soortgelijke incidenten werden gemeld tijdens protesten in de afgelopen maand.

    Jibril Ummar, een plaatselijke zakenman en activist, zegt dat hij en anderen hebben geprobeerd de protesten in Adama vreedzaam te laten verlopen. Ze kalmeerden de verhitte jongeren die gebouwen wilden vernielen en mensen die geen Oromo’s waren wilden aanvallen. ‘Het baart me zorgen,’ geeft hij toe. ‘Die jongens zijn nog niet volwassen. Als je emotioneel bent, breng je de strijd in gevaar.’

    Ook Gerba zegt ongerust te zijn over geweld, inclusief dat van de etnische soort. ‘We weten met zekerheid dat Tigrays door het hele land het vaakst op de korrel worden genomen. Dat verontrust me zeer en daar moet iets aan gedaan worden.’

    In de komende tijd zal de EPRDF beslissen wie de nieuwe premier wordt, en velen hopen dat het iemand uit de Oromo Volksdemocratische Organisatie (OPDO) zal zijn, de Oromo-vleugel van de heersende coalitie. Dat zou sommige Qeerroo gunstiger stemmen, op de korte termijn tenminste. Maar waarschijnlijk is dat op zich niet genoeg om de woede te temperen.

    ‘Als we getrouwd zijn, trekken we ons terug uit de Qeerroo,’ zegt Haile. ‘Maar als we onze vrijheid niet krijgen, zal dat nooit gebeuren.’

    Auteur: Tom Gardner
    Vertaler: Astrid Staartjes

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 146.766

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten. Online een van de grootste kranten ter wereld.

    © Courrier International
    © Courrier International
  • Eritrea kruipt uit zijn isolement

    Eritrea kruipt uit zijn isolement

    De muur rond de autoritaire eenpartijstaat Eritrea brokkelt af. Trump in het Witte Huis en de oorlog in Jemen, aan de overzijde van de Rode Zee, helpen daarbij een handje. Aartsrivaal Ethiopië kijkt met argusogen toe.

    Twee recente, maar volstrekt verschillende gebeurtenissen, zullen op een dag wellicht gelden als symbolische keerpunten voor Eritrea, een autoritaire eenpartijstaat, alom bekend als het geïsoleerdste land van Afrika. De eerste gebeurtenis betrof de bloedige botsing aan de grens met Ethiopië, een jaar geleden, die 
herinneringen opriep aan de verwoestende tweejarige oorlog die in 1998 tussen de twee aartsvijanden uitbrak. Bij dit oplaaien van de strijd vielen honderden doden.

    De tweede gebeurtenis was een wetenschappelijk congres, een maand later, in de Eritrese hoofdstad Asmara – 
de eerste bijeenkomst van dien aard 
in vijftien jaar. De deelnemers aan het congres waren hogelijk verbaasd over de relatieve vrijheid waarmee in de beruchte politiestaat over de meest uiteenlopende onderwerpen – van vrouwenrechten tot buitenlandbeleid – kon worden gedebatteerd. ‘Je zou het een politieke gebeurtenis kunnen noemen,’ zegt Harry Verhoeven, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Georgetown University in Qatar. ‘Het was voor regionale begrippen 
al uitzonderlijk, maar voor Eritrea helemaal.’

    Welbeschouwd zijn deze ogenschijnlijk tegenstrijdige aangelegenheden twee lijnen in hetzelfde verhaal: Eritrea doorbreekt schoorvoetend het isolement waarin het land al tien jaar verkeert, en rivaal Ethiopië probeert aan die verschuiving het hoofd te bieden.

    Sancties

    Het congres toonde in elk geval aan dat Eritrea voorzichtig naar buiten treedt. Het grensconflict was een teken dat buurland Ethiopië bang is dat het zijn dominante positie in de regio kwijtraakt als Eritrea wordt gerehabiliteerd. Samen laten de twee gebeurtenissen zien dat de zeventienjarige toestand van ‘geen vrede én geen oorlog’ zijn einde nadert.

    In april kondigde Ethiopië aan dat het land aan een nieuw beleid ten opzichte van het buurland werkt. Nog niet alle details zijn bekend, maar één ding is duidelijk: de regering in Addis Abeba erkent dat haar strategie om Eritrea 
na het einde van de grensoorlog in te tomen – in 2009 formeel bekrachtigd door een wapenembargo van de VN – 
is mislukt. Voor het eerst in jaren wordt er in Addis Abeba serieus over een koerswijziging gesproken.

    Het sanctiebeleid van de Verenigde Naties is afhankelijk van de steun van de internationale gemeenschap, maar die steun brokkelt geleidelijk aan af. De sancties waren altijd al controversieel omdat Eritrea in een regio vol bad guys als enige tot boeman werd bestempeld. Binnen de VN is inmiddels een groeiende consensus dat er geen duidelijke grond meer is voor de sancties: er is geen bewijs dat Eritrea de islamitische terreurgroep Al-Shabaab in Somalië nog steeds steunt. En hoewel het land wel achter andere gewapende oppositiegroepen in de regio – met name in Ethiopië – blijft staan, is het daarin geen uitzondering: omringende landen doen dat eveneens. Ethiopië kan de versoepeling – of opheffing – van de sancties hooguit tegenhouden tot eind 2018, wanneer de termijn van Addis Abeba als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad afloopt.

    Een markt in de Eritrese hoofdstad Asmara. – © Stefan Boness / Hollandse Hoogte
    Een markt in de Eritrese hoofdstad Asmara. – © Stefan Boness / Hollandse Hoogte

    Spanningen tussen Eritrea en buurland Djibouti, die in juni een hoogtepunt bereikten na het besluit van Qatar om zijn blauwhelmen uit het betwiste grensgebied terug te trekken, zouden Ethiopië op de korte termijn in de kaart kunnen spelen. Maar op de lange duur zal het nog niet meevallen de andere VN-leden ervan te overtuigen de status-quo te handhaven nu de steun van de Verenigde Staten dreigt weg te vallen. Met het vertrek van president Barack Obama – en vooral van diens nationale veiligheidsadviseur Susan Rice, die zich onverbiddelijk opstelde tegenover het Eritrese regime – is Washington waarschijnlijk minder geneigd Eritrea in het strafbankje te laten zitten. ‘Rice liet de Eritreeërs geen enkele speelruimte,’ zegt Bronwyn Bruton, adjunct-directeur van 
het Africa Center van de Amerikaanse denktank Atlantic Council. ‘Alle 
Afrikaanse dictators wrijven zich in 
de handen nu Donald Trump in het zadel zit.’

    Eritrea heeft op meer fronten de wind in de rug. De oorlog in Jemen – op nog geen 150 kilometer afstand, aan de overkant van de Rode Zee – heeft onder de Golfstaten een stormloop veroorzaakt op ‘bedrijfsruimte’ langs de Eritrese kust, de ideale plek om troepen te stationeren. De Verenigde Arabische Emiraten bijvoorbeeld huren al sinds 2015 de haven van Assab, waar de VAR een militaire basis bouwen. In Jemen zelf vechten naar verluidt vierhonderd Eritrese soldaten voor de door de Saoedi-Arabië geleide coalitie, en dat levert Eritrea olie en geld op.

    En door de migratiecrisis heeft de Europese Unie, die de stroom van vluchtelingen en migranten uit Afrika wanhopig probeert in te dammen, tegen wil en dank toenadering gezocht. Van 2014 tot 2016 bestond het leeuwendeel van de Afrikaanse vluchtelingen uit Eritreeërs – en dat levert president Isaias Afewerki, die al sinds 1993 aan de macht is, een aardige som geld op. In 2015 zegde de EU een hulppakket van 200 miljoen euro toe, geld dat overigens nog moet worden uit–betaald. Dit bedrag komt boven op de beloofde hulp om het functioneren van het justitiële apparaat en de veiligheidsdiensten te verbeteren zodat mensensmokkel effectiever kan 
worden aangepakt.

    Individuele Europese landen en humanitaire organisaties laten hun neus ook weer zien. Zo is Duitsland weer begonnen met technische hulpprogramma’s, terwijl het Britse ministerie van 
Ontwikkelingssamenwerking van plan is een kantoor te openen in Asmara. Amerikaanse functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, 
die het land jaren hebben gemeden, hervatten voorzichtig diplomatieke bezoekjes. ‘De muur die de Ethiopiërs zorgvuldig rond Eritrea hadden opgebouwd is danig aan het afbrokkelen,’ zegt Martin Plaut, auteur van het boek Understanding Eritrea. ‘En iedereen staat ineens te dringen om vriendschapsbanden aan te knopen.’

    President Afewerki is nog altijd gebaat bij de huidige situatie – en dat verklaart waarom het land in een permanente staat van oorlog wordt gehouden

    Eritrea zelf is ook druk bezig zich aan zijn status van paria te ontworstelen. Asmara probeert buitenlandse investeerders te paaien, met name in de mijnbouwsector. In een poging meer buitenlandse investeerders te trekken heeft de regering in de haven van 
Massawa een vrijhandelszone ingesteld. Ook heeft ze kleine, maar symbolische stappen gezet om haar slechte naam op gebied van mensenrechten op te vijzelen. Tussen mei 2015 en mei 2016 kregen vijftig buitenlandse journalisten toegang tot het land, aldus Atlantic Council. En de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, kreeg onlangs toestemming voor een bezoek aan een gevangenis.

    Addis Abeba beziet al deze ontwikkelingen met argusogen. Het vooruitzicht dat Eritrea zijn invloed in het gebied rond het Rode Zee uitbreidt, bevalt Ethiopië, gefrustreerd doordat het zelf geen toegang heeft tot de zee, allerminst. De regering vreest ook dat de Eritrese president Afewerki zijn verbeterde financiële positie zal gebruiken om de steun aan het gewapende verzet in Ethiopië op te schroeven in een tijd waarin de noodtoestand, afgekondigd na maandenlange onrust, onverminderd voortduurt. En het grootste schrikbeeld voor Ethiopië is dat het wordt ingesloten door vijandige 
regimes.

    Analisten zijn het er niet over eens wat het nieuwe Ethiopische beleid met betrekking tot Eritrea nu eigenlijk zal behelzen. Sommigen voorspellen dat de aloude strategie alleen maar in een nieuw jasje wordt gestoken: het land zal, net als nu, harde grenzen afbakenen en er geen misverstand over laten bestaan dat er een militair antwoord volgt als die grenzen worden geschonden. Anderen vragen zich af of de 
Ethiopische regering geheime bilaterale gesprekken overweegt – misschien zelfs het aanbod zich terug te trekken uit het grensplaatsje Badme, dat al vijftien jaar lang illegaal wordt bezet door Ethiopische troepen. Maar ook oorlog, met als doel het regime in Asmara omver te werpen, wordt niet uitgesloten, hoewel dat niet zeer waarschijnlijk lijkt omdat Ethiopië daarmee zijn hand kan overspelen en de greep op het gebied ten noorden van de grens zou kunnen kwijtraken.

    Het Afrikaanse Noord-Korea

    Eritrea heeft weliswaar de verdiende bijnaam ‘het Afrikaanse Noord-Korea’, maar het heeft geen beschermheer als China die het land kan dwingen aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. President Afewerki is nog altijd gebaat bij de huidige situatie – en dat verklaart waarom het land in een permanente staat van oorlog wordt gehouden.

    Berichten dat de Eritrese troepen na het vertrek van de Qatarese blauwhelmen betwist gebied aan de grens met Djibouti hebben bezet, maken duidelijk dat Eritrea de regio nog altijd verder kan ontwrichten. Maar hoewel het land inmiddels minder geïsoleerd is dan voorheen, is het nog steeds veel zwakker dan Ethiopië, dat nu aan zet is. ‘Het is een gevaarlijk spel waarbij voor beide partijen veel winst te behalen valt,’ zegt Verhoeven. ‘Maar ik ben voorzichtig optimistisch.’

    Auteur: Tom Gardner

    Foreign Policy
    Verenigde Staten, tweemaandelijks tijdschrift, oplage 106.000

    Wetenschappelijk tijdschrift, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.

  • De professor die rebellenleider werd

    De professor die rebellenleider werd

    Berhanu Nega was een geliefde hoogleraar aan Bucknell University in Pennsylvania. Tot hij op een dag in 2015 zijn koffers pakte, en de leider werd van een Ethiopische rebellengroep in Eritrea.

    Tot een paar jaar geleden was Berhanu Nega een van de meest geliefde hoogleraren op de Bucknell-universiteit. Als Ethiopische banneling met een doctoraat van de New School for Social Research in Manhattan doceerde hij Afrikaanse economische ontwikkeling, een populair vak aan de economische faculteit. Wanneer hij geen werkgroepen leidde of aan het werk was in zijn comfortabele huis in een groene wijk vijf minuten van de Bucknell-campus in landelijk Lewisburg, Pennsylvania, nam Nega deel aan academische conferenties in het buitenland of gaf hij lezingen over mensenrechten bij het Europese Parlement in Brussel.

    ‘De relatie tussen democratie en ontwikkeling hield hem sterk bezig,’ zegt John Rickard, hoogleraar Engels en een van Nega’s beste vrienden. ‘Hij betoogde altijd dat economische ontwikkeling niet levensvatbaar is zonder democratisering, en vice versa.’ Hij was actief in het sociale leven op de campus, supporter van de Philadelphia Eagles, voerde in 2008 campagne voor Barack Obama en stond bekend als een van de beste squashspelers op de faculteit van Bucknell. Hij en zijn vrouw, die ook uit Ethiopië komt en optometrist is, hebben twee zoons, die ze naar de beste scholen stuurden en die nu op de University of Pennsylvania en Carnegie Mellon studeren. In weekenden nodigde hij geregeld andere hoogleraren van Bucknell en hun gezinnen uit voor het eten en dan onderhield hij hen met verhalen over de Abessijnse cultuur en geschiedenis, onder het genot van Ethiopische gerechten die hij zelf bereidde; de kruiden haalde hij uit Addis Abeba en kneedde hij met de hand tot injera, een zacht zuurdesembrood van teffmeel.

    Over zijn verleden bleef Nega vaag. Maar als studenten nieuwsgierig genoeg waren om hem te Googelen, ontdekten ze dat de man die in de collegezaal het ontwikkelingsbeleid in Afrika beneden de Sahara stond uit te leggen, zelf nauw betrokken was bij de oude vete tussen Ethiopië en buurland Eritrea, een conflict dat zich al een halve eeuw voortsleept. Dat conflict vlamde aan het begin van dit millennium weer op, in een grensoorlog om een onbetekenend stukje land van amper 650 vierkante kilometer, die uitliep op een heftige confrontatie waarbij beide landen duizenden troepen van zowel hun officiële strijdkrachten als niet-officiële milities langs de grens verzamelden.

    Eén groep die aan Eritrese kant meevocht, noemde zich Ginbot 7 en bestond uit gedeserteerde Ethiopiërs. Nega had aan de wieg van deze groep gestaan: hij was in 2008 in Washington een van de oprichters geweest, samen met een andere Ethiopische banneling, Andargachew Tsege. De Ethiopische regering, die Nega twee jaar in Addis Abeba als politieke gevangene had opgesloten, veroordeelde hem nu bij verstek ter dood. Studenten van Bucknell waren onder de indruk van het verleden van hun docent. ‘Het maakte zijn colleges spannend,’ zegt Rickard.

    Tsege fungeerde vanuit zijn basis in Eritrea als politiek leider van Ginbot 7, terwijl Nega de intellectuele leider was en fondsen wierf door geld in te zamelen bij de Ethiopische diaspora in Europa en de Verenigde Staten.

    ‘Extra lange sabbatical’

    Maar op een dag in juni 2014 verandert dat allemaal, als Tsege, die door iedereen Andy wordt genoemd, onderweg naar de Eritrese hoofdstad Asmara een tussenstop maakt in Sanaa, de hoofdstad van Jemen. Terwijl hij in de transithal van het vliegveld op zijn vlucht zit te wachten, wordt hij gearresteerd door de Jemenitische veiligheidsdienst, die kennelijk samenwerkt met de Ethiopische inlichtingendienst. Hij wordt op een vliegtuig naar Addis Abeba gezet, waar hij triomfantelijk op de staatstelevisie wordt geshowd. Inmiddels is hij ter dood veroordeeld.

    Daags na Tseges arrestatie werpt Nega zich op als diens vervanger in Eritrea. ‘Ik moest kiezen,’ zal hij later tegen mij zeggen. ‘Wilde ik academicus blijven, en commentaar blijven leveren vanuit een ivoren toren? Of kwam ik in actie, als betrokken burger?’ Nega zet zijn huis te koop en neemt onbepaald verlof van de universiteit. ‘Een extra lange sabbatical,’ zegt hij tegen zijn collega’s. Slechts een handjevol intieme vrienden, zijn vrouw en zijn twee zoons weten wat hij werkelijk gaat doen.

    Op een julimiddag in 2015 pakt Nega zijn koffer, zegt zijn vrouw gedag en wordt door kameraden naar John F. Kennedy International Airport gereden. Hij heeft een laissez-passer van de Eritrese overheid, waarmee hij eenmalig het land binnen kan komen. Nega is op weg naar een nieuw leven in een straatarme dictatuur die wel het Noord-Korea van Afrika wordt genoemd; het regime is berucht om zijn steun aan de Somalische islamistische terreurbeweging Al-Shabaab, en om zijn militaire dienstplicht waardoor veel burgers van boven de achttien voor de rest van hun leven in het leger moeten dienen. Nega denkt op dat moment dat ook hij de aandacht van de regering-Obama heeft getrokken en is bang dat hij op het vliegveld zal worden tegengehouden en gerekruteerd door Homeland Security. Pas als het landingsgestel van het Egypt Air-toestel is ingetrokken en hij hoog boven de Atlantische Oceaan achteroverleunt in zijn stoel, op weg naar een van de meest geïsoleerde en repressieve landen van de wereld, kan hij zich ontspannen.

    Dr. Berhanu Nega voor zijn woning in Lewisburg, in 2009. Het contrast tussen zijn nieuwe en oude leven kon nauwelijks groter zijn. – © AP Photo / John Zeedick
    Dr. Berhanu Nega voor zijn woning in Lewisburg, in 2009. Het contrast tussen zijn nieuwe en oude leven kon nauwelijks groter zijn. – © AP Photo / John Zeedick

    Op een kille avond in juli gaan de lampen boven Nega’s hoofd uit en zit de rebellenleider in het donker in een bungalow in de op 2300 meter hoogte gelegen stad Asmara. Nega heeft net een kaart uitgespreid op een salontafel en om mij de route te laten zien voor de geheime missie die hij de volgende ochtend wil ondernemen. Bij zonsopkomst zullen hij en een kameraad 450 kilometer naar het zuiden rijden naar de gemilitariseerde, met landmijnen bezaaide grensstreek tussen Eritrea en Ethiopië, om in een basiskamp van de rebellen iemand te ontmoeten die inlichtingen komt brengen. Zijn contact heeft ‘zeer gevoelige informatie’ de grens over gesmokkeld, over de posities van Ethiopische troepen en de kracht van verzetscellen in Ethiopië, die Nega hoopt te verbinden met zijn eigen strijders aan de Eritrese kant van de grens.

    ‘Ze willen de documenten die ze bij zich hebben, alleen aan mij persoonlijk overhandigen,’ vertelt Nega. ‘Zo gaat het meestal: ze willen dat ik gevoelig materiaal als eerste zie en de informatie vervolgens verspreid naar de rest van de organisatie.’

    Nega, een zwaargebouwde, kalende achtenvijftigjarige met een haveloos voorkomen en een aangenaam bescheiden houding, wrijft over zijn voorhoofd terwijl de lampen even flikkeren en dan weer aanfloepen. Ginbot 7 is de afgelopen jaren gegroeid en tegenwoordig wordt de organisatie geleid door een raad van tachtig vertegenwoordigers over de hele wereld. Als commandant staat Nega aan het hoofd van verscheidene honderden rebellen in Eritrea en van een onbekend aantal gewapende strijders binnen Ethiopië die af en toe aanvallen uitvoeren uit naam van de beweging. Tijdens zijn vele bezoeken aan de frontlinies heeft hij ontmoetingen met medecommandanten, bekijkt hij de trainingen en geeft hij – hij blijft toch de professor – les over geschiedenis en democratie, met behulp van een schoolbord en krijtjes in een ‘lokaal’ in de bush.

    Nega wendt zich weer naar de kaart en trekt een rechte lijn naar de Tezeké-rivier, het meest westelijke deel van de grens tussen Ethiopië en Eritrea. Veel deserteurs uit het Ethiopische leger steken daar over om zich bij de rebellen te voegen, maar de afgelopen weken is die ontsnappingsroute door het oprukken van de Ethiopische troepen in gevaar gekomen. ‘Ze brengen een grote troepenmacht naar dit gebied, want wij zijn nu het belangrijkste doelwit,’ zegt Nega. Met ‘wij’ bedoelt hij Ginbot 7, dat nu bekend staat als Patriotic Ginbot 7. ‘Ze sturen een groot deel van hun leger, artillerie en tanks dit gebied in. Tot nu toe hebben ze ons nog niet beschoten.’

    Ooit waren deze twee gezworen vijanden één land. Eritrea was van 1890 tot 1941 een Italiaanse kolonie, maar werd na de Tweede Wereldoorlog geannexeerd door Ethiopië. Na een oorlog die drie decennia duurde, wisten de Eritreeërs zich in 1991 te bevrijden. Daarna onderhielden de twee buren een vreedzame relatie, tot 1998, toen een sluimerend conflict over de Yirga-driehoek, een rotsachtig stukje land langs de grens dat in koloniale kaarten nooit duidelijk was aangegeven, escaleerde en uitmondde in een twee jaar durende tank- en loopgravenoorlog, waarbij 100.000 mensen omkwamen. Ondanks bemiddeling onder auspiciën van de Verenigde Naties die het omstreden gebied aan Eritrea toekenden, houdt Ethiopië nog steeds het grensdorpje Badame bezet. Tienduizenden troepen staan tegenover elkaar, met tussen hen in een landschap van mijnen, bunkers, sluipschuttersnesten en andere stellingen.

    Gewelddadige confrontaties aan de grens komen niet vaak voor, maar als het gebeurt zijn ze onverwacht en heftig. Half juni vorig jaar lanceerde Ethiopië volgens de Eritrese regering een grootschalige aanval aan de grens bij Tsorona, de eerste grote schending van het verdrag sinds 2012, mogelijk als vergelding voor aanvallen op de Ethiopische troepen door Ginbot 7. Eritrea beweerde dat het tweehonderd vijandelijke soldaten had gedood en driehonderd verwond, al waren de verliezen volgens Ethiopië kleiner. ‘Ze ontkennen het bijna altijd,’ zegt Nega tegen mij. ‘Als je de Ethiopische regering moet geloven, sneuvelt er nooit iemand.’

    Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen

    Ethiopië mag dan een bondgenoot van de VS zijn en naar Afrikaanse maatstaven een economische toppositie innemen, het land is ook berucht om zijn repressie. Het regime van de Tigraya-minderheid heeft honderden bloggers, journalisten en oppositiefiguren gevangengezet, en blijft aan de macht door politieke tegenstander te intimideren, verkiezingen te beïnvloeden en protesten met geweld neer te slaan. Volgens mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch hebben staatsveiligheidstroepen sinds november 2015 in de regio Oromia rond Addis Abeba meer dan vierhonderd demonstranten gedood. De protesten hebben zich verder uitgebreid naar de Amhara-regio; afgelopen augustus hebben veiligheidstroepen zo’n honderd demonstranten doodgeschoten en nog eens honderden verwond. Duizenden Oromos, een minderheidsgroep die ongeveer een derde van de bevolking uitmaakt, zijn zonder vorm van proces gevangengezet op verdenking van steun aan het Oromo Bevrijdingsfront, een afscheidingsbeweging. De Ethiopische marathonloper Feyisa Lilesa, die vorig jaar zilver won op de Olympische Spelen, vestigde de aandacht van de wereld op de wreedheden van het regime toen hij op de finish zijn gekruiste armen omhooghield uit, solidariteit met zijn mede-Oromos; hij zegt nu dat hij niet meer naar huis durft en heeft politiek asiel aangevraagd.

    Aan de andere kant van de kamer in Nega’s bungalow zitten vier mederebellenleiders, allemaal leden van de Ethiopische diaspora, te eten. De mannen scheuren stukken injera af, dopen het brood in de shiro, een dikke saus, en spoelen alles weg met flesjes van het lokale Asmarabier. Op de televisie in de hoek van de kamer zijn beelden te zien van Esat, een satellietzender van de Ethiopische oppositie die uitzendt vanuit Europa en de VS. De mannen maken deel uit van een wisselend contingent van commandanten die van tijd tot tijd terugkomen naar Asmara om hun e-mail te checken en even te ontsnappen aan de primitieve omstandigheden in de bush. ‘We zijn nu met zijn vijven,’ zegt Nega, en hij stelt me voor aan zijn kameraden uit Dallas, Arlington, Calgary en Luxemburg. ‘Er is er ook nog een uit Engeland, die komt morgenochtend hierheen. Dan zijn we met zijn zessen. Vorige week waren we met zijn achten – we zijn zelfs ooit met elf man geweest.’

    Het huis doet ook dienst als ziekenboeg voor rebellen die ziek zijn of in de strijd gewond geraakt, en biedt een tijdelijk toevluchtsoord voor deserteurs uit het Ethiopische leger die door de frontlinies heen weten te komen. Zo verscheen hier onlangs een voormalige piloot van de Ethiopische luchtmacht, een Oromo die na een reis van 42 uur per bus en te voet de Tekezé-rivier over was gezwommen naar Eritrea. Hij nam het besluit om te deserteren nadat hij in de gevangenis van Addis Abeba was beland, ‘valselijk beschuldigd,’ zo zegt hij tegen mij, ‘van het lidmaatschap van de Oromo-afscheidingsbeweging’.

    ’Zoals hij hebben we er veel,’ zegt Nega.

    Nega trekt zijn jas aan om op zoek te gaan naar dieselolie voor de ochtendrit naar de grens. Met nog een andere rebel, ook uit Virginia, rijden we door de verlaten, onverlichte straten van Asmara, op zoek naar een benzinestation dat open is, maar het enige station dat we vinden heeft geen diesel meer; Nega zal de volgende ochtend moeten terugkomen, wat betekent dat hij later dan gepland naar de frontlinies kan vertrekken. Als we bij zijn huis terugkomen, wijst Nega op een stapel medische artikelen in de gang – verband, spalken, antibiotica, antimalariamiddelen – die hij naar zijn strijders wil gaan brengen, samen met drie kartonnen dozen vol zonnecellen die voor wat primitieve elektriciteit kunnen zorgen in de bush. In de kampen was Nega afhankelijk geweest van zijn mobiele telefoon voor contact met de buitenwereld, maar zelfs daar kan hij nu niet meer op rekenen. ‘Ze hebben de dekking voor telefoons afgesloten sinds de inval van de Ethiopiërs in Tsorona, vertelt hij, ‘Ik zal dagenlang onbereikbaar zijn.’

    Opgegroeid met geweld

    De eerste keer dat ik Nega ontmoet, eind mei 2016, is dat onder heel wat comfortabeler omstandigheden. Na tien maanden in Asmara was Nega teruggevlogen naar de Verenigde Staten voor een aantal besprekingen en om naar de diplomauitreiking van zijn jongste zoon Iyassu te gaan, die deze dagen afstudeert aan de University of Pennsylvania. Nu Nega steeds sterker betrokken raakt bij een opstand tegen een Amerikaanse bondgenoot, kan dit wel eens de laatste keer zijn dat hij naar de Verenigde Staten heeft kunnen komen. Drie jaar geleden is het ‘reisdocument’ dat Nega, die geen Amerikaans staatsburger is, van het ministerie van Buitenlandse Zaken had gekregen, zelfs opgeschort en zijn aanvraag voor het staatsburgerschap van de Verenigde Staten is voor onbepaalde tijd stopgezet. Hij reist nu op een Eritrees paspoort dat in combinatie met zijn green card voldoende is om hem toegang te geven tot dit land – deze keer.

    Het ministerie van Buitenlandse Zaken weigert iets te zeggen over Nega of over Ginbot 7, maar Nega vermoedt dat de Amerikaanse regering niet positief staat tegenover zijn activiteiten. Maar, benadrukt hij, ‘niemand zegt ook dat ik ermee op moet houden. Ik denk dat ze weten dat dit niet tegen de VS gericht is. Wij vechten voor de basisprincipes waarop de Verenigde Staten zijn gegrondvest.’

    We spreken elkaar in het weekend van Memorial Day op het terras van het chique Café Dupont aan Dupont Circle in Washington. Ook zijn zus Hiwot, die een techstart-up leidt in New York, zit aan tafel, net als zijn zoon Iyassu, een eenentwintigjarige die in zijn schooljaren een verdienstelijk hardloper was en binnenkort aan de slag gaat bij een investeringsbank in New York. Onder het genot van witte wijn en kipsalade hebben we het over de toespraak van Lin-Manuel Miranda bij de diploma-uitreiking, en Nega vertelt enthousiast dat hij na die uitreiking Donald Trump en vicepresident Joe Biden is tegengekomen (Trumps dochter en Bidens kleindochter studeerden tegelijk met Iyassu af). Ik vraag Iyassu of hij zich heeft verzoend met zijn vaders nieuwe leven in de frontlinie en hij knikt. ‘Uiteindelijk moet hij blijven streven naar waar hij in gelooft.’ Maar hij toont weinig animo om bij zijn vader op bezoek te gaan in diens Eritrese rebellenkamp, of om dieper in te gaan in de drijfveren van de Ginbot 7-beweging. ‘Ik ben net afgestudeerd – mijn leven heeft een eigen richting. Ik kan er niet zomaar tussenuit gaan. (…) Ik ben ook van een andere generatie dan hij.’

    De oudere Nega hoort bij een generatie van Ethiopiërs die zijn opgeroeid te midden van opstand en geweld. Bij de lunch vertelt hij hoe het was om middelbare scholier te zijn, terwijl een marxistische junta, de door de Sovjets gesteunde Derg, keizer Haile Selassie omverwierp en een keiharde dictatuur vestigde. Nega was beschut opgegroeid, als zoon van een rijke ondernemer en moest nu toezien hoe het regime zich meester maakte van de uitgestrekte mais- en sojabonenboerderijen van zijn vader en hoe de veiligheidstroepen duizenden dissidenten, onder wie veel studenten, oppakten, gevangenzetten en executeerden. Hij en zijn twee oudere zussen werden lid van een verzetsbeweging, de Ethiopian People’s Revolutionary Army (E.P.R.P). Ze gingen ondergronds, sliepen in safe houses, probeerden uit handen van de politie te blijven. Zijn oudste zus is in die tijd opgepakt en in Dergs gevangenis verdwenen. Zijn familie heeft overal naar haar gezocht.

    ‘Er kwamen vaak mensen naar ons huis die tegen mijn ouders zeiden: “Ik heb haar daar en daar gezien.” Mijn moeder ging dan altijd weer naar haar op zoek,’ herinnert Nega zich. Later hoorde hij van haar vroegere celgenoten dat ze in de gevangenis was gestorven, waarschijnlijk door zelfmoord te plegen met de cyanidecapsule die ze om haar hals droeg. ‘Veel mensen hadden cyanide bij zich, want als je werd opgepakt, zou je gemarteld en uiteindelijk geëxecuteerd worden, en dan kon het zijn dat je door de martelingen werd gedwongen anderen te verraden,’ vertelt Nega. Toen de onderdrukking in Addis Abeba steeds harder werd, stuurde de E.P.R.P. Nega naar het noorden naar de provincie Tigray, het hart van een groeiende guerrillabeweging tegen de Derg; daar voerde hij aanvallen uit op regeringsstrijdkrachten. In 1978 barstte binnen de E.P.R.P. een strijd om de macht los, en Nega werd in de gevangenis gegooid. Een dag voordat de bewakers hun geweren op de resterende gevangenen richtten en er vijftien doodschoten, werd hij vrijgelaten. Nega vluchtte naar Soedan, woonde bijna twee jaar als vluchteling in Khartoem en kreeg in 1980 politiek asiel in de Verenigde Staten.

    Zalambessa, Ethiopië, aan de grens met Eritrea, werd tijdens de laatste oorlog bijna geheel verwoest. De meeste mensen wonen nog altijd in tenten van het Rode Kruis of in de ruïnes van hun voormalige huizen. – © AP Photo / Boris Heger
    Zalambessa, Ethiopië, aan de grens met Eritrea, werd tijdens de laatste oorlog bijna geheel verwoest. De meeste mensen wonen nog altijd in tenten van het Rode Kruis of in de ruïnes van hun voormalige huizen. – © AP Photo / Boris Heger

    Hij haalde zijn bachelor aan de State University of New York op New Palz, waar hij ook in het voetbalteam speelde. Tijdens zijn doctoraalstudie aan de New School for Social Research woonde hij in Brooklyn en schreef zijn proefschrift over de mislukking van de Ethiopische landbouw onder het communistisch regime. Ondertussen werd de toestand in Ethiopië steeds rampzaliger. Toen de guerrillabewegingen halverwege de jaren tachtig in Tigray steeds meer aanvallen uitvoerden, blokkeerde de Derg-dictator Mengistu Haile Mariam de aanvoer van voedsel naar deze regio, en creëerde zo een verwoestende hongersnood waarin een miljoen mensen omkwamen.

    Foto’s van uitgehongerde kinderen, verspreid door de nieuwsmedia, gaven de aanzet tot een internationale hulpactie, Live Aid, en vormden de inspiratie voor de pophit ‘We Are The World’, waarmee Ethiopië wereldwijd een synoniem werd voor honger. Toen Nega in 1990 een aanstelling als assistent-hoogleraar op Bucknell kreeg, was de hongersnood voorbij en bereikte de strijd van de opstandelingen zijn hoogtepunt. ‘Hij praatte nooit veel over zijn achtergrond of over het feit dat hij guerrillastrijder was geweest,’ zegt Dean Baker, een vroegere collega op Bucknell die nu aan het hoofd staat van het Center for Economic and Policy Research in Washington.

    De drie opstandige groeperingen – het Volksbevrijdingsfront van de Tigraya, het Oromo Bevrijdingsfront en het Eritrese Volksbevrijdingsfront – versloegen in 1991, na tien jaar strijd, de Derg en marcheerden Addis Abeba binnen. De nieuwe regering, geleid door de Tigraya-rebellenleider Meles Zenawi, begon met de wederopbouw van het door de oorlog verwoeste land. Eindelijk had Nega reden tot optimisme. Hij kende Meles goed – de premier had tegelijk met zijn dode zuster gestudeerd en nadat de Tigraya aan de macht waren gekomen nam Nega verlof bij Bucknell en vloog met zijn vrouw en twee zoons, die allebei nog peuters waren, terug naar Addis om bij de wederopbouw te helpen. Nega geloofde in Meles’ ‘goede bedoelingen’.

    Maar Nega’s enthousiasme voor de nieuwe regering taande al snel. Op de universiteit van Addis, waar hij parttime doceerde (hij had ook een aantal van zijn vaders bedrijven overgenomen), werden geen afwijkende meningen getolereerd; de studentenraad en de universiteitskrant werden verboden. Toen Nega zijn studenten aanmoedigde om academische vrijheid te eisen, viel de politie hen en andere demonstranten aan. Later, terwijl de onrust zich over de stad verspreidde, schoten ze 41 mensen dood. Nega zat een maand in de gevangenis wegens opruiing. ‘’s Nachts hoorde ik hoe gevangenen werden gemarteld, geslagen,’ vertelt hij.

    In mei 2005, terwijl de economie snel groeide en de populariteit van de regering groot leek, hield Ethiopië verkiezingen – de eerste keer in de geschiedenis van het land dat de mensen werkelijk tussen verschillende partijen konden kiezen – en nodigde het internationale waarnemers uit om daarbij aanwezig te zijn. Maar de uitslag beviel Meles niet. Nega’s Coalition for Unity and Democracy won 137 van de 138 zetels in de gemeenteraad van Addis Abeba. Nega stond in de startblokken om burgemeester te worden, maar de regering weigerde de overwinning van zijn partij te erkennen en zette hem gevangen, samen met andere CUD-leiders. Amerikaanse collega’s voerden actie voor de bevrijding van Nega. ‘De Bucknell-faculteit keurde een motie goed om hem te steunen en aandacht te vragen voor zijn situatie,’ vertelt Rickard. ‘We spraken met journalisten, ambassadeurs, om te zorgen dat hij in de aandacht bleef.’ Mede dankzij internationale druk werd Nega na 21 maanden vrijgelaten en hij keerde terug naar de Verenigde Staten. De ervaring had hem ‘harder gemaakt’, zegt Samuel Adamassu, een lid van de Ethiopische diaspora die Nega en zijn gezin al sinds de jaren tachtig kent. ‘Hij realiseerde zich nu dat deze mensen alleen met geweld tot veranderingen gebracht kunnen worden.’

    ‘Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord’

    Na onze lunch in Washington ben ik op een bijeenkomst in het Georgetown Marriotthotel, waar geld wordt ingezameld voor Ginbot 7 en waar zo’n vijfduizend leden van de Ethiopische diaspora aanwezig zijn. Nega staat op het podium voor een decor van Ethiopische en Amerikaanse vlaggen. Het zal een strijd op leven en dood worden, verzekert hij zijn enthousiaste publiek. ‘Je kunt niet onderhandelen met iemand die je komt verkrachten,’ gaat hij verder in het Amhaars, de belangrijkste taal van Ethiopië. ‘We moeten ze stoppen.’ Het verschil tussen de zachtaardige academicus die ik op het terras van Café Dupont heb gesproken en deze vurige rebel is enorm. Nega kondigt aan dat hij nieuws uit de frontlinie heeft: guerillero’s die zich loyaal aan zijn beweging hebben verklaard, hebben hun belangrijkste aanval tot nu toe uitgevoerd, bij de stad Arba Minch in Zuid-Ethiopië, op de plek van een voormalige Amerikaanse dronebasis. ‘We hebben twintig soldaten gedood en er vijftig verwond,’ zegt hij, en hij noemt dit ‘een nieuwe fase in de strijd’. (De Ethiopische regering beweerde later dat regeringstroepen de aanval hadden afgeslagen en dat slechts een paar militairen waren omgekomen.)

    Bij de oprichting van Ginbot 7 in 2008, het jaar waarin hij weer op Bucknell ging doceren, had Nega nog verklaard dat de beweging ‘burgerlijke ongehoorzaamheid zou organiseren, de bestaande gewapende groepen binnen en buiten Ethiopië zou steunen en druk zou uitoefenen op de regering en de internationale gemeenschap om te onderhandelen’. Toch riep het Ginbot 7-platform later op om de regering te destabiliseren ‘met alle noodzakelijke middelen’, waaronder aanvallen op militairen en politie.

    Het was een tegenstrijdige boodschap vanuit een Amerikaanse liberale universiteit die ooit in 1846 zijn eerste college had gegeven in de kelder van de First Baptist Church of Lewisburg. ‘Er is een grens overschreden,’ zegt Rickard, de hoogleraar Engels die Nega’s pleidooi voor geweld ‘verontrustend maar begrijpelijk’ vindt. ‘Hij is nooit een pacifist geweest, heeft de gewapende strijd nooit afgewezen. Hij heeft gezien hoe verkiezingen van tafel werden geveegd, honderden mensen op straat werden vermoord. Zijn zuster is omgekomen en zijn beste vriend zit in de gevangenis, en verkeert in levensgevaar. Hij ziet geweld als acceptabel en nodig. Het is een beetje choquerend in zeker opzicht.’

    Economische groei

    Terwijl Ginbot 7 het vuur van het verzet aanblies, was Ethiopië bezig zichzelf opnieuw op de kaart te zetten als economisch succesverhaal. In navolging van het Zuid-Koreaanse en Chinese model van staatsgeleide ontwikkeling, leende Meles geld van staatsbanken en gebruikte hij westerse fondsen om zwaar te investeren in dammen, luchtvaartmaatschappijen, landbouw, onderwijs en gezondheidszorg. De Ethiopische economie nam een hoge vlucht en kende de afgelopen tien jaar een gemiddelde jaarlijkse groei van 11 procent, een van de hoogste groeipercentages van Afrika. Addis Abeba werd het pronkstuk van die transformatie, met een lightrailnet, talloze wolkenkrabbers, luxe hotels, chique restaurants en wijnbars afgeladen met kersverse miljonairs. Tegelijkertijd fungeerde het land als bolwerk tegen de verspreiding van de radicale islam in de hoorn van Afrika. Op dit moment levert Ethiopië 4400 manschappen voor een vredesmacht van de Afrikaanse Unie in Somalië en helpt het de vrede te bewaren langs de gespannen grens tussen Noord- en Zuid-Soedan. In juli 2015 bracht president Obama, op rondreis door Afrika, als eerste zittende Amerikaanse president in de geschiedenis een bezoek aan Ethiopië.

    Toch beweerde Nega zowel in de collegezaal als in het buitenland, dat de gedaanteverwisseling van Ethiopië een luchtspiegeling was, geschapen om westerse waarnemers die zich zorgen maakten over het gebrek aan democratie in het land, te sussen. ‘In 2005 werd duidelijk dat ze via het politieke proces geen legitimiteit zouden krijgen, dus kwamen ze met dit nieuwe verhaal – ontwikkeling,’ zegt hij tegen mij. Nega houdt vol dat Ethiopië ‘de boeken heeft vervalst’ en dat het groeipercentage van het land grotendeels toe te schrijven is aan enorme infrastructurele projecten en westerse ontwikkelingshulp, terwijl de particuliere sector er nauwelijks aan bijdraagt. ‘De Wereldbank pompt maar geld in Ethiopië, alsof het niet op kan,’ zegt hij tegen mij. Het werkelijke groeipercentage komt volgens hem dichter bij de 5 tot 6 procent – het inkomen per hoofd van de bevolking is nog steeds het laagste in de wereld – en de zwakheid van de overheidsinstellingen zal uiteindelijk betekenen dat zelfs dat percentage niet vol te houden is.

    Twee maanden voor het bezoek van Obama hield de regering verkiezingen, die in brede kring werd gezien als doorgestoken kaart, en waarin de regeringspartij alle 547 zetels in het parlement won. Maar Obama maakte duidelijk dat de veiligheid belangrijker was dan de andere problemen in de Hoorn van Afrika: staande naast Meles opvolger, premier Haile Mariam Desalegne, noemde hij de regering ‘democratisch gekozen’.

    ‘Ik was er ondersteboven van,’ zegt Nega tegen mij. ‘Ik begrijp de realiteit van de macht en snap wel waarom hij de Ethiopische regering steunt, maar om nou te zeggen dat die “democratisch gekozen” is? Ik walgde ervan.’

    Nega in gevangenschap nadat hij tot burgemeester van Addis Ababa was gekozen. – © Petterik Wiggers / HH
    Nega in gevangenschap nadat hij tot burgemeester van Addis Ababa was gekozen. – © Petterik Wiggers / HH

    Drie dagen na mijn eerste ontmoeting met Nega in Asmara, en kort nadat hij is teruggekeerd van zijn afspraak aan de grens, rijden we aan het eind van de dag in zijn witte Hilux pick-uptruck door het landschap van zijn nieuwe leven. We passeren het armoedig uitziende en vrijwel verlaten Asmara Palace Hotel, dat vroeger een Intercontinental Hotel was, en een grote katholieke kerk waarvan Nega de naam niet weet. ‘Ik ben een beroerde toeristengids,’ zegt hij verontschuldigend. Als hij in Asmara is, brengt hij het grootste deel van zijn tijd door achter de computer, ofwel in zijn huis of in een geleend kantoor in het stadscentrum – een van de weinige plekken in de stad met een snelle internetverbinding. Eritrea heeft de slechtste internetdekking ter wereld, slechts 1 procent van de bevolking heeft toegang, en dankzij deze zeldzame breedbandverbinding kan hij via Skype bijpraten met zoons en zijn vrouw. ‘Ik geloof niet dat zij erg blij is dat ik hier zit,’ geeft hij toe, terwijl hij ongemakkelijk heen en weer schuift op zijn stoel. ‘We hebben het er maar niet meer over.’

    Meteen na de onafhankelijkheid begin jaren negentig, onder Isaias Afewerki, de rebellenleider die president was geworden, werd Eritrea even als een voorbeeld gezien, een van de landen die de hoop van Afrika vormen. Toen ik in 1996 een bezoek aan het land bracht, vijf jaar nadat het zich van Ethiopië had losgemaakt, begonnen de voormalige rebellen de verwoeste economie nieuw leven in te blazen – ze herstelden wegen, bruggen en spoorlijnen naar de kust en deden een beroep op de Eritrese diaspora om in het land te investeren. Maar na de grensoorlog die van 1998 tot 2000 duurde, raakten de Eritrese leiders naar binnen gericht, en werden ze steeds wantrouwiger tegenover de buitenwereld. Afewerki onderdrukte dissidente geluiden, stuurde westerse journalisten en ngo’s het land uit, weigerde buitenlandse hulp, nationaliseerde bedrijven en ontmoedigde buitenlandse investeringen; volgens de Wereldbank is het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking nu 1400 dollar per jaar.

    In 2009 legde de VN-Veiligheidsraad sancties aan Eritrea op, waaronder een wapenembargo en een reisverbod en het bevriezen van de aandelen van Eritrese topfunctionarissen, omdat het land wapens had geleverd aan Al-Shabaab, de radicaalislamitische organisatie die honderden terroristische aanslagen heeft gepleegd in Somalië en buurland Kenia. (Eritrea noemde de beschuldiging ‘bewuste leugens’.) In een VN-rapport uit juni 2016 wordt de Eritrese regering beschuldigd van ‘misdaden tegen de menselijkheid’, waaronder marteling, het gevangenzetten van andersdenkenden en een militaire dienstplicht zonder einde, die volgens de regering noodzakelijk is als voorbereiding op een nieuwe Ethiopische invasie.

    ‘Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen’

    Nu er vrijwel geen investeringsgeld het land meer binnenkomt, is Asmara een stad die bevroren is in de tijd. Twee ezels sjokken over Harnet Avenue, de hoofdboulevard van de stad en staan af en toe stil om aan het gras rond een palmboom te knabbelen. We zien hoe grote groepen mensen over de keurige avenue lopen, langs een indrukwekkende roodbakstenen kathedraal, een art-decobioscoop uit de jaren dertig en scheefgezakte Italiaanse bakkerijen en cappuccinobars, en Nega verdedigt tegenover mij zijn besluit om zich tot de dictatuur te wenden om steun.

    ‘Moeten we het werkelijk hebben over het soort dictaturen waarmee de VS in bed liggen?’ vraagt hij me. ‘Dit is een land dat bereid was ons een toevluchtsoord te bieden, een land dat ooit deel van Ethiopië is geweest. Ik kijk naar al deze mensen, ik praat met ze en ze zijn net als ik, ze zijn even Ethiopisch als ik. Waarom zou ik geen hulp van ze krijgen?’

    Nega houdt vol dat hij ook positieve kanten aan de dictatuur ziet. ‘Hoe arm het ook is, dit is het enige land dat zegt: “Wij gaan onze eigen koers varen – of je het leuk vindt of niet.” Ze zijn niet corrupt. Overheidsfunctionarissen hier hebben een auto uit de jaren tachtig, totaal versleten. Ik heb hun leven gezien, hun huizen. Dit is als een strijd tussen David en Goliath.’

    Volgens hem is het rapport van de Verenigde Naties over de misdaden tegen de menselijkheid ‘overdreven’. (Een westerse diplomaat in Asmara, die me vroeg om zijn naam niet bekend te maken vanwege zijn politiek gevoelige positie, was het met Nega’s oordeel over het rapport eens; volgens hem was het gebaseerd op de getuigenissen van vluchtelingen in Europa, die er ‘belang bij hadden hun land zo kwaad mogelijk af te schilderen, om hun vluchtelingenstatus te rechtvaardigen’.)

    Het is duidelijk dat Nega weinig geneigd is om kwaad te spreken over het land dat zijn beweging onderdak biedt – en dat elk moment weer kan intrekken. ‘Ik wil me niet in hun aangelegenheden mengen,’ zegt hij omzichtig. ‘Ze zijn tegenover ons altijd vriendelijk geweest.’ Privé kan de rebellenleider echter kritischer zijn. ‘Hij maakt zich geen illusies over Eritrea,’ vertelt zijn vriend en vroegere collega op Bucknell Dean Baker.

    Ik vraag Nega of hij er vertrouwen in heeft dat de druk van de rebellengroepen de Ethiopische regering ten val kan brengen. Nega zegt te geloven dat hij op dit moment de beste kaarten heeft. ‘Dit verzet tegen de staat komt nu van alle kanten, uit alle delen van het land.’ Hij geeft zichzelf ‘vier of vijf jaar’ voor hij en zijn rebellenleger Ethiopië binnen zullen gaan als onderdeel van een nieuwe democratische orde. ‘Het duurt zeker geen tien jaar,’ zegt hij.

    Tot het zover is zal Nega doorgaan met plannen maken en voorbereidingen treffen vanuit een onzeker en eenzaam schemergebied. Terug in de bungalow gaat hij me voor door de gang en laat me zien waar hij slaapt: een spartaanse kamer met alleen een eenpersoonsbed, een ladenkast en een nachtkastje met potjes vitaminepillen en medicijnen tegen hoge bloeddruk. (Hij heeft geen eigen ziektekostenverzekering meer sinds zijn vertrek bij Bucknell, maar valt nog wel onder de dekking van de Amerikaanse verzekering via zijn vrouw en heeft in mei in de VS voor drie maanden medicijnen gehaald.) Hij haalt een fles Absolut uit de vriezer en schenkt twee glazen in. We gaan op de betonnen binnenplaats zitten, naast een waslijn waaraan Nega’s was te drogen hangt. Weer valt de stroom uit en zitten we in de duisternis, tot het licht na een paar seconden weer aangaat. Het contrast met zijn vroegere leven in de VS – juichen voor de Lewisburg Green Dragons, het middelbare schoolhardloopteam van zijn zoon; vakanties aan de stranden van Maryland en North Carolina met zijn uitgebreide gezin – kon nauwelijks groter zijn.

    ‘Als gesteld bent op comfort en dat is je drijfveer, zul je dit nooit doen,’ zegt hij tegen me, terwijl hij een slokje van zijn ijskoude wodka neemt. ‘Maar soms sta je echt verbaasd. Ben je eenmaal een verbintenis aangegaan, dan worden al die dingen waarvan je dacht dat ze bij het dagelijks leven hoorden, ineens overbodige luxe.’

    Auteur: David M. Herszenhorn
    Vertaler: Annemie de Vries

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.