Tag: European Press Prize

  • The European Press Prize

    The European Press Prize

    Op 14 maart worden in Boedapest voor de zesde keer de European Press Prizes uitgereikt. De European Press Prize (EPP) bekroont jaarlijkse de beste journalistiek uit alle lidstaten van de Raad van Europa.

    De prijs werd in 2012 opgericht, en heeft als doel kwaliteitsjournalistiek te stimuleren en de beste journalisten van Europa een podium te geven. Er zijn vier vaste categorieën. Daarnaast heeft de jury jaarlijks de mogelijkheid om een speciale juryprijs uit te reiken. Winnaars ontvangen 10.000 euro, om te besteden aan een journalistiek project naar keuze.

    De oprichters van de EPP zijn de Vereniging Veronica, Stichting Democratie en Media, The Guardian Foundation, MIDF, Thomson Reuters Foundation, Politiken en Jyllands Posten. De jury staat onder voorzitterschap van Sir Harold Evans, voormalig hoofdredacteur van The Sunday Times.

    De selectie van 360:

    The Investigative Reporting Award: De Monsanto Papers. Hoe een multinationale agroreus probeert zijn bonte koe ondanks verdachte vlekjes verder uit te melken

    The Investigative Reporting Award: Vuil spel. Rusland wint aanbesteding modernisering Hongaarse metro

    The Investigative Reporting Award: Wissen, of niet?

    The Distinguished Reporting Award: Terug naar Rotherham

    The Distinguished Reporting Award: De duivels van het Tsjaadmeer

    The Distinguished Reporting Award: Mensenjagers

    The Opinion Award: Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    The Innovation Award: Nieuwe journalistiek

  • Het verzwegen verhaal van de Oekraïense hongersnood in 1932-1933

    Het verzwegen verhaal van de Oekraïense hongersnood in 1932-1933

    In 1932 en 1933 stierven in de Sovjet-Unie ruim vijf miljoen mensen van de honger. De buitenlandse pers in Moskou hield het nieuws onder de pet, op één dappere freelancer na.

    Uit het archief

    Net zoals de oorlog in Oekraïne in Rusland momenteel niet bestaat (het is slechts een ‘speciale militaire operatie’), zo bestond de hongersnood in 1932-1933 in Oekraïne niet in de Sovjet-Unie. Er werd door geen krant of journalist over gerept, zelfs niet in het buitenland, behalve door de Brit Gareth Jones. Zijn verhaal laat zien hoe belangrijk onafhankelijke media is.

    In 1932 en 1933 werd de Sovjet-Unie getroffen door een rampzalige hongersnood. Deze vond zijn oorsprong in de chaos van de collectivisatie, waarbij miljoenen boeren gedwongen hun land moesten opgeven om te gaan werken op een collectieve staatsboerderij. De algehele situatie in het land verslechterde alleen nog maar toen, in de herfst van 1932, het politbureau, het elitecomité binnen de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, een aantal besluiten nam waardoor de hongersnood op het platteland in de Oekraïne nog schrijnender werd. Ondanks de schaarste vorderde de staat niet alleen graan, maar al het beschikbare voedsel.

    Op het dieptepunt van de crisis drongen georganiseerde groepen van politieagenten en lokale partijactivisten, gedreven door honger, angst en een decennium van haatpropaganda, de huizen van de boeren binnen en namen al het eetbare mee wat ze maar konden vinden: aardappelen, bieten, pompoenen, bonen, erwten en vee. Tegelijkertijd werd er een kordon om Oekraïne getrokken om te voorkomen dat mensen zouden ontsnappen. De gevolgen waren rampzalig: in de hele Sovjet-Unie kwamen meer dan vijf miljoen mensen om van de honger. Onder de slachtoffers waren bijna vier miljoen Oekraïners, die niet stierven omdat ze hun akkers hadden verwaarloosd of omdat de oogst was mislukt, maar omdat hun bewust voedsel was onthouden.

    De USSR heeft noch de hongersnood in de Oekraïne noch de hongersnood in de Sovjet-Unie als geheel op enig moment officieel erkend. Er heerste zo’n nietsontziende terreur dat er sprake was van een totaal zwijgen. Buiten de Sovjet-Unie waren er echter andere, meer subtiele tactieken vereist om dit stil te houden. Die tactieken worden op schitterende wijze blootgelegd door de parallelle verhalen van Walter Duranty en Gareth Jones.

    In de jaren dertig leidden alle leden van de pers in Moskou een hachelijk bestaan. Correspondenten hadden toestemming van de staat nodig om er te wonen én om hun artikelen te kunnen doorseinen. Journalisten onderhandelden vaak met censoren van het ministerie van Buitenlandse Zaken om toestemming te krijgen over welke woorden ze mochten gebruiken, en ze hadden een goede relatie met Konstantin Oemanski, de Sovjetfunctionaris die verantwoordelijk was voor de buitenlandse persdienst. William Henry Chamberlin, die toen correspondent in Moskou was voor de Christian Science Monitor, schreef dat de buitenlandse correspondent die weigerde zijn berichtgeving af te zwakken, ‘onder een zwaard van Damocles werkt: het risico het land uit te worden gezet of de geweigerde toestemming om terug te keren, wat vanzelfsprekend op hetzelfde neerkomt’.

    Er waren extra beloningen beschikbaar voor diegenen die het spel zeer kundig speelden, zoals Walter Duranty. Hij was tussen 1922 en 1936 de correspondent voor The New York Times in Moskou, een positie die hem enige tijd betrekkelijk rijk en beroemd maakte. Duranty, een Brit van geboorte, had geen banden met ideologisch links, maar nam het standpunt in van een zakelijke en sceptische ‘realist’ die zijn best deed om beide kanten van het verhaal te laten zien. ‘Men kan tegenwerpen dat vivisectie op levende dieren iets treurigs en vreselijks is, en het is waar dat het lot van de koelakken en anderen die zich verzet hebben tegen het Sovjetexperiment niet gelukkig is,’ schreef hij in 1935. Maar ‘in beide gevallen wordt het leed aangedaan met een nobel doel’.

    Toestemming

    Dit standpunt zorgde ervoor dat Duranty heel nuttig was voor het regime, dat er alles aan deed om hem het bestaan in Moskou aangenaam te maken. Hij had een groot appartement, een auto en een maîtresse, hij had van alle correspondenten de meeste toegang tot bronnen, en twee keer kreeg hij een begeerd interview met Stalin. Maar de aandacht die hij kreeg dankzij zijn artikelen lijkt de primaire beweegreden te zijn geweest voor Duranty’s vleiende verslaggeving over de Sovjet-Unie. In 1932 kreeg hij de Pulitzer Prize voor zijn artikelen over de successen van de collectivisatie en het vijfjarenplan. Korte tijd later nodigde Roosevelt, die toen gouverneur van New York was, Duranty uit in de gouverneursresidentie in Albany. Maar naarmate de hongersnood verhevigde, werd de controle nog scherper. Vanaf 1933 eisten de pr-mensen van het ministerie van Buitenlandse Zaken dat correspondenten toestemming vroegen en voor een reis een routebeschrijving indienden. Elk verzoek om een bezoek te brengen aan Oekraïne of de Noordelijke Kaukasus werd afgewezen. De censuur controleerde ook berichten op heimelijke reportages over de hongersnood. Eind 1932 kwamen Sovjetfunctionarissen zelfs bij Duranty thuis, waar hij zenuwachtig van werd.

    Weinig correspondenten waren in zo’n sfeer geneigd om over de hongersnood te schrijven, hoewel ze er allemaal van op de hoogte waren. ‘Formeel was er geen hongersnood,’ schreef Chamberlin. Maar ‘voor iedereen die in 1933 in Rusland woonde en die zijn ogen en oren openhield, valt er gewoon niet te twijfelen aan het bestaan van de hongersnood’. Duranty zelf besprak eind 1932 de hongersnood met William Strang, een diplomaat op de Britse ambassade. Strang rapporteerde laconiek dat de correspondent van The New York Times zich ‘al enige tijd bewust was van de waarheid’, al had hij ‘het grote Amerikaanse publiek niet op de hoogte gebracht van het geheim’. Duranty vertelde Strang ook dat hij het goed mogelijk [achtte] dat maar liefst 10 miljoen mensen direct of indirect door gebrek aan voedsel omgekomen waren’, al werd dat cijfer nooit in een van zijn artikelen genoemd. Duranty stond daarin niet alleen. Eugene Lyons, de correspondent van United Press in Moskou en ooit een enthousiast marxist, schreef jaren later dat alle buitenlanders in de stad zich terdege bewust waren van wat er speelde in Oekraïne én in Kazachstan en de Wolgaregio:

    In werkelijkheid zochten we niet naar bevestiging om de doodeenvoudige reden dat we niet twijfelden over het onderwerp. Er zijn feiten die zo immens zijn dat ze geen bevestiging van ooggetuigen nodig hebben (…) Er was net zomin een noodzaak om onderzoek te doen naar het bestaan van de Russische hongersnood als er een reden was om onderzoek te doen naar het bestaan van de Amerikaanse Grote Depressie. Binnen Rusland werd de zaak niet betwist.

    Het lichaam van een jonge vrouw tijdens de Oekraïense hongersnood, in het voorjaar van 1934. – © Daily Express / Hulton Archive/ Getty Images
    Het lichaam van een jonge vrouw tijdens de Oekraïense hongersnood, in het voorjaar van 1934. – © Daily Express / Hulton Archive/ Getty Images

    Iedereen wist het, maar niemand meldde het. Dat verklaart de uitzonderlijke reactie van zowel het Sovjetestablishment als de persdienst in Moskou op de journalistieke escapade van Gareth Jones. Jones was een jonge Welshman van nog maar zevenentwintig jaar toen hij in 1933 een reis maakte naar de Sovjet-Unie. Jones studeerde Russisch én Frans en Duits in Cambridge. Vervolgens kreeg hij een aanstelling als privésecretaris van de voormalige Britse premier David Lloyd George. In dezelfde tijd begon hij als freelancer te schrijven over Europese en Sovjetpolitiek en maakte hij korte uitstapjes naar de Sovjet-Unie, waardoor hij in een andere positie verkeerde dan de correspondenten in Moskou, die de goedkeuring van het regime nodig hadden om hun verblijfsvergunning te behouden.

    Tijdens een van die reizen, begin 1932, voor het reisverbod werd ingevoerd, trok Jones naar het platteland (in gezelschap van Jack Heinz ii, telg uit het ketchupimperium) waar hij in Sovjetdorpen op ‘vloeren vol ongedierte’ sliep en getuige was van het begin van de hongersnood. Jones keerde in het voorjaar van 1933 terug in Moskou, dit keer met een visum dat aan hem was verleend op grond van het feit dat hij voor Lloyd George werkte. De Sovjetambassadeur in Londen, Ivan Majski, wilde heel graag indruk maken op Lloyd George en had voor Jones gelobbyd. Jones maakte na aankomst eerst een rondgang door de Sovjethoofdstad en ontmoette andere buitenlandse correspondenten en functionarissen. Lyons herinnerde zich hem als ‘een serieus en nauwgezet mannetje, […] het type dat een aantekenboekje bij zich heeft en tijdens het gesprek zonder blikken of blozen opschrijft wat je zegt’. Jones had een ontmoeting met Oemanski, liet hem een uitnodiging voor een bezoek aan de Duitse consul-generaal in Charkov zien, schetste een plan om een Duitse tractorfabriek te bezoeken en vroeg of hij naar Oekraïne mocht. Oemanski ging akkoord. Met die officiële stempel van goedkeuring vertrok Jones naar het zuiden.

    Hij nam op 10 maart in Moskou de trein. In plaats van door te reizen naar Charkov, stapte Jones echter ruim 60 kilometer ten noorden van de stad uit de trein. Bepakt met een rugzak met ‘vele witte broden, met boter, kaas, vlees en chocola aangeschaft met buitenlands geld in de Torgsin-warenhuizen’ liep hij langs het spoor in de richting van de Oekraïense hoofdstad. Zonder officiële oppasser of begeleider passeerde hij gedurende drie dagen ruim twintig dorpen en collectieve boerderijen; hij zag Oekraïne op het moment dat de hongersnood op z’n ergst was, en noteerde zijn gedachten en impressies in aantekenboekjes die later bewaard werden door zijn zus:

    Ik ging de grens over van Groot-Rusland naar Oekraïne. Overal sprak ik met boeren die ik tegenkwam. Ze vertelden allemaal hetzelfde verhaal. ‘Er is geen brood. We hebben al twee maanden geen brood meer gehad. Heel veel mensen sterven.’ In het eerste dorp waren geen aardappels meer en de winkel voor boerjak [suikerbiet] raakte leeg. Ze zeiden allemaal: ‘Het vee gaat dood, netsjem kormit [er is niets om ze te voeren]. Vroeger voedden wij de wereld en nu hebben wij honger. Hoe kunnen we zaaien als we nog maar een paar paarden hebben? Hoe kunnen we de grond bewerken als we verzwakt zijn door voedselgebrek?’

    Jones sliep in boerenhutten op de grond. Hij deelde zijn eten met anderen en luisterde naar hun verhalen. ‘Ze probeerden mijn iconen weg te halen, maar ik zei dat ik een boer was, geen hond,’ vertelde iemand. ‘Toen we in God geloofden, waren we gelukkig en hadden we een goed leven. Toen ze probeerden God weg te nemen, kregen we honger.’ Een andere man vertelde hem dat hij al een jaar geen vlees had gegeten.

    ‘We stonden dit individu op allerlei manieren bij, en hij blijkt een bedrieger te zijn’

    Jones zag een vrouw die stof spon om kleren van te maken, en een dorp waar de inwoners paardenvlees aten. Uiteindelijk werd hij aangesproken door een ‘militieman’ die zijn papieren wilde zien, waarna politiemensen in burger erop stonden hem te begeleiden op de volgende trein naar Charkov en hem naar de ingang van het Duitse consulaat brachten.

    Hij bleef aantekeningen maken terwijl hij in Charkov was. Hij zag duizenden mensen in broodrijen staan: ‘Ze vormen om drie à vier uur ’s middags een rij om de volgende ochtend om zeven uur brood te krijgen. Het is ijskoud: enkele graden onder nul.’ Jones bezocht op een avond het theater – ‘Publiek: Heel veel lippenstift maar geen brood’ – en sprak met mensen over de politieke repressie en de massale arrestatiegolven die tegelijk met de hongersnood over Oekraïne neerdaalden. Hij schijnt te hebben geprobeerd in contact te komen met Oemanski’s collega in Charkov, maar die kreeg hij niet te pakken. Stilletjes verliet Jones de Sovjet-Unie. Enkele dagen later dook hij in Berlijn op bij een persconferentie die waarschijnlijk georganiseerd was door Paul Scheffer, de journalist van het Berliner Tageblatt die in 1929 uit de Sovjet-Unie was verbannen. Jones verkondigde dat in de Sovjet-Unie een grote hongersnood aan de gang was en legde een verklaring af:

    Overal hoorde je de kreet: ‘Er is geen brood. We gaan dood.’ Deze kreet hoorde je in elke uithoek van Rusland, in het Wolgagebied, Siberië, Wit-Rusland, de Noordelijke Kaukasus, Centraal-Azië (…)

    ‘We wachten tot we dood zijn,’ luidde mijn welkom. ‘Kijk, wij hebben ons veevoer nog. Ga maar een eindje verder naar het zuiden. Daar hebben ze niets. Veel huizen zijn leeg omdat de bewoners al dood zijn,’ riepen ze.

    Twee ervaren Amerikaanse journalisten in Berlijn namen Jones’ persconferentie op in hun krant, in de New York Evening Post (‘Rusland in de greep van hongersnood, miljoenen komen om, stijgende werkloosheid aldus Brit’) en de Chicago Daily News (‘Russische hongersnood nu even erg als uithongering in 1921 aldus secretaris van lloyd george’). Een breed scala aan Britse publicaties volgde. In de artikelen werd uitgelegd dat Jones een ‘lange wandeltocht door Oekraïne’ had gemaakt, zijn perscommuniqué werd geciteerd en er werden details toegevoegd over de grootschalige verhongering.

    Ze merkten op, net als Jones zelf, dat hij de regels had geschonden die andere journalisten aan banden legden: ‘Ik trok door het zwarte-aardegebied omdat dat ooit de vruchtbaarste landbouwgrond van Rusland was en omdat de correspondenten daar niet heen mogen om met hun eigen ogen te zien wat er gebeurt’, schreef hij. Jones publiceerde erna nog een tiental artikelen in de London Evening Standard en Daily Express, maar ook in de Cardiff Western Mail.De autoriteiten die Jones met gunsten hadden overladen waren woedend. Maksim Litvinov, de minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie, klaagde boos tegen ambassadeur Majski. ‘We stonden dit individu op allerlei manieren bij, hielpen hem bij zijn werk, ik stemde zelfs in met een ontmoeting, en hij blijkt een bedrieger te zijn.’

    Een vrouw wandelt langs stervende mensen tijdens de grote Oekraïense hongersnood. – © Getty Images

    Een vrouw wandelt langs stervende mensen tijdens de grote Oekraïense hongersnood. – © Getty Images

    Direct na Jones’ persconferentie kondigde Litvinov een nog strenger verbod op reizen buiten Moskou door journalisten af. Majski beklaagde zich later bij Lloyd George, die zich distantieerde van Jones, verklaarde dat hij de reis niet gesteund en Jones niet als zijn vertegenwoordiger gestuurd had. Het is niet bekend wat hij echt dacht, maar Lloyd George zag Jones nooit meer terug. De persafdeling in Moskou was zelfs nog bozer. Haar leden wisten vanzelfsprekend allemaal dat het waar was wat Jones had verkondigd, en enkelen zaten al te vlassen op manieren om hetzelfde verhaal te vertellen. Malcolm Muggeridge, die toen de correspondent was voor The Manchester Guardian – in de plaats van Chamberlin, die het land uit was – had net via de diplomatieke post drie artikelen het land uit gesmokkeld.

    The Guardian publiceerde ze anoniem, met veel inkortingen die waren uitgevoerd door redacteuren die het niet eens waren met zijn kritiek op de Sovjet-Unie, en daar werd haast geen aandacht aan geschonken: ze botsten met grotere verhalen over Hitler en Duitsland. Maar de rest van de persdienst, die afhankelijk was van de welwillendheid van Oemanski en Litvinov, sloot de gelederen tegen Jones. Lyons beschreef nauwgezet wat er gebeurde:

    De vernedering van Jones was de meest onaangename taak die ons wachtte in jaren van gejongleer met feiten om dictatoriale regimes te behagen – maar we vernederden hem wel degelijk, unaniem en in haast identieke ambigue formuleringen. De arme Jones moet de meest verbaasde mens op aarde geweest zijn toen de feiten die hij zo nauwgezet uit onze mond verzameld had, ondergesneeuwd werden door onze ontkenningen (…) In een sfeer van beschaafd geven en nemen werd er onder de schittering van Oemanski’s vergulde glimlach stevig gemarchandeerd, voor een formele ontkenning was uitgewerkt. We gaven voldoende toe om ons geweten te sussen, maar in omslachtige bewoordingen die Jones veroordeelden als een leugenaar. Toen het vuile zaakje was volbracht, bestelde iemand wodka en zakoeski.

    Of die bijeenkomst nu wel of niet werkelijk plaatsvond, dit vat metaforisch gezien wel samen wat er vervolgens gebeurde. Op 31 maart, slechts een dag nadat Jones in Berlijn zijn uitspraken gedaan had, reageerde Duranty zelf. ‘Russen lijden honger maar verhongeren niet’ luidde de kop in The New York Times. In het artikel deed Duranty zijn uiterste best om Jones belachelijk te maken. Uit Britse bron verschijnt een enorm griezelverhaal in de Amerikaanse pers over hongersnood in de Sovjet-Unie, met ‘al duizenden doden en nog eens miljoenen voor wie dood en uithongering dreigen’.

    De auteur ervan is Gareth Jones, een voormalig secretaris van David Lloyd George die onlangs drie weken in de Sovjet-Unie doorbracht en tot de slotsom kwam dat het land ‘aan de rand van een verschrikkelijke ineenstorting’ stond, zoals hij aan onze verslaggever vertelde. Meneer Jones heeft een scherp en levendig verstand, en hij heeft de moeite genomen om Russisch te leren, dat hij bijna vloeiend spreekt, maar onze verslaggever was van mening dat meneer Jones nogal snel een oordeel geveld had en vroeg hem waar het op gebaseerd was. Hij bleek een wandeling van ruim 60 kilometer te hebben gemaakt langs dorpen in de buurt van Charkov en treurige omstandigheden te hebben gezien. Ik opperde dat dat een nogal gebrekkige dwarsdoorsnede was van een groot land, maar niets kon zijn overtuiging van een naderende ondergang aan het wankelen brengen.

    Duranty vervolgde met een uitdrukking die later berucht zou worden: ‘Om het cru te zeggen: waar gehakt wordt vallen spaanders.’

    Vervolgens legde hij uit dat hij ‘uitputtend onderzoek’ gedaan had en tot de conclusie gekomen was dat de ‘omstandigheden slecht zijn, maar er geen hongersnood heerst’. Jones schreef een verontwaardigde brief aan de hoofdredacteur van The Times, waarin hij geduldig zijn bronnen opsomde en de persafdeling in Moskou aanviel:

    De censuur heeft meesters in eufemismen en understatements van ze gemaakt. Vandaar dat ze ‘hongersnood’ braaf ‘voedseltekort’ noemen en dat ‘omkomen van de honger’ verzacht wordt tot ‘wijdverbreide sterfte door ziekten als gevolg van ondervoeding’.

    “Russen lijden honger maar verhongeren niet” werd de algemeen aanvaarde wijsheid

    En daar bleef het bij. Duranty overschaduwde Jones: hij was beroemder, werd meer gelezen, was geloofwaardiger. Hij werd ook niet tegengesproken. Lyons en Chamberlin uitten later spijt dat ze hem niet harder bestreden hadden. Maar op het moment zelf schoot niemand Jones te hulp. Wat Jones zelf betreft: hij werd toen hij in 1935 verslag deed vanuit Mongolië ontvoerd en vermoord door Chinese bandieten.

    ‘Russen lijden honger maar verhongeren niet’ werd de algemeen aanvaarde wijsheid. Ze viel ook mooi samen met de actuele harde politieke en diplomatieke overwegingen. Europeanen gingen zich in 1934 en 1935 nog meer zorgen maken over Hitler. De nieuwe regering-Roosevelt zocht eind 1933 actief naar redenen om slecht nieuws over de Sovjet-Unie te negeren. Het team rond de president was tot de conclusie gekomen dat het door de ontwikkelingen in Duitsland en de noodzaak om de Japanners in toom te houden tijd werd dat de VS eindelijk volwaardige diplomatieke betrekkingen aangingen met Moskou. Roosevelt werd door zijn belangstelling voor centrale planning en voor de in zijn ogen grote economische successen van de Sovjet-Unie – de president las de verslagen van Duranty zorgvuldig – aangemoedigd te geloven dat er ook een lucratieve commerciële relatie mogelijk was.

    Uiteindelijk sloten de twee landen een overeenkomst. Litvinov arriveerde in New York om deze te ondertekenen – vergezeld door Duranty. Duranty werd tijdens een overvloedig banket voor de minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie in het Waldorf Astoria voorgesteld aan de 1500 gasten. Hij stond op en maakte een buiging. Dit werd gevolgd door een luid applaus. Duranty’s naam, schreef The New Yorker later, veroorzaakte ‘het enige echt langdurige pandemonium’ van de avond. ‘Je kreeg bijna de indruk dat Amerika, in een aanval van scherpzinnigheid, zowel Rusland als Walter Duranty erkende.’ Daarmee leek de doofpotpolitiek voltooid.

    Dit is een voorpublicatie uit Rode hongersnood van Anne Applebaum, dat op 25 januari 2018 verscheen bij AmboAnthos.

  • Moorden is niet zo moeilijk, fatsoenlijk doorleven wel

    Moorden is niet zo moeilijk, fatsoenlijk doorleven wel

    De haast ondraaglijke waarheid, schrijft columnist 
Fintan O’Toole, is dat gruweldaden zoals die in Manchester voorlopig deel zullen uitmaken van ons bestaan.

    Een massamoord plegen is niet moeilijk en hoe buitensporiger, hoe makkelijker. Een lichaam is week en makkelijk uiteen te rijten. Een leven is kwetsbaar en makkelijk te verwoesten. Fatsoen, menselijke waardigheid en medeleven zijn broze en hachelijke waarden. De barricades die aarde van hel scheiden, beschaving van barbarisme, zijn poreus en zitten vol gaten.

    Onze huidige manier van leven gaat 
gepaard met de wetenschap dat deze barricades elk moment geslecht kunnen worden, dat we in een oogwenk van 
een doorsnee gelukkig bestaan in een onbestaanbare verschrikking kunnen belanden.

    Net als de wetenschap dat andere mensen met verrassend gemak van zoons, broers, collega’s of aardige buren kunnen veranderen in de meedogenloos wrede wezens die ons in de hel doen belanden en die zich verlustigen in het onmetelijke leed dat ze aanrichten.

    We houden die kennis op afstand omdat we niet anders kunnen. Om door te kunnen leven, de gewone dingen te blijven doen, om te kunnen blijven vasthouden aan de alledaagse banden, aan het vertrouwen en het 
fatsoen, alles wat het cement vormt van een samenleving, moeten we die wetenschap verbannen naar de randen van ons bewustzijn. Maar daar blijft hij niet zitten. Een gruweldaad als die in Manchester is bij uitstek bedoeld om die kennis weer naar de voorgrond van ons bewustzijn te halen, en te zorgen dat hij zich daar zo stevig verankert dat vertrouwen en fatsoen worden verdrongen en de samenleving uiteenvalt.

    Het heeft niet zo heel veel zin om die terroristen lafaards te noemen

    Het heeft niet zo heel veel zin om die terroristen lafaards te noemen. Vanuit het verwrongen perspectief van de terrorist, is er juist moed vereist om het allerergste te doen. Als je mensen ten diepste wilt vervullen van afschuw en haat, is het veel beter om een aanslag te plegen op kinderen dan op soldaten, is het veel moediger om alle morele grenzen te overschrijden dan je aan een soort erecode te houden. Voor de terrorist bestaat een taboe enkel om het te doorbreken. Het onacceptabele is het meest wenselijke, het ondenkbare het meest inspirerend, het onuitsprekelijke de beste manier om iets onder woorden te brengen.

    Hier in Ierland zijn we maar al te vertrouwd met deze gestoorde logica. We weten dat de mensen die gruweldaden begaan, die bommen laten ontploffen tijdens een concert, of in een pub, of tijdens een uitvaartdienst, geen monsters zijn – helaas. Het zijn domweg ware gelovigen. Ze geloven in een toekomstige plek, in een tijd van politieke harmonie, waarin iedereen gelukkig zal zijn en het recht zijn loop zal hebben. En ze weten dat anderen, de zwakke ongelovigen, de komst van deze gezegende toestand in de weg staan omdat zij de waarheid niet kunnen zien.

    Zij zijn niet verlicht. Ze zijn onwetend en voor hen is het heden – het onvolmaakte heden met zijn compromissen en zelfgenoegzaamheid en simpele genoegens – draaglijk. En dat maakt de onwetenden verachtelijk.

    Leven met een paradox

    Het is een kleine stap van verachten naar doden, van het neerkijken op anderen omdat ze jouw overtuiging missen naar denken dat ze het verdienen om geofferd te worden voor jouw streven.

    De haast ondraaglijke waarheid is dat zo lang er mensen onder ons zijn die 
er voldoende van overtuigd zijn dat deze manier van denken niet alleen acceptabel is, maar ook te verdedigen of zelfs verheven, gruweldaden deel zullen uitmaken van ons bestaan. Onze regeringen moeten waakzaam zijn, en slim, en efficiënt. We hebben veiligheids- en inlichtingendiensten nodig die de gemeenschappen en de culturen begrijpen waarin die dodelijke mentaliteit een voedingsbodem vindt.

    We hebben een politiek en een religieus discours nodig dat weigert deze gemeenschappen te verketteren of ze van ons te vervreemden, zonder ook maar een millimeter mee te gaan in dit kwaad. We hebben regeringen nodig die zich niet door gruweldaden laten verleiden om de democratie, de mensenrechten en de waarden van een open samenleving te verloochenen. Maar we weten ook dat zelfs wanneer we over dat alles beschikken, het niet moeilijk is om te doden. Het kan willekeurig waar gebeuren, met willekeurig welk wapen, tegen willekeurig welk menselijk doelwit – hoe zachter hoe beter. Maar wat moeten we met deze kennis? Er zit niets anders op dan te leven met een paradox – we moeten het ons realiseren en we moeten het vergeten. We moeten rouwen om de doden, ‘hun vele namen noemen,’ proberen te voelen wat hun naasten voelen, voor zover we dat aankunnen. We moeten wel, aangezien dat is wat een beschaving in leven houdt.

    Het is ook precies wat voorkomt dat 
we vervallen tot barbarij – dit rouwen, dit peilloze leed, het verdriet dat die levens stuk voor stuk uniek waren, een wonder, en nu voorgoed zijn verdwenen. De klokken die voor hen luiden, luiden voor ons allen – zodra we dat niet langer horen, zodra we zo zijn gehard en afgestompt dat de doden slechts getallen zijn, zijn we verloren.

    Zij kennen geen schaamte maar ze willen dat wij ons schamen voor onze dagelijkse decadentie en ons onbeduidende, banale bestaan

    Maar tegelijkertijd mogen we niet ons vermogen verliezen om te vergeten. We mogen niet toestaan dan onze geest wordt vergiftigd, zoals de moordenaars willen, door nihilisme of afschuw en wanhoop. We mogen niet toestaan dat de golf van walging en woede alle gewone dingen van het leven overspoelt.

    Er is altijd de kwestie van schuldgevoel – hoe kunnen we gewoon doorgaan met lachen en eten en liefhebben en dansen en naar luchtige liedjes luisteren terwijl er zo veel angst om ons heen heerst 
en er zo veel kwaad onder ons huist? Maar we mogen het niet laten gebeuren dat we ons gaan schamen voor de gewone dingen, want dat is precies wat de moordenaars van ons willen. 
Zij kennen geen schaamte maar ze willen dat wij ons schamen voor onze dagelijkse decadentie en ons onbeduidende, banale bestaan.

    Hun moed schuilt in het vermorzelen van de grenzen van het alledaagse, het opblazen van een gedeelde menselijkheid en een alledaagse wellevendheid. Onze moed schuilt in het verstevigen van diezelfde grenzen en daarbinnen ons eigen leven leiden. Onze moed is groter dan die van hen – doden is niet zo moeilijk, fatsoenlijk leven met de dreiging van de dood wél.

    Auteur: Fintan O’Toole
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Fintan O’Toole is een prominent Brits journalist voor The Irish Times, auteur en winnaar van de European Press Prize.

    Op 6 juni spreekt O’Toole in De Balie in Amsterdam over de Britse verkiezingen en de aanstaande Brexit. Aanvang 20:00 uur, tickets via debalie.nl.

  • Vox populi-puzzel

    Vox populi-puzzel

    Slechte journalisten hebben Trump groot gemaakt, zei 
voormalig hoofdredacteur van de Britse Times, Sir Harold Evans, tegen de NRC. Evans was zijn leven lang geëngageerd journalist en zette het ambacht voornamelijk in als controle op de macht.

    Tot de macht hem ging controleren. Rivaal Rupert Murdoch had de krant met valse beloften overgenomen en Evans vertrok een jaar later naar de VS. Hij volgt de pers op de voet, huiveringwekkend vindt hij de verschuiving van het publieke belang de waarheid te kennen naar het politieke en commerciële belang van de eigenaren. Precies 
de reden dat hij zijn geliefde krant verliet. Engagement hoort bij journalistiek, vindt hij nog altijd. Daarom is hij juryvoorzitter van de European Press Prize, en daarom is hij sinds Good Times, Bad Times (1984) mijn held.

    Als het inderdaad waar is dat slechte journalisten Trump groot hebben gemaakt, wat kunnen goede journalisten dan bereiken? Ook daar heeft Evans natuurlijk een antwoord op, en 360 knikt met hem mee. Ons enige wapen is de taal; nu die taal ook wordt gebuikt om te misleiden en het publiek een rad voor ogen te draaien, is het des te belangrijker dat het tegenwicht gewicht heeft. Want, en ik citeer Sir Evans nog één keer: ‘Goede woorden onthullen iets, ze omschrijven de werkelijkheid.’

    Florence Aubenas overschrijdt de grens van de taal. Ze ondergaat de werkelijkheid

    Laten wij nou net een reportage hebben gevonden die niets meer en zeker niets minder doet. De Franse journaliste 
Florence Aubenas (157 dagen in Irak gegijzeld geweest, wat ze afdoet als een bedrijfsongeval) peilde op z’n walraffiaans de stemming in het Frankrijk van Emmanuel Macron simpelweg door er te zijn en te luisteren.

    Frankrijk kiest aanstaande zondag in twee etappes voor de tiende keer een nieuwe president, in een sterk veranderd politiek decor. De Parti Socialiste, die nu nog de dienst uitmaakt in het Élysée, is onder het presidentschap van Hollande ingestort en heeft een kansloze kandidaat gesteld. Van de ooit machtige Parti Communiste resteren nog 7 van de 577 zetels in het parlement. De traditionele gaullisten hebben elders onderdak gezocht. Opvallend is dat En Marche! van (sociaal-liberaal) Macron en La France insoumise (Opstandig Frankrijk) van Jean-Luc Mélenchon, een afvallige socialist en nu links-radicaal, zich niet afficheren als politieke partij, maar als ‘beweging’. Er is en er zal nog veel over de verkiezingen te lezen en te horen zijn.

    Florence Aubenas overschrijdt de grens van de taal. Ze ondergaat de werkelijkheid. En legt dan pas de vox-populipuzzel vakkundig in elkaar. Als dat nou eens een nieuwe beweging in de journalistiek mocht worden.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: Florence Aubenas.

  • European Press Prize 2017

    European Press Prize 2017

    Op 20 april worden in De Balie in Amsterdam voor de vijfde keer de winnaars bekendgemaakt van de European Press Prize. Deze bekroont jaarlijks de beste journalistieke producties uit 47 Europese landen. Net als vorig jaar maakte 360 Magazine voor u een keuze uit de shortlist.

    European Press Prize

    De European Press Prize (EPP) bekroont jaarlijks de beste journalistiek uit alle lidstaten van de Raad van Europa.

    De prijs werd in 2012 opgericht en is inmiddels toe aan zijn vijfde editie. Doel van de prijs is om kwaliteits­journalistiek te stimuleren en de beste journalisten van Europa een podiumte geven. Er zijn vier vaste categorieën. Daarnaast heeft de jury jaarlijks de mogelijkheid om een speciale juryprijs uit te reiken. Winnaars ontvangen 10.000 euro, om te besteden aan een journalistiek project naar keuze.

    De oprichters van EPP zijn Vereniging Veronica, Stichting Democratie en Media, The Guardian Foundation, MIDF, Thomson Reuters Foundation, Politiken en Jyllands Posten. De jury staat onder voorzitterschap van Sir Harold Evans, voormalig hoofd­ redacteur van The Sunday Times.

    De selectie van 360

    360 Magazine selecteerde dit jaar vijf verhalen, uit de categorieën ‘Distinguished Writing’, ‘Commentator’ en ‘Investigative Reporting’. Van de digitale producties uit de categorie ‘Innovation’ bieden we u een korte beschrijving, en een verwijzing naar de betreffende site.

    Distinguished Writing Award

    Claas Relotius, Koningskinderen

    Felix Hutt, 71 levens

    Francesca Borri, Bestemming paradijs

    Commentator Award

    A.A. Gill, Hou op over die bolhoed en die theepot

    Investigative Reporting Award

    Fabrice Arfi, Vrij verkeer van terreurwapens

    Innovation Award

    De zeven genomineerde projecten

    Extra: Nederlandse genomineerden

  • Klap voor je kop

    Klap voor je kop

    Voor het tweede jaar maakt 360 22 pagina’s vrij voor een – onze – selectie uit de shortlist van de European Press Prize, die sinds 2012 bestaat.

    Ook deze keer kost het geen enkele moeite de journalistieke producties onderdak te bieden. Kwaliteit was geen lastig criterium, want die stond vrijwel in elke inzending als een paal boven water. Dus vielen verhalen af op praktische gronden als: te lang, we hebben al een soortgelijk verhaal uit andere bron gepubliceerd. Of niet twee verhalen over hetzelfde onderwerp.

    De nadruk lag vorig jaar op de ‘toenemende behoefte aan constructieve journalistiek’: houd de feiten in de gaten, maar vertel de lezer vervolgens ook: wat nu? Of een journalist 
die wijsheid ook in pacht heeft en of de berichtgeving over terroristische aanslagen of het vluchtelingenprobleem daar optimistischer van wordt, is nog zeer de vraag. Dit jaar zijn 
de meeste journalisten op de main road van hun vak gebleven, waarheidsvinding, en hebben ze het zoeken naar een discutabele uitweg uit de problemen die zij schetsen, links laten liggen.

    Het is van vlees en bloed. Je kan het lezen, maar ook ruiken en voelen

    Het streven naar waarheidsvinding spat af van het aan nauwkeurige research onderworpen verhaal van Felix Hutt over de 71 vluchtelingen wier lichamen in ontbonden staat werden aangetroffen in de laadruimte van een vrachtwagen in de buurt van Wenen. Dit stuk leidt behalve tot een mentale klap voor je kop, hopelijk ook tot een collectief besef dat we moeten strijden voor de goede zaak, voor het hoogst haalbare, voor een waardig bestaan voor elke burger. En 
wie weet kan informatie uiteindelijk een ander (stem)gedrag tot stand brengen. Dat zou pas constructief zijn. Bovendien maakt het artikel een directe, bijna fysieke aanspraak op ieders gevoel van medemenselijkheid. Het is van vlees en bloed. Je kan het lezen, maar ook ruiken en voelen.

    Dat zit hem vooral in de details. Een van de slachtoffers, Hasan Al-Damen, heeft zijn onderwijzersdiploma in het Duits laten vertalen. Om werk te kunnen vinden. Het werd in zijn zak aangetroffen.

    Juist in deze tijden hebben we een journalistiek nodig die 
ons informeert over wat er buiten ons blikveld gebeurt, over wat politici proberen geheim te houden en die regeringen dwingt verantwoording af te leggen over beslissingen die de welvaart van gewone mensen bedreigen. En daar hoort geen enkel ander streven bij dan het zo gewetensvol mogelijk de werkelijkheid proberen te beschrijven. Ook al is die werkelijkheid vaak zo wreed dat de wezen Ahmed en Alin 
dromen van een koningin die Angela Merkel heet.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

  • Vertrouwd vakwerk met nieuwe technieken

    Vertrouwd vakwerk met nieuwe technieken

    De zeven nominaties voor de European Press Prize in de categorie Innovatie betreffen journalistieke producties die de vernieuwing voor het merendeel zoeken in het gebruik van meerdere media: geschreven en gesproken tekst, foto, film, video, interactieve cartografie et cetera.

    Ook de informatiedragers hebben zo nu en dan een mengvorm: papier en digitaal vullen elkaar soms aan. Hoewel alle producties aan één auteur worden toegeschreven, is het duidelijk dat de meeste in groter of kleiner teamverband zijn vervaardigd, soms ook in internationale samenwerking.

    De genomineerden komen uit Hongarije, Georgië, Spanje (twee nominaties), Nederland, België en Noorwegen.


    innovation coda story natalia antelava

    Coda Story

    Coda Story van Natalia Antelava uit Georgië is niet alleen een voorbeeld van een zogeheten ‘crossmediale aanpak’ bij het volgen van crisissituaties in de wereld, maar ook van een internationale journalistieke samenwerking daarbij. Als motto heeft dit single-issueplatform ‘Stay on the story’, uitgaande van de even simpele als onduldbare werkelijkheid dat ‘crises niet eindigen als de journalisten weer uit het crisisgebied zijn vertrokken’. ‘Wij volgen één bepaalde crisis per keer, zetten er een team van internationale en lokale journalisten op dat de ontwikkelingen desnoods een jaar lang blijft volgen vanuit diverse gezichtspunten.’

    Het begrip ‘crisis’ wordt ruim genomen. Het eerste onderwerp dat Coda Story aanpakte, het ‘pilot project’, was de positie van seksuele minderheden, de LHBT, in de landen van de voormalige Sovjet-Unie. Inmiddels volgt het platform nog twee recente ontwikkelingen: de Disinformation Crisis in dit tijdperk van fake news en alternative facts, waarbij de Georgische hoofdstad Tbilisi als uitvalsbasis werd gekozen, en de wereldwijde vluchtelingencrisis, waarvoor een team vanuit Berlijn opereert. Coda Story werkt onder meer samen met het Center for Investigative Reporting van de universiteit van Berkeley, de Britse krant The Guardian, het fotopersbureau Magnum en de World Policy Journal van de Amerikaanse Duke University. ‘In dit tijdperk waarin het internet is verzadigd van opinie, richten wij ons op nauwgezette verslaggeving ter plekke. Ons doel is ingewikkelde gebeurtenissen uit te leggen, de conventionele verhalen te weerleggen, gedegen journalistiek te bevorderen en de persvrijheid te verdedigen.’


    innovation monitoring eu funded projects in hungary tamas bodoky

    Monitoring EU Funded Projects in Hungary

    Monitoring EU Funded Projects in Hungary (van de Hongaar Tamás Bodoky) is het werk van een vijftienkoppig team van de nieuwswebsite atlatszo.hu, dat naging wat er is gebeurd met de miljardensubsidies die Hongarije de laatste jaren vanuit Brussel heeft ontvangen voor allerlei projecten. De productie opent met een interactieve kaart van het land, waarop in kleur is aangegeven waar in het land het meeste geld uit de Europese ontwikkelings- en steunfondsen uiteindelijk terecht is gekomen, en of in die gebieden toevalligerwijs ook de meeste parlementsleden van de regerende partijen hun woonstee hebben.

    Dat bleek opmerkelijk genoeg ook het geval. Maar soms ging het nog iets verder dan dat. Zo werd aan het Balatonmeer met Europees geld een hotel gebouwd, terwijl gelijktijdig, pal daarnaast, door dezelfde aannemer en met dezelfde materialen ook de nieuwe woning voor een plaatselijke partijfunctionaris werd neergezet. In Boedapest werd een vierde metrolijn aangelegd – met aanzienlijke Europese financiële steun –, die iets duurder uitviel dan begroot. De kosten liepen gaandeweg op van 581 miljoen tot anderhalf miljard euro – en de geruchten over corruptie en verduistering zijn zeer hardnekkig. Tegen een dergelijke kostenoverschrijding kan zelfs Amsterdam met de Noord/Zuidlijn niet op.

    In één geval heeft Brussel in Hongarije het Europese bureau voor fraudebestrijding OLAF (Office de Lutte Anti-Fraude) ingeschakeld.

    innovation eldiario es s business model juan luis sanchez

    The business model of eldiario.es

    Een wat vreemde eend in de bijt is het genomineerde artikel The business model of eldiario.es, dat op naam staat van de Spanjaard Juan Luis Sánchez. Het betreft de financieringsmethode van een Spaanse nieuwswebsite, voortgekomen uit het mislukken van de papieren krant Público, die tussen 2007 en 2012 verscheen. De oprichter en hoofdredacteur van die krant, Ignacio Escolar, begon na de teloorgang van de krant de website eldiario.es met financiële steun van 20.000 ‘socios’ of ‘leden’. (Público zelf ging overigens ook door als website).

    ’Achter eldiario.es staat geen grote investeerders noch ondernemingen. Dat is het kenmerk van ons businessmodel: een mogelijkheid tot lidmaatschap, waardoor lezers worden uitgenodigd om deel te gaan uitmaken van een gemeenschap van burgers die dezelfde waarden delen, zoals gelijkheid, democratisering, sociale rechtvaardigheid en, de belangrijkste, de noodzaak van vrije, onafhankelijke journalistiek zonder belemmeringen’, schrijft Sánchez.

    Tot in het verre verleden zagen op grond van bovenstaand principe ontelbare andere publicaties het licht. Die noemden we toen kranten (of weekbladen, of tijdschriften). Die kranten hadden ook ‘leden’ die ‘abonnees’ werden genoemd. Verander dus ‘socios’ in ‘suscriptores’ en we zijn weer bij het oude verdienmodel van de krant.

    Sánchez noemt de betalende bezoekers van de site liever ‘onze partners in crime’ – ‘omdat we samen onafhankelijke journalistiek mogelijk maken’.


    innovation eu referendum tracker kate day

    EU referendum tracker

    EU referendum tracker van Kate Day is de Belgische inzending, maar heeft buitengewoon weinig met de zuiderburen te maken. Kate Day is een Amerikaanse die jarenlang werkte voor de Britse Telegraph Media Group in Londen, waar ze de eerste redacteur sociale media was van het dagblad The Daily Telegraph, eer ze overstapte naar het Brusselse kantoor van de Amerikaanse politieke nieuwsorganisatie Politico. Daar werd ze aangesteld als (meer commercieel dan redactioneel) verantwoordelijke voor de digitale activiteiten en de groei van de organisatie in Europa.

    Day groeide op in Californië en haar eerste baantje in de journalistiek was als verslaggever van de Los Altos Town Crier, de dorpsomroeper van Silicon Valley. Vandaar haar grote belangstelling voor digitale technologie. Dat nam niet weg dat ze haar journalistieke aandacht vervolgens verlegde naar kranten in India en Bangladesh, alvorens ze naar Europa kwam.

    Politico vestigde nog geen twee jaar geleden een Europees kantoor in de Brusselse Wetstraat. Day nam daar, haar achtergrond in Silicon Valley, Londen en Brussel combinerend, het initiatief om vanuit Politico voor Apple Wallet een toepassing te (laten) ontwikkelen waarmee gebruikers het laatste nieuws en vooral ook de uitslagen van het Britse referendum over een Brexit op de voet konden volgen. En dus slaakten korte tijd later meer dan tienduizend gebruikers van deze toepassing in honderd landen diepe zuchten of opgewonden kreetjes toen de uitslag van dit volksgericht bekend werd en had Politico Europe zich weer wat beter in de nieuwe markt gepositioneerd.

    innovation maldita hemeroteca clara jimenez cruz

    Maldita Hemeroteca

    Maldita Hemeroteca (Verdomd archief) van (onder anderen) de Spaanse Clara Jiménez Cruz begon in 2014 als een journalistiek project op Twitter, maar is inmiddels uitgewaaierd naar het populaire programma El Objetivo van de publieke televisiezender La Sexta en de nieuwswebsite eldiario.es. De journalistiek herneemt in dit programma zijn functie van luis in de pels van de (Spaanse) politiek. Politici worden geconfronteerd met hun uitspraken en standpunten uit het verleden en hun daadwerkelijke functioneren in de alledaagse politieke praktijk.

    Een voorbeeld: de Spaanse regering verhoogde kortgeleden de belastingen. Het programma dook in het ‘verdomde archief’ en vond er uitspraken van de regeringspartijen waarin deze de kiezers beloofden nooit en te nimmer de belastingen te verhogen, integendeel, zelfs tot belastingverlaging over te zullen gaan.

    ‘Ons doel is tweeledig,’ aldus de makers van Maldita Hemeroteca. ‘Enerzijds willen we politici dwingen ongerijmdheden in hun dagelijkse politieke handelen uit te leggen en hen zo noodzaken consistent te zijn, en anderzijds willen we het publiek wijzen op die politieke ongerijmdheden, zodat zij die consistentie van hun volksvertegenwoordigers zelf gaan eisen.’

    Het programma heeft nu rond 130.000 volgers op Twitter, een wekelijks blog op eldiario.es en is een vast onderdeel geworden van het tv-programma El Objetivo, dat op zondagavonden primetime wordt uitgezonden en gemiddeld twee miljoen kijkers trekt.


    The Baby in the Plastic Bag

    Ook de genomineerde inzending uit Noorwegen, ‘De baby in de plastic tas’, getuigt minder van innovatie dan van journalistiek graaf- en spitwerk, vasthoudendheid en commercieel inzicht. De tabloid Dagbladet formeerde een team onder eindredactie van Bernt Jakob Oksnes, dat zich baseerde op een fait divers uit oktober 1991, toen op een kerkhof in Oslo een pasgeboren baby in een plastic zak werd gevonden. Een kwart eeuw later reconstrueerde de krant de gebeurtenissen sindsdien: wie had het kind daar achtergelaten, wie was de moeder, wat was er van het jongetje geworden? Volgens Dagbladet vergde die reconstructie twee jaar en leidde tot een reeks ‘verhalen’ in de krant en op de website. ‘De serie was een record brekend succes in Noorwegen, met meer dat een miljoen unieke bezoekers online, omgerekend een vijfde van de Noorse bevolking. (…) Het project bewijst dat kwaliteitsjournalistiek ook geld kan opbrengen: halverwege de serie kregen mensen die ervoor betaalden het volgende hoofdstuk al te lezen voordat het gratis toegankelijk werd op de site. Die strategie stuwde de verkoop van digitale abonnementen meer op dan enig ander artikel uit het bestaan van de krant.’

    En dat is natuurlijk aangenaam, aangezien de oplage van de papieren Dagbladet sinds 1994 is gedaald van ruwweg 230.000 in 1994 naar 72.000 momenteel.


    innovation the turkish coup through the eyes of its plotters christiaan triebert

    The Turkish Coup through the Eyes of its Plotters

    The Turkish Coup through the Eyes of its Plotters coup-through-the-eyes-of-its-plotters werd gemaakt door de Nederlander Christiaan Triebert vanuit Kuala Lumpur, waar hij voor het schrijven van zijn masterscriptie journalistiek aan het King’s College was neergestreken omdat het leven in Londen hem als student te duur werd. Triebert is lid van de Britse onderzoeksgroep Bellingcat (opgericht in 2014 door Eliot Higgins, naam ontleend aan het gezegde ‘To bell the cat’), die vooreerst bekendheid kreeg door onthullingen over manipulaties met de radarbeelden van vlucht MA-17.

    Op de vrijdagavond en -nacht van de poging tot staatsgreep in Turkije in juli vorig jaar stuitte Triebert op de communicatie binnen een whatsappgroep van de opstandige militairen. Hij legde die gesprekken vast en toetste, met de bentgenoten van Bellingcat, de inmiddels vertaalde gesprekken in de volgende dagen en weken nauwgezet aan andere bronnen die op internet te vinden waren, inclusief foto’s en videomateriaal, vaak, zo niet doorgaans, afkomstig van amateurs.

    Zo ontstond een geverifieerd journalistiek verhaal over de mislukte coup zoals die werd beleefd door de militairen die er de aanstichters van waren, gelardeerd met feiten en omstandigheden uit andere, eveneens verifieerbare bronnen. Het verhaal vond vervolgens zijn weg over de wereld. ‘Wellicht nog belangrijker’, schrijft de jury, ‘is dat dit verhaal een licht werpt op de vernieuwende manier van verslaggeving, waarbij nieuwe open bronnen worden gebruikt om feiten te controleren en gebeurtenissen te onderzoeken.’

  • Dossier – European Press Prize 2016

    Dossier – European Press Prize 2016

    Op 14 april worden in Praag de winnaars bekendgemaakt van de European Press Prize, die jaarlijks de beste journalistiek bekroont uit 47 landen. Een prijs, kortom, die 360 zelf bedacht had kunnen hebben, en die we van harte ondersteunen. Uit de shortlist van 33 producties maakten we onze eigen selectie, zoals u dat van ons gewend bent.

    De selectie van 360:

    360 Magazine selecteerde uit elke categorie één verhaal, behalve bij de Innovation Award. Van deze webproducties bieden we u een voorproefje op papier, en een link naar de betreffende site. Sommige artikelen zijn omwille van de ruimte ingekort.

    1. Distinguished Writing Award
    Wolfgang Bauer, ‘Straat van de angst’

    2. Special Award – Refugee Crisis
    Boštjan Videmšek, ‘Een Syrische ode aan de vrede’

    3. Commentator Award
    Fintan O’Toole, ‘Ierland heeft de tolerantie ver achter zich gelaten’

    4. Investigative Reporting Award
    Marion Quillard, ‘Wil iedereen die verkracht is zijn hand opsteken’

    5. Innovation Award
    De zes genomineerde projecten

    European Press Prize

    De European Press Prize (EPP) bekroont jaarlijks de beste journalistiek uit 47 Europese landen.

    De EPP werd in 2012 opgericht en is inmiddels toe aan zijn vierde editie.

    Doel van de prijs is om kwaliteitsjournalistiek te stimuleren en de beste journalisten van Europa een podium te geven. Er zijn vier categorieën (zie hieronder) plus een speciale juryprijs. Winnaars ontvangen 10.000 euro, dit mag besteed worden aan een journalistiek project naar keuze. De oprichters van de EPP zijn Vereniging Veronica, Stichting Democratie en Media, The Guardian Foundation, MDIF, Thomson Reuters Foundation, Politiken en Jyllands Posten. De jury staat onder voorzitterschap van Sir Harold Evans, voormalig hoofdredacteur van The Sunday Times.

  • 5. Vermenging van genres

    5. Vermenging van genres

    Voor de Innovation Award van de European Press Prize zijn zes inzendingen genomineerd, afkomstig van makers uit Duitsland, Portugal, Italië, Noorwegen, Zweden en Spanje. Het vernieuwende van deze journalistieke producties schuilt in de vermenging van media: het geschreven woord, het gesproken woord, foto’s, film, interactieve grafieken en kaarten.

    © Fernando Moleros / HH
    © Fernando Moleros / HH

    E-Waste 
Republic

    In 2018 produceert de wereld 50 miljoen ton aan E-waste: elektrische en elektronische apparatuur die niet meer functioneert of is verouderd, waar de eigenaar om welke reden dan ook van af wil. Wasmachines, koelkasten, printers, laptops, smartphones, tv-ontvangers. De groei van dit afval is exponentieel: in 2010 was het nog minder dan 34 miljoen ton. Naar schatting wordt 15 procent naar behoren verwerkt. Dat betekent dat 85 procent buiten de recycling valt. En toch ergens terechtkomt.

    De Italiaanse wetenschapper en journalist Jacopo Ottaviani begint zijn webdocumentaire E-Waste Republic in Agbogbloshie, even buiten de Ghanese hoofdstad Accra, een van de grootste vuilstortplaatsen voor e-afval ter wereld. Jongeren branden iedere dag opnieuw kilometers elektrische kabels en kabeltjes af om het koper eruit te kunnen halen. Ouderen ontfermen zich over de nog bruikbare spullen. In Agbogbloshie staan geen huizen, alleen hutjes en krotten. Maar het is vaak mooi weer en morgen komt er weer een lading containers. Uit Europa bijvoorbeeld. Uit Nederland wellicht, want volgens een welingelichte Ghanees heeft hij een vaste afspraak met een groot Amsterdams hotel dat om de zes, zeven maanden op alle kamers de tv-ontvangers vernieuwt.

    Volgens de Conventie van Bazel is het verboden gevaarlijke afvalstoffen te exporteren – maar wat is gevaarlijk? In een onderzoek van de Universiteit van Ghana wordt gezegd dat ‘het verwerken van e-afval de kosten verhoogt indien men zich houdt aan de milieuwetten van de rijke landen en hoogst vervuilende verwerkingsmethoden daarom de neiging hebben te verhuizen naar ontwikkelingslanden, waar dergelijke wetten niet bestaan’.

    Jacopo Ottaviani (Italië): E-Waste Republic (gepubliceerd op de website van Al Jazeera, Qatar). De webdocumentaire van Ottaviani kwam tot stand met een beurs van de Bill & Melinda Gates Foundation.

    cascais2

    Café Cascais

    Volgens de Portugese autoriteiten hebben zich in de loop der tijden vijftien tot twintig Portugezen gemeld in Syrië om zich daar bij de Islamitische Staat te voegen. Opvallend is dat een aantal van hen niet rechtstreeks vanuit Portugal reisden, maar een omweg maakten via Londen; om er te gaan studeren aan de University of East London in Stratford.

    Een team van de Portugese krant Expresso reconstrueerde het leven van vijf van deze studenten en probeerde te achterhalen wat hen uiteindelijk deed besluiten zich aan te sluiten bij IS. Opvallend is dat het vijftal, onder wie twee broers, voordien in Lissabon niets met het islamitisch geloof hadden. Er waren er drie bij die in katholieke gezinnen waren opgegroeid.

    Veel Portugese jongeren die, doorgaans voor hun studie, in Londen verblijven, treffen elkaar daar in het Portugese Café Cascais in de wijk Leyton, waar ze in de weekeinden samen naar voetbal kijken. Ook in die kring merkte men niets van veranderingen in hun gedrag, totdat de oudste van de vijf, Edgar Costa, plotseling van de drank af bleek te zijn.

    In de reportage wordt voor het beeld opvallend vaak teruggegrepen op propagandafilmpjes van IS zelf, naast beelden die in Cascais werden gemaakt en een paar gefilmde interviews met Britse deskundigen van enigerlei soort. Interessant is dat de makers in kringen van de Portugese inlichtingendienst te horen kregen dat er inmiddels ook twee Portugezen uit Syrië in hun geboorteland zijn teruggekeerd. Zonder gevolgen. De Portugese wet voorziet niet in maatregelen tegen jihadisten.

    Raquel Moleiro, Hugo Franco en Joana Beleza (Portugal): Doden en sterven voor Allah – Vijf Portugese leden van IS (gepubliceerd op de website van Expresso, Lissabon).

    De downloaders

    ‘They are the end users in an industry that uses children als sexual commodities. They think they are invisible. But we found them.’


    Dat klinkt voor een binnenkomer al redelijk dreigend. Maar het wordt nog sterker. De Noorse krant Verdens Gang beschikt over gedetailleerde informatie over 78 Noren die tijd, geld en middelen hebben besteed om de vraag te vergroten naar video’s van kinderen die worden misbruikt. ‘We weten wie zij zijn en waar ze wonen, en wat werd gedownload naar gebruikersnamen en IP-adressen die naar hen kunnen worden herleid. Het materiaal bevat een totaal van 36 miljoen regels met gegevens, hetgeen overeenkomt met een boek van een miljoen pagina’s.’

    Een journalist van de krant zocht tien van de mannen op. Zeven van hen bekenden dat ze kinderporno van het internet hadden gehaald, vrijwel altijd tegen betaling. Drie anderen ontkenden. Sommigen toonden enige schaamte, sommigen slechts een lichte gêne, sommigen verdedigden zich. ‘Ik doe niks verkeerds. Iedereen heeft zo zijn eigen voorkeuren.’

    ‘Ze zijn erg streng in dit land,’ beklaagde een van de tien zich. ‘Als de politie hierachter komt, draai ik de gevangenis in, raak ik mijn huis kwijt, mijn baan. Dan is het met me gedaan.’

    Maar de kans dat hij wordt gepakt is niet zo groot. Een jaar of tien geleden werd de Noorse nationale recherche uitgebreid om de verspreiding van kinderporno aan te pakken, maar inmiddels zijn er weer andere prioriteiten gesteld door de politiek. Intussen neemt volgens Save the Children in Noorwegen het downloaden nog altijd toe.

    Håkon Høydal, Einar Otto Stangvik en Natalie Remøe Hansen (Noorwegen): The Downloaders (gepubliceerd op de website van Verdens Gang, Oslo).

    © Getty
    © Getty

    Voor alles bang

    Jennifer Wilton maakte een interactieve productie over het verschijnsel radeloze en redeloze angst. Ze laat ‘op schrift’ een vrouw aan het woord, die voor de buitenwereld al een kwart eeuw normaal functioneert, maar die bijna dagelijks wordt geconfronteerd met vrijwel onbedwingbare gevoelens van angst. Haar verhaal is de geredigeerde versie van een vermoedelijk urenlang gesprek, op sommige plekken onderbroken door de mogelijkheid voor de lezer om door te klikken naar de mening van ‘de experts’: achtereenvolgens komen in beeld de neuroloog, de psychiater, de psycholoog, therapeuten voor alle aandoeningen en van alle richtingen, en ten slotte mensen uit het publiek, ‘the community’, in goed Duits. ‘Ik heb,’ zegt de vrouw, ‘een hele reeks diagnoses gekregen. Algehele angststoornis. Paniekstoornis. Fobieën: angstfobie, ruimtefobie, claustrofobie, angst om te braken, angst voor het donker, voor ziekte, en vaak ook voor andere mensen. Ik heb analytische therapie gehad en gedragstherapie, groepstherapie en Gestalttherapie, bewegingstherapie en autogene training, meditatie. Ik ben in verschillende ziekenhuizen opgenomen, op verschillende afdelingen. Ik heb medicijnen geslikt: van homeopathische middelen tot antidepressiva en kalmeringsmiddelen. En wat heeft het geholpen? Niets.’

    Jennifer Wilton (Duitsland): Angst (gepubliceerd op de website van Die Welt, Berlijn / Hamburg).
    © Ute Grabowsky / Getty
    © Ute Grabowsky / Getty

    Medicamentalia

    Medicamentalia is een langlopend project van de Spaanse ngo Civio. In het project worden prijzen van medicijnen voor de meest voorkomende ziekten wereldwijd vergeleken en geanalyseerd. Daarbij richten de onderzoekers, journalisten en wetenschappers zich allereerst op de ontwikkelingslanden en op ziekten die daar de grootste bedreiging voor de volksgezondheid vormen, zoals tuberculose, malaria, hepatitis, knokkelkoorts, aids en kanker. Doorgaans wordt de vergelijking gemaakt tussen de prijzen en beschikbaarheid van de medicijnen in deze landen en in Europa. Het gaat in die vergelijking tussen voorlopig veertien van de meest noodzakelijke medicijnen niet louter om de prijs, maar ook om de prijs in relatie tot het gemiddelde inkomen.

    De eerste conclusie die in het project wordt getrokken is dat een burger in een ontwikkelingsland veel langer moet werken om zich dezelfde medische behandeling te kunnen veroorloven als een burger in een van de andere landen. In de laatste categorie werden Argentinië, Italië, Spanje en Duitsland gekozen als referentielanden. Een voorbeeld: een behandeling met omeprazol (tegen maag- en darmzweren) kost de patiënt in Nigeria of Congo dertien werkdagen, in Spanje, Italië en Duitsland één à twee werkuren. Een inwoner van Kyrgyzstan moet elf dagen werken om zich de astma-inhaler salbutamol te kunnen aanschaffen, een Spanjaard daarentegen 48 minuten.

    Het patent op geneesmiddelen is ook van grote invloed op de prijs. Het project onderzoekt daarom de juridische strijd tussen de regering van Zuid-Afrika en de farmaceutische industrie over de hervorming van de huidige wetgeving op dat gebied. In Brazilië wordt nagegaan wat de gevolgen zijn geweest van de beslissing die de regering zeven jaar geleden nam om het patent op een middel tegen het aidsvirus te negeren. Is daardoor het aantal aidsdoden gedaald? Maar ook: waarom kost de behandeling met een bepaald medicijn 1000 dollar in de VS, 320 dollar in Spanje en 554 dollar in Frankrijk?

    Eva Belmonte Belda en haar team (Spanje): Medicamentalia: Third World Treatments, First World Prices (gepubliceerd op de website van La Nación, Buenos Aires).

    © Magnus Wennman / via European Press Prize
    © Magnus Wennman / via European Press Prize

    Slapen, waar dan ook

    De Zweedse fotograaf Magnus Wennman reisde in 2015 naar Jordanië, Libanon, Turkije, Servië en Hongarije en maakte op die tocht een serie foto’s van slapende kindvluchtelingen, zo maar ergens in een bos onder een lakentje, of langs de gesloten Hongaarse grens temidden van gewoel, op straat in Beiroet of in een ziekenhuisbed in Amman. Die foto’s combineerde hij met een korte film over het negenjarige Syrische meisje Fatima, dat drie jaar geleden met haar moeder en twee broertjes de stad Idlib ontvluchtte toen het regeringsleger daar slachtingen aanrichtte onder de burgerbevolking.

    Het gezin – de vader was in Syrië gearresteerd – verbleef twee jaar in een vluchtelingenkamp in Jordanië, en toen het daar niet meer uit te houden was, trok het viertal naar Libië, vond een plek op een overvolle boot van mensensmokkelaars en maakte de overtocht naar Italië.
    Onderweg beviel een vrouw aan dek, na twaalf uur in de gloeiende zon. Haar kind gaf geen teken van leven en werd overboord gezet. Toen het schip het onderweg niet langer leek te houden, werden de opvarenden opgepikt door de Italiaanse kustwacht. Fatima woont nu in het plaatsje Norberg in Midden-Zweden. Ze gaat er naar school en houdt van tekenen. ’s Nachts droomt ze vaak dat ze van een schip overboord valt. Wennman filmde haar, thuis en op school, en haar tekeningen. Daar staan huizen op zoals kinderen huizen tekenen, en vliegtuigen waar bommen uit vallen.

    Magnus Wennman en Carina Bergfeldt (Zweden): Het Icare Project – Where the Children Sleep (gepubliceerd op de website van Aftonbladet, Stockholm).

    Samengesteld door: Lambiek Berends