Tag: IS

  • Tunesië worstelt met 3000 terugkerende jihadisten

    Tunesië worstelt met 3000 terugkerende jihadisten

    De Tunesische overheid is verplicht teruggekeerde militanten op te nemen en te vervolgen. Maar een deel van de bevolking wil ze liever verbannen.

    De terugkeer van Tunesische strijders uit conflictgebieden in Syrië, Irak en Libië verscheurt het moederland. De Tunesische overheid zit klem tussen de druk van de bevolking om terugkerende terroristen het staatsburgerschap te ontnemen enerzijds, en anderzijds de internationale verplichting dat het land onderdanen opneemt en berecht die van banden met jihadistische groepen worden verdacht.

    In zijn meest recente toespraak op oudejaarsdag verklaarde president Beji Caid Essebsi ferm dat Tunesië de wet zal toepassen op Tunesiërs die terugkeren van slagvelden in Syrië, Libië en Irak (‘We zullen ze niet met open armen ontvangen’). Maar begin december had Essebsi in een interview met Euronews juist gezegd dat jihadisten niet langer een bedreiging waren en dat velen van hen terug naar huis wilden (‘We stoppen ze niet allemaal in de gevangenis’).

    Op 30 december beloofde premier Youssef Chahed weer een strenge vervolging van terugkerende jihadisten. Dat waren geruststellend bedoelde woorden, maar toch rees er diepe verdeeldheid in het land over hoe om te gaan met deze strijders. Op 8 januari gingen veel burgers de straat op in Tunis, gehoor gevend aan de oproep van activisten en intellectuelen te protesteren tegen de terugkeer van terroristen uit conflictgebieden.

    Zwarte lijst

    ‘Als burger besef ik dat Tunesië nu in de ernstigste fase van zijn moderne geschiedenis zit,’ aldus een van de deelnemers aan het protest, historica en geschiedenisdocente Umeira al-Saghir. ‘Het land bereidt zich voor op de opvang van ten minste drieduizend mensen die een jihadistische ideologie aanhangen en getraind zijn in vechten, plunderen en verkrachten. Ze zijn verslagen en zitten vol wraakgevoelens. Veel Tunesiërs hebben video’s gezien waarin de terroristen dreigen hun landgenoten af te slachten.’

    Haar conclusie: ‘Het beste is om deze terroristen hun nationaliteit te ontnemen. Dat kan: de wet op het burgerschap uit 1963, die in 2010 is gewijzigd, maakt het mogelijk het staatsburgerschap in te trekken van Tunesiërs die misdaden hebben begaan, zich hebben aangesloten bij een buitenlands leger, betrokken zijn bij vijandelijkheden tegen een buurstaat en trouw hebben gezworen aan een buitenlandse entiteit. Op terugkerende terroristen is weliswaar de terrorismebestrijdingswet van kracht, maar veel burgers vinden dat de rechterlijke macht laks optreedt tegen terreurverdachten.’

    De Tunesische journalist en politiek analist Abdel Sattar Aydy wijst erop dat Tunesische strijders niet groepsgewijs of op een georganiseerde manier zullen terugkeren uit conflictgebieden. ‘Ze worden er min of meer toe gedwongen door de situatie aldaar. De nederlaag van met name Islamitische Staat in Libië, Syrië en Irak heeft een aantal van hen ertoe gedreven een toevluchtsoord te zoeken in andere gebieden. Ze weten dat ze op de Tunesische zwarte lijst van terroristen staan. Als ze het land in komen, wacht hen waarschijnlijk arrestatie. Als het aan hen ligt gaan ze dus liever naar andere slagvelden dan terug naar huis.’

    Hij merkt daarbij op dat de Tunesische overheid ook helemaal niet zit te wachten op deze terroristen en ze niet wil repatriëren. ‘Maar ze is verplicht samen te werken met de internationale gemeenschap. Diplomatieke betrekkingen dwingen ons land de terugkeer van in het buitenland gearresteerde terroristen te accepteren en de verantwoordelijkheid te dragen voor hun vervolging. De politieke en juridische consequenties zouden voor Tunesië anders zeer ernstig zijn.’

    Op 8 januari demonstreerden honderden mensen in Tunis tegen de terugkeer van jihadstrijders. – © Amine Landoulsi / HH
    Op 8 januari demonstreerden honderden mensen in Tunis tegen de terugkeer van jihadstrijders. – © Amine Landoulsi / HH

    Terwijl het debat voortwoedt, zijn de Tunesische autoriteiten begonnen militanten op te nemen die zijn beschuldigd van banden met jihadgroepen in het buitenland. Daar zit een aantal kopstukken bij. Zo heeft Soedan de Tunesische IS-leider Moaz al-Fazani overgedragen, aldus de Tunesische afdeling voor contraterrorisme. Al-Fanzani wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de aanslag op het Nationaal Museum Bardo in maart 2015, waarbij eenentwintig mensen omkwamen, en van poging tot een bomaanslag op een Tunesische kleuterschool in oktober 2013. In afwachting van zijn proces zit hij in de gevangenis.

    Daarnaast leverde Italië de terreurverdachte Nasreddin Bin Diab uit aan de Tunesische autoriteiten. Hij zou lid zou zijn geweest van een actieve cel in de buitenwijken van Milaan en operaties in Tunesië en andere landen hebben gepland. Ook hij wacht nu op zijn proces.

    Ten slotte meldde het Tunesische ministerie van Binnenlandse Zaken op Nieuwjaarsdag dat de ‘gevaarlijke terrorist’ Wanas al-Faqih, die was ontsnapt, door een gecoördineerde inspanning van inlichtingendiensten weer was opgepakt. Op Faqih, die banden zou hebben met leden van Al-Qaida in de Islamitische Maghreb (AQIM), rust de verdenking dat hij slapende cellen en terreurnetwerken heeft gemanipuleerd.

    Tunesische regering overweegt de bouw van een detentiecentrum, waar strijders die terugkeren uit conflictgebieden apart in kunnen worden ondergebracht

    In zijn oudejaarstoespraak had president Essebsi een aantal van 2926 Tunesiërs genoemd die waren aangesloten bij terreurgroepen in Syrië, Libië en Irak. ‘De autoriteiten weten alles over het aantal landgenoten dat vecht in conflictgebieden en in welke landen zij zich bevinden,’ bezwoer het staatshoofd. Een in juli 2015 gepubliceerd VN-rapport over de inzet van huurlingen repte van veel meer Tunesiërs in conflictgebieden: 4000 in Syrië, 1000 tot 1500 in Libië, 200 in Irak, 60 in Mali en 50 in Jemen.

    In een ander VN-rapport, van mei 2016, werd gemeld dat IS na zijn nederlagen buitenlandse strijders had aangemoedigd terug te keren naar hun geboorteplaatsen om daar aanslagen te plegen. Die waarschuwing kwam na de bekendmaking van het Tunesische ministerie van Binnenlandse Zaken, begin 2016, dat 600 jonge mannen die in Arabische conflictgebieden hadden gevochten waren teruggekeerd. Eerder had het ministerie bekendgemaakt dat 92 Tunesische jihadisten na hun terugkeer onder huisarrest waren geplaatst.

    Minister van Justitie Ghazi Jribi, ten slotte, onthulde tijdens een parlementaire zitting op 2 januari dat er in totaal 1648 individuen waren gearresteerd op verdenking van terrorisme. Genoeg voor een eigen gevangenis, en dat is wat de Tunesische regering dan ook overweegt: de bouw van een detentiecentrum waar strijders die terugkeren uit conflictgebieden apart in kunnen worden ondergebracht. De gewone, overvolle Tunesische gevangenissen staan bekend als broedplaatsen van jihadisme.

    Auteur: Ahmed Nadhif
    Vertaler: Carl Stellweg

    Al-Monitor
    Verenigde Staten | al-monitor.com

    Website die is opgericht door Jamal Daniel en zijn basis heeft in Washington DC. Nieuws en analyses uit het Midden-Oosten in zowel eigenhandige als vertaalde artikelen. Werkt samen met de grootste nieuwsorganisaties in het Midden-Oosten.

  • Majoor Salam: de schrik van IS

    Majoor Salam: de schrik van IS

    Hij drinkt twaalf blikjes Red Bull per dag, rookt als een ketter, en heeft zich door zijn dappere optreden in de strijd tegen IS een heldenstatus verworven in eigen land. Maak kennis met de Iraakse majoor Salam Jassem Hoessein.

    Een bomauto explodeert tegen de tank die voorop rijdt in de geblindeerde colonne van de eerste divisie van de Iraqi Special Operations Forces (ISOF-1). Majoor Salam Jassem Hoessein, wiens zwarte Humvee geparkeerd staat tussen de begraafplaats bij de Al-Karamamoskee en de grote antenne van het radio- en televisiestation Al-Mawsil, is voor het vallen van de avond de jihadisten komen jennen bij de oostelijke toegangsweg tot Mosoel.

    De schade is miniem. De ogen van de bataljonscommandant fonkelen en onder zijn dunne snor breekt een glimlachje door, half olijk, half zegevierend. Hij is trots op het offensief dat zojuist is afgerond op deze eerste november in de wijk Gogjali. Hij is de eerste die voet zet in het Iraakse domein van de jihadisten. Toch lijkt hij minder opgetogen over deze krachttoer dan over het succes van zijn tactiek. In plaats van frontaal aan te vallen heeft hij de wijk stukje bij beetje omsingeld en her en der een inval gedaan om de jihadisten in de war te brengen. Hoewel de bevelhebbers klaagden over de traagheid van het offensief, heeft hij tegen zijn mannen gezegd: ‘We hebben geen haast, ik wil geen verliezen.’ Uiteindelijk is hij de tweede divisie te snel af geweest en hier als eerste gearriveerd, waarmee hij het respect van zijn superieuren heeft afgedwongen.

    ‘Hij is een beetje een dolle hond: hij luistert niet en dendert maar door, maar dat is ook het beste. We waren met 285 mannen zoals hij. Wij zijn ouder geworden, wijzer. Hij niet!’

    Binnen de Gouden Divisie zul je niet snel kritiek op hem horen, noch van gewone soldaten, noch van officieren. De bevelhebbers waarderen deze vrijbuiter, die geen blad voor de mond neemt en over een gestaald karakter beschikt. ‘Salam is uniek. Hij is een beetje een dolle hond: hij luistert niet en dendert maar door, maar dat is ook het beste. We waren met 285 mannen zoals hij. Wij zijn ouder geworden, wijzer. Hij niet!’ erkent kolonel Arkan, die het offensief van de internationale coalitie tegen IS leidt. De commandant van de Counter Terrorism Service (CTS), Taleb Al-Chigati, noemde hem voor de camera’s een keer ‘mijn zesde zoon’. ‘Majoor Salam heeft de mentaliteit, de kracht en de passie,’ vertelt de 36-jarige Mohanad. Op zijn telefoon laat de ordonnans een foto zien van zijn zoon van vijftien maanden, die hij heeft vernoemd naar… Salam.


    Met zijn 37 jaar is Salam Jassem Hoessein, die bekendstaat om zijn menselijke benadering zonder daar een religieus etiket op te plakken, de belichaming geworden van de strijd tegen IS, maar ook van de hoop van een verscheurd Irak. Dankzij zijn militaire kunststukjes kreeg hij in juni 2015 de leiding over de grondoperaties, beginnend met de herovering van Ramadi, de hoofdstad van de soennitische provincie Anbar. Toch zal de majoor niet de held van de bevrijding van Mosoel zijn. Eind december 2016 vloog hij naar de Verenigde Staten om in rang te worden bevorderd. ‘Dat ik een voet in Mosoel heb gezet is me genoeg,’ verzekert hij. Voor de speciale eenheden, die ernstig door de jihadisten op de proef werden gesteld, zou een nederlaag een gevoelige klap zijn geweest.

    Salam Jassem Hoessein is het sprekende voorbeeld van de mentaliteit die de Amerikanen de speciale eenheden, die ze in 2003 tijdens de invasie van Irak in het leven hebben geroepen, hebben ingeprent. Op zijn 24ste werd hij na vier maanden opleiding in Jordanië opgenomen in een keurcorps van zestig rekruten. Hij had niets tegen zijn familie gezegd en liet twee jaar niets van zich horen. Hij wilde niet het risico lopen dat zijn vader hem terugriep. De vader van Salam, een oud-militair die was getekend door de Iraaks-Iraanse oorlog (1980-1988), had hem eerder al verboden het leger te gaan. De jongeman ging Engels en Hebreeuws studeren in de hoop de belangstelling van de inlichtingendiensten te wekken.

    De nieuwe elite-eenheid, ICTF (Iraqi Counter-Terrorism Forces) gedoopt, die de Amerikanen vergezelt tijdens speciale missies, verenigt Arabieren en Koerden, soennieten, sjiieten en christenen onder een zelfde vlag. ‘Met ons weten de Amerikanen zich verzekerd dat er, als ze uit Irak vertrekken, jongens achterblijven die bij hen zijn opgegroeid en naar hun model zijn gevormd,’ legt majoor Salam uit. ‘Militair gezien, maar ook door de manier waarop we verbroederen en contact leggen met de burgerbevolking.’

    Deze mentaliteit heeft zich allengs verspreid toen de antiterrorisme-eenheden zich vanaf 2006 met andere eenheden versterkten. Aan het hoofd van de ICTF, die alleen maar een bataljon van de ISOF is, zet majoor Salam deze traditie voort. Majoor Salam heeft een bijnaam overgehouden uit de tijd waarin de elitesoldaten hun identiteit geheimhielden, om represailles te vermijden van de sjiitische milities van het leger van Mahdi, dat van 2004 tot 2008 oorlog voerde tegen de Amerikaanse bezetting en de soennieten, of van de soennitische jihadisten van Al-Qaida in Irak; zijn dienstnummer ‘vijftig’. Tegenwoordig is zijn naam ook aan de andere kant van de frontlinie bekend. Toen hij op 9 juni gewond raakte in Falluja juichten de IS-strijders. ‘Op hun radio hoorden we dat ze elkaar feliciteerden omdat ze hem hadden gedood. We moesten foto’s van hem nemen in het ziekenhuis om te laten zien dat hij nog leefde,’ vertelt soldaat Thaer Bidan (39). Kolonel Arkan kan zich die dag nog goed herinneren: ‘Hij was op ongedekt terrein. Ik had hem gezegd dat hij zich niet moest verroeren, maar hij wilde met alle geweld die schutters uitschakelen. Het scheelde maar zes centimeter of hij was dood geweest…’

    ‘De pijn, het bloed en de dood waren zo dichtbij,’ herinnert majoor Salam zich, die voortaan met een aantal metaalscherven in zijn schedel door het leven moet. ‘Het stemde me treurig dat de vijand sneller was dan ik.’ Half grappend verzekert hij dat de Red Bull hem heeft gered, door te voorkomen dat hij bewusteloos raakte. Hij drinkt meer dan een dozijn blikjes energiedrank per dag. De dag na de operatie liet hij een voorraad in het ziekenhuis bezorgen, samen met een slof Dunhill, waarvan hij de ene met de andere aansteekt. Drie weken later zwoer hij dat hij naar Mosoel zou gaan, tot groot verdriet van zijn vrouw en zijn zoon van tien.

    Hoewel zijn roem al gevestigd was, groeide hij na het ongeluk in de ogen van veel Irakezen uit tot een icoon. Op de sociale netwerken verschijnen duizenden berichten en fotomontages om de batal (het Arabisch woord voor ‘held’) te eren. Zowel op straat als aan het front wordt hij staande gehouden voor een selfie. Majoor Salam ondergaat het allemaal met ongeveinsd plezier, gevoelig als hij is voor zijn imago en de weerklank van zijn heldendaden. Hij kan geen nee zeggen tegen de menigte Iraakse en buitenlandse journalisten die de wapenfeiten willen optekenen van degene die ze tot het boegbeeld van de strijd tegen het terrorisme hebben verheven. De Iraakse militairen en politici zien hem als een sterke troef: deze moderne ridder past bij het beeld dat de door religieuze en politieke twisten verdeelde staat zich wil aanmeten om het hart van de bevolking te herwinnen.

    ‘We pakken de vijand op een smerige manier aan. We moeten wel. Je gaat niet op de deur van de vijand kloppen’

    De sjiitische majoor Salam bewaart aan zijn jeugd onder het regime van Saddam Hoessein de geïdealiseerde herinnering aan een multireligieus Irak, waarin soennieten en sjiieten elkaar niet naar het leven stonden. Hij verbiedt dat de voertuigen van zijn bataljon de vlag van de sjiitische imam Hoessein voeren. Maar onder zijn 450 manschappen heeft hij deze geloofsvermenging niet kunnen realiseren. Ze zijn bijna allemaal sjiitisch. ‘De soennieten willen niet komen,’ legt hij uit. ‘Voor een soenniet is het moeilijk om tegen zijn eigen volk te vechten. In Ramadi noemden de mensen ons Iraniërs! Het is ook hun eigen schuld. De islamitische partij heeft hen opdracht gegeven het leger te boycotten.’

    Het is een mooie rol voor Salam en zijn mannen om in de voorste linie te staan bij de herovering van Mosoel en de soennitische gebieden die onder IS hebben geleden. Bij elke missie, bij elk contact met burgers straalt de officier respect en welwillendheid uit. ‘De mensen doen een beroep op me, vragen me hun huis te beschermen of hun verwanten te zoeken. Dat doen we,’ zegt hij. Al erkent hij dat het soms wat schizofreen is. ‘Het is een strijd tussen goed en kwaad op zichzelf. Eerst verwoest je moskeeën en huizen, daarna red je mensen en bevrijd je een stad.’ Nog niet zo lang geleden nam Salam zelfs deel aan een klopjacht op soennieten die was georkestreerd door de voormalige premier Nouri Al-Maliki, tijdens de laatste twee jaar van diens mandaat (2012-2014). ‘Dat was fout,’ erkent hij. ‘Maar het was ons werk!’

    En daarvan accepteert hij zowel de goede als de kwade kanten. Zoals dat de Gouden Divisie de bijnaam ‘Dirty Division’ kreeg na de jarenlange klopjacht op de sjiitische militie van het leger van Mahdi, een militie die in 2003 was opgericht door de sjiitische bevelhebber Moqtada Al-Sadr om tegen de Amerikaanse bezetter te vechten. ‘Mooie naam vind ik dat wel, “Dirty Division”,’ zegt hij, alsof hij een lange neus trekt. ‘We pakken de vijand op een smerige manier aan. We moeten wel. Je gaat niet op de deur van de vijand kloppen. Als we iemand niet gevangen kunnen nemen, hebben we het recht hem te doden. We kennen geen grenzen. En als we op het verkeerde doel mikken, is dat de schuld van de informant.’

    Majoor Salam heeft het nooit over wraak, zelfs niet op zijn nieuwe vijand. Daarover praat hij eerder op een zowel respectvolle als uitdagende toon. Hij zegt dat hij hun soldaten wil begrijpen om hen beter te kunnen bestrijden. Dat hij wil begrijpen hoe het komt dat zo veel mannen bereid zijn zichzelf op te blazen. ‘De strijders van IS geloven heilig in wat ze doen, en ze werken er hard voor,’ analyseert hij. ‘Die methodes van hen, de aankondiging van het kalifaat: ze hebben alles mooi op een rijtje gezet voor de mensen. Ze hebben hen laten geloven in wat ze zeiden.’ Salam verzekert dat hij hen niet tot elke prijs wil onderwerpen. Hij herinnert eraan dat er tijdens de gevechten in Ramadi en Falluja ‘onderhandse akkoorden zijn gesloten’ om de jihadisten te laten vluchten. ‘Ik accepteer alles wat het leven van mijn soldaten en de burgers kan redden. Daarvoor zou ik zelfs bereid zijn contact met de vijand op te nemen,’ zegt hij.

    Kritiek op politici

    De oplossing, zo weet hij zeker, zal niet van het leger komen. ‘Wij vechten om niets. Als we zo doorgaan, hebben we geen enkele toekomst.’ Hij zit vol kritiek op de politici die verantwoordelijk zijn voor het verval van Irak: ‘Ik vecht voor een land waarvan de leiders stelen. Velen van hen zijn verantwoordelijk voor de komst van IS, Maliki in het bijzonder. Hij is een vader die zijn gezin heeft verlaten. Het was zijn verantwoordelijkheid het Iraakse volk te beschermen.’ Hij hekelt de koppigheid van de sjiitische autoriteiten in Bagdad, die nog altijd niet begrijpen dat je de soennieten een opleiding en werk moet geven om ze niet in de armen van IS te laten vallen. En voor de vijandigheid tussen degenen die IS steunen dan wel verwerpen heeft hij ook geen goed woord over. ‘De families van IS-strijders worden uitgestoten zodra er een naar het front vertrekt. De regering moet de anderen beschermen, zodat er geen nieuwe IS ontstaat.’

    Heeft de held nog andere ambities? Wil hij ermee stoppen? Hij verzekert van niet en zegt dat hij, zodra hij terug is uit de Verenigde Staten, terug wil naar het slagveld. ‘Ik speel graag met bulldozers!’ zegt hij lachend bij de herinnering aan de tijd dat hij deze via zijn radio naar plekken dirigeerde waar bomauto’s moesten worden tegengehouden. Binnenkort zal IS waarschijnlijk uit zijn land zijn verjaagd. Maar tegen welke prijs? ‘Deze oorlog heeft ons nog niet verwoest, maar ons trainingsniveau is afgenomen en we hebben veel manschappen verloren omdat er mensen zijn die niet begrijpen waarvoor deze elite-eenheden bedoeld zijn.’ Salam Jassem Hoessein is ondanks alles klaar voor de volgende strijd. ‘Die zal,’ voorspelt hij, ‘gericht zijn tegen bepaalde milities die criminele en religieuze activiteiten ondernemen.’

    Auteur: Hélène Sallon
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • 7. Redt Assad zich eruit?

    7. Redt Assad zich eruit?

    De Syrische dictator heeft zijn land verwoest, maar de kans is groot dat hij blijft zitten. Donald Trump in de VS, en misschien François Fillon in Frankrijk, zouden hem zelfs kunnen rehabiliteren.

    Bashar al-Assad heeft gelijk: er zal een vóór- en een na-Aleppo zijn. De overwinning van de Assad-gezinde strijders in de tweede stad van Syrië is een belangrijk keerpunt in de Syrische oorlog. Het vierde sinds 2013 dat de positie van de Syrische president verder verstevigt. Dit laatste keerpunt is in zekere zin het rechtstreekse gevolg van de drie vorige: de weigering van Barack Obama om militair in te grijpen nadat het regime in 2013 chemische wapens had gebruikt in Ghouta, de toenemende macht van Islamitische Staat in 2014 en de Russische militaire interventie in 2015. Assad is bij al deze ontwikkelingen meer toeschouwer geweest dan actor, maar hij trekt er momenteel alle profijt van.

    Sinds Aleppo zit de koning vastgenageld aan zijn troon, en het zal heel moeilijk zijn om hem te laten vertrekken. Maar de nagels zijn van Russische en Iraanse makelij, en de koning is naakt. Zijn bewind berust nog maar op één ding: het feit dat hij de enige link is tussen alle partijen die momenteel de werkelijke macht in Syrië in handen hebben. Dat wil zeggen de Russen en de Iraniërs, maar ook de machtige inlichtingendiensten, de krijgsheren, de buitenlandse milities en de Syrische milities, die allemaal andere en soms tegenstrijdige belangen hebben.

    De koning heeft geen legitimiteit meer. De meerderheid van het Syrische volk is tegen hem en de helft van de bevolking bestaat uit binnen- of buitenlandse vluchtelingen

    Het koninkrijk van Assad is geamputeerd. Hij is de controle over het grootste deel van het Syrische grondgebied kwijtgeraakt. Een deel is in handen van de opstandelingen, een ander in die van de Koerden, weer een ander in die van de Turken en het laatste valt onder het juk van IS. Hoe vaak hij ook herhaalt dat hij heel Syrië wil heroveren, de uiteindelijke beslissing daarover zal in Moskou en Teheran worden genomen. En daar lijkt men zich a priori tevreden te stellen met het ‘nuttige Syrië’. Het koninkrijk ligt in puin en de twee peetvaders hebben geen zin om voor de wederopbouw op te draaien. Vooral niet als hun beschermeling niet eens de heroverde gebieden kan behouden, zoals in het geval van de stad Palmyra, die heroverd is door IS.

    De koning heeft geen legitimiteit meer. De meerderheid van het Syrische volk is tegen hem en de helft van de bevolking bestaat uit binnen- of buitenlandse vluchtelingen. Hij zou op dit moment nieuwe verkiezingen kunnen uitschrijven, mits die alleen plaatsvinden in de gebieden waarover hij de controle heeft en de Syriërs uit het buitenland niet meedoen. Hij is de belangrijkste reden voor de breuk tussen de verschillende lagen binnen de Syrische maatschappij, tussen degenen die hem steunen uit ideologische overtuiging of uit angst voor verandering en degenen die koste wat het kost willen dat hij vertrekt.

    De koning heeft geen vrienden. Zijn betrekkingen met de Russen en de Iraniërs stoelen hooguit op loyaliteit. Met het Westen heeft hij helemaal geen betrekkingen. Washington, Londen en Parijs hebben de afgelopen dagen voortdurend herhaald dat de Syrische president moet vertrekken, ondanks zijn overwinning in Aleppo. Assadistan is voorlopig een geïsoleerd koninkrijk. Maar het jaar 2017, waarin Donald Trump de macht in de Verenigde Staten overneemt, en François Fillon misschien die in Frankrijk, zou hem een rehabilitatie kunnen opleveren, al was het maar de facto. Dat is geen gering wapenfeit, gezien zijn situatie.

    Een jongen met een poster van de Syrische president Assad. – © HH
    Een jongen met een poster van de Syrische president Assad. – © HH

    Een failliete staat, een opgeblazen bewind, een in stukken gehakt grondgebied en een verdeeld volk: ziedaar de totale chaos. Maar de koning heeft er lak aan. Hij heeft de chaos sinds het begin van het conflict omarmd en er zijn belangrijkste bondgenoot van gemaakt. Door zich een slachtofferrol aan te meten.

    De koning heeft de oorlog niet gewonnen, maar hij kan hem ook niet verliezen. Hij heeft zijn land opgeofferd om een schijnbare macht veilig te stellen. Hij heeft gewonnen, maar Syrië heeft verloren. Hij is er nog, maar zijn land bestaat niet meer.

    Auteur: Anthony Samrani

    CONTEXT: Hezbollah op oorlogssterkte

    ‘De ommekeer in de oorlog in Syrië heeft Tsahal [de Israëlische strijdkrachten] ervan overtuigd dat een hernieuwd conflict met Hezbollah niet lang op zich zal laten wachten’, schrijft de krant Haaretz. Volgens bronnen van het dagblad voeren militaire leiders de druk op de Israëlische minister van Defensie op om de beschikking te krijgen over enkele honderden langeafstands- en precisieraketten teneinde de vijand ook ver binnen de grenzen van Libanon te kunnen vernietigen.

    ‘De aanschaf van deze nieuwe ballistische wapens vergroot de opties voor Israël in geval van een grondaanval.’ Van haar kant zou de sjiitische organisatie in Libanon de beschikking hebben gekregen over ‘een arsenaal aan de modernste raketten voor de aanval op gronddoelen’.

    ‘Het feit dat Hezbollah erin is geslaagd een arsenaal aan raketten voor de lange afstand te verwerven, verontrust Tsahal’, aldus de Israëlische krant. Bovendien, zoals Haaretz al in november onthulde, heeft ‘het vooruitzicht van een oorlog tegen een zwaarbewapende Hezbollah de Israëlische legerleiding ertoe aangezet een evacuatieplan op te stellen voor rond 80.000 burgers uit Galilea, mocht Hezbollah trachten diep door te dringen op Israëlisch grondgebied of langdurig de grensstreek te bestoken met langeafstandswapens.

    Het gaat daarbij om een strategische breuk met de doctrine die al zo oud is als het zionisme zelf en die behelst dat er nooit burgers geëvacueerd worden uit oorlogsgebied, omdat dit het gevaar zou meebrengen van het demografisch dan wel territoriaal ineenstorten van de staat Israël.’

    L’Orient-Le Jour
    Libanon | dagblad | oplage onbekend

    In 1971 fuseerden de twee grootste Franstalige kranten van Beiroet: L’Orient en Le Jour. Behartigt de preoccupaties van de Libanese christenen.

  • Pas op voor de selfmade gelovige

    Pas op voor de selfmade gelovige

    Indonesische radicale moslims protesteren tegen de burgemeester van Jakarta, die hun religie zou hebben beledigd. Velen behoren niet tot een religieuze partij, maar halen hun kennis van internet.

    In het politieke leven van Jakarta staat momenteel de islam centraal. Begin november en begin december verlieten honderdduizenden moslims hun familie, hun dorpen en wijken en hun werk om te komen protesteren. Zij wilden laten blijken dat de Chinees-Indonesische gouverneur van de hoofdstad hun religie in hun ogen niet met respect had bejegend.

    Meestal is demonstreren een politieke, moderne en areligieuze uiting van onvrede, maar de betogers van de vierde november maakten er een heilig ritueel van. Zij kwamen allen in het wit gekleed, als bij een Koranstudiebijeenkomst of een pelgrimstocht naar het heilige land. Ze zeiden gebeden en loofden Allah, alsof ze in Mekka of Medina waren en niet in Jakarta.

    Koppeling van staat en religie

    Deze gebeurtenissen maken meerdere dingen duidelijk. Ten eerste: door van een demonstratie een ritueel te maken, wordt religie gebruikt om politieke doelen te bereiken. Dat gaat uit van het idee dat religie en staat een en hetzelfde zijn; spreek je uit naam van de religie, dan spreek je uit naam van de staat, en andersom. Als de staat zich tegen religieuze invloeden verzet, is het je plicht om te gaan demonstreren.

    Ten tweede: deze koppeling van staat en religie roept de vraag op wie nu wát vertegenwoordigt. In een democratisch systeem vertegenwoordigen volksvertegenwoordigers kiezers en niet een bepaalde religie, ras, etnische groep of andere culturele categorie. Binnen een democratie is het op zich heel goed mogelijk dat politieke partijen religieuze belangen dienen. Voorbeelden zijn de PKB, waarvan de kiezers aanhangers zijn van het soefistisch-islamitische Nahdlatul Ulama; de PAN, gesteund door aanhangers van de modernistisch-islamitische stroming Muhammadiyah; en de PKS, gesteund door leden van de salafistische Tarbiyah. Het probleem is echter dat in – veelal stedelijke – moslimgemeenschappen het idee leeft dat deze politieke partijen niet mee zijn gegaan met de sociaal-culturele transformaties van de laatste jaren. Veel van deze groepen zinnen daarom op andere manieren om religie en politiek met elkaar te verbinden, bijvoorbeeld door middel van demonstraties.

    Dit roept de vraag op hoe Jakarta met de islam moet omgaan.

    Honderdduizenden moslims gingen de straat op op 4 november en 2 december. – © HH
    Honderdduizenden moslims gingen de straat op op 4 november en 2 december. – © HH

    In de komende jaren zal het gezicht van de hoofdstad ingrijpend veranderen, al is het maar omdat de islamitische middenklasse zo snel groeit. Toch bestaan er binnen deze groep flinke tegenstellingen: de moslims van Jakarta bestuderen hun religie op diverse manieren.

    Leden van Nahdlatul Ulama en Muhammadiyah bezoeken madrassa’s, pesantren [twee soorten islamitische kostscholen] en Koranstudiegroepen. De leden van deze gemeenschappen scharen zich om een religieus leider. Hun leerstellingen zijn niet verbonden met de staat: mensen die dezelfde leer aanhangen, kunnen er heel goed verschillende politieke opvattingen op na houden. Heel anders is dit bij de salafistische groepen Tarbiyah en Hizbut Tahrir, die in gesloten cellen zijn georganiseerd en eigen moskeeën hebben waar zij de islam bestuderen. Bij hen vormen religieuze leer en staatsvorm een hechte eenheid. Gevolg is dat hun religieuze praktijken niet los te zien zijn van hun politieke opvattingen.

    De derde groep moslims bestaat uit gelovigen die hun religie zonder oelama [gids] bestuderen en geen duidelijke leer of institutie aanhangen. Zij halen hun informatie van internet of uit boeken, consumeren alles wat zij online over de islam kunnen vinden. Voor sommigen van hen vormen staat en religie een eenheid, voor anderen niet. Hun visie wordt bepaald door de boeken en websites die ze raadplegen, en natuurlijk door hun eigen persoonlijkheid. Zij komen niet op vaste plekken bijeen, hun opvattingen veranderen mee met actuele gebeurtenissen en met hun religieuze inspiratie van het moment. Het is een manier van religie beleven die goed past bij het jachtige, moderne leven. Wie vertrouwd is met de sociale en economische omstandigheden in Jakarta [de snelgroeiende hoofdstad van een zich snel ontwikkelend land], zal niet verbaasd zijn als dit type geloofsbeoefenaars in de toekomst in aantal toeneemt.

    De belangen van Muhammadiyah en Nahdlatul Ulama worden van oudsher door politieke partijen vertegenwoordigd. Hun religieuze leiders gaan geregeld in dialoog over politieke kwesties. Bij de laatste groep is dit lastiger, omdat zij geen religieuze leiders, instituties of politieke partijen achter zich hebben en nauwelijks een gemeenschap vormen. Toch blijft deze groep maar groeien. De traditionele structuren om een dialoog tussen staat en religie te voeren voldoen daardoor niet meer. Jakarta moet dringend een nieuwe culturele strategie bedenken, als antwoord op de nieuwe, globale situatie waarin informatietechnologie dominant is en religieuze leiders lang niet iedereen meer bereiken. Anders zal de hoofdstad een geestelijke verlamming en verstikking tegemoet gaan.

    Druk van de staat

    Zowel op 4 november als op 2 december gingen in Jakarta islamitische demonstranten de straat op; ze eisten de veroordeling van de burgemeester van Jakarta wegens blasfemie. Deze Basuki Tjahaja Purnama, een christen van Chinese komaf, is zeer populair onder de bevolking. Toch wisten de 200.000 betogers bij de eerste demonstratie te bereiken dat de regering een gerechtelijk onderzoek naar hem gelastte. Tegelijkertijd doet een antiterroristische eenheid onderzoek naar mogelijke infiltratie van de demonstranten door twee radicale groeperingen: Jamaar Ansharut Daulah (JAD) en Khafilah Syuhada Al-Hawariyun, die mogelijk terreur willen zaaien.

    Auteur: Faisal Kamandobat

    Tempo
    Indonesië | weekblad | oplage 100.000

    Generaal Soeharto verbood deze titel in 1994, vanwege de grondige analyses van zijn beleid die erin verschenen. Een maand na de val van Soeharto in ’98 herrees Tempo uit de dood, en inmiddels bestaat er ook een Engelstalige online-editie. Pluriformiteit en vrije nieuwsgaring staan nog altijd hoog in het vaandel.

  • Gaddafi-aanhangers 
willen de macht terug

    Gaddafi-aanhangers 
willen de macht terug

    Vijf jaar na de dood van Moammar Gaddafi verkeert Libië in chaos. Dit geeft aanhangers van de voormalige leider de kans om voorzichtig terug te keren op het politieke toneel.

    De situatie in Libië is zo chaotisch dat er wel van ‘libisering’ gesproken wordt. Het is een fatale combinatie van balkanisering – opsplitsing van een staat in autonome gebieden – en somalisering, waarbij een regering niet is opgewassen tegen gewapende milities. Op het moment telt het land drie regeringen. In de afgelopen vijf jaar zijn er in Libië twee keer algemene verkiezingen gehouden, is IS er actief geworden en laaien er voortdurend etnische conflicten op. De wetteloosheid is zo groot dat steeds meer Libiërs een terugkeer eisen van de Jamahiriya [‘staat van de massa’] van Moammar Gaddafi.

    ‘Wij willen herstel van de Jamahiriya die door een staatsgreep van de NAVO vernietigd is,’ stelt Franck Pucciarelli. Deze in Tunesië woonachtige Fransman is woordvoerder van een overkoepelende organisatie van Libische en internationale revolutionaire comités, die fungeert als het officiële kanaal van de gaddafistische ideologie. Hij vertelt dat zijn organisatie sinds 2012 in Libië en daarbuiten actief is. In Libië heeft ze 20.000 leden, terwijl er in de buurlanden nog eens 15.000 à 20.000 gevluchte ex-militairen klaarstaan om het land binnen te trekken. ‘Wij zijn in staat om een volksopstand te ontketenen; de chaos die nu in Libië heerst, komt door onze acties,’ verzekert de woordvoerder.

    Typen aanhangers

    Ahmed, een vroegere ambtenaar van het ministerie van Buitenlandse Zaken die nu in Tunesië woont, is minder stellig. ‘We hebben van de instabiele situatie gebruik kunnen maken om terug te keren, maar we zijn er nog lang niet. Maar zo langzamerhand beginnen de Libiërs en de internationale gemeenschap wel in te zien dat Libië alleen onder de Jamahiriya regeerbaar is.’

    De twee mannen zijn het eens over wat er na de herovering van de macht in Libië moet gebeuren: er moet een referendum – of beter gezegd een volksraadpleging – komen over het herstel van de Jamahiriya. De internationale gemeenschap zou daarbij waarnemers moeten sturen om toe te zien op een eerlijk verloop. De herboren massastaat zou moderner van opzet moeten zijn, met een Senaat waarin de verschillende stammen vertegenwoordigd zijn, een Tweede Kamer en vooral een grondwet, die er onder Moammar Gaddafi niet was.

    Rachid Kechana, directeur van het Maghrebijns Centrum voor Onderzoek naar Libië, glimlacht als hij dit scenario hoort. Hij erkent dat de groene ideologie [groen is de kleur van de Jamahiriya] weer helemaal terug is: ‘Deze herwaardering van het oude regime is vooral het gevolg van de instabiele politieke situatie van na de revolutie. De aanhangers van Gaddafi maken hier handig gebruik van om hun plek terug te veroveren, maar echte steun onder de bevolking hebben ze niet. De Gaddafi-aanhangers zullen nooit meer aan de macht komen, maar ze kunnen nog wel, door strategische bondgenootschappen aan te gaan, een belangrijke rol gaan spelen.’

    Mattia Tosido, Libië-specialist bij de European Council on Foreign Relations, onderscheidt drie typen Gaddafi-aanhangers: de getrouwen van Gaddafi’s lievelingszoon Saïd al-Islam, die sinds 2011 in de westelijke stad Zintan gevangenzit; de aanhangers van generaal Khalifa Haftar, in het oosten van het land; en ten slotte de Jamahiriya-orthodoxen. Franck Pucciarelli hoort bij die laatste – en fanatiekste – categorie.

    Strijders van het Libische regeringsleger maken zich op voor een aanval op IS op 1 december 2016. – © Reuters
    Strijders van het Libische regeringsleger maken zich op voor een aanval op IS op 1 december 2016. – © Reuters

    De strijders die zich weer bij Haftar hebben aangesloten, profiteerden van een in juli 2015 door het parlement van Tobroek aangenomen amnestiewet voor plegers van misdaden tijdens de opstand in 2011. Deze wet moet de terugkeer mogelijk maken van de 1,5 à 3 miljoen merendeels gaddafistische vluchtelingen in Tunesië en Egypte.

    De clan van Saïd al-Islam is waarschijnlijk het beste georganiseerd; ook een deel van de orthodoxen heeft zich erbij aangesloten. Al-Islam werd weliswaar op 28 juli 2015 in Tripoli ter dood veroordeeld, maar zit nog steeds in Zintan gevangen. Officieel is hij de gevangene van lokale milities, maar hij geniet ruime privileges: hij schijnt zich vrijelijk door de stad te kunnen bewegen en voert continu gesprekken op zijn telefoon via de app Viber.

    Voorlopig lijkt Saïf al-Islam niet van plan te zijn om openlijk een greep naar de macht te doen. Eerder probeert hij van achter de schermen de politieke constellatie in zijn voordeel te veranderen. Veel westelijke stammen zijn bang voor een opmars van Haftar, die door oostelijke stammen gesteund wordt. Dat geldt ook voor de inwoners van Zintan, al zijn de machthebbers in die stad officieel medestanders van de generaal.

    De regio Tripoli is momenteel opgedeeld tussen een radicaal-islamitische groepering en de – ondanks internationale steun – erg zwakke regering van nationale eenheid. Saïd al-Islam zou zich kunnen opwerpen als compromisfiguur, nu de oostelijke regio Cyrenaica dankzij de recente overwinningen van generaal Haftar aan invloed gewonnen heeft. De strategische positie van de zoon van de vroegere dictator lijkt zo alsmaar sterker te worden.

    De zelfverklaarde Opperste Raad van Libische Stammen verkoos Saïd al-Islam in september 2015 dan ook tot leider van het land. In deze raad zijn bijna alleen maar Gaddafi-getrouwe stammen vertegenwoordigd en hij heeft verder geen enkele officiële status, maar toch is het symbolisch belang van deze uitverkiezing groot.

    ‘Dit land is een grap: er wordt alleen maar gevochten. Er is geen geld meer en de enige manier om aan werk te komen is door je aan te sluiten bij een militie’

    Sinds het voorjaar werkt de vroegere aanvoerder van het zuidelijke leger onder Gaddafi, Ali Kana, aan de vorming van een leger in de stad Fezzan, maar het is lastig in te schatten hoe succesvol hij hierin is. Ali Kana heeft altijd duidelijk gezegd dat zijn troepen noch Tripoli noch Tobroek zullen steunen, maar alleen een macht die de Jamahiriya erkent.

    In augustus hebben de Verenigde Naties voor het eerst voormalige Gaddafi-aanhangers, waaronder een voormalig president van het Volkscongres (het parlement onder de Jamahiriya) gevraagd om mee te praten over een politieke en economische oplossing van de crisis.

    Ook de bevolking begint zich af te vragen of de nieuwe situatie nu wel beter is dan de oude. In de Jumhouria-bank in Tripoli staat veertiger Mahmoed Abdelaziz al twee uur te wachten om 500 dinar [ca. 330 euro] op te nemen, net zoals hij dat meerdere keren per week doet. ‘Dit land is een grap: er wordt alleen maar gevochten. Er is geen geld meer en de enige manier om aan werk te komen is door je aan te sluiten bij een militie,’ schampert hij. Wel geeft hij toe dat je sinds de revolutie tenminste kritiek mag leveren, wat onder Gaddafi streng verboden was. Toch vond hij het vroeger beter, want ‘veiligheid is belangrijker dan vrijheid’.

    De revolutionaire milities van Tripoli zijn er goed van doordrongen hoe gevaarlijk deze wijdverbreide nostalgie kan worden. In juni vermoordden zij in Tripoli twaalf aanhangers van de Jamahiriya, toen hun gevangenisstraf voor in 2011 begane afpersingen erop zat.

    Auteur: Mathieu Galtier

    Drie machteloze regeringen

    2012 7 juli – Eerste vrije verkiezingen. Het gekozen parlement krijgt de naam Algemeen Nationaal Congres.

    2014 25 juni – Een nieuw gekozen parlement wordt door de internationale gemeenschap erkend. De ‘Libische Dageraad’, een coalitie van voornamelijk islamistische milities, steunt het oude parlement, dat uitwijkt naar de oostelijke stad Tobroek.

    2016 30 maart – In Tripoli wordt, met steun van de Verenigde Naties, een regering van nationale eenheid ingesteld, geleid door Fayez al-Sarraj.

    Middle East Eye
    Verenigd Koninkrijk | middleeasteye.net

    Gebeurtenissen in ‘Midwest-Azië’, o.l.v. David Hearst, afkomstig van The Guardian.

  • De taliban zijn terug,
 radicaler dan ooit

    De taliban zijn terug,
 radicaler dan ooit

    Vijftien jaar na de Amerikaanse inval in Afghanistan zijn de taliban weer aan de macht. Dat moet niet worden gezien als bewijs van een inherente vorm van Afghaanse wreedheid, schrijft de Indiase marxist Vijay Prashad. ‘Dit vertoont de vingerafdrukken van het Westen en de Saoedi’s.’

    Het is nu vijftien jaar geleden dat het Amerikaanse leger de aanval inzette op Afghanistan. Deze aanval was het openingssalvo van de wereldwijde strijd tegen terrorisme. De Amerikanen wisten met massale bombardementen de taliban en Al-Qaida te verjagen naar de bergen of naar de buurlanden – waaronder Pakistan. Een van de mensen die het strijdtoneel ontvluchtten was Osama bin Laden, die pas werd gedood in 2011 – tien jaar later. Wat Amerika met deze oorlog beoogde was eenvoudig: voorkomen dat Afghanistan Al-Qaida een veilig toevluchtsoord zou bieden, en de taliban verjagen zodat Afghanistan een democratie zou worden. Er werd ook gerept van meer vrijheid voor vrouwen en scholing voor de Afghaanse bevolking.

    Anderhalf decennium later is de taliban weer aan de macht. De beweging maakt de dienst uit in grote delen van het platteland, en dreigt ook weer de overhand te krijgen in belangrijke stedelijke gebieden. Kunduz, in het noorden, is afwisselend in handen van de taliban en van het Afghaanse Nationale Leger. In de provincie Helmand, in het zuiden, waar de Amerikaanse troepenmacht is gestationeerd, dreigt de taliban de hoofdstad Lashkar Gah in te nemen. De taliban heeft al zes van de veertien districten van Helmand in handen. Met andere woorden: een groot deel van zuidelijk Afghanistan zit in de tang van de taliban.

    Niet een van de Amerikaanse oorlogsdoelen is bereikt

    Niet alleen is de taliban terug in grote delen van Afghanistan, inmiddels hebben nóg radicalere groeperingen bovendien IS-Khorasan geformeerd. Vlak bij de Pakistaans-Afghaanse grens – in Nangarhar – kan IS vrijwel straffeloos zijn gang gaan. Op 4 oktober 2016 kwam een Amerikaanse soldaat om het leven, die te voet op patrouille was, door een bom van IS. Hij was de derde Amerikaanse soldaat die in 2016 om het leven kwam. Aanvankelijk werkte IS samen met groeperingen van de taliban, maar later werden de banden verbroken. Het is een van de vele plekken in het grensgebied van Pakistan en Afghanistan waar de zwarte vlag wappert. Mijn vriend en collega, wijlen Saleem Shahzad, schreef dat al in 2008 ‘de ideologie van Al-Qaida zich zo diep had genesteld in de hoofden van de bewoners van de bergstreken, dat hun strategie zo duidelijk in alle bergen en alle rotsen en alle stenen van het gebied was geëtst, dat de aanvoerders van de strijders zich niet al te veel zorgen maakten over de krachtmeting met de sterkste legers ter wereld’. Het doet er weinig toe of de plaatselijke groepering is gelinkt aan Al-Qaida, aan het Haqqani-netwerk of aan Islamitische Staat – ze hebben allemaal hetzelfde streven.

    Niet een van de Amerikaanse oorlogsdoelen is bereikt: Afghanistan is nog altijd een toevluchtsoord voor strijders en democratie lijkt een onhaalbaar ideaal in deze situatie. In Kaboel zijn zonder meer successen geboekt – de stad is gegroeid en de bevolking heeft toegang tot bepaalde diensten. Hier maakt Ashraf Ghani de dienst uit, de voormalig topman van de Wereldbank – hij bestudeert statistieken om een beleid te ontwikkelen dat niet verder rijkt dan de buitenwijken van de hoofdstad. Ghani weet dat veiligheid van het allergrootste belang is. Vlak nadat Ghani in 2014 aan de macht kwam zocht hij toenadering tot Pakistan – dat nog altijd steun biedt aan de taliban, zowel op militair terrein als op het gebied van de inlichtingendiensten. Hij wilde dat Pakistan een vredesovereenkomst zou sluiten met de taliban en andere militante groeperingen. De Afghaanse Quadrilaterale Coördinatie Groep – QCQ – die dit jaar in het leven is geroepen, bestaande uit Afghanistan, China, Pakistan en de Verenigde Staten, is bedoeld om druk uit te oefenen op de strijders teneinde hen aan de onderhandelingstafel te krijgen. Tot nog toe is daar weinig van gekomen. Ghani lijkt niet langer goede banden te onderhouden met Pakistan. Zijn troepen doen hun uiterste best maar ze spelen weinig meer klaar dan het eigen grondgebied behouden, of grondgebied terugveroveren dat de taliban had ingenomen. Niets wijst erop dat ze aan de winnende hand zouden zijn.

    Een Afghaanse soldaat houdt de wacht bij het vliegveld van Kunduz, dat vorig jaar werd belegerd door de taliban. – © Omar Sobhani / Reuters
    Een Afghaanse soldaat houdt de wacht bij het vliegveld van Kunduz, dat vorig jaar werd belegerd door de taliban. – © Omar Sobhani / Reuters

    Amerika mag dan zijn grondtroepen hebben teruggetrokken, het blijft de taliban en andere militante groeperingen bestoken vanuit de lucht. Bij deze aanvallen – voornamelijk met drones – worden weliswaar leiders gedood, maar ze brengen de taliban geen echte schade toe. Toen de taliban in 2015 erkende dat hun leider – moellah Omar – twee jaar eerder was omgekomen, werd er meteen bij gezegd dat moellah Akhtar Mansour de nieuwe leider was. Op 21 mei 2016 werd Akhtar Mansour gedood door een Amerikaanse droneaanval in de Pakistaanse provincie Beloetsjistan. Zijn dood leek de taliban nauwelijks te deren. Hij werd vrijwel ogenblikkelijk vervangen door de islamitische geleerde moellah Haibatullah Akhundzada. Akhundzada’s naaste medewerkers zijn de zoon van moellah Omar, moellah Yaqoob, en Sirajuddin Haqqani, die aan het hoofd staat van het Haqqani-netwerk. Deze taliban kan niet op de knieën worden gedwongen door de leiders uit te schakelen.

    Vredesbesprekingen met de taliban zitten er niet in. Militaire overwinningen in het hele land sterken hen in het idee dat ze nog veel grotere delen van het land kunnen innemen voordat ze aanschuiven bij de onderhandelingen. Ondertussen heeft president Ashraf Ghani een deal gesloten met een van de meest weerzinwekkende moedjahedienleiders – Gulbuddin Hekmatyar, die aan het hoofd staat van Hezb-e-Islami. Vele jaren geleden vertelde de Afghaanse communistenleider Anahita Ratebzad me dat Hekmatyar de gevaarlijkste is van alle moedjahedienleiders. Hij had naam gemaakt door zuur in het gezicht te gooien van studentes aan de universiteit van Kaboel. De Amerikanen roemden hem tijdens de jihad tegen de communistische regering, noemden hem een ‘strijder voor de vrijheid’. Het was destijds een stuitend schouwspel, en nu is het een bewijs van het totale mislukken van het Amerikaanse project en van Ghani’s op statistieken gebaseerde ‘good governance’. Hekmatyar is Pakistans handlanger in Kaboel.

    Linkse krachten

    Amerika heeft dit jaar alleen al zevenhonderd luchtaanvallen uitgevoerd – allemaal ter ondersteuning van het Afghaanse leger. Amerika heeft bijna driehonderd droneaanvallen uitgevoerd in Pakistan, gericht tegen de top van de taliban en Al-Qaida. De aanval waarbij moellah Mansour om het leven kwam was in Beloetsjistan, buiten de aanvalszone die in 2010 is overeengekomen tussen Amerika en Pakistan. Dit is niet de enige indicatie dat de betrekkingen tussen Amerika en Pakistan onder druk staan. Amerika heeft Pakistan onomwonden laten weten dat men niet moet rekenen op F-16’s of militaire steun zonder dat aan strikte voorwaarden is voldaan. In de National Defense Authorization Act van 2016 staat letterlijk dat Pakistan de taliban in Noord-Waziristan moet blijven bestoken, het Haqqani-netwerk moet ondermijnen en moet voorkomen dat Pakistaanse militanten Afghanistan binnendringen.

    Het is ijdele hoop dat een overeenkomst tussen Afghanistan en Pakistan afdoende is om dit probleem op te lossen. Tientallen jaren geleden heeft het Westen de handen ineengeslagen met mensen als Hekmatyar, teneinde de linkse groeperingen in Afghanistan te dwarsbomen. Vandaag de dag is er weinig meer over van die linkse groeperingen. Ze zijn van de kaart geveegd – verbannen of vermoord – en de herinnering eraan is volledig weggevaagd. De middelen waarover Afghanistan beschikt om een einde te maken aan de nachtmerrie van de laatste jaren zijn ernstig verminderd door een totale afwezigheid van linkse krachten. De sociale krachten die zijn losgemaakt door het Westen, Saoedi-Arabië en Pakistan hebben de Afghaanse samenleving verscheurd. Deze sociale omwenteling – met de moedjahedien als culminatie van het Afghaanse patriottisme – heeft niet alleen ongekende investeringen geëist, maar ook veel tijd. Momenteel is er geen beweging die tegengas kan geven. Er gloort misschien een heel kleine kans op vrede in Afghanistan, maar denk vooral niet dat er op lange termijn sprake kan zijn van stabiliteit en vooruitgang. Toen Links aan het bewind was, werd zeventig procent van de banen in het onderwijs vervuld door vrouwen, en bestond het ambtenarenapparaat voor vijftig procent uit vrouwen. Veel mensen zullen ervan opkijken dat destijds veertig procent van de artsen in Afghanistan vrouw was. Het Westen heeft deze positieve ontwikkeling eigenhandig gedwarsboomd. Dat het Westen Afghanistan heeft teruggezet in de tijd, onder het mom van vrouwenrechten, is ronduit stuitend. Dat Hekmatyar weer in Kaboel zit en dat de taliban overal in het land weer in opkomst is, moet niet worden gezien als bewijs van een of andere inherente vorm van Afghaanse wreedheid. De sociale morbiditeit van de Afghaanse samenleving vertoont de vingerafdrukken van het Westen en de Saoedi’s. Dat er geen eenvoudige oplossingen zijn is niet de schuld van Afghanistan. Iemand als Anahita Ratebzad, de Afghaanse communiste, had een visioen van hoe de samenleving eruit zou kunnen zien. Als zij nog had geleefd, zou ze opnieuw hebben gehuild van woede om haar land – na vijftien jaar van een wereldwijde strijd tegen het terrorisme.

    Auteur: Vijay Prashad
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Vijay Prashad is hoogleraar International Studies aan Trinity College in Hartford, Connecticut. Hij schreef achttien boeken, waaronder Arab Spring, Libyan Winter, The Poorer Nations: A Possible History of the Global South en The Death of a Nation and the Future of the Arab Revolution. Hij schrijft iedere woensdag een column op AlterNet.

    Alternet
    VS | www.alternet.org

    Voormalig Mother Jones- redacteur Don Hazen biedt alternatieve journalistiek. 
1,5 miljoen bezoekers klikken op artikelen en reprints.

  • 4. De drone-president

    4. De drone-president

    Als winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede kreeg Obama veel kritiek op zijn inzet van drones voor het uitschakelen van terroristen. Maar zijn staat van dienst op dit gebied is genuanceerder dan je misschien zou verwachten.

    Op 5 maart van dit jaar voerden de VS met onbemande drones en bemande vliegtuigen 
een bombardement uit op wat de 
regering omschreef als een kamp van Al-Shabaab, bijna 200 kilometer ten noorden van Mogadishu. Daarbij zouden zo’n honderdvijftig leden van de terreurbeweging zijn gedood. Volgens de regering vormden deze strijders een directe bedreiging voor de troepen van de Afrikaanse Unie waar Amerikaanse adviseurs mee samenwerken, al werd daarvoor geen bewijs aangevoerd. Het nieuws dat Amerika aan de andere kant van de wereld, in een land waarmee het niet in oorlog is, honderdvijftig niet nader genoemde mensen had gedood, kreeg in eigen land nauwelijks aandacht, laat staan dat het enige ophef veroorzaakte. Het op afstand en buiten oorlogsgebied doden van mensen lijkt de gewoonste zaak van de wereld te worden.

    Een opvallende ontwikkeling, des te meer omdat die zich heeft voorgedaan onder Obama, die bij zijn aantreden toch het imago van antioorlogspresident had – in zo sterke mate dat hij misschien wel als enige man ter wereld de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen op basis van wishful thinking. Als president voert onze Nobelprijswinnaar nu al langer oorlog dan al zijn voorgangers. Hij heeft in zeven landen militair geweld ingezet: Afghanistan, Irak, Syrië, Pakistan, Libië, Jemen en Somalië. In de laatste vier landen bestaat dat geweld bijna volledig uit onbemande drones die 
terreurverdachten executeren die 
banden zouden hebben met Al-Qaida of ‘daaraan gelieerde machten’.

    Dat een antioorlogspresident het gebruik van drones zo aantrekkelijk vindt, moet een teken aan de wand zijn. In de woorden van Hugh Gusterson in Drone: Remote Control Warfare:

    Als buitenrechtelijke liquidaties al zo’n aantrekkingskracht uitoefenen op een president die vroeger staatsrecht doceerde, die van begin af aan tegen de oorlog in Irak was, die een eind maakte aan het martelprogramma van de CIA en die bij zijn aantreden de intentie uitsprak om het detentiekamp in Guantanamo Bay te sluiten, dan is het onwaarschijnlijk dat eender welke opvolger de verleiding van de drone zal kunnen weerstaan.

    Obama met Nationaal Veiligheidsadviseur Susan E. Rice tijdens een terrorisme-update.
    Obama met Nationaal Veiligheidsadviseur Susan E. Rice tijdens een terrorisme-update.

    En we moeten ons dan niet alleen 
zorgen maken om president Trump of Clinton. Andere landen zullen ook niet schromen om naar het middel van onbemande luchtaanvallen te grijpen om problemen buiten hun landsgrenzen ‘op te lossen’. Israël, het Verenigd Koninkrijk, Iran, Irak, Nigeria en Pakistan hebben het voorbeeld van de VS 
al gevolgd en zetten inmiddels ook bewapende drones in. China heeft ze 
in de aanbieding voor 1 miljoen dollar per stuk. Het zal niet lang meer duren 
voordat het grootste deel van de 
ontwikkelde wereld over dit wapen beschikt. En als andere landen een 
precedent zoeken, is Obama’s staat 
van dienst op dit gebied het eerste waarnaar ze zullen wijzen.

    Wat is die staat van dienst? En wat 
kan en moet hij nu nog doen om de risico’s te verkleinen van een met 
drones bewapende wereld? Sommige critici stellen Obama’s staat van dienst op dit vlak gelijk aan de oorlogsmisdaden van zijn voorganger Bush. 
Zo beweert Glenn Greenwald in het nawoord bij The Assassination Complex dat Obama’s dronebeleid ‘de slechtste kanten belichaamt van wat de war on terror van Bush en Cheney zo funest maakte’. Greenwald vat Obama’s 
benadering van drones als volgt samen:

    De kern van zijn drone-moordprogramma is dat hij en hij alleen bij machte is om overal 
ter wereld mensen, ook Amerikaanse burgers, op de korrel te nemen en eenzijdig het bevel 
te geven om hen te executeren, op basis van zijn overtuiging dat het beoogde slachtoffer een terrorist is.

    Droneaanvallen zijn van alle verschillende oorlogsmiddelen het middel dat de minste burgerslachtoffers kost

    Als dat inderdaad zijn beleid was, 
zouden de verwijten van Greenwald 
en tal van andere critici terecht zijn. Maar het klopt niet. Ten eerste maakt Obama geen aanspraak op het recht om af te rekenen met ‘terroristen’, maar alleen met personen die onze tegenstander zijn in een door het 
Congres gesanctioneerd gewapend conflict met Al-Qaida en daaraan 
gelieerde organisaties. En het recht 
om vijanden in een gewapend conflict te doden is zo oud als het fenomeen oorlog zelf.

    Ten tweede maakt Obama geen 
aanspraak op het recht op de inzet van dodelijk geweld ‘overal ter wereld’, maar alleen in oorlogsgebieden, en daarbuiten alleen tegen vijandelijke strijders die een direct gevaar vormen dat niet op een andere wijze kan 
worden bestreden – meestal omdat het land waar zo’n strijder zich bevindt niet in staat is hem gevangen te nemen. Als zo’n land de vijand wel kan oppakken en berechten, is executie 
volgens onze regering geen optie.

    Ten derde blijkt uit meerdere bronnen, waaronder Greenwalds eigen website The Intercept, dat Obama zijn doelwitten zeker niet op eigen houtje kiest. Hij heeft een uitgebreid proces opgetuigd waarbij de informatie en adviezen van allerlei hooggeplaatste functionarissen in de krijgsmacht en de regering 
worden meegewogen voordat een gerichte actie wordt goedgekeurd.

    Minder drone-inzet

    Het is ook belangrijk om op te merken dat Obama’s beleid en praktijk ten 
aanzien van de inzet van drones in 
de loop van zijn regeerperiode sterk 
is veranderd. Zijn eerste jaren in het ambt werden gekenmerkt door een agressieve uitbreiding van het droneprogramma. Zo zijn er volgens de 
New America Foundation onder Bush 48 drone-aanvallen uitgevoerd in 
Pakistan, met tussen de 377 en 558 doden tot gevolg, terwijl er onder Obama 355 aanvallen werden uitgevoerd, met in totaal tussen de 1907 
en 3067 doden tot gevolg. Maar nadat het aantal droneaanvallen in Pakistan in 2010 piekte met 122, is het sindsdien ieder jaar gedaald. In 2015 zijn er in Pakistan slechts tien aanvallen uitgevoerd en dit jaar tot nu toe nog maar drie. Ook het aantal droneaanvallen in Jemen is gedaald, van een piek van 47 in 2012 tot 24 in 2015 en negen in dit jaar. Obama’s neiging om drones in te zetten is in zijn tweede ambtstermijn dus beduidend zwakker dan in zijn eerste.

    Volgens critici kosten drones veel levens van onschuldige burgers. Ook hier is het beeld gecompliceerd. De VS hebben jarenlang geweigerd droneaanvallen te erkennen, en legden dus ook geen publieke verantwoording af over de slachtoffers die daarbij vielen en over de vraag of dat strijders of 
burgers waren. Diverse onafhankelijke organisaties proberen in die leemte te voorzien, maar het is buitengewoon moeilijk om aan accurate gegevens te komen.

    Het Londense Bureau of Investigative Journalism kwam met de schatting 
dat in Pakistan, Jemen en Somalië samen tot 24 mei 2016 tussen de 493 
en 1168 burgers zijn omgekomen door Amerikaanse droneaanvallen. De New America Foundation is voorzichtiger en houdt het op 370 tot 448 burger-doden in dezelfde drie landen. Na 
zevenenhalf jaar over het onderwerp 
te hebben gezwegen, meldde de regering op 1 juli jongstleden zelf dat er tussen januari 2009 en december 2015 64 tot 116 burgers zijn omgekomen 
bij 473 ‘terreurbestrijdingsoperaties buiten actieve conflictgebieden’. Daarbij werden Irak, Syrië en Afghanistan expliciet als ‘actieve conflictgebieden’ aangemerkt, dus het rapport bevatte geen cijfers over de hoeveelheid burgerslachtoffers die er in die landen zijn gevallen, al mag je ervan uitgaan dat het om aanzienlijke aantallen gaat.


    De discrepantie met de cijfers van organisaties als de New America 
Foundation was volgens de regering het gevolg van de veronderstelde 
superioriteit van haar eigen inlichtingenwerk en het feit dat onafhankelijke organisaties zich baseren op nieuwsbronnen die mogelijk vatbaar zijn voor terroristische propaganda. Maar in 2011 beweerde John Brennan, Obama’s toenmalige adviseur voor de nationale veiligheid, dat er in het jaar daarvoor niet één onschuldige burger was omgekomen als gevolg van een drone-aanval: terroristen zijn dus niet de 
enigen die propaganda maken.

    De beschuldiging dat droneaanvallen zo veel burgerslachtoffers eisen, roept enerzijds de vraag op: in vergelijking waarmee dan? In één opzicht lijkt het vreemd om juist droneaanvallen te bekritiseren omdat er burgerslachtoffers bij vallen. Zoals Avery Plaw van de Universiteit van Massachusetts in Dartmouth overtuigend aantoont in Killing by Remote Control, zijn droneaanvallen van alle verschillende oorlogsmiddelen het middel dat de minste burgerslachtoffers kost. Bemande vliegtuigen kunnen veel minder 
precies te werk gaan, omdat ze niet urenlang in de lucht kunnen blijven hangen om te wachten op het ideale moment om toe te slaan. En grondtroepen resulteren bijna onvermijdelijk in meer collateral damage dan een 
droneaanval.

    Dat er burgerslachtoffers vallen is te wijten aan allerhande factoren, met als voornaamste dat het moeilijk is om ‘de vijand’ te lokaliseren als die zich tussen burgers verschuilt en geen uniform draagt. Gebrekkig inlichtingenwerk is een andere oorzaak, evenals een te groot vertrouwen in de belgegevens van telefoons waarvan je niet zeker kunt weten of ze echt in handen zijn van het beoogde slachtoffer. Zoals 
The Intercept hoorde van een voormalige dronebestuurder: ‘We jagen niet op mensen maar op hun telefoon – in de hoop dat de persoon die we treffen 
ook daadwerkelijk de boef is.’ Of zoals Michael Hayden in 2014 zei, in een debat met mij aan de Johns Hopkins-universiteit: ‘We doden mensen op basis van belgegevens.’

    Het aantal burgerslachtoffers van droneaanvallen buiten oorlogsgebieden is de afgelopen jaren niettemin sterk gedaald. Zo maakt de New America Foundation melding van 49 tot 63 doden in Pakistan in 2011, maar heeft het er van 2014 tot 2016 slechts twee geteld. In Jemen meldt het zestien 
burgerdoden in 2012, maar slechts 
vijf in 2014 en tot nu toe niet een in 2015 en 2016. De cijfers van het Bureau of Investigative Journalism vallen doorgaans hoger uit, maar ook daar 
is sprake van een daling en zie je de laatste jaren nog maar heel weinig burgerslachtoffers.

    Betere cijfers

    Eén reden voor die betere cijfers schuilt misschien in de nieuwe standaard 
voor droneaanvallen buiten conflictgebieden, die Obama in mei 2013 
aankondigde. In een toespraak voor de National Defense University en in een gelijktijdig uitgevaardigde geheime presidentiële beleidsrichtlijn zei hij gerichte aanvallen buiten oorlogsgebieden alleen nog te zullen toestaan als 1) het doelwit een aanhoudende bedreiging vormt voor Amerikaanse burgers, 2) gevangenneming niet 
haalbaar is en de dreiging niet op een andere wijze kan worden geneutraliseerd, en 3) het vrijwel zeker is dat 
bij de actie geen doden of gewonden onder burgers zullen vallen. Diverse critici, waaronder ikzelf, hebben 
kritiek geuit op de ruime betekenis die aan de term ‘aanhoudende bedreiging’ wordt gegeven en gevraagd wat de regering precies bedoelt met de 
‘haalbaarheid’. Maar bij een strenge uitleg van die woorden kun je er eigenlijk niet zo veel meer op tegen hebben 
en valt te verwachten dat er minder aanvallen worden uitgevoerd, en dat er daarbij ook minder burgerslachtoffers vallen.

    Het dronebeleid van Obama laat 
dus een gemengd beeld zien. In zijn eerste ambtstermijn was het een 
middel waarvan hij intensief gebruikmaakte, in zijn tweede termijn is hij steeds selectiever geworden. Daar zijn waarschijnlijk twee belangrijke redenen voor. Ten eerste heeft Obama in 
de loop van zijn regeerperiode, mede in reactie op de brede kritiek, steeds meer openheid over het droneprogramma gegeven – al ging dat met horten en stoten. Na een toespraak van toenmalig juridisch adviseur van Buitenlandse Zaken Harold Koh, in maart 2010, is 
de regering begonnen het programma publiekelijk te verdedigen en steeds meer details prijs te geven. Transparantie dwingt je om verantwoording af te leggen: het is geen toeval dat grotere openheid geleid heeft tot voorzichtiger beleid en grotere terughoudendheid 
bij de inzet van drones.

    Ten tweede heeft de regering misschien meer oog gekregen voor de strategische nadelen van de aanvankelijke nadruk op drones. Enerzijds zijn 
droneaanvallen een effectieve manier om gevaarlijke individuen op moeilijk toegankelijke plaatsen uit te schakelen. Zoals Audrey Cronin opmerkt in Drones and the Future of Armed Conflict:

    De dreiging van drones heeft terroristische operaties verstoord en uit koers geslagen. 
Het dwingt Al-Qaida en zijn bondgenoten hun gedrag aan te passen, zodat ze vooral 
nog bezig zijn te overleven en ernstig worden belemmerd in hun bewegingsvrijheid en 
hun mogelijkheden om operaties te plannen en uit te voeren.

    Het gebruik 
van drones is goedkoper dan andere vormen van geweld, je brengt er geen Amerikaanse levens mee in gevaar en je kunt relatief gemakkelijk ontkennen dat je ze gebruikt

    Anderzijds schrijft Cronin ook dat droneaanvallen ‘niet kunnen voorkomen dat de leiders worden opgevolgd en de organisatie doorgaat met het maken van propaganda en het uitvoeren van lokale aanslagen’. En als drones haat zaaien en daarmee de steun voor onze vijand vergroten, zijn ze misschien contraproductief. De meeste berichten lijken daarop te wijzen. Generaal 
Stanley McChrystal, die het bevel 
voerde over de Amerikaanse troepen 
in Afghanistan, zei in 2013 tegen The Huffington Post dat droneaanvallen 
‘een beeld van Amerikaanse arrogantie’ creëren en ‘hartgrondige’ haat oproepen. In 2012 bleek uit peilingen dat 
90 procent van de Pakistanen tegen droneaanvallen was en 74 procent 
de VS als vijand beschouwde. En dat terwijl Pakistan de op een na grootste ontvanger van Amerikaanse financiële steun is, na Afghanistan, en nog vóór Israël.

    Juist hun specifieke kwaliteiten maken drones zo verleidelijk. Het gebruik 
van drones is goedkoper dan andere vormen van geweld, je brengt er geen Amerikaanse levens mee in gevaar en je kunt relatief gemakkelijk ontkennen dat je ze gebruikt. En daardoor, zo waarschuwt Gusterson, kunnen drones leiden tot ‘een vorm van permanente kleinschalige militaire operaties 
waardoor de grens tussen oorlog en vrede dreigt te vervagen’.

    De vraag voor Obama is of hij de geschiedenis wil ingaan als de leider die het tijdperk van permanente, 
kleinschalige oorlogvoering per drone heeft ingeluid. Andere leiders, zowel 
in Amerika als elders, zullen in zijn optreden een rechtvaardiging voor hun eigen handelwijze zoeken.

    Het ligt volledig binnen Obama’s macht om een minder dubieuze 
erfenis inzake drones achter te laten. Daarvoor moet hij dan nog wel een aantal andere hervormingen door-voeren. Het is niet genoeg, zoals een voormalige hoge regeringsmedewerker me uitlegde, om de presidentiële richtlijn voor de inzet van drones openbaar te maken: hij moet er een presidentieel decreet van maken, zodat het voor zijn opvolger moeilijker wordt om ervan 
af te wijken. En hij moet de in die richtlijn geformuleerde strenge voorwaarden als uitgangspunt nemen 
voor gesprekken met onze NAVO-bondgenoten over een algemeen aanvaarde standaard voor de inzet van drones buiten oorlogsgebieden. Of we het leuk vinden of niet, drone-aanvallen horen bij de oorlogvoering van de toekomst, en de hele wereld heeft er belang bij om op internationaal niveau een hoge drempel op te werpen tegen de inzet van dat middel.

    Het overheidsrapport over burgerslachtoffers van 1 juli is wat dat betreft een belangrijke stap vooruit. Het is de eerste poging om verantwoording af 
te leggen over de resultaten van het gebruik van drones. Het op dezelfde dag uitgevaardigde presidentiële decreet verplicht de regering om 
hierover voortaan jaarlijks een rapport uit te brengen. Ook verplicht het alle partijen die zijn betrokken bij de inzet van geweld, zowel binnen als buiten oorlogsgebied, om het aantal burgerslachtoffers tot een minimum te beperken en ‘indien van toepassing en in overeenstemming met de doelstelling van de missie’ fouten te erkennen en schadeloosstelling te betalen aan burgerslachtoffers of hun nabestaanden. De regering verdient hiervoor 
alle lof.

    Maar de nieuwe openheid en het presidentieel decreet schieten op belangrijke fronten ook ernstig tekort. Door alleen totaalcijfers te geven over de hele 
afgelopen periode van zeven jaar, maakt de regering het onmogelijk haar cijfers te vergelijken met de door ngo’s gedocumenteerde individuele incidenten. Daarbij komt dat het presidentiële decreet weliswaar geldt voor álle 
burgerslachtoffers van oorlogsgeweld, maar dat de jaarlijkse verplichte 
rapportage alleen burgerslachtoffers buiten actieve conflictzones betreft. Burgerslachtoffers verdienen altijd erkenning, waar ze ook vallen. Voor deze beperking van de jaarlijkse 
rapportage geeft de regering geen 
verklaring.

    Formeel toezicht

    Het belangrijkste wat Obama moet doen betreft niet alleen de formulering van algemene richtlijnen voor drone-inzet, maar de implementatie daarvan. De bevoegdheid om iemand van 
het leven te beroven moet een strak juridisch kader krijgen. En om daarover verantwoording te kunnen afleggen is een vorm van formeel toezicht vereist.

    In Israël moeten alle gerichte liquidaties na afloop door de rechter worden getoetst. Bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat het de kant op dat er zelfs rechterlijke toetsing wordt geëist voor doden die op het slagveld vallen. Maar onder president Obama hebben de VS duizenden 
personen ver van enig slagveld geëxecuteerd zonder daarvoor ooit specifieke verantwoording af te leggen, met als enige uitzondering de liquidatie in september 2011 van Anwar al-Awlaki, een Amerikaans staatsburger. De regering heeft nooit uitgelegd wie er zijn gedood, op basis waarvan de besluiten zijn genomen en wat de daadwerkelijke gevolgen van specifieke droneaanvallen zijn geweest.

    Het op het slagveld doden van vijandelijke strijders wordt in oorlogstijd geaccepteerd en vereist doorgaans geen afzonderlijke rechtvaardiging: dat iemand 
een vijand is, is dan rechtvaardiging genoeg. Maar een land dat het recht opeist om specifieke personen buiten oorlogsgebieden te elimineren op 
basis van hun vermeende wandaden, moet dat kunnen verantwoorden – 
en moet dat zo veel mogelijk openbaar doen. Aan een dergelijke verantwoording heeft het tot nu toe ontbroken. Geheime executies zijn niet verenigbaar met de rechtsstaat. Dat is het werk van doodseskaders, niet van een democratie.

    Zoals Obama in 2013 in zijn toespraak op de National Defense University zei: ‘Dezelfde menselijke vooruitgang die ons de technologie schenkt waarmee we aan de andere kant van de wereld een aanval kunnen uitvoeren, legt 
ons ook de plicht op om die macht te beteugelen – of het risico te lopen dat we er misbruik van gaan maken.’ Hij is nu nog in de gelegenheid om die macht aanzienlijk te beteugelen. Als hij die kans niet grijpt, zal hij de geschiedenis ingaan als de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede die verantwoordelijk is voor de doorbraak van een vreselijk gevaarlijke en ethisch dubieuze vorm van oorlogvoering. Dat is niet de Obama die ik me wil herinneren.

    Auteur: David Cole
    Vertaler: Frank Lekens

    The New York Review of Books
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 119.000

    Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.

  • Veel jongeren vinden de jihad gewoon cool

    Veel jongeren vinden de jihad gewoon cool

    De Indonesische documentairemaker Noor Huda Ismail weet als ex-radicaal hoe aantrekkelijk de propaganda van IS kan zijn. Met zijn film Jihad Selfie wil hij pubers de ogen openen.

    De radicale en terroristische propaganda maakt tegenwoordig met veel succes gebruik van de drijfveren van de popcultuur, een succes dat de zegetocht van de ‘K-pop’, de Koreaanse popcultuur die erg in trek is bij Indonesische jongeren, wel eens zou kunnen evenaren. Dat toont Jihad Selfie, een documentaire van Noor Huda Ismail. De manier waarop op de sociale netwerken mannelijkheid, roem en de door IS gepropageerde moed worden verheerlijkt is inmiddels evenzeer in staat pubers voor zich te winnen als de popcultuur.

    Huda, een beroemde voormalige militant en journalist, volgt extremistische bewegingen en heeft in 2008 Prasasti Perdamaian opgericht, een instelling die de internationale vrede wil bevorderen. De instelling heeft tot doel voormalige terroristen te helpen om een normaal leven op te bouwen als ze uit de gevangenis komen en niet weer banden aan te knopen met radicale groeperingen. Jihad Selfie vertelt het waargebeurde verhaal van de zestienjarige Teuka Akbar Maulana, afkomstig uit de provincie Aceh in het noorden van Sumatra, die in het spoor van zijn vrienden naar Syrië vertrok om de jihad te voeren en zich aan te sluiten bij IS.


    In 2013 zat Akbar met een beurs van de Turkse regering op het internationale Anatolia Mustafa Germirli Imam Hatip Lyceum in Kayseri, in Centraal-Turkije. Hij was een briljante leerling en erg populair bij zijn vrienden in Aceh. Maar hij was naarstig op zoek naar zijn identiteit. De virtuele wereld, met haar sociale netwerken, is een reëel universum dat het leven van alle pubers van Akbars generaties beïnvloedt. En Akbar vond op Facebook een van zijn vroegere kameraden terug, Yazid, die met een AK-47 voor een IS-vlag poseerde.

    ‘Het is echt cool om iemand van ons de jihad te zien voeren. Als hij het kan, nou, dan kan ik het ook! En nog beter! Ik zag die foto’s van Yazid, supertrots op zijn wapen, een AK-47. Hij had het verder geschopt dan het Indonesische leger, en zelfs dan het keurkorps,’ roept Akbar in de film uit.

    Kweekvijver

    Huda besloot de film te maken nadat hij Akbar in juni 2014 toevallig was tegengekomen in een kebabtentje in Kayseri. ‘Toen Akbar me vertelde dat hij naar Syrië wilde vertrekken had hij het geen enkele keer over religie. Hij had het alleen maar over zijn vrienden die zo cool waren en zo trots dat ze samen met IS de jihad voerden. Huda zag op het jonge gezicht van Akbar zijn eigen geschiedenis terug. ‘Toen ik net zo oud was als hij had ik een tijdje diezelfde bevlieging, wilde ik deelnemen aan een grote mondiale verandering. Het verschil is dat ik persoonlijk door een ronselaar benaderd werd,’ herinnert Huda zich, die in zijn jeugd leerling was van het Koraninternaat Al-Muk’min, gesticht door de radicale leider Abu Bakar Ba’asyir, die momenteel in de gevangenis zit. Dit internaat, gevestigd in Surakarta op Centraal-Java, was in het begin van deze eeuw een kweekvijver voor jonge terroristen.

    3 x still uit Jihad Selfie.
    3 x still uit Jihad Selfie.

    Tussen maart 2015 en mei 2016 heeft Huda meer dan 180 uur film opgenomen in Australië, in Turkije, in Egypte, op Bali, in Jakarta, in Wonosobo, in Kudus, in Surakarta, in Jogjakarta, in Lamongan en op Nusakambangan, het grote gevangeniseiland voor de zuidkust van Java waar terdoodveroordeelden worden geëxecuteerd. Hij heeft gepassioneerde, om niet te zeggen verbluffende gesprekken opgenomen met diverse bronnen die IS in Indonesië steunen. En zelfs een inwijdingsceremonie van IS in een moskee in het centrum van Jakarta, niet ver van het presidentiële paleis.

    Huda rondt momenteel zijn studie politieke wetenschappen en internationale betrekkingen af aan de Monash Universiteit in het Australische Melbourne. Jihad Selfie is onderdeel van zijn masteronderzoek. Hij hoopt dat de nationale instituten die belast zijn met de strijd tegen radicalisering andere strategieën zullen gaan gebruiken, zoals deze film en andere ‘popproducten’, in plaats van alleen maar affiches en vlaggetjes met krachteloze slogans.

    Jihad Selfie zal zowel op Indonesische scholen worden verspreid als onder geïnteresseerde gemeenschappen of verenigingen

    ‘Ik ben geen cineast. Ik hoop dat mijn collega-cineasten een fictieversie van mijn film zullen maken zodat deze belangrijke en dringende boodschap zo veel mogelijk wordt verspreid. Mijn documentaire is gebaseerd op het ethische principe van toestemming. Als een gefilmde bron uiteindelijk besloot er niet in te willen verschijnen, heb ik hem gewist, hoe interessant zijn getuigenis ook was.’

    Jihad Selfie is in april 2016 vertoond in het Centrum voor Veiligheidsbeleid in Genève, in het kader van een conferentie over terrorismepreventie, en zal zowel op Indonesische scholen worden verspreid als onder geïnteresseerde gemeenschappen of verenigingen. Hoofdpersoon Akbar, inmiddels achttien, heeft zijn ervaringen opgeschreven in een ‘poproman’ met de titel Boys Beyond the Light. ‘Ik wil Indonesische pubers de ogen openen zodat ze niet in de propaganda van IS trappen.’

    Auteurs: Crazy Ed-Jiwa, Edward Akbar en Sarie Ferbiane
    Vertaler: Peter Bergsma

    Kompas
    Indonesië | dagblad | oplage 450.000

    Opgericht in1965 als reactie op de communistische pers. Geschreven in het Indonesisch. Kompas is de grootste landelijke krant met achtergrondverhalen over de door Java vaak ‘vergeten’ andere eilanden.

  • ‘Ideologie van IS is levensgevaarlijk’

    ‘Ideologie van IS is levensgevaarlijk’

    De Indonesiër Umar Patek zit twintig jaar uit voor zijn aandeel in de terreuraanslagen op Bali in 2002. In een exclusief interview betuigt hij spijt voor zijn daad, en waarschuwt hij voor de invloed van IS.

    Umar Patek stapt uit Cel nummer 1 van Blok F en begroet ons met een brede glimlach. We zijn in de gevangenis van Porong op Oost-Java. Umar Patek, ook bekend onder een aantal schuilnamen, herken je onmiddellijk aan zijn rode haar. De Indonesiër zit sinds 2011 een gevangenisstraf uit van twintig jaar voor zijn betrokkenheid bij de aanslagen op Bali [waarbij op 12 oktober 2002 tweehonderdtwee doden vielen]. Hij werd toen al gezocht door de Filipijnse politie vanwege zijn banden met de terreurgroep Abu Sayyaf en de Verenigde Staten hadden een beloning uitgeloofd van één miljoen dollar voor zijn gevangenneming.

    Op 25 januari 2011 hield de Pakistaanse veiligheidsdienst hem aan in de stad Abbottabad, niet ver van de verblijfplaats van Osama bin Laden. Vervolgens werd hij op 11 augustus 2011 uitgewezen naar Indonesië. Nu staat hij, in verband met de bevrijding op 1 mei 2016 van tien door Abu Sayyaf gegijzelde Indonesische burgers, weer even in de belangstelling.

    Umar Patek in februari 2012 op weg naar de rechtbank in Jakarta. – © Reuters
    Umar Patek in februari 2012 op weg naar de rechtbank in Jakarta. – © Reuters

    Bent u benaderd om met Abu Sayyaf te gaan praten over de vrijlating van de door de groep gegijzelde Indonesiërs?

    ‘Nee, dat is me niet gevraagd, ik heb het zelf aangeboden. Ik ken en begrijp heel goed de leden van deze groep, waar ik ooit deel van uitmaakte. Ik wilde proberen hen ervan te overtuigen de gijzelaars vrij te laten. Ik wilde graag helpen, omdat ik mij zorgen maakte over het lot van mijn Indonesische broeders. Mijn bedoelingen waren zuiver; ik stelde geen enkele voorwaarde.’

    Is uw raad opgevolgd?

    ‘Ik geloof het wel, want de vrijlating gebeurde in Parang [in de zelfstandige islamitische regio Mindanao]. Ik had aangeraden om met de derde vrouw van MNLF-chef Nur Misuari te onderhandelen [het MNLF (Moro National Liberation Front) vecht voor meer autonomie voor de Morominderheid]. De leider van de Abu Sayyaf-factie die de gijzeling uitvoerde, al-Habsi Misaya, komt uit dezelfde buurt in Parang als zij.’

    Hoe opereert deze factie?

    ‘Toen ik ooit meedeed aan een militair trainingskamp op de Filipijnen, heb ik kunnen zien dat deze groep gijzelaars niet wreed behandelt. Ze vragen alleen losgeld, maar mishandelen de gijzelaars niet, behalve wanneer zij proberen te vluchten. Ze zijn uitgegroeid tot meesters in de kunst van het op volle zee gevangennemen van mensen.’

    Waarom bent u destijds vertrokken naar de Filipijnen?

    ‘Om de Moro te helpen hun vaderland te heroveren, dat door de Filipijnen was bezet. Het probleem op de Filipijnen lijkt veel op dat in Palestina. Ik wilde me altijd al aansluiten bij de jihad in Palestina. In 1992, een jaar nadat ik was teruggekomen uit Afghanistan, vertrok ik naar de Filipijnen. Met mijn jihad belijd ik trouw aan de Indonesische grondwet van 1948. In de preambule daarvan staat dat koloniale praktijken overal ter wereld moeten worden geëlimineerd. Dat is de fundamentele reden van mijn jihad.’

    Ik vond dat zulke zelfmoordaanslagen uiteindelijk een vorm van lafheid waren

    Is uw kijk hierop na vijf jaar gevangenisstraf veranderd?

    ‘Nee, mijn overtuigingen zijn niet veranderd. Ik ben ertoe gekomen na een lang proces van nadenken, dankzij veel lezen en ook door mijn buitenlandse ervaringen met de praktijk van de jihad. Ik sta nog steeds achter alles wat ik gedaan heb, met uitzondering van de eerste aanslagen op Bali. Ik heb er spijt van dat ik aan die aanslagen heb deelgenomen, omdat er ook veel hindoeïstische, boeddhistische en zelfs moslimslachtoffers bij zijn omgekomen. Wie zal er in het hiernamaals voor al die doden verantwoordelijk worden gesteld? Hier in de gevangenis denk ik veel na over die uiteindelijke verantwoordelijkheid.’

    U zegt dat u niet achter de aanslagen op Bali van 2002 staat, maar waarom deed u er dan aan mee?

    ‘Die aanslagen zouden worden gepleegd, of ik er nou aan deelnam of niet. Ik heb mijn medestrijders uitgelegd wat mijn bezwaren waren. Ik vond dat zulke zelfmoordaanslagen uiteindelijk een vorm van lafheid waren. Het motief was zogenaamd om de slachtingen van moslims in Palestina te wreken. Ik antwoordde dat blanken in dat geval geen goed doelwit waren. [Het merendeel van de slachtoffers waren westerse toeristen, vooral Australiërs.] Ik zei dat deze blanken geen Israëliërs waren en niets te maken hadden met het uitmoorden van moslims in Palestina.’

    Werd naar die bezwaren niet geluisterd?

    ‘Nee, ze zetten hun plan door. Ik moest wel meedoen, omdat ik in die tijd Mukhlas en Dulmatin [de twee breinen achter de aanslagen op Bali] respecteerde. Zij waren ouderen naar wie ik luisterde.’


    Hoe denkt u over IS?

    ‘Mijn jihad is heel anders dan die van hen. Het zou heel slecht zijn als IS in Indonesië actief werd, want ze hebben een levensgevaarlijke ideologie. In deze gevangenis zitten drie mannen met banden met IS en zij hebben geen enkel contact [met anderen die wegens terrorisme gevangenzitten]. Zij beschouwen ons als ongelovigen. Ze willen zelfs niet meedoen aan het gezamenlijk gebed: ze bidden na ons. Ze weigeren elke vorm van discussie omdat ze ervan overtuigd zijn dat alleen zij gelijk hebben. Bovendien zijn ze erg onbeleefd, zelfs tegen gevangenen die ouder zijn dan zij.’

    U noemt de ideologie van IS gevaarlijk. Waarom?

    ‘IS-strijders zijn kharidjieten [een groep die zich buiten de gemeenschap van gelovigen plaatst, zich beroepend op de moslims die in 657 weigerden partij te kiezen tijdens de eerste grote onderlinge oorlog binnen de islam]. Zij beschouwen mensen die het niet met hen eens zijn als ongelovigen, van wie het bloed mag worden vergoten. Ze willen iedereen hun overtuigingen opleggen. Voor mij betekent de jihad het voeren van oorlog in landen waar islamieten worden onderdrukt door koloniale machten, zoals in Palestina of in Afghanistan. Maar niet in Indonesië, want Indonesische moslims hebben altijd en overal het recht om hun religie belijden. Daarom zeg ik: als je mee wilt doen aan de jihad, doe dat dan niet in Indonesië, want hier is niets om voor te strijden.’

    Denkt u dat het programma van het Nationaal Bureau voor Terrorismebestrijding [BNPT] tegen radicalisering werkt?

    ‘Dat programma heeft weinig effect. Ze komen niet vaker dan eens in de drie of vier maanden op bezoek en de leden van het BNPT kennen ons niet persoonlijk. Ik ben veel meer tot inzicht gekomen door discussies 
met mensen die voor iets anders dan terrorisme gevangenzitten. Dankzij hen heb ik begrepen dat er veel manieren van leven bestaan en dat 
ik de waarheid niet in pacht heb.’

    Auteurs: Tika Primandari en Nur Hadi
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Tempo
    Indonesië | weekblad | oplage 100.000

    Opgericht in 1971 met de bedoeling het publiek een nieuwe vorm van informatie te bieden, waarin de vrijheid van meningsuiting op iedere pagina wordt gerespecteerd.

  • De andere Fransen

    De andere Fransen

    Nieuws uit het buitenland is iets anders dan nieuws over het buitenland, luidt al honderd edities lang het adagium van 360. We laten lokale journalisten aan het woord over de situatie in hun land. Maar soms wijken we daarvan af, zoals hier. George Packer (staff writer bij The New Yorker en auteur van de grootse analyse van het moderne Amerika, The Unwinding) beschrijft zijn verkenning van ‘het andere Frankrijk’. Een betere titel – ja, op je honderdste verjaardag mag je zelfs beweren dat je het beter weet dan The New Yorker – zou misschien zijn ‘de andere Fransen’. Want zijn stuk gaat juist over hetzelfde Frankrijk en iedereen – binnen en buiten de Périphérique – die nolens volens meebouwt aan de toekomst van dat land.

    Fouad Ben Ahmed had nooit veel aandacht besteed aan Charlie Hebdo. Hij vond het satirische tijdschrift grof en te sterk gefixeerd op de islam en hij kon er niet om lachen, maar hij geloofde ook niet dat het blad veel kwaad deed. Een van de cartoonisten, Stéphane Charbonnier, tekende ook voor Le Petit Quotidien, een kinderblad waarop Ben Ahmed een abonnement had voor zijn kinderen. 
Op 7 januari 2015, toen hij hoorde dat twee broers met Algerijnse namen, Saïd en Chérif Kouachi, op 
de redactie van Charlie Hebdo twaalf mensen hadden geëxecuteerd, onder wie Charbonnier, als wraak voor covers van het blad waarop Mohammed belachelijk werd gemaakt, schreef Ben Ahmed op Facebook: ‘Mijn Franse hart bloedt, mijn moslimziel huilt. Niets, ABSOLUUT NIETS kan deze barbaarse daden rechtvaardigen. Praat me niet van media of politici die een spel zouden spelen, want er is geen excuus voor barbarij. #JeSuisCharlie’

    Forum

    Die avond verliet Ben Ahmed zijn huis in een Parijse voorstad en ging de stad in om samen met tienduizenden anderen een wake te houden. Zijn Algerijns-Tunesische afkomst is zichtbaar aan zijn donkere huid, en een paar blanke extremisten slingerden hem bedreigingen naar zijn hoofd, maar Ben Ahmed negeerde ze – Frankrijk was ook zijn land. Op 11 januari liep hij met anderhalf miljoen medeburgers in een mars vanaf de Place de la République.

    Ben Ahmeds Facebookpagina werd een forum waarop anderen, voornamelijk Franse moslims, over de aanslagen discussieerden. Velen uitten alleen hun verdriet en woede; sommigen kwamen met samenzweringstheorieën waarin ze beweerden dat dit een complot was om moslims in diskrediet te brengen. ‘Laat de politie maar onderzoek doen naar de achtergronden van dit bloedbad,’ vond Ben Ahmed. Een vrouw schreef: ‘Ik houd mijn hart vast voor de moslims van Frankrijk. De bekrompen of bange geesten zullen zich nog verder ingraven en een amalgame maken – alle moslims over één kam scheren met de terroristen.’ Ben Ahmed was het met haar eens: ‘Ons land zal nog verder verdeeld raken.’ Hij verdedigde zijn gebruik van de hashtag #JeSuisCharlie door te zeggen dat er, hoe legitiem het vóór de aanslag ook was geweest om kritiek te hebben op de inhoud van Charlie, daar nu geen plaats meer voor was. ‘Als we nu nog een debat gaan voeren over de redactionele koers van het blad, is het alsof we zeggen “Ja, maar…”,’ zou hij later tegen mij zeggen. ‘In deze omstandigheden is dat ondenkbaar.’

    Na het bloedbad van Charlie Hebdo heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues

    Ben Ahmed, 39 jaar, werkt als contactpersoon tussen de inwoners en het gemeentebestuur van Bondy, 
een voorstad ten noordoosten van Parijs, in het 93ste departement. Het 93ste was tientallen jaren lang 
een bolwerk van de vroegere arbeidersklasse en de communistische partij, maar staat nu vooral bekend om zijn inwoners van Arabische en Afrikaanse origine. Veel Parijzenaars associëren het 93ste met verloederde sociale woningbouw, criminaliteit, werkloosheid en moslims.

    Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip geworden, dat staat voor sloppenwijken waar immigranten in de meerderheid zijn. Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en sociale uitsluiting. De cités en hun bewoners zijn het onderwerp van veel bezorgde en boze discussies in Frankrijk. Onlangs verschenen twee boeken van de hand van de vooraanstaande politiek wetenschapper Gilles Kepel, Banlieue de la République en Quatre-vingt-treize [Drieënnegentig]. 
Het zijn studies naar het grootschalige verval en 
de groeiende segregatie tussen bevolkingsgroepen. Ook voor dat laatste kent het Frans een negatieve benaming: communautarisme.

    Na het bloedbad van Charlie Hebdo – en nadat een derde terrorist, Amedy Coulibaly, een zwarte politieagente bij een joodse school en vier joden in een koosjere supermarkt had doodgeschoten – heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. Weliswaar komt antisemitisme in deze geïsoleerde gemeenschappen steeds sterker op, maar het profiel van de Franse jihadist valt niet samen met een bepaalde klasse; veel jihadisten komen uit middenklassegezinnen. Het gevoel van uitsluiting in de banlieues is een nijpend probleem dat de overheid tientallen jaren heeft verwaarloosd, maar meer banen en betere huisvesting zullen geen eind maken aan het Franse jihadisme.

    Thiais, een voorstad ten zuiden van Parijs. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    Thiais, een voorstad ten zuiden van Parijs. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    Ben Ahmed woont al zijn hele leven in het 93ste. Een paar jaar geleden is hij met zijn vrouw Carolina en hun twee kinderen naar een klein huis in de omgeving van het vliegveld Charles de Gaulle verhuisd. Daar wonen ze dichter bij de particuliere school waar ze hun kinderen naartoe sturen omdat de meeste openbare scholen in het 93ste overvol en chaotisch zijn, en jongere, minder gekwalificeerde leerkrachten hebben. Als tiener woonde Ben Ahmed in een van de ergste voorsteden, Bobigny, in een beruchte cité die l’Abreuvoir heet. Als twintiger en begin dertiger werkte hij als buurtopbouwwerker voor de gemeente Bobigny met probleemjongeren – soms zijn eigen vrienden en buren, vaak jongeren die net uit de gevangenis kwamen of daar snel terecht zouden komen. Hij weet meer van het leven in de cités dan welke wetenschapper ook.

    Na de aanslagen schreef Ben Ahmed een open brief aan president François Hollande, onder de kop ‘Allemaal deels verantwoordelijk, maar niet schuldig’. Hij noemde zich een banlieuebewoner die vaak ‘de dood van dichtbij’ had gezien. Hij schreef over de problemen van de werkloosheid, de discriminatie en de collectieve afzondering van de samenleving. Hij bracht in herinnering hoe in oktober 2001 in Parijs een voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Algerije – de eerste sinds de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 – afgeblazen moest worden, toen duizenden Franse jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst boe riepen tijdens de 
Marseillaise en het veld op stormden onder het roepen van ‘Bin Laden, Bin Laden!’ Het Franse publiek reageerde met heilige verontwaardiging.

    ‘Het probleem manifesteerde zich daar, recht voor onze neus,’ schreef Ben Ahmed. ‘Maar wij stelden niet de juiste vragen, we kozen voor stigmatisering, afwijzing van de ander.’ Hij vervolgde: ‘Die dag is de tweedeling ontstaan, het gevoel afgewezen te worden door de politieke klasse, toen we andere vragen hadden kunnen stellen: Wat is er aan de hand? Wat is het probleem?’

    Ben Ahmed gaat altijd gekleed in een strak, donker pak, zelfs in het weekend, alsof zo’n formele stijl voor een Arabier uit het 93ste de enige manier is om serieus genomen te worden. Toen ik kort na de aanslagen een ontmoeting met hem had, zei hij tegen me: ‘In het Frans zeggen we: “De kap maakt de monnik niet” – maar helaas is dat wel het geval.’ Dat is ook de reden waarom hij altijd heel secuur Frans spreekt, niet de met Arabisch doorspekte straattaal van de banlieues. Hij draagt zijn haar gemillimeterd, de zwarte stoppels van zijn haarlijn komen op zijn 
voorhoofd samen in een puntje. Hij heeft een breed, jongensachtig gezicht en een ontwapenende lach.

    Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen

    Terwijl hij met grote, besliste passen door het 93ste beent, lijkt het wel of hij iedereen bij naam kent. Maar als jongere in l’Abreuvoir moest hij wel leren vechten – hij deed in die tijd aan boxe française, een vorm van kickboksen – en als hij onder druk staat, kunnen zijn ogen waakzaam en uitdrukkingsloos worden. Toen hij twee jaar geleden met zijn kinderen een bioscoop binnenkwam, zag hij dat een van de bezoekers een geweer bij zich had. (De man kwam een rekening vereffenen met zijn vrouw en haar minnaar.) Ben Ahmed zei tegen zijn kinderen dat ze moesten gaan liggen, sloop de tien meter naar de man met het wapen toe, greep hem van achteren beet, werkte hem naar de grond en hield hem in een Braziliaanse jiujitsu-houdgreep. Nadat er beveiligingsmensen bij waren gekomen, nam Ben Ahmed zijn kinderen mee de bioscoopzaal in om naar Man of Steel te gaan kijken.

    Ben Ahmed koesterde al langer politieke ambities, en door dit incident werd hij een plaatselijke held. Hij besloot zich kandidaat te stellen voor de gemeenteraad. ‘Ik kan met iedereen praten, want ik heb respect voor de ander. Ik geloof dat iedereen wel iets goeds in zich heeft.’ Ben Ahmeds vrouw en zijn vrienden vinden hem een beetje naïef, maar naïviteit is bijna onmisbaar voor een moslim uit de banlieues die in een tijd van nationale crisis tussen bevolkingsgroepen de Franse politiek in wil.

    Parallelle werelden

    De ringweg rondom Parijs staat bekend als de Périphérique. Als je de voorsteden binnenkomt of uitgaat, heet dat ‘de Périphérique oversteken’, alsof de ringweg een grens is. Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen. ‘Er zijn twee parallelle werelden,’ zegt Mehdi Meklat, een jonge blogger van Le Bondy Blog, die over het leven in de banlieues schrijft. Volgens hem is de relatie tussen Parijs en de voorsteden ‘schizofreen’.

    Met de RER, het spoorwegnetwerk dat Parijs met zijn voorsteden verbindt, ben je in negentien minuten van Gare du Nord bij de halte van Ben Ahmed. De rit begint in een tunnel en als de trein boven de grond komt, zijn de boulevards met hun talloze bistroluifels verdwenen. Zelfs het weer lijkt anders – vochtig en somber, met een wind die uit het zuidwesten blaast. (De voorsteden van het 93ste zijn ontstaan rond fabrieken die ten noordwesten van Parijs waren geplaatst, omdat daar de industriestank wegwaaide van de Lichtstad.) Het spoor doorsnijdt een wanordelijk landschap van met graffiti overdekte muren, glazen kantoorgebouwen, voetbalvelden, vuilnishopen, 
verlaten industrieterreinen, bescheiden huizen met rode daken en clusters van twintig verdiepingen hoge kolossen – de cités.

    De banlieues zijn veel diverser dan de getto’s van Amerikaanse steden. Tijdens een rit met de RER zag ik een man die Tamil sprak in zijn mobiele telefoon, een Aziatische vrouw die op haar twee zoontjes lette, Noord-Afrikaanse vrouwen in elk type hijab, of niet in hijab, een bejaarde blanke man, een zwarte man in blazer die de sportpagina’s van de krant zat 
te lezen, een Arabische man die in het gangpad stond te bedelen met een kind in zijn armen. Rijke wijken liggen naast arme, particuliere koophuizen staan tussen sociale woningbouw en mensen van alle kleuren en religies doen hun boodschappen in de lokale winkelcentra. In een restaurantje in Montreuil, aan een lege straat in de buurt van een cité, werden Arabische mannen bediend door een blanke serveerster. De banlieues hebben generaties immigranten gehuisvest, en de oudere lichting van Portugezen, Italianen en Polen is niet helemaal 
verdwenen met de komst van de recentere golven Arabieren, Afrikanen en Chinezen, in de afgelopen decennia. Aangenomen wordt dat de voorsteden nog altijd overwegend blank zijn, al weet niemand dat zeker, omdat het in Frankrijk verboden is gegevens bij te houden op basis van etniciteit of godsdienst. (Voor de cités is geen exacte telling nodig – die zijn 
in overgrote meerderheid Arabisch en zwart.)

    De zuidelijke voorstad Thiais wordt onderdeel van de nieuwe metrolijn Grand Paris Express Ligne 17, die in 2024 klaar zal zijn en niet alleen luchthaven Charles de Gaulle bedient maar ook luchthaven Le Bourget. Met de aanleg van de metrolijn is 1,8 miljar
    De zuidelijke voorstad Thiais wordt onderdeel van de nieuwe metrolijn Grand Paris Express Ligne 17, die in 2024 klaar zal zijn en niet alleen luchthaven Charles de Gaulle bedient maar ook luchthaven Le Bourget. Met de aanleg van de metrolijn is 1,8 miljar

    Hoe vitaal ze ook zijn, de banlieues lijken los te staan van de stad, en van Frankrijk zelf. Parijzenaars en toeristen zie je er zelden, en de bewoners klagen dat journalisten er alleen maar komen om verslag te doen van autobranden en druggerelateerde schietpartijen. De voorstad Clichy-sous-Bois, waar in 2005 de rellen ontstonden die zich vervolgens over het hele land verspreidden, probeert tegenwoordig wat extra inkomsten te genereren door nieuwsgierige buitenstaanders een tour de banlieue aan te bieden. Veel bewoners van de voorsteden denken er ondertussen niet aan om naar Parijs te gaan. Vergeleken met de Amerikaanse sloppenwijken zijn de kwaliteit van 
de woningen en de veiligheid in de banlieues nog redelijk goed, maar de psychologische afstand tussen het 93ste en de Champs-Élysées kan onoverkomelijk lijken – veel groter dan die tussen The Bronx en Times Square.

    De appartementenblokken in de cités, vaak gegroepeerd rond een apotheek, een supermarkt en een fastfoodtent, zijn naar binnen gericht. Vaak hebben ze geen straatnaam, geen duidelijke entree en onvoldoende parkeerplaatsen. Het gevoel van vervreemding wordt nog versterkt door de namen van de omringende straten en scholen, verwijzingen naar een historisch Frankrijk dat weinig te maken heeft met het dagelijks leven van de bewoners. 
De straten rond Gros Saule – een van drugs doortrokken cité waar de politie zich niet durft te vertonen – hebben namen als rue Henri Matisse en rue Claude Debussy.

    ‘Het is een sociale grens,’ zegt Badroudine Abdallah, een collega van Mehdi Meklat bij Le Bondy Blog. ‘Het gaat er niet alleen om of je zwart of Arabisch bent. Het gaat er ook om of je relaties hebt, een netwerk.’ Meklat en Abdallah, allebei in de twintig, vertellen me dat Franse leerlingen aan het eind van de lagere school een week lang stage moeten lopen. Hun klasgenoten kwamen, als ze geluk hadden, terecht in 
een armoedig bakkerijtje of een apotheek, en anders vonden ze geen plek, want bedrijven honoreren geen aanvragen van immigrantenkinderen uit het 93ste.

    Porte de Thiais. De Franse terrorist Amedy Coulibaly werd in het geheim begraven op een begraafplaats in Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    Porte de Thiais. De Franse terrorist Amedy Coulibaly werd in het geheim begraven op een begraafplaats in Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    Als je uit de banlieues komt is dat een grote belemmering op de arbeidsmarkt, en bijna elke inwoner die ik er tegenkwam kon wel een verhaal vertellen over discriminatie. Fanta Ba, dochter van Senegalese immigranten, gebruikt tegenwoordig op sollicitatieformulieren haar tweede naam, France, en verfranst haar achternaam tot Bas, maar ze heeft nog steeds geen werk. Elke keer als ze berichten over een terroristische aanslag in Frankrijk hoort, bidt ze: ‘Laat het geen Arabier zijn, geen zwarte, geen moslim.’ Op 7 januari zette ze de tv uit en vermeed ze twee dagen lang Facebook. Ze kon er niet tegen om telkens weer die gewelddadige beelden te zien, of te moeten horen dat alle moslims daar verantwoordelijkheid voor zouden dragen. ‘Om te moeten zeggen: “Je suis Charlie”, of: “Ik ben moslim en ik veroordeel dit” – dat was te veel gevraagd,’ zegt ze. ‘Ik had er niets mee te maken. Ik vroeg me af: hoe moet dit aflopen? Gaan ze straks een kruis zetten op de voordeuren van moslims of Arabieren?’

    Echte Fransen

    Ben Ahmed heeft een vriend in Bobigny, Brahim Aniba, die accountant is en zoals veel banlieuebewoners ooit een periode van werkloosheid heeft doorgemaakt. Om een uitkering te kunnen krijgen moest hij een afspraak maken bij een jobcoach. Aniba vertelde me dat de coach, om hem te helpen, vroeg: ‘Heb je geen tante die in Parijs of ergens anders woont? Want Bobigny, cité Grémillon, tja…’ Dat was het Franse equivalent van Schijtstad. De jobcoach raadde hem aan: ‘Als je een adres in Parijs hebt, een postbus, alleen maar om je post te ontvangen, dan is dat beter. En je achternaam, Aniba – die is wel oké, maar je voornaam, Brahim… gebruik liever B.’
    ‘Mevrouw, waarom laat ik niet liever gewoon meteen mijn broek zakken?’ zei Aniba.

    De simpele bepaling wie Frans is en wie niet, kan 
een luchtig gesprekje lastig maken. Als mensen de dertigjarige journaliste Widad Ketfi vragen waar 
ze vandaan komt, antwoordt ze: ‘Uit Bondy.’ Maar daarmee is de kous nooit af. ‘Welke afkomst?’ ‘Frans.’ ‘Waar komen je óúders vandaan?’ ‘Uit Frankrijk!’ 
Zelfs burgers met een immigrantenachtergrond duiden blanken vaak aan met de term Français de souche – ‘echte Fransen’. Wat impliceert dat mensen met een donkerder huid niet helemaal Frans zijn.

    Zoals Fanta Ba het zegt: ‘Je doet alles voor Frankrijk, om geaccepteerd te worden, maar je voelt dat je niet welkom bent.’ Dit geldt zeker voor moslims. In een enquête van Le Monde na de aanslagen gaf een meerderheid van de ondervraagden aan te vinden dat de islam niet verenigbaar is met de Franse waarden. 
In een cité als Trappes, waar Ba is opgegroeid, keren sommige moslims zich van de Franse samenleving af: vrouwen verdwijnen onder de zwarte abaya; mannen gaan van school om via internet islamitische kleding te verkopen. Ba draagt geen hoofddoek, 
maar ze is wel strikter geworden in haar geloof nu ze het moeilijk heeft, alleen en zonder baan. Als iemand zich terugtrekt, zegt zij, is dat vaak een reactie op uitsluiting.

    ‘Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat’

    Bij de verkiezingen van 2012 gingen negen van de 570 zetels in de Assemblée Nationale naar niet-blanke kandidaten – een toename van acht zetels. Frankrijk blijft een klassenmaatschappij, waar sociaal kapitaal het allerbelangrijkste is. Het land wordt geregeerd door de énarques – afgestudeerden aan de prestigieuze École Nationale d’Administration in Straatsburg. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet is een diploma van een eliteschool de enige garantie om een goede baan te vinden in een land dat kampt met economische stilstand. Dit geldt ook in Amerika steeds meer, maar in de VS integreren immigranten veel makkelijker dan in Frankrijk. Wat beide landen gemeen hebben – en wat ze uniek maakt – is een nationale identiteit die niet alleen gebaseerd is op geschiedenis, bloed, geboortegrond en cultuur, maar ook op de idee van de volkssoevereiniteit. In Frankrijk wordt dit ‘republicanisme’ genoemd, en in theorie geldt dit begrip voor het hele land. In de praktijk hangt je deelname aan de Franse republiek niet alleen af van democratie en secularisme, maar ook van wat je draagt, wat je eet en hoe je je kinderen noemt.

    In 2007 werd er een nationaal immigratiemuseum geopend in het Palais de la Porte Dorée, een art-decopaleis aan de oostrand van Parijs dat in 1931 voor een koloniale expositie werd gebouwd. Volgens de traditie hoort een nationaal museum in Frankrijk geopend te worden door de president, maar Nicolas Sarkozy, die immigratie tot speerpunt van zijn verkiezingscampagne had gemaakt, weigerde te komen opdraven. Het Musée de l’Histoire de l’Immigration opende zijn deuren zonder officiële ceremonie. (Pas zeven jaar later, in december 2014, verrichtte de socialist Hollande de inauguratieplechtigheid.) Toen ik in februari in het museum was, zag ik er maar weinig bezoekers. Veel Parijzenaars weten niet eens dat het bestaat.

    ‘Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip.’ © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    ‘Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip.’ © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    Een gemiste kans, want de tentoonstelling vertelt een rijk verhaal, dat teruggaat naar het midden van de negentiende eeuw, toen Frankrijk nieuwe immigranten ontving terwijl de rest van Europa die juist creëerde. Nog in de jaren dertig van de vorige eeuw had Frankrijk het grootste aantal immigranten per hoofd van de bevolking ter wereld. De bordjes in het museum bieden historische geruststelling: ‘De figuur van de niet-assimileerbare vreemdeling komt mee op elke immigrantengolf. Van de Italianen aan het eind van de negentiende eeuw tot de Afrikanen van vandaag, de stereotypen veranderen nauwelijks: immigranten zijn met te veel, ze brengen ziekten mee, ze kunnen in de criminaliteit belanden, het zijn vreemde elementen binnen de eigen natie. Deze angst voor vreemdelingen, die in tijden van crisis telkens weer de kop opsteekt, wordt vaak gecombineerd met antisemitisme en gevoed door racisme.’

    Het moeilijkst verteerbare aspect van het Franse koloniale verleden is Algerije. Dat land werd aan het begin van de negentiende eeuw door Europeanen gekoloniseerd. Het werd onderdeel van het Franse rijk en dat bleef het tot de onafhankelijkheid in 1962, na een oorlog van acht jaar waarin zevenduizend mensen omkwamen. Het is nauwelijks te overschatten hoe zwaar dit verhaal, dat zo dichtbij en zo treurig is, vervolgens werd onderdrukt. La battaglia di Algeri (De slag om Algiers), het neorealistische meesterwerk van filmmaker Gillo Pontecorvo over opstand, onderdrukking, terrorisme en marteling in Algiers, was in Frankrijk na zijn verschijning in 1966 vijf jaar lang verboden en is er nog steeds taboe. Op 17 oktober 1961 doodde de Franse politie bij een demonstratie voor de onafhankelijkheid van Algerije in Parijs tweehonderd mensen, onder meer door ze van de bruggen af in de Seine te gooien. Het heeft veertig jaar geduurd voordat Frankrijk erkende dat deze slachting had plaatsgevonden, en het incident wordt op scholen nog steeds nauwelijks vermeld. Jonge mensen in de banlieues vertelden me dat de koloniale geschiedenis op scholen slechts vluchtig wordt behandeld en dat er nauwelijks literatuur uit voormalige koloniën wordt gelezen.

    Geschiedenis

    Volgens Andrew Hussey, een Brits onderzoeker van het London University Institute in Parijs, vormt de onrust in de banlieues – telkens terugkerende rellen, autobranden, botsingen met de politie – een nieuw front in de lange oorlog tussen Frankrijk en zijn 
Arabieren, met name Algerijnen. Het doel van het geweld is niet hervorming of revolutie, maar wraak. ‘Het leven van de jongeren in de banlieues draait om wiet, meisjes, gangsters en islam,’ zegt hij. ‘Ze hebben geen historisch besef, zijn zich niet bewust van waar in Noord-Afrika ze vandaan komen, kennen alleen kleine beetjes Arabisch die ze niet begrijpen, stukjes islam die hun niet echt iets zeggen.’

    In zijn boek The French Intifada beschrijft Hussey het conflict in zulke harde bewoordingen dat zijn Franse uitgever weigerde er een Franse vertaling van uit te geven. Zijn onderzoek in de banlieues is minder genuanceerd dan dat van zijn collega-politicoloog Gilles Kepel (als ik tegenover inwoners van de banlieues de term ‘Franse Intifada’ liet vallen, werd er ongelovig gelachen), maar het is levendig en uit de eerste hand. Het boek begint met een ooggetuigenverslag van een acht uur durende ondergrondse veldslag op Gare du Nord, in 2007, tussen politieagenten en banlieuejongeren die schreeuwen: ‘Na’al abouk la France!’, Arabisch voor ‘Fuck Frankrijk!’ Hussey schrijft: ‘Deze kreet – eigenlijk meer een vervloeking – heeft niets te maken met de Franse traditie van volksopstanden.’ Maar hij heeft het in zijn portret niet over de banlieuebewoners die zowel moslim als Frans proberen te zijn – mensen als Fouad Ben Ahmed.

    Op een avond in een Thais restaurant in de voorstad Aulnay-sous-Bois zegt Ben Ahmed tegen me: ‘Ik ken mijn eigen geschiedenis nauwelijks. Daar wordt geen les over gegeven, en omdat ze zo pijnlijk is, hebben mijn moeder en mijn grootvader me er nooit over verteld.’ Hij kent wel de hoofdlijnen van de Frans-Algerijnse oorlog, en vertelt over pieds noirs – Franse kolonisten die Algerije als hun vaderland beschouwden en dat land na de onafhankelijkheid moesten ontvluchten – en harkis, Algerijnse moslims die het Franse gezag steunden en door andere Algerijnen werden verketterd. Aan het eind van de oorlog maakte geen van beide landen ruimte voor burgers met conflicterende loyaliteiten en identiteiten: Algerije werd een Arabische staat en Frankrijk dekte zijn wonden toe door te doen alsof het conflict nooit had plaatsgevonden. Wederzijdse schuldgevoelens en verwijten hebben verhinderd dat de pieds noirs, harkis en Algerijnen die om economische redenen naar Frankrijk immigreerden met hun gedeelde verleden in het reine kwamen. Ben Ahmed: ‘En aangezien noch onze ouders noch de overheid ons over onze geschiedenis vertellen, kunnen andere mensen ons nu leugens verkopen om dingen te rechtvaardigen die niet te rechtvaardigen zijn.’ Hij doelt op de jihadisten.

    Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij 
of zijn vrienden

    Ben Ahmeds grootvader was een Algerijn die dienst nam bij het Franse leger en in 1958 naar de Parijse banlieues immigreerde. De meeste immigranten uit die periode kwamen naar Frankrijk om te werken – als fabrieksarbeiders, of straatvegers – en woonden in krotten. Hun aanwezigheid zou maar tijdelijk zijn. Toen duidelijk werd dat de meeste immigranten niet naar huis zouden terugkeren, werden de krottenwijken opgeruimd en de arbeiders gehuisvest in de cités. Ben Ahmeds grootvader kon zich, dankzij zijn inkomen als militair, een klein huis in het 93ste veroorloven. Ben Ahmeds moeder werkte als secretaresse in een metaalbedrijf; zijn vader verdween toen Fouad twee was. Hij groeide in betrekkelijke welstand op in het huis van zijn grootouders, tot 1989, toen zij dat huis verkochten. Ben Ahmed was toen dertien.

    Zijn moeder zat in die tijd zonder werk en moest met haar zoon verhuizen naar l’Abreuvoir, de cité in Bobigny. Bij de bouw in de jaren zestig werd l’Abreuvoir gezien als een innovatief ontwerp, met zijn golvende, veertien verdiepingen hoge flatgebouwen en ronde groene torens. Maar in de jaren negentig was het een centrum voor heroïnehandel geworden. Op een keer kwam Ben Ahmed de benedenhal van zijn gebouw binnen en zag hij een man staan met een zak drugs en een pak bankbiljetten. ‘Donder op, of ik maak je af,’ zei de man. Ben Ahmed ging ervandoor.

    Op school deed hij niet erg zijn best en hij bleef verschillende keren zitten, maar zijn moeder dwong hem om door te gaan, want als hij van school ging zou haar bijstandsuitkering omlaag gaan. Hij droeg een steentje bij aan hun huishouden door wasmachines te bezorgen bij appartementen in Parijs. Hij had vrienden die in drugs handelden en zelf zou Ben Ahmed misschien ook de criminaliteit in zijn gegaan, als hij niet Carolina had leren kennen, de dochter van een politiek vluchteling uit Chili. Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij 
of zijn vrienden. Met hulp van Carolina maakte hij zijn middelbare school af, haalde aan de hogeschool zijn diploma maatschappelijk werk en werd jongerenwerker.

    Een van de jongeren die Ben Ahmed probeert te helpen, is J.-P., een losgeslagen jongen uit Salvador Allende, ook een cité in Bobigny. Ben Ahmed is twaalf jaar ouder dan hij en kent J.-P. al bijna sinds zijn geboorte. (‘Bobigny is net een dorp,’ aldus J.-P.) J.-P. is een métis: zijn vader is Arabisch, zijn moeder blank. Zijn grootvader is in 1984 uit Algerije gekomen en als straatveger gaan werken. Zijn vader hoort bij ‘een ontwortelde generatie met hun kont op twee stoelen’, zoals J.-P. het noemt – ongewenst zowel in hun oude als in hun nieuwe land. J.-P.’s vader leeft nog, maar de meeste van zijn vaders vrienden zijn jong gestorven, door geweld, drugs of aids.

    J.-P. groeide op als getatoeëerde fan van Scarface en Tupac Shakur. Op zijn veertiende werd hij van school gestuurd en begon hij drugs te verkopen en te stelen. ‘Tegenover mensen die met geweld de wet willen handhaven, moet je zelf het meest gewelddadig zijn als je het laatste woord wilt hebben,’ zegt J.-P. Hij ziet zichzelf niet als slachtoffer. ‘Ik was een klein klootzakje. Ik heb er zelf voor gekozen om daarin terecht te komen. Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat.’

    Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en social
    Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en social

    We rijden in Ben Ahmeds Citroën door het 93ste. J.-P., een jongen met een lichte huid, gescheurde spijkerbroek en slechte tanden, zit achterin. Hij doet geen moment zijn oortelefoons uit en trekt zich geregeld terug in een soort roes, om daar dan weer een en al concentratie en welbespraaktheid uit tevoorschijn te komen. Hij heeft sinds 2010 drie keer in de gevangenis gezeten. Zijn eerste veroordeling, zegt hij, was voor ‘zo’n beetje alles – wapenbezit, geweldpleging, drugs’.

    Ben Ahmed vertelt dat J.-P. en hij een tienermeisje hebben gekend van wie het vriendje een gangster was. Ben Ahmed had het meisje aangeraden om voorzichtig te zijn, en toen dit haar vriend ter ore kwam, sprak die Ben Ahmed erop aan: ‘Wat the fuck wil jij eigenlijk?’ De volgende avond vroeg Ben Ahmed een kennis uit de cité van de vriend om samen met een paar anderen naar hem toe te gaan en de man tot kalmte te brengen. Toen de vriend de groep zag aankomen, trok hij een pistool en vuurde waarschuwingsschoten af.

    ‘Soms is het moeilijk – als je bepaalde mensen wilt helpen en dan in een lastige situatie terechtkomt,’ vertelt Ben Ahmed me.

    ‘Twee jaar later ben ik nog met dat meisje naar bed geweest,’ zegt J.-P. lachend. ‘Diezelfde kerel schoot me in mijn been.’

    ‘Wat soms ook moeilijk is voor iemand als ik, is om J.-P. te helpen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Soms heb je het idee dat mensen niet klaar zijn om geholpen te worden.’

    ‘Hé, je wordt vervelend,’ zegt J.-P. ‘Geef me 100.000 euro. Dát zou pas helpen.’ Hij klaagt dat zijn maag rammelt. We zetten hem af bij een Senegalese cafetaria.

    ‘Je bent heel intelligent, maar er mankeert iets aan je hoofd,’ zegt Ben Ahmed tegen hem.

    ‘Ik hou van mijn leven,’ antwoordt J.-P. ‘Het is nooit te laat om te veranderen.’ Hij loopt weg, een beetje mank.

    ‘Ik ben bang dat het slecht met hem afloopt,’ zegt Ben Ahmed.

    Secularisme

    In 2004 nam het Franse parlement een wet aan die religieuze symbolen op openbare scholen verbood, als reactie op moslimmeisjes die met een hoofddoek op school kwamen. De wet was een bevestiging van het eeuwenoude Franse concept van de laïcité, secularisme, waarin de neutraliteit van de staat tegenover religie is verankerd en dat de religie uit het openbare domein moet weren. (In Amerika was het doel van het secularisme vrijwel het omgekeerde: daar werd het de staat verboden zich met religie te bemoeien.) Maar veel Franse moslims vatten het verbod op als een uiting van ongerechtvaardigde vijandigheid. Sommigen zeiden tegen me dat de wet een uitzondering maakt voor het joodse keppeltje, al is dat niet waar.

    ‘De school is een heilige plek in de republikeinse 
leer – het is de kerk van de republiek,’ zegt Vincent Martigny, politiek wetenschapper op de École Polytechnique bij Parijs. ‘Een individu, en zeker een kind, wordt op school een burger, wat een hogere vorm is van het individu.’

    Martigny merkt op dat ondanks de strikt republikeinse opvattingen in Frankrijk de overheid wel degelijk steun geeft aan culturele diversiteit – in de film, op plaatselijke festivals. Maar in een tijdperk van onzekerheid lijdt Frankrijk aan ‘morele paniekaanvallen’, zoals hij het noemt. In een enquête van dagblad Le Monde gaf onlangs 42 procent van de ondervraagden aan zich niet meer thuis te voelen in Frankrijk.

    Na de _Charlie_-moorden werden tientallen moskeeën in heel Frankrijk bekrast of beklad en sommige zelfs beschoten. Gesluierde meisjes en vrouwen werden lastiggevallen. Enkele Franse moslims klaagden dat de Franse autoriteiten wel gewapende militairen stuurden om joodse instellingen te bewaken, maar dat islamitische instellingen aanvankelijk geen bescherming kregen. Die klacht klopte wel, maar ging voorbij aan belangrijke verschillen in omvang en aard van de dreiging: joden maken minder dan 1 procent van de Franse bevolking uit, maar zijn slachtoffer van de helft van de haatmisdrijven in het land, en in de afgelopen jaren zijn ze herhaaldelijk doelwit geweest van dodelijk geweld.

    Op 8 januari 2015 werd er in het hele land een minuut stilte gehouden voor de _Charlie_-slachtoffers. Er werden minstens honderd incidenten gemeld van leerlingen op scholen in de banlieues die weigerden die stilte in acht te nemen. Mensen in het 93ste legden uit dat sommige opstandige jongeren alleen maar dwars wilden doen. Maar de publieke opinie was diep verontwaardigd. Sarkozy, die in zijn achterhoofd al bezig was met zijn volgende gooi naar het presidentschap in 2017, eiste dat scholen niet langer halal eten aanboden – als moslimkinderen geen varkensvlees wilden eten, dan aten ze maar niet.

    Hélène Kuhnmunch is lerares geschiedenis op een school voor middelbaar beroepsonderwijs in Colombes, een banlieue ten noordwesten van Parijs. De beroepsopleidingen worden verafschuwd, zegt ze, als instrumenten van ’uitsluiting van het systeem’, en ze beschikken over weinig geld. Kuhnmunch geeft al vijftien jaar les aan banlieuejongeren en ze houdt van hun gevoel voor humor en hun energie. In 2008 maakte ze samen met een groep immigrantenjongeren een documentaire over de Frans-Algerijnse geschiedenis die besloten lag in de families van de leerlingen. Eén jongen ontdekte dat zijn vader een van de Algerijnen was geweest die door de politie in de Seine waren gegooid. (Hij had het overleefd.)

    De lerares zegt dat haar leerlingen defensief hadden gereageerd op de _Charlie_-aanslagen, en ze voegt eraan toe: ‘Dit was niet nieuw, dit gevoel dat ze altijd weer worden aangesproken op hun afkomst en religie, dat ze worden beledigd.’ Kuhnmunch, die in Parijs woont, is niet naar de mars voor de eenheid op de Place de la République, gegaan, omdat ze wist ‘dat de banlieues daar niet zouden zijn’. Ze besteedde die dag aan het verzamelen van materiaal voor een les over de aanslagen.

    Die maandag op school stak een moslim zijn hand op. ‘Madame, die cartoons – ik was ertegen,’ zei hij. ‘Maar daarvoor schiet je geen mensen dood.’ Kuhnmunch vond het verdrietig dat hij blijkbaar dacht dat hij haar gerust moest stellen. Anderen herhaalden de complottheorieën die de ronde deden op sociale media, ook een dromerige, geestige jongen die een van haar liefste leerlingen was, maar die nu afwerend en boos deed. Kuhnmunch bracht het gesprek op de geschiedenis van het secularisme. In de banlieues is laïcité synoniem geworden met atheïsme en islamofobie. Kuhnmunch vertelde haar leerlingen over het Edict van Nantes in 1598, toen koning Hendrik IV voor het eerst rechten verleende aan de Franse protestanten. De klas discussieerde over wetten die aan het eind van de negentiende eeuw waren aangenomen, en waarmee godsdienstonderwijs op openbare scholen werd afgeschaft. Kuhnmunch liet haar leerlingen antiklerikale cartoons uit die tijd zien en samen analyseerden ze de tekeningen uit Charlie Hebdo (zij het niet die over Mohammed) in hun politieke context. ‘Ze realiseerden zich dat in de kwestie van de katholieke religie dezelfde argumenten werden gebruikt als in 2004 rond de hoofddoekkwestie,’ vertelt ze. ‘En daar keken ze van op – dat dit niet alleen maar tegen de islam gericht was, dat het voortkomt uit een traditie.’

    J.-P. biedt aan om me mee te nemen naar een moskee in Bobigny. Zelf gaat hij daar niet vaak heen; zijn verbondenheid met de islam heeft minder te maken met geloof dan met culturele identiteit. Op een 
vrijdagmiddag verschijnt hij bij het betonnen winkel
centrum in het centrum van de wijk, in een glanzende zwarte jas met capuchon, een lang zwart gewaad over een grijze joggingbroek, groen met gele sneakers en oortelefoons – de uitmonstering van de religieuze gangster. We lopen over een voetpad dat wegleidt van de socialewoningbouwblokken, onder spoorbanen door, omhoog naar een armzalige open plek naast een terrein waar vrachtcontainers staan weg te roesten. Er staat een dubbele oplegger naast een witte tent. Dit is de centrale moskee van Bobigny, een stad van vijftigduizend mensen. (Er zijn al jaren plannen voor een nieuwe moskee, maar die is nog steeds niet gebouwd.) Er ontstaat een opstopping op de plek waar mannen de deur van een van de opleggers binnen willen gaan. Vrouwen zijn nergens te zien, maar die zitten waarschijnlijk in de andere oplegger. Bij de ingang liggen de schoenen hoog opgetast. We persen ons de gebedsruimte in, die hoogstens tweeënhalve meter hoog is en zoeken een plek achterin.

    Minstens tweehonderd mannen liggen geknield, met hun hoofd voorover op het vloerkleed. Een paar kilometer hiervandaan zullen de schitterende, echoënde kerken van Parijs komende zondag vrijwel leeg zijn. De imam, een oudere Tunesiër die nauwelijks Frans spreekt, gaat voor in het slotgebed. J.-P. houdt zijn oortelefoons in.

    Na afloop, in het gedrang bij de uitgang – oude Noord-Afrikaanse mannen, zwarte jongemannen in straattenue, fundamentalisten met lange baard in enkellang gewaad – stelt J.-P. me voor aan een paar vrienden. ‘Allahu akbar,’ roepen ze verrast, bij wijze van welkom, maar kennelijk zijn ze nog meer verrast om J.-P. hier te zien. Hij zegt tegen mij: ‘Niet iedereen hoeft op dezelfde manier moslim te zijn. Er zijn 62 benaderingen van de islam.’

    Ik noem er een paar op waar ik iets over weet, zoals soefisme en salafisme. ‘Wij zijn allemaal salafisten,’ zegt J.-P. ‘We willen allemaal leven als de metgezellen van de Profeet in de zevende eeuw.’

    De salafisten die ik ken zijn fanatieke asceten – niet drinken, niet roken, geen vrije seks. J.-P. houdt wel van een drankje en is van plan zich vanavond eens flink te laten vollopen. Zijn opvatting van het salafisme lijkt niet veel meer dan de hoop om een betere moslim te worden.

    Ongewenste kinderen

    Eigenlijk voelt hij er weinig voor om me mee te nemen naar een cité – hij heeft daar te veel vijanden. In plaats van me rond te leiden in het wooncomplex waar hij zelf woont, neemt hij me mee naar de andere kant van de straat, naar een groot blok woontorens dat Chemin Vert heet. Ook hier kent J.-P. iedereen. ‘Dit is een groot rapper,’ zegt hij over een man die er rondhangt, en die knikt lusteloos. Voor een toren zitten twee jonge Arabieren; volgens J.-P. is een van hen een drugsdealer. De andere roept, als hij hoort dat ik uit Amerika kom: ‘Is het waar dat Tupac dood is?’ Een groep bebaarde mannen bij de moskee groet ons. J.-P. stelt me aan een van hen voor, en grapt dat de man binnenkort misschien wel naar Syrië afreist. De man lacht wat ongemakkelijk.

    In het uitgestorven hart van Chemin Vert, op een plein tussen acht woontorens van twintig verdiepingen, staat J.-P. stil. ‘Zie je?’ zegt hij, ‘Het sluit je in.’ De cité voelt als de buitenmuren van een gevangenis. Zelfs het brutalistische Bobigny is niet meer te zien. J.-P. staart in het niets. De lucht is zwaar van regen die niet wil vallen. ‘Er is helemaal niets voor jongeren hier,’ zegt hij. ‘Ik heb nog nooit de Mona Lisa gezien. Die wil ik graag zien voor ik doodga.’

    Midden in de cité bestellen we onze lunch aan de counter van een fastfoodtent: een schep gebakken vlees met gesmolten kaas. J.-P., die nog steeds zijn oortelefoons in heeft, vraagt aan de man achter de counter hoe die over Islamitische Staat denkt. De man zegt dat hij het maar slecht vindt. J.-P. is het met hem eens, maar hij vindt wel dat moslims worden onderdrukt. Als moslims in Syrië of Irak willen gaan vechten, is dat hun zaak. Frankrijk is iets anders. Als iemand Frankrijk kwaad doet, doet hij J.-P. ook kwaad.

    ‘Frankrijk is onze moeder,’ zegt J.-P. terwijl hij zit te eten. Zijn eigen moeder is een blanke Française. ‘Je vader, die geeft je meer – de islam. Maar je moeder blijft toch je moeder. En wat er ook gebeurt, je blijft 
je hele leven van haar houden. Ook al heeft ze niet goed voor je gezorgd.’

    Ook andere moslims noemen zichzelf de ongewenste kinderen van de republiek. Journaliste Widad Ketfi: ‘Als je kinderen hebt voor wie je niet zorgt, komt er een dag waarop je tegen ze zegt: “Doe dit”, en dan zullen zij zeggen: “Bekijk het maar. Je bent mijn vader niet.”’ Soms strijden Franse moslims om de liefde van hun vader met zijn andere, bemindere kinderen, de joden. Of anders gaan ze op zoek naar een andere vader.

    ‘De islam geeft soms de warmte, liefde en aandacht die de republiek niet geeft,’ zegt J.-P. Hij moet er zelf om lachen. ‘Want ik – ik ben verrot.’

    Er heerste in Frankrijk en daarbuiten het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    Er heerste in Frankrijk en daarbuiten het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    Toen ik J.-P. leerde kennen was hij op zoek naar werk. Uiteindelijk hielp Ben Ahmed hem aan een baan als huisschilder bij de gemeente Bondy. Maar J.-P.’s leven is niet bepaald stabiel. Er hangt hem een rechtszaak boven het hoofd – hij moet terechtstaan voor een gewapende overval. Hij zegt dat hij niet bang is dat hij weer naar de gevangenis moet, want hij is ‘vierhonderd procent onschuldig’. De eerste keer dat hij in de gevangenis zat, vertelt hij, was in Villepinte, vlak bij het vliegveld. Een van zijn medegevangenen daar was Amedy Coulibaly.

    Coulibaly, de Franse zoon van Malinese ouders, was opgegroeid in een cité ten zuiden van Parijs. Op zijn vijftiende begon hij een carrière in gewapende overvallen, en tijdens een van de periodes dat hij in de gevangenis zat, in 2006, leerde hij een pas bekeerde islamist kennen, Chérif Kouachi. De beide 23-jarigen vonden een mentor in een oudere jihadist, Djamel Beghal, die in Algerije was geboren en radicale islamistische opvattingen mee had gebracht toen hij in 1987 naar Frankrijk was verhuisd. Beghal was in 2000 in Afghanistan geweest en actief geworden voor Al-Qaida; het jaar daarop werd hij in Frankrijk aangeklaagd wegens het beramen van een bomaanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs. Vanuit een isoleercel in de gevangenis slaagde hij erin contact te onderhouden met Coulibaly en Kouachi. Op een bepaald moment maakte Coulibaly met een naar binnen gesmokkelde camera filmopnamen van de afschuwelijke omstandigheden in de gevangenis. De beelden verschenen op de Franse tv.

    De belangrijkste autoriteit op het gebied van jihadisme in Franse gevangenissen is een Iraanse socioloog in Parijs, Farhad Khosrokhavar. Voor zijn boek Radicalisation, dat vlak voor de aanslagen van januari vorig jaar uitkwam, bracht hij drie jaar lang drie dagen per week door in Franse gevangenissen, en zo ontwikkelde hij een theorie over de bekering van gevangenen. Het gebeurt in fasen. De meeste nieuwelingen groeien op zonder vader en zonder enige religieuze kennis – ze kennen alleen het gevaar en de vervreemding in de banlieues. Ze vervallen tot de misdaad en komen in de gevangenis terecht. J.-P. beschrijft de denkwijze van sommige medegevangenen zo: ‘Dat ik in de gevangenis zit, is de schuld van de staat – die heeft mij gedwongen dit leven te leiden.’ Gevangenen kijken vaak naar het nieuws op tv en zien oorlogsgeweld en dood in moslimlanden. Iemand als Coulibaly, zegt J.-P., gaat ‘dit allemaal door elkaar husselen’, bouwt zo zijn eigen ideologie op en ‘loopt tegen een slecht figuur op die hem beïnvloedt’. Een voormalige gevangene die ik in het 93ste leerde kennen, legde me uit dat islamisten zich richten op de fragiles, psychisch zwakke medegevangenen die nooit bezoek krijgen. Die vinden zo troost, een nieuwe identiteit en een politieke visie die de sociale rangorde waarin zij onderaan staan, omkeert.

    Volgens de analyse van Khosrokhavar worden deze gevangenen ‘opnieuw geboren’: ‘Via het jihadisme keren ze de minachting van de anderen om (…) Als ze jihadist zijn, worden anderen bang voor ze. Een van hen zei tegen me: “Als ze eenmaal bang voor je zijn, kunnen ze niet meer minachtend tegen je doen.”’ Na hun vrijlating gaan deze bekeerlingen op ‘initiatiereis’ naar het Midden-Oosten of Noord-Afrika, en daar leren ze extreem geweld acceptabel te vinden. Ze gaan denken ‘dat zij ergens anders thuishoren, bij de islamitische gemeenschap en niet bij de Franse samenleving’.

    Khosrokhavar schat dat wel 60 procent van de 64.000 gevangenen in Frankrijk moslim is. (Naar schatting maken moslims maar 8 procent van de totale Franse bevolking uit.) Voor deze gevangenen zijn nog geen tweehonderd gevangenisimams beschikbaar, vaak oudere immigranten die geen 
idee hebben van het leven in de banlieues.

    Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet

    Ooit had Frankrijk veel islamistische moskeeën, maar de Franse inlichtingendienst heeft gezorgd dat radicale imams verdwenen en nu zijn de moskeeën van het land strikt apolitiek. Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet. Bij het bekeringsproces zijn zelden meer dan drie mensen betrokken, om infiltratie te voorkomen. De Franse inlichtingendienst schat het aantal verdachte jihadisten op drieduizend, in een land van 65 miljoen mensen.

    Radicalisering is dus geen massaal verschijnsel in de banlieues. ‘Er zijn geen kweekvijvers voor jihadisten,’ zegt Jean-Pierre Filiu, arabist aan het elitaire Parijse instituut Sciences Po. Jihadist worden is een enorme stap, waarvoor je jezelf moet afzonderen, met je 
achtergrond moet breken en niet-moslims moet ontmenselijken.

    Na zijn vrijlating in 2007 leek het erop dat Coulibaly op het rechte pad wilde blijven. Hij vond een tijdelijke baan bij een Coca-Cola-fabriek, trouwde met zijn vriendin Hayat Boumeddiene middels een islamitische ceremonie en had zelfs een ontmoeting met president Sarkozy, tijdens een evenement ter promotie van werkgelegenheid voor jongeren. Maar Coulibaly 
leidde een dubbelleven. Hij brak met zijn ouders, 
die hij als ongelovigen beschouwde. Hij bleef contact onderhouden met Beghal en Kouachi en had na hun vrijlating een ontmoeting met de twee in Zuid-Frankrijk, waarbij hij ze van wapens en geld voorzag. ‘Als jihadisten ervandoor gaan,’ zegt Filiu, ‘gaan ze niet naar de banlieues. Ze gaan naar het platteland, naar een plek waar tien kilometer in de omtrek geen moslim te bekennen is.’

    Transformatie

    In 2010 arresteerde de Franse politie Coulibaly opnieuw en vond een voorraad explosieven in zijn appartement. Hij werd veroordeeld omdat hij plannen had gemaakt om een islamist uit de gevangenis te bevrijden die op verschillende plaatsen in Frankrijk bomaanslagen had georganiseerd, waarbij acht 
mensen waren omgekomen.

    Coulibaly werd naar 
de gevangenis in Villepinte gestuurd, waar op dat moment ook J.-P. zat. Ze keken samen tv en speelden tegen elkaar op de PlayStation. ‘Hij was aardig, lachte vaak, was prettig in de omgang,’ herinnert J.-P. zich. ‘Ik heb hem nooit iemand zien lastigvallen. Hij preekte nooit. Als iemand me had verteld dat deze persoon in staat was te doen wat er is gebeurd, zou ik daar mijn geld niet op hebben gezet.’ Coulibaly werd in maart 2014 vervroegd vrijgelaten. Hij verdween van de politieradar, tot hij vlak na het bloedbad bij Charlie Hebdo weer opdook als medeplichtige van de Kouachi’s en zelfverklaard strijder van Islamitische Staat.

    Meer dan de gebroeders Kouachi werd Coulibaly, die bij de bestorming van de koosjere supermarkt door de Franse politie werd doodgeschoten, voorwerp van fascinatie in de banlieues. De Kouachi’s waren als wezen opgevoed in een instelling in de provincie en radicaliseerden toen ze begin twintig waren, na de invasie van Irak, onder invloed van ronselaars in de noordoostelijke uithoek van Parijs. Bij de Kouachi’s leken alle voorwaarden voor een bestemming als jihadist aanwezig. Coulibaly was als zoon van een fabrieksarbeider door zijn beide ouders opgevoed in een cité ten zuiden van Parijs. En hij was zwart. 
De bekende jihadisten van Frankrijk waren tot dan toe Arabieren geweest, van Zacarias Moussaoui, de gedwarsboomde ‘twintigste kaper’ van 11 september, tot Mohammed Merah, die in 2012 in Toulouse drie joodse schoolkinderen, een rabbijn en drie paratroepers vermoordde. Een jongeman van Malinese afkomst vertelde me dat toen Coulibaly’s gezicht op de Franse tv verscheen, voor een zelfgemaakte IS-vlag, een vriend van zijn moeder uitriep: ‘O, nee – nu zullen ze óns de schuld geven. Daarom zeg ik je altijd dat je niet met Arabieren moet omgaan!’

    Mehdi Meklat en Badroudine Abdallah van Le Bondy Blog waren zo geïntrigeerd door Coulibaly, dat ze overwogen een roman over hem te schrijven. ‘Hij zou zo iemand kunnen zijn die we kennen,’ zegt Meklat. En toch had Coulibaly zich de rol van een groot man aangemeten. Nadat hij bij de koosjere supermarkt drie klanten en een medewerker had gedood, stelde hij zichzelf rustig aan zijn vijftien gijzelaars voor, met de woorden: ‘Je suis Amedy Coulibaly. Ik ben Malinees en moslim. Ik hoor bij Islamitische Staat.’ (Abdallah hoorde er de griezelige echo in van ‘Je suis Charlie’.)

    ‘De andere Fransen’ in de voorstad Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte
    ‘De andere Fransen’ in de voorstad Thiais. – © Pierre-Olivier Deschamps / Hollandse Hoogte

    In video’s die voor de aanslag zijn opgenomen en na zijn dood gepost, wisselt Coulibaly telkens van kleding, alsof hij zijn transformatie wil onderstrepen. In de ene draagt hij het leren jack van een bendelid, in een volgende een militair kogelvrij vest, in een derde een tulband en het witte gewaad van de martelaar. In alle opnamen staat er een automatisch geweer naast hem. ‘Het was alsof hij voor zichzelf niet genoeg bestond,’ zegt Abdallah. ‘Het was niet genoeg om een gewone jongen te zijn.’

    Vanuit de supermarkt legde Coulibaly contact met 
de media, waarbij hij de politie te spreken vroeg en zijn trouw beleed aan IS. Tijdens de gijzeling rechtvaardigde hij tegenover zijn gijzelaars op boze toon zijn daden door te wijzen op het gevangenzetten van moslims, de vijandigheid tegenover vrouwen die de hijab droegen, de houding van Israël tegenover de Palestijnen en het Franse militaire optreden in Mali en Syrië. Waarom konden de Franse burgers wel een mars houden na het _Charlie_-bloedbad, wilde hij weten, maar hadden ze nooit gedemonstreerd voor vervolgde moslims? ‘Ík ben in Frankrijk geboren,’ verklaarde hij.

    Abdallah en Meklat wijzen erop dat in 2000, tijdens een gewapende roofoverval, de politie een goede vriend van Coulibaly voor zijn ogen heeft doodgeschoten. Met andere woorden, Coulibaly was een fragile. ‘Het was niet moeilijk hem zover te krijgen dat hij tegen de Franse samenleving ten strijde trok,’ zegt Abdallah, want Frankrijk had hem al afgewezen. Volgens deze verklaring valt er een redelijk directe lijn te trekken tussen Coulibaly’s leven in de Parijse voorsteden en het terrorisme. Maar dat verklaart niet waarom 
bijna geen enkele andere banlieusard – ook niet de criminelen die grotere vernederingen hebben moeten verduren – een massamoord op schoolkinderen, joden of cartoonisten heeft begaan. Zo is de maatschappelijke verklaring die in Frankrijk en in de 
VS opgeld doet bij links, vreemd spiegelbeeldig aan 
de rechtse neiging om een amalgame te maken – terroristen over één kam te scheren met alle moslims. Beide zienswijzen suggereren dat een dergelijke 
misdaad voor een groot deel toe te schrijven valt aan de identiteit van de dader, of dat nu een sociale of een religieuze identiteit is. Dit is niet alleen beledigend voor de overgrote meerderheid van de Franse moslims, maar bovendien ziet deze analyse Coulibaly niet als individu. En ze gaat voorbij aan het feit dat hij een bepaalde overtuiging had aangenomen. In een van zijn video’s beschrijft Coulibaly zijn motieven in de absolute bewoordingen die bij een ideologie horen: ‘Wat wij doen is volkomen legitiem, gezien wat jullie doen. Het is wraak. Jullie vallen het kalifaat aan, jullie vallen Islamitische Staat aan? Dan vallen wij jullie aan. Jullie zijn degenen die moorden. Waarom, omdat we de sharia naleven? Zelfs in ons eigen land mogen we de sharia niet naleven. Bepalen jullie soms wat er in de wereld gebeurt?’

    Een andere jongere die Ben Ahmed vroeger heeft geprobeerd te helpen, was Stéphane. Hij kwam uit een katholieke Haïtiaanse familie en groeide op in een cité in Bobigny, vlak bij zijn vriend J.-P. Toen 
Stéphane dertien was stierf zijn vader, en hij werd 
op school zo onhandelbaar dat hij werd weggestuurd. Hij belandde in de kleine criminaliteit en samen met zijn vrienden dronk hij zichzelf geregeld volkomen bewusteloos.

    Ideologie

    Op zijn zestiende hoorde Stéphane iemand een Koranvers opzeggen, en hij voelde dat de tranen hem in de ogen sprongen. Hij begreep de woorden niet, maar het geluid greep hem aan. De meeste van zijn vrienden waren moslim, en hij besloot zich te bekeren. Hij hield op met drinken en stopte met zijn cursus voor restaurantwerk, waarbij hij varkensvlees moest klaarmaken. Maar het lukte hem nog niet om op het rechte pad te blijven; op zijn negentiende werd hij gearresteerd en hij moest voor achttien maanden de gevangenis in. Daar bad hij vijf keer per dag en bij zijn vrijlating zwoer hij dat hij zijn leven zou beteren. Hij begon een bedrijf dat opblaaskastelen en andere materialen voor kinderfeestjes verhuurde en lette erop dat hij werklozen uit de buurt in dienst nam. Hij zette een groep op die uitstapjes voor jongeren uit de cités organiseerde. Hij trouwde met de nicht van J.-P. en nu hij een inkomen had, verhuisde hij naar een klein huis niet ver van dat van Ben Ahmed.

    Ik spreek Stéphane op een dag in februari. We zitten aan de keukentafel, terwijl zijn vrouw, die zwanger is, tv kijkt. Stéphane heeft een lichte baard en draagt een pyjamabroek en een T-shirt dat strak om zijn gespierde bovenlijf spant.

    Zijn antwoorden zijn kort en bondig, tot ik hem vraag welke rol het leven in de banlieues heeft gespeeld bij de aanslagen van januari.

    ‘Het is niet de buurt of de omgeving die dat veroorzaakt, het zijn de mensen zelf,’ zegt hij. Mannen als Coulibaly ‘denken dat alles in dit aardse leven zinloos is, een voorbijgaande fase. En die ideologie van hen – die krijg je niet doordat je in een banlieue woont. Dat is je geloof.’ Stéphane begrijpt wel dat Coulibaly ‘genoeg had van de onrechtvaardigheid die we hier in Frankrijk hebben’. Maar zelfs al was Coulibaly’s milieu de achtergrond voor zijn acties, het was niet de oorzaak. ‘Hij reageerde – en veel mensen reageren, weet je. Maar de meesten hebben niet zo’n sterk geloof dat ze de daden begaan die hij heeft begaan.’

    Wat houdt ze tegen? vraag ik.

    ‘Angst.’

    Stéphane buigt zich voorover, zijn ogen houden de mijne vast. Hij heeft niet gezegd dat hij Coulibaly’s daden goedkeurt, maar hij heeft ze ook niet regelrecht veroordeeld, zoals alle anderen die ik in het 93ste heb gesproken. Stéphane lijkt te willen zeggen dat wat Coulibaly onderscheidde van al die andere boze moslims in de banlieues, de intensiteit van zijn geloof was.

    ‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering’

    Andrew Hussey, de Britse wetenschapper in Parijs, beschrijft de bedwelmende, mystieke kracht van het jihadisme. ‘Het is geen ideologie die zich bezighoudt met sociale omstandigheden,’ zegt hij. ‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering.’ Hij vergelijkt het met het fascisme uit de jaren dertig. Jihadisme is iets heel anders dan gewone politiek. ‘Met deze ideologie maak je de stap van “ik ben niets” naar “ik zou alles moeten zijn”,’ zegt Hussey. Het jihadisme trekt volgens hem zowel rijke ingewijden zoals Bin Laden, als arme uitgeslotenen zoals Coulibaly. Het is ‘een zwevende ideologie, zoals de cloud – je hoeft er alleen maar in te loggen’.

    Ik vraag Stéphane wat de onrechtvaardigheid was waar Coulibaly op reageerde.

    ‘Onrechtvaardigheid tegenover moslims.’

    Van onrechtvaardigheid tegenover moslims is het voor Stéphane nog maar één stap naar de joden. Zij zijn, gelooft hij, een bevoorrechte gemeenschap in Frankrijk. Ze maken gebruik van hun tragische geschiedenis en het Franse schuldgevoel om macht te verwerven. Hij wijst erop dat er in Drancy, ook een banlieue in het 93ste, een herdenkingsmuseum staat tegenover de cité die het belangrijkste doorgangskamp in Frankrijk was voor joden die naar de concentratiekampen gingen. ‘Maar het bestaan van de slavernij, in Haïti, in Afrika, overal, willen ze niet erkennen,’ zegt hij. De Shoah was een misdaad. ‘Maar waarom wel het een erkennen en niet het ander? Je moet met gelijke maten meten. We zeggen: égalité, fraternité.’

    Joodse gemeenschap

    De misdaad van de slavernij kon niet erkend worden vanwege de enorme rijkdommen die ermee waren vergaard. Frankrijk had geld aan Israël gegeven als compensatie voor het Franse aandeel in de Holocaust – stel je voor wat het zou kosten om de slavernij te vergoeden! Coulibaly heeft zijn doelwit zorgvuldig gekozen, volgens Stéphane: ‘Het was een symbool, waarmee hij wilde zeggen: er is zo veel onrechtvaardigheid hier, richt je niet langer op de bedreigingen tegen één religie.’

    Ik vraag hem waarom Coulibaly zijn woede niet tegen een kerk heeft gericht, aangezien de meeste Fransen katholiek zijn. ‘Omdat Frankrijk niet overheerst wordt door de christenen,’ zegt Stéphane. Volgens hem heeft de piepkleine joodse gemeenschap in Frankrijk de Assemblée Nationale, de media en de banken in haar greep. De premier, Manuel Valls, is getrouwd met een joodse vrouw en volgens Stéphane is dat de reden waarom hij na de aanslagen op televisie verscheen en zei: ‘Frankrijk zonder joden is geen Frankrijk.’ Valls heeft niet gezegd: ‘Frankrijk zonder moslims is geen Frankrijk.’ Stéphane heeft niets dan lof voor Marine Le Pen, de huidige leider van het uiterst rechtse Front National. ‘De echte Fransen, de Français de souche, zij begrijpen dat in Frankrijk nu de joden de dienst uitmaken,’ zegt hij. Ik vraag hem of Le Pen, die bekendstaat om haar anti-immigratiestandpunt, een bedreiging vormt voor de Franse moslims. ‘Als ik Valls zie, denk ik: islamofoob,’ zegt Stéphane. ‘Bij Marine Le Pen denk ik: Puur Frans, wil alles aan de Fransen geven. Snap je?’

    ‘Ook aan jou dus?’

    ‘Aan mij? Ik ben Frans.’ Stéphane laat me zijn identiteitskaart zien. ‘Veel moslims gaan op Marine Le Pen stemmen.’ Ik had dit al eerder gehoord en ook sommige peilingen wijzen erop. ‘Je weet wat ze zeggen, de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.’

    Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd

    Ben Ahmed kent Stéphane al jaren, en hij waardeert het dat die bereid is tijd en geld te besteden aan de jongeren in de cités. Zijn succesvolle bedrijf vormt ook een inspiratiebron voor banlieuebewoners. Maar na de aanslagen van vorig jaar januari ontstond er een verschil van mening tussen hen. Stéphane hield vol dat Charlie Hebdo islamofoob was en Ben Ahmed dacht dat hij daarmee wilde zeggen dat de medewerkers hun lot hadden verdiend. Het meningsverschil maakte Ben Ahmed erg van streek.

    Vorige zomer leidde de strijd in Gaza overal in Frankrijk tot protesten, waarvan sommige gewelddadig 
en expliciet antisemitisch werden, met geweld tegen synagogen en koosjere winkels. Op een dag in augustus reed Ben Ahmed naar huis vanuit het gemeentehuis van Bondy, toen hij iemand hoorde schreeuwen: ‘Vuile jood!’ Hij stopte. Een man met een keppeltje liep weg voor een andere man.

    ‘Vuile klootzak!’ schreeuwde Ahmed naar de man die had gescholden. Het was iemand die hij kende en de man vroeg hem verbaasd: ‘Hé, waarom praat je zo tegen me?’

    ‘Als jij respect betoont aan hem, betoon ik respect aan jou,’ zei Ben Ahmed.

    De antisemiet liep weg. De jood bedankte Ben Ahmed. ‘Mensen maken een amalgame,’ zei hij, waarmee hij bedoelde dat Franse joden in de banlieues geregeld worden vereenzelvigd met Israëli’s.

    ‘Wordt u vaak uitgescholden?’ vroeg Ben Ahmed.

    ‘Nee, dit is de eerste keer. Het komt door de oorlog.’

    ‘Nee, hij is gewoon een klootzak,’ zei Ben Ahmed. ‘Een zichtbare minderheid, dat is alles.’

    Ben Ahmed was al te optimistisch. Er mogen dan zo’n drieduizend potentiële jihadisten in Frankrijk zijn, er zijn veel meer antisemieten, onder wie veel Français de souche. Een generatie geleden leefden geïmmigreerde moslims en joden in goede verstandhouding naast elkaar in de banlieues. Vandaag de dag zijn er weinig joden meer te vinden in de banlieues, en degenen die er zijn proberen hun identiteit zo veel mogelijk te verbergen. Een vriendin van Ben Ahmed vertelde dat haar joodse vrienden hun kinderen verboden om op straat een keppeltje te dragen.

    Het oude antisemitisme van Frans rechts en de nieuwere, door immigratie veroorzaakte spanningen kwamen in 2008 samen, toen Jean-Marie Le Pen, 
de oprichter van het Front National, peetvader werd van het derde kind van Dieudonné M’bala M’bala, de Frans-Kameroense komiek die met veel succes het schelden op joden tot amusement maakt. Dieudonné heeft een enthousiaste schare bewonderaars in de banlieues – wat Stéphane over joden zegt zou zo uit een monoloog van Dieudonné kunnen komen. Voor wie niet al in zijn kamp zit, is Dieudonné bijzonder ongeestig. Zijn film L’Antisémite uit 2012 begint als zogenaamd stomme film waarin Dieudonné, onder begeleiding van vrolijke pianomuziek, een Amerikaanse soldaat speelt die zojuist Auschwitz heeft bevrijd. (Helaas is historisch onbenul niet het enige mankement van de film.) Een kruiperige gevangene leidt hem rond door het kamp. In een gaskamer dept Dieudonné zijn hals met zyklon B, alsof het eau de cologne is; in een crematorium ziet hij de overblijfselen van kinderen aan voor kippenbotjes. Als hij in een leren leunstoel gaat zitten, zegt de gevangene tegen hem: ‘Pas op, je zit op mijn oma!’


    Dieudonné heeft het antisemitisme uit extremistische kringen gehaald en in de populaire cultuur gebracht. In Montreuil spreek ik een ambtenaar van de keuringsdienst voor restaurants, Saïd Allam, die ook fan is. ‘Dieudonné is hetzelfde als Charlie Hebdo – het is satire,’ zegt Allam. ‘Hij brengt sketches over joden om mensen aan het lachen te maken, Charlie Hebdo brengt cartoons over de Profeet om mensen aan het lachen te maken – dat is hetzelfde.’ Na de aanslagen schreef Dieudonné op zijn Facebookpagina, met de hem typerende pesterigheid: ‘Ik geloof dat ik Charlie Coulibaly ben.’ Als reactie vervolgden de autoriteiten hem wegens steun aan het terrorisme, en hij is verscheidene keren veroordeeld voor aanzetten tot rassenhaat; dit heeft ertoe geleid dat zijn bewonderaars de overheid ervan beschuldigen met twee maten te meten. ‘Mensen zeggen: met de moord op Charlie Hebdo is de vrijheid van meningsuiting vermoord,’ zegt Allam. ‘Maar ze hebben zelf de vrijheid van meningsuiting vermoord door Dieudonné voor het gerecht te slepen.’

    Dankzij het klagen over de dubbele moraal wordt de afschuw over de moorden verdrongen door een prettiger gevoel van slachtofferschap. Het argument dat Charlie Hebdo zich richt tegen religieuze politiek, terwijl Dieudonné het op joden gemunt heeft, was veel te subtiel voor de grimmige sfeer die na 7 januari opkwam. Dat geldt ook voor 
het inzicht dat wetten tegen haatzaaien altijd problematisch zijn, al was het maar omdat ze bijna onvermijdelijk de beschuldiging over zich afroepen dat ze selectief worden toegepast.

    Ben Ahmed verafschuwt Dieudonné. ‘Hij is de enige komiek die islamofoben, antisemieten en anti-elitairen in één ruimte bij elkaar krijgt, en ze allemaal aan het lachen kan maken,’ zegt hij. ‘Niet omdat hij grappig is, maar uit haat.’

    Wetteloosheid

    Een multiraciale bende onder aanvoering van Youssouf Fofana, een crimineel van Ivoriaanse afkomst, ontvoerde in 2006 een joodse verkoper van mobiele telefoons, Ilan Halimi. Ze brachten hem naar een cité aan de zuidkant van Parijs. De bende eiste losgeld. Volgens een lid van de bende geloofde Fofana dat de staat hem als een slaaf beschouwde, en dat ‘joden koningen waren omdat ze aten van het geld van de staat’. Fofana ging ervan uit dat alle joden rijk waren en eiste 450.000 euro. Maar de familie van Halimi kon zo veel geld niet opbrengen en de ontvoerders martelden Halimi met vuisten, brandende sigaretten, zuur en uiteindelijk messen.

    Na 24 dagen werd Halimi gevonden, naakt en verminkt, vastgebonden aan een boom in een park ten zuiden van Parijs. Hij stierf onderweg naar het ziekenhuis. Tijdens zijn lange martelgang wisten minstens vijftig mensen in de cité – van bendeleden tot buren – dat er iets gaande was, maar niemand belde de politie.

    In zekere zin was de zaak-Halimi nog verontrustender dan de aanslagen van januari. Dat zo veel inwoners het geweld hadden laten gebeuren, toonde aan dat wetteloosheid en haat regel waren geworden in de banlieues. Marc Weitzman, een romanschrijver die werkt aan een boek over het Franse antisemitisme, zegt dat de haat tegen joden in de banlieues ‘altijd op de achtergrond aanwezig is in de waarden waar ze mee zijn opgegroeid – klaar om geactiveerd te worden zodra hun nihilistische criminaliteit omslaat in een zoektocht naar betekenis.’ Voor sommige bewoners kan antisemitisme het pad naar radicalisering zijn.

    Ben Ahmed zegt dat hij twee opdrachten heeft in het 93ste: ‘Verkeerde ideeën in de religie corrigeren en een eind maken aan de stigmatisering van die religie.’ Twee doelen die heel wat evenwichtskunst vragen. Stel dat het corrigeren van onjuiste ideeën leidt tot meer stigmatisering van de islam? Hoe moet je bijvoorbeeld de religieuze ideeën noemen die, volgens Stéphane, Amedy Coulibaly de moed hebben gegeven om zijn daden uit te voeren?

    Allam, de restaurantinspecteur uit Montreuil, beklaagt zich er bij mij over dat de moorden het etiket ‘islamistische daad’ hebben gekregen. Hij voegt eraan toe: ‘Het is heel, heel ernstig om dat te zeggen, want het veronderstelt dat het begaan van moorden met een religie te maken heeft.’ Als een blonde man cartoonisten zou vermoorden omdat zij blonde mensen belachelijk maakten, zouden mensen hem krankzinnig noemen, stelt hij. ‘En een man die mensen doodt in naam van zijn religie is een krankzinnige.’

    Maar er is een verschil tussen de woorden ‘islamitisch’ en ‘islamistisch’, en dat zorgt ervoor dat er een essentieel politiek onderscheid te maken is tussen gewone gelovigen en ideologen. Dit onderscheid voorkomt juist dat moslims op één hoop worden gegooid met jihadisten. Niettemin heeft de wond van de uitsluiting zo lang doorgeëtterd onder de Franse moslims dat het onderwerp islamistisch terrorisme bijna te gevoelig is om aan te snijden. Voor een eerlijk gesprek daarover is een onderling vertrouwen nodig dat maar zelden voorkomt.

    Op een avond staat Ben Ahmed het eten klaar te maken in het huis van zijn buurvrouw, Valérie Tabet. Zij is weduwe, werkt als pianolerares en haar dochter zit op dezelfde school als de kinderen van Ben Ahmed. De twee gezinnen zijn goed bevriend. Tabet, die een lichte huid heeft en kort donkerblond haar, vertelt me dat het tegenwoordig niet veilig meer is voor jonge kinderen om in het 93ste alleen op straat te zijn, en dat Ben Ahmed een soort vaderfiguur is geworden voor haar dochter. Terwijl Ben Ahmed crêpebeslag uitgiet op een hete plaat, bespreken Valérie en hij hoe iemand terrorist wordt.

    Ben Ahmed zegt: ‘Ik heb de indruk dat het eigenlijk heel eenvoudig is, hoe bij deze mensen van de ene op de andere dag de knop om kan gaan.’

    ‘Het gaat niet van de ene op de andere dag,’ zegt Tabet.

    ‘Voor mij is het een kwestie van mensen die psychisch ziek zijn, misschien enigszins gestoord,’ zegt Ben Ahmed. ‘Deze mensen zijn fragiles, en op een bepaald moment worden ze geronseld door anderen…’

    ‘Er zijn zo veel jihadisten dat ik het niet met je eens kan zijn,’ valt Tabet hem in de rede. ‘De gebroeders Kouachi waren fragiles door hun omstandigheden – gebrek aan structuur, gebrek aan onderwijs, gebrek aan levensvisie, en dat leidt later tot geweld – maar ik ben het niet met je eens dat ze gestoord waren.’

    Ben Ahmed zegt dat hij dat ook niet bedoelde. Naast de psychiatrische gevallen zijn er ook de mensen die psychologisch zwak zijn, zoals de Kouachi’s: ‘Deze mensen zouden een straatgevecht begonnen zijn om niets, om een parkeerplaats.’ En hij voegt eraan toe: ‘Coulibaly, daar word ik een beetje bang van, omdat zijn gezinsleven normaler was.’ Op de een of andere manier was Coulibaly geïndoctrineerd, en vervolgens kon hij al te gemakkelijk aan wapens komen.

    ‘Daar is heel makkelijk aan te komen,’ stemt Tabet in. ‘Maar er zijn veel mensen die fragile worden gemaakt door de samenleving, omdat er niet genoeg werk is voor iedereen, vanwege sociale problemen en al die dingen. Maar wat ik zie is dat die mensen één ding gemeen hebben: het zijn allemaal moslims.’ Ze voegt er vlug aan toe: ‘En ik wil niet met de beschuldigende vinger wijzen, ik bedoel de mogelijke terroristen. Maar volgens mij is het probleem de dingen die ze horen in de moskeeën, in kleine groepen.’ Ze bedoelt de radicale, haatpredikende imams.

    Ben Ahmed zegt dat Tabet alleen maar herhaalt wat ze in de media hoort.

    ‘Maar íémand indoctrineert ze.’

    ‘De mensen die dat doen horen bij een netwerk, maar niet bij een netwerk dat je islamitisch zou noemen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Niet in een moskee.’ Hij zoekt naar de naam van de man die Coulibaly in de gevangenis heeft geronseld. ‘Djamel Beghal. Dat is geen imam.’

    ‘Je kunt niet zeggen dat er geen mensen zijn die de religie gebruiken om deze jongeren aan te trekken.’

    ‘Je zegt nu “mensen”, natuurlijk, maar je zei ook “imams”. Ik zeg niet dat ze niet bestaan, maar je generaliseert op basis van de uitzondering.’

    ‘Ik zeg dat er veel redenen bestaan, en de gemeenschappelijke deler is dat het jonge moslims zijn. 
En dat betekent iets – het betekent dat ze de religie gebruiken.’

    Ben Ahmed is kennelijk bang dat hij de islamofoben gelijk geeft als hij het met Tabet eens is. Die grens kan hij niet over. Het scheelt weinig of de twee belanden in een meningsverschil dat hun vriendschap blijvende wonden kan toebrengen.

    ‘Je mening is interessant,’ zegt Ben Ahmed. ‘Het punt is: ik ben ervan overtuigd dat het niet echt in moskeeën gebeurt. Het gebeurt in de gevangenis.’

    ‘Ja, dat is zeker,’ zegt Tabet.

    ‘En daarnaast er zijn mensen die naar de moskeeën komen om met jongeren te praten en dan sommigen daarvan weten in te kapselen.’

    ‘Voilà.’

    Nu hebben ze net genoeg gemeenschappelijke basis gevonden om verder te kunnen praten.

    Meer dan vijftienhonderd Franse burgers zijn het land uit gereisd om zich bij Islamitische Staat te voegen – een kwart van het totaal in Europa. Zo’n tweehonderd van hen zijn naar Frankrijk teruggekeerd. Een groeiend aantal van deze nieuwe rekruten heeft geen band met de banlieues. Volgens Farhad Khosrokhavar zijn de meeste Franse moslims die naar Syrië gaan nu jongeren uit de middenklasse, onder wie ook een aantal blanke bekeerlingen en een toenemend aantal vrouwen. Ze komen uit grote steden en kleine provinciestadjes. ‘Ze behoren niet tot gebroken gezinnen,’ zegt Khosrokhavar. Hun radicalisering kan zich in zeer korte tijd voltrekken, soms binnen enkele weken, meestal via sociale media. Ze gaan naar het Midden-Oosten omdat ze zich geraakt voelen door de narigheid waarin hun medemoslims verkeren. Sommigen schrikken daar terug voor het geweld van Islamitische Staat en proberen terug te keren; anderen voelen zich er juist door aangetrokken.

    Een paar dagen voor de aanslagen van januari vloog Hayat Boumeddiene, de vrouw van Coulibaly, van Madrid naar Turkije, waar ze de grens met Syrië overstak. Een bewakingscamera op het vliegveld van Istanboel legde haar vast bij haar aankomst in Turkije, samen met een jongeman met een vlassig baardje en lang zwart haar in een knotje. Dat was de 23-jarige Mehdi Belhoucine, afkomstig uit het 93ste. Zijn oudere broer Mohamed was rond 2009 via internet geradicaliseerd en stuurde daarna boodschappen door voor een netwerk van Franse jihadisten die op weg waren naar Centraal-Azië. Aangenomen wordt dat Mohamed en Mehdi nu in Syrië zitten. De broers zijn altijd uitstekende leerlingen geweest – Mohamed heeft een voortgezette opleiding in mijnbouwtechniek gevolgd, Mehdi in elektronica – en komen uit een middenklassegezin met een eigen huis. Ben Ahmed kent hun moeder, die met hem samenwerkt in het gemeentehuis van Bondy. ‘Een heel aardige vrouw,’ zegt hij. ‘Het is zo sneu.’

    ‘Vóór januari had ik een helder beeld van het jihadisme,’ zegt Sylvine Thomassin, de burgemeester van Bondy. ‘Het had te maken met gezinnen met een gebrekkige ontwikkeling, ouders die in de problemen zaten, kinderen die op school mislukten.’ Het was een vreemd ‘geruststellend schema’, omdat het de weg naar radicalisering voorspelbaar leek te maken. Toen kwam het verbijsterende nieuws over de band van de gebroeders Belhoucine met aanslagplegers in Parijs. De burgemeester, die de familie Belhoucine goed kent, vindt het nu onmogelijk om nog een profiel te geven. ‘Onze islamitische medeburgers wonen voor het overgrote deel in sociale huurwoningen en de meesten hebben met dezelfde problemen te kampen als degenen die geradicaliseerd zijn, en toch zijn zij niet geradicaliseerd,’ zegt ze. ‘Dus het probleem is kennelijk niet de banlieues. Misschien is het de extreme gevoeligheid van een heel kleine groep voor alle discussies om hen heen.’

    Medemenselijkheid

    De Parijse strafrechtadvocaat Xavier Nogueras vertegenwoordigt twintig Franse burgers die beschuldigd worden van jihadisme. Sommige van zijn cliënten zijn gewelddadig en gevaarlijk, zegt hij, maar de meesten zijn uit idealisme naar Syrië gegaan, om andere moslims te beschermen tegen het Assad-regime en een islamitische staat op te bouwen. 
Volgens hem vormen deze mensen geen gevaar voor Frankrijk en zou de staat ze niet voorgoed van zich moeten vervreemden met jarenlange celstraffen. Nogueras wil de motieven van zijn cliënten niet 
toeschrijven aan de sociale omstandigheden in de banlieues. Weinigen van hen hebben een criminele achtergrond; sommigen hadden een goedbetaalde baan bij een groot Frans bedrijf. ‘Wat mij het meest heeft verrast, is hun enorme medemenselijkheid,’ zegt Nogueras. Voor hem zijn jihadisten boeiender dan de drugsdealers en overvallers die hij ook in zijn praktijk tegenkomt. ‘Ze hebben meer te vertellen, veel meer ideeën. Volgens hun heilige boek moeten ze de sharia toepassen, die hun opdraagt hun vrouw te bedekken, niet seculier te leven. En we zijn in een land dat hen onvermijdelijk stigmatiseert, omdat 
het seculier is. Ze voelen zich hier niet thuis.’

    Het onderscheid dat de advocaat maakt tussen jihadisme thuis en in het buitenland klinkt me bepaald niet geruststellend in de oren. Coulibaly’s geloof kon hem er evengoed toe hebben gebracht om mensen 
in Syrië te vermoorden als in Parijs; ideologisch gedreven geweld kan overal plaatsvinden. Het ‘idealisme’ van cliënten die de sharia voor de hele wereld willen laten gelden, is in sommige opzichten zorgwekkender dan eenvoudige gewelddadigheid: zelfs 
al doet Frankrijk nu zijn best om moslims het gevoel te geven dat ze volwaardige kinderen van de republiek zijn, een kleine minderheid zal altijd principieel onverzoenlijk blijven.

    In een winkelstraat in het 93ste, in een schaars gemeubileerd appartement zonder naam bij de bel, spreekt Sonia Imloul, een maatschappelijk werkster van Algerijnse afkomst, geregeld af met de gezinnen van geradicaliseerde jonge mensen. Ze krijgt de gevallen door via de politie of via een meldpunt van de overheid waarbij de families hebben aangeklopt. Tijdens onze ontmoeting gaat Imloul aan de keukentafel zitten, steekt een sigaret op en zegt: ‘Ik heb hier kinderen gehad van artsen, journalisten, generaals. Het lijkt wel een nationale epidemie.’ Ze let ‘met argusogen’ op haar eigen veertienjarige zoon.

    Imlouls methode is erop gericht de band tussen een jongere en zijn of haar familie in stand te houden, voor er sprake is van een ‘initiatiereis’. ‘De familie heeft vaak het antwoord, zonder het te weten,’ zegt ze. Radicalisering komt al dertig jaar voor in Frankrijk; het kan nog wel eens dertig jaar duren voor er een goede oplossing voor gevonden is. Dat het probleem nu acuut is, komt volgens Imloul deels doordat het rigide secularisme van de republiek geen ruimte laat voor discussie over religieuze identiteit. ‘Als je met een radicaal niet over religie praat, kun je nergens over praten,’ zegt ze. Frankrijk benadert het probleem uitsluitend repressief. De ‘preventiegroep’ van Imloul is het enige programma in zijn soort van het land.

    De aanslagen van januari hebben een oprecht gevoel van crisis veroorzaakt, en premier Valls heeft hartstochtelijke toespraken gehouden waarin hij de ‘geografische, sociale en etnische apartheid’ veroordeelt die Franse burgers uit gebieden als het 93ste de toegang tot de republiek ontzegt. Thomassin, de burgemeester van Bondy (en de baas van Ben Ahmed), wijst me op een kaart aan waar hoogbouw wordt afgebroken en vervangen door kleinere gebouwen die zijn omgeven door groene ruimte. Het doel is om een nieuw gemeenschapsgevoel te creëren. De burgemeester van Le Blanc-Mesnil, een andere banlieue in het 93ste, vertelt over een vergelijkbaar plan, volgens de principes van het ‘New Urbanism’, waarin huurders van sociale woningen eigenaar van hun huis kunnen worden. Het lijkt erop dat Frankrijk, 
na tientallen jaren wegkijken, nu een inhaalslag probeert te maken.

    ‘We zijn in oorlog, maar niet tegen een godsdienst,’ heeft Valls gezegd. Frankrijk voert ‘een oorlog om onze waarden te verdedigen, die universeel zijn’. Hij riep Franse moslims op om dat ook als hún strijd te zien. ‘Het is een oorlog tegen terrorisme en het radicale islamisme, tegen alles wat tot doel heeft onze solidariteit, vrijheid, broederschap kapot te maken.’

    Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij

    Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd, terwijl de zwijgende meerderheid in Frankrijk, die steeds meer culturele onzekerheid ervoer, naar rechts opschoof en de banlieues aan hun lot werden overgelaten. De Front National-kiezer en de geradicaliseerde moslim voelen zich allebei in de kou staan. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet hebben de aanslagen van januari als een onderwaterbom al die onderstromen naar de oppervlakte gebracht. ‘Secularisme is onze gemeenschappelijke deler,’ zegt Bouvet. ‘Als er een gemeenschappelijke Franse identiteit is, dan is dat geen identiteit van wortels, het is geen christelijke identiteit, het zijn geen kathedralen, 
het is niet het blanke ras. Het is een politiek project. Als we het Front National de Franse identiteit laten definiëren, zal dat een definitie zijn op basis van ras, van bloed, van religie.’

    Frankrijk heeft een speciale rapporteur général voor secularisme, en op dit moment wordt die officiële functie vervuld door een serieuze jonge socialistische politicus, Nicolas Cadène. Volgens hem is Frankrijk er niet in geslaagd om een nationaal verhaal te scheppen waarin alle burgers een plek hebben. De schok van de aanslagen en de verdeeldheid daarna hebben een nieuwe benadering dringend noodzakelijk gemaakt. En hij schetst een pakket van hervormingen dat begint bij de scholen: leg uit wat de betekenis is van het secularisme, door ‘onpartijdige, neutrale’ feiten te onderwijzen over verschillende religies, om zo de leerlingen verdraagzamer en kritischer te maken; neem meer koloniale geschiedenis op in het lespakket; moedig Arabische lessen op openbare scholen aan, zodat dit niet aan de Koranschool wordt overgelaten. Een aantal van deze veranderingen wordt dit najaar al ingevoerd.

    Sciences Po – het instituut voor sociale wetenschappen waar arabist Jean-Pierre Filiu doceert – hanteert al meer dan tien jaar voor een deel van elke nieuwe lichting studenten enigszins andere toelatingseisen. De Franse wet verbiedt onderscheid naar etniciteit 
of religie, dus gebruikt Sciences Po geografie als criterium. ‘We willen studenten uit het 93ste binnenhalen,’ zegt Filiu. ‘Ik heb in die toelatingscommissies gezeten, en de kandidaten uit de banlieues horen bij de beste – als je daar vandaan komt, heb je la niaque, moed, een vechtersmentaliteit.’ Ik bedenk bij mezelf wat zo’n kans had kunnen betekenen voor Ben Ahmed.

    Eind maart 2015 zouden er verkiezingen worden gehouden in de honderd departementen van Frankrijk. Ben Ahmed besloot zich kandidaat te stellen als socialistisch vertegenwoordiger van Bobigny. Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij. Dagen en nachten liep hij in zijn oude buurt folders uit te delen en handen te schudden. 
De bewoners begroetten hem als een van hen, maar velen zagen er weinig heil in om te gaan stemmen. Tegen zijn vroegere buren die zich het meest verzetten – de oude vrouw in volledige hijab, de werkloze mannen bij het café, J.-P. en zijn bende – zei hij dat 
ze zich niet van stemmen konden onthouden als ze gelijkwaardige burgers wilden worden.

    Ben Ahmed werd vierde. Zelfs de kandidaat van het Front National kreeg meer stemmen dan hij. De socialisten deden het, als regeringspartij, overal slecht. Extreem-rechts zette zijn opmars voort. Maar Ben Ahmed laat zich niet ontmoedigen. Hij gelooft in 
de politiek, hij gelooft in Frankrijk. Hij gaat het de volgende keer weer proberen.

    Auteur: George Packer
    Vertaler: Annemie de Vries

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

  • Zo werkt het geheime bankennetwerk van IS

    Zo werkt het geheime bankennetwerk van IS

    Geldwisselkantoren in Irak, Syrië, Turkije en Jordanië sluizen dagelijks miljoenen dollars van en naar het kalifaat. The Wall Street Journal legt uit hoe dit in zijn werk gaat.

    Al langer dan een jaar treffen de VS en hun bondgenoten Islamitische Staat met luchtaanvallen en financiële sancties. Desondanks weet de extremistische beweging nog altijd haar strijders te bevoorraden, voedsel te importeren en snelle winsten te maken door middel van geldspeculatie.

    Dat laatste gebeurt dankzij mannen als Abu Omar, een de facto bankier van de terreurgroep. De Iraakse zakenman maakt deel uit van een netwerk van financiers dat zich uitstrekt over Noord- en Midden-Irak. Al tientallen jaren regelen zij de financiële transacties van lokale handelaren die gewone banken mijden.

    Toen Islamitische Staat de regio in 2014 in handen kreeg, deed ’s werelds rijkste terreurgroep hem een aanbod waarop hij besloot in te gaan: hij kon zijn bedrijf houden als hij ook het geld van de IS zou beheren.

    ‘Ik stel geen vragen,’ zegt Abu Omar, wiens geldwisselkantoren in de Iraakse steden Mosoel, Suleimaniya, Arbil en Hit tien procent rekenen voor het overmaken van geld van en naar het gebied waar de extremisten de baas zijn – twee keer zo veel als het normale tarief. ‘Islamitische Staat is goed voor de zaken.’

    Deze financiers zorgen ervoor dat miljoenen dollars in contanten dagelijks de Islamitische staat in- en uitstromen, wat de internationale inspanningen frustreert om de groep af te snijden van het mondiale banksysteem, zo zeggen betrokkenen uit de financiële wereld. Ze opereren dwars door grenzen en slagvelden heen in een van ’s werelds gevaarlijkste conflicten, beschermd door winsten en hun onmisbare rol in de regionale economie.

    Daarnaast heeft Islamitische Staat, hoewel geleid door soennitische fundamentalisten, blijk gegeven van pragmatisme waar het de financiering van zijn activiteiten betreft. ‘IS volgt de wetten van het geld, niet die van de religie of politiek. Wat dat betreft is de beweging zo Iraaks als wat,’ zegt een geldwisselaar uit Al-Anbar, wiens netwerk reikt van de Jordaanse hoofdstad Amman tot Fallujah en Bagdad.

    ‘Er is geen eenvoudige of snelle manier om IS van zijn enorme rijkdommen te beroven’

    Daniel Glaser, de Amerikaanse onderminister die zich bezighoudt met terrorismefinanciering, zegt dat geldwisselkantoren – waarvan er alleen al in Irak meer dan zestienhonderd zijn – een zorgwekkende link naar de buitenwereld zijn voor het zelfverklaarde kalifaat.

    ‘We proberen op verschillende manieren IS zijn financiële middelen te ontnemen en de toegang tot het internationale financiële stelsel te ontzeggen,’ zegt Glaser. De Federal Reserve en het Amerikaanse ministerie van Financiën werken samen met bondgenoten in het Midden-Oosten. Maar, zegt hij, er is ‘geen eenvoudige of snelle manier om IS van zijn enorme rijkdommen te beroven’.

    Hawala

    De mannen die de wisselkantoren en bijbehorende lege vennootschappen beheren, weerspiegelen de verscheidenheid aan etnische en religieuze groepen in Irak. Hun netwerk stoelt op vertrouwen. Hun leden voeren overboekingsopdrachten uit, in realtime. Iemand betaalt met contant geld in een kantoor en ver daarvandaan int een ontvanger hetzelfde bedrag, een praktijk die hawala heet en in het Midden-Oosten ouder is dan het moderne banksysteem.

    Geldwisselaars bieden een betrouwbare manier om transacties van tienduizenden dollars uit te voeren tussen plekken die honderden kilometers uit elkaar liggen. Ze voldoen hun rekeningen door grote hoeveelheden bankbiljetten heen en weer te vervoeren, vaak door oorlogsgebied.

    Drie Iraakse geldwisselaars zeggen dat ze sjiitische milities, die tegen Islamitische Staat vechten, betalen om geldtransporten te bewaken vanuit Bagdad, dwars door de frontlinies, naar gebied dat door strijders wordt gecontroleerd, in de provincie Anbar. Iraaks-Koerdische militanten, die ook in gevecht zijn met Islamitische Staat, worden omgekocht om doorgang te verlenen aan geldtransporten, dwars door hun frontlinies, naar gebieden rond Mosoel, die in handen zijn van IS. Volgens de geldwisselaars bedingen zowel sjiitische als Koerdische commandanten hiervoor tarieven van tussen de duizend en tienduizend dollar.

    Islamitische Staat heft op zijn beurt een belasting van twee procent op contanten die zijn grondgebied binnenkomen. In ruil hiervoor krijgen smokkelaars bescherming op het laatste stuk van hun route naar de wisselkantoren, zo melden vier betrokkenen.

    Een geldwisselkantoor in de Grote Bazaar in Istanboel. – © Kerem Uzel / Getty Images
    Een geldwisselkantoor in de Grote Bazaar in Istanboel. – © Kerem Uzel / Getty Images

    Het geld wordt via minstens drie routes afgeleverd. Een begint in de smalle straatjes achter de Grote Bazar van Istanboel en leidt via Iraaks-Koerdische steden naar Mosoel, de grootste stad in handen van Islamitische Staat. Een andere verbindt Amman met Bagdad en de door IS gecontroleerde delen van de provincie Anbar in Irak. Een derde voert van de stad Gaziantep in het zuiden van Turkije naar de Syrische regio rond Raqqa, het bestuurscentrum van IS.

    Financiële inperking

    Volgens Turkse en Jordaanse functionarissen zetten hun overheden alles op alles om Islamitische Staat te bestrijden. Zowel het witwassen van geld als de financiering van terreur worden stevig aangepakt. Iraakse functionarissen zeggen dat geldwisselaars met een vergunning een belangrijke rol spelen in de financiële sector van het land, maar dat wie de wet overtreedt of terroristen steunt moet worden gestraft.

    Ministers van Buitenlandse Zaken van de door de VS geleide coalitie tegen IS herhaalden vorige maand dat ze vastbesloten waren de economie en de financiële activa van de groep, die worden geschat op 300 miljoen tot 700 miljoen dollar, te verstoren. Deze pogingen tot financiële inperking maken deel uit van een campagne die verder bestaat uit Amerikaanse luchtaanvallen op oliebronnen van IS. Ook zijn er aanvallen geweest op kluizen in het centrum van Mosoel. Amerikaanse functionarissen vermoeden dat die contanten bevatten waarmee strijders worden betaald.

    Het Amerikaanse ministerie van Financiën en andere Amerikaanse instellingen sturen Bagdad regelmatig rapporten over vermoedelijke terroristische financiële transacties, aldus Amerikaanse ambtenaren. Ze onderhouden ook nauwe betrekkingen met toezichthouders en veiligheidsdiensten in de buurlanden. Desondanks blijft het geld stromen.

    In een half uur tijd hebben de klanten volgens deelnemers ongeveer 50.000 dollar naar Mosoel overgemaakt

    De Centrale Bank van Irak publiceerde in december een lijst van 142 geldwisselkantoren die Washington ervan verdenkt geld door te sluizen voor Islamitische Staat. De centrale bank sloot deze bedrijven uit van zijn tweemaandelijkse dollarveilingen, in de hoop een tekort aan Amerikaanse bankbiljetten te veroorzaken bij de terreurgroep – de economie van IS draait op contant geld, net als in een groot deel van Irak.

    Ten minste twee bedrijven op de lijst, beide gevestigd in Mosoel, blijven geld overmaken van Turkije naar Iraakse en Syrische steden in handen van IS, zo stellen drie klanten. Een van hen, Azva El Seyig, zegt over de telefoon geen financiële diensten – ook geen geldovermakingen – te verrichten binnen het grondgebied van de Islamitische Staat, omdat dit te moeilijk is geworden.

    Toch staan er op een regenachtige februariochtend ongeveer twintig Iraakse en Syrische mannen in de rij bij het kantoor van het bedrijf in de wijk Beyazit van Istanboel. In een half uur tijd hebben de klanten volgens deelnemers ongeveer 50.000 dollar naar Mosoel overgemaakt. Twee klanten ontvangen 10.000 dollar uit Raqqa, Syrië. Niemand op het kantoor vraagt wat het doel is van de transacties of naar de precieze herkomst van het geld.

    De employee achter het glazen raampje heeft maar één vraag voor een klant die 700 dollar uit Mosoel wilde innen: wordt de ontvanger gezocht door IS? ‘Dat is de enige transactie die we niet kunnen verrichten,’ zegt de werknemer.

    Raderen van de economie

    Iraakse vluchtelingen en zakenmensen in Turkije, Jordanië en de Koerdische stad Arbil in Irak zeggen dat de afgelopen anderhalf jaar nog veel meer van dergelijke bedrijven zijn ontstaan, vermoedelijk om te profiteren van de groei van de Islamitische Staat.

    ‘Geld stroomt makkelijker dan water,’ aldus de Iraakse handelaar Kemal, die gebruikmaakt van de diensten van een ander Turks-Iraaks bedrijf, Taha Cargo, om fondsen over te hevelen van IS, en vervolgens zijn logistieke netwerk benut om in ruil hiervoor goederen te vervoeren. Taha wil geen commentaar geven.

    Dergelijke transacties maken deel uit van het sociale weefsel in het Midden-Oosten, vanwege de service die ze verlenen, hun discretie en hun tijdige levering. Ze opereren vanuit kantoren die niets verraden van wat ze precies doen en van de hoeveelheid geld die ze beheren.

    De financiers van deze praktijken kennen de liquiditeit van hun handelspartners en gaan geen transacties aan die niet kunnen worden voldaan. Bedrog en overvallen komen zelden voor. In een dergelijke hechte beroepsgroep weten geldwisselaars dat hun families verantwoordelijk zullen worden gesteld voor onbetaalde schulden, en dat hun stam onder eventuele malversaties zal lijden.


    Iraakse bankiers en ontwikkelingsorganisaties schatten dat meer dan de helft van de Iraakse detailhandel vertrouwt op geldwissel- en geldovermakingsbedrijven, in plaats van op gewone banken. Hierdoor moeten Iraakse ambtenaren een midden zien te vinden tussen internationale vereisten en de gezondheid van hun economie. Ontmanteling van het netwerk van geldwisselaars zal een economische schok veroorzaken.

    ‘Ze zijn de raderen van de Iraakse economie. Zonder hen hebben we geen geïmporteerde kleding, komt er geen verse groenten binnen,’ zegt Yahya al-Kubaisi, een analist bij het Iraakse Studies Center in Jordanië en een voormalige Iraakse politicus.

    Kluizen van Mosoel

    Voordat IS Mosoel veroverde, had deze stad van bijna twee miljoen inwoners 40 banken en ongeveer 120 geldwisselaars en overmakingskantoren met een vergunning, zo melden de centrale bank en geldwisselaars in Irak.

    Alleen banken en overmakingskantoren hebben een vergunning om geld over te maken in binnen- of buitenland. Maar geldwisselaars lappen deze regels al lang aan hun laars en verleenden deze diensten in Mosoel, de economische motor van Noord-Irak.

    Toen IS Mosoel in juni 2014 veroverde, en daarna andere steden in Irak en het oosten van Syrië, betekende dat het einde van lokale banken. De terreurgroep plunderde de kluizen en maakte volgens Amerikaanse schattingen honderden miljoenen dollars buit.

    De Verenigde Staten en regionale overheden ondernamen onmiddellijk stappen om bankkantoren binnen de Islamitische Staat af te snijden van het internationale bancaire netwerk. Transacties die de identificatiecode van de in beslag genomen kantoren vermeldden, werden ongeldig verklaard.

    © Osman Orsal / Reuters
    © Osman Orsal / Reuters

    Daardoor groeiden geldwisselaars uit tot de enige aanbieders in een regio met enkele miljoenen inwoners. Een ondernemer in de provincie Anbar zegt dat zijn kantoren aan het einde van de zomer van 2014 500.000 dollar per week aan geldtransacties in en uit de Islamitische Staat behandelden. De commissie voor deze diensten bedroeg volgens hem tien procent. Voor de komst van IS lag het tarief tussen de drie en vijf procent.

    ‘Irak heeft geen accountants, Irak heeft ambtenaren die steekpenningen verwachten’

    Aanvankelijk werden sommige transacties verricht voor mensen die aan de extremistische groep wilden ontsnappen. De geldwisselaars ‘vroegen niet waarom je geld stuurde of wie de ontvanger was, zelfs als ze wisten dat je het de Islamitische Staat uit stuurde, voor jezelf of de familie,’ zegt Mohammed, een voormalige professor in Mosoel, nu een vluchteling vanwege zijn verklaarde atheïsme, waardoor hij een doelwit is van IS.

    Een geldwisselaar in Fallujah zegt dat hij in juni 2015 100.000 dollar naar Bagdad overmaakte voor een man uit Anbar die in de ogen van de Iraakse autoriteiten mogelijk een strijder was van IS. De geldwisselaar zou de transactie hebben gedaan omdat hij niet geloofde dat de beschuldiging terecht was: ‘Ik vind niet dat ik iets verkeerd heb gedaan.’

    Tegen die tijd werden vrijwel alle goederen die de Islamitische Staat inkwamen – zoals motorolie voor auto’s die strijders vervoerden en de voor vrouwen verplichte zedige kleding – ingekocht via het netwerk van geldwisselaars, aldus drie betrokken handelaren.

    IS-leiders verboden wisselkantoren vorig jaar om geldovermakingen over de grenzen van de Islamitische Staat goed te keuren zonder ontvangstbewijs waaruit bleek dat de klant tien procent religieuze belasting (zakat) had betaald.

    Behalve met belastinginning, heeft het netwerk van geldwisselaars IS ook geholpen te profiteren van geldspeculatie – bijvoorbeeld door meer geld aan belasting te geven, en via de rechtstreekse winsten van wisselkantoren.

    Al jaren nemen wisselkantoren deel aan de tweemaandelijkse, door de centrale bank georganiseerde dollarveilingen. Ze kopen dollars op tegen de officiële koers en verkopen die met winst op straat. Het tariefverschil bedroeg het afgelopen jaar zeven procentpunten.

    Zwarte lijst

    Voor de eerste veiling in december plaatsten geldwisselbedrijven orders voor meer dan 20 miljoen dollar. Gezien de koersverschillen tussen de veiling en de zwarte markten in de Islamitische Staat, waren deze transacties goed voor een potentiële winst van ruim 330.000 dollar.

    De Centrale Bank van Irak heeft een grotendeels door oliereserves gefinancierde rekening bij de Federal Reserve, en onttrekt daaraan regelmatig grote zendingen van nieuwe bankbiljetten van 100 dollar. Het geld wordt door een gecharterd vliegtuig van een Fed-faciliteit in Rutherford, New Jersey, naar Bagdad overgevlogen.

    De Fed blokkeerde vorige zomer tijdelijk leveringen, uit angst dat de biljetten via de wisselkantoren bij IS terecht zouden komen. Een gebrek aan contanten dreigde, totdat de zendingen in augustus werden hervat, nadat Irak had toegezegd meer inzage te geven in de bestemmingen van het geld.

    Veel geldwisselbedrijven in de Islamitische Staat – of hun geaffilieerde kantoren elders in Irak – namen tot half december deel aan de veilingen, waarna de VS Irak onder druk zetten om tientallen bedrijven die mogelijk samenwerkten met de terreurgroep te verbieden.

    Geldwisselaars die nog steeds deelnemen aan de valutaveiling twijfelen aan de effectiviteit van de zwarte lijst. Irak heeft geen mechanisme om te voorkomen dat de eigenaars van verboden bedrijven de restricties omzeilen. Ze kunnen simpelweg nieuwe bedrijven oprichten, of een verborgen eigendomsbelang nemen in andere ondernemingen.

    ‘Irak heeft geen onderzoekers of accountants,’ zegt geldwisselaar Abu Omar. ‘Irak heeft ambtenaren die steekpenningen verwachten.’

    Auteur: Margaret Coker*
    Vertaler: Carl Stellweg

    • Suha Ma’ayeh in Amman, Emre Peker in Istanboel, Ali Nabhan in Bagdad en Emily Glazer droegen bij aan dit artikel.

    The Wall Street Journal
    Verenigde Staten | dagblad, oplage 2.000.000

    De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid nodig: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zó patriottisch zijn, dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.

  • De risico’s van een interventie in Libië

    De risico’s van een interventie in Libië

    Het heeft er steeds meer schijn van dat het Westen militair wil gaan ingrijpen in Libië. Maar zal dit de situatie niet juist verergeren?

    Westerse landen staan op 
het punt een offensief te lanceren tegen IS in Libië, aldus een militaire woordvoerder in de westelijke stad Misrata. Maar ter plekke bestaan grote zorgen dat verdere internationale inmenging in het land de situatie alleen maar zal verergeren.

    Libië is de afgelopen weken opgeschrikt door een reeks grote aanslagen van IS, waaronder een bomaanslag op een 
politiebureau in Zliten, bij Misrata, op 
7 januari, waarbij vijfenzestig mensen omkwamen en honderd anderen gewond raakten. Ook heeft IS aanslagen uitgevoerd op de belangrijkste olieterminals van Libië in R’as Lanoef en Sidra. Het zijn deze incidenten die 
hebben geleid tot speculaties dat de VS en zijn bondgenoten hun strijd tegen IS wel eens zouden kunnen uitbreiden naar Libië.

    De situatie op 8 februari.
    De situatie op 8 februari.

    Het nationale oliebedrijf van Libië (NOC) heeft ook opgeroepen tot een interventie om strategische delen van het land, waaronder de olieterminals, te beschermen. Ibrahim Bate el Mal, een woordvoerder voor de militaire raad van Misrata, verklaarde dat officials al gesprekken hebben gevoerd met Amerikaanse, Franse en Italiaanse militaire contacten. ‘Ik kan alleen maar zeggen dat de Amerikanen, Fransen 
en Italianen hebben gevraagd hoe zij de Libiërs kunnen helpen tegen IS te vechten, en dat de operatie niet lang zal duren. We zijn dicht bij een interventie,’ aldus Bate el Mal.

    Maar hij gaf ook toe dat veel mensen bezorgd zijn dat een militaire interventie kan mislukken en het misschien al te laat zou kunnen zijn. ‘Ik denk dat het verkeerd was om zo lang te wachten. We hebben het gevaar waarschijnlijk onderschat. Ik denk dat zelfs de westerse regeringen het verkeerd hebben gezien,’ zei hij. ‘Het punt is dat enerzijds de expansie van IS uit de hand is gelopen, maar dat anderzijds het gevaar bestaat dat de situatie door een militaire interventie alleen maar slechter wordt. Dat is het gevoel van onze mensen en onze troepen.’

    IS zal het spookbeeld oproepen van een westerse overname van het land

    In 2011 was een door de NAVO geleide luchtcampagne – met Amerikaanse, Franse, Italiaanse en Britse steun – van cruciaal belang bij het omverwerpen van het regime van de Libische leider Muammar Kadhafi. Maar het land is sindsdien in de greep van instabiliteit en onrust.

    Volgens Basher Bernani, lid van de gemeenteraad van Zliten, zijn de meeste mensen tegen buitenlands ingrijpen. ‘Deze situatie kan niet 
langer worden opgelost door luchtaanvallen,’ aldus Bernani. ‘Ze hadden eerder tussenbeide moeten komen, maar nu heeft IS Sirte helemaal ingenomen. Er zijn fundamentalistische militieleden in Benghazi, Misrata en Bin Jawad, er zijn “sleeper cells” in Tripoli en hier in Zliten en in Sabratha zijn twee trainingskampen.’

    Mensensmokkel

    Bernani zegt dat de plaatselijke bevolking bang is dat een buitenlandse interventie door IS als propaganda 
kan worden gebruikt om het spookbeeld op te roepen van een westerse overname van het land. Daardoor wint IS aan steun onder jonge mensen en kan de beweging sympathiserende strijders aantrekken uit Tunesië, Marokko, Algerije en andere landen, via de poreuze grenzen van Libië. ‘Het is waarschijnlijk dat Europese militaire actie de situatie zal verergeren en tientallen buitenlandse strijders hierheen zal brengen,’ zegt hij.

    Sinds IS op 7 januari zijn aanwezigheid in Zliten kenbaar maakte door de bomaanslag op het politiebureau, terwijl driehonderd rekruten op het plein daarvóór aan het trainen waren, hebben officials als Bernani voortdurende gewapende bescherming nodig gehad als zij zich door de stad bewogen. Terwijl we over het verwoeste plein lopen, wijst hij op scherven van de bomvrachtwagen, die was volgeladen met stukjes ijzer en scherpe messen om zo veel mogelijk slachtoffers te maken. ‘We hebben de armen en benen van onze jongens teruggevonden op de derde verdieping van het slaapverblijf,’ zegt hij. ‘Twaalf families hebben zonen verloren en kunnen niet rouwen, omdat de lichamen onherkenbaar zijn verminkt.’

    Een Tunesische militaire helikopter bij de grens met Libië, waar een 196 kilometer lange geul is gegraven om de doortocht van voertuigen te bemoeilijken. – © Nacer Talel / Getty
    Een Tunesische militaire helikopter bij de grens met Libië, waar een 196 kilometer lange geul is gegraven om de doortocht van voertuigen te bemoeilijken. – © Nacer Talel / Getty

    Bersani zegt dat onderzoekers denken dat IS het politiebureau op de korrel heeft genomen vanwege de banden met de Libische Kustwacht, die de 
faciliteit ook als rekruterings- en trainingscentrum gebruikte. Hij zegt dat Zliten een belangrijk tussenstation is voor mensen die de Middellandse Zee proberen over te steken naar Europa, en dat IS connecties lijkt te zijn aangegaan met andere militiegroeperingen die betrokken zijn bij de mensensmokkel, als een manier om inkomsten te verwerven. ‘Het wordt nu steeds duidelijker dat IS betrokken is bij de mensensmokkel, waardoor ze verzekerd zijn van grote hoeveelheden contanten,’ zegt hij.

    Volgens andere officials was de aanval in Zliten voor IS ook belangrijk, omdat de beweging zo aantoonde dat ze aanwezig is in de kuststrook tussen Tripoli en Misrata, en dat ze de middelen en de manschappen heeft om elders in Libië aanslagen te plegen.

    Mustafa Ben Aish, een ander lid van de gemeenteraad van Zliten en de directeur van een noodeenheid die in actie kwam na de bomaanslag op het politiebureau, verklaarde dat IS profiteert 
van de machtsstrijd tussen de rivaliserende regeringen in Tripoli en Tobroek. De situatie werd deze maand verder gecompliceerd door de aankondiging van een nationale regering. Deze wordt gesteund door de VN, maar afgewezen door veel leden van de twee concurrerende parlementen van Libië.

    ‘De Libiërs zijn niet klaar voor een nieuwe oorlog’

    Martin Kobler, de VN-gezant voor het land, gaf toe dat het politieke vredesproces te traag is verlopen om gelijke tred te kunnen houden met de expansie van IS. Hij betichtte de groepering van het ‘stelen van grondgebied van het Libische volk’.

    ‘De enige echte winnaar is IS, en de verwoesting van de barakken is daar het bewijs van,’ zegt Ben Aish, terwijl hij een lijst laat zien van de doden en gewonden. ‘De zwaarst gewonden werden geëvacueerd naar andere landen. Er zijn er nu vijftien in Italië en ongeveer twintig in Turkije. Sommigen van hen verkeren in kritieke toestand en iedere keer dat ik een telefoontje van hun familie krijg denk ik dat het in plaats van die jongens ook mijn eigen zoon had kunnen zijn. Dat is heel pijnlijk voor me,’ zegt hij.

    Na de bomaanslag in Zliten heeft IS aanvallen gepleegd op de olieterminals in R’as Lanoef en Sidra, waarbij minstens 37 personen zijn omgekomen en een stuk of vijf opslagtanks in brand zijn gevlogen, zodat een nieuwe klap 
is uitgedeeld aan de toch al zwaar belaagde Libische oliesector.

    Olie

    Vóór de revolutie van 2011 produceerde Libië 1,6 miljoen vaten ruwe olie per dag, vandaag nog geen 350.000. De aanvallen van IS doen vrezen voor een totale ineenstorting van de industrie. Voor IS lijkt het doel niet het verkopen van olie, zoals de beweging in Syrië en Irak heeft gedaan, maar het saboteren van de economie, waardoor Libië nóg instabieler wordt en IS kan profiteren van het machtsvacuüm.

    Volgens Bate el Mal zijn de militaire inlichtingenchefs bang dat een mogelijke interventie het land verder kan destabiliseren. IS-strijders uit Syrië, Irak en van elders zouden aan de oproep 
gehoor kunnen geven het territorium van het zelf uitgeroepen kalifaat te komen verdedigen. Hij zei dat strijders uit Soedan, Tunesië, Egypte, Algerije en Jemen zich al in Sirte aan het verzamelen waren, en opperde dat Kadhafi-loyalisten die uit zijn op wraak de beweging in de geboortestad van de vroegere leider steunen, net zoals aanhangers van Saddam Hoessein ervan zijn beticht IS in Irak te hebben gesteund.

    ‘We zien hier gebeuren wat in Irak al met de Baath-partij is gebeurd,’ zei hij.

    ‘De Libiërs betalen nu de prijs voor de gevolgen van hun revolutie. Ze zijn niet klaar voor een nieuwe oorlog, maar hun kinderen sterven door toedoen van IS. Al wat de beweging wil is het land verwoesten.’

    Auteur: Francesca Mannocchi
    Vertaler: Menno Grootveld

    Middle East Eye
    VK | middleeasteye.net

    Onafhankelijke site met een groot reservoir aan correspondenten, die de gebeurtenissen in ‘Midwest-Azië’ op de voet volgen o.l.v. David Hearst, afkomstig van The Guardian.

    CHRONOLOGIE: van hoop tot chaos

    20 okt 2011 | Dictator Muammar Kadhafi wordt gedood in Sirte. Drie dagen later roept de Nationale Overgangsraad (CNT) ‘de bevrijding’ van het land uit als slotstuk van de opstand die in februari begon en door een westerse coalitie wordt ondersteund.

    7  juli 2012 | Eerste vrije verkiezingen. Het Verbond van Nationale Krachten (AFN) komt als winnaar uit de bus. Het correcte verloop van de verkiezingen lijkt hoopgevend. Op 8 augustus draagt de CNT de macht over aan het parlement, de Algemene Nationale Raad (CGN).

    14 okt 2012 | Ali Zeidan wordt tot premier benoemd.

    2013 | De milities die Kadhafi hebben bestreden, weigeren de wapens neer te leggen en blijven actief in de grote steden. Islamistische stromingen, in het parlement vertegenwoordigd door de Partij voor Recht en Wederopbouw (PJC), blijven de regering in de wielen rijden. In het oosten van het land roeren de federalisten van Ibrahim Jadran zich. Het komt sporadisch her en der tot botsingen.

    20 feb 2014 | Vorming van een Grondwetgevende Raad, die in april voor het eerst bijeenkomt.

    11 maart 2014 | Ali Zeidan wordt afgezet en ontvlucht het land. Abdallah al-Theni neemt tijdelijk zijn plaats in.

    16 mei 2014 | Generaal Khalifa Haftar, ex-balling in de VS, duikt op in Libië en begint de Operatie Waardigheid tegen de islamistische milities.

    25 juni 2014 | Opnieuw verkiezingen. Het nieuwe parlement, zetelend in Tobroek, krijgt internationale erkenning.

    22 augustus 2014 | Een coalitie van islamistische milities, waaronder de Libische Dageraad, bezet Tripoli en steunt de CGN, die weigert het nieuwe parlement te erkennen.

    september 2014 | Er komt een dialoog op gang onder leiding van de VN-gezant Bernardino Léon.

    september 2014 | IS duikt op in Derna.

    januari 2015 | IS bezet Sirte, maar wordt uit Derna verdreven.

    17 dec 2015 | Er wordt in Skhirat (Marokko) een akkoord gesloten tussen een aantal strijdgroepen na bemiddeling van de nieuwe VN-gezant Martin Kobler.

    14 jan 2016 | Gevechten met IS rond de belangrijkste olie-installaties.

    19 januari | Er wordt een regering van nationale eenheid gevormd onder leiding van de voormalige architect Faiez Sarraj, onafhankelijk van beide ‘parlementen’. De regering zal in Tripoli zetelen. Om alle politieke groeperingen en alle etnische minderheden een stem te geven, telt deze regering 32 ministers, maar zij wordt (nog) niet erkend door alle deelnemers.

  • Belmokhtar, tegen het Westen én IS

    Belmokhtar, tegen het Westen én IS

    Mokhtar Belmokhtar, het vermoedelijke brein achter de recente aanslagen in Bamako en Ouagadougou, blijft in alle opzichten ongrijpbaar.

    Mokhtar Belmokhtar werd in 1972 in het noorden van Algerije geboren en zou nu dus 43 [of 44] jaar zijn. Zoals meestal wanneer het gaat om wereldwijd gezochte terroristen, spreken ook de bronnen over Belmokhtar elkaar tegen. De afgelopen jaren is er al een aantal keren melding gemaakt van zijn dood, zowel door de Algerijnse regering als door westerse informatiebronnen.

    In zijn jeugd ontwikkelt Belmokhtar een fascinatie voor wapens en de dood, waarna hij zich aansluit bij de islamisten in Afghanistan die tegen de Sovjets vechten. Hij strijdt aan de zijde van 
Bin Laden en zweert hem trouw. (Een van zijn zoons zou hij later trouwens Osama noemen.) In deze zelfde tijd zou hij bij een ongelukje met explosieven een oog zijn kwijtgeraakt [vandaar zijn bijnaam ‘Eenoog’]. Niet altijd even 
handig, die doodsaanbidders…

    Mokhtar Belmokhtar op videobeeld. – © Reuters / Sahara Media
    Mokhtar Belmokhtar op videobeeld. – © Reuters / Sahara Media

    Vervolgens keert Belmokhtar in de jaren negentig terug naar Algerije om aan de zijde van de plaatselijke islamisten tegen de regering te vechten. Vanwege zijn terroristische activiteiten wordt hij door de Algerijnse justitie tweemaal ter dood veroordeeld. Nadat hij begin deze eeuw trouw zweert aan Al-Qaida, stapt hij in 2012 na een conflict met een lokale leider uit AQIM 
[Al-Qaida in de Islamitische Maghreb], waarvan hij op dat moment zelf een van de voormannen is. 
Momenteel is hij de leider van de terroristische organisatie Al-Mourabitoun, een filiaal van Al-Qaida in West-Afrika. En volgens een communiqué 
op satellietzender Al-Jazeera zou hij de aanval op het Radisson Blu-hotel in Bamako op 20 november jl. hebben uitgevoerd in samenwerking met AQIM.

    Achthonderd gijzelaars

    De laatste jaren heeft Belmokhtar twee grote aanvallen op touw gezet in Noord-Afrika en de Sahel: die op een gascomplex in [het Algerijnse] In Amenas in januari 2013, en de dubbele zelfmoordaanslag in een uraniummijn 
in Niger, een paar maanden later. Bij de aanval op het gascomplex in 2013 werden meer dan achthonderd mensen gegijzeld. De operatie was een 
antwoord op de Franse militaire interventie tegen de islamistische groepen in Mali. De aanval kostte het leven aan 39 gijzelaars, maar ook aan 29 strijders van Belmokhtar.

    Belmokhtar ziet meer in af en toe een grote aanslag dan in het regelmatig plegen van kleine aanslagen

    
Volgens Paul Melly, analist bij het Afrika-
programma van de Britse denktank Chatham House, heeft Belmokhtar altijd meer gezien in af en toe een grote aanslag met veel impact dan in het regelmatig plegen van kleine aanslagen. Zijn terroristische beweging is gekant tegen IS. De aanval op het Radisson Blu-hotel in Bamako [evenals de aanslagen van 15 januari jl. op het Splendid-hotel en café Cappuccino in Ouagadoudou, Burkina Faso, waarbij dertig doden vielen] zou trouwens ook 
onderdeel kunnen zijn van een soort gruwelijkheidscompetitie met IS. 
Dat Belmokhtar tegen IS is, valt te 
verklaren uit politieke en ideologische meningsverschillen. Hij heeft namelijk kritiek op de aanvallen die IS uitvoert op moslims in Syrië en keurt het af 
dat de terroristische organisatie verdeeldheid zaait onder de moedjahedien in het Midden-Oosten. Daarnaast is Al-Mourabitoun verwikkeld in een concurrentiestrijd met Boko Haram. Het noemt zichzelf overigens graag Al-Qaida in West-Afrika, als tegenhanger van de naam Islamitische Staat in West-Afrika, waarmee de gekken van Boko Haram zich graag tooien.

    In deze Champions League van gruwelijkheid verwacht je dat de scheidsrechter voor het einde van de wedstrijd fluit. Maar dan moet er wel een reglementaire speeltijd zijn…

    Auteur: Tarek S.W.

    Algérie-Focus
    Algerije | www.algerie-focus.com
    Onafhankelijk en geëngageerd, brengt sinds 2008 Algerijns nieuws en achtergronden met als motto ‘De plicht om te weten’.

  • ‘Op korte termijn is er geen andere oplossing dan Assad’

    ‘Op korte termijn is er geen andere oplossing dan Assad’

    Tijdens zijn recente bezoek aan Frankrijk 
gaf de Iraanse president Rohani een exclusief interview aan Le Monde. Hij sprak over Syrië, 
de crisis tussen Iran en Saoedi-Arabië, de strijd tegen het terrorisme 
en de naderende parlementsverkiezingen in zijn land.

    U bent ontvangen door de 
paus in Rome en door 
François Hollande in Parijs. Is Iran niet langer een paria op het internationale toneel?
    ‘Iran is nooit een paria geweest, noch vóór het nucleaire akkoord, noch daarna. In 2013 is mijn initiatief voor een wereld zonder geweld en extremisme unaniem aanvaard door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Ik heb bij die gelegenheid een groot aantal Europese leiders gesproken: ze waren allemaal tegen de sancties en ik kreeg het idee dat er maar weinig landen waren die Iran wilden isoleren. Economisch gezien heeft Iran enigszins onder deze situatie geleden, maar inmiddels is de situatie gunstiger.’

    U wisselt gevangenen uit met de 
Verenigde Staten en er is weer 
diplomatiek contact. Is dat niet al 
een vorm van normalisering?
    ‘Er heeft zich de afgelopen 37 jaar een groot aantal meningsverschillen met de Verenigde Staten ontwikkeld en die los je niet in zo’n korte tijd op. Tijdens mijn gesprek met president Obama heb ik gezegd dat wij de spanningen tussen de twee landen willen verminderen en daar lijkt nu een begin mee 
te zijn gemaakt. Als de verkiezingen 
in Iran en de Verenigde Staten achter de rug zijn, zullen we de draad weer moeten oppakken. De problemen tussen twee grote landen mogen niet eeuwig voortbestaan en op een dag zullen we ze uit de weg ruimen. Maar het is duidelijk dat je niet alles op korte termijn kunt regelen.’

    Is er een ommekeer in de Amerikaanse politiek in de regio, namelijk een toenadering tot Iran en een afstandelijkere houding jegens Saoedi-Arabië?
    ‘Het nucleaire dossier vormde op zich een moeilijk en ingewikkeld probleem. Amerika heeft een actieve en belangrijke rol gespeeld in het oplossen daarvan. Het feit dat wij dit akkoord hebben gesloten met de groep ‘5+1’ – de Verenigde Staten, Rusland, China, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland – betekent een stap voorwaarts. Wat de onderhandelingen over Syrië betreft, wij nemen deel aan dezelfde vergaderingen als de Verenigde Staten, wat enkele jaren geleden nog ondenkbaar was. De situatie is sterk veranderd. De Amerikanen zijn van mening dat Iran het enige land in de regio is dat het terrorisme kan bestrijden. Wij houden regelmatig verkiezingen in Iran, terwijl in de landen om ons heen democratische verkiezingen een zeer zeldzaam fenomeen zijn.’

    Iran is nooit een paria geweest, noch vóór het nucleaire akkoord, noch daarna

    U doelt hier misschien op Saoedi-
Arabië, waarmee u de banden hebt verbroken na de executie van een 
sjiitische hoogwaardigheidsbekleder, gevolgd door de plundering en in het brand steken van de Saoedische ambassade in Teheran…
    ‘Er hebben zich enkele gebeurtenissen tussen onze twee landen voltrokken waarover we het niet eens zijn. Aan de ene kant was er de terdoodbrenging van een belangrijke sjiitische geestelijke die in opstand kwam tegen discriminatie. Het Iraanse volk was daar diepbedroefd over en zelfs de westerse landen hebben deze daad veroordeeld als in strijd met alle principes. Aan de andere kant weet u wat er met de Saoedische ambassade in Teheran is gebeurd. Wij hebben dat niet goedgekeurd, ik was de eerste om het te veroordelen en ik heb opdracht gegeven de schuldigen te arresteren. Ze zitten in de gevangenis en zullen worden berecht. Maar de reactie van Saoedi-Arabië op deze gebeurtenissen was buiten alle proportie. Het deed me denken aan iemand die een fout heeft gemaakt en vervolgens chaos creëert om zijn verantwoordelijkheid te ontlopen. Het Saoedische volk is onze nabuur en geloofsgenoot. We moeten de problemen die ons uiteendrijven 
op een verstandige manier oplossen.’

    De Iraanse president Hassan Rohani. – © Chesnot / Getty Images
    De Iraanse president Hassan Rohani. – © Chesnot / Getty Images

    Welke gestes verwacht u van Riyad om de diplomatieke betrekkingen 
te herstellen?
    ‘Het land dat de diplomatieke betrekkingen heeft verbroken zal de eerste stap moeten zetten om ze te herstellen en deze situatie op te lossen. Ik ben ervan overtuigd dat Saoedi-Arabië zijn daden in de toekomst zal betreuren. Wij hoeven niets goed te maken.’

    U beschuldigt Saoedi-Arabië ervan dat ze het terrorisme en de Islamitische Staat financieren. Welke bewijzen hebt u daarvoor?
    ‘Dat is niet zo moeilijk, je hoeft het maar aan de regeringen en volkeren te vragen die getroffen worden door het terrorisme in Irak en in Syrië. Waar komt dat geweldsdenken vandaan? Wat zijn 
de wortels ervan? Wie heeft de eerste 
terroristische acties uitgevoerd, 
welke nationaliteit? Dat valt allemaal makkelijk te achterhalen. Daar ligt 
het probleem niet. Het is noodzakelijk dat iedereen in de regio het terrorisme bestrijdt, want het bedreigt niet 
alleen de regio maar de hele wereld.’

    Bent u bereid de krachten te bundelen en samen te werken met de internationale coalitie tegen IS waarvan Frankrijk en de Verenigde Staten deel uitmaken?
    ‘Er bestaat ook een coalitie van Iran, Irak, Syrië en Rusland, er bestaan een heleboel coalities. Zonder onze hulp zouden ook andere Iraakse steden dan Mosul zijn gevallen. Het gaat niet om de namen, maar om de daden. Als we willen optreden in Irak, moeten we dat afstemmen met de Iraakse regering.’

    Ik ben ervan overtuigd dat Saoedi-Arabië zijn daden in de toekomst zal betreuren

    U verliest veel mensen in Syrië, 
zelfs generaals. Tot wanneer blijft 
u militair in Syrië aanwezig?
    ‘Onze adviseurs zijn aanwezig in Irak en in Syrië op verzoek van de regeringen van die landen. Wanneer er militaire adviseurs naar een oorlogsgebied 
worden gestuurd, kunnen er slachtoffers vallen. Wij zijn niet bereid de onveiligheid in Irak en Syrië te 
accepteren, en zelfs niet in Afghanistan. De onveiligheid in deze landen kan zich uitbreiden naar andere landen. Dus we kunnen niet voorzien hoelang het gaat duren.’

    De vredesonderhandelingen over Syrië moeten op vrijdagochtend 29 januari beginnen in Genève. 
Wat verwacht u ervan? [De onderhandelingen zijn intussen opgeschort tot 25 februari.]
    ‘We hopen dat de onderhandelingen 
zo snel mogelijk zullen zijn afgerond, maar dat zou me verbazen, omdat er in Syrië groeperingen zijn die niet alleen in oorlog zijn met de centrale regering, maar ook met elkaar. Er is ook sprake van buitenlandse inmenging en van buitenlandse wapenzendingen. De oplossing voor de crisis in Syrië is een politieke, maar het zal moeilijk zijn 
om die binnen enkele weken en enkele vergaderingen te realiseren. Dat is te optimistisch gedacht. De Syrische kwestie vereist inspanningen van iedereen, ze moet onze prioriteit zijn. We moeten beginnen met het bestrijden en uitroeien van het terrorisme, zodat er weer vrede en stabiliteit komt en de vluchtelingen kunnen terugkeren. Daarna zal de grondwet moeten worden gewijzigd. Onderhandelingen tussen de centrale regering en de oppositie zullen tot verkiezingen moeten leiden. Er is een heleboel te doen. Een staakt-het-vuren is de eerste stap.’

    De westerse leiders lijken steeds meer bereid om Bashar al-Assad voor lief te nemen, ondanks de misdaden die hij heeft gepleegd.
    ‘Degenen die in Syrië misdaden plegen zijn de terroristen, zij onthoofden onschuldigen, zij plegen massamoorden. Zij zijn de echte misdadigers. We moeten hen te gronde richten, uitroeien. Wat de toekomst van de Syrische regering betreft, die is op dit moment niet aan de orde. Op korte termijn is er geen andere oplossing dan Bashar al-Assad. Als we het terrorisme willen bestrijden, zullen we het Syrische leger moeten helpen, dat zijn werk niet kan doen zonder een stabiele centrale regering. Het dilemma Bashar of geen Bashar doet geen recht aan de realiteit ter plaatse. Daar kunnen we op de lange termijn over nadenken, maar de westerse landen moeten accepteren dat 
de keus niet aan hen is, maar aan het Syrische volk. We zullen eerst moeten zorgen dat het land veilig wordt. Hoe kun je betrouwbare verkiezingen houden als 60 procent van het land door terroristen wordt bezet? Hoe kun je onder die omstandigheden aan een toekomst denken? De strijd tegen het terrorisme is een eerste vereiste.’

    De westerse landen moeten accepteren dat de keus niet aan hen is, maar aan het Syrische volk

    Eind februari komen er parlementsverkiezingen in Iran. Veel kandidaten zijn uitgesloten en u hebt uw irritatie daarover laten blijken. Hebt u de indruk dat bepaalde groeperingen 
uw hervormingen proberen te dwarsbomen?
    ‘De kandidatuur voor de parlementsverkiezingen kent diverse stadia. 
De Raad van Hoeders van de Grondwet zal zich in laatste instantie uitspreken. We wachten op hun interventie zodat een groter deel van de bevolking kan deelnemen. De Iraniërs mogen niet bedrogen worden. Er bestaan bij ons verschillende denkrichtingen en dus uiteenlopende meningen. Men mag oppositie voeren tegen het beleid van de regering, mits dat uiteraard binnen de wettelijke en morele grenzen blijft.’

    Tijdens uw campagne beloofde u 
verbeteringen op het gebied van de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting. Toch worden er nog steeds journalisten gevangengezet 
en minderjarigen geëxecuteerd.
    ‘De regering handelt binnen de grenzen van haar bevoegdheden en het volk weet heel goed wat die grenzen zijn. De rechterlijke macht is onafhankelijk, evenals de wetgevende macht. Het kan gebeuren dat er geen overeenstemming bestaat tussen deze drie machten. 
Ik kan wetten aan het parlement voorstellen die het niet zal aannemen. 
Over bepaalde dossiers kan ik mijn eigen mening hebben. Maar het is van wezenlijk belang dat we ons aan de wet houden. Ook als ik het niet eens ben met een bepaalde maatregel die door het parlement is goedgekeurd en door de Raad van Hoeders is bekrachtigd, ben ik als president verplicht om er uitvoering aan te geven. Wat mijn beloftes betreft, die heb ik voor een groot deel ingelost. Voor de rest doe ik mijn uiterste best. De economische situatie is verbeterd, maar we gaan een moeilijk jaar tegemoet vanwege de olieprijs, die van 100 naar 20 dollar 
per vat is gezakt. Blijft het feit dat de huidige situatie heel anders is dan 
hetgeen ik bij mijn aantreden aantrof, en niemand kan me verwijten maken. Veel mensen kunnen het zich trouwens vandaag de dag permitteren om de regering in alle vrijheid verwijten te maken. Op de universiteiten kunnen politieke groeperingen zich vrijelijk uitspreken. Ik hoop al mijn beloftes in te lossen in de tijd die me rest.’

    Auteur: Christophe Ayad
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000
    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • 7. Nederlaag van de beschaving

    7. Nederlaag van de beschaving

    Een journalist van de Tunesische nieuwssite Leaders noemt de aanvallen op ‘de mooiste stad ter wereld’ een daad van onverbloemde barbarij.

    Woorden schieten tekort 
om uiting te geven aan de gevoelens van verdriet, opstandigheid en afschuw die de gebeurtenissen van afgelopen vrijdagavond in Parijs bij ons oproepen. Op de vraag naar het waarom valt op geen enkele manier antwoord te geven. 13 november 2015. In de geschiedenis zal deze datum vast en zeker op dezelfde manier worden geboekstaafd als die van de aanslag op het World Trade Center. Na 11 september 2001 dacht men dat deze agressie zich nooit ofte nimmer zou herhalen. Vrijdagavond heeft de mensheid een grote stap terug gedaan. Vergeleken met IS zijn de terroristen van Al-Qaida koorknaapjes. Dit betekent de terugkeer van de primitieve mens, van de wet van de jungle, van onverbloemde barbarij. Het is de neder
laag van de rede, van het denken, van de beschaving.

    De keuze voor Parijs was niet toevallig. Parijs is de mooiste stad van de wereld, de stad waar de mensen voor het eerst in de geschiedenis zijn opgestaan tegen tirannie en onderdrukking, waar de eerste verklaring van de rechten van de mens werd uitgevaardigd, waar de briljantste en meest vrije geesten zijn geboren of hebben geleefd. Parijs is de kwintessens van de universele beschaving. Het is tegen dit symbool dat de vijanden van de menselijke soort zich hebben gekeerd. De tientallen doden die zijn gevallen in Le Bataclan of in de straten van Parijs, slachtoffers van het meest abjecte terrorisme dat nota bene uit naam van een religie wordt bedreven, zijn vóór alles onze ‘broeders in menselijkheid’, net als de slachtoffers van 
het Bardomuseum en [de kustplaats] Sousse en die van het World Trade Center. Op vrijdag was niet alleen Parijs het doelwit, maar de hele mensheid.

    Eén vraag brandt op mijn lippen. De moslims hebben hem altijd ontweken. Maar nu is het tijd om zich er serieus over te buigen. Ik richt me zowel tot mijn landgenoten als tot al mijn geloofsgenoten op de wereld. Waarom baren onze samenlevingen, andere dan alle andere, zulke monsters?

    Auteur: Mustapha
    Vertaler: Peter Bergsma

    Leaders
    Tunesië, leaders.com.tn
    Nieuwssite voor m.n. Tunesische actualiteiten, sinds 2011 ook als maandblad verkrijgbaar.