De Koerden moeten de gevangen IS-strijders met een Duits paspoort, dringend kwijt. Duitsland wil ze niet hebben.
Ze hebben mogelijkerwijs oorlogsmisdaden begaan, Yezidi-vrouwen verkracht en burgers gemarteld en vermoord. Ze vormen een bedreiging, een veiligheidsrisico, ze zijn geradicaliseerd en door naar Duitsland terug te keren zullen ze dat radicalisme niet automatisch kwijt zijn. Moeten we hen echt terughalen?
Jazeker: als er voldoende verdenking tegen hen bestaat, kunnen de ex-IS-strijders onmiddellijk in voorarrest worden gezet. Als er voldoende bewijs is, kan het openbaar ministerie hen aanklagen. Na een langdurig proces zal de strafrechter de verdachten uiteindelijk wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie (omdat er verder geen bewijs is) tot drie jaar gevangenisstraf veroordelen. Die ze al in voorarrest hebben uitgezeten. Moet dat zo? Kan het niet anders? Is dat de prijs van de rechtsstaat?
Daar is een pragmatisch argument voor: Duitsland verwacht dat andere landen hun onderdanen ook terugnemen als die worden teruggestuurd omdat ze in Duitsland een gevaar voor de veiligheid zijn. Dus kan Duitsland moeilijk weigeren Duitse terroristen uit Syrië terug te nemen. Mits het Duitsers zijn. De eis om deze mensen hun Duitse nationaliteit te ontnemen, is dan ook snel uitgesproken. Maar dat kan niet, omdat de grondwet strikt voorschrijft: ‘Het Duitse staatsburgerschap mag iemand niet ontnomen worden.’ De nazi’s hadden zich schandelijk misdragen door mensen de Duitse nationaliteit af te nemen, en de opstellers van de grondwet wilden elk oneigenlijk gebruik van het afnemen van het staatsburgerschap dan ook absoluut voorkomen. Maar de grondwet maakt onderscheid tussen het afnemen van het staatsburgerschap, wat absoluut verboden is, en het onder voorwaarden toegestane verlies van het staatsburgerschap.
Afnemen is absoluut ontoelaatbaar als betrokkene redelijkerwijs zelf geen invloed heeft op het verlies van het staatsburgerschap. De voorwaarden waaronder het verlies van het staatsburgerschap toelaatbaar is, zijn geformuleerd in de wet op het staatsburgerschap. Zo verliest een Duitser het Duitse staatsburgerschap als hij zonder toestemming van de Duitse staat in vreemde krijgsdienst treedt. De reden: hier gaat het, zo zien juristen dat, om het zich eenduidig en vrijwillig afkeren van Duitsland.
Hebben deze strijders door bij IS te gaan het Duitse staatsburgerschap verloren, conform deze wet? Alleen wanneer je de ‘Islamitische Staat’ niet als een terreurgroep maar als een buitenlandse staat beschouwt. En in de tweede plaats als de IS-terrorist staatsburger van die staat is.
IS heeft in elk geval als staat opgetreden en de IS-strijders zijn tot deze staat toegetreden. Daardoor is in elk geval naar de geest en naar het doel voldaan aan de voorschriften voor het verlies van het Duitse staatsburgerschap. Door als huurling in vreemde krijgsdienst te treden, is het Duitse staatsburgerschap dus verloren gegaan.
Om begrijpelijke redenen staan landen niet te springen om jihadisten te laten terugkeren. Maar wat zijn de alternatieven?
In de turbulente eerste dagen nadat hun zogenaamde kalifaat was uitgeroepen, zwoeren buitenlanders die zich bij Islamitische Staat (IS) hadden aangesloten blijmoedig hun band met het Westen af. Jihadisten uit Frankrijk, Canada en andere landen filmden hoe ze hun paspoorten verbrandden. Maar nu IS bijna verslagen is, gedragen de ooit zo strijdlustige radicalen zich als toeristen die op een all-invakantie zijn gestrand. Een Canadees beklaagde zich erover dat zijn ambassade geen contact met hem opnam. Een Britse vrouw die het in Raqqa ‘naar haar zin’ had gehad, wilde hulp bij haar repatriëring naar Londen.
Zulke IS-strijders vormen een groot probleem voor hun vaderland. Meer dan 41 duizend buitenlanders togen naar Syrië en Irak om zich bij de groepering aan te sluiten. Halverwege vorig jaar waren 7366 van hen naar huis teruggekeerd, aldus de Londense denktank International Centre for the Study of Radicalisation. Nog vele duizenden meer kwamen op het slagveld om. Er zijn nog zo’n 850 mannen en een paar duizend vrouwen over, die verspreid over Oost-Syrië gevangen zitten in primitieve kampen.
Nagenoeg onmogelijk
Tot voor kort wilde hun thuisland hen daar maar al te graag laten. Totdat president Donald Trump in december besloot de Amerikaanse troepen uit Syrië terug te trekken. De Koerdische troepen, heer en meester in Oost-Syrië, zijn er toch al niet op ingericht duizenden gevangenen vast te houden. Dat wordt nagenoeg onmogelijk wanneer de Amerikanen zich volledig uit het land zullen hebben teruggetrokken. President Trump wil dat buitenlandse regeringen hun burgers naar hun eigen land laten terugkeren. ‘Het alternatief is niet goed, want dan zien we ons genoodzaakt hen vrij te laten,’ twitterde hij. Dat alternatief is inderdaad slecht, maar dat geldt ook voor alle andere alternatieven.
De eenvoudigste oplossing is een ander met het probleem op te zadelen. Volgens een wet die in 2015 in Australië werd aangenomen, verliest iemand die zich bij een terroristische groepering heeft aangesloten zijn burgerschap. Dat gebeurde voor het eerst in 2017 met Khaled Sharrouf, een Libanese Australiër die zijn zoontje fotografeerde met het afgehakte hoofd van een Syrische soldaat in zijn handen. De Australische wet geldt alleen voor Australiërs met een tweede nationaliteit, want volgens het internationaal recht mag je iemand niet stateloos maken.
Wetenschappers zijn het er niet over eens hoe mensen radicaliseren en zelfs niet over wat radicaliseren precies inhoudt
Groot-Brittannië zit daar niet mee. Het ontnam Shamima Begum, die zich als tiener bij IS aansloot, het Britse staatsburgerschap. Volgens de Britten is haar moeder afkomstig uit Bangladesh en komt ze daarom in aanmerking voor het staatsburgerschap van dat land. Op vergelijkbare wijze besloot president Trump dat een in Amerika geboren vrouw die propaganda maakte voor IS het land niet meer in mag.
Rechtbanken zouden dergelijke besluiten terug kunnen draaien. Maar ook al doen ze dat niet, dan nog is het onwaarschijnlijk dat westerse landen zullen besluiten hun burgers elders te dumpen. Want ze zijn veel beter toegerust om die op te vangen dan bijvoorbeeld Libanon of Bangladesh.
Rehabilitatiecentrum voor extremisten
Saoedi-Arabië kiest voor een andere aanpak. In 2004, na een golf van terroristische aanslagen in het land, zette het een rehabilitatiecentrum voor extremisten op. De gevangenen worden vastgehouden in een aangenaam kamp met een zwembad en creatieve therapie. Partnerbezoek is toegestaan. Maar dergelijke oplossingen zijn kostbaar. Ze vragen om langdurige een-op-eenaandacht van docenten en geestelijken en kunnen in het Westen op weinig steun rekenen.
Frankrijk opende drie jaar geleden ook een deradicaliseringscentrum in een chateau in het Loire-dal. De gedetineerden studeerden geschiedenis en filosofie en spraken met een imam over het geloof. Het was de bedoeling dat ze er tien maanden zouden blijven, maar het centrum werd opgedoekt nadat plaatselijke bewoners bezwaar hadden gemaakt tegen het verblijf van terroristen in hun midden.
Het valt trouwens onmogelijk uit te maken of dergelijke oplossingen werken. Wetenschappers zijn het er niet over eens hoe mensen radicaliseren en zelfs niet over wat radicaliseren precies inhoudt. Saoedi-Arabië beweert dat nog geen twintig procent van de ruim drieduizend bewoners van het rehabilitatiecentrum de jihad alsnog trouw zijn gebleven, wat toch betekent dat het deradicaliseringstraject in honderden gevallen is mislukt. Een Somalisch-Amerikaanse man die onderweg was naar Syrië en op het vliegveld van Minnesota werd gearresteerd, werd in 2017 vrijgelaten na een blijkbaar succesvolle rehabilitatie van een jaar. Wat voor hem werkte, hoeft niet te werken voor geharde strijders die onschuldige mensen hebben afgeslacht en tot slaaf gemaakt. Het voelt onrechtvaardig als hun straf niet meer is dan een veredeld zomerkamp.
Maar ze voor de rechter brengen is lastig. Amerika heeft een respectabele staat van dienst. Eén man werd tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld, een tweede werd in juni aangeklaagd. Maar het land kon een derde verdachte niet veroordelen wegens gebrek aan bewijs. Hij werd na meer dan een jaar gevangenschap vrijgelaten. Heiko Maas, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, zegt dat zijn land een vergelijkbaar probleem heeft. Bewijs dat tijdens verhoren op het slagveld is verkregen, is niet rechtsgeldig. De herkomst van documenten die in handen van Koerdische strijders zijn gevallen, is niet zeker.
Australië heeft een handig hulpmiddel: een wetsregel die erop neerkomt dat het betreden van bepaalde gebieden als een misdaad wordt beschouwd. Maar alleen Mosul en Raqqa zijn als zodanig aangemerkt. Om de wet te kunnen toepassen, moeten aanklagers bewijzen dat verdachten in die steden zijn geweest. Zelfs dat is vaak al heel moeilijk.
Zijn de verdachten eenmaal veroordeeld, dan moeten landen besluiten waar ze zullen worden vastgehouden. Amerika zag nog geen driehonderd strijders vertrekken en er kwamen er nog minder terug. Het is voor dat land een koud kunstje om ze in de gevangenis te stoppen. In Europa ligt dat anders, want daar zijn de aantallen vaak veel groter. Sommige Europese landen merken nu al dat medegevangenen radicaliseren. Teruggekeerde strijders bij andere gedetineerden zetten zou weleens een nieuwe generatie extremisten kunnen opleveren.
Rudimentaire rechtbanken
Het is begrijpelijk dat politici die zich voor zulke problemen gesteld zien de handen wanhopig ten hemel heffen. Als inwoners van hun land in een ander land misdrijven hebben begaan, moeten ze daar dan niet worden berecht? Maar het door Koerden bestuurde Oost-Syrië is geen land. De rudimentaire rechtbanken daar bieden geen eerlijk proces en bestaan waarschijnlijk niet lang meer. En nu hun Amerikaanse beschermheren de benen nemen, kunnen de Koerden rekenen op aanvallen van zowel het regime van Assad als het Turkse leger. Waarschijnlijk zullen ze een deal met Assad sluiten. De geschiedenis wijst uit wat er gebeurt wanneer de mensen die ze hebben opgepakt in Syrische gevangenissen belanden. De kerkers van Assad hebben generaties radicalen voortgebracht, die alleen werden vrijgelaten wanneer dat politiek gezien goed uitkwam.
Dan blijft er maar één mogelijkheid over. ‘Het Pentagon heeft ons laten weten dat er een grote kans bestaat dat ze naar Guantanamo Bay worden gestuurd,’ zegt een stafmedewerker van het Amerikaanse Congres. Sinds 2008 zijn daar geen gevangenen meer opgenomen. President Barack Obama heeft acht jaar lang geprobeerd de gevangenis te sluiten, en het aantal gedetineerden is geslonken van 242 in 2009 tot krap 40 nu. De Democraten zullen die koers waarschijnlijk niet willen veranderen.
Voor een oplossing voor terugkerende IS-strijders is een combinatie nodig van rechtbankprocessen, volgsystemen en rehabilitatie. De politie moet de daarvoor benodigde middelen krijgen, het OM methoden om kwetsbaar bewijs in rechtszaken in te brengen. Sommige deradicaliseringsprogramma’s werken prima, vooral in gevangenissen en voor diegenen die tegen hun wil of als kind naar Syrië en Irak zijn gekomen.
Geen westerse politicus wil verantwoordelijk worden gehouden voor de repatriëring van potentieel gevaarlijke radicalen. Maar ze in Syrië laten of in ontwikkelingslanden dumpen lost het probleem niet op. Daar gaat bovendien de boodschap van uit dat westerse regeringen niets geven om de levens van miljoenen Syriërs en Irakezen die door toedoen van hún landgenoten kapot zijn gemaakt.
Hoda Muthana en Kimberly Polman verbrandden beide alle schepen achter zich toen ze naar het kalifaat vertrokken om te trouwen. Ze twitterden boodschappen als ‘Beschiet ze vanuit auto’s en laat al hun bloed vloeien, of huur een grote vrachtwagen en rijd over ze heen’. Tot ze begonnen te realiseren dat ze een fout hadden gemaakt.
Kamp al-Hawl, Syrië – Hoda Muthana was een twintigjarige studente in Alabama die ervan overtuigd was geraakt dat IS voor de goede zaak streed. Dus maakte ze haar ouders wijs dat ze op studiereis ging maar kocht in plaats daarvan van haar studietoelage een vliegticket naar Turkije. Nadat ze het kalifaat binnen was gesmokkeld postte de studente een foto op Twitter waarop haar gehandschoende handen haar Amerikaanse paspoort vasthielden. ‘Binnenkort de fik erin,’ beloofde ze.
Dat was meer dan vier jaar geleden. Nu, na drie huwelijken met IS-strijders en het bijwonen van het soort executies dat ze op sociale media had toegejuicht, zegt Muthana dat ze diepe spijt heeft en terug wil naar de Verenigde Staten. Ze gaf zich vorige maand over aan de coalitietroepen die tegen IS vechten en brengt nu haar dagen door als gedetineerde in een vluchtelingenkamp in het noordoosten van Syrië. Ze heeft daar gezelschap van een andere vrouw, Kimberly Gwen Polman (46), die rechten studeerde in Canada voordat ze zich aansloot bij het kalifaat en die zowel Amerikaans als Canadees staatsburger is.
Tijdens een interview in het kamp met The New York Times zeiden beide vrouwen dat ze erachter probeerden te komen hoe ze een nieuw paspoort konden krijgen en hoe ze de sympathie konden herwinnen van de twee landen die ze eerder verachtten.
Krankzinnig idee
‘Woorden schieten me tekort om mijn spijt uit te drukken,’ zei Polman, dochter van een Amerikaanse moeder en een Canadese vader uit een mennonitische gemeenschap in Hamilton, Ontario, die zelf drie volwassen kinderen heeft.
Muthana zei dat ze zich in haar middelbare-schooltijd voor het eerst aangetrokken had gevoeld tot IS door het lezen van posts op Twitter en andere sociale media. ‘Als ik er nu op terugkijk, kan ik niet genoeg benadrukken wat een krankzinnig idee het was,’ zegt ze. ‘Ik kan het gewoon niet geloven. Ik heb mijn leven verpest. Ik heb mijn toekomst verpest.’
President Trump leverde deze week in een tweet kritiek op bondgenoten als Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland omdat ze niet honderden IS-gevangenen terugnamen die waren gevangengenomen op het slagveld. ‘Het alternatief is dat we ze moeten vrijlaten,’ waarschuwde hij.
De president zei er niet bij dat de Verenigde Staten Amerikaanse vrouwen die met IS-strijders waren getrouwd ook niet naar huis hadden gehaald. Zowel Muthana als Polman zei geen bezoek te hebben gehad van Amerikaanse functionarissen sinds hun gevangenneming vorige maand. Ze zeiden ook dat er een familie van vier zussen uit Seattle was, met vier kinderen, die in een ander kamp werd vastgehouden. Een voormalige politiefunctionaris bevestigde dat een familie uit Seattle naar Syrië was gereisd om zich aan te sluiten bij Islamitische Staat, maar had geen aanvullende informatie.
Hoda Muthana trouwde drie keer in het kalifaat en vluchtte uiteindelijk mee met een Syrische familie vanuit Shafa. Ze nam alleen haar baby mee.
Van een klein aantal Amerikanen – slechts 59, volgens gegevens van het George Washington University Program on Extremism – is bekend dat ze naar Syrië zijn gereisd om zich aan te sluiten bij IS. Bijna alle Amerikaanse mannen die in de strijd gevangen zijn genomen zijn gerepatrieerd, maar het blijft onduidelijk waarom dat bij sommige Amerikaanse vrouwen en hun kinderen – minstens dertien, volgens bronnen van The Times – niet het geval is.
Een FBI-woordvoerster wilde geen commentaar leveren op de twee gevallen, maar zei dat agenten per definitie een onderzoek instellen naar iedere Amerikaan die zich heeft aangesloten bij Islamitische Staat, een organisatie die als terroristisch te boek staat.
Robert Palladino, een woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, beschreef de situatie van Amerikanen in Syrië als ‘uiterst gecompliceerd’. ‘We bekijken deze gevallen om de details beter te begrijpen,’ zei hij, maar hij wilde verder geen commentaar geven om redenen van privacy en veiligheid.
Een Canadese regeringsfunctionaris zei dat het voor Canadezen die vastzitten in Syrië moeilijk kan zijn de regio te verlaten omdat ze waarschijnlijk ernstige aanklachten tegemoet kunnen zien in naburige landen.
Seamus Hughes, adjunct-directeur van het George Washington University Program on Extremism, noemde de talrijke misdaden die door IS zijn gepleegd en zei dat er ‘duizenden legitieme redenen zijn om de oprechtheid in twijfel te trekken’ van verzoeken als die van Muthana en Polman. ‘Hoewel er vaak simplistische verhalen de ronde doen over “jihadbruiden”, “hersensspoelen” en “internetdaten”,’ zei hij, ‘hebben de buitenlandse vrouwen van IS bij heel wat wreedheden geassisteerd en zich er in sommige gevallen rechtstreeks schuldig aan gemaakt.’
Muthana en Polman erkenden tijdens het interview dat veel Amerikanen zich zouden afvragen of ze het verdienden naar huis te worden gebracht nadat ze zich hadden aangesloten bij een van de dodelijkste terreurgroepen ter wereld. ‘Hoe kun je eerst je paspoort verbranden en je vervolgens in slaap huilen omdat het je zo vreselijk spijt?’ vroeg Polman. ‘Hoe maak je mensen dat duidelijk?’
Neem een vliegtuig naar Turkije. Bel na het landen dit nummer
Muthana groeide als dochter van Jemenitische immigranten op in een ultrastreng huishouden, waar feestjes, vriendjes en mobieltjes taboe waren. Haar vader gaf haar pas een mobiele telefoon als cadeautje voor haar einddiploma van de middelbare school. Die telefoon werd algauw haar toegangspoort tot de wereld van de extreme islam, zei ze. Ze vertelde hoe nog geen twee jaar later, in 2014, een internetcontact haar instructies gaf hoe ze zich kon aansluiten bij Islamitische Staat: Neem een vliegtuig naar Turkije. Bel na het landen dit nummer.
Muthana schreef zich in bij de University of Alabama in Birmingham, waar ze het als tweedejaars na het innen van de studietoelage van haar ouders voor gezien hield. Ze stopte een boekentas vol kleren en zei tegen haar familie dat ze naar een studie-evenement in Atlanta ging, op twee uur rijden afstand. In plaats daarvan ging ze regelrecht naar de luchthaven van Birmingham voor een vlucht naar Istanboel. ‘Ik huilde omdat ik dacht dat ik een groot offer aan God bracht en afstand deed van mijn familie, mijn thuis, mijn comfort, alles wat ik kende, alles wat me lief was,’ zei ze. ‘Ik dacht dat ik het juiste deed.’
Muthana zei dat ze in november 2014 over de Syrische grens werd gesmokkeld en naar een slaaphuis voor vrouwen werd gebracht, waar honderden alleenstaande vrouwen van over de hele wereld dicht opeengepakt zaten. Elke dag, zei ze, wandelde een IS-functionaris door het slaaphuis met een lijst van mannen die op zoek waren naar een bruid. ‘Je mag het huis niet verlaten voordat je getrouwd bent,’ zei ze. ‘Ik wist dat dat zou gebeuren, maar ik dacht dat ik er wel aan kon ontkomen. Ik wist niet dat er sloten op de deuren zaten. Ik wist niet dat er kettingen waren. En bewakers.’
Ze zei dat ze het een maand volhield voordat ze toestemde in een ontmoeting met Suhan Rahman, een Australiër uit Melbourne. Hij gebruikte de naam Abu Jihad, oftewel ‘Vader van de Jihad’, zei ze. Ze ontmoetten elkaar in een kamer onder begeleiding. Na een kort gesprek nam hij haar mee naar huis. Ze nam de naam Umm Jihad aan, oftewel ‘Moeder van de Jihad’. Als ze alleen thuis zat terwijl haar man aan het vechten was, postte ze giftige tweets onder haar pseudoniem. ‘Petje af voor de moedjs in Parijs’, schreef ze met gebruikmaking van de afkorting voor moedjahedien op de dag in 2015 dat jihadisten de kantoren van het satirische weekblad Charlie Hebdo bestormden en twaalf mensen doodden. Ook spoorde ze anderen aan zich bij de terroristische organisatie aan te sluiten. ‘Er zijn hier zoooooveel Aussies en Britten maar waar blijven de Amerikanen, word wakker lafaards’, postte ze.
Ook gebruikte ze haar account om aanslagen in het Westen te helpen uitlokken, zoals in de Verenigde Staten. ‘Amerikanen word wakker!’ schreef ze op 15 maart 2015. ‘Jullie hebben veel te doen zolang jullie nog onder onze grootste vijand leven, genoeg geslapen! Beschiet ze vanuit auto’s en laat al hun bloed vloeien, of huur een grote vrachtwagen en rijd over ze heen.’
Haar Twitteraccount is sindsdien geblokkeerd, maar de posts werden door het George Washington Program gekopieerd en doorgespeeld aan The Times.
Ze was nauwelijks drie maanden getrouwd, zei Muthana, toen ze thuis een dutje lag te doen en een man de trap op kwam rennen en schreeuwde dat haar man ‘de marteldood’ was gestorven. Na zijn dood stemde ze toe in twee andere gearrangeerde huwelijken, zei ze.
Kinderadvocaat
Polman zei dat ze begin 2015 het kalifaat binnen was gesmokkeld nadat ze op een Amerikaans paspoort van Vancouver naar Istanboel was gevlogen. Ze zei dat ze kort daarvoor belangstelling voor de verpleging had gekregen en was gaan corresponderen met een man in Syrië die de nom de guerre Abu Aymen gebruikte. Deze man, met wie ze later trouwde, vertelde haar dat in het groeiende kalifaat steeds meer behoefte was aan verpleegkundigen.
Jaren eerder had ze het mennonitische geloof van haar ouders vaarwel gezegd en zich bekeerd tot de islam. Omdat ze niets anders te doen had, zei ze, bracht ze haar dagen door op internet en was haar Facebook-tijdlijn vergeven van de beelden van stervende moslims in Syrië.
Polman zei dat ze op een gegeven moment had ontdekt dat ze een posttraumatische-stresstoornis had en niet meer in staat was haar bed uit te komen. Een broer en een zuster meldden vanuit British Columbia dat haar was gezegd dat ze aan een psychische aandoening leed. ‘Ze heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt,’ zei de broer, die niet met name genoemd wilde worden uit angst voor represailles.
Volgens de zuster, die ook niet met name genoemd wilde worden, studeerde Polman rechten aan Douglas College en werkte ze korte tijd op een moslimschool in Richmond, British Columbia. In 2011 won ze een Women’s Opportunity Award van de vrouwenorganisatie Soroptimist International. In de bekendmaking van de prijs, afgedrukt in de plaatselijke krant, stond dat het haar uiteindelijke doel was kinderadvocaat te worden.
Haar zuster zei dat Polman in de zomer van 2015 op reis ging naar Oostenrijk, zogenaamd voor twee weken. ‘Ze omhelsde me bij het afscheid en zei dat we thee zouden gaan drinken als ze terugkwam,’ zei de zuster. Pas nadat de familieleden waren ingelicht door de Canadese autoriteiten beseften ze dat ze zich had aangesloten bij IS. Op een gegeven moment had haar zus zes maanden lang niets van Polman gehoord en ging ze ervan uit dat ze dood was. ‘In het verleden hebben we haar als familie kunnen helpen,’ zei haar zus. ‘Dit was de enige keer dat we haar niet konden helpen. Dus dat was heel moeilijk voor ons.’
Tegen de tijd dat Polman in het kalifaat belandde waren de misdaden daarvan welbekend, inclusief het onthoofden van journalisten, het tot slaaf maken en systematisch verkrachten van vrouwen van de Jezidi-minderheid en het levend verbranden van gevangenen. Zowel zij als Muthana deed ontwijkend toen er vragen over die wreedheden werden gesteld. ‘Ik ben niet geïnteresseerd in bloedvergieten en wist niet wat ik moest geloven,’ zei Polman. ‘Dat zijn filmpjes op YouTube. Wat is waar? Wat is niet waar?’
Volgens haar eigen lezing begon Muthana zich in haar tweede jaar in het kalifaat van de terroristische groepering distantiëren. Ze trouwde met een tweede strijder en raakte zwanger. Omdat ze aan bloedarmoede leed door ijzergebrek bracht ze veel tijd in bed door. ‘Ik kreeg twijfels,’ zegt ze in een verslag dat The Times niet kon verifiëren. ‘Ik was zwanger. Heel emotioneel, omdat ik mijn familie miste. Ik dacht: wat doe ik hier?’
Ze zei dat haar tweede man omkwam in Mosoel in Irak. ‘Door een raket of een luchtaanval.’
Het was inmiddels 2017 en de belegering van Raqqa in Syrië was begonnen. Toen ’s nachts haar vliezen braken liep ze volgens eigen zeggen bijna twee kilometer naar de dichtstbijzijnde kliniek terwijl de bommen op de stad vielen.
Na het baren van een zoon trok Muthana van het ene huis naar het andere, naarmate het gebied van het kalifaat verder kromp. Toen Raqqa eind 2017 viel, verhuisde ze naar al-Mayadin in het dal van de Eufraat. Toen al-Mayadin viel, verhuisde ze naar Hajin, en vandaar naar Shafa, een dorp in de laatste schilfer IS-gebied dat honderden luchtaanvallen te verduren kreeg. Ze trouwde voor de derde keer en scheidde na enige tijd weer van haar man, wiens naam ze niet wilde noemen.
Polman zei dat haar breuk met het kalifaat heftiger verliep, al een jaar na haar aankomst. Ze zei dat ze probeerde te ontsnappen maar werd betrapt door veiligheidsagenten van IS toen ze op de markt een vrouw vroeg of ze een smokkelaar kende die haar zou kunnen helpen. Ze zei dat ze werd opgesloten in een cel in Raqqa, waar ze zo lang bleef dat ze uiteindelijk alle 4422 tegels had geteld.
Ze zei dat ze herhaaldelijk uit haar cel werd gehaald om te worden verhoord. En dat ze op een avond werd verkracht.
‘Ze namen me mee via de gang, en het was aardedonker,’ zei ze. ‘Er waren dikke metalen deuren en ik herinner me dat ik uitgleed, en ze schopten me.’ Ze zei dat de gevangenbewaarders haar waarschuwden dat als ze de verkrachting ooit zou melden, ze zouden zeggen dat ze bewijs hadden dat ze een spionne was. Voordat ze haar vrijlieten, zei ze, lieten ze haar een verklaring ondertekenen in zowel het Arabisch als het Engels waarin stond dat als ze opnieuw zou proberen te ontsnappen ze de hukm zou accepteren, de doodstraf volgens de shariawet.
‘Het is moeilijk om van gedachten te veranderen als je alles hebt verloren en opgeofferd’
De twee vrouwen, die een generatie in leeftijd verschillen, ontmoetten elkaar en raakten bevriend in de laatste uithoek van het kalifaat, dat tegen januari uit nog geen vijftien vierkante kilometer bestond. Het omsingelde gebied kampte met verscheidene tekorten. Toen er geen papieren luiers meer te krijgen waren, knipten de twee vriendinnen handdoeken in stukken. Toen er moeilijk aan eten viel te komen, verzamelden ze gras uit spleten tussen de stoeptegels, kookten het en dwongen zichzelf het op te eten. ‘Als je een aardappel zag,’ aldus Muthana, ‘was het alsof je een Lamborghini zag.’ Ze begonnen over vluchten te praten, en ze zeiden dat ze steeds meer gruwden van de keuze die ze hadden gemaakt.
‘Het is moeilijk om van gedachten te veranderen als je alles hebt verloren en opgeofferd. Ook al voel je dat er iets niet klopt, dat dit niet oké is, toch denk ik dat het heel erg moeilijk is om een ommezwaai te maken als je alle bruggen achter je hebt verbrand,’ zei Polman.
IS verbood mensen te vertrekken en zette landmijnen en scherpschutters in om dat te voorkomen. Maar vorige maand, zei Muthana, besloot ze het toch te proberen door aan te haken bij een Syrische familie die Shafa rond het schemeruur verliet. Ze nam alleen haar baby mee in zijn kinderwagen, zei ze. Toen de duisternis inviel, raakte de groep verdwaald en bracht de nacht door in de ijzige kou. De volgende dag, op 10 januari, voltooide ze de reis en gaf zich over aan Amerikaanse troepen in de Syrische woestijn, die haar vingerafdrukken namen.
Enkele dagen later volgde Polman via dezelfde route en gaf zich ook over. Na enkele weken, waarin ze geen contact hadden met de Amerikaanse of Canadese autoriteiten, benaderden zij en Muthana het Rode Kruis om hulp te krijgen. Ze hebben ook contact met een advocaat die probeert hun terugkeer naar Noord-Amerika te bewerkstelligen.
Muthana gaf de advocaat een handgeschreven briefje: ‘Ik besefte dat ik niet inzag of misschien zelfs niet eens begreep hoe belangrijk de vrijheden zijn die we in Amerika hebben. Nu doe ik dat wel,’ schreef ze. ‘Ik kan moeilijk onder woorden brengen hoeveel spijt ik heb van wat ik in het verleden heb gezegd, van de pijn die ik mijn familie heb gedaan en van de overlast die ik mijn land heb bezorgd.’ Volgens adjunct-directeur Hughes van het George Washington University Program on Extremism zijn de Verenigde Staten verplicht haar naar huis te halen, ‘maar wel met handboeien om’.
Rukmini Callimachi deed verslag vanuit Syrië, Catherine Porter vanuit Toronto. Adam Goldman en Edward Wong leverden bijdragen vanuit Washington, en Glenny Brock vanuit Alabama. Kitty Bennett deed research.
Vertaler: Peter Bergsma
Hadden de Syriërs beter niet in opstand kunnen komen tegen president Assad? Het lijkt gezien alle slachtoffers misschien een terechte vraag, maar dat is het niet, schrijft Youssef Bazzi. ‘De schuld ligt niet bij de bevolking, maar bij het regime.’
‘De revolutie had nooit mogen uitbreken,’ zeggen miljoenen Syriërs en andere Arabieren. Een opvatting die stoelt op de rampspoed en de verschrikkingen die alle Syriërs hebben bezocht. Het contrast tussen de dromen die de aanhangers van de revolutie koesterden en wat er op die revolutie volgde, is dan ook ondraaglijk.
Als er geen revolutie was geweest, zo luidt de verleidelijke redenering, waren er geen 500.000 Syriërs omgekomen en geen 2 miljoen mensen door kogels of granaatscherven verwond, zouden er geen 250.000 gevangenen zijn gemarteld noch 5 miljoen burgers zijn gevlucht of in ballingschap gegaan, waren er geen 6 miljoen anderen ontheemd geraakt en geen tientallen steden en honderden dorpen verwoest.
Zeven jaar van pijn, van tranen, van honger, van angst en moeten vluchten hadden voorkomen kunnen worden als de Syriërs deze vervloekte revolutie niet waren begonnen. Het leven was doorgegaan zoals het zich generaties lang had voltrokken, in een prachtig, bruisend, rijk en kalm Syrië. Zelfs een meedogenloze tirannie zou verre te verkiezen zijn geweest boven een vernietigd, verscheurd, verloren land.
De noodzakelijke uitkomst van een dergelijke logica is dat het bewind niet verantwoordelijk is voor wat deze oorlog heeft aangericht
De overtuigingskracht van een dergelijke voorstelling van zaken berust op een typisch menselijk instinct, waarvan het Syrische regime en zijn aanhangers gebruik hopen te maken om de meerderheid van de bevolking de schuld van de burgeroorlog in de schoenen te schuiven. Deze burgers hadden de vastbeslotenheid van het regime en de middelen die het tot zijn beschikking had onderschat door het aanvankelijk, in al zijn wreedheid, met een civiele opstand te tarten. Vervolgens grepen die burgers naar de wapens om hun huis en haard en dierbaren te verdedigen, en vernietigden ze het land.
De Syriërs verwijten dat zij een bloedige tragedie hebben uitgelokt omdat zij in opstand kwamen, dat zij voor politiek realisme hadden moeten kiezen, is een zuivere vorm van hypocrisie: het regime treft geen blaam, juist vanwege zijn brute aard. De schuld ligt dus bij de Syriërs, die na tientallen jaren van repressie beter hadden moeten weten. De noodzakelijke uitkomst van een dergelijke logica is dat het bewind niet verantwoordelijk is voor wat deze oorlog heeft aangericht.
De Syriërs die spijt hebben van de revolutie die in maart 2011 uitbrak, hadden liever continu onder het juk van een tirannie geleefd. Dat was immers altijd beter dan de dood die nu al zeven jaar lang om zich heen grijpt in het land. Ze vergeten één ding: vanaf 1970, toen Hafez Assad, vader van de huidige president, de macht greep, hebben Syriërs herhaaldelijk het risico van een revolutie en de prijs van de onderdrukking tegen elkaar afgewogen. Ruim veertig jaar lang aanvaardden ze dat een afschuwelijk regime beter was dan oorlog en vernietiging, dat stilte en angst de voorkeur genoten boven de strop. Degenen die zich thans in spijt wentelen zijn vergeten dat het Syrische volk gedurende het bewind van de Baath-partij het hoofd boven water hield met wijsheden als ‘liever vernedering dan het graf’ of ‘liever onderwerping dan de dood’.
De Syriërs hadden de lessen geleerd van de in bloed gesmoorde opstanden van Hama, Jisr al-Shoeghoer en Aleppo in de vroege jaren tachtig. Maar de wapenstilstand die ze daarop met Assad sloten omwille van civiele vrede en stabiliteit werd op den duur ondraaglijk. Zijn we al vergeten dat de Syriërs afzagen van een opstand in 2000, na het overlijden van president Hafez Assad, en in 2005, toen de Syrische troepen zich gedwongen uit Libanon terugtrokken? Tweemaal werd de ‘Damasceense lente’ afgezegd uit vrees dat deze in een uitslaande brand zou ontaarden.
Je kunt het ook zo zien: het regime heeft de revolutie zelf veroorzaakt. Het heeft er zelf voor gezorgd dat de mensen van Deraa, Homs en de buitenwijken van Damascus niet meer konden zwijgen. Het heeft de demonstraties aangegrepen om de woede op te stoken en te verspreiden. Het onderdrukte de protestbeweging op buitensporige wijze, om alle Syriërs te pijnigen. Met andere woorden, de revolutie is door het regime gefabriceerd. Dit was het moment waarop het had gewacht om het land de oorlog te verklaren.
Voor iedereen die het discours van loyalisten van het Syrische regime de afgelopen zeven jaar heeft gevolgd, de speeches van Bashar Assad heeft gehoord, alsmede de lof die ‘dichters’ en ‘kunstenaars’ hem toezongen, was het duidelijk hoe mateloos zij de Syriërs minachtten, hoe hartgrondig ze het volk haatten en hoezeer zij het wensten uit te roeien. Het regime en zijn handlangers wilden niet langer gedwongen samenleven met de meerderheid van de bevolking. In de ogen van het bewind was de revolutie een oorlog waard. Er deed zich onverhoopt de kans voor om Syrië buit te maken, het te koloniseren zelfs. Deze oorlog is namelijk een ware kolonisatieoorlog, compleet met uitroeiing, zuivering van hele gemeenschappen en demografische herschikking.
Nu, na zeven jaar, na wat in formele diplomatieke taal wordt gekenschetst als ‘de ergste humanitaire ramp sinds de Tweede Wereldoorlog’, luidt de eis aan de Syriërs dat zij een eind maken aan het bloedvergieten en het land beschermen – wat ervan is overgebleven. Niet alleen worden zij geacht te capituleren en hun nederlaag te erkennen (een kwestie van tijd), ook dienen zij, en dat is het allermoeilijkste, terug te keren in de schoot van het regime. Onder twee voorwaarden: ten eerste dat het regime wordt schoongewassen van alles wat het heeft aangericht en dat de schanddaden van zijn leger, zijn milities en zijn bondgenoten worden vergeten. De tweede eis, nog erger dan stilzwijgen, spijt en berouw, is de verplichting om van dit regime te houden. De zegevierende macht is niet langer tevreden met een geterroriseerd en onderdanig volk, want dat levert geen duurzame loyaliteit op. Elke terugkeer onder de vleugels van het bewind die een gedwongen indruk maakt, wordt streng bestraft. Aan de machthebbers de taak om ieders geest en geweten te doorzoeken op mogelijke kiemen van toekomstige opstandigheid.
Absolute liefde
Absolute liefde als voorwaarde voor overleving. Erger nog, de slachtoffers moeten uit het collectieve geheugen verdwijnen. Het is zaak dat de doden hun dood verbergen en dat de gefolterden hun beulen bedanken en hun handen kussen. Wat de levenden betreft: zij moeten zich schamen dat ze het hebben overleefd. Het regime eist van de Syriërs dat zij de door hun president tegen hen gepleegde misdaden beschouwen als een zegen, omdat hij ze van de zonde en de zelfmoord heeft gered.
Daarom is het idee dat de revolutie had moeten worden vermeden, niets anders dan een veroordeling tot slavernij. Het is het onveranderlijke antwoord op de vraag die de handlangers van Assad stelden toen zij de hoofden van de demonstranten met hun laarzen verpletterden: ‘Ach, is dat wat jullie willen? Vrijheid?’
Syria TV is een van de vele particuliere Syrische nieuwskanalen met een multimediasite. Het is gevestigd in Turkije en propageert de ‘waarden van de revolutie’ door op te roepen tot inclusief burgerschap en zowel de dictatuur als religieus extremisme te verwerpen. Syria TV is in 2017 opgericht door een groep jonge Syrische journalisten.
360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.
LITERATUUR | Griekse tragedie in tijden van IS
Kamila Shamsie over moslims, migratie, terrorisme en verraad
In Sophocles’ tragedie Antigone moet de gelijknamige hoofdpersoon, dochter van Oedipus, besluiten of ze het lijk van haar jongere broer, die hun beider broer verraden heeft, zal begraven of laten liggen om door de honden te worden verslonden, zoals de koning gebiedt te doen met verraders. Net als Antigone neigde men in het Oude Griekenland naar phusis, natuurwetten, boven nomos, door de mens gemaakte wetten.
De Pakistaans-Britse schrijfster Kamila Shamsie, winnaar van o.a. een prestigieuze literatuurprijs in haar land van herkomst en groot theaterliefhebber, werd benaderd voor een remake van het toneelstuk, wat resulteerde in de roman Home Fire. In dit geval sluit de verradende broer zich aan bij een tak van de IS. Hun vader verwerkte geen kinderen bij zijn moeder, maar kwam als jihadstrijder om toen hij na een marteling naar Guantánamo werd overgeplaatst. De Washington Post vat het dilemma samen als ‘Wat is de verantwoordelijkheid van een zus voor haar voor IS strijdende broer’?
The Guardian vindt het slim van Shamsie om het immigratieprobleem te benaderen middels een verhaal dat zo verankerd is in de westerse canon, al is deze strategie soms ook geforceerd: ‘De actualiteit van het verhaal strookt niet altijd met de tijdloosheid van het stuk, en het noodlot is moeilijk te rijmen met de individuele keuzes van de personages.’
Peter Ho Davies van The New York Times is verdeeld over Shamsies poëtische taalgebruik ‘dat soms een eigen leven gaat lijden’: na een citaat van een alinea over het woord verdriet verzucht hij ‘Laat dat verdriet toch met rust’. Maar hij prijst haar vermogen ‘de benarde positie van Britse moslims’ op humoristische wijze in taal te vatten. Bijvoorbeeld in de beginscène, waarin oudste zus Isma urenlang wordt ondervraagd als ze voor haar PhD naar Amerika wil reizen en haar spullen ‘zo grondig worden gecheckt dat de douanebeambten niet zozeer naar verborgen vakken op zoek lijken als wel de kwaliteit van de materialen willen beoordelen’. Ook introduceert ze het begrip GWM: Googling while Muslim.
Haar eigen Googlezoektocht naar IS-strijders had Shamsie nooit aangedurfd als ze vóór het schrijven van de roman niet haar verblijfsvergunning had gekregen, zegt ze in een interview met Vogue.The Irish Times prijst desalniettemin haar moed om onder ogen te zien dat ‘alle partijen schuld hebben’. ‘Personages, ook gezaghebbers, worden vaak sympathiek afgeschilderd doordat hun eigen morele dilemma’s aan het licht komen. Deze omzeiling van clichés zal sommigen aanspreken, maar de woede wekken van lezers die een meer zwart-witbenadering verlangen van terroristen versus niet-terroristen, moslims versus niet-moslims, de staat versus de burgers.’
Tragediegetrouw moet het einde van Home Fire zo ‘schokkend’ (Publisher’s Weekly) en ‘explosief’ (New Statesman) zijn dat recensenten zich geen spoiler alerts veroorloven. Rahul Jacob van Financial Times verklapt alleen dat hij de roman twee keer las om tot de juiste interpretatie te komen. Davies (NYT) verwijst naar een scène uit de film Pather Panchali, waarin het huilen van twee ouders om hun overleden dochter overgaat in ‘hoge, schelle muziek, die klinkt als de schreeuw van de ziel’, en besluit met: ‘Er klinkt hoge, schelle muziek aan het einde van Home Fire.’
Huis is brand verschijnt begin mei in een vertaling van Anne Jongeling bij Uitgeverij Signatuur.
FOTOGRAFIE | De hipsters van 1849
‘Deze foto’s zijn niet oud. Wij zijn oud’
170 jaar geleden werd Californië ook al bevolkt door hipsters, getuige de portretten op de tentoonstelling Gold and Silver, vanaf 20 april te zien in fotomuseum Foam. ‘Zowel hun haardracht als hun uitstraling en zelfs hun kleding’ komen volgens The Guardian overeen. Dit was de tijd van de Californische goudrush, die begon nadat houthakker James W. Marshall in 1848 het edelmetaal aantrof in het plaatsje Colomo in Californië. Honderdduizenden mannen, de zogenaamde 49ers, lieten hun gezinnen achter en legden de gevaarlijke reis af naar het toen nog ruige gebied, waar geen claimrecht bestond en het goud dus haast letterlijk en figuurlijk voor het oprapen lag. ‘Jongemannen met een zucht naar wetteloosheid en bezit’, noemt Sarah Moz de geportretteerden in The New York Times.The Guardian typeert ze als ‘artistieke avonturiers’.
Dit was immers ook de tijd van de daguerreotypie, een fotografische techniek die gebruikmaakt van een zilverplaat en tien jaar eerder aan de andere kant van de oceaan, in Parijs, werd uitgevonden. Werd dit in Frankrijk beschouwd als een puur wetenschappelijke ontwikkeling die sowieso inferieur was aan de schilderkunst, schrijft HyperAllergic, de Amerikanen zagen het als democratische zege dat portretten nu niet langer waren voorbehouden aan de aristocratie, en de goudzoekers waren de eerste groep die zich massaal liet fotograferen, meestal vlak na aankomst of vlak voor vertrek.
‘Denk je bij oude foto’s aan stoffig, gelig en saai, deze portretten ontkrachten dat vooroordeel volledig’, aldus Moz in_ NYT._ In een interview met BJP vergelijkt Luce Lebart, samensteller van het boek Gold and Silver (en aanwezig bij de opening in Amsterdam) de opkomst van fotografie in dit tijdperk met de opkomst van virtual reality nu. ‘Die foto’s zijn niet oud, ze zijn de jeugd van het medium. Wij zijn oud.’
Ook de bewerking van de foto’s doet eigentijds aan, schrijft Moz. ‘Een mix van koper en brons moest accessoires als boutonnières of horloges accentueren, zoals dat nu in grafische vormgeving gebeurt.’ Het opvallende kleurgebruik deed schilder Samuel Morse de daguerrotypieën in een brief uit 1839 als ‘ware Rembrandts’ bestempelen. Lebart beaamt tegen BJP dat de contrasten en details ‘onbeschrijfelijk’ zijn, evenals de blikken, waarin volgens Daily Mail vaak ‘de beloften van gouden bergen’ doorschemeren. En soms de desillusie. Vanaf 1856 werd de winning van goud steeds bewerkelijker en droogde de toestroom van gelukszoekers op. Maar de reputatie van Californië als goudkust was gevestigd.
FILM | Alles wat je verwachtte en meer
Poëtisch drieluik van Samuel Maoz
Hoe hoog je verwachtingen ook zijn, deze film maakt ze waar en overtreft ze, begint Kenneth Turan zijn recensie van Foxtrot, de nieuwe film van de Israëlische filmmaker Samuel Maoz, in de LA Times. En met acht Ophirs in eigen land, een Zilveren Leeuw in Venetië, een nominatie voor de Academy Award en veel lof voor zijn vorige film Lebanon (2009), vervolgt hij, is er best wat reden voor hooggespannen verwachtingen.
Ook dat de Israëlische minister van Cultuur, Miri Regev, de film in Haaretz’ woorden ‘de oorlog verklaarde’ is voor velen een aanbeveling. Regev probeerde de organisatie van het Israeli Film Festival in Parijs ertoe over te halen een andere openingsfilm te kiezen, waarop directeur Hélène Schoumann zich liet ontvallen dat Regev misschien toch niet zo erg van cultuur houdt. En van democratie al evenmin, vermoedt Haaretz.
Foxtrot is een drieluik over achtereenvolgens twee ouders die het nieuws krijgen dat hun zoon in het leger is omgekomen, de verveling van deze zoon en zijn compagnons op hun post in de woestijn, waar ‘meer kamelen dan mensen voorbijkomen’ , en hoe de ouders verder proberen te gaan met hun leven. Regev viel met name over een scène waarin de Israëlische soldaten bij het controlepunt per ongeluk onschuldige inzittenden van een auto vermoorden en hun fout proberen te verdoezelen; ‘een belediging voor de Joodse gemeenschap’, aldus de minister. Maoz, die zelf aan de Israëlisch-Libanese Oorlog van 1982 deelnam, vertelt Telerama dat deze allegorische scène illustreert hoe Israël ‘de waarheid liever in de modder begraaft dan hem onder ogen te zien’. Ook wijst hij erop dat zelfs de meest patriottische Amerikanen Michael Cimino en Oliver Stone niet als verraders beschouwen vanwege hun films over de Vietnam-oorlog.
Vulture noemt Maoz een ‘dichter-regisseur’ omdat niet alleen deze scène, maar de gehele film in metaforen wordt verteld. (De titel is de naam van de controlepost, maar natuurlijk ook van de quickstepachtige dans ‘waarbij partners over de vloer zigzaggen zoals de regisseur tussen zijn vertellingen heen en weer beweegt’.) De surreële beelden van cameraman Giora Bejach, die volgens LA Times ‘op geen enkele manier geïnteresseerd is in een normale manier van vertellen’, verschaffen het geheel bovendien een vreemd soort schoonheid, schrijft The Jerusalem Post.
Rolling Stone noemt het dan ook ‘de zoveelste fuck-up van de Academy’ dat Maoz niet de Oscar voor beste film van 2018 heeft gekregen. Maar volgens Vulture is dit de zoveelste aanbeveling: blijkbaar was de film te bijtend.
Met de verovering van de Koerdische stad Afrin heeft Turkije de Syrische crisis nog onontwarbaarder gemaakt, schrijft de Turkse oppositiesite Gazete Duvar.
Het tiende leger ter wereld – het tweede van de NAVO – veroverde op 19 maart het stadje Afrin in Syrisch Koerdistan, vlak over de Turkse grens. Als we de Turkse propaganda mogen geloven, had de verovering zelfs maar een dag hoeven duren. Dat zou betekenen dat het stadje 59 dagen de tijd had gekregen om zich over te geven.
Naar goed gebruik werd de zege gevierd door huizen en bedrijven grondig te plunderen. Degenen die in de gelegenheid waren auto’s, tractoren, motorfietsen of generatoren te bemachtigen, hadden geluk. Anderen moesten genoegen nemen met koeien, geiten, dekens en bedden; nog anderen met conservenblikken en flessen ketchup. De foto’s van de plundering laten een onuitwisbare indruk na van deze ‘Operatie Olijftak’.
Holle woorden
De opdrachtgevers van de operatie kunnen nu wel hun afkeuring betuigen over het wangedrag, en de rechtbanken kunnen een aantal plunderaars veroordelen, dat alles neemt niet weg dat hier geen sprake is van een incident. We zijn teruggekeerd naar de aloude traditie van roofmoorden, van het binnenslepen van buit, en van de religieuze sanctionering van dit alles binnen de jihadistische traditie waarop de daders zich beroepen. Maar wat zij hebben aangericht zal voor altijd in het geheugen van hun slachtoffers gegrift staan.
Ongeveer 200.000 mensen moesten van Afrin naar Tell Rifaat, Manbij of Aleppo vluchten. Hun dierbaren werden gedood, hun bezittingen geplunderd, hun levens verminkt. Een bijkomstigheid voor de architecten van de operatie, waarvan de demagogische speeches nochtans worden opgesmukt door humanistische en barmhartige woorden die iedere geloofwaardigheid ontberen.
Door de verovering van Afrin vormt het Syrische gebied tussen Azaz en Idlib nu een door jihadistische groepen bezette halvemaan, bedoeld als Turks schild. Land dat de krijgsheren zullen willen koloniseren en bezetten en dat ze elkaar ongetwijfeld zullen betwisten zodra de plunderingen voorbij zijn. Vanaf het begin van de Syrische crisis hebben sommigen verklaard dat ze Damascus zullen bevrijden en het bewind van Sultan Erdogan de Eerste zullen uitroepen. Op dit moment is alles zo onzeker dat zij zich voorlopig wellicht tevreden zullen stellen met Afrin.
Nu is het zaak ‘Afrin terug te geven aan zijn werkelijke eigenaren’, zoals onlangs werd meegedeeld door de Turkse president, die wil dat er zich families van de aan hem gelieerde Syrische rebellen vestigen. Maar wie zijn deze ‘werkelijke’ eigenaren precies? Het feit dat de ‘bevrijding van Afrin’ wordt toegejuicht door een handjevol naar voren geschoven Koerden die gekant zijn tegen de PYD (de grootste Koerdische partij in de regio), doet niets af aan de lokale werkelijkheid. Mensen die hun huizen hebben moeten verlaten zullen de nieuwe bewoners als bezetters blijven zien.
Ongetwijfeld zullen zich binnenkort in een hotel aan de grens enkele mensen afkomstig uit Afrin verzamelen om deze politiek van bezetting te legitimeren. Maar zij zullen even representatief zijn voor de lokale bevolking als de plunderaars – door Ankara voor de gelegenheid tot ‘Syrisch nationaal leger’ bestempeld – representatief zijn voor de Syrische bevolking.
Het heeft geen zin om lang stil te staan bij de overwinning van een staat met de omvang van Turkije op een militie als de Volksbeschermingseenheden (YPG, de gewapende vleugel van de PYD). Wat veel meer aandacht verdient is het feit dat dit gevaarlijke avontuur er alleen maar toe heeft geleid dat Turkije zich weer van de Koerden heeft vervreemd, dat de jihadisten die een vloek zijn voor de regio nieuw territorium is geschonken, dat nieuwe humanitaire crises in het verschiet liggen en dat de Syrische crisis nog onontwarbaarder is geworden. Waar we ons zorgen om moeten maken is het feit dat nationalisme, racisme en opgeblazen retoriek vaste waarden zijn geworden voor het behalen van binnenlands politiek voordeel.
Deze vraag behoort nu op ieders lippen te liggen: waarom heeft de YPG, die bereid was een zware prijs te betalen in de strijd om Raqqa, Tabka en Deir ez-Zor – ver van de overwegend Koerdische regio – zich zo snel teruggetrokken uit een plaats die zo belangrijk voor ze is en zo veel symbolische betekenis heeft als Afrin? Om de vernietiging van de stad te voorkomen, stelt de YPG zelf, om burgers te sparen. Het zou niet gaan om een volledige terugtrekking, maar om het begin van een guerrilla. Was het verlaten van de stad simpelweg onvermijdelijk, of de vrucht van afwegingen die ons onbekend zijn? Zit achter deze terugtrekking iets anders dan de eenvoudige uitkomst van de militaire machtsverhoudingen ter plaatste? De tijd zal het leren.
In Afrin hebben de Koerden de tol betaald voor hun blinde vertrouwen in en hun afhankelijkheid van de Verenigde Staten. Door hun eigen verlangens ondergeschikt te maken aan hun bondgenootschap met de Amerikanen, hebben ze grote risico’s genomen. In de strijd tegen IS die ze onder Amerikaanse supervisie voerden, raakten de Koerden in de omstandigheid verzeild dat ze overwegend Arabische, op IS veroverde gebieden moesten besturen. Sommige van deze gebieden hebben aanzienlijke olie- en gasreserves. Ze moesten ook de bouw aanvaarden van Amerikaanse kazernes en bases. De andere spelers in het conflict vatten een en ander op als provocaties. Dat gold voor Turkije, dat de Amerikaanse NAVO-bondgenoten het ultimatum stelde: de Koerden of wij? En het gold voor het Syrië van Assad, dat zich om zijn territoriale integriteit bekommerde, en voor zijn Russische bondgenoot, die de Koerden met Afrin een lesje wilden leren.
Ze stelden het zich zo voor dat deze samenwerking hun politieke erkenning, bescherming tegen Turkije, en een belangrijk aandeel in de onderhandelingen met het Syrische regime zou opleveren. Het bleek een misrekening
Daarom heeft Moskou de Turkse operatie mogelijk gemaakt door de Turkse luchtmacht toestemming te geven Afrin te bestoken. De Russen hebben de Turken ook toezeggingen gedaan in ruil voor Ankara’s medewerking en stilzwijgen ten aanzien van de operaties van de Syrische en Russische legers in Ghouta [ten oosten van Damascus] en de regio Idlib [in het noorden van Syrië]. Tezelfdertijd zaaiden de Russen hiermee tweedracht tussen Ankara en Washington en hopen ze de Koerden van de Amerikanen los te weken en in de armen van Damascus te drijven. De Koerden zetten hun kaarten op de Amerikanen door deel te nemen aan operaties tegen de Islamitische Staat in Raqqa en Deir ez-Zor. Ze stelden het zich zo voor dat deze samenwerking hun politieke erkenning, bescherming tegen Turkije, en een belangrijk aandeel in de onderhandelingen met het Syrische regime zou opleveren. Het bleek een misrekening.
Samenvattend: de verovering van Afrin zal Turkije op den duur slecht bekomen. En de Koerden zullen zich nog achter de oren krabben over hun strategische keuzes.
Internetkrant van linkse signatuur met als motto ‘principieel, onafhankelijk, objectief nieuws’. Wordt gepubliceerd door advocaat en media-ondernemer Ali Duran Topuz.
De Britse, nog altijd anonieme straatkunstenaar Banksy heeft na vijf jaar weer van zich laten horen.
Dit keer protesteert hij tegen de opsluiting van Zehra Dogan met een meer dan 21 meter lang fresco in Houston Street en Bowery, Manhattan. De Turkse kunstenares werd vorig jaar veroordeeld tot een celstraf van bijna drie jaar voor haar schilderij over Nusaybin, een door de overheid verwoest Turks dorp vlak bij de Syrische grens. Talloze turfjes tellen de dagen van haar gevangenschap en staan tegelijkertijd voor de tralies van haar cel.
Er doen steeds meer geruchten de ronde over een ophanden zijnde oorlog tussen de coalitie onder leiding van Iran en een onwaarschijnlijk Israëlisch-Saoedisch bondgenootschap, maar een scenario daarvoor is moeilijk voorstelbaar. Hoewel de twee graag met hun tegenstander zouden willen afrekenen, heeft geen van beide er voorlopig belang bij een militaire confrontatie aan te gaan. Een rondgang langs de partijen die graag een goede oorlog zouden willen… maar dan wel bij volmacht.
IRAN
Sinds zes jaar investeert de Iraanse Revolutionaire Garde (IRG) in Teheran zwaar in Syrië om het regime van Assad te steunen. Deze steun kent diverse vormen: het sturen van ‘militaire adviseurs’ van de Sepah-e Qods, een speciale afdeling van de IRG, het inzetten van enkele duizenden (Libanese) Hezbollahstrijders, het aanvliegen van nieuwe wapens naar de luchthaven van Damascus, het werven door sjiitische milities van duizenden burgers (voornamelijk Afghaanse vluchtelingen) en het verstrekken van kredieten ter hoogte van 1 miljard dollar om de solvabiliteit van de clan van Assad te garanderen. Toch is dat alles onvoldoende gebleken voor een definitieve overwinning van het Syrische regime, dat daardoor slechts in het zadel werd gehouden totdat in september 2015 de Russen tussenbeide kwamen. Nu het voortbestaan van Assad verzekerd is, heeft Iran van de situatie gebruikgemaakt door zeer belangrijke strategische mijnconcessies in Syrië te bedingen en het recht om er een luchtmachtbasis en een militaire haven in de Middellandse Zee te bouwen.
ISRAËL
Bedient zich afwisselend van diplomatieke druk en militaire dreigementen om Teheran ervan te weerhouden een permanent bastion in Syrië te vestigen. Dit Israëlische beleid lijkt in te spelen op een interne strijd binnen het Iraanse regime, waar sommige facties van mening zijn dat de miljardeninvesteringen in de Syrische infrastructuur een beletsel zijn voor het economisch herstel van Iran zelf. Voorlopig heeft Teheran er geen enkel belang bij om in Syrië of Libanon een oorlog te ontketenen tussen zijn plaatselijke bondgenoten en Israël. Iran zou de confrontatie met Israël liever op een ‘gemakkelijker’ terrein willen aangaan: de zuidgrens tussen Israël en de Gazastrook. Een delegatie van Hamas (dat nog steeds Gaza bestuurt) was onlangs op bezoek in Teheran, en een tweede bezoek is binnenkort voorzien.
De relatie tussen Hamas en Iran is bekoeld aan het begin van de Syrische oorlog, toen Iran het Syrische regime hielp honderdduizenden soennieten af te slachten, onder wie de Moslimbroeders, die bondgenoten waren van Hamas. Op het hoogtepunt van de burgeroorlog had Iran zijn steun aan de tegenstander van Hamas, de Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ), zelfs opgevoerd. Maar nadien is de relatie verbeterd en zou Iran het oogluikend toelaten als Hamas en de PIJ hun krachten zouden bundelen om incidenten aan de Israëlische grens uit te lokken en de Israëlische aandacht af te leiden van het Syrische strijdtoneel.
DE GAZASTROOK
Ondanks de Iraanse bemoeienis kent de Gazastrook zijn eigen problemen, en hoewel Hamas dolblij is dat zijn relatie met Teheran is hersteld, liggen zijn belangen momenteel in Caïro, waar afgelopen oktober een verzoeningsakkoord is getekend met Al-Fatah en de Palestijnse Autoriteit. Egypte wil dat Hamas de orde in Gaza bewaart en dat de strook geen logistieke vrijplaats wordt voor IS-strijders in de Sinaï. Als er al twijfel bestond, met name in Israël, over de vraag of de onderlinge Palestijnse verzoening het zoveelste fiasco zou zijn, dan is die definitief weggenomen toen Israël op 30 oktober een tunnel van de PIJ verwoestte waarbij veertien PIJ– en Hamasstrijders omkwamen. In andere tijden zou zo’n operatie onmiddellijk tot Palestijnse represailles hebben geleid, maar die zijn ditmaal uitgebleven. Sterker nog, Hamas heeft de PIJ gedwongen de officieuze wapenstilstand te respecteren die in de zomer van 2014 met Israël overeen was gekomen.
HAMAS
De islamitische verzetsbeweging Hamas die al sinds juni 2007 aan de macht is in Gaza, heeft zich zeker niet bekeerd tot het zionisme. Maar de permanente blokkade door Israël van de Gazastrook en de verslechterde economische situatie hebben de nieuwe ‘premier’ van Hamas, Yahya Sinwar, tot de pijnlijke conclusie gebracht dat er zo snel mogelijk een akkoord moet worden gesloten met buurland Egypte en de Palestijnse Autoriteit. Zo niet, dan zal de situatie in de Gazastrook volledig uit de hand lopen. Sinwar is een politieke havik die lange jaren in Israëlische gevangenissen heeft doorgebracht, maar hij is ook afkomstig uit Gaza en kent de politieke spelletjes maar al te goed. En de Hamasdelegatie die naar Teheran is gestuurd legt in Gaza geen enkel gewicht in de schaal.
EGYPTE
Het is nog niet zo lang geleden dat Egypte als de meest vastberaden Arabische partner werd beschouwd in de regionale coalitie die tegen Iran in het leven was geroepen. Maar door zijn zwakke politieke en economische positie heeft het land zich gedwongen gezien pas op de plaats te maken en zich te concentreren op het elimineren van IS in de Sinaï, waar enkele honderden jihadisten dagelijks een veel zwaarder bewapende Egyptische strijdmacht uitdagen. Paradoxaal genoeg is Egypte waarschijnlijk het land dat het meest te vrezen heeft van de eliminering van de bastions van Islamitische Staat in Irak en Syrië. De ontsnapte IS-strijders zijn bezig zich in het naburige Libië te vestigen en de terroristische beweging is er waarschijnlijk op uit haar bastions in de Sinaï te versterken. Daarom heeft Egypte afstand gedaan van zijn historische missie als leider van het soennitisch-Arabische front en de fakkel overgedragen aan Saoedi-Arabië.
SAOEDI-ARABIË
De gebeurtenissen van de afgelopen tijd in Riyad hebben zelfs de best geïnformeerde waarnemers verrast: grootscheepse arrestatie van hooggeplaatste Saoediërs, met inbegrip van prinsen, op verdenking van corruptie; de benoeming op sleutelposities van vertrouwelingen van prins Mohamad bin Salman, alias MBS; een raadselachtig helikopterongeluk waarbij een prins om het leven kwam; het onder druk zetten van vrienden van de Saoediërs, zoals de Libanese premier Saad Hariri (die in Riyad onmiddellijk zijn aftreden bekendmaakte) en Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) et cetera. Deskundigen kunnen alleen maar gissen naar de werkelijke motieven van MBS, die vermoedelijk ambitieuzer zijn dan de wens om zijn greep op het Saoedische koninkrijk te consolideren.
Een van de theorieën over het aftreden van Hariri is dat hij bevel zou hebben gekregen naar Riyad te vluchten, zodat hij niet betrokken zou raken bij een ophanden zijnde, door Saoedi-Arabië gesteunde operatie van Israël tegen Libanon, oftewel een Israëlische aanval op Hezbollah. Het feit dat Hezbollah van een poging tot moord op Hariri is beschuldigd versterkt deze theorie alleen maar. De Saoediërs zouden ongetwijfeld dolblij zijn om hun Iraanse vijanden afgestraft te zien, en vanuit dat oogpunt zou Hezbollah een uitgelezen doel zijn. Maar het geval wil dat Riyad niet zelf een oorlog tegen Teheran kan beginnen. Tweeënhalf jaar geleden zijn de Saoediërs verwikkeld geraakt in een oorlog tegen de door Iran gesteunde Houthi’s in Jemen. Dat werd zo’n fiasco dat de laatsten er begin november in zijn geslaagd een raket af te vuren op de internationale luchthaven van Riyad. Het is dus moeilijk voorstelbaar dat de Saoediërs zich aan een offensief in het Golfgebied wagen tegen een veel sterker en krijgsvaardiger Iran. Vooral op het moment dat MBS zijn handen vol heeft aan binnenlandse politieke uitdagingen.
HEZBOLLAH
Na zes jaar strijd in Syrië onder de vlag van Iran kan Hezbollah zich beroepen op indrukwekkende overwinningen en een ruime mate van militaire ervaring, dankzij een geavanceerd wapenarsenaal en het bevel over indrukwekkende paramilitaire Syrische brigades. Maar de organisatie heeft minstens achthonderd manschappen in de strijd verloren terwijl enkele duizenden zwaargewond zijn geraakt, oftewel een kwart van haar troepen aan het begin van de oorlog in Syrië. Zeker, er zijn duizenden nieuwe rekruten getraind en naar het Syrische front gestuurd, maar dat is op weerstand gestuit binnen de sjiitische gemeenschap in Libanon, waar velen van mening zijn dat Hezbollah zijn rol van ‘Libanese verzetsbeweging’ te lang heeft verwaarloosd en van Libanon een gijzelaar van Iran heeft gemaakt.
Militair gezien is Hezbollah niet meer in staat een oorlog tegen Israël te beginnen. De organisatie levert nog altijd strijd op diverse Syrische fronten en zou haar brigades weer op sterkte moeten brengen alvorens zich aan een nieuwe oorlog te wagen. Er zijn inmiddels achttien maanden verstreken sinds de moord op haar militaire bevelhebber Mustafa Badr al-Din, een aanslag waarvoor de opdracht zou zijn gegeven door Hassan Nasrallah, de feitelijke leider van Hezbollah, op aandringen van Iran. Badr al-Din is nog steeds niet vervangen. Bovendien heeft Nasrallah het aanzien verspeeld dat hij in de Arabische wereld genoot sinds de tweede Libanese oorlog in 2006, waarin Israël en Hezbollah tegenover elkaar stonden. Momenteel wordt hij niet langer gezien als de moedige speerpunt van het anti-Israëlische verzet, maar als moordenaar van Syrische verzetsstrijders tegen het regime van Assad. Nasrallah zou in de verleiding kunnen komen een nieuwe oorlog tegen Israël te beginnen in de hoop zijn imago op te poetsen, maar hij lijkt te beseffen dat zijn manschappen daar niet klaar voor zijn en dat vooral de vernietigende Israëlische represailles tegen de burgerinfrastructuur van Libanon een averechts effect zouden kunnen hebben. Nasrallah zou in dat geval door de Libanezen verantwoordelijk worden gehouden voor hun nieuwe leed. Maar als Hezbollah zich in zo’n kwetsbare positie bevindt, zou Israël dan niet in de verleiding kunnen komen daarvan te profiteren?
ISRAËL
Eén ding is vrijwel zeker. Zelfs als Hariri en de Saoediërs denken dat een Israëlische aanval op Libanon ophanden is, zou die niet voor begin december kunnen plaatsvinden. Israël is momenteel het toneel van de meest ambitieuze internationale militaire manoeuvres uit zijn geschiedenis, waaraan de luchtmachten van zeven andere landen deelnemen. Dit militair-diplomatieke machtsvertoon is al meer dan een jaar geleden gepland en de Israëlische luchtmacht heeft voorlopig geen tijd om zich met iets anders bezig te houden. Israël kan dus op zijn vroegst eind november een oorlog ontketenen, en dan alleen als de spanningen op zijn andere fronten zijn afgenomen.
Voorlopig moet Israël er tot elke prijs voor zorgen dat de rust rond de Gazastrook bewaard blijft. Zijn nieuwe ondergrondse afweersysteem tegen aanslagen vanuit de tunnels van Hamas en de PIJ is nog in ontwikkeling en zal pas eind 2018 operationeel zijn. Bovendien wil Israël de diplomatieke inspanningen van Egypte om de Gazastrook te pacificeren niet in de wielen rijden. Op de Israëlisch-Libanese grens, daarentegen, is de zaak-Hezbollah veel complexer. Zeker, Israël valt regelmatig doelen op Syrisch grondgebied aan, meestal op Hezbollahkonvooien die geavanceerde wapens naar Libanon willen brengen. Syrië heeft herhaaldelijk geprobeerd terug te slaan door weinig effectieve raketten op de Israëlische vliegtuigen af te vuren, maar noch het regime van Assad noch Hezbollah is uit op een escalatie. In militaire kringen in Israël gaan stemmen op voor een grote preventieve operatie op Libanees grondgebied ter voorkoming van raketaanvallen door Hezbollah, maar deze stemmen zijn voorlopig nog in de minderheid.
Ondanks zijn anti-Iraanse retoriek hoedt Benjamin Netanyahu zich ervoor de vijandelijkheden uit te breiden tot de belangrijkste handlanger van Iran, Hezbollah, en geeft hij de voorkeur aan precisieaanslagen. De lessen van de oorlog van 2006, die enkele weken duurde, liggen nog vers in het geheugen bij de militair verantwoordelijken in Israël, en de echte Netanyahu is in de grond van de zaak minder oorlogszuchtig dan hij voorgeeft te zijn. Hij is nooit voorstander geweest van grootscheepse militaire operaties die de mobilisatie van het hele leger vereisen, met het risico dat de waakzaamheid op andere fronten verslapt. Natuurlijk zou Netanyahu meer dan opgetogen zijn als iemand anders Iran blindelings te lijf zou gaan (de Amerikanen, om maar eens iemand te noemen). Maar hoewel de regering-Trump geen gelegenheid voorbij laat gaan om haar anti-Iraanse retoriek te ventileren, lijkt Washington niet te watertanden bij het idee van een oorlog die van retoriek in praktijk zou kunnen omslaan.
Op 6 november verklaarde John Kerry, de voormalige minister van Buitenlandse Zaken van Barack Obama, bij het Royal Institute of International Affairs in Londen dat de Israëlische, Saoedische en Egyptische leiders Obama allemaal hadden gesmeekt Iran te bombarderen. Zijn conclusie was dat geen van deze leiders zich daar rechtstreeks aan durfde te wagen. Dat is een mooie samenvatting van de situatie.
Haaretz (Het Land, aanvankelijk Hadashot Haaretz, Nieuws uit Het Land) werd opgericht in Jeruzalem in 1918, nog voor het einde van de Eerste Wereldoorlog en vlak na de Balfour-verklaring van 1917, die het ontstaan van de staat Israël (in 1948) een forse stap dichterbij bracht. De krant verhuisde in 1923 naar Tel Aviv.
Aanvankelijk werd de krant gesubsidieerd door het Britse militaire bestuur in Palestina, maar in 1919 werd hij overgenomen door een groep linkse zionisten. In 1935 werd Haaretz gekocht door de uit Berlijn afkomstige uitgever Salman Schocken. Diens zoon Gershom was hoofdredacteur tussen 1939 en 1990, zijn kleinzoon Amos is de huidige uitgever. Haaretz heeft qua oplage een bereik van slechts 4 procent van het Israëlische publiek, maar zijn invloed op de politiek en de Israëlische intelligentsia is aanzienlijk. De krant verschijnt in zowel een Hebreeuwse als een Engelstalige editie.
Een Zweeds gezin neemt een Syrische vluchteling in huis – uit medeleven, om een kind te helpen dat zegt te zijn ontsnapt uit een IS-gevangenis. Maar gaandeweg raakt de jongen verstrikt in leugens over zijn huiveringwekkende verleden, en realiseren ze zich dat ze geen idee meer hebben wie er onder hun dak woont.
Keuze uit het archief
Sinds de eerste Oekraïense vluchtelingen in Nederland arriveerden en opgevangen werden bij mensen thuis, kwamen er verhalen naar buiten van situaties waarin wrijving ontstond tussen gastgezin en gasten. Dit artikel uit 2017, tijdens de vorige grote vluchtelingenstroom, laat zien hoe ingewikkeld het kan zijn – ondanks alle goede bedoelingen – om vluchtelingen in eigen huis op te vangen.
Achter in de boot zingt een van de jongens boven het ronken van de motor uit, misschien uit blijdschap, misschien uit verveling, misschien wel uit angst – al lijkt zijn gevoeligheid voor dreiging, die sowieso al nooit zo groot was, volledig afgestompt na vier jaar oorlog in Syrië. De anderen bidden. O zee, wees genadig! zingt de jongen. ‘Hou je mond!’ zeggen de anderen. Tegen het einde van oversteek, wanneer ze Turkije ver achter zich hebben gelaten, begeeft de motor het. De jongen laat zich over de rand van de rubberboot zakken en spartelt in de richting van de Griekse kust, die een paar honderd meter ver is. Ook dit is een blijk van zijn roekeloze natuur, want het water is koud en de zee is ruw. De anderen blijven in de boot.
Een reddingswerker zwemt naar de jongen toe en trekt hem mee naar het strand van het eiland Lesbos. Een verpleegster brengt hem naar een tent. ‘Oké, vertel,’ zegt ze. ‘Wat wilt u weten?’ vraagt de jongen. Hij zit nu op een warme, droge plek, maar hij weet niet goed wie deze vrouw is.
‘Alles. Ik wil alles weten,’ antwoordt de verpleegster. De jongen zegt dat hij Paul heet en zestien jaar is. Hij is breedgebouwd en ziet er gezond uit, heeft stevige armen en benen, grote handen, een diepe, peinzende rimpel in zijn voorhoofd en donkere, diepliggende ogen. Hij heeft iets afstandelijks en ondoorgrondelijks, maar ook iets heel innemends, haast iets sluw. Hij praat een beetje houterig, alsof hij bepaalde feiten net uit zijn hoofd heeft geleerd, maar de verpleegster vindt zijn verhaal in grote lijnen geloofwaardig. Als christen in het door oorlog verscheurde Syrië, vertelt hij, is hij geregeld gevangengezet door jihadisten. Hij werpt een blik op de hidjab van de verpleegster. ‘Misschien bent u wel een van hen?’ zegt hij. Het is grappend bedoeld. De jongen heeft nooit kunnen vermoeden dat zijn eerste contact in Europa met een moslima zou zijn die Syrisch Arabisch spreekt, en hij is argwanend. ‘Ben je gek,’ zegt ze.
De vrouw is een Syrische Zweedse, uit Stockholm, die is gekomen om de honderdduizenden vluchtelingen en migranten te helpen die dat jaar op Lesbos aankomen. Ze gaat binnenkort weer terug naar huis en ze biedt aan om Paul te helpen daar een nieuw leven op te bouwen. Tien dagen later, op 9 oktober 2015, zit hij in Stockholm. Hij is nog heel jong en voor hem is het voornamelijk een avontuur om naar Europa te gaan, hij heeft geen echt doel voor ogen. Wel heeft hij gehoord dat Zweden bekendstaat om het ruimhartige vluchtelingenbeleid.
Niet angstaanjagend
Lina, een van de vriendinnen van de verpleegster, is arts. Zij mag de jongen graag en nodigt hem geregeld uit bij haar thuis, waar ze met haar man Otto en hun drie tienerdochters woont. (De namen van Lina, Otto en de jongen zelf zijn gefingeerd.) Ze vindt Paul ‘op de een of andere manier heel kwetsbaar en innemend,’ zegt Lina. ‘Hij wist – hoe zal ik het zeggen – precies de juiste snaar te raken, meteen al vanaf het eerste moment. Hij raakt je.’
Anderen vinden hem onhandelbaar. De verpleegster heeft weten te regelen dat Paul onderdak krijgt bij een andere vriendin, maar die vraagt hem na enige tijd om weer te vertrekken. Zijn slaappatroon is grillig, net als zijn stemmingen. Maatschappelijk werk plaatst hem bij een wat oudere vrouw, maar daar neemt hij al na een paar dagen de benen. In een klein opvangcentrum voor minderjarige vluchtelingen weigert Paul alles wat hem wordt aangeboden, behalve snoep en sigaretten. Hij slaat tegen de muren en gaat met anderen op de vuist. Later breekt hij de kop van een beveiligd scheermes open en snijdt zijn pols door.
Lina is in het verleden psychiatrisch verpleegkundige geweest. Zij vindt Pauls aanvallen niet angstaanjagend – ze vindt het eerder pijnlijk om van een afstand te moeten aanzien. Zij en Otto hebben het erover de jongen in huis te nemen. Niet alleen raken ze meer en meer op hem gesteld en vinden ze dat ze iets moeten doen voor de vluchtelingen die naar hun land komen, maar ook gaat het al een paar jaar niet zo lekker in hun huwelijk en ze vragen zich af of een dergelijk project – dat naar hun gevoel iets heel zuivers heeft, gewoon doen wat er gedaan moet worden – een springplank zou kunnen zijn voor een nieuw begin, zoals Otto het formuleert. Begin december zijn de vereiste papieren rond en neemt Paul zijn intrek bij het gezin.
Ze weten vrijwel niets over zijn verleden. Zijn Zweeds is te slecht om er gedetailleerd over te vertellen. Lina en hij ontwikkelen al snel de gewoonte om na het eten een wandeling te maken, soms lopen ze uren en uren in het licht van de straatlantaarns. Gaandeweg begint ze zich in grote lijnen een beeld te vormen van zijn leven. Paul is afkomstig uit Shadadi, een kleine plaats in de oostelijke woestijn die bijna drie jaar bezet is geweest door jihadisten. Hij was de jongste van tien broers, die allemaal – samen met zijn ouders en drie zussen – in Syrië zijn gebleven. Hij is gevangengenomen, zo lijkt het, door zowel IS als Al-Qaida, die tegen elkaar streden om de controle over het oosten van Syrië.
Paul heeft vrijwel geen bezittingen wanneer hij in Zweden arriveert. Wel heeft hij een papiertje, dat hij heel zorgvuldig heeft bewaard. Hij heeft het meegenomen uit Syrië – een paar keer dubbelgevouwen en goed weggestopt. Na een tijdje, als hij zich op zijn gemak voelt met Lina, laat hij haar het briefje zien. Hij kijkt er beschaamd en berouwvol bij, herinnert Lina zich. Hij heeft het briefje vele maanden eerder gekregen, in de gevangenis, maar hij heeft het nog aan niemand laten zien en nu is hij bang dat de schrijver van het briefje, een Amerikaanse journalist, dood is. Het briefje begint:
‘Gaat goed maar heb dringend hulp nodig. Iemand moet mijn regering duidelijk maken dat het van het grootste belang is dat ze snel handelen. Ik ga niet op de details in maar één ding is duidelijk. Ze kunnen nu onderhandelen over een oplossing of ze kunnen wachten, het bewust rekken. Als ze voor dat laatste kiezen zal ik er niet meer zijn om over te onderhandelen. Het is hier domweg te gevaarlijk. De mannen die mij gevangen houden zijn te grillig. Ze moeten vandaag nog in actie komen, nu meteen, en ze mogen niet opgeven tot de klus is geklaard. Oké?’
De ochtend nadat ze met hem Syrië zijn binnengegaan komt een van de mannen op hem af en geeft hem, zomaar uit het niets, een dreun in zijn gezicht
Theo Padnos arriveert in 2012 aan de Syrische grens. Padnos, die op dat moment 44 is, wil verslag doen van de oorlog en van wat volgens hem de culturele en psychologische drijfveren achter de oorlog zijn. Hij deelt een kamer in een huis in de heuvels van een Turkse grensplaats en gaat vaak de bergrug op om uit te kijken over Syrië, slechts enkele kilometers verderop. Al snel leert hij drie jonge mannen kennen die beweren samen te werken met een Syrische oppositiegroep. Zij bieden aan hem mee te nemen. De ochtend nadat ze met hem Syrië zijn binnengegaan komt een van de mannen op hem af en geeft hem, zomaar uit het niets, een dreun in zijn gezicht.
Twee jaar lang verdwijnt de wereld uit beeld. Padnos wordt vastgehouden door Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van Al-Qaida. Het is lastig om enige logica te bespeuren in de manieren waarop hij wordt gemarteld – met staalkabels, met vuisten, met mededelingen dat hij binnen afzienbare tijd zal worden vermoord. Een van de mannen zegt dat het geweld is bedoeld om zijn ziel te harden. Padnos is een man met een jongensachtige nieuwsgierigheid, en zelfs onder deze omstandigheden blijft zijn onderzoekende geest intact. Hij probeert de mannen geregeld te verleiden tot een praatje, informeert naar hun privéleven, hun overtuigingen. De meeste vragen worden afgewimpeld. Waar ze vooral niet op willen ingaan, is de vraag waaróm ze hun jihad voeren. Dan komen ze aanzetten met de gebruikelijke clichés over de islam die wordt bedreigd, de islam die zijn onderdrukkers zal afschudden en verpletteren.
Het klinkt Padnos allemaal bekend in de oren. Hij heeft een tijd in Damascus gewoond en ook, op het hoogtepunt van de Irakoorlog, in Jemen, waar hij Arabisch heeft gestudeerd en zich in de islam heeft verdiept. In 2011 heeft hij een boek geschreven over zijn verblijf aldaar, waarin hij het ook heeft over de westerse toeristen die zijn ontvoerd en vermoord. ‘De meeste mensen daar begrijpen wel dat de strijders toeristen vermoorden,’ schrijft hij, ‘omdat zij – de buitenstaanders – te ver zijn gegaan, zich te diep hebben gewaagd in een gebied dat ze niet begrijpen, een gebied dat in de greep is van een rigide, zeer serieus geloof.’ Zelf is hij niet zo naïef. ‘Mijn hele identiteit als schrijver, als mens, stoelde erop dat ik het gebied begreep,’ zegt hij tegen me. ‘Ik had me niet “te ver” gewaagd. Bovendien was ik geen vijand, was ik geen toerist.’
Syrië is in zekere zin een vorm van verraad. Hij was ervan uitgegaan dat hij, ongeacht de omstandigheden, mensen zou weten te overtuigen van zijn zuivere bedoelingen, en dat die bedoelingen ertoe zouden doen.
In juni 2014 wordt hij overgebracht naar een cel met vloerbedekking, waar een aantal mannen en een jongen van een jaar of veertien worden vastgehouden. Het zijn strijders van Jabhat al-Nusra, wordt hem verteld, maar ze worden er – ten onrechte, zeggen ze – van beschuldigd te willen overlopen naar IS. Zoals gewoonlijk vraagt Padnos de mannen naar hun privéleven, en zoals gewoonlijk proberen ze zijn vragen af te wimpelen. De mannen mopperen dat hij niet zo moet ouwehoeren, maar bij de jongen vindt hij een gewillig oor. Op zeker moment vraagt Padnos aan de jongen wat voor hem het doel is van de jihad waaraan hij deelneemt. ‘De wereldoverheersing,’ antwoordt de jongen achteloos. Padnos moet hem ongelovig hebben aangekeken, want de jongen vervolgt glimlachend: ‘Dat lijkt jou zeker niet haalbaar?’ Voor Padnos is dit moment van menselijkheid haast een wonder. ‘Het was voor het eerst in twee jaar dat iemand erkende dat het misschien “niet haalbaar” was,’ zegt hij. De jongen houdt zich niet aan het script, valt uit zijn rol. Ik had echt iets van: ‘Goddank – eindelijk!’
Na slechts een paar dagen krijgt de jongen te horen dat hij zal worden vrijgelaten. Padnos schrijft haastig een briefje, voor een vriend buiten Syrië, waarin hij om hulp smeekt. De jongen stopt het briefje weg wanneer hij vertrekt, en belooft dat hij hem zal helpen.
Chatten op Facebook
In december 2015 krijgt Padnos bericht van een Zweedse vrouw, die zegt dat een jongen die hij uit Syrië kent nu onder haar hoede is. De Amerikaan is vele maanden eerder vrijgekomen, kort nadat hij zijn briefje heeft geschreven – al is het niet dankzij dat briefje. Zijn vrijlating is te danken aan de regering van Qatar, die heeft bemiddeld bij de gesprekken met Jabhat al-Nusra. (Naar verluidt heeft de groepering een paar miljoen dollar aan losgeld ontvangen, al is dit nooit officieel erkend.) ‘Als ik het goed begrijp hebt u een van mijn oude celgenoten gevonden?’ schrijft hij terug. ‘Fijn dat u contact met me opneemt!’
Padnos had zijn briefje ondertekend; Lina kwam er op internet achter dat hij is vrijgelaten en weet hem te vinden op Facebook. Ze stuurt foto’s van het briefje en van de jongen – die in Stockholm groente staat te snijden, die aan het voetballen is. Padnos herkent ogenblikkelijk de tiener met wie hij gevangen heeft gezeten. De jongen was toen echter geen christen, hij heette geen Paul en Padnos was ervan overtuigd dat hij een jihadist was.
Hij zegt tegen de FBI dat er volgens hem in Zweden een lid van Jabhat al-Nusra woont, een jongen die zich voordoet als vluchteling. Hij deelt zijn ongerustheid niet met Lina. Hij hinkt op twee gedachten. Hij is ervan overtuigd dat de jongen in staat is tot geweld; in Syrië waren zulke kinderen meedogenloos tegen hem geweest. Maar ergens gelooft hij ook dat een jonge Syrische moordenaar, ver van zijn thuisland en de jihad, ver van de normvervaging die elke oorlog met zich meebrengt, tot op zekere hoogte onschuldig kan zijn. Het geweld in Syrië staat in dienst van iets veel sterkers, heeft hij het idee, een soort oerkracht die als een orkaan is aangezwollen en nu over het hele gebied raast en de bewoners in zijn greep houdt. ‘Het land is behekst,’ zegt Padnos. Dat geldt niet voor Zweden.
Het ruimhartige vluchtelingenbeleid in Zweden is gebaseerd op een vergelijkbaar beeld van oorlog als een alternatieve werkelijkheid, op een bereidheid om de deelnemers te vrijwaren van veel van de morele oordelen die in vredestijd gehanteerd worden. Tijdens de Europese vluchtelingencrisis van 2015 neemt Zweden 163.000 asielzoekers op. In dat jaar worden er slechts 461 doorgestuurd naar de veiligheidsdienst, die in 29 gevallen uitzetting adviseert. Zelfs mensen van wie is vastgesteld dat ze een bedreiging vormen voor de veiligheid mogen in Zweden blijven als men van oordeel is dat in het land van herkomst hun mensenrechten in het gedrang komen.
Deze vastberaden goedhartigheid wordt soms, vooral buiten Zweden, als dwaze goedgelovigheid beschouwd. (Eerder dit jaar heeft de regering-Trump een inreisverbod voor onbepaalde tijd ingesteld voor Syrische vluchtelingen.) Maar tot nog toe heeft dit tot weinig politiek geweld geleid. Zweden heeft slechts twee aanslagen door jihadisten meegemaakt; een in april van dit jaar, toen een Oezbeekse man die geen asiel had gekregen, met een vrachtwagen vijf mensen doodreed in het centrum van Stockholm, en een in 2010, waarbij alleen de van oorsprong Irakese aanslagpleger om het leven kwam.
Paul is ‘een jonge man met ernstige trauma’s,’ schrijft Lina aan Padnos. ‘Ik ben heel blij dat hij zich bij ons veilig voelt, maar er hoeft maar iets te gebeuren of hij schiet in de stress.’ Ze vraagt Padnos geen contact met hem op te nemen zonder haar goedkeuring. Maar Padnos weet de jongen te vinden op Facebook en de twee beginnen te chatten. Ze zijn allebei blij dat de ander nog leeft, al zijn ze ook een beetje gespannen. De echte naam van de jongen is Ammar. ‘Wat onze vriend Paul betreft,’ schrijft Padnos aan Lina, ‘het is inderdaad een lieverd. Ik kan me hem nog goed herinneren.’
Verhalenverteller
Ammar mag graag verhalen vertellen, en hij heeft een loepzuiver gevoel voor tragikomische spanning – vermoedelijk het resultaat van een jeugd in oorlogsgebied. Zijn favoriete onderwerp is het absurde. Wanneer hij me vertelt wat hij heeft meegemaakt, lijkt hij geregeld te worden meegevoerd door zijn eigen verhaal, al lijken de vele zijpaden ook bedoeld om elke schijn van betrokkenheid bij Al-Qaida weg te nemen. Op een avond, nadat hij lange tijd heeft zitten peinzen, richt hij zich tot mij en vraagt, zo op het oog met een mengeling van woede en teleurstelling: ‘Denk jij dat ik een moedjahedien was?’ Ik zeg dat mij is verteld dat hij dat inderdaad was, maar ook dat hij dat in Zweden niet langer lijkt te zijn. ‘Als ik lieg,’ antwoordt hij cryptisch, ‘is dat niet om iemand te kwetsen, maar om mensen te beschermen.’
Hij speelde spelletjes bij een computerclub, vertelt hij, toen de strijd in het voorjaar van 2011 Shadadi bereikte, de stad waar hij woonde. De militaire politie opende het vuur op een antiregeringsdemonstratie, en hij rende naar huis. Hij was elf.
‘Aan het begin van de revolutie stond ik aan de kant van het regime,’ zegt hij. ‘Want ik wist niet wat de revolutie inhield. Ik keek alleen maar tv-programma’s van het regime.’ Zijn vader werkte in de olie-industrie en had dus goede betrekkingen met de regering van Bashar al-Assad; Ammar werd dan ook met een zeker respect bejegend. Bij de bakker werd hij naar de voorkant van de rij geduwd wanneer hij het brood voor het gezin kwam halen. Ooit had dat hem vervuld van trots. Later, toen het regime begon te wankelen, verloor het gezin zowel hun huis als hun aanzien, en het werd Ammar duidelijk dat de buren nu anders naar hen keken. ‘Kijk nou wat hun is overkomen,’ zeiden ze, met een mengeling van leedvermaak en afgrijzen.
Begin 2013 bezet Jabhat al-Nusra het gebied rond Shadadi, en elke dag komen er weer nieuwe geruchten dat de jihadisten spoedig zullen oprukken om de stad te ‘bevrijden’ uit de greep van Assad, zegt Ammar. Op de ochtend dat ze binnenvallen ligt hij te slapen in het huis van een broer. Hij schrikt wakker door de dreun van een zelfmoordaanslag met een vrachtwagen, en het daaropvolgende glasgerinkel. Hij rent naar buiten en wanneer hij langs de kapotgebombardeerde restanten komt van wat ooit een huis was, hoort hij een man kermen van de pijn. ‘Ik ben gaan kijken,’ vertelt hij. ‘Ik was nergens bang voor.’ Binnen treft hij een soldaat van het regeringsleger aan, die in zijn borst is geschoten. De man vraagt de jongen hem te helpen weg te komen, maar de jongen zegt dat het te gevaarlijk is om de straat op te gaan in een uniform van het regeringsleger. Dus pikt hij wat vrouwenkleren uit een ander verlaten huis, aldus zijn verhaal, en geeft die aan de gewonde man, die ze eerst weigert aan te trekken maar zich uiteindelijk toch laat overhalen. ‘Een gekke en treurige situatie,’ licht Ammar toe. Hij moet er een beetje om lachen dat hij zoiets durfde te bedenken.
Of Ammar dit verhaal nu heeft aangedikt of niet, het is waar dat Jabhat al-Nusra begin 2013 Shadadi binnentrekt. Assads troepen hebben weinig gedaan om de bevolking voor zich te winnen, en die is er dan ook niet rouwig om dat ze vertrekken. ‘De jihadisten stelen niet,’ zegt Ammar. ‘De mensen zijn gelukkig.’ De strijders laten de lichamen van hun gesneuvelde vijanden gewoon op straat liggen, vertelt hij. Het is voor een jonge man weliswaar mogelijk om te overleven zonder zich aan te sluiten bij de jihadisten, maar een lidmaatschap heeft in ieder geval als voordeel dat je gevrijwaard blijft van hun gewelddadige optreden.
Dat najaar krijgt IS een groot deel van Syrië in handen, en tegen het einde van het jaar heeft het Shadadi bevrijd uit handen van Jabhat al-Nusra. De twee legers hebben aangrenzende gebieden veroverd. Het is gevaarlijk om over de grenzen van deze bezette zones te reizen – om handel te drijven in nabijgelegen steden, bijvoorbeeld, of om familie te bezoeken. Beide groeperingen zijn beducht op spionnen. ‘Als je je in een gebied bevindt dat door Daesh wordt gecontroleerd,’ zegt Ammar, die de denigrerende naam voor IS gebruikt, ‘en je gaat naar gebied dat in handen is van al-Nusra, word je voor een spion aangezien.’ In een nabijgelegen plaats die in handen is van Jabhat al-Nusra, wordt een van zijn broers opgepakt op beschuldiging van samenwerking met IS. Ammar gaat naar hem op zoek. Dan wordt hij ook opgepakt.
Hij belandt bij Padnos in de cel. De Amerikaan is broodmager en heeft een verwilderde bos haar, een stevige baard en een klein snorretje – de gangbare combinatie binnen het salafisme. De bewakers behandelen hem wreed. ‘Ik dacht dat hij IS was,’ zegt Ammar. Padnos begint er steeds maar over ‘dat Syrië zo mooi is’, zegt Ammar. Hij probeert de andere gevangenen te verleiden tot een praatje. De jongen vindt hem maar vermoeiend. ‘In het begin vond ik hem vervelend,’ zegt hij. ‘Maar na een tijdje zei ik tegen mezelf: “Wallah, geef hem een kans. Hij is hiernaartoe gekomen als journalist, om de gebeurtenissen te verslaan, en vervolgens is hij gemarteld.”’
Na zijn vrijlating wordt Ammar naar Jabhat al-Nusra’s emir voor oostelijk Syrië gebracht, een Irakees die bekendstaat als Abu Mariyah al-Qahtani. De man vraagt hem om vergiffenis voor het feit dat hij gevangen is gezet en geeft hem een stapeltje Syrische ponden; de jongen zegt tegen de emir dat hij, in dat geval, met alle plezier nog een tijdje blijft. Hij herinnert zich dat Abu Mariyah in de lach schoot.
Ze vraagt niet om nadere uitleg wanneer de jongen opbiecht dat hij geen Paul heet. Ze geloofde zijn verhaal van begin af aan niet helemaal
Met Kerstmis is het bitterkoud in Stockholm, maar de sfeer is feestelijk. Lina koopt een mooie jas voor de jongen en laat hem de stad zien – de etalages van grote warenhuizen, de ijsbaantjes. Hij kijkt zijn ogen uit en Lina voelt zich weer een jonge moeder, die haar peuter laat kennismaken met de bescheiden wonderen van de wereld. Met Oudjaar krijgen ze ruzie over het vuurwerk. Hij wil het afsteken zoals hij dat in Syrië gewend was, zo uit de hand. ‘In Zweden doen we dat anders,’ zegt ze, geduldig maar vastberaden. Ze laat hem de vuurpijlen in de grond steken. Hij is razend, maar daar trekt Lina zich niets van aan. Zij kan ook koppig zijn, en ze schreeuwt gewoon terug. Hij gedraagt zich alsof hij dat volkomen begrijpt en het alleen maar fijn vindt: haar geschreeuw is, net als haar vergevingsgezindheid, een blijk van haar liefde.
Lina is een lange, sterke vrouw met blauwe ogen, vlasblond haar en een scherpe neus, die iets omhoog krult. Haar gelaatstrekken verlenen haar een krachtige, beheerste uitdrukking. Ze steekt graag tijd en energie in dingen, ze is opmerkelijk geduldig, maar ze houdt niet van dralen. In het Engels eindigt ze de meeste opmerkingen met een vriendelijk doch beslist ‘Yah?’
Ze vraagt niet om nadere uitleg wanneer de jongen opbiecht dat hij geen Paul heet. Ze geloofde zijn verhaal van begin af aan niet helemaal, vertelt ze me. De leugen lijkt haar niet echt te storen, of in ieder geval besluit ze er niet al te lang bij stil te staan. Hij heet Ammar; hij is moslim. Lina zet hem geen varkensvlees meer voor.
Ze schrijft hem in voor kungfules en regelt een baantje voor hem in de keuken van een plaatselijke kerk, waar hij onder meer koffie serveert aan de Zweedse gepensioneerden die daar komen lunchen. Ze snijdt onderwerpen aan als de sociaal-democratie en gendergelijkheid – waar hij meteen voor openstaat – en het homohuwelijk, waar hij wat meer tijd voor nodig heeft. In Stockholm loopt hij een keer per ongeluk tegen een agent op. Tot zijn vreugde en verbijstering draait de agent zich om en zegt: ‘O, sorry!’ In Syrië ging het er heel anders aan toe.
Hij zit soms bij Lina op schoot en dan krabt ze zijn rug, zoals zijn moeder vroeger had gedaan. De twee lopen geregeld arm in arm en omdat ze ongeveer even lang zijn, zouden ze net zo goed vrienden kunnen zijn als moeder en zoon. Stiekem roken ze samen sigaretjes. Lina’s dochters kussen hun moeder op de mond wanneer ze weggaan of thuiskomen. Als Ammar die gewoonte begint over te nemen schrikt ze er even van, maar niet op een vervelende manier.
Alle minderjarige asielzoekers hebben het recht om in Zweden onderwijs te volgen. Ammar gaat in februari voor het eerst naar school. Er zitten veertien kinderen in zijn klas, voornamelijk Afghanen, alleen maar jongens, allemaal gekleed als de Europese voetballers die ze zo bewonderen: skinny jeans en gel in hun haar. Zweedse kinderen noemen de docenten bij de voornaam, maar de jongens vinden dat ongemakkelijk en staan erop hun docenten lärare te noemen, leraar. Ammar is druk en zit vaak te giechelen, maar hij heeft duidelijk taalgevoel. Na korte tijd spreekt hij vloeiend Zweeds.
Maar soms zit hij ook stilletjes te mokken. Een docent herinnert zich de keer dat hij onbedaarlijk begint te huilen en de klas moet verlaten. Sommige leraren denken dat hij depressief is. Gezien zijn impulsieve gedrag en zijn heftige stemmingswisselingen, denkt Lina dat hij misschien aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt. Hij heeft geregeld nachtmerries. Als hij niet kan slapen, daalt zij de trap af naar zijn slaapkamer, onder de dakrand, en kruipt bij hem in bed.
Hij verzuimt geregeld zijn huiswerk te maken, spijbelt van school, blijft weg van zijn werk in de kerk en van de kungfulessen. Lina wijt dit voor een groot deel aan zijn ‘grootheidswaan’: zodra hij een beetje Zweeds kan, of een paar kungfugrepen onder de knie heeft, ziet hij er niet langer het nut van in om nog meer lessen te volgen. Het kost hem moeite Zweedse vrienden te maken; hij beschuldigt ze soms van racisme, al zegt hij dat meestal met een grijns, alsof hij Lina vol trots duidelijk wil maken dat hij zich de stokpaardjes van links Zweden heeft eigengemaakt.
Zijn lastigste buien worden meestal in gang gezet door nieuws uit Syrië. Dan vlamt er plotseling een heftig schuldgevoel bij hem op, zowel om het feit dat hij is gevlucht, lijkt het, als om het feit dat hij nog leeft. Hij spreekt slechts zelden met zijn ouders. Lina heeft Ammars moeder een lange brief geschreven waarin ze belooft voor hem te zorgen alsof hij haar eigen zoon is. Er komt geen reactie. Misschien is deze ogenschijnlijke onverschilligheid terug te voeren op bepaalde Syrische omgangsvormen, of misschien schamen Ammars ouders zich, bedenkt Lina. Maar dan hoort ze dat een van Ammars vrienden, die ook uit Syrië komt, dagelijks met zijn vader belt. Op zeker moment laat ze zich dat ontvallen, zonder er verder bij na te denken. Ammar lijkt gekwetst.
Hij is bijzonder gevoelig voor Lina’s opmerkingen, die hij als kritiek ervaart. Woedend verwijt hij haar, keer op keer, dat ze hem minder liefde geeft dan haar dochters. Vervolgens sluit hij zich op in zijn kamer, of hij weigert te praten, soms dagen achter elkaar. Ondertussen hebben Lina’s dochters het gevoel dat deze nieuwe zoon hen verdringt uit hun moeders hart, om nog maar te zwijgen van het leven van alledag. Om ruimte te maken voor Ammar is het bed van de veertienjarige dochter verplaatst naar een gemeenschappelijke ruimte.
Lina heeft schoenen voor hem gekocht, kleren, een telefoon, een laptop. Toch werpt hij haar voor de voeten dat ze hem behandelt alsof hij niet meer is dan een gast. Aan de andere kant lijkt hij zich vaak opgelaten te voelen wanneer hij dingen van haar aanneemt. Hij slaat maaltijden over, om haar niet op kosten te jagen. Hij heeft het erover om terug te gaan naar Syrië. Soms lijkt hij haar alleen op stang te willen jagen, maar op andere moment lijkt hij het echt te menen. ‘Het lukt hem maar niet om hier te aarden, in Zweden, bij mij,’ schrijft Lina me een keer vertwijfeld. ‘Het is hartverscheurend.’ Hij is min of meer door toeval in Zweden beland, en zijn leven daar komt hem soms onwerkelijk voor, nieuw en opwindend als een computerspel, maar ook leeg. Hij heeft nooit nagedacht over een toekomst in Europa, zelfs niet op het moment dat hij ernaartoe vluchtte. ‘Onmogelijk,’ zegt hij. ‘Een kans van 1 op 14.000. Onmogelijk.’
Vreselijk jaar
De laptop – waarop Ammar Counter-Strike en Clash of Clans kan spelen – leidt in het voorjaar tot een crisis. Lina, die niets heeft te klagen maar bij wie het geld ook niet op de rug groeit, heeft een tweedehandexemplaar gevonden, voor een fractie van de oorspronkelijke prijs. Ammar komt uit een rijke familie en is geen tweedehandsspullen gewend. Hij ervaart Lina’s cadeau als een klap in zijn gezicht en stormt het huis uit.
Hij hoopt duidelijk dat ze hem achterna komt. Niet veel later stuurt hij Lina foto’s van een scheermesje en zijn opnieuw bebloede pols. Ze weet hem te vinden, niet ver van huis, en neemt hem mee terug. Maar niet veel later staat hij op de balkonreling, op de vijfde verdieping, en dreigt naar beneden te springen. Otto trekt hem naar binnen. Lina zit meer dan een uur zwijgend naast Ammar op zijn bed. Hij lijkt tot bedaren te komen en ze laat hem alleen.
Als ze wat later weer naar zijn kamer gaat, blijkt hij uit het raam te zijn geklommen, het dak op. Ze praat op hem in, smekend, maar kijkt op een goed moment van hem weg. Ze wil niet achterblijven met het beeld van een lege kamer en zijn lichaam dat naar beneden valt. Ze begint te huilen. ‘O,’ zegt Ammar. ‘Nu weet ik dat je van me houdt.’
Ammars vrijlating uit de gevangenis is het onheilspellende begin van een vreselijk jaar. Wanneer hij terugkeert na gevangen te zijn gehouden door Jahbat al-Nusra, wordt hij opgepakt door IS, ook nu weer op beschuldiging van spionage voor het andere kamp. Hij wordt een aantal keer vrijgelaten, om vervolgens telkens weer gevangen te worden gezet. (Ook, zo beweert Ammar, stuurt hij berichten naar de man voor wie ook het briefje van Padnos bestemd was. De man zegt nooit dergelijke berichten te hebben ontvangen.) Op zeker moment wordt Ammar ervan beschuldigd te hebben gestolen van een inlichtingenofficier van IS. Hij wordt drie maanden vastgehouden en wordt uren achtereen geslagen, totdat hij zichzelf volkomen stil heeft geschreeuwd. Een andere keer, zo beweert Ammar, is hij opgepakt omdat hij iemand had aangevallen die de belasting kwam innen.
Hij was toen high, legt hij uit. Ammar slikt meer en meer pillen – Zolam, een alternatief voor Xanax, en Baltan, een opiaat – vanwege Noor. Noor was zijn vriendin. Voor de oorlog uitbrak zaten ze een aantal jaar bij elkaar in de klas. ‘Toen werd ik een man,’ zegt Ammar. ‘Ik wist hoe ik moest beminnen en bemind moest worden.’ Noor is een aleviet, een lid van de sekte waartoe ook de familie van Assad behoort – een afvallige, in de ogen van IS. Ammar heeft een aantal foto’s op zijn computer van een meisje van wie hij zegt dat het Noor is. Ze is knap, met donkere ogen en lange, dikke wimpers. Veel foto’s zijn selfies, van bovenaf genomen om de welvingen te benadrukken van haar borsten onder een strak topje. Ze heeft haar lippen een klein beetje getuit. Puberale ijdelheid, ordinair en innemend tegelijk.
Op een dag stuit Ammar ergens op straat in Shadadi, bij een soek en een taxistandplaats, op een groepje mensen, die toekijken hoe Noor wordt onthoofd. De beul spietst het afgehakte hoofd op zijn zwaard en steekt het in de lucht, aldus Ammar. Hij valt flauw. ‘Er zijn dingen die je nooit zult begrijpen omdat je ze niet hebt meegemaakt,’ zegt hij tegen me in een café in Stockholm. Hij schuift zijn plak chocoladecake aan de kant en legt zijn hoofd op tafel. ‘Wat doe ik hier?’ snikt hij. Er ligt een laagje donker glazuur op zijn lippen.
Begin 2015 wordt hij voor het laatst opgepakt. In het noordwesten van Irak heeft IS duizenden vrouwen en meisjes ontvoerd van de yezidi-stam, een etno-religieuze minderheid, die door IS als seksslavinnen worden verkocht aan de strijders. Ammar wordt ervan beschuldigd dat hij yezidi’s heeft gekocht en weer heeft doorverkocht aan hun eigen familie – en naar eigen zeggen heeft hij dat ook echt gedaan, al bekent hij dat niet aan IS. Hij heeft negen yezidi’s gekocht en weer verkocht, zegt hij, onder wie een meisje dat 11.000 dollar opbracht. Hij kan weinig zeggen over zijn drijfveren om dit te doen, en hij kan geen enkel bewijs overleggen, maar hij zegt dat hij na Noors dood woedend was, en voor niets en niemand bang.
IS neemt hem mee naar de Iraakse stad Mosul, waar hij greppels graaft en containers voor bommen soldeert, zegt hij. De strijders voetballen met hem. Er wordt voortdurend op hem ingepraat dat hij zich bij IS moet aansluiten. Hij overweegt het, maar heeft moeite met de gewelddadigheid van de groepering. ‘Ik vind het leuk om rotzooi te trappen, dat geef ik zonder meer toe, maar ik wil niemand echt kwaad doen,’ zegt hij.
Hij wordt weer overgebracht naar Syrië, naar Raqqa, de hoofdstad van IS. Vrijwel iedere dag nemen de bewakers iemand mee naar de binnenplaats – een soldaat van het regeringsleger, een Hezbollah-strijder, een Koerd – om hem voor het oog van zijn medegevangenen te executeren. ‘Dat was niet leuk,’ zegt Ammar. Meestal gaat het om een onthoofding, met een mes of met een zwaard, maar soms worden de mannen verdronken, doodgeschoten, opgehangen of overgoten met zuur.
Hij wordt nogmaals overgeplaatst, dit keer terug naar Shadadi. Daar wordt hij veelvuldig geslagen – men wil hem dwingen op te biechten dat hij de yezidi’s heeft verkocht. (Hij is ervan overtuigd dat hij vermoord zal worden zodra hij dat heeft bekend.) Op een dag wordt hij opgehangen aan het plafond en giet een van de beulen benzine over zijn voeten, waarna hij ze in brand steekt. Ammars plastic sandalen schroeien in zijn huid, die voor altijd ernstige littekens vertoont. ‘De pijn van vlammen is erger dan welke pijn ook,’ zegt hij.
De mannen die met hem in de cel zitten, worden als uitzonderlijk gevaarlijk beschouwd, dus wordt Ammar uitverkoren om te koken. Zo zal hij weten te ontsnappen. Hij zit alleen in een kleine cel die aan de keuken grenst wanneer een van de bewakers hem, op fluistertoon, laat weten dat hij ter dood is veroordeeld. De bewaker spoort hem aan de benen te nemen. Aanvankelijk vertrouwt Ammar het niet, maar later op de dag keert de man terug. ‘Toen hij me zijn mes gaf, geloofde ik hem,’ zegt Ammar.
Die avond zijn er twee bewakers. De eerste houdt de wacht terwijl de andere bidt. Ammar is in de keuken bezig soep te koken, en vraagt of de eerste bewaker even wil komen proeven. De man buigt zich over de pan. ‘Ik wilde hem steken met het mes, maar ik was bang om hem te vermoorden, dus sloeg ik hem met het keukengerei dat ik in mijn hand had,’ zegt Ammar.
Hij rent naar de kamer waar de andere bewaker, een jongen van zijn eigen leeftijd, zit te bidden. Hij pakt zijn wapen. Er worden tweehonderd mannen bevrijd, misschien wel 280, en misschien ook wel enkele vrouwelijke gevangenen. Het hangt er een beetje van af of Ammar in een spraakzame bui is. De ontsnapte gevangenen lopen een dag, of misschien wel twee dagen, door de woestijn, tot ze bij het Koerdische front komen.
De Koerden zorgen dat een groep ontsnapte gevangenen in een konvooi naar het westen kan reizen, naar Aleppo. Van daaruit gaan ze op weg naar de Turkse grens, die ze heimelijk oversteken, in het holst van de nacht, te voet. In Turkije kruipen ze in een afgedekte vrachtwagen. Ze zijn met 25 man en twee schapen, zegt Ammar. Het is augustus 2015. Weldra zal Ammar op weg zijn naar Europa. Hij draagt een jasje dat zijn familie hem heeft gestuurd toen hij in de gevangenis zat; in de zak voelt hij ineens het briefje van Padnos, nooit afgegeven en volkomen vergeten.
Overleden zonen
Jaren en jaren voordat Ammar naar Zweden kwam, kregen Lina en Otto een zoon. Hij overleed op de dag van zijn geboorte. Lina kreeg niet veel later nog een kind, ook een jongen. Dit nieuwe kind had een misvormd middenrif, waardoor zijn longen niet konden uitzetten. Na twee maanden namen ze hem mee naar huis en leek zijn toestand iets te stabiliseren. Maar die vooruitgang hield geen stand. Hij overleed toen hij een halfjaar oud was. ‘Tja, ach,’ zegt Lina, ‘die dingen gebeuren, en je moet…’ Haar stem wordt zachter. ‘Maar twee keer achter elkaar!’ Otto, die destijds net als arts was begonnen, zwoer nooit met kinderen te gaan werken, in die verschrikkelijke vleugel van het ziekenhuis waar ouders hun ogen sluiten en, precies zoals hij had gedaan, bidden dat de alarmbellen die gaan rinkelen de dood verkondigen van het zoontje of dochtertje van een ander.
Het besluit om Ammar in huis te nemen is in zekere zin een sprong terug in de tijd. De jongen zou een zoon voor hen kunnen zijn. Otto hoopt ook dat de komst van Ammar Lina en hem zal terugvoeren naar een eerdere, gelukkigere periode van hun huwelijk. Maar hij heeft het idee dat Lina al haar energie en aandacht in de jongen steekt. ‘In zekere zin heeft hij mijn plaats ingenomen,’ zegt Otto. Lina en hij zijn uit elkaar gegroeid en gaan scheiden. ‘Het komt niet door Ammar,’ zegt hij, ‘maar door hem is alles wel heel scherp aan het licht gekomen.’
Ammar krijgt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Hij zal bij Lina blijven. Ze heeft hem al heel vroeg verteld over haar twee zoontjes en haar verdriet, om hem in moeilijke tijden een hart onder de riem te steken. Je kunt het ontzettend moeilijk hebben, is de boodschap, maar uiteindelijk toch een mooi en gelukkig leven leiden.
De jongens zijn begraven in een schaduwrijk hoekje van een kerkhof in de buurt, en soms gaat Lina met Ammar naar het graf. Op een middag ligt het kerkhof bezaaid met witte bloemblaadjes, ragfijne confetti uit de oude bomen. Ammar zit een sigaretje te roken op een roze grafsteen en de as waait naar het graf van Lina’s zoontjes. Zonder erbij na te denken spuugt hij op de grond. ‘Dat is oneerbiedig,’ zegt Lina en Ammar staat op. Tot zijn verbijstering legt Lina uit dat haar zoontjes zijn gecremeerd. Als mensen worden gecremeerd, zie je ze dan branden? vraagt hij. Lina legt uit dat dat niet het geval is.
Ze lopen over de begraafplaats naar een uitkijkpunt op de top van een heuvel, vanwaar je tot aan het open water kunt kijken, met de pastelkleurige gevels van de oude stad van Stockholm. Ook in de winter is Lina met Ammar naar deze plek gegaan, tijdens hun eerste wandelingen, en hij had het uitzicht betoverend gevonden. Weet je nog hoe mooi je dit vond? vraagt ze? ‘No is beautiful!’ zegt hij plagerig, in gebroken Engels. Ze lopen naar beneden, naar de stad. Lina blijft op de stoep wachten terwijl Ammar de stenen treden beklimt van het koninklijk paleis, waar een enkele soldaat de wacht houdt. Het is een jonge, bleke man, met een blonde snor – twee keurige driehoekjes boven zijn lip – een baret en een geweer met bajonet over zijn schouder. ‘Is de koning thuis?’ vraagt Ammar. ‘Nee, de koning is er niet,’ antwoordt de schildwacht lachend.
Ammar daalt weer af naar de stoep. Hij blijft staan bij een bloembak, trekt er een madelief uit en knakt afwezig de knop van de steel. ‘Sweden is nice,’ zegt hij in het Engels, ook weer half grappend, maar volkomen raak.
‘Begrijp me goed, die jongen heeft een pact gesloten met de duivel. De jihad stroomt door zijn aderen’
Voorjaar 2016 neemt Padnos het vliegtuig naar Stockholm. Hij heeft met Ammar afgesproken voor een moskee. De jongen loopt een lommerrijk paadje omhoog en staat ineens in het felle zonlicht op een open plek. ‘Habibi!’ roept Padnos. Hij schiet aarzelend op hem af, glimlachend maar gereserveerd, probeert de jongen te peilen. Ammar blijft staan, stralend, en spreidt zijn armen. Hij kust Padnos op zijn wangen, drukt zijn voorhoofd tegen dat van de Amerikaan en zegt, lachend, dat hij ervan uit was gegaan dat Padnos dood was. Hij draait een krul van de Amerikaan om zijn vingers en glimlacht: In Syrië was zijn haar veel langer, en veel viezer!
Ammar pakt Padnos’ onderarm en trekt hem mee naar de straat. Onder een rij schaduwbomen staat een jong stelletje te zoenen. Ammar kijkt zijn oude celgenoot aan: ‘Waar is Abu Mariyah?’ grapt hij hardop – Abu Mariyah al-Qahtani, de man die hen gevangen had gehouden, zou dat zoenen maar niks hebben gevonden. Ammar omhelst Padnos, lijkt geen moeite te hebben met de lichamelijkheid. Hij draagt een strakke spijkerbroek, heel modieus boven zijn Nikes, en zijn donkere haar is omhoog gekamd in een Pompadour-kapsel. Af en toe neemt hij een trekje van een Marlboro Light. Padnos lacht en doet mee aan het toneelstukje dat de jongen opvoert – ingetogen, met een treurig soort vertrouwdheid.
Padnos is benieuwd hoe het een jonge strijder vergaat in vredestijd, te midden van alle verlokkingen van een volkomen ander leven. Hij informeert naar Ammars broer, die ook gelijk met Padnos vastzat. ‘Hij zit nu bij Daesh,’ fluistert Ammar.
Ammar neemt Padnos mee naar zijn favoriete kebabrestaurant. Hij stelt hem voor aan de mannen achter de toonbank, een Irakees en drie Syriërs, allemaal in het rode T-shirt van het bedrijf, en hij zegt dat Padnos een ‘jassus Amriki’ is – een Amerikaanse spion. De mannen vinden het hilarisch en Ammar vertelt dat de Amerikaan heeft vastgezeten in Syrië. ‘We haten het regime!’ roepen de mannen. Padnos zegt dat hij is vastgehouden door de oppositie. ‘We haten de oppositie!’ stellen ze hun mening bij. Hij lacht braaf. Er wordt gesproken over het losgeld waaraan hij duidelijk zijn leven heeft te danken en er worden grappen gemaakt over de prijs van elke afzonderlijke haar op zijn hoofd. Padnos bestelt een falafelschotel en gaat ermee aan een zonnig tafeltje op de stoep zitten.
Hij vraagt of Ammar nog iets heeft gehoord van Abu Hamza al-Homsi, een officier van Jabhat al-Nusra. Abu Hamza heeft Padnos altijd goed behandeld, heeft hem papier gegeven om te schrijven en heeft zelfs aangeboden te bemiddelen bij zijn vrijlating. Padnos wil hem bedanken. Abu Hamza is dood, zegt Ammar, gesneuveld tijdens een gevecht bij de grens met Irak. Het is niet duidelijk hoe Ammar dat weet; Padnos denkt dat hij wellicht onder Abu Hamza’s bevel stond. De jongen beweert de namen en rangen te kennen van vele prominente jihadi’s, zegt te weten hoe het hen is vergaan, en zegt over nog veel meer verontrustende informatie te beschikken. Ammar leunt over tafel, laat zijn stem dalen en zegt dat hij heeft gehoord dat IS plannen heeft voor een aanslag in Zweden, een aanslag gericht op ‘homoseksuelen’, gepleegd door ‘blonde’ strijders. Ook pocht hij dat hij de beste van zijn klas is, en dat zonder ooit huiswerk te maken. Hij pakt wat falafel van Padnos bord en smeert het vol humus. Dan staat hij op om zichzelf bij te schenken uit een pot zwarte thee die binnen staat. Hij komt terug met een handvol suikerklontjes, die hij een voor een in zijn thee laat vallen, met de verveelde blik van een kind. Uiteindelijk zegt hij dat de thee te zoet is om nog te drinken.
Hij neemt Padnos mee naar het rustige binnenplaatsje onder Lina’s appartement. Op de kleine patio staan een houten tafel en stoelen, en boven hun hoofd speelt een warm briesje door de bladeren. Maar nog voor ze gaan zitten zegt Padnos ineens dat hij echt moet gaan, en hij laat Ammar achter, in de war en teleurgesteld. Padnos lijkt de moed te hebben opgegeven dat hij ooit een vriend voor de jongen zal kunnen zijn.
‘Jabhat al-Nusra heeft hem gemangeld,’ zegt Padnos tegen me. Ammar kan een leven opbouwen in Zweden, denkt hij, en die kans verdient hij ook. Op andere momenten is die grootmoedigheid vervlogen. ‘Begrijp me goed, die jongen heeft een pact gesloten met de duivel,’ zegt hij. ‘De jihad stroomt door zijn aderen.’
Toen hij destijds echt ten einde raad was geweest, had hij zijn lot in handen gelegd van Ammar, in de hoop dat hij nog over zo veel medemenselijkheid zou beschikken – hoezeer zijn gevoel ook was afgestompt of verdrongen – dat hij het bericht zou doorspelen. Dat was niet het geval. ‘Het raakte hem wel,’ zegt Padnos verbitterd. ‘Maar niet genoeg om in actie te komen.’
Niet lang nadat Padnos Stockholm achter zich heeft gelaten, schrijft Lina hem – op enigszins verwijtende toon – en vraagt of hij denkt dat Ammar lid is geweest van Jabhat al-Nusra. Het zal geen verbazing wekken dat Padnos dat inderdaad denkt, en hoewel hij Ammar heel innemend vond toen hij in Zweden was, heeft de tijd die ze samen hebben doorgebracht hem toch niet van het tegendeel weten te overtuigen.
Het is ‘mooi, om niet te zeggen ontroerend’ dat Lina de jongen zo’n warm hart toedraagt, schrijft Padnos, maar ze laat zich ook een rad voor ogen draaien. Het lijkt hem kwaad te maken, alsof het getuigt van een zekere naïviteit, waarvoor hij ook bij zichzelf bang is. ‘Misschien realiseer je je niet hoeveel van de mensen die we in Lesbos hebben gezien in de Syrische burgeroorlog hebben gevochten, aan welke kant dan ook,’ schrijft hij. ‘Natuurlijk, iedereen zegt dat hij in principe een onschuldig burger was, en voor velen gold dat duidelijk ook. Maar voor veel anderen niet. Waarschijnlijk zit er bij hen allemaal een steekje los – door Bashar [al-Assad], door de sjeiks, door de bommen, door de vele jaren van oorlog. Wat kun je eraan doen?’
Over Ammar schrijft hij: ‘In principe denk ik dat iemand pas na jaren en jaren van psychisch geweld strijder wordt voor een beweging als Jabhat al-Nusra. Hij is waarschijnlijk zwaar onder druk gezet door zijn broers en zijn vader en God mag weten wie nog meer, zelfs toen Jabhat al-Nusra nog niet eens bestond. Zodra hij zich had aangesloten, hebben ze hem waarschijnlijk bepaalde dingen laten doen om zijn betrokkenheid te vergroten. Hun hele psychologie is erop gebaseerd dat ze je totaal onder controle krijgen, zodat je nauwelijks meer een mens bent. Je bent iets anders en je enige vrienden zijn precies zoals jij. Geweld, bidden en geen contact met de buitenwereld. Dat is Jabhat al-Nusra. Dat Ammar uiteindelijk zijn bedenkingen kreeg, zegt iets over zijn karakter. Het pleit voor hem, vind ik. Dat hij in Zweden liefdevol is opgevangen is ook fantastisch. Misschien dat hij een deel van dit verleden achter zich kan laten? Ik hoop het heel erg.’
In het meest gunstige geval werpen we, als een astronoom, een blik op het heelal van Ammars ervaringen en emoties, zien we de felste objecten, die scherp zijn uitgetekend, en kunnen we ons misschien enigszins een beeld vormen van de donkerste uithoeken. Padnos ontwaart daar een dreiging die Lina niet ziet. Ze weigert met de ogen van Padnos naar Ammar te kijken, of naar zichzelf. ‘Ik heb uren en uren met hem gepraat,’ zegt ze over Ammar. ‘Ik heb er veel over nagedacht. En waar ik op uit ben gekomen – nee, dit is niet mijn verhaal over hem. Ik ken de waarheid niet. Maar dit is waar ik op uit ben gekomen. Ik heb ervoor gekozen hem te vertrouwen.’
‘Zweedse houding jegens vluchtelingen wordt norser’
Volgens de jongste cijfers telde Zweden in 2016 zo’n 150.000 vluchtelingen uit Syrië. Dat was na het ‘rampjaar’ 2015, waarin Europa in volle omvang werd geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog in dat land en de terreur van IS in Syrië en Irak. Het Zweedse parlement had al in september 2013, als eerste in de EU, ingestemd met het toekennen van een permanente verblijfsvergunning aan de groep vluchtelingen uit Syrië. Zo kreeg in 2015 zo’n 77 procent van alle vluchtelingen die zich in Zweden meldden een verblijfsvergunning, maar voor de groep vluchtelingen uit Syrië was dat 100 procent.
Kort na zijn aantreden als president van de VS zei Donald Trump in een toespraak in Florida: ‘Kijk wat er gisteravond gebeurd is in Zweden. Zweden! Wie had dat nou kunnen denken? Zweden! Ze hebben grote aantallen vluchtelingen opgenomen. En nu hebben ze problemen die ze nooit voor mogelijk hadden gehouden.’
Er was die ‘gisteravond’ echter niets gebeurd in Zweden, en de voormalige Zweedse premier Carl Bildt vroeg zich hardop af ‘wat Trump die avond gerookt zou kunnen hebben’. Maar in april reed een afgewezen Oezbeekse asielzoeker in Stockholm met een vrachtwagen in op het winkelend publiek, waarbij vijf doden vielen. Volgens het Oezbeekse ministerie van Buitenlandse Zaken was de man gerekruteerd door IS. Hij moet eind november in Stockholm terechtstaan.
De meeste vluchtelingen in Zweden verblijven rond Stockholm, Göteborg en Malmö. De Amerikaanse radiozender PRI constateerde onlangs in een reportage vanuit Zweden dat de stemming daar een lichte omslag vertoont. ‘Het is waar dat de houding ten opzichte van vluchtelingen en immigranten de afgelopen jaren norser is geworden,’ zei Daniel Hedlund van de Universiteit van Stockholm. ‘Maar ik moet zeggen dat de meerderheid van de Zweden nog altijd positief staat tegenover, bijvoorbeeld, het toekennen van gelijke sociale rechten aan vreemdelingen.’
Halverwege het maken van dit nummer werd bekend dat er in het Amsterdamse debatcentrum De Balie, waar 360 kantoor houdt, een IS-strijder was gesignaleerd. De man hield zich op tussen het publiek bij een lezing van de Syrische actiegroep Raqqa is Being Slaughtered Silently. Nadat hij werd herkend door leden van de groep, rende hij naar buiten en wist hij op de fiets te vluchten.
Hoe beangstigend ook, verbazend is het natuurlijk niet dat er IS-strijders door de mazen van het net glippen en Europa weten te bereiken. Hoe makkelijk zoiets kan gaan, blijkt uit het verhaal waarmee we deze editie openen. Een goedwillend Zweeds gezin neemt op het hoogtepunt van de vluchtelingencrisis een Syrische jongen in huis. Hij is zestien, noemt zich Paul, is naar eigen zeggen christen en beweert dat hij in Syrië is vastgehouden door jihadisten. Maar na verloop van tijd blijkt het verhaal van de jongen niet helemaal te kloppen. Hij heet geen Paul maar Ammar, en vertelt verontrustende verhalen over de horror waarvan hij in Syrië getuige is geweest – en waaraan hij misschien ook heeft meegedaan.
Toevallig blijkt ook Ammar in hetzelfde Syrische cellencomplex te hebben verbleven, en Padnos was ervan overtuigd dat hij een jihadist was
Intussen is ook de Amerikaanse journalist Theo Padnos ten tonele verschenen, een oude bekende over wie 360 eerder twee verhalen publiceerde. In het eerste beschreef Padnos zelf hoe hij in Syrië twee jaar werd gegijzeld door terreurgroep Jabhat al-Nusra. In het tweede werd hij door het Duitse weekblad Die Zeit geïnterviewd, samen met zijn medegevangene van destijds, oorlogsfotograaf Matt Schrier. Toevallig blijkt ook Ammar in hetzelfde Syrische cellencomplex te hebben verbleven, en Padnos was ervan overtuigd dat hij een jihadist was.
Toen Ammar door Jabhat al-Nusra werd vrijgelaten, gaf Padnos hem een briefje mee waarin hij om hulp vroeg. De jongen leverde het briefje nooit af, maar nam het wel mee naar Zweden, waarop zijn pleegmoeder contact opnam met de inmiddels vrijgelaten Padnos. Uiteindelijk komt het tot een confrontatie tussen Ammar en Padnos.
Hoe het afloopt moet u zelf maar lezen. Maar we kunnen alvast verklappen dat Padnos er niet van overtuigd is dat de getrainde en getraumatiseerde Ammar geen bedreiging vormt. Reden temeer om je zorgen te maken over een mogelijk nieuw gewapend conflict in het Midden-Oosten. Hoe dat precies zit, leest u in het minidossier.
Goed nieuws is er gelukkig ook: Big Pharma gaat Afrika helpen met goedkope kankermedicijnen, en we zijn trots op onze nieuwe cultuuragenda die sinds de vorige editie de VPRO-pagina vervangt.
Eind oktober verklaarde de Britse minister Rory Stewart dat ‘de enige oplossing’ voor het probleem van de Syriëstrijders was om ze te doden voordat ze terugkeren naar Europa. Zijn opmerking leidde tot een felle polemiek.
JA
Wat moeten we aan met de honderden jihadisten die terugkeren na een potje lekker onthoofden bij IS? Max Hill, de onafhankelijke toezichthouder op de Britse terrorismewetten, vindt dat we ze niet voor de rechter moeten slepen, maar ze moeten helpen om weer te integreren in de maatschappij. Ik daarentegen ben het eens met de Conservatieve minister Stewart dat het ‘in bijna alle gevallen’ de beste oplossing zou zijn om ze dood te schieten terwijl ze daar nog zijn. Het enige probleem dat ik zie is: wat als we missen? Er glippen er vast een paar door het net.
Een paar jaar geleden kampten we nog met het tegenovergestelde probleem. Wat moesten we doen, vroegen we ons wanhopig af, met jonge, Britse moslims die voor IS wilden gaan vechten? Het leek mij crimineel en bespottelijk om ze te laten gaan om vervolgens gedood te worden door Britse explosieven of sluipschutters met scherpe ogen. Dus waarom zouden we ze niet meteen op Heathrow doodschieten? Het resultaat was hetzelfde, alleen een stuk goedkoper. Ik kreeg echter te horen dat dit grondwettelijke, morele en legale implicaties had, en andere passagiers zou afschrikken. Mijn tweede suggestie was: laat ze gaan, maar laat ze er niet meer in als ze er genoeg van krijgen of niet zonder hun Eerste Wereld-geneugten blijken te kunnen. Dit idee werd niet beter ontvangen dan het eerste.
Dan moeten ze maar gaan wonen op een plek waar hun opvattingen worden gedeeld
We kunnen dus niet voorkomen dat in Groot-Brittannië geboren jihadisten terugkeren naar Groot-Brittannië omdat ze, eh, Britten zijn. Natuurlijk, dat begrijp ik. Tenzij we een wet aannemen waarin staat dat hun staatsburgerschap wordt afgenomen als ze tegen Britse troepen hebben gevochten. Dan moeten ze maar gaan wonen op een plek waar hun opvattingen worden gedeeld.
En waarom trappen we alle in het buitenland geboren islamisten er niet uit omdat die een potentieel gevaar vormen? Want dat doen we ook niet, al heb ik geen idee waarom niet. We houden vol dat we ze in de gaten houden als ze terugkomen uit de bouwmarkt met hun pakken waterstofperoxide en hun smeltdraad.
We laten ons op een dwaalspoor brengen en zijn daardoor niet in staat iets te ondernemen. Max Hill denkt bijvoorbeeld dat de jonge misdadigers die naar Syrië zijn gegaan gewoon aardige jongelui waren die op onverklaarbare wijze ‘geradicaliseerd’ zijn door de islamistische ideologie. Alsof hun moordzuchtige bedoelingen ze werden opgedrongen door een buitenstaander en zij eigenlijk slachtoffers waren. Dus dit moeten we doen: als ze proberen terug te keren, deporteer ze dan. Als je ze niet kunt deporteren, sluit ze dan op zo lang als onze wetten toestaan. Als er een sleutel is, gooi die dan weg. Dan zullen de mensen in Londen en Manchester zich iets veiliger voelen.
Rod Liddle (1960) is co-hoofdredacteur van The Spectator en voormalig redacteur van het BBC Radio 4-programma Today. Hij schreef boeken, presenteerde tv-programma’s, en publiceerde in o.a. The Sunday Times en The Sun.
The Times | Londen
1. Robert Fisk, 2. Rob Liddle
NEE
Onlangs hebben Europese leiders een belangrijke, ongekende en gevaarlijke beslissing genomen. Die is niet erg expliciet verwoord, maar het is overduidelijk dat ze vinden dat buitenlandse strijders voor IS gedood moeten worden als ze worden opgespoord.
Wat is er met gerechtigheid gebeurd, dat basisprincipe van alle landen die geloven in vrijheid en democratie? Een paar citaten. De Franse minister van de Strijdkrachten, Florence Parly: ‘Als jihadi’s sneuvelen in deze strijd lijkt me dat het beste.’ En de Amerikaanse vertegenwoordiger van de anti-IS-coalitie, Brett McGurk: ‘Het is onze missie om ervoor te zorgen dat elke buitenlandse strijder die zich bij IS heeft aangesloten en naar Syrië is gekomen, ook hier in Syrië sterft.’ En onze eigen Tory-minister Rory Stewart: ‘Ik ben bang dat we het feit dat die mensen een groot gevaar vormen serieus moeten nemen. Ze doden is jammer genoeg de enige manier om ze aan te pakken.’
Die uitspraak van Stewart is heel begrijpelijk, buitengewoon helder en zeer betreurenswaardig. Stewart, Parly en McGurk vragen in feite om de executie van hun burgers die zich bij IS hebben gevoegd. Dat zeggen ze natuurlijk niet. Maar zo maken we Iraakse soldaten en Koerden en wie dan ook wel duidelijk dat ze Britse, Franse, en Amerikaanse burgers die voor IS zijn gaan vechten mogen vermoorden. Prima. Geen punt. Wie wil ze graag terug?
Als ze gevangen worden genomen, moeten we ze dan niet “aanpakken” door ze voor de rechter te brengen, ze voor altijd op te sluiten als dat het vonnis is en de hele wereld laten zien dat wij geen moordenaars zijn en moreel boven de slachters van IS staan?
Maar wat is er intussen gebeurd met het internationale recht? Tientallen jaren lang hebben we de dictators in het Midden-Oosten veroordeeld om hun wreedheid en hun massale terechtstellingen – en zo hoort het ook. Maar hoe kunnen we ze nu nog veroordelen als wij publiekelijk aankondigen dat we onze eigen burgers die zich bij IS hebben aangesloten dood willen hebben?
De Egyptenaren, de Saoedi’s en de Syriërs mogen nu hoofden afhakken en iedereen die ze maar willen ophangen of afslachten omdat de ‘enige manier om ze aan te pakken’ (‘jammer genoeg’ natuurlijk) is ze ‘te vermoorden’.
Als een Brit ervoor kiest om te vechten en te sterven in een strijd voor een groteske organisatie als IS, dan is dat zijn (of haar) probleem. Maar als ze gevangen worden genomen, moeten we ze dan niet ‘aanpakken’ door ze voor de rechter te brengen, ze voor altijd op te sluiten als dat het vonnis is en de hele wereld laten zien dat wij geen moordenaars zijn en moreel boven de slachters van IS staan?
Doen we dat niet, dan overtreden we de grens tussen gerechtigheid en het aanmoedigen van executies. Als we dat willen, laten we dat dan duidelijk zeggen. En als we dat niet willen, laten we dat dan ook zeggen. Amnesty? Human Rights Watch? Ik heb nog niets van ze gehoord.
Auteur: Robert Fisk
Robert Fisk (1946) is sinds 1989 Midden-Oosten-correspondent voor The Independent. Hij won tal van prijzen, waaronder zeven keer de Press Awards Foreign Reporter of the Year. Fisk publiceerde verschillende boeken en versloeg diverse oorlogen en conflicten.
De Syrische Koerden hielpen de VS om IS te verslaan. Maar nu de Amerikanen hen niet meer nodig hebben als bondgenoot, dreigen ze zoals zo vaak aan het kortste eind te trekken.
Met de val van Raqqa is het lot van IS praktisch bezegeld. De beweging is bezig haar laatste stedelijke bolwerken in Syrië en Irak te verliezen en zal veroordeeld worden tot de rol van een guerrillagroep die verrassingsaanvallen uitvoert vanuit de woestijn. Tijdens het beleg van Raqqa, dat op 6 juni begon, verdedigde IS zich met verve, maar zag de groep zich voor een overmacht geplaatst.
Ook de overwinnaars zijn echter niet te benijden. De Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) is een Koerdisch-Arabische strijdmacht, maar de militaire slagkracht komt van de YPG, de zogeheten Volksverdedigingstroepen: zeer gemotiveerde, goed georganiseerde en ervaren Syrisch-Koerdische strijders die banden hebben met de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) in Turkije. De SDF hebben weliswaar bewezen over uitstekende grondtroepen te beschikken, maar danken hun grote successen niet alleen aan hun onmiskenbare militaire vaardigheden, maar ook aan de verwoestende vuurkracht van de door de VS geleide coalitie met haar bommen, raketten en drones.
De Koerden in Syrië hebben zich altijd angstig afgevraagd wat er met hen zou gebeuren als de Amerikanen hen niet meer nodig hadden als cruciale bondgenoot tegen IS. Zij vormen een gemeenschap van zo’n 2,2 miljoen mensen die werden gemarginaliseerd en vervolgd tot aan de opstand tegen het Syrische regime in 2011. Het Syrische leger trok zich in 2012 terug uit hun leefgebied, waarop de Koerden de republiek Rojava (‘Het Westen’) uitriepen, een reeks Koerdische enclaves op een strook land in het noordoosten van Syrië, ten westen van Iraaks-Koerdistan (vandaar de naam) en ten zuiden van Turkije.
In 2014 viel IS de Koerdische stad Kobani aan. Uiteindelijk schoot de Amerikaanse luchtmacht de Koerden te hulp met een grootschalige interventie. Het Pentagon was al lange tijd op zoek naar een plaatselijke bondgenoot en vond die in de YPG. De Amerikaans-Koerdische alliantie is ook zeer effectief gebleken, maar dreigt nu slachtoffer te worden van haar eigen succes.
Tegenwoordig zijn de Koerden actief in soennitisch-Arabische gebieden. Het is een illusie dat ze die gebieden kunnen behouden. Enkele SDF-eenheden zijn over de rivier de Eufraat doorgedrongen tot in de zuidelijke provincie Deir ez-Zor, waar de helft van de Syrische olie wordt geproduceerd en IS zich heeft teruggetrokken. Er dreigt echter ook een botsing tussen de Koerden en het Syrische leger, dat vanuit het westen oprukt.
In het Witte Huis klinken geluiden om de YPG en soennitische stammen te blijven gebruiken voor de verwezenlijking van het plan van president Trump om Iran en zijn bondgenoot – het Syrische regime – te verzwakken. Daaraan kleven evenwel ernstige nadelen: het is mosterd na de maaltijd, omdat het pleit in Syrië feitelijk al is beslecht door het bewind van president Bashar al-Assad en zijn bondgenoten: de Libanees-sjiitische beweging Hezbollah, de Iraanse Revolutionaire Garde en Iraaks-sjiitische paramilitaire groepen. De SDF hebben aanzienlijke versterking nodig van lokale Arabische bondgenoten om nog een kans te maken, waarbij hun rol van afstandsbediening van de VS tot een confrontatie met Rusland kan leiden.
Koerdische commandanten hebben het nu over onderhandelingen met Damascus, omdat het Assad-regime de Arabische oppositie grotendeels heeft verslagen en alleen de Koerdische minderheid als tegenstander overblijft. Trump sloeg onlangs een strijdlustige toon aan tegen Iran, maar het is twijfelachtig of hij verstrikt wil raken in een niet te winnen oorlog in Syrië die Washington mogelijk meer schade berokkent dan Teheran.
Vele spelers
De grootste bedreiging voor de Syrische Koerden komt van Turkije, dat de officieuze Koerdische staat langs zijn zuidgrens als een permanent gevaar ziet. Des te vervelender voor de Turken dat ze voorlopig weinig aan de situatie kunnen doen, zolang de VS en Rusland zich met de regio blijven bemoeien. Als Ankara zijn beperkte militaire activiteiten in Syrië wil uitbreiden, zal daarvoor luchtsteun nodig zijn. De Russen zullen geen Turkse vliegtuigen boven Syrië dulden.
Het Syrische politieke en militaire schaakbord is complex en kent vele spelers. Raqqa markeert de zoveelste van een reeks nederlagen van IS. De beweging zal het nog moeilijk krijgen om te overleven, al zal ze op de val van de stad hebben geanticipeerd en een vlucht naar afgelegen gebieden hebben voorbereid met de aanleg van bunkers en wapen- en voedselopslagplaatsen. Met dat bijltje heeft IS, toen het nog ISI ofwel Islamitische Staat in Irak heette, tussen 2008 en 2011 al gehakt, na op de knieën te zijn gedwongen door een coalitie van de VS en soennitische stammen.
In Syrië en Irak is de belangrijkste kwestie niet meer hoe IS te verslaan, maar wat te doen met de Koerden. Die zullen de grootste moeite hebben om de winst te behouden die zij in de oorlog hebben geboekt.
Auteur: Patrick Cockburn
Vertaler: Carl Stellweg
The Independent
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 75.600
Opgericht 1986 in het Thatcher-tijdperk, politiek neutraal. De kleinste kwaliteitskrant van Engeland.
Raqqa, de hoofdstad van het ‘kalifaat’, is door Koerdisch-Arabische troepen terugveroverd op IS. Maar wat er met de stad gaat gebeuren is onduidelijk.
Onder een blakerende zon in lege straten met verwoeste gebouwen marcheren strijders van de door de VS gesteunde Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) langs de rottende lijken van hun vijanden. Hier wordt de nederlaag van IS gevierd. Hoewel de zegevierende troepen onder leiding stonden van de Koerden, zijn het vooral Arabieren uit Raqqa die deze dinsdag slogans schreeuwen en in de lucht schieten. Zij hebben zich bij de SDF aangesloten om hun stad terug te winnen.
‘Raqqa is vrij, vrij! IS, opgerot!’ roept de twintigjarige Abdullah. ‘We hebben ze eruit geschopt!’
Maar iedereen hier beseft dat er nog veel te doen is. Zoals het oprollen van de laatste verzetshaarden en het ruimen van mijnen en geïmproviseerde explosieven waarmee de stad bezaaid ligt – een stad die een verwoeste aanblik biedt door de zware Amerikaanse bombardementen waarmee het SDF-offensief werd ondersteund.
Na een bloedige, vier maanden durende militaire campagne is de ontknoping haast een anticlimax. De aanwezige verslaggevers hebben weinig meegekregen van de laatste dag dat er gevechten woedden, omdat ze om niet geheel duidelijke redenen de frontlinies niet mochten bezoeken.
Het Zwarte Stadion
Een week eerder waren er onderhandelingen tussen Arabische stammen en IS. Inzet was de overgave van lokale strijders, en dat scheelde dagen of weken aan gevechten. SDF-commandanten hadden eerder berekend dat als IS zich bleef verzetten, ze vijftien dagen kwijt zouden zijn.
Een van de laatste belangrijke doelen was de verovering van het grootste stadion van de stad, dat door de SDF ‘het Zwarte Stadion’ is gedoopt omdat het onder het IS-bewind een theater van verschrikkingen was geworden. ‘Wij hebben vandaag bezit genomen van het Zwarte Stadion,’ vertelt Saif al Din Raza uit Raqqa. Dat wil zeggen: de plek was omsingeld. ’Er zitten nog zo’n vijftig tot honderd buitenlandse IS-strijders en die gaan er allemaal aan.’
‘Maar wat hoor ik voor geweervuur?’ vraag ik.
‘Dat zijn jongens die de overwinning vieren,’ aldus Saif. En inderdaad, die dinsdag valt het Zwarte Stadion vlot in handen van de SDF.
‘De buitenlandse strijders konden kiezen tussen zich overgeven of gedood worden,’ vertelt Omar Aloush, een hoge vertegenwoordiger van het nieuwe bestuur in Raqqa. Hij ontkent berichten dat de resterende IS-strijders van Syrische komaf met burgers als levend schild in bussen naar Deir ez-Zor zijn gebracht. Toch zag ik in het oosten van de stad die bussen Raqqa uit rijden. Het bleek om in totaal 3500 burgers te gaan.
De SDF-strijders voelen zich onoverwinnelijk. ‘We gaan naar Deir ez-Zor en zullen het bevrijden, we rekenen in alle Syrische steden met IS af,’ bezweert Saif al Din Raza.
Ondertussen zijn in Raqqa de gevechten van man tegen man gestopt en is ook de bevrijding van het Nationale Ziekenhuis in volle gang. ‘We blijven rond het Zwarte Stadion zoeken naar restanten van IS,’ zegt Mustafa Bali, hoofd van het mediacentrum van de SDF. ‘Verder zijn de strijders al begonnen om de vele door IS geplante mijnen te ruimen. Dat karwei kan wel een paar dagen duren.’ Idris Mohammed, hoofd van de door de VS getrainde Interne Veiligheidstroepen van Raqqa, werd door een van die mijnen gedood, een dag voor de bevrijding.
De nieuwe bestuurders van Raqqa hebben veel te stellen met het grote aantal verzoeken van burgers om snel naar de stad terug te keren. Zij vrezen dat als dit op een chaotische manier gebeurt, plunderingen maar ook dodelijke ongelukken met mijnen het gevolg zullen zijn. ‘De prioriteit na de bevrijding is het ruimen van mijnen. Daarna pas kunnen de burgers weer naar hun huizen en is het tijd voor de wederopbouw,’ zegt Ilham Ahmed, co-voorzitter van de Democratische Raad van Syrië, een grotendeels door Koerden geleide organisatie die gelieerd is aan de ‘Volksverdedigingstroepen’ (YPG), het leger van het officieuze Koerdische republiekje Rojava in Noord-Syrië. ‘Er moet een herstelplan voor de hele stad komen.’ Verder onthult ze dat de door de VS gesteunde Civiele Raad van Raqqa, die tot nu toe vanuit de stad Ain Issa werkte, wordt uitgebreid en geherstructureerd, en naar Raqqa verhuist.
Hoe de wederopbouw van de voormalige hoofdstad van IS ook wordt aangepakt, er zal een hoop geld mee gemoeid zijn. En of dat geld er komt, is de vraag. De Koerdische stad Kobani, die in 2015 werd bevrijd na een maandenlange bloedige, kostbare belegering, is nog steeds zwaar beschadigd en heeft nauwelijks hulp gekregen bij de wederopbouw. Sommige Koerden zijn boos op humanitaire organisaties omdat die volgens hen vooral ‘Arabische steden’ helpen.
Een paar dagen eerder bezocht Brett McGurk – de speciale gezant van de president van de VS inzake IS – Ain Issa en de Civiele Raad van Raqqa. Hij was in het gezelschap van de Saoedische minister van Arabische Zaken, Thamer al-Sabhan. Verslaggevers mochten geen foto’s maken.
‘De Saoedische vertegenwoordiger heeft ons niet veel verteld, maar zei wel dat wij van de Civiele Raad in Raqqa goed werk hadden geleverd door de scholen te heropenen en de sociale eenheid te herstellen,’ aldus Omar Aloush van de Raad. Hij voegde eraan toe dat donorlanden bezig waren om hulpprojecten voor Raqqa te evalueren. ‘Een Comité voor de Wederopbouw zal toezien op het bestuur. Onmiddellijk na de bevrijding wordt de schade aan de instellingen en de infrastructuur opgemaakt.’
Een paar weken eerder werd de Civiele Raad van Raqqa uitgenodigd voor een bijeenkomst in Rome met vertegenwoordigers van diverse westerse en Arabische leden van de door de VS geleide coalitie tegen IS. Er werd geld beloofd voor de wederopbouw van Raqqa. ‘Wij hopen dat Saoedi-Arabië en andere landen het Comité voor de Wederopbouw zullen helpen,’ zei Aloush, ‘want de schade in Raqqa is zeer groot en het herstel kan lange tijd duren.’
Zal de regering-Trump opnieuw toekijken wanneer Turkije, of het Syrische bewind, de Syrische Koerden aanvalt?
Nu IS in Raqqa is verslagen en de laatste verzetshaarden in de provincie Deir ez-Zor worden opgeruimd door de troepen van het Syrische leger en de SDF, rest de vraag of de Verenigde Staten de Koerden in Syrië zullen blijven steunen. Veel Koerden maken zich zorgen over wat er gaat gebeuren met hun grondgebied in het noorden van Syrië. Een veeg teken is dat de VS niet tussenbeide kwamen toen Iraakse regeringstroepen, inclusief door Iran gesteunde sjiitische paramilitairen, gebieden in Noord-Irak terugveroverden die door de Koerden werden betwist. Dat gebeurde na het Iraaks-Koerdische onafhankelijkheidsreferendum op 25 september. Zal de regering-Trump opnieuw toekijken wanneer Turkije, of het Syrische bewind, de Syrische Koerden aanvalt?
In ieder geval hebben de Koerdische leiders in Noord-Syrië gezegd dat ze bereid zijn om over autonomie te onderhandelen met de Syrische regering. Ze benadrukten dat ze zich niet van Syrië willen afscheiden – in tegenstelling tot de Iraakse Koerden, die naar een onafhankelijke staat streven.
Opgezet door Tina Brown, voormalig hoofdredactrice van Vanity Fair en The New Yorker. De site publiceert opiniestukken, nieuwsanalyses en berichten over celebrity’s.
In Syrië zijn door de oorlog veel mannen spoorloos. Hoe moeten hun echtgenotes zich opstellen? De Syrische Islamitische Raad heeft onlangs een fatwa uitgevaardigd.
De Syrische Islamitische Raad heeft op 17 september een fatwa uitgevaardigd met regels waaraan een vrouw gebonden is als haar echtgenoot afwezig of spoorloos is. Volgens de officiële website van de Raad zijn er veel vrouwen van wie de echtgenoot soms al jaren gevangenzit zonder dat ze weten waar hij is of hoe het met hem gaat, of hij dood is of nog in leven. Hoe dienen vrouwen zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen? Moeten ze hun man als overleden beschouwen? Kunnen ze om een echtscheiding vragen? Mogen ze hertrouwen?
De rechtsgeleerden noemen een man vermist als er niets van hem is vernomen, als er geen nieuws van hem is, als het niet bekend is of hij dood is of levend of als hij gevangen is genomen dan wel spoorloos als gevolg van de oorlog. In die gevallen wordt ervan uitgegaan dat hij nog leeft, wat betekent dat de echtgenote niet mag hertrouwen noch haar aandeel mag erven. Dat mag allebei pas als zijn dood door een islamitische rechter is bevestigd.
In geval van aanhoudende vermissing kan de echtgenote een rechter verzoeken de dood vast te stellen of de scheiding wegens geleden schade uit te spreken. Indien de rechter de dood waarschijnlijk acht, stelt hij een wachttijd in. Als de echtgenoot niet binnen die tijd opdaagt, wordt bepaald dat hij is overleden.
Als blijkt dat de echtgenoot nog leeft, kan hij zijn vrouw terugclaimen. De rechter verklaart daarop een eventueel tweede huwelijk nietig
Als later blijkt dat de echtgenoot nog leeft, kan hij zijn vrouw terugclaimen. De rechter verklaart daarop een eventueel tweede huwelijk nietig. De vrouw moet dan drie maandstonden wachten alvorens terug te keren naar haar eerste echtgenoot, met een nieuw huwelijkscontract. Als hij haar terugkeer niet wenst, kan hij teruggave eisen van de bruidsschat van de tweede echtgenoot. Wat zijn keuze ook is, er valt niet aan te tornen.
Volgens de Raad mag een vrouw hoe dan ook om opheffing van het huwelijk verzoeken indien de afwezigheid van de echtgenoot haar nadeel heeft berokkend, hij haar met te weinig middelen van bestaan heeft achtergelaten, of wanneer zij vreest in zonde te vervallen. De rechter buigt zich echter pas een jaar na de verdwijning van de echtgenoot over dit verzoek, teneinde diens rechten veilig te stellen.
Wanneer een huwelijk wordt opgeheven nog voordat het is geconsumeerd, moet de vrouw de bruidsschat terugbetalen aan de familie van de verdwenen of afwezige echtgenoot. Als het huwelijk wordt ontbonden nadat het al is geconsumeerd, behoort de bruidsschat haar volledig toe.
Indien de echtgenoot afwezig blijft, maar er wel informatie over hem bekend is zonder dat hij kan worden bereikt, bijvoorbeeld omdat hij naar een ver land is afgereisd of omdat hij ergens is waar hij niet weg kan, is het huwelijk nog geldig en kan de vrouw niet hertrouwen. Doet zij dat toch, dan is het nieuwe huwelijk nietig en zal het worden ontbonden, ook als zij schade heeft geleden door de langdurige afwezigheid van haar oorspronkelijke echtgenoot.
De toelichting van de Syrische Islamitische Raad hierbij luidt: ‘Indien de vrouw in bevrijd gebied woont [dus niet onder de controle van het officiële bewind], wordt haar zaak rechtstreeks aan een shariarechtbank voorgelegd. Indien verblijvend in een derde land, machtigt zij een persoon of een gespecialiseerde instantie om haar zaak voor te leggen aan een gerecht in bevrijd gebied, teneinde langs deze weg een uitspraak te verkrijgen over scheiding of overlijden.’
Dat paradijselijke eilandenrijk de Malediven is verre van paradijselijk voor de lokale bevolking. Sterker nog. Ze noemen het een hel. ‘Male’ telt het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. De doodstraf is heringevoerd, de sharia geformaliseerd en voor het stelen van een mango staat een lange celstraf.
‘Het zijn goede vechters, hè?’ zegt de taxichauffeur trots als ik hem vertel dat ik uit het Midden-Oosten kom en journalist ben. Praat in Parijs, in Brussel, in Tunis met moslims over de jihadisten van IS en ze zeggen allemaal beschaamd, bijna verontschuldigend: Ze zijn knettergek. Op de Malediven zeggen ze: Het zijn helden.
Veel westerse toeristen beseffen niet eens dat het een islamitisch land is. De Malediven zijn evenwel het niet-Arabische land met het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. Circa tweehonderd, op vierhonderdduizend inwoners. De regering ontkent het. Maar iedereen heeft wel een broer of een neef in Syrië. Toen de hele wereld in augustus naar de Olympische Spelen keek, keken ze hier allemaal naar de strijd om Aleppo. En moedigden ze Al-Qaida aan.
In theorie zijn de Malediven een archipel van 1192 eilanden. Maar voor de Malediviërs is er maar één eiland: Male. De hoofdstad. Op de eilanden hebben ze maar een paar winkels, en een school. Een voetbalveldje. Soms is er niet eens elektriciteit. Voor alles moet je naar Male. Male lijkt een stad als duizenden andere, maar beslaat slechts 5,8 vierkante kilometer en heeft officieel honderddertigduizend inwoners, al wonen er in werkelijkheid twee keer zo veel: in Male is ieder hoekje en gaatje bewoond.
In een van de hoofdstraten, de Buruzu Magu, sla ik een heel smal steegje in dat uitzicht biedt op een stukje ansichtkaart: een blauw, een groen en een geel huis. Aan het einde een wenteltrap. Achter de eerste deur rechts wonen ze met zijn vijven, achter de eerste links met zijn negenen, en achter de tweede zijn ze allemaal immigrant, ze komen uit Bangladesh, wonen met zijn achttienen in één kamer en slapen bij toerbeurt. In het huis daarna staat achter een deur een tafel van halfverrot multiplex, moeder en dochter zitten in het donker te kletsen en naast hen, op een versleten mat, zit een eveneens versleten oude vrouw te reutelen, haar dorre grijze haar uitstaand als de draden van een doorgebrande gloeilamp. Ze wonen er met zijn zestienen, te midden van vodden en schoenen met gaten, met jute en stukken golfplaat opgelapte muren, de stank van lichamen. De keuken is een butagasstel. In de kamers staan geen tafels of stoelen, er is helemaal niets, ook geen ramen, alles ligt door elkaar op de grond, de was hangt aan het plafond te drogen. Aan de muur hangt een plasmatelevisie, gekregen bij de laatste verkiezingen, in ruil voor een stem. Maar een gemiddeld inkomen hier is 8000 rufiyaa, 470 euro: net genoeg voor een elektriciteitsrekening. De huur voor drie kamers is 20.000 rufiyaa.
Kinaan is in zo’n huis opgegroeid. Met z’n zessen in één kamer, ouders die voortdurend ruziemaakten. De zee was hun douche. Nu is hij eenendertig, en de bekendste en meest gevreesde misdadiger van Male. Als je met hem op pad bent, maakt iedereen ruim baan. Male is verdeeld tussen een dertigtal gangs, elke heeft tussen de vijftig en de vijfhonderd leden. We hebben het hier over een tiende van de bevolking, in de hoogste schatting: een vijfde van alle jongeren. In de eerste en laatste studie over straatgeweld, uit 2009, zei 43 procent van de ondervraagden dat ze zich zelfs in hun eigen huis niet veilig voelden. Kinaan is op zijn vijftiende voor het eerst in de gevangenis beland, omdat hij had gevochten. Hij is sinds zijn zeventiende verslaafd aan heroïne en alcohol. En hij verkoopt nog steeds drugs om te overleven. ‘Want niemand biedt je hier een tweede kans,’ zegt hij. ‘Ik ben bereid elk soort werk te doen, maar niemand heeft me ooit willen aannemen. Zelfs niet als losser in de haven. Vroeg of laat worden we allemaal gearresteerd, allemaal vanwege drugs, want als je met z’n tienen in een kamer woont, leef je in feite op straat. Male is een hel, je hebt er geen toekomst, niks, en alcohol is verboden: heroïne kost veel minder dan wodka. En onzinnig genoeg zijn de straffen erg streng. Als je een mango steelt, riskeer je een jaar gevangenisstraf en ben je voor het leven getekend. Maar tegelijkertijd is er sprake van totale tolerantie: we worden namelijk ingehuurd door politici. Tegen vaste tarieven, twaalfhonderd dollar voor het ingooien van een etalage, zestienhonderd voor het molesteren van een journalist. De opdrachten variëren van flyeren tot iemand overhoopsteken. Dus als ze willen, als je van nut bent, halen ze je uit de gevangenis.’ Kinaan is twee keer veroordeeld, maar heeft zijn straf nooit uitgezeten. Net zomin als zijn vriend Dhonko. ‘En wat doe jij dan voor werk?’ vraag ik hem. Hij lacht. ‘Ik zit vijfentwintig jaar gevangenisstraf uit.’
Kinaan probeert al tien jaar lang zijn leven te veranderen. En dus heeft hij besloten om nu op eigen houtje een tweede kans te creëren: hij heeft besloten naar Syrië te gaan. ‘Het is niet moeilijk. Niemand houdt je tegen. Ze hebben er allemaal belang bij zich van ons te ontdoen: we hebben al hun misdrijven gepleegd, we kennen al hun geheimen. En we willen hier allemaal weg. Alles is beter dan Male.’
‘Als ik in Syrië word gedood, is het in elk geval om een goede reden.’
Voor velen hier is Syrië een economische en morele kans: een vorm van verlossing. Het enige wat Kinaan nog weerhoudt is dat hij wil proberen zijn broer Humam te redden. Na een moratorium van zestig jaar wordt de doodstraf weer uitgevoerd. En Humam staat boven aan de lijst: hij is beschuldigd van het neersteken van een gedeputeerde. Hij heeft zijn bekentenis ingetrokken en verklaard dat hij door de politie onder druk is gezet, en bovenal vertoont hij, volgens Amnesty International, vaak tekenen van geestelijke instabiliteit. Maar hoe het ook zij, hij blijft de dader van een duidelijk politieke moord. Afrasheem Ali was presidentskandidaat, en Maumoon Abul Gayoom, die dertig jaar lang, van 1978 tot 2008, president was van de Malediven en ook nu nog wordt beschouwd als de vader des vaderlands, had verklaard dat zijn partij de kandidaat zou steunen met de sterkste geloofsbrieven inzake de islam. Afrasheem Ali dus, en niet Abdulla Yameen, de huidige president.
Maar toen hij op een avond op weg was naar huis, is Afrasheem Ali vermoord.
In het nieuwe wetboek van strafrecht is niet alleen de doodstraf heringevoerd, maar is een jaar geleden ook voor de eerste keer de sharia geformaliseerd. Op de Malediven is de islam altijd politiek geweest, en niet louter religie. Toen Gayoom aan de macht kwam, waren de Malediven nog gewoon een archipel van primitieve vissers. Want in werkelijkheid is het er helemaal geen paradijs: ze hebben er niet eens een zoetwaterbron. Gayoom had in Caïro aan de Al-Azhar-universiteit gestudeerd: voor de Malediviërs uit die tijd was zijn woord niet dat van een president, maar het woord van God. Het was Gayoom die de resortformule ontwikkelde, het toerisme van vijfduizend dollar per nacht.
Het was dé manier om het land te moderniseren, maar ook om het onder controle te houden, door de bevolking op Male te concentreren en vooral door elk contact met andere culturen te verbieden. Van de 1192 eilanden zijn er slechts 199 bewoond, en 111 zijn resorts, maar er is geen enkele interactie. Ook niet in de resorts. Buiten werktijd is het de werknemers verboden er rond te blijven hangen.
En dan zijn de resorts ook nog eens gebouwd door buitenlandse ondernemers. De wet gebiedt wel dat die een Maledivische partner hebben – over het algemeen een Malediviër die goed bevriend is met een politicus. Of die zelf politicus is. Op de Malediven bezit 5 procent van de bevolking 95 procent van de rijkdom.
Zelfs de tsunami in 2004 is geïnterpreteerd als een straf van God. In allerlei filmpjes is te zien hoe het water op een van de eilanden alles wegvaagt, behalve de moskee
Daar komt bij dat elke tegenstander niet alleen maar een tegenstander is: hij is een ongelovige. Shadindha Ismail, 38 jaar en hoofd van het Democracy Network, de belangrijkste organisatie voor de mensenrechten, zegt hierover: ‘Ze hebben het geloof gepolitiseerd en de politiek gesacraliseerd.’
Zelfs de tsunami in 2004 is geïnterpreteerd als een straf van God. In allerlei filmpjes is te zien hoe het water op een van de eilanden alles wegvaagt, behalve de moskee.
Het resultaat is dat er nu veel, heel veel jongens zijn als Ali. Klaar om naar Syrië te vertrekken.
Ali is 22 en ziet er bescheiden, bijna ascetisch uit. Hij is mager, draagt slippers, jeans en een overhemd met een mao-boord dat een beetje op een tuniek lijkt. Drie, vier centimeter baard. Het is een zwijgzame, verlegen jongen. En hij is er bovenal klaar voor: hij heeft de drieduizend dollar voor de reis bijna bij elkaar gespaard – door hasj te verkopen. Hij is nog nooit buiten de Malediven geweest, maar inmiddels heeft hij een mobieltje met alle kaarten van Turkije en weet hij alles van het front. Hij weet minder over Syrië. Over de complexheid ervan. De gevechten tussen de rebellen, de plunderingen, de smokkel – eigenlijk gaat hij ook niet naar Syrië, want, zegt hij: ‘Ik ga naar het paradijs.’
‘Wat denk je er te vinden?’ vraag ik.
Hij twijfelt geen moment. ‘Broederschap.’ Een nieuw leven. Een ander leven. ‘Een samenleving waarin we allemaal mensen zijn, en geen gieren of kadavers, zoals hier, waar iedereen van elkaar profiteert. Jij mag dan denken dat je nergens in gelooft,’ zegt hij, ‘maar je gelooft wel, je gelooft in de wereld zoals die is. Je gelooft net zo veel als ik.’
Van de islamitische staat waarin hij zou willen wonen weet hij vooral wat het niet moet zijn. Maar Husham lacht als ik hem vertel dat bij ons wordt gezegd dat Syriëgangers niet echt weten wat de islam inhoudt, als ik hem vertel over de Engelse jongen die op het vliegtuig een shariahandboek kocht. ‘Geen enkele moslim zou zichzelf een islamdeskundige durven noemen, of het moet een imam zijn,’ zegt hij. ‘Maar de Koran begint met: “Lees”.’ Dan kijkt hij me aan en zegt: ‘Net als Kant, toch? Sapere aude.’ Hij is twintig, en ziet eruit als wat hij is: een student, en een briljante ook, jeans, poloshirt en schoudertas. Shariafaculteit.
Onder de Malediviërs
‘Islam is rechtvaardigheid. We zouden een tweede Zwitserland kunnen zijn, ware het niet dat alles hier een kwestie van gunsten is. Als je ziek wordt, klop je op de deur van de president en betalen ze je behandeling in het buitenland. Dat is ook de reden dat niemand in opstand komt. Iedereen hier lost zijn problemen zo op. We zijn geen burgers: we zijn bedelaars.’ Maar waarom begint hij dan niet met de Malediven, vraag ik hem. ‘We zijn moslims. We zijn één gemeenschap. En Syrië heeft simpelweg prioriteit. Als we met vijfhonderdduizend doden eerder aan onszelf zouden denken dan aan Syrië, zou dat raar zijn.’
Zijn rolmodel, na Mohammed, is Malcolm X.
En toch zou op de Malediven genoeg voor hem te doen zijn. Alleen moslims kunnen hier burgers zijn, op school is de islam het belangrijkste vak en vijf keer per dag sluiten de winkels voor het gebed, al blijven de werknemers dan binnen zitten koffiedrinken. Ze gaan niet naar de moskee. Het is net als met alcohol: het is verboden, maar wordt verkocht in de bar van het Island Hotel, naast het vliegveld. Als je maar betaalt. Zelfs de minister van Islamitische Zaken is gefilmd in gezelschap van twee prostituees.
Toeristen krijgen hier echter helemaal niets van mee. Ook niet de toeristen die voor een verblijf in een guesthouse kiezen, een recent idee van Mohamed Nasheed, die Gayoom in 2008 heeft opgevolgd bij de eerste democratische verkiezingen in de geschiedenis van de Malediven. Anders dan de resorts bevinden de guesthouses zich op de bewoonde eilanden. En dus leveren ze niet alleen wat salaris op, maar doorbreken ze ook het culturele isolement: in de guesthouses ben je in theorie onder de Malediviërs.
Het eerste is geopend in Maafushi, twee uur met de veerboot vanaf Male. Vier Napolitanen dwalen verloren over dat wat op de bordjes wordt aangeduid als Bikini Beach, het strand voor buitenlanders. Ze zijn hier sinds gisteren, twee gescheiden ondernemers, een met zijn twee twintigjarige zoons. Ze hadden geen idee dat de Malediven islamitisch waren. En het is ook een schuilplaats van IS, zeg ik. ‘Jezus,’ roept Andrea met grote ogen uit. Dan zegt hij tegen zijn vriend: ‘Gast, hoor je dat? IS zit hier. Naar vrouwen kunnen we fluiten.’
In feite is er helemaal niets in Maafushi. In 2012 is Nasheed met een staatsgreep afgezet, en de huidige regering tracht de guesthouses alleen maar tegen te werken: ze betalen dezelfde belastingen als de resorts, waar een tweepersoonskamer echter geen honderd, maar duizend dollar per nacht kost, en er wordt helemaal niets in de eilanden geïnvesteerd. Naast het strand heeft Maafushi alleen maar een paar cafés. ’s Avonds is het enige vertier de krabbenrace, zegt Andrea. ‘Je betaalt voor de naam en dat is het. Alleen om te zeggen dat je op de Malediven bent geweest.’ Een van de twee jongens dwaalt bij zonsondergang met ontbloot bovenlijf door de minimarket, hij checkt elk flesje vruchtensap in een wanhopige zoektocht naar een biertje. Hij heeft nog niet ontdekt dat er wel degelijk bier is: er ligt een boot voor de kust waar alcohol wordt verkocht. Maar in Maafushi verkoopt niemand het, en dus wordt de Koran geëerbiedigd. We staan voor de moskee. De mannen werpen hem een boze blik toe. Hij snapt wat ik denk. ‘Het is warm,’ zegt hij. ‘Mijn huid is helemaal zout, mijn T-shirt plakt eraan vast.’ Er komt een vrouw in een niqaab voorbij, ze wendt zich gegeneerd af. ‘Doorlopen, gedrocht dat je bent,’ zegt hij. ‘Wie wil jou nou?’ Hij kijkt naar haar man. ‘Hou ’r maar lekker.’
‘Als je uit een rijke familie komt, ga je in het buitenland studeren. Anders ga je naar Syrië’
Heel veel vrouwen dragen een niqaab. Helemaal bedekt. Helemaal in het zwart. ‘Maar deze extreme soort islam is geen traditie, het is innovatie,’ zegt Mariyath Mohamed, dertig jaar, journaliste. ‘Net als in Gaza. Net als in Bagdad. Dertig jaar geleden droeg niemand een hoofddoek.’ De islam hier is geënt op het boeddhisme. Het nationale museum mag dan in 2012 bestormd zijn en de beelden die er stonden kapotgeslagen, je hoeft maar een van de oudere moskeeën binnen te gaan om te zien dat het ooit tempels waren. De gebedsrichting naar Mekka werd pas later diagonaal op de vloer aangegeven.
Maar toen kwam Gayoom. En hij niet alleen. ‘Een paar jaar later kwamen ook alle seculiere Arabieren hier die na 1967, na de zesdaagse oorlog en de nederlaag van Nasser in Saoedi-Arabië waren gaan studeren. Voor Gayoom, voor zijn ideologische monopolie, vormden zij een gevaar. En dus werden ze allemaal in de gevangenis gegooid. Ze werden gemarteld. Gedood. En tot helden gemaakt. Voor velen vertegenwoordigden ze niet alleen de islam, maar ook het verzet tegen een regime.’ En toen, zegt ze, kwam de tsunami. En nu ‘is de volgende tsunami Syrië’.
Maar voor de regering bestaat het fundamentalisme niet. Bij het nieuws van de eerste twee Malediviërs die waren gedood in Syrië, in 2014, wees president Yameen elke verantwoordelijkheid af. ‘We hebben onze landgenoten in het buitenland altijd verzocht zich netjes te gedragen,’ verklaarde hij.
‘De regering gaat de confrontatie min of meer uit de weg, en in wezen onderschrijft ze bepaalde denkbeelden. Zoals iedereen,’ zegt Nazeer. Hij is 23 en een van de bekendste dissidenten. Hij is zich aan het specialiseren in mensenrechten. Maar hij is ook de neef van Ali. Ze zijn erg close, maar toch probeert hij hem niet tegen te houden. ‘Ik kan geen oordeel vellen over zijn keuze. Voor mij is het simpelweg een verloren strijd,’ zegt hij.
Het is dus niet een verkeerde oorlog op zich: voor Nazeer is het alleen een verkeerde oorlog omdat die gedoemd is tot een nederlaag te leiden. Hij zoekt een promotieplaats in Europa. ‘Hier kun je niet studeren. Letterlijk: de toeristen hebben een heel eiland voor zich, en wij hebben niet eens een rustig hoekje om ons op een boek te concentreren. En dan gaan ze af en toe ook nog pal voor je huis van boord en fotograferen je ellende onder het mom dat het folklore is. Maar kijk eens waar we zijn,’ zegt hij. We zijn op het strand van Male. Het is een kunstmatig strand – ook nog eens vervuild door afval van het ziekenhuis. ‘We hebben zelfs geen zee meer. Wat hebben we voor alternatieven? Als je uit een rijke familie komt, ga je in het buitenland studeren. Anders ga je naar Syrië.’
Kinaan is klaar om te vertrekken. Om de onderdrukten te helpen, preciseert hij. Niet om ongelovigen uit te roeien. ‘Een van de gangs heet Bosnië. Wie weet hoeveel er ooit Aleppo zullen heten.’
Francesca Borri (1980) studeerde journalistiek in Florence en Pisa en werkte vervolgens in het Midden-Oosten en de Balkan. Haar eerste boek, uit 2008, ging over het conflict in Kosovo, in 2010 gevolgd door een publicatie over het Israëlisch-Palestijnse conflict. In 2012 richtte zij zich op de Syrische Burgeroorlog en versloeg vooral de strijd om Aleppo. Haar boek daarover, Onze vrouw in Aleppo, verscheen in Nederlandse vertaling bij De Geus. Borri schrijft voor onder meer de Italiaanse tijdschriften Il Fatto Quotidiano,Internazionale en voor de Engelstalige website over het Midden-Oosten, Al-Monitor.
Geïnspireerd door het Franse weekblad Courrier International startte hoofdredacteur Giovanni di Mauro in 1993 het Italiaanse equivalent, Internazionale. Het weekblad – de grote broer van 360 – kiest de beste verhalen uit de wereldpers en maakt artikelen toegankelijk die anders ontoegankelijk zouden zijn gebleven voor een lezerspubliek dat overwegend weinig andere talen dan het Italiaans spreekt. Internazionale besteedt veel aandacht aan fotografie en deinst niet terug voor lange longreads. Voorts heeft het blad zijn eigen buitenlandse columnisten, gerenommeerde namen als Nathalie Nougayrède, Paul Mason en Bernard Guetta. Allemaal journalisten die hun pen onafgebroken inzetten voor een gezonde parlementaire democratie.
Elk jaar organiseert Internazionale een festival in Ferrara aan de spoorlijn van Bologna naar Venetië, waar giornalisti di tutto il mondo drie dagen lang de wereldproblematiek bespreken.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.