Vietnam is de derde grootste netto-exporteur naar de VS
De Verenigde Staten en Vietnam hebben woensdag ‘een handelsovereenkomst gesloten om de douanerechten op hun goederen te verlagen’, meldt Nikkei Asia. Vietnamese producten zullen bij binnenkomst in de Verenigde Staten worden belast met een toeslag van 20 procent (40 procent als ze vanuit Vietnam worden geëxporteerd maar buiten het land zijn vervaardigd) – toeslagen die bovenop de reeds bestaande douanerechten komen. Amerikaanse goederen die door Vietnam worden geïmporteerd, zullen daarentegen niet worden belast, verzekerde de Amerikaanse president Donald Trump.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Vietnam zal doen wat het nog nooit eerder heeft gedaan: de Verenigde Staten volledige toegang verlenen tot hun handelsmarkten’, met ‘nul’ douanerechten, schreef hij op zijn netwerk Truth Social. ‘Het handelstekort van de Verenigde Staten met Vietnam bedroeg vorig jaar ongeveer 123 miljard dollar, waarmee Vietnam na China en Mexico de grootste netto-exporteur naar de Verenigde Staten is’, merkt Nikkei Asia op.
Ondanks de sancties slaagt Rusland erin via derde landen huishoudelijke apparaten uit de EU te importeren. Voor de sloop, welteverstaan, zodat de onderdelen gebruikt kunnen worden voor Russisch oorlogstuig.
Het verhaal dat al een tijdje de ronde doet klinkt te bizar om waar te zijn: Rusland zou het gemunt hebben op westerse koelkasten, vaatwassers en wasmachines. Niet omdat ze nu meer wassen dan voor de oorlog tegen Oekraïne, maar om de toestellen, die onder andere uit Duitsland komen, te slopen. Door de sancties komt het land veel spullen tekort, en halfgeleiders, transistors, weerstanden, spoelen en condensatoren kunnen gemakkelijk uit de apparaten worden gehaald. Die kan Rusland dan, in theorie althans, gebruiken als reserveonderdelen voor zijn oorlogstuig.
Het Bijbelse citaat ‘van zwaarden tot ploegscharen’ was een motto van de vredesbeweging in de jaren tachtig. Gebeurt hier het tegenovergestelde? Van koelkasten en wasmachines naar tanks en raketten? Een raar idee misschien, maar het is niet onmogelijk. Feit is dat deze apparaten naar Rusland gaan.
De export van elektrische apparaten uit de Europese Unie naar Russische buurlanden floreert. Vooral Kazachstan springt eruit. Volgens cijfers van Eurostat, het bureau voor de statistiek van de EU, doen wasmachines en koelkasten uit het Westen het daar momenteel buitengewoon goed. In 2022 steeg de waarde van geëxporteerde wasmachines met maar liefst 5172 procent ten opzichte van 2021. In de voormalige Sovjetrepubliek Armenië steeg de waarde in dezelfde periode met 450 procent. En in 2023 waren er maanden waarin het exportvolume van wasmachines naar Kazachstan zelfs nog sterker steeg.
Van koelkasten steeg de export ook aanzienlijk, hoewel minder dramatisch. De waarde van koelkasten die naar de twee landen werden geëxporteerd, steeg in 2021 en 2022 drie tot vier keer, aldus Eurostat. Het is onwaarschijnlijk dat Kazachen en Armeniërs opeens veel meer zijn gaan wassen. Dus wat is er aan de hand? Fungeren landen als Kazachstan in deze oorlog als draaischijf voor nieuwe Russische handel? Als een hub, een eldorado voor clandestiene tussenpersonen en verkopers van koelkasten?
Raadsel
Het in München gevestigde bedrijf BSH Hausgeräte maakt wasmachines en koelkasten voor Bosch en Siemens en stopte na het uitbreken van de oorlog met de productie in Rusland. Het bedrijf leverde ook geen apparaten meer aan het land – ook al viel dat niet onder de sancties. In ieder geval staan hightechproducten zoals geavanceerde halfgeleiders en speciale elektronische componenten wel op de sanctielijst, wat de zaak minder eenvoudig maakt. In München hebben ze geprobeerd om het pad van koelapparatuur en vaatwassers te volgen, maar ze staan voor een raadsel.
‘We keken naar onze verkooptrends in landen als Kazachstan en zagen geen grote schommelingen in de verkoop buiten de normale marktgroei,’ zegt het bedrijf. Ze kijken nu ‘veel nauwkeuriger’ naar nieuwe handelaren en leveranciers en houden hun handels- en distributienetwerken in de gaten. Maar zodra een handelaar de goederen heeft gekocht, is het traject ‘niet meer controleerbaar’. Bovendien komen de halfgeleiders in BSH-toestellen voornamelijk uit Azië, vooral uit China. China heeft zich niet aangesloten bij de Russische sancties. Is die route niet veel makkelijker voor raketreparateurs? Is het wel nodig om nieuwe wasmachines te slopen voor het interieur?
We bellen met Erlend Bollmann Bjørtvedt in Oslo. Bjørtvedt werkt voor het Noorse adviesbureau Corisk als risico-expert en hij heeft de westerse export naar buurlanden van Rusland geëvalueerd. Het gedoe met de keukenapparatuur komt hem ‘nogal vreemd’ voor, zegt hij. Op het eerste gezicht.
Het is wel zo dat ‘de Russen momenteel alles hamsteren wat ze kunnen’. Hij ziet dat ‘veel zaken nu via derde landen gaan – via Kazachstan, Wit-Rusland of Armenië’. Voor hem is dit het bewijs dat de westerse sancties tegen Rusland worden omzeild, want goederen vinden via ingewikkelde routes toch hun weg naar Russische klanten. Bjørtvedt zegt dat alleen al vanuit Duitsland goederen ter waarde van ongeveer twee miljard euro op deze manier Rusland hebben bereikt: ‘De sancties werken vaak niet omdat er in veel landen nog steeds mazen in de wet zijn.’
Dat wordt al langer erkend in Brussel, waar de EU-lidstaten al weken onderhandelen over een elfde sanctiepakket, zonder dat er noemenswaardige vooruitgang wordt geboekt. Er zit geen rek meer in de bereidheid om compromissen te sluiten over nieuwe, strengere sancties tegen Rusland, en economische strafmaatregelen vereisen consensus van de zevenentwintig EU-staten. Daarom richten diplomaten in Brussel zich nu op de nieuwe toeleveringsketens en de omzeiling van eerdere sancties via derde landen, want die moeten worden voorkomen.
Het oorspronkelijke idee om deze derde landen direct te sanctioneren is mislukt door verzet van onder andere Duitsland
Deskundigen van de EU-Commissie hebben hiervoor handelsgegevens bestudeerd, net als Bjørtvedt. Telkens weer duiken Turkije en Kazachstan op, evenals Georgië, Armenië, de Verenigde Arabische Emiraten en Oezbekistan. Gegevens over de export en import van grotere productgroepen, geven geen duidelijk antwoord, zegt een EU-diplomaat. Maar ze laten wel zien dat deze staten als doorvoerlanden fungeren en het mogelijk maken om EU-sancties te omzeilen. Hoogtechnologische onderdelen die ook worden gebruikt in moderne wapens, kunnen op deze manier nog steeds Rusland bereiken.
Het oorspronkelijke idee om deze derde landen direct te sanctioneren is mislukt door verzet van onder andere Duitsland. De EU wil namelijk ook met deze landen partnerschappen aangaan.
In wezen komt het daarom nu neer op drie maatregelen. Ten eerste moet de doorvoer van gevoelige producten – zoals vliegtuigonderdelen – naar Rusland worden beperkt; goederen bestemd voor export naar derde landen blijven nu vaak in Rusland hangen. Een tweede maatregel die wordt besproken is het aan banden leggen van de export van bepaalde goederen naar derde landen als laatste redmiddel, als die landen betrokken zijn bij het omzeilen van sancties en diplomatieke druk niets uitricht. Ten derde zou de EU doelgericht sancties kunnen opleggen aan bedrijven die betrokken zijn bij het omzeilen van sancties. Dat is omstreden omdat er in de huidige stand van zaken nog steeds enkele Chinese bedrijven op de lijst staan.
Het is interessant om te zien wat er behalve wasmachines en koelkasten nog meer in derde landen terechtkomt. Een groot deel van de export bestaat uit auto’s en vrachtwagens, zegt Bjørtvedt. ‘We zien vrachtwagens van alle grote fabrikanten, MAN, Daimler, Iveco, Volvo – ze zijn er allemaal.’
Uit cijfers van Eurostat blijkt dat er in 2022 bijna twee keer zoveel transportvoertuigen vanuit de EU naar Kazachstan werden geëxporteerd als in het jaar ervoor. Naar Armenië waren het er zelfs meer dan drie keer zoveel. Dat is in de eerste maanden van 2023 opnieuw toegenomen. Kazachstan importeerde in het eerste kwartaal vrachtwagens ter waarde van bijna 23 miljoen euro uit de EU: zes keer zoveel als in dezelfde periode vorig jaar. In Armenië steeg de waarde anderhalf keer.
Nieuw Kazachstan
Wasmachines en vaatwassers, halfgeleiders en vrachtwagens voor Poetins oorlog? Daimler is net zo verbijsterd als koelkastfabrikant BSH Hausgeräte. Ook bij Daimler is ‘geen buitengewone toename in de verkoop van vrachtwagens aan Kazachstan waargenomen’, aldus een woordvoerder. Aangenomen wordt dat het vaak om Jahreswagen gaat, voertuigen die binnen twaalf maanden door de eerste eigenaar zijn doorverkocht.
Als derden zoals Kazachstan zich nu aanbieden voor een soort omweg, roept dat een heel andere vraag op. Dat wordt duidelijk aan de hand van de website van het Oost-Europa Comité voor de Duitse economie, dat bedrijven vertegenwoordigt die actief zijn in de betreffende landen.
Daar wordt momenteel gesproken over een ‘nieuw Kazachstan’. Want het land zal in de toekomst een nieuwe rol spelen als belangrijke handelspartner voor westerse landen nu Rusland is afgehaakt vanwege de oorlog. ‘Door de Russische oorlog tegen Oekraïne en de gevolgen ervan staan de schijnwerpers nu gericht op het economisch sterkste land van Centraal-Azië’, staat op de website van het Oost-Europa Comité. Kazachstan presenteert zichzelf ‘vol vertrouwen als een alternatieve leverancier van energie en grondstoffen, als knooppunt tussen Europa en Azië en als een geopolitieke speler’.
Als de bevindingen van Bjørtvedt en anderen kloppen, dan heeft de term ‘draaischijf’ mogelijk een heel speciale betekenis. Michael Harms, directeur van het Oost-Europa Comité, is voorzichtig. ‘De Duitse exportgroei naar landen als Kazachstan kan niet automatisch worden geïnterpreteerd als het ontduiken van sancties,’ zegt hij.
‘Het zijn kleinere, vaak pas opgerichte bedrijven of individuen die via derde landen zakendoen met Rusland’
In veel gevallen zijn de distributiekanalen door de oorlog veranderd – wat niet betekent dat deze producten automatisch in Rusland terechtkomen. Er zijn ‘natuurlijk bedrijven die op criminele wijze de sancties proberen te omzeilen’. Maar het zijn ‘kleinere, vaak pas opgerichte bedrijven of individuen die via derde landen zakendoen met Rusland’. Harms wil dan ook dat ‘dergelijke tussenpersonen die betrokken zijn bij het omzeilen van sancties door de EU, publiekelijk op een zwarte lijst worden gezet, die als leidraad kan worden gebruikt door serieuze bedrijven’.
Er bestaat al een controversiële zwarte lijst, ‘Internationale Sponsors van Oorlog’ genaamd, die is samengesteld door een afdeling van het anticorruptieagentschap in Kyiv. Op deze lijst staan bedrijven die Rusland zouden helpen. De lijst is het grootste twistpunt geworden in de zware onderhandelingen over het elfde sanctiepakket. ‘We boeken eigenlijk goede vooruitgang,’ zegt een EU-diplomaat. ‘Maar er zijn nog steeds twee landen die alles blokkeren.’ Met zeldzame eensgezindheid verhinderen de Hongaarse en Griekse regering dat er een compromis wordt bereikt zolang Oekraïne bedrijven uit hun landen aanklaagt als sponsors van Poetins oorlog. De Hongaren maken zich zorgen over de OTP-bank en de Grieken over hun reders die met hun tankers Russische olie vervoeren. De lijst en de EU-strategie tegen het omzeilen van sancties zijn weliswaar twee verschillende dingen, maar beide landen gebruiken de onderhandelingen om Kyiv zover te krijgen dat hun bedrijven van de sanctielijst worden geschrapt.
Van Duitsland staat alleen Metro AG op de lijst. Deze levensmiddelengroothandel is een van de weinige bedrijven die nog volhardt in zijn Russische activiteiten. Net als chocoladeproducent Ritter Sport. De meeste Duitse bedrijven hebben hun activiteiten in Rusland allang gestaakt en leveren er geen producten meer aan.
Wie zaken blijft doen met het oorlogvoerende Rusland, wordt al snel aan de schandpaal genageld. Maar zakendoen met en in Rusland gaat verder dan chocoladerepen. Je ziet het alleen niet op de verpakking.
Goud, edelmetaal en juwelen zijn in de eerste acht maanden van dit jaar uitgegroeid tot de belangrijkste exportproducten van Bolivia, met een totaal van bijna zeven miljard dollar, bericht het in Uruguay gevestigde persbureau MercoPress. Dat betekent een stijging van 65,4 procent vergeleken met vorig jaar, aldus statistiekbureau INE.
Goed en juwelen waren in totaal goed voor 24 procent van de export
In de periode van januari tot augustus vertegenwoordigden goud en aardgas 45 procent van de overzeese verkoop. Goud en juwelen waren in totaal goed voor 1640 miljoen dollar, ofwel 24 procent van de export, vergeleken met 778 miljoen dollar een jaar geleden.
De belangrijkste klanten van Boliviaans goud zijn India, de Verenigde Arabische Emiraten, Turkije, de Verenigde Staten, Hongkong en Canada.
Duizenden Guatemalteken zijn op donderdag 29 juli ‘meer dan zeven uur achtereen’ de straat opgegaan om het aftreden van president Alejandro Giammattei en procureur-generaal Maria Consuelo Porras te eisen, meldt La Hora. Deze vreedzame betogingen komen volgens de Guatemalteekse krant na het ontslag vorige week van een officier van justitie die zich richtte op anti-corruptie.
In Guatemala-Stad, de hoofdstad, kwamen de demonstranten samen op het Plein van de Grondwet, ‘waar zij met affiches en leuzen uiting gaven aan hun ontevredenheid over de situatie in het land’, schrijft La Hora.
Ghannouchi roept zijn achterban op de straat op te gaan
Donderdag sprak Rached Ghannouchi, de voorzitter van de islamistische partij Ennahda en van het Tunesische parlement – dat voor dertig dagen is geschorst – met Agence France-Presse, terwijl ‘de wereld voor hem hermetisch is afgesloten’, schrijft Tunisie Numérique, De site vat het resultaat samen als ‘een toespraak met een gemengde boodschap, tussen verzoening, dreigementen en oproepen aan zijn achterban‘.
‘Hij presenteerde zichzelf als het slachtoffer van een staatsgreep’
‘Zoals verwacht presenteerde hij zichzelf als het slachtoffer van een staatsgreep en de ultieme hoeder van de democratie in Tunesië, of zelfs van de Arabische Lente.’ Hij zei dat hij de voorkeur wilde geven aan de weg van de dialoog, alvorens ‘de essentiële boodschap die hij wilde overbrengen’ te verkondigen: ‘dat hij bereid is het volk te vragen de democratie te verdedigen’. ‘Dit klonk als een bedreiging aan de staat en als een oproep voor zijn achterban’, aldus Tunisie Numérique.
Bouwverbod door gebrek aan water
Het oude cowboystadje Oakley, gelegen op ongeveer een uur rijden ten oosten van Salt Lake City in de Amerikaanse staat Utah, is een van de eerste steden in de VS die doelbewust stopt met stadsuitbreiding vanwege een gebrek aan water, schrijft The New York Times. De bron, die pioniers ooit gebruikten om hun akkers te bevloeien en die nu drinkwater levert, is aan het opdrogen na de verzengende hitte dit jaar. Daarom heeft het stadsbestuur besloten om een bouwverbod in te stellen.
Tijdens de pandemie nam de vastgoedmarkt in Oakley een hoge vlucht
Tijdens de pandemie nam de vastgoedmarkt in de 1750 inwoners tellende stad een hoge vlucht omdat arbeiders van de westkust toestroomden en er ook veel weekendverblijven werden gebouwd. Maar aangezien al die nieuwkomers water nodig hebben, stelde Oakley een bouwverbod in voor nieuwe huizen die zouden moeten worden aangesloten op de waterleiding van de stad. Experts verwachten dat dit een voorbode is voor andere steden in het heter en droger wordende Westen van de VS.
Italië verdient aan ‘mooi en goed gemaakt’
Italiaanse producten die ‘mooi en goed gemaakt’ kunnen worden genoemd, genereren jaarlijks zo’n 135 miljard euro aan export, aldus de industriële werkgeversfederatie Confindustria, die opdracht gaf tot het rapport Export Dolce Vita. ‘Mooi en goed gemaakt’ is een belangrijk aspect voor de Italiaanse export en is van toepassing op uiteenlopende producten die in Italië worden vervaardigd. Volgens het rapport wordt het meeste geld verdiend met de drie F’s: Fashion, Food en Furniture, bericht ANSA.
De studie ziet een verder groeipotentieel van zo’n 82 miljard euro en wijst nadrukkelijk op China waar de komende vijf jaar zo’n 70 miljoen ‘nieuwe rijken’ bij zullen komen.
Chili kampt al jaren met een grote droogte en een tekort aan water, wat in belangrijke mate aan de dorstige avocado-industrie te wijten is. Bovendien is door privatisering de drinkwaterrekening torenhoog. Toch zijn de bewoners van het dorpje Petorca blij met de kansen die de avocado hen biedt.
Avocadodroogte
In 2016 publiceerden wij een longread over de ‘oergezonde waterslurper’: de geliefde avocado. De bekendste soort superfood die er is, maar blijkbaar zijn voor de productie enorme hoeveelheden water nodig, waardoor de landen van herkomst, zoals Brazilië, Chili, Spanje, Zuid-Afrika en Peru, gevaar lopen.
Deze reportage over een Chileens dorpje maakt duidelijk hoe ingewikkeld het probleem is. Zo zijn de bewoners als de dood dat door slechte pers mensen stoppen met avocado’s eten.
Net buiten Petorca, een dorp in de gelijknamige provincie op ruim drie uur rijden ten noorden van de hoofdstad, ligt plantage La Chimba. Aan weerszijden van de ingang staan metershoge palmbomen. Achter hoge hekken groeien de avocado’s. Ook hier hebben ze een aanhoudend tekort aan water.
Hector Cavieres is opzichter, hij wijst naar boven en zegt: ‘Daar zijn we de bomen aan het snoeien. We hadden vijftig hectare maar we snoeien terug tot dertig hectare. Die bomen doen niks meer vanwege de droogte. Op deze manier kunnen ze een jaar overleven zonder water. Mocht het gaan regenen, dan gaan ze weer groeien.’
Chimbaplantage, Chincolco, Chili.
Iets hoger op de heuvel klinkt onafgebroken het geluid van kettingzagen. Het heeft iets treurigs, al die gekortwiekte gezonde bomen. Drie mannen zagen stug door. Als een van hen even stopt om het zweet van zijn voorhoofd te vegen, vertelt hij dat ze per omgezaagde boom betaald krijgen. ‘We tellen zelf de bomen, per rij staan er dertig. Voor een grote boom krijgen we meer dan voor een kleine.’ Op de vraag of hiermee een redelijk salaris te verdienen valt zegt hij een beetje aarzelend: ‘Jawel. Er wordt op heel veel plaatsen gesnoeid omdat er geen water is.’
Het afgelopen jaar heeft La Chimba 700.000 kilo avocado’s geoogst. ‘Alle mooie avocado’s zijn voor de export,’ vertelt Cavieres, ‘als ze niet de goede maat hebben, kunnen we ze niet exporteren. Weinig water en de droogte leveren een kleinere avocado op, die blijven in Chili. Dit jaar kunnen we maar ongeveer 10 procent van het aantal van vorig jaar exporteren, zo’n 80.000 kilo.’ Cavieres gaat weer aan het werk, op zijn crossmotor scheurt hij tussen de avocadobomen weg.
Zwaar werk
Tijdens de oogst van de avocado’s werken hier vijfentwintig mensen die zijn ingehuurd via een soort uitzendbureau. Met lange stokken waaraan een net en een soort schaar zitten, verdwijnen ze tussen de bomen. Stevige zakken hangen aan hun schouders, hier worden de losgeknipte avocado’s in verzameld. Wanneer de zak vol is sjouwen ze hem naar de weegschaal. Hoe voller, hoe beter.
Een meisje schrijft op een wit vel papier hoeveel kilo iemand geplukt heeft. Aan het einde van de dag telt ze alles op en wordt er uitbetaald.
De mannen, en een enkele vrouw, werken gestaag en veelal zwijgend door. Een van de mannen zegt: ‘Als je alleen lagere school hebt, kun je eigenlijk alleen in de landbouw werken en dan betaalt een avocadoplantage het best. Het ligt aan de grootte van de avocado wat we verdienen. Meestal rond de 24 euro per dag. Maar dan moet je goede en grote avocado’s hebben.’
Hij knikt: ‘Ja, het is zwaar werk.’ En weg is hij weer, tijd is hier geld.
Het is een slecht avocadojaar voor La Chimba. Ook hier verlangt men naar regen.
Een kilometer of twintig noordwaarts staat het bedrijf Agricola Santa Juana. Een grotere speler op de avocadomarkt. Met een heus ontvangstkantoor en een receptioniste. Ze belt haar meerdere maar die laat weten niets te willen zeggen. Buiten hangt een van de chefs over zijn autoportier en vertelt dat ze slechte ervaringen hebben met een Duits tijdschrift waarin werd opgeroepen de avocado niet meer te eten.
‘Als het niet gaat regenen moeten we ons water ergens anders vandaan halen, uit de zee bijvoorbeeld’
Manuel Montenegro (65) uit Chincolco ziet ook voordelen van de avocadoplantages in de regio. De werkgelegenheid bijvoorbeeld. ‘Verder is hier weinig werk. Er zijn alleen avocado’s, noten en cactussen.’
Zijn dochter woont even verderop, vertelt hij. Al twintig jaar, in een wijkje waar veel alleenstaande vrouwen met of zonder kinderen wonen. Werken bij een avocadoplantage gaf deze vrouwen financiële onafhankelijkheid. Manuel knikt: zeker, dat is belangrijk, met eigen geld hebben ze geen man meer nodig. De verdiensten van zijn dochter zijn ongeveer 420 euro per maand.
Dat het watertekort een probleem is voor de regio zal hij niet ontkennen. ‘Sí, claro, avocado’s hebben veel water nodig. Dat heeft absoluut consequenties. Als het niet gaat regenen moeten we ons water ergens anders vandaan halen, uit de zee bijvoorbeeld.’
Complex van factoren
Op de vraag of de grote avocadotelers ook schuld hebben aan het watertekort geeft watermanagementspecialist Ricardo Ferreira uit La Ligua een ontwijkend antwoord. De problematiek van de provincie Petorca is een complex van factoren, zegt hij. Zo is een groot aantal waterrechten toegekend aan landbouwbedrijven zonder de resultaten van eerdere studies over de hoeveelheid water in de bekkens mee te nemen. ‘Ook daarom is er nu een tekort aan water.’
Andere oorzaken zijn volgens hem het gebrek aan regen en het ontbreken van een bergketen in de provincie Petorca die het mogelijk zou maken om waterreserves vast te houden.
Over de privatisering van water zegt Ferreira: ‘De huidige waterwet stamt nog uit de tijd van de dictatuur. Water mag als product worden verhandeld. De overheid levert gratis waterrechten aan private partijen en dat maakt het voor de overheid moeilijk om de watervoorraden te beheren. Het is dus van groot belang dat de grondwet gewijzigd wordt en er een nieuwe waterwet komt, zodat de overheid op democratische wijze het beheer over het water krijgt. Want nu kunnen waterrechten ook gekocht, verkocht of geleased worden zonder dat er rekening wordt gehouden met plaatselijke prioriteiten, zoals de behoefte aan drinkwater.’
Er moeten verschillende acties ondernomen worden om het beheer van de watervoorraden te verbeteren en om nieuwe bevoorradingsbronnen te genereren.
Ontzilting van zeewater is een initiatief dat ongetwijfeld belangrijk is, denkt Ricardo Ferreira. Zeker voor menselijke consumptie. Voor de landbouw zou het nog beter onderzocht moeten worden, maar de uitvoeringskosten zijn zeer hoog.
Zout
Ook Paula Quiroz (70) denkt dat het gebruik van ontzout zeewater een oplossing voor het watertekort zou kunnen zijn. ‘Hemelsbreed zitten we hier op zestig kilometer van de oceaan. We zitten niet zo hoog in de bergen, dus het kan niet heel moeilijk zijn om het water hierheen te brengen. We zijn te afhankelijk van regen die er niet is.’
Wat te doen met al het zout? ‘Daar kunnen bakstenen van gemaakt worden,’ oppert Paula, ‘of we verkopen het aan landen waar het veel sneeuwt.’
Ze lacht om haar laatste opmerking maar ze meent het wel, want ook zij maakt zich zorgen. Het grondwater daalt, de landbouw slaat steeds diepere putten, soms wel tot honderdvijftig meter diep.
Paula daalt de houten trap af die vanuit haar keuken naar de tuin leidt. Ze stapt over het betonnen irrigatiekanaal waar een keer per week water doorheen stroomt vanuit een verderop gegraven put. Omdat Paula relatief dicht bij die put zit, krijgt zij nog water maar de mensen die verder weg wonen moeten het zonder stellen, ‘daar komt het water niet eens’.
De dorre takjes op de droge grond knisperen onder haar voeten bij iedere stap die ze zet. ‘Kijk,’ zegt ze en ze buigt zich voorover naar een zwarte tuinslang met hele kleine gaatjes. ‘Dankzij dit irrigatiesysteem kan ik nog een paar fruitboompjes houden.’ Sinds een maand heeft ze deze slang in haar tuin. Heel langzaam, druppel voor druppel, komt er water uit de gaatjes.
Tegenwoordig moeten we ook betalen aan de fabriek die het water reinigt, voor de elektriciteit die dat kost en voor de leidingen
Water is duur, en aan deze kant van het dorp is het nog duurder ‘dan beneden’, waar de bewoners water krijgen via een ander bedrijf. ‘Wij hebben een coöperatie voor het drinkwater,’ zegt Paula. ‘Vroeger was het goedkoop, toen betaalden we alleen het opgepompte water. Tegenwoordig moeten we ook betalen aan de fabriek die het water reinigt, voor de elektriciteit die dat kost en voor de leidingen.’
De dorpsbewoners willen zich aansluiten bij een zonnepanelenproject om de kosten omlaag te brengen. Deze projecten worden gesubsidieerd door de overheid.
Paula Quiroz: ‘Dankzij dit irrigatiesysteem kan ik nog een paar fruitboompjes houden.’
Van Paula’s tuin is nog maar een fractie beplant. Het grootste gedeelte ligt braak. Aan de randen groeien nog cactussen. Die krijgen haar afwaswater om te drinken. ‘Want ik wil echt niet dat mijn cactussen doodgaan.’
Het is rond een uur of drie als Paula in haar oude Peugeot stapt. Ze klemt haar handen strak om het stuur en rijdt met dertig kilometer per uur naar haar zussen beneden in het dorp voor het dagelijkse theeritueel.
Kleine groene oase
Jorge Castro (70) brengt regelmatig hooi en stro bij Maria Roderiquez (78), die boven op een berg woont. Jorge rijdt met zijn pick-up kilometers over een onverharde weg, steekt de droge rivierbedding over en vervolgens gaat het omhoog, de bergen in.
Maria staat al op de uitkijk. Een struise dame met een verweerde, gebruinde huid zoals alleen mensen kunnen hebben die buiten wonen, daar waar de zon veel schijnt en de wind vaak waait. Ze leunt op een stok. Aan verschillende bomen zijn honden vastgebonden. Ze blaffen hard tegen elkaar op tot Maria en Jorge uit hun zicht verdwijnen. Maria gaat maté maken, een traditionele Argentijnse thee met kruiden en vooral ook veel suiker. Als Maria geen maté drinkt, krijgt ze hoofdpijn, zegt ze. Geboren en getogen is ze op deze plek. Zeven kinderen heeft ze er grootgebracht, en ze is hier alle dagen, behalve die ene keer per maand dat ze ‘naar beneden’ gaat om olie, thee, suiker en rijst te halen.
Ze slurpt van haar maté en knikt: ‘Ja, er is heel veel veranderd. Ik heb geen groenten meer in de tuin, vijf jaar geleden had ik nog mooie grote aardappelen. Maar de waterput is helemaal opgedroogd.’ Ook heeft Maria bijna geen dieren meer vanwege de droogte. Die eten een baal hooi per dag. ‘Ik kan geen dertig hooibalen per maand kopen van tien euro per stuk.’
Toch prijst Maria zich gelukkig, zij kan het afvalwater opvangen uit de even verderop gelegen kopermijn. Daarmee heeft ze een kleine groene oase gecreëerd naast haar golfplatenhuisje, met druivenranken als afdak tegen de brandende zon.
Maria Roderiquez: ‘Ik heb geen groenten meer in de tuin, vijf jaar geleden had ik nog mooie grote aardappelen. Maar de waterput is helemaal opgedroogd.’
‘Als ik hier drinkwater voor moest gebruiken dan zou ik een hele hoge waterrekening hebben. Ik dank God voor het water uit de mijn.’
Nee, Maria gaat hier nooit meer weg. Onlangs zei een kleinkind tegen haar: ‘Oma, als u doodgaat dan kom ik hier wonen.’ Maria lacht: ‘Hij heeft erover nagedacht want hij wil een opvang voor gepensioneerde geiten beginnen.’
Ze kijkt op haar horloge, dat aan haar schort geknoopt zit. Het is kwart voor twaalf, ze wil gaan koken.
Brandbrief
Barbara Astudillo (31) opgegroeid in de provincie Petorca, is ecofeministe en onderzoeker bij Fundación Territorios Colectivos. Ze voert al jaren actie. ‘Want in het gebied waar ik zoveel van hou, worden de mensen- en milieurechten geschonden zodat men geen toegang heeft tot water.’
Astudillo is van mening dat Chili nu prioriteit moet geven aan klimaatveranderingswetten en vermindering van het water- en energieverbruik van grote industrieën. Ook zij vindt dat de grondwet moet worden aangepast, maar er is in Chili gebrek aan politieke wil om veranderingen teweeg te brengen.
‘Stop met de privatisering van water,’ zegt ze, ‘transformeer het naar een nationaal bezit waarbij de consumptie door burgers en de ecologische belangen vooropstaan. Maak de economie daaraan ondergeschikt.’
Chincolco, Chili.
Onlangs heeft ze een brandbrief gestuurd naar de speciaal rapporteur van de VN voor water en hygiëne Leo Heller. Daarin schrijft ze onder meer dat met name de gemeenten Cabildo, La Ligua en Petorca al jarenlang te lijden hebben onder het watergebruik van de agrobusiness, door de aanplant en het telen van citrusvruchten en avocado’s.
Er groeien nog wat cactussen maar zelfs die hangen er een beetje treurig bij
Dorpen zitten zonder watervoorziening als gevolg van accumulatie van grote hoeveelheden zoet water in boven- en ondergrondse kanalen voor deze agro-industriële bedrijven. Regelmatig zijn ze aangeklaagd door nationale en internationale organisaties zoals het bekende Chileense Modatima. De leiders van deze milieuactivistische organisatie worden niet zelden vervolgd en soms zelfs met de dood bedreigd.
Veel gezinnen worden tegenwoordig bevoorraad met een tankwagen, vijftig liter per persoon per dag. ‘Ja, natuurlijk is dat veel te weinig,’ zegt Barbara, ‘maar het is complex om met gebrek aan overheidsbeleid en investeringen de watercrisis in dit gebied te bestrijden.’
Onlangs heeft het geregend in de provincie Petorca, voor het eerst in zestien jaar.
‘Maar het water bereikte de rivieren van onze vallei niet,’ verzucht ze. ‘Het bleef achter in de bassins van de avocado- en citrusfruittelers. Betaald met het geld van alle Chilenen om de grote ondernemers van het land te subsidiëren. We moeten de wereld écht anders in gaan richten.’
Verloren paradijs
Aan de onverharde weg tussen Petorca en Chincolco staat achter een hek het huisje van Zoila Lemus (73). De hond blaft onophoudelijk, zoals eigenlijk overal. Zoila woont hier samen met haar dochter en haar twee kleindochters. Alle bomen in haar tuin zijn dood, zo ook alle groene planten. Er groeien nog wat cactussen maar zelfs die hangen er een beetje treurig bij.
Het huisje kijkt uit op gortdroge bergen. Aan het einde van de vorige eeuw waren deze bergen veel groener. Maar men kapte alle bomen om de huizen te verwarmen en om te koken. Niemand plantte ooit een boom terug.
Zoila’s woning staat aan de oever van een rivier waar al twintig jaar geen water meer door stroomt. Ze pakt een ingelijste foto van een kastje. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘de rivier was vroeger prachtig, we konden er zelfs in zwemmen. Onze tuin stond vol bomen en rozen in allerlei kleuren. We verbouwden alles zelf: tarwe voor het brood, bonen, mais, linzen, aardappelen, uien, knoflook, courgettes. Gewoon om zelf te eten en om in te maken. Nu kan ik hier niks meer laten groeien. We wonen in een woestijn zonder water. Alle putten die we gegraven hebben zijn opgedroogd.’
Zoila Lemus: ‘De rivier was vroeger prachtig, we konden er zelfs in zwemmen. Onze tuin stond vol bomen en rozen in allerlei kleuren.’
Zoila en haar familie krijgen vijftig liter water per dag om te koken, te wassen en te douchen. ‘Je kunt je beter wassen met een bakje water. Haren wassen kost heel veel water, we gebruiken een sok om ons haar nat te maken.’
Tot voor kort kwam er een tankwagen om het water te brengen maar Zoila heeft sinds een maand een nieuwe waterput. Met een automatisch systeem dat niet goed werkt. ‘Soms hoor je water, soms hoor je niks. Maar het bedrijf dat de meter heeft geïnstalleerd geeft niet thuis.’
Maar heeft ze, als het systeem goed zou werken, dan wel genoeg water?
Zoila schudt haar hoofd: ‘Nee, er komt een liter water per seconde langs voor acht families.’
Ze legt uit hoe het met de waterrechten in Chili zit. Het gaat zoals gezegd om een wet die nog stamt uit de tijd van de dictator Pinochet. Je kon je toen inschrijven voor water: een boer met bijvoorbeeld drie hectare grond had recht op drie ‘delen’ water. ‘Maar,’ zegt Zoila, ‘dat ging over oppervlaktewater. Ook voor het ondergrondse water kon je rechten kopen maar dat wisten de boeren niet. Het recht op ondergronds water is stiekem verkocht aan grote bedrijven. Die eisen nu alles op en oppervlaktewater is er allang niet meer. De regering moet nu de rechten kopen van die bedrijven zodat ze het water kan verdelen. Al die bedrijven verdienen er nog meer aan. En ik heb geen “recht” op water. Dat is waarom de mensen de grondwet willen veranderen.’
Soms is er een project vanuit de overheid. Zo zouden Zoila en haar buren ook een waterleiding krijgen, er was bijna 35.000 euro voor beschikbaar. Verschillende aannemers en onderzoekers zijn langs geweest om te bestuderen hoe dat zou moeten. Al het geld is opgegaan aan onderzoek en er is verder niks gebeurd.
Buiten blaft de hond. ‘Pasqalle!’ roept Zoila, ‘de hond!’ De oudste kleindochter hoort het niet. Ze is doof. Ze kunnen het niet bewijzen maar Zoila is ervan overtuigd dat het komt omdat haar dochter, toen drie maanden zwanger, op de avocadoplantage liep op het moment dat er een vliegtuigje overvloog met pesticiden.
Ze trekt haar kleindochter even stevig tegen zich aan, de hond buiten is inmiddels stil.
China, Australië, ruzie, handel, wijn: het zijn de ingrediënten van een handelsoorlog die steeds ernstiger vormen begint aan te nemen.
Zondag publiceerde South China Morning Post uit Hongkongeen artikel met als kop ‘Ruzie China-Australië: van handel naar coronavirus en buitenlandse inmenging’. Een dag eerder kwam de Australische The Sydney Morning Herald met een artikel waarvan de kop luidde: ‘Britse dorst kan Australische wijn redden van Chinese tarieven.’
De Chinese frustraties over Australië begonnen volgens South China Morning Post enkele jaren geleden, toen Canberra de Chinese techgigant Huawei Technologies verbood te participeren in de uitrol van een nieuw 5G-netwerk. Hand-in-hand met dat verbod werd een nieuwe wet aangenomen die expliciet buitenlandse inmenging in de binnenlandse politiek van Australië verbiedt. Vorig jaar wees een onderzoek van het Lowy Institute uit dat het vertrouwen van het Australische publiek in China om ‘verantwoord te handelen’ op het laagste punt stond sinds Lowy de enquête in 2004 begon.
Niet veel later sprak de Australische regering zijn steun uit voor demonstranten in Hongkong die protesteerden tegen de toenemende invloed van Beijing op hun stadsstaat. Toen Australië, wijzend naar China, begin dit jaar ook nog eens opriep tot een internationaal onderzoek naar de oorsprong van de coronapandemie, waren de rapen gaar. China omschreef die oproep als ‘vergiftiging van bilaterale betrekkingen’ en begon met het blokkeren van Australische exportproducten ter waarde van miljarden dollars. Het begon met een importblokkade van Australische kreeften en daarna volgden onder meer koper en steenkool dat Australië in enorme hoeveelheden naar China exporteert, aldus de BBC. En toen was Australische wijn aan de beurt.
Met ingang van december is China begonnen met het heffen van belastingen op de import van Australische wijnen, die oplopen tot maar liefst 212 procent.
‘Naar verluidt zijn sinds begin vorige maand ook andere importproducten uit Australië verboden, waaronder kolen, suiker, kreeften, koper en hout’
Volgens het Chinese ministerie van Handel gaat het om tijdelijke antidumpingmaatregelen die zijn bedoeld om de gesubsidieerde invoer van Australische wijn te stoppen. Het ministerie beweert dat Australië subsidies verstrekt die ervoor zorgen dat Australische wijnen goedkoper kunnen worden verkocht in China dan op de thuismarkt, en dat er dus sprake is van ongeoorloofde dumping. De China Daily, eigendom van de Chinese Communistische Partij, laat in een hoofdredactioneel commentaar weten het daar volledig mee eens te zijn. Daarom is de belastingheffing dan ook een gerechtvaardigde stap, die niet verkeerd moet worden uitgelegd: ‘Het recente besluit van China om voorlopige antidumpingmaatregelen op Australische wijn in te stellen, mag niet ten onrechte worden geïnterpreteerd als een teken van een handelsoorlog, aangezien het volledig in overeenstemming is met de Chinese wet- en regelgeving en de internationale praktijk.’
‘Toegegeven’, aldus het commentaar, ‘de handelsbetrekkingen tussen China en Australië zijn dit jaar verslechterd. China heeft al antidumpingrechten ingesteld op Australische gerst en het heeft de invoer van rundvlees van enkele grote Australische producenten opgeschort. Naar verluidt zijn sinds begin vorige maand ook andere importproducten uit Australië verboden, waaronder kolen, suiker, kreeften, koper en hout. Maar China is niet van plan een handelsoorlog met Australië te beginnen, aangezien niemand daar voordeel van heeft.’
De aap uit de mouw
En dan komt de aap uit de hoofdredactionele mouw: ‘Het is Canberra dat serieus onderzoek moet gaan doen naar zijn vijandige gedrag en houding ten opzichte van zijn grootste handelspartner. Canberra heeft zich bemoeid met kwesties betreffende de kernbelangen van China en heeft China ongegrond beschuldigd van deelname aan “interventie- en infiltratie”-activiteiten in Australië. Er werd zelfs een zogenaamd “onafhankelijk internationaal onderzoek” voorgesteld naar de uitbraak van het coronavirus, dat algemeen werd gezien als een poging om China te belasteren.’ De importbelastingen op wijn zijn ingesteld ‘uit een gevoel van verantwoordelijkheid voor de binnenlandse industrie en de Chinese consumenten’, zo citeert de krant een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
De exorbitante importbelastingen op Australische wijn betekenen een behoorlijke dreun voor de wijnboeren down under, zo schrijft de BBC. Bijna 40 procent van de Australische wijnexport ging de afgelopen jaren naar China. Vorig jaar kocht China zelfs meer gebottelde wijn van Australië dan van Frankrijk. Maar door de verslechterde politieke betrekkingen lijkt de liefdesrelatie met Australische wijnboeren voorbij. De importheffingen leggen op pijnlijke wijze bloot hoe groot de Australische economische afhankelijkheid van China is. Met zo’n 240 miljard Australische dollars is China veruit de grootste handelspartner; nummer 2 Japan volgt op grote afstand met een volume van nog geen 100 miljard.
Dorstige Britten
VolgensThe Sydney Morning Heraldis de hoop nu gevestigd op dorstige Britten. Tegenover de wijnexport naar China van 40 procent staan weliswaar slechts een schamele 15 en 14 procent naar respectievelijk de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, zo schrijft de krant. Maar de Britse dorst naar Australische wijn is groeiende: 22 procent van de verkochte wijn in Groot-Brittannië komt uit Australië en dat is bijna het dubbele van de hoeveelheid die de Britten kopen in Italië, het tweede land op de lijst. En de Britse interesse blijft toenemen. Volgens marktonderzoekbureau IRI groeide de verkoop van Australische wijn in Groot-Brittannië de afgelopen twaalf maanden met 10 procent naar 1,3 miljard Australische dollar, zo’n 800 miljoen Euro.
En er daagt nog meer hulp voor de Australische wijnboeren. Parlementariërs van over de hele wereld figureren sinds vorige week in een video waarin ze mensen aansporen Australische wijn te kopen ‘om het hoofd te bieden aan de intimidatie door China’. Deze #SolidarityWithAustralia-campagne is gestart door de onlangs gevormde Interparlementaire Alliantie tegen China, bestaande uit een groep van 200 parlementsleden uit 19 landen, die bekendstaan om hun onverzettelijke houding ten opzichte van China. Een Australische senator in de video, Kimberley Kitching, stelt onomwonden dat China de export van Australië heeft geblokkeerd vanwege kritiek op de mensenrechten. ‘Dit is niet alleen een aanval op Australië’, zo zegt Kitching. ‘Dit is een aanval op vrije landen overal in de wereld.’
Aalsmeer is het epicentrum van de wereldwijde bloemenhandel. In een gigantisch gebouw worden dagelijks 27 miljoen bloemen verhandeld. El País kreeg een rondleiding door een labyrint van rozengeur en maneschijn.
Het is elf uur ’s ochtends als een koelwagen achteruitrijdt en zich vasthaakt aan laad- en losdock nummer 17. De chauffeurs stappen uit, openen de containers en er komen 48.250 rozen tevoorschijn. De rozen komen uit Soria [Spanje], waar ze twee dagen eerder zijn geplukt, waarna ze via Frankrijk en België in twintig uur tijd naar Aalsmeer zijn vervoerd. Hier, in dit gigantische gebouw van 1,3 miljoen vierkante meter met 443 identieke laad- en losdocks waar dagelijks 27 miljoen bloemen de ruimte binnengaan en weer verlaten, wordt de lading gelost. Binnen vindt de transactie tussen verkopers en kopers plaats. Op de grootste bloemenveiling ter wereld gaan de bloemen van de teler naar de groothandel, worden vraag en aanbod samengebracht en de prijs bepaald. De bloemen en planten worden verwerkt volgens een uitgekiend logistiek proces in het gebouw. Dit proces begint met de komst van een vrachtwagen met volle stapelwagens die door loodsmedewerkers worden uitgeladen.
De rozen uit Soria komen in bossen van tien. In elke rechthoekige emmer is plaats voor tachtig rozen, in elke stapelwagen passen er 1500. De rozen worden naar een koelcel gebracht met een temperatuur van vier graden boven nul, waar een laatste inspectie plaatsvindt. De beste rozen, van het type A1, met stelen van bijna een meter lang en dikke, openspringende knoppen, worden verfraaid met een kartonnen verpakking, waardoor de biedprijs wellicht hoger uitvalt.
‘Deze komen uit Ecuador, en die daar, dat zijn Afrikaanse rozen.’ Henk Lammers zit al 35 jaar in het vak en herkent de bloemen van de concurrent van veraf. Jaren geleden werkte hij als veilingkoper; daarna, in de jaren tachtig, opende hij in Madrid een groothandel en nu is hij in Nederland verantwoordelijk voor de transacties van Aleia Roses, een Spaans bedrijf dat in 2016 in de bloemenhandel is gestapt. Aleia Roses heeft in Soria een enorme kas waar de Red Naomi wordt geteeld, een van de meest gewilde rozen. Elke dag worden er honderdduizend rozen geoogst die bijna allemaal naar veilinghuis Aalsmeer worden getransporteerd, waar het bedrijf een eigen kantoor en koelcel heeft.
Lammers is onze gids in dit gebouw. We volgen zijn kindjes in deze enorme machinerie in Aalsmeer. Vele kilometers leggen we af in een labyrint van gangen en ijskoude ruimtes, waar het altijd ruikt naar een tuin in de vroege ochtend.
Jaaromzet 4,7 miljard
Royal Flora Holland, de coöperatie die eigenaar is van de Aalsmeerse bloemenveiling, draait een jaaromzet van 4,7 miljard euro (dat is twee keer de omzet van de Spaanse boekenbranche). De geschiedenis van het veilinghuis gaat terug tot het einde van de negentiende eeuw en is onderwerp van het proefschrift ‘The Making of Dutch Flower Culture’ (later bewerkt tot het boek Holland Flowering) waar de Amerikaanse antropoloog Andrew Gebhardt in 2014 op promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Van de zes veilinghuizen (nu zijn dat er nog vier) die eigendom zijn van Flora Holland werken tienduizend personen per dag via Aalsmeer,’ schrijft Gebhardt in zijn onderzoek. ‘Dit is de grootste van allemaal. Het veilinghuis bedient de lokale, de regionale en de wereldmarkt. Zowel in Nederland als daarbuiten is Aalsmeer het gezicht van de bloemenindustrie, en in Aalsmeer vond de allereerste veiling van tuinbouw- producten plaats.’
Gebhardt vertelt dat de plaatselijke passie voor bloemen is geboren in de zeventiende eeuw, de Nederlandse Gouden Eeuw. Toen richtten de Nederlanders de blik naar buiten, hielden ze zich bezig met wetenschappelijk onderzoek en deden allerhande uitvindingen, koloniseerden ze gebieden én vochten ze tegen de Spanjaarden. De nouveaux riches importeerden exotische goederen en raakten geïnteresseerd in nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding, zoals tuindecoratie. Er ontstond zelfs een run op tulpen uit Turkije, de zogeheten tulpenmanie, die aan de wieg stond van een van de eerste financiële zeepbellen. De prijzen van tulpenbollen schoten omhoog en er werd druk geïnvesteerd en gespeculeerd. Je kunt het vergelijken met de bitcoineuforie van nu. Maar in 1637 spatte de bloembollenzeepbel uit elkaar en zagen veel middenklassers hun spaargeld verdampen.
Het was de opkomst van het protestantisme, van het kapitalisme en de markteconomie. Twee eeuwen later, toen de Aalsmeerse bloementelers hun eerste kassen bouwden (de eerste kas voor rozenteelt dateert uit 1896), besloten ze zich te verenigen in een coöperatie. Door hun oogst dagelijks op een veiling te verkopen konden ze tegenwicht bieden aan de machtspositie van de koper. Het veilinghuis Aalsmeer is in 1911 opgericht. Gebhardt: ‘Zonder veiling en zonder coöperatie zou de markt gedomineerd worden door de kopers.’ De in een coöperatie verenigde telers konden rekenen op een minimumprijs voor hun product, ze deelden het belang om een goed product te verkopen voor een redelijke prijs én ze waren immuun voor financiële zeepbellen: de snijbloem is een beperkt houdbaar product. Naarmate er minder oorlog werd gevoerd in Europa, de koopkracht steeg en de consumptiemaatschappij en globalisering zich consolideerden, groeide dit lokale initiatief.
Momenteel is Nederland de op vier na grootste bloemenproducent ter wereld (na de Verenigde Staten, China, Japan en India), maar omgerekend per hoofd van de bevolking is de sector kolossaal.
De bloemenindustrie bedraagt maar liefst 5 procent van het bbp. Nederland heeft 43 procent van de wereldwijde bloemenexport in handen en is daarmee met gemak marktleider. De omzetcijfers van 2016 van Flora Holland, de coöperatie die bijna alle veilingen in Nederland heeft opgeslokt, waren verpletterend. In dat jaar verkochten de vier veilingen samen 3,3 miljard rozen, 2 miljard tulpen, 1,2 miljard chrysanten en 1 miljard Afrikaanse margrieten. Een fors deel van die bloemen werd verhandeld via Aalsmeer. Nogal wat bloemen komen uit Kenia, Ecuador, Ethiopië en Colombia, na Nederland de grote exportlanden. Van daaruit vertrekken ze naar grootverbruikers als Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk, waar snijbloemen een alledaags product zijn dat je in de supermarkt kunt kopen, legt Lammers uit, terwijl we nog steeds in de koelcel staan, die nu is volgeladen met zo’n zeventigduizend bloemen.
Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om “te kijken en te voelen”: “Emoties sturen deze handel aan”
Snijbloemen blijven een week of drie goed. Daarom moet de veilinglogistiek snel en nauwkeurig verlopen en mag het koelen niet onderbroken worden. Onmiddellijk na het lossen verschijnt er een elektrisch wagentje, zo eentje waar gemakzuchtige golfers in rijden, dat zich vasthaakt aan de 31 stapelwagens met de rozen uit Soria, en zo vormen ze, vastgekoppeld aan elkaar, een tientallen meters lange bloementrein die langzaam het gebouw in rijdt. Tijdens de rit kruist het treintje andere bloementreinen die allemaal een frisse, zoete geur verspreiden. Daarnaast zijn er fietsen waarmee je gemakkelijk de afstanden in de veiling kunt overbruggen.
De rozen uit Soria worden naar een nieuwe koelcel gebracht, het voorportaal van de veiling – een ruimte die zo groot is dat je er een potje zou kunnen voetballen als er geen stellages met bloemen zouden staan en als de automatische deuren niet zomaar zouden openspringen om de zigzaggend door elkaar heen rijdende stapelwagens door te laten. In deze koelruimte staan alleen maar rozen, de rest van de snijbloemen gaan naar soortgelijke ruimtes. Hier blijven de rozen staan tot morgenochtend zes uur, wanneer de veiling begint. Om vijf uur ’s ochtends, een uur voor aanvang van de veiling, loopt een man langs de rijen rozen uit verschillende continenten. Hij staat stil, pakt een bos, betast de rozenblaadjes, zet de rozen terug in hun emmer en loopt door. Aan het eind van de rij slaat hij de hoek om en begint opnieuw. Een andere man zegt in zijn mobiele telefoon in het Frans ‘30 centimeter’, daarbij doelend op de stengel (hoe langer de stengel, hoe duurder de roos, want dan blijft de roos langer goed). Het zijn de kopers. Voordat de veiling begint inspecteren ze de bloemen. Een aantal jaren geleden, toen iedereen fysiek aanwezig was bij de veilingen, was het in deze ruimte net een mierenhoop. Nu wordt het merendeel van de bloemen via internet verhandeld. Maar veilingmeester Erik Wassenaar komt bijna altijd kijken. Hij draagt een jack en een spijkerbroek. Vandaag moet hij 1200 stapelwagens (vier miljoen rozen, vlak voor Valentijnsdag loopt dat aantal met 50 procent op) verkopen. Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om ‘te kijken en te voelen’: ‘Emoties sturen deze handel aan.’
Red Naomi, Mystic Blue
Even voor zessen loopt Wassenaar naar de koffieruimte, waar hij een paar geintjes maakt met zijn collega’s. Daarna loopt hij in zijn eentje zijn onpersoonlijke kantoor binnen en verruilt zijn nette schoenen voor een paar sneakers met platte zool. Zo kan hij het pedaal waarmee hij de veilingcontroles ijkt goed voelen. Op zijn tafel staan een toetsenbord met vreemde tekens en twee beeldschermen. Op het ene scherm staat een grote cirkel met een schaalverdeling van 1 tot 100, een voor elke eurocent. Dit is de veilingklok. Verkopen via de veilingklok is een Nederlandse uitvinding. De veilingmeester noemt een startprijs, laten we zeggen één euro. Daarna, als een digitale secondewijzer, telt de klok razendsnel cent voor cent af. In plaats van de prijs op te drijven, drukken de kopers aan de andere kant van het web op een knop als ze de juiste prijs te pakken hebben. Een angstaanjagend spel: je moet wachten tot de prijs zover is gezakt dat je zo min mogelijk hoeft af te rekenen, maar wacht je te lang, dan is een andere koper je voor. Dit vak vereist zelfbeheersing en stalen zenuwen.
‘Laten we het zo stellen: het is niet handig om de avond ervoor een paar biertjes gedronken te hebben,’ glimlacht onze gids. Dan klinkt er ineens een Japanse gong. De veilingmeester zet zijn koptelefoon op zijn hoofd en zegt: ‘Ladies and gentlemen! Pure Roses…’ Wat volgt gaat in het Nederlands, in korte zinnen: ‘minimale afname…, steel 50 centimeter…’ Onderwijl tikt Wassenaar op zijn toetsenbord en draait het bolletje rond en volgt de ene na de andere transactie. Tot zijn kantoortje dringen vaag de stemmen van de andere veilingmeesters door die in identieke veilingzalen zitten. Zo nu en dan neemt hij een slok koffie en prijst hij een partij aan op een speciale toon: ‘Red Naomi, Mystic Blue,’ zegt hij geheimzinnig in de microfoon. Na achttien minuten is Aleia Roses uit Soria aan de beurt. Hij pauzeert even om de spanning op te voeren, en daar gaan de partijen. In 3 minuten en 16 seconden worden er 41.320 eenheden verkocht, dat is 210 rozen per seconde. Die van de hoogste kwaliteit gaan voor 81,3 cent de deur uit, 15 procent duurder dan de vorige keer.
Intussen treedt er buiten zijn kantoor een machinerie in werking. In de koelcel worden de geveilde bloemenkarren op een rail getrokken en als onbemande spookhuiswagentjes door de ruimte geleid, richting de distributiehal. Dit is het kloppende hart van de markt: een hoge ruimte waar geen einde aan komt en waar zenuwslopende muzak klinkt, terwijl een wirwar van behendig bestuurde elektrische wagentjes de stapelwagens naar een volgende plek rijden, waar de bloemenpartij op een nieuwe stapelwagen wordt geladen en door andere elektrische wagentjes naar buiten worden gereden. In vijf uur tijd worden er vijftigduizend transacties gesloten; dat zijn 166 bewegingen per minuut. Aan boord van een van de elektrische wagentjes leidt de baas van het distributiecentrum, David Otten, ons de drukke werkvloer op waar men vlak langs elkaar rijdt en je getrakteerd wordt op een concert van gepiep, gezoem en gekletter. Otten zegt dat er 270 elektrische wagentjes rijden en dat het bij 284 link wordt. Elke bestuurder draagt een koptelefoon met een voice-systeem dat de instructies in zijn oor lispelt. Het is een vrouwenstem tegen wie de bestuurders terugpraten. ‘Vaak,’ zegt hun baas, ‘fantaseren ze dat ze met een bloedmooie vrouw spreken.’ Een bijenkorfbrein dat een leger elektrische wagentjes aanstuurt. Otten wijst naar een poster met daarop de slogan ‘Samen vullen wij de wereld met bloemen’. Hij wil dat de werknemers trots zijn op wat ze doen. ‘Wij zorgen ervoor dat honderdduizenden cadeaus hun bestemming bereiken; wij vullen de wereld met emoties.’ Aangestuurd door kunstmatige intelligentie wordt er een regenboog vol dromen, beloftes, dood en teleurstellingen, liefkozingen, geboortes, relaties, leugens, hoop en prestaties de wereld in gestuurd.
Het complete spectrum wordt bestreken, van rozen voor één euro tot die van de chique bloemist.
Evenals in andere branches hebben digitalisering en globalisering bepaalde taken overbodig gemaakt; het personeel is in vijf jaar tijd met driehonderd man (zo’n 10 procent) gekrompen. Ook kalft de positie van Nederland als zenuwcentrum af: in 2005 was het land goed voor 50 procent van de wereldwijde export, dat is 7 procent meer dan tegenwoordig. Maar het totale volume is toegenomen: er worden meer bloemen gekocht dan tien jaar geleden. En Aalsmeer is cruciaal. ‘De prijs in Aalsmeer is bepalend voor de rest van de wereld,’ legt Lambert van Horen uit, bloementeeltanalist bij de Rabobank. ‘Iedereen kijkt naar Aalsmeer, want het is de grootste veiling ter wereld. Net zoals een graankoper de markt in Chicago in de gaten houdt. Aalsmeer helpt de teler bij het nemen van zijn beslissingen: hier wordt bepaald welke kleuren en bloemen het goed gaan doen. Maar één ding is zeker: in de toekomst is deze fysieke ruimte overbodig.’ Van Horen legt uit dat veel bloemen niet meer naar Aalsmeer zullen komen. Een scherpe foto met de specificaties die de kopers online kunnen bekijken volstaat. Nog maar een van de veertien veilingen in Aalsmeer wordt fysiek bezocht. De volledig in bedrijf zijnde veiling houdt het midden tussen een saaie collegezaal en de controlekamer van een ruimtevaartagentschap. De kopers, zonder uitzondering mannen, zitten zwijgend op een tribune achter hun beeldscherm. Het is een steriel proces geworden. Vroeger konden ze de bloemen zien, ruiken en voelen.
De koningin
Ruud Haak (53) koopt al drie decennia lang bloemen, de laatste twintig jaar heeft hij zich toegelegd op de roos, ook wel de koningin van de bloemen-industrie genoemd (omzet in Nederland: 1,2 miljard euro). Je zou hem de rozenbroker van distributeur Hilverda De Boer kunnen noemen. Hij werkt vanuit de vestiging van het meer dan honderd jaar oude bedrijf aan de overkant van de weg. Elke ochtend van zes tot tien neemt Haak plaats in een donkere zaal vol beeldschermen en ergonomische stoelen, samen met een dozijn andere kopers, als ruimteverkeersleiders opgesteld in een halve cirkel. Hij heeft die ochtend voor aanvang van de veiling een kijkje genomen in de koelcel. Het aanbod viel tegen. Dan is het zaak de prijs niet te ver te laten zakken: snel reageren, anders blijf je met lege handen achter. Hij weet nog dat hij op Valentijnsdag zijn duurste rozen ooit heeft gekocht, ze liepen tegen de vier euro. ‘Voor dit soort soort werk bestaat geen opleiding – je hebt het of je hebt het niet,’ zegt Haak terwijl zijn vingers razendsnel over het toetsenbord vliegen om op de prijs te bieden die op het scherm wordt afgeteld.
Na afloop toont hij de distributie-|afdeling waar alle bestellingen van die ochtend worden afgehandeld. In een doos ligt een bos rozen uit Soria, klaar voor transport naar bloemist Le Jardin des Fleurs in Rennes (Frankrijk). Een aantal andere emmers gaat naar de winkel van Ernst van Woerkom, vlak in de buurt. Al zijn bloemen komen uit Aalsmeer. Terwijl hij de doorns van de stelen afhaalt en de rozen op een houten tafel zet vertelt hij wat bloemen doen: ‘Bloemen maken emoties los. Ze kunnen je in een andere stemming brengen, ze spreken zonder iets te zeggen, ze kunnen een intens verdrietige gebeurtenis een beetje opfleuren.’ Stukje bij beetje vertelt deze bloemendecorateur, niet bloemist’ wat bloemen voor hem betekenen, een band die teruggaat tot zijn kindertijd, en over het door hem gemaakte bloemstuk dat elk jaar in Amsterdam aan Sinterklaas wordt aangeboden en, niet te vergeten, over de bloemendecoratie voor de koninklijke bruiloft van Letizia en Felipe in de Kathedraal van Madrid. Op de toonbank vouwt hij het bewijs open: knipsels uit het tijdschrift Hola. En daarnaast iets wat de aandacht trekt: twee rozen in de knop met zorg in een vaas geschikt. Te koop voor achtenhalve euro.
Ivoorkust en Ghana produceren 60 procent van het mondiale aanbod aan cacao. Maar hun inwoners consumeren maar 4 procent van alle chocola. Daar moet verandering in komen, vinden de landen.
Mamey Kamara was meteen verkocht toen ze de opening van de Ivoriaanse chocolaterie Instant Chocolate bijwoonde. Zoetekauw en patriot Kamara, opgegroeid in Abidjan met Europese chocolademerken als Côte d’Or en Milka, viel als een blok voor de lokaal geproduceerde delicatessen. ‘Het geeft me een trots gevoel om chocola van eigen bodem te eten. Ik vind het belangrijk om lokale ondernemers te steunen,’ zegt Kamara, communicatiemanager van een kleine ngo in Abidjan.
Afrika consumeert nog geen 4 procent van alle chocola die wereldwijd wordt verkocht, maar daar kan verandering in komen door de opkomende middenklasse, voor wie chocola een betaalbaar en eenvoudig te verkrijgen luxeartikel vormt. Zowel in Ivoorkust als in Ghana storten kleine ambachtelijke chocoladefabrikanten zich op deze groeiende markt met 100 procent Ivoriaanse en Ghanese chocola.
Het in 2015 gelanceerde Instant Chocolate maakte meteen al het eerste jaar een ongekende groei door. Het chocoladebedrijf, opgericht door twee oud-bankiers en een voormalig marketingmanager, zag haar verkoop stijgen van 3,5 ton chocola in het eerste jaar naar een gemiddelde van 50 ton per maand in het daaropvolgende jaar. De lokaal geproduceerde chocola, variërend van repen tot bonbons, is niet alleen voor de losse verkoop bestemd; het kleine bedrijf levert ook aan zakelijke klanten als Air France en Citibank.
In buurland Ghana verliest staatsbedrijf Coca Processing Company en haar paradepaardje Golden Tree-chocola in rap tempo terrein aan nieuwe merken, waaronder ’57 Chocolate, dat zich als Ghanees luxeartikel afficheert. Volgens medeoprichter Priscilla Addison past het merk binnen de mondiale trend van kleinschalige productie van onder andere ambachtelijk bier, schepijs en, natuurlijk, chocola. ‘We proberen te morrelen aan de status quo van luxechocola als zijnde een louter Europees product.’
Om het begrotingstekort van hun wankele economieën terug te dringen, hebben Ivoorkust en Ghana alles in het werk gesteld om lokale cacaoverwerkingsbedrijven en chocoladeproducenten te ondersteunen. Een reeks gunstige maatregelen en initiatieven moet lokale ondernemers helpen op te schuiven in de waardeketen. Maar het is een moeilijke tijd om de productie te diversifiëren. Waar cacao in 2015 nog een van de best presterende grondstoffen was, bungelde het gewas de afgelopen twee jaar onder aan de ranglijst. Na zes topjaren zijn de prijzen meer dan 30 procent gekelderd door een overschot in de belangrijkste cacao exporterende landen.
Voor Ivoorkust en Ghana, de grootste cacaoproducenten, is dit een zware economische klap. Ivoorkust heeft de cacaoprijs die boeren ontvangen onlangs met 36 procent verlaagd, en Ghana overweegt eenzelfde stap. Beide landen, die zwaar leunen op de cacao-export, proberen de klappen op te vangen door de cacaoverwerking op eigen bodem op te schroeven om op die manier optimaal van hun bonen te profiteren. Wat de regeringen betreft groeit hun chocola uit tot net zo’n iconisch product als hun cacao.
In Ivoorkust en Ghana produceren meer dan 2 miljoen kleine boeren ongeveer 60 procent van het mondiale aanbod. Maar hoewel ze de miljardenindustrie spekken met de export van bijna 3 miljoen ton cacao, verdienen de boeren zelf gemiddeld 67 dollarcent per dag – slechts 6,6 procent van de uiteindelijke verkoopprijs. Ondanks de stijgende vraag naar chocola, maken steeds meer boeren de overstap naar het lucratievere rubber. Om de hoeksteen van hun economieën niet te laten afbrokkelen, hebben de regeringen van beide landen maatregelen genomen om lokale cacaoverwerking en chocoladeproductie te bevorderen. Hiermee wordt ook ingespeeld op de groeiende vraag op de West-Afrikaanse markt.
‘Door gebruik te maken van lokale producten steun je de eigen economie en de mensen om je heen. Het is onze plicht om ons land vooruit te helpen en ervoor te zorgen dat het zelfvoorzienend wordt’
In 2020, is het streven van Ivoorkust, moet ten minste de helft van de cacao lokaal worden verwerkt – op dit moment is dat een derde. Met nieuwe belastingvoordelen voor cacaoverwerkende bedrijven en chocoladefabrikanten wordt dat doel mogelijk binnenkort al gehaald.
In 2015 opende Olam International, de op twee na grootste cacaoverwerker ter wereld, een fabriek ter waarde van 75 miljoen dollar in San-Pédro, de tweede grootste havenstad van Ivoorkust. Dankzij de fabriek, met een productiecapaciteit van 75.000 ton, is Ivoorkust in één klap tot ’s werelds grootste cacaoverwerker gekatapulteerd. In hetzelfde jaar opende de Franse chocoladeproducent Cémoi in Ivoorkust de eerste grote chocoladefabriek, goed voor meer dan 10.000 ton per jaar.
Buurland Ghana overweegt de cacaosector volledig te liberaliseren om de productie en diversificatie van cacao-exporteurs en de lokale chocolade-industrie verder te stimuleren.
Lokale chocoladefabrikanten als Midunu Chococolates, het geesteskind van Ghanese chef-kok Selassie Atadika, hopen met hun producten ‘een verfijnde blik op chocola te cultiveren’. Met dozen truffels die voor 40 cedi [8 euro] over de toonbank gaan, richt Miduni zich voornamelijk op de Ghanese middenklasse (waaronder veel repatrianten), expats en toeristen. Atadika is erop gebrand haar chocola typisch Afrikaanse smaken te geven als bijvoorbeeld rooibos of berbere, een Ethiopisch kruidenmengsel. ‘Door gebruik te maken van lokale producten steun je de eigen economie en de mensen om je heen. Het is onze plicht om ons land vooruit te helpen en ervoor te zorgen dat het zelfvoorzienend wordt.’
Deze ‘web-app’ werd in 2012 opgericht door onlinefanaten die met dit nieuwsportal in willen spelen op de nieuwe wereld, ontstaan na de wereldwijde financiële crisis. De redactie hecht aan eigentijdse criteria als transparantie en vernieuwing en wil de ‘voordelen van een vrij toegankelijk web combineren met de elegantie van een applicatie’. Gericht op economie en technologie.
Portugal is een van de weinige landen waar gematigde en radicale politici succesvol samen regeren, maar het is een experiment dat helaas bepaald niet eenvoudig te exporteren is.
Toen de leider van de Franse Socialistische Partij Benoît Hamon enkele weken geleden Portugal bezocht, zei hij over de situatie in dat land: ‘Wat hier gebeurt inspireert me enorm.’ Hamon doelde op een ‘experiment’ dat bijna uniek is in Europa: de Portugese regering, onder leiding van de socialist António Costa, wordt gesteund door een coalitie die uitsluitend bestaat uit linkse partijen: de gematigde Socialistische Partij, maar ook radicale partijen als het Links Blok en de Portugese Communistische Partij, die het vertrek uit de NAVO en de EU in haar partijprogramma heeft staan.
Na jaren waarin linkse partijen vaak regeerden in een coalitie met rechtse of centrumpartijen en ze stemmen verloren aan populistische bewegingen, lijkt Portugal aan te tonen dat er nog ruimte is voor coalities en programma’s van ‘echt’ links, of tenminste, dat wat daar tot enige jaren geleden mee werd bedoeld.
Hamon is niet de enige politieke leider die Portugal in de afgelopen maanden heeft bezocht. Hij werd voorafgegaan door een delegatie van de Nederlandse PvdA, de partij die van alle partijen in Europa waarschijnlijk het meest in crisis verkeert.
De pensioenleeftijd van ambtenaren is verlaagd, maar tegelijkertijd is de werkweek verkort (een niet erg populaire maatregel)
Tot anderhalf jaar geleden zou niemand een cent hebben gegeven voor het politieke experiment dat de socialistische leider António Costa eind 2015 in gang zette. De enkele maanden daarvoor gehouden verkiezingen hadden geen duidelijke meerderheid opgeleverd: de conservatieve leider Pedro Passos Coelho had getracht een regering te vormen in een brede coalitie met de socialisten, maar die onderhandelingen waren mislukt. Het land leek veroordeeld tot een periode van onzekerheid en onregeerbaarheid, die nog werd verergerd door de moeilijke economische situatie. Maar toen slaagde de leider van de socialisten erin een akkoord te sluiten met de drie extreem-linkse partijen: in ruil voor instemming met een aantal zeer linkse programmapunten zouden de radicalen hun steun geven aan een socialistische regering. Costa kreeg de meerderheid van de stemmen in het parlement en slaagde erin een regering te vormen.
Toentertijd geloofde bijna niemand in Europa dat een alliantie tussen een gematigde pro-Europese partij en extreem-linkse en soms zelfs marxistische formaties lang zou standhouden. Het jaar 2016 werd afgesloten met het laagste tekort van de laatste veertig jaar – 2,1 procent – en in 2017 zou het werkeloosheidspercentage voor het eerst in acht jaar moeten zakken tot onder de 10 procent. In iets minder dan anderhalf jaar hebben Costa en zijn regering de overheidsfinanciën op orde gekregen, conform de Europese eisen, maar tegelijkertijd hebben ze een progressieve, linkse politiek gevoerd die voor enige verlichting heeft gezorgd bij de bevolkingsgroepen die het meest waren getroffen door de crisis en door de bezuinigingsmaatregelen van de laatste jaren. De pensioenleeftijd van ambtenaren is verlaagd, maar tegelijkertijd is de werkweek verkort (een niet erg populaire maatregel). De regering heeft ook haar eigen investeringen aanzienlijk verhoogd, met name in de gezondheidszorg, waardoor het zorgniveau in het land, gemeten naar internationale maatstaven, flink is gestegen.
Costa is er ook in geslaagd resultaten te boeken op wat in Portugal ‘verdeeldheid zaaiende onderwerpen’ worden genoemd: er is bijvoorbeeld een wet goedgekeurd die de weg vrijmaakt voor adoptie door homoseksuelen, en er wordt gedebatteerd over een wetsvoorstel voor het legaliseren van euthanasie. Volgens een in februari gepubliceerde peiling heeft Costa een waarderingscijfer van 66,1 procent, meer dan twee keer zo hoog als dat van de leider van de oppositie.
Ondanks deze successen is Portugal nog altijd een land in moeilijkheden. De overheidsschuld, die meer dan 130 procent van het bnp bedraagt, is een van de hoogste in Europa, samen met die van Italië en Griekenland.
Voor veel linkse leiders lijkt Portugal de ideale oplossing voor hun problemen, nadat een decennium van allianties met centrum- en centrum-rechtse partijen hun electoraat heeft doen afkalven. Maar het Portugese experiment is niet makkelijk te exporteren. In Portugal is namelijk sprake van een aantal unieke, of bijna unieke factoren die in andere Europese landen ontbreken. De afwezigheid van extreem-rechts is een kenmerk dat Portugal gemeen heeft met het naburige Spanje, en dat waarschijnlijk te maken heeft met de erfenis van de in 1974 beëindigde dictatuur, die het voor de politiek lastig maakt typisch extreem-rechtse thema’s als nationalisme en de eigen identiteit in te zetten.
Een eigenschap die het land nog unieker maakt, is dat de formatie van gematigd en radicaal-links samen electoraal gezien daadwerkelijk de meerderheid heeft in het land: bij de verkiezingen van 2015 stemde circa 50 procent van de Portugezen op een linkse partij. Niet alleen dat: het is de Socialistische Partij van Costa gelukt 32 procent van de stemmen binnen te halen, bijna het dubbele van de andere twee radicaal-linkse groeperingen samen. Dat heeft Costa een machtspositie opgeleverd, waardoor hij de voorwaarden van het akkoord kon dicteren.
Dankzij een heuse wederopstanding draait de Portugese economie weer op volle toeren. Het land slaagde erin oude industrieën (schoenen en textiel) dankzij innovatie, nieuwe technologie en betere dienstverlening succesvol te hervormen.
Zo’n twintig of dertig jaar geleden schudden politici en bankiers meewarig het hoofd als ze het hadden over de belabberde nationale textiel-, en schoenenindustrie, de achterhaalde kurkwinning en de armetierige landbouw. Het waren ten dode opgeschreven sectoren, levend in het verleden en steunend op goedkope arbeidskrachten die onherroepelijk zouden verdwijnen als gevolg van de modernisering van het land. Nieuwe doppen van plastic of aluminium zouden kurk overbodig maken. Kortom, Portugal was een land met weinig grondstoffen en een achtergebleven boerenbedrijf dat voornamelijk naar subsidies hengelde.
Dat was toen. Tegenwoordig is het land weer trots op de schoenen en de textiel die het maakt, op zijn populaire landbouwproducten en florerende kurkindustrie. Dat komt niet alleen maar doordat de sombere prognoses onjuist bleken, maar ook omdat duidelijk is dat werknemers, werkgevers en werkgeversorganisaties een bewonderenswaardig weerstands- en aanpassingsvermogen aan de dag hebben gelegd.
Creatieve destructie
De kosten waren enorm. De landbouw neemt momenteel nog maar 2 procent van het bbp voor zijn rekening, tegen 8 procent in 1986, het jaar dat Portugal lid werd van de Europese Unie. De machtige textielindustrie komt pas dit jaar voor het eerst weer in de buurt de recordexport van 2001, van 5 miljard euro. Na een decennium van hervormingen exporteert de kurksector eindelijk weer voor meer dan 900 miljoen euro. Maar het grootste succesnummer van de nationale economie is de schoenenindustrie, die haar buitenlandse export sinds 2010 met 34 procent zag groeien.
De ontwikkelingen in deze sectoren doen denken aan wat de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter (1883-1950) ‘creatieve destructie’ noemde. In zogenaamde traditionele industrieën en in de landbouw moesten duizenden bedrijven hun deuren sluiten en verdwenen er tienduizenden arbeidsplaatsen. Dat was het directe gevolg van de eisen die de eenheidsmunt stelde, de liberalisatie van de wereldhandel, waardoor de Europese grenzen opengingen voor handelsmachten als China, en de stijgende loonkosten konden worden afgewend.
Dit pijnlijke proces nam wel dertig jaar in beslag. Tussen 1985 en 2015 verdween in de kurkindustrie de helft van alle arbeidsplaatsen (er zijn er nog achtduizend over); in de 25 jaar sinds de grenzen opengingen voor import uit Azië gingen meer dan tweeduizend textielbedrijven failliet en verdween de helft van de arbeidsplaatsen in de sector, al met al zo’n 120.000 banen. In de landbouw was de schok niet minder groot: 500.000 hectare weinig vruchtbare grond kwam braak te liggen. Het aantal boerenbedrijven daalde in 35 jaar van 823.000 tot 250.000. In 1950 werkten er nog 1,5 miljoen Portugezen in de landbouw. Vandaag zijn dat er nog maar 120.000.
Door het opengaan van de Europese grenzen en door de globalisering verloor Portugal een flink deel van zijn economische en commerciële activiteiten. Die waren sinds 1960 juist enorm gegroeid, nadat het land dankzij een akkoord met de Europese Vrijhandelsassociatie kon uitgroeien tot leverancier van textiel en schoeisel voor het rijke Europa. Vlak voordat het land lid werd van de Europese Unie, maakte de textielexport bijna een derde deel uit van het totaal – nu is dat nog maar 10 procent.
Deze verliezen zeggen meer over de groei van andere bedrijfstakken dan over de teloorgang van traditionele sectoren. In andere Europese landen voltrok zich hetzelfde proces en in Portugal doet de ‘oude economie’ het dankzij de opstanding in vergelijking helemaal niet slecht. Als gevolg van economische ontwikkeling en modernisering zijn er altijd sectoren die moeten verdwijnen en plaatsmaken voor modernere, met meer innovatie en betere technologie, gebaseerd op intensief kapitaal in plaats van handwerk. Portugal combineerde twee recepten: het slaagde erin levensvatbare oude sectoren te behouden dankzij innovatieve producten, nieuwe technologie en betere dienstverlening.
Bij deze transformatie liepen de meest flexibele en resistente bedrijven voorop. Zowel ondernemers uit het noorden als grootschalige landbouwers uit de provincies Alentejo en Ribatejo die de faillissementsgolf van de jaren tachtig en negentig overleefden, bleken over deze kwaliteiten te beschikken. Manuel Carlos is president van de organisatie van schoenenfabrikanten APICCAPS en de voornaamste ‘ideoloog’ van de omvorming van de sector van producent van gebruiksgoederen in een van luxegoederen. Hij herinnert zich dat zijn leden ‘een moeilijke tijd hadden’, maar dat deze ervaring hen ‘zeer bedreven’ maakte in het scherp prijzen, het opzetten van klantnetwerken en het omvormen van hun bedrijven.
De overlevenden in de textielindustrie zagen in dat het traditionele wachten op opdrachten en produceren wat klanten vroegen op een catastrofe uitliep – China deed dat veel goedkoper. De truc was om zelf producten aan te bieden en niet te wachten op tot de opdrachten binnenkwamen. In de kurkindustrie leefde heel lang het idee dat Portugal het zich kon veroorloven om alles bij het oude te houden omdat het nu eenmaal de grootste kurkproducent ter wereld was. Dit conservatisme werd danig op de proef gesteld toen invloedrijke journalisten rond het jaar 2000 campagne gingen voeren tegen de bijsmaak van kurk en duizenden wijnproducenten van over de hele wereld dreigden over te stappen op doppen van plastic of metaal – de beroemde screwcaps. Het machtige bedrijf Corticeira Amorim overwoog zelfs om ook maar die bedrijfstak in te gaan. En in de landbouw ontdekte men dat het land qua graanproductie onmogelijk concurrerend kon zijn; andere gewassen waren nu eenmaal geschikter voor de Portugese bodem.
In tegenstelling tot wat vaak in kranten werd beweerd, zijn de Europese moderniseringssubsidies niet alleen maar gebruikt om jeeps voor boeren en Porsches voor textielfabrikanten te kopen
In tegenstelling tot wat vaak in kranten werd beweerd, zijn de Europese moderniseringssubsidies niet alleen maar gebruikt om jeeps voor boeren en Porsches voor textielfabrikanten te kopen. Met het geld konden kleine stuwdammen (en ook de grote van Alqueva) worden gebouwd, innovatieve bedrijven worden opgezet, nieuw geavanceerd materieel worden gekocht en kon er worden geïnvesteerd in technologieën waar bedrijven dringend behoefte aan hadden. De CEO van Corticeira Amorim, Antonio Amorim, vertelde hoe de kurkindustrie erin slaagde om de concurrentie van metalen en plastic schroefdoppen te boven te komen: ‘We zijn het probleem niet uit de weg gegaan. We zetten de afdeling Onderzoek en ontwikkeling aan het werk en investeerden veel, lanceerden nieuwe producten. Daardoor verbeterde op den duur de performance van kurken aanzienlijk.’
De textielsector richtte zich niet langer op goedkope vaatdoeken en tafelkleden, en transformeerde zich tot een geoliede machine die zelf producten ontwikkelde om klanten aan te bieden, die innoveerde, bijvoorbeeld met hightechstoffen voor wedstrijdzwemmers of stoffen voor hardloopfanaten die de temperatuur aanpasten aan die van de buitenlucht. Het belangrijkste was echter een efficiënt logistiek apparaat, waardoor een Zweeds merk vandaag duizend paar schoenen kan bestellen en ze al enkele dagen later geleverd kan krijgen. In het technologisch centrum van de sector worden stoffen getest, materialen goedgekeurd en nieuwe componenten voor de toekomst ontwikkeld. Jarenlang was een goede samenwerking tussen wetenschap en industrie een luchtspiegeling geweest (en voor veel sectoren is het dat nog steeds). De textielindustrie sloeg echter de brug en gebruikte de opgedane kennis om stoelbekleding voor de duurste automerken te produceren, of vloerbedekking tegen prijzen waar de Chinese en Indiase concurrentie niet tegenop kon.
Wat dit betreft was de schoenenindustrie misschien wel de sector die zich het meest opnieuw uitvond. Er werden innovatieve machines ontwikkeld, zoals een waarmee schoenzolen met behulp van een waterstraal konden worden gesneden – een technologie die nu ook geëxporteerd wordt. Demonstratiesessies in fabrieken voor andere ondernemers creëerden een cultuur van openheid waardoor men van elkaar kon leren, wat al snel resultaten bracht. Technici introduceerden vernieuwingen in de productielijnen van schoenenfabrieken, waardoor er verschillende modellen konden worden gemaakt zonder dat er nog technische pauzes hoefden te worden ingelast. Net als de textielindustrie is ook de Portugese schoenenindustrie in staat om kleine series laarzen of schoenen te produceren, zodat ook aan kleine orders kan worden voldaan. Aangezien importeurs graag hun lasten omlaag willen brengen door minder voorraden aan te houden, is dit zeer welkom.
In de landbouw verliepen de veranderingen langzamer, maar de resultaten waren zo mogelijk nog spectaculairder. Het hielp dat er een nieuwe generatie ondernemers aantrad, al werkten bij de transformatie ‘nieuwe boeren en ondernemers samen met de gevestigde orde’, vertelt João Machado, president van de Portugese boerenfederatie CAP. Verenigingen als PortugalFresh hielpen om de productie te organiseren en de deur naar het buitenland open te zetten. Aangezien de landbouw naar verwachting tussen nu en 2050 zijn productie moet verdubbelen om het hoofd te bieden aan de groei van de wereldbevolking, is de sector weer op de radar gekomen als prioriteit. Sinds 2014 zet het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie in op productiestijging.
Bekoorlijke zwanen
Het landbouwareaal is geslonken en het aantal arbeidskrachten radicaal verminderd, maar daardoor is de landbouw efficiënter geworden, productiever, meer op het buitenland gericht en relevanter voor de economie. De oude obsessie met zelfvoorzienendheid van graan (basisvoedsel voor mensen en dieren) is voorbij, nu Portugal nog maar een vijfde deel van de tarwe en mais produceert die het consumeert. Maar de productie van andere gewassen explodeerde juist. In één decennium groeide Portugal bijvoorbeeld uit van netto-importeur van olijfolie tot de op drie na grootste exporteur ter wereld (436 miljoen euro in 2015). Groente en fruit – tien jaar geleden nog producten die niet veel deden – worden nu meer geëxporteerd dan wijn (1,3 miljard tegen 720 miljoen euro).
Nu de strijd om het overleven is gewonnen, lijken de kurk-, textiel- en schoenindustrie goed voorbereid te zijn om ook in het mondiale strijdperk te overleven. Het geheim zit hem in specialisering, in design, in verbeterde dienstverlening en technologie – een recept dat zijn werkzaamheid heeft bewezen.
Op het moment dat Portugal lid werd van de Europese Unie leek dit alles nog onvoorstelbaar: er werd neergekeken op deze sectoren, men beschouwde ze als ouderwets en ongeschikt voor het Europa van de eenentwintigste eeuw. Dankzij het doorzettingsvermogen van sommige Portugese ondernemers, en met hulp van Europees geld waarmee technologie kon worden gekocht en oude gewoontes afgeleerd, zijn de traditionele sectoren niet langer het lelijke eendje. Ze groeiden uit tot bekoorlijke zwanen waar in het veelbewogen landschap van de Portugese economie met bewondering en afgunst naar wordt gekeken. Uiteindelijk was, in de woorden van Mark Twain, het nieuws van hun dood schromelijk overdreven.
Auteur: Manuel Carvalho
Vertaler: Valentijn van Dijck
In Portugal geroemd om zijn originaliteit en moderniteit, laat zich inspireren door de grote Europese kranten. Heeft ook een aparte versie voor jongere lezers: P3, in samenwerking met de Universiteit van Porto.
De nieuwe protectionistische koers van de Verenigde Staten kan enorme gevolgen hebben voor de Europese export. In Duitsland maakt vooral de autoindustrie zich zorgen.
Op 27 januari 1867, vrijwel exact honderdvijftig jaar geleden, neemt in het Zwabische stadje Heidenheim handwerksman Friedrich Voith de smederij over van zijn vader Johann Matthäus. Het duurt niet lang of hij werkt zich op tot fabrikant. Hij levert papiermachines aan het Russische tsarenrijk, bouwt in China de eerste waterkrachtcentrale en verscheept turbines naar de Amerikaanse Niagarawatervallen. In 1903 wordt in de waterkrachtcentrale daar de grootste turbine ter wereld in werking gesteld, gefabriceerd in het Zuid-Duitse heuvelland.
Tegenwoordig is Voith een trots familiebedrijf met 19.000 medewerkers in zestig landen. Het bedrijf maakte Heidenheim en omgeving welvarend en getuigt tot op de dag van vandaag van de zegeningen van de globalisering. Dankzij de ingenieurs valt Duitsland als wereldkampioen export bovendien maar moeilijk te onttronen. Op het jubileum vraagt de bij Voith aangestelde topman Hubert Lienhard zich bezorgd af hoe het met de vrije handel verder moet, nu er in het Witte Huis een man zit die het rad van de globalisering terug wil draaien.
Nu kunnen we ons afvragen of we niet onder een teveel aan Trump-hysterie gebukt gaan. Jullie doemdenkers moeten niet zo overdrijven, wat is nou 10 procent export meer of minder? Zo erg is dat toch niet?
America first, luidt het parool. Globalisering is alleen goed als het de VS ten goede komt, dus als het zorgt voor Amerikaanse arbeidsplaatsen en Amerikaanse winsten. Zo niet, dan trekt de president muren op. ‘Strafheffingen en handelsbeperkingen passen niet in de eenentwintigste eeuw,’ windt de topman van Voith, tevens voorzitter van de afdeling Azië-Stille Oceaan van het Duitse bedrijfsleven, zich op. En hij vraagt zich af wat velen zich dezer dagen afvragen: hoe zwaar kan Donald Trump de Duitse industrie schaden? Kunnen we het desnoods ook zonder Amerika af? En wat betekent dit alles voor onze welvaart?
Eerst maar eens de kale cijfers, en die zijn onheilspellend genoeg: Amerika is Duitslands belangrijkste handelspartner, elk jaar goed voor bijna 10 procent van de export. Trump heeft uit de grote aantallen fraaie Duitse limousines op straat de juiste conclusies getrokken: de Amerikanen zijn dol op Duitse producten, en niet zo’n beetje ook. Dat is geen nepnieuws en ook geen alternatief feit. De export naar de VS groeide de afgelopen tien jaar met 64 procent, gewild zijn Duitslands klassiek sterke kanten: auto’s, chemie, machinebouw – de bedrijfstakken die het land al tientallen jaren lang werk en welvaart garanderen.
Twee miljoen arbeidsplaatsen zijn alleen al van de auto-industrie afhankelijk. Die is goed voor 8 procent van Duitslands totale toegevoegde waarde. In geen enkel ander land is deze bedrijfstak zo dominant, een gevolg van de wereldwijde faam van de Duitse merken: driekwart van de productie is bestemd voor de export, en weer gaat Amerika aan kop. ‘Met alleen al de uitvoer van auto’s naar Amerika zijn 200.000 arbeidsplaatsen gemoeid’, rekent het Institut für Weltwirtschaft in Kiel voor. Maar als de exportindustrie lijdt, lijden ook de werknemers. Dan verdienen ze minder geld, geven ze minder uit, neemt de binnenlandse vraag af en komt er een neerwaartse spiraal op gang, waarschuwt Marcel Fratzscher, directeur van het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung (DIW).
Geen twijfel mogelijk, de Duitse economen zijn zeer bezorgd over wat de machtigste man ter wereld elke dag aan hatelijkheden over de wereldhandel twittert. ‘Onder president Trump dreigen we in een handelsoorlog met Amerika te belanden,’ zegt Fratzscher. Duitsland werkt op Trump als een rode lap, omdat het zo veel meer naar Amerika exporteert dan omgekeerd. De door Trump aangekondigde strafheffingen moeten eerst alleen voor Mexico gelden, maar daarna ook voor landen die een positief handelssaldo met Amerika hebben, China en Duitsland voorop.
Voor de schade die dat tot gevolg heeft, heeft Clemens Fuest, directeur van het IFO-Institut (IFO staat voor Information und Forschung), de cijfers paraat. In zijn somberste scenario lopen 1 miljoen arbeidsplaatsen in de Duitse exportindustrie gevaar, en verder 600.000 banen bij Amerikaanse bedrijven in Duitsland. ‘In geval van een escalatie met tegenmaatregelen vanuit Europa zijn die ook niet zeker,’ zegt Fuest. ‘Al met al worden 1,6 miljoen arbeidsplaatsen bedreigd wanneer de economische relaties met Amerika tot nul worden gereduceerd – voor Duitsland een horrorscenario.’
Het roept bij Dennis Snower, directeur van het Kielse Institut für Weltwirtschaft, zelfs herinneringen op aan de jaren twintig, toen handelsoorlogen de wereldeconomie in een afgrond stortten – met fatale gevolgen: ‘Uit deze bittere ervaring hebben we allemaal ons lesje geleerd – behalve Donald Trump,’ zegt Snower. ‘We leven in een tijd waarin de liberale wereldorde onder vuur ligt.’
Nu kunnen we ons afvragen of we niet onder een teveel aan Trump-hysterie gebukt gaan. Jullie doemdenkers moeten niet zo overdrijven, wat is nou 10 procent export meer of minder? Zo erg is dat toch niet?
‘Het is nog erger,’ antwoorden de experts. Feit is dat we met alleen de exportcijfers het Amerikaanse belang voor de Duitse economie fors onderschatten; in de handelsstatistieken komt maar een fractie naar voren van wat er op het spel staat. Zo’n 3500 Duitse ondernemingen hebben dochtermaatschappijen in Amerika, waar ze aan meer dan 620.000 mensen werk verschaffen. Die komen niet voor in de handelsbalans, maar het geld dat ze verdienen komt wel terecht bij het moederbedrijf in Duitsland – en bij de biotoop eromheen: adviseurs en juristen, bakkers, slagers, burgemeesters.
De wereld één fabriek
Traditiegetrouw onderhouden Duitsland en Amerika nauwe relaties, gegroeid in de afgelopen honderdvijftig jaar sinds beide landen Engeland als leidende wereldmacht begonnen uit te dagen. Johann August Roebling, een Thüringse ingenieur, ontwierp de Brooklyn Bridge in New York. Carl Laemmle, zoon van een joodse veehandelaar die niet ver van de Voiths opgroeide, stond mede aan de wieg van de filmindustrie in Hollywood. En omgekeerd stond autopionier Henry Ford keverbouwer Ferdinand Porsche al bij met raad en ingenieurs om de Volkswagenfabriek in Wolfsburg van de grond te tillen.
Vandaag de dag is elke onderneming van enig belang in Amerika aanwezig, zowel het beursgenoteerde bedrijf als de hidden champion uit de provincie. En om Trump te kalmeren, praten alle bestuurders van ondernemingen nu net als Voith-chef Lienhard: ‘In Amerika zijn we een zo goed als Amerikaans bedrijf.’ De Duitsers doen meer dan het meebrengen van hun producten, ze produceren ook ter plekke en doen er onderzoek. Voith alleen al op twintig plaatsen.
Hoe sterker de arbeidsdeling in de wereld is, hoe moeilijker het wordt om etiketjes op producten te plakken, zegt DIW-directeur Fratzscher: ‘Een Duits product dat voor honderd procent Duits is bestaat niet, zoals er ook geen echt Amerikaanse producten bestaan.’
In een geglobaliseerde wereld stuit het nationalisme op zijn grenzen, de zaak wordt snel absurd. ‘Tegenwoordig is de hele wereld één enkele fabriek, dan is het geen goed idee om muren op te trekken,’ zegt Dennis Snower, de Oostenrijks-Amerikaanse econoom uit Kiel. ‘Als het om economie gaat, dan is die vervlochten,’ wist Kurt Tucholsky al. Dan wordt het lastig uitwijken: waar moet die 10 procent export dan naartoe? Het gaat per slot van rekening om producten ter waarde van 114 miljard euro, die iemand anders moet betalen. Toen tijdens de financiële crisis de afzet aan auto’s in Zuid-Europa in een mum van tijd stagneerde, schakelde de industrie vliegensvlug om richting China. Dat zal met Trump moeilijk worden, als die tegelijkertijd de Chinese economie aanvalt. Naarmate hij daarin slaagt, treft hij ook de Duitse industrie.
Wanneer de exportinkomsten van China dalen – waar Trump onbetwist op uit is, ‘hebben Duitse concerns en middenstanders hier ook onder te lijden,’ zegt IFO-directeur Fuest. Het verband is simpel: ‘Als China in zijn fabrieken minder goederen voor Amerika produceert, heeft China ook minder behoefte aan machines uit Duitsland.’ Deze indirecte gevolgen van Trumps antivrijhandelspolitiek schatten economen nog ernstiger in dan de directe effecten. Wat overblijft is de hoop dat Trump zich inhoudt – in eigen Amerikaans belang.
Zondagseditie van een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.
CONTEXT: Vaarwel, verdragen
Donald Trump had tijdens de campagne zijn protectionistische voornemens duidelijk aangekondigd – en hij houdt woord. Nauwelijks had hij zich gevestigd in het Witte Huis, of de president, die trots het ‘America first’ verkondigt, haastte zich om op 23 januari de terugtrekking van de VS uit het Trans-Pacific Partnership (TPP) te ondertekenen, een vrijhandelsverdrag waarvan de tekst toch al in 2015 na harde onderhandelingen was ondertekend door twaalf landen in Azië en rond de Stille Oceaan.
Het nieuwe staatshoofd heeft trouwens ook al enkele malen zijn voornemen aangekondigd de onderhandelingen te heropenen over het Noord-Amerikaanse vrijhandelsakkoord NAFTA, met Canada en Mexico, dat sinds 1994 van kracht is.
Trump heeft het Amerikaanse bedrijfsleven tevens een drastische inperking van de regelgeving beloofd, naast een massale belastingverlaging. Hij spoort de Amerikaanse ondernemers aan hun activiteiten in het buitenland te repatriëren naar het eigen land en wil daartoe de importen vanuit Mexico met 20 procent gaan belasten. Die aankondiging kwam op dezelfde dag dat de Mexicaanse president Enrique Peña Nieto liet weten af te zien van zijn bezoek aan Washington, onderstreept Business Insider, een Duits-Amerikaanse website, gevestigd in New York.
Het protectionisme is weer helemaal terug in de wereldeconomie. Duitse bedrijven die voor een groot deel afhankelijk zijn van de export, reageren door hun productie te verplaatsen naar het buitenland.
In 1834 vond Sebastian Staedtler in Neurenberg het moderne kleurpotlood uit. Hij was erin geslaagd, zo verkondigde hij trots, ‘roodkrijtpotloden te maken die wat kwaliteit betreft alle andere potloden ver achter zich laten’. Staedtler presenteerde zijn nouveauté op de wereldtentoonstelling in New York, en al snel leverde zijn bedrijf potloden tot in het Verre Oosten toe; een global player in de late biedermeierperiode.
Vandaag de dag is Staedtler in meer dan honderdvijftig landen vertegenwoordigd, rond de 80 procent van de productie is bestemd voor de export. ‘Wij zijn in grote mate aangewezen op vrije toegang tot buitenlandse markten,’ zegt de directeur van het bedrijf, Axel Marx. En die positie vindt hij zorgelijk, want sinds een tijdje stuiten Marx en zijn collega’s bij het zakendoen over de grens op muren, barrières en belemmeringen.
Hij ziet op veel plekken in de wereld dat regeringen hun nationale industrie beschermen tegen buitenlandse concurrentie: ‘In de laatste vier, vijf jaar is het klimaat erg verslechterd.’ En het zijn niet alleen invoerrechten − die de laatste tijd ook weer omhoog gaan − of leveringsbeperkingen door contingentering die problemen veroorzaken; aan zulke handelsbelemmeringen is Marx allang gewend. Landen doen het tegenwoordig steeds subtieler.
‘Het voelt alsof we aan het einde van een economisch tijdperk zijn aangeland’
Staedtler levert bijvoorbeeld passers aan Zuid-Korea. Dat was nooit een probleem. Maar van de ene dag op de andere werden passers door de instantie die over de invoer gaat op een andere manier geklasseerd. Voorheen werden ze door de ambtenaren als tekenmateriaal beschouwd, maar nu vallen ze opeens in de categorie ‘speelgoed’. Met verstrekkende gevolgen, want in Zuid-Korea mag in speelgoed praktisch geen lood zitten. Maar omdat in de messinglegering van de passers sporen van lood werden aangetroffen, staat de nieuwe classificering gelijk aan een importverbod. ‘Alsof kinderen op passers sabbelen,’ schampert Marx.
Door dergelijke grillige ingrepen in de internationale handel wordt veel Duitse exporteurs het leven zuur gemaakt. Tegenwoordig schrijven de autoriteiten tot in detail voor aan welke eisen ingevoerde goederen moeten voldoen: hoe ze verpakt moeten zijn, aan welke veiligheidsvoorschriften ze moeten voldoen. Ze bepalen bijvoorbeeld dat de brandbaarheid in een binnenlands laboratorium moet worden getest, ook als dat in Duitsland al is gebeurd. Dergelijke verplichtingen zijn irritant, vaak is het gewoon pesterij. Het zijn de nieuwe varianten van het protectionisme. En ze passen in een patroon.
De vrije invoer van goederen en diensten is al jaren op zijn retour. De wereldhandel verliest aan dynamiek en groeit intussen langzamer dan de economie zelf. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft de groeiprognose voor 2017 bijgesteld van 2,8 procent naar 1,7 procent. ‘De vooruitzichten zijn aan zienlijk verslechterd’, zegt WTO-directeur Roberto Azevêdo.
Het politieke tumult van de afgelopen tijd heeft de neergaande trend versterkt. De presidentsverkiezingen in de VS, de Brexit in Engeland, het Italiaanse referendum, de coup in Turkije en, bijna vergeten, de Russische oorlog in Oekraïne: alles wijst op afscherming van markten.
‘Het voelt alsof we aan het einde van een economisch tijdperk zijn aangeland,’ zo beschrijven topstrategen van Deutsche Bank in een studie de naderende kentering. Dat tijdperk begon in de jaren zeventig, toen door de komst van China de globalisering op gang kwam. Deze turbofase loopt nu op zijn eind en zal worden afgelost door een soort mercantilisme.
In het mercantilisme, uitgevonden ten tijde van het absolutisme in de zeventiende eeuw, doet de nationale staat er alles aan om de binnenlandse economie te versterken: de staat bevordert de export van eindproducten en brengt de import terug met behulp van beschermende maatregelen. En deze bekrompenheid zal naar het zich laat aanzien kenmerkend zijn voor het presidentschap van Donald Trump.
Trump wil alles bestrijden wat met de binnenlandse economie zou kunnen concurreren. Hij kondigt hogere invoerrechten aan en is van plan een aantal handelsakkoorden op te zeggen, want ‘die zuigen onze economie leeg’. Deze even xenofobe als arrogante houding maakt veel mensen die in de VS actief zijn of daar actief willen worden zeer onzeker.
Maren Handwerk uit Bremen had eigenlijk gepland om een dependance van haar bedrijf te openen in Atlanta. Maar sinds de verkiezing van Trump aarzelt ze. ‘We denken nu drie keer na of we die stap wel moeten zetten,’ zegt ze.
Haar ingenieursbureau CE-Con is gespecialiseerd in onderzoek naar de bedrijfszekerheid van machines. Met deze dienst doet ze goede zaken, vertelt ze, vooral in de VS. Maar nu vreest Handwerk dat daar allerlei problemen kunnen gaan ontstaan: het aantrekken van personeel bijvoorbeeld, of het verkrijgen van werkvisa. Daarom heeft ze het idee van een Amerikaanse vestiging voorlopig opgegeven. ‘Het veroveren van een buitenlandse markt is toch al niet eenvoudig,’ zegt ze.
Pure pesterij
De Verenigde Staten waren in 2015 Duitslands belangrijkste handelspartner, nog vóór Frankrijk. Duitsland exporteerde goederen ter waarde van 114 miljard euro naar Amerika, vijf keer zo veel als in 1980, vooral auto’s, machines, elektrotechnische producten en farmaceutica. Voor de Duitse economie is er dus een heleboel te verliezen.
‘Wat we bereikt hebben, mogen we niet lichtvaardig op het spel zetten door het speelveld aan de populisten over te laten,’ waarschuwt Carl Martin Welcker, de nieuwe voorzitter van de federatie van Duitse machine- en installatiebouwers. De machinebouwers verkopen driekwart van hun producten in het buitenland. ‘Om een geglobaliseerde wereld weer vol te zetten met handelsbarrières is de verkeerde weg, waarbij uiteindelijk iedereen verliest,’ zegt Welcker. Zijn appèl klinkt bijna als een smeekbede.
Duitse autofabrikanten en hun toeleveranciers hebben grote vestigingen in de VS, maar ook in Mexico. De onderdelen worden in het ene land gemaakt, en de auto’s worden in het andere land in elkaar gezet. Deze uitwisseling verliep dankzij het Noord-Amerikaanse vrijhandelsverdrag Nafta tot nog toe zonder problemen en zonder invoerrechten.
Maar nu komt deze winstgevende werkverdeling in gevaar. Vóór de verkiezingen noemde Trump Nafta ‘het slechtste handelsverdrag dat de VS ooit hebben ondertekend’. Als de nieuwe president het lidmaatschap zou opzeggen, dan zou het Mexicaanse rekensommetje voor de Duitse bedrijven in Mexico niet meer opgaan. Volgens een enquête onder de leden van de buitenlandse Kamer van Koophandel aldaar verwacht 83 procent van de ondernemers dat de keuze voor Trump negatieve gevolgen voor henzelf zal hebben.
Ook in China, die andere essentiële markt buiten de EU, voelt het Duitse bedrijfsleven zich niet meer zo welkom. Ondernemingen klagen dat ze niet op wet en recht kunnen vertrouwen en voelen zich benadeeld. Aan de nieuwe quota’s voor elektrische auto’s, die al in 2018 van kracht worden, kunnen de Duitse fabrikanten zo snel nauwelijks voldoen. En buitenlandse bedrijven mogen de winst die ze in hun Chinese vestigingen behalen nog maar beperkt meenemen naar huis. Ook dat is pure pesterij. Geen wonder dat de investeringsbereidheid afneemt.
Sinds de financiële crisis zijn ondernemingen terughoudend met het uitbreiden van hun internationale betrekkingen. Het wereldhandelsklimaat is ruwer geworden, de toon scherper, soms zelfs vijandig. En de regeringen bevorderen die nieuwe hardheid behoorlijk.
‘We zullen de historische fout van het protectionisme niet herhalen.’ Deze belofte van de G20-landen op hun bijeenkomst in Londen in 2009 is al lang vergeten. De ideeën van destijds om een economische wereldraad te installeren als controlegremium en om een ‘Handvest van het gezamenlijk ondernemen’ te formuleren zijn nooit gerealiseerd. Voorstellen die van bondskanselier Angela Merkel kwamen.
In plaats daarvan zijn de protectionistische tendensen sterk toegenomen. Een team economen uit Sankt Gallen en Londen registreert in de Global Trade Alert (GTA) nauwgezet alle acties waarmee regeringen de binnenlandse economie proberen te beschermen: met invoerrechten of quota’s, subsidies, premies of uitzonderingsmaatregelen. In de eerste acht maanden van 2016 telden de GTA-statistici in de G20-landen al 350 van dergelijke maatregelen; twee jaar geleden was dat nog maar de helft. En landen worden steeds inventiever bij de keuze van hun instrumenten.
Wie bijvoorbeeld textiel invoert in de VS, moet rekening houden met invoerrechten die heel verschillend uitpakken al naargelang het materiaal, de toepassing ervan en het gewicht. Voor een anorak geldt een invoerrecht van 9,4 procent voor het deel dat uit katoen bestaat. Als hetzelfde model van kunstvezel is vervaardigd, is het invoerrecht 27,7 procent, dus bijna drie keer zo hoog. Daarom moeten textielhandelaren de polyester anorak eigenlijk voor een veel hogere prijs verkopen, maar leg dat de klanten maar eens uit. Aan de andere kant belasten de Amerikanen katoenen producten onder andere met een extra cotton fee, een ander invoerrecht. En uitgerekend met de opbrengst daarvan betaalt de Amerikaanse katoenindustrie haar reclamecampagnes.
Het Amerikaanse systeem van invoerrechten is ‘in hoge mate gefragmenteerd en complex’, zegt Felix Ebner, de Brusselse chef van de algemene bond van de Duitse textiel- en mode-industrie. Omdat andere landen in hun regelgeving − bij certificering of technische standaards − bovendien eigen richtlijnen gebruiken, ter bescherming van consumenten, is er tot verdriet van Ebner internationaal ‘een grote lappendeken’ ontstaan.
Maar degelijke bureaucratische belemmeringen zijn altijd nog makkelijker te overkomen dan de moeilijkheden waarmee de Duitse textielindustrie in Rusland te kampen heeft. Die markt is, vergeleken met het topjaar, ingestort: de omvang is nu 40 procent lager. De EU-sancties sinds maart 2014 en de Russische reacties daarop hebben een bijzonder nadelige invloed op de export van beide landen. Rusland streeft in veel branches naar autarkie, bijvoorbeeld bij de productie van medicinale hulpmiddelen als injectiespuiten, canules en infusen.
Het ministerie van Handel en Industrie in Moskou publiceerde eind maart 2015 een lijst van 111 artikelen die Russische ziekenhuizen, indien enigszins mogelijk, dienen te kopen bij lokale producenten, in plaats van ze te importeren uit het buitenland. Voor katheters is de eis dat in 2020 nog maar 25 procent wordt geïmporteerd, in plaats van de huidige 90 procent. En als dat niet lukt moeten ze in elk geval uit landen afkomstig zijn die zich niet bij de sancties hebben aangesloten, zoals China of Turkije.
‘Als er lokale producenten zijn, vis je als global player altijd achter het net’
Ook aanbieders van Duitse medische technologie, zoals B. Braun Melsungen, hebben het moeilijk. Het concern, dat al meer dan twintig jaar in Rusland actief is met verkoop- en productieactiviteiten, constateerde dat buitenlandse bedrijven bij het verlenen van opdrachten inmiddels vaak worden uitgesloten. ‘Als er lokale producenten zijn, vis je als global player altijd achter het net,’ zegt Jörg Griesel, regionaal directeur voor Noordoost-Europa van Sparte Hospital Care. Het Hessische concern heeft daar de volgende consequentie uit getrokken: het brengt zijn activiteiten in Rusland niet terug, integendeel, juist uitbreiding van de productiefaciliteiten in Rusland staat op de planning. Als waardecreatie lokaal gebeurt, gelden de producten als ‘made in Russia’, zo beredeneren ze, en dan is er uit handelspolitiek oogpunt geen probleem.
Deze pacificerende strategie wordt door economen ‘lokalisering’ genoemd. ‘Op het ogenblik is dit de beste manier om met protectionistische tendensen om te gaan,’ zegt Christian Rödl, directeur van het Neurenbergse adviesbureau Rödl & Partner. ‘Met een eigen productiebedrijf heb je meestal de minste problemen.’
Dat goedlopende ondernemingen wereldwijd fabrieken neerzetten, is natuurlijk al tientallen jaren gangbare praktijk. Ze gaan onder buitenlandse vlag varen om te kunnen profiteren van de lagere personeels- en energiekosten, om valutarisico’s te vermijden en vooral omdat ze in de buurt van de markt en de klant willen zitten. Dat ze het doen uit handelspolitiek oogpunt is een nieuw aspect.
Ook potloodfabrikant Staedtler volgt deze strategie. Staedtler-chef Marx was recent in Ecuador. ‘Daar groeit uitstekend hout voor de potloodfabricage,’ zegt hij. In plaats van afhankelijk te zijn van toeleveranciers, zoals tot nu toe het geval was, wil Marx binnenkort hout gebruiken van zijn eigen plantage en het ruwe materiaal verwerken in een eigen zagerij waar er plankjes van worden gemaakt.
Op het moment laat Marx doorrekenen of het zinvol is een productiebedrijf in de Verenigde Staten op te zetten: Amerika is voor Staedtler de belangrijkste afzetmarkt. Hij loopt al jaren met dat idee rond, en door recente uitspraken van Trump is hij gesterkt om dat plan ook ten uitvoer te brengen. ‘Dan zijn we op alle omstandigheden voorbereid.’
Duidelijk is dat Duitse exportbedrijven ook op deze manier proberen aan protectionisme te ontkomen. De vraag is alleen of dit op een of andere manier ten koste gaat van de werknemers in Duitsland. Dat zou het oude vestigingsplaatsendebat uit de jaren negentig opnieuw doen opvlammen.
Het ontbreekt Griekenland aan medicijnen tegen kanker en astma. Logisch, volgens wetenschapsredacteur Felix Rohrbeck, als geneesmiddellen bestemd voor Griekenland, tegen afbraakprijzen in Duitsland belanden. Hij volgde het spoor.
Op de afdeling Spoedeisende Hulp van het Evangelismos, het grootste ziekenhuis van Athene, zie ik een uitgemergelde man die krimpt van de pijn, maar naar wie niemand omkijkt. Buiten staan volledig overwerkte artsen in hun pauze te roken. Ze vertellen dat er niet alleen een tekort is aan personeel, maar ook steeds vaker aan medicijnen. Uit het hele land klinken zulke berichten: het ontbreekt aan pijnstillers en aan medicijnen tegen kanker, astma en krampaanvallen.
De Griekse overheid betaalt meer voor geneesmiddelen dan de Duitse
Export verviervoudigd
Terug in Duitsland lees ik dat Duitse ondernemingen medicijnen in Griekenland kopen die uiteindelijk in Duitse apotheken belanden. En in een reportage van de WDR uit 2014 wordt gezegd: ‘De hoeveelheid geneesmiddelen die deze bedrijven vanuit Griekenland naar Duitsland hebben geëxporteerd, is vanaf het begin van de crisis in 2009 verviervoudigd.’ Ik kan het haast niet geloven. Ontnemen wij de Grieken hun medicijnen? Profiteren Duitse patiënten van andermans leed? Hoe is het mogelijk dat een geneesmiddel dat voor Griekenland bestemd is, in Duitsland belandt? Welke economische mechanismen zijn hier aan het werk? Moeten die niet worden tegengegaan?
Ik besluit om de weg die een geneesmiddel aflegt te volgen, van de productie tot en met de levering aan Griekenland en verder naar een apotheek in Duitsland. Ik wil doorgronden hoe die handel in zijn werk gaat, wie eraan verdient, wie eronder lijdt.
Ik begin mijn onderzoek op de plek waar de reis van het geneesmiddel eindigt: in de Engel-Apotheke van Sven Villnow, niet ver van het Centraal Station van Hamburg. Binnen ziet het er net zo uit als in veel andere apotheken: naast de ingang een rek met Hansaplast-pleisters, voor de toonbank eucalyptuspastilles en een standaard met het magazine Apotheken Umschau. Achter de toonbank staat de 51-jarige Sven Villnow. Zijn grijze haren heeft hij opzij gekamd, een paar staan rechtovereind, alsof ze onder stroom staan.
Villnow is een apotheker die zijn klanten bij naam kent. Een tweede apotheek heeft hij nooit willen hebben. Hij neemt pakketjes aan voor de buren. Soms vraagt hij zich af waarom er steeds meer mensen naar zijn apotheek komen die weliswaar dik in de zeventig zijn, maar vinden dat ze zich nog vijfendertig zouden moeten voelen. Hij zegt: ‘Het is goed als je als apotheker verder kijkt dan je neus lang is.’
Op zijn bureau in een achterkamer van de apotheek liggen drie witte doosjes, ongeveer tien centimeter lang en vijf centimeter hoog. Avodart, stat erop. Urologen schrijven het voor bij een vergroting van de prostaat. In eerste instantie is er niks bijzonders aan zo’n doosje te zien, maar bij een nadere inspectie blijkt over het oorspronkelijke etiket een Duits etiket te zijn geplakt. Rechtsboven op het doosje is nog te zien voor welk land het medicijn ooit was bedoeld. Daar staat in het Grieks: ‘Let op: alleen te gebruiken door mannen’.
Villnow zet zijn computer aan. In een zoekvenster in zijn bestelsysteem tikt hij ‘Avodart’. Er verschijnt een overzicht van aanbieders. Helemaal bovenaan staat GlaxoSmithKline. Dat is de fabrikant. Erachter staat: € 123,64. Dat is de prijs die apotheken voor een doosje van 90 stuks moeten betalen. Daarna volgt nog een hele reeks leveranciers die Avodart allemaal aanzienlijk goedkoper aanbieden. De doosjes op het bureau van Villnow zijn geleverd door Kohlpharma. Dat verkoopt een doosje voor € 97,47, dus € 26,17 goedkoper – en met dezelfde inhoud.
Er zijn tal van dit soort leveranciers. Ze heten CC Pharma, Beragena Arzneimittel, EMRAmed of Pharma Gerke. Hun businessmodel bestaat uit de aankoop van geneesmiddelen in EU-landen waar ze het minst kosten en de verkoop ervan in landen waar ze het duurst zijn. Zodoende reizen medicijnen kriskras door Europa. Soms van land A naar land B en weer terug, wat herimport wordt genoemd. Maar vaker van land A naar land B naar land C. Dan heet het parallelimport.
Waar een her- of parallelimport vandaan komt, uit Frankrijk, Italië of Griekenland, kan Villnow niet zien in zijn bestelsysteem. Wel moet hij aan een quotum voldoen: minstens 5 procent van de omzet die apotheken maken met medicijnen die alleen op recept verkrijgbaar zijn, moet bestaan uit her- en parallelimporten. De zorgverzekeraars willen op die manier geld besparen. Als Villnow niet voldoet aan zijn quotum, moet hij een boete betalen aan de zorgverzekeraars.
In zijn dagelijks werk zet hij nauwelijks nog vraagtekens bij het systeem van her- en parallelimport, vertelt Villnow. Hij is eraan gewend geraakt. Maar nu kijkt hij peinzend naar de Avodart op zijn bureau. ‘Dat heen en weer sturen door Europa komt wel bespottelijk over,’ zegt hij. Aan de andere kant besparen de Duitse zorgverzekeraars er geld mee, naar schatting tussen de 91 en 222 miljoen euro per jaar. Dat is toch ook een goede zaak, denkt hij.
Vaststaat dat de her- en parallelimporten politiek gedragen zijn, want de prijzen voor medicijnen verschillen aanzienlijk binnen Europa. Voor Avodart geldt bijvoorbeeld dat 90 pillen van fabrikant GlaxoSmithKline in Griekenland niet € 123,64 kosten zoals in Duitsland, maar € 68,13. Een verschil van € 55,51. De oorzaken van de grote prijsverschillen zijn de verschillende zorgstelsels en de prijsstrategie van de fabrikanten.
De her- en parallelimporten moeten de prijsverschillen tussen de EU-landen wat kleiner maken. Eigenlijk dienen ze dus een goed doel. Maar wat nu als dit politiek gedragen systeem op een crisis als die in Griekenland stuit? Kun je er dan gewoon mee doorgaan?
In een persbericht van het Verband Forschender Arzneimittelhersteller [Vereniging van Innoverende Geneesmiddelenfabrikanten] van juli staat dat de farmaceutische ondernemingen ‘ondanks alle onduidelijkheden en wanbetalingen uit het verleden de levering van medicijnen aan Griekenland garanderen’. De politiek zou echter moeten waarborgen dat de geleverde medicijnen ‘ook daadwerkelijk bij de Griekse patiënten terechtkomen’. De eis: ‘We hebben een Grieks exportverbod voor medicijnen nodig.’ Een paar dagen later kondigt de Griekse regering inderdaad een exportverbod af, zij het voor slechts vijfentwintig geneesmiddelen.
Heretiketteermachine
Offert de onbaatzuchtige farmaceutische industrie zich op voor de Grieken? Moet de politiek zien te voorkomen dat de gewetenloze herimporteurs haar inspanningen simpelweg tenietdoen?
Ik volg de weg die ook de Avodart op het bureau van Sven Villnow heeft afgelegd, alleen in tegengestelde richting. Net voor de grens met Luxemburg, ergens tussen Saarbrücken en Trier, ligt het stadje Merzig. Hier, op een terrein met witte laagbouw, bevindt zich het logistiek centrum van Kohlpharma, het bedrijf dat Avodart aan de apotheek van Sven Villnow heeft geleverd. Kohlpharma is de grootste importeur van geneesmiddelen in Europa. Met achthonderd werknemers behaalt de onderneming een omzet van 700 miljoen euro per jaar. In vergelijking met de miljardenomzet van grote fabrikanten als Bayer of GlaxoSmithKline is Kohlpharma evenwel een dwerg.
Kohlpharma kan het best worden vergeleken met een enorme heretiketteermachine. ’s Ochtends arriveren de vrachtwagens met geneesmiddelen, elke dag ongeveer 35.000 doosjes. In blauwe kratten, die eruitzien als winkelmandjes, rollen ze op loopbanden met een totale lengte van zes kilometer door het bedrijf. Aan het opschrift op een doosje is te zien uit welk land het is geïmporteerd. Viskaldix, een middel tegen hoge bloeddruk, komt bijvoorbeeld uit Frankrijk, en Elocon, dat net zo werkt als cortison [een variant op het stresshormoon], uit Griekenland.
Vroeg of laat belanden alle geneesmiddelen in een van de productiehallen. Hier werken vrijwel alleen vrouwen, die aan witte tafels de blauwe kratten staan op te wachten. Op werkplek E04 liggen 163 doosjes Avodart van 90 stuks uit Griekenland opgestapeld. Een medewerkster pakt een doosje en legt het op een smalle loopband die naar een zilverkleurig apparaat voert. Daar wordt het Griekse doosje van een Duits etiket voorzien. Aan de andere kant van het apparaat neemt een tweede medewerkster het doosje in ontvangst. Het enige wat nog ontbreekt, is een Duitse bijsluiter. Dan is de Griekse Avodart een product geworden dat in Duitsland mag worden verkocht.
Bedrijfsleider Jörg Geller draagt een gestreept overhemd en een colbert met een witte pochet, alsof hij ook hiermee iets wil inbrengen tegen de slechte reputatie van de herimporteurs. 3500 doosjes Avodart heeft Kohlpharma sinds begin dit jaar geïmporteerd, zegt hij, uit in totaal zes landen. ‘Van die zes landen zit Griekenland wat prijs betreft momenteel in de middenmoot. We kopen Avodart nog liever in goedkopere landen, bijvoorbeeld in Italië of Estland.’
Dat geldt niet alleen voor Avodart, zegt hij. Sinds 2009 zou de import door zijn onderneming uit Griekenland ongeveer gehalveerd zijn, omdat die gemiddeld niet goedkoper, maar duurder is geworden. ‘De schaarste in Griekenland weerspiegelt zich in de prijzen.’
De Engel-Apotheke van Sven Villnow.
Melina
Door de telefoon klinkt de stem van een vrouw. Ze werkt voor de Griekse groothandel die Avodart heeft gekocht van fabrikant GlaxoSmithKline en vervolgens heeft doorverkocht aan Kohlpharma. Haar echte naam noch die van haar bedrijf mag in de krant komen. Dat zijn de voorwaarden voor een gesprek. Ze wil het namelijk niet verpesten bij de fabrikanten – tenslotte is haar bedrijf afhankelijk van hun leveranties. Laten we haar dus Melina noemen.
Wat ze vertelt, voldoet niet aan het beeld van de coulante, genereuze farmaceutische concerns dat het Verband Forschender Arzneimittelhersteller zo graag in het openbaar schetst. Haar bedrijf, zegt Melina, had voor de crisis nog twee of drie weken de tijd om de rekeningen van de fabrikanten te betalen, maar nu leveren de meeste alleen nog bij vooruitbetaling.
Voor het bedrijf van Melina is dat een lastige situatie. Enerzijds moet het de leveranciers meteen betalen, anderzijds kunnen de eigen klanten, overwegend Griekse apotheken, hun rekeningen vaak pas na weken of maanden voldoen. Zij liggen immers aan het infuus van de overheid, en die heeft bijna geen geld meer. ‘Wij groothandelaars worden door de crisis van twee kanten in de tang genomen,’ zegt Melina.
Het gesprek met haar levert een relatief helder beeld van de situatie op. Omdat de overheid geen geld heeft om apotheken en ziekenhuizen te betalen, kunnen deze laatste niet langer aan de rekeningen van de groothandels voldoen. Hierdoor hebben de groothandels op hun beurt geen geld om bij de farmaceutische ondernemingen bij vooruitbetaling te bestellen. Het eind van het liedje is dat de farmaceutische ondernemingen minder geneesmiddelen aan Griekenland leveren.
Dat kun je hen niet zonder meer verwijten. Farmaceutische concerns zijn geen liefdadigheidsinstellingen. Je kunt kritiek hebben op het feit dat ze zich via hun vereniging als onbaatzuchtige verlossers presenteren. Ook zouden ze de Griekse crisis niet moeten misbruiken om een stokje te steken voor her- en parallelimporten. Die zijn hen altijd al een doorn in het oog geweest, en hebben weinig te maken met de problemen in het Griekse zorgstelsel.
Volgens Melina is het niet zo dat haar bedrijf door de crisis minder aan Griekse apotheken en meer aan het buitenland levert. Volgens haar bedraagt het exportaandeel constant ongeveer 20 procent. ‘Als we niet meer leveren aan een Griekse apotheek, enkel om in het buitenland een betere prijs te krijgen, dan hoeft die apotheker alleen maar de telefoon te pakken om een klacht in te dienen bij de fabrikant of de Griekse zorgautoriteit. Dan hebben we een groot probleem. We zouden niet meer bevoorraad worden en zelfs onze vergunning kwijt kunnen raken.’
Waar moet je dan beginnen om de situatie in Griekenland te verbeteren? Misschien bij de kosten. Hoewel veel merkgeneesmiddelen in Griekenland goedkoper zijn dan in Duitsland en import dus lonend is, betaalt de Griekse overheid relatief gezien veel meer voor geneesmiddelen dan de Duitse. In 2013 gaf de Griekse verzekeraar EOPYY 44 procent van zijn budget uit aan geneesmiddelen, terwijl dat percentage voor Duitse verzekeraars slechts 16,5 bedroeg.
Avodart
De laatste bestemming in dit onderzoek had Poznań in Polen moeten zijn. Daar staat de fabriek die Avodart produceert. Maar GlaxoSmithKline laat weten dat een bezoek aan de fabriek niet mogelijk is. Ik vraag om een gesprek in het Duitse hoofdkantoor in München. Ook dat is niet mogelijk. Dus stuur ik mijn vragen op schrift: ik wil weten welke betalingstermijnen het concern hanteert voor zijn Griekse klanten en welke uitstaande vorderingen het op hen heeft. GlaxoSmithKline (GSK) wil de vragen niet beantwoorden en geeft alleen algemene informatie: ‘Voor GSK heeft het waarborgen van adequate verzorging van patiënten met zijn geneesmiddelen de hoogste prioriteit. Wij leveren ook in het vervolg onze geneesmiddelen aan Griekenland en zijn niet op de hoogte van een door de financiële crisis ontstane schaarste op de markt met GSK-geneesmiddelen – met inbegrip van de levering van het concreet door u genoemde product Avodart.’
Export verboden
Het merkwaardige is dat ook preparaten van GlaxoSmithKline op de lijst van geneesmiddelen staan waarvan de Griekse regering de export heeft verboden. Weliswaar niet Avodart, maar wel vaccins en inhalatiesprays. Als die helemaal niet schaars zijn, zoals GlaxoSmithKline suggereert, waarom is de export ervan dan verboden?
En zo ontstaat het volgende beeld. Ja, er zijn geneesmiddelen in Griekenland die schaars zijn. Dat wordt bevestigd door artsen en patiënten. En nee, dat is niet de schuld van de herimporteurs. In plaats daarvan zouden degenen die hen de schuld geven eens onder de loep moeten worden genomen: de farmaceutische concerns, die jarenlang goed hebben verdiend in Griekenland en nu voor een deel alleen bij vooruitbetaling leveren. En de Griekse regering, die met een exportverbod doet alsof ze iets onderneemt – zonder de daadwerkelijke problemen aan te pakken.
Felix Rohrbeck
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.