Massoud Barzani, de president van de Koerdische Autonome Regio in Irak, stuurt aan op onafhankelijkheid via een referendum. Is de tijd daar rijp voor?
JA
Massoud Barzani, president van de Koerdische Autonome Regio in Irak, heeft zijn geduld met Bagdad verloren en een referendum over de onafhankelijkheid beloofd. De Koerden in Iraaks-Koerdistan zijn seculier en pro-Amerikaans. Gezien de bloedige geschiedenis van Irak is het onwaarschijnlijk dat de Koerden en Arabieren, sjiieten en soennieten, daar ooit samen een stabiel bestaan kunnen opbouwen.
Wat mij betreft mij stopte het Koerdische experiment in Irak in 2014, toen IS een bloedige campagne begon tegen de jezidi’s in Sinjar. Na de misdaden tegen deze religieuze Koerdische minderheid kon ik hooguit concluderen dat de Koerden elk bestuurssysteem hadden beproefd dat Irak bij elkaar zou kunnen houden: monarchie, republiek, dictatuur, autonomie en federalisme. De Iraakse regimes hebben de Koerden de afgelopen eeuw voortdurend aangevallen, zodat de Koerden zich maar zelden Irakezen voelen. Maar bovendien is Irak momenteel een mislukt en gefragmenteerd land. Als gevolg van de opkomst van sjiitische milities in het zuiden, de bezetting van het soennitische grondgebied door IS en het oprukken van de Koerden in het noorden reikt de macht van het Iraakse bewind nauwelijks verder dan de buitengrenzen van Bagdad.
Het komt erop aan dat Barzani’s referendum nog dit jaar gehouden wordt, vóór de nederlaag van IS en de Amerikaanse presidentsverkiezingen
De ineenstorting van Irak is niet aan de Koerden te wijten, maar aan de eeuwenoude sektarische haat tussen islamitische Arabieren. Deze vijandschap is rampzaliger dan de meningsverschillen tussen Iraakse Koerden en Arabieren over olie, grondgebied of overheidsinkomsten. Wel heeft het recente meningsverschil over de olie-inkomsten tussen de Koerdische regionale regering en Bagdad de kloof tussen de twee partijen verbreed. Doordat Bagdad de Koerdische regering de afgelopen twee jaar heeft afgeknepen, heeft de laatste geen geld meer voor de ambtenarensalarissen, de oorlog tegen IS en het opvangen van gevluchte Irakezen en Syriërs.
Het Westen draagt grote verantwoordelijkheid voor de problemen in Irak maar blijft desondanks pleiten voor handhaving van de status quo, en dus tegen Koerdische onafhankelijkheid. ‘Dit is Iraks laatste kans,’ zeggen westerse diplomaten vaak. Aan Barzani’s onafhankelijkheidsstrijd ligt een eeuwenlange Koerdische opstand tegen de Ottomanen, de Britten en de Irakezen ten grondslag. Hij erkent dat het verslaan van IS de politieke en militaire positie van Bagdad kan versterken. Bovendien zal de komende regering van de VS de tweedeling van Irak vermoedelijk niet steunen, uit vrees dat hetzelfde zal gebeuren in Turkije, Iran en Syrië.
Dus het komt erop aan dat Barzani’s referendum nog dit jaar gehouden wordt, vóór de nederlaag van IS en de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Een onafhankelijk Koerdistan zal de enige redding zijn voor de komende generatie Koerden.
Velen hebben zich afgevraagd wanneer Iraaks-Koerdistan zich eindelijk onafhankelijk zal verklaren. De huidige omstandigheden daarvoor lijken ongunstig: de oorlog met IS, lage olieprijzen en een bijna-bankroet hebben voor grote politieke en economische beroering gezorgd. Desondanks blijft Massoud Barzani, de president van de Koerdische Autonome Regio in Irak, aansturen op onafhankelijkheid via een referendum.
Hoewel deze onafhankelijkheid tegemoet zou komen aan het vurige nationalisme van de Iraakse Koerden, zou ze tot heel wat nieuwe problemen leiden, zoals twisten over grondgebied en olie-inkomsten. Ook zal Koerdistan zijn thuismarkt radicaal zien inkrimpen, van meer dan 35 miljoen tot 6 miljoen mensen. Koerdistan zou nog afhankelijker worden van zijn olie-inkomsten en de handel met Turkije.
De voortgang van de Turkse onderhandelingen met de PKK was bijzonder gunstig voor de Iraaks-Koerdistan. In september 2015 werden er meer dan 600.000 vaten ruwe olie per dag naar de Turkse stad Ceyhan gepompt. Maar nadat PKK-aanhangers zich hebben verschanst in stedelijke gebieden in Zuidoost-Turkije, is daaraan een einde gekomen.
Op 18 februari jongstleden werd de pijplijn tussen Kirkoek en Ceyhan gesaboteerd. De PKK ontkende iedere verantwoordelijkheid, maar Iraaks-Koerdistan en Turkije denken daar anders over. Met de aanval lijkt een oude PKK-tactiek nieuw leven te zijn ingeblazen. Het is de vraag hoe een onafhankelijk Koerdistan, dat voornamelijk zal zijn aangewezen op zijn olie-inkomsten, zich staande zal kunnen houden als de corridor voor die olie door heftige conflicten wordt geplaagd.
Iraaks-Koerdistan zou zijn vijandige houding tegenover de PKK moeten laten varen en zowel de PKK als Erdogan moeten aansporen om hun vredesonderhandelingen te hervatten
Het heeft er alle belang bij dat Turkije en de PKK weer om de tafel gaan zitten. Maar door alleen met de regering-Erdogan te onderhandelen heeft Iraaks-Koerdistan zijn speelruimte om een eind aan het geweld te maken alleen maar verkleind.
Iraaks-Koerdistan kan belangrijke stappen zetten om het conflict tussen Turkije en de PKK te helpen oplossen. Het gebied zou zijn vijandige houding tegenover de PKK moeten laten varen en zowel de PKK als Erdogan moeten aansporen om hun vredesonderhandelingen te hervatten. Ook zou Barzani weer hechtere banden moeten aanknopen met Bagdad. Maar in plaats daarvan blijft hij op onafhankelijkheid aandringen, wat hem verder in de armen van de Turkse regering drijft.
Het ironische is dat Barzani er al lang over fantaseert een vereerde leider te worden als zijn vader, Mullah Mustafa Barzani, de grondlegger van het Koerdische nationalisme. Hoe zou hij die heiligenstatus beter kunnen bereiken dan door het bevorderen van een historisch akkoord tussen Turkije, de PKK en zijn eigen Democratische Unie Partij, in plaats van overhaaste, onzalige onafhankelijkheidsdromen na te jagen?
Dov Friedman is expert op het gebied van Turkije en Koerdistan. Hij is de Amerikaanse directeur van Middle East Petroleum, een Brits-Turkse energiemaatschappij.
Wetenschappelijk tijdschrift, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.
In het westen gelden de troepen van de ‘Islamitische Staat’ als symbool van het kwaad. In Irak is dat anders; daar zijn veel mensen banger voor hun vijanden. De staat valt uiteen – en in Bagdad wordt een smalle straat tot frontlinie.
Ten einde raad zit ik op het bed van mijn hotelkamer in Bagdad, mobieltje in de hand. Mijn hand trilt. Ik wil het nummer van de redactie in Hamburg bellen, en tik steeds weer verkeerd. Een paar minuten geleden ben ik gebeld. ‘Goedendag,’ zei een ambtenaar van het Bundeskriminalamt [de federale recherche] in Berlijn. ‘Er dreigt een ontvoering voor u en uw fotograaf.’ De ontvoerders zouden onze namen en ons hotel kennen. Wie ons bedreigde wist hij niet. Wanneer ze ons wilden kidnappen ook niet. Waarschijnlijk kon het elk moment gebeuren.
Haastig pakken we in: passen, geld, notities, camera’s. De ritssluiting van de rugzak zit vast. Ik trek en ruk. Ik hoor voetstappen voor mijn deur. Ik luister. De voetstappen verwijderen zich. Ik loop naar het raam, zie beneden bij de ingang een groep jonge mannen die naar boven kijken. Ze lachen. Als ik even later nog eens naar beneden kijk, zijn ze verdwenen. Uit de Duitse ambassade komt het bericht dat men overweegt een bewapend konvooi te sturen om ons te redden. Zo eindigt ons onderzoek.
Bagdad was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden
Reizen naar Irak zijn al jaren reizen naar een wereld in verval. Maar zelden heeft een reis in dit land me zo van mijn stuk gebracht. Bagdad, een metropool met zeven miljoen inwoners, was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden. De meeste uitvalswegen zijn geblokkeerd of extreem onveilig. De strijders van Islamitische Staat belegeren Bagdad in het westen en in het noorden. Ze hebben duizenden mensen vermoord en een paar dagen geleden is de antieke vestingstad Hatta verwoest. Hun bulldozers veranderden de millennia oude gebouwen in stof.
Wat vanuit Europa vaak lijkt op een strijd tussen fanatieke en gematigde moslims, is feitelijk een conflict tussen de beide grote geloofsrichtingen in de islam. Voor IS strijden uitsluitend soennieten, de belangrijkste soennitische stammen hebben met de fanatici een gelegenheidsverbond gesloten. Het Iraakse leger, waarin aanhangers van beide geloofsrichtingen samen dienden, is grotendeels uiteengevallen omdat de meeste soennieten hun eenheden in de steek hebben gelaten. De verdediging van de stad is overgenomen door een inderhaast samengesteld leger van sjiitische milities. Ze konden de opmars van IS tot staan brengen en maken zich nu op voor een tegenoffensief. Er dreigt een grote catastrofe in het Midden-Oosten: de definitieve ineenstorting van Irak. Een openlijke oorlog tussen soennieten en sjiieten. Elke overwinning in deze oorlog zou een nederlaag zijn.
Twee weken voor de dag waarop we horen dat we ontvoerd zullen worden, zien we voor het eerst de straat die heel onschuldig ‘Straat van de bomen’ heet, en die in werkelijkheid een straat van angst is. Die markeert in het westen de lijn waarlangs Irak uit elkaar wordt gerukt, de grens tussen sjiieten en soennieten, de grens tussen degenen die driemaal per dag bidden en degenen die het vijf keer doen. Tussen hen die bij het gebed de handen langs hun zij laten hangen en hen die ze voor hun buik vouwen. Tussen degenen die eeuwen geleden van mening waren dat slechts één familielid van de profeet Mohammed de opvolger van de godsdienststichter kon worden, en degenen die dat een ketterij vonden.
De Straat van de bomen is de grens tussen twee buitenwijken in het westen van Bagdad, het soennitische Ghasalija en het sjiitische Shuala. Slechts tien kilometer hiervandaan begint het kalifaat van IS. Hoe verder je de straat inrijdt, hoe moeilijker het wordt waanzin van redelijkheid, en redelijkheid van waanzin te onderscheiden. En hoe begrijpelijker de krankzinnigheid wordt die zoveel soennieten naar IS drijft.
Bij de toegang tot de Straat van de bomen danst een politieagent dromerig met uitgestrekte armen, op zijn rug een kalasjnikov. ‘Kom!’ zingt hij. ‘Vooruit!’ Hij draait om zijn as, hupt op de punten van zijn laarzen, regelt het verkeer met armgebaren, lacht. Als in trance staat hij daar tussen de betonblokken van zijn controlepost, die vaak het doel is van aanslagen. ‘Drugs,’ zegt Moataz, onze chauffeur, die veel meer is dan chauffeur. Moataz rijdt ons in zijn gele taxi de stad uit, tot aan het eind van de straat. Niet te snel, niet te langzaam, om maar niet op te vallen. Moataz is eenendertig, gemoedelijk en zo dik dat hij nauwelijks achter het stuur past. Hij woont in de buurt en kent de gevaren. De Straat van de bomen is nog geen tien meter breed. Aan beide zijden groeien palmen. De huizen links, waarin de soennieten wonen, verschillen op het eerste gezicht helemaal niet van die rechts, waarin de sjiieten leven. Bruine gebouwen met een verdieping, met kleine tuintjes en grote dakterrassen.
nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak.
Vrijwel niemand steekt de straat over. We rijden langs een voetbalstadion. Het werd in 2012 aan de sjiitische kant gebouwd als teken van verzoening, maar is nog nooit werd gebruikt omdat niemand daar durft te spelen. We passeren een soennitische moskee, waarvan de muren zwaar beschadigd zijn door granaatinslagen. Sjiitische milities hebben die in 2007 onder vuur genomen omdat zich er scherpschutters van Al-Qaida verschanst hadden. De imam werd onlangs op straat dood geschoten, nu vreest de opvolger voor zijn leven.
Aan de sjiitische kant woont de vijfentwintigjarige Muktada. Hij is een van de bewoners van de grensstraat die met ons durven te spreken. Over enkele dagen gaat Muktada trouwen; hij moet meubels kopen, beddengoed en sieraden. ‘Je moet niet bang zijn,’ zegt hij tegen zijn bruid, die na de bruiloft bij zijn familie zal intrekken. ‘Dan ben je bij mij, ik zal je beschermen.’
We zullen hem, zoals al onze gesprekspartners, buiten de wijk ontmoeten, op een plek die veilig is voor alle betrokkenen. Wij, de journalisten, vrezen ontvoerd te worden. Onze gesprekspartners zijn bang met ons gezien te worden. Dan zouden er snel geruchten kunnen ontstaan dat zij zich verhuren als spionnen voor westerse geheime diensten.
Door de autoruiten zien we nu aan de soennitische kant het huis van een kleuterschooljuf. Ook zij heeft het deze dagen druk. Het nieuwe schooljaar begint. Ze wil een groot feest geven om de tweehonderd nieuwe kinderen en hun ouders te verwelkomen. ‘Het feest,’ zal ze ons vertellen, ‘moet perfect worden.’
Twee wijken
De straat scheidt twee wijken die ooit deel wilden zijn van een trotse natie. Links, aan de soennitische kant, ligt Ghasalija, de ‘stad van de vrede’, een naam die de voormalige dictator en soenniet Saddam Hoessein de wijk gaf. Er wonen honderdduizend mensen. Eengezinswoningen met goed onderhouden tuinen verlenen Ghasalija de charme van een Amerikaanse buitenwijk. Voor de Amerikaanse invasie woonden hier militairen en academici. Ghasalija was opgezet als een organogram van de Iraakse staat. Er waren speciale gebieden voor piloten, atoomtechnici, journalisten en bewakers van de presidentiële paleizen. Toen al leefden hier vooral soennieten.
Rechts van de straat, aan de sjiitische kant, ligt Shuala, ‘de fakkel’, een wijk van armen en arbeiders, gebouwd voor de werknemers van de grote steenfabriek van de hoofdstad. Deze wijk, met tweehonderdduizend inwoners, is het Harlem van Bagdad. Onder Saddam waren de sjiieten uitgesloten van de meeste politieke functies. Steeds weer kwamen ze in opstand tegen de dictator, die tienduizenden van hen liet doden. En toch leefden toen in veel straten van Ghasalija en Shuala sjiieten en soennieten samen. Deze co-existentie bleef aanvankelijk intact na de invasie van de Amerikanen, maar begin 2006 verwoestte een aanslag de gouden moskee van Samarra, ten noorden van Bagdad, een van de grote heiligdommen van de sjiieten. De verdenking viel op soennieten; nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak. In de twee jaar daarna vonden alleen al in Ghasalija en Shuala duizenden mensen de dood.
De stad werd opnieuw verdeeld. Soennieten trokken naar soennieten, sjiieten naar sjiieten. Tijdens de Amerikaanse bezetting sloten Amerikaanse troepen delen van Ghasalija af met betonnen wallen, 32 kilometer lang. Ze probeerden de haat te isoleren, zoals de atoomindustrie radioactief afval isoleert. Ze goten hem in beton, om af te koelen.
Aan de rand van beide buitenwijken leven de Ashwatat, illegale inwoners, wier krottenwijken de stad omringen. De meesten zijn door de oorlog op drift geraakt; dagelijks worden het er meer. De soennieten onder hen vestigen zich aan de rand van Ghasalija, de sjiieten aan de periferie van Shuala. In de zone van de Ashwatat heeft de ontbinding van de Iraakse staat het eindstadium bereikt. De rechteloosheid van de houten hutten omgeeft de buitenwijken van de metropool als een meteorietenzwerm, oncontroleerbaar en onheilspellend.
Op de grens van de beschaving, in het stadskantoor aan de sjiitische kant, zit Muktada, de aanstaande bruidegom, achter een hoge wal van zandzakken. Hij spreekt goed Engels, heeft zijn haar met gel strak achterover gekamd. Elke dag hoort Muktada de klachten aan van vluchtelingen uit de omstreden provincies. Muktada is een poortwachter van de Iraakse bureaucratie: hij reikt aan nieuwe burgers de Tahid uit, het aanmeldingsformulier voor de burgerlijke stand.
Een soennitische in een zwarte chador staat druk gebarend voor hem. ‘Zonder je man kan ik je geen papieren geven!’ zegt Muktada. Ze is op de vlucht voor de belegeraars van Bagdad, zegt ze. Haar man mocht het dorp niet verlaten, IS zou dat verhinderen. ‘Hoe kan ik weten of hij niet voor IS vecht?’ zegt Muktada met een bitter lachje. ‘Mijn man is geen terrorist!’ zegt de vrouw en begint te huilen. ‘Ik ken je niet,’ zegt Muktada. Hij wuift haar weg. Soms verbaast hij zich over zichzelf, hoe hard hij kan zijn. ‘Dat is mijn werk,’ zegt hij.
Muktada’s leven volgt een vast stramien. Nooit komt hij in soennitische buurten; hij vreest herkend te worden als sjiiet. Hij drinkt zijn thee altijd in dezelfde cafés, waar hij altijd dezelfde vrienden treft. Mensen die hij kan vertrouwen.
In de Straat van de bomen is de angst gelijk verdeeld over beide zijden. Als we hem buiten de wijk ontmoeten, vertelt Muktada over de ontvoeringen. Daarbij gaat het allang niet meer om vriend of vijand, sjiiet of soenniet. De ontvoeringen hebben zich in Irak ontwikkeld tot een criminele bedrijfstak, zoals elders de drugshandel. Muktada vertelt over een dag waarop drie mensen gekidnapt werden, allen in de buurt van zijn huis. Een makelaar die ze uit zijn kantoor gesleept hebben, een twaalfjarige jongen die op weg naar school werd overvallen, en een voormalig officier die op straat liep. De ontvoerders trokken een zak over zijn hoofd en gooiden hem in de kofferbak van hun auto.
Hoe dichter de chaos van de gevechten de stad nadert, hoe meer ontvoeringen er plaatsvinden. Volgens een hoge regeringsambtenaar zijn er soms wel zeventig gevallen per dag. De meeste ontvoerden komen na betaling van hoge losgelden weer vrij.
Er zijn dagen waarop Muktada van zijn straat houdt. De familie van zijn verloofde, een achttienjarige sjiitische, woont maar een paar huizen verderop. ‘Jij bent de eerste vrouw in mijn leven,’ zegt hij altijd tegen haar. Een leugentje om bestwil. Zijn eerste vriendin, bekent hij ons, was een soennitische. Ze leerden elkaar kennen op de universiteit. Ze had een lief gezichtje, zei hij. En ze was slim. Maar de families waren ertegen.
Als Muktada uit het stadskantoor terugkomt in zijn wijk, gaat hij naar het huis van de familie van zijn verloofde. Ze houden elkaars hand vast en de moeder schenkt het paar thee in. Voor de verloving heeft het meisje alleen een foto gezien van Muktada. Hij beviel haar. Bovendien heeft hij een stabiel inkomen. Na de verloving duurde het drie dagen voor ze begon te praten. ‘Ik ga je silent girl noemen als je zo stil blijft,’ dreigde hij lachend. Zij lachte ook. Het ijs was gebroken.
Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom
Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom. Een rookkolom stijgt op. Brandende auto’s maken de wolk steeds groter: uit de eerste rookkolom zwelt een tweede op, en een derde. Dan drijft de wind ze uiteen tot zwarte sluiers.
De bom zou zeven mensen gedood hebben, hoort Moataz, onze begeleider, later. Er was een politiepost aangevallen. In de kranten en op het internet vinden we er niets over. De Iraakse regering doet haar best om de schijn op te houden dat Bagdad veilig is.
Een paar jaar lang zag het ernaar uit dat de betrekkingen tussen sjiieten en soennieten genormaliseerd zouden kunnen worden. De soennieten uit Ghasalija begonnen de markt in het sjiitische Shuala weer te bezoeken, waar de groente heel goedkoop is. De sjiieten uit Shuala waagden zich weer op de Naffla-markt in het soennitische Ghasalija, die bekendstaat om zijn grote assortiment stoffen.
Maar de haat tussen soennieten en sjiieten vlamde op 28 februari 2013 weer op. In het grote stadion van Shuala ontplofte een bom te midden van de toeschouwers. De wedstrijd om de derde plaats van het lokale voetbalkampioenschap was juist begonnen. Zeventien mensen kwamen om, de meesten kinderen en jongeren. Er waren meer dan honderd gewonden.
De daders konden alleen soennieten zijn, meenden de sjiieten. Hun milities zwermden uit naar Ghasalija, ontvoerden tientallen mensen naar Shuala, lieten er enkele vrij tegen losgeld en vermoordden de anderen. De soennieten noemen de sjiitische wijk aan de andere kant van de straat nu ‘de stad waaruit de mensen niet terugkomen.’
De moordenaars gooien hun slachtoffers meestal op een stuk land naast de autoweg, dat bedekt is met vuilnis, bouwafval en dode dieren; bijna dagelijks vindt de politie daar lijken. In de afgelopen week, werd ons verteld, waren het dertien mannen, geboeid en geëxecuteerd.
Al jaren voelen de soennieten van Ghasalija zich tweederangsburgers. Ze verwijten de door sjiieten gedomineerde Iraakse regering dat de soennitische wijken worden achtergesteld. In het sjiitische Shuala wordt vuilnis opgehaald, in het soennitische Ghasalija niet. Daar kruien de inwoners hun afval zelf naar de rand van de wijk en verbranden het daar. Een vette rook hangt dan over de huizen.
Dat heeft niets te maken met achterstelling, zegt de sjiiet Muktada van het stadsbestuur: ‘Onze vuilnismannen durven Ghasalija niet in.’ Want ze zijn sjiieten. Het bestuur in het westen van Bagdad neemt geen soennieten in dienst, dat geldt ook voor de vuilnisophaaldienst.
Strijd tegen IS
In Ghasalija is geen ziekenhuis, en de kliniek in Shuala ligt zo ver in de sjiietenwijk dat de soennieten er niet heen durven. Dus brengen ze hun patiënten naar het ziekenhuis van Jarmuk, in het zuiden van Bagdad, ook de zwaargewonden. Dat is een uur rijden; sommigen sterven onderweg. In hun haat vuren soennieten granaten af op Shuala, altijd op vrijdag, de gebedsdag. En voeden daarmee alleen maar de wraaklust van de sjiieten.
‘Ghasalija moet gezuiverd worden,’ zegt sjeik Ahmed, leider van een sjiitische militie, in zijn hoofdkwartier in de binnenstad van Bagdad. Zijn militie is een van de tientallen sjiitische vrijwilligersformaties die in de afgelopen maanden zijn opgericht. In de zomer van 2014 riep grootayatollah Ali al-Sistani, de hoogste leider van de Iraakse sjiieten, alle Irakezen op tot de strijd tegen IS.
Terwijl het leger binnen een jaar inkromp van 210.000 tot 48.000 man, groeide na de oproep van de ayatollah het aantal bewapende militieleden tot naar schatting 120.000 strijders. Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over 12.000 man. Veel van zijn strijders komen uit Shuala.
De sjeik loopt op krukken. Hij is onlangs aan het front op een mijn gestapt. De artsen wisten zijn been gelukkig te redden. Hij draagt een grijze baard, een witte tulband en een camouflagepak. ‘Ik ben nu generaal-majoor,’ zegt hij. ‘Ik leid een divisie.’ Eerder was hij een huurling in de Syrische burgeroorlog, waar hij aan de kant van de sjiitische dictator Bashar al-Assad vocht.
In de hal staan zes lijfwachten van de sjeik, in nieuwe kogelvrije vesten van het Amerikaanse leger, helemaal in het zwart. De sjeik zit achter een vrijwel leeg bureau. De Iraakse vlag aan zijn rechterzijde heeft hij speciaal voor de fotograaf van Die Zeit gekocht, zoals onze chauffeur Moataz vooraf telefonisch vertelde. Ook de villa waarin hij ons ontvangt, heeft hij alleen voor ons bezoek betrokken.
Sjeik Ahmed somt de veldslagen op die hij met succes tegen IS heeft gevoerd. Midden in zijn verhaal stokt hij en grijpt naar zijn rug, waar nog twee splinters van de mijn in zitten. Vlak bij de ruggengraat, zegt hij. Of wij niet een kliniek in Duitsland weten waar hij geopereerd kan worden?
Zijn smartphone, een witte Samsung, rinkelt. En blijft rinkelen. Tot nu toe heeft hij alle oproepen weggedrukt, maar nu zegt hij, na een blik op het schermpje: ‘Een ogenblik alsjeblieft’, en neemt de oproep aan.
‘Wij zijn klaar voor de overdracht van het geld,’ hoort onze begeleider Moataz de beller zeggen. De man spreekt met een smekende stem. ‘Wij zijn bereid om naar de afgesproken plek te komen.’
‘Er wordt aan gewerkt,’ zegt de sjeik. ‘Ik heb gasten.’
Hij beëindigt het gesprek, verontschuldigt zich voor de onderbreking en zegt dat de beller de eigenaar is van een ziekenhuis in Koerdistan, die hem heeft aangeboden de beide splinters gratis te verwijderen.
Schoolfeest
In Ghasalija, aan de soennitische kant van de Straat van de bomen, woont Raihana, de kleuterschooljuf. Moataz heeft ons haar bungalow aangewezen. Bij ons gesprek buiten de wijk draagt Raihana een bruin pak, dat ze combineert met een bruine hoofddoek. Haar ogen zijn donker omrand met kohl [een mengsel van roet en andere ingrediënten]. Ze zegt dat het bed in haar huis de plek is waar ze zich het veiligst voelt. Daar ligt ze urenlang, tussen dekens en kussens, terwijl de tv aanstaat. Alsof ze zo het rumoer van de wereld buiten een beetje kan dempen.
Het zijn de laatste vakantiedagen. Raihana vertelt over het geplande feest bij het begin van het nieuw schooljaar. ‘Wij zijn de enige kleuterschool in de buurt die zo’n feest geeft,’ zegt ze trots. Op vier vellen papier heeft ze alles genoteerd wat ze voor deze grote dag moet regelen. Het werk, zegt ze, is het enige wat haar in leven houdt.
De soennitische Raihana was ooit met een sjiitische man getrouwd. Twintig jaar geleden liep het huwelijk stuk, ook omdat haar familie altijd al tegen die verbintenis was. De uit hun huwelijk geboren zoon vluchtte in 2007 naar Jordanië. sjiitische milities waren haar huis binnengedrongen om hem mee te nemen. ‘Voor hen is hij een halve soenniet,’ zegt zijn moeder. Nu belt ze om de twee weken met hem. ‘Thuis wacht me alleen leegte. Mijn leven is eenzaamheid.’ Elke avond slikt ze tabletten om te kunnen slapen.
Raihana weet dat IS maar een paar kilometer verderop zit, dat de opstandelingen elk moment Ghasalija kunnen bezetten. De sjiieten zouden meteen de tegenaanval inzetten. Dagelijks legt Raihana geld opzij om te kunnen vluchten voor de straatgevechten. Naar de sjiitische woongebieden zou ze niet kunnen, omdat ze daar als soennitische vervolgd zou worden, zegt ze. En soennitische buurten in andere delen van Bagdad komen niet in aanmerking omdat IS ook daar invloed heeft. Dan zou alleen de binnenstad overblijven, waar aanhangers van beide geloofsrichtingen nog naast elkaar leven.
En toch is IS voor Raihana een gevaar dat ver weg lijkt in vergelijking met de bedreigingen in haar buurt. ‘Je gaat de straat op en denkt dat het veilig is. Maar plotseling gebeurt er iets, en je wordt ontvoerd,’ zegt ze. De dochter van een collega werd op weg naar school gekidnapt. Voor 10.000 dollar kon de moeder haar kind terugkopen. Een week geleden vonden politieagenten in een huis acht ontvoerde kinderen, opgesloten in de kelder. Raihana vertelt erover, maar niet lang. Dan gaat het weer over haar feest. Dat moet geweldig worden. De volgende morgen wil ze naar de markt om twee dozen in goudpapier verpakte toffees voor de kinderen te kopen. Ook wil ze vijftig kleine kaarsen kopen, zegt Raihana, en tweehonderd kartonnen bordjes en vijfhonderd ballonnen. ‘Ik zou willen dat de kinderen merken dat het een bijzondere dag is.’ De ballonnen zal ze oppompen, aan een touw knopen en boven de ingang van de school hangen. Ze moet morgen naar vier verschillende winkels voor die inkopen. Ze maakt zich zorgen of ze dat allemaal redt in een dag; acht controleposten moet ze passeren, en bij elke post wordt het verkeer opgehouden.
Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?
Onze begeleider Moataz rijdt ons na het gesprek naar het hotel. Het is laat geworden, hij is moe. Dan staat er midden op straat een politieagent die het verkeer tegenhoudt om een konvooi van de Veiligheidsdienst in te laten voegen. Moataz meent dat de agent hem een teken geeft om door te rijden. Hij geeft gas in plaats van te remmen. Met een ruk richt de agent zijn wapen op ons. We schreeuwen. Moataz stopt. Hij scheldt en trekt wit weg. In Bagdad voeren vele wegen naar de dood, vooral misverstanden.
Buiten de stad is de opmars van IS voorlopig tot stilstand gekomen. Maar nog altijd slagen de islamisten erin nieuw terrein te veroveren. Binnen twee weken vallen twee steden van elk 100.000 inwoners. Ook gematigde soennieten kunnen hun bewondering voor IS niet verhelen. ‘Hoe krijgen ze het voor elkaar?’ vraagt iemand uit de straat van de bomen. ‘Ze voeren tientallen veldslagen tegelijk en vechten tegen zeven legers.’
De strijders van IS namen bliksemsnel miljoenensteden in, wisten de grens tussen Irak en Syrië uit, en veranderden de kaart van het Midden-Oosten. De extremisten uit het buitenland die in de wereldpers figureren en de beruchte video’s maken, vormen maar een klein deel van de IS-strijders. De meeste manschappen worden geleverd door de grote soennitische stammen. Sinds de Amerikaanse invasie zijn er vier soennitische verzetsgroepen geweest. Die zijn nu allemaal versmolten met IS.
Het is vroeg in de morgen op de dag waarop Raihana snoepjes wil gaan kopen en Muktada zijn verloofde naar de juwelier wil brengen. Op deze dag verlaten wij de hoofdstad. Met een militair konvooi van de sjiitische Badr-militie rijden we de provincie Dijala in, die Bagdad verbindt met de Iraanse grens.
Drie weken geleden hebben de sjiieten het gebied op IS terugveroverd. De Badr-militie is de machtigste van hun strijdgroepen, naar eigen zeggen 50.000 man sterk, groter en slagvaardiger nog dan de militie van sjeik Ahmed. Een strijdgroep die zelfs een eigen tv-kanaal runt voor propagandadoeleinden. ‘Wees gerust!’ zegt een cameraman van de militie, met wie we in de jeep meerijden. ‘We hebben alle terroristen uitgeschakeld.’ De mediamensen van Al-Badr maken grappen en bediscussiëren de voordelen van de verschillende typen camera’s. Maar ze worden stil als we de controlepost aan de rand van Bagdad passeren en de stad verlaten.
Dit land draagt de sporen van vele oorlogen. De heuvelachtige vlakte waar we doorheen rijden, is bezaaid met betonnen wallen en hopen aarde. Steeds weer komen we langs wachttorens en politieposten, die vaak brandsporen van bomaanslagen dragen. ‘Dit is het begin van onze overwinning! We zullen de ene provincie na de andere bevrijden!’ roept generaal Muen al-Kadhimi bij onze eerste tussenstop tegen tachtig pas gerekruteerde vrijwilligers. ‘God en alle engelen kijken naar jullie!’ Het terugtrekkende IS heeft de bruggen over de rivieren opgeblazen. Ons konvooi steekt het water over op geïmproviseerde houtconstructies. We zien opgeblazen pantserwagens die naar men zegt van IS waren, maar misschien ook van het Iraakse leger. Op veldwegen en in irrigatiekanalen staan uitgebrande militaire voertuigen van Amerikaanse makelij. Overal wapperen de groene en zwarte vlaggen van de sjiieten, de kleuren van de veroveraars, want dit deel van Dijalas werd voor de oorlog overwegend door soennieten bewoond. ‘Saddam gaf ze zulke mooie huizen,’ peinst de cameraman. ‘En wij moeten in ellendige holen wonen.’
Aan het begin van een zijweg ligt het lijk van een man, half vergaan. Een sjiitische wachtpost staat er onaangedaan naast en staart naar ons konvooi. De dorpelingen die we passeren zijn allemaal beroofd. Dode geiten liggen in de beken.
De generaal wil ons een moderne gascentrale tonen, in 2013 gebouwd door het Franse Alstomconcern, in 2014 door IS veroverd en drie weken geleden terugveroverd door de Badr-militie. Nu houdt een kleine eenheid van het Iraakse leger de heuveltop bezet, waarop gastorens blinken. De generaal hangt ook hier de winnaar uit. De officier van de legereenheid laat hij nauwelijks aan het woord komen. Het is duidelijk wie het in deze veldtocht voor het zeggen heeft: niet meer het reguliere leger, maar de sjiitische milities. De reguliere soldaten die de fabriek tegen IS moeten beschermen, bewapend met niet veel meer dan kalasjnikovs, en omgeven door open veld, maken een timide indruk.
Slechts enkele uren eerder zijn op de enige weg naar de centrale drie springladingen geëxplodeerd. Blijkbaar heeft een IS-commando die op afstand tot ontploffing gebracht. Naar verluidt is een servicewagen van de elektriciteitscentrale getroffen. Er zouden vier gewonden zijn. Het konvooi houdt halt op de terugweg om de plek van de explosie te onderzoeken. Een van de chauffeurs ontdekt opeens een vierde, nog intacte bom: een geel plastic bakje in de greppel naast de weg. Vanuit de springlading leiden twee draden tot vlak bij de weg. De generaal beveelt snel verder te rijden. Mogelijk worden we door IS-strijders geobserveerd. Ze kunnen de bom elk moment laten ontploffen.
Aan de horizon branden intussen de dorpen. In drie windrichtingen zien we rookzuilen. Hele stukken straat staan in brand. ‘Die hadden daar waarschijnlijk kortsluiting,’ zegt de cameraman lachend. De term ‘kortsluiting’ heeft een speciale betekenis in Irak. Tijdens de eerste burgeroorlog in 2006 noteerde de politie in hun rapporten steevast ‘kortsluiting’ als oorzaak van de talloze branden. Maar iedereen wist dat het vuur bijna altijd was aangestoken door sjiitische of soennitische milities om elkaar wederzijds uit de wijken te verjagen.
Deze aanblik komt de generaal niet goed uit. Hij wilde met deze rit de beschuldigingen tegen zijn militie ontkrachten. De mensenrechtenorganisaties Amnesty International en Human Rights Watch beschuldigen de sjiitische Badr-brigades ervan de soennitische bevolking systematisch te verdrijven. De gebeurtenissen hier in de provincie Dijala lijken op die in de provincie ten zuiden van Bagdad, waar de Badr-militie IS al een half jaar geleden versloeg. Tienduizenden soennieten mogen sindsdien niet meer terug naar hun dorpen. Volgens de milities vanwege veiligheidsredenen. In werkelijkheid willen ze waarschijnlijk de sjiitische woongebieden uitbreiden. Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?
Daeshmarkt
Als we terug zijn in Bagdad, in het soennitische Ghasalija, laat kleuterjuf Raihana weten dat de kleine vierjarige jongens en meisjes de sjiieten al als vijanden begonnen te zien. ‘Sjiieten zijn net als apen,’ zeggen de kinderen. ‘Sjiieten hebben lange staarten in hun broek.’ Ze beledigen Ali, de profeet van de sjiieten. Als Raihana de kinderen ter verantwoording roept, hoort ze vaak: ‘Dat mag ik best zeggen, mijn vader zegt dat ook.’ Ze denkt dan goed na, welk kind ze terechtwijst. Ze vreest de woede van de vaders. ‘Je kunt niemand meer vertrouwen,’ zegt ze. ‘Soms geloof ik dat ik mezelf niet meer kan vertrouwen.’
Aan de andere kant van de straat, in het sjiitische Shuala, is een nieuwe markt geopend. De mensen noemen het de Daeshmarkt. Daesh is de Arabische afkorting voor IS. Daar verkopen de milities hun oorlogsbuit, alles wat ze zogenaamd op IS buitgemaakt hebben.
‘Iedereen weet dat dat gestolen goed is,’ zegt Abdullah, een taxichauffeur, die ook aan de straat van de bomen woont, aan de soennitische kant.
Abdullah vertelt dat de Daeshmarkt de koopjesmarkt van de sjiieten is geworden. Volgens hem verkopen ze daar wat ze in de veroverde dorpen van de soennitische bewoners geroofd hebben: tv’s, koelkasten, computers, auto’s.
Zo is elke marktdag in Shuala een vernedering voor de soennieten in Ghasalija. De granaten die van de soennitische kant afgevuurd worden op Shuala slaan vaak in op de markt. In het Iraakse parlement hebben soennitische afgevaardigden al weken geleden geëist dat de markt wordt gesloten – vergeefs.
Het had niet zover hoeven komen met het conflict tussen Ghasalija en Shuala, vertelt Abdullah als we hem treffen in een ijssalon in de binnenstad. ‘We hadden een echte kans.’ Toen het moorden in 2007 op z’n hoogtepunt was, vielen de Amerikanen Ghasalija binnen. Ze bouwden drie steunpunten en wierven 450 soennieten aan als politieagenten: de Ghasalija Guardians. Abdullah was een van hen. Zijn ogen lichten op als hij vertelt over die tijd. De Amerikanen leidden de agenten op, gaven hen uniformen, voertuigen en een fatsoenlijk salaris. De soennieten kregen een stukje macht over hun stadswijk terug. De macht die de Amerikanen hun met de val van Saddam Hoessein in 2003 ontnomen hadden.
De soennitische agenten beschermden Ghasalija tegen de aanvallen van de sjiitische milities en de Amerikanen tegen de aanvallen van Al-Qaida. Veel Al-Qaida-strijders zouden zich bij hun troepen hebben aangesloten. ‘De meeste van die jongens,’ zegt Abdullah, ‘geloven helemaal niet in die Al-Qaida-filosofie. Die geloven in het geld.’ De soennitische Ghasalija Guardians hielden ook de militanten onder de soennieten in toom, er waren nauwelijks nog aanslagen; de spanningen tussen soennieten en sjiieten verminderden. Maar in het jaar 2009 vertrokken de Amerikanen. ‘Ze lieten ons in de steek en leverden ons uit aan de sjiietenregering,’ zegt Abdullah.
De Ghasalija Guardians werden ontbonden. Veel van hun voormalige officieren werden vermoord. Abdullah kreeg het aanbod schoonmaker te worden in het ministerie van Transport. Hij wees het af en werd taxichauffeur.
De afbrokkelende muren van de voormalige Amerikaanse steunpunten zien eruit als de ruïnes van het oude Rome. Legerplaatsen en forten uit een voorbije tijd. Voor de Iraakse veiligheidsdiensten waren de militaire bases te groot. Overal in de wijk stuit men erop: resten van een verzonken rijk.
Hij zal niet nog eens tegen de islamisten vechten, zegt Abdullah, de soenniet. Hij zal het met IS op een akkoordje gooien. Met die lui valt te praten, met de sjiitische milities niet. Die onderhandelen niet met soennieten, ze vermoorden ze. ‘Dat is de keus die ik heb. Dan is IS voor mij beter,’ zegt hij, en neemt afscheid om zijn volgende klant af te halen.
Gespannen rust
Het welkomstfeest waar kleuterjuf Raihana dagenlang naartoe gewerkt heeft, is voorbij. Tot tranen geroerd vertelt ze hoe het was: om acht uur ’s morgens opende ze de grote poort. De nieuwe kinderen kwamen paarsgewijs binnen, ze hielden elkaars handjes vast. Ze droegen hun mooiste kleren, de jongens zwarte pakjes, de meisjes witte prinsessenjurkjes. Er speelde muziek, er brandden kaarsen. Op de tafels stonden bordjes met chocoladekoeken en schotels met snoepjes. Raihana hield een toespraak. ‘Mijn lieverdjes,’ begon ze. Ze spoorde de vierjarigen aan zich goed te verzorgen, hun kleren schoon te houden en hun nagels te knippen. En zich te excuseren als ze op fouten betrapt werden. Twee uur duurde het feest. Toen ging Raihana naar huis, zette de tv aan en sloot haar ogen.
Onze begeleider Moataz rijdt ons weer door de Straat van de bomen, die vandaag nog rustiger is dan anders. In de ochtenduren hebben onbekenden in Bagdad een soennitisch stamhoofd doodgeschoten. Hij had zich ingezet voor toenadering tussen de geloofsrichtingen. Hij en zijn lijfwachten werden dood gevonden onder een viaduct.
De vertegenwoordigers van de soennieten stellen de sjiitische Badr-militie verantwoordelijk. De militie ontkent. Er heerst een gespannen rust in de straat. Iedereen weet: het zal niet lang duren voor de soennieten wraak nemen, en dan de sjiieten weer. In Bagdad voedt de haat zich allang met zichzelf.
Op de middag van diezelfde dag zit ik op het bed in mijn hotelkamer, met mijn mobieltje in de hand. Het telefoontje van het Bundeskriminalamt uit Berlijn. Wie heeft ons verraden? Kleuterjuf Raihana? Bestuurssecretaris Muktada? De twee hotelgasten die ons de vorige avond in het restaurant zo’n onvriendelijke blik toewierpen? Moataz, onze chauffeur? Hij had zo veel mogelijkheden om ons uit te leveren aan onze ontvoerders, en hij heeft het niet gedaan. Nee, niet Moataz! Moataz niet, hoop ik.
Drie uur later vallen de portieren van de gepantserde limousine van de Duitse ambassade achter ons dicht.
Auteur: Wolfgang Bauer
Vertaler: Piet Meeuse
De namen en een paar levensomstandigheden van onze gesprekspartners zijn omwille van hun veiligheid veranderd.
Wolfgang Bauer (1970) is sinds 1994 freelancejournalist. Hij studeerde Islamstudies, Geografie en Geschiedenis. Bauer schreef onder meer voor Focus, Die Zeit, Neon, Greenpeace Magazin, Geo en National Geographic. Zijn werk werd veelvuldig bekroond.
Die Zeit
_Duitsland | dagblad, oplage 540.000 _
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.
Genomineerden in de categorie Distinguished writing award:
Paul Raymond & Jack Watling (Verenigd Koninkrijk):
The Struggle for Mali
Jonathan Stock (Duitsland):
Die Löwen vom Sindschar
Bombarderen of niet bombarderen? Daarover gaat de discussie in het Westen als het IS betreft. Maar volgens de Libanese nieuwssite Now hebben militaire acties geen zin. Alleen door te proberen Irak nu eens écht te begrijpen, kunnen we een begin maken met een oplossing.
Op dit moment heeft Amerika twee opties om IS te bestrijden, en die zijn geen van beide militair van aard. De eerste, een noodoplossing die in de toekomst wel eens contraproductief zou kunnen werken, houdt in dat het evenwicht tussen soennieten en sjiieten in Irak en de hele regio wordt hersteld. Daarvoor is het noodzakelijk dat Washington zich krachtig opstelt tegenover Iran, maar dat is een politiek die Obama zichtbaar tegenstaat. Dit ondanks het feit dat een nucleair akkoord met Teheran naar zijn eigen zeggen de VS de vrijheid zou bieden om zich zonder angst voor een nucleaire countdown te kunnen concentreren op de destabilisatiepolitiek van Iran.
De tweede optie is Irak écht begrijpen – iets waar de Amerikanen niet voor openstaan, zoals Obama veelvuldig heeft herhaald. Amerika moet het idee loslaten een natie op te bouwen, en er juist voor zorgen dat het hele Midden-Oosten zich ontwikkelt tot een regio waarin gerechtigheid het wint van het recht van de sterkste.
Pech gehad
Om IS te ontmantelen moet Amerika eerst begrijpen wat de oorzaken zijn geweest voor het ontstaan van deze organisatie. Helemaal omdat Washington grotendeels verantwoordelijk is voor de situatie waaruit deze ergste terroristische groepering op aarde uiteindelijk is voortgekomen.
Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, zoals geldt voor de meeste leiders van IS, dan hebt u vermoedelijk rond uw negende het uitbreken van de oorlog met Iran meegemaakt. In de jaren tachtig ging het op de Iraakse televisie alleen maar over dit conflict en werden de hele dag vaderlandslievende liederen en items met het laatste nieuws van het front uitgezonden. Tijdens deze oorlog werden de Irakezen voortdurend geconfronteerd met de dood van tientallen jonge mensen – ouders, vrienden, buren, naasten. In die tijd behoorden verdriet, sterfgevallen en begrafenissen tot de dagelijkse realiteit.
Irakezen werden voortdurend geconfronteerd met de dood van ouders, vrienden, naasten
In 1991 zou een Iraakse man die begin jaren zeventig geboren was rond de twintig zijn. Op dat moment viel Irak Koeweit binnen, dat vervolgens naar het stenen tijdperk werd teruggebombardeerd door de luchtaanvallen van een coalitie van veertien landen die de hele infrastructuur vernietigden en het Iraakse leger totaal uiteensloegen om het uit Koeweit te verdrijven.
Dat was het moment waarop Washington de sjiieten in het zuiden en de Koerden in het noorden aanmoedigde om hun lot in eigen handen te nemen en tegen Saddam Hoessein in opstand te komen. Maar nadat de dictator de rebellen verpletterend had verslagen, was de enige reactie van Amerika: ‘pech gehad’.
Vervolgens kregen de Irakezen ook nog een zwaar VN-embargo te verduren dat bijna tot hongersnood leidde. Door hyperinflatie daalde de dinar sterk in waarde, waarna de Iraakse regering geen andere keuze had dan het voedsel te rantsoeneren, en dat wordt tot op de dag van vandaag volgehouden.
Net als Obama volgde ook oud-president Bill Clinton dezelfde beleidslijn – zich niet langer in de situatie ter plaatse mengen, maar wel de sancties hand‑ haven – met als enig resultaat dat de Iraakse bevolking nog verder verzwakte. Saddam en zijn handlangers hadden uiteraard geen last van het embargo en hebben het zelfs gebruikt om het weinige wat het land nog kon voortbrengen te plunderen. De rest van de bevolking leed armoede.
De door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd
Om de internationale sancties te overleven begonnen Irakezen die dicht bij de grens woonden te smokkelen. Na 2003 bleken de zo ontstane netwerken ook heel geschikt om mensen, geld en wapens te leveren voor een opstand die aan meer dan vierduizend Amerikanen het leven heeft gekost. Deze netwerken bestaan nog steeds en maken IS tot een goed geoliede organisatie, ondanks allerlei financiële sancties die door Amerika en de rest van de wereld zijn opgelegd.
Afgezien van de wijdverspreide armoede en de werkloosheid moesten de Irakezen ook nog leven in de greep van een megalomane leider die steeds wreder werd naarmate zijn machts‑ basis verder afbrokkelde. Alsof deze optelsom van armoede, werkloosheid, geweld en economisch isolement nog niet genoeg was, bleven Amerika en zijn bondgenoten Irak bestoken op het punt van zijn programma voor massavernietigingswapens, ook al was dat inmiddels stopgezet. Van tijd tot tijd bombardeerden westerse jachtvliegtuigen Bagdad of andere delen van het land. Operatie Desert Fox in 1998 is daar een voorbeeld van.
Operatie Wraak
Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, en u hebt twee verwoestende conflicten, een VN-embargo, armoede, werkloosheid en de dictatuur van Saddam overleefd, dan hebt u dus de Operatie Iraqi Freedom in 2003 meegemaakt. Maar de door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd. Was u soenniet, dan was 2003 het jaar dat u er opeens onterecht van werd beschuldigd ofwel een Baath-aanhanger ofwel een terrorist te zijn. Zo raakten de vele duistere gevangenissen uit de tijd van Saddam langzaam vol met soennieten.
Tegenwoordig zijn de Amerikanen en de rest van de wereld ervan overtuigd dat het een grove vergissing van Washington is geweest om de oorlog tegen Irak te beginnen, want dat gebeurde op grond van verkeerde inlichtingen van de onlangs overleden Ahmed Chalabi. Maar dat is enkel het topje van de ijsberg. Chalabi, van wie later duidelijk werd dat hij voor [de Iraanse] generaal Qasem Soleimani werkte, heeft de Verenigde Staten gevoed met valse inlichtingen, niet alleen voorafgaand aan, maar vooral na de oorlog. Onder invloed van Chalabi, dus in feite onder invloed van Iran, is Operatie Iraqi Freedom omgebogen in Operatie Wraak van Iran. De nieuwe Iraakse leiders – voornamelijk uit ballingschap teruggekeerde sjiieten en getrouwen van Teheran – hebben de Amerikaanse macht gebruikt om de fanatieke Saddam-aanhangers, maar tegelijk ook alle soennieten, volledig uit te schakelen.
Arabische en Engelstalige nieuwssite sinds 2007, aanvankelijk geconcentreerd op Libanees nieuws. In 2012 werd de focus verlegd naar het gehele Midden-Oosten.
Na de val van Mosul in juni 2014 zochten tientallen christelijke families hun toevlucht in Mar Mattai, het oudste klooster van Irak. En ook nu nog houdt het religieuze bouwwerk hoog in de bergen dapper stand tegen Islamitische Staat.
Zeven adelaars cirkelen door de azuurblauwe lucht. Zien ze Mosul? De Iraakse hoofdstad van IS ligt op maar dertig kilometer afstand. Gelegen tegen de flank van een berg torent Mar Mattai – het oudste klooster van Irak – uit over de vlakte van Nineveh. Het Syrisch-orthodoxe adelaarsnest, in de vierde eeuw gesticht door de heremiet Mattai [Syrisch voor Mattheus], overleefde het Perzische en het Ottomaanse Rijk, de Mongoolse bezetting en de Koerdische overheersing. Nu wordt het bedreigd door IS, maar nog steeds houdt het klooster stand, dankzij vijf monniken en twee families uit Mosul die weigeren te vertrekken.
Getjilp van vogels, klapperende duivenvleugels in de klokkentoren, mitrailleurvuur in de verte. Het front tegen IS ligt op nog geen vijf kilometer afstand. Zo dichtbij dat je de bombardementen hoort en de geur ruikt van de branden die ontstaan na de luchtaanvallen van de internationale coalitie. De jihadisten zouden het klooster binnen een kwartier kunnen bereiken als de verdedigingslinies van de Koerdische peshmerga het begaven.
Toch zochten tientallen christelijke families – meer dan driehonderd mensen – hier hun toevlucht na de val van Mosul op 1 juni 2014. Binnen enkele dagen werd dit populaire toeristen- en pelgrimsoord, waar ook Saddam Hoessein geregeld rust kwam zoeken (de landingsplek van de helikopter van de afgezette dictator is nog steeds te zien), een schuilplaats voor vluchtelingen. Bijna twee maanden leefden zij hier dicht op elkaar. ‘Kijk, dat was mijn kamer, en daar die van mijn oom en zijn kinderen,’ zegt Salah, een stevige kerel met een kaalgeschoren hoofd. Hij verliet het klooster al een jaar geleden, maar komt er nog geregeld terug. Op deze junidag speelt hij chauffeur voor pater Youssef, een pater uit Mosul, die hier ook twee maanden woonde. Vader Youssef – achter in de zestig, met witte baard en zwarte soutane – woont inmiddels in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, maar gaat zeker één keer per maand terug naar Mar Mattai.
Aangekomen zegt hij een haastig gebed en inspecteert de medicijnkast: hij is ook arts, gespecialiseerd in nierziekten.
Mar Mattai ligt in de Jebel Maqlub (letterlijk ‘omgekeerde berg’), ook wel ‘Alfaf’ genoemd – een Syrisch woord dat ‘duizenden’ betekent, vanwege de vele heremieten en monniken die er woonden. De berghelling is droog en steil, met hier en daar plukjes olijfbomen en bomen met rode vruchtjes, wrang bitter en onrijp. Vanuit de ramen en vanaf het dak is vlakbij de heuvel Bashiqa te zien, waarachter het kalifaat van IS begint. Komt het door de hoge ligging van het klooster? Of door de kalmte die er binnen de muren heerst? Ondanks de nabijheid van de oorlog voelt het er veilig. Toch vertrok op 6 augustus 2014 vrijwel iedereen spoorslags, nadat IS een doorbraak forceerde in de vlakte van Nineveh en de steden Bashiqa, Bartella en Qaraqosh innam. De opmars werd op slechts een paar kilometer van Mar Mattai staande gehouden.
‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden’
Vluchten
‘Op de ochtend van 6 augustus merkte je dat er iets mis was,’ herinnert pater Youssef zich. ‘Je zag rijen auto’s van burgers in de richting van Koerdistan rijden.’ Daarna vluchtten ook de peshmerga in hun auto’s. Het was elf uur ’s ochtends, de Koerden verlieten hun posities en vertrokken. Toen namen de jihadisten bijna de hele vlakte van Nineveh in, ook de christelijke steden Qaraqosh en Bartella. ‘Die avond om elf uur zagen we vanaf het dak de lichten van de militaire voertuigen die zich terugtrokken naar Koerdistan,’ vertelt vader Youssef. ‘Toen begrepen we dat ook wij moesten vluchten.’
In minder dan een uur zochten de monniken en vluchtelingen hun spullen bij elkaar en vertrokken. Maar één familie bleef. ‘Hier zeiden we elkaar vaarwel,’ zegt Nadia en wijst op de binnenplaats van het klooster. Met haar vingers grijpt ze de zwarte soutane van vader Youssef beet, terwijl ze hem tegen zich aandrukt. Ze noemt hem ‘Abuna’, wat ‘onze vader’ betekent in het Syrisch. ‘We dachten dat het voorbij was, dat IS het klooster in zou nemen en we elkaar nooit meer terug zouden zien,’ herinnert de geestelijke zich. Nadia vertelt verder: ‘Waar konden we naartoe? We hadden er genoeg van om op de vlucht te zijn, onze moeder was te zwak en kon eigenlijk niet reizen. We hebben ons lot toen maar in Gods handen gelegd en gedacht: Kome wat kome gaat.’ Maar de jihadisten bereikten het klooster niet. Na twee dagen alleen in het verlaten klooster te hebben doorgebracht, zagen ze twee monniken terugkeren. Later kwamen er nog drie andere. Ook het iets lager tussen de olijfbomen gelegen dorpje Mergy leefde weer op.
Bijna een jaar later wonen Nadia, haar broer Farez, haar zus Sabah en hun moeder nog steeds in Mar Mattai. De kinderen, allemaal alleenstaande vijftigers, zorgen voor elkaar en voor hun moeder Fadwa, die stram rechtop in een blauw nachthemd in een stoel zit. Ze kunnen nergens anders heen, en hebben ook geen rooie cent meer. Nadat Mosul was ingenomen door IS, bleven ze aanvankelijk in de stad en zongen het een maand lang uit in huis, zonder water of elektriciteit, levend van de voorraden uit de provisiekast. Op het laatst drong er een vreemde geur het huis binnen als je het raam opendeed: de geur van rottende lijken op straat.
Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap is nog maar een kwart over
Ultimatum
Op 18 juli gaven de luidsprekers van de moskeeën een ultimatum van de jihadisten aan de christenen van Mosul: ze hadden tot de volgende morgen om zich tot moslim te bekeren en een speciale belasting – jizya genaamd – te betalen, anders zouden ze worden gedood. De negentiende, een zaterdag was het, vertelt Nadia, pakte de familie haar koffers en vertrok, vier uur voor het ultimatum afliep. Een taxichauffeur, een moslim, bracht hen voor niets naar het klooster. Aan de rand van Mosul, bij een jihadistische wegversperring, werden ze aangehouden door jonge strijders. ‘Het waren Irakezen met baarden, en maar een van hen droeg een uniform,’ vertelt Nadia. De anderen waren in spijkerbroeken en dishdasha: lange, onder mannen in de Arabische wereld populaire hemden. ‘Zijn jullie christenen?’ vroeg er een. ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden.’
Ze namen hun alles af: geld, de rolstoel van hun moeder, zelfs hun kleren – Farez kwam in ondergoed bij het klooster aan. ‘De chauffeur had medelijden met ons maar kon niets doen,’ vertelt Nadia. ‘Toen we voorbij de controlepost waren, spuugde hij uit het raam en zei: “Ik spuug op die mensen, het is dankzij hen dat zo veel mensen de islam haten.”’
Zullen ze ooit nog terugkeren naar Mosul, als de stad bevrijd is? Nooit. ‘Overal behalve Mosul,’ zeggen ze eensgezind en beslist. Aan de andere kant van de gang krijgen we hetzelfde antwoord, van de andere familie die het klooster bewoont: Nablus, Amer en hun drie zoons. Zij komen ook uit Mosul en keerden in oktober 2014 terug naar het klooster, nadat ze geprobeerd hadden om in Erbil te wonen. Het leven was er te hard, te duur ook.
Allemaal blijven ze liever hier, al herinnert alles er aan de oorlog, binnen zowel als buiten. Bij de karige lunch, zoals elke woensdag en vrijdag, spreken we over IS. Bij het verlaten van de eetzaal komt ons onder de arcaden een groepje militieleden in gevechtstenue en kogelvrije vesten tegemoet. Het zijn leden van de christelijke militie Dwekh Nawsha, een naam die in het Syrisch ‘hij die doorvecht tot de dood’ betekent.
Dwekh Nawsha bestaat uit ongeveer tweehonderd krijgers, die aan de zijde van de peshmerga strijden aan het front van Mosul. Het is een beleefdheidsbezoek, bijna als van buren, en ook een beetje een toeristisch uitje, krijgen we de indruk. Zeker de helft van hen bestaat uit buitenlanders, vooral Engelssprekende. Een getatoeëerde breedgeschouderde Amerikaanse trucker; een Schotse ex-beroepsmilitair; Jamie, een Canadese van een jaar of twintig met blauwe ogen en een vlecht die bij haar nek onder een patroongordel verdwijnt.
‘Wat een wapens, wat een wapens,’ roept een monnik bij de aanblik van de munitie. ‘En dan hebben we de geweren nog in de auto gelaten,’ grinniken de militieleden. De sfeer is ontspannen. De Schot is pas tien dagen geleden gearriveerd en moet nog erg wennen. ‘Voorlopig strijdt hij alleen tegen de muggen,’ grappen zijn kameraden en wijzen op zijn opgezwollen, rode neus.
Even is er een gevechtspauze. Maar ’s avonds laait de strijd alweer op: het ‘tak-tak-tak-tak’ van kalasjnikovs, het ‘boem-boem-boem-boem’ van een doshka [zwaar machinegeweer], het ‘bof’ van een mortier. De eerste sterren verschijnen aan de hemel. In het westen gaat de zon onder en kleurt de hemel dieprood. In het zuiden, richting Bashiqa en Mosul, laaien vuren op in de vlakte, veroorzaakt door het geweervuur en de bombardementen. Vanuit het klooster is het een indrukwekkend gezicht. De frontlijn licht op en geeft de toeschouwer hier boven even het gevoel heel dicht op de strijd te zitten. Links is de grote boog zichtbaar van de voorste linies van de peshmerga vlak voor die van de jihadisten. In de verte, achter de heuvel Bashiqa, zijn de lichten van Mosul te ontwaren. Net achter de top is een brand uitgebroken, waarschijnlijk als gevolg van een luchtaanval, vermoedt een monnik die tegen de borstwering van het dak van het klooster aanleunt. Net als elke avond wordt vanuit Mar Mattai het spektakel op de voet gevolgd. Sommigen foeteren op de onwil van de internationale coalitie, vooral van de Verenigde Staten, om IS te stoppen. ‘Het leger van Saddam Hoessein hadden ze binnen een maand op de knieën.’
‘We vertrouwen op God,’ zegt broeder Potros gelaten. Iedereen denkt aan het lot van het Syrisch-orthodoxe klooster van Mar Behnam, zuidoostelijk van Mosul. De jihadisten claimen het in maart te hebben vernietigd. Uit voorzorg zijn de relikwieën en handschriften van Mar Mattai in de zomer van 2014 geëvacueerd. Want in het klooster maakt men zich weinig illusies over de toekomst van de christenen in Irak. Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap, die voor 2003 nog uit tienduizend families bestond, is sinds een jaar nog maar een kwart over.
De peshmerga houden voorlopig stand. Maar als IS een offensief begint en de Koerden slaan weer op de vlucht, net als een jaar geleden…’ begint vader Youssef. Dan speelt er een diabolisch glimlachje over zijn lippen. Met het uiteinde van zijn stok buigt hij het struikgewas opzij. We zien een verborgen ingang; er blijken meerdere van zulke verborgen vluchtwegen vanuit het klooster de bergen in te leiden. ‘Kijk, als ze vannacht komen, dan kun je hierlangs ontsnappen. Ze vinden je nooit.’ Achter hem verlicht het flauwe weerschijnsel van de branden een steil geitenpaadje de bergen in. De adelaars zijn nergens meer te bekennen.
Premier Haider al-Abadi is een offensief begonnen tegen de omkopingspraktijken in zijn land, die ervoor zorgden dat IS ongestoord kon oprukken.
Half augustus steeg de temperatuur in Bagdad tot 49 graden Celsius. Niemand keek ervan op, Irakezen zijn gewend aan hittegolven. Al hadden ze, dertien jaar na de val van Saddam Hoessein, toch wel verwacht dat hun olierijke land genoeg stroom zou hebben om hun airco’s draaiende te kunnen houden.
In 2003 zag ik tijdens een verblijf in Bagdad handelaren met bergen airco’s en schotelantennes op het trottoir staan. Waarom zou je een airco kopen als er geen elektriciteit is, vroeg ik. ‘De mensen kijken vooruit,’ zei een winkelier tegen me. ‘Binnenkort is er weer stroom en dan zal de prijs van airco’s stijgen. Wie er nu alvast eentje koopt, zal straks veel geld kunnen uitsparen.’ Dat klonk reëel. Maar de realiteit in Bagdad is een verhaal op zich.
Toen de Iraakse premier Haider al-Abadi onlangs een bezoek bracht aan de zuidelijke oliestaat Basra, bleken daar duizenden demonstranten op de been te zijn. Ze eisten dat er voldoende stroom geleverd zou worden om fabrieken, computers en airco’s ongestoord te kunnen laten functioneren. Er was speciaal voor deze gelegenheid een videoclip gemaakt. In die clip herhaalde een Iraakse rapper steeds de woorden: ‘Wij zijn Irak, maar wie bent u?’
Wie bent u? Het is een legitieme vraag, nu steeds duidelijker wordt hoe wijdverbreid de corruptie was tijdens de regering van Nouri al-Maliki (2006-2014), de voorganger van Abadi. Op internet staat het verslag van een parlementaire commissie die onderzocht hoe de stad Mosul in 2014 in handen viel van IS.
Uit dit onderzoek – op grond waarvan Maliki en een flink aantal ministers en legeraanvoerders vervolgd zouden kunnen worden – blijkt dat IS al een deel van Mosul en Nineveh in zijn macht had lang voordat het Mosul innam. Zonder dat het leger of welke veiligheidsdienst ook daar iets tegen deed. IS inde belasting van burgers, zakenmensen en fabrikanten, in totaal zo’n 10 miljoen euro per maand. Er werd bijvoorbeeld voor elke werkende generator 175 euro in rekening gebracht. Ook moest er betaald worden voor niet-bestaande arbeidskrachten in de stad. En elke dokter moest een maandelijkse licentievergoeding van 265 euro voldoen. In het rapport staat ook dat van de vijfduizend militairen die in Mosul tegenwicht hadden moeten bieden aan IS, er maar 71 op het appèl verschenen. De controleposten die opgericht hadden moeten worden, kwamen er nooit en pantservoertuigen van het leger werden in brand gestoken door IS-strijders al voordat de stad was ingenomen.
Net als de hitte was de corruptie binnen het leger geen verrassing voor de Irakezen. Premier Abadi ontdekte al snel na zijn aantreden, in september 2014, dat er meer dan 50.000 spooksoldaten op de loonlijst stonden die niet bleken te bestaan. Hij kwam erachter dat officieren soldaten geld afpersten, of voor zichzelf lieten werken.
Deze feiten verklaren maar ten dele waarom het Irakese leger faalde met betrekking tot IS. Een andere reden, zo legden Irakese soldaten uit aan Abadi en aan Washington, was dat het Irakese leger, opgezet met uitgebreide Amerikaanse steun, een zeer wankele basis had. Het zou niet alleen grondig gezuiverd moeten worden, maar verschillende gevechtseenheden zouden helemaal opnieuw moeten worden opgebouwd. Iran op zijn beurt stond niet werkeloos toe te kijken en organiseerde en financierde sjiitische volksmilities, die nu strijd voeren tegen IS. Te midden van de luchtaanvallen op IS-bases, de grondaanvallen door sjiitische milities en de troepenbewegingen van het Koerdische leger in het noorden, kijkt het Irakese leger lijdzaam toe.
De premier, die niets te zeggen heeft over de militaire bewegingen in zijn eigen land, heeft nu de oorlog verklaard aan de corruptie. Hij heeft elf kabinetsposten opgedoekt, heeft de functie van vicepremier opgeheven en een maximum ingesteld voor het aantal adviseurs dat een minister mag benoemen. Dat leidt tot een enorme kostenbesparing. Verder heeft Abadi het ambitieuze plan opgevat om een regering te vormen die niet meer gebaseerd is op religie of etniciteit. Hij wil deskundige mensen die verantwoording afleggen aan de premier en niet aan hun eigen achterban.
Zijn maatregelen maken hem uiteraard niet populair bij de politici in wier banen of kabinetten wordt gesneden. Maar hij weet zich gesteund door de grote anticorruptiedemonstraties van Irakese burgers en door Ali al-Sistani, de belangrijkste sjiitische geestelijk leider in Irak [ook wel ‘democratische mollah’ genaamd].
Abadi zal ook moeten afrekenen met de diepgewortelde corruptie van het rechtssysteem. Dat zou nog wel eens de lastigste opgave kunnen worden. Rechters en openbare aanklagers hebben lucratieve banen en functioneren in een systeem waar verschillende bevolkings- en belangengroepen van mee profiteren.
Hoezeer men de hervormingsplannen ook toejuicht, men kan niet om het feit heen dat het noordwesten van Irak wordt geregeerd door IS en het noorden door de Koerden. Plannen om Mosul weer in te nemen zijn voorlopig van de baan, net als een herovering van Ramadi. De scheidende Amerikaanse stafchef Raymond Odierno veroorzaakte onlangs grote woede in het land toen hij opmerkte: ‘De enige mogelijke oplossing voor het probleem is een opdeling van Irak.’ Maar de dagelijkse praktijk, met zijn belangen- en politieke lobbygroepen, trekt zich niets aan van internationale strategieën of van de woede van Bagdad. Irak gedraagt zich al lang als een verdeeld land, en vormt alleen soms nog even een eenheid – als het om airco’s gaat tijdens een hittegolf.
Zvi Bar’el
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.