Techgiganten lijken steeds meer op de Shells van deze wereld: vervangbare onderdelen van de nationale infrastructuur, aldus de Russische internetdeskundige Andrej Soldatov. Van hun gebruikers hebben ze niks meer te vrezen.
Het nieuws dat Google en Apple uiteindelijk voor de druk van het Kremlin zijn gezwicht en de app van Navalny uit hun appstore hebben gehaald, heeft verwarring en begrijpelijke woede gewekt onder Russische liberalen. Maar echt verrassend is het niet. De veronderstelling dat er een wezenlijk, bijna ideologisch verschil is tussen de manier van zakendoen van internetgiganten enerzijds en energiebedrijven als BP of Shell anderzijds, gaat uit van het idee dat het verdienmodel van de techbedrijven berust op het winnen en behouden van het vertrouwen van hun klanten. De gedachte is dat gebruikers van BP weliswaar keuze hebben – er zijn immers meerdere concurrerende tankstations –, maar dat het ze weinig kan schelen bij welk tankstation ze hun auto volgooien. Tankstations zijn gewoon een deel van de infrastructuur waaraan we gewend zijn, en alleen fanatieke activisten denken dat je tot verandering kunt komen door het boycotten van wereldspelers die deel uitmaken van die infrastructuur, zoals BP. Die activisten krijgen nooit genoeg mensen mee in zo’n initiatief, dat dan dus mislukt.
De internetreuzen hebben decennialang gedacht dat het vertrouwen van de massa een onmisbaar onderdeel van hun verdienmodel was. Tot 2016. Na de Russische inmenging in de Amerikaanse presidentsverkiezingen brak er een storm van kritiek los die zijn weerga niet kende en die nog steeds niet helemaal is uitgewoed. De eindeloze hoorzittingen in het Congres, de schandalen, de klokkenluiders die met de meest kwalijke beschuldigingen komen over manipulatie van gebruikersgegevens, over het aanjagen van haat en polarisatie en zelfs over de hulp aan vijandige staten en kwaadaardige populisten met afschuwelijke plannen: het zou allemaal meer dan genoeg zijn geweest om Facebook allang de das om te doen, als het verdienmodel van het bedrijf inderdaad afhankelijk was geweest van het vertrouwen van consumenten. Dan zou het geesteskind van Zuckerberg nu wel dood zijn, na de privacy van zijn gebruikers zo te hebben geschonden. Maar zo is het niet gegaan.
Regulering
Het aantal maandelijkse gebruikers van Facebook is sinds 2016 alleen maar gestegen: het ging van 1,86 miljard in het vierde kwartaal van 2016 naar 2,89 miljard in het tweede kwartaal van 2021. Nieuwe platforms zoals Parlio en Quora weten ook wel enige populariteit te verwerven, maar zijn nooit een reëel alternatief voor Facebook geworden. En daar hebben zowel de techreuzen als overheden een belangrijke les uit getrokken.
De bedrijven hebben ervan begrepen dat ze, net als de BP’s van deze wereld, meer te vrezen hebben van overheden dan van hun gebruikers. En inderdaad zien we bij overheden sinds 2016 een groeiende neiging om de mondiale internetreuzen strenger te reguleren. Dat zie je overal: in de VS, maar ook in Europa en natuurlijk in landen met autoritaire regimes, zoals Rusland. Overheden kwamen van hun kant tot het besef dat gebruikers niet de macht hebben om hun techreuzen tegen beknotting te beschermen. Ook al heb je miljarden gebruikers, zodra de regering van een land besluit jouw bedrijf aan banden te leggen, zullen maar weinig burgers daartegen in het geweer komen. Voorbij is de tijd dat demonstranten in Moskou met Facebook-vlaggen stonden te zwaaien voor de regeringsgebouwen aan het Oude Plein.
En voorbij is ook, dankzij die westerse storm van verontwaardiging in 2016, de gedachte dat internetgiganten in een land met een repressief regime kunnen bijdragen aan de strijd voor internetvrijheid. Dat mondiale internetplaftorms niet alleen bedreigend, maar ook nog steeds bevrijdend kunnen zijn, is voor de westerse samenleving inmiddels een bizarre gedachte geworden. Niemand verwacht veel verontwaardigde reacties uit het buitenland over een besluit van Apple en Google dat alleen Russische gebruikers treft.
Mondiale platforms zijn vervangbaar
In landen als Rusland dachten de grote techbedrijven misschien inmiddels deel uit te maken van de nationale infrastructuur zodat ze gevrijwaard waren van overheidsblokkades. Maar de verandering in de manier waarop het internet in de afgelopen vijf tot zeven jaar wordt gebruikt, heeft die hoop de bodem ingeslagen. We bezoeken sociale media tegenwoordig op onze smartphone, niet meer op een laptop. En het probleem met mobiel internet is dat de gemiddelde gebruiker niet meer naar de homepage van YouTube gaat om te kijken wat de gaafste nieuwe filmpjes zijn, maar bedolven wordt onder de links die vrienden sturen via WhatsApp of Telegram – en niemand maalt er nog om waar dat filmpje dan staat, op YouTube, TikTok of RuTube, de zwaar gepromote Russische variant van YouTube. Het internet is onderdeel geworden van de nationale infrastructuur, maar mondiale platforms zijn vervangbaar.
Wrang
Het wrange van Google en Apple en Twitter zit hem in de snelheid waarmee deze ingrijpende verandering in de perceptie van zowel overheden als gebruikers zich heeft voltrokken: de bedrijven worden nog steeds geleid door de mensen die ze hebben opgericht. En dus verwachten we dat zij blijven vechten voor de privacy, de integriteit en de internetvrijheid waardoor hun bedrijf überhaupt mogelijk werd gemaakt.
In ons boek The Red Web laten we Valery Bardin aan het woord, de Russische internetpionier die was belast met het onderhoud van Relcom, het eerste internetnetwerk in de Sovjet-Unie. Hij legt uit waarom hij tijdens de staatsgreep van augustus 1991 besloot het netwerk niet af te sluiten, ook al kon hem dat de kop kosten. ‘We hadden bij voorbaat al verloren, want het uitwisselen van informatie was de hele bestaansreden van Relcom. We zouden sowieso de vijanden van het regime zijn geworden, wat we ook deden.’
Maar nu, precies dertig jaar later, is het internet tegelijk meer en minder vrij dan in 1991. Het is een onderdeel van de nationale infrastructuur. En je verwacht van tankstations toch ook niet dat die in staking gaan?
Digitale censuur in Cambodja neemt toe. Recent zijn tientallen mensen naar de gevangenis gestuurd voor het plaatsen van grappen, gedichten, foto’s, privéberichten en liedjes op internet. Met een wet die op 16 februari in werking treedt zullen de digitale beperkingen verder toenemen. Internetverkeer, ook vanuit het buitenland, moet dan via een door de overheid beheerd portaal worden gestuurd waar alle serviceproviders verplicht op aangesloten moeten zijn. Zo kan de overheid ingrijpen in netwerkverbindingen die van invloed zijn op ‘het nationaal inkomen, de veiligheid, sociale orde, moraliteit, cultuur, tradities en gewoonten’, schrijft The New York Times.
Overheidstoezicht is overigens al groot in Cambodja. Zo wordt internetverkeer op elk ministerie gecontroleerd door een team dat ‘aanstootgevende’ inhoud moet delen met een misdaadeenheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken, het centrum van het robuuste beveiligingsapparaat. Volgens critici neemt Cambodja met de nieuwe wet een plaats in op de groeiende lijst van landen die China’s autoritaire model van internetsurveillance omarmen, uiteenlopend van Vietnam tot Turkije.
De Italiaanse jezuïet Antonio Spadaro is een van de eersten die onderzocht hoe het internet de manier waarop het geloof beleefd wordt beïnvloedt. In zijn baanbrekende boek Cybertheologia schrijft hij over de impact van de digitale revolutie op religie. Lees de exclusieve vertaling van het voorwoord.
Nexus-conferentie: ‘Revolutie van de hoop‘
‘Revolutie van de hoop’ is dit jaar het onderwerp van de Nexus-conferentie. Met als hoofdvraag: Waar vinden we, te midden van al onze hedendaagse crises, de revolutionaire hoop, moed en creativiteit om nieuwe werelden vorm te geven?
Op zaterdag 20 november komen sprekers als Giuseppe Conte, Patti Smith, Wole Soyinka en Mary L. Trump bijeen in Amsterdam om een antwoord te formuleren op deze vragen.
Deze week publiceert 360 Magazine artikelen en speeches van de sprekers van de Nexus-conferentie ‘Revolution of Hope’. De vijfde in de reeks is de Italiaanse jezuïet Antonio Spadaro.
Is the Internet Changing the Way you Think? Dat is de titel van een in 2011 in de Verenigde Staten onder redactie van John Brockman verschenen interviewbundel over de impact van het internet op ons leven. Dat is inderdaad de echte vraag, de enige die we onszelf moeten stellen: verandert het internet onze manier van denken? Recente digitale technologieën zijn niet langer gereedschappen of hulpmiddelen die volledig losstaan van ons lichaam en onze geest. Het internet is geen hulpmiddel, maar een ‘omgeving’ waarin we leven. De ‘devices’, oftewel de apparaten die we daartoe altijd bij de hand hebben (en die vaak ook niet groter zijn dan een hand) en die ons in staat stellen altijd online te zijn, verdwijnen steeds meer, worden lichter, verliezen consistentie en vervagen tegen de achtergrond vande digitale dimensie van het leven. Het zijn open deuren die zelden gesloten worden. Wie zet nog zijn iPhone uit? Die wordt opgeladen, wordt op ‘stil’ gezet, maar wordt zelden uitgeschakeld. Er zijn mensen die niet eens weten hoe dat moet. En als we een smartphone op zak hebben die aanstaat, zijn we continu online.
En dus wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar hoe het internet ons dagelijks leven en, in algemenere zin, onze relatie met de wereld en de mensen om ons heen verandert. Maar als het internet onze manier van leven en denken verandert, zal het dan niet ook onze manier van denken over, en beleven van, het geloof veranderen (…hetgeen ook al gebeurt)?
Lees ook de artikelen van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:
Die vraag kent voor mij een precies ontstaansmoment. In januari 2010 werd ik door Mgr. Domenico Pompili gevraagd om een lezing te geven op een congres georganiseerd door de Italiaanse Bisschoppenconferentie, getiteld Digital Witnesses. Hij vroeg me om te praten over geloof en internet. Tot dan toe had ik, vanaf 1999, voor La Civiltà Cattolica een aantal artikelen geschreven over afzonderlijke aspecten van het internet en over afzonderlijke sociale netwerken. Daarmee zette ik de traditie van grote betrokkenheid voort van het tijdschrift waarvan ik in oktober 2011 hoofdredacteur werd, een traditie die in gang was gezet door pater Enrico Baragli, een ware pionier in het onderzoek naar massamedia, voortgezet door pater Antonio Stefanizzi met artikelen over nieuwe communicatietechnologieën.
Toen Mgr. Pompili me benaderde, had ik twee boeken over het onderwerp geschreven: Verbindingen. Nieuwe vormen van cultuur in het internettijdperk (2006) en Web 2.0. Relatienetwerken (2010). Maar zijn uitnodiging bezorgde me toch een ongemakkelijk gevoel. Ik begreep dat hij me met zijn verzoek niet vroeg om een fenomenologische beschouwing over internettools voor evangelisatie, noch om een sociologische bespiegeling over religiositeit op internet. Dat wil zeggen, dergelijke bespiegelingen volstonden mijns inziens niet. Ik herinner me dat ik, toen ik probeerde mijn betoog voor te bereiden, voor het lege scherm van mijn computer zat zonder te weten hoe te beginnen, wat te schrijven. Maar ik snapte wel dat ik een ‘theologisch’ betoog moest houden. Dit was het moment om iets te zeggen dat de vrucht was van de cognitieve impuls die van het geloof uitgaat in een tijd als de onze, waarin de logica van het internet haar stempel drukt op onze manier van denken, weten, communiceren, leven.
Welke impact heeft het internet op de manier waarop er naar de Kerk en de kerkelijke gemeenschap wordt gekeken?
Daarmee drong ik een gebied binnen dat me aanvankelijk nogal onontgonnen en weinig populair toescheen. Bij het zoeken naar literatuur over het onderwerp ontdekte ikdat er inmiddels weliswaarveel geschreven is over de pastorale dimensie, waarin het internet als een instrument van evangelisatie wordt gezien, maar dat er van een systematisch-theologische reflectie daarentegen amper sprake was. Mijn vragen waren: welke impact heeft het internet op de manier waarop er naar de Kerk en de kerkelijke gemeenschap wordt gekeken? En welke invloed heeft het op de manier waarop over de Openbaring, de genade, de liturgie, de sacramenten – en dus over de klassieke thema’s van de systematische theologie – wordt gedacht? Mijn lezing van 23 april 2010 op het congres Digital Witnesses was de eerste stap in een persoonlijke reflectie die nog maar net in gang is gezet.
De gedachte dat we deze vragen onder ogen moeten durven zien wordt steeds meer gedeeld. Benedictus XVI zelf sprak de deelnemers aan de plenaire vergadering van de Pauselijke Raad voor Sociale Communicatie op 28 februari 2011 als volgt toe: ‘Het is niet alleen zaak de evangelieboodschap te verkondigen in de taal van nu, maar het is ook noodzakelijk de moed op te brengen om, zoals ook is gedaan in andere tijden, dieper na te denken over de relatie tussen het geloof, het leven van de Kerk en de veranderingen die de mens doormaakt. Het is de verplichting om degenen die verantwoordelijkheid dragen in de Kerk te helpen de “nieuwe taal” van de media te begrijpen, te interpreteren en te spreken bij het pastorale werk en in de dialoog met de hedendaagse wereld, en zich af te vragen: voor welke uitdagingen worden het geloof en de theologie gesteld door het zogenaamde “digitale denken”? Voor welke vragen en verzoeken? De communicatiewereld beïnvloedt het hele culturele, sociale en spirituele universum van de mens. Als die nieuwe talen een impact hebben op zijn manier van denken en leven, heeft dat in zekere zin ook betrekking op zijn geloofswereld, zijn intelligentie en zijn expressie. Volgens een klassieke definitie is theologie het begrijpen van het geloof, en we weten dat begrip, opgevat als beschouwende en kritische kennis, niet terugdeinst voor culturele veranderingen. De digitale cultuur stelt nieuwe eisen aan ons vermogen om een symbolische taal te bezigen en te horen die spreekt van transcendentie. Ook Jezus zelf maakte bij de verkondiging van het Koninkrijk gebruik van elementen uit de cultuur en de omgeving van zijn tijd: de kudde, de velden, het feestmaal, de zaden enzovoort. Vandaag de dag wordt ons gevraagd om, ook in de digitale cultuur, symbolen en metaforen te ontdekken die voor mensen betekenisvol zijn, die van nut kunnen zijn bij het tot de hedendaagse mens spreken over het Koninkrijk van God.’
Spirituele blik
Nadenken over geloof in deze internettijd is echter niet alleen reflectie in dienst van het geloof. In werkelijkheid is de inzet zelfs nog hoger en allesomvattender. Als christenen nadenken over internet, is dat niet alleen om te leren hoe ze het goed kunnen ‘gebruiken’, maar ook omdat christenen geroepen zijn om de mensheid te helpen begrijpen hoe ze de diepe betekenis van het internet in Gods plan moeten opvatten: niet als een instrument om te ‘gebruiken’, maar als een omgeving om te ‘bewonen’. Zoals Johannes Paulus II in 2005 schreef in zijn apostolische brief De snelle ontwikkeling: ‘De Kerk, die op grond van de haar door de Heer toevertrouwde heilsboodschap ook leermeesteres van de mensheid is, is zich bewust van haar plicht zelf bij te dragen tot een beter begrip van de perspectieven en verantwoordelijkheden met betrekking tot de huidige ontwikkelingen van de communicatiemiddelen.’ Dit is de grootste bijdrage van de Kerk aan het internet, althans vanuit haar eigen gezichtspunt: de mensheid helpen de diepe betekenis van communicatie en van de media beter te begrijpen. En dat vooral omdat die ‘het geweten van individuen beïnvloeden, hun mentaliteit vormen en hun kijk op dingen bepalen’. In de ontwikkeling van communicatie ziet de Kerk de handeling van God die de mensheid de weg naar vervulling wijst. Het internet, met zijn vermogen om, op zijn minst in potentie, een ruimte voor gemeenschap te zijn, maakt deel uit van de reis van de mens naar deze vervulling in Christus. En dus dienen we met een spirituele blik naar het internet te kijken en daarbij Christus te zien die de mensheid oproept om steeds meer verenigd en verbonden te zijn.
Ik ben geen socioloog of technicus: ik ben academisch opgeleid in de geesteswetenschappen – eerst filosofie en daarna theologie – en het was de literaire kritiek, waarmee ik me sinds 1994 bezighoudt voor La Civiltà Cattolica,die me ertoe aanspoorde te gaan nadenken over het internet. Het kritisch lezen van poëzie bracht me ertoe me met technologie bezig te houden en de theologie stelde me in staat de juiste nieuwsgierigheid aan de dag te leggen en de juiste categorieën te hanteren om die te begrijpen. Ik putte troost en inspiratie uit de bevindingen van Marshall McLuhan, die de nieuwe media met een vernieuwende blik benaderde, te weten als literair criticus en katholiek denker en niet als socioloog. Vervolgens was het de dichter Gerard Manley Hopkins die me de rol van technologische innovatie hielp begrijpen, was het de jazz die me de rol van sociale netwerken deed begrijpen, waren het theologen – van Thomas van Aquino tot Teilhard de Chardin – die me verlichtten inzake de krachten die de mens actief maken in de wereld door deel te nemen aan de schepping, en die de mens optillen naar een doel dat hoger is dan hijzelf en elk cognitief surplus te boven gaat. Het is de onuitputtelijke zoektocht naar betekenis die me de waarde van de USB-kabel in mijn hand heeft doen inzien. En ik weet dat mijn iPad verband houdt met mijn onuitblusbare verlangen om de wereld te leren kennen, terwijl mijn iPhone me (zelfs als hij op stil staat) vertelt dat ik gemaakt ben om niet alleen te zijn. Maar het is Whitmans poëzie die mijn belangstelling voor vooruitgang aanwakkert. En het is Eliot die me ervoor behoedt in haar valkuilen te lopen. Maar het is ook Flannery O’Connor die me doet inzien dat ‘de genade in hetzelfde gebied leeft als de duivel’ en dat langzaam in bezit neemt. En dus begrijp ik dat ik, hoeveel slechts ik ook zie op het net, er nooit een negatief oordeel over zal kunnen vellen om vervolgens op mijn lauweren te rusten, als ik God aan het werk in de wereld wil zien. En als ik zie hoe elektriciteit mijn computer binnenstroomt, waardoor die aanspringt en op wonderbaarlijke wijze begint op te starten, is het de gedachte aan de bezielde poëzie van Karol Wojtyla die mijn verwondering stuurt.
Cyberspace benadrukt onze eindigheid en roept op tot volkomenheid
De technologie geeft uitdrukking aan het verlangen van de mens naar een volkomenheid die altijd groter is dan hijzelf, zowel op het niveau van aanwezigheid en verbinding als op het niveau van kennis: cyberspace benadrukt onze eindigheid en roept op tot volkomenheid. Daarnaar op zoek gaan betekent in zekere zin opereren in een veld waarin, zoals ik al zei, spiritualiteit en technologie elkaar kruisen.
Op 23 april 2010 begon ik aan een reeks artikelen voor La Civiltà Cattolica, en vervolgens heb ik mijn bevindingen getoetst op verschillende conferenties en bijeenkomsten, zowel in Italië als in het buitenland. Hoewel de resultaten van mijn studie, die ik heb gedefinieerd als ‘cybertheologie’, vooral zijn geboekstaafd in een aantal essays in La Civiltà Cattolica, voelde ik de behoefte om die ook open te stellen voor online raadpleging en debat. En dus heb ik op 1 januari 2011 het blog Cyberteologia.it gestart, en vervolgens ook de Facebookpagina ‘Cybertheology’, een Twitteraccount (@antoniospadaro) en de krant The CyberTheology Daily (http://www.cyber-theology.net), een service voor contentbeheer. Op die manier heb ik geprobeerd mijn reflecties ‘sociaal’ te maken. Ten slotte redigeer ik sinds april 2011 een maandelijkse column over cybertheologie in het maandblad Jesus.
Antropologische verandering
Nu ik dit boek aan de lezer ter hand stel, wil ik enkele punten eruit aanstippen die samen een soort conceptueel uitgangspunt vormen. Allereerst wil ik benadrukken dat men zich, alvorens te beginnen met lezen, de vraag moet stellen wat de nieuwe, door de media gegenereerde existentiële context behelst, en de daaruit voortvloeiende ‘antropologische verandering’. Wat betekent die voor het geloof? In welke wereld leven we? Is die hetzelfde als vroeger? Als iemand vraagt ‘Waar woon je?’, wat zouden we dan antwoorden? We bewonen ook een ‘digitaal grondgebied’. Welke waarde kennen we in het digitale tijdperk toe aan het feit dat ‘het Woord vlees is geworden en onder ons is komen wonen’?
Ik wil er derhalve graag op wijzen dat het mijn bedoeling is om mogelijke scenario’s te schetsen en het verlangen te voeden om niet te stoppen bij de ‘wonderen’ van de techniek, maar om verder te gaan en te begrijpen hoe de wereld verandert en hoe deze verandering invloed heeft op het geloofsleven. Technologieën zijn niet alleen ‘nieuw’ omdat ze anders zijn dan wat eraan voorafgaat, maar ook omdat ze het begrip ‘ervaren’ ingrijpend veranderen. We moeten niet zo naïef zijn te geloven dat ze ons ter beschikking staan zonder dat ze op enigerlei wijze tornen aan onze manier om de werkelijkheid waar te nemen. Het is de taak van de Kerk, zoals van alle kerkelijke gemeenschappen, om de mens te begeleiden op zijn reis, en het internet maakt inmiddels onlosmakelijk deel uit van die reis.
Als je naar het internet kijkt, dien je niet alleen naar de toekomstperspectieven te kijken die het biedt, maar ook naar de verlangens en de verwachtingen die de mens altijd heeft gekoesterd en ten aanzien waarvan hij naar antwoorden zoekt, te weten: verbinding en kennis. We weten heel goed dat het bestaan van de Kerk altijd op twee fundamentele pijlers heeft gerust: de verkondiging van een boodschap en gemeenschapszin. En dus is de Kerk vanzelfsprekend dáár aanwezig waar de mens zijn vermogen tot kennis en verbinding ontwikkelt. Dat is de reden waarom het internet en de Kerk ‘altijd al’ waren voorbestemd elkaar te ontmoeten. En daarom is het vandaag de dag ook noodzakelijk om na te denken over het geloof in tijden van internet, oftewel over ‘cybertheologie’.
Antonio Spadaro
Antonio Spadaro, S.J. is een Italiaanse Jezuïet, journalist en schrijver, maar bovenal vertrouweling en een van de voornaamste adviseurs van paus Franciscus. In 1988 deed hij zijn intrede bij de Sociëteit van Jezus en in 1998 raakte hij betrokken bij het tweewekelijkse jezuïtische tijdschrift La Civiltà Cattolica, waarvan hij sinds 2011 hoofdredacteur is.
In 2014 publiceerde hij zijn invloedrijke boek Cybertheology, waarin hij ingaat op de invloed van de digitale revolutie en het internet op onze kijk op leven en geloof, en klassieke theologische begrippen als de openbaring, gratie, liturgie en sacramenten. Spadaro is lid van de Pauselijke Raad voor de Cultuur en lid van de Pauselijke Academie voor Kunst en Literatuur. In 2013 nam hij het eerste interview van paus Franciscus af, dat wereldwijd in verschillende vertalingen verscheen.
Wifiwachtwoorden van scholen worden doorverkocht aan buurtbewoners
Schoolkinderen in Zuid-Afrika verkopen het wifiwachtwoord van hun school om hun lunch te kunnen betalen. Miljoenen verarmde kinderen in Zuid-Afrika hebben thuis geen internet en krijgen daarom gratis toegang tot internet op school. Tegen een vergoeding geven leerlingen het wifiwachtwoord van de school prijs aan mensen in de buurt van de school die geen internetaansluiting of mobiele-data-abonnement hebben, schrijft Rest of world. ‘De gangbare koers is 10 tot 20 rand, ongeveer 60 cent tot 1 euro 20’, aldus scholier Thabo, die in Duduza Township woont, op zo’n 90 kilometer van Johannesburg. ‘Op een goede dag verdien ik 50 rand’.
Zuid-Afrika is volgens de Wereldbank ook het meest inkomensongelijke land ter wereld
Veel Zuid-Afrikanen hebben behoefte aan goedkope internettoegang, zeker nu steeds meer activiteiten, van overheidszaken tot entertainment, online plaatsvinden. Het land heeft weliswaar de meest ontwikkelde telecommunicatie-infrastructuur van het continent en ook een van de meest geavanceerde economieën van Afrika, maar is volgens de Wereldbank ook het meest inkomensongelijke land ter wereld.
De vraag wel of geen ananas op pizza verdeelt de wereld al sinds 1962. In een tijdperk dat zich kenmerkt door polarisatie, wordt het debat weer op het scherpst van de snede gevoerd. Waarom maken we ons zo druk over de pizza Hawaï?
Het noodlottige experiment vond plaats in 1962. Sam Panopoulos, een restauranthouder, was niet bang om risico’s te nemen. Hij had Griekenland op twintigjarige leeftijd verlaten om een nieuw leven te beginnen in Canada en werd eigenaar van een succesvol restaurant in het centrum van Chatham, Ontario. Hij stond bekend om zijn speelse gevoel voor humor. Zijn noodlottige culinaire creatie was een combinatie van deze beide elementen van zijn karakter. Tijdens het bereiden van een pizza, opende hij een blikje gesneden ananas – en deed het ondenkbare.
Zestig jaar later is de pizza Hawaï – een standaardlaag van mozzarella en tomaat belegd met ananas en ham of spek – een van de meest controversiële gerechten ooit gemaakt. In tegenstelling tot andere etenswaren waarover de meningen zo vrolijk verdeeld zijn (iemand zin in Marmite?) is het geen kwestie van deze pizza lekker vinden of niet. In een tijdperk dat zich kenmerkt door een neiging tot polarisatie, is het debat over de verdiensten (of tekortkomingen) van ananas op pizza een wereldwijd tijdverdrijf geworden. In profielen op dating-apps worden potentiële partners niet zelden geconfronteerd met een ‘voedselgevecht’; hou je van ananas op pizza? is evengoed een ijsbreker als een dealbreker. Publieke figuren hebben partij gekozen: Paris Hilton is er gek op, Gordon Ramsay windt zich erover op.
Voor de lol
Het debat over de ananaspizza is zo alomtegenwoordig dat de Amerikaanse regering in 2019 met de ‘The War on Pineapple’ kwam, een voorlichtingscampagne met als doel te laten zien hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd via online posts over kwesties die gemoederen verdelen. Waarom ontlokt de pizza Hawaï dit soort uitgesproken meningen? Panopoulos zei dat hij de ananas slechts ‘voor de lol’ op deze pizza had gedaan. Toen de controverse over zijn creatie in 2017 viraal ging, liet de pensionaris – handenwrijvend – van zich horen: ‘Wat is er met jullie aan de hand?’ vroeg hij.
De pizza Hawaï was niet altijd zo omstreden. In de jaren vijftig en zestig was pizza voor de meeste Amerikanen nog een relatieve nieuwigheid. Met de komst van huishoudelijke diepvriezers boden kant-en-klare pizzabodems een blanco canvas voor zelfexpressie. In recepten in Amerikaanse kranten werd voorgesteld om allerlei niet-traditioneel pizzabeleg uit te proberen, zoals gebakken aardappel en zure room, of zelfs om pizza als dessert te eten, met suiker, kaneel en banaan bovenop gesmolten mozzarella. De opvattingen over welk beleg aanvaardbaar was, waren nog niet verworden tot een religieus dogma.
De naoorlogse periode was in Noord-Amerika een tijd van culinaire nieuwsgierigheid en experimenteren. De Italiaanse keuken nam een hoge vlucht in de buitenwijken. Tegelijkertijd bloeide, met de terugkeer van militairen uit de Stille Zuidzee, de tikicultuur op, met de bijbehorende cocktails, hoelameisjes en ananassen [Het begrip ’tikicultuur’ ontstond rond de jaren dertig van de vorige eeuw in de VS, en is geïnspireerd op de tikisnijkunst uit de Maoricultuur]. Omgekeerde ananastaart werd een favoriet dessert. Ingeblikte ananas was een belangrijk exportproduct voor Hawaï, dat tot de jaren zestig driekwart van de wereldvoorraad produceerde. Het was dus duidelijk hoe de nieuwe fruitige pizza van Panopoulos moest gaan heten: ‘Hawaï’. Ananas was slechts een van de vele Amerikaanse belegvariaties: in Californië werd gebarbecuede kip op pizza populair en in Chicago heerste de panpizza. Populaire combinaties wisselden elkaar af, maar de pizza Hawaï bleef een van de populairste pizza’s in Amerika [en veel andere landen].
Fastfoodfenomeen
Vrijwel elk ingrediënt is ooit als pizzatopping uitgeprobeerd. Sinds het ontstaan als goedkope maaltijd voor zeelieden in Napels was de pizza al een populair en laagdrempelig voedingsmiddel. Maar toen pizza een wereldwijd fastfoodfenomeen werd, kwam ook het begrip klasse om de hoek kijken: koos je voor het ‘authentieke’ recept, of bezweek je voor een verbastering met fruit?
Puristen zagen ananas als een voorbeeld van hoe ver de pizza van zijn oorsprong was afgegleden. De tropische nieuwigheid was zo on-Italiaans als maar zijn kon. De ‘gourmet’-pizza’s in de chique Californische restaurants waren dan misschien even onecht, maar het was de pizza Hawaï die velen te ver ging.
Nationale en culturele trots laaiden het vuur verder op. Toen de pizza steeds verder veramerikaniseerd raakte, vocht het land dat het gerecht bedacht terug. ‘Wij zijn tegen de culturele en commerciële vervorming van onze pizza’, aldus Antonio Pace, oprichter van de Associazione Verace Pizza Napoletana (vereniging voor de echte Napolitaanse pizza) bij de oprichting van de organisatie in 1984. ‘We willen onze oude tradities bestendigen.’
‘Pizza met ananas? Dat is een taart’
In de jaren tachtig hadden de Italiaans-Amerikanen hun maatschappelijke achterstand ingelopen. Sommigen voelden dat hun identiteit gevaar liep. In 2002 vertelde een Italiaans-Amerikaanse pizzabakker aan The New York Times dat hij slechts één keer ananas op een pizza had gedaan: toen een klant die acht maanden zwanger was hem vertelde dat ze daar trek in had. ‘Maar dat was meteen ook de laatste keer,’ zei hij.
Zeven jaar later, toen de Napolitaanse pizza een beschermde status kreeg volgens de Europese wet, vroeg dezelfde krant een pizzaiolo in Napels naar zijn mening: ‘Pizza met ananas? Dat is een taart.’
‘Het is oké om vrouwelijk, mannelijk, homo of hetero te zijn … maar het is nooit oké om ananas op pizza te doen’
Ondanks het feit dat het een van de populairste pizza’s ter wereld is, kwam de pizza Hawaï te staan voor onechtheid, fastfood en slechte smaak. Er was maar één extra ingrediënt nodig om de controverse rondom de pizza Hawaï nog eens wereldwijd te doen toenemen: het internet.
Het afgelopen decennium hebben meningsverschillen, anekdotes en vluchtige zaken uit de echte wereld online vaak onherkenbare vormen aangenomen. Socialmediaplatforms lenen zich evengoed om kattenfoto’s te bespreken als om in konijnenholen van extremistische politiek te vallen. De malle en toegankelijke pizza Hawaï bleek perfect voer voor de mememachine van het internet.
De eigenheid van ananas leende zich uitstekend voor deze wereld waarin men het leuk vond om willekeurige en vreemde onderwerpen te vereren (of te ontheiligen). En het leukste was nog dat het om een gerecht ging dat de gemoederen deed oplaaien. Het was niet de pizza Hawaï die een meme werd, maar het debat over de pizza Hawaï. Wilde je meepraten, dan moest je een mening hebben.
In december 2009 werd een Facebookpagina gelanceerd met de naam ‘Pineapple does NOT belong on PIZZA!’ (ananas hoort niet op pizza). Volgens Know Your Meme, een database van de internetcultuur, bracht deze pagina het online gekrakeel op gang. Mensen grepen de kans om zich over te geven aan ironie en overdrijving. ‘Het is oké om vrouwelijk, mannelijk, homo of hetero te zijn … maar het is nooit oké om ananas op pizza te doen,’ aldus een meme. Anderen, die het online debat onvermijdelijk torpedeerden, stelden dat Adolf Hitler een fan was van ananas als topping. ‘Knights of Pineapple’ (ananasridders), een Reddit-groep uit 2015 met op dit moment 68.000 leden, beloofde te ‘vechten voor de erkenning van de heerlijke pizza Hawaï’.
#TeamPineapple
Het debat ontworstelde zich van de online forums. In 2017 werd de president van IJsland naar verluidt door een student gevraagd hoe hij over de pizza in kwestie dacht: ‘Ik zou hem verbieden als ik de wetgevende macht had,’ zei hij. Hetzelfde jaar kwam Justin Trudeau, premier van Canada, swingend uit voor het thuisteam: ‘Ik heb een ananas. Ik heb een pizza. En ik sta volledig achter deze heerlijke creatie uit Zuidwest-Ontario. #TeamPineapple’, tweette hij.
Tegen een achtergrond van trolling en takedowns, online echo-chambers en door social media verstoorde verkiezingen, ging het debat over de ananaspizza eigenlijk helemaal niet over eten. Het was polarisatie voor de bühne: een manier om te spotten met de kwalijke kanten van het internet. Veel onderwerpen waren inmiddels haast te beladen om te bespreken – zowel online als offline –, maar hier had je een onbeduidend onderwerp waarover iedereen kon meepraten en ruziën, zonder dat je je zorgen hoefde te maken over gevolgen in de echte wereld.
Misschien verklaart dat waarom opiniepeilers, op het verkeerde been gezet door de schokkende uitslagen van het brexit-referendum en de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016, hun toevlucht namen tot enquêtes over pizza. YouGov stelde vast dat 53 procent van de Britten in 2017 ananas als beleg goedkeurde (slechts een iets kleiner deel had gestemd voor het verlaten van de Europese Unie). Pizza is een onderwerp geworden waarover je je zogenaamd kunt opwinden zonder dat het je eigenlijk een bal kan schelen. Het gerecht, dat vaak door een groep mensen wordt besteld en genuttigd, nodigt uit tot debat en discussie – maar vriend en vijand van de ananaspizza kunnen nog steeds aan dezelfde tafel zitten. En als het erop aankomt eten de meesten van ons welk stuk ons ook maar wordt voorgeschoteld.
‘Als 2020 een pizzatopping was, zou het ananas zijn’
Er worden nog steeds berichten gepost op social media waarin het gerecht wordt aanbeden of verguisd. ‘Als 2020 een pizzatopping was, zou het ananas zijn’, is een typische klaagzang van deze tijd. Toen het Amerikaanse Cybersecurity and Infrastructure Security Agency wilde laten zien hoe buitenlandse actoren controversiële kwesties kunnen uitbuiten, zoals in 2016 gebeurde toen Russische trollen ‘meme warfare’ gebruikten om verdeeldheid te zaaien in Amerika, was het debat over de ananaspizza vanwege de herkenbaarheid een voor de hand liggend voorbeeld.
De organisatie maakte een infographic om te laten zien hoe het discours rond de ananas als topping kon worden gepolitiseerd en verhit met uitspraken als: ‘tegen ananas zijn is on-Amerikaans’ of ‘millennials verpesten de pizza’. Later, toen het cyberbeveiligingsagentschap kennelijk de smaak van fruitige pizza’s te pakken had gekregen, werkte het samen met psychologen van de Universiteit van Cambridge om een online spel te maken dat was bedoeld om spelers ‘in te enten’ tegen politieke desinformatie doordat ze de processen sneller leerden herkennen. Spelers werden uitgenodigd onenigheid te zaaien in het vreedzame Harmony Square, een buurt die bekendstaat om zijn levende standbeeld, zijn majestueuze zwaan – en zijn jaarlijkse ananaspizzafestival.
Tweespalt bleek veel dichter bij huis te worden aangewakkerd dan iemand van het cyberbeveiligingsagentschap had kunnen voorspellen. In november 2020, na weken van ophef over verkiezingsfraude, werd Chris Krebs, hoofd van Amerika’s cyberbeveiligingsagentschap, door Donald Trump ontslagen omdat hij in het openbaar de integriteit van de presidentsverkiezingen van november in twijfel had getrokken. Drie dagen later tweette Krebs: ‘Ik moet iets bekennen: Ik hou echt van ananas op pizza. Don’t @ me. #WarOnPineapple’.
De reacties waren, zoals te verwachten was, gepolariseerd. Maar voor één keer volgden ze niet de partijlijnen. De strijd om de pizza Hawaï blijft een luchthartige met een verfrissend lage inzet, en een waarvan iedereen kan genieten. Een beetje zoals de pizza dus.
Mark Rutte en ananas op pizza
Tijdens een livestream op TikTok van de VVD-campagne in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 kreeg Mark Rutte een kijkersvraag: ‘Ananas op een pizza, ja of nee?’ ‘Absoluut niet!’ antwoordde de VVD-leider met een vies gezicht. Zijn argumentatie: ‘Er is niets zo smerig, vind ik, als een combinatie van zoet en hartig. Dus ik vind dat helemaal niks.’
Rutte was zich bewust van de verdeeldheid die rondom de kwestie heerst: ‘We zijn het vaak eens in dit land, maar Nederland splijt hier.’
Toch zei Rutte dat hij op dit onderwerp geen consessies zou doen: ‘Ik behoor absoluut tot de groep die geen ananas op pizza gaat doen. Ik ga het gewoon niet doen.’
Bedrijven weten heel goed dat mensen op het internet allesbehalve goed opletten en vaak handelen uit gewoonte en gemakzucht, en bedenken de ene na de andere truc om gebruikers geld en informatie afhandig te maken. In Californië is nu een wet aangenomen die deze praktijken verbiedt.
Heeft u bij het surfen op internet weleens gedacht: ‘Wat krijgen we nou, dat wilde ik toch helemaal niet!’
Bijvoorbeeld u geabonneerd op een nieuwbrief omdat de ‘ja, graag’-button zo groot op het beeldscherm was dat je er absoluut niet naast kon klikken?
Of software geïnstalleerd doordat die simpelweg met andere programma’s mee werd geïnstalleerd – om vervolgens uw browser vol te plakken met reclame?
Misschien heeft u zelfs een abonnement afgesloten, hoewel u eigenlijk van plan was iets heel anders te kopen…
U bent niet de enige.
Zulke geraffineerde trucjes zijn vandaag de dag geen zeldzaamheid en al evenmin een vergissing – er zit een heel systeem achter. Want bedrijven hebben allang door dat mensen op het net allesbehalve goed opletten maar vaak handelen vanuit gewoonte en gemakzucht. Om dit menselijke gedragspatroon schaamteloos uit te buiten heeft zich de afgelopen jaren een soort manipulatief design ontwikkeld dat wordt ingezet op steeds meer websites: dark patterns.
En niet alleen kleine louche websites maken er gebruik van. Wie bijvoorbeeld zijn Amazon-prime-lidmaatschap wil opzeggen moet zich door zes verschillende websites heen scrollen en zich langs diverse complexe keuzemenu’s worstelen. Het geheel is zo onoverzichtelijk, zo weinig intuïtief en zo gecompliceerd dat er op internet gedetailleerde handleidingen voor leken in omloop zijn. De bedoeling is duidelijk: klanten die willen opzeggen moet het zo moeilijk mogelijk worden gemaakt – zodat de kans bestaat dat ze murw gebeukt het er gewoon bij laten zitten.
Natuurlijk zijn zulke praktijken niet erg klantvriendelijk – maar ze zijn wel legaal omdat het consumentenrecht overal op aarde achterloopt op ontwikkelingen in de digitale wereld
Natuurlijk zijn zulke praktijken niet erg klantvriendelijk – maar ze zijn wel legaal omdat het consumentenrecht overal op aarde achterloopt op ontwikkelingen in de digitale wereld. Maar zo langzaam aan komen staten in actie en willen zij hun burgers beschermen tegen zulke ‘duistere patronen’ op het net.
Over de hele wereld rijst er momenteel verzet tegen dit soort oneerlijke zakenpraktijken. Zo spande de Noorse consumentenbond (NCC) na eigen onderzoek begin dit jaar een rechtszaak aan tegen de opzeggingspraktijken van Amazon-prime – het bedrijf wordt ervan beschuldigd dat het met zijn manipulatieve design in strijd handelt met geldend recht in de Europese Economische Ruimte. Amazon bestrijdt dat.
Om duidelijkheid te creëren en een eind te maken aan juridisch grijs gebied dat dark patterns mogelijk maakt heeft de Europese Commissie pas eind 2020 aangekondigd dat zij het consumentenrecht wil versterken en duidelijke grenzen wenst vast te leggen in de Digital Services Act (Wet inzake digitale diensten) die nu in concept voorgelegd gaat worden aan het Europees Parlement en de Europese Raad.
Juridisch kwetsbaar
Californië zou als voorbeeld kunnen dienen. Want deze Amerikaanse staat heeft genoeg van dubieuze ondernemingspraktijken. Het is voor het eerst dat het begrip ‘dark pattern’ überhaupt in een wetstekst opduikt. Om precies te zijn komt deze term voor in de California Privacy Rights Act 2020 die in november 2020 werd aangenomen en in 2023 in werking treedt.
Daarin staat onder meer de volgende passage te lezen die ontwerpers in bedrijven als Amazon vermoedelijk het klamme zweet op het voorhoofd bre<h3>ngt: ‘Een door gebruikmaking van dark patterns verkregen instemming wordt niet als zodanig beschouwd.’
Definitie
Dark patterns zijn designs van websites of programma’s die menselijk gedrag zo manipuleren dat gebruikers gestuurd worden naar handelingen ‘die strijdig zijn met hun eigenbelang en negatieve gevolgen kunnen hebben’.
Dezelfde definitie hanteert ook het Bureau voor Technologiebeoordeling bij de Duitse Bondsdag dat in 2019 uitdrukkelijk waarschuwde voor het fenomeen.
Wie dus via dark patterns data verzamelt doet dit in Californië binnenkort zonder dat hij daar toestemming voor heeft en maakt zich zo juridisch kwetsbaar. Dat alleen al zou ertoe kunnen leiden dat bedrijven deze louche digitale praktijken zullen staken om geen – vooral in de VS potentieel kostbare – aanklachten aan hun broek te krijgen.
Het enige probleem hierbij is de nog brede definitie van dark patterns. Dat vereist verder grondig onderzoek: gezocht dient te worden naar exacte precedenten en er moeten regels worden opgesteld. In Californië gebeurt dit door de recentelijk opgerichte Privacy Protection Agency die in de loop van dit jaar met haar werkzaamheden zal starten.
En omdat bedrijven als Amazon, Facebook & co hun software internationaal ontwerpen, zou dit op lange termijn de rechten van internetgebruikers over de hele wereld kunnen versterken.
Beschermen
Maar nog zijn dark patterns in de EU niet verboden en worden ze er veel toegepast. Daarom zouden we allemaal ze moeten leren herkennen om ons ertegen te kunnen beschermen.
Dark patterns zijn niet ogenblikkelijk herkenbaar; ze werken subtiel – dat zit al in het begrip besloten. Maar ze volgen wel vaak een duidelijk, zich herhalend patroon om gebruik te maken van de zwakheden van de menselijke psyche. Al in 2019 heeft Princeton University hier aan de hand van shoppingwebsites onderzoek naar gedaan. Op basis van de manier waarop zij werken onderscheidt Princeton zeven categorieën. Zo kun je leren hoe ze jou willen manipuleren.
Heimelijk te werk gaan: een poging informatie achter te houden waartegen de gebruikers vermoedelijk bezwaar zouden maken. Bijvoorbeeld bij aankopen op het net de klant automatisch ook voor een nieuwsbrief registreren.
Gevoel van urgentie oproepen: gebruikers bij een beslissing onder tijdsdruk zetten. Bijvoorbeeld aftellers plaatsen bij producten die beperkt voorradig zijn.
Bewust een bepaalde kant op sturen: het gebruik van gevoelsmatig aantrekkelijke beelden of taal om aan gebruikers een bepaalde keuze te ontlokken. Bijvoorbeeld ‘ja, graag’-buttons prettiger en mooier vormgeven dan ‘nee, bedankt’-buttons.
Sociale druk uitoefenen: verwijzen naar het gedrag van andere gebruikers. Bijvoorbeeld bij een productbeschrijving aangeven hoeveel andere gebruikers dit product al hebben gekocht of bekeken.
Schaarste creëren: aangeven dat iets slechts voor een beperkte tijd mogelijk is. Bijvoorbeeld een bijzonder exclusieve bonus voor de allereersten die een abonnement afsluiten.
Bewust hinderen: het eenvoudig maken om in een bepaalde situatie te belanden, maar onevenredig moeilijker om daar weer uit te geraken. Zoals bij Amazon het afmelden voor een bepaalde dienst ver wegstoppen in het menu.
Zaken afdwingen: het verplicht maken om informatie prijs te geven die eigenlijk niets met de gewenste handeling van doen heeft. Bijvoorbeeld gebruikers verplichten adres en rekeningnummer te overleggen, ook als het abonnement gratis is.
Nudging
Nudging is een methodiek om mensen zonder expliciete verboden of directe prikkels, maar alleen via subtiele aanwijzingen en door het voor hen gemakkelijker te maken, aan te zetten tot een bepaald gewenst gedrag. Zo kan een fruitschaal op ooghoogte bij de kassa van een cafetaria mensen ertoe verleiden om gezonder te eten. Dark patterns maken gebruik van vergelijkbare methoden, zij het met alleen louche bedoelingen. In dat opzicht zijn zij de keerzijde van nudging.
De lijst van Princeton is alleen gebaseerd op shoppingwebsites waarbij het vooral gaat om het kopen van producten of afsluiten van abonnementen – of juist te voorkomen dat deze worden opgezegd. Er zijn echter ook dark patterns die het niet op het geld van hun gebruikers hebben gemunt maar vooral op hun gegevens – en deze worden zelfs nog vaker toegepast. Geen wonder want data zijn in het internettijdperk voor bedrijven van grote waarde – ze zijn voor adverteerders een speciaal soort valuta geworden. Aan de Princetonlijst moeten we dus nog een punt toevoegen:
Zuckerbergjes: genoemd naar Mark Zuckerberg, de baas van Facebook (in het Engelse origineel privacy Zuckering) die deze vorm van dark patterns heel brutaal inzet om je ertoe te verleiden informatie prijs te geven die bedrijven dan door kunnen verkopen. Bijvoorbeeld in de vorm van ellenlange reeksen met cookie- en privacybeschermingsinstellingen.
Op een VN-bijeenkomst kwam een team van het Chinese telecombedrijf Huawei met een voorstel voor een nieuw internetprotocol, een nieuwe infrastructuur die de macht weghaalt bij het individu en teruggeeft aan de staat. De Britse zakenkrant de Financial Times zocht het tot op de bodem uit.
Op een frisse dag in september betrad een handvol Chinese ingenieurs vorig jaar een vergaderzaal in het hartje van de VN-wijk in Genève. Ze hadden een uur de tijd om afgevaardigden uit meer dan veertig landen te overtuigen van hun visie: een ander soort internet, ter vervanging van de technische architectuur die al een halve eeuw ten grondslag ligt aan het wereldwijde web dat we kennen. Het huidige internet is van iedereen en niemand, maar zij willen iets heel anders bouwen: een nieuwe infrastructuur die de macht weghaalt bij het individu en teruggeeft aan de staat.
Het voorstel voor dit ‘Nieuwe IP’ (internetprotocol) werd gepresenteerd door een team van de Chinese telecomreus Huawei. Geen enkel ander bedrijf had zo’n grote delegatie afgevaardigd naar deze bijeenkomst van de International Telecommunication Union (ITU), een VN-organisatie die wereldwijde standaarden voor technologie vastlegt. De Chinezen gaven een simpele powerpointpresentatie, die weinig informatie bevatte over hoe die nieuwe techniek precies werkt en voor welk specifiek probleem het een oplossing is. Wel was de presentatie gelardeerd met plaatjes van futuristische technologie, van levensgrote hologrammen tot zelfrijdende auto’s. Die moesten illustreren dat het huidige internet een achterhaalde techniek is, die de grenzen van zijn mogelijkheden heeft bereikt. Het wordt tijd, zo stelde Huawei, voor een nieuw wereldwijd netwerk met een top-downontwerp, en de Chinezen willen dat maar al te graag bouwen.
Overal ter wereld lijken overheden het erover eens dat de huidige vorm van internetregulering – in feite niet meer dan wetteloze zelfregulering door merendeels Amerikaanse bedrijven – niet functioneert. Het Nieuwe IP is de recentste van een hele reeks pogingen om daar verandering in te brengen, vaak onder aanvoering van landen die vijftig jaar geleden niet bij het ontstaan van het internet waren betrokken. ‘De conflicten rond internetregulering zijn de nieuwe plaatsen waar politieke en economische macht zich in de eenentwintigste eeuw ontplooit,’ schreef Laura DeNardis in 2014 in haar boek The Global War for Internet Governance.
Censuurmodel
Vooral China beschouwt de ontwikkeling van een nieuwe infrastructuur en nieuwe standaarden voor internet als kernpunt van zijn digitale buitenlandbeleid, en het ziet zijn censuurmodel als schoolvoorbeeld van een efficiënter internet dat naar andere landen kan worden geëxporteerd. China ‘wil natuurlijk een technologische infrastructuur die de overheid net zo’n totale macht geeft als ze in de samenleving heeft, een technisch ontwerp dat tegemoetkomt aan de totalitaire drang,’ zegt Shoshana Zuboff, sociaal wetenschapper aan Harvard en auteur van The Age of Surveillance Capitalism. ‘Dat vind ik eng, en iedereen zou dat eng moeten vinden.’
Volgens Huawei wordt het Nieuwe IP alleen ontwikkeld om tegemoet te komen aan de technische eisen van een razendsnel veranderende digitale wereld en is er nog geen specifieke vorm van regulering in het ontwerp opgenomen. Het telecombedrijf leidt een ITU-studiegroep die onderzoekt welke netwerktechnologie de wereld in 2030 nodig heeft, en het Nieuwe IP moet daaraan voldoen, aldus een woordvoerder. Informatie over het voorstel is vooral afkomstig uit twee met jargon doorspekte documenten waarin de Financial Times inzage kreeg. Het zijn de teksten van de twee presentaties die afgelopen september en februari achter gesloten deuren zijn gegeven aan de afgevaardigden bij de ITU. Het betreft een voorstel voor technische standaarden en een powerpointpresentatie getiteld ‘New IP: Shaping the Future Network’.
Hoewel internet een invloedrijk medium is, kent het eigenlijk geen toezicht. De macht berust er nu grotendeels bij een handjevol Amerikaanse bedrijven: Apple, Google, Amazon, Facebook. Juist door het ontbreken van centraal toezicht heeft internet zo’n grote verandering teweeg kunnen brengen in onze manier van leven en communiceren. Maar het heeft ook geleid tot een uitvergroting van de breuklijnen in onze maatschappij, door manipulatie van het maatschappelijk debat, ondermijning van de democratie en de opkomst van massaspionage.
De machtsbalans begint te verschuiven, maar de wensen van staten lopen sterk uiteen. Zo willen de VS, Groot-Brittannië en Europa het huidige systeem aanpassen om beter toezicht te kunnen houden en inlichtingendiensten meer inzage te bieden in de gegevens van individuele gebruikers. Het Chinese Nieuwe IP is veel radicaler, want daarbij kan centraal toezicht in de technische structuur worden ingebakken. Volgens diverse aanwezigen op de ITU-bijeenkomsten viel het Chinese voorstel in goede aarde bij Saoedi-Arabië, Iran en Rusland. Ook bleek uit het voorstel dat de blauwdrukken voor deze nieuwe netwerkstructuur al klaarliggen en dat er een begin is gemaakt met de bouw. Elk ander land kan deze straks overnemen.
Wat we nodig hebben, is een westers internet dat berust op een visie van een digitale toekomst verenigbaar met democratie
‘We hebben nu twee soorten internet: een door de markt gedomineerde kapitalistische versie waarin alles draait om het volgen van gebruikers voor commercieel gewin; en een autoritaire versie waarin alles net zo goed draait om het volgen van gebruikers,’ zegt Zuboff. ‘De vraag is: slaan Europa en Noord-Amerika de handen ineen om de juridische en technologische kaders te ontwerpen voor een democratisch alternatief?’
Bij de presentatie van het Nieuwe IP wordt van de digitale wereld in 2030 een beeld geschetst waarin virtual reality, holografische communicatie en robotchirurgie aan de orde van de dag zijn. Het traditionele IP-protocol wordt ‘onstabiel’ en ‘verregaand ontoereikend’ genoemd, met ‘tal van problemen op het vlak van veiligheid, betrouwbaarheid en techniek’.
De documenten bevatten een pleidooi voor een top-downontwerp en voor de uitwisseling van data tussen landen ‘ten behoeve van artificiële intelligentie, big data en allerlei andere toepassingen’. Veel deskundigen vrezen dat internetproviders, vaak in handen van de staat, met dit nieuwe internetprotocol precies kunnen zien welke apparaten met het netwerk verbonden zijn en vervolgens de toegang van individuele gebruikers kunnen afsluiten of bespioneren. Er wordt al aan gewerkt door technici ‘van bedrijven en universiteiten’ in ‘meerdere landen’, zei Huawei’s teamleider Sheng Jiang in september, al wilde hij geen namen noemen, want dat was commercieel gevoelige informatie. Zijn gehoor bestond uit oudgedienden in de ITU, voornamelijk regeringsafgevaardigden uit Groot-Brittannië, Amerika, Nederland, Rusland, Iran, Saoedi-Arabië en China.
Sommigen van hen is dit hele idee een gruwel. Als de ITU het Nieuwe IP zou legitimeren, kunnen staten volgens hen kiezen of ze hun burgers een westers dan wel Chinees internet opleggen. In het laatste geval heeft iedere burger in zo’n land toestemming van zijn internetprovider nodig om iets op het internet te kunnen doen, van het downloaden van een app tot het bezoeken van een site – en krijgen beheerders de macht om ze dat recht zomaar te ontzeggen. In plaats van via één groot wereldwijd web moeten mensen dan contact met elkaar zoeken via een lappendeken van nationale internetten, elk met zijn eigen regels – een idee dat in China bekendstaat als ‘cybersoevereiniteit’.
Agressieve benadering
Recente gebeurtenissen in Iran en Saoedi-Arabië geven een indruk van de mogelijke gevolgen. Daar werd het internet in tijden van sociale onrust langdurig aan banden gelegd door de overheid: alleen essentiële diensten als banken en medische zorg waren nog beperkt bereikbaar. Rusland heeft in november een wet voor ‘soeverein internet’ aangenomen die de overheid het recht geeft om alle internetverkeer nauwlettend te volgen. Zo bleek hoezeer de Russen het internationale internet al buiten de deur kunnen houden – een mogelijkheid die ze met hulp van Chinese bedrijven als Huawei hebben ingebouwd. Deskundigen vragen zich nu af of China’s visie op internettoezicht verschuift van een defensieve opstelling, waarbij het de vrijheid opeist om autoritair toezicht uit te oefenen in eigen land, naar een agressievere benadering, waarbij andere landen actief worden opgeroepen om China’s voorbeeld te volgen.
Volgens de bedenkers van het nieuwe internetprotocol zijn onderdelen van hun technologie volgend jaar al klaar om te worden getest. Hun pogingen om andere ITU-delegaties van het nut te overtuigen zullen verder worden opgevoerd op de grote ITU-conferentie die in november in India plaatsvindt. Om de ITU zover te krijgen dat het voorstel binnen een jaar wordt goedgekeurd, zodat het een officiële standaard wordt, moet er consensus zijn binnen de studiegroep, ofwel instemming van een meerderheid van de afgevaardigden. Als dat niet lukt, vindt er een besloten stemming plaats onder de lidstaten, en staan het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties dus buitenspel.
Dat hoge tempo zint de westerse delegaties niet, en volgens de aan ons gegeven documenten gaan eral stemmen op om het proces te vertragen. Een lid van de Nederlandse delegatie schreef in een officiële reactie, die ons door verschillende bronnen werd toegespeeld, dat ‘de open en flexibele aard’ van het internet – zowel wat de technische structuur als het toezicht betreft – van fundamenteel belang is geweest voor het succes ervan, en dat hij ‘zich met name zorgen maakt’ dat dit nieuwe model afwijkt van die filosofie. De eveneens aan ons doorgespeelde scherpe kritiek van een Britse afgevaardigde luidde: ‘Het is verre van duidelijk of er goede technisch redenen zijn voor zo’n radicale stap.’
Een van de meest uitgesproken critici van het Nieuwe IP is Patrik Fältström, een eigenzinnige, langharige IT’er die in zijn vaderland Zweden bekendstaat als een van de vaders van het internet. Begin jaren tachtig, toen hij in Stockholm wiskunde studeerde, werd hij ingehuurd om mee te bouwen aan de infrastructuur voor een nieuwe technologie, door de Amerikaanse overheid ‘internet’ genoemd. Tegenwoordig dient hij de Zweedse regering van advies over digitale zaken en heeft hij zitting in de meeste standaardiseringsinstanties voor internet, waaronder de ITU.
Dertig jaar geleden werkte hij mee aan de ontwikkeling van de bouwstenen van het internet, en nu is hij de verpersoonlijking van de cyber-libertaire westerse idealen die in de structuur ervan verweven zijn.
‘De architectuur van het internet maakt het voor de internetprovider heel moeilijk, zo niet onmogelijk om te weten waarvoor het wordt gebruikt, of daaraan beperkingen op te leggen,’ zegt hij. ‘Dat is een probleem voor opsporingsinstanties en anderen die liever zien dat de internetprovider daar wel greep op heeft, zodat het internet niet kan worden gebruikt voor zaken als de illegale verspreiding van films of kinderporno. Maar ik ben bereid om te accepteren dat je nu eenmaal misdadigers hebt die verkeerde dingen doen en dat de politie dat niet [allemaal] kan tegengaan. Dat offer heb ik ervoor over.’
Great Firewall
Een heel andere opvatting is te horen in Wuzhen, het dorpje bij Sjanghai dat elk najaar wordt schoongeveegd om plaats te bieden aan de ondernemers, academici en beleidsmakers die daar bijeenkomen voor een evenement met de prestigieuze naam World Internet Conference. De Cyberspace Administration of China, de Chinese internetwaakhond, organiseert deze conferentie al sinds 2014, het jaar nadat Xi Jinping aantrad.
De bezoeker wordt er verwelkomd door een rij vlaggen van overal ter wereld – een verwijzing naar Xi Jinpings droom van ‘een gemeenschap met een gezamenlijke toekomst in cyberspace’. Allerlei kopstukken uit de computerwereld, van Tim Cook van Apple tot Steve Mollenkopf van Qualcomm, hebben er met hun optredens geloofwaardigheid verleend aan Xi’s ambitie om daar de internationale top van de technologiesector bijeen te brengen. Maar de laatste jaren loopt de buitenlandse deelname terug, nu de technologische oorlog tussen China en de VS is opgelaaid en ondernemers niet de indruk willen wekken dat ze al te innige banden hebben met Beijing.
Begin jaren negentig begon China met het ontwikkelen van wat bekend kwam te staan als de Great Firewall: een reeks technische maatregelen om Chinezen af te schermen van verboden buitenlandse websites (van Google tot The New York Times), politiek gevoelige binnenlandse content te censureren en te voorkomen dat burgers zich online konden organiseren. De controle van Beijing wordt uitgevoerd door grote censuurteams van de overheid en van internetbedrijven als Baidu en Tencent. Overal ter wereld heb je in principe alleen een computer en een internetverbinding nodig om je eigen website online te kunnen zetten, maar in China moet je daar een vergunning voor aanvragen. Telecomproviders en sociale media zijn ook verplicht de politie te helpen met het opsporen van ‘misdaden’, zoals dat je Xi Jinping in een besloten chatgroep een ‘gestoomd broodje’ noemt: daar heeft iemand twee jaar cel voor gekregen.
Toch lukt het nog niet om alles wat de overheid onwelgevallig is volledig van internet te weren. ‘Het lekke wereldwijde web blijft de Chinese censors frustreren. En ze steken er heel veel tijd en geld in, maar als je al die problemen in één klap kunt oplossen door er een beter geautomatiseerd en technisch proces van te maken, misschien met dat Nieuwe IP, dan zou dat voor hen natuurlijk fantastisch zijn,’ zegt James Griffiths, de schrijver van The Great Firewall of China: How to Build and Control an Alternative Version of the Internet.
Het internet is een gepolitiseerd machtsmiddel geworden
Voortrekker van de plannen voor het Nieuwe IP is Richard Li, hoofd Onderzoek bij Futurewei, de R&D-afdeling van Huawei in Californië. Hij ontwikkelt het voorstel voor de nieuwe technische specificaties en standaarden samen met ingenieurs van Huawei in China en met de staatsbedrijven China Mobile en China Unicom – met expliciete steun van de Chinese overheid. Toen onze krant hem hierover benaderde, kreeg hij van Huawei niet de gelegenheid het Nieuwe IP nader uit te leggen. Het bedrijf zei in een verklaring: ‘Het Nieuwe IP moet nieuwe technologische oplossingen bieden voor toekomstige applicaties zoals het Internet of Everything, holografische communicatie en telegeneeskunde. Wetenschappers en ingenieurs van overal ter wereld kunnen deelnemen en bijdragen aan het onderzoek en de innovatie van het Nieuwe IP.’
Critici noemen de technische beweringen over het Nieuwe IP in de documentatie onjuist of onduidelijk en zeggen dat het typisch ‘een oplossing op zoek naar een probleem’ is. Zij houden vol dat het huidige IP-systeem nog prima voldoet, ook in een wereld die in hoog tempo digitaliseert.
‘Het internet is ontworpen als een verzameling afzonderlijke modulaire bouwstenen die losjes met elkaar verbonden zijn, dat is er juist zo briljant aan,’ zegt Alissa Cooper, voorzitter van de Internet Engineering Task Force (IETF), een Amerikaanse brancheorganisatie voor de bewaking van technische standaarden. Tijdens een IETF-bijeenkomst in Singapore hield Li in november een presentatie voor een klein groepje aanwezigen, onder wie Cooper. De huidige infrastructuur, zegt zij, ‘staat in schril contrast met wat je in het voorstel voor het Nieuwe IP ziet, namelijk een monolithische top-downarchitectuur waarin applicaties gekoppeld zijn aan het netwerk. Het internet is er nu juist precies op ontworpen om dat te voorkomen.’
We maken een welhaast racistische, imperialistische karikatuur van de Chinezen
De gevolgen voor de gemiddelde gebruiker kunnen enorm zijn. ‘Je geeft alle macht aan telecombedrijven die in handen zijn van de staat,’ zegt een lid van de Britse ITU-delegatie. ‘Dan kun je dus niet alleen bepalen of iemand toegang krijgt tot bepaalde content op internet, of bijhouden wie die content bekijkt, maar je kunt apparaten compleet afsluiten van een netwerk.’ China werkt al aan een sociaalkredietsysteem voor zijn bevolking, waarin punten worden toegekend op basis van je gedrag online en in de echte wereld en van ‘misstappen’ uit het verleden, zegt de Britse afgevaardigde. ‘Dus als iemands kredietsaldo onder een bepaalde waarde zakt omdat die persoon te actief is op sociale media, kun je regelen dat de telefoon van die persoon wordt afgesloten van het netwerk.’
Chinese telecombedrijven hebben een schat aan gegevens over hun abonnees. Klanten zijn verplicht om zich te legitimeren als ze een telefoonnummer of internetaansluiting aanvragen, en die gegevens kunnen worden ingezien door andere bedrijven, zoals banken. Ook zijn alle ‘netwerkbeheerders’, waaronder telecombedrijven, bij wet verplicht om ‘internetlogs’ bij te houden – al is het niet duidelijk wat dat precies inhoudt.
De Tunesische Bilel Jamoussi, hoofd studiegroepen bij de ITU, stelt dat het niet aan de ITU is om te beoordelen of voorstellen voor een nieuwe internetarchitectuur ‘top-down’ zijn of misbruikt kunnen worden door autoritaire regimes. ‘Bij alles wat je bouwt, snijdt het zwaard aan twee kanten. Je kunt er goede en slechte dingen mee doen, en dat is de soevereine beslissing van elke lidstaat,’ zegt hij.
Het lekke wereldwijde web blijft de Chinese censors frustreren
De ambitie van Beijing om meer mogelijkheden voor toezicht in te bouwen wordt door sommigen niet zozeer als een probleem gezien, maar gewoon als het volgende hoofdstuk in de ontwikkeling van het internet. ‘Het internet was oorspronkelijk bedoeld als een neutrale infrastructuur, maar het is een gepolitiseerd machtsmiddel geworden. De internetinfrastructuur wordt steeds meer ingezet voor de uitvoering van beleid, voor de economische en fysieke onderdrukking van mensen. Dat hebben we gezien in Kasjmir, in Myanmar en bij de onthullingen van Edward Snowden,’ zegt Niels ten Oever, een voormalig lid van de Nederlandse ITU-delegatie. ‘Voor mij is de grote vraag: hoe kunnen we een openbaar netwerk bouwen op een infrastructuur die in particuliere handen is? Dat is het probleem waar we mee worstelen. Wat is de rol van de staat tegenover die van bedrijven?’
In zijn ogen ontwikkelen bedrijven vooral technologieën om er winst mee te maken. ‘Het internet wordt gedomineerd door Amerikaanse bedrijven, alle data stroomt daarheen. En die macht willen zij allicht behouden,’ zegt hij. ‘We zijn bang voor Chinese onderdrukking. We maken een welhaast racistische, imperialistische karikatuur van de Chinezen. Maar de regulering van internet zoals die nu is, werkt niet. Er is best ruimte voor een alternatief.’
Waar onze digitale toekomst op dit moment ook ontwikkeld wordt, wereldwijd lijkt men het erover eens dat het tijd is voor een betere versie van cyberspace. ‘Ik denk dat sommigen zullen zeggen dat ons huidige model van het internet grote gebreken vertoont, en misschien zelfs helemaal stuk is. Op dit moment is er maar één alomvattend en volledig uitgewerkt alternatief, en dat is het model van China,’ schreef Griffiths in The Great Firewall of China. ‘Als wij geen derde model bedenken – een model dat enerzijds gebruikers meer macht geeft en democratie en onlinetransparantie bevordert, en anderzijds de macht van grote bedrijven en veiligheidsdiensten beteugelt – bestaat het risico dat steeds meer landen zullen neigen naar het Chinese model, liever dan te blijven lijden onder het gebrekkige model van Silicon Valley.’
De ‘Onafhankelijkheidsverklaring van Cyberspace’, bedoeld als beginselverklaring voor het internet, begint steeds achterhaalder te lijken. Dat manifest, in 1996 geschreven door John Perry Barlow, medeoprichter van de Electronic Frontier Foundation en tekstschrijver voor de Grateful Dead, klonk strijdlustig. ‘Regeringen van de Industriële Wereld, vermoeide reuzen van vlees en staal, ik kom uit Cyberspace, de nieuwe zetel van de Geest,’ begint de tekst. ‘Namens de toekomst vraag ik jullie van het verleden om ons met rust te laten. Jullie zijn niet welkom in ons midden. Waar wij bijeenkomen, hebben jullie geen zeggenschap.’
Een geluid uit een tijd toen het internet nog niet gedomineerd werd door biljoenenbedrijven, zeggen critici. Maar er is nog hoop – en misschien een derde weg, een alternatief voor de twee soorten internet die er nu bestaan. ‘Wat ons nu onderscheidt van China is dat de mensen in het Westen zich nog steeds kunnen mobiliseren en kunnen meepraten. Het is nu vooral aan de politiek om de democratie te beschermen in deze tijd van massaspionage, of die nu wordt gedreven door de markt of door autoritaire regimes,’ zegt Zuboff. ‘De slapende reus van de democratie begint zich eindelijk te roeren en de wetgevers worden wakker, maar ze moeten wel de druk van de mensen in hun nek voelen. Wat we nodig hebben, is een westers internet dat berust op een visie van een digitale toekomst die verenigbaar is met democratie. Dat is de opgave voor het komende decennium.’
Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. De krant wordt nu op 23 locaties gedrukt en heeft onder meer een redactie in Amsterdam.
De kinderen van Xi Jinping worden ze genoemd, ofwel de gouden generatie. De Chinezen die na 1992 zijn geboren zijn rijk, internetwijs en internationaal georiënteerd.
De Chinese jongeren die na 1992 zijn geboren, worden vaak gezien als een ‘gouden generatie’. Ze zijn nu rond de 25 jaar en hebben als eersten echt kunnen genieten van het resultaat van de economische hervormingen, het verplichte onderwijs en de eenkindpolitiek. Ze zijn geboren in de tijd dat internet opkwam, leven in het digitale tijdperk en zijn ook de consumenten die het China van de toekomst zullen vormgeven.
Volgens Zhang Yiwu, hoogleraar Hedendaagse literatuur aan de Universiteit van Beijing, is de generatie van onder de 26 jaar de rijkste die China ooit heeft gekend, een generatie die de blik van het Westen met trots kan doorstaan. Dankzij de rijkdom die hun familie heeft vergaard, kunnen ze nu naar hartenlust consumeren. Ze vormen een immens reserveleger van de middenklasse: ‘Kinderen die in de jaren tachtig werden geboren, vormden de eerste generatie die opgroeide na de start van de hervormingen en het opendeurbeleid in China [1979]. De kinderen van na 1992 [het jaar waarin de hervormingen van Deng Xiaoping weer werden voortgezet, drie jaar nadat de democratische beweging van 1989 de kop was ingedrukt] kun je zien als de tweede generatie van na de hervormingen, en hun geboorte viel samen met de grootste industriële ontwikkeling die het land ooit heeft gekend.’
In die periode is het aantal Chinezen met een middeninkomen in alle regio’s van het land geëxplodeerd. En terwijl van 1992 tot 2002 – en zelfs al in het decennium daarvoor – de middenklasse zich vooral in de grote steden bevond, breidde die zich later uit tot in de kleinste plaatsen.
‘Ze zijn niet bang om geld uit te geven, want ze weten dat ze het hele bezit van hun ouders zullen erven’
In feite zijn de jongeren die nu onder de 26 zijn de kinderen van deze nieuwe middenklasse. Zij hoeven zich totaal geen zorgen te maken of ze te eten hebben, of ze vlees kunnen kopen of kleding. Daar komt nog bij dat China geen successierechten kent en ze, als enig kind, alle moeizaam verworven bezittingen van hun beide ouders zullen erven. Ze zullen dus straks over een veel groter vermogen beschikken dan hun voorouders. Volgens een enquête die begin 2017 onder 1648 jongeren werd gehouden, kocht 79 procent van de jongeren onder de 26 in het jaar daarvoor consumptiegoederen voor een bedrag dat 20 procent hoger lag dan hun maandinkomen. Nu creditcards en online gespreid betalen gemeengoed zijn geworden, gaan jonge consumenten veel vaker dan oudere generaties overconsumeren. Dat komt volgens Zhang Yiwu door een veranderde mentaliteit, maar ook doordat jongeren van die leeftijd relatief weinig kosten hebben, terwijl hun koopkracht enorm is. ‘Ze zijn niet bang om geld uit te geven, want ze weten dat ze het hele bezit van hun ouders zullen erven.’
Deze jongeren zijn opgegroeid met internet en hebben geprofiteerd van het ruimere wervingsbeleid van universiteiten. Daardoor hebben ze een veel beter opleidingsniveau en een veel bredere kennis dan de generaties voor hen. Mensen die in de jaren tachtig werden geboren, zoals de bekende schrijvers Han Han en Guo Jingming, deden hun kennis nog vooral op uit papieren boeken. De kinderen van nu zitten al vanaf de basisschool op berichtendienst WeChat over hun huiswerk te chatten. Internet zit bij de jongeren van na 1992 ingebakken.
Ook zijn ze onder veel betere omstandigheden opgegroeid. Zelfs kinderen uit eenvoudige milieus hadden ouders die zorgden dat ze meededen aan buitenschoolse activiteiten op het gebied van kunst en cultuur. Pianoles en schildercursussen zijn niet langer alleen hobby’s van een kleine elite.
‘Die materiële omstandigheden zijn bepalend geweest voor hun gedrag,’ benadrukt Zhang Yiwu: de Chinezen van na 1992 zien zich als gelijken van westerse jongeren, ze hebben meer zelfvertrouwen en aarzelen ze niet om spullen te kopen om hun levenskwaliteit te verbeteren. Zo vinden jongeren die 5000 à 6000 yuan verdienen het heel normaal om 1000 yuan [ca. 130 euro] uit te geven aan een koptelefoon, elektrische tandenborstel of cosmetica. Iets wat veertigers en vijftigers onbegrijpelijk vinden.
Pianoles en schildercursussen zijn niet langer alleen hobby’s van een kleine elite
Elke jonge generatie is opstandig. De lichting uit de jaren tachtig kwam openlijk in botsing met de oudere generaties, maar de kinderen van na 1992 kiezen voor een ‘parallelle’ omgang. Anders gezegd: deze jongeren bewaren afstand tot hun ouders, die ze vaak zien als vreemdelingen omdat ze niet dezelfde taal spreken.
Terwijl de ‘boze jongeren’ van de jaren tachtig uiting probeerden te geven aan hun verzet tegen de maatschappij, is de internetgeneratie van de jaren negentig veel gematigder. Jongeren van onder de 26 gaan voor virtuele consumptie die hun psychologische voldoening geeft. En dat heeft rechtstreeks invloed op hun kijk op geld. ‘Vroeger vond men in China dat je rijkdom moest verwerven door te werken. Maar de generatie die in de jaren negentig geboren is, ziet niets meer in dat idee. Dat is een enorme mentaliteitsverandering,’ zegt Zhang Yiwu. De jongste generatie kijkt volgens hem nog wel op tegen rijke mensen, maar niet langer tegen mensen die op een traditionele manier fortuin hebben gemaakt.
Hun nieuwe idolen zijn mensen als Bill Gates en Mark Zuckerberg. De post-1992-generatie kiest ook liever voor deelfietsen of voor gemeenschappelijke sportvoorzieningen. Deze dingen, die horen bij een nieuwe vorm van consumeren die uit internet is voortgekomen, zijn niet per se duur, maar horen helemaal bij deze tijd en sluiten aan op hun voorliefde voor een nichecultuur, ver van de traditionele economie van hun ouders. Ook in dat opzicht zijn ze beïnvloed door de wereldwijde internetcultuur. Wat hen ook heel goed bevalt aan de internetmiljardairs, is dat die hechten aan bepaalde waarden, zoals de bescherming van het milieu, tolerantie tegenover homoseksualiteit en zelfs erkenning van de deugden van de markteconomie. ‘Dus eigenlijk aan alles wat is voortgekomen uit de beweging van opstandige westerse jongeren in de jaren zestig…’ Toch ontbreekt bij de Chinezen van na 1992 die westerse hippiegeest van de jaren zestig, want ze zijn lang niet zo heethoofdig, maar veel gematigder en zachter.
Hun hang naar waarden komt waarschijnlijk voort uit het feit dat ze steeds meer met zichzelf bezig zijn
Hun hang naar waarden komt waarschijnlijk voort uit het feit dat ze steeds meer met zichzelf bezig zijn. Zhang Yiwu benadrukt dat de jongeren van nu een veel bredere horizon en een rijker wereldbeeld hebben, waardoor dit soort kwesties hen meer aanspreken.
Doordat ze op elk moment en overal hun stem kunnen laten horen op de sociale media en op elkaar reageren via apps op hun smartphones [al is er wel geregeld sprake van censuur], zijn ze voortdurend op de hoogte van het leven van succesvolle mensen. Toch lukt het de meesten niet om zelf zoveel geld te verdienen als ze hopen. Met als gevolg dat ze zich, net als elke generatie jongeren, heen en weer geslingerd en mislukt voelen. ‘Over Beijing ligt een deken van vervuilde lucht, de luchtkwaliteit is er beroerd, terwijl in hun geboortestreek de bergen groen zijn en het water helder is. Toch willen jongeren daar beslist niet blijven wonen, maar in Beijing ergeren ze zich aan de milieuvervuiling… Ze beseffen niet dat de verschillen op milieugebied tussen China en het Westen deels het gevolg zijn van de verschillende stadia in industriële ontwikkeling,’ zegt Zhang Yiwu. De jongeren van na 1992 hebben hun eigen nichecultuur en hun levensomstandigheden zijn veel beter, maar ze beklagen zich dat ze nog een lange weg te gaan hebben voordat ze op hetzelfde niveau zitten als de jongeren elders in de wereld.
Toch is er één ding dat optimistisch stemt: nu de invloed van China op het internationale toneel groeit, kunnen de jongeren van na 1992 zich meer onderscheiden; wie weet zijn het over een paar decennia wel juist hun gewoonten en denkwijzen die dan een deel van de westerse jongeren beïnvloeden.
360 koestert zijn bronnen. Dus was het de afgelopen maanden bijzonder pijnlijk om te zien hoe de kritische Turkse krant Cumhuriyet, waaruit we geregeld publiceerden, door president Erdogan monddood werd gemaakt.
Hoofdredacteur Can Dündar werd in mei al veroordeeld tot vijf jaar cel wegens het publiceren van een artikel over Turkse wapenleveranties aan Syrische rebellen. Tijdens de heksenjacht tegen journalisten die ontstond in de nasleep van de coup, wachtte hij zijn proces wijselijk niet af, legde zijn functie neer en ontvluchtte Turkije. Daarop trokken de autoriteiten het paspoort van zijn vrouw Dilek in. Als steunbetuiging aan Dündar vindt u in deze editie van 360 zijn laatste column ‘Hallo Fatih!’, gepubliceerd in Die Zeit. Daarin veegt Dündar even fijntjes de vloer aan met zijn knipmessende collega’s.
Ook in de rest van dit nummer gaat het veel over persvrijheid. In Rusland is het daar zoals bekend eveneens niet best mee gesteld, een van de redenen dat Vladimir Poetin overal mee wegkomt en ongekend populair blijft. De situatie in China lijkt een fractie hoopvoller, als je mag afgaan op het openhartige interview met de hoofdredacteur van de Chinese staatskrant Global Times. Volgens hem is er in elk geval een beweging gaande richting meer openheid, al gaat die voorlopig nog met keiharde repressie gepaard.
Verontrustend is dat ook in het vrije Westen de leugen steeds vaker regeert
Verontrustend is dat ook in het vrije Westen de leugen steeds vaker regeert. Politici als Donald Trump verkondigen steeds brutalere onwaarheden. En grote groepen kiezers lijken die onzin klakkeloos te geloven – of domweg te negeren. Oorzaken voor deze trend vallen wel aan te wijzen: kwaliteitsmedia hebben het zwaar, deskundigen hebben geen gezag meer, op sociale media zien we vooral nieuws dat onze mening bevestigt, we overschatten onze eigen (Wikipedia-)kennis en verwarren data met feiten.
Oplossingen lijken daarentegen nog niet in zicht. Vermoedelijk moeten die uit het veelgesmade, naar wereldheerschappij strevende Silicon Valley komen. Internetreuzen als Facebook, Google en Twitter zijn de oorzaak van veel problemen in kranten- en bladenland. Maar ze lijken ook de enige met voldoende middelen om de kwakkelende nieuwsindustrie nieuwe injecties te geven (in Frankrijk is Google door een aantal donaties intussen de held van de oude media). Ook zorgen ze, hoeveel kanttekeningen je daarbij ook kunt plaatsen, zelf voor meer openheid en vrijheid in de wereld. Niet voor niets worden ze in Turkije, Rusland en China regelmatig monddood gemaakt.
Feiten lijken er steeds minder toe te doen in het politieke debat. Zowel de Brexit-campagne als de Amerikaanse voorverkiezingen stonden bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Maar is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Vox zocht het uit.
Na het referendum over de Britse uittreding uit de Europese Unie wordt door velen in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten niet alleen getreurd om de breuk in de Europese eenheid, maar ook om de teloorgang van de waarheid. Aan feiten en deskundig commentaar lieten de voorstanders van Brexit zich niets gelegen liggen. Hoewel economen massaal waarschuwden dat uittreding de Britse economie blijvende schade zou toebrengen, besloot 52 procent van de kiezers dat ze de EU wilden verlaten.
En waarom negeerden die kiezers de feiten? Omdat ze over hun eigen ‘feiten’ beschikten. Pro-Brexit-politici konden in de campagne kwistig met valse informatie strooien en praktisch ongestraft de meest grove leugens verkondigen. Neem UKIP-leider Nigel Farage, die de ochtend na het referendum al meteen op zijn woorden terugkwam. De officiële Leave-campagne had voorgespiegeld dat een Brexit 350 miljoen pond per week zou opleveren, die dan in het Britse zorgstelsel konden worden gestoken. In zijn eigen onafhankelijke campagne had Farage nooit kanttekeningen gezet bij die belofte. Maar zodra op vrijdagochtend de stemmen waren geteld, erkende hij dat de officiële Leave-campagne luchtkastelen had beloofd en ontkende hij dat hij die belofte ooit had ondersteund – terwijl dat aantoonbaar wel zo was.
‘Welkom in de feitenvrije democratie’ luidde een lezersreactie in de Financial Times op de uitslag van het referendum. En voor de politiek aan onze kant van de Atlantische Oceaan geldt eigenlijk hetzelfde. Ook de lopende Amerikaanse verkiezingscampagne staat bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Dat roept de vraag op: leven we nu echt in een tijd waarin de feiten geen rol meer spelen? Wordt dat door de feiten gestaafd? Ik vroeg politicologen, professionele factcheckers en filosofen naar hun mening over onze omgang met feiten.
Elk “feit” dat je zoekt, kun je op internet wel ergens vinden
Is er tegenwoordig meer desinformatie dan ooit?
Om te beginnen: het is verrassend lastig te zeggen of er in de politiek tegenwoordig meer desinformatie en leugens worden verspreid dan vroeger. Brendan Nyhan, hoogleraar politicologie aan Dartmouth College, wijst erop dat we niet beschikken over goede langetermijngegevens met betrekking tot de vraag of het ‘oprekken’ van de waarheid tegenwoordig vaker voorkomt dan bijvoorbeeld tijdens de oorlog in Vietnam, bij de inval in Irak in 2003 of in de door de Amerikaanse schandaalpers opgehitste Spaans-Amerikaanse oorlog aan het eind van de negentiende eeuw. Als men zegt dat we nu leven in het tijdperk van de feitenvrije democratie, wordt daarmee gesuggereerd dat er ooit een gouden tijdperk was waarin politiek alleen om feiten draaide. ‘En ik denk niet dat er ooit zo’n tijd is geweest,’ zegt Nyhan. Anderzijds zegt hij ook: ‘Ik denk dat er altijd veel valse informatie in omloop is geweest, over allerlei onderwerpen – maar de manier waarop is wel veranderd.’
En inderdaad, door internet en sociale media is valse informatie toegankelijker, beter zichtbaar en moeilijker te onderscheiden van onweerlegbare feiten. En dat kan op drie manieren bijdragen aan de verspreiding van politieke desinformatie.
1) Mensen hebben toegang tot een onmetelijke hoeveelheid data, en dat kan verwarring in de hand werken.
Volgens Michael Lynch, hoogleraar filosofie aan de University of Connecticut en auteur van het boek The Internet of Us: Knowing More and Understanding Less in the Age of Big Data, raken we gemakkelijk de weg kwijt in alle informatie die we tegenwoordig binnen handbereik hebben. ‘Hoe meer informatie mensen tot hun beschikking hebben, ook al is dat juiste informatie, hoe meer ze ertoe neigen hun eigen kennis te overschatten,’ zegt hij.
Elk ‘feit’ dat je zoekt, kun je op internet ook wel ergens vinden. Maar doordat er zo veel feiten beschikbaar zijn, denken we dat we meer weten dan we eigenlijk doen, legt Lynch uit. Terwijl lang niet al die informatie nuttig of zelfs maar waar is. ‘Dat er meer ís, wil niet zeggen dat je ook meer wéét. Het moet goede en betrouwbare informatie zijn,’ zegt Lynch. ‘En de duivel mag weten of er daarvan nu meer of juist minder is.’
2) We kunnen selectiever zijn met de informatie die we wel en niet tot ons nemen.
Met zo’n overvloed aan informatie moet je wel gaan schiften en selecteren. ‘Ons onlineleven is zo selectief als een museum,’ zegt Lynch. ‘We kiezen zelf uit wat we aan de muur hangen, op welke bronnen we ons baseren. Dat kan er ook toe leiden dat ons hele wereldbeeld ineens op zijn kop komt te staan – zoals bij de tegenstanders van Brexit die wakker werden en ineens tot het besef kwamen dat Brexit een feit was.’
Het maakt misschien vooral verschil bij politiek geëngageerde mensen, zeker in deze tijd van polarisatie. Tim Lee schreef op Vox al over onderzoek waaruit blijkt dat linkse gebruikers op Facebook sneller linkse artikelen in hun nieuwsoverzicht tegenkomen, terwijl conservatieve gebruikers meer conservatieve berichten te zien krijgen. ‘Niet alleen zijn de politieke partijen en hun ideologieën sterker gepolariseerd, hun aanhang is ook uniformer geworden,’ zegt Nyhan. ‘Dus in Amerika zijn Democraten zijn nu vaker links en Republikeinen eerder rechts, en ze gaan vooral om met gelijkgestemden, zodat alternatieve informatie minder tot hen doordringt.’
Dat wordt nog versterkt door het feit dat de traditionele poortwachters van informatie (grote kranten, tv-journaals) aan invloed verliezen. ‘Politici springen daarop in,’ zegt Nyhan, ‘door hun doelgroep direct te benaderen via blogs en campagnes op sociale media. Dat draagt ertoe bij dat we in onze vooroordelen en overtuigingen worden gesterkt en ons afsluiten voor andere denkbeelden – en daardoor misschien ook makkelijker te misleiden zijn.’
3) Desinformatie is nu zichtbaarder.
De laatste jaren is de vindbaarheid van onjuiste informatie wel degelijk toegenomen. ‘Desinformatie die altijd al bestond maar niet altijd even makkelijk te vinden was, komt dankzij sociale media en internet nu sneller bovendrijven,’ zegt Nyhan. ‘Er zijn tegenwoordig meer beweringen over zogenaamde feiten die publiek toegankelijk zijn.’ Zo was het in de jaren zestig niet zo eenvoudig om de hand te leggen op nieuwsbrieven van de John Birch Society, de extreemrechtse groepering die paranoïde samenzweringstheorieën verspreidde over vermeende communistische infiltratie. ‘Desinformatie die vroeger in kleine kring circuleerde, onttrok zich vaak aan het zicht van mensen daarbuiten,’ zegt Nyhan. Maar nu is alles op internet te vinden.
Anderzijds worden ook de leugens beter zichtbaar door de opkomst van websites die beweerde feiten controleren, zegt Bill Adair. Hij is behalve hoogleraar journalistiek aan Duke University is ook de oprichter van de Amerikaanse onderzoekssite PolitiFact, die in 2009 met een Pulitzer Prize werd bekroond. Van 2015 tot 2016 is het aantal sites dat feiten natrekt naar zijn schatting wereldwijd met 60 procent gestegen, van 44 naar 105. Dus of er nu meer wordt gelogen of niet, we worden er in ieder geval vaker op attent gemaakt.
12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als “onwaar” tegenover 61 procent van die van Trump
Factcheckers kunnen de verspreiding van desinformatie afremmen, maar Nyhan wijst op eigen onderzoek waaruit blijkt dat feitencontrole ook een averechts effect kan hebben: het kan ertoe leiden dat mensen zich nog dieper ingraven in hun eigen gelijk, zeker bij omstreden kwesties. Toch blijft feiten controleren een van de beste manieren om valse kennis te bestrijden.
‘Soms heeft het natrekken van feiten een averechts effect, zeker bij mensen die sowieso niet openstaan voor andere informatie,’ zegt ook Jason Reifler, hoogleraar politicologie aan Exeter University. Maar hij voegt eraan toe: ‘Uit ander onderzoek blijkt dat het publiek wel degelijk baat heeft bij controle van de feiten.’ Zo kwam uit onderzoek van hem en Nyhan naar voren dat politici die bang zijn voor reputatieschade als ze door factcheckers op een leugen worden betrapt, minder snel geneigd zijn onwaarheden te verkopen.
Reifler denkt zelfs dat het gebrek aan prominente controleurs in het Verenigd Koninkrijk heeft bijgedragen aan het succes van de Leave-campagne. ‘In Groot-Brittannië bestaat er eigenlijk niets met een vergelijkbare invloed als PolitiFact of de onderzoeksredactie van The Washington Post in de VS,’ zegt hij.
De aperte leugens van de Leave-campagne waren ook voorafgegaan door jarenlange anti-Europese stemmingmakerij in de Britse media, vaak zonder enig tegengeluid of pogingen om beweringen op hun feitelijkheid te controleren. ‘Feiten moeten worden nagetrokken om te voorkomen dat kleine leugentjes uitgroeien tot grote leugens,’ zegt Reifler. ‘Voorkomen is beter dan genezen. Dus feiten controleren om de verspreiding van desinformatie te voorkomen – en politici een prikkel te geven om geen leugens meer te vertellen – moet de gouden standaard zijn.’
Daar wordt ook werk van gemaakt wordt bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daarin kunnen volgens PolitiFact 12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als ‘onwaar’ of zelfs als ‘regelrechte leugens’, tegenover 61 procent van de uitlatingen van Trump.
Bill Adair: ‘Ik durf gerust te zeggen dat geen enkele belangrijke Amerikaanse politicus ooit dat niveau heeft benaderd.’
Vox (Media) is een Amerikaanse algemene nieuwssite, opgericht in 2014 door Ezra Klein, tot dan toe politiek columnist voor The Washington Post.De site richt zich op ‘huishoudens met een inkomen van zes cijfers, met aan het hoofd iemand jonger dan 35 jaar’. Volgens de jongste cijfers gaat het een heel eind die kant op: Vox heeft 54 miljoen unieke bezoekers, van wie 41 procent tussen de 18 en 34 jaar oud.
In de Amerikaanse context is Vox een liberale verspreider van ‘verklarende journalistiek’. Het onderwerp van Kleins allereerste column voor Vox had dan ook als titel ‘How politics makes us stupid’. Klein en zijn staf van twintig mensen, voor een deel afkomstig van de WP, maken zich druk om ‘linkse’ zaken als Obamacare. Vox is eigendom van Vox Media, een onderneming waaronder verschillende gespecialiseerde websites vallen, zoals The Verge (technologie), SB Nation (sport), Polygon (games) en Racked (mode), samen goed voor 1 miljard dollar.
We leven in het feitenvrije tijdperk, zeggen deskundigen. Politici als Trump, Poetin en Nigel Farage liegen er lustig op los, zonder dat het hun aanhang veel lijkt te kunnen schelen. Is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Hoe kan dat dan? En wat is er zo aantrekkelijk aan een leider die spot met de waarheid?
De digitale anarchie heeft van ons allemaal potentiële critici gemaakt. Maar door de hoeveelheid aan sensaties en meningen, is er amper tijd voor reflectie. Volgens filmcriticus A.O. Scott zouden we, high- of lowbrow, meer moeten twijfelen dan onze mening bevestigd willen zien.
De Oscars – het jaarlijkse ritueel van de Academy of Motion Picture Arts – liggen dit jaar onder vuur vanwege de voorspelbare en beschamende raciale homogeniteit van de nominaties in 24 filmcategorieën, maar dat is niet de enige reden tot klagen.
Ik ben recensent. Een schreeuwlelijk, een snob, een broodschrijver die erop uit is om kunstenaars aan te vallen en het plezier van het publiek te vergallen. Dat is althans de rol die ik soms geacht word te spelen. En in die hoedanigheid zou ik graag willen zeggen: vergeet die Oscars maar. De ervaring leert trouwens dat u dat al doet. De winnaars in de categorie Beste Film die die kwalificatie waarmaken – The Godfather,The Apartment,The Hurt Locker – zijn uitzonderingen op de opgeblazen, kortstondig succesvolle middelmaat. Around the World in 80 Days?Out of Africa?Crash? Kom op zeg.
Intussen is het pantheon van fantastische klassiekers voor het grootste deel een verzameling van versmade titels als Citizen Kane, Do the Right Thing en Boyhood. De beste film van het jaar is vrijwel gegarandeerd een film die niet heeft gewonnen of zelfs niet eens is genomineerd.
De dagen van de almachtige recensent zijn geteld
Dat alles moge duidelijk zijn. De Oscars zijn onnozel. Waarom zouden we er ook van uit kunnen gaan dat de zesduizend leden van een bekrompen beroepsvereniging betrouwbare beoordelaars van kwaliteit zijn? Een showbusinessoligarchie kan toch niet serieus vaststellen wat we geacht worden goed te vinden en wat niet?
Maar dat geldt ook voor het publiek. Kassuccessen zijn geen betere maatstaf dan de mening van de stupide insiders in de filmindustrie. Avatar heeft meer geld opgebracht dan welke andere film dan ook, maar er is toch geen mens die dat de beste film aller tijden vindt?
Aan de andere kant: wie ben ik om dat te beoordelen? Ik verdien mijn brood met het rangschikken, indelen en beoordelen van films, en ik behoor tot het gilde van, jawel, smaakmakers, van mensen die bepalen wat goed of uitzonderlijk goed is. Als de Academy vast-geroest is, wat ben ik dan wel niet? Een dinosauriër. De koetsier van een postkoets in de tijd van Uber. Een ouwe vent die tegen een wolk staat te schreeuwen.
Op internet is iedereen recensent: een door Yelp aangemoedigde afkraakkoning, een deskundige op Amazon, een cheerleader die door de sociale media in staat wordt gesteld om te Vind-ik-leuken en te Delen. Het opgeblazen, altijd verdachte gezag van ellendige pennenlikkers zoals ik is afgevlakt door de digitale anarchie. Wie wil de mening van een kribbige zeikerd horen als er ook een vriendelijk algoritme is dat je vertelt dat er op basis van eerdere aankopen iets is Wat U Ook Leuk Vindt, en als hordes Facebookvrienden bevestigen dat je de goede keuze hebt gemaakt?
De dagen van de almachtige recensent zijn geteld. Maar die figuur – de hogepriester of kleinzielige dictator die met een pennenstreek een reputatie kan vernietigen of heiligen – is altijd enigszins mythisch geweest, een allegorisch monster dat werd opgeroepen door angstige kunstenaars en hun onzekere bewonderaars. De kritiek is in wezen altijd al een democratische onderneming geweest. Het is een eindeloos gesprek, geen reeks proclamaties. Het is een discussie die begint als je uit het theater of het museum komt: een discussie met vrienden of een privédiscussie in je eigen hoofd. Het is niet zo dat ik u vertel wat u moet vinden; het is een gesprek dat we samen voeren. Dat was zo voor de komst van internet, maar de opkomst van de sociale media heeft als spannend en verwarrend gevolg dat dat nu ook letterlijk een gesprek wordt.
De bedoeling van kunst is onze geest te bevrijden
Net als elke andere vorm van democratie is ook recenseren een lastige, polemische zaak waarin de regels net zo ter discussie staan als de uitkomsten, en waarvan de filosofische basis fragiel, om niet te zeggen vaag is. Smaken verschillen. Ieder mens is gezegend met een uiterst uniek bewustzijn, een geheel eigen manier van waarnemen en appreciëren. Maar we klitten ook samen in smaakgroepen die soms net zo prikkelbaar en gepolariseerd zijn als de andere clans waarmee we ons identificeren. We beschermen wat we waarderen en we raken gepikeerd als iemand zich daarmee bemoeit en het bespot.
Obsessievelingen en dilettanten, omnivoren en freaks, highbrow en lowbrow: iedereen wordt liever bevestigd dan aan het twijfelen gebracht. Sommige mensen houden van opera. Anderen van hiphop. Een aanzienlijk aantal mensen houdt van allebei. ‘Het is allemáál prachtig!’ zegt u misschien. Maar dat gelooft u niet echt, net zomin als ik. Soms is iets afschuwelijk. Over smaak valt uiteraard niet te twisten en het valt ook niet te verklaren.
Tegenstrijdig
En toch is de manier waarop we over dit fundamenteel menselijke kenmerk nadenken zeer tegenstrijdig. Er valt over smaak niet te twisten, maar dat is precies wat we wel doen. We geven toe dat smaak subjectief is, maar daar laten we het zelden bij. We vinden het niet genoeg om te zeggen ‘Dat vind ik mooi’ of ‘Dat is niet echt iets voor mij.’ We willen s tevige uitspraken, objectieve beweringen. ‘Dat was fantastisch! Dat was verschrikkelijk!’
Boyhood, volgens A.O Scott ten onrechte niet gekozen tot Beste Film.
Of misschien ligt dat aan mij. De krant betaalt mij er tenslotte voor om mijn persoonlijke indruk van films in overtuigende argumenten te gieten: niet alleen om op te schrijven wat ik van een film vind, maar ook om een beoordeling te formuleren en de lezers een nuttig advies te geven. Het lijkt misschien alsof ik hier uit eigenbelang mijn werk aanprijs. Vertrouw de insiders die over de Oscars gaan niet! Let niet op de groepsdwang van de recensiesite Rotten Tomatoes of van Box Office Mojo waar de filmopbrengsten bekend worden gemaakt! Luister naar mij!
Natuurlijk, ik heb er belang bij om de relevantie van mijn eigen baan te verdedigen, ook al geef ik toe dat het een nogal krankzinnige manier is om je brood te verdienen. Critici worden soms gewaardeerd, in zeldzame gevallen zelfs bewonderd, zoals Roger Ebert, maar meestal worden we gevreesd, verfoeid of volkomen genegeerd. In de ogen van het publiek zijn critici haters en spelbedervers. Misschien zijn we sadisten, zoals de boosaardige, Martini zuipende theaterrecensent van The New York Times in Birdman. Of misschien zijn we masochisten: ondanks die wrede karikatuur kreeg Birdman, bekroond met een Oscar voor Beste Film, door Rotten Tomatoes het predicaat ‘Certified Fresh’ toebedeeld (ik vind de film overigens zeer overschat, maar dat is alleen maar mijn mening).
Recenseren mag dan een hachelijke manier zijn om je brood te verdienen, de kritiek blijft onmisbaar. Kunst maken – populair of hoogstaand, cryptisch of toegankelijk, sacraal of werelds – is een van de glorieuze capaciteiten van de mens. We zijn als enige soort begiftigd met het vermogen om een voorstelling te maken van onze wereld en de manier waarop we die ervaren, om verhalen te vertellen en tekeningen te maken, muziek te maken van geluid, dans van beweging. Net zo wonderbaarlijk is ons vermogen, en zelfs onze plicht, om te beoordelen wat we hebben gemaakt, om te beredeneren waarom we er ontroerd, verward, verrukt of verveeld door raken. We zijn allemaal – in elk geval potentiële – kunstenaars. En omdat we het vermogen hebben om de creativiteit van anderen te herkennen en erop te reageren, zijn we ook allemaal – in elk geval potentiële – critici.
Dat betekent bovenal dat het onze taak is om na te denken. Als cultuurconsument worden we passief gemaakt, of op zijn best aangespoord tot een pseudo-semi-zelfbewustzijn, we worden in de richting geduwd van ofwel de defensieve groepsidentiteit van de subcultuur van fans, ofwel een oppervlakkig, half-ironisch eclecticisme. We grazen, we bingen, we doen esthetische ervaringen op en verwerpen ze weer alsof het goedkope speeltjes zijn. En dat zijn het vaak ook: massageproduceerde speeltjes van de lopende band.
Intussen zijn we in onze rol als burger van de politieke republiek ingelijfd in een gepolariseerd klimaat van ideologische oorlogszucht. Gebral in plaats van argumenten. Belangrijke politieke verschillen worden tegelijkertijd uitvergroot en gemarginaliseerd. Er is weinig ruimte voor twijfel en amper tijd voor reflectie, omdat we murw worden gebeukt door sensaties en meningen.
Hoe kunnen we daar nog wijs uit worden? Hoe houden we ons staande in de stormvloed van alles wat aanspraak maakt op onze aandacht? We worden voortdurend verleid om niet na te denken – genoeg keus in stupiditeit. Maar we worden ook omringd door genialiteit, en die zit ook in onszelf. Je hebt Hamilton [Broadwaymusical] en To Pimp a Butterfly [album van rapper Kendrick Lamar]. Transparent [Amazonserie] en de romans van Elena Ferrante. Kies maar uit! Bepaal wat u ervan vindt!
We zijn veel te veel geneigd om de kunst te beschouwen als een onbelangrijke, frivole aangelegenheid, en smaak als een strikt afgebakend smal pad waar we ons stuntelig op voortbewegen, alleen of in gezelschap van gelijkgestemden. Tegelijkertijd trachten we te vaak de creatieve aspecten van ons leven waar we plezier aan beleven ondergeschikt te maken aan de zogenaamd gewichtiger ervaringsgebieden, en proppen we de esthetische dimensies van het leven weg in de dozen die onze religieuze overtuigingen, onze politieke dogma’s of onze morele overtuigingen bevatten. We bagatelliseren de kunst. We verheffen de onzin. We kunnen niet voorbij de horizon van onze eigen conventionele wijsheden kijken.
Dat moet afgelopen zijn! De bedoeling van kunst is onze geest te bevrijden, en de taak van de recensent is om uit te zoeken wat we met die vrijheid kunnen doen. Dat we allemaal recensent zijn, betekent dat we allemaal in staat zijn om onze eigen vooroordelen te heroverwegen, om scepticisme te compenseren met een onbevooroordeelde houding, om onze afgestompte en overvoerde zintuigen aan te scherpen en te vechten tegen de intellectuele matheid die ons omringt. We moeten onze bijzondere hersens gaan gebruiken en onze eigen ervaring serieus gaan nemen.
Soldaat
De werkelijke cultuurstrijd (die nooit ophoudt) wordt gevoerd tussen het menselijke intellect en zijn al even menselijke vijanden: luiheid, banaliteit, pretentie, onechtheid. Een strijd tussen creativiteit en gelijkvormigheid, tussen het comfortabel vertrouwde en de schok van het nieuwe. Een recensent is een soldaat in die strijd, die het leven van de kunst verdedigt en vecht voor de kunst van het leven.
Met andere woorden: het is niet zomaar een baan.
Auteur: A.O. Scott
Vertaler: Lidwien Biekmann
A.O. Scott is de filmcriticus van The New York Times. Hij stond op de shortlist van de Pulitzerprijs in 2010. Scott is ‘Distinguished Professor’ in de filmkritiek aan de Wesleyan University in Connecticut en auteur van het boek Better Living Through Criticism, dat op 9 februari verschijnt bij Penguin Press.
The New York Times Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Met zijn zelfbedachte ‘bots’ wil Darius Kazemi chaos op het internet creëren door het voorspelbare gedrag van de mens te verstoren. Zijn theorie: wij gedragen ons als robots, en hebben robots nodig om onze vrijheid terug te geven.
Keuze uit het archief
Met de opkomst van AI-software als ChatGTP en Dall.E kan ook de digibeet tegenwoordig kunst maken met een scherp geformuleerde opdracht. Vergroot dat de mogelijkheden of betekent dat juist tot een verschraling van de kunst? Kunstenaar Darius Kazemi, zoals te lezen in dit portret van The Boston Globe, was in 2014 al bezig met de vraag hoe we software kunnen inzetten op een manier die tot meer vrijheid en een verrijking van de kunst én het leven leidt.
In de recente Spike Jonze-film Her koopt een eenzame man een futuristisch computerprogramma, speciaal gemaakt om zo natuurlijk mogelijk met mensen om te gaan. Het programma spreekt hem op intieme wijze toe, door een koptelefoon, sorteert zijn e-mails en houdt zijn agenda bij. Hij wordt er verliefd op. Het is schokkend om dat te zien gebeuren – je kunt bijna voelen hoe goed het programma inwerkt op de menselijke protagonist, hoe diep deze gecomputeriseerde, onstoffelijke simulatie van een vrouw hem raakt.
Het softwareprogramma dat het hart van Her vormt, bestaat alleen binnen een sciencefictioncontext op een moment in de toekomst dat prettig vaag wordt gehouden. Hoewel de hedendaagse smartphones en computers ook met hun gebruikers ‘praten’, ontberen ze de emotioneel krachtige en enigszins onvoorspelbare kwaliteiten die een machine menselijk kunnen doen lijken.
Toch zijn geautomatiseerde wezens met precies deze kwaliteiten al wel opgedoken. De afgelopen jaren zijn door kleine computerprogramma’s grapjes verteld en gedichten geschreven, en ook is het nieuws becommentarieerd, is er geklaagd en onbeholpen geflirt – op het web en via Twitter, waar hun berichtjes bestaan naast die van de op koolstof gebaseerde levensvormen die hun capriolen ‘liken’.
Een van de productiefste makers van deze kleine programmaatjes – of ‘bots’, zoals ze genoemd worden – is de dertigjarige Darius Kazemi, een computerprogrammeur uit Somerville die bij het technologiebedrijf Bocoup werkt. In zijn vrije tijd wijdt hij zich volledig aan de autonome digitale wezens die hij heeft geschapen.
De kans is groot dat u nog nooit van Kazemi hebt gehoord. Toch is hij de afgelopen twee jaar uitgegroeid tot een van de meest gevolgde, baanbrekende figuren op het snijvlak van technologie, cultuurkritiek en iets wat aanvoelt als een nieuw soort ‘internetkunst’. De Twitterbots van Kazemi – evenals de interactieve websites, spelletjes en eenvoudige computerprogramma’s – blijven de fans maar vermaken, doordat ze spelen met de algoritmes die onze wereld steeds vaker besturen. Een van Kazemi’s projecten, Professor Jocular, zoekt naar commentaren die mensen op Twitter hebben gezet en probeert op onhandige wijze uit te leggen wat daar grappig aan is, zelfs als er niets grappig aan is. Een ander project genereert een gestage stroom klungelige versiertrucs. Weer een ander vist uit een publieke database de laatste woorden die veroordeelde misdadigers in Texas hebben uitgesproken, en toont zinnetjes waarin gevangenen op de drempel van de dood het woord ‘liefde’ hebben gebruikt.
Maar het fraaiste wat Kazemi tot nu toe heeft voortgebracht, zou wel eens het programma kunnen zijn waarmee je voor 50 dollar aan volstrekt willekeurige boeken, cd’s en dvd’s kunt bestellen bij Amazon, en deze thuis laten bezorgen. Met Kerstmis verkocht hij een aantal ‘prints’ van dit programma, zodat zijn fans hun eigen willekeurig gekozen geschenken konden ontvangen.
Nieuwe genre
De tientallen projecten van Kazemi hebben hem zo’n breed scala aan bewonderaars opgeleverd, dat het lijkt alsof de wereld voor hem nog geen categorie heeft bedacht. Zijn werk wordt gevolgd door gamedesigners, komieken, filosofen en andere botmakers. Een Britse hoogleraar literatuur, Leonardo Flores, schreef over zijn bots in een onlinetijdschrift over elektronische poëzie.
Webontwerper Andrew Simone, die het werk van Kazemi volgt, noemt hem ‘een zeer subversieve, bots producerende John Cage’. Kazemi maakt deel uit van een kleine maar actieve groep programmeurs die zich, naast het maken van slimme webspeeltjes, bezighoudt met het onderzoeken van de algoritmes en datastromen die ons tegenwoordig overal omringen, om die informatie te gebruiken voor het leveren van scherpe sociale kritiek op de manier waarop mensen het internet gebruiken – en het internet hen gebruikt.
Door mensen te imiteren, op manieren die zowel ontroerend als desoriënterend zijn, richten de bots van Kazemi onze aandacht op de macht en de beperkingen van geautomatiseerde technologie, en herinneren ze ons aan onze neiging om te spreken en te handelen op manieren die in wezen robotachtig zijn. Hoewel het eerder om conceptuele kunst gaat dan om activisme, zijn de bots die Kazemi creëert provocerend bedoeld – ze roepen de vraag op of computers, naarmate ze steeds meer gaan denken als wijzelf, en ons gedrag gaan beïnvloeden, ook zodanig kunnen worden geprogrammeerd dat ze ons vrijer kunnen maken.
De meesten van ons stellen zich bij de gedachte aan kunstmatige intelligentie apparaten voor waarmee mensen op een of andere manier kunnen communiceren – zoals HAL in 2001: A Space Odyssey, of zoals schaakcomputer Deep Blue. Maar de waarheid is dat er in de moderne wereld achter de schermen voortdurend ‘intelligente’ algoritmes actief zijn die beïnvloeden wat wij zien en doen, en zelfs waar wij heen gaan. Google houdt onze interesses bij om onze zoekresultaten te kunnen vormgeven; de software van Amazon vertelt ons welke producten we misschien zouden willen kopen. In nieuwe wolkenkrabbers brengen liftsystemen mensen die naar dezelfde verdieping gaan automatisch bij elkaar, zodat ze (mede) bepalen wie wij iedere dag zien. ‘Er zijn allerlei soorten geautomatiseerde wezens om ons heen, en die hoeven niet per se de indruk te wekken dat ze menselijk zijn’, zegt Kazemi. ‘Ons verkeerslichtsysteem is een enorm geautomatiseerd systeem waaraan we ons voortdurend aanpassen en waarop we reageren.’
Kazemi ging in Fairfax, Virginia, naar de middelbare school, waar hij voor het eerst probeerde een programma te schrijven dat kon communiceren – in de zin van ‘praten’ – met mensen in de echte wereld. Hij zat in een techniekklas die iedere vrijdag onder het genot van pizza’s bijeenkwam om de laatste ontwikkelingen te bespreken. Hij kocht een ‘voice synthesizer’, een speciale chip die computerwoorden hardop kon voorlezen, en schreef een programma dat Domino’s iedere vrijdag op een bepaalde tijd kon bellen om pizza’s te bestellen zonder dat er nog een mens aan te pas zou komen. Maar de vijftienjarige Kazemi kreeg op het laatste moment koudwatervrees: ‘Ik durfde hem uiteindelijk niet operationeel te maken’, zegt hij.
Nadat hij was afgestudeerd aan het Worcester Polytechnic Institute, begaf Kazemi zich in de wereld van de gameontwikkeling. Hij bouwde programma’s die nieuwe games systematisch op ‘bugs’ konden testen. Kazemi ontwierp ook zijn eigen spellen – net als veel gameontwikkelaars zag hij games als een kunstvorm én als een technische prestatie – totdat hij in 2012 besefte dat het medium hem weerhield van wat hij werkelijk wilde uitdrukken. Dat was niet toevallig rond de tijd dat Kazemi een filosofisch werk las van Ian Bogost, hoogleraar Interactive Computing aan het Georgia Institute of Technology. In dit boek, Alien Phenomenology, or What It’s Like to Be a Thing, bracht Bogost een concept onder de aandacht dat Kazemi zeer aansprak: dat het mogelijk was een filosoof te zijn die zijn ideeën niet opschreef, maar objecten maakte die deze ideeën belichaamde.
De ‘objecten’ die Kazemi ging maken na het lezen van Bogost waren ‘Twitterbots’, een soort digitale wezens die doen denken aan irritante spamaccounts en die automatisch reclameboodschappen sturen aan iedere Twittergebruiker die een bepaald woord of een bepaalde merknaam gebruikt. Kazemi was niet bepaald de eerste die doorhad welke mogelijkheden er schuilgaan in het programmeren van conceptueel interessante Twitterbots – Adam Parrish had bijvoorbeeld al het populaire @everyword gemaakt, dat de Engelse taal alfabetisch doorploegde en sinds 2007 iedere dertig minuten een woord twitterde. Maar Kazemi werd al snel een van de meest inventieve gebruikers van het medium.
De eerste creatie van Kazemi op dit terrein heette Metaphor-a-Minute. Dat werkte op een eenvoudige manier: de bot haalde zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden uit het onlinewoordenboek Wordnik en zette ze in een bepaalde volgorde, zodat iedere tweet een metafoor werd die zowel bizar als op het eerste gezicht plausibel was (enkele voorbeelden: ‘Een voorgevoel is een doolhof: weerloos en stilzwijgend’, ‘Een impressie is slijmerig: onhuiselijk, wortelachtig’). Het wekte de indruk van een bijzonder slimme maar hopeloos verwarde ‘alien’ die probeerde iets van de Engelse taal te snappen. Tot nu toe heeft dit programma bijna een half miljoen metaforen gegenereerd.
Vanaf dat moment was Kazemi los. Hij maakte een RapBot, die een database van rijmwoorden gebruikte voor het schrijven van rapteksten. Hij creëerde Amirite, een enigszins op de zenuwen werkende bot die flauwe, voortdurend onzinnige Am I right-grapjes maakt, die soms toch ergens op lijken te slaan: ‘Wendy Davis? More like Trendy Davis, amirite?’ Zijn Startup Generator nam de techcultuur op de hak met een aanhoudende stroom twijfelachtige ideeën voor nieuwe bedrijven (zoals ‘Paypal for dropouts’). Recenter maakte hij zijn tot nu toe populairste bot, Two Headlines, die de laatste nieuwsberichten op Google doorzoekt, er willekeurig twee uit haalt en vervolgens sleutelwoorden omwisselt, zodat er een reeks vreemde krantenkoppen ontstaat: ‘Beirut seeks love advice from Katy Perry’ (‘Beiroet vraagt liefdesadvies aan Katy Perry’), ‘Iran Is Working On Smart Contact Lenses That Can Monitor Your Body’s Health’ (‘Iran werkt aan slimme contactlenzen die je gezondheid in de gaten houden’).
Bogost heeft zich inmiddels aangesloten bij de groeiende schare fans van Kazemi, die in afwachting is van de volgende bot die het levenslicht zal zien. ‘Zoals je je verheugt op het nieuwe werk van een favoriete komiek of kunstenaar omdat je de wereld door zijn ogen wil bekijken, zo wacht ik op iets nieuws van Darius.’
In een café in de buurt van zijn kantoor zegt Kazemi dat hij voor zijn bots denkt te voelen wat ouders voor hun kinderen voelen. ‘Ik heb deze dingen gemaakt; nu heb ik ze losgelaten en ben ik trots op ze’, zegt hij. ‘Iedere morgen als ik wakker word en naar de laatste twee uur van Two Headlines kijk, heb ik dat.’
In de korte tijd die is verstreken sinds hun ‘geboorte’ hebben bots hun eigen subcultuur voortgebracht, waarin de scheidslijn tussen producent en fans vaag is. Rob Dubbin, een maker van bots die ook voor The Colbert Report schrijft, heeft een website gemaakt die The New York Review of Bots heet, en Kazemi was onlangs gastheer van een ‘Bot Summit, waar mensen van over de hele wereld zaken bespraken als de ethiek en de taxonomie van bots. Als dat een beetje esoterisch klinkt, denk dan aan Her en onthoud hoeveel publieke ongerustheid er nu heerst over de toekomst van de relatie tussen mens en robot. Volgens Dubbin maakt deze ongerustheid deel uit van datgene wat Kazemi’s kunst zo effectief maakt: Kazemi maakt gebruik van de reden waarom de meeste mensen zich ongemakkelijk voelen over robots – dat ze onvoorspelbaar zijn, vaak hun instructies niet goed interpreteren en uiteindelijk ondenkbare dingen doen. Vervolgens zet hij dat om in dingen die luchtig en makkelijk behapbaar zijn. ‘Hij verandert wat schokkend is aan algoritmes in iets moois, verrassends, leuks en inzichtelijks’, zegt Dubbin. Een andere botmaker, Brett O’Connor, citerend voegt hij eraan toe: ‘Zijn bots spreken niet vanuit de emotie, maar zeggen dingen die tot emotionele reacties leiden. En dat is misschien een beetje eng.’
Kazemi begon zijn projecten als grappige experimenten. Maar toen hij bijvoorbeeld met de Amazon Random Shopper de eerste artikelen had ontvangen – een boek van Noam Chomsky over linguïstiek en een cd van een Hongaarse avant-gardecomponist van wie hij nog nooit had gehoord – en er met een aantal mensen over had gesproken, ging hij er ook in andere termen over nadenken: als kritiek.
Kazemi had een manier gevonden om de aanbevelingsmachine van Amazon voor de gek te houden; deze kon niets meer met de gegevens, die immers geheel random waren. Door een bot te ontwerpen die willekeurige spullen kon bestellen, wist Kazemi door de filter bubble te breken die ieders ervaringen steeds meer vormgeeft [door bij te houden wie wat bestelt en daaruit af te leiden welke reclameboodschappen het beste werken]. De speciale kracht die Kazemi aan zijn missie meegeeft, is wat hij en anderen ‘procedurele geletterdheid’ noemen: net als de meeste computerprogrammeurs kan hij voorbij de oppervlakte van de digitale instrumenten in onze levens kijken, en de automatische mechanismen doorzien waarmee zij namens ons beslissingen nemen. (‘Darius kan de matrix een beetje zien’, zegt Dubbin). En hoewel hij zich ertegen verzet te worden afgeschilderd als een of andere activist, ziet Kazemi zijn werk als een manier om het mechanisme van de automatisering bloot te leggen door het op verrassende manieren centraal te stellen. ‘Als een soort poging om mensen op te voeden, en ze ertoe te brengen ook zelf te gaan nadenken’, zegt hij.
Die gedachte is in veel van zijn projecten aanwezig. In die zin passen ze in de traditie van de zogenaamde generatieve kunst – denk aan de schilderijen van de minimalistische schilder Ellsworth Kelly in willekeurige kleuren, of de cut-and-paste-experimenten van auteur William Burroughs. Maar dankzij het feit dat het onderdeel is van het blinkende en chaotische landschap van het internet, staat het werk van Kazemi daar los van. Die band met het web is cruciaal, want de manier waarop mensen daarvan gebruikmaken – om te communiceren, te winkelen, hun nieuws te vergaren – is vaak onderwerp van zijn satire. Zijn programma’s spotten meedogenloos met clichés die wij herkennen; een ervan bouwt zelfs hele webpagina’s die griezelig veel lijken op door mensen gebouwde Buzzfeed-listicles [Buzzfeed is een nieuws- en entertainmentsite, een listicle is een artikel in de vorm van een lijst; ‘Vijf manieren waarop…’ et cetera], alsof het wil zeggen: ‘Een computer had dit kunnen doen.’ Zoals Andrea Shubert, designer van games en een goede kennis van Kazemi, het zegt: ‘Hij weet heel goed waar hij moet porren, en doet dat op een interessante manier.’
Je kunt zijn werk ook interpreteren als nostalgisch, alsof hij verlangt naar een jonger, minder voorspelbaar internet. Mark Sample, een andere maker van bots en tevens hoogleraar Digitale Studies aan Davidson College, zei dat veel van wat Kazemi maakt is gericht op het opnieuw vangen van de geest van serendipiditeit van het web uit de periode voordat het browsen zo gladjes en doelgericht werd. ‘Ik zie het werk van Darius als een voortdurende kritiek op dit hedendaagse internet, als een vingerwijzing dat het web niet zo hoeft te zijn als het nu is.’
In dit licht bezien kan je stellen dat Kazemi en zijn vrienden die bots maken een medium onderzoeken dat we nu voor heel veel dagelijkse bezigheden gebruiken – en vervolgens de infrastructuur die daaraan ten grondslag ligt wijzigen, waardoor we ons vragen gaan stellen over de manier waarop we die doorgaans gebruiken.
Door werken te maken die niet alleen hun voordeel doen met internettechnologie maar die ook gebruiken om de onzichtbare regels van het web bloot te leggen, heeft Kazemi misschien wel een nieuw soort openbare kunst voor de eenentwintigste eeuw ontdekt – veranderend, naar zichzelf verwijzend en, in al zijn willekeurigheid, op een vervreemdende manier levend.
Kazemi had een manier gevonden om de aanbevelingsmachine van Amazon voor de gek te houden
Die gedachte is in veel van zijn projecten aanwezig. In die zin passen ze in de traditie van de zogenaamde generatieve kunst – denk aan de schilderijen van de minimalistische schilder Ellsworth Kelly in willekeurige kleuren, of de cut-and-paste-experimenten van auteur William Burroughs. Maar dankzij het feit dat het onderdeel is van het blinkende en chaotische landschap van het internet, staat het werk van Kazemi daar los van. Die band met het web is cruciaal, want de manier waarop mensen daarvan gebruikmaken – om te communiceren, te winkelen, hun nieuws te vergaren – is vaak onderwerp van zijn satire. Zijn programma’s spotten meedogenloos met clichés die wij herkennen; een ervan bouwt zelfs hele webpagina’s die griezelig veel lijken op door mensen gebouwde Buzzfeed-listicles [Buzzfeed is een nieuws- en entertainmentsite, een listicle is een artikel in de vorm van een lijst; ‘Vijf manieren waarop…’ et cetera], alsof het wil zeggen: ‘Een computer had dit kunnen doen.’ Zoals Andrea Shubert, designer van games en een goede kennis van Kazemi, het zegt: ‘Hij weet heel goed waar hij moet porren, en doet dat op een interessante manier.’
Je kunt zijn werk ook interpreteren als nostalgisch, alsof hij verlangt naar een jonger, minder voorspelbaar internet. Mark Sample, een andere maker van bots en tevens hoogleraar Digitale Studies aan Davidson College, zei dat veel van wat Kazemi maakt is gericht op het opnieuw vangen van de geest van serendipiditeit van het web uit de periode voordat het browsen zo gladjes en doelgericht werd. ‘Ik zie het werk van Darius als een voortdurende kritiek op dit hedendaagse internet, als een vingerwijzing dat het web niet zo hoeft te zijn als het nu is.’In dit licht bezien kan je stellen dat Kazemi en zijn vrienden die bots maken een medium onderzoeken dat we nu voor heel veel dagelijkse bezigheden gebruiken – en vervolgens de infrastructuur die daaraan ten grondslag ligt wijzigen, waardoor we ons vragen gaan stellen over de manier waarop we die doorgaans gebruiken.
Door werken te maken die niet alleen hun voordeel doen met internettechnologie maar die ook gebruiken om de onzichtbare regels van het web bloot te leggen, heeft Kazemi misschien wel een nieuw soort openbare kunst voor de eenentwintigste eeuw ontdekt – veranderend, naar zichzelf verwijzend en, in al zijn willekeurigheid, op een vervreemdende manier levend.
Auteur: Leon Neyfakh
Vertaler: Menno Grootveld
Boston Globe Verenigde Staten, dagblad, oplage 435.000
In 1872 opgericht door een groep zakenmannen en uitgegroeid tot een begrip in de VS, ook bekend om zijn fotoreportages en sportsupplement. Sinds 1993 eigendom van The New York Times. Heeft twee eigen sites: Boston.com en BostonGlobe.com. Op de site zijn alle artikelen te bekijken. Na dertig dagen moet ervoor worden betaald.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.