Tag: irak

  • Bahram Sadeghi: ‘Deze aanslag veranderde onze levens’

    Bahram Sadeghi: ‘Deze aanslag veranderde onze levens’

    Tijdens zijn lessen Nederlands voor gevorderden begrijpt de oorspronkelijk Iraanse programmamaker Bahram Sadeghi meteen wat ‘van de regen in de drup’ betekent. Vijfendertig jaar later schreef hij een aangrijpend boek over hoe hij als deserteur uit het Iraanse leger aankwam in de Rotterdamse haven – en de lange weg die daarop volgde. Een voorpublicatie.

    Op 5 oktober 1985 schiet een Egyptische dienstplichtige politieagent op een groep vakantie vierende Israëlische toeristen in de Sinaï, vlak bij de grens met Eilat. Zeven toeristen, onder wie vier kinderen, worden gedood.

    Twee maanden later lukt het mij, achttien jaar jong én dienstplichtig tijdens de bloedige oorlog tussen mijn land Iran en buurland Irak, om als verstekeling uit Iran te vluchten, samen met drie andere jonge landgenoten. Nadat we een paar dagen diep in het ruim van een Filipijns vrachtschip verscholen gezeten hebben, is onze voorraad eten en drinken op. We verlaten onze schuilplek en maken ons bij de bemanning bekend. We worden in aparte hutten opgesloten en een paar dagen later krijgen we te horen wat de kapitein van plan is: het schip zal naar Europa varen en na haar vracht te hebben opgehaald terugkeren naar Iran. Daar zal de kapitein ons overdragen aan de Iraanse autoriteiten. En in de tussentijd blijven we opgesloten in onze hutten. Een paar jaar later zal ik meteen begrijpen wat ‘van de regen in de drup’ betekent, als die uitdrukking tijdens de lessen Nederlands voor gevorderden behandeld wordt.

    Een kleine week na de start van mijn vlucht vaart het schip door het Suezkanaal. Egyptische douanebeambten komen aan boord om de documenten van de opvarenden te controleren. In het Engels vertel ik de twee besnorde douaniers dat ik niet terug gestuurd wil worden naar Iran, want met de straf die in die tijd op ‘desertie in oorlogstijd’ stond (een extra jaar dienstplicht plus een aantekening in de overheidsadministratie als ‘deserteur’) heb je eigenlijk geen toekomst in Iran.

    De volgende dag: een sympathieke rossige Egyptische tolk die Perzisch met een zangerige Arabische tongval spreekt, probeert me gerust te stellen door een paar keer te zeggen dat een gevluchte Iraanse deserteur goede kans maakt om in Egypte te mogen blijven. Na de Islamitische Revolutie zagen de Iraanse leiders Egypte als de verrader van de Palestijnse zaak omdat Egypte al een paar jaar toenadering zocht tot Israël, de aartsvijand van Iran. ‘Als je voor de Iraanse regering vlucht, kun je op onze clementie rekenen,’ is zijn heldere samenvatting van de geopolitieke verhoudingen. Maar als we op hun clementie kunnen rekenen, waarom zitten er dan gewapende militairen voor onze hutten? Aan het einde van de dag komt de aap uit de mouw. De tolk vertelt dat de meegekomen ambtenaren ons ervan verdenken spionnen van de Iraanse regering te zijn, die na die aanslag in de Sinaï voor nóg meer onrust in Egypte willen zorgen. Met stomheid geslagen word ik teruggebracht naar mijn hut. Met tranen in mijn ogen zie ik door de patrijspoort de palmbomen, die met hun groene bladeren zo mooi afsteken tegen het goudkleurige zand, aan me voorbijgaan: we varen weer.

    Een paar weken later wordt de schutter veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf plus dwangarbeid, en op zaterdag 11 januari 1986 komt het schip in Rotterdam aan, aan de Wilhelminakade om precies te zijn.

    De daaropvolgende dag lukt het ons met meer geluk dan wijsheid om uit het schip te ontsnappen en melden we ons bij de politie.

    Vlindereffect

    De Amerikaanse wiskundige en meteoroloog Edward Lorenz bedacht in 1961 de metafoor van het butterfly effect, het vlindereffect: de vleugels van een vlinder kunnen in Brazilië voor een minuscule luchtverplaatsing zorgen die maanden later een tornado in Texas kan veroorzaken.

    Niet de vleugels van een vlinder maar de dodelijke kogels die een Egyptische agent op een zonnige zaterdag om 16:40 uur op een zandduin in de Sinaï afvuurde, zorgden ervoor dat ik, als deserteur/bootvluchteling uit Iran, in Nederland ben beland.

    Maar als een aanslag, waar ik part noch deel aan had, een van de belangrijkste gebeurtenissen uit mijn leven is gebleken, wat is dan de impact van die aanslag op de direct betrokkenen geweest?

    Zoals de toen vijfjarige Tali, die de aanslag overleefde doordat haar moeder Anita zich op haar wierp en de kogels opving die anders Tali zouden hebben geraakt? Hoe heeft die aanslag de verdere levensloop van Ehud bepaald, die er als twaalfjarige in slaagde om drie kinderen te redden, terwijl zijn jongere broer Amir werd doodgeschoten? Wat is er eigenlijk van de dader, de Egyptische Suleiman Khater, terechtgekomen?

    Praten over de aanslag was geen makkelijke opgave voor sommigen van de betrokkenen

    Algauw na de start van mijn research kom ik erachter dat er, afhankelijk van of je pro-Egypte of pro-Israël bent, verschillende versies bestaan over wat er op die fatale dag in oktober 1985 is gebeurd. Verder blijkt, niet geheel verrassend, dat praten over de aanslag geen makkelijke opgave is voor sommigen van de betrokkenen, zoals enkele van de Israëlische nabestaanden me mailden:

    I received your request, I am sorry I did not answer. I can not be interviewed on the subject matter. I hope you understand me.

    – Sorry, I wish you success with the book but do not want to discuss this. Good luck.

    I do not wish to share anything about me with the world. Hope you respect my wish.

    – Hello, I would like to keep my silence. Thank you.

    Het vlindereffect speelt een belangrijke rol in de chaostheorie, die op haar beurt het gedrag van ‘niet-lineaire dynamische systemen’ onderzoekt, leert Wikipedia.

    Soms heb ik het idee dat ik begrijp wat de bovenstaande zinnen betekenen. Met dit boek probeer ik enige grip te krijgen op het waanzinnigste dynamische systeem met al zijn niet-lineaire gedragingen, onvoorspelbaarheid en willekeur dat ik ken: mijn leven.

    21 september 1980, Abadan, Iran

    Ik ben bijna dertien jaar oud en heb met mijn vriendjes afgesproken om deze laatste dag van de zomervakantie voetballend in het park door te brengen. Maar je kunt plannen wat je wilt, er is altijd iets waar je geen rekening mee kunt houden, en in ons geval was het niet de hond van een parktoezichthouder (altijd een nachtmerrie in een land waar je als moslim weinig ervaring met honden hebt), nat gras (betekent vieze kleren dus straf van moeder) of oudere kinderen (die ons altijd wegjagen en de beste voetbalplekken inpikken), om maar een paar veel voorkomende voorbeelden te noemen.

    Ik denk dat het zo rond elf uur in de ochtend moet zijn geweest dat we het luchtalarm hoorden, gevolgd door knallen in de verte. Worden we nou gebombardeerd? Zou de oorlog nu écht begonnen zijn?

    In de maanden voorafgaand aan de oorlog drongen Iraakse gevechtsvliegtuigen geregeld het luchtruim van Iran binnen, altijd ’s nachts. Midden in de nacht rende ik dan met mijn twee oudere broers het dak van ons huis op om de rode kogels van luchtafweergeschut te zien die de donkere hemel doorkliefden terwijl ze gebroederlijk naar hetzelfde punt (een voor ons onzichtbaar Iraaks vliegtuig) zweefden.

    Het was een prachtig schouwspel, moet ik eerlijk bekennen. Mijn geboortestad Abadan was een mooi doelwit voor een aanvaller die snel resultaat wilde boeken: een grote stad met een paar honderdduizend bewoners (altijd slim om burgerdoelen te bombarderen, want chaos verzekerd), een olieraffinaderij waar het hele land van afhankelijk was (economie in het hart raken plus oliebranden die bijna niet te blussen zijn) en lekker dichtbij (slechts gescheiden door een rivier van een paar honderd meter breed).

    ‘Mam, de oorlog is uitgebroken! Moeten we morgen toch naar school?’

    Mijn moeder is al een paar dagen eerder begonnen met het klaarmaken van het huis voor de aanvang van het nieuwe schooljaar. Op die laatste dag zijn de tapijten aan de beurt. Nou hadden we in die tijd wel een stofzuiger, een Amerikaanse Hoover, maar mijn moeder gelooft niet echt in de moderne technieken en daarom komt er een paar keer per jaar een aantal ‘tapijtkloppers’ naar ons huis om de tapijten op professionele wijze uit te kloppen en, waar nodig, te reinigen. Uiteraard heeft mijn moeder geen idee dat dit de laatste keer is dat de tapijten schoongemaakt zullen worden.

    Ik ren door de stofwolk die de tapijtkloppers in ons voortuintje opwerpen, vind mijn moeder naast de wasmachine (net als bij de stofzuiger heeft mijn moeder weinig vertrouwen in de werking van de wasmachine en daarom blijft ze er soms naast staan om de boel in de gaten te houden) en roep: ‘Mam, de oorlog is uitgebroken!’ Gevolgd door een zin die alleen van een bijna dertienjarige jongen kan komen: ‘Moeten we morgen toch naar school?’

    12 oktober 1980, Abadan, Iran

    Met mijn twee oudere broers, een paar neven en hun vrienden slaap ik sinds een aantal dagen op de stoep van ons huis. Ik vind het fijn om zo op de stoep te slapen, want met alle bommen en raketten die op onze stad afgevuurd worden, is het veiliger om buiten te slapen – bij een inslag kan het plafond naar beneden komen. Maar veiligheid is niet de enige reden waarom ik buiten slapen fijn vind. Het is vooral heel stoer om naast oudere jongens met hun wapens te liggen. Maar aan de andere kant vind ik het ook vies: niet de stoep zelf, want we liggen op onze Perzische tapijten, maar vanwege de roetdeeltjes die ’s nachts neerdalen en alles zwart maken. Die roetdeeltjes zijn ontstaan doordat de raffinaderij al weken in de fik staat. Je moet het meegemaakt hebben of op de tv gezien hebben (denk aan de beelden van de hevige bosbranden aan de Amerikaanse westkust anno 2021) om het te kunnen geloven, maar soms duurt het een paar dagen voordat we de blauwe hemel weer zien.

    Begin november 1980, Mahshahr, Iran

    Abadan is praktisch, maar gelukkig niet hermetisch omsingeld door de Iraakse troepen. Als je erin slaagt om de eerste dertig tot veertig kilometer (niemand weet precies hoeveel) door de woestijn te lopen en daarmee de Irakezen te omzeilen, kom je op een gegeven moment Iraanse troepen tegen die je meenemen naar het veilige Mahshahr, zo’n honderd kilometer verderop. In de ochtendschemering brengen mijn broers ons gezin met de auto naar de rand van de stad, tot aan de plek waar een auto niet verder kan omdat hij anders door het zand zou zakken.

    Mijn vader had ik wel eens met een pet op gezien, want als lasser werkzaam in de olie-industrie in het zuidwesten van Iran moest hij vaak onder de felle zon werken en daarom had hij meerdere petten. Maar mijn moeder met een pet op, over haar hoofddoek? Er zijn van die beelden die je niet gauw vergeet.

    4 november 1980, VS

    Jimmy Carter, de eerste Amerikaanse president die ik bewust heb meegemaakt, verliest op die dag de presidentsverkiezingen van Ronald Reagan. Net als vele andere Iraniërs heb ik geen idee wie Reagan is, maar die vervloekte Carter ken ik wel degelijk: sinds de aanloop naar de Islamitische Revolutie in de zomer van 1978 (die een halfjaar later tot de val van de sjah van Perzië leidde), is Carter als supporter van de sjah niet van de Iraanse radio en tv weg te slaan. Natuurlijk hebben we nu, midden in de oorlog met Irak, andere zaken aan ons hoofd dan de Amerikaanse verkiezingen, maar het bericht van Carters smadelijke nederlaag (hij wint slechts in
    zes staten!) vormt een kleine pleister op de oorlogswonde. Niet alleen door zijn steun aan de sjah werd Carter in Iran gehaat, maar ook omdat hij de architect was van de schandelijke Camp David-akkoorden, waarmee Egypte en Israël een jaar eerder vrede met elkaar hadden gesloten en waarmee ze, in onze ogen, de Palestijnse zaak in de uitverkoop hadden gedaan.

    Zonder de bemiddeling van president Carter zou Israël zich misschien niet uit de Sinaï teruggetrokken hebben en zou de schutter Suleiman Khater niet in de Sinaï gestationeerd zijn geweest, waar hij, vijf jaar na de ondertekening van de Camp David-akkoorden, een bloedbad zou aanrichten.

    Oktober 1982, Bandar Abbas, Iran

    Na een jaartje als vluchteling eerst in Mahshahr en later in Khorramabad gewoond te hebben en af en toe familie in andere steden bezocht te hebben, denk ik zo ongeveer te weten wat discriminatie betekent. Maar pas als we ons in de loop van 1982 permanent in Bandar Abbas vestigen (mijn vader ging ons voor en wij volgden later) ervaar ik hoe verschrikkelijk het is om ergens te – moeten – wonen waar je niet oorspronkelijk vandaan komt. Neem mijn gemiddelde dag als scholier in Bandar Abbas: de busrit van ongeveer een halfuurtje naar school is al een ware nachtmerrie. Ik reis met een paar andere vluchtelingenkinderen per bus en er zijn altijd oudere lokale jongens die direct aan ons kunnen zien (hier hebben wij een lichtere huid dan de oorspronkelijke bevolking) en horen dat we niet uit Bandar Abbas komen. Het treiteren begint in de bus, met soms een vechtpartij bij het uitstappen. En aangezien we een lange middagpauze hebben waarin we naar huis gaan, kan het gebeuren dat ik soms op één dag meerdere keren in een vechtpartij terechtkom.

    Mei 1985, Bandar Abbas, Iran

    Ik zet op een rijtje wat de opties zijn voor een scholier als hij zijn diploma heeft gehaald, want met mijn bijna achttien jaar en de dienstplicht die in mijn nek hijgt, heb ik de tijd niet mee:

    1) Je gaat direct het leger in:

    • In het ergste geval ga je gedurende de twee jaar durende dienst dood.

    Iran telde zo veel oorlogsgehandicapten dat wij op de Paralympische Spelen bij de grootste sportnaties hoorden

    • Als je méér pech hebt, raak je gewond, waarbij het verlies van benen (geen ondenkbaar vooruitzicht met eindeloze mijnenvelden die dagelijks honderden slachtoffers eisen) het vaakst voorkomt. Op een gegeven moment telde Iran zo veel oorlogsgehandicapten dat wij op de Paralympische Spelen bij de grootste sportnaties hoorden: olympisch goud voor het zit-volleybalteam in 1984, 1988, 1992, 1996 en 2000 om maar een voorbeeld te noemen.

    • En als je nóg meer pech hebt, raak je gewond bij een chemische aanval, met levenslange gevolgen voor je huid, longen en ogen.

    2) Je wordt aangenomen op een universiteit:

    Tijdens de studietijd krijg je vrijstelling van de dienstplicht, maar na het behalen van je bul, en dat kan je tot zes jaar oprekken, moet je alsnog het leger in.

    Klinkt niet slecht, want wie weet is die vervloekte oorlog tegen de tijd dat je afgestudeerd bent, afgelopen, maar de kans om toegelaten te worden, zelfs op een onbeduidende universiteit ergens in het achtergebleven zuidoosten van het land, is in die tijd even groot als de kans dat het Iraans elftal wereldkampioen voetbal wordt. En met honderdduizenden dienstplichtigen die via die route de dienstplicht willen omzeilen, is de concurrentie moordend.

    3) Je wordt aangenomen op de lerarenopleiding:

    Tijdens de opleiding van twee jaar krijg je vrijstelling van de dienstplicht en zolang je daarna lesgeeft hoef je ook niet het leger in. Maar je moet wel tegen het streng islamitische regime van de lerarenopleiding bestand zijn. In mijn laatste jaar van de middelbare school deed het verhaal van een aanstaande leraar de ronde die de islamitische regels op de lerarenopleiding zo zat werd dat hij zich vlak voor het afstuderen officieel voor gek liet verklaren (vergelijkbaar met het Nederlandse S5) om van de opleiding af te mogen gaan. Om vervolgens alsnog het leger in te moeten, want je kunt het zo gek niet bedenken, de oorlog weet wel raad met alle soorten kanonnenvlees.

    4) Je vlucht naar het buitenland:

    Afhankelijk van je budget en de route (via land, naar Turkije of Afghanistan/Pakistan, of via de zee, naar Dubai) schat ik mijn slagingskans ergens tussen nul en nihil in, vanwege het feit dat wij als armlastige vluchtelingen niet genoeg geld hebben om een dergelijke onderneming te betalen en de grenzen bovendien heel streng gecontroleerd worden. Als je als dienstplichtige opgepakt wordt, krijg je een ‘vermelding’ in de overheidsadministratie als deserteur (oftewel: einde verdere carrière) en moet je daarbovenop een extra jaar aan de grens met Irak dienen. En de grens met Irak is op dit moment de laatste plek in het universum waar je wil zijn.

    Geen vlucht naar het buitenland dus.

    5 oktober 1985, Ras Burqa, Egypte

    Suleiman Khater, volledige naam: Suleiman Mohammed Abdul-Hamid Khater, werd geboren in 1961 in het plaatsje Ikayyad, in het noorden van Egypte, op zo’n tweeënhalf uur rijden van de hoofdstad Caïro. Hij was het jongste kind van een gezin met drie zoons en twee dochters. Op 4 oktober 1982 begint de dienstplicht van Suleiman en hij wordt op 1 mei 1983 bij de centrale veiligheidstroepen in Zuid-Sinaï gestationeerd, bij Ras Burqa, of zoals het leger het officieel noemt: Point 46. Point 46 bestaat uit twee gebouwen om te slapen en te werken, en één gebouw waarvandaan de omgeving in de gaten gehouden wordt. Suleiman werd, en wordt nog steeds vaak ‘soldaat’ genoemd terwijl er volgens de Camp David-akkoorden van 1979 geen soldaten op die plek mochten zijn (en de Egyptenaren die er wel waren mochten geen automatische wapens dragen zoals Suleiman deed). De term die later gebruikt zal worden om zijn functie aan te geven, is police conscript serving in a special border patrol unit, wat je als ‘dienstplichtige politieagent werkzaam bij de grensbewaking’ kunt vertalen.

    Schoot Suleiman Khater, zoals veel Arabische bronnen melden, op een groep Israëlische spionnen die verkleed als toeristen én met kinderen als ultieme afleidingsmanoeuvre zijn geavanceerde communicatieapparatuur wilden stelen? Waren het eigenlijk wel kinderen? Sommigen van hen waren behoorlijk lang voor hun leeftijd, vond een aantal Egyptische journalisten en schrijvers die later over de schietpartij schreven. Of was Suleiman een geradicaliseerde moslim die een steeds grotere hekel kreeg aan Israëli’s die onbeschaamd in de Sinaï vakantie kwamen vieren nadat hun regering een vernederend akkoord had gesloten met Egypte? Of zou hij door zijn lange verblijf in de Sinaï simpelweg zijn doorgedraaid (bevangen door kwaadaardige woestijndjinns)?

    Rond 16 uur beginnen drie volwassenen, Ilana, Haman en Anita, en negen kinderen aan de beklimming van de zandduin waarop de uitkijkpost van de Egyptische militairen zich bevindt.

    Omstreeks 16.20 begint Suleiman Khater te schieten.

    • Haman Shelach (44) wordt in zijn buik geraakt. Later verklaart de Israëlische minister van Gezondheid Mordechai Gur namens de artsen die de dodelijke slachtoffers hebben onderzocht dat de wond van Haman ernstig was, maar dat hij, als hij (en dat gold ook  voor een aantal andere slachtoffers) snel naar een ziekenhuis was gebracht, de aanslag zou hebben overleefd.

    • Ilana Shelach (43) wordt in het hoofd geraakt en overlijdt direct.

    • Tzlil Shelach (12) wordt in haar ruggengraat getroffen en overlijdt door bloedverlies. Volgens de artsen was ze te redden geweest, maar zou ze verlamd zijn geraakt.

    • Ofri Turel (12) wordt in het hoofd geraakt en overlijdt direct.

    • Dina Barri (10) wordt in haar been geraakt en overlijdt door bloedverlies.

    • Amir Baum (10) wordt in zijn been geraakt en overlijdt door bloedverlies.

    • Ook Anita Griffel (35) overlijdt uiteindelijk door bloedverlies, nadat ze is geraakt in de arm en de heup.

    Dat zijn de doden.

    • Ehud, de broer van Amir, wordt in zijn keel geraakt door rondvliegende scherven. Bloedend, maar verrassend kalm weet hij achter een rots te schuilen en hij roept naar de andere kinderen om hem te volgen. Zo leidt de twaalfjarige Ehud zijn broertje Moshi (vijf jaar, geraakt aan zijn rechter schouder door een afgeketste kogel), Amnon Barri (zeven jaar, ongedeerd) en Na’ama Korn (acht jaar, ongedeerd) naar beneden.

    • Tali Griffel (vijf jaar) overleeft de schietpartij doordat haar moeder Anita zich over haar heen werpt en de kogels opvangt die anders Tali zouden hebben geraakt.

    Net als de verschillende verhalen over wat voorafging aan de schietpartij (zoals de als kind verklede spionnen) zijn er verschillende verhalen over wat er in de eerste uren na de schietpartij is gebeurd.

    In grote lijnen zijn de meeste bronnen het eens over de volgende punten:

    • In de eerste uren na de schietpartij mocht niemand bij de lichamen komen die op de zandduin lagen. Over de reden daarvan verschillen de bronnen (van ‘zorgen dat de plaats delict niet vervuild raakt’ tot ‘Egyptenaren zien graag Joden sterven’) maar het heeft volgens de Israëlische artsen waarschijnlijk geleid tot onnodig bloedverlies en het overlijden van sommige slachtoffers.

    • Ergens tussen 19.30 uur en 20.30 uur geeft Suleiman zich over. Hij wordt vastgehouden in de Fanara-gevangenis, vlak bij de stad Suez.

    • De doden en een aantal gewonden worden eerst naar een ziekenhuis in Nuweiba, Egypte, gebracht (één uur rijden ten zuiden van Ras Burqa), en uit-eindelijk naar het Yoseftal-ziekenhuis in Eilat, Israël (45 minuten rijden ten noorden van Ras Burqa).

    • Bij Ras Burqa kwam op zaterdag 5 oktober 1985 de zon om 05.36 uur op en ging om 17.23 uur onder. De temperatuur schommelde overdag rond de dertig graden Celsius.

    December 1985, Bandar Abbas, Iran

    Nooit heb ik een wonderlijker kerel gekend dan Nasser. Met Nasser, een man van begin dertig en net als ik een vluchteling uit Abadan die als ‘lader’ in de haven werkt, maak ik kennis tijdens een van mijn inspectierondjes als tallyman. We raken met elkaar in gesprek: hij blijkt overal en nergens in Abadan gewoond te hebben, strooit met namen van dealers, pooiers, verzetsstrijders (zowel uit de tijd van de sjah als van na de revolutie), topvoetballers, gokkers, corrupte politiechefs, illegale bierbrouwers en tapijthandelaren etc. die allemaal uit mijn geboortewijk komen en vergeet blijkbaar dat ik een jongetje van dertien was toen ik Abadan verliet en dus geen weet had van wat er in – de onderwereld van – Abadan gebeurde. Ik vertel Nasser dat ik mijn middelbareschooldiploma heb gehaald en over een paar maanden in dienst moet. Volgens Nasser is het ontzettend stom als ik met al mijn ervaring in de haven de mogelijkheid om te ontsnappen niet benut en in plaats daarvan een ongewisse toekomst in het leger tegemoetga.

    Maar wat als ik opgepakt word? vraag ik hem. We gaan het heel slim aanpakken, zegt Nasser.

    Zei hij nou ‘wij’?

    17 december 1985, Bandar Abbas, Iran

    Onder het streng toeziende oog van de Filipijnse bemanning beginnen de Iraanse laders het schip te verlaten, maar dat gaat zoals altijd langzaam en tamelijk chaotisch, met als voordeel dat alle aandacht van de bemanning naar de arbeiders uitgaat, waardoor ik ongestoord via het luik dat Nasser op een kiertje heeft gezet, het ruim in kan gaan. Op klaarlichte dag.

    Naast Nasser zitten Hafez en Jalil, mijn twee andere reisgenoten. Hafez is al één jaar en Jalil al twee jaar op de vlucht voor de dienstplicht, en net als ik hebben zij geen geld voor een smokkelaar. Nog altijd, na 35 jaar, kan ik er met mijn hoofd niet bij dat ik een van de gevaarlijkste dingen in mijn leven heb ondernomen met drie mensen die ik amper kende. Maar misschien is dat iets wat je alleen kunt doen als je jong bent en geen echt besef van de gevaren hebt. Tijdens de research voor dit boek vind ik in de krantenarchieven afschuwelijke berichten over verstekelingen die overboord zijn gegooid in de periode dat ik als verstekeling Iran verliet. Zo werden kapitein Antonis Plytzanopoulos van het schip Garifalia en zijn crew opgepakt en veroordeeld omdat ze elf Afrikanen voor de kust van Somalië in het water hadden gegooid. Die zaak kwam aan het rollen omdat de scheepskok het geheim niet voor zich kon houden en naar de politie stapte.

    Na ongeveer één week varen bereiken we het Suezkanaal, waar tot mijn onbeschrijfelijke ontsteltenis een rossige Egyptenaar met zangerig Perzisch accent me vertelt hoe een aanslag in zijn land tussen mij en mijn vrijheid staat. De volgende dag kijk ik uit de patrijspoort en zie ik Egypte aan me voorbijtrekken.

    Eind december 1985, Egypte/Israël

    Op 28 december 1985 veroordeelt de rechtbank Suleiman Khater tot 25 jaar gevangenis plus dwangarbeid. Twee dagen later wordt hij van de gevangenis in Suez naar een militaire gevangenis in Caïro gebracht.

    Kerst 1985, Limasol, Cyprus

    Jalil, die in de keuken werkt, hoort van de kok dat we onderweg zijn naar Cyprus. Daar herhaalt zich bijna hetzelfde tafereel als bij het Suezkanaal; als de Cypriotische douanebeambten onze hut binnenkomen, vertel ik namens ons allemaal dat we uit Iran gevlucht zijn én dat de kapitein ons terug wil brengen naar Iran zodra hij zijn vracht heeft opgehaald in Europa (we weten nog steeds niet in welk land, maar volgens de kok wordt het zeker een Europese haven).

    Ik weet niet meer welke reden ze daarvoor hebben gegeven, of ze überhaupt een reden hebben gegeven, maar na drie dagen voor anker gelegen te hebben voor de haven van Limasol vertellen de Cyprioten dat we – ‘so sorry, sad situation unfortunately’ – niet welkom zijn in hun land. Hoe kunnen deze mensen, die gedurende drie dagen onze verhalen hebben gehoord, ons in de steek laten?

    In 2019 publiceert onderzoeksjournalist Linda Polman een boek over tachtig jaar Europees vluchtelingenbeleid met de veelzeggende titel Niemand wil ze hebben.

    7 januari 1986, Egypte

    De Egyptische staatsradio maakt bekend dat een bewaker van de ochtendploeg in de militaire gevangenis in Nasr City bij Caïro het lichaam van Suleiman Khater in zijn cel heeft gevonden, met een laken opgehangen aan de raamtralies.

    Half januari 1986, Rotterdam

    Op zaterdag 11 januari 1986, vier dagen na het over-lijden van Suleiman, meert ons schip aan bij de Wilhelminakade in Rotterdam-Zuid. Er wordt op de deur van onze hut geklopt, en nadat de barricadebalk verwijderd en de deur van het slot is gehaald, lopen twee geüniformeerde douanebeambten onze hut binnen. Hun hoofden raken bijna het plafond, waarmee voor mij het bewijs is geleverd: inderdaad, we zijn nu echt in Holland. De blonde reuzen vertellen dat ze al door de kapitein op de hoogte gebracht zijn van onze situatie, maar willen voor de zekerheid van onszelf weten wat ons verhaal is. ‘En graag kort en bondig.’

    Ten einde raad smeek ik om in Nederland te mogen blijven

    Ten einde raad smeek ik om in Nederland te mogen blijven want gedwongen terugkeer naar Iran, zoals de kapitein dat wil, zou een ramp voor ons zijn. Als we na een dag nog niets van de Hollanders hebben gehoord, vrezen we hetzelfde scenario als in Egypte en Cyprus. Maar gelukkig hebben we een ongelooflijke meevaller: ondanks het feit dat de patrijspoort in onze hut vrij klein is, waardoor we de omgeving niet goed kunnen verkennen, zien we dat er midden in het hekwerk op de kade (dat minstens drie meter hoog en dus niet te beklimmen is) een lichtmast staat. We bedenken een plan om de muurplanken van onze hut los te schroeven en via de aangrenzende hut, die leegstaat, te ontsnappen en één verdieping hoger naar het dek te gaan, de loopplank af te lopen, een meter of vijftig naar de lichtmast te rennen, de lichtmast op te klimmen zoals je een ladder op klimt, en aan de andere kant weer naar beneden te klimmen. Wie plaatst er in godsnaam een lichtmast in het hekwerk?

    April 2019, Jeruzalem, Israël

    Op het moment dat ik haar opzoek, is Tali 38 jaar oud, lichaamstherapeut van beroep met een eigen praktijk, moeder van vier kinderen en getrouwd met de Amerikaan Mitch, die als vertaler werkt. ‘Een paar weken na de aanslag ben ik met mijn Amerikaanse vader naar de VS gegaan. Het eerste jaar verkeerde ik in een shocktoestand, was echt bang voor alles, maar het scheelde enorm dat ik in Amerika was, want daar was ik veilig. Na een paar sessies met de kinderpsychiater kreeg ik te horen dat alles goed was. ‘In de VS gedroeg ik me als een all American girl: ik deed erg mijn best op school, sportte fanatiek en had veel vrienden. Een overachiever, zoals wij Amerikanen dat noemen. Maar ik vertelde niemand over wat mij als kind was overkomen, de trauma’s die ik daaraan had overgehouden: zo was ik en ben ik nog altijd bang voor vuur. Zelfs het aansteken van de kandelaars voor de viering van sjabbat vind ik angstaanjagend. In de eerste jaren na de aanslag raakte ik behoorlijk van slag als ik harde knallen hoorde, vooral als die klinken als geweerschoten.’

    Ik vertel Tali dat ik van plan ben om ook de familie van Suleiman Khater op te zoeken om te kijken wat de impact van die aanslag én zijn zelfmoord op hun leven is geweest. Zal ik je op de hoogte houden van die kant van het verhaal, vraag ik haar. ‘Nee hoor, ik hoef dat allemaal niet te weten. Die man heeft mijn moeder van mij afgenomen, de vrouw die de kogels heeft opgevangen die anders mij zouden hebben geraakt. Ik zie wel eens oma’s met hun kleinkinderen in het park en denk dan: als mijn moeder nog had geleefd, had zij dat ook kunnen meemaken. Ik hoef echt niet te weten hoe het met de familie van die man gaat.’

    November 2019, Caïro – Ismaïlia, Egypte

    Terwijl ik duizend doden sterf omdat mijn Egyptische fixer die achter het stuur zit twee telefoons in zijn handen houdt waarmee hij om de haverklap belt of waarop hij gebeld wordt, berichtjes ontvangt én verstuurt, en wonderbaarlijk genoeg in staat blijkt tegelijkertijd te roken, ben ik onderweg van Caïro naar Ismaïlia, de dichtstbijzijnde stad bij het geboortedorp van de schutter Suleiman Khater die over hotels beschikt. ‘Ik hoorde op de radio dat iemand uit onze provincie zeven Israëli’s had gedood. Pas de daaropvolgende dag hoorde ik dat Suleiman de schutter was geweest, toen er iemand langskwam die zich voorstelde als collega van Suleiman en ons vertelde dat Suleiman zeven Israëli’s had gedood. Met mijn moeder en zus zijn we direct met de auto naar Nuweiba gegaan,’ vertelt Abd Almoneim, de broer van Suleiman. Suleiman verzekert zijn familie dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Hij heeft alleen maar gedaan wat een goede militair zou doen. Drie maanden later hoort Abd Almoneim, wederom op de radio, dat zijn broer zelfmoord heeft gepleegd. ‘We hebben om een tweede autopsie gevraagd, maar de regering weigerde. Er werd gezegd dat kolonel Khadafi, de toenmalige  leider van Libië, artsen wilde sturen om het lichaam van Suleiman te onderzoeken, maar daar gaf Mubarak geen toestemming voor. Wat ik het ergste vind, is dat we nog altijd geen doodsakte hebben. Er is niemand van de regering geweest die officieel heeft verteld hoe Suleiman is overleden. Mijn broer leeft officieel nog.’

    Bahram Sadeghi

    Bahram Sadeghi (1967, Iran) schrijft voor landelijke dag-bladen, is programmamaker en een veelgevraagd presentator. In het jaar dat covid-19 zijn mooi opgebouwde freelance-bestaan deed instorten, schreef hij een boek dat in november verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact.

  • De Iraakse jeugd eist verandering. ‘Niemand vertegenwoordigt ons’

    De Iraakse jeugd eist verandering. ‘Niemand vertegenwoordigt ons’

    De jonge betogers in het olierijke Irak zijn na de val van Saddam Hoessein opgegroeid met corruptie en parlementsleden die hun privileges misbruiken. Religieuze partijen domineren de politiek en veel burgers leven in grote armoede.

    Dossier De straat op

    Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.

    Dit artikel verscheen eerder op 14 november 2019 in nummer 169 van 360 Magazine.

    In het Al-Ummapark in het centrum van Bagdad, het ‘park van de natie’, discussieert een groepje mannen en twee vrouwen onder oude eucalyptusbomen over de beste manier om de eisen tot uitdrukking te brengen van de betogers die deze maand met duizenden de straat op gaan in de steden van Irak.

    ‘Legertrucks verbranden zal ons niet helpen, dat helpt alleen de regering om ons van vandalisme te beschuldigen,’ zegt een jongeman. ‘Als ik jou een raketwerper geef en je schiet dat gebouw in brand, in hoeverre zijn onze eisen daar dan bij gebaat?’

    Een andere man roept op tot omverwerping van de regering. Terwijl er zich een groepje luisteraars om hem heen verzamelt, roept iemand: ‘Wie heeft jou woordvoerder gemaakt?’

    Dit spoort de rest van de menigte ertoe aan los te barsten in de slogans ‘Niemand vertegenwoordigt ons!’ en ‘Weg met Iran!’, als protest tegen de regerende islamitische partijen in Irak en hun Iraanse helpers.

    ​Che Guevara-baretten

    Het karakter van de discussie is, net als de demonstraties die buiten het park plaatsvinden, chaotisch, onbesuisd en stuurloos. De meeste deelnemers zijn in de twintig, maar er staan ook twee oude communisten bij met Che Guevara-baretten.

    Uiteindelijk is de menigte het eens over een lijst eisen, die vanaf de trap van het Vrijheidsmonument van de stad wordt voorgelezen door een jongeman met een baard en een bril: ‘Aftreden van de regering, nieuwe verkiezingen, verandering van de kieswet en – het allerbelangrijkste – berechting van alle overheidsfunctionarissen.’

    De menigte juicht, mobieltjes worden in de lucht gestoken en er wordt opgeroepen tot een demonstratie op het Tahrirplein.

    De laatste protestgolf in Irak brak los op 1 oktober [2019] na een demonstratieoproep op Facebook. Directe aanleiding was het ontslag van een populaire generaal die zich had onderscheiden in de oorlog tegen Islamitische Staat, maar de betogingen werden ook gemotiveerd door een diepere onderstroom van woede jegens een corrupte religieuze oligarchie, een verrot bureaucratisch systeem en het onvermogen van de Iraakse premier Adel Abdul-Mahdi om na een jaar regeren ook maar één van zijn campagnebeloftes in te lossen.

    Ik heb bij de Hashd gevochten, ik ben zelfs in Syrië gaan vechten, maar wat krijg ik van deze regering?

    Voor een jonge generatie die is opgegroeid in de zestien jaar na de val van Saddam Hoessein zijn verkiezingen en representatieve democratie synoniem geworden met corruptie en parlementsleden die hun privileges misbruiken. Religieuze partijen, veelal gesteund door Iran, domineren het politieke landschap en hoewel het olierijke Irak honderden miljarden dollars per jaar binnenkrijgt, leven veel burgers in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die in een straatarm Afrikaans land: werkloosheid, een instortende gezondheidszorg en een gebrek aan publieke dienstverlening.

    Toen de betogingen op 5 oktober op stoom kwamen, balanceerde Bagdad op het randje. Een tiener in een geel T-shirt, een korte broek en teenslippers liep langzaam onder een viaduct door op een kilometer van het Tahrirplein terwijl een politieagent hem zwaaiend met zijn kalasjnikov probeerde weg te jagen. Dunne zwarte rookpluimen kronkelden hemelwaarts en een menigte tieners en jongemannen begon op te rukken in de richting van het plein.

    De politie, die toezicht hield, schoot in de lucht maar de menigte trok verder, zwaaiend met Iraakse en sjiitische vlaggen. Autobanden werden in brand gestoken, terwijl geweervuur onafgebroken begon te ratelen en het geluid van afgevuurde traangasgranaten allengs toenam; wit gas vermengde zich met de zwarte dampen van brandend rubber.

    Te midden van het bloedbad baanden tientallen driewielige tuktuks zich een weg door de menigte om gewonden af te voeren. Achter in een geel karretje zat een onderuitgezakte man, niet in staat om adem te halen.

    Een kleine, dunne jongeman met een getrimd rossig baardje maande de mannen om door te lopen. ‘Wat staan jullie daar nou te teuten?’ En tegen de mannen die gehurkt achter de balustrade van de brug zaten: ‘Wie niet verder wil, moet naar huis gaan.’

    De jongeman, die zich voorstelde als Jawdat, zei dat hij een voormalige strijder was van de paramilitaire groepering Hashd al-Shaabi, opgericht in 2014 om tegen IS te vechten. Hashd al-Shaabi wordt gesteund door Iran, onder andere met training. Jawdat zei dat zijn broer als officier was gesneuveld in de oorlog tegen IS. ‘Ik heb bij de Hashd gevochten, ik ben zelfs in Syrië gaan vechten, maar wat krijg ik van deze regering? Niks, terwijl die politici in de Groene Zone [in Bagdad] elke poging dwarsbomen om de staat te hervormen.’

    Ambulances raceten heen en weer met doden en gewonden; alleen bij de betoging op 5 oktober kwamen al twintig mensen om het leven. Tijdens de zes dagen durende betogingen verscheen premier Abdul-Mahdi elke avond op tv om met zachte stem te beloven dat hij zou zorgen voor banen en goedkope huisvesting en de corruptie zou uitroeien.

    Dreigtelefoontjes

    Maar intussen werden er jonge, ongewapende mannen gedood terwijl ze hun toevlucht zochten achter betonnen blokkades of met vlaggen stonden te zwaaien op straat. In minstens één geval namen scherpschutters die op daken waren geposteerd deel aan de moordpartij.

    Activisten en journalisten werden geïntimideerd en tientallen van hen ontvluchtten Bagdad na dreigtelefoontjes. Mediabedrijven en tv-stations werden gesloten. Agenten in burger zwierven door ziekenzalen en hielden gewonde demonstranten aan. ‘Toen er agenten het ziekenhuis binnenkwamen op zoek naar demonstranten, verbonden de artsen alleen mijn wond en zeiden dat ik moest maken dat ik wegkwam,’ zei een jongeman vanuit zijn bed met een wond die nog altijd bloedde nadat hij drie dagen eerder was neergeschoten in een straat in de buurt van het Tahrirplein.

    De omvang van de betogingen aan het begin van de maand was niet abnormaal, maar de felheid waarmee werd gereageerd was schokkend. Volgens veel Iraakse waarnemers was het geweld te wijten aan de schrik die het regime had bevangen. Anderen suggereerden dat het tekenend was voor de vrees van de pro-Iraanse milities in het land dat het protest in werkelijkheid tegen Teheran was gericht.

    ‘Iran duldt niet dat zijn positie hier wordt bedreigd en daarom was de reactie zo heftig,’ zei een functionaris van de Iraakse inlichtingendienst.

    Militieleden zijn geïnfiltreerd in de geheime diensten en hebben een belangrijke rol gespeeld bij het neerslaan van de betogingen. De milities zijn een mikpunt geworden van de woede van de betogers, omdat eruit blijkt dat Iran de lakens uitdeelt in Irak.

    Op een van de protestavonden ging een lange, gladgeschoren, ongewapende legerofficier voor een menigte jongemannen staan en smeekte dat ze zich verspreidden. ‘Ik kan jullie naar het Tahrirplein laten gaan,’ zei hij, wijzend op de opstijgende rookzuilen. ‘Maar ik zweer bij Allah dat de militie en de scherpschutters jullie zullen doden.’ De menigte reageerde met boze anti-Iraanse leuzen.

    Onlangs begon er een tweede golf betogingen. De menigte zwaaide met Iraakse vlaggen en scandeerde ‘Onze ziel, ons bloed offeren we op voor Irak’. In twee dagen kwamen er minstens 74 mensen om en vielen er honderden gewonden. Het dodental bedraagt sinds het begin van de maand [oktober 2019] inmiddels meer dan 250.

  • Wereldwijde woede, vooral onder jongeren

    Wereldwijde woede, vooral onder jongeren

    In Chili was de verhoging van de metrotarieven de lont in het kruitvat. In Libanon was het een WhatsApp-belasting. De regering van Saoedi-Arabië ondernam actie tegen waterpijpen. En in India ging het over uien. Wat de aanleiding ook was, overal gingen gefrustreerde burgers massaal de straat op.

    Dossier De straat op

    Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl de jongere generatie met moeite het hoofd boven het water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.

    Dit artikel verscheen eerder in nummer 169 van 360 Magazine, november 2019.

    Overal ter wereld werden kleine geldkwesties de afgelopen maanden [najaar 2019] het brandpunt van volkswoede en gingen gefrustreerde burgers massaal de straat op. De onverwachte betogingen speelden in op de zinderende frustratie over een politieke elite die als onverbeterlijk corrupt of hopeloos onrechtvaardig werd beschouwd, of allebei. Ze volgden op massale demonstraties in Bolivia, Spanje, Irak en Rusland en daarvoor al in Tsjechië, Algerije, Soedan en Kazachstan.

    Op het eerste gezicht is het verband tussen de gestaag toenemende onrust en de talrijke demonstraties vooral tactisch van aard. Als gevolg van constante burgerlijke ongehoorzaamheid in Hongkong werd ook elders de confrontatie gezocht, om volstrekt andere economische of politieke eisen kracht bij te zetten. Toch bespeuren deskundigen een bepaald patroon: een ongewoon luidruchtig protest tegen elites in landen waar democratie een bron van teleurstelling is, waar schaamteloze corruptie heerst en waar een minuscule politieke klasse een luxeleventje leidt, terwijl de jongere generatie moeite heeft om rond te komen.

    iam se7en ceoefxevkha unsplash 2
    Activistische graffiti in New York. – © Unsplash

    ‘Het zijn de jongeren die er genoeg van hebben,’ zegt Ali Soufan, directeur van de Soufan Group, een consultancybureau voor beveiligingsinformatie. ‘Deze nieuwe generatie pikt het in hun ogen corrupte gedrag van de politieke en economisch elite in hun land niet langer. Ze eisen verandering.’

    Maar hoe dramatisch de recente uitbraak van massabetogingen ook lijkt, volgens wetenschappers is het slechts een voortzetting van een trend. Al decennialang gaan samenlevingen steeds vaker de straat op om voor ingrijpende politieke veranderingen te betogen.

    De laatste tijd is het tempo waarin de betogingen elkaar opvolgen sterk opgevoerd door een combinatie van factoren: een stagnerende wereldeconomie, een duizelingwekkende kloof tussen rijk en arm en een toenemende groep jongeren in tal van landen die overloopt van gefrustreerde ambitie. Daar komt bij dat de uitbreiding van de democratie wereldwijd tot stilstand is gekomen, zodat burgers met onwillige regeringen gefrustreerd raken en activisten geen andere mogelijkheid zien dan de straat op te gaan om verandering te eisen.

    Succespercentage

    Maar terwijl het aantal protestbewegingen groeit, keldert het succespercentage ervan. Nog maar twintig jaar geleden had 70 procent van de betogingen voor systematische politieke verandering resultaat, een percentage dat sinds de jaren vijftig gestaag was gestegen, aldus een studie van Erica Chenoweth, politicoloog aan de Harvard-universiteit. Halverwege het eerste decennium van deze eeuw keerde het tij. Succespercentages blijven nu hangen op 30 procent, een afname die Chenoweth ‘onthutsend’ noemt.

    Deze twee trends houden nauw verband met elkaar. Naarmate betogingen frequenter worden maar vaker mislukken, strekken ze zich uit over een langere periode en worden ze steeds feller, steeds zichtbaarder; daarbij zijn mensen steeds vaker geneigd opnieuw de straat op te gaan wanneer hun eisen niet worden ingewilligd. Het resultaat kan een wereld zijn waarin volksopstanden niet langer opvallen en onderdeel van het landschap worden.

    In landen waar verkiezingen bepalend zijn, zoals de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, heeft scepsis over het oude politieke bestel geleid tot stemmenwinst van populisten, nationalisten en tegenstanders van immigratie. En in landen waar de mensen geen stem hebben, wordt massaal gedemonstreerd.

    gettyimages 1180840714
    Leden van het Indian Youth Congress, de jongerenafdeling van de Indian National Congress Party, protesteren op 8 november in New Delhi tegen premier Narendra Modi. – © Indraneel Chowdhury / Getty

    De uiteenlopende blijken van onrust zijn binnen de Verenigde Naties niet onopgemerkt gebleven. Secretaris-generaal António Guterres heeft [half oktober] ter sprake gebracht tijdens een vergadering van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Critici hebben het IMF ervan beschuldigd de economische problemen in landen als Ecuador nog verder aan te jagen door bezuinigingsmaatregelen op te leggen om de staatsschuld te verlichten.

    Volgens sommige deskundigen is de wereldwijde protestgolf te divers om hem onder één noemer te kunnen scharen. Toch hebben de protesten in sommige regio’s vaak overeenkomstige trekken.

    In het Midden-Oosten heeft het tumult tot onvermijdelijke vergelijkingen met de Arabische Lente van 2011 geleid. Maar volgens deskundigen zit er achter de recente protesten een nieuwe generatie die zich minder aantrekt van de oude sektarische of ideologische scheidslijnen. En in plaats van het hoofd van een dictator te eisen, zoals veel Arabieren in 2011 deden, hebben de Libanezen een hele politieke klasse aangeklaagd.

    Veel Arabieren zijn sinds de roerige Arabische Lente beducht voor volksprotesten en geloven hun autoritaire leiders als die waarschuwen dat iedere revolte hun land in net zo’n gewelddadige chaos kan storten als in Libië, Syrië of Jemen.

    Muur van angst

    Maar de recente protestgolven in Libanon, Egypte en Irak – en niet te vergeten de revoltes die aloude dictators in Algerije en Soedan dit jaar de kop hebben gekost – duiden erop dat de muur van angst begint af te brokkelen.

    Zelfs in Saoedi-Arabië, waar openbare betogingen vrijwel ondenkbaar zijn door de dreiging van overheidsrepressie, brak er op sociale media een ongebruikelijke opstand uit vanwege een belasting van 100 procent op rekeningen van restaurants met waterpijpen, oftewel hookahs. ‘Belasting op hookah-restaurants’ werd een trending topic in het koninkrijk. Volgens sommige commentatoren op Twitter druiste de belasting in tegen de wens van de koninklijke familie om het ultraconservatieve imago van Saoedi-Arabië te veranderen.

    De wereldwijde protestgolf is te divers om hem onder één noemer te kunnen scharen

    Al steken de protesten nu sneller de kop op en zijn ze wijdverbreider dan in eerdere decennia, ze zijn ook fragieler. De moeizame mobilisering die volksbewegingen ooit typeerde, was traag maar duurzaam. Via sociale media georganiseerde protesten kunnen sneller opvlammen maar zakken even snel weer in. Ook hebben autoritaire regeringen inmiddels geleerd sociale media in te zetten voor het verspreiden van propaganda, het op de been brengen van sympathisanten of het zaaien van verwarring, aldus Chenoweth.

    En zelfs als er een opwelling van protest is, komt er heel wat meer voor kijken om die te laten uitgroeien tot een massale verzetsbeweging. De huizenhoge uienprijzen in India leidden ertoe dat boeren de snelwegen blokkeerden en kortstondige betogingen hielden. Maar de frustratie heeft zich nog niet ontwikkeld tot massale betogingen, omdat niemand haar in de juiste banen weet te leiden: de Indiase oppositie is een chaos, de politiek wordt gedomineerd door scheidslijnen tussen kasten en religies, en de regering van de hindoenationalistische premier Narendra Modi grijpt voortdurend de dreiging van het naburige Pakistan aan om het publiek af te leiden.  

    Drukmiddel

    Volgens Harvard-politicoloog Erica Chenoweth neemt over de hele wereld het massale protest toe als drukmiddel om verandering mee te eisen of frustratie te ventileren. Ook is te zien dat de kans op succes afneemt. Volgens Chenoweth werd in 2000 nog 70 procent van de eisen ingewilligd; dat percentage is de laatste jaren gezakt naar de huidige 30 procent.

    Ecuador trok een door het IMF ontworpen bezuinigingspakket weer in. In Soedan kregen een miljoen demonstranten het militaire regime op de knieën. In Algerije stapte president Bouteflika op nadat miljoenen mensen zijn vertrek hadden geëist. Naast deze successen leidden protesten in Rusland, Brazilië en Tsjechië nog niet tot verandering.

  • Afgedankt door het Spaanse leger, vrezen deze Afghaanse tolken voor hun leven

    Afgedankt door het Spaanse leger, vrezen deze Afghaanse tolken voor hun leven

    Ze werkten voor de Spanjaarden in Irak en toen het leger zich terugtrok, kregen ze de wacht aangezegd via WhatsApp. In de steek gelaten door hun opdrachtgever vrezen ze nu voor de wraak van sjiitische milities. Sinds de val van Saddam Hoessein zijn er minstens veertig tolken vermoord die voor de Britten werkten.

    Toen de Spanjaarden zich uit de Golfstaat terugtrokken, waren hun enige aandenkens een paar diploma’s, wat spullen van de militairen met wie ze vriendschap hadden gesloten en maanden van werkeloosheid. Nu verbreken drie tolken, die voor het Spaanse leger in Irak werkten, voor het eerst hun stilzwijgen. 

    ‘Als ik de straat op ga, denk ik altijd hetzelfde: mocht iemand erachter komen voor wie ik de afgelopen jaren heb gewerkt, dan vermoordt hij me zonder een moment te aarzelen, zonder me de kans te geven om ook maar iets te zeggen.’ Ahmed was via een Iraaks bemiddelingsbureau in dienst van het Spaanse leger.

    Drie jaar lang werkte Ahmed, die toerisme heeft gestudeerd, als tolk voor de Spaanse troepen die gelegerd waren op de basis Gran Capitán in Besmayah, ongeveer veertig kilometer ten zuiden van Bagdad. Sinds 2015 was daar een Spaanse troepenmacht van vijfhonderd manschappen gelegerd, onder auspiciën van de door de Verenigde Staten aangevoerde internationale coalitie. Die had als taak de Iraakse veiligheidstroepen die doodsbang uit grote delen van het land voor IS op de vlucht waren geslagen te trainen en op te leiden. Een dertigtal tolken speelde een sleutelrol in het overbrengen van de lessen van onze militairen. 

    Screenshot 2021 03 31 at 17.17.51
    De Spaanse koning Felipe VI en defensieminister Margarita Robles Fernández brengen op 30 januari 2019 een bezoek aan de Spaanse Gran Capitán-basis in Irak. El Mundo sprak met drie tolken die voor het Spaanse leger in Irak hebben gewerkt en nu vrezen voor hun leven. – © EPA / Francisco Gómez

    ‘Onze taak bestond uit alles vertalen wat de instructeur zei en twee of drie keer per dag met hen meegaan op missies buiten het kamp,’ legt Ali uit, een van de andere tolken die er mede aan bijdroegen dat de missie van het Spaanse leger op Iraakse bodem goed verliep. Hun identiteit wordt geheimgehouden en hun namen zijn veranderd omdat ze bang zijn voor represailles. 

    WhatsApp-bericht

    Afgelopen juli stopte Spanje met de training, die werd bemoeilijkt door corona en de dood van de Iraanse generaal Qassem Soleimani tijdens een Amerikaanse droneaanval. De liquidatie van Soleimani wakkerde wraakzucht aan bij Hashd al-Shaabi (Arabisch voor ‘Volksbeweging’) een verzameling van door Teheran gesteunde sjiitische milities die vanaf dat moment tientallen aanslagen op westerse doelwitten in Irak hebben gepleegd. 

    Een paar maanden voordat het Spaanse leger Irak definitief zou verlaten kregen de tolken te horen dat het klaar was. ‘Ze stuurden een bericht aan onze WhatsApp-groep, waarin stond dat er geen werk meer was voor ons,’ aldus Ahmed. Een pdf-document – door El Mundo ingezien – met als titel ‘Document over het stopzetten van het werk voor tolken en vertalers Arabisch vanaf april’ werd verspreid onder de tolken om hen te informeren dat hun diensten niet langer nodig waren. Wegglippen zonder gedag te zeggen, zo sloot het Spaanse leger zijn aanwezigheid af in Besmayah. Vervolgens droeg het alles over aan de Iraakse troepen. 

    ‘Zo gauw iemand erachter komt, staan ze de volgende dag hier om me te vermoorden’

    ‘Ik ben in de steek gelaten door Spanje, zo voelt het. Geen leidinggevende heeft daarna nog iets laten weten. We hebben nooit meer iets gehoord. Er is niet eens hulp aangeboden. Niks, nada,’ zegt Ahmed gekwetst. Het ministerie van Defensie onder leiding van Margarita Robles Fernández is diverse keren benaderd door deze krant, maar heeft niet laten weten hoe zij aankijken tegen de situatie waar de tolken Spaans in Irak zich nu in bevinden.   

    Hasan, 27 jaar oud, ging werken voor de Spaanse troepenmacht in 2017 terwijl hij nog Spaanse Taal en Cultuur studeerde in Bagdad. ‘Een van mijn docenten zei dat ik een goed cijfer had gehaald en attendeerde me op de mogelijkheid om voor het Spaanse leger te werken,’ herinnert de jonge Hasan zich. Hij bewaart een handvol souvenirs aan de drie jaar die hij doorbracht tussen de blokken van gewapend beton op de basis: naamplaatjes van militairen met wie hij vriendschap sloot, boeken, T-shirtjes, diploma’s en afscheidsberichtjes als er een nieuwe lichting kwam en de oude vertrok. In een van de berichten van een officier is te lezen: ‘Vanaf het moment dat we je leerden kennen was je een van ons. Tot snel.’   

    Hasan is trots op deze kleine schat die achterbleef toen zijn Spaanse makkers verstek lieten gaan en hem vergaten. Hij koestert hem in het geheim. ‘Behalve mijn ouders weet niemand in mijn omgeving dat ik heb samengewerkt met de Spaanse militairen, zelfs mijn broers en zussen niet. Het is te gevaarlijk. Zo gauw iemand erachter komt, staan ze de volgende dag hier om me te vermoorden,’ zegt Hasan. 

    Schietschijf

    De sjiitische milities, officieren en ondergeschikten die deel uitmaken van de Irakese veiligheidstroepen laten openlijk hun afkeer blijken van land-genoten die werk hebben aangenomen van de buitenlandse troepen. Hun grootste obsessie was de troepen te zien vertrekken. In oktober veranderde Ashab al-Kahf, een niet zo bekend lid van de sjiitische militie, de tolken in een schietschijf. ‘Wij vergeven al diegenen die zichzelf, hun land en hun geloof te schande maakten door diensten te verlenen aan de Amerikanen, de Britten en de overige vijanden van Irak. Als jullie je kenbaar maken en contact met ons opnemen, krijgen jullie een maandsalaris en bescherming,’ aldus het communiqué van een groep die de verantwoordelijkheid heeft opgeëist voor een raketaanval op de Amerikaanse ambassade in Bagdad en op de bases van de coalitie. ‘Het gevaar is er, dag in dag uit, overal. Je hoort de gesprekken over collaborateurs met het buitenland op de markt, in de taxi, in de stadsbus,’ zegt Ahmed. 

    In het aanbod van de militie, dat door de mensen die er profijt van zouden kunnen hebben als een valstrik wordt beschouwd, worden maandsalarissen van drieduizend dollar genoemd. De tolken vielen onder de Spaanse militaire cao’s en verdienden 1500 dollar (ongeveer 1240 euro) per maand. ‘Het leger tekende een contract met een Iraaks bemiddelingsbureau en wij waren niet meer dan een nummer,’ klaagt Ahmed. ‘Ik heb geen contract gezien, geen papier getekend,’ zegt Ali, die op zoek is naar een stabiel inkomen om zijn drie kinderen te kunnen onderhouden. 

    De afgelopen maanden hebben aan sjiitische milities gelieerde media lijsten verspreid met namen, adressen en kentekens van auto’s die de bases van de internationale coalitie aandeden

    Het overgrote deel van de tolken die de Spaanse instructies vertaalden, vindt geen werk en kampt met het probleem dat ze niet kunnen uitleggen wat ze de laatste jaren hebben gedaan. ‘We hebben een goed curriculum, onze beheersing van het Spaans is goed en we hebben veel certificaten gekregen van het Spaanse leger, maar we kunnen het er niet over hebben. Het is voor ons onmogelijk om naar een Iraaks bedrijf te gaan en dit aan ze voor te leggen,’ zegt Ahmed verbolgen. 

    De situatie wordt met de dag ingewikkelder, want de afgelopen maanden hebben aan sjiitische milities gelieerde media lijsten verspreid met namen, adressen en kentekens van auto’s die de bases van de internationale coalitie aandeden. ‘Dat is niet zo verrassend. Ze denken dat het een lange strijd zal worden en daarom willen ze zo veel mogelijk informatie verzamelen over de Amerikaanse belangen’, schrijft The Washington Post. 

    Toegang tot gevoelige data gaat gepaard met het onvermogen van lokale veiligheidstroepen om Iraakse analisten en activisten te beschermen, die het slachtoffer zijn geworden van een golf van misdaden die niet eens zijn opgehelderd. Sinds de val van Saddam Hoessein zijn er minstens veertig tolken vermoord die voor de Britten werkten. ‘Ik ben altijd bang om dood te gaan,’ zegt Ahmed, somber gestemd door de donkere wolken die zich samenpakken boven de toekomst van de tolken die aan hun lot worden overgelaten in Irak. 

    In 2014 kreeg in de Tweede Kamer een stemming over het ‘tolkenpardon’, dat alle tolken die voor het Nederlandse leger hadden gewerkt asiel zou verlenen, geen meerderheid. De aanleiding hiervoor was dat de asielaanvraag van Abdul Ghafoor Ahmadzai, die als tolk voor het Nederlandse leger had gewerkt, was afgewezen. Ahmadzai ontvluchtte Afghanistan in 2010 nadat de taliban zijn broer – die voor hem werd aangezien – hadden vermoord. Na inmenging van de staatssecretaris kreeg Ahmadzai toch een verblijfsvergunning.

  • Auckland op slot vanwege 2 coronagevallen | Clubhouse in China geblokkeerd

    Auckland op slot vanwege 2 coronagevallen | Clubhouse in China geblokkeerd

    Dodelijk aanval in Irak op het Amerikaanse leger

    Een raketvuur trof gisteren (15 februari) een luchtmachtbasis in Erbil in Iraaks Koerdistan, waar Amerikaanse troepen zijn gestationeerd. Een burgermedewerker kwam om het leven en zes mensen raakten gewond, waaronder een Amerikaanse soldaat. Amerikaanse kranten noemen het een eerste test voor nieuwe opperbevelhebber van het leger Joe Biden. De aanval werd online opgeëist door een weinig bekende groep die zichzelf Awliyaa Al-Dam (‘Wakers van het bloed’) noemt, schrijft Jerusalem Post.

    ‘Soortgelijke aanvallen in 2019 en 2020 zetten president Trump aan tot luchtaanvallen tegen een door Iran gesteunde militie die hij verantwoordelijk achtte’, schrijft The Wall Street Journal. Volgens The New York Times wilden de aanvallers ‘uitzoeken hoever ze kunnen gaan’ met de nieuwe regering. ‘De raketaanval op Erbil was ongewoon groot. Deze was hoogstwaarschijnlijk bedoeld om Amerikaanse soldaten of hun Koerdische bondgenoten te verminken of te doden’, aldus het dagblad.

    ‘Zeker, niet alle crises zijn een test voor de nieuwe regering-Biden, maar in dit specifieke geval is het duidelijk’

    ‘De Verenigde Staten zullen moeten beslissen of ze reageren of zwijgen. ​Zeker, niet alle crises zijn een test voor de nieuwe regering-Biden, maar in dit specifieke geval is het duidelijk dat Iran de Amerikaanse reactie zorgvuldig zal overwegen’, meent ook Jerusalem Post.

    Maandagavond zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Antony Blinken, ‘verontwaardigd [te zijn] over de aanval’ en riep hij op tot een onderzoek, met de belofte dat Washington ‘de daders ter verantwoording zal roepen’, meldt Al Jazeera. De Iraakse president Barham Salih reageerde ’s avonds op Twitter door te waarschuwen voor een risico op ‘gevaarlijke escalatie’ in de regio.


    Auckland op slot vanwege twee coronagevallen

    De Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern gaf na de ontdekking van twee gevallen van de Britse covid-19-variant in één familie in Auckland, de grootste stad op het Noordereiland met een bevolking van ongeveer 2 miljoen, opdracht tot de drastische maatregel de stad te sluiten. Vanaf maandag zijn scholen en niet-essentiële bedrijven minimaal drie dagen gesloten. ‘In laboratoria (…) in het hele land zijn nu professionals aan het werk om te bepalen of Nieuw-Zeeland de beperkingen tegen woensdag kan beëindigen’, schrijft het Nieuw-Zeelaandse nieuwsportaal Stuff.

    De prestaties van Nieuw-Zeeland in de strijd tegen covid-19 worden in het buitenland geprezen; het land telde minder dan tweeduizend gevallen sinds het begin van de pandemie.


    Jaguar vanaf 2025 100 procent elektrisch 

    De Britse fabrikant van de Jaguar heeft maandag zijn nieuwe ‘groene’ strategie onthuld om tegen 2039 klimaatneutraal te zijn. De groep, die tot het Indiase Tata Motors behoort, zei in een verklaring zichzelf opnieuw te willen uitvinden onder leiding van een nieuwe algemeen directeur, voormalig Renault-CEO Thierry Bolloré. 

    ‘Deze radicale strategiewijziging toont aan hoeveel autofabrikanten nu proberen hun activiteiten aan te passen aan de emissienormen die wereldwijd voortdurend worden aangescherpt’, merkt The Hindustan Times op.


    Frankrijk afwezig bij G5 Sahel

    De Franse president Emmanuel Macron heeft besloten de reis naar de hoofdstad van Tsjaad, waar een cruciale G5 Sahel-top wordt gehouden over terrorisme in het gebied, niet te maken. Het Élysée voert als reden de gezondheidscrisis op, maar volgens de Afrikaanse pers speelt er iets anders.

    De andere leiders van G5 Sahel (Mali, Burkina Faso, Tsjaad, Mauritanië en Nigeria) zijn allemaal ingegaan op de uitnodiging om de toekomst van de strijd tegen het terrorisme te bespreken.

    De Afrikaanse pers is niet overtuigd van het officiële excuus: de sluiting van de Franse grenzen. Volgens Wakat Séra, een nieuwssite uit Burkina Faso, moet tussen de regels door worden gelezen. Verhelderend zouden vooral de plaats en context van de bijeenkomst zijn, zoals Le Pays die beschrijft‘[Een] top van de G5 Sahel tegen de achtergrond van Deby’s zesde termijn, zodat het ene kwaad het andere verbergt’.

    Gênant

    Gastland van de top van dit jaar is Tsjaad, waar president Idriss Deby, eenendertig jaar na zijn aantreden, is aangekondigd als kandidaat voor een zesde termijn voor de presidentsverkiezingen van april aanstaande. Demonstranten gingen op 13 februari, twee dagen voor de top, de straat op met leuzen als ‘Stop de dictatuur’, en werden onder andere besproeid met traangas, aldus Wakat Séra. De aanwezigheid op Tsjaadse bodem van de hoogste ambtenaar van een van de grootste democratieën ter wereld, zou gênant zijn geweest voor de Franse bondgenoot. Maar Macrons afwezigheid is volgens de site een vorm van minachting.


    Chinezen krijgen voorproefje van gratis sociaal netwerk

    Enkele dagen lang spraken duizenden Chineessprekenden uit China, Hongkong, Taiwan en elders live op een forum via de Amerikaanse app Clubhouse. Controversiële onderwerpen werden daarbij niet vermeden, schrijft The New York Times.

    Maar op de avond van 8 februari gebeurde het onvermijdelijke: de Chinese censuur kwam tussenbeide. Veel gebruikers op het vasteland meldden een foutmelding te hebben ontvangen toen ze probeerden naar het platform te gaan. Anderen konden alleen toegang krijgen door gebruik van een VPN (virtual private network) om digitale grenzen te omzeilen. Zoekopdrachten naar Clubhouse op het Chinese sociale netwerk Weibo zijn geblokkeerd.

    Voor veel Chinese gebruikers was dit een voorproefje van een gratis sociaal netwerk

    Voor veel Chinese gebruikers was dit een voorproefje van wat een gratis sociaal netwerk is. Onder leiding van Xi Jinping streven de autoriteiten ernaar om bijna volledige controle te krijgen over wat burgers online lezen en zeggen. Door de staat gesteunde commentatoren en nationalistische trollen overspoelen Chinese sociale netwerken regelmatig met propaganda en venijnige berichten die een open debat verhinderen over onderwerpen die door de autoriteiten als gevoelig worden beschouwd.

    De meeste westerse nieuwssites en sociale netwerken, zoals Twitter, Facebook en Instagram, worden volledig geblokkeerd en VPN’s zijn steeds moeilijker toegankelijk. Sociale netwerken die in China zijn ontwikkeld en geautoriseerd, bijvoorbeeld WeChat (Weixin, in het Chinees) en Weibo, zijn strikt gereguleerd en worden op de voet gevolgd door de autoriteiten.

    Zwarte markt

    Het aantal mensen in China dat bij Clubhouse is geregistreerd, is onbekend. Voordat de app werd geblokkeerd, was deze alleen toegankelijk via het besturingssysteem van Apple en dus buiten het bereik van de overgrote meerderheid van de Chinezen die Android gebruikt. Bovendien is Clubhouse alleen toegankelijk op uitnodiging. De afgelopen dagen was er een kleine zwarte markt voor uitnodigingscodes ontstaan. Vóór de blokkering kon de prijs van een code oplopen tot 300 yuan (€ 38 euro).

    Clubhouse werd vorig jaar opgericht door investeerders in Silicon Valley en had in december 600.000 al abonnees. Het platform was bedoeld als een exclusieve virtuele ruimte voor mensen om te socializen. Vooral toen Elon Musk zich vorige maand aanmeldde, begon de interesse in China te groeien. In Chinese digitale kringen wordt nu gepleit voor de lancering van soortgelijke forums.

  • Al Bu Nahid: 
een klein utopia in Irak

    Al Bu Nahid: 
een klein utopia in Irak

    In het Iraakse dorp Al Bu Nahid worden vrouwen en mannen gelijk behandeld, zijn roken en frisdrank in de ban en religieuze twisten verboden.

    De provincie Diwaniya in Zuid-Irak is een van de meest verpauperde streken in het land. De meeste mensen werken er op het land, waardoor ze hard werden getroffen door een droogte in april. Zoals bijna overal in Irak worden de straten van de stad Diwaniya gekenmerkt door afval, verstikkende uitlaatgassen en eindeloos getoeter van auto’s.

    Maar in het het dorp Al Bu Nahid, net buiten de stad, zijn bewoners bezig een nieuw idee uit te werken over hoe Irak eruit zou kunnen zien. In een land waar ruim 30 procent van de Iraakse mannen lijdt aan ernstig overgewicht, heeft het dorp frisdrank in de ban gedaan en is er jaarlijks een hardloopfestival met duizenden deelnemers. In een land waar olie de economie en politiek stuurt, viert het dorp op 5 juni Wereldmilieudag en ontplooit het milieuvriendelijke initiatieven. In een land waar de benzineprijs 0,63 dollar per liter bedraagt, hebben fietsen in het dorp de voorkeur gekregen boven de auto als vervoermiddel.

    Joggen

    Deze initiatieven zijn grotendeels het geesteskind van Kadim Hassoun, een ingenieur die een aantal projecten in het dorp begon, nadat hij in Europa en het Midden-Oosten in aanraking was gekomen met ideeën over gezondheid, sociale betrokkenheid en milieu. Na een verblijf van achttien jaar in Dubai keerde Hassoen in 2014 terug naar Irak en probeerde daar, tot ongeloof van zijn dorpsgenoten, aan fitness te blijven doen. ‘Iedereen zag mij als een excentriekeling, maar ik deed er nog een schepje bovenop,’ vertelt hij. Uitgedost in trainingspak en hardloopschoenen jogde hij stug voort op het platteland. ‘Na een maand voegden twee mensen zich bij me, na twee maanden liepen er vijf mee, en eerlijk waar, na zes maanden had ik de meeste dorpsgenoten mee – vooral de tieners en twintigers.’

    Naarmate het leger lopers aanzwol, kwamen zij uiteindelijk op het idee een ‘hardlopersfestival’ op te zetten. Elk jaar doen mensen van buiten het dorp, bijvoorbeeld uit de stad Diwaniya, nu mee aan het evenement. Volgens Hassoen zijn er vaak wel drieduizend deelnemers.

    Het onverwachte succes van het festival, dat ook de aandacht van de media trok, dreef Hassoen ertoe meer projecten te creëren ter bestrijding van de sociale kwalen die zijn dorp in het bijzonder, en Irak in het algemeen, volgens hem teisteren. Verbodsborden voor toeteren en roken – alomtegenwoordige verschijnselen in Irak – hangen overal in het dorp. Hassoun wil graag benadrukken dat er geen sprake is van autoritaire handhaving. Wel is het zo dat wie de regels overtreedt, het gevaar loopt te worden uitgekotst door de overige dorpelingen, die de veranderingen van harte hebben ondersteund.

    De regels (zie onder).
    De regels (zie onder).

    Een klein, vervallen gebouw, ergens bij de rivier, doet dienst als Huis voor de Cultuur. Binnen staan boeken, fictie en non-fictie, over een breed scala aan onderwerpen, en is er schilder- en knutselmateriaal. ‘Ik heb het Huis voor de Cultuur opgericht en ben vervolgens een bibliotheek begonnen – ik heb boeken uit binnen- en buitenland toegestuurd gekregen, zelfs uit Groot-Brittannië, de VS en Zweden,’ zegt Hassoun. ‘Ook hebben de meeste bibliotheken in Bagdad mij boeken gedoneerd.’

    Tijdens een rondleiding in het Huis voor de Cultuur toont Hassoun kunstwerken die gemaakt zijn door kinderen uit de buurt. Kort geleden kwam er een kunstenaar uit Bagdad kinderen helpen een schilderij te maken waarin de rol van Unicef wordt geëerd. Portretten van mecenassen van Al Bu Nahid sieren de muren, waaronder dat van de Brits-Iraakse schrijfster Emily Porter, die enkele initiatieven van het dorp financieel heeft gesteund.

    ‘Ik heb grote waardering voor de nieuwe dingen die in ons dorp gaande zijn,’ zegt Ali Ghanem, een van de 750 inwoners. ‘Kadim heeft echt zijn best gedaan de situatie te verbeteren. We beseften dat sport goed voor ons was, dus hebben we het kampioenschap 200 meter hardlopen opgezet. Ook zijn frisdrank en roken uitgebannen. We wisten dat er iets goeds was aan ons dorp, en nu zien we het met eigen ogen – we zijn getuige van concrete veranderingen.’

    ‘Wij hebben tegen de mannen gezegd: nee, er is geen verschil tussen jou en haar. Maar dit heeft allemaal tijd nodig’

    Als het gaat om de ontwikkeling van zijn ideale gemeenschap, ziet Hassoun twee grote knelpunten: sektarisme en de marginalisering van vrouwen. ‘In het Midden-Oosten komen de grootste problemen en conflicten door religie, omdat de grootste problemen steeds door de bril van religie worden bekeken. Dat doorbreken was een hoofdstreven in dit dorp.’

    Sommige mensen zeggen dat Hassoun zich tegen religie keert. ‘Nee, zeg ik dan, ik probeer je religie juist te beschermen. Houd het geloof er alsjeblieft buiten. Ik zeg: als je over religie wilt praten, oké, ga dan eerst naar het Huis voor de Cultuur, neem een boek over de religie mee naar huis en lees het. En kom er dan hier over praten.’

    Wat vrouwen betreft was de strijd nog moeilijker, gezien de mentaliteit op het Zuid-Iraakse platteland. Hassoun heeft twee dagen per week het cultuurcentrum voor vrouwen gereserveerd, mannen zijn dan niet welkom. Vrouwen kunnen een groot aantal lezingen bijwonen en sociale, medische en psychologische problemen bespreken met ngo’s.

    In veel opzichten is de scheiding tussen de seksen hier minder strikt dan elders in Irak. Hassoun wijst naar het gemeentehuis, een groot, met riet bedekt gebouw aan de ingang van het dorp, en vertelt dat de vrouwen van Al Bu Nahid daar welkom zijn, iets wat in andere dorpen niet vanzelfsprekend is. ‘Wij hebben tegen de mannen gezegd: nee, er is geen verschil tussen jou en haar. Maar dit heeft allemaal tijd nodig.’

    Andere dorpen hebben lering getrokken uit het succes van Al Bu Nahid. Nu IS is verslagen, lijkt Irak eindelijk het sektarische geweld en de sfeer van angst en repressie te boven te komen. Nu oorlog en geweld op de achtergrond raken, beginnen Irakezen meer aandacht te krijgen voor de sociale en economische kwalen die hun land plagen. Voor Hassoun is Al Bu Nahid een mogelijke blauwdruk voor hoe Irak zichzelf zou kunnen rehabiliteren, met een opener, gezonder gemeenschapsleven. ‘Het is niet makkelijk,’ zegt hij. ‘Maar ik probeer tenminste wat.’

    Auteur: Alex MacDonald
    Vertaler: Carl Stellweg

    CONTEXT: De regels

    Aan de ingang van het dorp stipuleren twee uithangborden – een in het Engels, een in het Arabisch – een aantal (losjes gehandhaafde) regels:

    1. Niet roken
    2. Geen ruzie om godsdienst
    3. Geen getoeter
    4. Geen politieke discussies
    5. Eerbiediging van verkeersregels
    6. Geen bomenkap, want het milieu is onze verantwoordelijkheid

    Middle East Eye
    Verenigd Koninkrijk | middleeasteye.net

    De website Middle East Eye werd in 2014 opgericht en wil de voornaamste nieuwsbron zijn voor het Midden-Oosten. Hoofdredacteur is David Hearst, voormalig buitenlandredacteur van The Guardian. Volgens critici heeft de site banden met de Moslimbroeders.

  • Iran, kampioen drooglegger

    Iran, kampioen drooglegger

    Door incompetentie van het regime op het gebied van waterbeheer, draagt de islamitische republiek bij aan de ernstige waterschaarste, stelt deze journalist uit Iraaks Koerdistan.

    De helft van de Iraanse steden kampt met een gebrek aan water. In honderden steden en dorpen, met name in het midden en zuiden van het land, hebben de inwoners last van een droge keel. De hoofdstad Teheran inbegrepen, waar vier dammen de nood moeten lenigen.

    De situatie is zelfs zo ernstig dat er volksverhuizingen van een nog niet eerder in de geschiedenis van het land vertoonde omvang worden verwacht. De Iraanse gezagsdragers winden er geen doekjes meer om: ze zijn bang dat tientallen miljoenen mensen zich in krioelende sloppenwijken aan de randen van de grote stedelijke centra zullen vestigen, of dat er een massaemigratie op gang komt. Beide gebeurtenissen kunnen leiden tot interne en regionale conflicten.

    In de provincie Oermia, in het noordwesten van het land, zijn inmiddels zo veel putten geslagen – vijftigduizend – dat het Oermiameer is uitgeput. Er is niet meer dan een vijver van over en het lijkt hetzelfde lot te zijn beschoren als het Aralmeer, het grote zoutwatermeer dat gedeeld werd door de voormalige Sovjetrepublieken Oezbekistan (in het noorden) en Kazachstan (in het zuiden), en in de jaren zestig verdween door de beslissingen van het Sovjetregime.

    Geen geheim

    Lange tijd werden degenen die zich bekommerden om het milieu ervan beschuldigd dat ze buitenlandse belangen dienden, maar tegenwoordig valt de publieke opinie niet meer te misleiden. De waarheid openbaart zich in het volle daglicht, en toont de incompetentie van het regime op het gebied van waterbeheer pijnlijk aan.

    Teheran maakt er geen geheim van dat zijn beleid er in de toekomst op gericht zal zijn om zo veel mogelijk water in het land te houden. Dat wil zeggen: om waterlopen zo goed mogelijk te benutten voordat ze de grenzen van het land bereiken, of om ze om te leiden naar door droogte getroffen gebieden. Dit zette de viceminister van Buitenlandse Zaken, Abbas Araghchi, onlangs uiteen op een conferentie over water(diplomatie) in Teheran. Probleem is dat een dergelijk beleid stroomafwaarts gelegen landen berooft van het water waar ze recht op hebben. Een en ander is bovendien in strijd met het internationaal recht inzake het delen van waterbronnen. En het werkt politieke, economische en ecologische crises in de hand, in plaats van dat ze de kans hierop vermindert.

    De Karoun, een van de grootste rivieren in Iran (en de enige die, gedeeltelijk, bevaarbaar is), is een perfecte illustratie van wat er aan de hand is. Niet alleen zijn er tal van dammen in gebouwd, ook is een deel van het water omgeleid naar de rivier Zayandeh, in de provincie Isfahan, in het midden van het land. Sindsdien is de Karoen tot een beekje verworden, wat heeft geleid tot verzilting van de landbouwgrond in de regio Khoezistan, tegen de Iraakse grens.


    Toeristen op waterfietsen in het Oermiameer in Iran. Het grootste meer in het Midden-Oosten dreigt volledig op te drogen. – © Getty Images
    Toeristen op waterfietsen in het Oermiameer in Iran. Het grootste meer in het Midden-Oosten dreigt volledig op te drogen. – © Getty Images

    Feitelijk kopieert Iran het beleid van de voormalige Sovjet-Unie in Centraal-Azië in de jaren zestig. Moskou had destijds de Amu Darya en Syr Darya, zijrivieren van het Aralmeer in Kazachstan, naar Oezbekistan omgeleid, met het doel er de katoenproductie te vergroten. Oezbekistan werd de grootste katoenproducent ter wereld, maar betaalde een zware prijs: het verloor een vierde van een van de grootste meren ter wereld. De omleidingen die Iran al enige jaren geleden heeft aangelegd in internationale rivieren zoals de Sirwan, de Kleine Zab [twee zijrivieren van de Tigris], de Karoen en andere waterlopen, leiden niet alleen tot een verzilting van de bodem, ze beroven stroomafwaarts gelegen landen ook van hun deel van het water.

    Sinds de revolutie van 1979 heeft het Iraanse regime zich meer beziggehouden met de export van zijn politieke model naar andere landen in het Midden-Oosten dan met een fatsoenlijk beheer van zijn waterbronnen

    Sinds de revolutie van 1979 heeft het Iraanse regime zich meer beziggehouden met de export van zijn politieke model naar andere landen in het Midden-Oosten en het met tientallen miljarden dollars ondersteunen van organisaties en politieke en militaire bewegingen in de regio, dan met een fatsoenlijk beheer van zijn waterbronnen. Dat is er ook de oorzaak van dat het land zich nu ziet geplaatst voor zo’n catastrofale situatie van verwoestijning, verlies van landbouwgrond en schaarste aan drinkwater.

    Daar komen de overconsumptie en verspilling van water in de landbouw nog eens bij, die winsten op de korte termijn opleveren, maar schadelijke gevolgen hebben voor de lange termijn.

    Overigens verklaarde Rahim Safaoui, adviseur militaire zaken van opperste leider Ali Khamenei, tijdens de eerdergenoemde persconferentie dat de landbouw niet langer negentig procent van de waterbronnen kan verbruiken.

    Voorlopig gaat Iran echter door met de bouw van dammen en omleidingen van waterlopen op zijn grondgebied, wat bijzonder nadelig is voor Irak, dat aan de benedenstroom van alle Iraanse rivieren ligt. Tegelijkertijd bekritiseert Iran de bouw door Afghanistan van dammen, vooral de Kamal Khan-dam in de rivier de Helmand (de langste rivier in Afghanistan). Deze kan namelijk het debiet ervan verminderen in de provincie Sistan en Beloetsjistan, in het zuidoosten van Iran, met mogelijk grotere sociale spanningen tot gevolg in een regio die nu al een wankele economie heeft.
    Khaled Sulaiman

    Auteur: Khaled Sulaiman

    Daraj
    Beiroet | Libanon | daraj.com

    De website Daraj (‘Trap’) werd in 2017 in Beiroet opgericht en richt zich op alternatieve informatie. De redactie bestaat uit professionele journalisten uit Libanon en andere Arabische landen. Met zijn rubrieken onderscheidt de site zich van traditionele Arabische media. Onderzoek en reportage staan centraal. Bovendien zijn veel onderwerpen bij andere media in de regio ondergeschoven kindjes: burgerrechten, gender, homoseksualiteit.

  • 3. Steeds machtiger wordende milities

    3. Steeds machtiger wordende milities

    Het wemelt van de paramilitaire groeperingen in het Midden-Oosten. Uniek aan Hezbollah is dat het zich steeds meer gedraagt als een echte staat.

    Het komt zelden voor dat milities net zo machtig worden als het leger. Over het algemeen is een militie oneindig veel zwakker dan het leger van de staat waarvan ze deel uitmaakt. Neem de voorvechters van white supremacy in de VS, of de extremistische Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever. De milities die ze vormen zijn niet opgewassen tegen het militaire apparaat van de overheden. Bovendien is de zaak waarvoor ze strijden doorgaans zo omstreden en op een beperkte groep gericht, dat niemand ze ervan zal verdenken de belangen van een breder collectief te behartigen. Hun racisme staat niet ter discussie, en ze doen ook geen moeite om anderen te winnen voor hun ideeën over superioriteit, of om eenstemmigheid omtrent hun uitspraken af te dwingen.

    Niemand zal het in zijn hoofd halen ze als lichtend voorbeeld op te voeren. Het zijn derhalve ‘marginale’ milities. Maar er zijn ook ‘centrale’ milities. Zoals de Revolutionaire Garde in Iran, of de Iraaks-sjiitische milities Hashd al-Shaabi. Die vormen geen tegenwicht voor het leger van hun staat, maar vullen het aan. Ze volgen het model van Europese totalitaire regimes door taken uit te voeren die hun door de regimes zijn opgedragen. Hiervoor ontvangen ze aanzienlijke budgetten, die worden toegewezen uit naam van ideologische credo’s over de verdediging van het vaderland, de strijd tegen verraderlijke buitenlandse of binnenlandse samenzweringen, enzovoort.

    Ooit was [het Libanese] Hezbollah een militie van de eerste soort: ‘marginaal’. Dat was in de jaren tachtig, toen ze door de Revolutionaire Garde werd getraind, in de dagen dat slogans als ‘uw sluier is mij dierbaarder dan mijn bloed’ het goed deden, en ongesluierde vrouwen zuur in hun gezicht kregen. Maar al snel werd Hezbollah een ‘centrale’ militie. Daartoe doopte ze zich om tot verzetsorganisatie die als heilig streven zei te hebben om door Israël bezet Arabisch land te bevrijden. Vervolgens werd Hezbollah erkend en gelegitimeerd door de inter-Libanese vredesakkoorden. De beweging ging deel uitmaken van de regeringsmachinerie, met parlementariërs en ministers. Uiteindelijk werd Hezbollah een actor in de oorlog in Syrië. De benoeming tot Libanese president van christen Michel Aoun, die nooit een geheim heeft gemaakt van zijn banden met Hezbollah, betekent dat de beweging het Libanese buitenlandbeleid mag bepalen.

    Door zich voor te doen als het ‘verzet’ verschafte Hezbollah zich voldoende legitimiteit om over alle belangrijke politieke kwesties mee te beslissen

    Dit alles heeft de status van Hezbollah als ‘centrale’ militie versterkt. De beweging heeft zich altijd als grensbewaker opgeworpen, in het zuiden tegen Israël, en daarna op nog wat grovere wijze in het oosten, waar Libanon aan Syrië grenst. In werkelijkheid ging het Hezbollah niet om bescherming van de grenzen, maar om binnenlandse politiek. Door zich voor te doen als het ‘verzet’ verschafte Hezbollah zich voldoende legitimiteit om over alle belangrijke politieke kwesties mee te beslissen – en uiteindelijk naar de politieke macht te reiken en sterker te worden dan het Libanese leger.

    Vandaag betalen we de prijs. De wereld behandelt Libanon en Hezbollah alsof ze twee hoofden van hetzelfde lichaam zijn. Recente Amerikaanse sancties en het Europese verzoek om geen onderscheid te maken tussen de ‘politieke’ en de ‘militaire’ tak van Hezbollah zijn wellicht een eerste stap naar vijandelijkheden die hun beslag zullen krijgen tegen de achtergrond van de spanningen tussen de VS en Iran.

    Auteur: Hazem Saghieh
    Vertaler: Carl Stellweg

    CONTEXT: Eén groot slagveld

    Vanaf een grondgebied dat zich uitstrekt van Iran tot aan Libanon – een grondgebied van vier landen die onder Iraanse controle staan – kunnen raketten op Israël worden afgevuurd om de wereld de macht van Teheran te tonen.

    Na veertig jaar vijandschap tussen Irak en Syrië – twee landen die onder bewind stonden van rivaliserende facties van de Baath-beweging – wordt de Iraaks-Syrische grens tegenwoordig gecontroleerd door twee regimes die strategische bondgenoten zijn van Iran. Iraakse sjiitische militieleden zouden zelfs de grens zijn overgestoken om de Syrische strijdkrachten en hun bondgenoten te assisteren bij de bevrijding van de Syrische stad Deir ez-Zor, die onder controle stond van IS.

    Qassem Soleimani, de leider van de Al-Quds Brigade, een speciale Iraanse strijdmacht die zich mengt in de oorlogen in Irak en Syrië, verwelkomde de Iraakse milities ter plaatse. De grens overwippen was geen probleem, ook niet voor Iraanse leiders die het front kwamen inspecteren.

    Dit is meer dan politiek vertoon, het is een tot wasdom gekomen militaire strategie

    Libanon hoort ook bij deze invloedssfeer, omdat ook het pro-Iraanse Hezbollah zich aan beide kanten van de grens ophoudt. Recent zijn grote tanks in Hezbollah-kleuren waargenomen in Noord-Irak, nabij Syrië, en het lijkt erop dat deze tanks van het Syrische leger afkomstig zijn. Volgens het Russische nieuwsagentschap Spoetnik heeft het Iraakse leger alleen T90-tanks, terwijl Hezbollah en Iraakse sjiitische milities de beschikking hebben over efficiëntere T90A’s met Chilka-kanonnen. Dit kan erop wijzen dat er niet alleen internationale grenzen maar ook wapens worden gedeeld, maar het herinnert ook aan de Iraanse voorkeur voor milities die sterker zijn dan nationale legers: zie Hezbollah in Libanon en de Revolutionaire Garde in Iran zelf.

    De geografische continuïteit van deze ‘As van Verzet’ (anti-Israël en anti-Saoedi-Arabië) is een bron van trots geworden voor Iraanse gezagsdragers, die daar ook intern gebruik van maken. Ali Akbar Velayati, adviseur van geestelijk leider Ali Khamenei, liet pro-Iraanse strijders in Aleppo weten dat toekomstige gevechten zich zullen afspelen in de rest van Oost-Syrië, wat een uitbreiding van het slagveld betekent. Iraanse functionarissen herhaalden dat de As van Verzet vanuit Teheran via Bagdad, Damascus en Beiroet naar Palestina leidt. Dit is meer dan politiek vertoon, het is een tot wasdom gekomen militaire strategie, zo bleek bijvoorbeeld toen er een Israëlisch vliegtuig boven Libanees grondgebied vanaf de Syrische kant van de grens werd bestookt door een luchtdoelraket.

    Hoe denkt Iran op deze aan elkaar grenzende slagvelden te opereren als er een totale oorlog zou uitbreken met Israël? Ten eerste zouden er vanaf verschillende locaties, en met grote intensiteit, ballistische raketten worden afgevuurd om het Israëlische luchtverdedigingssysteem, dat bekendstaat als de ‘ijzeren koepel’, lam te leggen, en zo belangrijke Israëlische doelen bloot te leggen. Daarnaast kunnen al deze aanvallen de vuurkracht van Israël beperken. Ten slotte vergemakkelijkt de geografische continuïteit de verplaatsing van Arabische en buitenlandse strijders op de grond, hoewel dit niet echt nuttig is gezien het luchtoverwicht van de Israëliërs en hun vermogen om infanterie op die manier een halt toe te roepen. Anderzijds zorgt deze geografische continuïteit ervoor dat de boodschap van Irans kracht in de regio luid en duidelijk aankomt, dat er oorlogen en conflicten op afstand kunnen worden beslecht en dat Teheran, zeker op nucleair gebied, een benijdenswaardige internationale onderhandelingspositie krijgt. (Al-Modon, Beiroet)

    Auteur: Mohanad Hage Ali
    Vertaler: Carl Stellweg

  • 3. De man achter het Koerdische referendum

    3. De man achter het Koerdische referendum

    Massoud Barzani, president van Iraaks-Koerdistan, is de aanjager van de volksraadpleging. Hij vertegenwoordigt de wil van het volk, meent de Koerdische journalist Ayub Nuri.

    Hoewel er al veel is geschreven over het Koerdische referendum, zijn er weinig woorden vuil gemaakt aan de man achter dit project en aan waar hij voor staat. Het is waar dat de hele Koerdische natie van onafhankelijkheid droomt, maar Massoud Barzani, president van de regio Koerdistan, is de man aan het roer en het publieke gezicht van de onafhankelijkheidscampagne.

    Ik weet dat het onafhankelijkheidsstreven aan overtuigingskracht zou winnen als het om een volk zou blijven draaien in plaats van om één man. Maar het is nu eenmaal een feit dat Barzani een Koerdische leider is die zich al vele jaren sterk heeft gemaakt voor een referendum en voor onafhankelijkheid, zeker sinds Bagdad steeds meer neigt naar een autoritair en militair bewind.

    Wie vreest dat een Koerdische staat enkel een zaak is van Barzani zelf, kan geruststelling vinden in de woorden van John F. Kennedy: ‘De overwinning heeft duizend vaders.’ Een Koerdische staat zal er voor iedereen zijn, in het bijzonder voor onze toekomstige generaties.

    schermafbeelding 2017 09 20 om 12 08 00 pm

    Des te spijtiger is het dat de wereld lijkt samen te spannen om dit project te laten mislukken. Barzani gaat in zijn eentje het gevecht aan, terwijl de ene na de andere barrière voor hem wordt opgeworpen. Sinds de dag dat het besluit viel om in september een referendum te houden, en zelfs daarvoor al, heeft Barzani geen enkele bedreiging geuit aan het adres van Irak, de buren van Koerdistan of wie dan ook. Dialoog, wederzijds begrip en vreedzame afscheiding vormen de basis van zijn plan, dat heeft hij op elke bijeenkomst en in elk interview benadrukt. Ik denk niet dat hij dit alleen zegt omwille van het referendum. Ik geloof echt in wat hij stelt: dat een Koerdische staat voor geen van zijn buren een bedreiging zal zijn en dat Iran, Turkije, Irak en Syrië zich volkomen op hun gemak zullen voelen met Koerdistan als buur.

    ‘Zelfs als we alle macht van de wereld bezitten, vallen we niemand aan, en zelfs als de hele wereld ons aanvalt, vechten we terug.’ Dat is waar Barzani in gelooft en dat standpunt zou genoeg moeten zijn om het verzet tegen een Koerdische staat te staken. De Koerden willen een eigen staat, en ze willen in vrede leven met hun buren. Dat is alles.

    Degenen die het Koerdische referendum proberen te delegitimeren door te zeggen dat het een Barzani-project is, gaan in tegen de wil van heel een volk. Barzani is simpelweg de leider in een stadium van de Koerdische geschiedenis waarin een kans wordt geboden die niet mag worden gemist.

    Auteur: Ayub Nuri

    Openingsbeeld: Koerden in Erbil nemen alvast een voorschot op het komende referendum. – © Berci Feher / HH

    Rudaw
    Iraaks-Koerdistan | weekblad | oplage 3000

    Onderdeel van mediabedrijf Rudaw Company, dat ook een tv-station bezit. Heeft correspondenten in het hele Midden-Oosten.

  • 2. … of juist voor rust zorgen

    2. … of juist voor rust zorgen

    Volgens de website Kurdistan24 kan een ja-stem leiden tot stabiliteit in de regio.

    Na een eeuw van stateloosheid maken de Koerden zich deze maand op om zich in een historisch referendum uit te spreken over een onafhankelijk Koerdistan. Velen waarschuwen de Koerden dat ze hiermee voor instabiliteit zullen zorgen en dat hun tijd nog niet is gekomen. Het tegendeel is echter het geval: Koerdische onafhankelijkheid kan om verschillende redenen de stabiliteit bevorderen, zowel in Irak als in de rest van het Midden-Oosten.

    In de eerste plaats is het vanuit een Turks, Arabisch of Perzisch perspectief moeilijk te begrijpen dat de Koerden historisch onrecht is aangedaan door hun een staat te onthouden en hen te veroordelen tot decennia van onderdrukking als minderheid. Zolang de Koerden de grootste natie zonder staat blijven, zullen ze nooit in rustig vaarwater komen.

    Daarnaast zal het Midden-Oosten altijd rusteloos blijven en een haard van instabiliteit, zolang een van zijn grote dilemma’s onopgelost blijft. Vasthouden aan de mythe dat de kunstmatige grenzen van Irak en van andere landen in de regio onaantastbaar zijn, is een ontkenning van het gegeven dat deze willekeurige grenzen de werkelijke bron van het conflict vormen in het huidige Midden-Oosten.

    Instabiliteit voorkomen

    Sinds zijn oprichting heeft Irak de grootste moeite gehad om enig gevoel van eenheid te kweken. Afgezien van de sektarische problematiek is een van de oorzaken van de instabiliteit in Irak de weigering van de Koerdische bevolking om zich te onderwerpen aan de Arabische heerschappij of aan een regering in Bagdad. De Koerden hebben wellicht een hoge prijs betaald voor deze trotse houding, maar hun identiteit was nu eenmaal niet te koop.

    ‘Wij zijn nu een verenigd land,’ zo verklaarde de Iraakse premier Haider al-Abadi onlangs. Met dergelijke uitspraken gaan de autoriteiten in Bagdad voorbij aan decennia van onderdrukking van de Koerden, en aan de instabiliteit die daaruit voortvloeit.

    Zolang Koerdistan door Iraakse grenzen wordt ingeperkt, blijven de verhoudingen explosief en zullen de door Arabische onderdrukking veroorzaakte wonden nooit helen. Een onafhankelijke Koerdische staat zou juist een nieuw begin kunnen betekenen voor Irak.

    Volgens de president van de regio Koerdistan, Massoud Barzani, leidt uitstel van onafhankelijkheid enkel tot grotere instabiliteit. ‘We hebben bewezen dat we een stabiliserende factor zijn,’ zei hij. ‘Het referendum is een middel om toekomstige instabiliteit te voorkomen.’

    Vrouwelijke peshmerga’s op een trainingskamp nabij Erbil. – © Gail Orenstein
    Vrouwelijke peshmerga’s op een trainingskamp nabij Erbil. – © Gail Orenstein

    ‘We willen elk risico op toekomstig bloedvergieten de kop indrukken,’ voegde de president hieraan toe.

    Koerdistan heeft sinds 2003 stabiliteit gekend en is een factor van belang geworden, maar of je nu termen als ‘het andere Irak’ bezigt of het beestje nog een andere naam geeft, formeel blijft het gebied deel uitmaken van Irak. Het Iraakse stempel zal de economie, het toerisme en de veiligheid van Koerdistan blijven frustreren.

    Als er iets was waarin soennieten en sjiieten elkaar konden vinden, dan was het in het uitspelen van de etnische kaart tegen de Koerden. De schijnwerpers richten op Koerdisch separatisme en maatregelen nemen om het Koerdische aandeel in de begroting te beknotten, waren vaak een tactiek van Bagdad om de aandacht af te leiden van diepgewortelde problemen en corruptie in het land.

    Ironisch genoeg zou een onafhankelijk Koerdistan een bindende factor voor de rest van Irak kunnen zijn. De Koerden zouden de rol van betrouwbare bemiddelaar kunnen spelen en de Irakezen kunnen dwingen hun geschillen op te lossen, zonder dat de Koerdische kwestie als een schaduw over Bagdad hangt.

    Het is nooit het goede moment om in een chaotische regio de onafhankelijkheid uit te roepen

    In plaats van instabiliteit in Turkije te voeden, zou een Koerdische staat kunnen dienen als een stevige buffer tegen de sektarische twisten die de rest van Irak en de regio in hun greep houden, en die de reeds sterke banden met Ankara op het gebied van economie en veiligheid alleen maar verder verstevigen.

    Zijn de Amerikaanse of Europese belangen werkelijk gediend bij het dwangmatig vasthouden aan een verenigd Irak? Of kan een pluriforme Koerdische staat een bolwerk zijn tegen extremisme, en daarmee westerse idealen in de regio ondersteunen?

    Het is nooit het goede moment om in een chaotische regio de onafhankelijkheid uit te roepen. Even juist is het om te stellen dat de Koerden niet als onruststokers mogen worden gebrandmerkt: Irak en de hele regio hebben immers nooit iets anders dan onrust en instabiliteit gekend.

    Auteur: Bashdar Pusho Ismaeel

    Kurdistan24
    Iraaks-Koerdistan | kurdistan24.net

    Website van tv-station Kurdistan24. Biedt nieuws in het Koerdisch en het Engels. Covert niet alleen politiek, maar ook cultuur en sport.

  • 1. Eén septemberdag kan een ravage aanrichten in het Midden-Oosten…

    1. Eén septemberdag kan een ravage aanrichten in het Midden-Oosten…

    Als de Iraakse Koerden bij het referendum op 25 september voor onafhankelijkheid stemmen, zijn de gevolgen voor de toch al instabiele regio niet te overzien, waarschuwt de Israëlische krant Ha’aretz.

    Hoe vaak zijn de regeringen en regimes in de Verenigde Staten, Rusland, Iran, Turkije, Irak en Syrië het eens over de te voeren politiek? Vrijwel nooit. Nu zijn ze voor één keer eensgezind. Allemaal proberen ze, al dan niet met behulp van dreigementen, de Koerdische regionale regering (KRG) – het semi-autonome bestuur van de Koerdische regio in Noord-Irak – ervan te weerhouden om op 25 september een referendum over onafhankelijkheid te houden.

    De KRG heeft verklaard dat het referendum bindend zal zijn: dus als een meerderheid van de vijf miljoen kiezers voor onafhankelijkheid kiest, zoals algemeen wordt verwacht, zal het afscheidingsproces in werking treden. De door sjiieten gedomineerde regering van Irak heeft al laten weten de uitslag van het referendum niet te zullen erkennen, maar hoe ze de Koerdische onafhankelijkheid kan afwenden is vooralsnog onduidelijk. Het Iraakse leger is nog altijd tamelijk zwak, en bovendien verwikkeld in gevechten met IS. Het heeft geen bases in Iraaks-Koerdistan, waar de Koerdische peshmerga’s de veiligheid en de grenzen bewaken.

    Machtige buren

    Irak kan echter rekenen op veel machtiger buren om de Koerdische desertie te dwarsbomen. Onlangs bracht de chef-staf van de Iraanse strijdkrachten, generaal Mohammad Hossein Bagheri, een zeldzaam bezoek aan Ankara. Op de agenda stond het gezamenlijke verzet van Iran en Turkije tegen Koerdische onafhankelijkheid. Beide landen delen grenzen aan Iraaks-Koerdistan en hebben grote Koerdische minderheden (ongeveer driekwart van alle Koerden in het Midden-Oosten woont in Turkije en Iran). Die zouden kunnen proberen zich af te splitsen om aansluiting te zoeken bij het nieuwe, onafhankelijke Koerdistan.

    De Turkse president Erdogan, die tot enkele jaren geleden nog een vredesakkoord met de Koerden in zijn land ondersteunde, voert nu een onbuigzame, nationalistische, anti-Koerdische politiek. Een onafhankelijk Koerdistan zou daarom een welkome steun in de rug zijn voor Koerdische burgers in Turkije.

    Iran heeft nog meer redenen om een Koerdische onafhankelijkheid te blokkeren. De Koerden in Irak controleren cruciale grensgebieden met Iran en Syrië, regio’s die Iran van plan is te domineren om zo een corridor van Iran naar de Middellandse Zee te creëren, via Irak, Syrië en Libanon.

    Terwijl Erdogan om binnenlandse redenen de mogelijkheden besprak van een Turks-Iraanse actie tegen Koerdische onafhankelijkheid in Irak, probeerde de Iraanse Revolutionaire Garde dergelijke speculaties de kop in te drukken. Die kunnen namelijk schadelijk zijn voor de huidige militaire operaties tegen IS, waarbij samenwerking met Koerdische troepen gewenst is. Maar als de Koerden na het referendum de weg naar onafhankelijkheid serieus inslaan, is het een zeer reële mogelijkheid dat de Iraniërs en de Turken de handen ineen zullen slaan om dat op gewelddadige wijze te verhinderen.

    Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan. – © Yunus Keles / Getty
    Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan. – © Yunus Keles / Getty

    Ook de Amerikaanse minister van Defensie James Mattis erkent dat Koerdische onafhankelijkheid de regio nog instabieler kan maken. Dus was hij onlangs in de Koerdische hoofdstad Erbil om Massoud Barzani, de Iraaks-Koerdische president, tot uitstel van het referendum te bewegen. In de strijd tegen IS in Irak en Syrië hebben de VS nauw samengewerkt met zowel de Iraakse regering als de Koerden. De door de Amerikanen gesteunde Syrische Democratische Krachten, die voornamelijk uit Koerdische strijders bestaan, hebben het voortouw genomen bij de belegering van Raqqa, de belangrijkste machtsbasis van IS in Syrië. De Koerden zullen vermoedelijk ook een voorname rol vervullen in een volgende gevechtsfase: de verovering van de laatste grote IS-bolwerken, in de Eufraatvallei, aan weerszijden van de Syrisch-Iraakse grens.

    De oorlog tegen IS is momenteel het enige min of meer samenhangende onderdeel van Trumps Midden-Oostenpolitiek, en Mattis maakt zich begrijpelijkerwijs zorgen dat een conflict over Koerdische onafhankelijkheid tot nog meer onenigheid zal leiden in een nu al onevenwichtige alliantie tegen IS. Dat Barzani met het referendum voor de deur inbindt, is echter zeer onwaarschijnlijk.

    De Koerden hebben geprobeerd om op eigen houtje olie te exporteren uit de rijke olievelden rond Kirkuk. De reactie van de Iraakse regering was het dichtdraaien van de geldkraan voor de regio. De problemen rond de olie-export en dalende olieprijzen hebben de Koerdische regio in een diepe financiële crisis gestort. Drie jaar geleden leefde in Iraaks-Koerdistan nog de hoop op een energiehausse en verrezen er hotels en kantoorgebouwen in de belangrijkste steden, die door brede snelwegen werden verbonden. ‘Nu staat alles stil,’ klaagt een zakenman uit de stad Dohuk. ‘De hotels zijn leeg, er wordt niet meer geïnvesteerd. Onafhankelijkheid lijkt de oplossing voor al onze problemen.’

    Koerdistan kan niet alleen de Iraniërs hoofdbrekens bezorgen, maar ook andere potentiële rivalen, zoals Irak, Turkije en Syrië

    Is een onafhankelijk Koerdistan levensvatbaar? Omsloten door land en afhankelijk van de olie-export, zal het tot een akkoord moeten komen met een van zijn buren om de olie te kunnen uitvoeren. Maar alle buren zijn sterk gekant tegen Koerdische onafhankelijkheid. Dan zijn er ook nog binnenlandse problemen. Het politieke systeem van de Koerdische Autonome Regio wordt ondermijnd door de voornaamste dynastieën die de politieke partijen beheersen. De corruptie is wijdverbreid. En de milities van de peshmerga’s bestaan weliswaar uit dappere strijders, die twee jaar lang, terwijl het Iraakse leger bezig was uit elkaar te vallen, als enigen het hoofd boden aan IS – maar ze tellen ook tienduizenden vergrijsde veteranen die pensioenen opstrijken terwijl ze zwart bijklussen als bewakers. Bij gebrek aan voldoende zware wapens zal het voor de peshmerga’s moeilijk zijn Koerdistan te verdedigen tegen invallen van Turkije of Iran, waartoe deze landen, al dan niet op uitnodiging van de Iraakse regering, kunnen overgaan.

    Eén land waarvan de Koerden hopen dat het hen zal steunen is Israël, een van de eerste afnemers van Koerdische olie. Sommige Israëlische politici hebben openlijk steun betuigd aan Koerdische onafhankelijkheid, maar de regering heeft een zeer berekenend neutraal standpunt ingenomen. Een onafhankelijk Koerdistan biedt Israël een aantal voordelen, waarvan de locatie langs Irans route naar Syrië en Libanon het meest voor de hand liggende is. Koerdistan kan niet alleen de Iraniërs hoofdbrekens bezorgen, maar ook andere potentiële rivalen, zoals Irak, Turkije en Syrië. Israëlische zakenlieden zijn nu al welkom in Erbil, en de ontwikkelingsbehoeften van een nieuwe en potentieel pro-westerse natie kunnen miljarden opleveren. Maar Israël wil op dit moment niets doen zonder samenspraak met de Amerikanen.

    Israël doet ook omzichtige pogingen de strategische relatie met Turkije te herstellen. De diplomatieke betrekkingen zijn hervat, maar er is nog een lange weg te gaan eer het vroegere niveau van samenwerking is hersteld. Zoals het er nu voorstaat, is Turkije het enige buurland van de Koerden waarmee Israël open verhoudingen heeft en dat als doorvoergebied voor Koerdische olie kan dienen. Op de korte termijn kunnen de Koerden Israëls rivalen een hoop problemen in de regio bezorgen. Op de lange termijn is het voor Israël noodzakelijk dat Turkije en Koerdistan tot een vergelijk komen, wil er een regionale alliantie tot stand komen waarvan aartsvijand Iran buitengesloten blijft. Het referendum zal een dergelijke ontwikkeling zeker niet bespoedigen. Dus als de Koerden verwachten dat Israël hun onafhankelijkheid snel zal erkennen, komen ze waarschijnlijk bedrogen uit.

    Auteur: Anshel Pfeffer

    Haaretz
    Israël | dagblad | oplage 80.000

    De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

  • Majoor Salam: de schrik van IS

    Majoor Salam: de schrik van IS

    Hij drinkt twaalf blikjes Red Bull per dag, rookt als een ketter, en heeft zich door zijn dappere optreden in de strijd tegen IS een heldenstatus verworven in eigen land. Maak kennis met de Iraakse majoor Salam Jassem Hoessein.

    Een bomauto explodeert tegen de tank die voorop rijdt in de geblindeerde colonne van de eerste divisie van de Iraqi Special Operations Forces (ISOF-1). Majoor Salam Jassem Hoessein, wiens zwarte Humvee geparkeerd staat tussen de begraafplaats bij de Al-Karamamoskee en de grote antenne van het radio- en televisiestation Al-Mawsil, is voor het vallen van de avond de jihadisten komen jennen bij de oostelijke toegangsweg tot Mosoel.

    De schade is miniem. De ogen van de bataljonscommandant fonkelen en onder zijn dunne snor breekt een glimlachje door, half olijk, half zegevierend. Hij is trots op het offensief dat zojuist is afgerond op deze eerste november in de wijk Gogjali. Hij is de eerste die voet zet in het Iraakse domein van de jihadisten. Toch lijkt hij minder opgetogen over deze krachttoer dan over het succes van zijn tactiek. In plaats van frontaal aan te vallen heeft hij de wijk stukje bij beetje omsingeld en her en der een inval gedaan om de jihadisten in de war te brengen. Hoewel de bevelhebbers klaagden over de traagheid van het offensief, heeft hij tegen zijn mannen gezegd: ‘We hebben geen haast, ik wil geen verliezen.’ Uiteindelijk is hij de tweede divisie te snel af geweest en hier als eerste gearriveerd, waarmee hij het respect van zijn superieuren heeft afgedwongen.

    ‘Hij is een beetje een dolle hond: hij luistert niet en dendert maar door, maar dat is ook het beste. We waren met 285 mannen zoals hij. Wij zijn ouder geworden, wijzer. Hij niet!’

    Binnen de Gouden Divisie zul je niet snel kritiek op hem horen, noch van gewone soldaten, noch van officieren. De bevelhebbers waarderen deze vrijbuiter, die geen blad voor de mond neemt en over een gestaald karakter beschikt. ‘Salam is uniek. Hij is een beetje een dolle hond: hij luistert niet en dendert maar door, maar dat is ook het beste. We waren met 285 mannen zoals hij. Wij zijn ouder geworden, wijzer. Hij niet!’ erkent kolonel Arkan, die het offensief van de internationale coalitie tegen IS leidt. De commandant van de Counter Terrorism Service (CTS), Taleb Al-Chigati, noemde hem voor de camera’s een keer ‘mijn zesde zoon’. ‘Majoor Salam heeft de mentaliteit, de kracht en de passie,’ vertelt de 36-jarige Mohanad. Op zijn telefoon laat de ordonnans een foto zien van zijn zoon van vijftien maanden, die hij heeft vernoemd naar… Salam.


    Met zijn 37 jaar is Salam Jassem Hoessein, die bekendstaat om zijn menselijke benadering zonder daar een religieus etiket op te plakken, de belichaming geworden van de strijd tegen IS, maar ook van de hoop van een verscheurd Irak. Dankzij zijn militaire kunststukjes kreeg hij in juni 2015 de leiding over de grondoperaties, beginnend met de herovering van Ramadi, de hoofdstad van de soennitische provincie Anbar. Toch zal de majoor niet de held van de bevrijding van Mosoel zijn. Eind december 2016 vloog hij naar de Verenigde Staten om in rang te worden bevorderd. ‘Dat ik een voet in Mosoel heb gezet is me genoeg,’ verzekert hij. Voor de speciale eenheden, die ernstig door de jihadisten op de proef werden gesteld, zou een nederlaag een gevoelige klap zijn geweest.

    Salam Jassem Hoessein is het sprekende voorbeeld van de mentaliteit die de Amerikanen de speciale eenheden, die ze in 2003 tijdens de invasie van Irak in het leven hebben geroepen, hebben ingeprent. Op zijn 24ste werd hij na vier maanden opleiding in Jordanië opgenomen in een keurcorps van zestig rekruten. Hij had niets tegen zijn familie gezegd en liet twee jaar niets van zich horen. Hij wilde niet het risico lopen dat zijn vader hem terugriep. De vader van Salam, een oud-militair die was getekend door de Iraaks-Iraanse oorlog (1980-1988), had hem eerder al verboden het leger te gaan. De jongeman ging Engels en Hebreeuws studeren in de hoop de belangstelling van de inlichtingendiensten te wekken.

    De nieuwe elite-eenheid, ICTF (Iraqi Counter-Terrorism Forces) gedoopt, die de Amerikanen vergezelt tijdens speciale missies, verenigt Arabieren en Koerden, soennieten, sjiieten en christenen onder een zelfde vlag. ‘Met ons weten de Amerikanen zich verzekerd dat er, als ze uit Irak vertrekken, jongens achterblijven die bij hen zijn opgegroeid en naar hun model zijn gevormd,’ legt majoor Salam uit. ‘Militair gezien, maar ook door de manier waarop we verbroederen en contact leggen met de burgerbevolking.’

    Deze mentaliteit heeft zich allengs verspreid toen de antiterrorisme-eenheden zich vanaf 2006 met andere eenheden versterkten. Aan het hoofd van de ICTF, die alleen maar een bataljon van de ISOF is, zet majoor Salam deze traditie voort. Majoor Salam heeft een bijnaam overgehouden uit de tijd waarin de elitesoldaten hun identiteit geheimhielden, om represailles te vermijden van de sjiitische milities van het leger van Mahdi, dat van 2004 tot 2008 oorlog voerde tegen de Amerikaanse bezetting en de soennieten, of van de soennitische jihadisten van Al-Qaida in Irak; zijn dienstnummer ‘vijftig’. Tegenwoordig is zijn naam ook aan de andere kant van de frontlinie bekend. Toen hij op 9 juni gewond raakte in Falluja juichten de IS-strijders. ‘Op hun radio hoorden we dat ze elkaar feliciteerden omdat ze hem hadden gedood. We moesten foto’s van hem nemen in het ziekenhuis om te laten zien dat hij nog leefde,’ vertelt soldaat Thaer Bidan (39). Kolonel Arkan kan zich die dag nog goed herinneren: ‘Hij was op ongedekt terrein. Ik had hem gezegd dat hij zich niet moest verroeren, maar hij wilde met alle geweld die schutters uitschakelen. Het scheelde maar zes centimeter of hij was dood geweest…’

    ‘De pijn, het bloed en de dood waren zo dichtbij,’ herinnert majoor Salam zich, die voortaan met een aantal metaalscherven in zijn schedel door het leven moet. ‘Het stemde me treurig dat de vijand sneller was dan ik.’ Half grappend verzekert hij dat de Red Bull hem heeft gered, door te voorkomen dat hij bewusteloos raakte. Hij drinkt meer dan een dozijn blikjes energiedrank per dag. De dag na de operatie liet hij een voorraad in het ziekenhuis bezorgen, samen met een slof Dunhill, waarvan hij de ene met de andere aansteekt. Drie weken later zwoer hij dat hij naar Mosoel zou gaan, tot groot verdriet van zijn vrouw en zijn zoon van tien.

    Hoewel zijn roem al gevestigd was, groeide hij na het ongeluk in de ogen van veel Irakezen uit tot een icoon. Op de sociale netwerken verschijnen duizenden berichten en fotomontages om de batal (het Arabisch woord voor ‘held’) te eren. Zowel op straat als aan het front wordt hij staande gehouden voor een selfie. Majoor Salam ondergaat het allemaal met ongeveinsd plezier, gevoelig als hij is voor zijn imago en de weerklank van zijn heldendaden. Hij kan geen nee zeggen tegen de menigte Iraakse en buitenlandse journalisten die de wapenfeiten willen optekenen van degene die ze tot het boegbeeld van de strijd tegen het terrorisme hebben verheven. De Iraakse militairen en politici zien hem als een sterke troef: deze moderne ridder past bij het beeld dat de door religieuze en politieke twisten verdeelde staat zich wil aanmeten om het hart van de bevolking te herwinnen.

    ‘We pakken de vijand op een smerige manier aan. We moeten wel. Je gaat niet op de deur van de vijand kloppen’

    De sjiitische majoor Salam bewaart aan zijn jeugd onder het regime van Saddam Hoessein de geïdealiseerde herinnering aan een multireligieus Irak, waarin soennieten en sjiieten elkaar niet naar het leven stonden. Hij verbiedt dat de voertuigen van zijn bataljon de vlag van de sjiitische imam Hoessein voeren. Maar onder zijn 450 manschappen heeft hij deze geloofsvermenging niet kunnen realiseren. Ze zijn bijna allemaal sjiitisch. ‘De soennieten willen niet komen,’ legt hij uit. ‘Voor een soenniet is het moeilijk om tegen zijn eigen volk te vechten. In Ramadi noemden de mensen ons Iraniërs! Het is ook hun eigen schuld. De islamitische partij heeft hen opdracht gegeven het leger te boycotten.’

    Het is een mooie rol voor Salam en zijn mannen om in de voorste linie te staan bij de herovering van Mosoel en de soennitische gebieden die onder IS hebben geleden. Bij elke missie, bij elk contact met burgers straalt de officier respect en welwillendheid uit. ‘De mensen doen een beroep op me, vragen me hun huis te beschermen of hun verwanten te zoeken. Dat doen we,’ zegt hij. Al erkent hij dat het soms wat schizofreen is. ‘Het is een strijd tussen goed en kwaad op zichzelf. Eerst verwoest je moskeeën en huizen, daarna red je mensen en bevrijd je een stad.’ Nog niet zo lang geleden nam Salam zelfs deel aan een klopjacht op soennieten die was georkestreerd door de voormalige premier Nouri Al-Maliki, tijdens de laatste twee jaar van diens mandaat (2012-2014). ‘Dat was fout,’ erkent hij. ‘Maar het was ons werk!’

    En daarvan accepteert hij zowel de goede als de kwade kanten. Zoals dat de Gouden Divisie de bijnaam ‘Dirty Division’ kreeg na de jarenlange klopjacht op de sjiitische militie van het leger van Mahdi, een militie die in 2003 was opgericht door de sjiitische bevelhebber Moqtada Al-Sadr om tegen de Amerikaanse bezetter te vechten. ‘Mooie naam vind ik dat wel, “Dirty Division”,’ zegt hij, alsof hij een lange neus trekt. ‘We pakken de vijand op een smerige manier aan. We moeten wel. Je gaat niet op de deur van de vijand kloppen. Als we iemand niet gevangen kunnen nemen, hebben we het recht hem te doden. We kennen geen grenzen. En als we op het verkeerde doel mikken, is dat de schuld van de informant.’

    Majoor Salam heeft het nooit over wraak, zelfs niet op zijn nieuwe vijand. Daarover praat hij eerder op een zowel respectvolle als uitdagende toon. Hij zegt dat hij hun soldaten wil begrijpen om hen beter te kunnen bestrijden. Dat hij wil begrijpen hoe het komt dat zo veel mannen bereid zijn zichzelf op te blazen. ‘De strijders van IS geloven heilig in wat ze doen, en ze werken er hard voor,’ analyseert hij. ‘Die methodes van hen, de aankondiging van het kalifaat: ze hebben alles mooi op een rijtje gezet voor de mensen. Ze hebben hen laten geloven in wat ze zeiden.’ Salam verzekert dat hij hen niet tot elke prijs wil onderwerpen. Hij herinnert eraan dat er tijdens de gevechten in Ramadi en Falluja ‘onderhandse akkoorden zijn gesloten’ om de jihadisten te laten vluchten. ‘Ik accepteer alles wat het leven van mijn soldaten en de burgers kan redden. Daarvoor zou ik zelfs bereid zijn contact met de vijand op te nemen,’ zegt hij.

    Kritiek op politici

    De oplossing, zo weet hij zeker, zal niet van het leger komen. ‘Wij vechten om niets. Als we zo doorgaan, hebben we geen enkele toekomst.’ Hij zit vol kritiek op de politici die verantwoordelijk zijn voor het verval van Irak: ‘Ik vecht voor een land waarvan de leiders stelen. Velen van hen zijn verantwoordelijk voor de komst van IS, Maliki in het bijzonder. Hij is een vader die zijn gezin heeft verlaten. Het was zijn verantwoordelijkheid het Iraakse volk te beschermen.’ Hij hekelt de koppigheid van de sjiitische autoriteiten in Bagdad, die nog altijd niet begrijpen dat je de soennieten een opleiding en werk moet geven om ze niet in de armen van IS te laten vallen. En voor de vijandigheid tussen degenen die IS steunen dan wel verwerpen heeft hij ook geen goed woord over. ‘De families van IS-strijders worden uitgestoten zodra er een naar het front vertrekt. De regering moet de anderen beschermen, zodat er geen nieuwe IS ontstaat.’

    Heeft de held nog andere ambities? Wil hij ermee stoppen? Hij verzekert van niet en zegt dat hij, zodra hij terug is uit de Verenigde Staten, terug wil naar het slagveld. ‘Ik speel graag met bulldozers!’ zegt hij lachend bij de herinnering aan de tijd dat hij deze via zijn radio naar plekken dirigeerde waar bomauto’s moesten worden tegengehouden. Binnenkort zal IS waarschijnlijk uit zijn land zijn verjaagd. Maar tegen welke prijs? ‘Deze oorlog heeft ons nog niet verwoest, maar ons trainingsniveau is afgenomen en we hebben veel manschappen verloren omdat er mensen zijn die niet begrijpen waarvoor deze elite-eenheden bedoeld zijn.’ Salam Jassem Hoessein is ondanks alles klaar voor de volgende strijd. ‘Die zal,’ voorspelt hij, ‘gericht zijn tegen bepaalde milities die criminele en religieuze activiteiten ondernemen.’

    Auteur: Hélène Sallon
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • 4. De drone-president

    4. De drone-president

    Als winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede kreeg Obama veel kritiek op zijn inzet van drones voor het uitschakelen van terroristen. Maar zijn staat van dienst op dit gebied is genuanceerder dan je misschien zou verwachten.

    Op 5 maart van dit jaar voerden de VS met onbemande drones en bemande vliegtuigen 
een bombardement uit op wat de 
regering omschreef als een kamp van Al-Shabaab, bijna 200 kilometer ten noorden van Mogadishu. Daarbij zouden zo’n honderdvijftig leden van de terreurbeweging zijn gedood. Volgens de regering vormden deze strijders een directe bedreiging voor de troepen van de Afrikaanse Unie waar Amerikaanse adviseurs mee samenwerken, al werd daarvoor geen bewijs aangevoerd. Het nieuws dat Amerika aan de andere kant van de wereld, in een land waarmee het niet in oorlog is, honderdvijftig niet nader genoemde mensen had gedood, kreeg in eigen land nauwelijks aandacht, laat staan dat het enige ophef veroorzaakte. Het op afstand en buiten oorlogsgebied doden van mensen lijkt de gewoonste zaak van de wereld te worden.

    Een opvallende ontwikkeling, des te meer omdat die zich heeft voorgedaan onder Obama, die bij zijn aantreden toch het imago van antioorlogspresident had – in zo sterke mate dat hij misschien wel als enige man ter wereld de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen op basis van wishful thinking. Als president voert onze Nobelprijswinnaar nu al langer oorlog dan al zijn voorgangers. Hij heeft in zeven landen militair geweld ingezet: Afghanistan, Irak, Syrië, Pakistan, Libië, Jemen en Somalië. In de laatste vier landen bestaat dat geweld bijna volledig uit onbemande drones die 
terreurverdachten executeren die 
banden zouden hebben met Al-Qaida of ‘daaraan gelieerde machten’.

    Dat een antioorlogspresident het gebruik van drones zo aantrekkelijk vindt, moet een teken aan de wand zijn. In de woorden van Hugh Gusterson in Drone: Remote Control Warfare:

    Als buitenrechtelijke liquidaties al zo’n aantrekkingskracht uitoefenen op een president die vroeger staatsrecht doceerde, die van begin af aan tegen de oorlog in Irak was, die een eind maakte aan het martelprogramma van de CIA en die bij zijn aantreden de intentie uitsprak om het detentiekamp in Guantanamo Bay te sluiten, dan is het onwaarschijnlijk dat eender welke opvolger de verleiding van de drone zal kunnen weerstaan.

    Obama met Nationaal Veiligheidsadviseur Susan E. Rice tijdens een terrorisme-update.
    Obama met Nationaal Veiligheidsadviseur Susan E. Rice tijdens een terrorisme-update.

    En we moeten ons dan niet alleen 
zorgen maken om president Trump of Clinton. Andere landen zullen ook niet schromen om naar het middel van onbemande luchtaanvallen te grijpen om problemen buiten hun landsgrenzen ‘op te lossen’. Israël, het Verenigd Koninkrijk, Iran, Irak, Nigeria en Pakistan hebben het voorbeeld van de VS 
al gevolgd en zetten inmiddels ook bewapende drones in. China heeft ze 
in de aanbieding voor 1 miljoen dollar per stuk. Het zal niet lang meer duren 
voordat het grootste deel van de 
ontwikkelde wereld over dit wapen beschikt. En als andere landen een 
precedent zoeken, is Obama’s staat 
van dienst op dit gebied het eerste waarnaar ze zullen wijzen.

    Wat is die staat van dienst? En wat 
kan en moet hij nu nog doen om de risico’s te verkleinen van een met 
drones bewapende wereld? Sommige critici stellen Obama’s staat van dienst op dit vlak gelijk aan de oorlogsmisdaden van zijn voorganger Bush. 
Zo beweert Glenn Greenwald in het nawoord bij The Assassination Complex dat Obama’s dronebeleid ‘de slechtste kanten belichaamt van wat de war on terror van Bush en Cheney zo funest maakte’. Greenwald vat Obama’s 
benadering van drones als volgt samen:

    De kern van zijn drone-moordprogramma is dat hij en hij alleen bij machte is om overal 
ter wereld mensen, ook Amerikaanse burgers, op de korrel te nemen en eenzijdig het bevel 
te geven om hen te executeren, op basis van zijn overtuiging dat het beoogde slachtoffer een terrorist is.

    Droneaanvallen zijn van alle verschillende oorlogsmiddelen het middel dat de minste burgerslachtoffers kost

    Als dat inderdaad zijn beleid was, 
zouden de verwijten van Greenwald 
en tal van andere critici terecht zijn. Maar het klopt niet. Ten eerste maakt Obama geen aanspraak op het recht om af te rekenen met ‘terroristen’, maar alleen met personen die onze tegenstander zijn in een door het 
Congres gesanctioneerd gewapend conflict met Al-Qaida en daaraan 
gelieerde organisaties. En het recht 
om vijanden in een gewapend conflict te doden is zo oud als het fenomeen oorlog zelf.

    Ten tweede maakt Obama geen 
aanspraak op het recht op de inzet van dodelijk geweld ‘overal ter wereld’, maar alleen in oorlogsgebieden, en daarbuiten alleen tegen vijandelijke strijders die een direct gevaar vormen dat niet op een andere wijze kan 
worden bestreden – meestal omdat het land waar zo’n strijder zich bevindt niet in staat is hem gevangen te nemen. Als zo’n land de vijand wel kan oppakken en berechten, is executie 
volgens onze regering geen optie.

    Ten derde blijkt uit meerdere bronnen, waaronder Greenwalds eigen website The Intercept, dat Obama zijn doelwitten zeker niet op eigen houtje kiest. Hij heeft een uitgebreid proces opgetuigd waarbij de informatie en adviezen van allerlei hooggeplaatste functionarissen in de krijgsmacht en de regering 
worden meegewogen voordat een gerichte actie wordt goedgekeurd.

    Minder drone-inzet

    Het is ook belangrijk om op te merken dat Obama’s beleid en praktijk ten 
aanzien van de inzet van drones in 
de loop van zijn regeerperiode sterk 
is veranderd. Zijn eerste jaren in het ambt werden gekenmerkt door een agressieve uitbreiding van het droneprogramma. Zo zijn er volgens de 
New America Foundation onder Bush 48 drone-aanvallen uitgevoerd in 
Pakistan, met tussen de 377 en 558 doden tot gevolg, terwijl er onder Obama 355 aanvallen werden uitgevoerd, met in totaal tussen de 1907 
en 3067 doden tot gevolg. Maar nadat het aantal droneaanvallen in Pakistan in 2010 piekte met 122, is het sindsdien ieder jaar gedaald. In 2015 zijn er in Pakistan slechts tien aanvallen uitgevoerd en dit jaar tot nu toe nog maar drie. Ook het aantal droneaanvallen in Jemen is gedaald, van een piek van 47 in 2012 tot 24 in 2015 en negen in dit jaar. Obama’s neiging om drones in te zetten is in zijn tweede ambtstermijn dus beduidend zwakker dan in zijn eerste.

    Volgens critici kosten drones veel levens van onschuldige burgers. Ook hier is het beeld gecompliceerd. De VS hebben jarenlang geweigerd droneaanvallen te erkennen, en legden dus ook geen publieke verantwoording af over de slachtoffers die daarbij vielen en over de vraag of dat strijders of 
burgers waren. Diverse onafhankelijke organisaties proberen in die leemte te voorzien, maar het is buitengewoon moeilijk om aan accurate gegevens te komen.

    Het Londense Bureau of Investigative Journalism kwam met de schatting 
dat in Pakistan, Jemen en Somalië samen tot 24 mei 2016 tussen de 493 
en 1168 burgers zijn omgekomen door Amerikaanse droneaanvallen. De New America Foundation is voorzichtiger en houdt het op 370 tot 448 burger-doden in dezelfde drie landen. Na 
zevenenhalf jaar over het onderwerp 
te hebben gezwegen, meldde de regering op 1 juli jongstleden zelf dat er tussen januari 2009 en december 2015 64 tot 116 burgers zijn omgekomen 
bij 473 ‘terreurbestrijdingsoperaties buiten actieve conflictgebieden’. Daarbij werden Irak, Syrië en Afghanistan expliciet als ‘actieve conflictgebieden’ aangemerkt, dus het rapport bevatte geen cijfers over de hoeveelheid burgerslachtoffers die er in die landen zijn gevallen, al mag je ervan uitgaan dat het om aanzienlijke aantallen gaat.


    De discrepantie met de cijfers van organisaties als de New America 
Foundation was volgens de regering het gevolg van de veronderstelde 
superioriteit van haar eigen inlichtingenwerk en het feit dat onafhankelijke organisaties zich baseren op nieuwsbronnen die mogelijk vatbaar zijn voor terroristische propaganda. Maar in 2011 beweerde John Brennan, Obama’s toenmalige adviseur voor de nationale veiligheid, dat er in het jaar daarvoor niet één onschuldige burger was omgekomen als gevolg van een drone-aanval: terroristen zijn dus niet de 
enigen die propaganda maken.

    De beschuldiging dat droneaanvallen zo veel burgerslachtoffers eisen, roept enerzijds de vraag op: in vergelijking waarmee dan? In één opzicht lijkt het vreemd om juist droneaanvallen te bekritiseren omdat er burgerslachtoffers bij vallen. Zoals Avery Plaw van de Universiteit van Massachusetts in Dartmouth overtuigend aantoont in Killing by Remote Control, zijn droneaanvallen van alle verschillende oorlogsmiddelen het middel dat de minste burgerslachtoffers kost. Bemande vliegtuigen kunnen veel minder 
precies te werk gaan, omdat ze niet urenlang in de lucht kunnen blijven hangen om te wachten op het ideale moment om toe te slaan. En grondtroepen resulteren bijna onvermijdelijk in meer collateral damage dan een 
droneaanval.

    Dat er burgerslachtoffers vallen is te wijten aan allerhande factoren, met als voornaamste dat het moeilijk is om ‘de vijand’ te lokaliseren als die zich tussen burgers verschuilt en geen uniform draagt. Gebrekkig inlichtingenwerk is een andere oorzaak, evenals een te groot vertrouwen in de belgegevens van telefoons waarvan je niet zeker kunt weten of ze echt in handen zijn van het beoogde slachtoffer. Zoals 
The Intercept hoorde van een voormalige dronebestuurder: ‘We jagen niet op mensen maar op hun telefoon – in de hoop dat de persoon die we treffen 
ook daadwerkelijk de boef is.’ Of zoals Michael Hayden in 2014 zei, in een debat met mij aan de Johns Hopkins-universiteit: ‘We doden mensen op basis van belgegevens.’

    Het aantal burgerslachtoffers van droneaanvallen buiten oorlogsgebieden is de afgelopen jaren niettemin sterk gedaald. Zo maakt de New America Foundation melding van 49 tot 63 doden in Pakistan in 2011, maar heeft het er van 2014 tot 2016 slechts twee geteld. In Jemen meldt het zestien 
burgerdoden in 2012, maar slechts 
vijf in 2014 en tot nu toe niet een in 2015 en 2016. De cijfers van het Bureau of Investigative Journalism vallen doorgaans hoger uit, maar ook daar 
is sprake van een daling en zie je de laatste jaren nog maar heel weinig burgerslachtoffers.

    Betere cijfers

    Eén reden voor die betere cijfers schuilt misschien in de nieuwe standaard 
voor droneaanvallen buiten conflictgebieden, die Obama in mei 2013 
aankondigde. In een toespraak voor de National Defense University en in een gelijktijdig uitgevaardigde geheime presidentiële beleidsrichtlijn zei hij gerichte aanvallen buiten oorlogsgebieden alleen nog te zullen toestaan als 1) het doelwit een aanhoudende bedreiging vormt voor Amerikaanse burgers, 2) gevangenneming niet 
haalbaar is en de dreiging niet op een andere wijze kan worden geneutraliseerd, en 3) het vrijwel zeker is dat 
bij de actie geen doden of gewonden onder burgers zullen vallen. Diverse critici, waaronder ikzelf, hebben 
kritiek geuit op de ruime betekenis die aan de term ‘aanhoudende bedreiging’ wordt gegeven en gevraagd wat de regering precies bedoelt met de 
‘haalbaarheid’. Maar bij een strenge uitleg van die woorden kun je er eigenlijk niet zo veel meer op tegen hebben 
en valt te verwachten dat er minder aanvallen worden uitgevoerd, en dat er daarbij ook minder burgerslachtoffers vallen.

    Het dronebeleid van Obama laat 
dus een gemengd beeld zien. In zijn eerste ambtstermijn was het een 
middel waarvan hij intensief gebruikmaakte, in zijn tweede termijn is hij steeds selectiever geworden. Daar zijn waarschijnlijk twee belangrijke redenen voor. Ten eerste heeft Obama in 
de loop van zijn regeerperiode, mede in reactie op de brede kritiek, steeds meer openheid over het droneprogramma gegeven – al ging dat met horten en stoten. Na een toespraak van toenmalig juridisch adviseur van Buitenlandse Zaken Harold Koh, in maart 2010, is 
de regering begonnen het programma publiekelijk te verdedigen en steeds meer details prijs te geven. Transparantie dwingt je om verantwoording af te leggen: het is geen toeval dat grotere openheid geleid heeft tot voorzichtiger beleid en grotere terughoudendheid 
bij de inzet van drones.

    Ten tweede heeft de regering misschien meer oog gekregen voor de strategische nadelen van de aanvankelijke nadruk op drones. Enerzijds zijn 
droneaanvallen een effectieve manier om gevaarlijke individuen op moeilijk toegankelijke plaatsen uit te schakelen. Zoals Audrey Cronin opmerkt in Drones and the Future of Armed Conflict:

    De dreiging van drones heeft terroristische operaties verstoord en uit koers geslagen. 
Het dwingt Al-Qaida en zijn bondgenoten hun gedrag aan te passen, zodat ze vooral 
nog bezig zijn te overleven en ernstig worden belemmerd in hun bewegingsvrijheid en 
hun mogelijkheden om operaties te plannen en uit te voeren.

    Het gebruik 
van drones is goedkoper dan andere vormen van geweld, je brengt er geen Amerikaanse levens mee in gevaar en je kunt relatief gemakkelijk ontkennen dat je ze gebruikt

    Anderzijds schrijft Cronin ook dat droneaanvallen ‘niet kunnen voorkomen dat de leiders worden opgevolgd en de organisatie doorgaat met het maken van propaganda en het uitvoeren van lokale aanslagen’. En als drones haat zaaien en daarmee de steun voor onze vijand vergroten, zijn ze misschien contraproductief. De meeste berichten lijken daarop te wijzen. Generaal 
Stanley McChrystal, die het bevel 
voerde over de Amerikaanse troepen 
in Afghanistan, zei in 2013 tegen The Huffington Post dat droneaanvallen 
‘een beeld van Amerikaanse arrogantie’ creëren en ‘hartgrondige’ haat oproepen. In 2012 bleek uit peilingen dat 
90 procent van de Pakistanen tegen droneaanvallen was en 74 procent 
de VS als vijand beschouwde. En dat terwijl Pakistan de op een na grootste ontvanger van Amerikaanse financiële steun is, na Afghanistan, en nog vóór Israël.

    Juist hun specifieke kwaliteiten maken drones zo verleidelijk. Het gebruik 
van drones is goedkoper dan andere vormen van geweld, je brengt er geen Amerikaanse levens mee in gevaar en je kunt relatief gemakkelijk ontkennen dat je ze gebruikt. En daardoor, zo waarschuwt Gusterson, kunnen drones leiden tot ‘een vorm van permanente kleinschalige militaire operaties 
waardoor de grens tussen oorlog en vrede dreigt te vervagen’.

    De vraag voor Obama is of hij de geschiedenis wil ingaan als de leider die het tijdperk van permanente, 
kleinschalige oorlogvoering per drone heeft ingeluid. Andere leiders, zowel 
in Amerika als elders, zullen in zijn optreden een rechtvaardiging voor hun eigen handelwijze zoeken.

    Het ligt volledig binnen Obama’s macht om een minder dubieuze 
erfenis inzake drones achter te laten. Daarvoor moet hij dan nog wel een aantal andere hervormingen door-voeren. Het is niet genoeg, zoals een voormalige hoge regeringsmedewerker me uitlegde, om de presidentiële richtlijn voor de inzet van drones openbaar te maken: hij moet er een presidentieel decreet van maken, zodat het voor zijn opvolger moeilijker wordt om ervan 
af te wijken. En hij moet de in die richtlijn geformuleerde strenge voorwaarden als uitgangspunt nemen 
voor gesprekken met onze NAVO-bondgenoten over een algemeen aanvaarde standaard voor de inzet van drones buiten oorlogsgebieden. Of we het leuk vinden of niet, drone-aanvallen horen bij de oorlogvoering van de toekomst, en de hele wereld heeft er belang bij om op internationaal niveau een hoge drempel op te werpen tegen de inzet van dat middel.

    Het overheidsrapport over burgerslachtoffers van 1 juli is wat dat betreft een belangrijke stap vooruit. Het is de eerste poging om verantwoording af 
te leggen over de resultaten van het gebruik van drones. Het op dezelfde dag uitgevaardigde presidentiële decreet verplicht de regering om 
hierover voortaan jaarlijks een rapport uit te brengen. Ook verplicht het alle partijen die zijn betrokken bij de inzet van geweld, zowel binnen als buiten oorlogsgebied, om het aantal burgerslachtoffers tot een minimum te beperken en ‘indien van toepassing en in overeenstemming met de doelstelling van de missie’ fouten te erkennen en schadeloosstelling te betalen aan burgerslachtoffers of hun nabestaanden. De regering verdient hiervoor 
alle lof.

    Maar de nieuwe openheid en het presidentieel decreet schieten op belangrijke fronten ook ernstig tekort. Door alleen totaalcijfers te geven over de hele 
afgelopen periode van zeven jaar, maakt de regering het onmogelijk haar cijfers te vergelijken met de door ngo’s gedocumenteerde individuele incidenten. Daarbij komt dat het presidentiële decreet weliswaar geldt voor álle 
burgerslachtoffers van oorlogsgeweld, maar dat de jaarlijkse verplichte 
rapportage alleen burgerslachtoffers buiten actieve conflictzones betreft. Burgerslachtoffers verdienen altijd erkenning, waar ze ook vallen. Voor deze beperking van de jaarlijkse 
rapportage geeft de regering geen 
verklaring.

    Formeel toezicht

    Het belangrijkste wat Obama moet doen betreft niet alleen de formulering van algemene richtlijnen voor drone-inzet, maar de implementatie daarvan. De bevoegdheid om iemand van 
het leven te beroven moet een strak juridisch kader krijgen. En om daarover verantwoording te kunnen afleggen is een vorm van formeel toezicht vereist.

    In Israël moeten alle gerichte liquidaties na afloop door de rechter worden getoetst. Bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat het de kant op dat er zelfs rechterlijke toetsing wordt geëist voor doden die op het slagveld vallen. Maar onder president Obama hebben de VS duizenden 
personen ver van enig slagveld geëxecuteerd zonder daarvoor ooit specifieke verantwoording af te leggen, met als enige uitzondering de liquidatie in september 2011 van Anwar al-Awlaki, een Amerikaans staatsburger. De regering heeft nooit uitgelegd wie er zijn gedood, op basis waarvan de besluiten zijn genomen en wat de daadwerkelijke gevolgen van specifieke droneaanvallen zijn geweest.

    Het op het slagveld doden van vijandelijke strijders wordt in oorlogstijd geaccepteerd en vereist doorgaans geen afzonderlijke rechtvaardiging: dat iemand 
een vijand is, is dan rechtvaardiging genoeg. Maar een land dat het recht opeist om specifieke personen buiten oorlogsgebieden te elimineren op 
basis van hun vermeende wandaden, moet dat kunnen verantwoorden – 
en moet dat zo veel mogelijk openbaar doen. Aan een dergelijke verantwoording heeft het tot nu toe ontbroken. Geheime executies zijn niet verenigbaar met de rechtsstaat. Dat is het werk van doodseskaders, niet van een democratie.

    Zoals Obama in 2013 in zijn toespraak op de National Defense University zei: ‘Dezelfde menselijke vooruitgang die ons de technologie schenkt waarmee we aan de andere kant van de wereld een aanval kunnen uitvoeren, legt 
ons ook de plicht op om die macht te beteugelen – of het risico te lopen dat we er misbruik van gaan maken.’ Hij is nu nog in de gelegenheid om die macht aanzienlijk te beteugelen. Als hij die kans niet grijpt, zal hij de geschiedenis ingaan als de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede die verantwoordelijk is voor de doorbraak van een vreselijk gevaarlijke en ethisch dubieuze vorm van oorlogvoering. Dat is niet de Obama die ik me wil herinneren.

    Auteur: David Cole
    Vertaler: Frank Lekens

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 119.000

    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.

  • De waarheid over de vernietiging van Irak

    De waarheid over de vernietiging van Irak

    Voor de chaos in Irak dragen de Amerikanen dragen een zware verantwoordelijkheid. Maar volgens de politiek hoofdredacteur van Al-Hayat heeft de Iraakse elite net zoveel schuld.

    Eind 2014 zond de Saoedische tv-zender Al-Arabiya een reeks interviews uit met Paul Bremer, die in mei 2003 als speciaal gezant van president Bush in Irak was om het land weer op te bouwen en humanitaire hulp te verlenen. Bremer stond in de Arabische wereld bekend als de man die de de-Baathisering van Irak – het uit de macht zetten van alle aan de Baath-partij van Saddam Hoessein gelieerde personen – in gang had gezet en het Iraakse leger had ontmanteld, twee beslissingen waarvoor hij persoonlijk had getekend. Nu weten we dat deze twee maatregelen, na de buitengewoon gewelddadige executie van Saddam Hoessein in december 2013, een hoofdrol hebben gespeeld bij het uitbreken van een godsdiensttwist in Irak, en daarmee bij de opkomst van IS.

    Tijdens een van deze interviews legde Bremer uit dat vóór het uitbreken van de oorlog een honderdtal leden van de Iraakse oppositie aan Washington had gevraagd hun land te bevrijden, niet alleen van Saddam Hoessein maar 
ook van de Baath-partij. Maar, voegde Bremer eraan toe, de Amerikanen 
hadden toen een de-Baathisering voor ogen die alleen tegen de hoogste leiders gericht zou zijn, oftewel 1 procent van de partij. De uitvoering van het decreet berustte echter bij de nieuwe Iraakse leiders, die allemaal het 
sjiitische geloof aanhingen en de de-Baathisering hebben laten ontaarden in een jacht op de soennieten in Irak, en de gehele soennitische gemeenschap in het land uit het raderwerk 
van de macht hebben gestoten. De naam van de in 2015 gestorven Ahmed Chalabi, lid van de sjiitische oppositie tegen Saddam Hoessein en vriend van de Amerikaanse neoconservatieven, wordt vaak met deze beslissing in 
verband gebracht; hij werd uiteindelijk de zondebok, waardoor talrijke andere Iraakse leiders die verantwoordelijk waren voor deze geschiedenis vrijuit gingen.


    Tijdens een ander interview deed Bremer een nog belangrijkere mededeling, namelijk dat de Koerdische en sjiitische leiders met afscheiding 
hadden gedreigd als de Amerikanen het Iraakse leger niet wilden ontmantelen. Geen enkele politicus in Bagdad heeft de woorden van Bremer weersproken. Desondanks overheerst de indruk dat het de Amerikaanse gezant was die deze beslissing helemaal alleen heeft genomen, alsof de Irakezen zichzelf niets te verwijten hebben als het gaat om het bloedbad dat sindsdien in hun land is aangericht.

    De executie van Saddam Hoessein, voltrokken op de eerste dag van het Offerfeest in Al-Karada, op maar enkele meters van de plek waar de toenmalige premier, de sjiiet Nouri al-Maliki, de bruiloft van zijn zoon vierde, blijft de enige religieuze geweldpleging die niet op het conto van de Amerikanen is geschreven.

    Maar in elk geval zijn het Irakezen 
die op dit moment hun land regeren. Nog maar enkele dagen geleden heeft de Kamer van Afgevaardigden een wet aangenomen die niet alleen de Baath-partij verbiedt, maar ook elke poging bestraft om er campagne voor te voeren. Deze wet voorziet zelfs in een ‘speciaal tribunaal’ dat over de ‘misdaad’ van overtreders moet oordelen.

    De 
grootste fout van Amerika is dat ze op de Iraakse elite hebben vertrouwd

    Wat het Iraakse leger betreft, dat is in werkelijkheid niet ontmanteld maar heeft een herstructurering ondergaan waarvan de rampzalige gevolgen zichtbaar werden toen IS in 2014 zonder slag of stoot Mosul kon binnenvallen, omdat het leger zich had teruggetrokken en geen enkel verzet bood. En heel onlangs heeft de huidige Iraakse premier, de sjiiet Haider al-Abadi, besloten het leger officieel te laten fuseren met de zogeheten milities ‘van de volksbeweging’, die in feite confessionele sjiitische milities zijn. Deze 42 
milities tellen zo’n 150.000 sjiitische strijders en vallen grotendeels onder het gezag van de Iraanse generaal Qassem Suleimani, die belast is met het Midden-Oosten. Deze beslissing bewijst dat de Iraakse regering een leger wil dat honderd procent sjiitisch is. Om dat te bereiken moest korte metten worden gemaakt met het leger van Saddam Hoessein, dat door soennieten werd geleid.

    Toch bleven veel mensen de illusie koesteren dat alles beter zou gaan 
in Irak, tot de funeste dag dat de Amerikanen arriveerden en allerlei onheil over het land afriepen, met inbegrip van de allesoverheersende invloed van het geloof, waaraan de bevolking niet gewend was. De Amerikanen dragen onmiskenbaar een enorme verantwoordelijkheid voor wat er van het land geworden is, door de handelsblokkade die ze Irak al in 1991, voordat de oorlog begon, hebben opgelegd, door de oorlog zelf en door een gebrek aan visie op wat er na de oorlog moest gebeuren – om nog maar te zwijgen van het schandaal van de Abu Ghraib-gevangenis, waar Irakezen gemarteld werden. Maar hun 
grootste fout is dat ze op de Iraakse elite hebben vertrouwd, dat ze die hebben gerespecteerd en naar hun adviezen hebben geluisterd. Terwijl allang bewezen was dat die uit een bende bloeddorstige en corrupte misdadigers bestond.

    Auteur: Hazem Saghieh
    Vartaler: Peter Bergsma

    Beeld bovenaan: De Amerikaanse speciaal gezant Paul Bremer met sjiitische leiders. © Saeed Khan / Getty

    Al-Hayat
    Saoedi-Arabië | dagblad | oplage 110.000

    ‘Het Leven’ is ongetwijfeld de meest toonaangevende krant van de Arabische diaspora en het favoriete podium voor liberale Arabieren die een groot publiek willen bereiken. De krant neigt naar pro-westerse en pro-Saoedische berichtgeving, maar staat ook open voor andere meningen.

    CONTEXT: Corruptie in de hoogste kringen van de staat

    Met 142 tegen 102 stemmen heeft het Iraakse parlement op 24 augustus jl. het vertrouwen opgezegd in minister van Defensie Khaled al-Obeidi, en hem 
daarmee gedwongen om af te treden. Op 3 juli, na de aanslag die de wijk Karrada in Bagdad in een bloedbad veranderde waarbij 324 doden en honderden gewonden vielen, werd minister van Binnenlandse Zaken Mohammed al-Ghabban al de laan uitgestuurd. ‘Twee belangrijke ministersposten zijn vacant op het moment dat men een groot offensief voorbereidt tegen Mosul, de hoofdstad van Islamitische Staat’, schrijft The Washington Post. Volgens de Amerikaanse krant zijn deze twee ontslagen het bewijs van de ernstige politieke instabiliteit van dit land, dat geacht wordt grote stukken van zijn territorium te bevrijden.

    De regering en haar twee afgedankte ministers 
beschuldigen elkaar wederzijds van corruptie. Volgens de regering was het tweetal in talloze omkoopaffaires verwikkeld; volgens de ex-ministers zelf zijn ze ontslagen omdat ze de illegale zelfverrijking van andere ministers aan de kaak stelden.

  • Hoe Hillary Clinton een havik werd

    Hoe Hillary Clinton een havik werd

    Mocht Hillary Clinton in november president worden, dan zal ze waarschijnlijk een veel agressiever buitenlandbeleid voeren dan Barack Obama. En misschien zelfs wel dan Donald Trump. Mark Landler, Witte Huisverslaggever voor The New York Times, beschrijft waar die militaire angehauchtheid vandaan komt.

    Hillary Clinton zat thee te drinken in de goed verstopte werkkamer van haar officiële kantoor op het ministerie van Buitenlandse Zaken en maakte de balans op van haar eerste ambtsjaar. De werkkamer had meer iets van een huiskamer – gezellig door de houten lambrisering en de boekenplanken vol aandenkens aan haar drie decennia in het openbare leven: een beeldje van haar heldin 
Eleanor Roosevelt, een honkbal met 
de handtekening van sterspeler Ernie Banks van de Chicago Cubs, een houten figuurtje van een zwangere Afrikaanse vrouw. De intieme sfeer leende zich voor een minder formeel interview dan de gebruikelijke locatie, haar imposante officiële kantoor met zijn marmeren haard, dikke gordijnen, kristallen kandelaar en rijkelijk versierde wandlampen. Maar op de ochtend van 26 februari 2010 praatte Clinton over iets gevoeligers dan buitenlandse zaken: haar relatie met Barack Obama. Zeggen dat ze haar woorden met zorg koos is een understatement. Ze leek op iemand van de explosievenopruimingsdienst die moest beslissen welke kleur draad ze moest doorknippen zonder haar relatie met het Witte Huis op te blazen.

    ‘Ik denk dat we een uitstekende onderlinge verstandhouding hebben opgebouwd over alles wat je je kunt voorstellen,’ zei Clinton over de man die 
ze tijdens de campagne in 2008 nog had afgeschilderd als naïef, onverantwoordelijk en totaal ongeschikt voor het presidentschap. ‘En we hebben een aantal interessante en zelfs ongebruikelijke ervaringen opgedaan.’ Ze leunde voorover terwijl ze sprak, gebaarde met haar handen en was goedlachs. Tijdens gesprekken met verslaggevers toont Clinton meer warmte dan Obama, al is de kans dat ze het achterste van haar tong zal laten zien kleiner.

    Oorlog en vrede

    Clinton begon, zoals zo vaak, over de VN-klimaattop in Kopenhagen van december 2009, die zij en Obama gezamenlijk voor een mislukking hadden behoed. Ze sprak over het vredesproces in het Midden-Oosten, een speerpunt van de president, dat ze nieuw leven moest inblazen. Maar ze had het begrijpelijkerwijs liever niet over onderwerpen waarover Obama en zij van mening verschilden, zoals dat van oorlog en vrede, waar Clintons activistischere houding al op onvoorspelbare manieren in botsing was gekomen met de terughoudendere opstelling van Obama. Ze had generaal Stanley McChrystal gesteund toen deze adviseerde om veertigduizend extra manschappen naar Afghanistan te sturen, om vervolgens genoegen te nemen met een lager aantal van dertigduizend (waarmee Obama akkoord ging, op voorwaarde dat ze in juli 2011 zouden worden teruggetrokken, wat zij als 
problematisch beschouwde). Ze stond achter het plan van het Pentagon om 
in Irak aanwezig te blijven met een leger van tien- tot twintigduizend manschappen (iets waartegen Obama zich verzette, voornamelijk omdat hij zich niet van de wettelijke bescherming van de Iraki’s kon verzekeren, iets wat hem zou achtervolgen toen IS een groot deel van het land bezette). En ze drong erop aan dat de VS wapens zouden 
leveren aan de rebellen in de Syrische burgeroorlog (een idee dat Obama aanvankelijk verwierp, om er later schoorvoetend mee in te stemmen).

    Deze fundamentele spanning tussen Clinton en de president zou een wezenskenmerk blijven van haar vierjarige ambtsperiode als minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens het eerste regeringsoverleg over Rusland in februari 2009 stelden adviseurs van Obama voor om de VS enkele symbolische concessies aan Rusland te laten doen, als blijk van goede wil. Clinton, die als laatste aan het woord kwam, verwierp het idee met de woorden: ‘Ik ga niet voor niets iets opgeven.’ Haar hardnekkigheid maakte indruk op Robert Gates, de van George W. Bush overgenomen minister van Defensie, die beducht was voor een veranderd Rusland. Hij stelde ter plekke vast dat ze iemand was met wie hij zaken kon doen. ‘Ik dacht: Geen makkelijke tante,’ zei hij me.

    Hillary Clinton tijdens een bezoek aan de Amerikaanse troepen in Bagdad in 2003. Tijdens hetzelfde weekend bezocht ze ook de militairen in Afghanistan. © Lisa M. Zunzanyika / Getty
    Hillary Clinton tijdens een bezoek aan de Amerikaanse troepen in Bagdad in 2003. Tijdens hetzelfde weekend bezocht ze ook de militairen in Afghanistan. © Lisa M. Zunzanyika / Getty

    Een paar maanden na mijn interview in haar kantoor kwam het tot een nieuw meningsverschil, toen Obama een beveiligde telefoon pakte voor een weekendoverleg met Clinton, Gates 
en een handvol andere adviseurs. Het was 4 juli 2010, vier maanden nadat Noord-Korea een korvet van de Zuid-Koreaanse marine had getorpedeerd, waarbij 46 opvarenden omkwamen. Nu, na een wekenlang heftig debat tussen het Pentagon en het ministerie van Buitenlandse Zaken, maakten de Verenigde Staten zich op om te reageren op deze schaamteloze provocatie. Het aanvankelijke plan – ontwikkeld door James Steinberg, Clintons onderminister van Buitenlandse Zaken – was om het vliegdekschip George Washington naar de kustwateren ten oosten van Noord-Korea te sturen, bij wijze van ongebruikelijk machtsvertoon.

    Maar admiraal Robert Willard, de toenmalige bevelhebber in de Grote Oceaan, wilde het vliegdekschip een agressievere koers laten varen, naar de Gele Zee tussen Noord-Korea en China. Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken had de VS voor zo’n actie gewaarschuwd, wat voor Willard een reden te meer was om druk te zetten. Hij benaderde chef-staf Mike Mullen, die er op zijn beurt bij zijn baas, de minister van Defensie, op aandrong de route te wijzigen. Gates ging akkoord, maar daarvoor was het wel nodig dat de opperbevelhebber achter een besluit stond dat zowel politieke als militaire repercussies kon hebben.

    Gates legde het voorstel om de George Washington naar de Gele Zee te sturen voor, met als argument dat de VS niet de indruk moesten wekken te buigen voor China. Clinton steunde hem krachtig. ‘We moeten doordouwen,’ had ze een paar dagen eerder tegen haar assistenten gezegd.

    Maar Obama was niet overtuigd. De George Washington was al onderweg; de koers veranderen was niet een besluit dat je zomaar eventjes nam.

    Geharnaste retoriek

    Het was niet het laatste debat waarin Clinton aan de kant van Gates zou staan. Het tweetal ontdekte algauw dat ze een midwesterse opvoeding deelden, een voorliefde voor een stevige borrel na een lange werkdag en een diepgewortelde scepsis over de intenties van Amerika’s vijanden. Bruce Riedel, een voormalige veiligheidsanalist die Obama’s aanvankelijke herziening van de oorlogsoperaties in Afghanistan leidde, zegt: ‘Ik denk dat Gates en het leger een beetje verbaasd waren: ze hadden een linkse regering verwacht, en nu ontdekten ze dat ze een minister van Buitenlandse Zaken hadden die nog wat rechtser was dan zijzelf – nog iets gretiger dan zijzelf, tot op zekere hoogte. Vooral op het gebied van Afghanistan, waarvan Gates volgens mij wist dat er meer moest gebeuren, dat er meer troepen naartoe moesten worden gestuurd, terwijl hij tegelijkertijd twijfelde of dat zou werken.’

    Nu Hillary Clinton opnieuw een gooi naar het presidentschap doet, kan het verleidelijk zijn haar geharnaste retoriek over de wereld minder als een kernprincipe te beschouwen dan als een uitgekiende politieke manoeuvre. Maar Clintons instincten op het gebied van het buitenlands beleid zitten er stevig ingebakken en zijn gebaseerd op koel realisme en, in de woorden van een van haar assistenten, ‘een standaardkijk op de Amerikaanse uitzonderingspositie’.

    Trump heeft niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor militair optreden getoond als Clinton

    Daarin verschilt ze van Barack Obama, die militaire verwikkelingen vermeed en de Amerikanen probeerde te verzoenen met een wereld waarover de VS niet langer de onbetwiste heerschappij voerden. En ze zal in dat opzicht waarschijnlijk ook verschillen van de Republikeinse kandidaat die ze bij de algemene verkiezingen tegenkomt. Ondanks zijn grootspraak over het platbombarderen van Islamitische Staat heeft Donald Trump niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor buitenlands militair optreden getoond als Clinton.

    ‘Hillary behoort duidelijk tot de traditionele gevestigde orde van het Amerikaanse buitenlandbeleid,’ zegt Vali Nasr, die haar op het ministerie van Buitenlandse Zaken adviseerde over Pakistan en Afghanistan. ‘Ze gelooft, net als vorige presidenten, tot Reagan en Kennedy aan toe, in het belang van militair optreden – in het oplossen van het terrorisme, in het laten gelden van Amerikaanse invloed. Obama ging gaandeweg meer op de inlichtingendiensten vertrouwen dan op het leger. Het idee van de inlichtingendiensten was: het enige wat je nodig hebt om 
af te rekenen met het terrorisme zijn de NSA [de Nationale Veiligheidsdienst] en de CIA, drones en speciale operaties. Zo bood de CIA Obama de mogelijkheid om een havik te zijn zonder het leger te hoeven inzetten.

    Republikeinse vader

    Anders dan andere recente presidenten – Obama, George W. Bush of haar man, Bill Clinton – zou Hillary Clinton het ambt aanvaarden met een lange staat van dienst op het gebied van de nationale veiligheid. Die staat van dienst kun je op verschillende manieren bekijken, maar het onthullendst is haar decennialange cultivering van het militaire apparaat – niet alleen van ‘burgers’ als Gates, maar ook hoge bevelhebbers, de mannen met de medailles. Haar affiniteit met de strijdkrachten wortelt in de levenslange overtuiging dat een uitgekiend gebruik van militaire macht van wezenlijk belang is voor de verdediging van nationale belangen, dat Amerikaanse interventie meer goed doet dan kwaad en dat de invloedssfeer van de Verenigde Staten zich dient uit te strekken – om Bush te citeren – tot in ‘elke duistere uithoek van de wereld’. Tijdens de bombastische, door testosteron verhitte presidentsverkiezingen van 2016 is Hillary Clinton onverwachts de enige havik die nog in de race is.

    Voor wie Clintons biografie kent, kan haar militaire angehauchtheid geen verrassing zijn. Ze groeide op in de woelige nadagen van de Tweede Wereldoorlog, als dochter van een onderofficier van de marine die jonge matrozen trainde voordat ze naar de Grote Oceaan werden verscheept. Haar vader, Hugh Rodham, was een trouwe Republikein en een communistenvreter, en ze nam zijn gezichtspunten over. Ze vertelt vaak over haar meisjesdroom om astronaut te worden, en ze noemt de afwijzingsbrief van NASA de eerste keer dat ze met geslachtsdiscriminatie te maken kreeg. Haar echte reden om zich aan te melden, heeft ze geschreven, was misschien wel het feit dat het haar vader zorgen baarde dat ‘Amerika achterliep op Rusland’.

    De politieke bekering kwam later, nadat Vietnam en de jaren zestig over Wellesley College heen waren geraasd, waar ze zich tijdens haar afstudeerplechtigheid uitsprak tegen de gevestigde orde. Maar zelfs in het tumultueuze jaar 1968 was haar overgang van Republikein naar Democraat nog niet afgerond en bezocht ze de conventies van beide partijen. Als Republikeinse stagiaire in Washington vroeg ze die zomer aan Melvin Laird, een Congreslid uit Wisconsin, of het wel verstandig was dat Lyndon B. Johnson steeds verder bij Zuidoost-Azië betrokken raakte.

    Clinton tijdens een getuigenis van de Iraq Study Group in de Amerikaanse Senaat in 2006. © Chuck Kennedy / Getty
    Clinton tijdens een getuigenis van de Iraq Study Group in de Amerikaanse Senaat in 2006. © Chuck Kennedy / Getty

    Na haar rechtenstudie had ze haar merkwaardigste ervaring met het militaire apparaat. In 1975, het jaar waarin ze met Bill Clinton trouwde, bezocht ze een rekruteringsbureau van de marine in Arkansas om te informeren naar de mogelijkheden om dienst te nemen bij de actieve of reservetroepen. Ze was jurist, legde ze uit; misschien kon ze zich op een of andere manier nuttig maken. De rekruteerder, herinnerde 
ze zich twee decennia later, was een jongeman van ongeveer 21, in optimale lichamelijke conditie. Clinton was op dat moment 27, net overgeplant uit Washington, docent aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Arkansas en getooid met een bril met jampotglazen. ‘Je bent te oud, je ziet niks en 
je bent een vrouw,’ zei hij. ‘Misschien wil de landmacht je wel hebben.’

    ‘Dat was geen erg bemoedigend gesprek,’ zei Clinton tijdens een lunch voor vrouwelijke militairen op Capitol Hill in 1994. ‘Ik besloot toen maar uit 
te kijken naar een andere manier om mijn land te dienen.’

    Sommige journalisten hebben hun twijfels uitgesproken over de waarheid van dit verhaal, dat ze in de herfst van 2015 herhaalde tijdens een ontbijt met kiezers in New Hampshire: er is in elk geval geen concreet bewijs dat het gebeurd is en Bill vertelde in 2008 een andere versie, waarin marine en leger waren omgedraaid. Waarom zou iemand die net een rechtenstudie aan Yale had voltooid en net in het huwelijk was getreden plotseling een uniform willen aantrekken? Haar motieven zijn onmogelijk na te gaan, maar Ann Henry, een oude vriendin uit Arkansas, komt met een theorie: ‘In die dagen probeerden vrouwelijke faculteitsleden uit wat de grenzen waren van carrières die voor vrouwen gesloten leken. Ik denk niet dat het verzonnen is. Zoiets was typisch iets voor haar.’

    First Lady

    Clintons volgende langdurige contact met het militaire apparaat kwam pas toen ze first lady was, bijna twee decennia later. In het Witte Huis wonen lijkt in veel opzichten op wonen op een militaire compound. Als de president in het Oval Office is, staat voor de West Wing een marinier op wacht. Het medisch centrum en het telecommunicatiesysteem worden gerund door militairen. De marine bestiert de kantine, mariniers transporteren de president per helikopter, de luchtmacht doet datzelfde per vliegtuig. Camp David is een marinefaciliteit. Het dagelijks contact met mannen en vrouwen in uniform, zeggen Clintons vrienden, heeft haar gevoelens voor hen versterkt.

    In maart 1996 bezocht de first lady Amerikaanse troepen die in Bosnië waren gestationeerd. De reis werd jaren later berucht toen ze beweerde, tijdens de campagne van 2008, dat ze door scherpschutters was beschoten nadat haar militaire C-17-toestel was geland op een Amerikaanse basis in Tuzla. (Chris Hill, een diplomaat die 
die dag ook aan boord was, herinnerde zich helemaal geen scherpschutters, alleen kinderen die haar boeketten lentebloemen aanboden.) Maar de goede sfeer tijdens haar rondgang langs de mess en de recreatiezalen was allerminst geveinsd. Met haar tienerdochter naast zich maakte ze grappen en grollen met de jonge mannelijke en vrouwelijke militairen – een ervaring, schreef ze, die ‘blijvende indruk op Chelsea en mij heeft gemaakt’.

    Jack Keane, een van de architecten van de inval in Irak, heeft wellicht de meeste invloed op Clinton gehad

    Toen Clinton in de Senaat werd gekozen, had ze belangrijke politieke redenen om zich om het militaire apparaat te bekommeren. Het Pentagon zat midden in een langdurig, politiek beladen proces van het sluiten van militaire bases; de staat New York was al geslachtofferd door de sluiting van de luchtmachtbasis Plattsburgh in 1995, waarbij 352 banen verloren gingen. 
De delegatie van New York was vastbesloten de resterende bases te behouden, met name Fort Drum, de thuisbasis van de 10e Bergdivisie. In oktober 2001, een maand na de aanslagen van 11 september, reisde Clinton naar Fort Drum op uitnodiging van generaal Buster Hagenbeck, die net tot commandant van de divisie was benoemd en een maand later naar Afghanistan zou worden gezonden.

    Net als veel officieren met wie ik sprak koesterde hij nogal wat vooroordelen jegens Clinton wegens haar jaren als first lady; de vrouw die die middag rond borreltijd 
in zijn kantoor verscheen, beantwoordde daar echter niet aan.

    ‘Ze ging zitten,’ herinnert hij zich, ‘trok haar schoenen uit, legde haar voeten op de salontafel en zei: “Generaal, waar kan ik hier een koud biertje krijgen?”’ Het was het begin van een dialoog die zich over twee oorlogen uitstrekte. 
In de lente van 2002 leidde Hagenbeck Operatie Anaconda, een zestiendaagse aanval op taliban- en Al-Qaidastrijders in de Shah-i-Kotvallei, de grootste oorlogsoperatie tot dan toe. Toen de generaal terugkwam naar Washington om de verenigde chefs van staven te briefen, nam Clinton hem mee uit eten op Capitol Hill voor haar eigen briefing. 
Ze spraken ook over de voorbereidingen van de regering-Bush voor een oorlog in Irak, iets wat Hagenbeck met angst en beven volgde. De generaal, zo bleek, was meer een duif dan de senator. Hij waarschuwde haar voor de risico’s van een invasie, die op dat moment in het Pentagon op touw werd gezet. Het zou zijn alsof je een ‘bijenkorf omschopt’, zei hij.

    Hagenbeck vergeeft Clinton dat ze in 2002 voor militair ingrijpen in Irak stemde. ‘Dat deed ze weloverwogen,’ zegt hij. ‘En later had ze er spijt van.’ Wat voor hem belangrijker was dan 
het stemgedrag van Clinton, was haar niet-aflatende openbare steun aan het militaire apparaat, of het nu ging om het beschermen van Fort Drum of het feit dat ze achter hem stond tijdens het eerste moeilijke jaar in Afghanistan.

    Clintons opleiding in militaire zaken begon pas echt in 2002, nadat ze door een verpletterende nederlaag van de Democratische Partij tijdens de midterm-verkiezingen enkele plaatsen in senatoriale senioriteit was opgeschoven. De Congresleiders van de partij boden haar een plaats aan in ofwel de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen ofwel de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten. Ze koos voor Strijdkrachten en brak daarmee met een lange traditie van New Yorkse senatoren als Daniel Patrick Moynihan en Jacob Javits, die het prestige van Buitenlandse Betrekkingen verkozen. Strijdkrachten gaat over aardsere zaken als uitkeringen voor veteranen en was lange tijd het domein geweest van Republikeinse haviken als John McCain. Maar na 11 september zag Clinton Strijdkrachten als een betere voorbereiding op haar toekomst. Voor een politica die wilde laten zien dat ze niet voor een kleintje vervaard was – een vrouw die opperbevelhebber wilde worden – was het een perfecte leerschool. Ze stortte zich er met hart en ziel in.

    Andrew Shapiro, de toenmalige adviseur buitenlandse zaken van senator Clinton, schakelde tien deskundigen in – onder wie Bill Perry, die minister van Defensie was onder haar man, en Ashton Carter, die uiteindelijk Obama’s vierde Defensieminister zou worden – om haar in alles in te wijden, van algehele strategie tot defensieaankopen. Ze bezocht elke commissievergadering, hoe onbeduidend ook. In 2003 bezocht ze op Thanksgiving Day de troepen in Afghanistan en ze sprak op elke belangrijke militaire basis in de staat New York. Inmiddels – dertig jaar nadat ze door een marinerekruteerder in Arkansas was afgewezen – was Hillary Clinton een militaire doordouwer geworden.

    gettyimages 498045012

    Jack Keane is een van de architecten van de inval in Irak; hij heeft wellicht ook de meeste invloed gehad op de manier waarop Hillary Clinton over militaire kwesties denkt. Keane, een beer van een vent met een vierkante kop en glad Brylcreem-haar, straalt het ultieme zelfvertrouwen uit dat je van een gepensioneerde viersterrengeneraal mag verwachten. Inmiddels is hij een goedbetaald lid van het militair-industriële complex, met bestuursfuncties bij onder andere General Dynamics. Hij is geen man die aarzelt om militair in te grijpen en hij heeft weinig boodschap aan burgers als Obama, die dat wel doen.

    Keane leerde Clinton kennen in de herfst van 2001, toen zij net senator was en hij onderbevelhebber van het leger, met een grote staat van dienst in Vietnam, Somalië, Haïti, Bosnië en Kosovo. Hij had verwacht dat ze intelligent, hardwerkend en politiek bedreven zou zijn, maar hij was niet voorbereid op het respect dat ze toonde voor het leger als instituut, of op haar medeleven met de offers die door soldaten en hun families waren gebracht. Keane was ervan overtuigd dat hij een neppoliticus van een kilometer afstand kon ruiken, maar bij haar rook hij niets. ‘Ik heb mensenkennis; dat is een van mijn sterke kanten,’ vertelde hij me. ‘Niet dat ik het nooit mis heb, maar het gebeurt niet vaak.’

    Clinton mocht Keane ook onmiddellijk. ‘Ze is dol op die Ierse korzeligheid,’ 
zegt een van haar Senaatsassistenten, Kris Balderston, die er die dag bij was. Toen Keane na drie kwartier opstond voor een gesprek in het Pentagon met een Poolse generaal, maakte ze duidelijk dat ze nog niet klaar was en vroeg om een vervolggesprek. ‘Oké, maar het heeft me drie maanden gekost om deze afspraak te krijgen,’ antwoordde Keane haar droogjes. Clinton barstte uit in een schor gelach. ‘Dat probleem los ik wel op,’ beloofde ze.

    Ze hield woord: de twee zouden elkaar het volgende decennium vele malen ontmoeten en praten over de oorlogen in Afghanistan en Irak, de nucleaire dreiging van Iran en andere hete hangijzers in het Midden-Oosten. Soms kwam Keane langs op haar kantoor 
in de Senaat; andere keren gingen ze samen eten of wat drinken. Hij begeleidde haar tijdens haar eerste bezoek aan Fort Drum en regelde haar eerste reis naar Irak.

    Ze spraken meestal niet over politiek, maar tijdens een ontmoeting in Clintons Senaatskantoor in januari 2007 probeerde Keane haar te overtuigen van de logica van het sturen van extra troepen naar Irak. De maand daarvoor had hij president Bush ontmoet in het Oval Office en hem geadviseerd dat de VS vijf tot tien leger- en marinebrigades moesten inzetten om het oproer 
in de steden te onderdrukken; alleen zo, had hij betoogd, zou er rust komen in een land dat werd verscheurd door sektarische strijd. Keane wekte daarmee de woede van enkele van zijn collega-generaals, die vreesden dat zo’n strategie de afhankelijkheid van Irak zou vergroten en de Amerikaanse betrokkenheid zou verlengen. Maar hij maakte veel indruk op de opperbevelhebber, die algauw twintigduizend extra manschappen naar Irak stuurde.

    Clinton was een ander verhaal. ‘Ik ben ervan overtuigd dat dat niet zal werken, Jack,’ zei ze hem. Ze voorspelde dat Amerikaanse soldaten die in Iraakse steden patrouilleerden, zouden worden ‘opgeblazen’ door soennitische milities of Al-Qaidastrijders. ‘Ze dacht dat het ons niet zou lukken,’ herinnert Keane zich, ‘en dat er meer slachtoffers door zouden vallen.’

    Clinton met minister van Defensie Robert Gates bij een uitzending van Meet the Press in 2011. – © William B. Plowman / Getty
    Clinton met minister van Defensie Robert Gates bij een uitzending van Meet the Press in 2011. – © William B. Plowman / Getty

    Ze had natuurlijk ook politieke overwegingen. Barack Obama was bezig de basis te leggen voor zijn kandidatuur, half januari, waarin hij zou benadrukken dat hij tegen de oorlog in Irak was geweest, terwijl zij ervóór had gestemd – een stem die haar ook tijdens de Democratische voorverkiezingen van dit jaar nog achtervolgt. Obama was bezig een fondsenwervingscampagne op te zetten die in drie maanden tijd 25 miljoen dollar zou opleveren, wat het politieke kamp van Clinton deed huiveren en hem tot een formidabele tegenstander maakte. Hoewel ze met Keane van mening verschilde over Irak, vroeg Clinton hem om officieel adviseur te worden. ‘Hoezeer ik je ook respecteer,’ antwoordde hij, ‘dat kan ik niet doen.’

    Keanes vrouw had gezondheidsproblemen, waardoor hij eerder uit actieve dienst was getreden, en hij steunde in de regel geen presidentskandidaten. Ergens in 2008 – hij weet niet meer precies wanneer – vertelde Clinton hem dat ze er verkeerd aan had gedaan te twijfelen aan het sturen van extra troepen. ‘Ze zei: “Je had gelijk, het heeft echt gewerkt,”’ herinnert Keane zich. ‘Ik vond dat ze over nationale veiligheidszaken altijd eerlijk tegen me was.’

    Keane en Clinton bleven praten, zelfs nadat Obama had gewonnen en zij minister van Buitenlandse Zaken werd. Ze waren het meestal eens. Keane was, net als Clinton, voor een krachtiger interventie in Syrië dan Obama. In april 2015, een week voordat ze haar kandidatuur aankondigde, vroeg Clinton hem om een briefing over de militaire opties voor het bestrijden van Islamitische Staat. Tijdens een presentatie van twee uur en twintig minuten pleitte Keane onder meer voor een vliegverbod boven delen van Syrië, waardoor de luchtmacht van de Syrische president Bashar al-Assad geneutraliseerd zou worden en deze laatste zou worden gedwongen tot een politieke schikking met oppositiegroepen. Zes maanden later verklaarde ze zich publiekelijk voorstander van zo’n vliegverbod, waarmee ze nog verder van Obama af kwam te staan.

    ‘Ik ben ervan overtuigd dat deze president onder geen enkele omstandigheid zijn tanden zal laten zien, ook al is het nog zo dringend,’ vertelde Keane me. Hij zat in de bibliotheek van zijn huis in McLean in Virginia, tussen rijen boeken over militaire geschiedenis en strategie. Zijn kritiek op Obama was nauwelijks nieuw of origineel, maar weerspiegelt wel het denken van Clinton en haar politieke adviseurs. ‘Een van de problemen van de president, waardoor zijn diplomatieke inspanningen worden verzwakt, is dat leiders niet geloven dat hij militair geweld zal gebruiken. Daarin verschilt de president wezenlijk van Hillary Clinton. Zij zou militair geweld als een realistische optie beschouwen, maar alleen als er geen andere opties zijn.’

    Generaals

    De vriendschap met Keane gaf Clinton ook directe toegang tot zijn informele netwerk van actieve en gepensioneerde generaals. De interessantste daarvan was ongetwijfeld David Petraeus, die Clintons geharnaste ambities deelde en ook een leven vol bedwelmende successen en vernederende tegenslagen had gekend. Beiden werden beschuldigd van een slechte omgang met geheime informatie: Clinton omdat ze haar privéserver en privé-e-mailadres had gebruikt voor het afhandelen van gevoelige regeringszaken, wat tot een politiek schandaal zou leiden; Petraeus omdat hij een dagboek met geheime informatie aan zijn biografe en maîtresse had verstrekt.

    Tijdens Clintons eerste reis naar Irak, in november 2003, vloog Petraeus, die toen als tweesterrengeneraal bij de 101ste luchtmachtdivisie diende, haar van zijn hoofdkwartier in Mosul naar de relatieve veiligheid van Kirkuk om haar en haar delegatie te briefen. ‘Ze zat vol vragen,’ herinnert hij zich. ‘Zoiets betekent veel voor een bevelhebber.’ Tijdens volgende reizen, toen hij in rang was gestegen, lichtte Petraeus haar in over zijn plannen om Iraakse legertroepen te trainen en van wapens te voorzien. Beiden hadden daar baat bij: Petraeus bouwde een band op met een prominent Democratisch Senaatslid, Clinton poetste haar imago op als vriendin van het leger. ‘Ze deed het op de ouderwetse manier,’ zegt hij. ‘Ze deed het door relaties aan te knopen.’ Toen Petraeus begin 2007 werd teruggestuurd naar Irak als hoogste militair, gaf hij elk lid van de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten een exemplaar van het Amerikaanse Veldhandboek voor oproerbestrijding door leger en mariniers. Clinton las het hare van begin tot eind.

    Hoewel Clintons bezwaar tegen het sturen van extra troepen hout sneed, zou het haar later opbreken, net als het feit dat ze vóór de oorlog had gestemd. Ditmaal was het haar bondgenoot Bob Gates die de geest uit de fles haalde. 
In zijn memoires schreef Gates dat ze tegenover hem en de president had bekend dat haar verzet politiek gemotiveerd was omdat ze op dat moment met Obama in de strijd om de Democratische voorverkiezingen in Iowa 
was verwikkeld. (Obama, schreef Gates, gaf ‘in bedekte termen’ toe dat ook hij er om politieke redenen tegen was geweest.) Tijdens een interview met Diane Sawyer van ABC News sloeg Clinton terug met de woorden dat Gates ‘misschien de context of de betekenis had gemist, want ik was wel degelijk tegen het sturen van extra troepen’. Haar verzet, zei ze tegen Sawyer, werd ingegeven door het feit dat de mensen op dat moment geen escalatie van de oorlog zouden accepteren. ‘Dit is geen politiek in electorale, politieke termen,’ zei Clinton. ‘Dit is politiek in de zin dat het Amerikaanse publiek achter zulke besluiten moet staan.’ Tijdens het volgende debat over het sturen van extra troepen liet ze zulke bedenkingen achterwege.

    Om Bernie Sanders te dwarsbomen bracht ze haar boodschap op één lijn met die van Obama

    ‘We hebben kaarten nodig,’ zei Hillary Clinton tegen haar assistenten. Het was begin oktober 2009, en ze was net terug van een vergadering in de Situation Room. Obama’s oorlogskabinet had gediscussieerd over de vraag hoeveel extra troepen er naar Afghanistan moesten worden gestuurd, waar de Verenigde Staten, in beslag genomen door Irak, de taliban de gelegenheid hadden gegeven zich te hergroeperen. Het Pentagon, meldde ze, had indrukwekkende kaarten met kleurcodes gebruikt om zijn plannen te ontvouwen voor het stationeren van troepen verspreid over het land. Door de aandacht voor details hadden Gates en zijn commandanten een kordate, goed voorbereide indruk gemaakt, waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat aandrong op het meesturen van burgerpersoneel, bleekjes afstak. Tijdens de volgende vergadering, op 14 oktober, ontvouwde het team van Buitenlandse Zaken zijn eigen kaarten met de inzet van diplomaten, juristen en landbouwexperts die de soldaten naar Afghanistan zouden moeten volgen.

    Clintons focus op kaarten was typerend voor de manier waarop ze in het eerste grote oorlog-en-vredesdebat van de regering-Obama stond. Ze wilde serieus worden genomen, ook al was haar ministerie minder belangrijk dan het Pentagon. Eén manier om dat te doen was het meesturen van burgerpersoneel, het stokpaardje van haar vriend Richard Holbrooke, de speciale gezant in de regio. ‘Ze wilde met alle geweld dat haar briefingboeken net zo dik en nauwgezet zouden zijn als die van het Pentagon,’ herinnert een topadviseur zich. Ze aarzelde ook niet om zich met de zaken van het Pentagon te bemoeien en stelde gedetailleerde vragen over de training van Afghaanse troepen en de militaire planning.

    Ze was vastbesloten niets te missen, een besluit dat misschien geworteld was in een diepergelegen onzekerheid over haar rol binnen de regering, die meer op het Witte Huis was geconcentreerd dan ooit in het moderne tijdperk. In de ochtend van 8 juni 2009 mailde ze twee assistenten met de vraag: ‘Ik hoorde op de radio dat er vanochtend een kabinetsvergadering is. Klopt dat? Kan ik erheen? Zo niet, wie sturen we dan?’ Op 10 februari 2010 belde ze vanuit huis naar het Witte Huis, maar kwam niet voorbij de telefonist, die niet geloofde dat ze echt Hillary Clinton was. Toen haar werd gevraagd haar kantoornummer te geven om haar identiteit te bewijzen, zei ze dat ze dat niet kende. Uiteindelijk legde Clinton gefrustreerd neer en liet opnieuw bellen door het ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘als een keurige en gehoorzame minister’, zoals ze later op quasiberustende toon schreef. ‘Op eigen houtje bellen was niet toegestaan.’

    Afghanistandebat

    Het debat over de troepen in Afghanistan, een drie maanden durend drama van rivaliserende ego’s, gelekte documenten en eindeloos overleg, wordt 
als een typisch voorbeeld gezien van 
de strijd tussen de geslepen militaire bevelhebbers van het Pentagon en een onervaren jonge president, waarbij Joe Biden voor Obama’s advocaat van de duivel speelde. Hoewel deze voorstelling van zaken klopt, doet ze de rol van Clinton tekort. Door zich aan de kant van Gates en de generaals te scharen verleende zij hun voorstellen politiek gewicht en bood ze weerwoord aan de scepsis van Biden.

    Toch mag haar rol ook niet worden overschat; ze heeft geen kentering in het debat teweeggebracht of er een duidelijk standpunt in verwoord. Maar haar niet-aflatende steun voor de krachtige aanbeveling van generaal McChrystal maakte het wel moeilijker voor Obama om voor een minder verregaande optie te kiezen. (McChrystal werd later door Obama ontslagen nadat zijn assistenten zich tegenover het blad Rolling Stone neerbuigend hadden uitgelaten over bijna elk lid van diens oorlogskabinet; alleen voor Hillary was een uitzondering gemaakt.)

    ‘Hillary stond vierkant achter wat McChrystal vroeg,’ zegt Gates. ‘Ze maakte duidelijk dat ze zijn verzoek om veertigduizend extra manschappen onverdeeld steunde. Later maakte ze duidelijk dat ze alleen bereid was geweest genoegen te nemen met dertigduizend omdat ik dat had voorgesteld. Ze hield in feite meer vast aan het oorspronkelijke aantal dan ik.’ Gates geloofde 
dat als hij Clinton, de voorzitter van 
de verenigde chefs van staven Mike Mullen, de commandant van het Centrale Commando David Petraeus en hemzelf op één lijn kon krijgen, Obama moeilijk nee zou kunnen zeggen. ‘Hoe kon je deze vier ruiters van de nationale veiligheid negeren?’ zegt Geoff Morrell, destijds woordvoerder van het Pentagon.

    Zoals Clinton profiteerde van haar verbond met de militaire bevelhebbers, 
zo gaf ze hun ook politieke rugdekking. ‘Ik zal je een smerig geheimpje verklappen,’ zegt Tom Nides, een van haar voormalige onderministers op Buitenlandse Zaken. ‘Ze wisten allemaal dat ze haar aan hun kant moesten hebben. Ze wisten dat als zij de Situation Room binnenliep en achter hen stond, de dynamiek enorm zou veranderen. Als zij haar mond opendeed, kon ze de sfeer in de zaal veranderen.’

    © Spencer Platt / Getty
    © Spencer Platt / Getty

    David Axelrod herinnert zich een vergadering waarin Clinton ‘hun mening vrijwel woordelijk verkondigde; dat weten ze vast nog wel. Ze wilde ze elke soldaat geven waar McChrystal om vroeg.’ Toch won Clinton niet op alle punten. Nadat hij had toegezegd manschappen te zullen sturen, voegde Obama er één eigen voorwaarde aan toe: dat de soldaten zo spoedig mogelijk weer zouden worden teruggetrokken, te beginnen in de zomer van 2011 
– een deadline die uiteindelijk noodlottiger bleek dan een verschil van tienduizend manschappen. Clinton verzette zich tegen zo’n openbare deadline, met als argument dat Amerika de taliban daarmee in de kaart speelde en hen zou aanmoedigen te wachten tot de VS vertrokken – wat dan ook precies gebeurd is.

    Tijdens de laatste dagen van het debat kreeg Clinton het ook aan de stok met haar eigen ambassadeur in Kaboel, Karl Eikenberry. Ook hij verschilde met haar van mening over de wijsheid van het sturen van extra manschappen. 
Op 6 november 2009 stuurde hij een lang telegram aan Clinton – later uitgelekt naar The New York Times – waarin hij op overtuigende wijze betoogde dat het voorstel van McChrystal de VS zou opzadelen met ‘onmetelijk veel hogere kosten en een grootschalige militaire rol in Afghanistan voor onbepaalde tijd’.

    De analyse van Eikenberry bleek voor een groot deel juist, vooral zijn waarschuwing voor het tot op de draad versleten Amerikaanse partnerschap met de Afghaanse president Hamid Karzai. Extra pijnlijk was dat hij een gepensioneerde driesterrengeneraal was die van 2005 tot 2007 het bevel in Afghanistan had gevoerd. Clinton, die niet om het telegram had gevraagd, was furieus en vreesde dat het een debat kon verstoren dat zij en het Pentagon op het punt stonden te winnen.

    Wat het telegram duidelijk maakte, was in hoeverre het Afghaanse debat door militaire overwegingen werd gedomineerd. Hoewel Clinton erop aandrong tot een akkoord te komen met het Afghaanse buurland Pakistan, betekende haar steun aan Gates, Petraeus en McChrystal dat ze niet de aangewezen persoon was voor diplomatieke alternatieven. ‘Ze heeft bijgedragen aan de overmilitarisering van de probleemanalyse,’ aldus Sarah Chays, destijds adviseur van McChrystal en later van de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen.

    In oktober 2015 dwongen het aanhoudende geweld in Afghanistan en de erfenis van het wanbeleid van Karzai Obama ertoe af te zien van zijn plan om de laatste Amerikaanse soldaten tegen het eind van zijn presidentschap terug te trekken. Een paar duizend manschappen zullen daar voor onbepaalde tijd blijven. En Clintons voorstel voor het meesturen van burgerpersoneel is nooit echt van de grond gekomen.

    Verkiezingscampagne

    ‘Het lijdt geen twijfel dat Hillary Clintons gespierdere benadering van het Amerikaanse buitenlandbeleid beter 
is toegesneden op 2016 dan op 2008,’ aldus Jake Sullivan, haar politieke topadviseur bij Buitenlandse Zaken en 
nu de belangrijkste adviseur in haar campagne.

    Het was december 2015, 53 dagen voor de Democratische voorverkiezingen 
in Iowa; ik sprak Sullivan in Clintons royale hoofdkwartier in Brooklyn, waar hij me uitlegde hoe ze haar boodschap vormgaf in een campagne die steeds meer werd gedomineerd door zorgen over de nationale veiligheid. Clintons strategie, zei hij, was tweeledig: aan kiezers uitleggen dat ze een duidelijk plan had om de dreiging van het islamitische terrorisme het hoofd te bieden, en haar Republikeinse tegenstanders aan de kaak stellen als mensen die iedere vorm van ervaring en geloofwaardigheid misten op het gebied van nationale veiligheid.

    Clinton had alle reden om de havik in zichzelf los te laten. Na de aanslagen 
in Parijs en het Californische San Bernardino bereikte de zorg over een grote aanslag in Amerika een hoogtepunt. Een peiling van CNN/ORS wees uit dat een meerderheid van 53 procent van 
de Amerikanen achter het sturen van troepen naar Syrië of Irak stond, een belangrijke verschuiving na de oorlogsmoeheid gedurende het grootste deel van Obama’s presidentschap. De Republikeinse kandidaten hanteerden apocalyptische metaforen om hun vastberadenheid te tonen. Ted Cruz dreigde een bomtapijt over Islamitische Staat af te werpen om te kijken of woestijnzand kon gloeien; Donald Trump riep de VS op alle moslims de toegang tot het land te ontzeggen ‘totdat duidelijk is wat de dreiging is van dit probleem’.

    Maar de publieke voorkeur voor militaire actie is meestal vergankelijk. 
Drie weken later toonde dezelfde peiling dat het aantal voor- en tegenstanders gelijk was, 49 procent. Trump is geen voorstander van het sturen van nieuwe Amerikaanse soldaten naar Irak en Syrië (evenmin als Clinton trouwens). Hij staat sceptischer tegenover interventies dan zij en verkondigt luidkeels dat hij ook tegen de oorlog in Irak was. Hij wil dat de VS minder aan de NAVO afdragen en heeft al gesproken over het intrekken van de Amerikaanse veiligheidsparaplu boven Azië, zelfs als Japan en Zuid-Korea dan zelf kernwapens zouden aanschaffen om zich te verdedigen. Daarmee komen de kiezers bij de algemene verkiezingen misschien voor een ongebruikelijke keus te staan: die tussen een Democratische havik en een Republikeinse weifelaar.

    Clinton en Obama volgen de operatie waarbij Bin Laden werd gedood, op 1 mei 2011. – © Pete Souza / Getty
    Clinton en Obama volgen de operatie waarbij Bin Laden werd gedood, op 1 mei 2011. – © Pete Souza / Getty

    Om de steeds opstandiger senator Bernie Sanders uit Vermont te dwarsbomen paste Clinton haar boodschap tijdens de Democratische voorverkiezingen zorgvuldig aan om op één lijn te komen met Barack Obama en diens raciaal diverse coalitie. Maar tijdens de algemene verkiezingen zal dat moeilijker worden. ‘De pers zal bovenmatige belangstelling tonen voor de scores,’ zegt Sullivan. ‘Dat kan de aandacht makkelijk afleiden van haar vermogen om te zeggen waar het op staat.’

    Om te tonen dat ze een goede toekomstige opperbevelhebber is, zal Clinton zich ongetwijfeld beroepen op haar ervaring bij Buitenlandse Zaken. 
Afgelopen herfst, tijdens een reeks 
beleidstoespraken, begon Clinton 
zich duidelijker af te zetten tegen 
het nationale veiligheidsbeleid van 
de president. Ze zei dat de VS meer speciale commandotroepen naar Irak moesten sturen dan Obama had toegewezen, om de Iraki’s en Koerden te helpen in de strijd tegen IS. Ze toonde zich een voorstander van een gedeeltelijk vliegverbod boven Syrië. En ze beschreef de dreiging van IS voor Amerikanen in grimmiger bewoordingen dan de president. Zoals vaak het geval is bij Clinton en Obama, betroffen de verschillen niet zozeer de koers als wel de intensiteit. Evenmin als hij pleitte ze voor het sturen van grondtroepen naar het Midden-Oosten. Clinton hield vol dat haar plan geen breuk was met het zijne, maar alleen een ‘intensivering en versnelling’ daarvan.

    Hoe goed de haviksinstincten van 
Clinton bij de stemming in het land passen is nog de vraag. Amerikanen hebben genoeg van oorlog en blijven beducht voor buitenlandse verwikkelingen. En toch wijzen peilingen uit, na de terughoudende Obama-jaren, dat ze net zo ontevreden zijn met het beeld van hun land als een uitgebluste wereldmacht die amechtig op de been probeert te blijven in een wereld van opkomende grootmachten als China, herrijzende imperia als het Rusland van Vladimir Poetin en de dodelijke nieuwe slagkracht van Islamitische Staat. Als Obama’s minimalistische benadering een noodzakelijke reactie was op de maximalistische stijl van zijn voorganger, dan verlangen Amerikanen misschien naar iets daartussenin, het soort gestaalde pragmatisme dat Clinton een leven lang heeft uitontwikkeld.

    ‘De president heeft een aantal harde beslissingen genomen,’ zegt Leon Panetta, na Bob Gates Obama’s minister van Defensie en vóór David Petraeus directeur van de CIA. ‘Maar het resultaat is gemengd en de vrees bestaat dat de president er niet in is geslaagd duidelijk te maken wat de rol van Amerika in de eenentwintigste eeuw is.’
    ‘Misschien lukt het hem alsnog,’ voegt hij eraan toe, beseffend hoe weinig tijd Obama nog rest. ‘Haar zou het zeker lukken.’

    Auteur: Mark Landler
    Vertaler: Peter Bergsma

    Mark Landler is sinds 2011 Witte Huiscorrespondent voor The New York Times. 
Dit artikel is een bewerkt uittreksel uit 
zijn boek Alter Egos: Hillary Clinton, Barack Obama and the Twilight Struggle Over American Power, dat deze maand in Nederlandse vertaling verschijnt bij Hollands Diep.

    *Op 21 juni is Landler te gast bij het John Adams Institute. 

    Locatie: Vondelkerk Amsterdam
Aanvang: 20.00 uur*

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.