Tag: Facebook

  • Journalistiek in tijden van Facebook

    Journalistiek in tijden van Facebook

    Franklin Foer, broer van schrijver Jonathan Safran Foer, was hoofdredacteur van het tijdschrift The New Republic toen dat werd overgenomen door Facebookmiljonair Chris Hughes. In dit fragment uit zijn boek Ontzielde wereld beschrijft Foer hoe Hughes’ zucht naar digitale lezers het blad van de regen in de drup hielp.

    Chris Hughes was een mythische ridder – jongensachtig onschuldig, fantastisch rijk, intellectueel nieuwsgierig, onverwacht nederig en trots idealistisch. In mijn hele carrière bij The New Republic heb ik van zo’n weldoener gedroomd. Vele jaren lang dreven we van de ene eigenaarsgroep naar de andere, die stuk voor stuk het tijdschrift en zijn historische missie wilden redden. Maar deze investeerders ontbrak het aan de middelen om in onze toekomst te investeren of ze hadden onvoldoende vertrouwen om er volledig voor te gaan. We bleven onze edities ophoesten, maar steeds achtervolgd door het spookbeeld dat we in de handen van een Russische oligarch of een ideologische fanaticus 
zouden belanden. De eindeloze zoektocht naar een beschermheer putte me uit. Ik nam in 2010 ontslag als hoofdredacteur. Een jaar later ging The New Republic opnieuw dringend op jacht naar een nieuwe eigenaar. En toen kwam Chris binnenwandelen.

    Chris was niet alleen een redder: hij was een gezicht van de tijdgeest. Op Harvard had Chris een kamer gedeeld met Mark Zuckerberg, die hem tot een van de eerste werknemers van Facebook had gezalfd. Chris gaf ons duffe oude tijdschrift een millennium-fiat en een groter budget. Bovendien beschikte hij over een grondige kennis van de sociale media. We hadden het gevoel dat de hoop van de journalistiek op onze schouders rustte, die snakte naar een waardige oplossing voor alles wat haar mankeerde.

    Tijdens mijn kennismakingsgesprek met Chris dwaalden we doelloos door het centrum van Washington met papieren koffiebekers in de hand. Het was een warme lentedag. We gingen zitten op 
de stenen trappen van een Georgische kerk. In die eerste weken als eigenaar had Chris voor zichzelf een eindeloze luistertoer geboekt. Hij leek met iedereen te willen spreken die bij het tijdschrift had gewerkt of die er een duidelijke mening over kon hebben. Maar tijdens ons gesprek leek hij duidelijk meer te willen dan mijn advies. Hij liet doorschemeren dat hij me graag in mijn oude functie zou willen zien.

    De eigenaren van The New Republic waren altijd oudere mannen geweest, met veel geld en uitgesproken meningen. Chris was op een intrigerende manier anders. Hij was achtentwintig jaar oud, en door zijn leergierigheid leek hij zelfs nog jonger. ‘Toen ik hoorde dat The New Republic te koop was,’ zei hij tegen me, ‘ging ik naar de openbare bibliotheek van New York en begon te lezen.’ Hij vroeg microfiches van oudere jaargangen aan. Uit elk decennium van het honderdjarig bestaan van het tijdschrift selecteerde hij een tiental nummers om door te ploegen. De romantische geschiedenis van het tijdschrift – zijn legendarische lijst van schrijvers zoals Rebecca West, Virginia Woolf, Edmund Wilson, Ralph Ellison en James Wood – prikkelde zijn verbeelding en deed de hand op zijn knip verslappen.

    Hoewel hij sinds de beursgang van Facebook honderden miljoenen achter de hand had, leek hij niet geïnteresseerd in zijn rijkdom of er op zijn minst moeite mee te hebben. Hij schaamde zich altijd een beetje wanneer mensen erop wezen dat hij twee landgoederen en een ruime loft bezat; hij droeg 
vaak elke dag van de week dezelfde blazer.

    De bron van zijn fortuin bepaalde niet wie hij was. Hij sprak altijd met een ontwapenende afstandelijkheid over Facebook. ‘Ik breng niet veel tijd op de site door,’ bekende hij eens tijdens een etentje. Die ontboezeming vond ik heel innemend. Al snel begonnen we het tijdschrift opnieuw te kneden. We wilden onze eigen onmogelijk hoge verwachtingen waarmaken.

    Dolle jacht op kliks

    Binnen één generatie is de journalistiek beetje bij beetje opgeslokt. De dominante mediabedrijven uit onze tijd beschouwen zichzelf niet als erfgenamen 
van een grootse, van drukinkt doordrenkte traditie. Sommige noemen zichzelf liever technologiebedrijven. Deze herdefiniëring is niet alleen een kwestie van modieuze restyling. Silicon Valley heeft het beroep geïnfilltreerd, zowel van binnenuit als van buitenaf. In het afgelopen decennium is de journalistiek ongezond sterk afhankelijk geworden van Facebook en Google. De grote tech-bedrijven voorzien de journalistiek 
van een enorm percentage van haar publiek – en daarmee van een groot deel van haar inkomsten.

    Afhankelijkheid leidt tot vertwijfeling – een dolle, schaamteloze jacht op Facebook-kliks, een meedogenloos streven om vat te krijgen op de Google-algoritmen. Het leidt ertoe dat de media afschuwelijke deals sluiten, die lijken op noodzakelijke ingrepen voor zelfbehoud maar in feite alleen maar Facebook en Google de gelegenheid bieden hen 
nog steviger in de greep te houden. Media verlenen Facebook het recht advertenties te verkopen en geven Google toestemming artikelen rechtstreeks 
op zijn supersnelle server te publiceren.

    Wat deze deals zo afschuwelijk maakt, is de wispelturigheid van de tech-bedrijven. Ze veranderen graag snel en radicaal van koers, wat geweldig is voor hun winstcijfers, maar een ramp voor alle mediabedrijven die afhankelijk zijn van de platforms. Facebook bepaalt dat zijn gebruikers de voorkeur geven aan video boven woorden of dat zijn gebruikers ideologisch aangename propaganda verkiezen boven harde nieuwsfeiten.
    Wanneer Facebook op deze manier zijn koers wijzigt of wanneer Google zijn algoritmen bijstelt, verstoren ze onmiddellijk het webverkeer naar de media, met alle gevolgen voor de inkomsten van dien. Media weten dat ze aan de greep van Facebook zouden moeten ontsnappen, maar afhankelijkheid kweekt ook lafheid. De gevangene ligt op zijn brits te dromen van vluchtplannen die nooit zullen uitkomen.

    Het probleem is niet alleen financiële kwetsbaarheid. Het is de manier waarop de tech-bedrijven werkpatronen opleggen, de manier waarop hun invloed het ethos van een hele branche afstemt op hun behoeften, zoals lagere kwaliteitseisen en slechtere ethische bescherming. Ik had me nooit kunnen 
voorstellen dat ons tijdschrift die kant op zou gaan.

    De eerste dagen van mijn samenwerking met Chris waren opwindend. Als een druistige buitenstaander was hij niet geïnteresseerd in blinde navolging van traditionele wijsheid. Toen we de website van The New Republic gingen vernieuwen, kozen we voor een reactionaire benadering.
    Onze homepage zou niet op jacht gaan naar de klikgrage bezoeker. Integendeel, we zouden ons hevig verzetten tegen de impuls haar vol te plempen met een eindeloze stroom klikbare content, die met weinig gevoel voor hiërarchie over de pagina verspreid stond. Onze digitale bladzijden zouden schoonheid en eindigheid koesteren. Ze 
zouden elke ambitie om een breed publiek te trekken laten varen en brutaal het idealisme van ons project verkondigen – door Chris omschreven als niets minder dan het behouden van culturele ernst en het bedrijven van gedegen onderzoeksjournalistiek.

    © Studio Vonq
    © Studio Vonq

    Romantisch idealisme was niet genoeg om Chris tevreden te stellen. Hij heeft altijd geloofd dat hij van The New Republic een winstgevende onderneming kon maken – of in elk geval dat hij zo veel inkomsten zou kunnen genereren dat hij zijn succes kon uitbazuinen in persberichten die ons nog geweldiger zouden maken. Maar Chris’ retoriek over winst leek nooit helemaal oprecht. ‘Ik heb een bloedhekel aan het verkopen van advertenties,’ zei hij mij keer op keer. ‘Het geeft me een vunzig gevoel.’ En meer dan een jaar lang was hij bereid ruimhartig geld te spenderen.

    Achteraf gezien had ik strenger moeten zijn ten aanzien van de cheques die wij uitschreven – ik bedoel, die hij uitschreef. Het was te voorspellen dat frustratie onvermijdelijk de kop zou opsteken wanneer hij uiteindelijk eens goed naar zijn financiën zou kijken. Maar we hadden allebei onze zwakheden. Hij huurde graag kantoorruimte op toplocaties en nam graag topconsultants in de arm. Ik betaalde graag royale vergoedingen aan schrijvers om de wereld over te trekken en liet stukken schrijven alsof ik een extravagante hoofdredacteur uit New York was. Aangezien het venster van zijn liefdadigheid beslist zou sluiten, besloot ik snel veel mensen aan te nemen, onder wie enkele ervaren schrijvers en redacteuren die niet goedkoop waren. Maar het leek hem niets 
uit te maken. ‘Ik heb me nooit zo gelukkig of voldaan gevoeld,’ zei Chris tegen mij. ‘Ik werk met vrienden.’

    Op een dag was het zover. De cijfers haalden Chris in en hij voelde een dringende en begrijpelijke behoefte om winst te gaan maken. Aangezien Chris niets had met adverteren, weigerde hij veel geld uit te geven aan mensen die met het tijdschrift de boer op gingen. Het geld moest ergens vandaan komen – en dat ‘ergens’ was het web. Een drastische toename in 
sitebezoek moest het geld opleveren dat het gat kon dichten. We leefden plotseling in een microkosmos van de recente mediageschiedenis, in een gecomprimeerde periode die een decennium van pijnlijke transitie samenperste in een paar spannende maanden.

    Aan het begin van de eeuw stond het beroep op de rand van de afgrond. Door een reeks economische crises begonnen mediabedrijven alles in te zetten op een digitale toekomst, een toekomst waarin ze geen last hadden van het lompe, bureaucratische apparaat dat papieren publicaties eisten. Het crisisgevoel en het zicht op nieuwe kansen veranderden de oude redactiekamers snel. In de loop van een jaar of tien daalden de salariskosten voor journalisten en redacteuren met 1,6 miljard dollar. Tegelijkertijd verloor de journalistiek haar vitaliteit en stortte haar prestige in.
    Volgens een bepaald onderzoek was krantenverslaggever de ergste baan in de Verenigde Staten, erger nog dan houthakker en reclasseringsambtenaar. Door deze existentiële crisis moest de journalistiek zich bezinnen op haar bestaansreden. Heel die fraaie onafhankelijkheid leek plotseling een onbetaalbare luxe.

    Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule

    Om het webverkeer te laten groeien hadden we een nieuwe manier van denken nodig. Anders dan de televisie beschouwde de gedrukte pers de strategische jacht op een publiek als een te vermijden, vunzige, ietwat corrumperende bezigheid. Schrijvers en redacteuren lieten die jacht liever over aan de commerciële tak van hun bedrijf; zelf hielden ze zich er niet mee bezig. The New Republic koesterde een extreme versie van deze opvatting. Het blad was geboren als een elitetijdschrift – een bedenksel van intellectuelen uit een progressieve tijd, die hoopten de culturele en politieke standaarden van het land te verhogen. In de loop der decennia werd het haast een cultus om de kleine groep te bedienen die interesse had in inside-informatie over politiek en semi-intellectuele boekbesprekingen. Deze mengeling had nooit garant gestaan voor een erg omvangrijk publiek. In het grootste deel van zijn lange geschiedenis was het lezerspubliek van The New Republic zelfs te klein om het footballstadion van de University of Mississippi te vullen. Plotseling moesten we echter via onze website miljoenen lezers zien te bereiken. We moesten ons elitaire denken vaarwel zeggen en de massa’s in hun eigen omgeving tegemoet treden.

    Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. Dat was de les die de journalistiek aan het leren was. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule. Jonah Peretti, de oprichter van BuzzFeed en de William Randolph Hearst van onze tijd, heeft die vergelijking als volgt geformuleerd: R = ßζ. De formule zou illustreren hoe een journalistiek stuk viraal kon gaan – hoe het door de sociale netwerken kon reizen en snel een massaal publiek bereiken, net zo snel als de pokken hun weg door Noord-Amerika hadden gevonden. Peretti’s formule was afkomstig uit de epidemiologie [in de epidemiologie staat ζ voor het aantal mensen dat in contact komt met een besmet persoon, en ß voor de kans op besmetting]. De verwijzing naar wetenschap was doelbewust. Met behulp van experimenten en een zorgvuldige bestudering van de data kon je wetenschappelijk bepalen welke stukken de meeste kans hadden viraal te gaan – of in elk geval een omvangrijk publiek te bereiken.

    De nieuwe wetenschap van het webverkeer was in feite een tak van de gedragspsychologie – mensen klikten zo snel dat ze niet altijd helemaal begrepen waarom ze zich meer aangetrokken voelden tot het ene stuk dan tot het andere. Ze lieten zich leiden door cognitieve vooroordelen, irrationele krachten, halfbewust genomen beslissingen. Om een lezer te verleiden moest je dus een beetje manipuleren, stiekem een beetje overredingskracht toepassen.

    Chris had kennis over viraliteit opgedaan via de site Upworthy. Hij had geld gestoken in de lancering van die website en meegeholpen er een internetsensatie van te maken – ‘de snelst groeiende mediastart-up die ik me kan herinneren’, zoals een van de vele kruiperige journalisten het omschreef. Upworthy produceerde niet veel origineels. Het haalde overal op het web video’s en tekeningen vandaan, meestal obscuur spul, en zette er koppen boven die ze aantrekkelijk maakten voor een zeer breed publiek. Deze content wilde een progressieve sfeer uitademen, ergens tussen ‘fantastisch’ en ‘belangrijk’. Upworthy nam het materiaal van anderen en gaf het de magische elementen die tot viraliteit leidden.

    klein03

    Magisch is niet het juiste woord. Psychologen hadden ontdekt hoe ze de onbedwingbare nieuwsgierigheid van mensen moesten opwekken. Mensen vinden onwetendheid niet erg, maar ze hebben er een hekel aan als hun informatie wordt onthouden. Upworthy ontwierp koppen die in lezers een primaire honger opwekten naar informatie die net buiten hun bereik lag. Het pionierde met een stijl die het de ‘nieuwsgierigheidskloof ’ noemde: door net voldoende informatie achter te houden kietelden de koppen lezers om door te klikken. Een klassiek voorbeeld: ‘Negen van de tien Amerikanen zijn onvoldoende op de hoogte van dit duizelingwekkende feit.’ Zes miljoen lezers konden zich niet bedwingen en volgden die link. (Het duizelingwekkende feit: de inkomensongelijkheid is veel groter dan de meeste Amerikanen denken.)

    De kop is uiteraard een aloude journalistieke kunstvorm. Maar Upworthy – en zijn talrijke na-apers – heeft deze kunstvorm op een positivistische maar strikte manier benaderd. Bij elk item dat het op zijn site plaatste, schreef Upworthy vijfentwintig verschillende koppen. Dankzij zijn software kon Upworthy ze automatisch alle vijfentwintig publiceren en bepalen welke ervan het meest aangeklikt werden. Op basis van deze resultaten ontdekte Upworthy syntactische patronen die vrijwel zeker hits opleverden. (Upworthy had enorm succes met varianten van de zin: ‘Je gelooft nooit wat er hierna gebeurde.’) Deze formuleringen waren zo effectief dat ze een gemeenplaats werden op het web. Sites gingen ze zo veel gebruiken dat lezers de trucs begonnen door te krijgen en de formules aan kracht verloren. En dat leidde weer tot verwoede pogingen om de volgende hitvoorspeller te ontdekken.

    Het belangrijke inzicht van Upworthy, BuzzFeed, Vox en andere opkomende internetgiganten was dat je redactioneel succes kon fabriceren: als je luisterde naar de data, was het mogelijk stukken te schrijven waarmee je een massaal publiek kon bereiken. Iedereen in de branche omarmde dit inzicht, zelfs bij nuchtere ondernemingen als The Washington Post. En het inzicht wist ook door te dringen tot The New Republic. Chris voegde een datagoeroe aan onze staf toe om de kans op virale hits te vergroten. In de wekelijkse vergaderingen leverde de goeroe onderwerpen aan die we volgens hem moesten aanpakken. Hij hield zorgvuldig in de gaten welke onderwerpen trending waren op Facebook, zodat wij content konden creëren die meeliftte op de golf van populariteit. Hij keek ook naar data uit het verleden om te zien wat het publiek een jaar geleden bezighield, zodat we stukken konden produceren die in het verlengde lagen van de seizoensinteresses van lezers. ‘Advertenties tijdens de Super Bowl zijn een ding,’ zei hij. ‘Hoe kunnen we daarop aansluiten?’ Of: ‘[Restaurantketen] Chipotle heeft geen varkensvlees meer en iedereen op de sociale media heeft het erover. Wat kunnen wij bijdragen?’ Dit soort vragen werden meestal beantwoord met een vijandig stilzwijgen.

    Hoewel ik niets ophad met deze strategie, bood ik er maar weinig verzet tegen. Chris moedigde ons nog steeds aan lange artikelen en staaltjes van gedegen onderzoeksjournalistiek te publiceren. Een paar derderangs prutsartikelen schrijven leek een kleine prijs om te betalen. Bovendien was zijn vraag volkomen redelijk. Respectabele media bewandelden hetzelfde pad. Dachten we werkelijk dat we beter waren dan Time of The Washington Post? Ze hadden allemaal een genre omarmd dat hij ‘hapklare content’ noemde: grafiekjes, lijstjes, video’s, snelle items die de aandacht wekten van de ‘verveelde bureauklevers’, zoals de branche ze noemde, of van de mensen die op metroperrons de tijd zaten te doden. Natuurlijk, het onderwerp kon serieus zijn, maar de presentatie moest snel en luchtig zijn, klaar om zich via Facebook te verspreiden. Chris was er vast van overtuigd dat we dit soort werk moesten produceren: het was immers gemakkelijk om hapklare content te produceren – en het kostte, in zijn ogen, weinig moeite. We moesten simpelweg de rest van het internet na-apen en over dezelfde schandalen schrijven en op hetzelfde actuele onderwerp inhaken als iedereen. De kliks zouden ons overstelpen, als we maar over onze eigen schaduw konden stappen en dezelfde fragmentjes van The Daily Show posten als iedereen, ingeleid door een aantrekkelijke kop en misschien voorzien van een of twee analyserende alinea’s om ons geweten te sussen. Een tirade van Jon Stewart mochten we niet missen. Chris’ logica was moeilijk te weerleggen. Alle andere media deden het. En ze deden het omdat het werkte. Wij moesten ervoor zorgen dat dingen werkten.

    Chartbeat

    Een van de symbolen van het nieuwe tijdperk zweefde boven mijn leven bij The New Republic. Het zat me de hele dag achterna. Elke keer wanneer ik ging zitten werken, keek ik er stiekem naar – en dat deed ik ook wanneer ik ’s morgens opstond, wanneer ik enkele minuten later mijn tanden poetste en nog weer later wanneer ik bij het urinoir stond. Soms keek ik alleen maar naar het uitslaan van de meter terwijl ik het stuk dat ik redigeerde verwaarloosde of de persoon aan de andere kant van mijn bureau negeerde. Mijn kijkgedrag was vaak een geval van wishful thinking. Ik hoopte dat de meter onverwacht de goede kant zou uitslaan ter illustratie van mijn talent om een winnaar uit te zoeken.

    Mijn meester heette Chartbeat, een site die redacteuren, schrijvers en hun bazen een realtime overzicht van het webverkeer biedt en laat zien hoeveel lezers elk afzonderlijk artikel heeft. De site suggereerde vrij duidelijk dat journalistiek een competitie is, een populariteitswedstrijd. De naald van de site gaf ons het gevoel dat ons tijdschrift een auto was: ofwel we kruipen op een slechte verkeersdag moeizaam tegen een helling op, ofwel we sjezen op ons gemakje naar een bevredigend eindcijfer.

    Dit is het vertrouwde verhaal van de Amerikaanse werkvloer. Analyse is de managementrevolutie van onze tijd. We leven in een wereld van alomtegenwoordige data die de basis vormen voor steeds grotere efficiency en productiviteit. Daarom hebben Chartbeat en tal van soortgelijke sites zo’n grote invloed op vrijwel elk tijdschrift, elke krant en elk blog. Het komt er bij Chartbeat op neer dat geen enkel stuk voldoende verkeer heeft – met wat aanpassinkjes, een betere kop, een betere benadering op de sociale media, een beter onderwerp, een beter betoog kan het altijd beter. Net als een manager die met een stopwatch bij de lopende band staat, zweven Chartbeat en zijn geestverwanten boven de redactiekamer.

    Dit was een gevaarlijke ontwikkeling. De journalistiek was in feite nooit een maatschappelijk gerichte onderneming geweest. Dat was alleen maar een mythe die redacteuren en schrijvers elkaar graag vertelden. Maar de mythe was wel belangrijk. Hij prikkelde de journalistiek om de macht uit te dagen. Hij voorkwam dat ze zich liet leiden door de nukken van het publiek. Hij schiep een cruciale mate van afstandelijkheid.

    klein02

    Deze generatie van op het internet geboren mediagiganten heeft niets op met het oude journalistieke ethos van onpartijdigheid. Het is niet zo dat deze bedrijven niet naar journalistieke grootsheid streven. BuzzFeed, Vice en The Huffington Post willen postmoderne kranten zijn. Ze investeren in uitstekende verslaggeving en hebben eersteklas journalisten in dienst. Maar ze proberen geen afstand te nemen van de druk van de markt. De jacht op het publiek is cruciaal voor hun missie. Ze willen de populariteitswedstrijd op het web winnen. Ze hebben toegestaan dat de eindeloze feedbackloop van het web – de nooit eindigende datastroom – bepalend is voor hun redactionele keuzes en investeringen.

    Wanneer een verhaal eenmaal de aandacht heeft gewekt, springen de media er gedachteloos bovenop. Ze schrijven met repetitieve razernij over het onderwerp en proberen er zo veel mogelijk kliks aan te onttrekken, totdat het publiek de belangstelling ervoor verliest.

    Een gedenkwaardig doch volkomen irrelevant voorbeeld: een protserige foto van een jager uit Minnesota die glimlachend bij het lichaam van een leeuw met de naam Cecil stond leverde meer dan 3,2 miljoen verhalen op. Alle nieuwsorganisaties – zelfs The New York Times en The New Yorker – probeerden de hysterie op te kloppen, in de hoop wat webverkeer te kunnen genereren. Hiervoor moesten ze telkens een volledig nieuwe invalshoek vinden, of een invalshoek die net nieuw genoeg was. Vox: ‘Kip eten is moreel verwerpelijker dan Cecil de leeuw doden’. BuzzFeed: ‘Een helderziende zegt dat ze met Cecil de leeuw heeft gesproken’. The Atlantic: ‘Van Cecil de leeuw tot klimaatverandering: een perfecte storm van verontwaardiging’.

    In bepaalde opzichten is dit slechts een digitaal opgewaardeerde versie van een ouderwetse media-tsunami. Een explosie van moralistische woede die grondig wordt uitgebuit. Maar de sociale media versterken de financiële prikkel om zich bij de huilende roedel aan te sluiten. Zelfs het kleinste mediakanaal zou in principe viraal kunnen worden en miljoenen lezers aantrekken als het zijn verhalen slim verpakt. Intellectuelere tijdschriften schudden zonder enig schuldgevoel artikelen over deze trending onderwerpen uit de mouw, zolang ze ze maar een beetje kunnen aankleden met een pochetje met academische pretenties of een sjaaltje van beredeneerde slimheid. De resultaten zijn bepaald niet oorspronkelijk. Net als in Hollywood stoppen organisaties tijd en geld in een formuleachtig product, een behoedzame imitatie van oudere successen. Joshua Topolsky, oprichter van Vox Media en The Verge, bejammerde deze insluipende homogenisering: ‘Alles oogt hetzelfde, leest hetzelfde en lijkt de concurrentie om dezelfde oogballen aan te gaan.’

    Donald Trump begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen

    Donald Trump is de culminatie van dit tijdvak. Hij begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen. Ook al toonden de media hun minachting voor de strapatsen van Trump, ze maakten van hem een markante figuur en een plausibele presidentskandidaat. Jarenlang hebben de media Trumps theorieën over de buitenlandse afkomst van president Obama rondgepompt, ook al waren die totaal nergens op gebaseerd. De media schonken eindeloos aandacht aan zijn eerste verdachtmakingen met betrekking tot immigranten, ook al wisten ze maar al te goed dat die provocaties een atmosfeer van paranoia en haat opwekten. Toen Trump eenmaal een plausibele kandidaat was geworden, moesten de media wel over hem berichten. Maar de media hadden hem in die positie gebracht. Verhalen over Trump leverden het soort webverkeer op dat de goden der data behaagde en dat het batig saldo ten goede kwam. Trump begon als Cecil de leeuw, en eindigde als president van de Verenigde Staten.

    Chris Hughes en ik zaten eens aan de ontbijttafel van een majesteitelijk Washingtons hotel te brainstormen over de kwaliteiten van The New Republic – The New Republic die we samen zouden scheppen. We hebben het nooit zo expliciet gesteld, maar we waren op zoek naar een gemeenschappelijke deler, naar een bijvoeglijk naamwoord dat alles kon omvatten wat we met het tijdschrift wilden. Het voelde alsof we op een rotonde zaten. Als er een whiteboard was geweest – en Chris is dol op whiteboards – had het waarschijnlijk vol gestaan met afgekeurde termen.
    Maar die waardeloze woordenstroom was het armzalige voorspel voor een creatieve doorbraak. Hij zei: ‘We zijn idealistisch. Dat knoopt ons legendarische verleden aan ons optimisme ten aanzien van oplossingen.’ Idealisme was een woord dat mijn hart deed smelten, en ik voelde een onbedwingbare vreugde bij het vooruitzicht dat we het met elkaar eens waren. ‘Boem. Dat is het.’

    We waren idealistisch over ons gedeelde idealisme. We hadden allebei bepaalde doelen die elkaar overlapten. We wilden allebei van The New Republic een bloeiend tijdschrift maken; we geloofden allebei in een activistische kijk op de Amerikaanse regering; we geloofden allebei dat het belangrijk was naar een kosmopolitischer cultuur te streven; we waren allebei enthousiast over het idee om long-form-journalistiek te bedrijven. Deze overeenkomsten waren voor ons voldoende om elkaar wijs te maken dat we hetzelfde idealisme deelden.

    Verbeterbaar

    Chris’ kijk op de wereld was in wezen technocratisch; de mijne was meer moralistisch en romantisch. Waar hij wel iets zag in het idee van long-form-journalistiek, geloofde ik er ideologisch in. Hij geloofde in systemen, in regels, efficiency, organogrammen, vergaderingen, productiviteitsinstrumenten. De wereld was in hoge mate verbeterbaar, maar we konden alleen vooruitgang boeken als we ons losmaakten van oververhitte emoties, scheldpartijen en excessieve partijdigheid. Deze kijk op de wereld plaatste hem op een ramkoers met de politiek geëngageerde intellectuele vrije geesten die ons kantoor bevolkten, die met overtuiging en op onmogelijke uren schreven en die zich stortten op onderwerpen die hun de meeste voldoening schonken, en niet per se op kletsverhalen die de massa het meest behaagden.

    Vlak voor het pijnlijke einde gaf Chris me zijn herziene visie op de toekomst van het tijdschrift en vertelde me waar zijn idealisme hem had gebracht. Hij was nu twee jaar eigenaar van The New Republic en begon wat ongedurig te worden. Resultaten, en daarmee bedoelde hij meer webverkeer en meer inkomsten, moesten sneller komen. ‘Om het tijdschrift te redden moeten we het tijdschrift veranderen,’ zei hij tegen me.
    Technologen en marketeers zouden een cruciale rol in het redactionele proces gaan spelen. Ze zouden onze journalistiek de ‘coole’ en ‘innovatieve’ eigenschappen geven die het blad populair zouden maken en een opvallende positie in de markt zouden geven. Dit vereiste uiteraard middelen, en die middelen moesten komen uit de pot met geld voor long-form-journalistiek. Ik was niet voorbereid op zijn plan of zijn omschrijving van The New Republic. ‘Wij zijn een technologiebedrijf,’ zei hij. Waarop ik antwoordde: ‘Dat klinkt niet als het soort bedrijf dat ik met mijn kwaliteiten zou kunnen leiden.’ Hij verzekerde me dat ik het aankon.

    Twee maanden later hoorde ik van een collega dat Chris mijn vervanger had aangenomen en dat mijn vervanger in New York met allerlei mensen lunchte om hun een baan bij The New Republic aan te bieden. Voordat Chris de kans had mij te ontslaan, nam ik zelf ontslag, en met mij bijna de hele redactionele staf van het tijdschrift. Hun idealisme dicteerde dat ze zich moesten verzetten tegen zijn idealisme. Ze wilden niet werken voor een tijdschrift met een moraal die meer aansloot bij die van de grote tech-bedrijven dan bij die van de journalistiek. Ze wilden best Facebook in de gaten houden, maar ze wilden niet hun baan erdoor laten bepalen. De heisa kreeg behoorlijk wat aandacht en ebde toen weg – slechts een hobbeltje in het streven van Silicon Valley om de journalistiek te verzwelgen.

    De overdaad aan data heeft het karakter van de journalistiek veranderd. Hij heeft haar tot een handelsartikel gemaakt, tot iets wat je kunt vermarkten, testen en aanpassen. Misschien hebben de media altijd al zo gedacht. Maar als die impuls altijd heeft bestaan, was hij op z’n minst afgeschermd. Tijdschriften en kranten beschouwden zichzelf altijd als een coherent iets, een nummer, een editie, een instelling. Niet als een uitgever van tientallen afzonderlijke stukken die ze elke dag via Facebook, Twitter en Google moesten verhandelen.

    Nadenken over het bundelen van artikelen tot een groter geheel was intellectueel bevrijdend. Als lezers niet geïnteresseerd waren in een reportage over kinderarmoede of een bericht uit Zuid-Soedan, was dat niet zo erg. Ze zouden je daarop niet beoordelen. Ze zouden zich misschien zelfs gevleid voelen omdat jij dacht dat ze zo’n artikel wel zouden willen lezen, ook al sloegen ze het meteen over. Redacteuren rechtvaardigden hoogstaande en wereldvreemde artikelen met het argument dat ze essentieel waren voor de ‘mix’.

    Nu worden opdrachten onderworpen aan een kosten-batenanalyse: zal het artikel voldoende verkeer genereren om de investering te rechtvaardigen? Deze analyse is soms expliciet en bewust, maar vaak ook onderbewust en ingebed in eufemismen. Het is de gedachtegang waardoor redacteuren verkondigen dat een idee ‘niet de moeite waard is’ of waardoor ze zich zorgen maken over hoe een artikel zal ‘vallen’.

    Het publiek voor de journalistiek is tegenwoordig misschien groter, maar het denkraam is kleiner.

    Auteur: Franklin Foer

    Dit is een bewerkt fragment uit Ontzielde wereld van Franklin Foer, 
dat onlangs verscheen bij uitgeverij 
De Bezige Bij.

  • Waarom Mark Zuckerberg een genie is

    Waarom Mark Zuckerberg een genie is

    Met Facebook bouwde Mark Zuckerberg een van de succesvolste bedrijven van onze tijd, met trekjes van een messianistische sekte. In een voorpublicatie uit zijn boek Start-upmania beschrijft voormalig Facebookmedewerker Antonio García Martínez hoe Zuckerberg op oorlogspad grote concurrent Google eronder kreeg.

    Mark Zuckerberg is een genie.

    Niet op een autistische, aspergerachtige manier, zoals hij wordt afgebeeld in de bijzonder fictieve speelfilm The Social Network, het cognitieve genie met uitzonderlijke talenten. Dat is een moderne definitie die afbreuk doet aan de oorspronkelijke betekenis.

    Ook zou ik hem geen productgenie à la Steve Jobs noemen. Wie dat beweert, moet eerst een verklaring geven voor het volgepropte kerkhof van vergeten mislukkingen van Facebook. Herinner je je nog Home, het door Facebook mogelijk gemaakte ‘thuisscherm’ voor Android-telefoons, toen Zuck verscheen met de CEO van de smartphonefabrikant HTC, die op het punt stond een zware tegenslag te krijgen? Of Facebooks onverstandige gok op html5 in 2012, die de mobiele app frustrerend vertraagde? En wat te denken van Facebooks eerste, alleen in het Engels verkrijgbare versie van Search, die vooral geschikt was om de alleenstaande vrouwelijke vrienden van je vrienden uit te checken en later weer van de markt is gehaald? Of van de standalone app Paper, een schaamteloze imitatie van Flipboard? Sommige niet-gelanceerde producten die ik niet mag noemen waren zeer kostbaar, maar stierven een interne dood nadat Zuck zich had bedacht en ze stopzette.

    Als hij een productgenie is, is er een enorme hoeveelheid serendipiteit die tegen zijn goddelijke waanzin indruist.

    Droom over een nieuwe menselijke ervaring

    Mijn stelling is dat hij een genie is van de oude stempel, een meeslepende natuurkracht, bezeten door een beschermende geest van een welhaast buitenaardse macht die hem stimuleert en gidst, en de mensen om hem heen aansteekt en zijn gevolg ertoe aanzet ook groot te zijn. De Jefferson, de Napoleon, de Alexander… de Jim Jones, de L. Ron Hubbard, de Joseph Smith. De hoeder van een messianistische visie die weliswaar grillig is en weinig details beschrijft, maar een overweldigend totaalbeeld presenteert voor een nieuwe wereld. Heb geschifte visioenen en ze sluiten je op. Overtuig een menigte van je visie en je bent een leider. Door zijn visie op zijn discipelen over te dragen, werd hij de stichter van een nieuwe godsdienst. Alle vroege medewerkers van Facebook hebben een verhaal over het moment waarop ze het licht zagen en begrepen dat Facebook niet zomaar een suf sociaal medium als MySpace was, maar een droom over een nieuwe menselijke ervaring. Met de ijver van recente bekeerlingen trokken deze verse rekruten andere betrokken, slimme, gedurfde programmeurs en ontwikkelaars aan die op hun beurt ook werden verleid door de echo’s van de zuckiaanse visie.

    En dan was er nog de cultuur die hij schiep.

    Veel coole bedrijven in de Valley hebben een cultuur die techniek vooropstelt, maar Facebook tilde die gedachte naar een nieuw niveau. De techneuten maakten er de dienst uit, en zolang je maar code afleverde en niet (te vaak) dingen brak, zat je gebeiteld. Het concept van subversief hacken bepaalde alles. In de eerste fase creëerde Chris Putnam, een middelbaar scholier uit Georgia, een virus dat je Facebookprofiel deed lijken op MySpace, destijds een veelbelovend sociaal medium in opkomst.

    Dustin Moskovitz, de medeoprichter van Facebook, besloot niet de FBI op Putnam af te sturen, maar hem uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek en hem een baan aan te bieden. Hij werd een van de beroemdste en temperamentvolste programmeurs van Facebook. Het was een unieke piratenhouding: als je dingen voor elkaar kon krijgen, en nog snel ook, was niemand geïnteresseerd in je geloofsbrieven en je ideeën over moraal en wet. Het ethos van de hacker ging boven alles. Dat was de cultuur die ervoor zorgde dat jochies van drieëntwintig met een jaarsalaris van een half miljoen dollar werkdagen van veertien uur maakten op de bedrijfscampus terwijl ze in een stad woonden waar alle vormen van vermaak voor poen te koop waren. Ze aten drie maaltijden per dag op het werk en soms sliepen ze er. Ze deden niets anders dan code schrijven, code beoordelen en in interne Facebookgroepen commentaar geven op nieuwe features. Op de dag van de beursgang, Facebooks triomftocht, zat de werkvloer van Ads op vrijdagochtend acht uur vol met noest werkende programmeurs. Ze waren allemaal serieus veel geld waard – zelfs fuck-you-geld, in sommige gevallen – en zaten code te schrijven op de dag dat hun papieren in keiharde cash werden omgezet.

    Het hoofdkantoor van Facebook. – © Alamy
    Het hoofdkantoor van Facebook. – © Alamy

    Je startdatum bij Facebook werd door het bedrijf gevierd zoals gelovigen de dag herdenken waarop ze werden gedoopt en Jezus vonden, of zoals nieuwe Amerikaanse staatsburgers de dag herdenken waarop ze de eed aflegden. Deze gebeurtenis heette (echt waar) je Faceversary, en iedere collega haastte zich op die dag om je op Facebook te feliciteren, zoals normale mensen met elkaar deden op hun verjaardag. Vaak liet het bedrijf of lieten je collega’s een opzichtig verrassingsboeket aanrukken voor op je bureau, met een grote luchtballon in de vorm van bijvoorbeeld een twee. Als iemand bij Facebook vertrok (meestal in de tijd van ballonnen in de vorm van een vier of vijf), deed men alsof je stierf. Je verruilde immers het huidige bestaansniveau voor een ander; niemand hield rekening met de mogelijkheid dat het volgende niveau beter was. De grafsteen van je Facebookdood was een op Facebook geposte foto van je verweerde naamplaatje. Het was gebruikelijk om er een huilerig zelfmoordbriefje of een zelfgeschreven epitaaf bij te zetten. Op zo’n post kreeg je binnen enkele minuten honderden likes en reacties.

    Ook voor degene die vertrok leek het op sterven. Als je Facebook verliet, verliet je ook het alleen voor medewerkers bestemde netwerk. Dat betekende dat je geen posts uit interne groepen (met geheime bedrijfsinformatie) meer kreeg, dat je posts minder werden gezien door andere Facebookmedewerkers (die er uiteraard 24/7 op zaten) en dat je feed, het enige kanaal waarlangs je de wereld tot je nam, leger en leger werd. Je werd vrijwel onmiddellijk toegevoegd aan een aantal geheime groepen van voormalige Facebookers, het vagevuur waar ex-werknemers over het bedrijf discussieerden.

    Denk hier even een momentje over na: de militante programmeurscultuur, de manier waarop iemand zijn identiteit volledig aan zijn werk ontleende, de apostolische toewijding aan een groter geheel. Cynici lezen uitlatingen van Zuckerberg of andere topmensen uit het bedrijf over ‘een open, meer verbonden wereld’ en denken: ‘Gatver, wat een kleffe shit.’ Critici vernemen over een aanpassing aan een product of een partnerschap en denken dat Facebook gewoon nog meer geld wil verdienen.

    Dat zien ze verkeerd.

    Facebook zit vol met ware gelovigen die het echt niet voor het geld doen en echt, echt echt niet zullen stoppen tot iedere man, vrouw en kind op aarde in een scherm met een blauwe omlijsting en het Facebooklogo staart. En dat is, als je er even over nadenkt, angstaanjagender dan simpele hebzucht. Een hebzuchtig mens heeft altijd een prijs; hij is te koop en zijn gedrag is voorspelbaar. Maar een echte zendeling? Die is voor geen goud te koop, en je weet nooit wat hij en zijn volgelingen op grond van hun waanzinnige visioenen zullen doen.

    Maar dat is dus waar we het over hebben in het geval van Mark Elliot Zuckerberg en het bedrijf dat hij creëerde.

    Zuckerbergs speech veranderde van een vaderlijke lezing in oorlogszuchtige aansporing. Iedereen die de zaal verliet, zou destijds bereid zijn geweest Polen binnen te vallen

    In juni 2011 lanceerde Google de overduidelijke Facebookkopie Google Plus. Het was op een irritante manier vervlochten in andere Googleproducten als Gmail en YouTube en had de bedoeling om alle gebruikers van de diensten van Google één online identiteit te verschaffen, wat Facebook in feite doet voor internet als geheel.

    Aangezien gebruikers de intekenknop voor Google Plus op alle Googleproducten aantroffen, was er een heel aardige kans dat het netwerk exponentieel zou groeien. Het product zelf was bovendien behoorlijk goed, in sommige opzichten beter dan Facebook. Foto’s konden beter worden gedeeld; serieuze fotografen konden er beter uit de voeten. Een groot deel van het ontwerp was overzichtelijker, minimalistischer. En Google Plus had een extra voordeel: er waren geen advertenties, want Google kon de dienst subsidiëren met zijn goudmijntje AdWords. De ene hand wast de andere; het is de klassieke tactiek van de meedogenloze monopolist, zoals toen Microsoft in de jaren negentig de inkomsten van Windows aanwendde om Netscape Navigator met Explorer de kop in te drukken. Dankzij zijn onaantastbare positie op de zoekmachinemarkt kon Google een overname van de sociale media financieren.

    De plotselinge stap was enigszins verrassend. Jarenlang had Google zich in het openbaar laatdunkend over Facebook uitgelaten; het bedrijf voelde zich onaantastbaar op grond van het monopolie van zijn zoekmachine. Maar toen er maar geen einde leek te komen aan de exodus van duur talent van Google naar Facebook, werd Google nerveus. Bedrijven zijn als landen: mensen maken gebruik van hun democratische rechten door er te komen wonen of weer te vertrekken. Google ging ertoe over iedere begerenswaardige Googler die een aanbod van Facebook kreeg onmiddellijk een hoger en beter tegenbod te doen. Het gevolg was uiteraard dat talloze Googlers bij Facebook op sollicitatiegesprek gingen om het daaruit voortvloeiende aanbod te gebruiken als hefboom om hun salaris bij Google op te krikken. Maar veel mensen gingen echt weg. De Googlers bij Facebook waren een beetje zoals de Grieken ten tijde van de opkomst van het Romeinse Rijk: ze brachten veel beschaving en (tech)cultuur mee, maar het was volstrekt duidelijk wie het in de nabije toekomst voor het zeggen zouden hebben.

    Google Plus maakte duidelijk dat Google eindelijk nota had genomen van Facebook, van plan was het bedrijf frontaal te lijf te gaan en zich niet meer te beperken tot chicanes bij de personeelswerving en kattig snauwen tijdens conferenties. Bij Facebook sloeg de lancering in als een bom. Zuck zag het als een existentiële dreiging, vergelijkbaar met de plaatsing van kernraketten op Cuba door de Sovjet-Unie in 1961. Hij was zwaar aangeslagen; dit was niets meer of minder dan een vijandelijke poging om onze hemisfeer binnen te vallen. Hij kondigde ‘Lockdown’ aan; dat was daarvoor en is ook later tijdens mijn tijd bij Facebook nooit gebeurd. Lockdown, zo werd geduldig aan de recent gearriveerde medewerkers uitgelegd, betekende dat we in staat van oorlog verkeerden. De term dateerde uit de eerste dagen van Facebook, toen niemand het gebouw mocht verlaten als het bedrijf zakelijk of technologisch onder vuur lag.

    Je vraagt je misschien af hoe Lockdown officieel werd afgekondigd? We kregen op de dag van de lancering van Google Plus om kwart voor twee ’s middags per e-mail de instructie dat we ons moesten verzamelen in het Aquarium. Beter gezegd: bij het Lockdownbord, een neonbord dat hoog in het Aquarium was bevestigd, zoals het bordje ‘Geen kamers vrij’ bij een motel langs de snelweg.

    Zuckerberg was doorgaans geen goede openbare spreker. Hij sprak met de snelheid van iemand die taal doorgaans alleen op inhoud analyseert, een man met een lenig brein dat geen tijd heeft voor retorica. Hij sprak in feite geektaal, de Engelse taal uitgesproken door mensen die vier schermen vol computercode tegelijk open hadden staan. Hoewel hij afstandelijk overkwam en nooit echt contact legde met zijn publiek, had hij altijd een intense, bijna psychopathische blik in zijn ogen. Het was een blik die zijn gesprekspartners vaak danig verontrustte; ondergeschikten bijvoorbeeld die een negatieve productbeoordeling moesten ondergaan. Je zag die blik elke keer als hij op de cover van Fortune of Time verscheen. Het was verleidelijk om te denken dat iemand die zo keek een engerd moest zijn. Die onfortuinlijke eerste indruk en de onjuiste manier waarop hij werd neergezet in The Social Network waren vermoedelijk verantwoordelijk voor de helft van de argwaan en paranoia met betrekking tot de motieven van Facebook. Maar zo nu en dan had Zuck charismatische momenten van lucide grootsheid, en die waren adembenemend.

    Carthago moet worden vernietigd!

    De Lockdownspeech van 2011 beloofde niet een van die momenten te worden. Hij sprak ons volledig geïmproviseerd toe vanaf de open ruimte naast de rij bureaus waar het hoogste management had plaatsgenomen. Alle programmeurs, ontwerpers en productmanagers hadden zich om hem heen verzameld en hingen aan zijn lippen. Het was alsof een generaal zijn troepen te velde toesprak.

    De strijd om gebruikers, vertelde hij, was nu man tegen man, een nulsomspel. Google had een concurrerend product gelanceerd: wat de ene partij won, zou de andere verliezen. Aan ons de taak om beter dan ooit te presteren terwijl de wereld testte wat beter was: Facebook of de Googleversie van Facebook. Hij gaf vage hints over productaanpassingen die we zouden overwegen nu we ons geconfronteerd zagen met deze nieuwe concurrent. Maar waar het echt om ging was dat we de lat hoger moesten leggen als het ging om betrouwbaarheid, gebruikerservaring en de performance van de site.

    In een bedrijf waar de cultuur altijd was bepaald door mantra’s als GEDAAN IS BETER DAN PERFECT en PERFECTIE IS DE VIJAND VAN HET GOEDE vertegenwoordigden deze instructies een koerscorrectie, een verschuiving naar een nadruk op kwaliteit die het vaak moest afleggen tegen de noodzaak om te lanceren. Het was zo’n irritante ouderlijke opmerking dat je je kamer schoon moest houden van het soort dat Zuck weleens liet uitgaan als Facebook te maken had gehad met een gênante bug of een storing.

    Na een serie keurig aan elkaar geregen platitudes schakelde hij een tandje hoger en kwam hij met een retorische explosie die verwees naar een van de klassieken die hij aan Harvard en al eerder had bestudeerd. ‘Een van mijn favoriete Romeinse oratoren sloot al zijn toespraken af met het zinnetje Carthago delenda est. Carthago moet worden vernietigd. Daar moet ik nu om de een of andere reden aan denken.’ Hij zweeg en de menigte barstte in lachen uit.

    De bedoelde orator was uiteraard Cato de Oude, een vooraanstaande Romeinse senator, een man die zich altijd tegen de Carthagers uitsprak en aandrong op de verwoesting van de grootste uitdager van Rome in wat uiteindelijk de Derde Punische Oorlog zou worden. Het verhaal gaat dat hij elke toespraak die hij hield met dat zinnetje afsloot, ongeacht het onderwerp.

    Carthago delenda est, Carthago moet worden vernietigd!

    Zuckerbergs speech veranderde van een vaderlijke lezing in oorlogszuchtige aansporing. Elke keer wanneer hij de dreiging noemde die Google vormde, nam het drama toe. Aan het einde van zijn toespraak werd er luid gejuicht en geklapt. Iedereen die de zaal verliet, zou destijds bereid zijn geweest Polen binnen te vallen. We hadden een stimulerend optreden bijgewoond. Carthago moet worden vernietigd!


    Bij Facebook binnen. – © Getty
    Bij Facebook binnen. – © Getty

    Het Facebook Analog Research Laboratory kwam in actie en produceerde een poster met de tekst CARTHAGO DELENDA EST in koeienletters boven een Romeinse centuriohelm. Deze geïmproviseerde drukkerij maakte posters en pamfletten die veelal semiheimelijk ’s nachts en in weekends werden gedistribueerd op een manier die doet denken aan de samizdat uit de Sovjet-Unie. Het artwork was altijd schitterend en combineerde elementen van de typografie van propagandaposters uit de Tweede Wereldoorlog en hedendaags internetontwerp, compleet met faux vintagelogo’s. Dit was Facebooks ministerie van Propaganda. Het was oorspronkelijk zonder officiële toestemming en zonder budget in een ongebruikte magazijnruimte opgezet. Het was in allerlei opzichten een schitterende illustratie van de waarden van Facebook: oneerbiedig, maar dankzij de oorlogszuchtige toon zeer inspirerend.

    De Carthagoposters verschenen onmiddellijk overal op de campus en werden bijna net zo snel gestolen. We kregen te horen dat de cafés het hele weekend open zouden blijven. Men overwoog zelfs serieus om de pendelbussen tussen Palo Alto en San Francisco ook in het weekend te laten rijden. Dat zou Facebook een bedrijf maken dat zeven dagen per week open was; het personeel moest alles op alles zetten om voortdurend aan het werk te zijn. Als sympathiek gebaar tegenover de luttele medewerkers die een gezin hadden, werd aangekondigd dat die gezinnen in het weekend op bezoek mochten komen en dat ze in de cafés mochten eten, zodat kinderen hun papa’s (ja, het waren bijna allemaal papa’s) in elk geval in het weekend nog even ’s middags konden zien. Mijn vriendin en eenjarige dochtertje kwamen langs en we waren lang niet het enige gezin. Overal zaten overwerkte Facebookmedewerkers in hoody’s met het bedrijfslogo een uurtje quality time met hun vrouw en twee kinderen te hebben voor ze weer terugkeerden naar hun bureau.

    Interne Facebookgroepen schoten als paddenstoelen uit de grond om elk element van Google Plus grondig te analyseren. Op de dag dat Plus werd gelanceerd, zag ik dat Paul Adams, een productmanager van Ads, in een kleine vergaderzaal druk in gesprek was met Zuckerberg en een aantal leden van zijn team. Iedereen wist dat Paul voor zijn desertie naar Facebook als productmanager bij Google Plus betrokken was geweest. Nu het product er was, was hij niet meer gehouden aan de geheimhoudingsverklaring die hij bij Google had getekend. De leiders van Facebook hadden hem gevraagd ze de publieke aspecten van het product te tonen.

    Facebook nam geen halve maatregelen en trok met alle mogelijke middelen ten strijde.

    Ik besloot tot een verkenningstocht. Toen ik op een zondagochtend naar de campus reed, liet ik de afslag naar Palo Alto links liggen en reed door naar Mountain View, naar de campus van Google. Overal zag ik het veelkleurige logo van Google, en in het hofje stonden die onhandige Googlefietsen. Ik had hier weleens vrienden opgezocht en wist waar ik de techneutengebouwen moest vinden. Ik liep erheen en liep naar het parkeerterrein.

    Dat was leeg. Helemaal leeg.

    Interessant.

    Ik nam weer de 101 en reed naar het noorden, naar Facebook.

    Ik moest bij het gebouw op California Avenue naar een parkeerplekje speuren. Het hele parkeerterrein stond vol.

    Het was duidelijk welk bedrijf deze strijd serieus nam.

    Carthago moet worden vernietigd!

    Vernederende nederlaag

    Zuck was niet bereid om, zoals Rome met Carthago deed, alles af te branden, de vrouwen en kinderen van Googlemedewerkers als slaven te gebruiken en de grond rond het hoofdkwartier met zout te bestrooien zodat er generaties lang niets zou groeien; niettemin werd Google op een zeldzaam vernederende manier verslagen.

    Dit was niet vanaf het begin duidelijk.

    De eerste geluiden rond Google Plus waren bijzonder onrustbarend geweest, want het werd ons duidelijk dat hun poging om zich aan sociale media te wijden meer was dan een halfzachte inspanning om een brutale nieuwkomer van de markt te smijten. Via de pers en dankzij medewerkers van Google hadden we ontdekt dat alle interne productteams van Google opnieuw werden georiënteerd ten faveure van Google Plus. Zelfs Search, destijds en nu nog de populairste bestemming op het net, werd bij de strijd betrokken en zou naar we vernamen van sociale features worden voorzien. Zoekresultaten zouden verschillen, gebaseerd op de connecties die je had via Google Plus, en alles wat je deelde – foto’s, posts, zelfs chats met je vrienden – zou worden gebruikt als onderdeel van het machtige, mysterieuze algoritme van Google.

    Dit was schokkend nieuws, zeker ook voor Googlers. Search was het gewijde product van Google, het heiligste heiligdom, het onlineorakel van alle menselijke kennis, de plaatsvervanger op aarde van bibliotheken en encyclopedieën.

    We hoorden uit allerlei bronnen (de informatiebeveiliging was bij Google duidelijk minder goed dan bij Facebook) dat de kwestie intern voor veel ophef zorgde. In januari 2012 had Larry Page, de oprichter van Google, zich tijdens een Q & A krachtig over de nieuwe koers uitgesproken om de interne tweespalt een halt toe te roepen en zijn mensen een ultimatum te stellen. ‘Dit is het pad dat we hebben gekozen: een enkel, geünificeerd, prachtig product over de hele linie. Wie dat niet snapt, kan waarschijnlijk beter ergens anders gaan werken.’

    Nu de bedoelingen duidelijk waren, werden de producten van Google beoordeeld op één unieke metric: wat droegen ze bij aan de sociale visie van Google? Het antwoord op die vraag bepaalde of ze werden voortgezet of afgedankt.

    Facebook had vier jaar nodig gehad om de mijlpaal van 100 miljoen gebruikers te bereiken die Google in één jaar had bereikt

    Als onderdeel van een ontluikende, via de media gevoerde verleidingscampagne voor het nieuwe product publiceerde Google imposante gebruikersaantallen. In september 2012 kondigde Google aan dat de dienst 400 miljoen geregistreerde en 100 miljoen actieve gebruikers had. Facebook zat toen nog niet op een miljard gebruikers en had vier jaar nodig gehad om de mijlpaal van 100 miljoen gebruikers te bereiken die Google in één jaar had bereikt. Dat leidde bij Facebook tot iets wat verdacht veel op paniek leek, maar de werkelijke situatie was heel anders dan Google deed voorkomen.

    De strijd had de zoekgigant dusdanig aangegrepen dat men daar, bedwelmd als men was door de merkwaardige existentiële angst van de dreiging die Facebook vertegenwoordigde, de gebruikelijke nuchtere objectiviteit met betrekking tot datamonsters uit het oog had verloren en gebruikersaantallen had bedacht om indruk te maken op de buitenwereld en Facebook te intimideren.

    Het was een klassieke aanpak rond een nieuw product, de ‘fake it til you make it’ van de gewetenloze start-up, die ego’s moest masseren en de kans op toekomstig succes moest vergroten door een beeld te schetsen van gefingeerd huidig succes.

    De cijfers werden aanvankelijk serieus genomen; het was niet absurd om te denken dat Google het gebruik snel kon aanjagen. Maar na enige tijd beseften zelfs de meest paranoïde geesten bij Facebook (en de buitenwereld) dat Google de zaken – zoals een accountant van Enron met de inkomsten – mooier voorstelde dan ze waren. Gebruik is altijd een subjectieve zaak, en Google beschouwde iedereen als gebruiker die ooit als onderdeel van zijn Google-ervaring op de Google Plus-knop had gedrukt. Die knoppen waren overal op Google als paddenstoelen uit de grond geschoten. Je kon iemand dus als een gebruiker aanmerken als hij op Google zijn e-mail had gecheckt of een foto had geüpload. In werkelijkheid postten de gebruikers van Google Plus zelden iets en reageerden ze al net zo min op geposte content; ook kwamen ze niet terug. Ze leken in niets op Facebookgebruikers, die voortdurend terugkwamen, als de spreekwoordelijke laboratoriumratten die niet ophouden het knopje in te drukken voor de volgende druppel water met cocaïne.

    Om onze vechtlust (en de interne trollen) nog verder op te stoken was het gezicht van Google Plus een perfect doelwit voor facebookiaanse minachting. Vic Gundotra was hoog geklommen in de hiërarchie van Microsoft voordat hij naar Google overstapte. Het was Gundotra geweest die een litanie van angst in Larry Pages oor had gefluisterd op grond waarvan de CEO het project groen licht had gegeven, en het was ook Gundotra geweest die de voor Google ongebruikelijk gehaaste topdown-inspanning had geleid om het product in de zeer ambitieuze periode van honderd dagen te voltooien.

    De man straalde een weerzinwekkende kruiperigheid uit toen hij in talloze mediainterviews en tijdens door Google gesponsorde evenementen luidruchtig Google Plus promootte. Wat door Facebookers als de grootste belediging werd ervaren, was het feit dat hij in al zijn openbare optredens doelbewust naliet de kolos van de sociale media te noemen, alsof de bestaansreden voor zijn plotseling zo onontkoombare aanwezigheid bij Google niet eens bestond. Als een orwelliaanse copywriter die taal en perceptie manipuleerde om een niet-bestaande, fictieve realiteit te suggereren, sprak Google in openbare uitlatingen nooit over Facebook, de olifant in de kamer.

    ‘Netwerken zijn er om te netwerken,’ verkondigde Gundotra. ‘Cirkels zijn er voor de juiste mensen,’ vervolgde hij. Dat was een verwijzing naar Google Circles, een manier om sociale contacten te organiseren die schaamteloos was gejat van Facebooks lang genegeerde feature Lists.

    Binnen Facebook kreeg Vic de rol van Emmanuel Goldstein uit Orwells 1984 toebedeeld. In interne Facebookgroepen werd hij bespot en beschimpt, vooral als iemand weer eens een van zijn Google vererende ouwehoerverhalen had gepost. Het was voor veel Facebookers wiens identiteit compleet met het bedrijf verweven was geraakt en die Facebook zagen als het verlengstuk van zichzelf (of was het andersom?), meer dan een normale rivaliteit tussen bedrijven geworden; het was een persoonlijk conflict.

    Vic Gundotra van Google, ‘een perfect doelwit voor facebookiaanse minachting’. – © Getty Images
    Vic Gundotra van Google, ‘een perfect doelwit voor facebookiaanse minachting’. – © Getty Images

    In april 2014 was de Punische Oorlog tussen Google en Facebook voorbij. Google hees de witte vlag toen Vic Gundotra, het gezicht van Google Plus, opeens bekendmaakte dat hij het bedrijf ging verlaten. Bij Facebook heerste een sfeer van leedvermaak. Iedereen haalde opgelucht adem: het gevaar was geweken.

    Vics vertrek was een overduidelijke indicatie dat Google zijn pogingen op het gebied van sociale media staakte en toegaf dat het was verslagen door een bedrijf dat het altijd had genegeerd en zelfs ronduit geminacht. Dat was als een generaal die roept dat zijn leger zich niet terugtrekt, maar achterwaarts vooruit marcheert. Niemand bij Facebook liet zich in de luren leggen door de pr-praat die Google gebruikte om reputatieschade te ontlopen. Google Plus was voorbij; Facebook had de loopgravenoorlog gewonnen.

    Auteur: Antonio García Martínez
    Vertaler: Robert Neugarten

    Openingsbeeld: Mark Zuckerberg (m.) op de APEC CEO Summit in Peru in 2016. – © Getty Images

    Dit is een voorpublicatie uit Start-upmania – Geld en gekte in Silicon Valley, dat op 11 april verschijnt bij uitgeverij Q.
    ISBN 9789021404295, € 24,50.

  • Robert Mercer: datamiljardair achter Donald Trump

    Robert Mercer: datamiljardair achter Donald Trump

    Robert Mercer, een computerwetenschapper die banden heeft met Donald Trump, Steve Bannon en Nigel Farage, is de spin in het web van 
een rechts propagandanetwerk. Zo is hij verbonden aan Cambridge Analytica, een bedrijfje dat kiezers gericht bestookt via Facebook. 
‘Het is hersenspoelen. Het is ongekend gevaarlijk.’

    Onlangs ontbood Donald Trump leden van 
de wereldpers, om hen vervolgens voor leugenaars uit te maken. ‘De pers is volkomen dolgedraaid,’ zei hij. ‘De mensen geloven jullie niet langer.’ CNN werd omschreven als ‘nepnieuws… het ene na het andere slechte artikel’. De BBC was ‘al niet veel beter’.

    Die avond heb ik twee dingen gedaan. Eerst heb ik ‘Trump’ ingetikt in het zoekvak van Twitter. Op 
mijn eigen feed viel te lezen dat Trump gestoord was, een gek, dat hij raasde en tierde. Maar niet overal werd het zo geïnterpreteerd. Ik zag een hele reeks berichten met: ‘Go, Donald!!!!’, of met: ‘Zeg ze maar eens flink de waarheid!!!!’ Ik zag emoji’s van de 
Amerikaanse vlag of opgestoken duimen, ik zag video’s waarin Trump van leer trekt tegen ‘de 
liegende mainstreammedia met hun NEPnieuws!’

    Trump had gesproken en zijn publiek had de 
boodschap opgepikt. Vervolgens deed ik wat ik nu 
al tweeënhalve maand doe: ik googelde ‘de mainstreammedia zijn…’ En daar kwam het. Google vulde automatisch aan: ‘de mainstreammedia zijn… dood, op sterven na dood, nepnieuws, nep, afgeschreven.’ Zijn de mainstreammedia inderdaad ten dode 
opgeschreven, vroeg ik me af? Is het nepnieuws 
als winnaar uit de strijd gekomen? Zijn wij nu 
nepnieuws? Zijn de mainstreammedia – wij, ik – 
op sterven na dood?

    Hedgefondsmiljardair

    Ik klik op de eerste link die Google geeft. Die leidt 
me naar een website van CNSnews.com, met daarop het volgende artikel: ‘De mainstreammedia zijn afgeschreven.’ Ze zijn afgeschreven, lees ik, omdat ze – wij, ik – ‘niet te vertrouwen zijn’. Hoe is het mogelijk dat een of andere duistere site waarvan ik nog nooit heb gehoord, Googles zoekalgoritme over dit onderwerp domineert? Onder de ‘Over ons’-knop staat te lezen dat CNS News onderdeel uitmaakt van het Media Research Center, en nog een klik later 
lees ik dat dit ‘de mediawaakhond van Amerika’ is, een organisatie die zich laat voorstaan op ‘zijn niet-aflatende inzet om een tegenwicht te bieden aan 
de linkse vooringenomenheid in nieuws, media en populaire cultuur’.

    Nog een paar klikken later kom ik tot de ontdekking dat de financiering van de site – en dan gaat het om meer dan 10 miljoen dollar in de afgelopen tien jaar – goeddeels afkomstig is van één enkele bron, 
en wel de hedgefondsmiljardair Robert Mercer. 
Voor wie de Amerikaanse politiek volgt zal dit geen onbekende zijn. Robert Mercer is het grote geld 
achter Donald Trump. Maar vervolgens zal ik tot de ontdekking komen dat Robert Mercer het grote geld is achter nog veel meer. Hij was Trumps belangrijkste geldschieter. Mercer steunde aanvankelijk Ted Cruz, maar toen Cruz zich terugtrok uit de race om het Witte Huis heeft Mercer zijn geld – 13,5 miljoen dollar – in de Trump-campagne gestoken.

    Het is geld dat hij heeft verdiend tijdens zijn carrière als briljante maar eenzelvige computerwetenschapper. Hij begon zijn loopbaan bij IBM, waar hij verantwoordelijk was voor ‘revolutionaire’ doorbraken op het gebied van programmeertalen – een vakgebied dat van essentieel belang is gebleken voor de ontwikkeling van de kunstmatige intelligentie zoals wij 
die nu kennen. Later werd hij een van de CEO’s van Renaissance Technologies, een hedgefonds dat zijn geld verdient met het opstellen van algoritmen voor de handel op de financiële markten. Een van zijn fondsen, Medallion, dat alleen het geld van de eigen werknemers beheert, behoort tot de meest succesvolle ter wereld – tot nog toe heeft het 55 miljard dollar gegenereerd. Sinds 2010 heeft Mercer 45 
miljoen dollar gedoneerd aan verschillende politieke campagnes – uitsluitend van Republikeinen – en 
nog eens 50 miljoen aan non-profitorganisaties – allemaal rechts en ultraconservatief. We hebben het hier over een miljardair die, zoals miljardairs gewoon zijn, probeert de wereld te vormen naar zijn eigen inzichten.

    Robert Mercer spreekt zelden in het openbaar en hij spreekt al helemaal nooit met journalisten, dus om een beeld te krijgen van zijn opvattingen moet je kijken waaraan hij zijn geld spendeert: een aantal jachten, allemaal Sea Owl geheten, een modeltreinemplacement van 2,9 miljoen dollar en initiatieven die de klimaatverandering 
ontkennen (hij financiert een denktank die zich daarmee bezighoudt, het zogeheten Heartland Institute). Tot slot steekt hij geld in wat misschien wel het 
ultieme speeltje is van de man die zwemt in het geld: het onderuithalen van de mainstreammedia. Hierin wordt hij bijgestaan door zijn bondgenoot Steve 
Bannon, Trumps campagnemanager en inmiddels chef-strateeg. Het geld dat Mercer schenkt aan het Media Research Center, dat een tegenwicht zou willen bieden aan ‘linkse vooringenomenheid’, is slechts 
een voorbeeld van zijn inmenging in de media. Er 
zijn bredere strategieën, die tevens doelgerichter 
zijn. De stralende ster die hoog aan het Mercer-
mediafirmament prijkt, is Breitbart.

    Vlnr. Rebekah Mercer, Robert Mercer en Diana Mercer tijdens het World Science Festival Gala in New York in 2014. – © Getty Images
    Vlnr. Rebekah Mercer, Robert Mercer en Diana Mercer tijdens het World Science Festival Gala in New York in 2014. – © Getty Images

    Dankzij 10 miljoen dollar van Mercer was Bannon destijds in staat Breitbart in het leven te roepen – 
een rechtse nieuwssite, die is opgezet vanuit de nadrukkelijke wens een rechtse Huffington Post het licht te doen zien. De site biedt regelmatig een 
podium aan mensen met een antisemitische of 
islamofobe visie. Na een campagne van activisten wordt Breitbart inmiddels geboycot door zo’n duizend verschillende merken.

    De vooraanstaande rechtse journalist Andrew Breitbart, die de site heeft opgezet maar in 2012 is overleden, zei destijds tegen Bannon dat ze ‘de maatschappij moesten terugveroveren’. Je zou kunnen zeggen dat Breitbart daarin is geslaagd, al lijkt de Amerikaanse maatschappij slechts het begin. In 2014 ging Breitbart London online, heel bewust vóór de 
Britse verkiezingen, liet Bannon The New York Times weten. Hij noemde Breitbart London het nieuwste front ‘in onze huidige culturele en politieke strijd’. Hierna zullen Frankrijk en Duitsland volgen.

    Cambridge Analytica

    Maar de naam Robert Mercer deed bij 
mij ook nog een ander belletje rinkelen. Mercer is verbonden aan Cambridge 
Analytica, een klein bedrijfje dat data analyseert. Naar verluidt heeft hij 10 miljoen dollar gestoken in het bedrijf, dat een dochteronderneming is van een groter Brits bedrijf, de SCL Group. Het bedrijf is gespecialiseerd in ‘verkiezingsmanagementstrategieën’ en ‘communicatie- en informatieprocessen’. In de afgelopen 25 jaar heeft het bedrijf in landen 
als Afghanistan en Pakistan de werkwijze verfijnd. In militaire kringen staan dit soort activiteiten bekend als psyops – psychologische operaties. (Massapropaganda die effect sorteert door in te spelen op de 
emoties van de mensen.)

    Cambridge Analytica werkte voor de Trump-
campagne en ook, las ik, voor de Leave-campagne 
in Groot-Brittannië. Toen Mercer zich achter Cruz schaarde, ging Cambridge Analytica met hem in zee. Toen Robert Mercer zich achter Trump schaarde, ging Cambridge Analytica mee. En waar Mercers geld opduikt, is Steve Bannon meestal niet ver weg: hij schijnt tot voor kort in de raad van bestuur te hebben gezeten.

    Afgelopen december schreef ik over Cambridge 
Analytica in een artikel over de zoekresultaten die Google geeft, en die bij sommige onderwerpen 
worden aangevoerd door rechtse en extremistische sites. Jonathan Albright, hoogleraar Communicatie aan Elon University in North Carolina, de man die het nieuwsecosysteem in kaart heeft gebracht, was op miljoenen verbindingen gestuit tussen verschillende rechtse sites die de mainstreammedia ‘aanvallen’. Hij vertelde me dat trackers van sites als Breitbart ook kunnen worden ingezet door bedrijven als 
Cambridge Analytica, om mensen te volgen op hun omzwervingen op internet en om hen vervolgens, 
via Facebook, te bestoken met advertenties.

    Tot mijn verbijstering las ik op de website van 
Cambridge Analytica dat het bedrijf er prat op gaat over de psychologische profielen te beschikken van 220 miljoen Amerikaanse kiezers, gebaseerd op 
vijfduizend separate gegevens – hun unique selling point is dat ze deze gegevens kunnen gebruiken om de diepste drijfveren van mensen te achterhalen en hen vervolgens gericht te bestoken. Dit systeem komt feitelijk neer op een ‘propagandamachine’, aldus Albright.

    Een paar weken later werd er een brief bezorgd 
bij The Observer. Cambridge Analytica is nooit ingeschakeld door de Leave-campagne, staat er te lezen. Cambridge Analytica ‘is een in de VS opgericht bedrijf dat is gevestigd in de VS. Het heeft zich niet actief beziggehouden met de Britse politiek.’


    Zo kwam het dat ik afgelopen week ineens in een koffietentje in de buurt van Westminster zat, met Andy Wigmore, de innemende man die hoofd 
Communicatie is van Leave.EU. We kijken naar 
snapshots van Trump op zijn telefoon. Wigmore is degene die het bezoek van Nigel Farage aan de Trump Tower heeft geregeld – de pr-stunt waardoor Farage als eerste buitenlandse politicus de aanstaande president de hand mocht schudden.

    Wigmore scrolt door de foto’s op zijn telefoon. ‘Deze heb ik gemaakt,’ zegt hij, en hij wijst op de inmiddels wereldberoemde foto van Farage en Trump voor de gouden liftdeuren, beiden met een opgestoken duim.

    Cambridge Analytica heeft voor hen gewerkt, zegt hij. Het bedrijf heeft hun geleerd hoe ze profielen moeten aanmaken, hoe ze mensen gericht kunnen benaderen en hoe ze allerlei data kunnen genereren op grond van Facebookprofielen.

    Facebook was de sleutel tot de hele campagne, vertelt Wigmore. Een like op Facebook, legt hij uit, was hun ‘krachtigste wapen’. ‘Want door gebruik te maken van kunstmatige intelligentie, zoals wij dat hebben gedaan, kom je van alles en nog wat aan de weet over mensen, en kom je erachter met wat voor advertentie je iemand over de streep kunt trekken. En je weet dat er ook andere mensen in hun netwerk zitten die wat zij leuk vinden ook weer leuk vinden, en zo kun je het verbreden. Je volgt al die mensen. De computer gaat continu door met leren en met volgen.’

    Klinkt griezelig, zeg ik. “Dat is het ook! Het is doodgriezelig! Daarom zit 
ik ook niet op Facebook!”

    Klinkt griezelig, zeg ik.

    ‘Dat is het ook! Het is doodgriezelig! Daarom zit 
ik ook niet op Facebook! Ik heb het op mezelf uitgeprobeerd om te kijken wat het systeem allemaal over me wist, en ik had echt zoiets van: “O, mijn God!” 
Het enge is dat mijn kinderen dingen op Instagram hadden gezet en dat dat ook was opgepikt. Het systeem wist waar mijn kinderen op school zitten.’

    Ze hebben Cambridge Analytica nooit ‘ingehuurd,’ zegt hij. Er is geen geld over tafel gegaan. ‘Ze wilden ons met alle plezier helpen.’

    Waarom?

    ‘Omdat Nigel een goede vriend is van de Mercers. En Robert Mercer heeft ze aan ons voorgesteld. Hij zei: “We denken dat jullie wel iets aan hun diensten 
kunnen hebben.” Er waren grote overeenkomsten tussen wat zij probeerden te doen in de Verenigde Staten en wat wij hier probeerden te doen. Samen beschikten we over ongekende hoeveelheden informatie. Dus waarom zouden we onze krachten niet bundelen?’ De mensen achter de Trump-campagne en de mensen van Cambridge Analytica waren ‘dezelfde mensen’, zegt hij. ‘Eén grote familie.’

    De afgelopen maand hebben eerst Zwitserse en 
vervolgens Amerikaanse media zich afgevraagd wat Cambridge Analytica precies met al die gegevens van Amerikaanse kiezers doet. Het bedrijf ging niet in op de vraag hoe het psychometrische model tot stand komt, geënt op onderzoek van het Psychometric 
Centre van de Universiteit van Cambridge, dat weer was gebaseerd op een persoonlijkheidstest op Facebook die viraal is gegaan. Uiteindelijk hebben meer dan zes miljoen mensen de vragenlijst ingevuld, 
wat een ontstellende schat aan data opleverde. Die Facebookprofielen – met name de ‘likes’ – kunnen worden gelinkt aan miljoenen andere, wat tot 
griezelig precieze resultaten leidt. Michal Kosinski, die aan het hoofd staat van het wetenschappelijk team van het Psychometric Centre, constateerde dat het centrum met de kennis van honderdvijftig likes meer over iemands persoonlijkheid kon zeggen dan zijn of haar partner. Met driehonderd likes begreep het centrum jou beter dan jij jezelf begrijpt. ‘Computers hebben een duidelijker omlijnd beeld 
van ons dan wijzelf,’ zegt Kosinski.

    Maar wat je met deze data kunt doen, is aan strikte ethische regelgeving gebonden. Had de SCL Group toegang tot het model of tot de data van de universiteit, vraag ik professor Jonathan Rust, de directeur van het centrum. ‘Als ze dat al hadden, dan was het niet via ons,’ zegt hij. ‘Wij hanteren daar heel strenge regels voor.’

    De beroemde foto van Donald Trump en Nigel Farage voor de gouden liftdeuren: Farages bezoek aan de Tower was een pr-stunt waardoor Farage als eerste buitenlandse politicus de aanstaande president de hand mocht schudden. – © Twitter Andy Wigmore
    De beroemde foto van Donald Trump en Nigel Farage voor de gouden liftdeuren: Farages bezoek aan de Tower was een pr-stunt waardoor Farage als eerste buitenlandse politicus de aanstaande president de hand mocht schudden. – © Twitter Andy Wigmore

    Aleksandr Kogan, een wetenschapper 
die ook aan het centrum is verbonden, is gevraagd een model te ontwikkelen voor SCL, en hij zegt dat hij zijn eigen data heeft vergaard. Professor Rust zegt niet te weten waar Kogan zijn data vandaan heeft. Maar Rust begrijpt als geen ander hoe het soort informatie dat mensen uit eigen vrije wil prijsgeven op social media kan worden gebruikt. ‘Het is duidelijk wat het gevaar is van 
het ontbreken van regelgeving omtrent het soort informatie dat je van Facebook en dergelijke kunt halen. Met deze gegevens kan een computer 
psychologisch inzicht verkrijgen, menselijk gedrag voorspellen en dat mogelijk sturen. Het is wat de Scientology Church probeert te doen, maar dan 
veel krachtiger. Het is de manier om mensen te 
hersenspoelen. Het is ongekend gevaarlijk.’

    ‘Het is niet overdreven om te zeggen dat je iemands gedachten kunt veranderen,’ vervolgt Rust. ‘Gedrag kan worden voorspeld en gestuurd. Ik vind het 
allemaal doodeng, echt. Maar niemand heeft echt goed nagedacht over de mogelijke consequenties. Mensen realiseren zich niet dat het ook voor hen geldt. Zonder dat ze het zich bewust zijn, wordt 
hun kijk op de dingen beïnvloed.’

    Dat Mercer heeft geïnvesteerd in Cambridge 
Analytica is volgens The Washington Post ‘deels 
vanuit een overtuiging dat rechts over onvoldoende moderne technologische middelen beschikte’. Maar wat het moederbedrijf van Cambridge Analytica doet, roept in zekere zin nog veel meer vragen op.

    Emma Briant, propagandaspecialist aan de Universiteit van Sheffield, schreef over de SCL Group in haar in 2015 verschenen boek Propaganda and Counter-Terrorism: Strategies for Global Change. Cambridge Analytica beschikt over de technologische middelen om 
veranderingen te bewerkstelligen in zowel denken als gedrag, zegt ze, maar het is SCL dat de technologie in kwestie ook echt strategisch inzet. SCL heeft zich op het hoogste niveau – denk aan de NAVO, het Britse ministerie van Defensie, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken – gespecialiseerd in het beïnvloeden van het gedrag van grote groepen 
mensen. Het brengt massapopulaties in kaart en verandert vervolgens hun overtuigingen.

    SCL is opgericht door ene Nigel Oakes, die destijds namens Saatchi & Saatchi aan het imago van 
Margaret Thatcher werkte, aldus Briant. Het bedrijf heeft ‘lange tijd goed verdiend aan de propagandakant van de war on terror. SCL heeft verschillende 
takken, maar in alle geledingen gaat het om bereik en om de mogelijkheid het debat te bepalen. Men probeert bepaalde politieke narratieven te versterken. En SCL is zeer selectief in voor wie er wordt gewerkt: dit doet men niet voor links.’

    Vrijwel de gehele Amerikaanse bevolking

    Tijdens de Amerikaanse verkiezingen legde Cambridge Analytica naar eigen zeggen een database aan die vrijwel de gehele Amerikaanse bevolking bestreek – 220 miljoen mensen. The Washington Post schreef onlangs 
dat SCL bezig is extra personeel te werven voor de vestiging in Washington, en dat het bedrijf op weg is een aantal lucratieve contracten met de regering-Trump in de wacht te slepen. ‘Het lijkt veelzeggend dat een bedrijf dat zich richt op het beïnvloeden van de uitkomst van een politiek proces garen spint bij het resultaat daarvan. Al helemaal wanneer het gaat om het manipuleren, en vervolgens consolideren, van angst,’ zegt Briant.

    Het is met name die database, en wat daar vervolgens mee kan gebeuren, die Paul-Olivier Dehaye zorgen baart. Deze Zwitserse wiskundige en 
data-activist doet al ruim een jaar onderzoek naar Cambridge Analytica en SCL. ‘Hoe gaat dit allemaal gebruikt worden?’ zegt hij. ‘Gaat dit gebruikt worden om mensen te manipuleren in de binnenlandse 
politiek? Of om conflicten tussen verschillende gemeenschappen aan te wakkeren? In potentie is 
het allemaal doodeng. Mensen realiseren zich niet hoe machtig deze data zijn, en hoe ze tegen hen gebruikt kunnen worden.’

    In theorie kunnen er twee dingen tegelijkertijd plaatsvinden: het manipuleren van informatie op massale schaal, en het manipuleren van informatie op strikt persoonlijk niveau. Dit alles gebaseerd op 
de nieuwste wetenschappelijke inzichten over hoe mensen in elkaar steken, en mogelijk gemaakt door technologische platforms die zijn bedoeld om ons nader tot elkaar te brengen.

    Leven we in een nieuw propagandatijdperk? vraag 
ik Emma Briant. Propaganda die we niet kunnen zien en die ons in zijn greep heeft op manieren die we niet kunnen bevatten? Waarin we niets anders kunnen, op emotioneel vlak, dan reageren op berichten? ‘Zonder meer. Door de technologie kan men dieper doordringen in ons bestaan, en het vergaren van data en het gebruik ervan gaat geraffineerder in zijn werk dan ooit. Het onttrekt zich volledig aan ons blikveld. Mensen hebben geen idee wat er speelt.’

    Zowel de publieke opinie als de politiek doorlopen cycli. Je hoeft geen aanhanger te zijn van complottheorieën, zegt Briant, om te zien dat er een enorme omwenteling plaatsvindt waar het de publieke 
opinie betreft. Of om te zien dat sommige van de technieken die worden gehanteerd rechtstreeks zijn ontleend aan de werkwijze van het leger of van SCL.

    Steve Bannon, Donald Trumps topstrateeg, bij de Conservative Political Action Conference in National Harbor, Maryland op 24 februari 2017. ‘Waar Mercers geld opduikt, is Bannon meestal niet ver weg.’– © HH
    Steve Bannon, Donald Trumps topstrateeg, bij de Conservative Political Action Conference in National Harbor, Maryland op 24 februari 2017. ‘Waar Mercers geld opduikt, is Bannon meestal niet ver weg.’– © HH

    Er zijn steeds meer bewijzen dat onze openbare podia – de social media, waar 
we onze vakantiekiekjes posten of 
commentaar leveren op het nieuws – een nieuw strijdtoneel vormen waar, in realtime, de internationale geopolitieke strijd wordt uitgevochten. Het is een nieuw tijdperk van propaganda. Maar wiens propaganda? Rusland heeft onlangs laten weten 
een nieuwe legereenheid te hebben opgericht: de ‘informatiestrijdtroepen’.

    Sam Woolley van de afdeling Computational Propaganda van het Oxford Internet Institute weet me te vertellen dat een derde van al het Twitterverkeer voorafgaand aan het Britse EU-referendum afkomstig was van geautomatiseerde ‘bots’ – accounts die zo zijn geprogrammeerd dat ze lijken op mensen, zich gedragen als mensen, de discussie een bepaalde kant op sturen, bepaalde topics trending maken. En die bots waren allemaal voor Leave. Voorafgaand aan de Amerikaanse verkiezingen waren vier op de vijf bots voor Trump – en daarvan waren er vele Russisch.

    Bio-psycho-social profiling, lees ik later, is een van 
de offensieven in wat wel ‘de cognitieve oorlog’ wordt genoemd. Er zijn nog veel meer offensieven, zoals cognitive casualty – een ‘morele shock’ die een ‘ontwrichtend effect zal hebben op de empathie 
en op hogere processen zoals het morele oordeelsvermogen en het vermogen tot kritisch denken.’

    Hoe verander je de manier van denken van een heel land? Je zou kunnen beginnen met het oprichten 
van een belangrijk nieuwskanaal om de bestaande mainstreammedia naar de achtergrond te dringen, zoals de website Breitbart. Je zou andere sites kunnen opzetten om bestaande bronnen van nieuws en informatie in diskrediet te brengen met je eigen definities van concepten als ‘vooringenomen linkse media’ – denk aan cnsnews.com. En je zou de overgebleven mainstreammedia, kranten zoals de ‘falende New York Times!’ kunnen geven wat ze willen: verhalen. Want de derde poot van het media-imperium van Mercer en Bannon is het Government Accountability Institute (GAI).

    Toen Trump later Mercer en Cambridge Analytica erbij haalde, lagen de kaarten weer even anders. 
‘Het draait allemaal om emoties,’ zegt Woolley. ‘Dat is het grote verschil met wat wij deden. Bio-psycho-social profiling wordt dit genoemd. Er wordt gekeken naar allerlei fysieke, mentale en lifestyleaspecten, 
en op grond daarvan wordt duidelijk hoe mensen in elkaar zitten, hoe ze emotioneel reageren.’

    ‘Vandaag de dag 
zul je geen Watergate meer zien, en geen Pentagon Papers, omdat niemand het zich meer kan veroorloven een journalist zeven maanden lang aan een verhaal te laten werken. Wij kunnen dat wel. Wij hebben een ondersteunende taak’

    Bannon is een van de medeoprichters van dit 
instituut, met 2 miljoen dollar van Mercer. Mercers 
dochter, Rebekah, werd benoemd in het bestuur. 
Vervolgens werd er geïnvesteerd in dure, diepgravende onderzoeksjournalistiek. ‘De moderne 
economie van de nieuwsredactie laat geen ruimte meer voor gedegen onderzoeksjournalistiek,’ zei Bannon tegen zakenblad Forbes. ‘Vandaag de dag 
zul je geen Watergate meer zien, en geen Pentagon Papers, omdat niemand het zich meer kan veroorloven een journalist zeven maanden lang aan een verhaal te laten werken. Wij kunnen dat wel. Wij hebben een ondersteunende taak.’

    Zie hier de toekomst van de journalistiek in het tijdperk van het platformkapitalisme. Nieuwsorganisaties zullen beter hun best moeten doen om nieuwe financiële modellen te ontwikkelen. Maar in de gaten die nu vallen hebben een vastberaden 
plutocraat en een briljante mediastrateeg kansen gezien om de journalistiek naar eigen inzicht te 
hervormen – en niet alleen hebben ze die kansen gezien, ze hebben ze ook gegrepen.

    In 2015 legde Steve Bannon aan Forbes uit hoe het 
GAI te werk gaat, met behulp van een datawetenschapper die het dark web afspeurt (in het artikel gaat hij er prat op te beschikken over supercomputers ter waarde van 1,3 miljard dollar) om zo materiaal naar boven te halen waar Google niet bij kan. Dat heeft onder meer een New York Times -bestseller 
opgeleverd: Clinton Cash: The Untold Story of How and 
Why Foreign Governments and Businesses Helped Make Bill and Hillary Rich, geschreven door Peter Schweizer, 
die aan het hoofd staat van het GAI. Van het boek is later een filmbewerking gemaakt, die is geproduceerd door Rebekah Mercer en Steve Bannon.

    Op deze manier, legde Bannon uit, kun je een 
narratief naar keuze ‘inzetten als wapen’. Met harde feiten, die zijn gecheckt. Dan kun je meteen doorstoten naar de voorpagina van The New York Times, zoals ook is gebeurd met het verhaal over het geld van Hillary Clinton. Dat bepaalde het nieuws, net als Hillary’s e-mails. En, misschien nog wel belangrijker, het verlegde de aandacht binnen de nieuwscyclus – ook een klassieke psyops-aanpak, het ‘strategisch smoren’ van andere berichten.
    Het is een strategisch spel, gericht op de lange 
termijn, en zonder meer perfect uitgevoerd. In de jaren negentig, aldus Bannon, waren de rechtse media niet in staat Bill Clinton onderuit te halen, omdat ze ‘uiteindelijk alleen maar tegen zichzelf 
aan het praten waren in een “echokamer”.’

    Waarschijnlijkheidsmodellen

    En dat geldt nu voor de linkse media, zo blijkt. 
We zijn uiteengedreven, op onszelf aangewezen, 
we lopen kriskras door elkaar heen en worden als schietschijven op de korrel genomen. Er ontstaat steeds meer het gevoel dat we tegen onszelf praten. En of het nou komt door de miljoenen van Mercer 
of door andere factoren, Jonathan Albrights kaart 
van het nieuws- en informatieecosysteem maakt duidelijk dat YouTube en Google en aanverwanten worden gedomineerd door rechtse sites – sites die stevig bijeen worden gehouden door miljoenen links.

    Zit daar een overkoepelend brein achter, vraag ik Albright. ‘Dat kan haast niet anders. Er moet een of andere vorm van coördinatie zijn. Kijk maar naar 
de kaart, kijk maar hoe het systeem in elkaar zit, 
dat kan geen toeval zijn. Het wordt duidelijk aangestuurd door geld en politieke belangen.’

    De afgelopen maanden is er in de echokamer heel wat afgepraat over Bannon, maar Mercer is degene die heeft gezorgd voor het geld om bepaalde delen van het medialandschap opnieuw vorm te geven. En Bannon mag dan verstand hebben van de media, Mercer heeft verstand van big data. Hij begrijpt hoe het internet werkt. Hij weet hoe algoritmen werken.

    Nick Patterson, een Engelse codeur die 
in de jaren tachtig voor Renaissance 
Technologies werkte en zich nu aan het MIT bezighoudt met computergenetica, vertelt me dat hij als eerste Mercers talent heeft onderkend. 
‘In de jaren tachtig was er een zeer select gezelschap bezig met spraakonderzoek en spraakherkenning, 
en toen ik bij Renaissance kwam werd me duidelijk dat de wiskundige modellen die wij op de financiële markten probeerden toe te passen, zeer vergelijkbaar waren.’

    Patterson noemt Mercer ‘zeer conservatief’. ‘Hij moest echt niets hebben van de Clintons. In zijn ogen was Bill Clinton een misdadiger. En zijn politieke opvattingen komen er volgens mij uiteindelijk op neer dat hij een rechtse libertair is; hij duldt 
geen enkele inmenging van de overheid.’ Patterson vermoedt dat Mercer zijn briljante computervaardigheden, die hij op de financiële wereld heeft toegepast, nu op een heel ander terrein zal inzetten. ‘Wij ontwikkelen wiskundige modellen voor de financiële markten. Dat zijn waarschijnlijkheidsmodellen, en op grond daarvan proberen we voorspellingen te doen. Ik vermoed dat Cambridge Analytica probeert waarschijnlijkheidsmodellen voor het stemgedrag 
te ontwikkelen. En vervolgens gaan ze kijken hoe ze dat kunnen beïnvloeden.’

    Kwantitatief analisten, ofwel quants, zoeken naar informatievoorsprong. Ze bouwen kwantitatieve modellen om het proces van het aankopen en verkopen van aandelen te automatiseren, en dan gaan ze op zoek naar kleine lacunes in kennis waar ze geweldige bedragen mee binnenhalen. Renaissance Technologies was een van de eerste hedgefondsen die investeerden in kunstmatige intelligentie. Maar wat het daarmee doet, hoe het is geprogrammeerd, dat is volkomen duister.

    Voormalig Breitbart-redacteur en Trump-supporter Milo Yiannopoulos, die in februari de site verliet na controversiële uitspraken over pedofilie. – © HH
    Voormalig Breitbart-redacteur en Trump-supporter Milo Yiannopoulos, die in februari de site verliet na controversiële uitspraken over pedofilie. – © HH

    Johan Bollen, hoogleraar aan de School of Informatics and Computing van Indiana University, vertelt me hoe hij een mogelijke manier om informatievoorsprong te behalen op het spoor is gekomen: hij heeft onderzoek gedaan waaruit is gebleken dat je op grond van Twitter koersschommelingen kunt voorspellen. Je kunt de stemming onder het publiek peilen en vervolgens in kaart brengen. ‘De maatschappij wordt aangedreven door emoties, die collectief altijd lastig te meten zijn. Maar er zijn nu programma’s die teksten kunnen lezen en kunnen taxeren, en die ons een kijkje kunnen geven in die collectieve emoties.’

    Het onderzoek bracht nogal wat beroering teweeg 
bij twee heel verschillende doelgroepen. ‘We kregen heel veel belangstelling van hedgefondsen. Zij 
zoeken overal naar aanwijzingen, en dit is een zeer interessant signaal. Ik heb de indruk dat hedgefondsen beschikken over deze algoritmen die sociale feeds scannen. De flash crashes die we hebben gezien – waarbij de aandelenkoersen ineens kelderden – duiden erop dat deze algoritmen op grote schaal worden gebruikt. Men is verstrikt in een soort wapenwedloop.’

    De andere groep die is geïnteresseerd in Bollens werk, wil niet alleen in kaart brengen wat er onder de 
mensen leeft, maar wil dat ook veranderen. Bollens onderzoek laat zien hoe dat kan. Kun je de landelijke, of zelfs mondiale stemming doen kenteren? Deze in kaart brengen en vervolgens veranderen? ‘Dat lijkt mogelijk,’ zegt Bollen, ‘en dat baart me zorgen. Er zijn diverse onderzoeken waaruit blijkt dat als je iets maar vaak genoeg herhaalt, mensen het onwillekeurig gaan geloven. En dat kun je inzetten, of zelfs als wapen gebruiken, voor propagandadoeleinden. 
We weten dat er duizenden geautomatiseerde bots 
op het net zitten, met precies dat oogmerk.’

    De strijd der bots is een van de meest krankzinnige aspecten van de verkiezingen van 2016. Op de 
afdeling Computational Propaganda van het Oxford Internet Institute laten directeur Phil Howard en onderzoeksleider Sam Woolley me zien op welke manieren de publieke opinie kan worden gemasseerd en gemanipuleerd. Maar is er ook hard bewijs, vraag ik, is het duidelijk wie hierachter zit? ‘Er is zat bewijsmateriaal,’ zegt Howard. ‘Bewijs te over. Kijk zelf maar,’ zegt hij, en hij laat me zien hoe, voorafgaand aan de Amerikaanse verkiezingen, honderden websites zijn aangemaakt enkel en alleen om een paar links het net op te slingeren, links naar pro-Trump-artikelen. ‘Dat wordt gedaan door mensen die verstand hebben van informatiestructuren, 
mensen die grote hoeveelheden domeinnamen opkopen en vervolgens geautomatiseerd een bepaald bericht verspreiden. Om de indruk te wekken dat Trump brede steun geniet.’

    En daar is geld voor nodig?

    Breitbart-mokken en andere prullaria op de Conservative Political Action Conference in National Harbor, Maryland. – © Getty Images
    Breitbart-mokken en andere prullaria op de Conservative Political Action Conference in National Harbor, Maryland. – © Getty Images

    ‘Daar is geld voor nodig, en er is een organisatie 
voor nodig. En als je maar genoeg bots en mensen inzet, en die op een slimme manier met elkaar 
verbindt, krijg je vanzelf bestaansrecht. Dan creëer 
je de waarheid.’

    Je kunt een bestaand trending topic nemen, zoals nepnieuws, en dat dan als wapen gebruiken. Je kunt het inzetten tégen de media die het aan het licht hebben gebracht. Vanuit een bepaald perspectief 
is nepnieuws een bomgordel in het hart van ons informatiesysteem. En die is om óns lichaam gegord – het levende lichaam van de mainstreammedia.

    Een van de dingen die Howard nog het meest verontrusten, zijn de honderdduizenden ‘slapende’ bots die ze hebben aangetroffen. Twitteraccounts die slechts een of twee tweets hebben verzonden en die nu in stilte wachten op een trigger: een of andere crisis die hen tot leven wekt, waarna ze met zijn allen alle andere informatiebronnen kunnen verdringen.

    Als zombies?

    ‘Als zombies.’

    Alternatieve werkelijkheid

    Veel van die technieken zijn geperfectioneerd in Rusland, zegt Howard, en vervolgens naar elders geëxporteerd. ‘We hebben het over ongekende propagandamiddelen die tot 
ontwikkeling zijn gekomen onder een autoritair bewind en zich dan ineens in een vrijemarkteconomie begeven, in een regelgevingsvacuüm.’

    Dit is de wereld waarin we ons dagelijks bewegen, op onze laptop en onze smartphone. Dit is het slagveld waar de ambities van landen en ideologen de strijd met elkaar aanbinden – en daar gebruiken ze ons voor. Wij zijn de buit: onze social media-feeds, onze gesprekken, onze emoties en meningen. Onze stemmen. Bots beïnvloeden trending topics en trending topics hebben een krachtig effect op algoritmen, legt Woolley uit, op Twitter, op Google, op Facebook. Wie in staat is de informatiestromen te manipuleren, is in staat de realiteit te manipuleren.

    We leven nog niet echt in de alternatieve werkelijkheid waarin het echte nieuws ‘NEPnieuws!!!’ is geworden. Maar het scheelt niet veel.

    Auteur: Carole Cadwalladr
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The Observer
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 449.000

    Oudste kroonjuweel van de Britse kwaliteitspers. Uit dezelfde groep als The Guardian maar met liberale signatuur.

    thierry baudet portret

    Ook de Nederlandse politicus Thierry Baudet keek bij zijn succesvolle campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen goed naar de methodes van Cambridge Analytica, vertelde hij onlangs.

    ‘We doen het net als Trump,’ verklaarde hij nog tijdens de verkiezingsrace tegen website Follow the Money. Later zei hij in de Volkskrant: ‘Cambridge Analytica werkte niet voor ons, maar we hebben wel hun methode gebruikt. Die methode gaat uit van de informatie die Facebook heeft over gebruikers en die heel nuttig is bij het vinden van potentiële kiezers. Laat ik een voorbeeld geven. Bij Forum hebben wij een standpunt over de transportsector. We vinden dat er sprake is van uitbuiting van vrachtwagenchauffeurs en dat valse concurrentie moet worden tegengegaan. Vroeger zou je een advertentie met die boodschap in een magazine over de transportsector zetten. Nu richt je je op Facebook direct op mensen die in de transportsector actief zijn. Dat is heel effectief.’

  • 3. Facebook: wie checkt de factcheckers?

    3. Facebook: wie checkt de factcheckers?

    Facebook heeft een aantal maatregelen aangekondigd om nepnieuws te bestrijden. Maar de Russische site Vzglyad, die dicht bij het Kremlin staat, ziet meer na- dan voordelen.

    Volgens een persbericht van Facebook zal informatie die door een bepaald aantal gebruikers als onjuist wordt bestempeld, ter verificatie aan onafhankelijke instellingen worden doorgestuurd. Voor deze taak worden genoemd televisiezender ABC News, persbureau Associated Press en verder de websites FactCheck.org, PolitiFact en Snopes. En die lijst wordt naar alle waarschijnlijkheid langer. Toch zal er geen censuur plaatsvinden en zullen posts niet worden verwijderd: nepnieuws zal het label ‘twijfelachtig’ krijgen en een lagere plek in de feeds krijgen. Gebruikers kunnen dan nog wel gewoon op deze links klikken voor meer informatie en als zij ze willen delen dan kan dat, al komt er wel een waarschuwing bij te staan.

    Er heeft altijd misinformatie op Facebook gestaan, net zoals er altijd nepnieuws verschenen is in de traditionele pers. De hysterie rondom het nepnieuws begon na de nederlaag van Hillary Clinton bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De Democraten lijken vrijwel iedereen voor hun nederlaag verantwoordelijk te willen stellen, behalve uiteraard de kandidate zelf en haar team. De meest gehoorde versie is die van de Russische hackers, maar men gaat zelfs zover Vladimir Poetin ervan te betichten deze ‘speciale operatie’ hoogstpersoonlijk te hebben geleid.

    Al met al is het enige positieve aspect aan de plannen dat Facebook dit type informatie dus niet wegfiltert

    Toen Oekraïense Facebookgebruikers schreven dat Vladimir Poetin zich als politieman verkleed had en persoonlijk het neerslaan van de Maidan-manifestaties had geleid, grinnikten de Russen dat alleen hun buren zoiets idioot konden bedenken. De Amerikaanse media doen er echter niet voor onder. Ook Amerikaanse journalisten moeten, wanneer ze schrijven over door Poetin aangevoerde hackerlegers, het waarheidsgehalte van de informatie waarop ze zich baseren, verifiëren.

    Al met al is het enige positieve aspect aan de plannen dat Facebook dit type informatie dus niet wegfiltert. Russische internetgebruikers weten maar al te goed hoe accounts onder schimmige voorwendsels kunnen worden verwijderd. Wie alleen maar het woord khokhol gebruikt [dat naast de letterlijke betekenis ‘kuif’ ook de achternaam is die Russen aan Oekraïners geven, verwijzend naar het traditionele kozakkenkapsel], loopt het gevaar een maand te worden verbannen vanwege belediging van het Oekraïense volk. Een citaat uit de klassieke Russische literatuur kan zelfs leiden tot definitieve afsluiting van een account.

    Behalve dit ene positieve punt is er weinig reden voor opgetogenheid. Dit type informatieanalyse kan in de toekomst immers ook gebruikt worden tegen politieke tegenstanders. Het valt te verwachten dat gebruikers informatie als foutief zullen bestempelen als ze het niet met de inhoud ervan eens zijn. Na de venijnige Amerikaanse verkiezingscampagne is het moeilijk voorstelbaar dat ABC News, Associated Press en consorten zich onpartijdig op zullen stellen. Wie er precies de taak krijgt om voor het Russische gedeelte van Facebook de inhoud te checken, blijft de vraag. Als de officiële media het op zich nemen, zal er geroepen worden dat het Kremlin via deze weg propaganda bedrijft. Doen daarentegen de oppositiemedia het, dan zal elk stukje positief nieuws over Rusland meteen als misinformatie aangemerkt worden.

    Geheel natuurlijk

    De traditionele media zijn juist ooit in het leven geroepen om nepnieuws te beperken. Redacteuren worden duur betaald om hun bronnen te controleren, onafhankelijke bevestiging te zoeken van beweringen en zorgvuldig te overwegen of een nieuwsfeit publicatie verdient. Nieuwsorganen die in de race om de muisklikken te veel rommel publiceren, verliezen onherroepelijk het vertrouwen van hun lezers. Maar voor mensen die internetnieuwtjes blindelings geloven, zonder zich af te vragen wat de bron ervan is, heeft geen enkele filter zin, zelfs al hielden alle journalisten van de wereld zich alleen maar bezig met het checken van Facebookberichten. Want wie geloof hecht aan het eerste het beste bericht op een willekeurige website, gelooft ook een anonieme sms, een graffiti-uiting of ongesigneerd pamflet.

    De beschuldigingen van Clinton-aanhangers dat Trump dankzij misinformatie op Facebook gewonnen zou hebben zijn ongefundeerd, net als die gericht tegen Poetin, hackers, marsmannetjes of het aardmagnetisch veld. Het enige wat Facebook wel zou kunnen doen om de verspreiding van nepnieuws tegen te gaan, is bij elk gedeeld item een waarschuwing te zetten: ‘Kent u deze website (en gebruiker) al lang? Weet u zeker dat de hier verspreide informatie betrouwbaar is?’ Al zal dit waarschijnlijk ook niet het gewenste effect hebben, omdat mensen nu eenmaal geloven wat ze willen geloven.

    Ik wil trouwens wel benadrukken dat op Facebook en op VKontakte [het belangrijkste Russische socialemediaplatform] berichten als ‘een hondenkennel heeft dringend behoefte aan bloed van bloedgroep S’, waar 99 procent van de fakeoproepen uit bestaat, niet meer massaal gedeeld worden. Dat ging geheel natuurlijk, zonder ingrijpen van journalisten of beheerders. Gebruikers begrijpen gewoon dat ze een domme, zielige indruk maken als ze zoiets gedachteloos herposten. En dat is ook wat er met valse berichtgeving zal gebeuren, al zullen de liefhebbers van massamanipulatie zonder twijfel wel weer met nieuwe trucs komen.

    Auteur: Anton Krilov
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Vzglyad
    Rusland | vzglyad.ru

    De site onderscheidt zich door razendsnelle reactie op de actualiteit. Zonder twijfel de sleutel tot hun succes. Nieuws en analyses door talentvolle schrijvers.

    © StopFake.org
    © StopFake.org

    CONTEXT: Het mea culpa van Zuckerberg

    Mark Zuckerberg kondigde op 11 januari het Facebook Journalism Project aan ‘om de waarde van de journalistiek te onderstrepen, terwijl Facebook een antwoord zal moeten geven op de kritiek voor zijn rol in de verspreiding van valse berichten [tijdens de campagne voor het Amerikaanse presidentschap]’, schrijft Financial Times. De onderneming van Zuckerberg wordt ervan beschuldigd dat het onzinnige berichten heeft laten rondgaan over kandidaten voor het Witte Huis, die een deel van de kiezers kunnen hebben beïnvloed.

    Zuckerberg erkende eind december al dat zijn netwerk een rol speelt in de wijze waarop berichten worden verspreid. Met zijn Facebook Journalism Project wil hij nauwer gaan samenwerken met redactionele partners als Bild, BuzzFeed, El País en The Washington Post en de gebruikers van Facebook ‘gevoeliger maken voor de analyse van het nieuws’. Bovendien wil hij journalisten instrumenten aanbieden, zoals instant articles, die rechtstreeks op de site kunnen worden gepubliceerd. Ook wil hij gaan samenwerken met groepen en bedrijven die van fact checking hun dagelijks werk maken.

    Dat laatste zal als eerste worden getest in Duitsland, waar Facebook gaat samenwerken met het onderzoekscentrum Correctiv in Berlijn. Deze instelling zal volgens de Süddeutsche Zeitung tot taak krijgen ‘inhoud van berichten die door gebruikers van Facebook worden gesignaleerd, op waarheid te controleren en zo nodig te voorzien van het stempel “twijfelachtig”’.

    De mogelijkheid dat de Duitse verkiezingen dit jaar ook door ‘fake news’ zullen worden beïnvloed, houdt Berlijn sterk bezig.

  • 1. Een meesterlijk staaltje nepnieuws

    1. Een meesterlijk staaltje nepnieuws

    Student Cameron Harris uit Maryland verzon aan zijn keukentafel een nepnieuwsverhaal om Hillary Clinton in diskrediet te brengen. Het werd een daverend succes.

    De herfst is net begonnen en Donald Trump, die achterligt in de peilingen, lijkt te werken aan een verklaring voor het geval een geboren winnaar als hij toch onverhoopt de verkiezingen mocht verliezen. ‘Als ik heel eerlijk ben denk ik dat er met de uitslagen wordt gerotzooid,’ zegt de Republikeinse genomineerde tegen een uitzinnige menigte in Columbus, Ohio. Hij krijgt steeds meer bewijzen dat er sprake is van fraude, voegt hij eraan toe. De verdere invulling laat hij over aan de verbeelding van zijn toehoorders. Een paar weken later gaat Cameron Harris, een student met een grote belangstelling voor de lokale politiek in Maryland, en iemand die wel wat extra inkomsten kan gebruiken, aan zijn keukentafel zitten om te zoeken naar de details die Trump onvermeld heeft gelaten. Het onzinverhaal dat volgt is zijn meesterwerk in een zeer bedenkelijke kunstvorm die de laatste tijd sterk in opkomst is.

    Harris begint met de kop: ‘Tienduizenden valse Clinton-stemmen aangetroffen in pakhuis in Ohio’. Het lijkt hem wel logisch om deze schokkende ontdekking te laten plaatsvinden in de stad, en de staat, waar Trump er zo op heeft gehamerd dat er sprake zou zijn van doorgestoken kaart. ‘Toen ik begon te schrijven had ik een bepaalde theorie,’ vertelt Harris, een 23-jarige voormalig quarterback en fraternity leader. ‘Gezien het feit dat Trump-aanhangers zo’n diepgeworteld wantrouwen hebben jegens de media, zouden de mensen alles slikken waarin Trumps beweringen worden herkauwd. Trump zei “doorgestoken kaart, doorgestoken kaart”. De mensen hadden het idee dat Hillary Clinton alleen zou kunnen winnen wanneer er met de uitslagen werd gerommeld.’

    Eigen toko

    In een roerig verkiezingsjaar dat wordt gekenmerkt door nepnieuws is Harris een autodidact, iemand met een eigen toko, iemand zonder banden met Russische spionagediensten of Macedonische verzinselfabrieken.

    Terwijl Trump – die in electorale zin zonder meer de wind in de rug heeft gehad door de tsunami aan onzinverhalen – wordt geïnaugureerd, kunnen we veel leren van het verhaal van Harris en zijn nepnieuwswebsite ChristianTimesNewspaper.com.

    Een verslaggever die de website heeft weten te herleiden tot Cameron Harris, neemt contact met hem op. Aanvankelijk is Harris bepaald niet blij dat hij is ontmaskerd. ‘Het ligt allemaal nogal gevoelig,’ zegt Harris, waarbij hij opmerkt dat hij een politiek consultancybureau wil opzetten en bang is voor reputatieschade. Maar uiteindelijk besluit hij toch te vertellen over zijn tijdelijke uitstapje op het terrein van nepnieuws, waarmee hij volgens eigen berekeningen zo’n duizend dollar per uur aan advertentie-inkomsten opstreek. Terugkijkend op deze ervaring voelt hij een mengeling van schuld over het verspreiden van valse informatie, en trots dat hij het zo vakkundig heeft gedaan.

    De nepfoto van Cameron Harris, overgenomen uit The Birmingham Mail.
    De nepfoto van Cameron Harris, overgenomen uit The Birmingham Mail.

    Die avond in september aan zijn keukentafel vraagt Harris zich af: Wie zou deze vervalste Clinton-stemmen gevonden kunnen hebben? Hij bedacht Randall Prince, een elektricien uit Columbus. Deze gewone man, een Trump-aanhanger wiens naam een enigszins voorname uitstraling heeft, is in een achterafkamertje in een pakhuis gestuit op een stapel dozen vol stembiljetten waarop Clinton is aangekruist – zo besluit Harris. ‘Er komt vrijwel niemand in dat gebouw. Het wordt voornamelijk gebruikt door een loodgietersbedrijf, voor tijdelijke opslag,’ aldus Prince.

    Mocht iemand het belang van deze vondst ontgaan, dan maakt Harris dat nog even expliciet duidelijk: ‘Wat Prince heeft aangetroffen zou het bewijs kunnen zijn dat er een grootschalige operatie plaatsvindt om Clinton deze cruciale swingstate in handen te spelen.’ Een foto kan eventuele twijfels over het waarheidsgehalte wegnemen, bedenkt hij. Hij googelt op ‘dozen met stembiljetten’ en heeft al snel een foto gevonden van een kalende man achter een stapel dozen waar ook nog eens heel toepasselijk ‘Ballot Box’ op staat. Het is een foto uit The Birmingham Mail en hij betreft verkiezingen in Engeland, zo’n zesduizend kilometer van Columbus, maar dat maakt niets uit. In het onderschrift krijgt de kalende Engelsman een nieuwe naam: ‘Meneer Prince, hier op de foto, poseert met zijn vondst, terwijl het verkiezingscomité een onderzoek instelt.’ In het artikel wordt vervolgens uitgelegd dat ‘Clintons verkiezingscomité vermoedelijk de bedoeling had om de vervalste biljetten ergens tussen de echte biljetten te stoppen, voor de officiële telling op 8 november’. Vervolgens voert Harris de spanning nog eens op. ‘Dit verhaal is nog in volle gang,’ schrijft hij, ‘en als we meer weten, zal CTN u ogenblikkelijk op de hoogte brengen.’

    Hij drukt op de knop en op 30 september staat het verhaal online. Het raast over het internet als een soort namaakkomeet. ‘Nog voor ik het had gepost wist ik dat het zou aanslaan,’ vertelt Harris. Hij had gelijk. Het verhaal over de dozen met stembiljetten, aangejaagd door een handjevol Facebookpagina’s die Harris speciaal met dat doel heeft aangemaakt, gaat als een razende over het web, voortgestuwd door verontwaardigde commentaren van mensen die ervan overtuigd zijn dat Clinton op oneerlijke wijze probeert Trump de overwinning afhandig te maken, en die maar al te blij zijn met deze bewijzen. Uiteindelijk wordt het bericht door zes miljoen mensen gedeeld, volgens CrowdTangle, een bedrijf dat webpubliek in kaart brengt.

    De volgende dag laat de verkiezingscommissie in Franklin County, Ohio, weten dat er een onderzoek is ingesteld en dat de aantijgingen van fraude ongefundeerd lijken. Binnen enkele dagen doet Jon Husted, de verantwoordelijke politicus in Ohio, een verklaring uitgaan waarin het verhaal wordt ontkracht. ‘Als christen heb ik er grote moeite mee dat een website die zich laat voorstaan op zijn christelijke betrokkenheid, dergelijke leugens verspreid,’ zegt Husted. Er is niets expliciet christelijks aan zijn handelen, erkent Harris; hij heeft domweg voor vijf dollar een verlopen internetadres gekocht op ExpiredDomains.net. Binnen enkele dagen heeft het verhaal, dat hij in vijftien minuten in elkaar heeft geflanst, hem zo’n vijfduizend dollar opgeleverd. Dat is een aanzienlijk aandeel van de tweeëntwintigduizend dollar die hij volgens een boekhoudkundig rapport tijdens de gehele presidentscampagne heeft binnengehaald met advertenties voor schoenen, haargel en webdesign die Google op zijn site plaatst.

    Hij krijgt te horen dat hij het domein, gezien het aantal bezoekers, waarschijnlijk kan verkopen voor zo’n honderdvijftien- tot honderdvijfentwintigduizend dollar

    Naar eigen zeggen is hij wekelijks misschien een half uur bezig met de nepnieuwssite, in totaal waren het er een uur of twintig. Hij had een nog veel grotere slag kunnen slaan, waarmee de vijf dollar die hij heeft neergeteld voor de Christian Times-domeinnaam hem meer dan een ton had kunnen opleveren. Het ging hem om het geld, niet om de politiek, blijft hij benadrukken. Hij is in mei afgestudeerd aan Davidson College in North Carolina, en hij moet in zijn onderhoud voorzien. ‘Ik gebruikte het geld voor het aflossen van mijn studielening, voor aanbetalingen van een auto en om de huur te betalen,’ zegt hij. Op het moment dat hij het verzonnen verhaal over de stembiljetten publiceert, heeft hij al een bescheiden succesje geboekt met ‘Hillary Clinton Blames Racism for Cincinnati Gorilla’s Death’ (Hillary Clinton wijt dood gorilla in Cincinnati aan racisme). Het gaat hier om het trieste lot van Harambe, de gorilla die is neergeschoten nadat hij in de dierentuin een jongetje heeft vastgepakt. Meer succes heeft Harris met ‘Early Morning Explosion in DC Allegedly Leaves Yet Another DNC Staffer Dead’, waarin hij met allerlei complottheorieën komt over het neerschieten van een lid van het Democratic National Committee.

    Later zal hij goedgelovige lezers wijsmaken dat de politie een aanklacht wil indienen tegen Bill Clinton, vanwege diens banden met een kinderpornonetwerk, in ‘NYPD Looking to Press Charges Against Bill Clinton for Underage Sex Ring’. Vergelijkbare verhalen zijn die over het doodslaan van een dakloze in ‘Protesters Beat Homeless Veteran to Death in Philadelphia’ of over de ophanden zijnde scheiding van de Clintons, in ‘Hillary Clinton Files for Divorce in New York Courts’. Acht van zijn verhalen zijn in heldere bewoordingen ontkracht op Snopes.com, een site die nepnieuws onderzoekt, maar geen van die verhalen zijn zo invloedrijk als het verzonnen verhaal over de stembiljetten.

    schermafbeelding 2017 02 08 om 10 29 05

    Donald Trump heeft gebruikgemaakt van valse beweringen om zijn politieke tegenstanders onderuit te halen, om de legitimiteit van Obama in twijfel te trekken en om de media in diskrediet te brengen. Deze praktijken vertonen veel overeenkomsten met de manier waarop hij is opgeklommen van reality tv-ster tot machtigste gekozen politicus van het land. En het is precies dit mechanisme waaraan Cameron Harris naar eigen zeggen zijn kortstondige succes heeft te danken: mensen hebben behoefte aan feiten, hoe ongeloofwaardig ook, die hen sterken in hun overtuigingen.

    ‘Aanvankelijk schrok ik ervan – de reacties die het losmaakte,’ zegt hij. ‘Hoe makkelijk mensen zich lieten overtuigen. Het had bijna iets van een sociologisch experiment,’ vervolgt Harris, die politicologie en economie heeft gestudeerd. Eind oktober, wanneer onvermijdelijk het einde van zijn avontuur dichterbij komt, wil Harris het webdomein laten taxeren dat zich inmiddels een plek heeft verworven in de top-20.000 van websites. Hij krijgt te horen dat hij het domein, gezien het aantal bezoekers, waarschijnlijk kan verkopen voor zo’n honderdvijftien- tot honderdvijfentwintigduizend dollar.

    Maar Harris maakt een fout die hem duur zal komen te staan: hij besluit het nog even aan te zien. Daags na de verkiezingen, die worden verguisd omdat er munt is geslagen uit de verspreiding van nepnieuws, laat Google weten niet langer advertenties te zullen plaatsen op sites die duidelijk verzinsels publiceren. Als Harris een paar dagen later op zijn site kijkt, zijn de advertenties verdwenen. Hij raadpleegt nogmaals de taxateur en krijgt te horen dat zijn site feitelijk geen cent meer waard is. Maar nog is niet alles verloren. Hij heeft een pop-up op de site geplaatst om bezoekers uit te nodigen zich aan te sluiten bij het ‘Stop the Steal’-team, dat beoogt uit te vinden ‘hóé Hillary precies de verkiezingen wil stelen en hoe ú daar een stokje voor kunt steken!’ Op die manier heeft hij vierentwintigduizend mailadressen weten te verzamelen. Hij heeft nog niet besloten wat hij daarmee wil gaan doen, laat hij weten.

    Schuldig

    Op de vraag of hij zich schuldig voelt dat hij leugens heeft verspreid over een presidentskandidaat, reageert Harris met een peinzend zwijgen. Dan verschuilt hij zich achter de opmerking dat politiek altijd wordt gekenmerkt door overdrijvingen, halve waarheden en onversneden leugens, en dat hij dus geen wezenlijk verschil heeft gemaakt, als je naar het grote plaatje kijkt. ‘Wat een campagneteam of een kandidaat zegt, is eigenlijk nooit helemaal waar,’ zegt hij.

    Tegenwoordig praat hij ook Trump zelf na, die keer op keer beweert dat het de journalisten zelf zijn die geregeld nepnieuws naar buiten brengen. Wanneer BuzzFeed een ‘schokkend maar ongeverifieerd’ rapport naar buiten brengt waaruit zou blijken dat Rusland van plan is geweest Trump te chanteren, schrijft Cameron Harris op Twitter: ‘Schokkend maar ongeverifieerd: dat geldt voor al het nepnieuws.’ Hij zwijgt over zijn eigen kennis op dat terrein.

    Auteur: Scott Shane
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Rijst verkopen via Facebook

    Rijst verkopen via Facebook

    Boeren in het noorden van Thailand verdienen bijna niets aan hun hoogwaardige Hom Mali-rijst, omdat de rijstprijzen laag zijn en veel geld bij 
tussenpersonen blijft hangen. Daarom verkopen ze hun waar nu rechtstreeks via Facebook.

    Maytar Kochai (52) is geboren en getogen in het centrum van het Thaise district Surin, waar rijst wordt verbouwd. Er zijn twee dingen waar hij heel veel van afweet: de veelgeprezen Hom Mali-rijst [jasmijnrijst] en armoede.

    Maytar, die vroeger in Bangkok woonde maar op aandringen van zijn ouders naar huis terugkeerde, werd onlangs aangesteld als hoofdadministrateur van de Sakad Subdistrict Administrative Organisation (SAO). Hij is het beu dat rijstboeren het zo zwaar te verduren hebben én hij heeft oog voor de macht van sociale media. Daarom begon hij onlangs een Facebookpagina om boeren te helpen hun Hom Mali-rijst direct aan hun klanten te verkopen.

    Zijn pagina heeft een simpele, overtuigende boodschap: boeren hebben er genoeg van om onder druk te worden gezet door de marktprijzen. Met een beetje hulp van lokale media werd zijn posting door veel mensen bekeken en begon hij telefonisch honderden bestellingen te ontvangen. ‘Om eerlijk te zijn waren we absoluut niet voorbereid op al deze reacties,’ zei hij. ‘We hadden niemand om de rijst te verpakken. Sterker, we hadden niet eens zakken om de rijst in te doen. Ik blijf maar gebeld worden vanuit heel Thailand. Het is ongelooflijk dat zo veel mensen belangstelling hebben voor ons product.’

    Redelijke bedragen

    De kwestie van subsidie voor rijst en welke rol de regering moet spelen in de steun aan boeren die het moeilijk hebben, is weer terug in het nieuws. Onlangs ging het kabinet akkoord met een subsidie van 13.000 baht [ca. 350 euro] per ton Hom Mali-rijst om boeren in het noorden en noordoosten te helpen, aangezien de prijzen voor rijst op de wereldmarkt laag waren. Die subsidie gaat door tot eind februari 2017. Om de prijzen te verhogen kondigde het leger ook aan dat het soldaten zou inzetten om alle rijstpellerijen ‘om medewerking te vragen’ om boeren ‘redelijke’ bedragen te betalen voor hun rijst.

    Lokale politici zoals Maytar zijn zich bewust van de benarde situatie van de boeren en nemen een proactief standpunt in. Omdat Maytar nauw samenwerkt met boeren, snapt hij waarom ze niet genoeg verdienen aan hun kwaliteitsproducten. Hij vertelt dat hij een maand eerder een boer terug zag komen van een rijstpeller met grote zakken Hom Mali-rijst. De boer had hem de rijst aangeboden, maar de peller zei dat die niet voldeed aan de vereiste kwaliteit. Maytar vroeg de boer de rijst achter te laten op zijn kantoor en verzamelde alle rijstboeren uit zestien dorpen op een vergadering.

    ‘Vergeet de marktprijzen en reken niet op hulp van de centrale regering,’ zei hij tegen hen. ‘Ik neem alle rijst af die jullie deze oogst binnenhalen en verkoop het zonder dat jullie naar rijstpellerijen of tussenpersonen hoeven te gaan. Wie doet er mee?’

    Alle boeren gingen akkoord, ondanks het feit dat de marktprijs van rijst in tien jaar niet zo laag was geweest. Ze brachten hun ongepelde rijst naar het kantoor van Sakad SAO en hoopten dat het plan van Maytar zou werken. Als deze boeren hun rijst rechtstreeks aan de peller hadden verkocht, zouden ze er 17 cent per kilo voor hebben gekregen, of 170 euro per ton, na aftrek van het vochtigheidspercentage. Maar als de boeren hun ongepelde rijst naar Sakad SAO brengen, ontvangen ze een gegarandeerde prijs van 32 tot 34 cent per kilo, of 320 tot 340 euro per ton. Er is geen vochtigheidspercentage en ze krijgen het geld nadat de rijst is verkocht.

    Sinds hij zijn toevlucht heeft gezocht bij de sociale media, wordt Maytar van zes uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds gebeld voor bestellingen

    Sinds hij zijn toevlucht heeft gezocht bij de sociale media, wordt Maytar van zes uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds gebeld voor bestellingen. Sakad SAO heeft ook een afspraak gemaakt met een peller om drie ton rijst per dag te pellen, maar dagelijks arriveert er minstens vier ton. Ooit was Sakad een rustig subdistrict; nu is het een agrarisch centrum geworden voor boeren uit Surin.

    Wisut Sarapee, coördinator van het project, zei dat ze vaak aanvragen krijgen uit andere regio’s, maar geen budget hebben om de rijst te bezorgen. ‘We willen het proces niet nog kostbaarder maken,’ zei hij. ‘Als iemand geïnteresseerd is in onze rijst, dan moeten ze die voorlopig zelf komen afhalen.’ Er komen ook uitnodigingen binnen om hun rijst te verkopen op lokale handelsbeurzen.

    Na de rijst een week lang direct op de markt te hebben gebracht, leek het Maytar al een goed idee om volgend jaar zo door te gaan. Omdat boeren in het noordoosten maar één oogst per jaar kunnen verbouwen, denkt hij genoeg tijd te hebben om iets duurzamers te kunnen ontwikkelen.

    Rittikrai Deerob, wetenschapper en onderzoeker voor Sakad SAO, heeft voorgesteld een eigen rijstmerk te gaan opbouwen. Volgens hem is dat de beste manier om te profiteren van het succes op de sociale media, en zo een blijvend proces te kunnen opzetten. De rijst wordt nu verkocht onder de merknaam Sakad Kwan Kao. Omdat ze genoeg bestellingen hebben om het programma draaiende te houden, heeft Maytar een aantal gehandicapten ingehuurd om te helpen met het verpakken van de rijst.

    Die rijst wordt verkocht voor 71 cent per kilo en verpakt in zakken van één en vijf kilo. De boer ontvangt 53 cent per kilo, terwijl Sakad SAO 18 cent inhoudt voor de zakken en de inpakkers. Als er aan het eind nog iets over is van die 18 cent, betalen ze 2 cent per kilo terug aan de boeren.

    Rijstboeren worden uitbetaald door een rijstpeller in de Samrong-regio in het noordoosten van Thailand. – © Getty Images
    Rijstboeren worden uitbetaald door een rijstpeller in de Samrong-regio in het noordoosten van Thailand. – © Getty Images

    Sangwan Sankla (39), eigenares van een stuk land van iets meer dan een hectare, is heel tevreden met het plan. ‘Ik ben zo blij dat de heer Maytar dit project heeft opgezet om ons te helpen. Tot nu toe had ik nog nooit geld overgehouden als ik mijn rijst had verkocht. Welke regering er ook aan de macht was, zoiets als dit hebben ze ons nooit gegeven.’

    Udomsak ‘Peter’ Udomdee (34) werkt als pr-man voor de afdeling Ziektebestrijding van het ministerie van Volksgezondheid in Surin. Toen hij nog in Bangkok woonde, kon hij daar wel dure Hom Mali-rijst kopen, maar de smaak kon niet tippen aan de echte Hom Mali van thuis. Hij nam een zak rijst mee terug uit Surin om aan zijn collega’s te verkopen en kreeg enthousiaste reacties. Ze bestelden meer rijst en hij raakte ervan overtuigd dat dit de beste manier was om rijst zonder tussenkomst van anderen te verkopen. Sindsdien beheert Peter een Facebookpagina waarop hij de rijst van zijn familie verkoopt.

    De eerste twee jaar nam hij honderd kilo rijst mee naar Bangkok, nu neemt hij elke keer dat hij teruggaat minstens driehonderd kilo mee. Als zijn familie ongepelde rijst van hun drie hectare land aan een peller zou verkopen, zouden ze daar zo’n 1000 euro voor krijgen, na 1450 euro te hebben geïnvesteerd voor de hele oogst. Maar als Peter die laat pellen bij een naburige pellerij en de rijst direct verkoopt, kunnen ze dertien ton afzetten voor 2900 euro na een investering van 845 euro.

    Ik wil dat dit een simpele procedure blijft die iedereen thuis kan regelen

    Directe verkoop is het gesprek van de dag geworden in Sakad, en de bestellingen blijven binnenstromen. Toch heeft Maytar geen plannen om de productie op te voeren. ‘Ik wil dat dit een simpele procedure blijft die iedereen thuis kan regelen. De rijstprijzen zijn tegenwoordig zo laag omdat de verkoop in verschillende stadia verloopt, die allemaal eigen kosten met zich meebrengen. Als die ervan afgetrokken worden, blijft er vrijwel niets over voor de boer.’

    Zijn werkelijk doel, de stabilisatie van de prijs van Hom Mali-rijst uit Surin, is dichterbij aan het komen. In Thailand kan Hom Mali van hoge kwaliteit alleen in Surin, Buri Ram en Si Sa Kat worden verbouwd. Maytar vindt het oneerlijk dat de prijs van die hoogwaardige rijst wordt gedrukt door de algemene marktprijs.

    Als het merk Sakad Kwan Kao van de grond komt, wil hij dat gebruiken om het imago van Hom Mali uit Surin op te bouwen. Hij verwacht dat andere districten in de provincie hetzelfde gaan doen en hun rijst ook gaan onderbrengen bij het Kwan Kao-merk. ‘Ik ben nooit van plan geweest om een bedrijf op te zetten. Ik wilde alleen een nieuw bestaan mogelijk maken voor rijstboeren.’

    Auteur: Chaiyot Yongcharoenchai

    Bangkok Post
    Thailand | dagblad | oplage 55.000

    In 1946 opgericht onafhankelijk, Engelstalig dagblad dat wordt gemaakt door een team internationale redacteuren. Het richt zich op de stedelijke elite en expats.

  • Waarom de buitenwereld Silicon Valley haat

    Waarom de buitenwereld Silicon Valley haat

    Facebook, Google en Uber maken ons leven leuker, makkelijker en goedkoper. Maar de technologiereuzen zuigen intussen zo veel geld en talent naar Californië dat de rest van de planeet het nakijken heeft. En in de toekomst wordt het alleen maar erger…

    Silicon Valley is het nieuwe Rome. Net als in de tijd van Caesar 
hebben we te maken met een geavanceerde stadstaat die een groot deel van de wereld domineert, zo veel mogelijk regio’s met zijn technologie en manier van denken injecteert en daarmee enorme rijkdom vergaart.

    Dankzij Peter Thiel – internetmiljardair en voorstander van monopolies en het vroegtijdig verlaten van school – maken veel mensen zich zorgen om de groeiende rijkdom en invloed van Silicon Valley. Thiel spendeerde stiekem 10 miljoen dollar om een ex-worstelaar [Hulk Hogan] te helpen procederen tegen roddelsite Gawker – naar verluidt omdat Thiel zelf nog een appeltje met de site te schillen had. Toen dat uitkwam, begon men zich in paniek af 
te vragen in hoeverre Silicon Valley-miljardairs de media hun wil kunnen opleggen. En dat is nog maar een van de vele soortgelijke verhalen. Facebook is ervan beticht conservatieve nieuwsberichten achter te houden, wat ook weer het spookbeeld van mediacensuur oproept. Ondertussen is die 10 miljoen van Thiel nog zuinig vergeleken bij de 30 miljoen dollar die Mark Zuckerberg uittrok om vier huizen rondom zijn eigen woning op te kopen en plat te gooien, louter om te zorgen dat hij geen inkijk heeft. Elders in het land, in 
Indiana, wordt wetgeving die discriminerend is voor LHBT’ers teruggedraaid onder druk van Marc Benioff, de directeur van Salesforce, die dreigde dat 
zijn bedrijf anders de staat zou verlaten. Het fenomeen Donald Trump profiteert vooral van boze kiezers die door de technologische ontwikkelingen hun banen verliezen.

    Digitaal wereldrijk

    De angst voor het Californische schiereiland met zijn nerds heeft de hele wereld in zijn greep. De Europese 
Commissie gaat tekeer tegen Google en Netflix, China begint het Apple moeilijk te maken en India heeft Facebooks plannen voor gratis internet een halt toegeroepen, uit angst alle controle over de draadloze infrastructuur te 
verliezen. ‘Er moeten regels worden opgesteld om te voorkomen dat India een digitale kolonie wordt,’ zei Sharad Sharma van de Indiase denktank iSPIRT.

    En dan staat het digitale wereldrijk 
van Silicon Valley nog maar in zijn 
kinderschoenen. Er is een nieuwe generatie technologieën, zoals kunstmatige intelligentie, 3D-printen en blockchain, die waarschijnlijk vooral in Silicon 
Valley zullen worden ontwikkeld en die, als ze straks mainstream worden, diep zullen ingrijpen in ons denken over industrie, geld, dienstverlening, 
nationale soevereiniteit en nog veel meer. Als je hoofd nu al tolt van de 
veranderingen sinds 2007, toen het tijdperk van smartphones, sociale 
netwerken en de cloud aanbrak, dan dreig je de komende tien jaar helemaal kortsluiting in je hersenen te krijgen.

    Silicon Valley is hetzelfde als het Romeinse Rijk van tweeduizend jaar geleden. Leuk voor sommigen, zwaar klote voor anderen

    Is dit nu goed of slecht? Het antwoord is net zo ingewikkeld als wanneer je die vraag stelt over het Romeinse Rijk van tweeduizend jaar geleden. Leuk voor sommigen, zwaar klote voor anderen. Hopelijk op de lange termijn een zegen voor de mensheid, maar het kan een paar eeuwen duren voordat 
we dat kunnen beoordelen.

    Silicon Valley vindt het heerlijk om dingen overhoop te halen. En nu haalt het de hele wereld overhoop. De befaamde technologie-analist Mary Meeker kwam deze maand met haar jaarlijkse verslag van internettrends. Uit haar cijfers blijkt duidelijk hoezeer de rol van Silicon Valley in de wereldeconomie is gegroeid. Neem haar lijst van de twintig waardevolste technologiebedrijven in 2015: twaalf daarvan komen uit de Verenigde Staten, zeven uit China en een uit Japan. Niet een uit Europa of India of een andere regio. De Amerikaanse bedrijven tekenen voor 76 procent van de totale beurswaarde en 87 procent van de opbrengst. En slechts een van die twaalf Amerikaanse bedrijven zit buiten Silicon Valley (Priceline, in Connecticut).

    Een andere manier om de dominantie van Californië te schetsen: nergens groeit het aantal internetgebruikers 
zo hard als in India. Die groei komt bijna geheel voor rekening van smartphonegebruikers. De drie meestgebruikte telefoonapps in India zijn al van Facebook (Facebook, WhatsApp en Facebook Messenger), dus geen wonder dat India niet wilde dat het bedrijf zijn tentakels nog verder uitstrekt. Bovendien draaien bijna alle mobiele telefoons in India op Googles Android of Apples iOS.

    Een flink deel van de meest dynamische sector in India levert dus vooral Silicon Valley geld op. En zo gaat het in elk land ter wereld, behalve misschien Noord-Korea.
    De geldstroom naar Silicon Valley heeft zich de laatste jaren uitgebreid van technologie naar sectoren die vroeger niet digitaal en zuiver lokaal waren. Hoe dat werkt wordt goed geïllustreerd door Uber: dat strijkt 20 procent van de prijs van elk ritje op. Vroeger bleef in Frankrijk 100 procent van alle inkomsten uit taxiritjes in eigen land.

    Krijgt Uber een groot deel van de Franse taximarkt in handen, dan vloeit 20 procent van die opbrengst het land uit. Stel je nu eens voor dat het de ene na de andere bedrijfstak zo vergaat, in het ene land na het andere. (En wat betreft de enorme hoeveelheden geld die naar Uber 
stromen: een investeringstak van de Saoedische regering heeft onlangs nog 3,5 miljard dollar in het bedrijf gepompt. Blijkbaar konden de Saoedi’s in eigen land niet genoeg veelbelovende start-ups vinden om in te investeren.) 
Alphabet, het moederbedrijf van Google, strijkt volgens Adweek 12 procent op 
van wat er wereldwijd omgaat in de reclamebranche. Nooit eerder streek 
één bedrijf 12 procent van alle reclameopbrengsten wereldwijd op. En dat 
Google veel geld aan landen onttrekt, staat buiten kijf. In 2015 had Google een opbrengst van 75 miljard dollar, en 54 procent daarvan kwam uit het 
buitenland.

    Silicon Valley trekt van heinde en verre slimme mensen aan, zoals de briljante Ierse broers John en Patrick (rechts) Collison, oprichters van digitale betalingen-platform Stripe. – © HH
    Silicon Valley trekt van heinde en verre slimme mensen aan, zoals de briljante Ierse broers John en Patrick (rechts) Collison, oprichters van digitale betalingen-platform Stripe. – © HH

    Op macroniveau is technologie een 
van de weinige economische sectoren die wereldwijd nog significante groei vertonen. Uit Meekers cijfers blijkt dat de groei van het bruto binnenlands product wereldwijd in zes van de afgelopen acht jaar onder het gemiddelde zat. Als de economie overal stagneert maar de technologiesector groeit als kool, moeten de andere sectoren het wel heel beroerd doen. En als de opbrengsten uit technologie grotendeels naar bedrijven in Silicon Valley vloeien, is dat dus ook verantwoordelijk voor veel van de economische groei in de wereld – en betaalt het grootste deel van de wereld Silicon Valley daar een prijs voor.

    In de presidentscampagne hamert Trump er steeds op dat Amerika verliest. Maar dat klopt niet: op het gebied van technologie is Amerika aan het winnen, en niet zo’n beetje ook. Het probleem is dat er ook nog heel veel Amerika is buiten Silicon Valley, dat kleine lapje grond van San Francisco tot San Jose. Ook binnen de Verenigde Staten is Silicon Valley een soort Rome, dat de rest van het land tot een nieuw Judea kan degraderen. Want we hebben nu twee Amerika’s: een analoog 
en een digitaal Amerika. Het analoge Amerika is het Amerika van de 
fabrieken, de detailhandel, de dienstverlening en de restaurants: ouderwets werk dat je met je handen kunt doen. En dat oude Amerika heeft het zwaar. Uit federale cijfers blijkt dat de VS in mei de laagste banengroei in vijf jaar hadden. In de industriële productie zijn zo’n tienduizend banen verdwenen. De lonen van de middenklasse staan al jaren stil. Hele horden mensen verliezen hun baan door de automatisering. Opiniepeilers horen Trump-aanhangers zeggen dat ze zich 
machteloos voelen. Uit woede stemmen ze op Trump, om iets terug te doen.

    Vroeger waren er talloze bedrijven die kaarten drukten. Nu is er op de wereldwijde markt van landkaarten voor consumenten nog maar één producent die ertoe doet: Google

    Aan de andere kant van de kloof heb je het digitale Amerika: de mensen die software schrijven, data analyseren, apps verkopen, investeren in start-ups. Hier kan toptalent de werkgevers tegen elkaar op laten bieden. Overal in het land vind je enclaves van dit digitale Amerika, met hoge concentraties in steden als Boston, New York, Washington en Seattle, waar ook grote internetbedrijven zitten. Maar geen van die plaatsen kan zich meten met Silicon Valley – het land van de miljardairs met vlasbaardjes, idioot hoge huizenprijzen, snelwegen vol Tesla’s en Stanford 
University als regionale kweekvijver van digitaal toptalent. Hier wordt meer geïnvesteerd in meer bedrijven. In het eerste kwartaal van dit jaar harkten Californische bedrijven, merendeels uit Silicon Valley, 396 miljoen dollar aan durfkapitaal bij elkaar, bijna drie keer zo veel als New York (tweede plaats, met 149 miljoen) en vier keer zo veel als Massachusetts (derde plaats, 90 miljoen). En het geld dat Silicon Valley genereert blijft doorgaans in Silicon Valley. De beursgang van zo’n bedrijf maakt zelden mensen van elders rijk. Kijk naar de veertig grootste aandeelhouders van Facebook: ze wonen bijna allemaal in Silicon Valley. (Thiel is met 2,5 procent de op zes na grootste, 
waarmee zijn vermogen meer dan 2 miljard dollar bedraagt.)

    Van heinde en ver trekt Silicon Valley slimme mensen aan die een internetbedrijf willen opzetten. De gebroeders Collison groeiden op in een klein dorpje in Ierland. De briljante broers gingen studeren in Boston: Patrick aan MIT, John aan Harvard. In 2010 zetten ze Stripe op, een nieuw platform voor digitale betalingen, en in 2011 kregen ze 2 miljoen dollar van drie investeerders uit Silicon Valley: Sequoia Capital, Andreessen Horowitz en… Peter Thiel. Inmiddels is Stripe meer dan 5 miljard dollar waard. Het zetelt niet in Ierland of Boston, maar in San Francisco.

    Een man maakt een selfie tijdens een religieuze bijeenkomst in Mumbai. – © HH
    Een man maakt een selfie tijdens een religieuze bijeenkomst in Mumbai. – © HH

    En die ontwikkeling is voorlopig nog niet ten einde. Ik heb veel investeerders in de Bay Area gesproken. Tien 
of vijftien jaar geleden zochten ze interessante investeringsmogelijkheden in China en India, en sommigen zetten overal in de VS filialen op. Nu vinden 
de meesten dat ze niet verder hoeven te kijken dan een straal van nog geen honderd kilometer rond Palo Alto. Het meeste talent dat ertoe doet, zit daar al of komt er uiteindelijk vanzelf terecht.

    Enrico Moretti, hoogleraar Economie aan de Universiteit van Californië, concludeert in zijn boek The New Geography of Jobs dat locatie – al zou je dat in deze tijd van netwerkverbindingen niet 
verwachten – in deze sector nog steeds een grote rol speelt. ‘In de innovatiesector is het succes van een bedrijf niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van de werknemers, maar ook van het hele ecosysteem eromheen,’ schrijft Moretti. ‘Daardoor is zo’n bedrijf moeilijker naar een andere regio te verplaatsen dan traditionele fabrieksproductie.’ Een staalbedrijf of een schoenenfabriek kun je verkassen naar een regio waar arbeid en grondstoffen goedkoper zijn. Technologiebedrijven moeten op een paar plekken samenklonteren, en dan is Silicon Valley de sterkste magneet van allemaal.

    In 2015 lieten de media hun oog 
vallen op de zogenaamde ‘eenhoorns’: nieuwe, nog niet beursgenoteerde start-ups waarvan de waarde op meer dan een miljard dollar werd geschat. Die schattingen begonnen de pan uit te rijzen. Er werd al gefluisterd over een bubbel. Ook tech-insiders voorspelden een terugslag. Maar al dat gebabbel over een bubbel wordt doorgeprikt door Meeker. ‘Er zijn internetbedrijven waarvan de waarde wordt overschat,’ zegt ze. ‘Maar er zijn ook bedrijven die worden onderschat. 
Er zijn maar heel weinig bedrijven 
die gaan winnen. Maar die bedrijven lopen dan ook gigantisch binnen.’

    Play Bigger

    In Play Bigger, het nieuwe boek dat ik in samenwerking met drie consultants uit Silicon Valley heb geschreven, beschrijven we het op een andere manier. Onze netwerksamenleving heeft een omgeving geschapen waarin één bedrijf een totaal nieuwe bedrijfstak kan ontwikkelen en domineren (zoals Facebook, Airbnb, VMware en tal van andere bedrijven doen), waardoor het in die sector de grote winnaar wordt. Geen enkele regio ter wereld brengt zo veel van dit soort dominante bedrijven voort als Silicon Valley, en 
de sectorwinnaars van de toekomst worden de belangrijkste bedrijven van de nieuwe generatie.

    Waarschijnlijk worden ze nog veel 
groter dan de Facebooks en Googles van nu. Artificiële intelligentie (AI) is een technologie die alles op zijn kop gaat zetten, zoals cloud-gebaseerde apps dat de afgelopen vijf jaar hebben gedaan. Dat wordt een bron van vernieuwingen die we ons nu nog nauwelijks kunnen voorstellen. (Wat dacht je van piepkleine, door AI aangestuurde drones die bij gebouwen rondvliegen om een oogje in het zeil te houden, in plaats van beveiligers? Zit eraan te komen!) 3D-printen wordt zo goed 
dat een bedrijf als Nike niet langer schoenen in Azië zal laten maken om naar de VS te verschepen. Die schoenen worden straks ‘geprint’, in een netwerk van duizenden kleine printfabriekjes waar je je vers gemaakte gympen kunt ophalen. Blockchain, de technologie achter bitcoin, is nog maar net begonnen de hele financiële sector te hervormen. Virtual reality zal zo goed worden dat het revolutionaire gevolgen krijgt voor zaken als toerisme, sport of een bezoekje aan de dokter. Biotechnologie, robotica: er staat ons een waanzinnige stortvloed aan nieuwe technologische ontwikkelingen te wachten.

    De gevolgen zullen zo ingrijpend zijn dat we volgens Hemant Taneja van General Catalyst Partners afstevenen op een ‘wereldwijde herprogrammering’. We gaan elk product en elke dienst ter wereld uit elkaar halen en terug in elkaar zetten met behulp van data, AI en al die andere nieuwe dingen.

    Natuurlijk zullen ook bedrijven van buiten Silicon Valley hier hun kansen grijpen. Het om zijn virtual reality-techniek bejubelde Magic Leap zit in Florida. Belangrijke bijdragen aan de blockchain-ontwikkeling komen uit New York. Maar de overgrote meerderheid van de bedrijven die aan 
deze wereldwijde herprogrammering werken, zit in Silicon Valley. En zoals Meeker zegt: de paar bedrijven die een hele sector domineren zullen 
uitgroeien tot ware giganten, wat het voor andere regio’s in de wereld moeilijker dan ooit zal maken om Silicon Valley bij te benen.


    Terug naar de vraag of dat nou een goede of een slechte ontwikkeling is.

    Als je je smartphone pakt, zie je daar een hoop dingen waarvoor je vroeger moest betalen en die je nu voor niks of bijna voor niks krijgt. Je hebt een camera met flits, vroeger moest je die allebei apart kopen. Nieuws is gratis, je hoeft geen krant meer te kopen. Bellen met het buitenland kost via Skype bijna niks. Muziek: gratis of goedkoop met Spotify. En dat mobieltje is maar één voorbeeld van de impact van technologie en de globalisering. Die maken steeds meer zaken goedkoper of helemaal gratis, en verlagen zo de kosten van levensonderhoud. Dat geldt ook voor fysieke producten: dankzij de globalisering kun je bij H&M leuke kleren kopen voor veel minder geld dan twintig jaar geleden. Technologie zal die trend alleen maar versnellen.

    Volgens Mike Maples, een van de partners van Floodgate, een investeringsfonds voor start-ups, gaan we toe naar een tijd van overvloed waarin we steeds meer krijgen voor veel minder geld dan ooit tevoren. Een beter leven voor minder geld. Klinkt goed.

    Maar zoals uit de cijfers van Moretti blijkt, is diezelfde dynamiek ook funest voor de middenklasse, die banen ziet verdwijnen en salarissen dalen. Hoe meer dingen gratis of goedkoop te krijgen zijn, hoe minder mensen geld kunnen verdienen met het maken en verkopen van die dingen. Als een product tot een app wordt gereduceerd, blijft er maar een klein groepje mensen over dat dat wereldwijd kan verkopen – en zo al het geld opstrijkt. Neem landkaarten: vroeger waren er talloze bedrijven die kaarten drukten en winkels die ze verkochten. Nu is er op de wereldwijde markt van landkaarten voor consumenten nog maar één producent die ertoe doet: Google, in Mountain View, Californië. Al het geld dat met landkaarten kan worden verdiend gaat naar Google, en de meeste banen in die sector zijn in rook opgegaan.

    Een groot deel van de wereld buiten Silicon Valley begint die nadelen 
sterker te voelen dan de voordelen. We zijn dol op onze smartphones, apps en goedkope producten, maar we vinden het minder fijn om economisch gemarginaliseerd te worden. En zo’n actie als die van Thiel tegen Gawker versterkt het beeld van een kleine elite die alles bepaalt. Boeken als 
Martin Fords Rise of the Robots suggereren dat technologie al onze banen gaat inpikken. Trump speelt in op 
die angst voor de toekomst die bij de middenklasse leeft. Bernie Sanders ook, al zou iemand hem eens moeten vertellen dat hij in het verleden leeft: de kapitalistische schurken van de toekomst vind je niet op Wall Street maar aan Highway 101 in Californië. (Op 1 juni sprak Sanders nog vierduizend aanhangers toe in Palo Alto, waar de huizenprijzen en de inkomensongelijkheid iedereen behalve miljonairs het leven onmogelijk maken.)

    Machtigste regio ter wereld

    Als je alle trends bij elkaar optelt, lijkt het onvermijdelijk dat Silicon Valley zal uitgroeien tot de machtigste regio ter wereld, ten koste van zo’n beetje de hele rest van de wereld. Het enige wat de Silicon Valley-expres misschien nog kan laten ontsporen, is zoiets als de Russische revolutie: een massale opstand van het proletariaat tegen de autocratie. Dat gevaar lijkt nog niet groot, maar het is wel een mogelijkheid die Silicon Valley onder ogen moet zien en moet ondervangen. Anders zal het steeds meer onder vuur komen te liggen van regeringen, activisten en de gefrustreerde massa. De grootste nachtmerrie van deze industrie is de invoering van regelgeving zoals die nu bestaat voor 
energie- en telecombedrijven: sectoren waar vroeger de grootste technologische vernieuwingen vandaan kwamen, maar die onder toeziend oog van de overheid zijn omgeturnd tot ingedutte bureaucratieën.

    Decennialang hebben de krachtpatsers van de technologiesector zich uitsluitend gericht op innovatie en het opzetten van bedrijven. Nu breekt een nieuw hoofdstuk aan waarin ze moeten zorgen dat ook de rest van de wereld daarvan de vruchten plukt. Anders staat Peter Thiel straks viool 
te spelen terwijl het nieuwe Rome in vlammen opgaat.

    Auteur: Kevin Maney
    Vertaler: Frank Lekens

    Newsweek
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.972.000

    Gefuseerd met The Daily Beast. Initiatiefnemer Tina Brown blaast het legendarische weekblad ongetwijfeld nieuw leven in.

  • Het morele kompas van de EU

    Het morele kompas van de EU

    Ze stond model voor de principiële premier Birgitte Nyborg in de tv-serie Borgen en voert onvervaard rechtszaken tegen Apple en Google. Maak kennis met de Deense Eurocommissaris Margrethe Vestager.

    Niemand had van haar, de dochter van twee lutherse pastores uit het strenge Jutland, zo’n pikante toespeling verwacht. Het was halverwege 2014 en Margrethe Vestager, op dat moment vicepremier van Denemarken, lag onder vuur vanwege haar pakket groeimaatregelen om de economie aan te jagen. De oppositie, onder aanvoering van Lars Løkke Rasmussen, smaalde dat haar bestedingsplannen ‘klein’ waren.

    ‘Sommigen vinden het een nogal klein plan,’ riposteerde ze met een ondeugende grijns. ‘Maar als mannen het over formaat hebben, zegt me dat niet zoveel – misschien omdat ik het vanuit vrouwelijk perspectief bekijk – mij interesseert vooral het effect.’ Het is een typerend voorbeeld van Vestagers scherpe humor en haar vermogen om verrassend uit de hoek te komen. Beide eigenschappen waren een goede basis voor haar reputatie als EU-commissaris, de rol die ze later dat jaar ging vervullen.

    Rasmussen, inmiddels premier, kan opgelucht ademhalen sinds zij is afgereisd naar Brussel, maar nu ontdekken de topmensen van de grootste multinationals tot hun frustratie hoe lastig Vestager te peilen is.

    Onlangs was het de beurt aan Apple-topman Tim Cook om te proberen haar van haar ingeslagen koers af te brengen, nu een onderzoek naar belastingconstructies in Ierland de makers van de iPhone miljarden kan gaan kosten. Maar naar verluidt waren zelfs de verwoede pogingen van de hartstochtelijke Cook om door haar koele, klinische gereserveerdheid heen te breken, 
tevergeefs.

    Antitrustzaken

    Apple is misschien wel haar meest politiek beladen dossier, want de zaak kan tot een ernstige diplomatieke breuk met Washington leiden. Maar Vestager is ook geruchtmakende antitrustzaken begonnen tegen het Amerikaanse technologiebedrijf Google en het Russische gasexportmonopolie van Gazprom. Beide bedrijven verwerpen beschuldigingen dat ze misbruik maken van hun dominante positie op de markt. Daarnaast heeft Vestager onlangs aangekondigd dat ze de belastingpraktijken van Google in het Verenigd Koninkrijk onder de loep gaat nemen en heeft ze miljoenenboetes opgelegd aan een kartel van Japanse auto-onderdelenproducenten. De EU zelf mag dan op belangrijke punten uiteen dreigen te vallen, de EU-commissaris voor Mededinging baant zich onvervaard een weg door de dossiers die variëren van multimiljardenfusies in de telecomwereld tot subsidies aan Poolse kolenmijnen. Maar het is de vraag hoe standvastig 
ze zal blijken in het afronden van haar opvallendste zaken. Nog niet duidelijk is of ze Google en Gazprom grote boetes zal opleggen, of uit is op een schikking.

    Voor de koffiedikkijkers die proberen te voorspellen hoelang ze haar rug recht zal houden, is Vestager een lastig te vangen persoonlijkheid. In de ogen van sommigen is haar benadering ongebruikelijk moreel gedreven, misschien als gevolg van haar kerkelijke opvoeding in het stadje Ølgod. Over haar meest complexe zaken praat ze vaak in krachtige termen: eerlijk of niet eerlijk.

    Margrethe Vestager in haar kantoor in het Berlaymont-gebouw in Brussel. – © Nick Hannes / HH
    Margrethe Vestager in haar kantoor in het Berlaymont-gebouw in Brussel. – © Nick Hannes / HH

    In veel interviews komt ze over als een harde tante, die liefst al voor zonsopkomst haar rondjes rent. Maar ze vertelt ook graag dat ze het leuk vindt om wollen olifantjes te breien en koekjes 
te bakken. De 47-jarige Vestager heeft een brede culturele belangstelling 
en noemt als haar favoriete fictie Het Alexandriakwartet, de vier boeken van Lawrence Durrell over de verwikkelingen van verschillende personages 
in het Egypte van de jaren dertig. Om niet al te intellectueel te klinken voegt ze daaraan toe dat de films die ze het vaakst heeft gezien die van de _Die Hard_-reeks zijn, over de heldendaden van Bruce Willis als onkwetsbare agent.

    Het moederschap is een belangrijk onderdeel van haar politieke identiteit. Ze vertelde enthousiast over het internetgebruik van haarzelf en haar drie dochters tijdens de persconferentie waarop ze de finesses van de antitrustzaak tegen Google uiteenzette.

    Op haar bureau staat altijd een hand van keramiek met een geheven middelvinger, die haar eraan herinneren moet dat er altijd wel iemand kwaad zal worden om haar beleid

    Voordat ze eind 2014 in Brussel aan de slag ging, werd Vestager beschouwd als de drijvende kracht in de centrumlinkse regering van Helle Thorning-Schmidt, waarin ze zowel minister van Economische Zaken als vicepremier was. Sidse Babett Knudsen, de hoofdrolspeelster van de Deense televisieserie Borgen, heeft zich in Vestager verdiept om zich voor te bereiden op haar rol als de principiële premier Birgitte Nyborg.

    Vestager, afgestudeerd econome, steeg snel op de politieke ladder; op haar negenentwintigste werd ze benoemd tot minister van Onderwijs en Kerkelijke Zaken, waarmee ze in feite de baas van haar ouders werd.

    Ze bracht zichzelf in problemen toen ze als minister van Economische Zaken de werkloosheidsuitkeringen moest verlagen. In een interview daarover gebruikte ze de zin ‘Sådan er det jo’ – zo is het gewoon. Die woorden veroorzaakten een storm van protest, waarin ze ervan werd beschuldigd gevoelloos en onverschillig te zijn. Met de uitdagende houding die typerend voor haar is speelde ze de controverse later uit door dezelfde zin negen keer in een belangrijke toespraak te gebruiken. 
Op haar bureau staat altijd een hand van keramiek met een geheven middelvinger, die een boze vakbond haar stuurde in de woelige nasleep van dit incident; die hand moet haar eraan herinneren dat er altijd wel iemand kwaad zal worden om haar beleid.

    Alec Burnside, een ervaren Brusselse advocaat die al zes commissarissen voorbij heeft zien komen, heeft Vestagers harde opstelling al bij eerdere dossiers gesignaleerd. Hij wijst op de ingrijpende beslissingen die ze heeft genomen door een fusie op de Deense telecommarkt te blokkeren en door haar voornemen om Google en Gazprom te vervolgen. Daarentegen heeft ze ook twee van de belangrijkste kartelzaken van de Commissie afgesloten, omdat ze niet verwachtte dat die nog ergens toe zouden leiden. ‘Je kunt dus niet zeggen dat ze een hardliner is,’ concludeert hij, ‘maar wel dat ze de regels toepast en bereid is moeilijke besluiten te nemen, ten goede of ten kwade.’

    Auteurs: Christian Oliver en Alex Barker
    Vertaler: Annemie de Vries

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • Facebook, Google en 
de strijd om India

    Facebook, Google en 
de strijd om India

    De helft van de wereldbevolking heeft nog geen toegang tot internet. Soms zijn de obstakels van economische aard, zoals in India of Angola. Soms ook is er sprake van censuur, zoals in China, Cuba of Ethiopië. Voor bedrijven uit Silicon Valley zijn dit soort landen potentiële goudmijnen, waar een verbeten strijd om wordt gevoerd. Critici spreken van digitaal kolonialisme. 

    Onzeker wiebelend legt een jonge vrouw in sari haar eerste paar meters op de fiets af. Ze rijdt rondjes in een zanderige binnentuin in Ambaji, een plaatsje in Gujarat, in het noordwesten van India. Het is een stoere, blauwe fiets met brede banden, bedoeld om grip te bieden op oneffen terrein. Op de bagagedrager van de fiets staat een doos met kostbare inhoud: geen pizza, geen post, maar internet.

    Google stuurt honderden van dit soort fietsen het Indiase platteland op. Elke fiets wordt geleverd met twee Androidsmartphones en twee tablets, met mobiele dataverbindingen die worden geleverd door de Amerikaanse zoekgigant. De vrouwen die de fietsen krijgen worden eerst getraind in het gebruik van internet voordat ze naar allerlei dorpen fietsen om hun kennis door te geven aan andere vrouwen.

    Gamar Nirama Bhambroo, een tweeëntwintigjarige kleermaker uit Kochi, neemt kleine slokjes uit een kartonnen bekertje thee in een pauze van de anderhalve dag durende digitale cursus, die wordt gegeven in een eenvoudig pensionnetje dat normaal gesproken onderdak biedt aan gelovige pelgrims. Ze heeft net voor het eerst iets opgezocht op Google, terwijl haar dochtertje op een hoekje van de verpakking van de Androidtelefoon sabbelt. ‘Ik kan nu kijken wat de nieuwste mode is, hoe ik de stof moet knippen en hoe ik bepaalde dingen moet ontwerpen – dingen die ik nog niet weet,’ zegt ze, om eraan toe te voegen dat ze slechts herhaalt wat de docent heeft gezegd.

    Vrouwen verdringen zich rond een informatiestand over het fietsenproject van Google. – © Google
    Vrouwen verdringen zich rond een informatiestand over het fietsenproject van Google. – © Google

    Gujarat is de streek van Ghandi, de streek waar de politiek leider is geboren en getogen en waar hij in 1930 een mars leidde om te protesteren tegen de zoutbelasting die de Engelse kolonialen hadden doorgevoerd. Nu komen de bedrijven uit Silicon Valley hierheen, onder aanvoering van Google en Facebook, die toegang bieden tot een onmisbare hulpbron in de eenentwintigste eeuw: connectiviteit.

    Indiase criticasters, die bezwaar maken tegen bepaalde aspecten van zowel de aanpak als de retoriek van die bedrijven, spreken wel van ‘digitale kolonialen’. De verhitte toon van het debat maakt duidelijk hoeveel er op het spel staat: met een inwonertal van 1,2 miljard zou India kunnen uitgroeien tot de grootste open internetmarkt ter wereld (China, het land met de meeste inwoners ter wereld, maakt er geen geheim van dat het de toegang aan banden legt). In 2014, het meest recente jaar waarover gegevens beschikbaar zijn bij de International Telecommunication Union (ITU), een instituut van de VN, waren meer dan een miljard mensen in India verstoken van internet.

    Zendelingen

    Mensen op hoge posities bij zowel Google als Facebook praten met de gedrevenheid van zendelingen over de kansen die internettoegang zou bieden aan de gewone man en vrouw in India, over de manieren waarop het de armoede kan verlichten, het onderwijs kan verbeteren en voor nieuwe banen kan zorgen. Toch zijn de beweegredenen van de internetbedrijven complex. Ze hebben de macht om levens, regeringen en economieën te beïnvloeden op manieren die voor leveranciers van gewone consumentengoederen ondenkbaar zijn. Ze opereren vaak in wat economen een winner-takes-allmodel noemen. Dat betekent dat bedrijven, wanneer ze zich eenmaal hebben gevestigd, vaak garen spinnen bij het netwerkeffect: hoe meer mensen een app gebruiken, hoe aantrekkelijker die wordt en hoe minder ruimte er overblijft voor plaatselijke concurrentie. Het lot van Facebooks Free Basics-app, die onlangs werd verboden door de Indiase toezichthouder, biedt een glimp van de strijd die ons op breder vlak mogelijk nog te wachten staat in de ontwikkelingslanden, waar bedrijven met elkaar wedijveren om de gunst van miljarden toekomstige internetgebruikers.

    In 2013 gaf Mark Zuckerberg, de oprichter en algemeen directeur van Facebook, een tien pagina’s tellend witboek uit met als titel ‘Is Connectivity a Human Right?’ (Is internettoegang een mensenrecht?) Het was een retorische vraag: Zuckerberg stelde dat we ‘door iedereen internettoegang te bieden niet alleen miljarden mensen een beter bestaan bieden, maar er ook zelf bij gebaat zijn doordat we ons voordeel doen met de ideeën en productiviteit die deze mensen bijdragen aan de wereld als geheel’. Momenteel staat de Facebookpagina van de eenendertigjarige Zuckerberg vol met foto’s van de twee bezoeken die hij het afgelopen jaar heeft gebracht aan India, waar zijn bedrijf dit uitgangspunt handen en voeten wil geven.

    India is ook het speerpunt van Googles streven om ‘het volgende miljard’ internettoegang te bieden. Google richt zich daarbij op India, Indonesië en Brazilië. De zevenenveertigjarige Rajan Anandan, die aan het hoofd staat van India en Zuidoost-Azië, deelt Zuckerbergs bezieling. ‘Om de belofte van India waar te maken, moeten we zorgen dat onze bevolking internettoegang krijgt,’ zegt hij.

    De leidinggevenden in Silicon Valley laten zich in evangelische, haast filantropische bewoordingen uit over wereldwijde internettoegang

    De bedrijven onderschrijven niet alleen het standpunt van de Verenigde Naties, dat wereldwijde internettoegang heeft opgenomen in de duurzame ontwikkelingsdoelen voor 2030, maar ook dat van de Indiase regering, dat zijn eigen langetermijnplanning heeft – hoewel die regelmatig wordt opgeschoven – om tot een ‘digitaal India’ te komen. Silicon Valley is stellig van plan voortvarender te werk te gaan.

    Google en Facebook, die een geweldig kapitaal achter de hand hebben en een vrijwel onaantastbare positie innemen binnen de westerse markt, investeren in een aantal verschillende projecten. Google hoopt met de hulp van Tata Trusts, een ngo, tegen het einde van dit jaar met de internetfietsen in zo’n honderdduizend dorpen de vrouwen te hebben bereikt (op het platteland hebben beduidend minder vrouwen dan mannen internettoegang). Het bedrijf hoopt ook dit jaar een pilotproject op te starten met de ambitieuze ‘Project Lion’-technologie, waarbij boven India ballonnen de lucht in worden gestuurd om afgelegen gebieden te voorzien van internet. Het bedrijf heeft ook de handen ineengeslagen met het ministerie van vervoer om nog dit jaar op honderd treinstations snelle wifi te installeren.

    Het meest prestigieuze project van Facebook is ‘Free Basics’, een mobiele app die deel uitmaakt van het Internet.org-initiatief van het sociale netwerk. Facebook gebruikt de app om gebruikers van telecompartners gratis toegang te bieden tot Facebook en een beperkt aantal andere sites zoals Wikipedia, BBC News, AccuWeather en enkele gezondheidssites. Sinds Free Basics in 2014 is geïntroduceerd in Zambia, is het uitgerold over achtendertig andere landen, waaronder India (in samenwerking met Reliance Communications), Kenia (in samenwerking met Bharti Airtel) en Indonesië (in samenwerking met Indosat). Het bedrijf werkt ook samen met telecomgroepen om meer dorpen te voorzien van wifi, waarbij via lokale ondernemers toegang kan worden gekocht. Ook Facebook wil de lucht in: er worden drones op zonne-energie ontwikkeld om afgelegen gebieden internettoegang te bieden.


    Terwijl de leidinggevenden in Silicon Valley zich in evangelische, haast filantropische bewoordingen uitlaten over wereldwijde internettoegang, financieren Google en Facebook hun connectiviteitsprojecten niet met geld dat is gereserveerd voor maatschappelijk verantwoord ondernemen – nee, ze gebruiken hun kernkapitaal. Daaruit blijkt dat er wel degelijk een bedrijfsmatige logica zit achter het project om te investeren in internettoegang in India en andere opkomende markten.

    Het belangrijkste is misschien nog wel de kans om honderden miljoenen nieuwe smartphonegebruikers meteen vanaf het begin bij de hand te kunnen nemen – als er nog geen gewoonten zijn ingesleten. Facebook zou het moeilijk krijgen in een wereld waarin Google de toegang tot de gebruikers beheert door middel van haar Android-operating system, dat momenteel marktleider is. Op dezelfde manier zou Google grote moeite hebben om data te vergaren als de gebruikers al hun tijd doorbrengen op WhatsApp, dat weer in bezit is van Facebook. En hoewel de advertentiemarkt in India momenteel heel klein is – afgelopen jaar maar net 940 miljoen dollar, afgaande op gegevens van het onderzoeksinstituut eMarketer – praat Facebook al met groot enthousiasme over multinationals zoals Coca-Cola en Nestlé, die zich met specifieke mobiele advertenties op het Indiase platteland zouden willen richten.

    Kiran Jonnalagadda roert een lepeltje boter door zijn zwarte koffie, net als de mensen in Silicon Valley die op dieet zijn. De zevenendertigjarige Kiran, die als ‘hobby’ software ontwikkelt, voor zijn werk techconferenties organiseert en die bekendstaat als internetactivist, zit in een aangenaam briesje op de bovenste verdieping van een café in Bangalore, India’s technologiehoofdstad in het zuiden van India. Hij draagt een blauw hemd met korte mouwen, uit de kraag bungelt een koptelefoontje, om zijn ene pols zit een Fitbit en om de andere een smartwatch. Hij legt uit waarom hij vindt dat Facebook de bijnaam ‘digitale koloniaal’ verdient.

    schermafbeelding 2016 04 21 om 10 35 16

    Facebook was nooit van plan zich te verzetten tegen netneutraliteit. Sterker nog, in Amerika heeft het bedrijf zich hard gemaakt voor netneutraliteit. Wereldwijd gezien zou het bedrijf geld kunnen verliezen als dit principe in het geding zou komen waardoor, bijvoorbeeld, telecombedrijven extra geld zouden kunnen vragen voor WhatsApp omdat ze de pest in hebben dat ze sms-inkomsten mislopen.

    Volgens Chris Daniels, de veertigjarige vicepresident van Facebook die aan het hoofd staat van Internet.org, zag het bedrijf Free Basics als een manier om mensen het internet op te krijgen door ze gratis te laten kennismaken met de voordelen van internet – een soort voorproefje.

    Voor Facebook werd het pas echt pijnlijk toen de Indiase toezichthouder in februari de zogeheten ‘gedifferentieerde prijsstelling’ van internetbedrijven verbood, waarmee de facto Facebooks Free Basics-systeem van tafel was. Het bedrijf liet weten teleurgesteld te zijn over de uitspraak maar verder te gaan met andere internettoegangsprojecten in India. Vervolgens wekte Marc Andreessen, een investeerder en lid van de raad van bestuur van Facebook, de woede van velen met zijn tweet: ‘Antikolonialisme al decennia economische ramp voor Indiase bevolking. Waarom nu stoppen?’ Zuckerberg was er als de kippen bij om die opmerking scherp te veroordelen. Hij noemde de opmerking ‘ronduit schokkend’. Andreessen bood zijn excuses aan maar volgens Jonnalagadda hebben zijn opmerkingen velen gesterkt in de opvatting dat Facebook volkomen terecht als koloniale macht wordt gezien.

    Het is niet eenvoudig om het hele land van internet te voorzien: er moeten greppels worden gegraven, er moeten websites worden vertaald en er moeten zelfs apen worden getemd

    ‘Vanuit economisch perspectief is kolonialisme het onttrekken van bronnen en handel aan de consument zonder dat er een kapitalistische tussenklasse wordt gecreëerd,’ zegt hij. ‘En dat is precies wat we nu zien: ze onttrekken data aan de consument, ze proberen persoonlijke gegevens los te krijgen en ze proberen hun diensten te verkopen. Maar ze willen niet dat daar mensen tussen staan.’

    De kapitalistische klasse die voor Jonnalagadda’s gevoel ontbreekt in de plannen van Facebook komt naar zijn idee van de grond in Bangalore, een stad die hard bezig is op te klimmen van een geliefde outsourcinglocatie voor westerse bedrijven tot een bedrijvig centrum van plaatselijke start-ups. Jonnalagadda was een van de vier oorspronkelijke leden van Save The Internet, een groep van zo’n honderd activisten die destijds de strijd aanbonden met Facebooks Free Basics-app – een strijd die afgelopen februari in hun voordeel is beslecht.

    De activisten bepleitten dat telecombedrijven niet in staat gesteld zouden mogen worden om bepaalde sites of apps gratis aan te bieden terwijl voor het overige internetgebruik wel betaald moet worden, aangezien ze op die manier een inherente ongelijkheid aanbrengen in het systeem van internettoegang. Gewapend met een grappige video die viraal is gegaan, heeft het bedrijf gelobbyd voor ‘netneutraliteit’, een ruim begrip dat erop neerkomt dat al het internetverkeer gelijk moet worden behandeld. Dat uitgangspunt is inmiddels wettelijk vastgelegd in vele landen, van Amerika tot Nederland.

    Free Basics was in de meeste landen probleemloos van start gegaan, maar in India was het al snel omstreden. Toen activisten en mensen van diverse start-ups hun vraagtekens plaatsten bij de beweegredenen van Facebook om een dergelijke beperkte versie van internet beschikbaar te stellen, reageerde het bedrijf nogal agressief. Er verschenen paginagrote advertenties in kranten waarin de beweringen van de activisten werden weerlegd, in alle grote steden werden posters geplakt en Facebookgebruikers werd gevraagd de toezichthouder te laten weten dat men achter het bedrijf stond. Wat de activisten vooral in het verkeerde keelgat schoot was het feit dat Facebook met alle geweld het beeld probeerde uit te stralen dat het bedrijf een weldoener was die arme mensen internettoegang bood, terwijl ondertussen werd verzwegen dat het bedrijf er garen bij spon.

    Het is niet eenvoudig om het hele land van internet te voorzien: er moeten greppels worden gegraven, er moeten websites worden vertaald en er moeten zelfs apen worden getemd. Toen Jonnalagadda in 2007 bezig was met een publiek-privaat project om internetcentra op te zetten in Indiase dorpen, kwam hij tot de ontdekking dat apen het enig vinden om satellietschotels van het dak te duwen.

    Van de 1,2 miljard inwoners van India zijn er meer dan driehonderd miljoen mensen (voornamelijk in de steden, voornamelijk in de hogere of middenklasse) die internet gebruiken, afgaande op cijfers van de Internet and Mobile Association of India. De technologieindustrie in Bangalore doet het bijzonder goed dankzij een groep ondernemers, en vele Indiërs maken carrière bij Amerikaanse techbedrijven (zoals Googles bestuursvoorzitter Sundar Pichai, of Satya Nedella, die aan het hoofd staat van Microsoft – beiden zijn in India geboren en na hun studie naar Amerika gegaan om te promoveren). Over het hele land neemt het aantal internetverbindingen jaarlijks toe met zo’n twee tot drie procent, afgaande op gegevens van ITU. Die toename valt deels toe te schrijven aan de sterke economische groei in India en de dalende prijs van smartphones – in 2015 heeft India de koppositie van Amerika overgenomen als de op een na grootste smartphoneproducent ter wereld, volgens Counterpoint Research.

    Lessen trekken

    Een onderzoek van Deloitte, uitgevoerd in opdracht van Facebook, toont aan dat met een vergroting van de internetdekking in India de economische-groeicijfers op zijn minst zouden kunnen verdubbelen, waarmee het bruto nationaal product zou stijgen met vijfhonderd dollar per hoofd van de bevolking. Maar de bestaande programma’s om de technologie door het land te verspreiden – programma’s die zijn opgezet door de Indiase overheid, telecombedrijven en ngo’s – krijgen maar heel langzaam hun beslag. De trage voortgang is een van de redenen dat veel activisten de pogingen van Silicon Valley om het internet te verspreiden, niet geheel en al verwerpen. Google wordt geprezen om een pr-beleid dat fijnzinniger zou zijn dan dat van Facebook, maar ook projecten van Facebook hebben geen massale kritiek gekregen – zo lang ze maar toegang boden tot het héle internet.

    Silicon Valleys kapitaal, technologie en de wil om snel te handen, zouden de implementatie van internet kunnen versnellen. Wanneer er wordt gepraat over connectiviteitsprojecten laten Google en Facebook weten dat ze alleen al in de komende paar jaar honderdduizenden gemeenschappen hopen te bereiken. Techbedrijven kunnen investeren in grootschalige projecten en ze kunnen talent inhuren om satellieten, drones en ballonnen te vervaardigen die overal ter wereld kunnen worden ingezet. De kosten die hiermee gepaard gaan zijn betrekkelijk voor bedrijven als Facebook en Google.

    Caesar Sengupta, het veertigjarige hoofd productmanagement van Google, zegt dat India op twee manier heel leerzaam blijkt te zijn voor het bedrijf. Om te beginnen wordt duidelijk hoe men producten moet maken voor mensen die voor het eerst in aanraking komen met internet via een smartphone. Door deze lessen kan het bedrijf niet alleen producten ontwikkelen die geschikt zijn voor opkomende markten, maar ook de apps in het westen verbeteren, zegt hij. Want ook daar komt de nieuwe generatie als eerste via een mobieltje in aanraking met internet.


    Het Free Basics-debacle heeft de Indiase regering en de telecombedrijven met de neus op de feiten gedrukt: men zal voortvarender te werk moeten gaan bij het verbinden van mensen zonder verbinding. Parminder Jeet Singh van IT for Change, een in Bangalore gevestigde ngo die zich inzet om technologie te gebruiken voor sociale doeleinden, zegt dat door deze strijd, die op hoog niveau is uitgevochten, internettoegang nu voor het eerst op de politieke agenda terecht is gekomen.

    In een Facebookpost de avond voor de Free Basics-uitspraak liet Zuckerberg ook al doorschemeren dat het bedrijf lessen probeerde te trekken uit het mislukken van dit project.

    ‘Naarmate onze community in India groter is geworden ben ik beter gaan begrijpen dat we ons moeten verdiepen in de geschiedenis en de cultuur van India,’ schreef Zuckerberg. ‘Ik vind het zeer inspirerend om te zien hoeveel vooruitgang India heeft geboekt bij het opbouwen van zowel een sterk land als de grootste democratie ter wereld, en ik verheug me erop om mijn banden met het land nog verder aan te halen.’

    Het is goed om snel lessen te trekken uit de rel rond het digitale kolonialisme, aangezien dit geschil zich in razend tempo over de wereld zou kunnen verspreiden. Mishi Choudhary van het Software Freedom Law Center, dat pro bono diensten verleent aan ontwikkelaars van opensourcesoftware en dat zich sterk heeft gemaakt voor netneutraliteit in India, is al benaderd door activisten die maar wat graag elders de strijd aanbinden met Free Basics.

    Reizigers op het Centraal Station van Mumbai. Samen met onder meer de Indiase Spoorwegen gaat Google op 400 stations snel internet aanleggen. – © Dhiraj Singh / Getty Images
    Reizigers op het Centraal Station van Mumbai. Samen met onder meer de Indiase Spoorwegen gaat Google op 400 stations snel internet aanleggen. – © Dhiraj Singh / Getty Images

    ‘Ik heb gehoord van mensen in Kenia, in Mexico en ook in landen in Zuidoost-Azië, die zeggen dat wat hier is gebeurd als lichtend voorbeeld dient,’ zegt ze. ‘Men heeft zich gedwongen gezien nog eens goed te kijken naar de zogenaamde keuze die Facebook hen in de maag probeert te splitsen.’

    Maar de misschien wel belangrijkste les beperkt zich niet tot India. Die gaat over het beeld dat de rest van de wereld heeft van de complexe drijfveren van Silicon Valley, en hoe dat beeld botst met het beeld dat de Valley zelf uitdraagt: een stel technici met goede ideeën. In India leiden de zorgen over de macht van de Amerikaanse techbedrijven tot debatten over kolonialisme; in Europa leiden ze tot campagnes over belastingvoordelen en privacy.

    De techbedrijven in India zullen ook onder ogen moeten zien dat het verhelpen van sommige problemen die wereldwijde internettoegang verhinderen, domweg tijd zal kosten. Zolang de stroomvoorziening in bepaalde gebieden gebrekkig is en geregeld uitvalt, zal ook de toegang tot internet moeizaam verlopen. Daarnaast zullen dorpelingen die nooit hebben leren lezen en schrijven niet optimaal gebruik kunnen maken van internet, zelfs al zou het beschikbaar zijn. Zo heeft Google in bepaalde gebieden grote moeite moeten doen om voldoende geschoolde vrouwen te vinden voor de blauwe fietsen.

    Een moeder en haar drie kinderen zitten op een smartphone naar een Bollywoodfilm te kijken die ze binnenhalen via de wifiverbinding van het station

    Op het centraal station van Mumbai heeft Google onlangs snelle wifi geïnstalleerd: dit station is het eerste van honderd stations die dankzij een samenwerking van Google en RailTel van wifi zullen worden voorzien. Dit project staat vermeld in de Indiase begroting als een voorbeeld van een publiek-private samenwerking die, hoewel het nog drie jaar kan gaan duren, het soort internettoegang biedt waar de Indiërs naar hunkeren.

    Om halfzes die middag, terwijl het station zich opmaakt voor een zweterige spits en de mensen binnenstromen om de trein naar Delhi te nemen, is er één gezin dat niet voor de trein is gekomen maar voor de wifi. Een moeder en haar drie kinderen zitten op een smartphone naar een Bollywoodfilm te kijken die ze binnenhalen via de wifiverbinding van het station, terwijl de vader even wat dingen in de buurt doet. Het drama ontvouwt zich, de dansjes wekken verwondering en de film wordt afgespeeld zonder ook maar één seconde te haperen.

    Auteur: Hannah Kuchler
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Hannah Kuchler is correspondent voor de Financial Times in San Francisco.

    In nummer 92 van 360 kunt u een controverse teruglezen over de vraag of de kritiek op Free Basics in India terecht was.

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

    kaartje dossier
    Chinezen die in een internetcafé het web op willen, moeten hun identiteitsbewijs tonen. Om zich te registreren op sociale media moet men vaak het eigen telefoonnummer opgeven

    China: Een niet zo nette reus

    1367 miljard inwoners van wie 50,3 % online

    In juni 2015 telde China 688 miljoen internetgebruikers, bijna een op de twee Chinezen, volgens het ‘Jaarrapport ontwikkeling internet’, aangehaald in het tijdschrift Zhongguo wenhua bao. Dat betekent dat het aantal gebruikers in zes maanden tijd met 19 miljoen was toegenomen. Van deze gebruikers heeft 90 procent toegang tot internet via de smartphone.

    Bijna de helft van de nieuwe gebruikers woont op het platteland, waar men bezig is met een forse inhaalslag. De plattelandsbevolking vertegenwoordigt nu slechts 28 procent van de Chinezen met toegang tot internet, hoewel zij nog ongeveer de helft van de totale bevolking uitmaakt. De meest achtergebleven delen van het land (Tibet, Qinghai, Xinjiang) hebben ook het laagste internetgebruik.

    De censuur blokkeert met regelmaat pagina’s, of delen van een site waarvan de inhoud de censor niet bevalt, en laat aansluitingen opheffen. Tegelijkertijd is de toegang tot internet sinds 2009 steeds vaker onderworpen aan het bekendmaken van de identiteit van de gebruiker. Chinezen die in een internetcafé het web op willen, moeten hun identiteitsbewijs tonen. Om zich te registreren op sociale media moet men vaak het eigen telefoonnummer opgeven, waarvan het verkrijgen doorgaans weer afhankelijk is van het tonen van een identiteitsbewijs.

    Buitenlandse websites kunnen binnenkort de verplichting tegemoetzien zich te registreren bij een in China gevestigde provider als zij voor de Chinese internetgebruikers bereikbaar willen blijven.

    Informaticapiraten hebben de gratis diensten van Wikipedia en Facebook gebruikt om de Angolese burger vrije toegang te verschaffen tot films, televisieprogramma’s en muziek

    Angola: Piraterij via Facebook en Wikipedia

    20 miljoen inwoners van wie 19,4 % online

    Zoals onder elk autoritair regime speelt vindingrijkheid een grote rol in Angola. Informaticapiraten hebben de gratis diensten van Wikipedia en Facebook gebruikt om de Angolese burger vrije toegang te verschaffen tot films, televisieprogramma’s en muziek, zo meldt de Amerikaanse website Motherboard.

    In 2014 sloot Wiki een samenwerkingsovereenkomst met de distributeur van telecommunicatie Unitel om de Angolezen met hun smartphone gratis toegang te geven tot de databank van Wikipedia. Het programma, met de naam ‘Wikipedia Zero’, bestaat in 64 landen. Tezelfdertijd introduceerde Facebook in de voormalige Portugese kolonie zijn gratis app Free Basics (die in India de voorpagina’s haalde – zie hoofdartikel).

    Nadat zij data hadden verstopt in de pagina’s van Wikipedia in de Portugese versie, bedienden de Portugese piraten zich van Facebook om hun verbindingen te delen met hun vrienden op het sociale netwerk.

    Dat misbruik van zijn pagina’s stoort de Wikimedia Foundation, die een ‘interventiegroep’ heeft samengesteld om de piraterij tegen te gaan. ‘Indien men in overweging neemt dat Angola al meer dan dertig jaar wordt geleid door een alleenheerser [president José Eduardo dos Santos kwam in 1979 aan de macht], zouden de talenten van de piraten op een dag zeer wel van pas kunnen komen,’ aldus de website. ‘Zij hebben geleerd zich online te organiseren, hun sporen te wissen en documenten te verstoppen en te delen.’

    Op 28 maart van dit jaar werden zeventien politieke tegenstanders van het regime in Angola veroordeeld tot gevangenisstraffen van twee tot achtenhalf jaar.

    Vandaag de dag betalen de Cubanen twee dollar voor een uur toegang tot een naar adem snakkend internet, een bedrag dat gelijk staat aan tien procent van het gemiddelde maandsalaris

    Cuba: Google in het kielzog van Obama

    Cuba: 11 miljoen inwoners van wie 27,5 % online

    Tijdens zijn officiële bezoek aan Cuba in maart kondigde Barack Obama een enthousiasmerende overeenkomst aan: de komst naar het eiland van de gigant Google in een zaal van het cultureel centrum van een bekende beeldhouwer in Havana, Kcho, met een internetproject dat zeventig keer sneller is dan het bestaande. De ruimte is door Google ingericht met computers, smartphones en onlineverbindingen, en kan veertig mensen tegelijk ontvangen voor gratis toegang tot het web. ‘Een luxe in een land waar de toegang tot een snelle internetverbinding niet hoger is dan één procent,’ aldus de Cubaanse website 14ymedio.

    De inwoners van Cuba moeten met tot dusver doen met een van de veertig plekken waar een wifistation is die tot nu toe door de autoriteiten sinds juli 2015 zijn toegestaan (aan het eind van het jaar zullen het er tachtig zijn), een honderdtal centra waar internet tegen betaling toegankelijk is en een zeer klein aantal privéverbindingen met uitdrukkelijke toestemming van de overheid. En alles wordt beheerd door de officiële en enige provider van alle telecommunicatie op het eiland, Etecsa.

    Vandaag de dag, meldt de website El Toque (een nieuwssite gericht op de jeugd), betalen de Cubanen twee dollar voor een uur toegang tot een naar adem snakkend internet, een bedrag dat gelijk staat aan tien procent van het gemiddelde maandsalaris. De verbinding wordt in 91 procent van de gevallen gebruikt om nieuwe vrienden te maken op Facebook.

    CONTEXT: Welke technologie is nodig voor een snel internet?

    Om van internet gebruik te kunnen maken, moet men er vooraleerst toegang toe hebben. En dat dan met minder vertraging dan eertijds met de oude modems het geval was. In India bijvoorbeeld – waar de verbindingssnelheid een van de traagste ter wereld is, volgens een rapport uit 2015 van Akamai Technologies – zijn er diverse initiatieven van de overheid en uit de privésector om internet met een hoge capaciteit (en dus snelheid) te ontwikkelen. ‘Het Indiase ministerie van telecommunicatie heeft aangekondigd dat het staatsbedrijf BSNL tussen nu en 2017 2500 nieuwe wifistations zal bouwen met een spreiding over het hele land,’ aldus de Amerikaanse website Mashable. ‘Microsoft werkt onderwijl aan het gebruik van de ruimte in het spectrum die niet wordt benut voor het doorgeven van tv-signalen om de Indiërs een betere wifiverbinding te bezorgen.’

    Andere grote Amerikaanse ondernemingen, waaronder Google en Facebook, werken aan de ontwikkeling van innovatieve toegangswegen tot internet voor gebieden die nu nog moeilijk bereikbaar zijn. Beide richten zich vooral op drones die het internetsignaal zouden kunnen doorgeven vanuit de stratosfeer, op meer dan 18 kilometer boven het aardoppervlak. Het Loon-project van Google, waarbij ballonnen worden gebruikt en dat al op kleine schaal is getest, zal in de nabije toekomst op grotere schaal worden ingezet om Sri Lanka te bedienen.

    Volgens Bloomberg is Loon ‘een minder dure oplossing dan onderzeese kabels, die drukke knooppunten als Singapore en Hongkong zouden moeten passeren’. Maar het tijdschrift MIT Technology Review waarschuwt dat alle lopende projecten belangrijke wijzigingen noodzakelijk maken op het gebied van nationale en internationale regelingen en verdragen.

    Beeld bovenaan: Een vrouw checkt haar smartphone in bed. Driehonderd miljoen Indiërs, voornamelijk stedelingen uit de middenklasse, maken nu al gebruik van internet. – © Ramnath Bhat

  • Is de kritiek op Facebook in India terecht?

    Is de kritiek op Facebook in India terecht?

    Met het gratis programma Free Basics wilde Facebook arme bewoners van India toegang geven tot een deel van het internet. Maar volgens activisten is het initiatief in strijd met de netneutraliteit, en daarom heeft de Indiase toezichthouder het voorlopig verboden. Hebben de critici gelijk?

    NEE

    Het is Mark Zuckerberg bijna gelukt om een miljard arme Indiërs gratis toegang te geven tot een deel van internet. Maar een actiegroep uit een welvarende minderheid, die het grootste deel van de Indiase bandbreedte verbruikt, heeft een campagne op touw gezet om te voorkomen dat hij zijn doel bereikt. En vooralsnog hebben de activisten gewonnen.

    De activisten zijn fervente aanhangers van het ware geloof, beter bekend als netneutraliteit: een internetprovider mag niemand bevoordelen door sneller of goedkoper toegang tot het net te geven of bepaalde diensten te leveren.

    Ongetwijfeld zijn er loffelijke argumenten voor netneutraliteit. Maar sommige activisten investeren zelf of zijn beïnvloed door investeerders in start-ups; ze hebben een groot commercieel belang bij het voorkomen dat providers te veel macht krijgen. Er staat zo veel voor ze op het spel dat ze overtrokken reageren op het plan van Zuckerberg.

    ‘iedereen’ heeft er baat bij, niet alleen Facebook

    Zoals dat gaat met activisten heb je de goeden, de schijnheiligen en degenen die handelen uit eigenbelang, en allemaal proberen ze het grote publiek voor zich te winnen. Facebook rekent niets voor Free Basics en betaalt de provider ook niets voor het verlenen van de gratis dienst. Het heeft ook geen exclusieve overeenkomst met provider Reliance. Tenzij je een uitermate strenge definitie hanteert, is Free Basics niet strijdig met netneutraliteit. Dat de activisten toch rabiaat tegen het plan zijn, is omdat ze hun ideologie of hun eigen materiële belang boven de ontwikkeling van de armen stellen.

    Als de armen in India verstoken zouden raken van hun petroleum, voedselsubsidies, goedkope treintickets en elektriciteit, zouden ze de straat op gaan en het land lamleggen. En dat zouden ze ook doen als ze echt door zouden hebben wat hen door internetactivisten in India ontzegd wordt.

    Zuckerberg ontkent niet dat hij een commercieel belang heeft bij de wereldwijde verspreiding van internet. ‘Op lange termijn nemen onze zakelijke kansen ongetwijfeld toe naarmate er meer mensen online zijn.’ Maar, zegt hij, ‘iedereen’ heeft daar baat bij, niet alleen Facebook.

    Toen Facebook begon met het ontwikkelen van internet voor arme mensen, heette het nog internet.org, een systeem waarin Facebook een handjevol websites koos die gratis toegankelijk waren. De activisten vonden dat deze opzet Facebook te veel macht gaf en Zuckerberg kon zich daarin vinden. In de volgende versie zorgde hij ervoor dat de regels voor toegang zo duidelijk waren dat alle ontwikkelaars deel konden nemen aan het systeem.

    Hiermee behaalden de activisten een belangrijke overwinning. Maar wat Zuckerberg zich niet realiseerde, was dat hun activisme nooit stopt.

    Hindustan Times
    India | oplage 1.032.000
    Veruit de populairste krant in New Delhi, naast grote rivaal Times of India. Nuchtere toon. Redactioneel schurkt de krant tegen de macht aan.

    JA

    Waarom heeft Facebook eigenlijk gekozen voor Free Basics, dat gebruikers keus biedt uit zo’n honderd websites, en niet voor de optie om arme mensen gratis toegang te geven tot een open, pluriform en divers internet?

    Onderzoek door Amba Kak van het Oxford Internet Institute heeft uitgewezen dat mensen die relatief onervaren zijn en een laag inkomen hebben, de voorkeur geven aan een open en ongelimiteerd internet. Ze willen liever tijdelijk toegang tot miljoenen websites en apps, dan te allen tijde slechts een deel van het internet gebruiken.

    Waarom heeft Facebook niet gekozen voor opties die niet strijdig zijn met netneutraliteit? In India bijvoorbeeld, biedt Aircel [een van de grootste providers] drie maanden gratis onbeperkt toegang tot internet met 64 kbit/s. De Mozilla Foundation [een ngo die tot doel heeft de toegankelijkheid van internet te vergroten] heeft twee programma’s die gratis en onpartijdige internettoegang biedt; in Bangladesh krijgen de gebruikers van Grameenphone gratis data, maar wel 
met advertenties.

    Instandhouding van Free Basics zou erop uitdraaien dat elk telecombedrijf zijn eigen internetzeepbel blaast

    Wellicht negeert Zuckerberg deze opties om de netneutraliteit, zoals Vishal Misra van Columbia 
University die definieert: netneutraliteit heeft tot doel geen enkele internetprovider (of telecombedrijf) concurrentievoordeel te geven voor een bepaalde website of applicatie. Op dit moment behoudt Facebook zich het recht voor, in samenwerking met Reliance Communications, om applicaties van websites en apps voor Free Basics af te wijzen en ontwikkelaars te dwingen zich te conformeren aan hun technische richtlijnen. Toestemming (en daarmee tijd) van Facebook zou nodig zijn om bijvoorbeeld een door burgers opgezet project voor crisisbestrijding, zoals chennairains.org, op Free Basics te krijgen. Facebook is onoprecht als 
het zegt dat Free Basics in lijn is met netneutraliteit.

    Terwijl Facebook zich in de VS hard maakt voor een wet 
op de netneutraliteit en voor vergunningsvrije innovatie, pleiten ze in India met hun Free Basics juist voor een internet dat is gebaseerd op een vergunningenstelsel.

    Instandhouding van Free Basics zou erop uitdraaien dat elk telecombedrijf zijn eigen internetzeepbel blaast. Verschillende bevolkingsgroepen in India zouden toegang krijgen tot verschillende informatie en kennis, afhankelijk van de afspraken van hun telecombedrijf met onlineproviders.

    Free Basics en zijn collega-telecombedrijven zijn niet open, pluriform of divers, ze kunnen schadelijk zijn voor de Indiase democratie.

    Naar verwachting telt India tegen het einde van 2017 500 miljoen internetgebruikers, en het soort internet waar ze toegang tot hebben is van belang voor ons land. Daarom is de strijd voor netneutraliteit een strijd voor onze vrijheid op internet.

    Times of India
    India | oplage 2.200.000
    In handen van de gebroeders Samir en Vineet Jain. Beroemdheden kunnen er betalen voor publicaties. De krant uit 1838 heeft de grootste oplage ter wereld.

    Vertaler: Monique ter BergBeeld bovenaan: © Hemant Mishra / Mint