Tag: gezondheidszorg

  • Een bezoek aan de luxe vastenkliniek van de elite

    Een bezoek aan de luxe vastenkliniek van de elite

    Sjeiks en aristocraten, managers en politici en zelfs Hollywoodsterren: de vastenkliniek Buchinger Wilhelmi aan het Bodenmeer is een bedevaartsoord voor de rijken en superrijken.

    Zwarte chocolade. Een klein stukje. Dat is haar grootste wens, zegt een oudere dame met een aristocratische uitstraling. Met trage passen loopt ze over het terrein. Daar beneden golft het Bodenmeer zachtjes. De dame heeft wekenlang bijna niets gegeten en daar veel geld voor betaald.

    De Buchinger Wilhelmi-vastenkliniek is een opmerkelijke plek. De sfeer op het complex houdt op het eerste gezicht het midden tussen [de Duitse televisieseries] Bergdoktor en Traumschiff. Het is er stil als in een klooster: spreken vervalt bijna onvermijdelijk in gefluister. Het is er allesbehalve spartaans en luxueuzer dan in de meeste tophotels. Rijken en superrijken, mooie en niet meer zo mooie mensen zijn hier om aan te sterken. Ze mediteren en lezen, doen aan lichte sporten en lange wandelingen, lepelen bouillon en nippen thee.

    Soms lijkt het er zo gezond, gepolijst en schoon dat je verwacht dat iemand weldra de dubbelzinnigheid ervan blootlegt. Dit zou met een beetje fantasie ook het decor kunnen zijn van een misdaadserie op Netflix, waarin de heilzame façade van het therapeutische vasten instort en met elke volgende slok vruchtensap de afgrond van het afzien duidelijker zichtbaar wordt.

    Mal

    Leonard Wilhelmi belichaamt deze ideale wereld als geen ander. Hij is de vierde generatie die het familiebedrijf leidt, en als je hem ontmoet krijg je het gevoel dat de erfgenamen van de Buchinger Wilhelmi onthoudingsdynastie uit een mal komen. Zo perfect past hij in zijn rol. Hij groeide hier op en nam de kliniek over van zijn ouders. Hij kreeg het vasten mee met de moedermelk, zogezegd.

    Ooit maakte hij zijn huiswerk in de kliniek. Om de hoek, een paar honderd meter heuvelopwaarts, ging hij naar school. Zoals het toeval en de ongeschreven wet van het Duitse familieondernemerschap het wilden, was die school hét Duitse elite-internaat bij uitstek: kasteel Salem. Hij woonde er ook, ondanks de nabijheid van zijn ouderlijk huis.

    Zijn ouders stuurden hem tussendoor ook nog twee jaar naar een elite-internaat in Schotland. Hij studeerde bedrijfskunde in Sankt Gallen, aan de dichtstbijzijnde, internationaal goed aangeschreven universiteit. Maar als je naar hem luistert was hij nooit zo’n turbokapitalist, maar eerder iemand met geweten en hersens. ‘Ik vond managementconsultancy en investment banking niet creatief,’ zegt hij over zijn studententijd aan de andere kant van het Bodenmeer.

    Toch maakte hij carrière, bij een telecommunicatieconcern en ook bij een managementadviesbureau. Daarnaast richtte hij een sociale onderneming op voor gehandicapten die appelsap produceren. Maar hij nam altijd de tijd om zijn rust te nemen, zegt hij. ‘Ik had de neiging om eerder te vasten dan antibiotica te nemen.’ Hij liet zijn medestudenten kennismaken met vasten en overtuigde hen van het Tupperware-systeem dat de familie Wilhelmi toepast om hun ochtendmuesli efficiënt en gedisciplineerd te bereiden. Zelf eet hij meestal pas rond elf uur, omdat intervalvasten een lange pauze tussen avondeten en ontbijt vereist. Als je hem vraagt of hij nooit uit deze ideale wereld heeft willen breken, kijkt hij je met grote donkere ogen aan: hij heeft er nooit enige reden toe gehad.

    Wilhelmi vervult vele functies. Hij is tegelijkertijd abt van het vastenklooster, directeur, manager van het hotel en van de kliniek en familieondernemer. ’s Avonds geeft hij soms lezingen en de meeste gasten ontvangt hij persoonlijk.

    Deze kliniek is onderdeel van een internationale industrie die zorgt voor de rijkste mensen ter wereld, en vertrouwelijkheid is er het hoogste goed

    Het is een illustere omgeving. De namen van een gravin en verschillende andere aristocraten die belang lijken te hechten aan hun blauwe bloed en ook namen van buitenlandse politici zijn te vinden op de naambordjes die de plaats van de gasten aangeven in de eetzaal van de vastenkliniek. Deze schijnbare tegenstelling van ‘eetzaal’ en ‘vasten’ wordt in de stijl van de jaren vijftig opgelost. De welgestelde gasten worden teruggevoerd naar de tijd waarin de kliniek werd opgericht: wie toch iets wil eten omdat het vasten te inspannend is, krijgt bijvoorbeeld een carpaccio van rode biet of gegrilde savooiekool voorgeschoteld.

    Niet zelden bevinden zich beroemdheden onder de gasten: zelfs Hollywoodsterren komen naar Überlingen of naar de tweede Buchinger-kliniek in het Spaanse Marbella, die Wilhelmi’s grootouders in de jaren zeventig openden en die nu door zijn neef wordt geleid. Ook Saoedische sjeiks, gestreste managers of politici met lijfwachten vasten volgens de Buchinger-regels: Josef Ackermann herstelde hier van de stress die hij ervoer door het najagen van rendement en Eckart von Hirschhausen van de beproevingen van het talkshowcircuit.

    Vasten-kok Hubert Hohler, al sinds geruime tijd coryfee in zijn vakgebied en door menige superrijke vereerd als goeroe, is speciaal ingevlogen voor de luxe catering. Hij vertelt over zijn mountainbiketocht in gezelschap van een tv-dokter en vraagt zich dan plots af of hij daarmee niet een ijzeren wet van de kliniek overtreedt: niet spreken over de gasten. Want deze kliniek is onderdeel van een internationale industrie die zorgt voor de rijkste mensen ter wereld, en vertrouwelijkheid is er het hoogste goed.

    Als er televisieploegen komen om verslag te doen van de geheimen van het vasten, zijn er elke keer klachten, zegt Wilhelmi. Tegelijkertijd is publiciteit nodig. Je kunt er de klok op gelijk zetten dat artikelen over de kliniek aan het begin van het jaar verschijnen – wanneer mensen nog zo veel geloof hechten aan hun goede voornemens dat ze er ook geld aan willen spenderen – en kort voor de vastentijd voorafgaand aan Pasen. Een pr-adviseur die al lang in het vak zit, cultiveert het imago van de vastenclan.

    Jaarsalaris

    Afzien heeft zijn prijs. Het kortste vastenprogramma duurt volgens de brochure tien dagen en kost tussen de 3550 en 24.850 euro, afhankelijk van de kamer. Wie achtentwintig nachten wil blijven is minstens een kleine auto kwijt (9940 euro), maar kan ook aanzienlijk meer dan een gemiddeld jaarsalaris neertellen (69.580 euro). Die suite heeft dan wel een eigen sauna, een jacuzzi, een regendouche, een kleedkamer en natuurlijk uitzicht op het meer. Vasten, maar vorstelijk.

    Dit alles is voor Wilhelmi slechts ogenschijnlijk een tegenstelling. ‘In welke omgeving wordt een mens weer gezond?’ vraagt hij retorisch. In dit bijna kloosterachtige complex met reguliere zorg? Of in een gewoon ziekenhuis dat alleen maar diepvriesmaaltijden voorschotelt?

    De gezondheidswijsheden van Wilhelmi, zijn kok of zijn hoofdarts hebben steeds weer hetzelfde effect. Enerzijds voel je je schuldig dat je je lichaam mishandelt met stoffen die in de vastenwereld als gif worden beschouwd. En ook omdat het je niet vaak genoeg lukt om voor jezelf de strengheid en discipline op te brengen die deze kliniek uitstraalt. Aan de andere kant is hun overtuigde – zelfs autoritaire – benadering wel erg streng. Koffie met muesli is een zonde, zegt chef Hohler, alsof het een vanzelfsprekendheid is. En dan begint hij een voordracht over de vitaminen in muesli en het looizuur in koffie, terwijl de meeste mensen slechts geïnteresseerd zijn in de cafeïne.

    De familie Wilhelmi is nogal terughoudend als het over haar economische situatie gaat. Het aardse verstoort de schoonheid. Maar in de geconsolideerde jaarrekening in de Bundesanzeiger is de belangrijkste informatie te vinden, al is die niet heel recent. De kliniek kwam in 2021 samen met die in Marbella, die ongeveer een derde kleiner is dan die in Überlingen, uit op een winst van een kleine vijf miljoen euro, na een min van een kleine driehonderdduizend euro in het coronajaar 2020. De familie Wilhelmi haalde daarmee bijna het niveau van voor de pandemie in 2019, toen ze een winst boekten van ruim zes miljoen euro. Ze mikten vorig jaar op een winst van ongeveer zeven en een half miljoen euro. De omzet bereikte in 2021 met ruim vierenveertig miljoen euro bijna de waarde van voor de pandemie. Ze hoopten daar in 2022 overheen te gaan. De klinieken hebben samen zo’n vijfhonderdvijftig mensen in dienst.

    Opgeruimd

    Wilhelmi wil verder uitbreiden en zijn bijdrage leveren aan de dynastie. Zijn overgrootvader, de arts Otto Buchinger, richtte de kliniek op. Zijn grootouders breidden uit naar Marbella, vergrootten het kameraantal en ontwikkelden therapieën. Zijn ouders werkten aan de wetenschappelijke basis. Nu is het aan hem om een nalatenschap te scheppen: hij heeft een ‘vastenbox’ ontwikkeld waarmee klanten thuis kunnen vasten. ‘Zo blijven we het hele jaar door met elkaar in contact.’

    Het programma duurt vijf dagen en de box bevat onder meer verschillende soorten thee, soepen, olie en een meetlint. De inhoud is goed voor meer dan twee keer zo veel calorieën per dag als het strenge regime in Überlingen toestaat; daar komt het neer op 250 kilocalorieën per dag. Er zit een app bij die video’s bevat over meditatie en medische lezingen. De box kost 199 euro.

    Economisch gezien mogen ze de pandemie dan lang achter zich hebben gelaten, ze zien de naweeën ervan nog regelmatig bij hun patiënten. ‘Af en aan behandelen we long covid,’ zegt Wilhelmi. Hij is ervan overtuigd dat vasten daarbij helpt, wat hij verklaart aan de hand van ontstekingsparameters en de activiteit van de mitochondriën. Patiënten boeken ook vaker een psychotherapeut. Wilhelmi heeft speciaal daarvoor nieuwe specialisten aangesteld.

    Zijn relatie met andere medewerkers is opmerkelijk. De hoofdarts, chef Huber en de masseur werken al tientallen jaren in de kliniek. ‘Leo’, zoals ze hem noemen, kennen ze al sinds hij als klein kind tussen de vastende clientèle speelde. Is het niet vreemd dat die jongen nu hun baas is? O nee, geen probleem, zeggen ze. En hun vriendschappelijke omgang oogt inderdaad niet als een toneelstukje voor de pers, maar eerlijk en harmonieus. Dit is de opgeruimde wereld van het therapeutische vasten.

    Het is alsof de kliniek de deur wil openhouden naar alle milieus

    De kliniek in Überlingen heeft ongeveer twee keer zoveel medewerkers als kamers. De meeste medewerkers die je op het terrein ziet zijn jong en sportief, zoals je van een goed hotel mag verwachten. Jonge mensen uit de regio doen hier vakantiewerk. Deze medewerkers zorgen voor de grijzende gasten die hun baantjes trekken in het zwembad, fitnessoefeningen doen met uitzicht op het Bodenmeer of mediteren in de gebedsruimte.

    Dertig jaar geleden hadden gasten nog het gevoel dat ze in hun doen en laten werden beperkt als ze naar de kliniek kwamen, zegt Wilhelmi. Nu beschouwen ze een verblijf hier als een investering in zichzelf. Een psychische aandoening als burn-out behoort tot een van de vier diagnosegroepen waarin de kliniek haar gasten indeelt. Wilhelmi noemt ook het metabool syndroom, dus hart- en vaatziekten en ontstekingsziekten. Ziekten die moeilijk te genezen zijn, zoals multiple sclerose, Parkinson of kanker, vallen onder het kopje ‘veelbelovend’ – een gebied dat nog in ontwikkeling is. Met het vasten hopen ze een bijdrage te leveren aan de genezing.

    De methode die de Buchinger Wilhelmi-kliniek hanteert staat historisch gezien niet ver af van andere alternatieve geneeswijzen die in het zuidwesten van Duitsland populair zijn. Wilhelmi’s overgrootvader Otto Buchinger, die door een vastenkuur van zijn artritis genas, was eerst quaker en daarna streng katholiek en wilde de patiënten in zijn kliniek tot inkeer brengen. Wilhelmi zelf noemt hem een oerdwarsdenker uit een breder spiritueel milieu, waarin bijvoorbeeld ook Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, actief was.

    Wilhelmi neemt afstand van dat milieu, maar ook weer niet te veel. De esoterie die veel van deze bewegingen kenmerkt, past niet echt in de elitaire vastenkliniek van nu. Het is koorddansen, zegt hij. Hij noemt zijn aanpak complementaire in plaats van alternatieve geneeskunde en hij benadrukt dat wordt samengewerkt met zorgverzekeraars en dat de kliniek gecertificeerd is. Zijn streven naar wetenschappelijke erkenning blijkt ook uit zijn woordkeuze. Als hij bijvoorbeeld zegt ‘Vasten is de grootste niet-farmacologische interventie’, dan klinkt hij als een arts.

    Tegelijkertijd zegt hij ook dat sommige natuurlijke geneeswijzen wonderen doen. Er staan nog altijd dikke homeopathische boekwerken in de bibliotheek van de kliniek. De hoofdarts zegt niets met antroposofie te hebben, maar ze zweert bij Kneipp en natuurgeneeskunde en is sceptisch over de motieven van de farmaceutische industrie, die voor van alles geneesmiddelen probeert te maken en blij is met veel diabetici. Het is een beetje alsof de kliniek de deur wil openhouden naar alle milieus of, in zakelijke termen uitgedrukt, geen enkele klantengroep van zich wil vervreemden.

    En/en

    Het is een strategie van zo min mogelijk aanstoot geven, een voortdurend en/en. Daarin past ook de omgang van Wilhelmi met de traditie, die hij benadrukt waar hij maar kan. Zo staat er een standbeeld in de tuin: Otto Buchinger tijdens een van zijn geliefde wandelingen met zijn teckel. En bij de ingang en in het trappenhuis van de kliniek hangen familiefoto’s uit verschillende decennia, waarop alle mooie, gezonde familieleden van Wilhelmi te zien zijn. De meeste vrouwen zijn blond, de donkerharige mannen tonen Spaanse invloed. Ze zien eruit als de familie in een Spaanse telenovela [een uit Latijns-Amerika afkomstig televisiegenre].

    Aan de andere kant, zo zegt Wilhelmi, doen ze niets ‘enkel omdat Otto Buchinger het heeft gezegd’. En daarom streven ze, ondanks de associatie met natuurgeneeskunde en het Demeter-voedsel dat in overeenstemming met de maanstanden wordt gekweekt, naar wetenschappelijke erkenning. De kliniek werkt samen met wetenschappers van de Charité [een van de grootste universitaire ziekenhuizen van Europa in Berlijn] en publiceert studies in wetenschappelijke tijdschriften. Al die onderzoeken hebben één ding gemeen: ze zijn betaald door de Wilhelmi-familie. Aan onderzoek geven ze een bedrag uit van zeven cijfers per jaar, zegt Leonard Wilhelmi. De onderzoeksafdeling, opgebouwd door zijn moeder, telt zeven vaste medewerkers.

    Is dat eigenlijk niet gewoon een succesvolle marketingcampagne? Wilhelmi verwerpt dat. ‘Wij doen dit niet vanwege commerciële doeleinden.’ Ze willen ‘de pioniers van het vasten’ blijven en conclusies kunnen trekken als iets niet werkt, zegt hij. De kliniek is met zes- tot zevenduizend gasten per jaar het grootste onderzoekslaboratorium voor therapeutisch vasten ter wereld.

    Maar zouden ze ook onderzoeksresultaten publiceren waaruit blijkt dat vasten niet werkt? De erfgenaam van de vastendynastie geeft een ontwijkend antwoord. ‘Tot nu toe heeft het altijd gewerkt,’ zegt hij met vriendelijke glimlach. Hij gelooft hoe dan ook dat er duidelijk bewijs is: ‘We beschikken over een stroom aan wetenschappelijke documentatie. Het wordt steeds moeilijker om de werking van vasten te ontkennen.’

  • De Afrikaanse gezondheidszorg gaat gebukt onder torenhoge leenkosten

    De Afrikaanse gezondheidszorg gaat gebukt onder torenhoge leenkosten

    Omdat geld lenen duur is moeten Afrikaanse regeringen vaak kiezen tussen schuldaflossing en investeren in hun gezondheidszorg. De G20-top van komende november, de eerste in Afrika en de tweede met de Afrikaanse Unie als permanent lid, is een ideale gelegenheid voor het creëren van betere opties.

    Na afloop van de 78ste jaarvergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) afgelopen mei heerste er een zelfgenoegzame stemming. Er waren tal van successen om prat op te gaan, van een akkoord over pandemische paraatheid tot een verhoging van de WHO-bijdragen. Wel was er een olifant in de kamer, die schuilging achter een spandoek met de tekst ‘One World for Health’, het thema van het evenement: de hoge leenkosten waarmee Afrikaanse landen kampen.

    Hoewel het Afrikaanse continent de jongste bevolking ter wereld heeft, is het goed voor 24 procent van het wereldwijde aantal ziektegevallen. De uitgaven aan gezondheidszorg bedragen echter maar 1 procent van het wereldwijde totaal. In 2001 besloten Afrikaanse landen het heft in eigen handen te nemen en voortaan minstens 15 procent van hun nationale budget aan gezondheidszorg te besteden, een doel dat meer dan twee decennia later maar door twee landen wordt gehaald. Gemiddeld besteden overheden op het continent slechts 1,48 procent van hun bbp aan gezondheidszorg en komt 37 procent van de uitgaven uit de zak van de burgers zelf.

    De kapitaalkosten kosten levens

    De belangrijkste reden hiervoor zijn de hoge leenkosten. Waar hoge-inkomenslanden kunnen lenen tegen een rente van 2 à 3 procent, betalen hun Afrikaanse tegenhangers meer dan 10 procent. Deze discrepantie, die illustreert hoe beleggers over het verhoogde risico van Afrikaanse economieën denken, heeft tot gevolg dat Afrikaanse regeringen vaak moeten kiezen tussen het afbetalen van schulden of het kopen van medicijnen, het inhuren van artsen en het bouwen van klinieken. De kapitaalkosten kosten levens. 

    Neem het noodlottige Managed Equipment Services (MES)-programma van Kenia, een publiek-privaat samenwerkingsverband gericht op het leveren van moderne apparatuur aan ziekenhuizen om de dienstverlening te verbeteren. Hierdoor kregen veel ziekenhuizen weliswaar de beschikking over hightechapparatuur, maar de investeringskosten waren zo hoog dat er geen geld overbleef voor het ontwikkelen van de benodigde infrastructuur en het aannemen van personeel om de apparatuur te bedienen.

    In Ghana, waar de overheidsschulden weinig financiële ruimte overlaten, gaat bijna 75 procent van het overheidsbudget voor gezondheidszorg op aan de lonen van zorgpersoneel. Voor andere cruciale uitgaven, zoals geneesmiddelen en kraamzorg, blijft vrijwel niets over. In 2023 zagen enkele plattelandsklinieken zich door een tekort aan antimalariamiddelen genoodzaakt patiënten voor de aanschaf daarvan naar particuliere apotheken te verwijzen. Veel gezinnen kwamen daardoor voor de gruwelijke keuze te staan tussen een nog diepere armoedeval of de vroegtijdige dood van een dierbare.

    De gezondheid van Afrikanen mag niet afhankelijk zijn van de vrijgevigheid van derden

    Veel Afrikaanse landen zijn door de hoge leenkosten aangewezen op de welwillendheid van buitenlandse donoren. Maar gezondheidszorg die afhankelijk is van hulp van derden is buitengewoon fragiel. Dat zagen we tijdens de covid-19-pandemie en zien we opnieuw gebeuren nu veel Europese landen bezuinigen op ontwikkelingshulp en de Verenigde Staten hun hulpprogramma’s zelfs volledig afbouwen, te beginnen met USAID – het Amerikaanse agentschap voor internationale ontwikkeling.

    In Malawi zijn cruciale programma’s als hiv-behandeling en -preventie door deze bezuinigingen al gedwongen om zelf geld bijeen te scharrelen. Lokale ngo’s zijn genoodzaakt hulpverleners te ontslaan en patiënten met tuberculose of hiv moeten het zonder zorg stellen. Zoals een wijkverpleegkundige in Zuid-Afrika verzuchtte: ‘Ik vrees dat de sterfte erg hoog zal zijn.’

    De gezondheid van Afrikanen mag niet afhankelijk zijn van de vrijgevigheid van derden. Overheden moeten kunnen investeren in stabiele, veerkrachtige, zelfvoorzienende zorgstelsels. Om aan het benodigde geld te komen experimenteren Senegal en Zambia inmiddels met ‘gezondheidsbelasting’ op alcohol en suikerhoudende dranken. Landen als de Seychellen ontwikkelen schuld-in-ruil-voor-zorgprogramma’s met veelbelovende resultaten. Ook de Nigeriaanse diaspora zou miljarden kunnen mobiliseren via gezondheidsobligaties, mits die worden ondersteund met gunstige voorwaarden en garanties van multilaterale banken.

    Uiteindelijk is er geen vervanging voor betaalbaar, voorspelbaar kapitaal. Daarom moet het verlagen van de leenkosten topprioriteit zijn tijdens de komende G20-top in november.

    Prioriteiten

    Om dat te bereiken, moeten structurele oorzaken worden aangepakt, zoals verouderde internationale regels en bevooroordeelde risicobeoordelingen. Daarnaast is tijdige en substantiële schuldverlichting essentieel. Dit vraagt om innovatieve oplossingen, zoals schuld-in-ruil-voor-zorgprogramma’s en de opname van pauzeclausules in leencontracten, zodat betalingen kunnen worden opgeschort als er bijvoorbeeld een pandemie uitbreekt.

    Een derde prioriteit is het veiligstellen van blijvende politieke steun voor multilaterale zorgprogramma’s zoals de Vaccinatie-alliantie Gavi en het Wereldfonds ter Bestrijding van Aids, Tuberculose en Malaria. Alleen op die manier kan een continue levering van essentiële gezondheidszorg worden gegarandeerd.

    Ten slotte moet de G20 zich inzetten om Afrikaanse landen meer toegang te geven tot concessionele financiering voor hun zorginfrastructuur via multilaterale ontwikkelingsbanken.

    De huidige kapitaalkosten dragen bij aan een ontwrichtende wereldwijde gezondheidscrisis

    De G20 is het aangewezen forum voor deze acties. Het mandaat van de groep omvat het aanpakken van mondiale uitdagingen, het stimuleren van economische samenwerking en het waarborgen van wereldwijde stabiliteit. De huidige kapitaalkosten overstijgen de draagkracht van vrijwel elk Afrikaans land en dragen bij aan een ontwrichtende wereldwijde gezondheidscrisis. De komende G20-top – de eerste op Afrikaanse bodem en de tweede met de Afrikaanse Unie als permanent lid – biedt een uitgelezen kans om daar iets aan te doen.

    Binnen Afrikaanse landen is het daarnaast van groot belang dat er mechanismen komen voor publieke verantwoording die stevig verankerd zijn in het maatschappelijk middenveld. Maar daarvoor moeten allereerst voldoende middelen beschikbaar worden gesteld. Om ‘One World for Health’ te realiseren moeten alle landen over middelen kunnen beschikken om hun gezondheidszorg te financieren.

  • Keir Starmer: ‘Britse gezondheidszorg moet hervormd worden’

    Keir Starmer: ‘Britse gezondheidszorg moet hervormd worden’

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Minstens 18 mensen gedood bij Israëlische aanval in Gaza

    » Ex-president van Peru Alberto Fujimori overleden

    De gezondheidszorg kampt met de gevolgen van de coronacrisis

    De NHS [National Health Service, de Britse gezondheidsdienst] moet ‘hervormd worden of sterven’. Dit zijn de woorden van de Britse premier Keir Starmer als reactie op een zeer alarmistisch rapport over de toestand van de Britse gezondheidszorg. In het bijzonder lijdt het nog steeds onder de gevolgen van de coronacrisis, merkt de BBC op, voor wie de conclusies van het onderzoek ‘een somber beeld’ van de gezondheidszorg schetsen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De belangrijkste boosdoeners waren een bezuinigingsbeleid in de jaren 2010 en ‘een gebrek aan investeringen in gebouwen en technologie’, wat leidde tot een daling van de productiviteit in ziekenhuizen. Het aantal annuleringen van behandelingen en vertragingen in de patiëntenzorg ligt hoog vergeleken met landen die vergelijkbaar zijn met het Verenigd Koninkrijk. Premier Starmer heeft een tienjarenplan beloofd en toegezegd ‘de grootste hervorming van de NHS’ sinds de oprichting ervan te zullen doorvoeren.

  • Een nieuwe pandemie lijkt onafwendbaar – maar is te voorkomen

    Een nieuwe pandemie lijkt onafwendbaar – maar is te voorkomen

    We staan niet machteloos tegenover een nieuwe pandemie, maar dan moeten we wel snel in actie komen, aldus klimaatjournalist John Vidal. ‘De enige manier om de gezondheid van mens en planeet langdurig op peil te houden is de verstoring van de natuur tot een minimum terugbrengen.’

    Keuze uit het archief

    Een nieuwe ziekte houdt de wereld in de ban: het hantavirus. De uitbraak begon aan boord van het cruiseschip Hondius, waar meerdere passagiers aan het virus bezweken. In Nijmegen moesten twaalf personeelsleden van het Radboud UMC in quarantaine na in contact te zijn geweest met een patiënt met hantavirus.
    Voor de deskundigen komt de mogelijk nieuwe pandemie niet uit de lucht vallen. Klimaatjournalist John Vidal schreef drie jaar geleden in The Guardian al over het hantavirus. In zijn artikel pleit hij ervoor niet zozeer de symptomen als wel de onderliggende oorzaken van een eventuele pandemie aan te pakken: het landbouwbeleid, klimaatopwarming en de veranderde relatie tussen mens en dier.

    Toen hij op internet voor acht dollar die leuke brandmuis kocht voor zijn dochters zesde verjaardag, wist de zakenman uit São Paulo niet beter of het beestje was gegarandeerd vrij van ziektes en afkomstig van een erkend fokker. In werkelijkheid was het gevangen op de uitgestrekte suikerrietvelden die in Brazilië zijn aangeplant voor de productie van de biobrandstoffen waarmee het gebruik van fossiele brandstoffen moet worden teruggedrongen. Die akkers waren na de zoveelste hittegolf weer eens overspoeld met muizen.

    De muis had wel een keer in de vinger van zijn dochtertje gehapt, maar daar maakte niemand een drama van, en zes dagen later vertrok vader op reis naar Europa. Tegen de tijd dat hij in Amsterdam aankwam, was zijn dochtertje al met hoge koorts, spierpijn en ademhalingsproblemen in het ziekenhuis opgenomen en voelde hij zich ook niet zo lekker. Dat was het begin van een van de ergste pandemieën in de geschiedenis, die meer slachtoffers eiste dan corona, sars en de Spaanse griep bij elkaar.

    Binnen een week waren er al driehonderd mensen besmet en na een maand lagen wereldwijd driehonderdduizend mensen naar adem te happen. Na acht maanden waren er naar schatting al twintig miljoen mensen overleden en een miljard mensen besmet. Dit was corona op anabolen. Aan corona overleed 1 procent van de mensen die besmet waren, maar dit nieuwe hantavirus muteerde net zo snel als de omikronvariant en kostte een op de drie van de besmette personen het leven. Dit was ‘ziekte X’, de in 2018 door deskundigen van de Wereldgezondheidsorganisatie bedachte naam voor een onbekende en extreem schadelijke ziekte waar nog geen medicijn of vaccin tegen bestaat en die honderden miljoenen levens zou kunnen eisen.

    Niet machteloos

    Tot zover is dit fictie. Ziekte X is nog een hypothetische ziekte. Maar men is het er in de wetenschap wel over eens dat er iets dergelijks aan zit te komen. Dat hoeft geen hantavirus te zijn. Het kan ook een griepvirus zijn, een coronavirus zoals covid-19, of de terugkeer in krachtiger gedaante van een oude moordenaar zoals tyfus, tuberculose of de pest. Zo’n virus kan op de mens overspringen via een hamster, een vleermuis, een kip of een teek. Het kan gebeuren in een pelsdierfokkerij in Noorwegen of bij een varkenshouder in Mexico. Het kan ontstaan in een door mensen verstoord bos, in een Amerikaans wapenlaboratorium of op een Britse boerenmarkt. Het kan nog decennia duren voordat het gebeurt, maar met de klimaatverandering, de nieuwe ecologische wereldsituatie, de hypermobiliteit van de mens en de steeds grotere bevolkingsconcentraties van zowel mensen als dieren is een volgende grote pandemie onvermijdelijk.

    Pandemieën kosten veel meer levens en geld dan oorlogen

    Pandemieën kosten veel meer levens en geld dan oorlogen, en toch maakt geen enkele nationale overheid of internationale instantie momenteel plannen om iets te doen aan de onderliggende oorzaken van corona of van het feit dat de uitbraken van grote nieuwe infectieziekten als aids, ebola, het Marburg-virus, de vogelgriep, sars, mers, mpox en het Nipah-virus allemaal in de afgelopen vijftig jaar plaatsvonden. Overheden en bedrijven geven meer prioriteit aan een betere bestrijding van de symptomen met vaccins en technologie dan aan het aanpakken van de oorzaken van de ziektes.

    Toch staan we niet machteloos. We weten dat de volgende grote pandemie hoogstwaarschijnlijk een zoönose zal betreffen (een ziekte die is overgesprongen van dier op mens) en verband zal houden met de staat van het milieu en de wijze waarop de mens overal ter wereld zijn leefomgeving manipuleert, verandert en beschadigt. Intensieve ontbossing, het droogleggen van waterrijke gebieden, bodemuitputting, de instorting van de biodiversiteit en de groei van uitgestrekte, verarmde steden creëren samen de ideale omstandigheden voor virussen om sneller te ontstaan en te evolueren en gemakkelijker van de ene soort naar de andere over te springen.

    Zes lessen

    Corona heeft ons geleerd dat het niet mogelijk is de evolutie van ziektes tegen te houden of ons er volledig voor af te sluiten. Maar er zijn minstens zes dingen die we wel kunnen doen om de kans op een pandemie te verkleinen en de ernst van een eventuele uitbraak te verminderen.

    Ga anders denken over de relatie tussen mens en dier. Sinds 1970 hebben bij welhaast elke grote uitbraak van een ziekte dieren een grote rol gespeeld. In die betrekkelijk korte tijd zijn er zo’n vijfhonderd nieuwe zoönosen ontstaan, waaronder mers, de vogelgriep, ebola, het marburgvirus, lassakoorts, het Nipah-virus, het zikavirus, corona en aids. Nooit eerder hebben zoveel mensen zo dicht op de ziekteverwekkers van andere diersoorten geleefd.

    Hervorm de landbouw. Nooit eerder hebben we zoveel dieren in de intensieve veehouderij gehouden: jaarlijks worden er meer dan zeventig miljard geslacht. De wereldwijde voedselproductie is momenteel afhankelijk van enorme hoeveelheden genetisch identieke kippen, runderen en varkens die in enorm intensieve, overbevolkte, krappe en volstrekt onnatuurlijke omstandigheden worden gehouden. Het groeiende gevaar is dat intensieve veehouderijen een ziektefabriek worden, waar infectieziekten zoals griepvirussen ontstaan en krachtiger worden, totdat extreem schadelijke varianten zich onder de dieren verspreiden en zelfs op de mens overspringen.

    We moeten de verstoring van de natuur minimaliseren en zorgen dat we minder in contact komen met de ziektes van andere soorten

    Herstel ecosystemen. In de afgelopen dertig jaar zijn bossen, watergebieden en bodemstructuren onder druk van de voedselproductie wereldwijd sneller veranderd dan ooit tevoren, zijn er grotere hoeveelheden fossiele brandstoffen en andere delfstoffen aan de aarde onttrokken dan ooit tevoren en is de wereldwijde handel en het verkeer van mensen sterker toegenomen dan ooit tevoren. Door houtkap, verstedelijking en bevolkingsgroei zijn ecosystemen verbrokkeld en is een ideale situatie geschapen voor het ontstaan en de verspreiding van nieuwe ziektes. We moeten de verstoring van de natuur minimaliseren en zorgen dat we minder in contact komen met de ziektes van andere soorten.

    Beperk de uitstoot van broeikasgassen. De opwarming van de aarde verhoogt de kans op nieuwe ziektes en heeft invloed op waar die ontstaan en zich verspreiden. Als temperaturen stijgen, de regenval toeneemt of droogte en hittegolven langer duren, veranderen de levensomstandigheden. De insecten, vleermuizen, teken en andere dieren die dragers zijn van ziektes als malaria, riftdalkoorts, cholera en dengue zullen zich daardoor wijder verspreiden. De klimaatverandering drijft dieren nu al naar nieuwe gebieden doordat hun natuurlijke habitat wordt vernietigd. Zo belanden ze in nieuwe omstandigheden, waarin soorten die nooit eerder met elkaar in contact kwamen naast elkaar leven en ziektekiemen uitwisselen. Als de opwarming geen halt wordt toegeroepen, zal niet alleen de mens daaronder lijden, maar zullen er tal van nieuwe ziektes opduiken, op onverwachte plaatsen.

    Leg laboratoriumproeven aan banden. Over de oorzaak van covid-19 lopen de meningen uiteen, maar het risico op een pandemie die in een laboratorium ontstaat is reëel en groeit ieder jaar. Wereldwijd wordt in duizenden laboratoria van bedrijven, universiteiten en overheidsinstanties nu medisch en militair onderzoek uitgevoerd met de gevaarlijkste bacteriën en virussen ter wereld. De zoektocht naar nieuwe vaccins en manieren om gevaarlijke ziekteverwekkers te beteugelen is een miljardenindustrie. Het risico op een pandemie die voortkomt uit controversieel ‘gain-of-function’ onderzoek (waarbij een virus voor militaire of medische doeleinden doelbewust gevaarlijker wordt gemaakt) is hoog.

    Als we ons beperken tot het met vaccins en technologie bestrijden van eenmaal uitgebroken epidemieën, laten we de kans lopen om te voorkomen dat ze zich überhaupt voordoen

    Hou meer controle op mogelijke ziekte-uitbraken. Van nieuwe uitbraken en mutaties van infectieziekten komen we niet meer af. Maar wie erdoor getroffen wordt en waar het plaatsvindt, daar hebben wij nu wel zelf invloed op. Zeker in grote steden is een goede gezondheidszorg de beste manier om nieuwe uitbraken van een ziekte vroeg te signaleren, te achterhalen welke stammen zich verspreiden, daarop te testen en de verspreiding een halt toe te roepen. Maar daarvoor moeten alle landen echt werk maken van het uitroeien van de armoede in de wereld. Dat is voor het rijke noorden misschien wel de beste garantie tegen toekomstige pandemieën.

    Het is nu net zo onmogelijk om het risico op infectieziekten volledig uit te bannen als twintig jaar geleden. Maar als we ons beperken tot het met vaccins en technologie bestrijden van eenmaal uitgebroken epidemieën, laten we de kans lopen om te voorkomen dat ze zich überhaupt voordoen. De enige manier om de gezondheid van mens en planeet langdurig op peil te houden is de verstoring van de natuur tot een minimum terugbrengen en te zorgen dat wij zo weinig mogelijk in contact komen met de ziekteverwekkers van andere soorten.

    Lees ook:

  • Tatoeages, graffiti en betere seks dan ooit. Nieuwe generatie ouderen breekt met clichés

    Tatoeages, graffiti en betere seks dan ooit. Nieuwe generatie ouderen breekt met clichés

    Een nieuwe generatie gepensioneerden wil niet meer voldoen aan wat van hen verwacht wordt. Op de kleinkinderen passen ze graag, maar alleen als het hun uitkomt. Cryptogrammen oplossen, zij niet. Het Portugese weekblad Visão ging op zoek naar deze seenagers.

    Vol ongeduld op je pensioen wachten om met de pantoffels aan voor de tv te kunnen hangen, op je kleinkinderen te passen of uren met vrienden te kaarten in het buurtpark? Ho ho, hen niet gezien. De vijfenzestigplussers die het werkzame leven achter zich hebben gelaten moeten niets hebben van deze clichés, die hun altijd maar weer worden opgeplakt.

    Natuurlijk, de kortingstarieven voor openbaar vervoer en theaters zadelen hen op met het etiket ‘senioren’ en alles wijst erop dat ze aan hun oude dag zijn begonnen. Maar toch herkennen ze zich daar niet in, lichamelijk noch geestelijk. Want deze zestigers zijn opeens bevrijd van de last van grote verantwoordelijkheden (werken, kinderen grootbrengen) en zijn nog altijd jong van geest, terwijl ze twee onmiskenbare voordelen hebben ten opzichte van de jeugd: geld, en niemand die hun zegt hoe laat ze thuis moeten zijn.

    Plezier
    De beste seks voor de rest van hun leven

    ‘De meeste zondagochtenden, nadat hij samen met zijn vrouw Anne een kop koffie heeft gedronken en wat fruit heeft gegeten, gaat David naar de slaapkamer, slikt een viagra, trekt de beddensprei recht en neemt een douche, en als hij klaar is voegt Anne zich bij hem.’ De matras is ingedeukt onder de last van de jaren. Zestig jaar huwelijk. Een actief leven. Drie kinderen. Een paar keertjes overspel. Daarna pensioen, eindelijk vrije tijd om nieuwe activiteiten te ontdekken. En hun lichaam, opnieuw. Het Amerikaanse echtpaar, tachtigers, doet onverbloemd hun seksleven uit de doeken in The New York Times. Een taboeonderwerp, ongemakkelijk.
    ‘Psychologen omzeilen het en bejaardenhuizen negeren het liever,’ verzucht het linkse dagblad. Bij velen neemt de seksualiteit in de loop van de tijd af, komt ze tot stilstand. ‘Maar degenen die volhouden, geven zich er vaker aan over,’ constateert de NYT. ‘Volgens een studie van het New England Journal of Medicine zegt een kwart van de 75- tot 85-jarigen het afgelopen jaar seks te hebben gehad. En van dat kwart verklaarde de meerderheid twee à drie keer per maand intiem te zijn geweest.’ De last van de jaren noopt tot aanpassing. Vaarwel missionaris­houding. Erotische massage en spelletjes nemen het over. ‘Ze laten hun telefoon in de keuken en de hond aan de andere kant van de slaapkamerdeur. Ze strelen elkaar, ze knuffelen.’ Dit soort getuigenissen, hoopt journalist Maggie Jones, kan de samenleving een andere kijk geven op het plezier van ouderen. Een ander soort seksualiteit, ongedwongener. ‘Ze zijn minder bang om hun verlangens te delen. Ze hebben geen tijd meer om zich ergens druk over te maken.’ Alleen nog om te genieten.

    Kortom, ze zijn vrij. Dit zijn seenagers, senioren en teenagers tegelijk, oftewel ouderen met nog altijd een puberale inborst. Economisch gezien worden ze ook wel aangeduid als de ‘ski-generatie’, afgeleid van het Engelse spending your kids’ inheritance.

    En vooral blijven ze nog altijd leren. Nieuwsgierigheid is geen slechte eigenschap, het is een recept om het leven te verlengen. Lichaam en geest in beweging houden is onontbeerlijk, zo houdt de wetenschap ons bij herhaling voor. Dat wordt mooi geïllustreerd door Isabel, die de erfenis van haar kinderen er helemaal niet doorheen jaagt, want in Portugal, waar de pensioenen laag zijn, heeft lang niet iedereen iets na te laten.

    Isabel Martins (69) heeft een gezondheid die te wensen overlaat (er is vier jaar geleden darmkanker bij haar vastgesteld) en ze heeft nooit veel geld gehad. Op haar zestigste is ze gestopt met haar baan als onderwijzeres, maar een seenager werd ze pas echt toen ze er niet langer in berustte dat ze ‘dik, lelijk en futloos’ was; ze verhuisde naar Lissabon en werd lid van de vereniging A Avó Veio Trabalhar [‘Oma komt werken’]. ‘Deze vereniging is allesbehalve een bejaardensoos. We zijn een groep vrouwen die samen allerlei handwerk doen; we maken traditionele dingen, maar dan overgoten met een modern sausje. Niemand heeft het over ziekte en zeer, en af en toe maken we een reisje. We zijn een keer gaan kamperen in Porto Covo, net een stel schoolmeiden,’ lacht Isabel.

    Optredens

    De seenager is ook lid geworden van de batucada-band Nice Groove, die elke woensdag repeteert in Carcavelos. ‘Ik ben de oudste van het stel,’ zegt ze en ze pakt haar smartphone erbij om ons filmpjes van hun optredens te laten zien. Daarna neemt ze een slok van haar cocktail en draait zich om naar de muzikanten die die avond spelen in de bar van haar zoon Francisco (35), in het hartje van de uitgaanswijk Cais do Sodré in Lissabon.

    07 Dossier Kaart
    07 Dossier Kaart Legenda

    ‘Ik heb altijd van uitgaan gehouden, een glaasje drinken, dansen,’ zegt Isabel. ‘Maar na de geboorte van Francisco interesseerde dat me minder. Ik werd een huismus. Nu houdt niets me meer tegen.’ Behalve misschien soms het gebrek aan gezelschap, al zijn er vanavond de vrienden van haar zoon. ‘Bejaarden gaan niet meer uit. Ik ben dus aangewezen op jongeren.’ Als je haar zo ziet, helemaal in het rood en oranje gestoken, met bijpassend haar, kun je moeilijk geloven dat ze ooit minder fit is geweest.

    Op korte termijn heeft ze een paar reisjes gepland (‘Ik heb zin om naar Nederland, Parijs en Italië te gaan’), en daarna wil ze weer wat gaan bijverdienen door op markten sieraden te verkopen die ze van antieke knopen maakt.

    Actieve senioren

    In de toekomst zouden actieve senioren als Isabel minder moeite moeten hebben om gezelschap te vinden. Volgens een rapport van het Portugese statistiekbureau INE zal het percentage 65-plussers in Portugal in de periode 2008-2060 bijna verdubbelen van 17,5 tot 32,3 procent, en zullen er in 2060 op elke jongere drie ouderen zijn.

    Portugal is niet het enige land dat zo vergrijst. Volgens de VN zal de wereldbevolking in 2030 voor 46 procent uit 60-plussers bestaan, wat neerkomt op 1,4 miljard mensen. Maar Portugal kampt met een zeer vaste levenscyclus, die chronologisch in drie grote stadia is onder te verdelen: opleiding, werk en pensioen. ‘Dat is een kunstmatig model waarin iemand van de ene op de andere fase overgaat, terwijl het verouderingsproces juist geleidelijk verloopt,’ zegt demograaf Maria João Valente Rosa, hoogleraar aan de faculteit Sociale en geesteswetenschappen van de Nieuwe Universiteit van Lissabon.

    ‘De chronologische leeftijd is sterk bepalend voor wat anderen verwachten, en voor de deuren die geopend blijven’

    Ondanks alle wetenschappelijke vooruitgang en de verbetering van de gezondheid en levenskwaliteit van zestigplussers, ‘is de chronologische leeftijd sterk bepalend voor wat anderen van ons verwachten, en voor de deuren die voor ons geopend blijven, zowel op het gebied van werk en opleiding als van vrijetijdsbesteding’, aldus Valente Rosa. ‘Er wordt vaak meteen naar het geboortejaar gekeken, en daarmee worden de betrokkenen, maar ook de hele maatschappij tekortgedaan.’ Als auteur van boeken over veroudering, waaronder Um tempo sem idades [‘Een tijd zonder leeftijd’], stelt ze voor de blik niet langer te richten op de jaren die geweest zijn, maar op de tijd die voor ons ligt.

    LATA 65 Lisbon 05
    Senioren in de wijk Beato in Lissabon leren streetart en graffiti maken. – © Lata 65

    Volgens António Fonseca, als psycholoog en onderzoeker verbonden aan de Katholieke Universiteit van Portugal in Porto, ‘zijn de stereotypen over ouderen niet langer geldig, omdat de huidige bevolking heel erg heterogeen is. Sommige zestigers of zeventigers zijn zeer actief, en andere invalide. Sommige kopen spullen via internet, terwijl andere al moeite hebben met een pinautomaat.’

    Een van de manieren waarop in Portugal de clichés onderuit worden gehaald, is het project Lata 65, dat senioren in staat stelt zich uit te leven in straatkunst in de wijk Beato in Lissabon. Als we haar vragen naar de die dag aanwezige seenagers, wijst Lara Seixo Rodrigues, een van de initiatiefnemers, naar Almerinda Lopes Bento, een voormalig lerares Engels. Al is ‘voormalig’ niet helemaal van toepassing, want Almerinda geeft nog altijd les aan de seniorenuniversiteit in Seixal. ‘Ik heb altijd al willen leren tekenen en schilderen, en dat doe ik nu aan de universiteit,’ vertelt ze, terwijl ze met een potlood de contouren aanbrengt van wat ze de volgende dag op het fresco zal schilderen. Dit weekend is er een graffitiworkshop.

    Analyse
    Verenigd Koninkrijk is gerontocratie geworden

    ‘Een diepe generatiekloof deelt het Verenigd Koninkrijk in tweeën’, constateert maandblad The Critic bezorgd. Aan de ene kant de gepensioneerden, aan de andere kant generatie Z. En de millennials. ‘Tot op zekere hoogte zijn wij geen democratie meer, maar een gerontocratie’, durft het conservatieve maandblad zelfs te beweren. Een blik op het beleid van de Tories sinds ze bijna dertien jaar geleden aan de macht kwamen volstaat om te zien hoezeer het land uit balans is.
    ‘Verblind door een politieke kortetermijnvisie in een verouderende samenleving’ koos premier David Cameron (2010-2016) er destijds voor om de gepensioneerden stroop om de mond te smeren; zij waren onmisbaar ‘voor het behoud van sleutelposities in het parlement’, aldus het blad. Ontheffing van kijk- en luistergeld hier, gratis ov-abonnement daar. ‘De relatie van Cameron met 60-plussers kwam niet voort uit maatschappelijke overwegingen, maar was een vorm van cliëntelisme’, constateert journalist Mike Jones tot zijn spijt. En bij gebrek aan nieuwe ideeën zijn zijn opvolgers, van Theresa May tot Rishi Sunak, blindelings in zijn voetsporen getreden. ‘Met als resultaat dat de Conservatieve leiders zich liever richten op het uitdelen van douceurtjes aan gepensioneerden dan op de ontwikkeling van de economie in het algemeen. Tegelijkertijd stemmen de afgevaardigden voor belasting­verhogingen waar de jongere generaties buitensporig hard door worden getroffen.’ De millennials ‘betalen een hoge prijs voor de pensioenen van ouderen, terwijl een op de vier gepensioneerden in theorie miljonair is, dankzij de prijs van onroerend goed die in dertig jaar tijd explosief is gestegen’, foetert The Critic.

    Een jaar geleden liet Almerinda, die heel erg van lezen houdt, haar eerste tatoeage zetten: een boek, uiteraard. Omdat ze niet meer werkt en dus alle tijd heeft om te lezen (vorig jaar zeventien boeken) en omdat de pandemie het einde betekende van de leesclub waarvan ze lid was, besloot ze er zelf een op te richten, op de universiteit.

    ‘Ik ga graag uitdagingen aan. Je kunt niet zomaar zeggen dat iets je niet lukt, je moet doorzetten,’ aldus de vrouw met het korte haar, die er ingetogen en jeugdig uitziet in haar spijkerbroek met blauw-witte streepjestrui. ‘Buiten het werk is er van alles te doen en te leren, waarmee je de gebaande paden kunt verlaten en niet in een sleur vervalt. Ik beperk me niet tot mijn huis en mijn gezin,’ zegt Almerinda, die een man en een zoon van eenenveertig heeft. Reizen (recentelijk nog Londen, Bilbao en Madeira, en binnenkort Dublin) is ook een vast onderdeel in het leven van deze seenager.

    Dynamiek

    Een ander bewijs van de dynamiek van deze generatie: de cursus ondernemerschap voor 45-plussers die de Universiteit van Porto kortgeleden in het leven heeft geroepen, bezwijkt bijna onder zijn eigen succes. ‘We hebben al meer dan zevenhonderd inschrijvingen, en ook voor de volgende edities stromen de aanmeldingen al binnen. Het bewijs dat er een hele nieuwe generatie van mensen op hogere leeftijd bestaat die actiever, nieuwsgieriger en toekomstgerichter is,’ zegt Elísio Costa, coördinator van Porto4Ageing, een competentiecentrum van de Universiteit van Porto dat zich richt op actief en gezond oud worden. ‘Oud worden is pas dramatisch als je je rol in de samenleving ziet verdampen.’

    ’Oud worden is pas dramatisch als je je rol in de samenleving ziet verdampen’

    Want na ons zestigste hebben we nog alle recht en reden om naar de toekomst te kijken, bevestigt de wetenschap. Dank is daarbij verschuldigd aan de Amerikaanse geneticus Fred Gage, die het idee dat onze hersenen niet zouden regenereren doorprikte: in 1998 toonde hij aan dat we ook op volwassen leeftijd nog nieuwe neuronen blijven aanmaken.

    De hersenen beschikken over een groot aanpassingsvermogen en er zijn manieren om de aftakeling ervan tegen te gaan: zo kan 40 procent van de dementiegevallen worden voorkomen, of in elk geval vertraagd. Ook moet de bloeddruk in de gaten worden gehouden, want het staat vast dat hoge bloeddruk tot vermindering van de cognitieve vermogens kan leiden en het risico op bepaalde vormen van dementie vergroot.

    Kwaliteit van leven

    En daarnaast moeten we voor onszelf zorgen. Om op gevorderde leeftijd een goede kwaliteit van leven te behouden moeten we naar de mening van de wetenschap bepaalde principes in acht nemen: gezond eten (veel fruit en groente, weinig vet en suiker), de calorie-inname beperken om overgewicht te voorkomen, zorgen voor een goede nachtrust, regelmatig sporten (zonder daarbij tot het uiterste te gaan), een actieve rol in de directe omgeving blijven vervullen en positieve sociale betrekkingen blijven onderhouden. Volgens een onderzoek van de medische faculteit van de Harvard-universiteit, waarbij 120.000 mensen van rond de dertig betrokken waren, kan het op jonge leeftijd naleven van deze leefgewoonten – bij voorkeur vóór het vijftigste levensjaar (hoe eerder, hoe beter) – de levensverwachting met twaalf à veertien jaar verlengen. Het niet in acht nemen van de regels, daarentegen, verhoogt het risico op kanker en hart- en vaatziekten.

    Levensverwachting

    ‘De levensverwachting is sterk toegenomen,’ constateert Nuno Marques, cardioloog en voorzitter van het Portugese Verouderingsobservatorium, dat in maart 2022 werd opgericht. ‘Maar we moeten actiever werken aan de verbetering van de kwaliteit van leven, door levenslang in te zetten op ziektepreventie, bevordering van een gezonde levensstijl en betere herstelmogelijkheden.’

    Muziek
    In Leeds ‘zal het oude punkers worst wezen’

    ‘Het zal me worst wezen wat de mensen van me denken,’ laat Alison Dunne zich ontvallen tegenover The Guardian. Op haar 58ste is de Britse toegetreden tot een radicaal, vrijgevochten collectief in Leeds, in het noorden van Engeland. Een verzameling punkgroepen voor ‘ouwe besjes’, in het kader van het project Unglamourous Music, begin 2022 gelanceerd door Ruth Miller, inwoner van de stad. ‘Het is zeker geen ding voor lieve omaatjes die willen kennismaken met punk. We gaan echt los,’ waarschuwt Dunne, artiestennaam Fish. Binnen enkele maanden is het collectief erin geslaagd twaalf verschillende groepen op te richten, die afgelopen maart allemaal hebben opgetreden tijdens een concert in het kader van de Internationale Vrouwendag. Muzikale ervaring is niet vereist.
    ‘Wat telt, is zin om los te gaan,’ constateert het Londense dagblad enthousiast. Fish, een voormalige theater­producent, geeft volmondig toe dat ze ‘amper een ukelele kan bespelen’. Maar Miller prijst zich gelukkig, want de songs ‘zijn geweldig’. ‘De mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding die voor een vrouw van zekere leeftijd passend worden geacht, zijn nogal beperkt,’ constateert de zestiger spijtig. ‘Als je bijvoorbeeld van muziek houdt, verwachten ze dat je bij een koor gaat. Maar wij hebben veel te melden over alles wat ons woest maakt.’ Deze rebelse mentaliteit, die strookt met de geschiedenis van Leeds, de bakermat van de postpunkbeweging, dringt door in de teksten van The Verinos, de groep van de oprichtster: ‘Raise your eyebrows, we don’t care/ ’Cos we’re not gonna do the things we’re supposed to do, oh yeah’.

    Gualdino is zevenenzeventig jaar en doet sinds zijn drieëndertigste aan sport. We ontmoeten hem samen met dertig anderen, onder wie veel senioren, die zich elke zaterdagmorgen verzamelen voor een wandeltocht van acht à tien kilometer door het bosrijke Monsanto-park in Lissabon, onder leiding van een docent lichamelijke oefening. ‘Ik heb er duidelijk baat bij, vooral als ik me lichamelijk moet inspannen, zoals in de tuin,’ zegt Gualdino, die sinds zijn pensionering fanatiek is gaan tuinieren. Luís van negenenzeventig waardeert ook de prettige sfeer: ‘Bewegen is belangrijk voor mijn manier van leven en mijn kijk op het leven.’

    ‘We moeten ons concentreren op deze gewonnen jaren,’ benadrukt psycholoog Daniela Craveiro. ‘Op papier zijn we momenteel getuige van een grote breuk in het traditionele beeld van de levenscyclus.’ En het is belangrijk dat we ons nuttig blijven voelen. ‘Ook na het pensioen blijven we actief, het is geen tijd meer die alleen maar beperkt blijft tot vrijetijdsbesteding. We moeten volop bij de samenleving betrokken blijven. Dat is bovendien goed voor de gezondheid, en een manier om eenzaamheid en depressie tegen te gaan.’

    Niets meer te hoeven

    Een perfect voorbeeld hiervan is Isabel Cristina (62). Sinds het nest leeg is weet deze vrouw, die twee dochters van 32 en 29 heeft en een kleinzoontje, niet meer van ophouden. Eigenlijk wist ze dat daarvoor ook al niet, omdat ze voor haar werk veel moest reizen om modecollecties uit te zoeken die ze vervolgens in Portugal verkocht. Zes jaar geleden besloot ze gas terug te nemen en kocht ze een huis in Grenoble, waar ze inmiddels de helft van het jaar doorbrengt.

    Ze heeft geleerd om te genieten van het uitzicht op de bergen, haar moestuin te verzorgen, veel te lezen en wandelingen door de natuur te maken. Maar wat ze het fijnst vindt, is de spontaniteit, niets meer te hoeven, vrij te zijn om te gaan en staan waar ze wil, zonder dat iets haar daarvan weerhoudt. Isabel Cristina is nog altijd graag in het gezelschap van anderen en maakt het nog steeds graag laat. ‘Maar toch ga ik vroeg naar bed, anders kost het me drie dagen om bij te komen van een avond uit,’ zegt ze geamuseerd met een sigaret in haar ene hand en een glas Martini in de andere.

    Op de voorpagina
    ‘Het pensioen: droom of nachtmerrie?’

    Niet alleen in Frankrijk wordt het nieuws beheerst door pensioenen. Op 19 maart wijdde ook het Duitse weekblad Die Zeit zijn voorpagina aan deze levensfase, ‘die een beetje lijkt op de kinderjaren, maar dan met een zekere financiële onafhankelijkheid en zonder ouders’ die ons een handje helpen. Een moment dat door veel werkenden wordt gezien als ‘het hoogtepunt van hun carrière’ en waarvan de noodzaak nauwelijks ter discussie staat. Toch, constateert het linkse blad, gaat de weg van een gepensioneerde lang niet altijd over rozen. Na een eerste ‘wittebroodsfase’ neemt de tevredenheid van de gepensioneerden dikwijls af, waarschijnlijk omdat het niet meevalt om je dagen zonder werk door te komen. ‘Niet iedereen vindt voldoening in het schrijven van een roman of het passen op de kleinkinderen.’

    Een vriend van haar, Jaime Pereira Gomes (64), omringt zich het liefst met andere mensen. De wetenschap geeft hem gelijk: vrienden hebben is goed voor je gezondheid. Hij heeft van zijn 26ste tot zijn 62ste als IT’er in de bancaire sector gewerkt, zonder Lissabon ooit te verlaten. ‘Maar twee jaar geleden had ik er genoeg van, ik vond het niet leuk meer.’ Toen heeft hij zijn huis verkocht en de balans opgemaakt: er bleef genoeg over om het uit te zingen tot zijn pensioengerechtigde leeftijd van 66 – hij heeft twee kinderen, twee stiefkinderen, vier kleinkinderen en drie ex-vrouwen, maar geen financiële verplichtingen meer.

    Koning van de dansvloer

    ‘Dansen is mijn favoriete bezigheid, ik ben de koning van de dansvloer!’ zegt hij lachend. Een jaar geleden heeft Jaime al zijn schepen achter zich verbrand om in São Roque te gaan wonen, in het binnenland van Brazilië, samen met zijn nieuwe Braziliaanse vrouw en haar drie kinderen. Hij woont in een boerderij en houdt zich bezig met tuinieren, gymnastiek, yoga, pilates en andere, ‘wat spirituelere’ activiteiten. Hij moet deze maand naar Lissabon voor de verjaardag van een van zijn kleinkinderen; daarna zullen ze van de gelegenheid gebruikmaken om door Europa te reizen – zonder verplichtingen, maar vol enthousiasme.

    Rapamycine heeft bij ratten de kans op leven in goede gezondheid met 60 procent verhoogd

    ‘De huidige oude dag heeft niets meer te maken met het clichébeeld van vroeger, toen ouders, kinderen en kleinkinderen allemaal harmonieus en solidair met elkaar onder één dak woonden en elkaar hielpen,’ zegt psycholoog António Fonseca. En een van de grote problemen is huisvesting. Fonseca is behalve onderzoeker ook auteur van het boek Envelhecimento em casa e na comunidade [‘Thuis oud worden te midden van je naasten’], waarin hij het eigen huis benoemt als de beste plek om ouder te worden. ‘Dat is de meest natuurlijke oplossing, waar je als mens de zeggenschap behoudt over de dynamiek van alledag, over je autonomie en je privéleven. Het is een plek die verbonden is met je identiteit; heel belangrijk als je ouder wordt, want je verliest al zo veel andere dingen,’ aldus de psycholoog. ‘Als ik het heb over oud worden in eigen huis en in de eigen omgeving, dan denk ik meer in het algemeen aan een leven waarin iemand sociaal actief blijft. Een eenzaam leven is niet beter dan een leven in een instelling.’

    Ook zien nieuwe woonvormen het daglicht, voorlopig nog zelden in Portugal maar vooral elders in Europa en in de Verenigde Staten. Een voorbeeld is cohousing, waarbij generatiegenoten ieder hun eigen zelfstandige woning hebben, maar elkaar ook kunnen ontmoeten in de gemeenschappelijke ruimte. ‘Daarmee verklein je de kans op eenzaamheid en houd je langer het gevoel dat je controle hebt over je eigen woonplek; en bovendien zitten er nog financiële voordelen aan ook,’ aldus Fonseca.

    Therapeutisch effect

    Om eenzaamheid onder ouderen te voorkomen heeft het gemeenschapscentrum van Vermoim/Sobreiro in de gemeente Maia, dat deel uitmaakt van een keten van Portugese katholieke gezondheidscentra, naast andere activiteiten ook een zangkoor. ‘Dat is geen therapie in de eigenlijke zin van het woord, maar het heeft wel een therapeutisch effect. Het maakt veel emoties los,’ zegt António Miguel Teixeira, die leiding geeft aan dit koor, dat Cor da Voz is gedoopt. Wanneer het koor begint te zingen – traditionele gezangen, Portugese liedjes en eigen composities – is het alsof je de zorgen ziet wegvliegen, de ogen beginnen wat meer te stralen. ‘Sommige van onze koorleden leidden hiervoor een heel eenzaam bestaan en hebben een ware verandering doorgemaakt.’

    Maatschappij
    Duitsland beziet oud worden in een nieuw licht

    In Duitsland proberen gepensioneerden ‘nieuwe manieren van leven’ te bedenken, meldt Der Spiegel. Thuishulp wordt er binnenkort beperkt wegens gebrek aan personeel. De babyboomers moeten zich dus voorbereiden op ‘een instorting van de zorg’ die zich aankondigt voor hun oude dag. ‘En zelfs als ze geen zorg nodig hebben, zullen de boomers andere sociale relaties moeten aanknopen dan hun voorgangers’, vanwege het hoge scheidingspercentage en de geografische afstand die hen dikwijls scheidt van hun kinderen.
    ‘Al deze veranderingen dwingen de senioren ertoe hun oude dag in een ander licht te bezien,’ aldus het weekblad uit Hamburg. Temeer omdat ze, wanneer ze stoppen met werken, ‘vaak een betere conditie hebben dan de gepensioneerden uit voorgaande generaties’. Originele initiatieven, zoals de oprichting van ‘plurigenerationele huizen’ of partnerschappen van kinderdagverblijven en verenigingen die strijden tegen dementie, komen steeds vaker voor. Het doel: jongeren en ouderen met elkaar in contact brengen, om sociaal isolement te bestrijden en senioren in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te blijven.

    In Sobreiro, een arme wijk van Maia, heeft het centrum veel gedaan om de banden tussen de bewoners onderling aan te halen. ‘Hier is iedereen gelijk en leren mensen van elkaar,’ zegt directeur Mário Figueiredo. De 78-jarige Domingos Vasconcelos, gepensioneerd leraar, herinnert zich een repetitie van Cor da Voz waarbij de koorleden met elkaar over gewoonten en tradities spraken. ‘Er was een vrouw bij die in het begin heel timide was, maar naarmate ze meer aan het woord was steeds verder leek te groeien.’

    De 69-jarige Maria José Teixeira werkte jarenlang als kok in het gemeenschapscentrum. Doordat ze altijd het koor hoorde zingen, kreeg ze zin om zich erbij aan te sluiten als ze eenmaal met pensioen zou gaan. ‘Ik ben geen type dat thuis gaat zitten niksen,’ zegt ze. Ze zong al in het koor van haar kerk, en om haar stem samen met die van anderen te laten klinken is voor haar een bron van ‘vrede, vreugde en liefde’. Het centrum biedt ook andere activiteiten, zoals workshops kunstnijverheid en cognitieve stimulatie, en wedstrijdjes boccia, een Portugese variant van jeu de boules.

    Maatgerichte oplossingen

    In Portugal lijdt helaas maar liefst 71,4 procent van de 65-plussers aan een chronische ziekte of een langdurige kwaal. Bij het verouderingsproces zijn heel veel variabelen in het spel: naast de levensstijl en bronnen van stress spelen ook genetische, epigenetische en omgevingsfactoren een belangrijke rol. ‘Het is een terrein dat we op een multidisciplinaire manier moeten aanpakken en waarbij we, om doeltreffend te zijn, naar diverse en maatgerichte oplossingen moeten kijken; het effect van deze factoren verschilt namelijk per persoon,’ zegt Nuno Marques, arts bij het Portugese Verouderingsobservatorium.

    De onderzoekers zijn op zoek naar het geheim van de eeuwige jeugd, waarbij je niet moet denken aan een facelift, maar aan remedies die het verouderingsproces werkelijk kunnen vertragen: bijvoorbeeld het voorkomen van bepaalde leeftijdsgebonden aandoeningen die worden veroorzaakt door cardiologische of neurologische degeneratie.

    LATA 65 Lisbon 07
    Het is geen therapie, maar streetart heeft wel een therapeutisch effect. ‘Het maakt veel emoties los.’ – © Lata 65

    Vorig jaar is een team van de Universiteit van Cambridge erin geslaagd om huidcellen die bij een 53-jarige vrouw waren afgenomen met dertig jaar te verjongen, dankzij een methode van cellulaire herprogrammering die verwant is aan de methode die werd gehanteerd bij Dolly, het eerste gekloonde schaap. De wereld stond versteld van deze verjongingskuur, die ons de huid van toen we twintig waren belooft terug te geven. Maar de belangrijkste vraag is of deze ontdekking ook kan worden toegepast op andere weefsels van het organisme.

    Verandering van perceptie

    Het onderzoek naar veroudering zal ongetwijfeld tot controverses leiden, maar het brengt momenteel al tal van gerenommeerde wetenschappers in beweging. En ook grote investeerders uit de technologische sector laten van zich horen; zo heeft Google geld gestoken in het gespecialiseerde laboratorium Calico Life Sciences, en ondersteunt Amazon-baas Jeff Bezos het onderzoeksbedrijf Altos Labs. Het zegt veel over de verandering van perceptie: veroudering wordt niet langer gezien als een natuurlijk proces, maar als een ziekte die behandeld kan worden, en misschien wel genezen. In het stadium van klinisch onderzoek zijn er al nieuwe verjongingskuren die de aandacht trekken vanwege de resultaten bij cellen of proefdieren.

    2,1 miljard grootouders over 25 jaar

    The Economist schat dat het aantal opa’s en oma’s in 2050 ongeveer 22 procent van de wereldbevolking zal bedragen. ‘Dat zou iets meer zijn dan het aantal kinderen onder de vijftien,’ schrijft het Britse weekblad, dat zich verbaast over het gebrek aan universitaire belangstelling voor deze categorie van de mensheid. ‘We hebben twee onderzoekers moeten vragen een schatting te maken op basis van de VN-cijfers, aangepast aan de demografie en de familiestructuren in elk land.’ De gemiddelde leeftijd van opa’s en oma’s verschilt sterk per wereldregio, van 53 in Oeganda tot 72 in Japan. Deze intree van ‘het grootoudertijdperk’, zoals het liberale blad het noemt, ‘zal vergaande consequenties hebben en zou, dankzij het oppassen op de kinderen, tot een grootschalige sociale revolutie kunnen leiden: de toetreding van meer vrouwen tot de arbeidsmarkt’. Soms, geeft The Economist toe, ‘ten koste van het persoonlijk leven van de ouderen’.

    Zo blijkt metformine, dat wordt gebruikt bij de behandeling van diabetes type 2, veelbelovend voor de verjonging van cellen en weefsels. Quercetine, dat in sommige vruchten en groenten zit en al wordt verkocht als voedingssupplement, is bij dieren doeltreffend gebleken voor het vertragen of voorkomen van bepaalde aandoeningen; proeven bij mensen laten nog op zich wachten. Rapamycine, een immunosuppressivum dat bij mensen die een orgaantransplantatie hebben ondergaan wordt gebruikt om afstoting te voorkomen, heeft bij ratten van middelbare leeftijd de kans op een leven in goede gezondheid met 60 procent verhoogd. Nu moet de wetenschap alleen nog de bijwerkingen van al deze moleculen onder controle zien te krijgen, om te voorkomen dat er gezonde cellen worden aangevallen.

    De wetenschap, zo weten we, heeft tijd nodig. Omdat er tot dusver nog geen wondermiddel is gevonden, kun je je voorlopig maar het best aan de volgende twee regels houden: vermijd alles wat slecht is voor je gezondheid en blijf vooral zo lang mogelijk doen wat je leuk vindt.

    Lees ook:

  • Afrikaanse landen worstelen met de opkomst van diabetes en hoge bloeddruk

    Afrikaanse landen worstelen met de opkomst van diabetes en hoge bloeddruk

    In Sub-Sahara-Afrika is de levensverwachting spectaculair gestegen dankzij succesvolle bestrijding van infectieziekten. Maar niet-overdraagbare aandoeningen worden zelden gediagnosticeerd of behandeld.

    Hannah Wanjiru had jarenlang last van duizelingen en hoofdpijn. Pas na zes dure doktersafspraken werd hoge bloeddruk vastgesteld en kon ze medicijnen nemen. Intussen was ze twee jaar en verschillende flauwtes verder. In diezelfde periode kreeg haar man, David Kimani, een andere arts. Die stelde de diagnose diabetes, wat voor het echtpaar net zo onverwacht was.

    Met een andere ziekte waren ze misschien beter af geweest. Niet ver van hun kleine appartement in de hoofdstad van Kenia is een openbaar ziekenhuis waar gratis behandelingen voor hiv en tuberculose worden gegeven. Hun wijk – met lage inkomens – hangt vol posters die gratis hiv-preventiediensten aanbevelen.

    Dergelijke initiatieven zijn er niet voor hoge bloeddruk of diabetes, of voor andere ziekten zoals kanker en chronische ademhalingsaandoeningen. In Kenia en een groot deel van Sub-Sahara-Afrika is de gezondheidszorg – en de internationale donaties waarvan ze deels afhankelijk is – sterk gericht op de behandeling van besmettelijke ziekten zoals hiv en malaria.

    ‘Als ik mijn bloedsuiker laat testen, moet ik soms de hele dag wachten. Ik val dan bijna flauw in de rij,’ aldus Kimani.

    Dankzij de succesvolle bestrijding van hiv, tuberculose en andere dodelijke infectieziekten en de uitbreiding van basisvoorzieningen heeft Sub-Sahara-Afrika de afgelopen twintig jaar een buitengewone stijging van de levensverwachting gezien. Een verlenging van tien jaar, zo meldde de Wereldgezondheidsorganisatie onlangs. Het is de grootste stijging ter wereld.

    ‘Maar de dramatische toename van hypertensie, diabetes en andere niet-overdraagbare ziekten en het gebrek aan gezondheidszorg rondom deze ziekten werken deze verbeteringen tegen’, zo stelt de WHO in een rapport over Afrikaanse gezondheidszorg. De organisatie waarschuwt hierin dat de stijging van de levensverwachting vóór het einde van het volgende decennium alweer teruggedraaid kan zijn.

    Niet-overdraagbare ziekten zijn nu goed voor de helft van de ziekenhuisbedden in Kenia en meer dan een derde van de sterfgevallen. Die percentages komen min of meer overeen met de rest van Sub-Sahara-Afrika, waar mensen er bovendien op jongere leeftijd dan elders in de wereld door worden getroffen.

    ‘Vaccinatieprogramma’s lopen goed, en hiv-programma’s ook – maar diezelfde mensen zullen op jonge leeftijd sterven aan niet-overdraagbare ziekten,’ aldus dokter Gershim Asiki. Als onderzoeker bij het African Population and Health Research Center, een onafhankelijke organisatie in Nairobi, richt hij zich op de aanpak en preventie van de aandoeningen in kwestie.

    Diagnose

    De medicijnen en benodigdheden die Wanjiru (44) en Kimani (49) nodig hebben, kosten elke maand ruim 55 euro – een groot deel van het inkomen dat hun kleine buurtwinkel opbrengt, vertelt Wanjiru terwijl ze in haar woonkamer een kopje thee drinkt. Allebei slaan ze hun medicatie over in de maanden dat ze schoolgeld moeten betalen voor hun vier kinderen.

    ‘Eerst krijg ik hoofdpijn en voel ik me zwak, en dan voel ik me gestrest, omdat ik weet dat ik medicijnen moet kopen in plaats van eten voor mijn gezin,’ aldus Kimani.

    Het komt hier maar zelden voor dat controles op aandoeningen als hoge bloeddruk regelmatig worden uitgevoerd. Het aantal diagnoses is laag, en vaak is alleen in gespecialiseerde centra in stedelijke gebieden zorg te krijgen. Mensen zijn niet bekend met de kwalen: iedereen herkent malaria, maar slechts weinig mensen weten dat wazig zicht of uitputting een gevolg is van hoge bloeddruk. Veel zorgverleners weten ook niet waar ze op moeten controleren.

    Toen Asiki’s organisatie een paar jaar geleden in een arme gemeenschap in Nairobi willekeurige controles uitvoerde, ontdekten onderzoekers dat een kwart van de volwassenen hoge bloeddruk had. Tachtig procent van hen was daar echter niet van op de hoogte. Van degenen die het wel wisten, hield minder dan drie procent hun bloeddruk op peil met medicijnen.

    Iedereen herkent malaria, maar weinig mensen weten dat wazig zicht en uitputting gevolg zijn van hoge bloeddruk

    Slechts een fractie van het Keniaanse gezondheidsbudget wordt besteed aan niet-overdraagbare ziekten. Die fractie bedroeg elf procent in 2017 en 2018 – de meest recente cijfers in het strategisch plan van de regering. Bovendien zijn die middelen meestal bestemd voor dure curatieve diensten zoals bestralingsmachines in kankerklinieken en nierdialysecentra. ‘Ondertussen krijg ik mensen over de vloer die kanker in stadium vier hebben en een heel kleine overlevingskans, omdat ze maar geen diagnose kunnen krijgen,’ zegt Asiki.

    Volgens Catherine Karekezi knippen politici graag lintjes door voor nieuwe kankercentra maar zien ze geen politiek voordeel in een screeningprogramma voor de lange termijn. Karekezi is uitvoerend directeur van de Keniaanse afdeling van internationale patiëntenorganisatie Non Communicable Disease Alliance.

    ‘Tachtig procent van de sterfgevallen door niet-overdraagbare ziekten in dit land is te voorkomen,’ aldus Karekezi. ‘We kunnen de oorzaken voorkomen, en als je de aandoening eenmaal hebt, kunnen we voorkomen dat er verdere complicaties ontstaan.’

    Maar, zo vertelt ze, in plaats daarvan worden mensen op steeds jongere leeftijd ziek en ontwikkelen ze ernstige complicaties, waardoor ze soms niet kunnen werken. ‘Het economisch actieve deel van de bevolking wordt getroffen,’ zegt ze.

    Het komt veel voor dat mensen op hun vijftigste aan een niet-gediagnosticeerde hartziekte of aan de complicaties van diabetes sterven, wat vervolgens wordt toegeschreven aan ‘ouderdom’. Er zijn geen goede mechanismen om doodsoorzaken nauwkeurig mee op te sporen, wat betekent dat noch het publiek noch beleidsmakers de ware omvang van het probleem bevatten, aldus Asiki.

    In tegenstelling tot hiv-medicatie en -zorg, die gewoonlijk gratis is en gesubsidieerd wordt door internationale donoren, komt de behandeling van diabetes of hoge bloeddruk gewoonlijk voor eigen rekening. De kosten zijn vaak schrikbarend hoog, aldus dokter Jean-Marie Dangou, die het programma voor niet-overdraagbare ziekten van het regionale kantoor van de WHO in Afrika coördineert.

    ‘In de Democratische Republiek Congo kost de behandeling van hypertensie maandelijks twee derde van het gemiddelde gezinsinkomen,’ vertelt hij. ‘Voor een gezin is dat absurd. Toch komt het best veel voor.’

    Annah Mutindi (42) gaf al het geld dat ze als bediende in een kledingwinkel in Nairobi had opgespaard uit aan doktersbezoeken en tests. Totdat in januari 2021 werd vastgesteld dat de pijnlijke knobbel in haar borst kanker was. Ze kreeg een behandeling van twaalf tweewekelijkse chemokuren voorgeschreven. In principe had ze die tegen minimale kosten kunnen krijgen in een groot openbaar ziekenhuis in het centrum van de stad, maar de behandeling was almaar niet op voorraad.

    In plaats daarvan moest ze wachten tot haar familie en vrienden om de paar weken 340 euro bij elkaar konden schrapen, zodat ze de behandelingen een voor een kon betalen, verspreid over de daaropvolgende negen maanden.

    ‘Ik was in shock toen ze me vertelden dat het kanker was, want ik drink nooit alcohol en ik eet gezond,’ zegt Mutindi over haar diagnose. ‘Ze zeiden dat het misschien door omgevingsfactoren kwam.’

    Stijging

    Het aandeel van de sterfgevallen die door niet-overdraagbare ziekten veroorzaakt worden, neemt in de hele regio toe. Dit gebeurt het snelst in de dichtstbevolkte landen van het continent, aldus Dangou. In Ethiopië bijvoorbeeld bedroeg sterfte door dergelijke aandoeningen vorig jaar 43 procent van alle sterfgevallen. In 2015 was dat nog maar 30 procent. In Congo vond een vergelijkbare stijging plaats.

    Het is duidelijk dat een deel van deze stijging wordt veroorzaakt door de snelle verstedelijking en een toenemend sedentaire levensstijl. Een andere factor is dat er meer tabak, alcohol en bewerkt voedsel worden genuttigd.

    De regering van Kenia heeft lang gewacht met ontmoedigingsbeleid. En alle drie de industrieën hebben machtige lobbyorganisaties die erop gericht zijn wettelijke maatregelen zoals belasting op suikerhoudende dranken tegen te houden. Kenia is een belangrijke tabaksproducent en de tabaksindustrie blijft de regering erop wijzen op de hoeveelheid banen die ze biedt, vertelt Asiki.

    Het is natuurlijk ook zo dat mensen domweg langer leven door de succesvolle strijd tegen infectieziekten. Maar andere oorzaken, zoals mogelijke genetische factoren en een correlatie met blootstelling aan infectieziekten, worden minder goed begrepen.

    Het blijft een mysterie waarom niet-overdraagbare ziekten in deze regio zo snel en bij relatief jonge mensen toenemen. Overheden doen weinig om te onderzoeken hoe dat komt.

    ‘Toen ik tien jaar geleden als arts in een plattelandsgebied werkte, zag je per dag vijftig patiënten met deze aandoeningen. Nu zijn het er vijfhonderd tot duizend’

    De ervaring met hogelonenlanden is slechts beperkt relevant voor de situatie in een land als Kenia, aldus Asiki. Als mensen in hun kindertijd geen voedzame voeding krijgen, lijkt de kans toe te nemen dat ze op volwassen leeftijd met obesitas kampen. Er zijn aanwijzingen dat een malaria-infectie mensen vatbaar maakt voor hart- en vaatziekten; hepatitisinfecties vergroten de kans op kanker.

    Het jarenlang innemen van de antiretrovirale geneesmiddelen die hiv bestrijden, kan leiden tot een hoger risico op hartziekten. Stadsbewoners hebben bovendien vaker te maken met luchtvervuiling en milieuvergiftiging. Sommige kampen bovendien met stress, doordat ze wonen in een wijk waar geweld en onveiligheid aan de orde van de dag zijn. Al deze factoren spelen volgens Asiki mee, maar we weten nog weinig over het cumulatieve effect.

    Dokter Andrew Mulwa heeft de leiding over de programma’s voor preventie en gezondheidsbevordering van het Keniaanse ministerie van Volksgezondheid. Hij geeft aan dat de regering zich zorgen maakt over de forse stijging van het aantal niet-overdraagbare aandoeningen, maar dat het lang duurt om diagnostisering en behandeling in plattelandsgebieden mogelijk te maken.

    ‘Toen ik tien jaar geleden als arts in een plattelandsgebied werkte, zag je per dag vijftig patiënten met deze aandoeningen. Nu zijn het er vijfhonderd tot duizend, allemaal in dezelfde instelling,’ aldus Mulwa.

    Slechte voeding beïnvloedt de toename van niet-overdraagbare ziekten op meerdere manieren – een fenomeen dat Asiki ‘het dubbele nadeel van ondervoeding’ noemt. Deze regio kent zowel het grootste aantal onvolgroeide kinderen ter wereld als het snelst groeiende percentage zwaarlijvigen.

    In huishoudens met lage inkomens komen vaak zowel ondervoede kinderen voor als volwassenen die zwaarlijvig zijn. De kinderen missen eiwitten en voedingsstoffen die essentieel zijn voor hun groei; de obesitas is het gevolg van goedkoop, vet en energierijk straatvoedsel, dat vaak beter betaalbaar is dan groente en het gas dat nodig is om thuis te koken.

    ‘Het kan zijn dat je te veel slecht voedsel eet maar toch onvoldoende voedzaam voedsel binnenkrijgt,’ aldus Asiki. ‘Het lichaam slaat overtollige energie op als vet – maar uiteindelijk lijdt het alsnog aan schaarste.’

    Hij denkt dat de regering zo traag is geweest met het organiseren van screeningprogramma’s omdat ze de omvang van het probleem niet aankon.

    ‘Plotseling besef je: ik heb niet genoeg medicijnen voor hypertensie, ik heb niet genoeg medicijnen om mensen met kanker te behandelen,’ zegt Asiki. ‘Als je screent, kies je behandelbare gevallen. Maar hebben we wel de middelen om ze te behandelen?’

    Lees ook:

  • Heeft The Last of Us gelijk?

    Heeft The Last of Us gelijk?

    Microbiologen maken zich zorgen dat opwarming van de aarde gevaarlijke schimmels resistent zal maken.

    The Last of Us, een postapocalyptische televisiethriller, sloot onlangs het eerste seizoen af met een verbluffende finale. Maar als medicus en superfan van horror vond ik het begin van de serie opmerkelijker: een presentator van een talkshow uit de jaren zestig vraagt twee epidemiologen wat hen ’s nachts wakker houdt. ‘Schimmel,’ antwoordt een van hen.

    De epidemioloog maakt zich zorgen over Ophiocordyceps, een bestaande soort die het lichaam en het gedrag van mieren overneemt. Fast forward naar het centrale, fictieve gegeven van de serie: een mutatie van deze schimmel, die ontstond onder invloed van de opwarmende aarde, veroorzaakt een pandemie. Die nieuwe soort infecteert mensen en verandert hen in vraatzuchtige, zombie-achtige wezens wier lichaam wordt overgenomen door paddenstoelen.

    Schimmelepidemieën komen bij mensen bijna nooit voor, deels omdat een schimmel zelden van mens op mens wordt overgedragen, laat staan dat er zombies uit voortkomen. Veel waarschijnlijker is dat de volgende pandemie van een virus komt. Maar dat nieuwe bedreigingen van de gezondheid waarschijnlijker worden door klimaatverandering, is niet zo’n gek idee. Kan een in het milieu alomtegenwoordige schimmel veranderen in een voor mensen dodelijke ziekteverwekker? Ja, dat kan.

    Schimmelpathogenen

    Wetenschappers zoals ik vrezen dat klimaatverandering en vernietiging van het ecosysteem invloed hebben op ziekteverwekkende schimmels – oftewel schimmelpathogenen. De kans wordt groter dat ze besmettelijker worden en zich over grotere afstanden verspreiden, waardoor ze meer mensen bereiken. Candida auris bijvoorbeeld – een gist dat resistent is tegen medicijnen en dat dodelijk kan zijn voor gehospitaliseerde patiënten – heeft volgens sommige wetenschappers onder invloed van warmte het vermogen ontwikkeld om mensen te infecteren. Op 20 maart zei het Centers for Disease Control and Prevention (CDC – de Amerikaanse tegenhanger van het RIVM) dat Candida auris ‘zorgwekkend’ is en zich in ‘een alarmerend tempo’ heeft verspreid in zorginstellingen.

    Maar internationale pogingen om wereldwijd de bescherming van de gezondheid te verbeteren houden zelden rekening met schimmelpathogenen. Hoewel de risico’s toenemen, zijn we niet goed voorbereid en nemen we onvoldoende preventieve maatregelen. Er bestaan geen schimmelvaccins, diagnose is ingewikkeld en duur en er zijn niet genoeg geneesmiddelen om schimmelinfecties te bestrijden. En zolang de overheid geen onderzoek financiert om schimmelziekten beter aan te pakken en om de omgevingsfactoren die ze aanwakkeren te veranderen, blijven we kwetsbaar.

    Voor veel planten en dieren zijn schimmels een plaag. Fusariumverwelking, die bananenplanten verwoest en waarvoor nauwelijks behandeling bestaat, verspreidt zich wereldwijd en vormt een grote bedreiging voor de bananenindustrie, die een waarde van miljarden dollars vertegenwoordigt. Een infectie die bekendstaat als het witteneussyndroom doodde miljoenen vleermuizen in Noord-Amerika. Negentig soorten amfibieën stierven uit door chytridiomycose, een vreselijke ziekte waardoor kikkers hun huid verliezen.

    Mensen zijn grotendeels gevrijwaard gebleven van schimmeluitbraken. Dat komt doordat hun bloed 36,5 graden is, te warm voor veel schimmels om te overleven. Maar dat zou wel eens kunnen veranderen. Uit een studie van januari in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences blijkt dat hitte voor een evolutionaire groeispurt heeft gezorgd van de Cryptococcus deneoformans, een schimmel die mensen kan infecteren: bepaalde genetische mutaties zijn vervijfvoudigd. Dat betekent meer mogelijkheden om gevaarlijke aanpassingen te ontwikkelen, zoals hittetolerantie en resistentie tegen geneesmiddelen. In een ander laboratoriumonderzoek werd een schimmelsoort gekweekt en verwarmd waarvan bekend is dat hij insecten doodt. Binnen vier maanden konden twee stammen zich voortplanten bij 36 graden, terwijl de limiet eerst nog bij ongeveer 32 graden lag.

    Schimmels, de slimste opportunisten in de natuur, gebruiken verstoringen in hun voordeel

    Sommige microbiologen menen dat door klimaatverandering de schimmelevolutie in de natuur al aan het versnellen is. Hun theorie is dat door de opwarming van de aarde bepaalde stammen van Candida auris bij hogere temperaturen kunnen overleven. Deze gist brak door de warmtebarrière die voorheen de verspreiding beperkte, zodat die nu het vermogen heeft om warmbloedige vogels te besmetten – en vervolgens mensen die met deze vogels in aanraking komen.

    Een veranderend klimaat kan ook de overdracht van schimmelziekten doen toenemen. De micro-organismen zijn overal: op het aanrecht, in de achtertuin en in de lucht die we inademen. Systemische schimmelinfecties treden gewoonlijk op bij mensen met een slecht werkend immuunsysteem – kankerpatiënten, mensen die orgaantransplantaties hebben ondergaan en anderen – die sporen uit hun omgeving hebben ingeademd. Maar ook regionale uitbraken onder gezonde mensen baren steeds meer zorgen: overstromingen, wervelstormen en de rook van bosbranden creëren omstandigheden waarin schimmels gedijen en zich kunnen verspreiden.

    Lastofus2

    Het klinkt tegenstrijdig, maar ook droogte heeft dat vermogen. In het Amerikaanse zuidwesten is de aarde uitgedroogd door lange periodes zonder regen, met stofstormen als gevolg. Gevallen van Valley fever, ooit een zeldzame aandoening van de luchtwegen die wordt veroorzaakt door in de grond voorkomende schimmelsporen, zijn sinds 1998 bijna vertienvoudigd. De schimmel heeft zich inmiddels ook verspreid naar nieuwe gebieden, waaronder de staat Washington.

    Opwarming van de planeet maakt mensen ook kwetsbaarder. Zo leidt verminderde opbrengst van gewassen tot ondervoeding. Hittestress veroorzaakt nierziekten. Tegelijkertijd verhogen ontbossing, onvoldoende veiligheidsmaatregelen op boerderijen en commerciële handel in wilde dieren het risico van zogenaamde spillovers: virussen zoals ebola springen over van dieren op mensen. Schimmels, de slimste opportunisten in de natuur, gebruiken dergelijke verstoringen in hun voordeel. We zagen dit in de jaren tachtig, toen tegelijk met hiv – een virus dat ontstond door overloop – schimmelinfectie toenam. We hebben het ook recenter gezien, toen een unieke schimmelziekte duizenden mensen in India trof die immuniteit-onderdrukkende steroïden hadden gekregen als onderdeel van hun behandeling tegen corona.

    1,5 procent

    In oktober vorig jaar stelde de Wereldgezondheidsorganisatie voor het eerst een lijst op met ‘prioritaire schimmelpathogenen’. ‘Schimmelpathogenen vormen een grote bedreiging voor de volksgezondheid’, aldus de organisatie. De lijst is een belangrijk symbolisch gebaar, maar biedt artsen niet wat ze echt nodig hebben, namelijk betere bestrijdingsmiddelen. Er bestaan geen goedgekeurde vaccins tegen schimmelinfecties. Wereldwijd hebben veel landen onvoldoende capaciteit om bepaalde veelvoorkomende schimmelziekten te diagnosticeren. Zelfs in New York, waar ik patiënten behandel, kan het weken duren voordat de schimmelinfectie gediagnosticeerd is. Erger nog, veel schimmelpathogenen zijn nu al resistent tegen de weinige antischimmelmiddelen die er zijn.

    Voor een deel gaat het om een technische uitdaging: het is lastig om antischimmelmiddelen te ontwikkelen die niet ook onze cellen vernietigen. Maar we kunnen geen geneesmiddel ontwikkelen als we het niet proberen – en op dit moment is het onderzoek dat naar schimmels gedaan wordt rampzalig. Om een voorbeeld te geven: cryptokokken meningitis, een schimmelinfectie, doodt meer mensen dan bacteriële meningitis veroorzaakt door Neisseria meningitidis, en toch is er voor deze laatste aandoening meer dan drie keer zoveel onderzoeksgeld beschikbaar.

    Schimmelpathogenen staan gewoon niet op de radar van overheidsfondsen – slechts 1,5 procent van alle financiering voor onderzoek naar infectieziekten gaat naar deze ziekteverwekkers. Aangezien potentiële winsten beperkt zijn, zijn ook farmaceutische bedrijven weinig gemotiveerd om te investeren in onderzoek en ontwikkeling op dit gebied.

    Om de leemte op te vullen moeten volksgezondheidsinstanties hun steun voor de studie naar schimmelziekten verhogen, zoals ze onlangs ook deden voor Valley fever. Ook de Amerikaanse Biomedical Advanced Research and Development Authority (BARDA), die via publiek-private samenwerking vaccins en geneesmiddelen helpt ontwikkelen voor volksgezondheidscrises, zal er een prioriteit van moeten maken. Geen van de 83 initiatieven op de lijst van medische tegenmaatregelen die de website van BARDA vermeldt, is gericht op schimmelpathogenen. BARDA heeft wel aangekondigd de ontwikkeling van nieuwe antischimmelmiddelen te steunen.

    Deze tijd vraagt ook om nederigheid. In de jaren zestig dachten sommige prominente experts ten onrechte dat infectieziekten een afnemende bedreiging vormden. Maar de natuur zit vol verrassingen. Van 2012 tot 2021 deed ik bij CDC onderzoek naar uitbraken. Mijn collega’s en ik onderzochten ebola, hondsdolheid, pokken- en coronavirussen, en we konden van dichtbij zien hoe op de meest gruwelijke en onverwachte manieren ziekten ontstonden als gevolg van de wijze waarop mensen omgaan met dieren en het milieu. Hoe verwoestend deze ziekten zijn ontdekken we vaak pas als we ons midden in een regelrecht rampscenario bevinden. Tot nu toe is slechts 5 procent van de naar schatting 1,5 miljoen schimmelsoorten geïdentificeerd: misschien zijn schimmels wel de grote blinde vlek van de volksgezondheid.

    Onze gezondheid is afhankelijk van een delicaat ecologisch evenwicht. Dat evenwicht bewaren, door af te stappen van fossiele brandstoffen om zo klimaatverandering te vertragen, natuurverlies te stoppen en virale spillovers te voorkomen, is misschien wel onze beste hoop om een ware schimmelhorrorshow te voorkomen.

  • Bijna de helft van Franse volwassenen is te zwaar

    Bijna de helft van Franse volwassenen is te zwaar

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Doden en honderden gewonden na nieuwe aardbevingen in Turkije en Syrië

    » Burkina Faso: minstens 51 soldaten gedood bij terreuraanval

    Aantal obesitasgevallen is in een kwarteeuw verdubbeld

    Uit een recent onderzoek van het Nationaal Instituut voor Gezondheid en Medisch Onderzoek (Inserm) en het academisch ziekenhuis van Montpellier blijkt dat bijna een op de twee Franse volwassenen momenteel lijdt aan overgewicht of obesitas. Tussen 1997 en 2020 is het aantal obesitasgevallen verdubbeld van 8,5 naar 17 procent, schrijft Le Figaro. Het onderzoek werd maandag gepubliceerd in het Journal of Clinical Medicine.

    Als ondergrens voor overgewicht wordt in het onderzoek een BMI van 25 of hoger aangehouden. Van obesitas is sprake wanneer het BMI 30 of hoger is. Obesitas kan het gevolg zijn van een bepaald eetpatroon, een genetische afwijking of te maken hebben met de leefomgeving. Ze verhoogt het risico op hart- en vaatziekten, diabetes en verschillen vormen van kanker.

    Uit het onderzoek blijkt dat mannen vaker overgewicht hebben dan vrouwen

    Verder blijkt uit het onderzoek dat mannen vaker overgewicht hebben dan vrouwen, maar dat de verhoudingen andersom zijn als het gaat over obesitas. Het obesitaspercentage is bij vijfenzestigplussers meer dan dubbel zo hoog als bij jongeren tussen de achttien en vierentwintig, maar in deze laatste leeftijdscategorie is het obesitaspercentage sinds 1997 maar liefst meer dan vier keer zo hard toegenomen. Ook lijkt er een verband te bestaan tussen hoge obesitascijfers en bepaalde beroepen, zoals fabrieksarbeider, leidinggevende en manager.

    Hoewel de onderzoekers benadrukken dat verandering van leefstijl en meer beweging onmisbaar blijven, vragen ze ook aandacht voor het psychologische aspect van de ziekte en de noodzaak van therapie. In het ergste geval kan een maagverkleining uitkomst bieden. ‘Obesitas is een ziekte, geen gebrek aan wilskracht’, aldus een van de onderzoekers tijdens de perspresentatie van het onderzoek.   

    Lees ook:

  • Westen kaapt artsen weg uit buitenland: ‘Over zes maanden zijn ze allemaal vertrokken’

    Westen kaapt artsen weg uit buitenland: ‘Over zes maanden zijn ze allemaal vertrokken’

    Rijke landen rekruteren in toenemende mate artsen en verpleegkundigen in arme landen, die daardoor het risico lopen dat de toch al kwetsbare gezondheidszorg verder destabiliseert. In Afrika doen ze daarom hun best gezondheidswerkers uit de diaspora terug te halen.

    Canada, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk staan bovenaan de lijst van landen die een groot gebrek aan verplegend personeel hebben en die daarom als nooit tevoren proberen om in andere landen personeel te rekruteren. Maar ook andere rijke landen, zoals Duitsland of Finland, die minder gewend zijn om een beroep te doen op buitenlandse artsen en verpleegkundigen, hebben onlangs wervingscampagnes gelanceerd die specifiek zijn gericht op de Filippijnen, op landen in Afrika, of in het Caribisch gebied.

    Dit schrijft Stephanie Nolan in een artikel voor The New York Times met als kop ‘Rijke landen lokken zorgmedewerkers uit lage-inkomenslanden om tekorten te bestrijden’. Het is een situatie die veel vragen oproept over de ethiek van deze wervingscampagnes en de weerklank die ze krijgen, zeker tijdens een pandemie. De ontwikkeling treft landen waarvan de gezondheidsstelsels al verzwakt zijn.

    Volgens Sinead Carbery, president van O’Grady Peyton International, een internationaal wervingsbureau, arriveren elke maand ongeveer duizend verpleegsters in de Verenigde Staten uit Afrikaanse landen, de Filippijnen en het Caribisch gebied.

    De Verenigde Staten trekken al langer verpleegkundigen uit het buitenland aan, maar de huidige vraag van Amerikaanse zorginstellingen is volgens Carbery de hoogste die ze in drie decennia heeft gezien. Naar schatting tienduizend staan buitenlandse verpleegkundigen van over de hele wereld op wachtlijsten voor sollicitatiegesprekken bij Amerikaanse ambassades, hopend op de vereiste visa om vacatures te kunnen vervullen.

    Verlies van gekwalificeerd personeel

    ‘Er vertrekt constant personeel’, zegt Lillian Mwape, directeur verpleging in een Zambiaans ziekenhuis. Haar mailbox loopt voortdurend vol met e-mails van recruiters die haar laten weten dat ook zij de mogelijkheid heeft om heel snel een visum voor de Verenigde Staten te krijgen.

    Officieel leidt Zambia te veel verpleegkundigen op en duizenden jonge afgestudeerden zijn werkloos. Maar het zijn de ervaren verpleegkundigen die het meest gewild zijn bij recruiters en die dus vertrekken. ‘Het zijn de meest gekwalificeerde verpleegkundige die we verliezen en die kunnen we niet echt vervangen’, aldus Lillian Mwape.

    De emigratie van in arme landen opgeleide gezondheidswerkers naar rijke landen is niets nieuws. Maar de stroom is sinds twee jaar geëxplodeerd, nu sommige landen versnelde procedures hebben ingevoerd voor het uitgeven van werkvisa en de erkenning van diploma’s, schrijft The New York Times.

    Zo heeft de Britse regering bijvoorbeeld in 2020 een ‘gezondheids- en zorgvisum’ gelanceerd, met verlaagde tarieven en snellere verwerking van aanvragen. Canada heeft de taalvereisten voor een permanente verblijfsvergunning versoepeld en het proces voor erkenning van kwalificaties voor internationaal opgeleide verpleegkundigen versneld. Japan biedt professionals in de ouderenzorg een snellere weg naar het verwerven van een permanente verblijfsvergunning. En Duitsland staat toe dat in het buitenland opgeleide artsen direct doorstromen naar assistent-artsposities.

    ‘Recruitmentbureaus onderhandelen rechtstreeks met verpleegkundigen die ze zeer voordelige voorwaarden bieden’

    Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat een land als de Filippijnen, dat al sinds lange tijd te veel verpleegkundigen opleidde om ze vervolgens naar het buitenland te kunnen sturen, vooral naar de Golfstaten, momenteel een gebrek heeft aan ziekenhuispersoneel.

    ‘Op mijn afdeling werken vijftien verpleegkundigen en de helft heeft een aanvraag in behandeling om in het buitenland te gaan werken’, zegt Mike Noveda, een ervaren verpleegster neonatologie in de Filippijnen die tijdelijk is overgeplaatst om covid-19-afdelingen te leiden in een groot ziekenhuis in Manilla. ‘Over zes maanden zijn ze allemaal vertrokken.’

    Wat de internationale werving van verplegend personeel betreft, hebben de lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2010 een gedragscode aangenomen. Dit gebeurde op instigatie van met name Afrikaanse landen, die zagen dat ter plaatse opgeleide artsen en verpleegkundigen in groten getale naar de Verenigde Staten of Groot-Brittannië vertrokken.

    ‘We moeten terugkeer naar het continent van Afrikaanse artsen bevorderen’

    Van bestemmingslanden wordt verwacht dat zij bepaalde initiatieven van herkomstlanden op het gebied van gezondheidszorg ondersteunen en aanvullende opleidingen opzetten om expats in staat te stellen met nieuwe vaardigheden naar hun land terug te keren. Maar sinds het begin van de pandemie hebben sommige recruiters een manier gevonden om dergelijke overeenkomsten te omzeilen.

    ‘Recruitmentbureaus komen binnen en onderhandelen rechtstreeks met verpleegkundigen die ze zeer voordelige voorwaarden bieden’, zegt Howard Catton van de International Nurses Organization. ‘De aangeworven professionals zijn niet van plan terug te keren naar hun thuisland. Integendeel: ze willen zich in het buitenland vestigen en hun gezin meenemen.’

    In theorie zou een land als Nigeria tweeënzeventigduizend gekwalificeerde artsen moeten hebben, maar volgens de Nigeriaanse senator Abba Moro waren er in 2021 slechts vijfendertigduizend in het land actief, aldus The Guardian. Desondanks gelooft John Nkengasong, directeur van de Africa Centers for Disease Control and Prevention (Africa CDC), dat hij gezondheidswerkers die nu in het buitenland werken, ervan kan overtuigen weer aan het werk te gaan in hun eigen land.

    Africa CDC heeft zeven werkgroepen ingesteld zodat Afrikaanse artsen en wetenschappers die in rijke landen werken, regelmatig advies van afstand kunnen geven. ‘Ze zijn erg behulpzaam geweest tijdens de pandemie. We moeten dit systeem formaliseren en terugkeer naar het continent bevorderen’, vindt Nkengasong.

    Investeren

    Om de exodus van medisch personeel te keren is het noodzakelijk dat Afrikaanse regeringen in actie komen. ‘Leiders op ons continent moeten investeren in het versterken van gezondheidssystemen. We hebben een zeer proactief programma nodig dat Afrikanen in de diaspora helpt om terug te keren. Een Ghanees of een Nigeriaan die in Londen woont, wordt niet op een ochtend wakker en zegt dan plotseling: ‘Ik ga voor een jaar terug naar mijn land. Ze hebben verantwoordelijkheden, een baan. Zo iemand moet geholpen worden met huisvesting en vervoer.’

    Africa CDC zal naar verwachting binnenkort aan de leden van de Afrikaanse Unie een reeks maatregelen voorstellen voor een regionaal gezondheidsverdrag dat tot doel heeft de reactie van het continent op de pandemie te coördineren. Er moeten met name mechanismen worden ingevoerd om de terugkeer en ondersteuning van expats aan te moedigen.

    Want ook al lijkt Afrika tot nu toe minder onder corona te hebben geleden dan andere continenten, het zal zich moeten voorbereiden ‘op de verschijning van andere varianten die moeilijker te behandelen zijn dan die waarmee we te maken hebben gehad’, waarschuwt John Nkengasong.

  • Het coronavirus is een ramp voor de positie van vrouwen wereldwijd

    Het coronavirus is een ramp voor de positie van vrouwen wereldwijd

    Op basis van de huidige ontwikkelingen zullen vrouwen wereldwijd nog 135,6 jaar moeten wachten – in 2020 leek dat nog 99,5 jaar – om gelijkheid met mannen te bereiken. Maar volgens sommigen kan de crisis ook een kans zijn om de situatie te verbeteren.

    Wanneer mensen opgewekt proberen te zijn over sociale afstand en thuiswerken, en opmerken dat William Shakespeare en Isaac Newton een aantal van hun beste werk schreven terwijl Engeland werd geteisterd door de pest, moeten we één ding niet over het hoofd zien, schrijft Helen Lewis voor The Atlantic: geen van beiden had verantwoordelijkheden voor de kinderopvang. Shakespeare bracht het grootste deel van zijn carrière door in Londen, waar de theaters waren, terwijl zijn familie in Stratford-upon-Avon woonde. Tijdens de plaag van 1606 had de toneelschrijver het geluk gespaard te blijven van de epidemie – zijn hospita stierf op het hoogtepunt van de uitbraak – en zijn vrouw en twee volwassen dochters verbleven veilig op het platteland van Warwickshire.

    Newton is nooit getrouwd en heeft geen kinderen gekregen. Hij bevond zich tijdens de Grote Plaag van 1665-1666 op het landgoed van zijn familie in het oosten van Engeland, en bracht het grootste deel van zijn volwassen leven door als fellow aan de universiteit van Cambridge, waar zijn maaltijden en huishouding door de universiteit werden verzorgd.

    Over de hele wereld betalen vrouwen de prijs voor de sociale en economische gevolgen van de coronapandemie, volgens een rapport van het World Economic Forum (WEF), gepubliceerd in Al-Jazeera. Steeds meer vrouwen zijn werkloos, hetzij vanwege de pandemie zelf, hetzij vanwege de maatregelen die de verspreiding moeten stoppen, doordat in de meest getroffen sectoren (voedselindustrie, handel, detailhandel en amusement) de beroepsbevolking overwegend uit vrouwen bestaat.

    De pandemie vertraagt ​​gendergelijkheid met één generatie. Op basis van de huidige ontwikkelingen zullen vrouwen wereldwijd nog 135,6 jaar moeten wachten – in 2020 leek dat nog 99,5 jaar – om gelijkheid te bereiken met mannen, aldus de WEF, die met name heeft gekeken naar ‘economische kansen, niveau van onderwijs, gezondheid (…) en politiek empowerment’.

    Eerder publiceerde South China Morning Post een artikel waarin aan de orde komt hoe de pandemie vooral vrouwen financieel benadeelt. ‘Zonder ambitieus overheidsbeleid zal het moeilijk zijn de trend te keren’, voorspelt ook SCMP

    Sommige economieën richten zich in eerste instantie op de terugkeer naar het werk van mannen

    Volgens een recent rapport van de Verenigde Naties zal de coronacrisis het armoedepercentage onder vrouwen naar verwachting aanzienlijk doen toenemen en de kloof tussen mannen en vrouwen die onder de armoedegrens leven, vergroten. Volgend jaar zullen naar verwachting nog eens 47 miljoen vrouwen en meisjes in extreme armoede vervallen (dat wil zeggen: 1,90 dollar of minder per dag te besteden hebben), wat het totaal op 435 miljoen brengt. Volgens hetzelfde rapport zullen we waarschijnlijk pas in 2030 zijn terruggekeerd naar het niveau van voor de pandemie.

    Sara Davies, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Griffith Universiteit in Australië, gespecialiseerd in vrouwenkwesties en mondiaal gezondheidsbeheer, verwacht dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen dit jaar voor het eerst zal toenemen. Slechts een klein deel van de vrouwen profiteert van de mogelijkheid op afstand te werken, aangezien sommige economieën zich in eerste instantie richten op de terugkeer naar het werk van mannen.

    Volgens de academicus zijn vrouwen ook onevenredig zwaar getroffen vanwege het gebrek aan werkgelegenheid in de informele economie, die een substantieel deel van de beroepsbevolking in de regio Azië-Pacific vertegenwoordigt. Volgens een schatting van de Internationale Arbeidsorganisatie werken wereldwijd bijna 510 miljoen vrouwen, of 40 procent van het totaal aantal vrouwen met een baan, in sectoren die ernstig zijn getroffen door de pandemie, terwijl dat percentage bij mannen 36,6 procent bedraagt.

    Grimmig globaal beeld

    Een recente studie van de Amerikaanse non-profitorganisatie Women in Informal Employment: Globalizing and Organizing (Wiego) schetst ‘een grimmig mondiaal beeld, met werknemers die verklaren tijdens de lockdowns uitgesloten te zijn van de arbeidsmarkt, zonder enig inkomen’.

    ‘In plaatsen als Ahmedabad in India ontdekten we dat in sommige sectoren bijna 100 procent van de ondervraagden in een steekproef volledig werkloos was, vooral huishoudelijk personeel, straatverkopers en vuilnismannen’, zegt Wiego’s internationale coördinator Sally Roever.

    In Indonesië meldt ongeveer 56 procent van de huisvrouwen gestrest, angstig en slapeloos te zijn als gevolg van de pandemie, volgens een onderzoek van Populix, een aanbieder van consumenteninformatie, en Teman Bumil, een mobiele app voor moeders en zwangere vrouwen. Ongeveer 60 procent van de ondervraagden zei ook bezorgd te zijn over hun financiële situatie.

    Arbeidsmigranten en vooral huishoudelijk personeel, van wie de overgrote meerderheid vrouw is, zijn hard getroffen; volgens een schatting van de Verenigde Naties is dit jaar 72 procent hun baan kwijtgeraakt. Velen zijn er niet in geslaagd terug te keren naar hun land van herkomst. Zonder geld en zonder noemenswaardige sociale zekerheid, moesten ze hun toevlucht zoeken tot opvangcentra. 

    Dit is met name het geval een stad als Hongkong, waar veel arbeidsmigranten werken. Degenen die begin 2020 naar huis konden vertrekken, zaten daar vast. Omdat ze niet naar hun werk kunnen terugkeren, kunnen ze niet langer het inkomen ontvangen waarvan ze een gedeelte naar hun gezin stuurden.

    De crisis kan ook een kans kan zijn om de gendergelijkheid te verbeteren

    Hoewel de covid-crisis onevenredig zwaar op vrouwen weegt, wijzen sommige internationale bedrijfsleiders erop dat de crisis ook een kans kan zijn om de gendergelijkheid te verbeteren. Een van hen is Christine Burrows, Managing Director Business Strategy and Performance for Asia bij Manulife in Hongkong. Ze is van mening dat de opkomst van thuiswerken en het groeiende belang dat wordt gehecht aan digitale technologie, belangrijke huidige trends, ‘een ongelooflijke kans’ vormen om het aandeel vrouwelijke managers in de financiële dienstverlening te vergroten. Dit aandeel is in 2019 wereldwijd gestegen tot 22 procent.

    ‘De obstakels waarmee vrouwen in het beroepsleven worden geconfronteerd, zijn bekend: ze variëren van bepaalde subtiele vormen van vooringenomenheid tot systematische nadelen die hun professionele vooruitgang kunnen belemmeren’, aldus Burrows.

    ‘Dit is het moment om het probleem opnieuw te formuleren. Het is niet alleen een vrouwenkwestie, het is groter dan dat. Gezinsgericht beleid, zoals flexibele werktijden of betaald ouderschaps- en adoptieverlof, komt iedereen ten goede.’

    Behoefte aan openbaar beleid

    Lenovo Asia-Pacific is een van de bedrijven die opkomen voor vrouwenrechten door tijdens de pandemie flexibele werkregelingen in te stellen, zegt CFO Joey Wong. ‘Het lijkt er zelfs op dat de normalisering van thuiswerken nieuwe mogelijkheden biedt. Moeders die bijvoorbeeld niet elke dag op kantoor konden komen, kunnen nu in deeltijd werken.’

    Bedrijven zouden volgens Burrows maatregelen moeten nemen ten gunste van hun vrouwelijk personeel, bijvoorbeeld door hen te motiveren, waar mogelijk videoconferenties te organiseren en door werknemers te informeren dat ze ‘beoordeeld zullen worden op hun resultaten’ in plaats van op de tijd die ze achter hun computer doorbrengen.

    ‘Naast de kwestie van de werkgelegenheid moet meer aandacht worden besteed aan het probleem van huiselijk geweld’

    Het vinden van betaalbare kinderopvang blijft echter het ‘struikelblok voor veel vrouwen in hun carrière’. Wanneer de overheid of de werkgever een regeling voor kinderopvang biedt, ‘geeft dat een zekere rust’.

    Bij gebrek aan echte hulp van de overheid komen verenigingen uit het maatschappelijk middenveld tussenbeide. Maar volgens academicus Sara Davies is ‘het geen blijvende oplossing om het maatschappelijk middenveld te laten opdraaien voor omstandigheden die te wijten zijn aan falende overheid en een ondermijning van vrouwenrechten’.

    In heel Azië, waar de Verenigde Naties een toename van extreme armoede voorspellen als gevolg van de pandemie, moeten regeringen eerst ‘de gendergerelateerde verdeling van economische productie en arbeid in elk land beter begrijpen, en vervolgens een budget ontwikkelen dat rekening houdt met de specifieke financiële gevolgen van de epidemie voor mannen, vrouwen en non-binaire mensen’, aldus de hoogleraar internationale betrekkingen.

    Naast de kwestie van de werkgelegenheid moet volgens haar meer aandacht worden besteed aan het probleem van huiselijk geweld en de obstakels die vrouwen moeten overwinnen om tijdens de pandemie toegang te krijgen tot betaalbare of gesubsidieerde seksuele gezondheids- en kraamzorg. Bovendien is het erg belangrijk om scholen open te houden, vooral voor vrouwen die voor gehandicapte kinderen zorgen, benadrukt Sara Davies, omdat ‘de pandemie vooral mensen met een handicap en hun verzorgers treft. En dat zijn vooral vrouwen zijn.’

    Vrouwen in de Filippijnen leden het meest onder de quarantainemaatregelen van de overheid. Aimee Santos, plaatselijk hoofd van de afdeling gendergelijkheid van het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties, zei afgelopen september dat de vrouwen die ze geïnterviewd had ‘een zware last op hun schouders voelen. Al het gewicht van huishoudelijke taken… Omdat ze onevenredig veel verantwoordelijk dragen van het welzijn van hun gezin.’

    ‘Een van de meest irritante gegevens is dat het Westen niet heeft geleerd van de geschiedenis’

    ‘De pandemie heeft de trends die er al waren, verergerd’, concludeert ook dr. Tara Thiagarajan, oprichter en hoofdwetenschapper van Sapien Labs, een Amerikaanse nonprofitorganisatie die zich toelegt op begrip van de menselijke geest en eerder dit jaar een rapport uitbracht over de impact van de pandemie op geestelijke gezondheid, waarover The New York Times berichtte.

    Het rapport werd gebaseerd op gegevens verzameld uit een online anonieme enquête in Australië, Groot-Brittannië, Canada, India, Nieuw-Zeeland, Singapore, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten.

    Een van de meest irritante gegevens, merkt Lewis op in The Atlantic, is het feit dat het Westen niet heeft geleerd van de geschiedenis: de ebolacrisis in drie Afrikaanse landen in 2014; zika in 2015–2016; en recente uitbraken van SARS, Mexicaanse griep en vogelgriep. Academici die deze episodes bestudeerden, ontdekten dat ze diepe, langdurige effecten hadden op gendergelijkheid.

    ‘De ebola-uitbraak in West-Afrika beïnvloedde het inkomen van iedereen,’ zegt Julia Smith, een onderzoeker op het gebied van gezondheidsbeleid aan de Simon Fraser University in The New York Times, maar ‘het inkomen van mannen keerde sneller terug naar het niveau van vóór de uitbraak dan het inkomen van vrouwen’.

    Deze verstorende effecten van een epidemie kunnen jaren aanhouden, volgens Clare Wenham, een assistent-professor in het mondiale gezondheidsbeleid aan de London School of Economics.

    Andere lessen uit de ebola-epidemie waren net zo grimmig. Schoolsluitingen hadden een negatieve invloed op de levenskansen van meisjes, omdat velen het onderwijs stopten. (Een stijging van het aantal tienerzwangerschappen versterkte deze trend.) Huiselijk en seksueel geweld nam toe. En meer vrouwen stierven tijdens de bevalling omdat middelen elders werden ingezet.

    Lees ook:

    ‘Er is een verstoring van de gezondheidsstelsels, alles gaat naar de uitbraak’, zegt Wenham, die tijdens de ebolacrisis als onderzoeker naar West-Afrika reisde. ‘Wat geen prioriteit heeft, wordt geschrapt. Dat kan effect hebben op de moedersterfte of de toegang tot anticonceptie.’

    De Verenigde Staten hebben op dit gebied al ontstellende statistieken in vergelijking met andere rijke landen, meldt onder andere Vox, en daar hebben zwarte vrouwen twee keer zoveel kans om tijdens de bevalling te overlijden als witte vrouwen.

    Vanzelfsprekend

    Voor Wenham was de meest opvallende statistiek afkomstig uit Sierra Leone, een van de landen die het zwaarst door ebola werden getroffen. Tijdens de uitbraak van 2013 tot 2016 stierven meer vrouwen aan obstetrische complicaties dan de besmettelijke ziekte zelf. Maar deze sterfgevallen trekken, net als de onopgemerkte zorgarbeid waarop de moderne economie draait, minder aandacht dan de onmiddellijke problemen die een epidemie veroorzaakt. Ze worden als vanzelfsprekend beschouwd.

    In haar boek Invisible Women merkt Caroline Criado Perez op dat ten tijde van de zika- en ebola-epidemieën 29 miljoen artikelen werden gepubliceerd in meer dan 15.000 peer-reviewed titels, waarvan minder dan 1 procent te maken had met de gendergerelateerde impact van de uitbraken. Wenham heeft tot dusverre geen genderanalyse gevonden naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus; zij en twee co-auteurs zijn het probleem nu aan het onderzoeken.

    ‘Hoe we nu handelen, zal van invloed zijn op de levens van miljoenen vrouwen en meisjes bij toekomstige uitbraken’

    Net als andere onderzoekers is ze gefrustreerd dat beleidsmakers nog steeds een sekseneutrale benadering van pandemieën hanteren.

    ‘Hoe grimmig het ook is om je nu voor te stellen, volgende epidemieën zijn onvermijdelijk, en de verleiding om te beweren dat gender een bijzaak is, een bijeffect van de echte crisis, moet worden weerstaan. Hoe we nu handelen, zal van invloed zijn op de levens van miljoenen vrouwen en meisjes bij toekomstige uitbraken’, aldus Lewis.

    Ook volgens haar bieden de inzichten een kans. ‘Dit zou de eerste uitbraak kunnen zijn waarbij sekseverschillen en -ongelijkheid worden geregistreerd, en waarbij onderzoekers en beleidsmakers er rekening mee houden. Te lang hebben politici aangenomen dat kinderopvang en ouderenzorg kunnen worden “opgevangen” door particuliere burgers – meestal vrouwen – die daarmee in feite een enorme subsidie ​​aan de betaalde economie verstrekken. Deze pandemie zou ons moeten herinneren aan de ware omvang van deze verstoorde gang van zaken.’

    Wenham pleit voor noodvoorzieningen voor kinderopvang, economische zekerheid voor eigenaren van kleine bedrijven en een financiële stimulans die rechtstreeks aan gezinnen wordt betaald. Maar veel hoop heeft ze niet, omdat ze uit ervaring weet dat regeringen op korte termijn denken en reactief zijn.

    ‘Alles wat is gebeurd, is voorspeld, toch?’ zegt ze. ‘Als academici wisten we collectief dat er een uitbraak zou komen uit China, die laat zien hoe globalisering ziekten verspreidt en financiële systemen lam legt, en toch stond er geen pot met geld klaar, was er geen bestuursplan (…) We wisten dit allemaal, en ze luisterden niet. Waarom zouden ze nu naar dit verhaal over vrouwen luisteren?’

  • Het gevaar van generieke geneesmiddelen

    Het gevaar van generieke geneesmiddelen

    Katherine Eban doet al tien jaar onderzoek naar de producenten van generieke geneesmiddelen en ontdekte een duister geheim: de kwaliteitscriteria voor hun geneesmiddelen variëren al naar gelang het land dat ze afneemt.

    In de zestien jaar dat de Canadese chirurg Brian Westerberg geregeld als vrijwilliger uitvloog naar het Oegandese Mulago National Referral Hospital in Kampala, hadden ze daar altijd aan alles gebrek. Meestal waren er te veel patiënten voor de vijftienhonderd bedden die het ziekenhuis telde. Eén keer werd het water afgesloten omdat de rekening niet was betaald. En patiënten konden vaak niet de medicatie krijgen die ze nodig hadden, zodat Westerberg in het begin soms medicijnen meenam uit Canada. Maar sinds de eerste jaren van deze eeuw zijn er dankzij de inspanningen van de Oegandese regering en internationale hulporganisaties steeds meer goedkope generieke geneesmiddelen uit India en China beschikbaar gekomen, zodat dit probleem in ieder geval leek opgelost.

    Tot Westerberg op 7 februari 2013 een dertienjarige jongen op consult kreeg met koorts en een ontstoken oor waar vocht uit kwam. Hij dacht dat het bacteriële meningitis was, al kon hij daar niet van vergewissen omdat de CT-scanner stuk was. Hij gaf de jongen een injectie met ceftriaxon, een antibioticum dat hem afdoende leek. Maar vier dagen later was de ontsteking alleen maar erger geworden. Terwijl Westerberg zich opmaakte voor een operatie, kreeg de jongen een attaque. De CT-scanner deed het inmiddels weer, dus Westerberg liet een scan uitvoeren en zag abcessen in de schedel van de jongen, waarschijnlijk veroorzaakt door de infectie.

    Een neurochirurg die de beelden bekeek, zei dat een operatie niet nodig was en dat de abcessen en de zwelling met een goede antibioticakuur vanzelf zouden afnemen. Dat begreep Westerberg niet goed: hij had de jongen al ceftriaxon gegeven en dat had niet geholpen. Hij begreep er nog minder van toen zijn collega opperde een duurdere versie van hetzelfde geneesmiddel te gebruiken. Wat maakt het nou uit welk merk je gebruikt?

    RoW-markten

    De meeste mensen gaan ervan uit dat het geen verschil maakt: dat merkmedicijnen en hun generieke varianten overal ter wereld identiek zijn, zolang ze geproduceerd zijn door een gerenommeerd farmaceutisch bedrijf dat onder toezicht staat van bevoegde instanties. Die logica is de drijvende kracht achter de wereldwijde revolutie van generieke geneesmiddelen, waarbij farmaceutische bedrijven in landen als India en China goedkope maar hoogwaardige geneesmiddelen maken die wereldwijd worden verkocht. Die fabrikanten zijn bejubeld als helden van de gezondheidszorg, omdat zij ervoor zorgen dat arme mensen net zo gemakkelijk aan medicijnen kunnen komen als rijken.

    Maar ik doe al tien jaar onderzoek naar de producenten van generieke geneesmiddelen die zowel in Afrika als in Amerika veel worden gebruikt, en maar al te vaak blijken die een duister geheim te verbergen: de kwaliteitscriteria voor hun geneesmiddelen variëren al naar gelang het land dat ze afneemt. En dat is niet alleen voor de gebruikers van de kwalitatief mindere geneesmiddelen een gevaar, maar voor iedereen.

    Hun beste geneesmiddelen verschepen ze naar markten met een strenge gezondheidsinspectie, zoals de VS en de EU. Hun slechtste geneesmiddelen, die ingrediënten van lagere kwaliteit bevatten en minder streng worden getest, gaan naar de landen met het zwakste toezicht.

    Niet dat de Amerikaanse geneesmiddelenmarkt immuun is voor kwaliteitsproblemen. Het afgelopen jaar zijn tientallen versies van de generieke bloeddrukmedicijnen valsartan, losartan en irbesartan teruggeroepen. Sommige van deze in China geproduceerde pillen bevatten een mogelijk kankerverwekkende stof die vroeger gebruikt werd in de productie van raketbrandstof. Wie hier vooral onder te lijden heeft, zijn de patiënten in de zogenaamde RoW-markten (‘rest of world’, de in deze branche gebruikelijke afkorting voor de rest van de wereld). In grote delen van Afrika, Zuidoost-Azië en andere regio’s met opkomende markten maken sommige fabrikanten een kille afweging: ze verkopen hun slechtste geneesmiddelen daar waar de pakkans het kleinst is.

    Medisch centrum in Bweyale, Uganda. Sommige fabrikanten maken de afweging hun slechtste medicijnen daar te verkopen waar hun pakkans het kleinst is; de zogenaamde rest of world-markten. – BSIP / Universal Images Group via Getty Images
    Medisch centrum in Bweyale, Uganda. Sommige fabrikanten maken de afweging hun slechtste medicijnen daar te verkopen waar hun pakkans het kleinst is; de zogenaamde rest of world-markten. – BSIP / Universal Images Group via Getty Images

    Vroeger kreeg Afrika zijn geneesmiddelen vooral uit ontwikkelde landen, via donaties of kleinschalige aankopen. Toen de farmaceutische vertegenwoordigers uit India met hun generieke geneesmiddelen aanklopten, was men daar aanvankelijk dus blij mee. Maar Afrika werd al snel een gebied waar je ‘eender wat naartoe stuurt,’ zegt Kwabena Ofori-Kwakye van de faculteit Farmaceutische Wetenschappen aan de Ghanese Kwame Nkrumah University of Science and Technology in Kumasi. Alle soorten geneesmiddelen leveren kwaliteitsproblemen op, en de schade aan de volksgezondheid is ‘astronomisch’, zegt hij.

    Verschillende Afrikaanse artsen die ik heb gesproken, zeggen dat ze hun behandeling erop aanpassen en soms driedubbele doses voorschrijven. Gordon Donnir, voormalig hoofd van de psychiatrische afdeling van het academisch ziekenhuis Komfo Anokye in Kumasi, heeft nu een eigen praktijk voor Ghanezen uit de middenklasse en zegt dat bijna alle door zijn patiënten gebruikte geneesmiddelen onder de maat zijn, zodat hij de dosering verhoogt. Patiënten die het antipsychosemiddel haloperidol slikken (een generieke vorm van Haldol), krijgen dat van Europese artsen in doses van 2,5 mg voorgeschreven. Donnir schrijft zijn patiënten doses van 10 mg voor, omdat hij weet dat 2,5 mg ‘niks doet’. Hij gaf een vijftienjarige jongen ooit diazepam (de generieke vorm van valium) in een tienmaal zo hoge dosering als gebruikelijk: een hoeveelheid waarvan je normaal onder zeil gaat. Hij ‘zat erbij te lachen,’ zegt Donnir.

    Veel ziekenhuizen houden ook een voorraad achter de hand van wat ze de ‘chique’ geneesmiddelen noemen (merkmedicijnen en generieke middelen van hogere kwaliteit) voor de behandeling van patiënten die na een kuur met de goedkopere middelen nog niet zijn hersteld. Bij de jongen in Kampala stapten Westerbergs collega’s over op de duurdere variant van ceftriaxon en gaven ze hem ook nog andere medicatie. Het mocht niet baten: in de tweede week van zijn behandeling werd de jongen hersendood verklaard. Westerbergs Oegandese collega’s keken er niet van op. Zij gaven patiënten wel vaker medicatie die op papier levensreddend moest zijn, om ze vervolgens toch te zien overlijden. En er waren niet genoeg ‘chique’ medicijnen voor iedereen, zodat ze daarvoor in feite elke dag triage moesten plegen. Het is ook haast niet bij te houden welke generieke geneesmiddelen precies onbetrouwbaar zijn, zegt een arts in west-Oeganda: ‘Vandaag is het een narcosemiddel, morgen ceftriaxon, overmorgen amoxicilline.’

    Veel ziekenhuizen houden ook een voorraad achter de hand van wat ze de “chique” geneesmiddelen noemen

    Westerberg vloog terug naar Canada en sloeg de handen ineen met Jason Nickerson, een beademingsverpleegkundige die in Ghana vergelijkbare ervaringen met slechte geneesmiddelen had gehad. Ze besloten de chemische samenstelling te onderzoeken van het generieke ceftriaxon dat een rol had gespeeld in het overlijden van de jongen in Oeganda. Een van Westerbergs collega’s nam een ampul voor hem mee uit de apotheek van het ziekenhuis in Kampala. Het geneesmiddel was gemaakt door een producent in Noord-China die het ook in Amerika en op andere ontwikkelde markten verkocht. Bij onderzoek in Nickersons lab bleek de hoeveelheid werkzame stof in het middel nog niet de helft te bedragen van wat er op het etiket stond. Bij zo’n lage concentratie haalt het praktisch niets uit, zei Nickerson. Ze hebben hun bevindingen gepubliceerd in het Morbidity and Mortality Weekly Report van het Amerikaanse centrum voor ziektepreventie en -bestrijding. Het was niet met zekerheid vast te stellen of de jongen als gevolg van het laagwaardige ceftriaxon was overleden, maar hun verslag bevatte wel sterke aanwijzingen in die richting.

    Sommige fabrikanten beweren dat al hun geneesmiddelen van hoge kwaliteit zijn en dat er alleen kleine verschillen optreden doordat de regelgeving van markt tot markt verschilt. Maar volgens Patrick H. Lukulay, oud-vicevoorzitter van het programma voor mondiale volksgezondheid van de USP (het Amerikaanse Geneesmiddelenbureau), een van de belangrijkste toezichthouders in de wereld, is dat ‘klinkklare nonsens’. Voor elk medicijn, zegt hij, ‘bestaat er maar één meetlat, en dat is de standaard die is gevestigd door de oorspronkelijke producent’, de fabrikant die het merkmedicijn heeft ontwikkeld.

    Dit probleem moet niet alleen de mensen in opkomende markten zorgen baren. Slechte medicijnen bevatten vaak niet genoeg van de werkzame stof om patiënten te genezen, maar zijn vaak wel werkzaam genoeg om de zwakste bacteriën te doden, terwijl de sterkste het overleven. Die planten zich voort en kunnen een nieuwe generatie ziekteverwekkers voortbrengen die zelfs bestand zijn tegen hoogwaardige geneesmiddelen, waar wel genoeg van de werkzame stof in zit. Na een uitbraak van resistente malaria in het grensgebied van Thailand en Cambodja in 2011 rees bij het regiohoofd van de USP in Indonesië, Christopher Raymond, al het sterke vermoeden dat die resistentie te wijten was aan slechte medicijnen. Patiënten behandelen met geneesmiddelen die te weinig werkzame stof bevatten is, in zijn woorden, alsof je ‘een brand probeert te blussen met benzine’.


    Dit baart de USP zoveel zorgen dat het in 2017 het Quality Institute heeft opgezet, dat onderzoek financiert naar het verband tussen de kwaliteit van medicijnen en de ontwikkeling van resistentie. Muhammad Zaman, hoogleraar biomedische technologie aan Boston University, deed in 2018 onderzoek naar het veelgebruikte antibioticum rifampicine. Bij een verkeerde productiemethode kan de stof rifampicine chinon ontstaan. Toen Zaman bacteriën daaraan blootstelde, ontwikkelden die mutaties waardoor ze beter tegen rifampicine en vergelijkbare medicijnen bestand zijn. Zaman concludeerde dat slechte medicijnen een ‘heel eigen risicofactor’ vormen in de mondiale ontwikkeling van geneesmiddelenresistentie.

    Door hun lage kosten zijn generieke geneesmiddelen onmisbaar voor de mondiale gezondheidszorg. Maar als die medicijnen van lage kwaliteit zijn, doen ze meer kwaad dan goed. Politici, toezichthouders en hulpverleners hebben zich jarenlang vooral op de beschikbaarheid van deze geneesmiddelen gericht. In de toekomst zullen ze evenveel nadruk moeten leggen op de kwaliteit, middels een streng programma van onaangekondigde inspecties, voortdurende tests van geneesmiddelen die al op de markt zijn en wettelijke sancties tegen producenten van ondeugdelijke medicijnen. Een goed model daarvoor is de luchtvaart, waar dankzij internationale verdragen en wetgeving wereldwijde geldende veiligheidseisen zijn vastgesteld. Zonder een vergelijkbaar controlesysteem om de veiligheid en werkzaamheid van medicijnen te garanderen, zal de combinatie van slechte medicijnen en toenemende resistentie rampzalige gevolgen krijgen waar geen land aan voorbij kan gaan. Want in de woorden van Elizabeth Pisani, een epidemioloog die onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van geneesmiddelen in Indonesië: ‘Ziekteverwekkers kennen nu eenmaal geen grenzen.’

    Auteur: Katherine Eban
    Vertaler: Frank Lekens

    Openingsbeeld: Changzhou Qianhong Biochemical Pharmaceutical Co. in Changzhou, Oost-China. Farmaceutische bedrijven in landen als India en China worden erom bejubeld goedkope maar hoogwaardige geneesmiddelen te maken die wereldwijd worden verkocht. Maar de realiteit is vaak anders. – XU CONGJUN / Barcroft Media via Getty Images

    Time
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 6.000.000

    Weekblad met indrukwekkende oplage. Met vlijmscherp gekozen beelden, unieke reportages. Jaarlijkse lijst van invloedrijke mensen draagt bij aan hun legende.

  • 1. De stille strijd voor het recht om te leven

    1. De stille strijd voor het recht om te leven

    Meer dan 5000 moeders sterven elk jaar in Bangladesh bij de bevalling. Vroedvrouwen moeten levens redden – maar ze moeten zich ook verdedigen tegen vooroordelen van artsen en families. Zo worden ze voortrekkers van de emancipatie.

    Ze trekt haar witte kiel over haar hoofd, pakt haar stethoscoop in en verlaat de kraamkliniek in Dhaka, Bangladesh. De hete lucht van de hoofdstad waar 8 miljoen mensen wonen waait Afroja Akter tegemoet. Het riekt naar uitlaatgassen en rijpe bananen. Vandaag bezoekt de vroedvrouw een jongetje van zeventien dagen oud. De kelderkamer is donker. De ventilator snort tegen de middaghitte.

    ‘Zuster, kijk eens,’ zegt Afroja tegen de moeder terwijl ze het gezichtje van de zuigeling streelt. ‘Zijn oogwit is geelachtig. Hij heeft daglicht nodig.’

    ‘Maar ik kan niet naar buiten,’ zegt de 25-jarige. ‘Buiten zijn zoveel mensen.’

    ‘’s Morgens tien minuten, dat is genoeg,’ zegt Afroja.

    Afroja Akter, 23 jaar oud, in roze hoofddoek en roze gewaad, werkt sinds acht maanden als vroedvrouw. In die tijd heeft ze ongeveer honderd baby’s ter wereld gebracht. Ze geeft zwangere vrouwen voorlichting over geelzucht bij pasgeborenen en helpt moeders bij de borstvoeding. Geboortebegeleiding, preventieve zorg en nazorg – het zijn dezelfde diensten die ook opgeleide vroedvrouwen in Kaapstad, Londen of Hamburg aanbieden.

    Het verschil is dat dit beroep in Bangladesh tot acht jaar geleden niet bestond. Afroja Akter behoort tot de pioniersters in deze professie. De wens kwam vanuit de politiek, om de sterfte onder jonge moeders in het land terug te dringen. Maar Afroja is niet alleen aangesteld in de strijd tegen de vermijdbare dood. Haar beroep heeft in het islamitische land een neveneffect: het emancipeert Afroja en haar collega’s – en meteen ook de jonge moeders van de wijk.

    Een goed alternatief

    Bangladesh heeft de millenniumontwikkelingsdoelstellingen ondertekend, waarvan ook de verbetering van gezondheidszorg voor moeders deel uitmaakt. Het sterftecijfer in het land was sinds de jaren negentig voortdurend gedaald. Maar het streefdoel van de VN – een vermindering van de sterfte met driekwart – haalde het land niet. Per jaar sterven hier meer dan 5000 vrouwen aan complicaties bij de bevalling [ter vergelijking: is Nederland zijn dat er minder dan tien]. De meesten bloeden dood. Voor 2015, zo kondigde de premier Sheikh Hasina toen aan, zouden er 3000 vroedvrouwen aan het werk gaan. Het idee daarachter was simpel: de meeste moeders stierven in de landen met de minste vroedvrouwen.

    Maar de praktische uitvoering in het dichtbevolkte Bangladesh was ingewikkelder. Bijna de helft van alle vrouwen bevalt thuis, ondersteund door ongekwalificeerde helpsters. Velen leven verstoken van medische zorg, en zijn moeilijk bereikbaar. Vaak staat de man niet toe dat de vrouw naar het ziekenhuis gaat. Een reden zijn ook de kosten. Het aantal keizersneden ligt in veel privéziekenhuizen in de buurt van 80 procent. En die zijn tienmaal zo duur als een natuurlijke bevalling. Sommige kraamafdelingen hebben wel operatiekamers, maar geen zaal met kraambedden.

    Afroja’s vader, een handelaar in fietsonderdelen, wilde dat zijn middelste dochter medicijnen ging studeren. Maar haar schoolcijfers waren niet goed genoeg. ‘Deze opleiding was een goed alternatief,’ zegt ze. De drie jaren waren kosteloos, gefinancierd onder andere door het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Maar wat een vroedvrouw precies is, begreep Afroja pas toen ze bijvoorbeeld leerde hoe hormonen die de borstvoeding regelen beïnvloed worden door huidcontact.

    Vroedvrouw Laili Khatun bezoekt Rabeya (18) en haar dochter Lamia, van vijftien dagen oud. – © Jaco Klamer. Panos Pictures
    Vroedvrouw Laili Khatun bezoekt Rabeya (18) en haar dochter Lamia, van vijftien dagen oud. – © Jaco Klamer. Panos Pictures

    Ook veel burgers weten niet wat een vroedvrouw precies doet. Familieleden vragen bij de geboorte geïrriteerd waar de dokter blijft, vertelt Afroja. Een keer riep een schoonmoeder uit: ‘Hoe moet dit kleine meisje, ongetrouwd en kinderloos, onze kleinzoon op de wereld brengen?’ Afroja, 1 meter 52 lang en tenger als een dertienjarige, lacht. Intussen is ze er wel aan gewend. ‘Ik leg steeds weer uit dat ik voor bevallingen ben opgeleid.’

    Haar kennis van zaken heeft haar zelfverzekerder gemaakt. Tegenwoordig slaat ze haar blik niet meer neer, ook niet wanneer ze argumenten tegen tradities inbrengt of over seks praat. Ze legt families uit dat pasgeborenen geen honing verdragen. Velen geloven dat kinderen daar zoeter van worden.

    Als Afroja een vrouw naar het ziekenhuis verwijst omdat ze syfilis vermoedt, zegt ze: neem je man mee. Wat ze niet zegt is dat de echtgenoot, een riksjarijder, het waarschijnlijk bij prostituees heeft opgelopen. Bij een huisbezoek vertrouwt een textielarbeidster, in de vierde maand van haar zwangerschap, Afroja haar angst toe. Ze is bang dat het weer een miskraam wordt. ‘Als ik slaap merk ik dat mijn man aan mijn buik luistert of hij de baby hoort,’ fluistert ze. Maar haar gebrek aan eetlust en haar knagende angst met hem bespreken? Ze houdt haar sjaal voor haar mond. O nee, dat gaat niet. ‘Wij zijn allemaal vrouwen. Je hoeft je niet te schamen,’ zegt Afroja.

    Afroja is een stille strijdster voor de rechten van vrouwen. ‘De meesten weten gewoon niet beter,’ zegt ze op weg naar de kraamkliniek. Ze weet dat ze haar taal moet aanpassen. Bovendien heeft ze het vertrouwen van de wijk nodig. Ook daarom wordt ze bij haar visites altijd begeleid door een medewerkster van de gemeente die in de betreffende buurt is opgegroeid.

    ‘Er bestaat geen eten dat jouw kind bitter of zoet kan maken. Het heeft alleen maar jouw melk nodig’

    Afroja werkt zes dagen in de week, ze moet dagelijks drie uur door de chronische verkeersopstoppingen van Dhaka rijden. Ze heeft klem zittende baby’s uit moeders bevrijd, bloedingen gestopt en beslist wanneer de vrouwen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis moeten. Ze is trots op zichzelf: bij haar is geen moeder gestorven.

    Tijdens de nachtdienst slaapt ze in de behandelkamer van het geboortecentrum op de vloer. Ze verdient omgerekend 270 euro per maand; slechts ongeveer een derde meer dan textielarbeidsters. Toch zegt ze: ‘Ik heb mijn doel bereikt.’ Ze is de uitzondering onder haar voormalige vriendinnen uit de klas. Die zijn bijna allemaal getrouwd en hebben geen vak geleerd. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen trouwen ligt in Bangladesh in de buurt van negentien jaar. Ook daarom moesten de vroedvrouwen zich verplichten, tijdens hun opleiding niet te trouwen. ‘Het huwelijk sluit veel vrouwen op achter de voordeur,’ zegt Afroja.

    Statistisch is nog niet na te gaan hoe de vroedvrouwen de sterftecijfers onder moeders in Bangladesh beïnvloeden. Rondi Anderson, de vroedvrouwenspecialiste van het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties in Dhaka, hoopt dat dit over ongeveer tien jaar mogelijk is. In totaal had men ongeveer 20.000 vroedvrouwen nodig om alle vrouwen te kunnen bedienen. Tot op heden is slechts een tiende van dat aantal gerealiseerd. Daar komen andere problemen bij. Er zijn geen ervaren collega’s die pas opgeleide vrouwen kunnen instrueren. Veel klinieken zetten de vroedvrouwen weer als verpleegster in, en niet in de ruimte waar de bevallingen plaatsvinden. Bovendien ontbrak het aan medicijnen, vertelt Rondi Anderson: ‘Bangladesh staat nog aan het begin.’

    Aangekomen

    Maar alleen al in Afroja’s kleine kraamkliniek werden verleden jaar meer dan 500 baby’s geboren. De families lijken er dus voor open te staan, de bevalling zonder artsen en traditionele helpsters te laten plaatsvinden. Ook al is er zeker nog een tweede generatie vroedvrouwen nodig om het beroep ingeburgerd te krijgen – Afroja Akter lijkt door de vrouwen in de wijk geaccepteerd te worden.

    ‘Jij weet het beste wat goed is voor jouw zoon,’ bemoedigt ze de moeder wiens baby aan geelzucht lijdt. ‘Er bestaat geen eten dat jouw kind bitter of zoet kan maken. Het heeft alleen maar jouw melk nodig.’ Dan zet ze de weegschaal klaar. 3,2 kilo. De zuigeling is aangekomen. De moeder belooft dat ze de volgende dag naar buiten zal gaan. Tien minuten, heel vroeg in de ochtend.

    Auteur: Fiona Weber-Steinhaus
    Vertaler: Piet Meeuse

    Stern
    Duitsland | weekblad | oplage 1.275.000

    Het grootste actualiteitenblad van Duitsland, bekend om de rijk geïllustreerde reportages.

  • Afrikaanse kikkersprongen

    Afrikaanse kikkersprongen

    De snelle verspreiding van technologische ontwikkelingen heeft Afrikaanse landen de kans gegeven een sprong vooruit te maken. Maar daar is nog altijd deugdelijk bestuur voor nodig.

    Kotiogo Ng’usilo kan zich nog levendig herinneren dat hij voor het eerst een auto zag. 
Het was in de jaren vijftig en Ng’usilo, een jager-verzamelaar van de Ogiek-stam in het Mau-woud in Kenia, dacht dat het een ‘bewegend huis’ was. Inmiddels 86 jaar oud probeert hij met het verzamelen van honing en het vangen van een klipdas hier en daar nog vast te houden aan zijn oude levensstijl, maar verder is hij meegegaan met de vaart der volkeren. Hij draagt westerse kleren, koopt voedsel op de markt en gebruikt, net als zijn jongere familieleden, een mobiele telefoon. Terwijl hij boven een kalebas heilig honingbier over vroeger vertelt, wordt hij continu onderbroken door getjirp, niet van vogels maar van telefoontjes met nieuws uit de stad.

    De snelle opkomst van mobiele technologie in de derde wereld – met name in Afrika, dat bij Azië en Latijns-Amerika achterblijft in het dichten van de inkomenskloof met het Westen – heeft geleid tot de kikkersprongtheorie. Volgens deze theorie, zo staat geformuleerd in een studie van de Wereldbank, kunnen landen een ‘snelle economische groeisprong maken’ door technologische innovatie te omarmen.

    Sommigen zien in de kracht van technologie een verbluffende potentie om problemen op te lossen die veel regeringen, vooral in Afrika, niet adequaat aanpakken: slechte gezondheidszorg, slechte scholen, een gebrekkig wegennetwerk, gebrekkige elektriciteitsvoorziening en een tekort aan banen. Afgelopen zomer riep Alibaba-oprichter Jack Ma nog een 
prijs van 10 miljoen dollar in het leven voor jonge Afrikaanse techondernemers die ‘de weg plaveien voor een betere toekomst’.

    Technologie

    De opkomst van mobiele en digitale technologie wordt gezien als de sleutel tot de kikkersprong. 
Volgens schattingen van de GSMA, de mondiale brancheorganisatie van de telecomsector, telden landen bezuiden de Sahara in 2017 in totaal 444 miljoen mobieletelefoongebruikers, een penetratiegraad van 44 procent, tegen een wereldwijd gemiddelde van 
66 procent. In Zuid-Afrika en Nigeria, waar 9 van de 10 inwoners een abonnement heeft, zijn mobieltjes net zo gewoon als in de VS, blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse denktank Pew Research Center. 


    Met de prijsdaling van mobiele telefoons is de verwachting dat de kloof tussen het merendeel van de 50 Afrikaanse landen en de rest van de wereld geleidelijk zal worden gedicht. In Ethiopië produceert het Chinese bedrijf Transsion Holdings al toestellen die niet meer dan 10 dollar kosten. ‘Inmiddels is toegang tot mobiele telefoons bijna universeel,’ zegt de Zimbabweaanse neurowetenschapper Precious Lunga, oprichter van Baobab Circle, een techbedrijf dat kunstmatige intelligentie gebruikt om patiënten in Kenia en 
Zimbabwe consulten te geven. ‘Er zijn plekken waar geen stromend water is, maar waar je wel een video kunt 
streamen,’ zegt ze.

    De verspreiding van smartphones, die een derde uitmaken van alle mobiele telefoons in Afrika, opent nieuwe perspectieven, jubelen techadepten. Een deel van de elite in bruisende steden als Lagos in Nigeria of Dar es Salaam in Tanzania, die beide tot de snelst groeiende steden ter wereld behoren, gebruikt taxiapps als Uber of Taxify en bestelt maaltijden en kleding online. In Ivoorkust heeft bankengroep Standard Chartered haar eerste louter digitale consumentenbank opgericht, als proef voor digitale diensten wereldwijd. Nog belangrijker voor de kikkersprongtheorie is de impact die mobiele technologie heeft op het platteland, waar zes van de tien Afrikanen leven. Op vrijwel het hele Afrikaanse continent voltrekt zich een revolutie op het vlak van financiële inclusie.

    Kenia was in 2007 voortrekker met de lancering van M-Pesa, de mobiele betaaldienst van telefoonbedrijf Safaricom. Tientallen miljoenen mensen die voordien zonder bankrekening door het leven gingen, zoals Ng’usilo, kunnen nu met een paar vingerbewegingen geld naar familieleden overmaken of inkopen doen. De doorbraak van mobiel geld, dat volgens de GSMA inmiddels door ongeveer 690 miljoen mensen wordt gebruikt, van wie de helft Afrikaans is, vormt de 
ruggengraat voor tal van andere diensten. In steden en middelgrote plaatsen kunnen kleine ondernemingen online adverteren en mobiele betalingen ontvangen.

    Op het platteland is er een snelle groei van pay-as-you-go-zonnestroom waarbij klanten met mobiel geld voor luttele bedragen als 50 cent per dag elektriciteit kunnen kopen. De panelen worden op afstand gedeactiveerd wanneer de betaling stopt. In het dorp Sahabevava in het noordoosten van Madagascar, op een paar uur rijden van de dichtstbijzijnde stad en ver verwijderd van het dichtstbijzijnde elektriciteitsnetwerk, woont boerin Lydia Soa. Ze is de trotse bezitter van een zonnepaneel, dat genoeg stroom opwekt om haar huis mee te kunnen verlichten – handig voor wanneer de kinderen huiswerk maken – een boombox te laten werken en, natuurlijk, om haar mobiele telefoon op te laden.

    Er zijn plekken waar geen 
stromend water is, maar waar je wel een video kunt streamen

    Afrika is goed voor 16 procent van de wereldbevolking maar heeft slechts 2,8 procent van de mondiale capaciteit voor stroomopwekking. Slechts 37 procent van de Afrikanen ten zuiden van de Sahara heeft 
toegang tot elektriciteit, wat betekent dat zo’n 600 miljoen mensen zonder stroom leven. Maar in 2017, bleek uit een brancherapport, hadden 73 miljoen huishoudens bezuiden de Sahara al toegang tot zonne-energie. Deze snelle toename, die ervoor gezorgd heeft dat afgelegen delen van Afrika in één klap van geen stroom naar groene stroom zijn gegaan, is een schoolvoorbeeld van de kikkersprongtheorie.

    Als technologie over grenzen, het bankwezen en elektriciteitsnetwerken kan ‘springen’, zeggen enthousiastelingen, dan zal ze zeker een weerslag hebben op alle industrieën én alle levensterreinen. Keun Lee, hoogleraar economie aan de Nationale Universiteit van Seoul, heeft bestudeerd hoe technologische ontwikkelingen vooruitgang kunnen 
aanzwengelen. ‘Bij de opkomst van een nieuwe technologie of paradigma begint iedereen op hetzelfde punt; laatkomers lopen niet achter,’ zegt hij. ‘Voorlopers zijn de laatsten die op nieuwe technologieën overstappen,’ voegt hij eraan toe.

    Lee, die de regering van Rwanda adviseert over haar ambities om van 
het kleine centraal-Afrikaanse land een digitale hub te maken, zegt dat technologische verschuivingen landen als India, Brazilië en een aantal Afrikaanse economieën de kans geven een sprong vooruit te maken. ‘Afrikaanse landen, waar men voorheen voor verlichting op kerosinelampen was aangewezen, kunnen in één keer overgaan op zonne-energie, zonder de tussenstap van een traditioneel elektriciteitsnet.’

    Weinigen zullen betwisten dat landen in Afrika en elders door gebruikmaking van technologieën die in het Westen zijn ontwikkeld of van eigen innovaties, zoals mobiel geld, het ontwikkelings-proces kunnen bekorten. Groot-Brittannië deed er 150 jaar over om, via een industriële revolutie die draaide om water, wind en stoomkracht, van een landbouweconomie tot een geavanceerde economie uit te groeien. Japan deed er korter over, en landen als Singapore, Taiwan, Zuid-Korea en China maakten de sprong naar de positie van een 
land van midden- en hoge inkomens in een paar generaties.

    Fonkelnieuwe apps

    De kikkersprongadepten zijn in hun definitie van technologie geneigd om te focussen op de digitale revolutie en de transformerende kracht van ‘fonkelnieuwe apps’, zoals Lunga van Baobab Circle het uitdrukt. Robert Gordon, econoom aan de Northwestern University in Chicago, zegt echter dat de grootste productiviteitsgroei niet zozeer te danken is aan het internet 
of mobiele telefoons maar aan technologieën die we nu als vanzelfsprekend beschouwen: sanitaire voorzieningen, wegen en stoomkracht.

    Als Gordon gelijk heeft, dan zou Afrika door die ontwikkelingen over te slaan en direct aan te haken bij wat men in 2016 op het World Economic Forum in Rwanda ‘de vierde industriële revolutie’ noemde, de belangrijkste productiviteitsstijging mislopen – en dus ook economische groei. Inderdaad kunnen de groeicijfers van Afrika, omgerekend per hoofd van de bevolking, zelden worden uitgedrukt in bedragen van twee cijfers voor de komma, zoals wel het geval is in Noordoost-Azië, waar de levensstandaard omhoog is geschoten.

    Bill Gates zegt dat de voornaamste technologieën die in Afrika levens 
veranderen in het verleden zijn ontwikkeld en nu pas in de verste uithoeken van de wereld doordringen. ‘Ik heb het over technologie in de vorm van een injectie door de plaatselijke arts, of een pil die dorpelingen kunnen slikken of een zaadje dat ze kunnen planten,’ zegt hij. Gates, wiens Bill & Melinda Gates Foundation miljarden dollars bijdraagt aan het bevorderen van zulke ontwikkelingen, zegt dat het relatieve gemak van de verspreiding landen in staat stelt om sneller op de rest van de wereld in te lopen, vooral op het gebied van de volksgezondheid. ‘Wat vaccineren betreft zijn we aardig op weg om alle kinderen op de hele wereld te bereiken.’

    Solutionism

    Sommige claims van de kikkersprongadepten zwemen naar ‘solutionism’: het idee dat technologie zelfs de lastigste problemen kan oplossen. Volgens sceptici toont Afrika net zo goed de beperkingen 
van technische oplossingen bij de afwezigheid van fatsoenlijk bestuur en een basisinfrastructuur. 
Ontwikkelingen op gebied van landbouw en volks-gezondheid laten zowel het potentieel als de tekortkomingen van technologie zien. Neem de landbouw, waarin meer dan de helft van de volwassen bevolking van Afrika werkzaam is.

    In heel Afrika probeert men het probleem van de lage productiviteit door middel van technologische oplossingen te lijf te gaan. In Ghana stuurt CocoaLink cacaoboeren via sms praktische informatie en de actuele marktprijzen. In Kenia gebruikt de onlinemarktplaats Twiga Foods technologie om duizenden groothandelaren een directe afzetmarkt te bieden en boeren een transparante markt te garanderen. Volgens Twiga-topman Grant Brooke biedt de mobiele technologie boeren meer zekerheid, waardoor ze hun opbrengst kunnen verhogen. Maar fonkelende apps kunnen niet de waarheid verdoezelen. Afrikaanse boeren zijn bleven steken in de 19de eeuw.

    Het merendeel van de boerderijen heeft geen irrigatie, geen gesubsidieerde zaden of kunstmest, geen toegang tot de markt en onzekere eigendomsrechten. Boeren nemen niet 
de moeite gewassen te verbouwen die, bij gebrek aan een koelsysteem, gaan rotten voordat ze de consument bereiken. Slechts 44 procent van de rurale bevolking in Kenia en 32 procent van de Ethiopiërs woont op twee kilometer afstand van een weg die het hele jaar begaanbaar is, een gegeven dat de 
Ethiopische oud-premier Meles Zenawi zwaarder vond wegen dan het bbp om te bepalen hoe zijn land ervoor stond.

    M-Pesa (Pesa betekent geld in Swahili) is een door Vodafone ontwikkelde betaaldienst dat betalen per sms mogelijk maakte voor miljoenen Kenianen zonder bankrekening. – © HH
    M-Pesa (Pesa betekent geld in Swahili) is een door Vodafone ontwikkelde betaaldienst dat betalen per sms mogelijk maakte voor miljoenen Kenianen zonder bankrekening. – © HH

    Of neem de medische zorgvoorziening. In heel Afrika proberen technologen een fundamenteel 
probleem op te lossen: het gebrek aan goede, betaalbare gezondheidszorg. Babyl Health Rwanda, de dochteronderneming van Babylon, een Britse maker van een dokter-in-je-zakapp, biedt dorpelingen die op grote afstand van een kliniek wonen onlineconsulten. ‘Technologie kan wel degelijk een gat vullen,’ zegt Lunga, die met haar Baobab Circle teleconsulten biedt aan diabetespatiënten en mensen met bloeddrukproblemen.

    ‘Er zijn te weinig artsen, er zijn te weinig verpleegsters,’ zegt ze. ‘Met behulp van kunstmatige intelligentie kun je dat probleem in één klap verhelpen.’ Maar net als bij de landbouw lijken deze vernieuwingen in de gezondheidszorg eerder lapmiddelen voor een falend systeem. Veel Afrikaanse regeringen zijn te arm, te slecht georganiseerd of te druk bezig met het vullen van eigen zakken om 
de bevolking fatsoenlijke gezondheidszorg te leveren. De enige kikkersprongen op zorggebied zijn die van rijke Afrikanen die voor een behandeling uitwijken naar het buitenland en hun eigen gebrekkige zorgvoorziening laten voor wat het is.

    ‘Niemand kan beweren dat goede technologie een substituut is voor goed bestuur,’ zegt Bill Gates. ‘Ik maak me geen illusie dat je geholpen bent met een gratis computer als je malaria hebt, of als er geen leraren of zelfs geen klaslokalen zijn.’ Calestous Juma, de vorig jaar overleden hoogleraar internationale ontwikkeling aan de Harvard Kennedy School, geloofde heilig in de kracht van technologie om levens in Afrika te veranderen, maar hij waarschuwde voor de valse voorstelling 
van zaken dat Afrika met één grote sprong in de diensteneconomie zou kunnen belanden zonder eerst een industriële basis te leggen. ‘Geen kikkersprong kan op tegen slecht leiderschap.’

    Auteur: David Pilling

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | 
oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • Big Pharma steekt hand uit naar Afrika

    Big Pharma steekt hand uit naar Afrika

    Jaarlijks sterven er in Afrika zo’n 450.000 mensen aan de meest voorkomende vormen van kanker. En dat getal loopt alleen maar op. Nu hebben twee grote farmaceutische bedrijven beloofd chemotherapiemedicijnen voor de laagst mogelijke prijs te gaan leveren. Het zou tienduizenden mensen van een wisse dood kunnen redden.

    Een opmerkelijk initiatief: twee grote farmaceutische bedrijven die samenwerken met de American Cancer Society, gaan de prijs voor hun medicijnen tegen kanker in Afrika sterk verlagen, zoals dat jaren geleden ook gebeurde met aidsmedicijnen. Deze twee bedrijven – Pfizer uit New York en Cipla uit Mumbai – hebben beloofd om zestien veelgebruikte chemotherapiemedicijnen te 
gaan leveren voor de laagst mogelijke prijs. In eerste instantie geldt dit voor een vijftal landen, en de verwachting is dat hiermee tienduizenden mensen van een wisse dood worden gered.

    Volgens Pfizer liggen de nieuwe prijzen net iets boven de productiekosten van de medicijnen. Cipla laat weten dat het bedrijf bepaalde pillen voor 50 dollarcent en bepaalde infuusvloeistoffen voor 10 dollar zal aanbieden, een fractie van wat dezelfde geneesmiddelen in rijke landen kosten. Onderdeel van deze nieuwe campagne is bovendien dat Amerikaanse toponcologen de handleidingen voor kankerbehandelingen, die vaak zeer ingewikkeld en uitgebreid zijn, zullen vereenvoudigen zodat ook minder goed uitgeruste Afrikaanse ziekenhuizen ermee kunnen werken. Een groep programmeurs van IBM gaat die vereenvoudigde handleidingen verwerken in een onlineprogramma, zodat ze door elke oncoloog met een internetverbinding te raadplegen zijn.

    ‘Ik kreeg kippenvel toen ik dit las,’ zegt Anthony Fauci, directeur van het Amerikaanse National Institute of Allergy and Infectious Diseases. ‘Ik vind het een fantastisch idee, en volgens mij heeft het een grote kans van slagen.’ Het deed hem denken aan PEPFAR (President’s Emergency Plan for Aids Relief), het noodplan voor de strijd tegen aids dat hij zelf in 2002 hielp opzetten. PEPFAR is een succes geworden: meer dan veertien miljoen Afrikanen gebruiken nu hiv-medicijnen, vaak dankzij Amerikaanse hulp. ‘Het is precies het proces dat wij toen ook hebben doorlopen,’ zegt Fauci. ‘Eerst vaststellen in welke landen het probleem het grootst is, vervolgens uitzoeken wat in welk land de beste aanpak is, en dan de prijzen omlaag krijgen.’

    ‘In ons dorp weten ze wat malaria is, ze weten wat hiv is en tyfus, maar ze weten niets van kanker. De mensen zeiden dat Brenda behekst was en begonnen haar te mijden’

    Op dit moment sterven er in Afrika zo’n 450.000 mensen per jaar aan kanker. Volgens voorspellingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zullen dat er in 2039 jaarlijks bijna een miljoen zijn. De meest voorkomende vormen van kanker in Afrika zijn ook de meest behandelbare, zoals borst-, baarmoederhals- en prostaatkanker. Toch zijn in Afrika ook die vaak dodelijk. In de Verenigde Staten leeft 90 procent van de vrouwen die borstkanker krijgen na vijf jaar nog. In Oeganda geldt dat voor 46 procent en in Gambia voor maar 12 procent.

    Er zijn veel partijen bij deze overeenkomst betrokken: de Amerikaanse Cancer Society, het in 2002 opgerichte Clinton Health Access Initiative, IBM, het National Comprehensive Cancer Network (een verbond van de beste Amerikaanse kankerziekenhuizen) en de African Cancer Coalition, een netwerk van 32 oncologen in elf Afrikaanse landen. ‘De dochter van een vriendin van mij heeft kanker, en het is ongelooflijk om te zien hoe enorm veel steun zij krijgt, 
tot speciale benefietwedstrijden en T-shirts aan toe,’ vertelt Megan O’Brien, directeur van de Amerikaanse Cancer Society, de organisatie die zich over de hele wereld inzet voor de behandeling van kanker en het grootste deel van de organisatie voor deze overeenkomst voor haar rekening heeft genomen. ‘In Afrika bestaat zoiets niet, maar ik kan met 300 dollar een kind met leukemie redden. Die ziekte kent in Amerika een genezingspercentage van 90 procent en in Afrika een sterftecijfer van 90 procent.’

    Nu meer Afrikanen de middelbare leeftijd bereiken of bejaard worden, stijgt het aantal gevallen van kanker snel. Maar de meeste landen op het continent zijn slecht toegerust om de strijd ertegen aan te gaan. 
Er is groot gebrek aan oncologen, bestralingsapparatuur en moderne operatiefaciliteiten. Tumoren worden vaak verkeerd gediagnosticeerd of toegeschreven aan hekserij, en 80 procent blijft onontdekt tot ze zijn uitgezaaid naar lymfeknopen of andere organen. De artsen hier krijgen met veel ernstiger gevallen 
te maken dan artsen in het Westen: baby’s met een gezwel dat half zo groot is als hun hoofd, vrouwen met een borsttumor ter grootte van een tennisbal, die door de huid heen is gebroken, zwerend en bloedend.

    Zo zit de zeventienjarige Oegandese Brenda Nakisuyi zwijgend en gelaten in een verduisterde kamer van Kawempe Home Care, een opvangcentrum voor kinderen met kanker in de hoofdstad Kampala. Haar linkerwang is opengebarsten door een Burkitt-lymfoom, waardoor daar nu een krater zit die eruitziet alsof er een rotje in haar mond is ontploft. ‘In ons dorp weten ze wat malaria is, ze weten wat hiv is en tyfus, maar ze weten niets van kanker,’ zegt haar moeder, de 48-jarige Florence Namwase. ‘De mensen zeiden dat Brenda behekst was en begonnen haar te mijden.’

    Kankerpatiënt Pilirani Shadi (12) met haar moeder in een ziekenhuis in Malawi. – © Kieran Dodds
    Kankerpatiënt Pilirani Shadi (12) met haar moeder in een ziekenhuis in Malawi. – © Kieran Dodds

    Veel Afrikanen die kanker krijgen, denken dat ze ten dode zijn opgeschreven. ‘Ik kwam hierheen om te horen of ik ter dood veroordeeld was,’ zegt George Odongo Ogola (73) droogjes. Dit vroegere schoolhoofd wordt in het M.P. Shah-ziekenhuis in Nairobi behandeld voor prostaatkanker. ‘Maar de dokter zegt dat ze er vroeg bij waren en volgens hem heb ik 99,9 procent kans dat het wegblijft. Ik heb al mijn zoons en hun vrouwen meegenomen, zodat zij het ook konden horen. Als je hier eenmaal de diagnose kanker hebt, behandelen ze je alsof je al dood bent.’

    Zelfs artsen, vooral op het platteland, herkennen 
de ziekte niet altijd. Paul Mugumya, een levendig zevenjarig jongetje in het Kawempe-tehuis, werd drie keer aan een liesbreuk geopereerd, voordat de chirurgen eindelijk begrepen dat die zwelling in zijn onderbuik iets anders was; nu is het een tumor ter grootte van een voetbal, overdekt met enorme blaren. De vierjarige Flavia Anyesi staat rechtop in haar bedje in het Uganda Cancer Institute, haar haren gevlochten met roze en witte kralen die bij haar roze nachtjapon passen. Het meisje werd eerst naar een tandarts gestuurd om een kies te laten trekken, vertelt haar moeder Topista Nafuna. Pas toen Flavia’s kaak bleef opzwellen beseften artsen dat er iets anders aan de hand was. Ook zij heeft een Burkitt-lymfoom.

    Al hebben ze nog zoveel pijn, vaak zijn mensen te arm om naar het ziekenhuis te gaan voor een behandeling. Patiënten die wel het geld bij elkaar hebben geschraapt om naar een ziekenhuis in de stad te reizen, slapen tussen hun dagelijkse infuusbehandelingen door of in afwachting van de uitslag van een biopsie, die weken op zich kan laten wachten, vaak op matjes op de veranda of in een park.

    ‘Als je ziek bent en je moet buiten onder de bomen slapen, krijg je dan wel genoeg rust?’ vraagt de vijftigjarige Proscovia Mutesi, voormalig secretaresse op een school, die door kanker een oog en een deel van haar kaak verloor. Zittend op het bed dat ze onlangs heeft gekregen bij de Cancer Charity Foundation, een opvanghuis voor volwassen patiënten, vertelt ze over haar zeven jaar durende strijd om de groei van de tumor die aan haar gezicht vreet te vertragen. ‘Het is heel moeilijk geweest,’ zegt ze. Sommige jaren lukte het haar om 110 dollar bij elkaar te krijgen voor een chemokuur of 85 dollar voor bestraling. ‘Maar andere jaren had ik geen stuiver. En toen ging het bestralingsapparaat kapot.’

    Weinig specialisten

    Dat maar weinig patiënten een behandeling krijgen, komt voor een deel ook doordat er zo weinig kankerspecialisten zijn. Ethiopië, een van de zes landen die onder de nieuwe medicijnenovereenkomst vallen, heeft maar vier oncologen voor zijn honderd miljoen inwoners. Nigeria heeft er zo’n veertig, op een bevolking van 186 miljoen. Het nationaal academisch ziekenhuis van Oeganda beschikt over een kankerinstituut dat in 1967 werd gesticht en een speciale onderzoekskliniek, gebouwd door het Amerikaanse Fred Hutchinson Cancer Research Center. Maar het land telt slechts zestien oncologen, en het enige bestralingsapparaat – de machine waarvan Proscovia Mutesi afhankelijk was, is nu al meer dan een jaar kapot. Voordat de 21 jaar oude onderdelen het begaven, was de kobaltbron van het apparaat al zo zwak geworden dat bestralingssessies die minuten horen te duren wel een uur kostten. Bijna overal in Afrika zijn kankermedicijnen schaars en de prijzen blijven een enorm obstakel.

    Ziekenhuizen bestellen ze in kleine hoeveelheden, die relatief duur zijn per dosis, en moeten vaak genoegen nemen met de merken die ze kunnen krijgen, soms zelfs met medicijnen die het land binnen worden gesmokkeld via de ‘ezelimport’, zoals het bitter wordt genoemd. De WHO geeft op dit moment geen richtlijnen voor welke kankermedicijnen veilig en werkzaam zijn, zoals wel gebeurt voor medicijnen tegen aids en malaria. ‘Je kunt niet van de kwaliteit op aan, dus je moet er maar op vertrouwen,’ zegt David Wata, oncologiefarmaceut in Kenyatta, het beste openbare ziekenhuis van het land.

    Afrikanen die er de middelen voor hebben, gaan meestal voor behandeling naar India of Zuid-Afrika. Wie connecties in de politiek heeft, maakt zo’n reis soms op kosten van de overheid, een praktijk die zwaar op de nationale schatkist drukt. De armen zijn op zichzelf aangewezen. Is de medicijnkast van de apotheek in het openbare ziekenhuis leeg, dan gaan patiënten en hun familieleden naar een particuliere apotheker, die misschien medicijnen van inferieure kwaliteit of zelfs vervalsingen verkoopt. ‘Het is zo tragisch om te zien hoe een arme familie haar laatste geld uitgeeft en daar niets voor terugkrijgt,’ zegt Megan O’Brien. ‘Het eerste teken dat een medicijn niet werkt is soms dat ze hun haar niet verliezen.’

    Een medewerker van het Mulanje Mission Hospital in Malawi behandelt een patiënt thuis. – © Kieran Dodds
    Een medewerker van het Mulanje Mission Hospital in Malawi behandelt een patiënt thuis. – © Kieran Dodds

    De zestien medicijnen die Pfizer en Cipla nu in Afrika gaan verkopen, hebben onbekende namen zoals Vinblastine, Bleomycin en Fluorouracil. Het zijn oude voorraden chemotherapiemedicijnen die nu als generieke geneesmiddelen kunnen dienen. ‘Deze zestien zullen niet volstaan – het is ongeveer de helft van wat we nodig hebben,’ zegt Moses Kamabare, general manager van de National Medical Stores, de inkoopafdeling van het Oegandese ministerie van Volksgezondheid. ‘Maar op dit moment nemen ze rond de 75 procent van ons huidige oncologiebudget in beslag. Dus we zijn heel erg dankbaar voor deze kans om betere kwaliteit te krijgen voor een betere prijs.’

    Eind jaren negentig werden westerse farmaceuten nog aan de schandpaal genageld, omdat ze weigerden de prijzen van aidsmedicijnen te verlagen en er miljoenen mensen stierven. Die houding is inmiddels wel veranderd. Nu leveren bijna alle medicijnenfabrikanten een combinatie van donaties en ‘gedifferentieerde prijsstelling’, wat betekent dat ze arme landen slechts een fractie berekenen van de prijs die ze aan rijke landen vragen. Daarbij bouwen ze wel veiligheidsmaatregelen in om te voorkomen dat hun producten als smokkelwaar op rijke marken terechtkomen. Bedrijven wedijveren om een hoge plaats op de Acces to Medicines Index, die aangeeft in hoeverre ze hun producten bij de armen van deze wereld weten te krijgen.

    Volgens John Young, directeur van de Pfizer-tak Essential Health, staat de nieuwe afspraak om de prijzen te verlagen los van de donaties die Pfizer ook al doet, zoals de vijfhonderd miljoen doses antibiotica die het bedrijf leverde om de oogziekte trachoom tegen te gaan. ‘Het probleem van pure filantropie is dat je het niet eeuwig kunt volhouden,’ zegt Young. ‘Met deze overeenkomst verwachten we geen geld te verdienen, maar we willen er ook geen geld mee verliezen.’ Het bedrijf zal volgens hem genoeg in rekening brengen om de productie- en verpakkingskosten te dekken, niet de kosten voor research, marketing en advertenties.

    De prijzen van Cipla zullen volgens Denis Broun, hoofd Government Affairs, maar eenachtste bedragen van de prijs die het bedrijf in de Verenigde Staten voor generieke medicijnen rekent. Cipla hoopt binnenkort bij zijn fabrieken in Oeganda en Zuid-Afrika de productie van kankermedicijnen te starten. De farmaceut kent een lange traditie in het leveren van medicijnen aan arme landen. In 2001 liet bestuursvoorzitter Yusuf Hamid een schok door de farmaceutische industrie gaan door een cocktail van anti-aidsmedicijnen aan te bieden aan Artsen Zonder Grenzen. Hij berekende daarvoor een bedrag van 350 dollar per jaar, op een moment dat westerse bedrijven er 12.000 dollar voor vroegen. Dit vormde de aanzet tot een snelle prijsdaling, die weer leidde tot de oprichting van donororganisaties als PEPFAR en het Wereldfonds voor de bestrijding van aids, tuberculose en malaria.

    Het Uganda Cancer Institute in het Mulago-ziekenhuis in Kampala. 
- © Charlie Shoemaker / The New York Times
    Het Uganda Cancer Institute in het Mulago-ziekenhuis in Kampala. 
- © Charlie Shoemaker / The New York Times

    De huidige overeenkomst begon twee jaar geleden vorm te krijgen toen Megan O’Brien, die zelf epidemioloog en expert palliatieve zorg is, de leiders van de American Cancer Society overhaalde om het Clinton Health Acces Initiative een bedrag te schenken waarmee het de Afrikaanse markt kon onderzoeken en farmaceutische bedrijven kon benaderen. Dit initiatief, dat bekendstaat als CHAI, staat los van de bekendere Clinton Foundation, al zitten Bill Clinton en zijn dochter Chelsea er wel in het bestuur. Buitenlandse donaties aan de stichting in de tijd dat Hillary Clinton minister van Buitenlandse Zaken was, leidden tijdens haar campagne voor de presidentsverkiezingen tot vragen over mogelijke belangenverstrengeling. Had ze gewonnen, dan hadden de familieleden en voormalige Witte Huis-medewerkers zich teruggetrokken uit het bestuur van CHAI en zou de stichting de naam Clinton hebben laten vallen.

    O’Brien was enkele jaren lang hoofd van de CHAI-afdeling die zich bezighield met het analyseren van gegevens over hiv. CHAI heeft zich nog niet eerder met kanker bezig gehouden, maar de organisatie heeft een lange ervaring met het bedingen van lage prijzen voor medicijnen en vaccinaties in arme landen, het zoeken van donoren om die middelen te betalen en het overwinnen van obstakels als bureaucratie, corruptie en tekorten aan koelwagens om de medicijnen op hun bestemming te krijgen. Uiteindelijk zullen meer geneesmiddelenfabrikanten benaderd worden met de vraag om ook andere chemotherapiemiddelen goedkoop te leveren, heeft de directeur van het initiatief, Ira Magaziner, in een interview gezegd. De eerste zestien medicamenten die nu beschikbaar komen, zijn de middelen die het dringendst nodig zijn. Magaziner wilde voorkomen dat er meteen al te veel leveranciers mee gingen doen, want dat zou kunnen betekenen dat ze allemaal geld zouden verliezen als de eerste bestellingen te klein bleken. ‘We staan nog maar aan het begin, dus ik wil niet zeggen dat we al veel bereikt hebben,’ zegt hij. ‘Maar we zullen zeker belangrijke resultaten boeken. Het wordt een strijd van minstens vijftien jaar om de behandeling van kanker enigszins in de buurt van het westerse niveau te krijgen.’

    Dr. Peter Mugyenyi, wiens aidskliniek in Oeganda als model diende voor PEPFAR, noemt de overeenkomst ‘revolutionair’. Hij riskeerde in 2001 nog een arrestatie wegens het overtreden van de Oegandese patentenwetten door goedkope aidsmedicijnen van Cipla te importeren. Twee jaar later stond hij naast first lady Laura Bush tijdens de State of the Union van 2003, waarin haar man zijn PEPFAR-plan voor het Congres uiteenzette. ‘Dit is alleen maar met die doorbraak te vergelijken,’ zegt Mugyenyi nu.

    Veel Afrikaanse artsen doen hun oncologiespecialisatie in de Verenigde Staten of in Europa en vaak blijven ze daar dan hangen, waardoor hun eigen land verstoken blijft van hun vaardigheden

    Nieuw bij deze deal is dat er een poging wordt gedaan om een oplossing te vinden voor het ernstige tekort aan oncologen. In Afrika kunnen oncologen zich niet specialiseren; ze moeten allemaal alles behandelen: botkanker, baarmoederhalskanker, leukemie enzovoort. Maar elk behandelingsprotocol 
telt vele pagina’s – alles bij elkaar is het veel meer informatie dan welke arts ook in zich kan opnemen. Daarom heeft Megan O’Brien ook het National Comprehensive Cancer Network bij de overeenkomst betrokken. In dit netwerk zitten specialisten van 27 Amerikaanse kankerziekenhuizen, die behandelingsprotocollen schrijven en op internet zetten, zodat oncologen overal ter wereld ze kunnen gebruiken. De leden splitsen deze handleidingen nu op in vier delen voor ziekenhuizen met verschillende bekwaamheden, zegt Robert Carlson, die aan het hoofd van dit netwerk staat. Voor borstkanker bijvoorbeeld: ‘Als je niet in staat bent om een mastectomie uit te voeren of geen tamoxifen kunt gebruiken, hoef je niet eens aan de behandeling daarvan te beginnen.’ Het tweede deel omvat handleidingen voor borstsparende operaties, bestraling en basale chemotherapie. Een derde stap behandelt borstreconstructies met implantaten en chemotherapie met monoklonale antilichamen zoals Herceptin.

    De leden grepen deze kans om te helpen met beide handen aan, volgens Carlson. Veel Afrikaanse artsen doen hun oncologiespecialisatie in de Verenigde Staten of in Europa en vaak blijven ze daar dan hangen, waardoor hun eigen land verstoken blijft van hun vaardigheden. ‘Een belangrijke reden voor deze braindrain is dat artsen gefrustreerd en opgebrand raken, omdat ze niet de zorg kunnen leveren waarvan ze weten dat ze die zouden moeten bieden,’ zegt hij. ‘Dit moet het moreel versterken.’
    IBM ondersteunt het project door deze handleidingen op te nemen in het supercomputerprogramma Watson. Dat programma leidt via vragen over allerlei onderwerpen, zoals symptomen, labuitslagen en biopsie-uitslagen, naar de best mogelijke behandeling die binnen de mogelijkheden van het ziekenhuis ligt. Het programma scant ook medische tijdschriften om zichzelf zonder menselijke tussenkomst te actualiseren.

     Medische dossiers in het Uganda Cancer Institute in Kampala. – © Charlie Shoemaker / The New York Times
    Medische dossiers in het Uganda Cancer Institute in Kampala. – © Charlie Shoemaker / The New York Times

    Zelfs met de goedkopere medicijnen zal de strijd tegen kanker veel meer tijd vergen dan die tegen aids, waarschuwen alle partijen die bij de overeenkomst betrokken zijn. Aids wordt veroorzaakt door één enkele ziekteverwekker die weliswaar niet genezen kan worden, maar wel onderdrukt met een dagelijkse inname van de drie-in-één hiv-remmer. 
Kanker, de ongecontroleerde woekering van eigen lichaamscellen, omvat een hele familie van ziektes. De behandeling omvat vaak operatieve ingrepen, bestraling en chemotherapie met complexe medicijnen.

    In Kenia is iets te zien van de mogelijkheden die in het verschiet kunnen liggen. Daar valt kanker sinds twee jaar onder de nationale ziektekostenverzekering, waarvoor mensen, afhankelijk van hun inkomen, jaarlijks tussen de 18 en 200 dollar premie betalen. Nu gaat zo’n 8 procent van het totale bedrag aan vergoedingen naar kankerbehandelingen. Drie jaar geleden moesten mensen vaak wel anderhalf jaar wachten op bestraling in het Kenyatta National 
Hospital, het enige ziekenhuis dat arme mensen zich konden veroorloven; velen stierven voor ze aan de beurt waren. Nu de verzekering bestraling in particuliere ziekenhuizen dekt, is er geen wachtlijst meer.

    In Nairobi Hospital, een particuliere instelling die ooit het European Hospital heette, ligt Christine Kimburi, een 42-jarige vastgoedmanager met een tweeling van elf, lekker in bed terwijl ze een infuus krijgt voor haar choriocarcinoom, een vorm van kanker in de baarmoeder die is ontstaan na een miskraam. Ze is geopereerd en is bezig met haar vijfde chemokuur. De nationale ziektekostenverzekering dekt vier kuren per jaar en die van haar man dekt er nog eens vier. Met een beetje geluk zal ze er niet nog meer nodig hebben. Choriocarcinoom is in veel gevallen te genezen. ‘Het gezwel dat ze hebben verwijderd was goddank niet kwaadaardig,’ zegt ze. ‘En ik heb helemaal geen bijwerkingen van de chemo gehad.’

    Maar Kenia blijft een uitzondering. ‘Toen ik voor het eerst onderzoek deed naar de behandeling van kanker in Afrika,’ vertelt Megan O’Brien, ‘was ik verbijsterd hoe weinig aandacht eraan werd besteed. In Amerika zijn we er vanaf de jaren zestig in geslaagd om die angstaanjagende en gegarandeerd dodelijke ziekte te veranderen in een ziekte die heel goed te bestrijden is. Maar die menselijke triomf heeft Afrika nog niet bereikt.’

    Auteur: Donald G. McNeil Jr.
    Vertaler: Astrid Staartjes

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Britse gezondheidszorg loopt op laatste benen

    Britse gezondheidszorg loopt op laatste benen

    Vooruitziende geesten riepen het dertig jaar geleden al: de NHS – de beroemde Britse gezondheidszorg – zou onbetaalbaar worden. Toch durfde niemand het mes erin te zetten. Nu staat het systeem volgens de conservatieve commentator Simon Heffer op instorten.

    Een jaar of dertig geleden waarschuwde Norman Fowler, destijds [de Conservatieve] minister van Gezondheid, me voor een ‘demografische tijdbom’ die alleen nog door de politiek onschadelijk gemaakt zou kunnen worden. Hij doelde op de vergrijzing; hij meende dat de gezondheidszorg en de sociale zekerheid zouden bezwijken onder de enorme druk. Wanneer? ‘Over een jaar of dertig.’

    Tegenwoordig lezen we in onze Telegraph de vreselijkste verhalen over de National Health Service (NHS). Huisartsen staan onder immense druk. Er is zo’n nijpend tekort aan verpleegkundig personeel dat de immigratieregels worden versoepeld om voldoende verpleegkundigen binnen te kunnen halen om de NHS de winter door te helpen. Er is nog voor 450 miljoen pond aan achterstallig onderhoud aan faciliteiten van de NHS. En, het ergst van alles, driekwart van de ziekenhuizen voldoet niet eens aan de elementaire veiligheidsnormen.

    Dit is het systeem ‘waar de hele wereld jaloers op is’, een door de belastingbetaler gefinancierde moloch die alleen al in Engeland jaarlijks 116,4 miljard pond kost. En is al dat geld eenmaal uitgegeven, dan nog vallen er ziekenhuizen om of blijken het broeinesten van ziekten, zijn er te weinig artsen en verpleegkundigen en is het makkelijker om je zoontje toegelaten te krijgen tot Eton College dan om snel een afspraak te maken bij de huisarts. Een van de achterliggende oorzaken is het feit dat er inmiddels zo veel ouderen zijn die op hun leeftijd vaker naar de dokter gaan dan ze voorheen deden.

    Onhoudbaar

    Veel ouderen hebben een zwakke gezondheid; soms is de situatie zo ernstig dat ze onmogelijk nog zelfstandig thuis kunnen blijven wonen, terwijl het hun familie aan faciliteiten en middelen ontbreekt om voor hen te kunnen zorgen wanneer ze aan bed gekluisterd raken. Veel ouderen die eigenlijk in een verzorgingstehuis thuishoren, houden dure ziekenhuisbedden bezet. Andere ouderen zijn gevangenen in hun eigen huis. Ze worden drie of vier keer per dag bezocht door een van overheidswege aangewezen thuiszorgmedewerker, maar leven verder in volstrekt isolement. Dit is onhoudbaar, dus wat gaan we eraan doen?

    Het negeren van het rapport-Dilnot zal niet alleen leiden tot ellendige, mensonterende situaties bij diegenen die niet zijn voorbereid op een lange oude dag

    Ik vrees dat het ergste nog moet komen, als het gaat om de last die op schouders van de NHS rust. In de komende twintig jaar zal het aantal mensen boven de 85 jaar meer dan verdubbelen, tot 3,5 miljoen. En het is onvermijdelijk dat ook de wonderen die de medische wetenschap kan verrichten zich zullen vermenigvuldigen, en dat de belastingbetaler, als financier van de NHS, zal verwachten dat deze veelal dure wonderen op ieder gewenst moment gratis voor hem of haar beschikbaar zullen zijn.

    Nu is het niet zo dat ik heb zitten wachten tot een regering eindelijk eens gehoor zou geven aan Lord Fowlers noodkreet en een begin zou maken met de aanpak van het probleem. Geen enkele regering zal dit probleem namelijk aanpakken, want dat betekent dat ze een volwassen gesprek met het grote publiek moet aangaan over de NHS, en over de vraag of dit stelsel uit 1948 nog wel functioneert in het Groot-Brittannië van de eenentwintigste eeuw. En zodra het over de NHS gaat, spelen er zulke diepgewortelde sentimenten en heerst er in de publieke opinie zo’n gebrek aan realisme, dat geen politicus er zijn vingers aan durft te branden.

    En toch is die discussie dringend nodig, anders zal het systeem op een dag instorten.


    Elke dag dat de regering het probleem van de ouderenzorg voor zich uitschuift, wordt het groter en onhandelbaarder. Het rapport van de commissie-Dilnot over de financiering van de ouderenzorg werd al in 2011 gepresenteerd, maar er is niets mee gedaan. Dat is schandalig. Dilnot heeft uitstekend werk verricht door het potentiële drama aan het licht te brengen van honderdduizenden hoogbejaarden die op geen enkele manier nog voor zichzelf kunnen zorgen en geen geld hebben voor thuiszorg. Het rapport stelde vast dat veel gezinnen het niet meer aan zouden kunnen. Een van de aanbevelingen was een stelsel op basis van een zorgverzekering, maar dit advies is tot dusver genegeerd.

    Het negeren van het rapport-Dilnot zal niet alleen leiden tot ellendige, mensonterende situaties bij diegenen die niet zijn voorbereid op een lange oude dag. Het zal waarschijnlijk ook bijdragen aan een versnelde ondergang van de NHS. Minister van Volksgezondheid Jeremy Hunt, die zich als geen ander op de achtergrond weet te houden, brengt graag hier en daar een pleister aan. Maar feit is dat de NHS op zijn laatste benen loopt, en dat het systeem alleen nog kans heeft op overleving als het ingrijpend wordt hervormd; zowel het stelsel zelf, als de manier waarop er voor de trouwste klanten – de ouderen – wordt gezorgd.

    Het gezelschap halfstudentikoze marxisten dat momenteel de oppositie vormt, heeft geen enkel belang bij het volwassen gesprek dat gevoerd moet worden. Want misschien moet de beroepsbevolking, die nu een hoger besteedbaar inkomen heeft dan in 1948, maar eens worden gevraagd een extra bijdrage te leveren aan de NHS. En misschien moet maar eens worden toegegeven dat Labour tijdens haar laatste regeerperiode de NHS en het zorgstelsel net zo min toekomstbestendig heeft gemaakt als de Conservatieven.

    Aanbevelingen

    Een regering met verantwoordelijkheidsgevoel zou de aanbevelingen van de commissie-Dilnot onmiddellijk overnemen, zodat de mensen voorbereidingen kunnen treffen voor het steeds waarschijnlijkere vooruitzicht van een oude dag waarbij ze jarenlang aangewezen zullen zijn op professionele zorg. Ook zou zo’n regering proberen de NHS om te vormen tot een systeem dat in geval van ernstige ziektes en levensbedreigende spoedgevallen de kosten dekt, terwijl de mensen zichzelf verzekeren tegen minder ernstige klachten. En ze zou de oppositie moeten opzadelen met de heikele taak om uit te leggen hoe de demografische tijdbom volgens hen anders aangepakt zou moeten worden.

    Aan een pleister heb je weinig als je een gapende wond moet zien te dichten. Dat de regering geen drastische maatregelen treft, en dat de oppositie blijft doen alsof we met de NHS vooruit kunnen alsof het nog steeds 1948 is, is niet zo maar beschamend. Dit wordt een groot schandaal.

    Auteur: Simon Heffer
    Vertaler: Rogier Goetze

    Beeld bovenaan: © Seattle Municipal Archives

    The Daily Telegraph
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 840.000
    Anti-Europees tot op het bot, strijdlustig en imagobewust, kortom: het conservatieve dagblad van Engeland op broadsheet.