Tag: Google

  • Een Portugees Silicon Valley

    Een Portugees Silicon Valley

    In navolging van Berlijn, Dublin en Barcelona proberen ook de Portugese steden Lissabon en Porto technologiebedrijven aan te trekken. De lage loonkosten zijn allang niet meer hun enige troef.

    Wie zei er dat Portugal nooit technologiereuzen als 
Google en Amazon aan 
zou kunnen trekken, ondanks zijn zon en stranden? Google is van plan om een centrum voor technische ondersteuning in Oeiras [in Groot-Lissabon] te openen en daar 535 banen te creëren. Het beeld van ons land in het 
buitenland beperkt zich dus niet tot het toerisme en de goals van Cristiano Ronaldo.
    Dankzij het gunstige economische tij, de geografische ligging, de relatieve veiligheid, de goede infrastructuur en het Portugese talent, ondersteund door een overheidsbeleid dat inzet op digitale technologie, biedt Portugal opeens een uiterst moderne aanblik. En gezien de snelheid waarmee momenteel grote investeringen worden gedaan, lijkt 
de innovatiestrategie van de overheid zijn vruchten af te werpen.

    Google, dat twintig jaar geleden door twee studenten uit Stanford werd opgericht, is niet het eerste internetzwaargewicht dat zich in Portugal 
vestigt. Maar het bedrijf is zo groot dat er waarschijnlijk andere hightechmultinationals zullen volgen, Amazon 
bijvoorbeeld. Dit Amerikaanse bedrijf onderhandelt al een jaar over de opening van een servicecentrum in Porto, met 250 hooggekwalificeerde banen. Het moet veel meer dan een eenvoudig logistiek centrum worden, een echte technologische hub van waaruit de marktleider van de onlineverkoop zijn expansie naar Afrika wil uitrollen. 
De miljardair en zakenman Jeff Bezos, die behalve van Amazon ook eigenaar is van The Washington Post en zich opmaakt om ook in de gezondheidszorg actief te worden, wil in de havenwijk Boavista een kantoor bouwen. Hij haakt daarmee aan bij de opvallende creatieve activiteit in Noord-Portugal.

    Google heeft zijn oog op Lagoas Park in Oeiras laten vallen omdat het bedrijf binnen de regio Lissabon alleen daar genoeg kantooroppervlak en groen vindt en de huren er redelijk zijn. 
In juni zullen zich 535 werknemers installeren in zevenduizend vierkante meter moderne bureauruimte. De leden van de Portugese regering die zich met het dossier hebben bemoeid, weten sinds het Web Summit in november [een groot jaarlijks congres van de internetsector in de Portugese hoofdstad] dat Lissabon het won van andere steden als het Poolse Krakau, dat een felle strijd leverde om de 
investering naar zich toe te trekken.

    De Amerikaanse internetreus wil op termijn tweeduizend banen creëren, waaronder zo’n vijfhonderd hooggekwalificeerde banen, voor ingenieurs en voor informatici, die applicaties moeten gaan ontwikkelen. Daarnaast zijn er administratief en financieel medewerkers nodig en mensen voor werving en selectie, marketing en klantenservice, naast natuurlijk technisch personeel voor Googles primaire dienstverlening.

    ‘We hebben geen enkele steun of 
subsidie toegezegd’, vertelt minister van Economie Manuel Caldeira Cabral, die bij de gesprekken betrokken was. ‘We hebben dit soort servicecentra sowieso weinig prikkels te bieden. Europese subsidies zijn vooral bestemd voor industrie en toerisme. En van belastingvoordelen is ook geen sprake geweest.’

    Tweeduizend informatici

    Google heeft, net als andere technologiereuzen, de warme belangstelling van de Eurocommissaris voor 
Mededinging Margrethe Vestager. 
Het bedrijf kwam niet weg met de belastingvoordelen die het genoot in Ierland, waar het zijn Europese 
hoofdkwartier heeft gevestigd.

    De komst van de nieuwe hightechcentra roept de vraag op of Portugal eigenlijk wel het gekwalificeerde 
personeel bezit om aan de plotseling gestegen vraag te voldoen.

    ‘Er is momenteel in de informatie-technologiesector een tekort aan 
tweeduizend informatici,’ geeft de voorzitter van de Portugese ingenieurs-vereniging Carlos Mineiro Aires toe. Het probleem is de laatste jaren zelfs verergerd. Op het hoogtepunt van de crisis, tussen 2011 en 2014, verlieten 40.000 à 50.000 informatici Portugal. ‘Landen als Groot-Brittannië, Duitsland, Denemarken en Noorwegen organiseerden in Portugal professionele 
bijeenkomsten en kaapten onze beste mensen weg, door ze goede salarissen en arbeidsomstandigheden te bieden. Ze kiezen de beste uit, en deze jonge hoogopgeleiden verlaten Portugal 
zonder enige compensatie voor de 
studie van 40.000 à 50.000 euro die ze hebben genoten’, zegt Mineiro Aires grimmig.

    Deelnemers aan de technologieconferentie Web Summit in Lissabon in novemer 2017. – © Horacio Villalobos / Getty Images
    Deelnemers aan de technologieconferentie Web Summit in Lissabon in novemer 2017. – © Horacio Villalobos / Getty Images

    Volgens recent onderzoek van het 
wervingsbureau Michael Page zijn de salarissen voor informatici in Portugal het afgelopen jaar met vijftien procent gestegen. Maar Mineiro Aires noemt 
ze ‘nog steeds erg laag’. ‘Gemiddeld verdienen die hoogopgeleiden netto minder dan duizend euro per maand. Met zulke lage salarissen wordt het lastig om ze in Portugal te houden.’ Maar als de vraag naar informatici door de komst van de grote internet-bedrijven gaat groeien, zullen de 
salarissen snel stijgen.

    Alexandre Vaz van de ‘Digital Delivery Hub’ die Mercedes-Benz vorig jaar in Portugal opende en dat al snel een onafhankelijk bedrijf werd, Mercedes-Benz.io Portugal, zegt geen enkele moeite te hebben om gekwalificeerd personeel te vinden. ‘Vóór het eind van dit jaar willen we honderd werknemers hebben. We hebben al veel cv’s ontvangen, waaronder ook van kandidaten 
uit het buitenland. Veel jongeren 
ontdekken Portugal en willen er graag gaan wonen; sowieso is de markt voor programmeurs steeds internationaler.’

    Nu Lissabon en Portugal in trek zijn, krijgen directies van digitale multinationale bedrijven meer aandacht voor wat er in ons land gebeurt. Vaak gebeurt dat tijdens het Web Summit, dat afgelopen november voor de tweede keer plaatsvond in het Parque das Nações in Lissabon. Vaak zijn ze voor het eerst in Portugal. Ze zien het 
levendige ecosysteem van start-ups 
en andere initiatieven dat in Lissabon floreert, waarderen de creatieve sfeer, kijken rond en pakken hun rekenmachientjes erbij. Niet alleen de goedkope Portugese arbeidskrachten zijn voor hen aantrekkelijk; ze zoeken een investering die op wereldwijde schaal 
concurrerend is. Het land voldoet aan dat criterium en heeft bovendien hoogopgeleid personeel, wat een extra pluspunt is.

    ‘Deze buitenlandse bedrijven willen die talenten graag aan zich binden,’ vertelt directeur Rui Coelho van Invest Lisboa, een organisatie opgezet om investeerders naar de regio toe te halen. ‘In de technologiesector vindt een wereldwijd gevecht om talent plaats, omdat de sector leeft van innovatie en zowel de producten als de diensten steeds complexer worden. Het is dus belangrijk voor zulke bedrijven om zich ergens te vestigen waar de allerbesten graag willen komen werken’.

    ‘We moeten aan alle natuurwetenschappen meer aandacht besteden, aan wiskunde en techniek, het middelbaar onderwijs in die vakken verbeteren’

    De werkomstandigheden zijn in 
Lissabon uitstekend en de stad kan op dat vlak prima concurreren met Barcelona, Berlijn of Dublin. ‘In Barcelona is de politieke situatie niet stabiel’, gaat Coelho verder, ‘en wat Berlijn betreft, kan ik je garanderen dat je een Duitse informaticus eerder naar Lissabon krijgt dan daarnaartoe. In Dublin is 
er, ondanks de taal en het gunstige belastingklimaat, een sterk verloop van personeel, omdat de concurrentie tussen al die hightechbedrijven moordend is. En de huren zijn erg hoog.’

    De opening van de innovatiehub in Beato [waar voor het einde van dit jaar 35.000 vierkante meter voorzien is] stelt ook andere buitenlandse bedrijven in staat om zich hier te installeren. Alleen al in 2017 begeleidde Invest 
Lisboa 526 bedrijven, investeerders en ondernemers daarbij.

    Voor voormalig staatssecretaris van Innovatie Carlos Oliveira, tegenwoordig directeur van InvestBraga [een 
economisch stimuleringsbureau voor de stad Braga] profiteert het land momenteel van het ‘multiplier effect’ dat de toeloop van buitenlandse investeerders met zich meebrengt. ‘Er gebeurt veel in Portugal, en we hebben op dit moment precies wat investeerders zoeken: gekwalificeerd personeel, in veel grotere aantallen dan onze concurrenten.’ Zowel voor de callcenters, waar mensen uit krimpende sectoren komen werken, als voor onderzoek en ontwikkeling en voor technische 
afdelingen. ‘Die mensen zoeken interessant werk dat betaalt.’ Carlos Oliveira valt hem bij: ‘Wanneer een investeerder personeel wil aantrekken, 
is het belastingklimaat niet het belangrijkste criterium.’

    Is deze vijver aan talent onuitputtelijk? ‘Het wordt hoog tijd om over die vraag te gaan nadenken,’ vindt Oliveira. ‘We moeten aan alle natuurwetenschappen meer aandacht besteden, aan wiskunde en techniek, het middelbaar onderwijs in die vakken verbeteren en meer plaatsen bij de technische vakken 
aan de universiteit creëren. Dat zal binnen vijf jaar zijn effect hebben op 
de arbeidsmarkt.’ Dat geeft de andere internetgiganten nog even tijd om zich te bezinnen.

    Auteur: Clara Teixeira en Paulo M. Santos
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Visão
    Portugal | oplage 108.000

    In 1993 onderging het zwart-wit weekblad_ O Jornal_ op tabloidformaat een metamorfose: het veranderde in een fullcolourmagazine, een soort Portugese Newsweek. Inmiddels is de titel uitgegroeid tot het tweede actualiteitenmagazine van het land, na Expresso.

  • Lunch met de machtigste vrouw van Europa

    Lunch met de machtigste vrouw van Europa

    De Deense eurocommissaris van mededinging Margrethe Vestager geldt als de schrik van Silicon Valley sinds ze megaboetes uitdeelde aan Apple en Google. De Financial Times strikte haar voor een lunchinterview.

    Margrethe Vestager schuift over de leren bank aan het hoektafeltje naar me toe en gaat naast me zitten. Onze knieën raken elkaar bijna in een rechte hoek. Ze glimlacht. Ik kijk naar het mes met de vork en het aquavitglas er keurig tegenover, en naar de houten stoel waar ze niet op is gaan zitten. Onze tafel, in een knus restaurant in Kopenhagen, biedt ruim plaats aan vier personen; wij nemen slechts plaats in voor anderhalf. Zo moet het voelen, denk ik, om door ’s werelds sluwste antitrusthandhaver klem te worden gezet.

    Met die ervaring bevind ik me in goed gezelschap. Nog geen drie jaar geleden stapte de 49-jarige Vestager van de Deense politiek over naar de Europese Commissie. Toch heeft ze nu al de EU-records verpulverd voor het onttakelen van kartels, het uitdelen van boetes en het innen van achterstallige belasting. Waarschijnlijk heeft niemand in de democratische wereld zo veel macht – en is niemand er zozeer toe bereid die te gebruiken – als de eurocommissaris voor mededinging. Vraag het maar aan Tim Cook van Apple (dat Ierland 13 miljard pond aan achterstallige belasting moest betalen), aan Sundar Pichai van Google (dat een boete van 2,4 miljard pond kreeg voor misbruik van zijn marktpositie) of aan de vrachtwagenfabrikanten, farmaceuten en financiële topmannen die het met Vestager aan de stok kregen. Haar besluiten kunnen eventueel pas jaren later door de rechtbank worden teruggedraaid.

    Haar legendarische onverzettelijkheid gaat gepaard met huiselijke persoonlijke trekjes. Het levert krantenprofielen van Vestager op die lezen als de sage van Vikingkoningin Margrethe III, bedwingster van Silicon Valley, gesel van belastingontduikers, temster van superego’s uit het bedrijfsleven, breister van olifanten (die ze aan regeringsmedewerkers geeft en die soms grote oren hebben als aansporing om beter te luisteren) en vermaard kaneelbroodjesbakster.

    Het is allang duidelijk dat Vestager zich als politicus aan de zwaartekracht onttrekt. Ze is afkomstig uit een kleine partij uit een klein land en voerde ooit campagne onder de lekker antipopulistische slogan: ‘Luister naar de economen. Dat doen wij ook.’ Vestager, scherp en hoffelijk, vormde de inspiratie voor de populaire Deense tv-serie Borgen, die volgens haar bewonderaars bleek afstak tegen de werkelijkheid. Maar in de Verenigde Staten geldt ze als belichaming van de politieke tegenwind die Silicon Valley bedreigt. Daar beschouwen velen haar als de laatste in een lange reeks Europese bemoeials die het goede oude Amerikaanse bedrijfsleven de voet dwars zetten. Vorig jaar vatte Cook die andere kijk op haar werk fijntjes samen: ‘Alleen maar politiek gelul.’

    Smørrebrød

    We zitten in de Kronborg, een tot restaurant omgetoverde kelder, bekend om zijn smørrebrød: sneeën roggebrood die rijkelijk zijn belegd. Het is een prima plek om op een regenachtige middag in Kopenhagen te schuilen. De balken aan het plafond zijn donker, de muren wit, op lichtgroene versieringen na.

    Vestager is er op haar gemak. Ze heeft een bordeauxrode jurk en een zwart gebreid vestje aan en een gouden halsketting om. Haar staalgrijze haar zit keurig in model. Het personeel is er maar wat trots op de voormalige vicepremier te mogen ontvangen. Een dertigtal vrouwen die aan de tafeI tegenover ons een verjaardag vieren, werpen steeds nieuwsgieriger blikken. Waarschijnlijk kennen ze haar nog van de coalitieregering uit 2011-2015 van Helle Thorning-Schmidt, een sociaaldemocrate die het niet aan flair ontbrak. Thorning-Schmidt vervreemdde haar kiezers bijna onmiddellijk van zich door zich te laten gelden als een belastinghavik. De belangrijkste oorzaak: Vestager, een kleine coalitiepartner met een flinke vinger in de pap van het beleid. Ze wist wat ze wilde en harkte het grotendeels binnen. De relatie verzuurde op slag. Vestager zegt dat ze tegenwoordig op veel betere voet staat met de ‘geweldige’ Thorning-Schmidt. ‘Maar de rúzies die we hebben gehad…’

    Het was een onwaarschijnlijk machtige positie voor de leider van een sociaalliberale nichepartij – liefkozend de caffè-lattepartij genoemd – met als electoraal hoogtepunt 15 procent van de stemmen… in 1968. Maar tijdens de coalitiegesprekken ging Vestager er met de winst vandoor. Ik breng het verschil ter sprake tussen de situatie nu en Vestagers eerste lunch met Thorning-Schmidt, een jaar of twintig geleden in een café verderop. Bij het afscheid gaf Vestager Thorning-Schmidt haar telefoonnummer: ‘Misschien komt het nog een keer van pas.’ Thorning-Schmidt noteerde het, maar gaf het hare niet. Vestager was zeker niet belangrijk genoeg? ‘O ja!’ zegt Vestager. ‘Dat was ik helemaal vergeten. Dat is wel heel lang geleden.’

    Ik kijk op de kaart in de hoop dat een van de negen haringvariaties er beter op is geworden sinds ik voor het laatst heb gekeken. Ik ben geen liefhebber. We nemen allebei de dagschotel: ‘Sol over Gudhjem’, gerookte haring met rauwe eidooier.

    © AP Photo / Geert Vanden Wijngaert
    © AP Photo / Geert Vanden Wijngaert

    Vestager groeide op in het stationsplaatsje Ølgod (‘Biergoed’), niet ver van de vlakke, door weer en wind geteisterde westkust van Jutland. Haar ouders waren lutherse predikanten en politiek actief. Die kerkelijke achtergrond deelt ze met de Duitse Angela Merkel, de Britse Theresa May en de voormalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice, en ik vraag of er sprake is van een patroon.

    ‘In Denemarken zeggen ze dat predikantenkinderen de ergste zijn,’ zegt ze met een lach. ‘Die moeten zich wel afzetten. Omdat het er bij ons thuis helemaal niet zo religieus aan toeging, had ik weinig om me tegen af te zetten. Als er één ding belangrijk is – ik weet niet veel van de verschillende gezindten – dan is het dat je je voor anderen inzet.’

    Volgens Vestager struikelde ze zowat de politiek binnen. ‘Eind jaren tachtig stelde ik me verkiesbaar voor het parlement, alleen maar omdat ik wist dat ik toch geen kans maakte om te worden gekozen,’ zegt ze. Het betrof een zetel waar haar moeder zich ooit kandidaat voor had gesteld. ‘Ik was erg verlegen toen ik jong was, maar nieuwsgierig naar wat het inhield.’

    Op haar vijfentwintigste deelde Vestager het partijvoorzitterschap terwijl ze een baan had op het ministerie van Financiën. Op haar negentwintigste werd ze, zonder te zijn gekozen, minister van Onderwijs en Godsdienstige Zaken. ‘Ik besefte niet dat ik jong was, ik dacht er niet over na, dus was er niet bang voor,’ zeg ze. ‘Had ik het wel beseft, dan zou ik doodsbenauwd zijn geweest. Het was ontzettend zwaar. Als ik het over mocht doen, dan zou ik het heel anders aanpakken.’

    Vestagers politieke persoonlijkheid heeft ze tot op zekere hoogte te danken aan de dieptepunten die ze aan de top beleefde. Haar eerste jaren als partijleider waren verschrikkelijk, met slechte peilingen omdat ze zo gereserveerd en afstandelijk overkwam. ‘Ze is als volwassene geboren!’ riep een collega destijds denigrerend uit. Vestager besloot dat het tijd werd zich aan te passen. Ze besefte dat als ze het toch anders moest aanpakken, ze net zo goed kon gaan staan voor waar ze in geloofde. Na een hap haring legt ze uit dat ze ‘andere kanten van zichzelf naar voren schoof, en weer andere misschien een beetje terugdrong’. Het was een vorm van beheerste authenticiteit die haar voormalige spindoctor de vergelijking met een oester ontlokte: verleidelijk en eerlijk, maar zo open als ze zelf wil zijn.

    Brusselse juristen verwijten Vestager vooral dat ze de neiging heeft de rol die haar van godswege lijkt ingegeven te gebruiken als preekstoel om “rechtvaardigheid” te prediken

    Iedereen die Vestagers kantoor in Brussel bezoekt snapt wat dat betekent. Het is een meesterlijk ingerichte kamer vol curiosa en snuisterijen. Je vindt er een gipsen middelvinger (gekregen van een vakbond die tegen bezuinigingen protesteerde), een straatnaambordje met ‘Vestervej’ erop en foto’s van het winderige vlakke land van Jutland waar ze opgroeide. Aan elk voorwerp kleeft een bijzonder verhaal, maar ze lijken weinig prijs te geven over Vestager.

    Vestager is vermaard om de ‘vergadertechniek’ waarmee ze de grote ego’s der aarde met beide benen op de grond zet. Ze weet wat ze wil en gaat zonder aantekeningen de bijeenkomst in. Ze schenkt koffie voor haar gasten in. Ze vertrok geen spier toen Cook in 2016 tekeerging tegen haar belastingonderzoek, dat hij met steeds grotere stemverheffing vergeleek met de Venezolaanse rechtspraak. Directeuren van Gazprom kregen te horen dat ze hun entourage moesten inkrimpen zodat iedereen aan tafel paste, met als gevolg dat driekwart van de delegatie op de gang moest blijven. Een aanwezige beweert dat Vestager de bijeenkomst ondanks herhaalde seintjes een kwartier liet uitlopen. Bij het naar buiten gaan zag het gezelschap dat Jack Lew, destijds de Amerikaanse minister van Financiën, zich in de wachtkamer zat op te vreten.

    Brusselse juristen verwijten Vestager vooral dat ze de neiging heeft de rol die haar van godswege lijkt ingegeven te gebruiken als preekstoel om ‘rechtvaardigheid’ te prediken. In een bekend geworden toespraak verwees ze naar Luther, Adam en Eva en de hebzucht die aan de basis ligt van monopolistisch gedrag. Ze vindt de kritiek duidelijk misplaatst. ‘Ik heb de 95 stellingen van Luther niet aan mijn deur genageld; ik werk met het Europese mededingingsrecht. Maar wie je ook bent en wat je ook doet, je kunt altijd nadenken over hoe je het doet.’

    Wat dat betreft tekent het haar dat ze de reuzen van Silicon Valley uitdaagde: Google, Apple, Facebook en Amazon. Alle vier hebben ze openlijke aanvaringen met Vestager gehad, en ze is van Berlijn tot Washington geprezen omdat ze ze heeft aangepakt. Maar ze krijgt ook het verwijt dat haar interventies (vooral op belastinggebied) niet zozeer juridisch als wel politiek zijn gemotiveerd. Sommigen kunnen het niet uitstaan dat ze zo overtuigd is van haar gelijk. Ik vraag haar of haar welhaast koninklijke voorrecht – als aanklager, rechter, jury én beul – niet te groot is. Ze wuift mijn bezwaar weg en zegt dat de rechtbanken, juristen en media er zijn ‘om haar eerlijk te houden’. ‘En ik heb sterk het gevoel dat ze dat ook doen,’ voegt ze eraan toe.

    Het rumoer in het restaurant wordt een tikje minder. Naast ons worden cadeautjes uitgepakt, onze borden worden weggehaald. Ik kies een andere aanpak. Er woedt een academische discussie over de vraag of de aloude antitrustmiddelen – en de orthodoxie van de Chicago School, met de nadruk op nadelige prijseffecten voor consumenten – de spectaculaire veranderingen in maatschappij en economie kunnen bijbenen. Met andere woorden: goedkope producten vragen misschien een hoge prijs, terwijl door concurrentie ingegeven fusies (bijvoorbeeld in de landbouwwereld) om milieuredenen wellicht een slecht idee zijn. Ik vraag of ze, idealiter, geen bredere opdracht zou willen om zich sterk te maken voor een bredere opvatting van consumentenwelzijn.


    Haar antwoord is diplomatiek: de principes van het Europese recht zijn breed genoeg. ‘Ook de consument moet zich realiseren dat hij uiteindelijk altijd betaalt. Je betaalt hoe dan ook, zonder dat je alle cijfers van je creditcard intoetst,’ zegt ze. ‘Tot op zekere hoogte zijn sommige firma’s ouderwetse reclamebedrijven in een nieuw jasje. Ze doen fantastische dingen. Hun innovaties hebben onze samenleving veranderd. Dat neemt niet weg dat ze nog steeds een verantwoordelijkheid hebben. Als je dominant bent in de markt, heb je een speciale verantwoordelijkheid.’

    Het is een verwijzing naar Google, een bedrijf dat ze op het matje riep omdat het zijn dominante positie misbruikte om zijn eigen zoekresultaten te bevoordelen. Als Google straks geen onderscheid meer maakt, maar de klantbeleving er slechter op wordt, is ze dan nog steeds tevreden? ‘Wie ben ik om daarover te oordelen?’ antwoordt ze. ‘Op zichzelf is het goed als je iets te kiezen hebt.’

    Vrachtwagenkartel

    De zaken die ze tegen technologiereuzen aanspande trokken de aandacht, maar louter vanuit het oogpunt van consumentenwelzijn bezien vallen ze in het niet bij haar ontmanteling van het vrachtwagenkartel. Dat hanteerde niet alleen vaste prijzen, maar dwarsboomde ook de technologie om de uitstoot te verminderen. Een klokkenluider heeft vergelijkbare aantijgingen gedaan jegens autofabrikanten die onder één hoedje spelen. Had de commissie eerder moeten ingrijpen? Ze noemt de auto-onderdelenkartels die het afgelopen decennium zijn bestraft.

    ‘Het houdt maar niet op,’ zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. ‘In dat opzicht staat het al tijden bij ons op de agenda, maar het emissieschandaal is niet echt een antitrustkwestie. Misschien is het milieufraude, zoiets… We zien misschien een autokartel door de vingers waarin schijnbaar hecht wordt samengewerkt. We gaan ernaar kijken, maar hebben al heel wat middelen in die sector gestoken.’

    Aan haar termijn komt een einde op het hoogtepunt van haar loopbaan. Volgens sommige collega’s zou ze dolgraag directeur van het Internationaal Monetair Fonds worden. Anderen zien graag dat ze de nieuwe commissievoorzitter wordt. Maar liberalen krijgen bijna nooit een topfunctie, en zij komt ook nog eens uit een land zonder euro dat in Europees verband vaak zijn eigen weg kiest. ‘In een andere wereld wordt een sociaalliberaal misschien ergens de baas van,’ schertst ze. Het klinkt althans als een grap, maar helemaal zeker ben ik er niet van.

    Ze werpt een laatste blik op het roggebrood en daar gaat ze, alleen de motregen in. Ik kijk naar haar halfopgedronken koffie en haar keurig opgevouwen servet, en denk na over wat een klein land groot maakt.

    Auteur: Alex Barker
    Vertaling: Nico Groen

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk, dagblad, oplage 448.000

    Gezaghebbende krant voor de Londense City en de rest van de zakenwereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. Het in 1888 opgerichte dagblad wordt inmiddels in 23 landen gedrukt en heeft naast de Britse ook drie Europese, een Amerikaanse en een Aziatische editie.

  • Is het terecht dat Google een boete krijgt?

    Is het terecht dat Google een boete krijgt?

    De Europese mededingingscommissaris Margrethe Vestager legde Google onlangs een megaboete op van 2,4 miljard euro. Was die straf gerechtvaardigd?

    NEE

    Ik leef ‘la vida Google’. Ik heb een boek geschreven over de site en ben mede-presentator van een podcast over Google. Ik maak gebruik van talloze Google-diensten: Chrome, Chromebooks (mijn enige laptops), Android-telefoons en -tablets, Search, Gmail, Docs, YouTube, Translate, Play Music en Books, Assistant, Waze.

    Maar ik kan me niet herinneren ooit gebruik te hebben gemaakt van Googles shopping-vergelijkingssite. Jij wel? Natuurlijk ga ik in plaats daarvan naar Amazon.

    En toch heeft de Europese Commissie zojuist Googles promotie van de service aangegrepen als basis voor een recordbedrag van 2,4 miljard euro als antitrust-boete. Ik betwijfel of Googles shoppingssite op zich wel 2,4 miljard euro waard is, omdat hij zo onbeduidend en niet-concurrerend is.

    Waarom heeft Margrethe Vestager, de Europese mededingingscommissaris, haar naam op het spel gezet om Google aan te vallen? Het verhaal begint met Europese en in het bijzonder Duitse uitgevers – aangevoerd door Axel Springer (mede-eigenaar van de Europese editie van Politico) en Rupert Murdochs News Corp – die hun aanzienlijke politieke kapitaal aanwendden om druk uit te oefenen op regeringen om het bedrijf van hun concurrent schade te berokkenen.

    Die uitgevers concurreren niet met Google wat shoppen betreft, maar wel op advertentiegebied – of liever gezegd, dat proberen ze. Het probleem van de uitgevers is dat Google zich op hun markt heeft begeven met een betere deal voor hun klanten. Ze namen risico’s met betaal-per-klik-advertenties en boden betere prestaties en efficiëntie via Googles geïndividualiseerde benadering.

    Als Google ergens een bijna-monopolie heeft, dan is het in het advertentiewezen. Waarom viel de EU Google niet op dat terrein aan?

    Die uitgevers concurreren niet met Google wat shoppen betreft, maar wel op advertentiegebied – of liever gezegd, dat proberen ze. Het probleem van de uitgevers is dat Google zich op hun markt heeft begeven met een betere deal voor hun klanten. Ze namen risico’s met betaal-per-klik-advertenties en boden betere prestaties en efficiëntie via Googles geïndividualiseerde benadering.

    De uitgevers zitten nog steeds in de massamedia-branche terwijl Google – net als Facebook, Amazon en andere Silicon Valley-bedrijven – persoonlijke diensten bieden. In deze nieuwe realiteit kunnen uitgevers niet concurreren. Dus proberen ze te reguleren.

    Als Google ergens een bijna-monopolie heeft, dan is het in het advertentiewezen. Waarom viel de EU Google niet op dat terrein aan? Misschien omdat Google te maken heeft met grote concurrentie in de advertentiemarkt van zijn beginnende, en succesvolle, buurman Facebook.

    Het besluit van de EU om Google aan te vallen kan niet alleen gaan om hulp aan de uitgevers. Is het anti-Amerikaans? Anti-Silicon Valley? Anti-technologie? Of is het iets diepers, gaat het om de Europese benadering van het web?

    Het internet legt vaak het karakter en de angsten van een natie en een cultuur bloot. In Amerika brengt de openheid ervan free-speech trolls voort, onder wie onze president. In China, Iran, Rusland en andere autoritaire naties wekt het een instinct op om alles te controleren. In Europa wakkert het een reflex om te reguleren aan.

    Auteur: Jeff Jarvis

    Jeff Jarvis (rechts) is een Amerikaanse journalist, professor, spreker en voormalige tv-criticus. Hij verdedigt het open internet en beweert dat de digitale eeuw ons sociale en professionele leven aanzienlijk heeft verbeterd.

    Politico
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000

    Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.

    schermafbeelding 2017 07 12 om 10 08 43 am

    JA

    Laten we eerst één onwaarheid van tafel vegen. Door Google een boete op te leggen van 2,4 miljard euro voert de Europese Commissie geen slinkse handelsoorlog tegen Amerikaanse technologiebedrijven. Margrethe Vestager, de EU-mededingingscommissaris, stelt een essentieel commercieel vraagstuk van het digitale tijdperk aan de orde: in hoeverre mogen bedrijven zoals Google in staat worden gesteld hun dominerende positie op één gebied uit te buiten om voordelen te behalen op een ander?
    Beschuldigingen van anti-Amerikaanse vooringenomenheid overtuigen niet als je alle pro-mededingings-controles van de Commissie bij elkaar bekijkt. In andere industrieën met verschillende klachten over mededinging heeft Brussel vaak boetes aan Europese bedrijven uitgedeeld. Vraag maar aan de vrachtautofabrikanten – allemaal Europees – die vorig jaar een collectieve boete van bijna drie miljard euro kregen wegens prijsafspraken. Dat de meeste technologie-titanen Amerikaans zijn, is te danken aan het feit dat Silicon Valley met succes bedrijven heeft opgezet die de markt zijn gaan domineren. Je zou wensen dat de Commissie meer Europese techno-vernieuwers kon natrekken. En bedenk ook dat veel bedrijven die Vestagers inspanningen toejuichen zelf Amerikaans zijn – zoals Oracle en Yelp.

    Wat de beslissing zelf betreft betreedt Vestager een nieuw terrein op het gebied van regelgeving, maar haar argument lijkt oprecht. Als Google de zoekresultaten van Google Shopping bovenaan plaatst en de prijsvergelijkingssites van rivalen kunstmatig omlaag duwt, moet dat een effect op de concurrentie hebben. De schade voor de consument mag moeilijk te meten zijn, maar die is er wel.

    Google bevoordeelde niet alleen zijn eigen dienst; het bedrijf manipuleerde ook op grote schaal zoekresultaten

    Het is waar dat, zoals Google heeft aangevoerd, veel online shopping-rivalen toch succesvol zijn geworden – kijk maar naar Amazon. Maar dat is geen doorslaggevend argument. 
Dit onderzoek moest vaststellen wanneer dominantie op het ene terrein (zoeken) gebruikt kan worden om voordeel te behalen op een aangrenzend terrein (winkelen). De conclusie dat Google op een ‘illegaal voordeel’ uit was, is dus terecht. Google bevoordeelde niet alleen zijn eigen dienst; het bedrijf manipuleerde ook op grote schaal zoekresultaten.

    Deze conclusie zal verreikende consequenties hebben als Google of andere bedrijven hun producten ook privileges geven op terreinen als reizen en hotels. Als dat het geval is, moet consumentvriendelijke actie door toezichthouders toegejuicht worden: de Commissie zegt dat dominantie op nieuwe terreinen gestoeld moet zijn op eigen verdiensten, niet door concurrenten de nek om te draaien. Zo’n strikte pro-mededinging-kijk op de wereld komt consumenten overal ter wereld ten goede, inclusief die in de VS. Het is een wonder dat Amerikaanse toezichthouders, die ooit zo’n eerbiedwaardige staat van dienst hadden wat betreft het optreden tegen machtige monopolisten, zo passief zijn geweest in de aanpak van technologiereuzen.

    Auteur: Nils Pratley

    Nils Pratley (links) 
is financieel redacteur bij de Guardian. Zijn analyses en meningen over de winnaars en verliezers op de financiële markten zijn te lezen op zijn blog Nils Pratley on Finance.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Hoe word je een internationale goudsmokkelaar? Gewoon, via Google

    Hoe word je een internationale goudsmokkelaar? Gewoon, via Google

    Goud is zo in trek dat de mijnbouw de vraag niet kan bijbenen. Criminele bendes vullen het tekort nu aan met edelmetaal uit illegale groeves. De Chileen Harold Vilches verhandelde al bijna 80 miljoen euro aan smokkelwaar toen hij nog maar net oud genoeg was om een biertje te mogen bestellen.

    Die middag van 28 april 2015 kijkt Harold 
Vilches onbewogen toe terwijl douanebeambten op de internationale luchthaven van Santiago zijn rolkoffer onder de loep nemen. 
De minuten tikken weg. In de rolkoffer zit 44 pond massief goud, ter waarde van bijna 600.000 euro, 
en de 21-jarige student met zijn babyface wil alleen maar doorgelaten worden om op de nachtvlucht naar Miami te kunnen stappen. Vilches is zes uur eerder al op het vliegveld aangekomen, omdat hij wel verwachtte dat hij opgehouden zou kunnen worden – hij heeft gehoord dat de douane de afgelopen 
tijd verschillende keren een zending van een concurrerende smokkelaar heeft onderschept. Maar hij heeft deze trip al zeker tien keer gemaakt, of anderen gestuurd, en hij heeft extra zijn best gedaan op zijn valse exportpapieren. Vilches is er redelijk zeker van dat hij geen last zal krijgen. Nog terwijl hij staat te wachten, stuurt hij een tekstbericht naar zijn 
contacten in Florida, waarin hij meldt dat hij de 
douane al gepasseerd is.

    Het plan was om het goud op het vliegveld van Miami te overhandigen aan een paar particuliere bewakers, die het dan in een gepantserde truck zouden laden voor het korte ritje naar NTR Metals Miami LLC, een bedrijf dat goud in grote en kleine hoeveelheden inkoopt en het doorverkoopt aan de wereldwijde goudhandelsketen. De bescheidenheid van de sjofele ontvangstruimte van dit bedrijf, waar een receptioniste achter een plexiglas ruit van 2,5 centimeter 
dik zit, is in tegenspraak met de omvang van de zaken die elders in het pand worden gedaan. Rechercheurs van het Amerikaanse ministerie van Justitie geloven dat NTR Metals Miami de afgelopen vier jaar voor minstens 2,5 miljard euro aan Zuid-Amerikaans goud heeft ingekocht, dat grotendeels afkomstig is van illegale mijnactiviteiten.

    Al is hij nog maar net oud genoeg om in Miami een biertje te mogen bestellen, hij heeft al eens een contract van 76 miljoen euro afgesloten voor de levering van goud aan een handelaar in Dubai

    Dit gedoe kan Vilches niet gebruiken. In twee jaar tijd is hij snel opgeklommen in het wereldje van de Latijns-Amerikaanse goudsmokkelaars. Al is hij nog maar net oud genoeg om in Miami een biertje te mogen bestellen, hij heeft al eens een contract van 76 miljoen euro afgesloten voor de levering van goud aan een handelaar in Dubai. Dat is geen groot succes geworden – het bedrijf uit Dubai zit hem inmiddels op zijn nek omdat hij zo’n 4 miljoen euro in eigen 
zak zou hebben gestoken – maar toch, tijdens zijn korte carrière heeft hij al meer dan 4000 pond goud verhandeld, volgens zijn Chileense aanklagers. Net als hun Amerikaanse collega’s vermoeden zij dat al dit goud illegaal was.

    Die avond op de luchthaven komt Vilches op de 
proppen met zijn standaardverhaal: dat het goud afkomstig is van munten die hij van klanten heeft ontvangen en omgesmolten tot staven. De douanebeambten trappen er niet in. Volgens hen is het 
laboratorium dat Vilches heeft gebruikt om het goud te waarborgen niet door de overheid gecertificeerd, en ze twijfelen aan zijn bewering dat het goud afkomstig is van munten. Vilches wordt boos. Hij gelooft zijn oren niet als de man achter de balie 
zijn chef belt en daarna de instructies van hogerhand overbrengt: ‘Als het goud van Vilches is, neem het dan in beslag.’

    Rechercheurs van de Chileense politie hebben 
Vilches dan al maandenlang in het vizier, ze hebben zijn telefoon afgeluisterd en de exportpapieren die hij indiende minutieus bestudeerd. Die jongen was slim, daar waren ze het over eens, maar voor wie werkte hij? ‘Ik dacht eigenlijk dat er altijd nog iemand achter hem stond,’ zegt José Luis Pérez, 
een Chileens officier van justitie op deze zaak.

    Als de ambtenaren op de luchthaven Vilches’ goud 
in beslag hebben genomen, laten ze hem gaan. In 
de vijftien maanden hierna staan de Chileense autoriteiten toe dat Vilches illegaal goud het land in en uit brengt, terwijl ze zijn gangen nagaan, in de hoop handlangers te vinden en mensen die hem aansturen. Ze luisteren verschillende telefoongesprekken af, lezen Vilches’ tekstberichten en volgen koeriers. Ze kijken toe terwijl smokkelaars hun goud vanuit Peru, over afgelegen stukken woestijn en door dalen in het Andesgebergte naar het zuiden brengen, of naar het westen vanuit Argentinië, over de besneeuwde bergpas in de schaduw van de bijna zevenduizend meter hoge Aconcagua, en vandaar naar Santiago en het hoofdkwartier van Vilches, een plek die van de politie de bijnaam ‘de bunker’ krijgt. Daar test, weegt en betaalt Vilches het goud. Hij smelt het om, maakt er staven van en vervolgens vliegt hijzelf of een familielid ermee naar Miami.

    Tot hun stijgende verbazing vinden politiemensen nooit de grotere organisatie waarvan ze dachten dat die Vilches ondersteunde en beschermde. Er is geen grotere vis, voor zover zij kunnen vaststellen. Uiteindelijk, in augustus 2016, arresteren ze hem. 
Volgens rechercheurs hebben ze dan inmiddels voor 60 miljoen euro aan goudzendingen gedocumenteerd die door zijn handen zijn gegaan, via acht 
brievenbusmaatschappijen die hij in Chili en Miami heeft gevestigd – en ze denken dat er nog veel meer is geweest. Vilches en vier medeplichtigen, onder 
wie zijn vrouw en haar vader, worden aangeklaagd wegens oplichting, smokkelarij, douanefraude en witwassen. Geen van hen is nog voor de rechter 
verschenen en de zaak is nog steeds niet afgerond. Vilches’ vrouw en schoonvader hebben via hun 
advocaat geweigerd om aan dit artikel mee te werken. Op dit moment woont Vilches met zijn vrouw in een appartement in een armoedig deel van Santiago; hij heeft van tien uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds huisarrest.

    Harold Vilches op weg naar de rechtbank.
    Harold Vilches op weg naar de rechtbank.

    In ruil voor zijn vrijlating uit de gevangenis heeft Vilches uitgebreide verklaringen afgelegd waarmee het Chileense openbaar ministerie en de Amerikaanse justitie een grote, internationale smokkelzaak konden opbouwen. In verhoorverslagen door de 
politie en aanklagers in Chili en de Verenigde Staten en in honderden pagina’s politiedossiers rijst het beeld op van de rol die Vilches speelde in een zwarte markt die elk jaar letterlijk tonnen illegaal gedolven en gesmokkeld goud in de internationale economie pompt.

    De afgelopen vijftien jaar is de wereldwijde goudconsumptie met bijna 1000 ton per jaar toegenomen tot zo’n 4300 ton, volgens de World Gold Council, een in Londen gevestigde brancheorganisatie. Legale mijnbouw kon de toegenomen vraag niet bijbenen, dus hielpen illegale mijnen, in handen van criminele bendes, van de Amazone tot Centraal-Afrika het tekort aan te vullen, zo stelt Verité, een non-profitorganisatie in Amherst, Massachusetts, die onderzoek heeft gedaan naar de illegale goudhandel. 
Uit een onderzoek van Verité in 2016 bleek dat vijf landen in Latijns-Amerika in een jaar tijd 40 ton goud van illegale mijnen naar de Verenigde Staten hebben verscheept, bijna twee keer zoveel als de legale transporten uit die landen. De illegale goudmijnen van Zuid-Amerika, die zich voornamelijk in het Amazonegebied bevinden, zijn giftige groeves waarin groepen arbeiders met behulp van brandweerslangen en kwik klompjes vrijwel puur goud 
uit de rode aarde halen. Volgens de Verenigde Naties drijft de bedrijfstak op kinderarbeid, is hij verwoestend voor de omgeving en tiert de prostitutie welig in de gammele kampementen rond de mijnen. Het goud gaat van smokkelaar over op smokkelaar, en verdwijnt vervolgens in een netwerk van handelaren en goudbewerkers, die samen de onstilbare goudhonger van de wereld voeden.
    Harold Vilches was een jongen uit de stad, die 
hiervan nooit iets had gezien. Maar hij groeide wel op met goud: zijn vader Mario was eigenaar van een juwelierszaak en zijn oom Enrique, evangelisch 
prediker, was de oprichter Joyas Barón, een sierradenketen met achttien vestigingen. Enrique heeft meer dan eens de aandacht van de autoriteiten getrokken. In 1998 betrapte de Chileense douane op het vliegveld een groep Ecuadoraanse smokkelaars met achttien goudstaven die volgens hen voor Enrique bestemd waren. (Hij werd vrijgesproken nadat hij had betoogd dat de politie hem in de val had gelokt.) In maart 2015 werd Enrique door een rechtbank in Santiago tot vijf jaar voorwaardelijk veroordeeld wegens belastingfraude. Vorig jaar 
dienden de autoriteiten nog meer aanklachten tegen hem in, waarin hij ervan wordt beschuldigd dat hij een enorme boekhoudfraude heeft opgezet en nog zo’n 14 miljoen euro aan achterstallige belastingen verschuldigd is.

    Op de Chileense televisie ontkende Enrique Vilches elke betrokkenheid bij de goudsmokkelactiviteiten van zijn neef. ‘Ik heb geen commerciële relatie met de zaak die onderzocht wordt,’ zei hij. ‘Ik ben hier 
op geen enkele manier bij betrokken, dus ik wil me totaal van deze situatie distantiëren.’

    Via Google

    Op zijn vijftiende ging Harold voor de zaak van 
zijn vader werken. Binnen een jaar gaf zijn vader hem een tas met 50 miljoen peso [70.000 euro] aan 
contanten en stuurde hem daarmee naar de bank om stortingen te doen. In 2013 begon Vilches een studie bedrijfsmanagement aan de Universidad Mayor in Santiago. Maar al snel daarna kreeg zijn vader een hersenbloeding en stopte de zoon met studeren om zich op het familiebedrijf te richten. 
Als dit bedrijf zijn toekomst was, besloot hij, dan wilde hij meer doen dan alleen sieraden inkopen 
en verkopen. Hij nam zich voor om echt veel geld 
te gaan verdienen, en daarvoor moest hij bij de groothandel in goud zijn.

    Om te beginnen haalde hij Gonzalo Farias, metalenhandelaar in Santiago, over om hem aan te nemen als leverancier. In september 2013 deed Vilches zijn eerste levering aan Farias – 6,6 pond legaal in Chili verworven goud. Hij deed nog een aantal van dit soort leveranties. Maar hij wilde groter. Hij passeerde Farias en sloot rechtstreeks een deal met Fujairah Gold, een in Dubai gevestigd bedrijf waaraan Farias leverde. In juni 2014 tekende Vilches een contract waarin hij beloofde in de twaalf daaropvolgende maanden 6000 pond goud te zullen leveren aan 
het hoofdkantoor van Fujairah. De eerste levering zou 90 pond omvatten en die hoeveelheid zou elke maand groter worden. Vilches had geen geld om zo veel goud te kopen, dus gaf het bedrijf hem toegang tot een bankrekening met 4 miljoen euro. Dit was zijn grote kans – het contract was in potentie 
meer dan 76 miljoen euro waard. Hij zou zelf 1,5 tot 5 miljoen winst maken.

    Dit was krankzinnig hoog gegrepen – er waren in heel Chili niet genoeg gouden munten en sieraden om aan de bestellingen van Fujairah te voldoen. Dus besloot Vilches smokkelaar te worden. En dat was gemakkelijk: via Google zocht hij goudhandelaren 
in Peru. Hij vond Rodolfo Soria Cipriano, een van de grootste exporteurs van het land, volgens de Peruaanse krant El Comercial. Er kwam al snel antwoord. Vilches heeft later aan zijn ondervragers verteld dat Soria beloofde hem zoveel goud te leveren als hij wilde, zolang hij maar met geld over de brug kwam. Volgens Vilches zelf vroeg hij niet waar het goud vandaan kwam. Wel was hij zo slim om exportcontroles te ontwijken, en volgens de aanklagers bracht hij het goud Chili binnen zonder belasting 
of invoerrechten te betalen.

    Soria introduceerde hem bij een netwerk van leveranciers, met wie Vilches later transacties regelde via WhatsApp. Lag het goud eenmaal klaar om opgehaald te worden, dan vloog hij naar Arica, in Noord-Chili, waar hij een Mazda sedan had staan die speciaal 
was uitgerust voor deze ritten naar Peru. Vanaf 
halverwege 2014, zegt Vilches, hebben hij en zijn schoonvader minstens tien ritten gemaakt naar de stad Tacna, een paar kilometer voorbij de Peruaanse grens, terwijl de deurpanelen van hun auto volgepropt waren met bankbiljetten – wel 1,5 miljoen euro per keer.

    Illegale goudmijnen in La Pampa, Madre de Dios, een regio in het zuidoosten van Peru. Zie ook de toelichting onderaan. – © Sebastian Castaneda / Getty Images
    Illegale goudmijnen in La Pampa, Madre de Dios, een regio in het zuidoosten van Peru. Zie ook de toelichting onderaan. – © Sebastian Castaneda / Getty Images

    Tegenover mensen van justitie schept Vilches graag op over het gemak waarmee hij zich in de criminele wereld bewoog. Smakelijk beschrijft hij een transactie in een safehouse in Tacna. Terwijl zijn schoonvader buiten in de auto bleef wachten, werd Vilches door gewapende mannen via een serie metaaldetectors en afgesloten poorten naar een beveiligde kamer geleid, waarin een grote voorraad goud lag. Hij vermoedde dat het huis ook diende voor cocaïnetransacties, 
vertelt hij de aanklagers, maar hij bleef kalm. Hij 
testte het goud op zuiverheid, ging weer naar buiten, verstopte de smokkelwaar in de deurpanelen van de Mazda en reed terug naar Chili.

    Uiteindelijk maakte Vilches maandelijks wel vijf van dit soort goudritten naar Peru, en hij huurde ook koeriers in die direct aan hem leverden in Santiago. Alles bij elkaar was het genoeg om via luchtvrachtmaatschappijen verscheidene succesvolle leveranties aan Fujairah te doen. Maar toen, in augustus 2014, hielden douanebeambten op het vliegveld in Arica een stel van zijn koeriers aan met 105 pond goud. 
De papieren van het duo en de verklaringen voor de manier waarop ze aan het goud waren gekomen, klopten niet met elkaar. Het goud werd in beslag genomen en Vilches kreeg zijn eerste juridische 
problemen: een belastingontduikingszaak, die nog steeds niet is afgehandeld.

    Vilches besloot niet met Fujairah door te gaan. Als 
hij zich aan het contract wilde houden, zouden er nog tientallen inkoopritten of koeriersvluchten naar Peru nodig zijn, en het vervoer van het goud naar Dubai leverde enorme logistieke problemen op. Toen het bedrijf informeerde waar de afgesproken leveranties bleven, verzon Vilches allerlei uitvluchten. Maar de advocaten van Fujairah waren ervan overtuigd dat hij loog. Ze verdachten hem ervan dat hij ook aan andere bedrijven verkocht. Bovendien kwam Fujairah tot de conclusie dat het goud illegaal was.

    Bijna twee jaar later werd Vilches voor het eerst strafrechtelijk vervolgd, wegens fraude en het zich toe-eigenen van 4 miljoen euro van Fujairah Gold. Via zijn advocaat, Marko Magdic, ontkende Vilches alle aanklachten en zei dat er alleen sprake was van contractbreuk. Fujairah blijft eisen dat hij wordt 
vervolgd, in de hoop het geld alsnog terug te krijgen.

    Terwijl zijn relatie met Fujairah verslechterde, ging Vilches op zoek naar nieuwe afnemers. Hij wist dat sommige van zijn Chileense klanten het goud dat hij uit Peru meebracht, doorverkochten aan NTR Metals in Miami. Het was Soria, zegt hij tegen zijn ondervragers, die hem bij dat bedrijf introduceerde. 
‘Binnen een week of drie kwam ik door de screening van dat bedrijf heen,’ vertelt hij. Volgens Trey Gum, juridisch adviseur van Elemetal LLC, het moederbedrijf van NTR, ging het bedrijf pas een relatie met Vilches aan nadat vertegenwoordigers zijn bedrijven in Chili hadden bezocht. ‘De informatie die NTR Miami ontving, was dat de heer Vilches uit een 
familie van respectabele juweliers kwam die nauwe banden had met de evangelische gemeenschap in Chili’, aldus Gum in een verklaring per e-mail. Soria was niet bereikbaar voor commentaar. De kantoren van zijn bedrijf in Lima lijken gesloten te zijn, en zijn telefoonnummers zijn buiten dienst.

    Uiteindelijk leerden zijn schoonvader en hij hoe ze de staven moesten maken door filmpjes op YouTube te bestuderen

    Vilches zegt tegen de aanklagers dat hij naar Florida ging voor een afspraak met twee directieleden van NTR: Renato Rodríguez, directeur verkoop voor Latijns-Amerika, en Sander Barrage, die aan het hoofd van de vestiging in Miami staat. Ze gingen 
met elkaar eten bij een restaurant in Coral Gables. 
‘Ze wisten dat er iets mis was met mijn goud, omdat het zo zuiver was. Een paar maanden later heb ik ze uitdrukkelijk verteld dat het illegaal goud was,’ 
zei Vilches. Hij heeft ook tegen aanklagers gezegd dat Rodríguez en Barrage hem hielpen om douanepapieren te vervalsen.

    Dit is allemaal niet waar, volgens Rodríguez en 
Barrage. In de lobby van de NTR-vestiging in Miami zegt Rodríguez dat het bedrijf vertrouwde op de documentatie die Vilches verschafte – net als, stelt hij, de autoriteiten in Chili en de VS. ‘Maar al dat spul is nep,’ zegt hij. Barrage verklaarde in een e-mail: ‘Ik wil met nadruk stellen dat ik op geen enkel moment beschikte over enige kennis dat dit metaal afkomstig was van illegale mijnbouw. Er was absoluut geen sprake van hulp voor of betrokkenheid bij dit exportproces of het importproces.’

    Om de schijn van legitimiteit zo groot mogelijk te houden, wilde Vilches zijn goud in staven ter grootte van een baksteen gieten, met een zegel waarop het gewicht en het gehalte stonden. Dat was een uitdaging – hij had het zijn vader wel eens zien doen, maar wist nauwelijks hoe hij het zelf voor elkaar moest krijgen. Hij schafte in het buitenland een machine aan om goud te smelten, maar toen hij die aansloot ontstond er kortsluiting en kwam zijn kantoor vol zwarte rook te staan; hij had er niet aan gedacht dat hij ook een transformator nodig had om het apparaat op het hogere voltage van het Chileense stroomnet 
te laten werken. Uiteindelijk, zegt Vilches, leerden zijn schoonvader en hij hoe ze de staven moesten maken door filmpjes op YouTube te bestuderen.

    In december 2014 leverde Vilches zijn eerste zending aan NTR Metals Miami: een koffer vol goudstaven. 
Zo eindigde hij zijn eerste volle jaar in zaken, een 
jaar waarin hij 3119 pond goud verhandelde voor een geschatte waarde van 44 miljoen euro, zoals blijkt 
uit exportgegevens in de strafrechtelijke dossiers. Volgens de Chileense onderzoekers waren in ieder geval tien zendingen van Vilches aan NTR duidelijk illegaal, gezien de malversaties met douanepapieren en de niet-betaalde belastingen en heffingen bij de aanvankelijke invoer van het goud.

    De Chilenen zeggen bewijs in handen te hebben dat NTR ervan op de hoogte was dat het goud illegaal of gesmokkeld was, en baseren dat op verklaringen van Vilches en zijn communicatie per telefoon, e-mail en tekstberichten, die ze allemaal ook aan Amerikaanse onderzoekers hebben gegeven. ‘NTR weet dat het goud illegaal is. Het is goedkoper dan legitiem 
verkregen goud. Dat is de handel,’ zegt Tufit Bufadel, een Chileense aanklager die bij de zaak betrokken is.

    Begin 2015, zo vertelt Vilches aan de FBI, lieten Rodríguez en Barrage hem naar Miami komen, waar ze hem een gewaagd voorstel deden. ‘Ze vroegen me een goudleverancier in Afrika te gaan zoeken,’ zegt hij. Volgens Vilches stelden de NTR-topmannen voor dat hij zou proberen een smokkeloperatie van 1000 kilo per maand te organiseren.

    Vilches ging er gretig op in. Als dit hem zou lukken, kon hij voor zo’n 15 miljoen euro aan vuil goud per maand verhandelen. Maar het zou erg ingewikkeld worden. ‘Zij vertelden me dat ze, vanwege interne ethische bedrijfsregels, geen Afrikaans goud konden aannemen. Dus stelden ze voor dat ik het goud van Afrika naar Chili zou exporteren en het dan naar 
NTR Metals in Miami zou sturen.’

    Vilches vloog naar Dar es Salaam in Tanzania, waar hij bijna een maand lang bezig was met het bekijken van voorraden goud en onderhandelingen met 
handelaren uit Zuid-Afrika en Kameroen. Hij vertelt aan de FBI dat hij ‘voortdurend in contact stond met Renato en Sander’ over mogelijke routes voor de zendingen. Maar hij werd voor 230.000 euro opgelicht door iemand die hij aanzag voor een leverancier. Die hele Tanzania-operatie zat hem niet lekker. Op een bepaald moment werd hij staande gehouden door twee auto’s vol gewapende mannen – waarschijnlijk veiligheidstroepen van de regering, dacht hij – en urenlang vastgehouden in een smerige ruimte, 
terwijl hij werd ondervraagd over wat hij in Tanzania te zoeken had. Hij was opgelucht dat hij het er levend van afbracht.

    Een mijnwerker probeert met een brandweerslang en kwik klompjes vrijwel puur goud uit de rode aarde halen. – © Tomas Munita
    Een mijnwerker probeert met een brandweerslang en kwik klompjes vrijwel puur goud uit de rode aarde halen. – © Tomas Munita

    Rodríguez en Barrage ontkennen dat ze Vilches hebben voorgesteld om naar Afrika te gaan. ‘Hij vroeg in 2015 juist aan ons of we goud in Afrika kochten’, schreef Rodríguez in een e-mail. ‘Ik heb hem heel duidelijk gezegd dat dat niet zo was en dat het beleid van NTR was om dat niet te doen.’ Barrage schrijft: ‘Er was geen verzoek aan hem om goud uit Afrika te halen.’

    Ondanks de tegenvallers in Tanzania was 2015 voor Vilches een goed jaar. Van het geld dat hij verdiende, kocht hij een huis van 1 miljoen dollar aan een meer met waterlelies en zwanen. Hij investeerde ook 150.000 dollar in een zwaar beveiligd gebouw in Recoletta, een wijk in Santiago waar zwerfhonden tussen het vuilnis in de straten scharrelen. Achter muren van drie meter hoog, overdekt met graffiti en met bovenop ook nog eens prikkeldraad, stond een gebouw met ramen van kogelwerend glas en deuren van gepantserd staal. Met staal versterkte muren en maar liefst 32 beveiligingscamera’s beschermden 
een heiligste der heiligen daarbinnen, dat bovendien ook nog was uitgerust met een pepperspraysysteem. ‘Zelfs banken hebben niet zulke goede beveiligingsmaatregelen,’ zegt Pérez, de Chileense aanklager.

    Dit was de plek waar Vilches, meestal in zijn eentje, zwoegde om zijn goud om te vormen tot staven in de standaardmaat, die geen verdenking zouden wekken bij de douane. Elke staaf merkte hij met het precieze gewicht en gehalte, en gaf hij het zegel van Aurum Metals LLC, een bedrijf dat hij in Miami had opgezet. Het was ook in deze bunker dat Vilches contant geld opsloeg en documenten voor het goud vervalste.

    Vilches vertelt dat de NTR-topmensen hem hadden geadviseerd om video-opnamen te maken van het raffinageproces, om zijn beweringen dat het goud 
uit legale bron kwam, te kunnen staven. Hij deed dat inderdaad en in zijn marketingbrochures prijken foto’s van hemzelf, terwijl hij grijnzend iets vloeibaars uit een smeltkroes giet, als een leerling tijdens de scheikundeles op de middelbare school. Alleen was zijn kroes gevuld met vloeibaar goud.

    NTR Metals Miami is een van de 49 vestigingen van NTR Metals, ook bekend als Elemetal Direct, een van de acht divisies van het in Dallas gevestigde Elemetal LCC. Elemetal Direct verkoopt zijn goud als 99,99 
procent puur, ongemunt goud – met door brancheorganisaties afgegeven certificaten als bewijs dat het afkomstig is van legale mijnen. Een van deze organisaties is de London Bullion Market Association, ofwel de LBMA. Dit is het zelfregulerend orgaan van de bedrijfstak, en in het bestuur zitten functionarissen van grote banken en goudhandelaren. Elemetal wijdt een apart deel van zijn website aan de certificaten voor kwaliteit en oorsprong die het bezit, waaronder een kopie van het responsible gold certificate [certificaat voor verantwoord goud] van de LBMA, behaald na een ‘onafhankelijk duedilligenceonderzoek van de bevoorradingsketen’. LBMA-woordvoerder Aelred Connelly weigerde commentaar op de certificering van Elemetal.

    Een ander certificaat is afkomstig van de Conflict-Free Sourcing Initiative of the Electronic Industry Citizenship Coalition, ofwel de EICC. Dat werd toegekend voor de goudsmelterij van Elemetal in Jackson, Ohio. Om dit certificaat elk jaar te laten vernieuwen, huurt Elemetal auditors in die aankoop- en importgegevens controleren, de smelterij bekijken en medewerkers ondervragen over de bron van het 
aangekochte goud. Dit is bedoeld om er zeker van te kunnen zijn dat er geen goud bij zit dat afkomstig is van illegale mijnen waar sprake is van prostitutie, slavenarbeid en schade aan het milieu, of die 
oorlogsactiviteiten financieren, met name in Latijns-Amerika, zegt Leah Butler, hoofd van het programma voor conflictvrije smelterijen bij de EICC. ‘We weten dat goud uit Latijns-Amerika een hoog risico heeft,’ zegt Butler. Ze wil geen commentaar geven over Elemetal, met een verwijzing naar de EICC-reglementen. De organisatie ‘neemt beschuldigingen van malversaties door een smelterij of raffinaderij die lid van haar programma is, zeer serieus’, zegt ze.

    Audits

    Volgens Ajad Rihan, voormalig auditor bij Ernst & Young die gespecialiseerd is in onderzoek naar de herkomst van bulkgoederen, zijn auditors gemakkelijk om de tuin te leiden. Rihan werkt tegenwoordig voor Martello Risk, een Londens consultancybureau dat bedrijven helpt om illegale handel te filteren uit de aanvoerlijnen van mineralen. ‘Het probleem is dat ze in dit soort audits niet verder kijken dan het papierwerk,’ zegt hij.

    Deze stempels van goedkeuring zijn voor de hele bedrijfstak van levensbelang. Volgens de Amerikaanse en Europese wet moeten bedrijven zich ervan 
verzekeren dat hun leveranciers niet inkopen bij 
mijnen die conflicten financieren. Dus halen ze hun goud bij bedrijven die gecertificeerd zijn als bedrijf met schone aanvoerketens. De gecertificeerde smelterij van Elemetal is een waardevol bezit, waardoor het bedrijf in 2015 aan 68 bedrijven uit de Fortune 500 kon leveren, volgens een analyse door Verité van bedrijfsverslagen over conflictmineralen, waartoe bedrijven volgens de Amerikaanse Dodd-Frank Act verplicht zijn. Verité analyseerde daarvoor onder andere 
verslagen van Alphabet, Apple, GE, GM, en HP, zoals 
uit de meest recente bedrijfsgegevens blijkt.

    Volgens Gum, de advocaat van Elemetal, heeft NTR Metals Miami de zaken met Vilches stopgezet op 1 juni 2016, de dag waarop hij werd aangeklaagd wegens fraude, en ‘heeft het bedrijf de zaak bij de juiste overheidsinstanties gemeld’. Ook geeft 
Elemetal dan ‘als voorzorgsmaatregel’ instructies aan NTR Metals Miami om ‘alle operaties in Chili op te schorten, hangende een onderzoek naar huidige risico’s en procedures in dat land’, aldus Gum.

    Op de avond dat alles in elkaar stort, als agenten 
op het vliegveld van Santiago de vijf staven in zijn rolkoffer aantreffen, belt Vilches onmiddellijk naar NTR, vertelt hij later aan rechercheurs van de FBI. Rodríguez en Barrage zeiden volgens hem dat hij zich er maar bij neer moest leggen dat hij dat goud nooit terug zou zien, en zich er beter op kon richten de volgende keer het papierwerk in orde te hebben. NTR-topmensen ‘instrueerden mij hoe ik kon zorgen dat de Amerikaanse douane niet doorzag dat mijn certificaten van oorsprong vals waren’, zegt Vilches.

    Dat lijkt een tijdlang te werken. De Chileense politie staat te springen om hem op te pakken, maar aanklagers geven de rechercheurs het bevel om niet in 
te grijpen, zodat ze meer bewijsmateriaal kunnen verzamelen. Ze hopen nog steeds iemand te pakken te krijgen die hogerop in de organisatie staat dan Vilches. En dus kan hij ongehinderd besmet goud in- en uitvoeren.

    Begin 2016 begint het net zich te sluiten, als banken in Chili en Miami verdachte activiteiten melden 
vanwege Vilches’ enorme transacties in contanten, en zijn rekeningen afsluiten. Daarna volgt zijn dagvaarding wegens het Fujairah-contract. Uiteindelijk wordt Vilches gearresteerd, waarbij de politie voor 225.000 euro aan contanten in beslag neemt en een kleine hoeveelheid goud uit de bunker. Met het vooruitzicht van een jarenlange gevangenisstraf wegens witwassen en belastingontduiking verklaart Vilches zich bereid om in Chili en de VS mee te werken met de autoriteiten. Ook schrijft hij zich uit bij de 
universiteit. Op dit moment vormen Vilches en NTR Metals het middelpunt van een breed strafrechtelijk onderzoek, waarin de Amerikaanse justitie, het 
Chileense openbaar ministerie voor economische delicten, de politie in Peru en die in Ecuador samenwerken, volgens de Chileense aanklager Pérez. Sarah Schall, woordvoerster van het Amerikaanse openbaar ministerie in Miami, weigert commentaar, omdat het beleid van het OM is om het bestaan van een onderzoek niet te bevestigen of ontkennen.

    In oktober 2016 reizen agenten van de FBI en aanklagers van het om in Miami naar Chili om Vilches 
te verhoren. Als ze ervan overtuigd zijn dat zijn informatie deugt, vertellen ze hem dat hij in de VS vrijgesteld zal worden van vervolging als hij onder ede wil getuigen. Vilches zit uren en uren in de verhoorruimte, waar hij de Amerikaanse en Chileense politiemensen tegelijkertijd boeit en amuseert. Meer dan vijftien politiemensen zitten op elkaar gepropt in een vergaderkamer in het enorme gevangeniscomplex Santiago 1, en Vilches geniet zichtbaar van al die aandacht. Hij lacht veel en bekommert zich kennelijk niet om de ernst van de situatie. Zijn bekentenissen worden een soort theatershow, 
volgens een van de aanwezige rechercheurs. ‘Alleen de popcorn ontbreekt,’ zegt hij lachend. FBI-agent Lourdes McLoughlin, juridisch attaché van de 
Amerikaanse ambassade in Santiago, weigert iets over de verhoren te zeggen, vanwege het beleid om geen commentaar te geven op lopende onderzoeken.

    In december brengen het Amerikaanse OM en de FBI Vilches over naar Miami, waar hij tegen een federale rechtbank zegt dat NTR Metals Miami hem heeft geadviseerd over de beste manier om zijn zaken in de VS op te zetten, gesmokkeld goud te verhandelen en vervolgens de opbrengsten daarvan wit te wassen. Elemetal en NTR Metals Miami geven geen antwoord op vragen over een onderzoek.

    Vilches kan maar kort van zijn rijkdom genieten. Inmiddels moet hij genoegen nemen met een 
appartement aan de Gran Avenida, een doorgaande weg in een ongure wijk van Santiago. Dankzij zijn medewerking aan het onderzoek zal hij waarschijnlijk niet meer naar de gevangenis hoeven voor 
smokkelarij. Maar er hangen hem nog diverse strafklachten boven het hoofd, onder andere wegens belastingontduiking.

    Als Vilches, zonder speciale extra mogelijkheden – afgezien van zijn brutaliteit – zo 
ver kon komen in de illegale goudhandel, wie kan 
dat dan nog meer?

    Naar aanleiding van de zaak-Vilches heeft Chili 
zijn exportregels aangescherpt. Een goudhandelaar beschrijft de nieuwe exportprocedure nu als ‘het bevel om met je handen omhoog tegen de muur te gaan staan’. Douanemensen uit Ecuador, Bolivia en Peru zijn in Chili op bezoek geweest om informatie uit te wisselen en beleid op elkaar af te stemmen. Pérez vindt dat een goede zaak, maar hij maakt zich geen illusies. Als Vilches, zonder speciale extra mogelijkheden – afgezien van zijn brutaliteit – zo 
ver kon komen in de illegale goudhandel, wie kan 
dat dan nog meer? ‘Ik denk dat er in heel Latijns-Amerika wel honderd Vilchessen zijn,’ zegt hij. 
‘Het is gemakkelijker dan het lijkt.’

    Auteurs: Michael Smith en Jonathan Franklin, met medewerking van Ben Bartenstein
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Toelichting bij beeld

    De Peruviaanse overheid deed meerdere pogingen om de kampementen rond de illegale goudmijnen te ontruimen in La Pampa, Madre de Dios, een regio in het zuidoosten van Peru. Volgens de Verenigde Naties drijft de bedrijfstak op kinderarbeid en prostitutie en is hij verwoestend voor de omgeving.

    Goud is zeldzaam en daarom is het duur. Een kilo goud kost op dit moment ongeveer 35.000 euro. Duurzaam goud is ongeveer 15 procent duurder. Het goud dat in Nederland voor sieraden wordt gebruikt, komt grotendeels uit recycling en grootschalige mijnbouw.

    Bloomberg Businessweek
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 993.267

    Businessweek schrijft zinnig en intelligent over het zakenleven wereldwijd. Aarzelt niet om een mening te geven of standpunt in te nemen. Sinds 2009 onderdeel van Bloomberg News, met 15.000 medewerkers.

  • Waarom Mark Zuckerberg een genie is

    Waarom Mark Zuckerberg een genie is

    Met Facebook bouwde Mark Zuckerberg een van de succesvolste bedrijven van onze tijd, met trekjes van een messianistische sekte. In een voorpublicatie uit zijn boek Start-upmania beschrijft voormalig Facebookmedewerker Antonio García Martínez hoe Zuckerberg op oorlogspad grote concurrent Google eronder kreeg.

    Mark Zuckerberg is een genie.

    Niet op een autistische, aspergerachtige manier, zoals hij wordt afgebeeld in de bijzonder fictieve speelfilm The Social Network, het cognitieve genie met uitzonderlijke talenten. Dat is een moderne definitie die afbreuk doet aan de oorspronkelijke betekenis.

    Ook zou ik hem geen productgenie à la Steve Jobs noemen. Wie dat beweert, moet eerst een verklaring geven voor het volgepropte kerkhof van vergeten mislukkingen van Facebook. Herinner je je nog Home, het door Facebook mogelijk gemaakte ‘thuisscherm’ voor Android-telefoons, toen Zuck verscheen met de CEO van de smartphonefabrikant HTC, die op het punt stond een zware tegenslag te krijgen? Of Facebooks onverstandige gok op html5 in 2012, die de mobiele app frustrerend vertraagde? En wat te denken van Facebooks eerste, alleen in het Engels verkrijgbare versie van Search, die vooral geschikt was om de alleenstaande vrouwelijke vrienden van je vrienden uit te checken en later weer van de markt is gehaald? Of van de standalone app Paper, een schaamteloze imitatie van Flipboard? Sommige niet-gelanceerde producten die ik niet mag noemen waren zeer kostbaar, maar stierven een interne dood nadat Zuck zich had bedacht en ze stopzette.

    Als hij een productgenie is, is er een enorme hoeveelheid serendipiteit die tegen zijn goddelijke waanzin indruist.

    Droom over een nieuwe menselijke ervaring

    Mijn stelling is dat hij een genie is van de oude stempel, een meeslepende natuurkracht, bezeten door een beschermende geest van een welhaast buitenaardse macht die hem stimuleert en gidst, en de mensen om hem heen aansteekt en zijn gevolg ertoe aanzet ook groot te zijn. De Jefferson, de Napoleon, de Alexander… de Jim Jones, de L. Ron Hubbard, de Joseph Smith. De hoeder van een messianistische visie die weliswaar grillig is en weinig details beschrijft, maar een overweldigend totaalbeeld presenteert voor een nieuwe wereld. Heb geschifte visioenen en ze sluiten je op. Overtuig een menigte van je visie en je bent een leider. Door zijn visie op zijn discipelen over te dragen, werd hij de stichter van een nieuwe godsdienst. Alle vroege medewerkers van Facebook hebben een verhaal over het moment waarop ze het licht zagen en begrepen dat Facebook niet zomaar een suf sociaal medium als MySpace was, maar een droom over een nieuwe menselijke ervaring. Met de ijver van recente bekeerlingen trokken deze verse rekruten andere betrokken, slimme, gedurfde programmeurs en ontwikkelaars aan die op hun beurt ook werden verleid door de echo’s van de zuckiaanse visie.

    En dan was er nog de cultuur die hij schiep.

    Veel coole bedrijven in de Valley hebben een cultuur die techniek vooropstelt, maar Facebook tilde die gedachte naar een nieuw niveau. De techneuten maakten er de dienst uit, en zolang je maar code afleverde en niet (te vaak) dingen brak, zat je gebeiteld. Het concept van subversief hacken bepaalde alles. In de eerste fase creëerde Chris Putnam, een middelbaar scholier uit Georgia, een virus dat je Facebookprofiel deed lijken op MySpace, destijds een veelbelovend sociaal medium in opkomst.

    Dustin Moskovitz, de medeoprichter van Facebook, besloot niet de FBI op Putnam af te sturen, maar hem uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek en hem een baan aan te bieden. Hij werd een van de beroemdste en temperamentvolste programmeurs van Facebook. Het was een unieke piratenhouding: als je dingen voor elkaar kon krijgen, en nog snel ook, was niemand geïnteresseerd in je geloofsbrieven en je ideeën over moraal en wet. Het ethos van de hacker ging boven alles. Dat was de cultuur die ervoor zorgde dat jochies van drieëntwintig met een jaarsalaris van een half miljoen dollar werkdagen van veertien uur maakten op de bedrijfscampus terwijl ze in een stad woonden waar alle vormen van vermaak voor poen te koop waren. Ze aten drie maaltijden per dag op het werk en soms sliepen ze er. Ze deden niets anders dan code schrijven, code beoordelen en in interne Facebookgroepen commentaar geven op nieuwe features. Op de dag van de beursgang, Facebooks triomftocht, zat de werkvloer van Ads op vrijdagochtend acht uur vol met noest werkende programmeurs. Ze waren allemaal serieus veel geld waard – zelfs fuck-you-geld, in sommige gevallen – en zaten code te schrijven op de dag dat hun papieren in keiharde cash werden omgezet.

    Het hoofdkantoor van Facebook. – © Alamy
    Het hoofdkantoor van Facebook. – © Alamy

    Je startdatum bij Facebook werd door het bedrijf gevierd zoals gelovigen de dag herdenken waarop ze werden gedoopt en Jezus vonden, of zoals nieuwe Amerikaanse staatsburgers de dag herdenken waarop ze de eed aflegden. Deze gebeurtenis heette (echt waar) je Faceversary, en iedere collega haastte zich op die dag om je op Facebook te feliciteren, zoals normale mensen met elkaar deden op hun verjaardag. Vaak liet het bedrijf of lieten je collega’s een opzichtig verrassingsboeket aanrukken voor op je bureau, met een grote luchtballon in de vorm van bijvoorbeeld een twee. Als iemand bij Facebook vertrok (meestal in de tijd van ballonnen in de vorm van een vier of vijf), deed men alsof je stierf. Je verruilde immers het huidige bestaansniveau voor een ander; niemand hield rekening met de mogelijkheid dat het volgende niveau beter was. De grafsteen van je Facebookdood was een op Facebook geposte foto van je verweerde naamplaatje. Het was gebruikelijk om er een huilerig zelfmoordbriefje of een zelfgeschreven epitaaf bij te zetten. Op zo’n post kreeg je binnen enkele minuten honderden likes en reacties.

    Ook voor degene die vertrok leek het op sterven. Als je Facebook verliet, verliet je ook het alleen voor medewerkers bestemde netwerk. Dat betekende dat je geen posts uit interne groepen (met geheime bedrijfsinformatie) meer kreeg, dat je posts minder werden gezien door andere Facebookmedewerkers (die er uiteraard 24/7 op zaten) en dat je feed, het enige kanaal waarlangs je de wereld tot je nam, leger en leger werd. Je werd vrijwel onmiddellijk toegevoegd aan een aantal geheime groepen van voormalige Facebookers, het vagevuur waar ex-werknemers over het bedrijf discussieerden.

    Denk hier even een momentje over na: de militante programmeurscultuur, de manier waarop iemand zijn identiteit volledig aan zijn werk ontleende, de apostolische toewijding aan een groter geheel. Cynici lezen uitlatingen van Zuckerberg of andere topmensen uit het bedrijf over ‘een open, meer verbonden wereld’ en denken: ‘Gatver, wat een kleffe shit.’ Critici vernemen over een aanpassing aan een product of een partnerschap en denken dat Facebook gewoon nog meer geld wil verdienen.

    Dat zien ze verkeerd.

    Facebook zit vol met ware gelovigen die het echt niet voor het geld doen en echt, echt echt niet zullen stoppen tot iedere man, vrouw en kind op aarde in een scherm met een blauwe omlijsting en het Facebooklogo staart. En dat is, als je er even over nadenkt, angstaanjagender dan simpele hebzucht. Een hebzuchtig mens heeft altijd een prijs; hij is te koop en zijn gedrag is voorspelbaar. Maar een echte zendeling? Die is voor geen goud te koop, en je weet nooit wat hij en zijn volgelingen op grond van hun waanzinnige visioenen zullen doen.

    Maar dat is dus waar we het over hebben in het geval van Mark Elliot Zuckerberg en het bedrijf dat hij creëerde.

    Zuckerbergs speech veranderde van een vaderlijke lezing in oorlogszuchtige aansporing. Iedereen die de zaal verliet, zou destijds bereid zijn geweest Polen binnen te vallen

    In juni 2011 lanceerde Google de overduidelijke Facebookkopie Google Plus. Het was op een irritante manier vervlochten in andere Googleproducten als Gmail en YouTube en had de bedoeling om alle gebruikers van de diensten van Google één online identiteit te verschaffen, wat Facebook in feite doet voor internet als geheel.

    Aangezien gebruikers de intekenknop voor Google Plus op alle Googleproducten aantroffen, was er een heel aardige kans dat het netwerk exponentieel zou groeien. Het product zelf was bovendien behoorlijk goed, in sommige opzichten beter dan Facebook. Foto’s konden beter worden gedeeld; serieuze fotografen konden er beter uit de voeten. Een groot deel van het ontwerp was overzichtelijker, minimalistischer. En Google Plus had een extra voordeel: er waren geen advertenties, want Google kon de dienst subsidiëren met zijn goudmijntje AdWords. De ene hand wast de andere; het is de klassieke tactiek van de meedogenloze monopolist, zoals toen Microsoft in de jaren negentig de inkomsten van Windows aanwendde om Netscape Navigator met Explorer de kop in te drukken. Dankzij zijn onaantastbare positie op de zoekmachinemarkt kon Google een overname van de sociale media financieren.

    De plotselinge stap was enigszins verrassend. Jarenlang had Google zich in het openbaar laatdunkend over Facebook uitgelaten; het bedrijf voelde zich onaantastbaar op grond van het monopolie van zijn zoekmachine. Maar toen er maar geen einde leek te komen aan de exodus van duur talent van Google naar Facebook, werd Google nerveus. Bedrijven zijn als landen: mensen maken gebruik van hun democratische rechten door er te komen wonen of weer te vertrekken. Google ging ertoe over iedere begerenswaardige Googler die een aanbod van Facebook kreeg onmiddellijk een hoger en beter tegenbod te doen. Het gevolg was uiteraard dat talloze Googlers bij Facebook op sollicitatiegesprek gingen om het daaruit voortvloeiende aanbod te gebruiken als hefboom om hun salaris bij Google op te krikken. Maar veel mensen gingen echt weg. De Googlers bij Facebook waren een beetje zoals de Grieken ten tijde van de opkomst van het Romeinse Rijk: ze brachten veel beschaving en (tech)cultuur mee, maar het was volstrekt duidelijk wie het in de nabije toekomst voor het zeggen zouden hebben.

    Google Plus maakte duidelijk dat Google eindelijk nota had genomen van Facebook, van plan was het bedrijf frontaal te lijf te gaan en zich niet meer te beperken tot chicanes bij de personeelswerving en kattig snauwen tijdens conferenties. Bij Facebook sloeg de lancering in als een bom. Zuck zag het als een existentiële dreiging, vergelijkbaar met de plaatsing van kernraketten op Cuba door de Sovjet-Unie in 1961. Hij was zwaar aangeslagen; dit was niets meer of minder dan een vijandelijke poging om onze hemisfeer binnen te vallen. Hij kondigde ‘Lockdown’ aan; dat was daarvoor en is ook later tijdens mijn tijd bij Facebook nooit gebeurd. Lockdown, zo werd geduldig aan de recent gearriveerde medewerkers uitgelegd, betekende dat we in staat van oorlog verkeerden. De term dateerde uit de eerste dagen van Facebook, toen niemand het gebouw mocht verlaten als het bedrijf zakelijk of technologisch onder vuur lag.

    Je vraagt je misschien af hoe Lockdown officieel werd afgekondigd? We kregen op de dag van de lancering van Google Plus om kwart voor twee ’s middags per e-mail de instructie dat we ons moesten verzamelen in het Aquarium. Beter gezegd: bij het Lockdownbord, een neonbord dat hoog in het Aquarium was bevestigd, zoals het bordje ‘Geen kamers vrij’ bij een motel langs de snelweg.

    Zuckerberg was doorgaans geen goede openbare spreker. Hij sprak met de snelheid van iemand die taal doorgaans alleen op inhoud analyseert, een man met een lenig brein dat geen tijd heeft voor retorica. Hij sprak in feite geektaal, de Engelse taal uitgesproken door mensen die vier schermen vol computercode tegelijk open hadden staan. Hoewel hij afstandelijk overkwam en nooit echt contact legde met zijn publiek, had hij altijd een intense, bijna psychopathische blik in zijn ogen. Het was een blik die zijn gesprekspartners vaak danig verontrustte; ondergeschikten bijvoorbeeld die een negatieve productbeoordeling moesten ondergaan. Je zag die blik elke keer als hij op de cover van Fortune of Time verscheen. Het was verleidelijk om te denken dat iemand die zo keek een engerd moest zijn. Die onfortuinlijke eerste indruk en de onjuiste manier waarop hij werd neergezet in The Social Network waren vermoedelijk verantwoordelijk voor de helft van de argwaan en paranoia met betrekking tot de motieven van Facebook. Maar zo nu en dan had Zuck charismatische momenten van lucide grootsheid, en die waren adembenemend.

    Carthago moet worden vernietigd!

    De Lockdownspeech van 2011 beloofde niet een van die momenten te worden. Hij sprak ons volledig geïmproviseerd toe vanaf de open ruimte naast de rij bureaus waar het hoogste management had plaatsgenomen. Alle programmeurs, ontwerpers en productmanagers hadden zich om hem heen verzameld en hingen aan zijn lippen. Het was alsof een generaal zijn troepen te velde toesprak.

    De strijd om gebruikers, vertelde hij, was nu man tegen man, een nulsomspel. Google had een concurrerend product gelanceerd: wat de ene partij won, zou de andere verliezen. Aan ons de taak om beter dan ooit te presteren terwijl de wereld testte wat beter was: Facebook of de Googleversie van Facebook. Hij gaf vage hints over productaanpassingen die we zouden overwegen nu we ons geconfronteerd zagen met deze nieuwe concurrent. Maar waar het echt om ging was dat we de lat hoger moesten leggen als het ging om betrouwbaarheid, gebruikerservaring en de performance van de site.

    In een bedrijf waar de cultuur altijd was bepaald door mantra’s als GEDAAN IS BETER DAN PERFECT en PERFECTIE IS DE VIJAND VAN HET GOEDE vertegenwoordigden deze instructies een koerscorrectie, een verschuiving naar een nadruk op kwaliteit die het vaak moest afleggen tegen de noodzaak om te lanceren. Het was zo’n irritante ouderlijke opmerking dat je je kamer schoon moest houden van het soort dat Zuck weleens liet uitgaan als Facebook te maken had gehad met een gênante bug of een storing.

    Na een serie keurig aan elkaar geregen platitudes schakelde hij een tandje hoger en kwam hij met een retorische explosie die verwees naar een van de klassieken die hij aan Harvard en al eerder had bestudeerd. ‘Een van mijn favoriete Romeinse oratoren sloot al zijn toespraken af met het zinnetje Carthago delenda est. Carthago moet worden vernietigd. Daar moet ik nu om de een of andere reden aan denken.’ Hij zweeg en de menigte barstte in lachen uit.

    De bedoelde orator was uiteraard Cato de Oude, een vooraanstaande Romeinse senator, een man die zich altijd tegen de Carthagers uitsprak en aandrong op de verwoesting van de grootste uitdager van Rome in wat uiteindelijk de Derde Punische Oorlog zou worden. Het verhaal gaat dat hij elke toespraak die hij hield met dat zinnetje afsloot, ongeacht het onderwerp.

    Carthago delenda est, Carthago moet worden vernietigd!

    Zuckerbergs speech veranderde van een vaderlijke lezing in oorlogszuchtige aansporing. Elke keer wanneer hij de dreiging noemde die Google vormde, nam het drama toe. Aan het einde van zijn toespraak werd er luid gejuicht en geklapt. Iedereen die de zaal verliet, zou destijds bereid zijn geweest Polen binnen te vallen. We hadden een stimulerend optreden bijgewoond. Carthago moet worden vernietigd!


    Bij Facebook binnen. – © Getty
    Bij Facebook binnen. – © Getty

    Het Facebook Analog Research Laboratory kwam in actie en produceerde een poster met de tekst CARTHAGO DELENDA EST in koeienletters boven een Romeinse centuriohelm. Deze geïmproviseerde drukkerij maakte posters en pamfletten die veelal semiheimelijk ’s nachts en in weekends werden gedistribueerd op een manier die doet denken aan de samizdat uit de Sovjet-Unie. Het artwork was altijd schitterend en combineerde elementen van de typografie van propagandaposters uit de Tweede Wereldoorlog en hedendaags internetontwerp, compleet met faux vintagelogo’s. Dit was Facebooks ministerie van Propaganda. Het was oorspronkelijk zonder officiële toestemming en zonder budget in een ongebruikte magazijnruimte opgezet. Het was in allerlei opzichten een schitterende illustratie van de waarden van Facebook: oneerbiedig, maar dankzij de oorlogszuchtige toon zeer inspirerend.

    De Carthagoposters verschenen onmiddellijk overal op de campus en werden bijna net zo snel gestolen. We kregen te horen dat de cafés het hele weekend open zouden blijven. Men overwoog zelfs serieus om de pendelbussen tussen Palo Alto en San Francisco ook in het weekend te laten rijden. Dat zou Facebook een bedrijf maken dat zeven dagen per week open was; het personeel moest alles op alles zetten om voortdurend aan het werk te zijn. Als sympathiek gebaar tegenover de luttele medewerkers die een gezin hadden, werd aangekondigd dat die gezinnen in het weekend op bezoek mochten komen en dat ze in de cafés mochten eten, zodat kinderen hun papa’s (ja, het waren bijna allemaal papa’s) in elk geval in het weekend nog even ’s middags konden zien. Mijn vriendin en eenjarige dochtertje kwamen langs en we waren lang niet het enige gezin. Overal zaten overwerkte Facebookmedewerkers in hoody’s met het bedrijfslogo een uurtje quality time met hun vrouw en twee kinderen te hebben voor ze weer terugkeerden naar hun bureau.

    Interne Facebookgroepen schoten als paddenstoelen uit de grond om elk element van Google Plus grondig te analyseren. Op de dag dat Plus werd gelanceerd, zag ik dat Paul Adams, een productmanager van Ads, in een kleine vergaderzaal druk in gesprek was met Zuckerberg en een aantal leden van zijn team. Iedereen wist dat Paul voor zijn desertie naar Facebook als productmanager bij Google Plus betrokken was geweest. Nu het product er was, was hij niet meer gehouden aan de geheimhoudingsverklaring die hij bij Google had getekend. De leiders van Facebook hadden hem gevraagd ze de publieke aspecten van het product te tonen.

    Facebook nam geen halve maatregelen en trok met alle mogelijke middelen ten strijde.

    Ik besloot tot een verkenningstocht. Toen ik op een zondagochtend naar de campus reed, liet ik de afslag naar Palo Alto links liggen en reed door naar Mountain View, naar de campus van Google. Overal zag ik het veelkleurige logo van Google, en in het hofje stonden die onhandige Googlefietsen. Ik had hier weleens vrienden opgezocht en wist waar ik de techneutengebouwen moest vinden. Ik liep erheen en liep naar het parkeerterrein.

    Dat was leeg. Helemaal leeg.

    Interessant.

    Ik nam weer de 101 en reed naar het noorden, naar Facebook.

    Ik moest bij het gebouw op California Avenue naar een parkeerplekje speuren. Het hele parkeerterrein stond vol.

    Het was duidelijk welk bedrijf deze strijd serieus nam.

    Carthago moet worden vernietigd!

    Vernederende nederlaag

    Zuck was niet bereid om, zoals Rome met Carthago deed, alles af te branden, de vrouwen en kinderen van Googlemedewerkers als slaven te gebruiken en de grond rond het hoofdkwartier met zout te bestrooien zodat er generaties lang niets zou groeien; niettemin werd Google op een zeldzaam vernederende manier verslagen.

    Dit was niet vanaf het begin duidelijk.

    De eerste geluiden rond Google Plus waren bijzonder onrustbarend geweest, want het werd ons duidelijk dat hun poging om zich aan sociale media te wijden meer was dan een halfzachte inspanning om een brutale nieuwkomer van de markt te smijten. Via de pers en dankzij medewerkers van Google hadden we ontdekt dat alle interne productteams van Google opnieuw werden georiënteerd ten faveure van Google Plus. Zelfs Search, destijds en nu nog de populairste bestemming op het net, werd bij de strijd betrokken en zou naar we vernamen van sociale features worden voorzien. Zoekresultaten zouden verschillen, gebaseerd op de connecties die je had via Google Plus, en alles wat je deelde – foto’s, posts, zelfs chats met je vrienden – zou worden gebruikt als onderdeel van het machtige, mysterieuze algoritme van Google.

    Dit was schokkend nieuws, zeker ook voor Googlers. Search was het gewijde product van Google, het heiligste heiligdom, het onlineorakel van alle menselijke kennis, de plaatsvervanger op aarde van bibliotheken en encyclopedieën.

    We hoorden uit allerlei bronnen (de informatiebeveiliging was bij Google duidelijk minder goed dan bij Facebook) dat de kwestie intern voor veel ophef zorgde. In januari 2012 had Larry Page, de oprichter van Google, zich tijdens een Q & A krachtig over de nieuwe koers uitgesproken om de interne tweespalt een halt toe te roepen en zijn mensen een ultimatum te stellen. ‘Dit is het pad dat we hebben gekozen: een enkel, geünificeerd, prachtig product over de hele linie. Wie dat niet snapt, kan waarschijnlijk beter ergens anders gaan werken.’

    Nu de bedoelingen duidelijk waren, werden de producten van Google beoordeeld op één unieke metric: wat droegen ze bij aan de sociale visie van Google? Het antwoord op die vraag bepaalde of ze werden voortgezet of afgedankt.

    Facebook had vier jaar nodig gehad om de mijlpaal van 100 miljoen gebruikers te bereiken die Google in één jaar had bereikt

    Als onderdeel van een ontluikende, via de media gevoerde verleidingscampagne voor het nieuwe product publiceerde Google imposante gebruikersaantallen. In september 2012 kondigde Google aan dat de dienst 400 miljoen geregistreerde en 100 miljoen actieve gebruikers had. Facebook zat toen nog niet op een miljard gebruikers en had vier jaar nodig gehad om de mijlpaal van 100 miljoen gebruikers te bereiken die Google in één jaar had bereikt. Dat leidde bij Facebook tot iets wat verdacht veel op paniek leek, maar de werkelijke situatie was heel anders dan Google deed voorkomen.

    De strijd had de zoekgigant dusdanig aangegrepen dat men daar, bedwelmd als men was door de merkwaardige existentiële angst van de dreiging die Facebook vertegenwoordigde, de gebruikelijke nuchtere objectiviteit met betrekking tot datamonsters uit het oog had verloren en gebruikersaantallen had bedacht om indruk te maken op de buitenwereld en Facebook te intimideren.

    Het was een klassieke aanpak rond een nieuw product, de ‘fake it til you make it’ van de gewetenloze start-up, die ego’s moest masseren en de kans op toekomstig succes moest vergroten door een beeld te schetsen van gefingeerd huidig succes.

    De cijfers werden aanvankelijk serieus genomen; het was niet absurd om te denken dat Google het gebruik snel kon aanjagen. Maar na enige tijd beseften zelfs de meest paranoïde geesten bij Facebook (en de buitenwereld) dat Google de zaken – zoals een accountant van Enron met de inkomsten – mooier voorstelde dan ze waren. Gebruik is altijd een subjectieve zaak, en Google beschouwde iedereen als gebruiker die ooit als onderdeel van zijn Google-ervaring op de Google Plus-knop had gedrukt. Die knoppen waren overal op Google als paddenstoelen uit de grond geschoten. Je kon iemand dus als een gebruiker aanmerken als hij op Google zijn e-mail had gecheckt of een foto had geüpload. In werkelijkheid postten de gebruikers van Google Plus zelden iets en reageerden ze al net zo min op geposte content; ook kwamen ze niet terug. Ze leken in niets op Facebookgebruikers, die voortdurend terugkwamen, als de spreekwoordelijke laboratoriumratten die niet ophouden het knopje in te drukken voor de volgende druppel water met cocaïne.

    Om onze vechtlust (en de interne trollen) nog verder op te stoken was het gezicht van Google Plus een perfect doelwit voor facebookiaanse minachting. Vic Gundotra was hoog geklommen in de hiërarchie van Microsoft voordat hij naar Google overstapte. Het was Gundotra geweest die een litanie van angst in Larry Pages oor had gefluisterd op grond waarvan de CEO het project groen licht had gegeven, en het was ook Gundotra geweest die de voor Google ongebruikelijk gehaaste topdown-inspanning had geleid om het product in de zeer ambitieuze periode van honderd dagen te voltooien.

    De man straalde een weerzinwekkende kruiperigheid uit toen hij in talloze mediainterviews en tijdens door Google gesponsorde evenementen luidruchtig Google Plus promootte. Wat door Facebookers als de grootste belediging werd ervaren, was het feit dat hij in al zijn openbare optredens doelbewust naliet de kolos van de sociale media te noemen, alsof de bestaansreden voor zijn plotseling zo onontkoombare aanwezigheid bij Google niet eens bestond. Als een orwelliaanse copywriter die taal en perceptie manipuleerde om een niet-bestaande, fictieve realiteit te suggereren, sprak Google in openbare uitlatingen nooit over Facebook, de olifant in de kamer.

    ‘Netwerken zijn er om te netwerken,’ verkondigde Gundotra. ‘Cirkels zijn er voor de juiste mensen,’ vervolgde hij. Dat was een verwijzing naar Google Circles, een manier om sociale contacten te organiseren die schaamteloos was gejat van Facebooks lang genegeerde feature Lists.

    Binnen Facebook kreeg Vic de rol van Emmanuel Goldstein uit Orwells 1984 toebedeeld. In interne Facebookgroepen werd hij bespot en beschimpt, vooral als iemand weer eens een van zijn Google vererende ouwehoerverhalen had gepost. Het was voor veel Facebookers wiens identiteit compleet met het bedrijf verweven was geraakt en die Facebook zagen als het verlengstuk van zichzelf (of was het andersom?), meer dan een normale rivaliteit tussen bedrijven geworden; het was een persoonlijk conflict.

    Vic Gundotra van Google, ‘een perfect doelwit voor facebookiaanse minachting’. – © Getty Images
    Vic Gundotra van Google, ‘een perfect doelwit voor facebookiaanse minachting’. – © Getty Images

    In april 2014 was de Punische Oorlog tussen Google en Facebook voorbij. Google hees de witte vlag toen Vic Gundotra, het gezicht van Google Plus, opeens bekendmaakte dat hij het bedrijf ging verlaten. Bij Facebook heerste een sfeer van leedvermaak. Iedereen haalde opgelucht adem: het gevaar was geweken.

    Vics vertrek was een overduidelijke indicatie dat Google zijn pogingen op het gebied van sociale media staakte en toegaf dat het was verslagen door een bedrijf dat het altijd had genegeerd en zelfs ronduit geminacht. Dat was als een generaal die roept dat zijn leger zich niet terugtrekt, maar achterwaarts vooruit marcheert. Niemand bij Facebook liet zich in de luren leggen door de pr-praat die Google gebruikte om reputatieschade te ontlopen. Google Plus was voorbij; Facebook had de loopgravenoorlog gewonnen.

    Auteur: Antonio García Martínez
    Vertaler: Robert Neugarten

    Openingsbeeld: Mark Zuckerberg (m.) op de APEC CEO Summit in Peru in 2016. – © Getty Images

    Dit is een voorpublicatie uit Start-upmania – Geld en gekte in Silicon Valley, dat op 11 april verschijnt bij uitgeverij Q.
    ISBN 9789021404295, € 24,50.

  • 1. Een meesterlijk staaltje nepnieuws

    1. Een meesterlijk staaltje nepnieuws

    Student Cameron Harris uit Maryland verzon aan zijn keukentafel een nepnieuwsverhaal om Hillary Clinton in diskrediet te brengen. Het werd een daverend succes.

    De herfst is net begonnen en Donald Trump, die achterligt in de peilingen, lijkt te werken aan een verklaring voor het geval een geboren winnaar als hij toch onverhoopt de verkiezingen mocht verliezen. ‘Als ik heel eerlijk ben denk ik dat er met de uitslagen wordt gerotzooid,’ zegt de Republikeinse genomineerde tegen een uitzinnige menigte in Columbus, Ohio. Hij krijgt steeds meer bewijzen dat er sprake is van fraude, voegt hij eraan toe. De verdere invulling laat hij over aan de verbeelding van zijn toehoorders. Een paar weken later gaat Cameron Harris, een student met een grote belangstelling voor de lokale politiek in Maryland, en iemand die wel wat extra inkomsten kan gebruiken, aan zijn keukentafel zitten om te zoeken naar de details die Trump onvermeld heeft gelaten. Het onzinverhaal dat volgt is zijn meesterwerk in een zeer bedenkelijke kunstvorm die de laatste tijd sterk in opkomst is.

    Harris begint met de kop: ‘Tienduizenden valse Clinton-stemmen aangetroffen in pakhuis in Ohio’. Het lijkt hem wel logisch om deze schokkende ontdekking te laten plaatsvinden in de stad, en de staat, waar Trump er zo op heeft gehamerd dat er sprake zou zijn van doorgestoken kaart. ‘Toen ik begon te schrijven had ik een bepaalde theorie,’ vertelt Harris, een 23-jarige voormalig quarterback en fraternity leader. ‘Gezien het feit dat Trump-aanhangers zo’n diepgeworteld wantrouwen hebben jegens de media, zouden de mensen alles slikken waarin Trumps beweringen worden herkauwd. Trump zei “doorgestoken kaart, doorgestoken kaart”. De mensen hadden het idee dat Hillary Clinton alleen zou kunnen winnen wanneer er met de uitslagen werd gerommeld.’

    Eigen toko

    In een roerig verkiezingsjaar dat wordt gekenmerkt door nepnieuws is Harris een autodidact, iemand met een eigen toko, iemand zonder banden met Russische spionagediensten of Macedonische verzinselfabrieken.

    Terwijl Trump – die in electorale zin zonder meer de wind in de rug heeft gehad door de tsunami aan onzinverhalen – wordt geïnaugureerd, kunnen we veel leren van het verhaal van Harris en zijn nepnieuwswebsite ChristianTimesNewspaper.com.

    Een verslaggever die de website heeft weten te herleiden tot Cameron Harris, neemt contact met hem op. Aanvankelijk is Harris bepaald niet blij dat hij is ontmaskerd. ‘Het ligt allemaal nogal gevoelig,’ zegt Harris, waarbij hij opmerkt dat hij een politiek consultancybureau wil opzetten en bang is voor reputatieschade. Maar uiteindelijk besluit hij toch te vertellen over zijn tijdelijke uitstapje op het terrein van nepnieuws, waarmee hij volgens eigen berekeningen zo’n duizend dollar per uur aan advertentie-inkomsten opstreek. Terugkijkend op deze ervaring voelt hij een mengeling van schuld over het verspreiden van valse informatie, en trots dat hij het zo vakkundig heeft gedaan.

    De nepfoto van Cameron Harris, overgenomen uit The Birmingham Mail.
    De nepfoto van Cameron Harris, overgenomen uit The Birmingham Mail.

    Die avond in september aan zijn keukentafel vraagt Harris zich af: Wie zou deze vervalste Clinton-stemmen gevonden kunnen hebben? Hij bedacht Randall Prince, een elektricien uit Columbus. Deze gewone man, een Trump-aanhanger wiens naam een enigszins voorname uitstraling heeft, is in een achterafkamertje in een pakhuis gestuit op een stapel dozen vol stembiljetten waarop Clinton is aangekruist – zo besluit Harris. ‘Er komt vrijwel niemand in dat gebouw. Het wordt voornamelijk gebruikt door een loodgietersbedrijf, voor tijdelijke opslag,’ aldus Prince.

    Mocht iemand het belang van deze vondst ontgaan, dan maakt Harris dat nog even expliciet duidelijk: ‘Wat Prince heeft aangetroffen zou het bewijs kunnen zijn dat er een grootschalige operatie plaatsvindt om Clinton deze cruciale swingstate in handen te spelen.’ Een foto kan eventuele twijfels over het waarheidsgehalte wegnemen, bedenkt hij. Hij googelt op ‘dozen met stembiljetten’ en heeft al snel een foto gevonden van een kalende man achter een stapel dozen waar ook nog eens heel toepasselijk ‘Ballot Box’ op staat. Het is een foto uit The Birmingham Mail en hij betreft verkiezingen in Engeland, zo’n zesduizend kilometer van Columbus, maar dat maakt niets uit. In het onderschrift krijgt de kalende Engelsman een nieuwe naam: ‘Meneer Prince, hier op de foto, poseert met zijn vondst, terwijl het verkiezingscomité een onderzoek instelt.’ In het artikel wordt vervolgens uitgelegd dat ‘Clintons verkiezingscomité vermoedelijk de bedoeling had om de vervalste biljetten ergens tussen de echte biljetten te stoppen, voor de officiële telling op 8 november’. Vervolgens voert Harris de spanning nog eens op. ‘Dit verhaal is nog in volle gang,’ schrijft hij, ‘en als we meer weten, zal CTN u ogenblikkelijk op de hoogte brengen.’

    Hij drukt op de knop en op 30 september staat het verhaal online. Het raast over het internet als een soort namaakkomeet. ‘Nog voor ik het had gepost wist ik dat het zou aanslaan,’ vertelt Harris. Hij had gelijk. Het verhaal over de dozen met stembiljetten, aangejaagd door een handjevol Facebookpagina’s die Harris speciaal met dat doel heeft aangemaakt, gaat als een razende over het web, voortgestuwd door verontwaardigde commentaren van mensen die ervan overtuigd zijn dat Clinton op oneerlijke wijze probeert Trump de overwinning afhandig te maken, en die maar al te blij zijn met deze bewijzen. Uiteindelijk wordt het bericht door zes miljoen mensen gedeeld, volgens CrowdTangle, een bedrijf dat webpubliek in kaart brengt.

    De volgende dag laat de verkiezingscommissie in Franklin County, Ohio, weten dat er een onderzoek is ingesteld en dat de aantijgingen van fraude ongefundeerd lijken. Binnen enkele dagen doet Jon Husted, de verantwoordelijke politicus in Ohio, een verklaring uitgaan waarin het verhaal wordt ontkracht. ‘Als christen heb ik er grote moeite mee dat een website die zich laat voorstaan op zijn christelijke betrokkenheid, dergelijke leugens verspreid,’ zegt Husted. Er is niets expliciet christelijks aan zijn handelen, erkent Harris; hij heeft domweg voor vijf dollar een verlopen internetadres gekocht op ExpiredDomains.net. Binnen enkele dagen heeft het verhaal, dat hij in vijftien minuten in elkaar heeft geflanst, hem zo’n vijfduizend dollar opgeleverd. Dat is een aanzienlijk aandeel van de tweeëntwintigduizend dollar die hij volgens een boekhoudkundig rapport tijdens de gehele presidentscampagne heeft binnengehaald met advertenties voor schoenen, haargel en webdesign die Google op zijn site plaatst.

    Hij krijgt te horen dat hij het domein, gezien het aantal bezoekers, waarschijnlijk kan verkopen voor zo’n honderdvijftien- tot honderdvijfentwintigduizend dollar

    Naar eigen zeggen is hij wekelijks misschien een half uur bezig met de nepnieuwssite, in totaal waren het er een uur of twintig. Hij had een nog veel grotere slag kunnen slaan, waarmee de vijf dollar die hij heeft neergeteld voor de Christian Times-domeinnaam hem meer dan een ton had kunnen opleveren. Het ging hem om het geld, niet om de politiek, blijft hij benadrukken. Hij is in mei afgestudeerd aan Davidson College in North Carolina, en hij moet in zijn onderhoud voorzien. ‘Ik gebruikte het geld voor het aflossen van mijn studielening, voor aanbetalingen van een auto en om de huur te betalen,’ zegt hij. Op het moment dat hij het verzonnen verhaal over de stembiljetten publiceert, heeft hij al een bescheiden succesje geboekt met ‘Hillary Clinton Blames Racism for Cincinnati Gorilla’s Death’ (Hillary Clinton wijt dood gorilla in Cincinnati aan racisme). Het gaat hier om het trieste lot van Harambe, de gorilla die is neergeschoten nadat hij in de dierentuin een jongetje heeft vastgepakt. Meer succes heeft Harris met ‘Early Morning Explosion in DC Allegedly Leaves Yet Another DNC Staffer Dead’, waarin hij met allerlei complottheorieën komt over het neerschieten van een lid van het Democratic National Committee.

    Later zal hij goedgelovige lezers wijsmaken dat de politie een aanklacht wil indienen tegen Bill Clinton, vanwege diens banden met een kinderpornonetwerk, in ‘NYPD Looking to Press Charges Against Bill Clinton for Underage Sex Ring’. Vergelijkbare verhalen zijn die over het doodslaan van een dakloze in ‘Protesters Beat Homeless Veteran to Death in Philadelphia’ of over de ophanden zijnde scheiding van de Clintons, in ‘Hillary Clinton Files for Divorce in New York Courts’. Acht van zijn verhalen zijn in heldere bewoordingen ontkracht op Snopes.com, een site die nepnieuws onderzoekt, maar geen van die verhalen zijn zo invloedrijk als het verzonnen verhaal over de stembiljetten.

    schermafbeelding 2017 02 08 om 10 29 05

    Donald Trump heeft gebruikgemaakt van valse beweringen om zijn politieke tegenstanders onderuit te halen, om de legitimiteit van Obama in twijfel te trekken en om de media in diskrediet te brengen. Deze praktijken vertonen veel overeenkomsten met de manier waarop hij is opgeklommen van reality tv-ster tot machtigste gekozen politicus van het land. En het is precies dit mechanisme waaraan Cameron Harris naar eigen zeggen zijn kortstondige succes heeft te danken: mensen hebben behoefte aan feiten, hoe ongeloofwaardig ook, die hen sterken in hun overtuigingen.

    ‘Aanvankelijk schrok ik ervan – de reacties die het losmaakte,’ zegt hij. ‘Hoe makkelijk mensen zich lieten overtuigen. Het had bijna iets van een sociologisch experiment,’ vervolgt Harris, die politicologie en economie heeft gestudeerd. Eind oktober, wanneer onvermijdelijk het einde van zijn avontuur dichterbij komt, wil Harris het webdomein laten taxeren dat zich inmiddels een plek heeft verworven in de top-20.000 van websites. Hij krijgt te horen dat hij het domein, gezien het aantal bezoekers, waarschijnlijk kan verkopen voor zo’n honderdvijftien- tot honderdvijfentwintigduizend dollar.

    Maar Harris maakt een fout die hem duur zal komen te staan: hij besluit het nog even aan te zien. Daags na de verkiezingen, die worden verguisd omdat er munt is geslagen uit de verspreiding van nepnieuws, laat Google weten niet langer advertenties te zullen plaatsen op sites die duidelijk verzinsels publiceren. Als Harris een paar dagen later op zijn site kijkt, zijn de advertenties verdwenen. Hij raadpleegt nogmaals de taxateur en krijgt te horen dat zijn site feitelijk geen cent meer waard is. Maar nog is niet alles verloren. Hij heeft een pop-up op de site geplaatst om bezoekers uit te nodigen zich aan te sluiten bij het ‘Stop the Steal’-team, dat beoogt uit te vinden ‘hóé Hillary precies de verkiezingen wil stelen en hoe ú daar een stokje voor kunt steken!’ Op die manier heeft hij vierentwintigduizend mailadressen weten te verzamelen. Hij heeft nog niet besloten wat hij daarmee wil gaan doen, laat hij weten.

    Schuldig

    Op de vraag of hij zich schuldig voelt dat hij leugens heeft verspreid over een presidentskandidaat, reageert Harris met een peinzend zwijgen. Dan verschuilt hij zich achter de opmerking dat politiek altijd wordt gekenmerkt door overdrijvingen, halve waarheden en onversneden leugens, en dat hij dus geen wezenlijk verschil heeft gemaakt, als je naar het grote plaatje kijkt. ‘Wat een campagneteam of een kandidaat zegt, is eigenlijk nooit helemaal waar,’ zegt hij.

    Tegenwoordig praat hij ook Trump zelf na, die keer op keer beweert dat het de journalisten zelf zijn die geregeld nepnieuws naar buiten brengen. Wanneer BuzzFeed een ‘schokkend maar ongeverifieerd’ rapport naar buiten brengt waaruit zou blijken dat Rusland van plan is geweest Trump te chanteren, schrijft Cameron Harris op Twitter: ‘Schokkend maar ongeverifieerd: dat geldt voor al het nepnieuws.’ Hij zwijgt over zijn eigen kennis op dat terrein.

    Auteur: Scott Shane
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Waarom de buitenwereld Silicon Valley haat

    Waarom de buitenwereld Silicon Valley haat

    Facebook, Google en Uber maken ons leven leuker, makkelijker en goedkoper. Maar de technologiereuzen zuigen intussen zo veel geld en talent naar Californië dat de rest van de planeet het nakijken heeft. En in de toekomst wordt het alleen maar erger…

    Silicon Valley is het nieuwe Rome. Net als in de tijd van Caesar 
hebben we te maken met een geavanceerde stadstaat die een groot deel van de wereld domineert, zo veel mogelijk regio’s met zijn technologie en manier van denken injecteert en daarmee enorme rijkdom vergaart.

    Dankzij Peter Thiel – internetmiljardair en voorstander van monopolies en het vroegtijdig verlaten van school – maken veel mensen zich zorgen om de groeiende rijkdom en invloed van Silicon Valley. Thiel spendeerde stiekem 10 miljoen dollar om een ex-worstelaar [Hulk Hogan] te helpen procederen tegen roddelsite Gawker – naar verluidt omdat Thiel zelf nog een appeltje met de site te schillen had. Toen dat uitkwam, begon men zich in paniek af 
te vragen in hoeverre Silicon Valley-miljardairs de media hun wil kunnen opleggen. En dat is nog maar een van de vele soortgelijke verhalen. Facebook is ervan beticht conservatieve nieuwsberichten achter te houden, wat ook weer het spookbeeld van mediacensuur oproept. Ondertussen is die 10 miljoen van Thiel nog zuinig vergeleken bij de 30 miljoen dollar die Mark Zuckerberg uittrok om vier huizen rondom zijn eigen woning op te kopen en plat te gooien, louter om te zorgen dat hij geen inkijk heeft. Elders in het land, in 
Indiana, wordt wetgeving die discriminerend is voor LHBT’ers teruggedraaid onder druk van Marc Benioff, de directeur van Salesforce, die dreigde dat 
zijn bedrijf anders de staat zou verlaten. Het fenomeen Donald Trump profiteert vooral van boze kiezers die door de technologische ontwikkelingen hun banen verliezen.

    Digitaal wereldrijk

    De angst voor het Californische schiereiland met zijn nerds heeft de hele wereld in zijn greep. De Europese 
Commissie gaat tekeer tegen Google en Netflix, China begint het Apple moeilijk te maken en India heeft Facebooks plannen voor gratis internet een halt toegeroepen, uit angst alle controle over de draadloze infrastructuur te 
verliezen. ‘Er moeten regels worden opgesteld om te voorkomen dat India een digitale kolonie wordt,’ zei Sharad Sharma van de Indiase denktank iSPIRT.

    En dan staat het digitale wereldrijk 
van Silicon Valley nog maar in zijn 
kinderschoenen. Er is een nieuwe generatie technologieën, zoals kunstmatige intelligentie, 3D-printen en blockchain, die waarschijnlijk vooral in Silicon 
Valley zullen worden ontwikkeld en die, als ze straks mainstream worden, diep zullen ingrijpen in ons denken over industrie, geld, dienstverlening, 
nationale soevereiniteit en nog veel meer. Als je hoofd nu al tolt van de 
veranderingen sinds 2007, toen het tijdperk van smartphones, sociale 
netwerken en de cloud aanbrak, dan dreig je de komende tien jaar helemaal kortsluiting in je hersenen te krijgen.

    Silicon Valley is hetzelfde als het Romeinse Rijk van tweeduizend jaar geleden. Leuk voor sommigen, zwaar klote voor anderen

    Is dit nu goed of slecht? Het antwoord is net zo ingewikkeld als wanneer je die vraag stelt over het Romeinse Rijk van tweeduizend jaar geleden. Leuk voor sommigen, zwaar klote voor anderen. Hopelijk op de lange termijn een zegen voor de mensheid, maar het kan een paar eeuwen duren voordat 
we dat kunnen beoordelen.

    Silicon Valley vindt het heerlijk om dingen overhoop te halen. En nu haalt het de hele wereld overhoop. De befaamde technologie-analist Mary Meeker kwam deze maand met haar jaarlijkse verslag van internettrends. Uit haar cijfers blijkt duidelijk hoezeer de rol van Silicon Valley in de wereldeconomie is gegroeid. Neem haar lijst van de twintig waardevolste technologiebedrijven in 2015: twaalf daarvan komen uit de Verenigde Staten, zeven uit China en een uit Japan. Niet een uit Europa of India of een andere regio. De Amerikaanse bedrijven tekenen voor 76 procent van de totale beurswaarde en 87 procent van de opbrengst. En slechts een van die twaalf Amerikaanse bedrijven zit buiten Silicon Valley (Priceline, in Connecticut).

    Een andere manier om de dominantie van Californië te schetsen: nergens groeit het aantal internetgebruikers 
zo hard als in India. Die groei komt bijna geheel voor rekening van smartphonegebruikers. De drie meestgebruikte telefoonapps in India zijn al van Facebook (Facebook, WhatsApp en Facebook Messenger), dus geen wonder dat India niet wilde dat het bedrijf zijn tentakels nog verder uitstrekt. Bovendien draaien bijna alle mobiele telefoons in India op Googles Android of Apples iOS.

    Een flink deel van de meest dynamische sector in India levert dus vooral Silicon Valley geld op. En zo gaat het in elk land ter wereld, behalve misschien Noord-Korea.
    De geldstroom naar Silicon Valley heeft zich de laatste jaren uitgebreid van technologie naar sectoren die vroeger niet digitaal en zuiver lokaal waren. Hoe dat werkt wordt goed geïllustreerd door Uber: dat strijkt 20 procent van de prijs van elk ritje op. Vroeger bleef in Frankrijk 100 procent van alle inkomsten uit taxiritjes in eigen land.

    Krijgt Uber een groot deel van de Franse taximarkt in handen, dan vloeit 20 procent van die opbrengst het land uit. Stel je nu eens voor dat het de ene na de andere bedrijfstak zo vergaat, in het ene land na het andere. (En wat betreft de enorme hoeveelheden geld die naar Uber 
stromen: een investeringstak van de Saoedische regering heeft onlangs nog 3,5 miljard dollar in het bedrijf gepompt. Blijkbaar konden de Saoedi’s in eigen land niet genoeg veelbelovende start-ups vinden om in te investeren.) 
Alphabet, het moederbedrijf van Google, strijkt volgens Adweek 12 procent op 
van wat er wereldwijd omgaat in de reclamebranche. Nooit eerder streek 
één bedrijf 12 procent van alle reclameopbrengsten wereldwijd op. En dat 
Google veel geld aan landen onttrekt, staat buiten kijf. In 2015 had Google een opbrengst van 75 miljard dollar, en 54 procent daarvan kwam uit het 
buitenland.

    Silicon Valley trekt van heinde en verre slimme mensen aan, zoals de briljante Ierse broers John en Patrick (rechts) Collison, oprichters van digitale betalingen-platform Stripe. – © HH
    Silicon Valley trekt van heinde en verre slimme mensen aan, zoals de briljante Ierse broers John en Patrick (rechts) Collison, oprichters van digitale betalingen-platform Stripe. – © HH

    Op macroniveau is technologie een 
van de weinige economische sectoren die wereldwijd nog significante groei vertonen. Uit Meekers cijfers blijkt dat de groei van het bruto binnenlands product wereldwijd in zes van de afgelopen acht jaar onder het gemiddelde zat. Als de economie overal stagneert maar de technologiesector groeit als kool, moeten de andere sectoren het wel heel beroerd doen. En als de opbrengsten uit technologie grotendeels naar bedrijven in Silicon Valley vloeien, is dat dus ook verantwoordelijk voor veel van de economische groei in de wereld – en betaalt het grootste deel van de wereld Silicon Valley daar een prijs voor.

    In de presidentscampagne hamert Trump er steeds op dat Amerika verliest. Maar dat klopt niet: op het gebied van technologie is Amerika aan het winnen, en niet zo’n beetje ook. Het probleem is dat er ook nog heel veel Amerika is buiten Silicon Valley, dat kleine lapje grond van San Francisco tot San Jose. Ook binnen de Verenigde Staten is Silicon Valley een soort Rome, dat de rest van het land tot een nieuw Judea kan degraderen. Want we hebben nu twee Amerika’s: een analoog 
en een digitaal Amerika. Het analoge Amerika is het Amerika van de 
fabrieken, de detailhandel, de dienstverlening en de restaurants: ouderwets werk dat je met je handen kunt doen. En dat oude Amerika heeft het zwaar. Uit federale cijfers blijkt dat de VS in mei de laagste banengroei in vijf jaar hadden. In de industriële productie zijn zo’n tienduizend banen verdwenen. De lonen van de middenklasse staan al jaren stil. Hele horden mensen verliezen hun baan door de automatisering. Opiniepeilers horen Trump-aanhangers zeggen dat ze zich 
machteloos voelen. Uit woede stemmen ze op Trump, om iets terug te doen.

    Vroeger waren er talloze bedrijven die kaarten drukten. Nu is er op de wereldwijde markt van landkaarten voor consumenten nog maar één producent die ertoe doet: Google

    Aan de andere kant van de kloof heb je het digitale Amerika: de mensen die software schrijven, data analyseren, apps verkopen, investeren in start-ups. Hier kan toptalent de werkgevers tegen elkaar op laten bieden. Overal in het land vind je enclaves van dit digitale Amerika, met hoge concentraties in steden als Boston, New York, Washington en Seattle, waar ook grote internetbedrijven zitten. Maar geen van die plaatsen kan zich meten met Silicon Valley – het land van de miljardairs met vlasbaardjes, idioot hoge huizenprijzen, snelwegen vol Tesla’s en Stanford 
University als regionale kweekvijver van digitaal toptalent. Hier wordt meer geïnvesteerd in meer bedrijven. In het eerste kwartaal van dit jaar harkten Californische bedrijven, merendeels uit Silicon Valley, 396 miljoen dollar aan durfkapitaal bij elkaar, bijna drie keer zo veel als New York (tweede plaats, met 149 miljoen) en vier keer zo veel als Massachusetts (derde plaats, 90 miljoen). En het geld dat Silicon Valley genereert blijft doorgaans in Silicon Valley. De beursgang van zo’n bedrijf maakt zelden mensen van elders rijk. Kijk naar de veertig grootste aandeelhouders van Facebook: ze wonen bijna allemaal in Silicon Valley. (Thiel is met 2,5 procent de op zes na grootste, 
waarmee zijn vermogen meer dan 2 miljard dollar bedraagt.)

    Van heinde en ver trekt Silicon Valley slimme mensen aan die een internetbedrijf willen opzetten. De gebroeders Collison groeiden op in een klein dorpje in Ierland. De briljante broers gingen studeren in Boston: Patrick aan MIT, John aan Harvard. In 2010 zetten ze Stripe op, een nieuw platform voor digitale betalingen, en in 2011 kregen ze 2 miljoen dollar van drie investeerders uit Silicon Valley: Sequoia Capital, Andreessen Horowitz en… Peter Thiel. Inmiddels is Stripe meer dan 5 miljard dollar waard. Het zetelt niet in Ierland of Boston, maar in San Francisco.

    Een man maakt een selfie tijdens een religieuze bijeenkomst in Mumbai. – © HH
    Een man maakt een selfie tijdens een religieuze bijeenkomst in Mumbai. – © HH

    En die ontwikkeling is voorlopig nog niet ten einde. Ik heb veel investeerders in de Bay Area gesproken. Tien 
of vijftien jaar geleden zochten ze interessante investeringsmogelijkheden in China en India, en sommigen zetten overal in de VS filialen op. Nu vinden 
de meesten dat ze niet verder hoeven te kijken dan een straal van nog geen honderd kilometer rond Palo Alto. Het meeste talent dat ertoe doet, zit daar al of komt er uiteindelijk vanzelf terecht.

    Enrico Moretti, hoogleraar Economie aan de Universiteit van Californië, concludeert in zijn boek The New Geography of Jobs dat locatie – al zou je dat in deze tijd van netwerkverbindingen niet 
verwachten – in deze sector nog steeds een grote rol speelt. ‘In de innovatiesector is het succes van een bedrijf niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van de werknemers, maar ook van het hele ecosysteem eromheen,’ schrijft Moretti. ‘Daardoor is zo’n bedrijf moeilijker naar een andere regio te verplaatsen dan traditionele fabrieksproductie.’ Een staalbedrijf of een schoenenfabriek kun je verkassen naar een regio waar arbeid en grondstoffen goedkoper zijn. Technologiebedrijven moeten op een paar plekken samenklonteren, en dan is Silicon Valley de sterkste magneet van allemaal.

    In 2015 lieten de media hun oog 
vallen op de zogenaamde ‘eenhoorns’: nieuwe, nog niet beursgenoteerde start-ups waarvan de waarde op meer dan een miljard dollar werd geschat. Die schattingen begonnen de pan uit te rijzen. Er werd al gefluisterd over een bubbel. Ook tech-insiders voorspelden een terugslag. Maar al dat gebabbel over een bubbel wordt doorgeprikt door Meeker. ‘Er zijn internetbedrijven waarvan de waarde wordt overschat,’ zegt ze. ‘Maar er zijn ook bedrijven die worden onderschat. 
Er zijn maar heel weinig bedrijven 
die gaan winnen. Maar die bedrijven lopen dan ook gigantisch binnen.’

    Play Bigger

    In Play Bigger, het nieuwe boek dat ik in samenwerking met drie consultants uit Silicon Valley heb geschreven, beschrijven we het op een andere manier. Onze netwerksamenleving heeft een omgeving geschapen waarin één bedrijf een totaal nieuwe bedrijfstak kan ontwikkelen en domineren (zoals Facebook, Airbnb, VMware en tal van andere bedrijven doen), waardoor het in die sector de grote winnaar wordt. Geen enkele regio ter wereld brengt zo veel van dit soort dominante bedrijven voort als Silicon Valley, en 
de sectorwinnaars van de toekomst worden de belangrijkste bedrijven van de nieuwe generatie.

    Waarschijnlijk worden ze nog veel 
groter dan de Facebooks en Googles van nu. Artificiële intelligentie (AI) is een technologie die alles op zijn kop gaat zetten, zoals cloud-gebaseerde apps dat de afgelopen vijf jaar hebben gedaan. Dat wordt een bron van vernieuwingen die we ons nu nog nauwelijks kunnen voorstellen. (Wat dacht je van piepkleine, door AI aangestuurde drones die bij gebouwen rondvliegen om een oogje in het zeil te houden, in plaats van beveiligers? Zit eraan te komen!) 3D-printen wordt zo goed 
dat een bedrijf als Nike niet langer schoenen in Azië zal laten maken om naar de VS te verschepen. Die schoenen worden straks ‘geprint’, in een netwerk van duizenden kleine printfabriekjes waar je je vers gemaakte gympen kunt ophalen. Blockchain, de technologie achter bitcoin, is nog maar net begonnen de hele financiële sector te hervormen. Virtual reality zal zo goed worden dat het revolutionaire gevolgen krijgt voor zaken als toerisme, sport of een bezoekje aan de dokter. Biotechnologie, robotica: er staat ons een waanzinnige stortvloed aan nieuwe technologische ontwikkelingen te wachten.

    De gevolgen zullen zo ingrijpend zijn dat we volgens Hemant Taneja van General Catalyst Partners afstevenen op een ‘wereldwijde herprogrammering’. We gaan elk product en elke dienst ter wereld uit elkaar halen en terug in elkaar zetten met behulp van data, AI en al die andere nieuwe dingen.

    Natuurlijk zullen ook bedrijven van buiten Silicon Valley hier hun kansen grijpen. Het om zijn virtual reality-techniek bejubelde Magic Leap zit in Florida. Belangrijke bijdragen aan de blockchain-ontwikkeling komen uit New York. Maar de overgrote meerderheid van de bedrijven die aan 
deze wereldwijde herprogrammering werken, zit in Silicon Valley. En zoals Meeker zegt: de paar bedrijven die een hele sector domineren zullen 
uitgroeien tot ware giganten, wat het voor andere regio’s in de wereld moeilijker dan ooit zal maken om Silicon Valley bij te benen.


    Terug naar de vraag of dat nou een goede of een slechte ontwikkeling is.

    Als je je smartphone pakt, zie je daar een hoop dingen waarvoor je vroeger moest betalen en die je nu voor niks of bijna voor niks krijgt. Je hebt een camera met flits, vroeger moest je die allebei apart kopen. Nieuws is gratis, je hoeft geen krant meer te kopen. Bellen met het buitenland kost via Skype bijna niks. Muziek: gratis of goedkoop met Spotify. En dat mobieltje is maar één voorbeeld van de impact van technologie en de globalisering. Die maken steeds meer zaken goedkoper of helemaal gratis, en verlagen zo de kosten van levensonderhoud. Dat geldt ook voor fysieke producten: dankzij de globalisering kun je bij H&M leuke kleren kopen voor veel minder geld dan twintig jaar geleden. Technologie zal die trend alleen maar versnellen.

    Volgens Mike Maples, een van de partners van Floodgate, een investeringsfonds voor start-ups, gaan we toe naar een tijd van overvloed waarin we steeds meer krijgen voor veel minder geld dan ooit tevoren. Een beter leven voor minder geld. Klinkt goed.

    Maar zoals uit de cijfers van Moretti blijkt, is diezelfde dynamiek ook funest voor de middenklasse, die banen ziet verdwijnen en salarissen dalen. Hoe meer dingen gratis of goedkoop te krijgen zijn, hoe minder mensen geld kunnen verdienen met het maken en verkopen van die dingen. Als een product tot een app wordt gereduceerd, blijft er maar een klein groepje mensen over dat dat wereldwijd kan verkopen – en zo al het geld opstrijkt. Neem landkaarten: vroeger waren er talloze bedrijven die kaarten drukten en winkels die ze verkochten. Nu is er op de wereldwijde markt van landkaarten voor consumenten nog maar één producent die ertoe doet: Google, in Mountain View, Californië. Al het geld dat met landkaarten kan worden verdiend gaat naar Google, en de meeste banen in die sector zijn in rook opgegaan.

    Een groot deel van de wereld buiten Silicon Valley begint die nadelen 
sterker te voelen dan de voordelen. We zijn dol op onze smartphones, apps en goedkope producten, maar we vinden het minder fijn om economisch gemarginaliseerd te worden. En zo’n actie als die van Thiel tegen Gawker versterkt het beeld van een kleine elite die alles bepaalt. Boeken als 
Martin Fords Rise of the Robots suggereren dat technologie al onze banen gaat inpikken. Trump speelt in op 
die angst voor de toekomst die bij de middenklasse leeft. Bernie Sanders ook, al zou iemand hem eens moeten vertellen dat hij in het verleden leeft: de kapitalistische schurken van de toekomst vind je niet op Wall Street maar aan Highway 101 in Californië. (Op 1 juni sprak Sanders nog vierduizend aanhangers toe in Palo Alto, waar de huizenprijzen en de inkomensongelijkheid iedereen behalve miljonairs het leven onmogelijk maken.)

    Machtigste regio ter wereld

    Als je alle trends bij elkaar optelt, lijkt het onvermijdelijk dat Silicon Valley zal uitgroeien tot de machtigste regio ter wereld, ten koste van zo’n beetje de hele rest van de wereld. Het enige wat de Silicon Valley-expres misschien nog kan laten ontsporen, is zoiets als de Russische revolutie: een massale opstand van het proletariaat tegen de autocratie. Dat gevaar lijkt nog niet groot, maar het is wel een mogelijkheid die Silicon Valley onder ogen moet zien en moet ondervangen. Anders zal het steeds meer onder vuur komen te liggen van regeringen, activisten en de gefrustreerde massa. De grootste nachtmerrie van deze industrie is de invoering van regelgeving zoals die nu bestaat voor 
energie- en telecombedrijven: sectoren waar vroeger de grootste technologische vernieuwingen vandaan kwamen, maar die onder toeziend oog van de overheid zijn omgeturnd tot ingedutte bureaucratieën.

    Decennialang hebben de krachtpatsers van de technologiesector zich uitsluitend gericht op innovatie en het opzetten van bedrijven. Nu breekt een nieuw hoofdstuk aan waarin ze moeten zorgen dat ook de rest van de wereld daarvan de vruchten plukt. Anders staat Peter Thiel straks viool 
te spelen terwijl het nieuwe Rome in vlammen opgaat.

    Auteur: Kevin Maney
    Vertaler: Frank Lekens

    Newsweek
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.972.000

    Gefuseerd met The Daily Beast. Initiatiefnemer Tina Brown blaast het legendarische weekblad ongetwijfeld nieuw leven in.

  • Het morele kompas van de EU

    Het morele kompas van de EU

    Ze stond model voor de principiële premier Birgitte Nyborg in de tv-serie Borgen en voert onvervaard rechtszaken tegen Apple en Google. Maak kennis met de Deense Eurocommissaris Margrethe Vestager.

    Niemand had van haar, de dochter van twee lutherse pastores uit het strenge Jutland, zo’n pikante toespeling verwacht. Het was halverwege 2014 en Margrethe Vestager, op dat moment vicepremier van Denemarken, lag onder vuur vanwege haar pakket groeimaatregelen om de economie aan te jagen. De oppositie, onder aanvoering van Lars Løkke Rasmussen, smaalde dat haar bestedingsplannen ‘klein’ waren.

    ‘Sommigen vinden het een nogal klein plan,’ riposteerde ze met een ondeugende grijns. ‘Maar als mannen het over formaat hebben, zegt me dat niet zoveel – misschien omdat ik het vanuit vrouwelijk perspectief bekijk – mij interesseert vooral het effect.’ Het is een typerend voorbeeld van Vestagers scherpe humor en haar vermogen om verrassend uit de hoek te komen. Beide eigenschappen waren een goede basis voor haar reputatie als EU-commissaris, de rol die ze later dat jaar ging vervullen.

    Rasmussen, inmiddels premier, kan opgelucht ademhalen sinds zij is afgereisd naar Brussel, maar nu ontdekken de topmensen van de grootste multinationals tot hun frustratie hoe lastig Vestager te peilen is.

    Onlangs was het de beurt aan Apple-topman Tim Cook om te proberen haar van haar ingeslagen koers af te brengen, nu een onderzoek naar belastingconstructies in Ierland de makers van de iPhone miljarden kan gaan kosten. Maar naar verluidt waren zelfs de verwoede pogingen van de hartstochtelijke Cook om door haar koele, klinische gereserveerdheid heen te breken, 
tevergeefs.

    Antitrustzaken

    Apple is misschien wel haar meest politiek beladen dossier, want de zaak kan tot een ernstige diplomatieke breuk met Washington leiden. Maar Vestager is ook geruchtmakende antitrustzaken begonnen tegen het Amerikaanse technologiebedrijf Google en het Russische gasexportmonopolie van Gazprom. Beide bedrijven verwerpen beschuldigingen dat ze misbruik maken van hun dominante positie op de markt. Daarnaast heeft Vestager onlangs aangekondigd dat ze de belastingpraktijken van Google in het Verenigd Koninkrijk onder de loep gaat nemen en heeft ze miljoenenboetes opgelegd aan een kartel van Japanse auto-onderdelenproducenten. De EU zelf mag dan op belangrijke punten uiteen dreigen te vallen, de EU-commissaris voor Mededinging baant zich onvervaard een weg door de dossiers die variëren van multimiljardenfusies in de telecomwereld tot subsidies aan Poolse kolenmijnen. Maar het is de vraag hoe standvastig 
ze zal blijken in het afronden van haar opvallendste zaken. Nog niet duidelijk is of ze Google en Gazprom grote boetes zal opleggen, of uit is op een schikking.

    Voor de koffiedikkijkers die proberen te voorspellen hoelang ze haar rug recht zal houden, is Vestager een lastig te vangen persoonlijkheid. In de ogen van sommigen is haar benadering ongebruikelijk moreel gedreven, misschien als gevolg van haar kerkelijke opvoeding in het stadje Ølgod. Over haar meest complexe zaken praat ze vaak in krachtige termen: eerlijk of niet eerlijk.

    Margrethe Vestager in haar kantoor in het Berlaymont-gebouw in Brussel. – © Nick Hannes / HH
    Margrethe Vestager in haar kantoor in het Berlaymont-gebouw in Brussel. – © Nick Hannes / HH

    In veel interviews komt ze over als een harde tante, die liefst al voor zonsopkomst haar rondjes rent. Maar ze vertelt ook graag dat ze het leuk vindt om wollen olifantjes te breien en koekjes 
te bakken. De 47-jarige Vestager heeft een brede culturele belangstelling 
en noemt als haar favoriete fictie Het Alexandriakwartet, de vier boeken van Lawrence Durrell over de verwikkelingen van verschillende personages 
in het Egypte van de jaren dertig. Om niet al te intellectueel te klinken voegt ze daaraan toe dat de films die ze het vaakst heeft gezien die van de _Die Hard_-reeks zijn, over de heldendaden van Bruce Willis als onkwetsbare agent.

    Het moederschap is een belangrijk onderdeel van haar politieke identiteit. Ze vertelde enthousiast over het internetgebruik van haarzelf en haar drie dochters tijdens de persconferentie waarop ze de finesses van de antitrustzaak tegen Google uiteenzette.

    Op haar bureau staat altijd een hand van keramiek met een geheven middelvinger, die haar eraan herinneren moet dat er altijd wel iemand kwaad zal worden om haar beleid

    Voordat ze eind 2014 in Brussel aan de slag ging, werd Vestager beschouwd als de drijvende kracht in de centrumlinkse regering van Helle Thorning-Schmidt, waarin ze zowel minister van Economische Zaken als vicepremier was. Sidse Babett Knudsen, de hoofdrolspeelster van de Deense televisieserie Borgen, heeft zich in Vestager verdiept om zich voor te bereiden op haar rol als de principiële premier Birgitte Nyborg.

    Vestager, afgestudeerd econome, steeg snel op de politieke ladder; op haar negenentwintigste werd ze benoemd tot minister van Onderwijs en Kerkelijke Zaken, waarmee ze in feite de baas van haar ouders werd.

    Ze bracht zichzelf in problemen toen ze als minister van Economische Zaken de werkloosheidsuitkeringen moest verlagen. In een interview daarover gebruikte ze de zin ‘Sådan er det jo’ – zo is het gewoon. Die woorden veroorzaakten een storm van protest, waarin ze ervan werd beschuldigd gevoelloos en onverschillig te zijn. Met de uitdagende houding die typerend voor haar is speelde ze de controverse later uit door dezelfde zin negen keer in een belangrijke toespraak te gebruiken. 
Op haar bureau staat altijd een hand van keramiek met een geheven middelvinger, die een boze vakbond haar stuurde in de woelige nasleep van dit incident; die hand moet haar eraan herinneren dat er altijd wel iemand kwaad zal worden om haar beleid.

    Alec Burnside, een ervaren Brusselse advocaat die al zes commissarissen voorbij heeft zien komen, heeft Vestagers harde opstelling al bij eerdere dossiers gesignaleerd. Hij wijst op de ingrijpende beslissingen die ze heeft genomen door een fusie op de Deense telecommarkt te blokkeren en door haar voornemen om Google en Gazprom te vervolgen. Daarentegen heeft ze ook twee van de belangrijkste kartelzaken van de Commissie afgesloten, omdat ze niet verwachtte dat die nog ergens toe zouden leiden. ‘Je kunt dus niet zeggen dat ze een hardliner is,’ concludeert hij, ‘maar wel dat ze de regels toepast en bereid is moeilijke besluiten te nemen, ten goede of ten kwade.’

    Auteurs: Christian Oliver en Alex Barker
    Vertaler: Annemie de Vries

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • Facebook, Google en 
de strijd om India

    Facebook, Google en 
de strijd om India

    De helft van de wereldbevolking heeft nog geen toegang tot internet. Soms zijn de obstakels van economische aard, zoals in India of Angola. Soms ook is er sprake van censuur, zoals in China, Cuba of Ethiopië. Voor bedrijven uit Silicon Valley zijn dit soort landen potentiële goudmijnen, waar een verbeten strijd om wordt gevoerd. Critici spreken van digitaal kolonialisme. 

    Onzeker wiebelend legt een jonge vrouw in sari haar eerste paar meters op de fiets af. Ze rijdt rondjes in een zanderige binnentuin in Ambaji, een plaatsje in Gujarat, in het noordwesten van India. Het is een stoere, blauwe fiets met brede banden, bedoeld om grip te bieden op oneffen terrein. Op de bagagedrager van de fiets staat een doos met kostbare inhoud: geen pizza, geen post, maar internet.

    Google stuurt honderden van dit soort fietsen het Indiase platteland op. Elke fiets wordt geleverd met twee Androidsmartphones en twee tablets, met mobiele dataverbindingen die worden geleverd door de Amerikaanse zoekgigant. De vrouwen die de fietsen krijgen worden eerst getraind in het gebruik van internet voordat ze naar allerlei dorpen fietsen om hun kennis door te geven aan andere vrouwen.

    Gamar Nirama Bhambroo, een tweeëntwintigjarige kleermaker uit Kochi, neemt kleine slokjes uit een kartonnen bekertje thee in een pauze van de anderhalve dag durende digitale cursus, die wordt gegeven in een eenvoudig pensionnetje dat normaal gesproken onderdak biedt aan gelovige pelgrims. Ze heeft net voor het eerst iets opgezocht op Google, terwijl haar dochtertje op een hoekje van de verpakking van de Androidtelefoon sabbelt. ‘Ik kan nu kijken wat de nieuwste mode is, hoe ik de stof moet knippen en hoe ik bepaalde dingen moet ontwerpen – dingen die ik nog niet weet,’ zegt ze, om eraan toe te voegen dat ze slechts herhaalt wat de docent heeft gezegd.

    Vrouwen verdringen zich rond een informatiestand over het fietsenproject van Google. – © Google
    Vrouwen verdringen zich rond een informatiestand over het fietsenproject van Google. – © Google

    Gujarat is de streek van Ghandi, de streek waar de politiek leider is geboren en getogen en waar hij in 1930 een mars leidde om te protesteren tegen de zoutbelasting die de Engelse kolonialen hadden doorgevoerd. Nu komen de bedrijven uit Silicon Valley hierheen, onder aanvoering van Google en Facebook, die toegang bieden tot een onmisbare hulpbron in de eenentwintigste eeuw: connectiviteit.

    Indiase criticasters, die bezwaar maken tegen bepaalde aspecten van zowel de aanpak als de retoriek van die bedrijven, spreken wel van ‘digitale kolonialen’. De verhitte toon van het debat maakt duidelijk hoeveel er op het spel staat: met een inwonertal van 1,2 miljard zou India kunnen uitgroeien tot de grootste open internetmarkt ter wereld (China, het land met de meeste inwoners ter wereld, maakt er geen geheim van dat het de toegang aan banden legt). In 2014, het meest recente jaar waarover gegevens beschikbaar zijn bij de International Telecommunication Union (ITU), een instituut van de VN, waren meer dan een miljard mensen in India verstoken van internet.

    Zendelingen

    Mensen op hoge posities bij zowel Google als Facebook praten met de gedrevenheid van zendelingen over de kansen die internettoegang zou bieden aan de gewone man en vrouw in India, over de manieren waarop het de armoede kan verlichten, het onderwijs kan verbeteren en voor nieuwe banen kan zorgen. Toch zijn de beweegredenen van de internetbedrijven complex. Ze hebben de macht om levens, regeringen en economieën te beïnvloeden op manieren die voor leveranciers van gewone consumentengoederen ondenkbaar zijn. Ze opereren vaak in wat economen een winner-takes-allmodel noemen. Dat betekent dat bedrijven, wanneer ze zich eenmaal hebben gevestigd, vaak garen spinnen bij het netwerkeffect: hoe meer mensen een app gebruiken, hoe aantrekkelijker die wordt en hoe minder ruimte er overblijft voor plaatselijke concurrentie. Het lot van Facebooks Free Basics-app, die onlangs werd verboden door de Indiase toezichthouder, biedt een glimp van de strijd die ons op breder vlak mogelijk nog te wachten staat in de ontwikkelingslanden, waar bedrijven met elkaar wedijveren om de gunst van miljarden toekomstige internetgebruikers.

    In 2013 gaf Mark Zuckerberg, de oprichter en algemeen directeur van Facebook, een tien pagina’s tellend witboek uit met als titel ‘Is Connectivity a Human Right?’ (Is internettoegang een mensenrecht?) Het was een retorische vraag: Zuckerberg stelde dat we ‘door iedereen internettoegang te bieden niet alleen miljarden mensen een beter bestaan bieden, maar er ook zelf bij gebaat zijn doordat we ons voordeel doen met de ideeën en productiviteit die deze mensen bijdragen aan de wereld als geheel’. Momenteel staat de Facebookpagina van de eenendertigjarige Zuckerberg vol met foto’s van de twee bezoeken die hij het afgelopen jaar heeft gebracht aan India, waar zijn bedrijf dit uitgangspunt handen en voeten wil geven.

    India is ook het speerpunt van Googles streven om ‘het volgende miljard’ internettoegang te bieden. Google richt zich daarbij op India, Indonesië en Brazilië. De zevenenveertigjarige Rajan Anandan, die aan het hoofd staat van India en Zuidoost-Azië, deelt Zuckerbergs bezieling. ‘Om de belofte van India waar te maken, moeten we zorgen dat onze bevolking internettoegang krijgt,’ zegt hij.

    De leidinggevenden in Silicon Valley laten zich in evangelische, haast filantropische bewoordingen uit over wereldwijde internettoegang

    De bedrijven onderschrijven niet alleen het standpunt van de Verenigde Naties, dat wereldwijde internettoegang heeft opgenomen in de duurzame ontwikkelingsdoelen voor 2030, maar ook dat van de Indiase regering, dat zijn eigen langetermijnplanning heeft – hoewel die regelmatig wordt opgeschoven – om tot een ‘digitaal India’ te komen. Silicon Valley is stellig van plan voortvarender te werk te gaan.

    Google en Facebook, die een geweldig kapitaal achter de hand hebben en een vrijwel onaantastbare positie innemen binnen de westerse markt, investeren in een aantal verschillende projecten. Google hoopt met de hulp van Tata Trusts, een ngo, tegen het einde van dit jaar met de internetfietsen in zo’n honderdduizend dorpen de vrouwen te hebben bereikt (op het platteland hebben beduidend minder vrouwen dan mannen internettoegang). Het bedrijf hoopt ook dit jaar een pilotproject op te starten met de ambitieuze ‘Project Lion’-technologie, waarbij boven India ballonnen de lucht in worden gestuurd om afgelegen gebieden te voorzien van internet. Het bedrijf heeft ook de handen ineengeslagen met het ministerie van vervoer om nog dit jaar op honderd treinstations snelle wifi te installeren.

    Het meest prestigieuze project van Facebook is ‘Free Basics’, een mobiele app die deel uitmaakt van het Internet.org-initiatief van het sociale netwerk. Facebook gebruikt de app om gebruikers van telecompartners gratis toegang te bieden tot Facebook en een beperkt aantal andere sites zoals Wikipedia, BBC News, AccuWeather en enkele gezondheidssites. Sinds Free Basics in 2014 is geïntroduceerd in Zambia, is het uitgerold over achtendertig andere landen, waaronder India (in samenwerking met Reliance Communications), Kenia (in samenwerking met Bharti Airtel) en Indonesië (in samenwerking met Indosat). Het bedrijf werkt ook samen met telecomgroepen om meer dorpen te voorzien van wifi, waarbij via lokale ondernemers toegang kan worden gekocht. Ook Facebook wil de lucht in: er worden drones op zonne-energie ontwikkeld om afgelegen gebieden internettoegang te bieden.


    Terwijl de leidinggevenden in Silicon Valley zich in evangelische, haast filantropische bewoordingen uitlaten over wereldwijde internettoegang, financieren Google en Facebook hun connectiviteitsprojecten niet met geld dat is gereserveerd voor maatschappelijk verantwoord ondernemen – nee, ze gebruiken hun kernkapitaal. Daaruit blijkt dat er wel degelijk een bedrijfsmatige logica zit achter het project om te investeren in internettoegang in India en andere opkomende markten.

    Het belangrijkste is misschien nog wel de kans om honderden miljoenen nieuwe smartphonegebruikers meteen vanaf het begin bij de hand te kunnen nemen – als er nog geen gewoonten zijn ingesleten. Facebook zou het moeilijk krijgen in een wereld waarin Google de toegang tot de gebruikers beheert door middel van haar Android-operating system, dat momenteel marktleider is. Op dezelfde manier zou Google grote moeite hebben om data te vergaren als de gebruikers al hun tijd doorbrengen op WhatsApp, dat weer in bezit is van Facebook. En hoewel de advertentiemarkt in India momenteel heel klein is – afgelopen jaar maar net 940 miljoen dollar, afgaande op gegevens van het onderzoeksinstituut eMarketer – praat Facebook al met groot enthousiasme over multinationals zoals Coca-Cola en Nestlé, die zich met specifieke mobiele advertenties op het Indiase platteland zouden willen richten.

    Kiran Jonnalagadda roert een lepeltje boter door zijn zwarte koffie, net als de mensen in Silicon Valley die op dieet zijn. De zevenendertigjarige Kiran, die als ‘hobby’ software ontwikkelt, voor zijn werk techconferenties organiseert en die bekendstaat als internetactivist, zit in een aangenaam briesje op de bovenste verdieping van een café in Bangalore, India’s technologiehoofdstad in het zuiden van India. Hij draagt een blauw hemd met korte mouwen, uit de kraag bungelt een koptelefoontje, om zijn ene pols zit een Fitbit en om de andere een smartwatch. Hij legt uit waarom hij vindt dat Facebook de bijnaam ‘digitale koloniaal’ verdient.

    schermafbeelding 2016 04 21 om 10 35 16

    Facebook was nooit van plan zich te verzetten tegen netneutraliteit. Sterker nog, in Amerika heeft het bedrijf zich hard gemaakt voor netneutraliteit. Wereldwijd gezien zou het bedrijf geld kunnen verliezen als dit principe in het geding zou komen waardoor, bijvoorbeeld, telecombedrijven extra geld zouden kunnen vragen voor WhatsApp omdat ze de pest in hebben dat ze sms-inkomsten mislopen.

    Volgens Chris Daniels, de veertigjarige vicepresident van Facebook die aan het hoofd staat van Internet.org, zag het bedrijf Free Basics als een manier om mensen het internet op te krijgen door ze gratis te laten kennismaken met de voordelen van internet – een soort voorproefje.

    Voor Facebook werd het pas echt pijnlijk toen de Indiase toezichthouder in februari de zogeheten ‘gedifferentieerde prijsstelling’ van internetbedrijven verbood, waarmee de facto Facebooks Free Basics-systeem van tafel was. Het bedrijf liet weten teleurgesteld te zijn over de uitspraak maar verder te gaan met andere internettoegangsprojecten in India. Vervolgens wekte Marc Andreessen, een investeerder en lid van de raad van bestuur van Facebook, de woede van velen met zijn tweet: ‘Antikolonialisme al decennia economische ramp voor Indiase bevolking. Waarom nu stoppen?’ Zuckerberg was er als de kippen bij om die opmerking scherp te veroordelen. Hij noemde de opmerking ‘ronduit schokkend’. Andreessen bood zijn excuses aan maar volgens Jonnalagadda hebben zijn opmerkingen velen gesterkt in de opvatting dat Facebook volkomen terecht als koloniale macht wordt gezien.

    Het is niet eenvoudig om het hele land van internet te voorzien: er moeten greppels worden gegraven, er moeten websites worden vertaald en er moeten zelfs apen worden getemd

    ‘Vanuit economisch perspectief is kolonialisme het onttrekken van bronnen en handel aan de consument zonder dat er een kapitalistische tussenklasse wordt gecreëerd,’ zegt hij. ‘En dat is precies wat we nu zien: ze onttrekken data aan de consument, ze proberen persoonlijke gegevens los te krijgen en ze proberen hun diensten te verkopen. Maar ze willen niet dat daar mensen tussen staan.’

    De kapitalistische klasse die voor Jonnalagadda’s gevoel ontbreekt in de plannen van Facebook komt naar zijn idee van de grond in Bangalore, een stad die hard bezig is op te klimmen van een geliefde outsourcinglocatie voor westerse bedrijven tot een bedrijvig centrum van plaatselijke start-ups. Jonnalagadda was een van de vier oorspronkelijke leden van Save The Internet, een groep van zo’n honderd activisten die destijds de strijd aanbonden met Facebooks Free Basics-app – een strijd die afgelopen februari in hun voordeel is beslecht.

    De activisten bepleitten dat telecombedrijven niet in staat gesteld zouden mogen worden om bepaalde sites of apps gratis aan te bieden terwijl voor het overige internetgebruik wel betaald moet worden, aangezien ze op die manier een inherente ongelijkheid aanbrengen in het systeem van internettoegang. Gewapend met een grappige video die viraal is gegaan, heeft het bedrijf gelobbyd voor ‘netneutraliteit’, een ruim begrip dat erop neerkomt dat al het internetverkeer gelijk moet worden behandeld. Dat uitgangspunt is inmiddels wettelijk vastgelegd in vele landen, van Amerika tot Nederland.

    Free Basics was in de meeste landen probleemloos van start gegaan, maar in India was het al snel omstreden. Toen activisten en mensen van diverse start-ups hun vraagtekens plaatsten bij de beweegredenen van Facebook om een dergelijke beperkte versie van internet beschikbaar te stellen, reageerde het bedrijf nogal agressief. Er verschenen paginagrote advertenties in kranten waarin de beweringen van de activisten werden weerlegd, in alle grote steden werden posters geplakt en Facebookgebruikers werd gevraagd de toezichthouder te laten weten dat men achter het bedrijf stond. Wat de activisten vooral in het verkeerde keelgat schoot was het feit dat Facebook met alle geweld het beeld probeerde uit te stralen dat het bedrijf een weldoener was die arme mensen internettoegang bood, terwijl ondertussen werd verzwegen dat het bedrijf er garen bij spon.

    Het is niet eenvoudig om het hele land van internet te voorzien: er moeten greppels worden gegraven, er moeten websites worden vertaald en er moeten zelfs apen worden getemd. Toen Jonnalagadda in 2007 bezig was met een publiek-privaat project om internetcentra op te zetten in Indiase dorpen, kwam hij tot de ontdekking dat apen het enig vinden om satellietschotels van het dak te duwen.

    Van de 1,2 miljard inwoners van India zijn er meer dan driehonderd miljoen mensen (voornamelijk in de steden, voornamelijk in de hogere of middenklasse) die internet gebruiken, afgaande op cijfers van de Internet and Mobile Association of India. De technologieindustrie in Bangalore doet het bijzonder goed dankzij een groep ondernemers, en vele Indiërs maken carrière bij Amerikaanse techbedrijven (zoals Googles bestuursvoorzitter Sundar Pichai, of Satya Nedella, die aan het hoofd staat van Microsoft – beiden zijn in India geboren en na hun studie naar Amerika gegaan om te promoveren). Over het hele land neemt het aantal internetverbindingen jaarlijks toe met zo’n twee tot drie procent, afgaande op gegevens van ITU. Die toename valt deels toe te schrijven aan de sterke economische groei in India en de dalende prijs van smartphones – in 2015 heeft India de koppositie van Amerika overgenomen als de op een na grootste smartphoneproducent ter wereld, volgens Counterpoint Research.

    Lessen trekken

    Een onderzoek van Deloitte, uitgevoerd in opdracht van Facebook, toont aan dat met een vergroting van de internetdekking in India de economische-groeicijfers op zijn minst zouden kunnen verdubbelen, waarmee het bruto nationaal product zou stijgen met vijfhonderd dollar per hoofd van de bevolking. Maar de bestaande programma’s om de technologie door het land te verspreiden – programma’s die zijn opgezet door de Indiase overheid, telecombedrijven en ngo’s – krijgen maar heel langzaam hun beslag. De trage voortgang is een van de redenen dat veel activisten de pogingen van Silicon Valley om het internet te verspreiden, niet geheel en al verwerpen. Google wordt geprezen om een pr-beleid dat fijnzinniger zou zijn dan dat van Facebook, maar ook projecten van Facebook hebben geen massale kritiek gekregen – zo lang ze maar toegang boden tot het héle internet.

    Silicon Valleys kapitaal, technologie en de wil om snel te handen, zouden de implementatie van internet kunnen versnellen. Wanneer er wordt gepraat over connectiviteitsprojecten laten Google en Facebook weten dat ze alleen al in de komende paar jaar honderdduizenden gemeenschappen hopen te bereiken. Techbedrijven kunnen investeren in grootschalige projecten en ze kunnen talent inhuren om satellieten, drones en ballonnen te vervaardigen die overal ter wereld kunnen worden ingezet. De kosten die hiermee gepaard gaan zijn betrekkelijk voor bedrijven als Facebook en Google.

    Caesar Sengupta, het veertigjarige hoofd productmanagement van Google, zegt dat India op twee manier heel leerzaam blijkt te zijn voor het bedrijf. Om te beginnen wordt duidelijk hoe men producten moet maken voor mensen die voor het eerst in aanraking komen met internet via een smartphone. Door deze lessen kan het bedrijf niet alleen producten ontwikkelen die geschikt zijn voor opkomende markten, maar ook de apps in het westen verbeteren, zegt hij. Want ook daar komt de nieuwe generatie als eerste via een mobieltje in aanraking met internet.


    Het Free Basics-debacle heeft de Indiase regering en de telecombedrijven met de neus op de feiten gedrukt: men zal voortvarender te werk moeten gaan bij het verbinden van mensen zonder verbinding. Parminder Jeet Singh van IT for Change, een in Bangalore gevestigde ngo die zich inzet om technologie te gebruiken voor sociale doeleinden, zegt dat door deze strijd, die op hoog niveau is uitgevochten, internettoegang nu voor het eerst op de politieke agenda terecht is gekomen.

    In een Facebookpost de avond voor de Free Basics-uitspraak liet Zuckerberg ook al doorschemeren dat het bedrijf lessen probeerde te trekken uit het mislukken van dit project.

    ‘Naarmate onze community in India groter is geworden ben ik beter gaan begrijpen dat we ons moeten verdiepen in de geschiedenis en de cultuur van India,’ schreef Zuckerberg. ‘Ik vind het zeer inspirerend om te zien hoeveel vooruitgang India heeft geboekt bij het opbouwen van zowel een sterk land als de grootste democratie ter wereld, en ik verheug me erop om mijn banden met het land nog verder aan te halen.’

    Het is goed om snel lessen te trekken uit de rel rond het digitale kolonialisme, aangezien dit geschil zich in razend tempo over de wereld zou kunnen verspreiden. Mishi Choudhary van het Software Freedom Law Center, dat pro bono diensten verleent aan ontwikkelaars van opensourcesoftware en dat zich sterk heeft gemaakt voor netneutraliteit in India, is al benaderd door activisten die maar wat graag elders de strijd aanbinden met Free Basics.

    Reizigers op het Centraal Station van Mumbai. Samen met onder meer de Indiase Spoorwegen gaat Google op 400 stations snel internet aanleggen. – © Dhiraj Singh / Getty Images
    Reizigers op het Centraal Station van Mumbai. Samen met onder meer de Indiase Spoorwegen gaat Google op 400 stations snel internet aanleggen. – © Dhiraj Singh / Getty Images

    ‘Ik heb gehoord van mensen in Kenia, in Mexico en ook in landen in Zuidoost-Azië, die zeggen dat wat hier is gebeurd als lichtend voorbeeld dient,’ zegt ze. ‘Men heeft zich gedwongen gezien nog eens goed te kijken naar de zogenaamde keuze die Facebook hen in de maag probeert te splitsen.’

    Maar de misschien wel belangrijkste les beperkt zich niet tot India. Die gaat over het beeld dat de rest van de wereld heeft van de complexe drijfveren van Silicon Valley, en hoe dat beeld botst met het beeld dat de Valley zelf uitdraagt: een stel technici met goede ideeën. In India leiden de zorgen over de macht van de Amerikaanse techbedrijven tot debatten over kolonialisme; in Europa leiden ze tot campagnes over belastingvoordelen en privacy.

    De techbedrijven in India zullen ook onder ogen moeten zien dat het verhelpen van sommige problemen die wereldwijde internettoegang verhinderen, domweg tijd zal kosten. Zolang de stroomvoorziening in bepaalde gebieden gebrekkig is en geregeld uitvalt, zal ook de toegang tot internet moeizaam verlopen. Daarnaast zullen dorpelingen die nooit hebben leren lezen en schrijven niet optimaal gebruik kunnen maken van internet, zelfs al zou het beschikbaar zijn. Zo heeft Google in bepaalde gebieden grote moeite moeten doen om voldoende geschoolde vrouwen te vinden voor de blauwe fietsen.

    Een moeder en haar drie kinderen zitten op een smartphone naar een Bollywoodfilm te kijken die ze binnenhalen via de wifiverbinding van het station

    Op het centraal station van Mumbai heeft Google onlangs snelle wifi geïnstalleerd: dit station is het eerste van honderd stations die dankzij een samenwerking van Google en RailTel van wifi zullen worden voorzien. Dit project staat vermeld in de Indiase begroting als een voorbeeld van een publiek-private samenwerking die, hoewel het nog drie jaar kan gaan duren, het soort internettoegang biedt waar de Indiërs naar hunkeren.

    Om halfzes die middag, terwijl het station zich opmaakt voor een zweterige spits en de mensen binnenstromen om de trein naar Delhi te nemen, is er één gezin dat niet voor de trein is gekomen maar voor de wifi. Een moeder en haar drie kinderen zitten op een smartphone naar een Bollywoodfilm te kijken die ze binnenhalen via de wifiverbinding van het station, terwijl de vader even wat dingen in de buurt doet. Het drama ontvouwt zich, de dansjes wekken verwondering en de film wordt afgespeeld zonder ook maar één seconde te haperen.

    Auteur: Hannah Kuchler
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Hannah Kuchler is correspondent voor de Financial Times in San Francisco.

    In nummer 92 van 360 kunt u een controverse teruglezen over de vraag of de kritiek op Free Basics in India terecht was.

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

    kaartje dossier
    Chinezen die in een internetcafé het web op willen, moeten hun identiteitsbewijs tonen. Om zich te registreren op sociale media moet men vaak het eigen telefoonnummer opgeven

    China: Een niet zo nette reus

    1367 miljard inwoners van wie 50,3 % online

    In juni 2015 telde China 688 miljoen internetgebruikers, bijna een op de twee Chinezen, volgens het ‘Jaarrapport ontwikkeling internet’, aangehaald in het tijdschrift Zhongguo wenhua bao. Dat betekent dat het aantal gebruikers in zes maanden tijd met 19 miljoen was toegenomen. Van deze gebruikers heeft 90 procent toegang tot internet via de smartphone.

    Bijna de helft van de nieuwe gebruikers woont op het platteland, waar men bezig is met een forse inhaalslag. De plattelandsbevolking vertegenwoordigt nu slechts 28 procent van de Chinezen met toegang tot internet, hoewel zij nog ongeveer de helft van de totale bevolking uitmaakt. De meest achtergebleven delen van het land (Tibet, Qinghai, Xinjiang) hebben ook het laagste internetgebruik.

    De censuur blokkeert met regelmaat pagina’s, of delen van een site waarvan de inhoud de censor niet bevalt, en laat aansluitingen opheffen. Tegelijkertijd is de toegang tot internet sinds 2009 steeds vaker onderworpen aan het bekendmaken van de identiteit van de gebruiker. Chinezen die in een internetcafé het web op willen, moeten hun identiteitsbewijs tonen. Om zich te registreren op sociale media moet men vaak het eigen telefoonnummer opgeven, waarvan het verkrijgen doorgaans weer afhankelijk is van het tonen van een identiteitsbewijs.

    Buitenlandse websites kunnen binnenkort de verplichting tegemoetzien zich te registreren bij een in China gevestigde provider als zij voor de Chinese internetgebruikers bereikbaar willen blijven.

    Informaticapiraten hebben de gratis diensten van Wikipedia en Facebook gebruikt om de Angolese burger vrije toegang te verschaffen tot films, televisieprogramma’s en muziek

    Angola: Piraterij via Facebook en Wikipedia

    20 miljoen inwoners van wie 19,4 % online

    Zoals onder elk autoritair regime speelt vindingrijkheid een grote rol in Angola. Informaticapiraten hebben de gratis diensten van Wikipedia en Facebook gebruikt om de Angolese burger vrije toegang te verschaffen tot films, televisieprogramma’s en muziek, zo meldt de Amerikaanse website Motherboard.

    In 2014 sloot Wiki een samenwerkingsovereenkomst met de distributeur van telecommunicatie Unitel om de Angolezen met hun smartphone gratis toegang te geven tot de databank van Wikipedia. Het programma, met de naam ‘Wikipedia Zero’, bestaat in 64 landen. Tezelfdertijd introduceerde Facebook in de voormalige Portugese kolonie zijn gratis app Free Basics (die in India de voorpagina’s haalde – zie hoofdartikel).

    Nadat zij data hadden verstopt in de pagina’s van Wikipedia in de Portugese versie, bedienden de Portugese piraten zich van Facebook om hun verbindingen te delen met hun vrienden op het sociale netwerk.

    Dat misbruik van zijn pagina’s stoort de Wikimedia Foundation, die een ‘interventiegroep’ heeft samengesteld om de piraterij tegen te gaan. ‘Indien men in overweging neemt dat Angola al meer dan dertig jaar wordt geleid door een alleenheerser [president José Eduardo dos Santos kwam in 1979 aan de macht], zouden de talenten van de piraten op een dag zeer wel van pas kunnen komen,’ aldus de website. ‘Zij hebben geleerd zich online te organiseren, hun sporen te wissen en documenten te verstoppen en te delen.’

    Op 28 maart van dit jaar werden zeventien politieke tegenstanders van het regime in Angola veroordeeld tot gevangenisstraffen van twee tot achtenhalf jaar.

    Vandaag de dag betalen de Cubanen twee dollar voor een uur toegang tot een naar adem snakkend internet, een bedrag dat gelijk staat aan tien procent van het gemiddelde maandsalaris

    Cuba: Google in het kielzog van Obama

    Cuba: 11 miljoen inwoners van wie 27,5 % online

    Tijdens zijn officiële bezoek aan Cuba in maart kondigde Barack Obama een enthousiasmerende overeenkomst aan: de komst naar het eiland van de gigant Google in een zaal van het cultureel centrum van een bekende beeldhouwer in Havana, Kcho, met een internetproject dat zeventig keer sneller is dan het bestaande. De ruimte is door Google ingericht met computers, smartphones en onlineverbindingen, en kan veertig mensen tegelijk ontvangen voor gratis toegang tot het web. ‘Een luxe in een land waar de toegang tot een snelle internetverbinding niet hoger is dan één procent,’ aldus de Cubaanse website 14ymedio.

    De inwoners van Cuba moeten met tot dusver doen met een van de veertig plekken waar een wifistation is die tot nu toe door de autoriteiten sinds juli 2015 zijn toegestaan (aan het eind van het jaar zullen het er tachtig zijn), een honderdtal centra waar internet tegen betaling toegankelijk is en een zeer klein aantal privéverbindingen met uitdrukkelijke toestemming van de overheid. En alles wordt beheerd door de officiële en enige provider van alle telecommunicatie op het eiland, Etecsa.

    Vandaag de dag, meldt de website El Toque (een nieuwssite gericht op de jeugd), betalen de Cubanen twee dollar voor een uur toegang tot een naar adem snakkend internet, een bedrag dat gelijk staat aan tien procent van het gemiddelde maandsalaris. De verbinding wordt in 91 procent van de gevallen gebruikt om nieuwe vrienden te maken op Facebook.

    CONTEXT: Welke technologie is nodig voor een snel internet?

    Om van internet gebruik te kunnen maken, moet men er vooraleerst toegang toe hebben. En dat dan met minder vertraging dan eertijds met de oude modems het geval was. In India bijvoorbeeld – waar de verbindingssnelheid een van de traagste ter wereld is, volgens een rapport uit 2015 van Akamai Technologies – zijn er diverse initiatieven van de overheid en uit de privésector om internet met een hoge capaciteit (en dus snelheid) te ontwikkelen. ‘Het Indiase ministerie van telecommunicatie heeft aangekondigd dat het staatsbedrijf BSNL tussen nu en 2017 2500 nieuwe wifistations zal bouwen met een spreiding over het hele land,’ aldus de Amerikaanse website Mashable. ‘Microsoft werkt onderwijl aan het gebruik van de ruimte in het spectrum die niet wordt benut voor het doorgeven van tv-signalen om de Indiërs een betere wifiverbinding te bezorgen.’

    Andere grote Amerikaanse ondernemingen, waaronder Google en Facebook, werken aan de ontwikkeling van innovatieve toegangswegen tot internet voor gebieden die nu nog moeilijk bereikbaar zijn. Beide richten zich vooral op drones die het internetsignaal zouden kunnen doorgeven vanuit de stratosfeer, op meer dan 18 kilometer boven het aardoppervlak. Het Loon-project van Google, waarbij ballonnen worden gebruikt en dat al op kleine schaal is getest, zal in de nabije toekomst op grotere schaal worden ingezet om Sri Lanka te bedienen.

    Volgens Bloomberg is Loon ‘een minder dure oplossing dan onderzeese kabels, die drukke knooppunten als Singapore en Hongkong zouden moeten passeren’. Maar het tijdschrift MIT Technology Review waarschuwt dat alle lopende projecten belangrijke wijzigingen noodzakelijk maken op het gebied van nationale en internationale regelingen en verdragen.

    Beeld bovenaan: Een vrouw checkt haar smartphone in bed. Driehonderd miljoen Indiërs, voornamelijk stedelingen uit de middenklasse, maken nu al gebruik van internet. – © Ramnath Bhat

  • Googles zoektocht naar het perfecte team

    Googles zoektocht naar het perfecte team

    Waarom zijn sommige teams succesvol en falen andere hopeloos? Internetgigant Google zocht het uit en komt met verrassende conclusies.

    Julia Rozovsky was vijfentwintig jaar en onzeker over wat ze nou met haar leven aan moest toen ze besloot dat het tijd was voor verandering. Ze had een bachelor wiskunde en economie aan Tufts University in Massachusetts en had bij een bedrijf voor consultancy gewerkt, wat ze nogal onbevredigend vond. Daarna had ze gewerkt als onderzoeker voor twee professoren aan Harvard, wat leuk was maar 
ze kon er geen carrière opbouwen.

    Misschien paste een groot bedrijf beter bij haar, dacht ze. Of misschien was een academische carrière iets, of misschien moest ze gaan werken bij een start-up. Het was allemaal nogal verwarrend. Dus koos ze 
iets waarvoor ze geen beslissing hoefde te nemen: 
ze schreef zich in bij een paar businessopleidingen, en werd in 2010 aangenomen bij de Yale School of Management.

    Aardig zijn voor elkaar, daar draait het om – ook bij Google. – © PENSON / HH
    Aardig zijn voor elkaar, daar draait het om – ook bij Google. – © PENSON / HH

    Klaar om haar klasgenoten te leren kennen, kwam ze aan in New Haven en werd net als de andere nieuwe studenten op de eerste dag in een studiegroep ingedeeld. Studiegroepen vormen een gebruikelijk onderdeel bij de meeste mba’s, ze vormen voor de studenten een oefening in het samenwerken in teamverband. Studiegroepen zijn zorgvuldig samengesteld om studenten met verschillende achtergronden, zowel professioneel als cultureel, bij elkaar te brengen. Eigenlijk verschilden de studenten in haar groep 
niet zo heel erg van elkaar. Twee groepsleden waren managementconsultant geweest, net zoals Julia. 
Een ander had bij een start-up gewerkt. Ze waren allemaal slim, nieuwsgierig en sociaal. Hun overeenkomsten zouden het makkelijk maken om een band met elkaar te krijgen, hoopte ze. ‘Er zijn legio mensen die zeggen dat ze sommigen van hun beste businessschoolvrienden hebben leren kennen in hun studiegroep,’ zei Julia. ‘Maar zo ging het bij mij niet.’

    Groepsstress

    Bijna onmiddellijk voelde de studiegroep als een dagelijkse dosis stress. ‘Ik voelde me nooit helemaal ontspannen,’ vertelde ze. ‘Ik had altijd het gevoel dat ik mezelf moest bewijzen.’ Al snel ontstond er een dynamiek die haar zwaar irriteerde. Iedereen wilde zijn leiderschapskwaliteiten laten zien, dus wanneer de studiegroep een opdracht kreeg, was er een subtiele strijd over wie de baas was. ‘Mensen probeerden autoriteit uit te stralen door harder te praten, of door de ander heen te praten,’ zei Julia. ‘Misschien kwam het door mijn eigen onzekerheid, maar ik had het gevoel dat ik altijd uit moest kijken dat ik in hun buurt geen fouten maakte.’

    Dus begon Julia uit te kijken naar andere groepen om zich bij aan te sluiten. Iemand vertelde haar dat er studenten waren die een team aan het samenstellen waren om mee te doen aan ‘case-wedstrijden’ waarin studenten van de businessschool innovatieve oplossingen bedachten voor businessproblemen uit de ‘echte’ wereld. Teams kregen dan een case voor hun neus, waren een paar weken bezig met een businessplan en legden dat vervolgens voor aan belangrijke mensen uit de top van een bedrijf en professoren 
die dan bepaalden wie de winnaar was. Julia schreef zich in.

    Teams zijn succesvol als iedereen zich kan uitspreken en men rekening houdt met elkaars gevoelens

    Aan Yale waren er zo’n twaalf verschillende teams voor de case-wedstrijden. Julia sloot zich aan bij de groep waar een voormalig militair in zat, een onderzoeker van een denktank, de directeur van een non-profitorganisatie op het gebied van gezondheidseducatie en een medewerker van een vluchtelingenorganisatie. In tegenstelling tot haar studiegroep had iedereen hier een andere achtergrond.

    Maar ze werkten vanaf het begin prima samen. ‘Een van onze beste cases ging over Yale zelf,’ zei Julia. ‘Er was altijd een winkeltje met snacks geweest dat door studenten werd gerund, maar de universiteit ging de verkoop van eten overnemen en daarom sponsorde de businessschool een wedstrijd voor het omvormen van de studentenwinkel tot iets anders. We verzonnen allerlei gekke plannen. Niemand brandde een suggestie af, we vonden elkaars domme ideeën altijd geweldig.’ Uiteindelijk kwam Julia’s caseteam uit op het idee om de studentenwinkel om te bouwen tot een mini-gym, uitgerust met fitnessapparaten. Ze werden de winnaar en de mini-gym is er gekomen.


    Julia vond het altijd vreemd dat de twee teams zo anders vóélden. Beide groepen bestonden uit grofweg dezelfde soort mensen. Allemaal pientere lui 
en iedereen kon buiten de groep goed met elkaar opschieten.

    Er was geen reden te verzinnen waarom de dynamiek in Julia’s studiegroep zo competitief was terwijl de sfeer in het caseteam zo ontspannen was. ‘Ik kon niet bedenken waarom ze zo verschillend waren,’ vertelde Julia me. ‘Zo had het helemaal niet hoeven gaan.’

    Leiderschap

    Na het behalen van haar diploma ging Julia aan het werk bij Google, bij de afdeling Personeelsanalyse, die zo ongeveer alle aspecten van de tijdsbesteding van Googlemedewerkers bestudeerde. Het was haar taak de data te gebruiken om te doorgronden waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen.

    Zes jaar lang werd Google door het blad Fortune gerekend tot een van de beste bedrijven om voor te werken. De reden daarvoor was volgens de top van het bedrijf dat Google enorm veel geld besteedde om te onderzoeken hoe gelukkig en productief werknemers waren, zelfs nu er 53.000 mensen werkten. De afdeling Personeelsanalyse, onderdeel van Personeelszaken, hielp vast te stellen of werknemers tevreden waren met hun leidinggevenden en collega’s, of ze zich overwerkt voelden, intellectueel geprikkeld en eerlijk betaald, of de balans werk-privé wel goed zat en ze onderzochten nog honderden andere dingen.

    Individuele slimheid of sterk leiderschap bleek niet doorslaggevend

    De afdeling vervulde ook een rol bij besluiten over het aannemen en ontslaan van mensen en de analisten verschaften inzicht in wie promotie moest krijgen en wie wellicht te snel opgeklommen was. In de periode voordat Julia bij de afdeling kwam werken, had Personeelsanalyse bepaald dat Google een sollicitant maar vier keer hoefde te interviewen om te voorspellen, met een betrouwbaarheidspercentage van 86 procent, of hij of zij een aanwinst zou zijn voor het bedrijf.

    De afdeling had er met succes op aangedrongen betaald zwangerschapsverlof te verlengen van 12 tot 18 weken omdat computermodellen aantoonden dat een langer verlof het percentage nieuwe moeders dat stopte met werken met 50 procent zou verminderen. Het basisidee van de afdeling was om het leven bij Google een beetje beter en veel productiever te maken. Met genoeg data, zo dacht de afdeling Personeelsanalyse, zou ongeveer elk gedragsraadsel opgelost kunnen worden.

    Het grootste project van de afdeling Personeelsanalyse in de voorgaande jaren was een onderzoek – met de codenaam Project Zuurstof – dat bestudeerde waarom sommige managers effectiever werkten dan andere. De onderzoekers hadden uiteindelijk acht doorslaggevende managementvaardigheden ontdekt.

    
‘Zuurstof was een enorm succes voor ons,’ zei Abeer Dubey, manager bij Personeelsanalyse. ‘Het hielp om duidelijk te krijgen waardoor een goede manager zich onderscheidde van anderen en hoe we konden ondersteunen dat mensen zich verbeterden.’

    Een open kringgesprek op zijn tijd doet wonderen. – © PENSON / HH
    Een open kringgesprek op zijn tijd doet wonderen. – © PENSON / HH

    Project Zuurstof

    Uit Project Zuurstof bleek dat een goede manager:
    1. een goede coach is;
    2. kracht geeft en niet managet op microniveau;
    3. interesse en aandacht toont voor het succes en welzijn van zijn ondergeschikten; 
4. resultaatgericht is;
    5. luistert en informatie deelt;
    6. behulpzaam is bij loopbaanontwikkeling;
    7. een heldere visie en strategie voor ogen heeft;
    8. cruciale technische vaardigheden heeft.

    Het project was zelfs zo nuttig, dat ongeveer op het moment dat Julia werd ingehuurd Google met een andere reuzeonderneming begon, dit keer onder de codenaam Project Aristoteles.

    Dubey en zijn collega’s hadden opgemerkt dat veel Googlewerknemers het er in bedrijfsonderzoeken altijd maar weer over hadden hoe belangrijk hun team was. ‘Googlers zeiden dingen als: “Ik heb een fantastische leidinggevende, maar in mijn team liep het nooit zo lekker”, of: “Mijn leidinggevende is niet geweldig maar het team is zo goed dat het niet uitmaakt”,’ zei Dubey. ‘En dat was een soort eyeopener, omdat Project Zuurstof naar leiderschap had gekeken, maar niet had onderzocht hoe teams functioneren, of dat er misschien wel een perfecte verdeling bestaat voor allemaal verschillende mensen met een andere achtergrond.’ Dubey en zijn collega’s wilden uitzoeken hoe ze een perfect team konden samenstellen. Julia werd een van de onderzoekers van dit project.

    Het project begon met een breed overzicht van de wetenschappelijke literatuur. Sommige wetenschappers hadden ontdekt dat teams het beste functioneerden als ze vooral bestonden uit mensen die allemaal even introvert en extravert waren, terwijl andere hadden ontdekt dat een evenwichtige 
verdeling van persoonlijkheden de sleutel was. Er bestonden onderzoeken over het belang van teamleden met allemaal dezelfde smaak en hobby’s, 
en andere verheerlijkten juist diversiteit in groepen. Er was onderzoek dat beweerde dat teams moesten bestaan uit mensen die graag samenwerkten; maar ander onderzoek meldde dat groepen succesvoller waren als er een gezonde rivaliteit was tussen de leden. Kortom, het ging alle kanten op in de literatuur.

    Een middelmatig team dat goed samenwerkt, doet dingen die een superster nooit voor elkaar krijgt

    Maar hoe ze de data ook rangschikten, het was bijna onmogelijk om een patroon te ontdekken – of enig verband tussen succes en de samenstelling van een team. ‘We bekeken 180 teams uit het hele bedrijf,’ zei Dubey. ‘We hadden legio data, maar niets duidde erop dat een mix van specifieke karakters 
of vaardigheden of achtergronden enig verschil 
uitmaakte. Het “wie”-deel van de vergelijking leek 
er niet toe te doen.’

    Sommige productieve teams bij Google bestonden bijvoorbeeld uit vrienden die buiten het werk met elkaar sportten. Andere bestonden uit mensen die buiten de vergaderkamer praktisch vreemden voor elkaar waren. Sommige groepen prefereerden sterke leidinggevenden. Andere wilden een plattere structuur. Het meest verwarrend was wel dat sommige teams met bijna gelijke samenstelling en een overlap in teamleden een totaal verschillend niveau van effectiviteit hadden. ‘Bij Google zijn we goed in het vinden van patronen, maar hier waren geen duidelijke patronen,’ zei Dubey.

    Groepsnormen

    Dus Project Aristoteles ging over op een andere aanpak. Er kwam een tweede ronde wetenschappelijk onderzoek die zich concentreerde op zogenoemde ‘groepsnormen’. ‘Bij elke groep ontstaan op een gegeven moment collectieve normen over gepast gedrag’, had een team psychologen in Sociology of Sport Journal geschreven. Normen zijn de tradities, gedragsstandaarden en ongeschreven regels die uitmaken wat we doen. Als een team zwijgend overeenkomt dat het waardevoller is om verschil van mening te vermijden dan te discussiëren, is dat een norm die zichzelf bevestigt. Als een team een cultuur ontwikkelt die het uiten van een andere mening aanmoedigt en groepsdenken afwijst, zwaait een andere norm de scepter. Het individuele gedrag van teamleden – misschien gaan ze tekeer tegen autoriteiten of werken ze liever op zichzelf – wordt binnen een groep vaak overruled door de groepsnormen die 
respect voor het team aanmoedigen.

    De onderzoekers van Project Aristoteles stortten 
zich weer op hun data, analyseerden ze opnieuw, deze keer op zoek naar normen. Ze zagen dat het in sommige teams altijd geoorloofd was dat mensen elkaar onderbraken, bij andere moest er om beurten gesproken worden. Sommige teams vierden verjaardagen en begonnen elke bijeenkomst met informele gesprekjes. Andere kwamen meteen ter zake. Er waren teams met extraverte leden die zich tijdens bijeenkomsten voegden naar de bezadigde groepsnormen, en in weer andere kwamen introverte teamleden uit hun schulp zodra de bijeenkomsten begonnen.

    En sommige normen, zo lieten de data zien, correleerden consequent met een hoge effectiviteit van een team. Er was bijvoorbeeld een technisch ingenieur die de onderzoekers vertelde dat zijn teamleider ‘direct en recht door zee is, wat een veilige plek 
creëert om risico’s te durven nemen. […] Ze neemt ook de tijd om te vragen hoe het met ons gaat, te kijken hoe ze je kan helpen en ondersteunen.’ Dit was een van de effectiefste groepen binnen Google.

    Anderzijds vertelde een andere ingenieur de onderzoekers dat zijn ‘teamleider een slechte beheersing over zijn emoties heeft. Hij raakt in paniek over kleine dingen en probeert telkens de controle te grijpen. Ik zou niet graag autorijden met hem naast me, want hij zou het stuur proberen te pakken en de auto in de prak rijden.’ Dit team presteerde slecht. Maar de werknemers hadden het vooral over hoe de verschillende teams vóélden. ‘En dat vond ik begrijpelijk, misschien door mijn ervaringen aan Yale,’ zei Julia. ‘Ik had in een paar teams gezeten die me totaal uitputten, terwijl ik van andere groepen juist energie kreeg.’

    Het lijkt erop dat groepsnormen een doorslaggevende rol spelen voor de manier waarop deelname aan een groep ervaren wordt. Onderzoek door psychologen van Yale, Harvard, Berkeley, de University of Oregon en andere universiteiten geeft aan dat normen 
bepalen of we ons veilig of bedreigd voelen, krachteloos of opgewonden, gemotiveerd of ontmoedigd door de andere teamleden. Julia’s studiegroep aan Yale bijvoorbeeld, putte haar uit omdat ze altijd op haar hoede was vanwege de heersende normen – het gedoe over leiderschap, de druk om voortdurend te laten zien wat je kon, de neiging om steeds kritiek te leveren. Daartegenover kon in het caseteam iedereen vriendelijk en ongedwongen zijn door de daar gehanteerde normen, enthousiasme voor elkaars ideeën, door niet altijd kritiek te leveren, positief 
te zijn – of iemand nou leiderschap wilde uitoefenen of meer op de achtergrond wilde blijven. Samenwerken was hier makkelijk.

    Maar het was wel de vraag welke normen er het meest toe deden. Het onderzoek van Google had tientallen normen gevonden die belangrijk leken – maar soms spraken de normen van de verschillende effectieve teams die even succesvol waren elkaar tegen. Was het maar beter om iedereen naar believen te laten praten of zou een strenge leider 
de discussie moeten inperken? Was het effectiever 
als mensen openlijk met elkaar van mening verschilden of moesten conflicten worden afgezwakt? 
Wat waren de cruciaalste normen?

    Googlemedewerkers in het Europese hoofdkantoor van het bedrijf in Londen. © PENSON / HH
    Googlemedewerkers in het Europese hoofdkantoor van het bedrijf in Londen. © PENSON / HH

    Collectieve intelligentie

    Stel je voor dat je gevraagd bent om je bij een van twee teams aan te sluiten: A of B.

    Team A bestaat uit acht mannen en twee vrouwen, allemaal uitzonderlijk slim en succesvol. Als je een opname ziet waarin ze samenwerken, zou je welbespraakte professionals zien die elkaar niet in de rede vallen en zich beleefd en hoffelijk gedragen. 
Als er op een bepaald moment een vraag opkomt, is één persoon – duidelijk een expert op dat terrein – geruime tijd aan het woord terwijl alle anderen luisteren. Niemand onderbreekt hem. Als iemand anders van het onderwerp afdwaalt herinnert een collega hem aan de agenda, en stuurt het gesprek weer in de goede richting. Het team is efficiënt. De vergadering is precies op het afgesproken tijdstip afgelopen.

    Bij team B gaat het anders. Er zijn daar evenveel mannen als vrouwen, van wie sommigen succesvol in de top zitten, terwijl anderen middenmoters zijn die professioneel weinig gepresteerd hebben. In een video-opname zie je de leden van het team lukraak hun zegje doen in de discussie. Sommigen praten maar door, anderen houden het kort. Het gesprek 
is lastig te volgen omdat ze elkaar zo vaak in de rede vallen. Als iemand uit het team abrupt het onderwerp verandert of afdwaalt, sjeest de rest van de groep met hem dat zijpad op. De bijeenkomst wordt niet echt beëindigd: iedereen blijft gewoon zitten roddelen.

    Bij welke groep zou je je liever aansluiten?

    In 2008 vroeg een groep psychologen van Carnegie Mellon University en het MIT zich af of ze zouden kunnen ontdekken welke van de teams duidelijk beter was. ‘Omdat onderzoek, leidinggeven en veel andere taken steeds meer in groepen worden uitgevoerd – zowel in levenden lijve als “virtueel” – wordt het steeds belangrijker om te begrijpen wat bepalend is voor de groepsprestatie’, schreven de onderzoekers in 2010 in Science. ‘In de twintigste eeuw hebben 
psychologen belangrijke voortgang geboekt bij het definiëren en systematisch meten van individuele intelligentie. Wij hebben de statistische benadering die zij ontwikkelden voor het meten van individuele intelligentie, gebruikt om systematisch groepsintelligentie te meten.’

    Anders gezegd: de onderzoekers wilden weten of er een collectieve intelligentie bestaat die binnen een team ontstaat en die anders is dan de slimheid van welk individueel lid dan ook.

    Even geen teamwerk in Tech City, een andere Googlevestiging in Londen. – © Getty Images
    Even geen teamwerk in Tech City, een andere Googlevestiging in Londen. – © Getty Images

    Iedereen op zijn plek

    Om dit voor elkaar te krijgen ronselden de onderzoekers 699 mensen, verdeelden die in 152 teams 
en gaven elke groep een reeks opdrachten die verschillende vormen van samenwerking vereisten. 
De meeste teams begonnen met een brainstorm van tien minuten over de mogelijke gebruikswijze van een baksteen en kregen een punt voor elk uniek idee. Daarna kregen ze de opdracht een boodschappenritje te plannen alsof ze huisgenoten waren met slechts één auto. Ieder teamlid kreeg een andere boodschappenlijst en een plattegrond waarop de prijzen van verschillende winkels stonden. De enige manier waarop een team de hoogste score kon krijgen, was dat iedere persoon één felbegeerd artikel van zijn lijstje opofferde in ruil voor iets wat bij de hele groep in de smaak viel. Daarna werd de teams opgedragen tot een uitspraak te komen in een zaak waarbij een student-basketballer kennelijk zijn docent had omgekocht. Sommige teamleden vertegenwoordigden de belangen van de faculteit; andere spraken vanuit de sportsectie. De uitspraak die maximaal tegemoetkwam aan het belang van beide groepen werd met punten beloond.

    Al deze opdrachten vereisten de medewerking van het hele team, en elke opdracht vroeg om een andere manier van samenwerken. Tijdens de observatie van de groepen zagen de onderzoekers overal een andere dynamiek ontstaan. Een paar teams verzonnen tientallen slimme gebruikswijzen voor de baksteen, kwamen tot een uitspraak die iedereen tevreden stemde en hadden het boodschappenritje in een oogwenk gepiept. Andere bleven dezelfde functie voor de baksteen in steeds andere woorden beschrijven, kwamen tot uitspraken die sommige deelnemers links lieten liggen en het lukte hen niet om meer dan ijs en fruitmuesli te kopen omdat niemand concessies wilde doen. Interessant was dat wanneer teams één taak goed vervulden, ze de andere taken er ook goed van afbrachten. Omgekeerd leken de teams die één taak niet goed deden, alles niet goed te doen.

    De sterke teams bevatten ook meer vrouwen

    Je zou kunnen denken dat de ‘sterke teams’ succesvol waren omdat de leden ervan slimmer waren – dat groepsintelligentie misschien niets meer was dan 
de bij elkaar opgetelde individuele intelligentie van de afzonderlijke teamleden. Maar de onderzoekers hadden vooraf het iq van de deelnemers getest en ontdekt dat de individuele intelligentie niet correleerde met het groepsresultaat. Tien slimme mensen bij elkaar in een kamer zetten, betekende niet dat ze vraagstukken op een intelligentere manier oplosten – nee, die slimme mensen werden vaak overtroefd door groepen die bestonden uit mensen die lager scoorden op intelligentie, maar die als groep toch slimmer leken.

    Of je zou kunnen beweren dat de sterke teams vastberadener leiders hadden. Maar het onderzoek liet zien dat ook dat niet klopte. Uiteindelijk kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat de sterke teams 
het niet alleen goed hadden gedaan door de aangeboren kwaliteiten van de teamleden, maar ook door de manier waarop ze met elkaar omgingen. 
Anders gezegd, de succesvolste teams hanteerden normen waardoor iedereen zich op zijn plek voelde.

    ‘Alles leidt naar bewijs voor een overkoepelend collectief intelligentie-element dat voor een breed scala aan taken de groepsprestatie verklaart’, schreven de onderzoekers in hun artikel in Science. ‘Een dergelijke collectieve intelligentie is een eigenschap van de groep zelf, niet van de afzonderlijke individuen.’ Het waren de normen, niet de mensen, die het team slim maakten. De juiste normen konden de collectieve intelligentie van een groep middelmatige breinen omhoogtrekken. De verkeerde normen konden als struikelblok fungeren voor een groep die bestond uit mensen die ieder afzonderlijk bijzonder slim waren.

    Maar toen de onderzoekers de opnames bekeken van de interacties van de sterke teams, zagen ze dat niet alle normen er hetzelfde uitzagen. ‘Het was opvallend dat een aantal zich heel anders gedroeg,’ zei Anita Woolley, hoofdauteur van het onderzoek. ‘In sommige teams zaten een paar slimmeriken die uitpuzzelden hoe ze het werk gelijk konden verdelen. Andere groepen hadden gemiddeld intelligente teamleden maar verzonnen een manier om zo goed mogelijk te profiteren van ieders relatieve kracht. Sommige groepen hadden een sterke leider. Bij andere groepen was het wat meer in beweging en nam iedereen een leiderschapsrol op zich.’

    Twee soorten gedrag

    Maar er waren twee soorten gedrag die bij alle sterke teams voorkwamen.

    Ten eerste: de leden van sterke teams waren zo ongeveer allemaal even lang aan het woord, een fenomeen dat de onderzoekers betitelden als ‘een evenredige distributie van gespreksbijdragen’. In sommige teams deed bijvoorbeeld tijdens de opdrachten iedereen zijn zegje. In andere groepen was het aandeel in de conversatie bij elke opdracht anders, maar uiteindelijk was iedereen wel ongeveer even lang aan het woord geweest. ‘Zolang iedereen de kans kreeg om iets te zeggen, presteerde het team goed,’ zei Woolley. 
‘Maar als er maar één iemand of een kleine groep 
de hele tijd het woord voerde, zakte de collectieve intelligentie.

    Niet bij elk gesprek hoefde er een gelijke inbreng te zijn, maar in totaal moest het wel in evenwicht zijn.’

    Ten tweede: de sterke teams hadden een ‘hoge gemiddelde sociale sensitiviteit’ – een hoogdravende manier om te zeggen dat de groepen intuïtief begrepen hoe teamleden zich voelden, gebaseerd op de manier van praten, hoe mensen zich voordeden en de uitdrukking op hun gezicht.


    Een van de makkelijkste manieren om sociale gevoeligheid te meten is om iemand foto’s te laten zien van de ogen van mensen en hun te vragen om te beschrijven wat die persoon denkt of voelt. Dit is 
een ‘test om te meten hoe goed iemand zich kan verplaatsen in iemand anders’ hoofd, en kan “afstemmen” op hun mentale staat’, schreef de bedenker van de ‘gedachten in ogen lezen’-test, Simon Baron-Cohen van de University of Cambridge. Mannen raden gemiddeld slechts 52 procent van de emoties van de persoon op de foto correct, vrouwen meestal 61 procent.

    Mensen in de sterke teams in Woolleys experiment scoorden bovengemiddeld bij de ‘gedachten in ogen lezen’-test. Ze leken te zien wanneer iemand van de kaart was of zich buitengesloten voelde. Ze vroegen elkaar waar de ander aan dacht. De sterke teams bevatten ook meer vrouwen.

    Maar terugkomend op de vraag bij welk team je je liever zou aansluiten ingeval je de keus kreeg tussen de serieuze club, het professionele team A, of het vrijere, meer informele team B: je zou het beste kunnen opteren voor team B. Team A is slim en zit vol effectieve collega’s. Individueel zullen de leden stuk voor stuk succesvol zijn. Maar als team neigen ze ernaar om hun individuele gedrag voort te zetten. Er is weinig aanleiding om te denken dat ze als groep een collectieve intelligentie zullen ontwikkelen, omdat uit niets blijkt dat iedereen een gelijke stem heeft in het geheel en dat de leden gevoelig zijn voor de gevoelens en behoeften van teamgenoten.

    Team B is in tegenstelling daarmee rommeliger. Mensen praten door elkaar heen, ze springen van de hak op de tak, ze zijn gezellig aan het doen in plaats van zich aan de agenda te houden. Maar iedereen praat zoveel als voor hem of haar nodig is. Ze voelen zich allemaal even gehoord en snappen elkaars non-verbale communicatie en manier van uitdrukken. Ze proberen te anticiperen op elkaars reactie. Team B mag dan minder individuele uitblinkers hebben, de som van de groep is veel groter dan de afzonderlijke delen.

    Psychologische vrijheid

    Tegen de zomer van 2015 hadden de onderzoekers van het Google Project Aristoteles twee jaar lang onderzoeken verzameld, vraaggesprekken gehouden, informatie vergeleken met data uit het verleden en statistieken geanalyseerd. Ze hadden tienduizenden afzonderlijke data nauwkeurig onderzocht en tientallen softwareprogramma’s ontworpen om de ontwikkeling te analyseren. Uiteindelijk waren ze zover om hun conclusies te openbaren aan de medewerkers van het bedrijf.

    Ze belegden een bijeenkomst in het hoofdkantoor in Mountain View. Duizenden medewerkers kwamen opdagen en nog veel meer keken via een videostream. Laszlo Bock, hoofd van de afdeling Personeelszaken bij Google, liep het podium op en bedankte iedereen voor zijn aanwezigheid. ‘Het belangrijkste wat jullie van dit onderzoek zouden moeten meenemen is dat het er in veel opzichten meer toe doet hóé een team werkt, dan wíé erin zit,’ zei hij.

    Voor hij het podium op ging, had hij nog wat tegen me gezegd: ‘We dragen allemaal een mythe mee in ons hoofd. We denken dat we supersterren nodig hebben. Maar dat kwam niet uit ons onderzoek. 
Als je een team middelmatige krachten neemt en 
je leert ze op de goede manier met elkaar werken, dan zullen ze dingen doen die een superster nooit voor elkaar zou krijgen. En er zijn nog andere mythen, zoals dat salesteams anders geleid moeten worden dan technische teams, of dat de beste teams het over alles wat ze doen eens moeten zijn, of dat goed presterende teams heel veel werk nodig hebben om zich betrokken te blijven voelen, of dat teamleden in elkaars nabijheid moeten werken.

    ‘We richten ons nooit op het debuggen van menselijke interactie. We zetten goeie mensen bij elkaar en hopen dan dat het gaat lukken, en soms is dat zo en soms niet, en meestal weten we niet waarom’

    Maar we kunnen nu wel zeggen dat dat niet klopt. De data laten zien dat er een universele waarheid is voor het slagen van sterke teams. Het is belangrijk dat alle leden van het team zich gehoord voelen, maar het lijkt niet veel uit te maken of ze echt ergens een stem in hebben of beslissingen nemen. De hoeveelheid werk of de nabijheid van teamleden maakt ook niet uit. Wat ertoe doet is dat ze gehoord worden en sociaal fijngevoelig zijn.’

    Bock liet op het podium een reeks afbeeldingen zien. ‘Er zijn vijf sleutelnormen die ertoe doen,’ vertelde hij het publiek.
    1. Teams moeten geloven dat hun werk belangrijk is.
    2. Teams moeten het gevoel hebben dat hun werk voor hen persoonlijk betekenisvol is.
    3. Teams hebben duidelijke doelen en afgebakende rollen nodig.
    4. Teamleden moeten weten dat ze op elkaar kunnen rekenen.
    5. Maar het belangrijkste: teams hebben psychologische veiligheid nodig.

    Om psychologische veiligheid te creëren, moesten teamleiders het juiste gedrag voordoen, zei Bock. Daarvoor konden ze checklists gebruiken die ontworpen waren door Google: teamleiders zouden de leden van hun team tijdens een gesprek niet moeten onderbreken, want daardoor ontstaat een interruptienorm; ze zouden moeten laten zien dat ze luisterden door het gezegde, nadat het teamlid uitgesproken was, samen te vatten; ze zouden eerlijk moeten zijn over wat ze niet wisten; ze zouden een bijeenkomst pas moeten afsluiten wanneer alle leden van een team ten minste één keer hun zegje hadden gedaan; ze zouden mensen die ontdaan zijn, moeten aanmoedigen hun frustraties te uiten, en leden van het team aanmoedigen om onbevooroordeeld te reageren; ze zouden conflicten tussen groepen niet moeten verdoezelen en ze door open discussie moeten oplossen.

    Op de checklist stonden tientallen tactieken. Maar ze draaiden allemaal om twee algemene principes: teams zijn succesvol wanneer iedereen het gevoel heeft zich te kunnen uitspreken en wanneer de leden laten zien dat ze rekening houden met elkaars gevoelens.

    ‘Er zijn veel kleine dingen die een leider kan doen,’ zei Abeer Dubey. ‘Kapt de leider mensen tijdens een vergadering af met de opmerking “Ik wil hier graag een vraag over stellen”, of wacht ze af tot iemand klaar is met zijn verhaal? Hoe reageert de leider op een ontdaan iemand? Dat zijn zulke subtiele dingen, maar ze kunnen een enorme impact hebben. Ieder team is anders, en het is niet ongebruikelijk in een bedrijf als Google dat technici of verkoopmedewerkers opgeleid zijn om de strijd aan te gaan voor datgene waar ze in geloven. Maar je moet wel de juiste normen hebben om verschil van mening productief in plaats van destructief te laten zijn. Anders wordt een team nooit beter.’

    Bewuster

    Drie maanden lang reisde Project Aristoteles van het ene naar het andere district, lichtte hun bevindingen toe en begeleidde teamleiders. De mensen aan de top van Google verschaften instrumenten die teams konden gebruiken om te evalueren of de leden zich psychologisch veilig voelden en werkoverzichten om teamleden en -leiders hun scores te helpen verbeteren.

    ‘Ik heb een achtergrond in kwantitatief onderzoek. Als ik iets moet gaan geloven, dan moet je me data geven om het te staven,’ zei Sagnik Nandy, die als hoofd van Googles afdeling Technische Analyse een van de grootste teams van het bedrijf leidt. ‘Dus het zien van al deze data heeft een ommekeer voor me betekend. Technici halen heel graag fouten uit software omdat we weten dat we met slechts een paar tweaks de effectiviteit met 10 procent verhogen. Maar we richten ons nooit op het debuggen van menselijke interactie. We zetten goeie mensen bij elkaar en hopen dan dat het gaat lukken, en soms is dat zo en soms niet, en meestal weten we niet waarom. Door Aristoteles debuggen we onze mensen nu. Het heeft de manier waarop ik vergaderingen leid totaal veranderd. Ik denk nu zoveel bewuster na over hoe ik laat zien dat ik luister, of ik interrumpeer, of hoe ik iedereen aanmoedig zijn zegje te doen.’

    Het project heeft ook effect op het team Aristoteles. ‘Een paar maanden geleden zaten we in een vergadering en maakte ik een fout,’ vertelde Julia Rozovsky me. ‘Geen grote fout, maar het was wel beschamend, en achteraf stuurde ik een berichtje rond waarin ik uitlegde wat er was misgegaan, waarom het was gebeurd en hoe we het zouden oplossen. Meteen daarna kreeg ik een e-mail van een teamlid met alleen maar “Au” daarin.

    Het was alsof ik een stomp in mijn maag kreeg. 
Ik was al ontdaan dat ik een fout had gemaakt, en deze mail appelleerde precies aan mijn onzekerheden. Maar omdat we al lang samenwerkten, mailde ik hem terug en zei: “Er gaat niets boven een flinke ‘au’ om het gevoel van ochtendlijke psychologische vrijheid te vernietigen!” En hij reageerde met: “Ik probeer gewoon even je veerkracht uit.” Dat zou bij iemand anders verkeerd gevallen kunnen zijn, maar hij wist dat dit precies was wat ik nodig had. Met een interactie van dertig seconden losten we de spanning op. Het is grappig om je in teamverband bezig te houden met een project over teameffectiviteit, want je kunt alles wat je leert al doende uitproberen. Ik realiseerde me dat zolang iedereen maar het idee heeft dat ze ook wat mogen zeggen en we echt laten zien dat we naar elkaar willen luisteren, je het gevoel hebt dat iedereen je steunt.’

    Auteur: Charles Duhigg

    Dit is een voorpublicatie uit Slimmer, sneller, beter – Het geheim van productiviteit thuis en op het werk, dat binnenkort verschijnt bij Ambo|Anthos. Vertaling: René van Veen, Louise Koopman

  • Waarom is Afrika…

    Waarom is Afrika…

    China drijft intensieve handel met Afrika, een miljoen Chinezen vestigden zich al op het continent. De rest van de Chinezen lijkt weinig te begrijpen van de aantrekkingskracht van deze handelspartner. Toon mij uw zoekvragen en ik zeg u wie u bent…

    China’s ambities in Afrika zijn bekend. De handel met het continent dat zo rijk is aan grondstoffen, heeft onlangs de 200 miljard overschreden en Chinese agentschappen en bedrijven hebben groots geïnvesteerd in de aanleg van de zo noodzakelijke wegen, spoorwegen en in de bouw van openbare gebouwen. Intussen hebben meer dan 1 miljoen Chinezen huis en haard verlaten om hun geluk te beproeven in een Afrikaans land.

    ©  Alvise Forcellini/Creative Commons
    © Alvise Forcellini/Creative Commons

    Banale vragen

    Die banden brengen China en Afrika misschien dichter bij elkaar, maar dat betekent niet dat de gewone Chinese burger het continent erg goed begrijpt. Bijvoorbeeld: ‘Waarom wonen er in Zuid-Afrika zoveel blanken?’ is bij Baidu, China’s grootste zoekmachine, de belangrijkste automatisch aangevulde vraag over dat land. Baidu’s auto-aanvuller werkt net zo als die van Google: wanneer iemand een zoekopdracht begint te typen, wordt een lijst getoond van mogelijke manieren om die opdracht af te maken, deels door de archieven van de machine af te zoeken naar eerdere populaire zoekopdrachten. Die automatisch gegenereerde suggesties bieden vaak het extra voordeel dat die uit online discussies zijn gefilterd en zo de diepzinnige en (vaak vermakelijke) banale vragen blootleggen die mensen ertoe brengen om op zoek te gaan antwoorden.

    De meest voorkomende zoekopdrachten met betrekking tot Afrikaanse landen geven aan dat de gevoelens van de Chinese internetgebruiker over Afrika niet verschillen van die van de westerling: vaak associëren ze het werelddeel met geweld, armoede, ziektes en buitenissige eetgewoontes. Dat blijkt uit resultaten per land afzonderlijk, maar het blijkt ook uit zoekopdrachten over Afrika als geheel.

    Baidu’s eerste suggestie voor Egypte is waarom dat land ouder is dan China

    Baidu:

    Waarom is Afrika

    … zo arm?
    … zo achtergebleven?
    … achtergebleven?
    … niet in staat om zich te ontwikkelen?

    Google:

    waarom is afrika

    waarom is afrika zo arm
    waarom is afrika
    waarom is afrika arm
    waarom is afrika een zootje
    waarom is afrika de naam van dat continent
    waarom is afrika zo achterlijk
    waarom is afrika zo corrupt
    waarom is afrika nog steeds arm
    waarom is afrika zo onderontwikkeld
    waarom is afrika zo’n chaos

    Bepaalde resultaten zijn specifiek Chinees. Baidu’s eerste suggestie 
voor Egypte is waarom dat land 
ouder is dan China, wat aangeeft dat de trots waarmee de Chinezen de lange geschiedenis van hun beschaving vergelijken met die van Europa en vooral met die van de Verenigde Staten enigszins verbleekt bij de piramides van Giza.
    Onderwerpen die voortkwamen uit Afrika’s gecompliceerde geschiedenis staan ook boven aan de resultaten voor andere landen. Internetgebruikers vragen waarom Côte d’Ivoire en Ghana ook Ivoorkust en Goudkust worden genoemd. Zoekopdrachten over Algerije en Libië die werden aangevallen door Franse en Amerikaanse strijdkrachten, verwijzen naar vroegere en latere interventies door het Westen. Verder is er de erfenis van het imperialisme, de apartheid en de verzoening die het overwicht van blanken in de Afrikaanse ‘regenboognatie’ verklaart.

    Van luchtiger aard zijn zoekopdrachten over voetbal

    Niub

    Misschien wel het raadselachtigste resultaat is de vraag waarom de inwoners van Gambia zo nb zijn – een afkorting van niub, een Chinese term die ongeveer vertaald kan worden met een sarcastisch bedoeld ‘gaaf’ (maar die eigenlijk iets veel platters en vulgairders betekent). Deze zoekopdracht leidt naar verscheidene bulletinboards waarop een lijst staat van vermeende dreigementen van het kleine West-Afrikaanse landje om de Sovjet-Unie binnen te vallen en te bezetten, of Noord-Amerika, of het grootste deel van Europa, of Taiwan te helpen bij de herovering van het Chinese vasteland. Die bedreigingen konden we niet alle-maal verifiëren, maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat ze niet helemaal uit de lucht gegrepen lijken te zijn gezien de dingen die de kleurrijke leider van het land in het verleden heeft gezegd.
    Zoekopdrachten naar geweld krijgen soms een Chinees tintje door het woord luan – meestal vertaald met ‘chaos’, een beladen woord dat vaak wordt gebruikt om politieke en sociale instabiliteit te suggereren. Verwijzingen naar luan komen voor bij resultaten voor Zuid-Afrika, maar vooral bij die voor Somalië. Internetgebruikers willen ook weten waarom Somalië – door The Economist ‘de meest mislukte staat ter wereld’ genoemd – geen regering heeft, waarom het Amerika haat en waarom het piraten heeft.

    Van luchtiger aard zijn zoekopdrachten over voetbal. ‘De Ontembare Leeuwen’ staat boven aan de lijst van suggesties van vragen naar het nationale voetbalelftal van Kameroen. Baidu meldt ook dat het team van Nigeria ‘de Superadelaars’ wordt genoemd, hoewel die zoekopdracht in het niet zinkt bij veelvuldige vragen naar de korte verbanning van dat land uit de internationale competitie vorig jaar. Recente krantenkoppen vormden de aanleiding voor een eerste suggestie voor de Centraal Afrikaanse Republiek, waar sektarisch geweld heeft geleid tot kannibalisme.

    Onze methode bestond uit het typen van de vraag ‘Waarom is [land X]…’, hoewel beperkte resultaten bij sommige landen ons in enkele gevallen tot een bredere aanpak heeft genoopt en we alleen de landsnaam intypten om te kijken welke auto-aanvullingen Baidu zou geven. Deze aanpak leverde onverwachte resultaten op voor onder meer Burundi (een vissoort uitsluitend voorkomend in een meer aldaar) en Soedan (de zaden van een plaatselijke variëteit van sorghum).

    Warner Brown

    (Foto boven: Lunch voor de zebra’s. © Farrukh/Creative Commons)