Hoe moet het verder met deze wereld? Ontwerper Bruce Mau ziet het zo: er zijn twee keuzes die zich opdringen. Of gebruikmaken van alle mogelijkheden die dit tijdperk ons biedt en een sprong in de ongewisse toekomst maken. Of ons blijven wentelen in veilige, vertrouwde patronen.
2018 was de vijftigste verjaardag van wat ik als de laatste grote revolutie beschouw: de chaos van 1968, het jaar toen in de Vietnamoorlog het tij begon te keren, overal studentenprotesten uitbraken en de Praagse lente hardhandig de kop werd ingedrukt. Tegenwoordig wordt Noord-Amerika geconfronteerd met niet één, maar twee revoluties: een revolutie van kansen en een revolutie van afwijzing. Het voelt misschien niet als een revolutionaire tijd, maar wie goed om zich heen kijkt, ziet dat economische, sociale en politieke krachten ons momenteel in twee richtingen trekken. De ene richting zal ons verder vooruit stuwen, de andere zal ons terugduwen. Ons lot hangt af van welke revolutie wij omarmen.
De revolutie van kansen wordt gedreven door onderwijs, wetenschap, innovatie en design. Ons dagelijks leven kan altijd slimmer, sneller, gemakkelijker, lichter, groener, rechtvaardiger, opener, toegankelijker en mooier. Van de energiebronnen die we gebruiken tot de producten die we kopen, van het voedsel dat we eten tot de manier waarop we omgaan met onze omgeving en met elkaar, alles wordt zo ontworpen dat het steeds beter aan onze behoeften voldoet.
Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit
Praktisch elke meetbare trend van belang is in de afgelopen tweehonderd jaar ten goede gekeerd. Grote problemen zijn opgelost, van de bestrijding van besmettelijke ziektes tot gratis openbaar onderwijs. We zijn op de maan geland. We hebben continu mensen aan het werk in een internationaal ruimtestation, we laten een wagentje over Mars karren en lanceren kneitergrote raketten die op eigen kracht kunnen landen. Vele naties bundelen hun krachten in de strijd tegen polio, malaria, aids, ebola, armoede, honger en klimaatverandering. We hebben een wereldwijde infrastructuur voor de productie en het vervoer van goederen, voor vliegverkeer en telecommunicatie. Meer dan vier miljard mensen hebben inmiddels toegang tot internet, en daarmee tot enorme hoeveelheden informatie en nieuwe kansen, en de landbouwproductie is ten opzichte van 1961 meer dan verdrievoudigd.
Toch zijn veel commentatoren er op de een of andere manier van overtuigd dat we achterop raken. ‘In Amerika neemt het vertrouwen af,’ kopte The Atlantic in januari 2018 bij een artikel over het dalende vertrouwen in de overheid, de media en het bedrijfsleven. In een Ipsos-enquête zei meer dan de helft van de Canadese ondervraagden in 2017 dat de jongeren van nu slechter af zijn dan de generatie van hun ouders. We zijn ervan overtuigd dat we slecht presteren, dat onze instellingen falen, dat we niet in staat zijn de belangen van de wereldgemeenschap boven onze persoonlijke of nationalistische belangen te stellen, niet van onze fouten leren en niet bereid zijn ons gedrag te veranderen in het algemeen belang.
In 1820 leefde naar schatting 94 procent van alle wereldburgers in extreme armoede. Het verschil tussen rijk en arm was gigantisch. Tegenwoordig is Warren Buffett een van de rijkste mensen ter wereld, maar hoewel hij over mogelijkheden beschikt die ik niet heb, zien onze levens er niet zo heel verschillend uit. We kunnen allebei onderwijs genieten, met het vliegtuig reizen en op vakantie gaan, we hebben mobiele telefoons, computers en internet, we drinken koffie van Starbucks en maken gebruik van Google. Dat al die mogelijkheden wereldwijd openliggen voor miljarden mensen is hét kenmerk van onze tijd.
Nooit is er in de geschiedenis zoveel rijkdom gecreëerd als in de afgelopen vijftig jaar. Miljarden mensen zijn toegetreden tot de mondiale middenklasse. Die groep telt volgens één studie nu 3,8 miljard mensen en is daarmee voor het eerst in de geschiedenis groter dan de groep mensen die in armoede leeft. Door nieuwe vormen van betalingsverkeer en economische uitwisseling hebben ook de allerarmsten tegenwoordig toegang tot de rijkdom van de markt. De Keniaanse mobiele betaaldienst M-Pesa schijnt twee procent van de Keniaanse huishoudens uit de armoede te hebben getild, louter door deze mensen voor het eerst toegang te bieden tot een bankrekening. Dat is de revolutie van kansen: zorgen dat iedereen die kansen kan benutten.
De revolutie van afwijzing staat voor wanhopig vasthouden aan verouderde technologieën, industrieën en energiesystemen, ongeacht de gevolgen voor mens, milieu en economie. G20-landen geven nog steeds 444 miljard dollar subsidie aan fossiele brandstoffen. (In 2016 gaf Canada 3,3 miljard dollar aan de fossiele-brandstofindustrie.) Ondanks de dalende vraag naar steenkool hamert president Trump erop dat de Amerikaanse steenkoolindustrie moet worden gered, en zijn regering heeft tientallen milieuvoorschriften geschrapt, waaronder veiligheidsvoorschriften voor het boren in zee.
De revolutie van afwijzing leidt ook tot een steeds grotere concentratie van rijkdom in de handen van een steeds kleinere groep, zodat één procent van de mensheid nu meer dan veertig procent van alle rijkdom ter wereld bezit. De inkomensongelijkheid is in Noord-Amerika, Rusland, China en India sinds 1980 heel snel toegenomen en in Europa matig, zo blijkt uit het World Inequality Report van 2018. In regio’s waar de ongelijkheid niet is gestegen, was die al extreem hoog: ongeveer zestig procent van alle rijkdom in het Midden-Oosten blijft in handen van de rijkste tien procent van de bevolking. Zelfs in Canada, een land met een levensstandaard die voor velen een ideaal is, is het bezit van de rijkste 87 families gelijk aan dat van alle bewoners van de provincies Newfoundland en Labrador, Prince Edward Island en New Brunswick samen. Het gevaar dreigt dat de rijkste burgers een leven gaan leiden dat volledig is afgescheiden van het onze en zo hun binding met de maatschappij verliezen. De toekomst ligt niet in ommuurde villawijken en vip-lounges, maar in platforms die de voordelen van onze tijd binnen ieders bereik brengen.
Gezondheid
Onze levensduur is ontegenzeggelijk de beslissende graadmeter voor de mate waarin we beschikken over goede gezondheidsvoorlichting, goede zorg en een gezonde leefomgeving. De levensduur neemt wereldwijd al tweehonderd jaar toe. Op sommige plaatsen gaat dat sneller dan op andere en in tijden van crisis of conflict kan de levensduur ook weleens afnemen. Maar de algemene trend is onmiskenbaar. De technologische en wetenschappelijke vooruitgang heeft onze mogelijkheden voor medisch ingrijpen vergroot, resulterend in nieuwe vormen van gezondheidszorg, een lagere kindersterfte en een langere levensduur. Op het vlak van medische innovatie worden er voortdurend nieuwe technologieën voor ingrijpen in het menselijk lichaam bedacht en gerealiseerd.
Armen, benen, handen, gewrichten, tanden, ogen, hart, nieren, huid, oren, alvleesklier, botten, kraakbeen, lever en longen: allemaal kunnen we die nu vervangen of herstellen. Hugh Herr, die aan het Massachusetts Institute of Technology prothesen ontwikkelt en bij het bergbeklimmen zelf zijn onderbenen heeft verloren, grapt weleens dat hij medelijden heeft met mensen die hun ledematen niet kunnen upgraden. Zijn eigen kunstbenen worden steeds beter – hij heeft nu al speciale benen om te hardlopen en om te klimmen – terwijl de rest van zijn lichaam gewoon veroudert, net als dat van andere mensen. Hij voorziet een toekomst waarin prothesen niet alleen worden gebruikt om ontbrekende ledematen te vervangen, maar om het menselijk lichaam te verbeteren, een toekomst waarin kunstmatige alternatieven te verkiezen zijn boven onze eigen botten en organen.
Als wij mensen de handen ineen slaan, kunnen we ziekten compleet van de aardbodem vagen. De pokken was de eerste ziekte die officieel uitgeroeid werd verklaard. Het uitroeien van malaria zal niet lukken, maar de verspreiding ervan kan tegen die tijd wel sterk worden teruggedrongen. Sinds er in 1988 een begin werd gemaakt met het uitroeien van polio, is het aantal ziektegevallen al met minstens 99 procent gedaald.
Ondertussen worden in de revolutie van afwijzing pseudowetenschap en complotdenken verkozen boven wetenschappelijke feiten. Sinds 2009 is in twaalf staten van de VS een stijging te zien van het aantal mensen dat vaccinaties weigert met een beroep op hun ‘wereldbeschouwing’. Ook in Europa grijpt de weerstand tegen vaccinatie eveneens om zich heen. Ongefundeerde geruchten over neveneffecten worden breed uitgemeten en nieuw leven ingeblazen op internet, vooral via sociale media. In dit geval geeft de nieuwe technologie een stem aan groepen die angst willen zaaien en zo de fundamenten van kennis en waarheid ondermijnen.
De revolutie van kansen belooft politieke vrijheid en een ingrijpende machtsverschuiving naar echte democratie in maatschappelijke processen en marktmechanismen. Dat betekent vrij verkeer van mensen, vrijheid van meningsuiting en een vrije pers.
Al sinds halverwege de jaren zeventig stijgt het aantal democratische regeringen ter wereld. In 2016 waren volgens het Pew Research Center bijna zes op de tien regeringen democratisch. Dat is een enorme prestatie, als je bedenkt dat er tweehonderd jaar geleden nog maar één officiële democratie bestond (de Verenigde Staten), waarin je toen alleen nog stemrecht had als je man, blank en grondbezitter was. De afgelopen zeventig jaar heeft een enorme afname van politiek geweld laten zien. In Canada is de maatschappelijke betrokkenheid gegroeid: meer Canadezen zijn lid van groepen en organisaties binnen hun gemeenschap, en volgens cijfers uit 2013 over politieke en culturele organisaties is meer dan de helft van de leden daarin actief via internet. Het internet en alle platforms die daarop mogelijk zijn, maken de weg vrij voor een ongekende participatiegraad in onze democratie.
Soms voelt dat misschien niet zo, en met reden. Wereldwijd zit de vrijheid al tien jaar in het slop: Turkije, Polen, Venezuela en Hongarije glijden af naar een vorm van autocratie. Crowdfunding, sociale media en videoplatforms zijn gebruikt om mensen tegen elkaar op te zetten in plaats van verbinding te zoeken. In Myanmar heeft het leger gebruikgemaakt van Facebook om mensen tot geweld tegen de Rohingya aan te zetten op een manier die doet denken aan het gebruik van de radio tijdens de genocide in Rwanda. En extreemrechtse partijen in Europa zetten sociale media in om de angst voor migranten aan te wakkeren en aan te dringen op sluiting van de landsgrenzen.
Ook de vrijheid van meningsuiting wordt bedreigd. Freedom House constateerde dat van juni 2016 tot mei 2017 dertig van de vijfenzestig regeringen die deze onafhankelijke Amerikaanse mensenrechtenorganisatie volgt, geprobeerd hebben het online debat de kop in te drukken. In Turkije zijn meer dan 180 mediakanalen en uitgeverijen opgedoekt. Staatshoofden als Donald Trump en de Filipijnse Rodrigo Duterte worden steeds feller in hun aanvallen op de media. De laatste heeft persvrijheid zelfs ‘een privilege’ genoemd en gezegd dat journalisten die zijn vermoord waarschijnlijk ‘wel iets gedaan’ zullen hebben om dat te verdienen. In die trends ontwaar ik de revolutie van afwijzing, waarbij leiders angst zaaien om in naam van nationalisme en nationale veiligheid burgerrechten te ontmantelen.
Of we het nou willen of niet, we zijn allemaal afhankelijk van elkaar
Waarom is dat van belang? Omdat we, of we het nou willen of niet, allemaal van elkaar afhankelijk zijn. Op de lange termijn is het succes van de burgers van één land volledig afhankelijk van het succes van alle andere landen. Ideeën, goederen en mensen gaan tegenwoordig met grote snelheid de hele wereld rond. Onze grootste problemen op het gebied van economie, gezondheidszorg, politiek en milieu lopen over landsgrenzen heen. Net als mensen: of je nu denkt aan vluchtelingen die willen ontkomen aan vervolging (of aan de gevolgen van de klimaatverandering) of aan immigranten op zoek naar werk. In 2036 kan één op de twee Canadezen een immigrant of een kind van een immigrant zijn. We moeten daar niet voor terugdeinzen en geen hindernissen opwerpen, maar blij zijn met een wereld waarin culturen, rassen en talen zich vermengen en nieuwe vormen van rijkdom en schoonheid opleveren.
Klimaatverandering
De tweesprong waar we voor staan wordt het scherpst geïllustreerd in de klimaatverandering. Volgens het laatste rapport van het VN-Klimaatpanel hebben we nog maar elf jaar om te voorkomen dat de mensheid te kampen krijgt met verwoestende overstromingen, droogtes en vluchtelingencrises. Als de temperatuur met twee graden stijgt, zal 99 procent van alle tropische koraalriffen sterven, zal een vijfde van de insecten meer dan de helft van hun leefgebied verliezen en zullen miljoenen mensen uit tropische gebieden geëvacueerd moeten worden om te ontkomen aan droogtes en overstromingen. Beperking van de temperatuurstijging tot 1,5 graad of minder – een doel dat het rapport schetst – zou vereisen dat de CO2-uitstoot in 2050 wereldwijd is teruggedrongen tot nul.
Bij zulke sombere voorspellingen is het gemakkelijk om pessimistisch te worden. Maar hoewel we vaak slecht op problemen anticiperen, hebben we ook bewezen dat we kunnen doorpakken als er een crisis voor de deur staat. Er is goed nieuws: overal ter wereld komen mensen en overheden in actie. Een non-profitorganisatie in Michigan is bezig sequoia’s te klonen om met de aanplant daarvan de oude oerbossen te herstellen. Op een strand in Mumbai hebben meer dan duizend vrijwilligers onder leiding van een jonge advocaat 3,5 miljoen kilo afval opgeruimd. China heeft plannen voor een enorme markt in emissierechten en India heeft inmiddels wereldwijd de grootste markt voor het veilen van duurzame energieprojecten.
De twee revoluties die ik heb geschetst, lijken misschien een simplistisch model voor een complexe, steeds veranderende wereld. Maar ze helpen ons te zien hoe we verder moeten. We hebben uiteindelijk allemaal het recht om onze revolutie zelf te kiezen, en zo zal elk land en elke regio zijn eigen keuze maken. Maar als we niet samen kiezen, als we niet samen de revolutie van kansen zien zullen we vanzelf vervallen in de revolutie van afwijzing. En dan lopen we onze kansen mis.
Ooit gold Medellín als de gevaarlijkste stad op aarde. Maar die tijd is voorbij. Tegenwoordig is de stad met zijn zachte klimaat en goede voorzieningen een populaire bestemming voor Amerikaanse bejaarden.
In een drukbezocht café aan een lommerrijke straat in Medellín drinkt Cindy Crawford Thomas een cappuccino. De gepensioneerde lerares uit Colorado Springs vertelt dat het haar geen enkele moeite kostte om het zuiden van Florida te verlaten en zich te vestigen in wat ooit de gevaarlijkste stad van de wereld was. ‘De beslissing om weg te gaan uit Florida was zo genomen. Het leven is daar te hectisch. Je kent je buren nauwelijks. Er zijn veel mensen, maar er is geen cohesie.’
Medellín – waar Pablo Escobar opgroeide en vroeger ’s werelds gewelddadigste drugskartel zetelde – is een warme, kosmopolitische stad, vertellen Thomas en haar man David, met betaalbare huurwoningen, aangenaam weer en goede medische voorzieningen. Bovendien voelen ze zich hier veiliger dan in Florida. ‘Er wordt nog steeds gedacht dat in Medellín het hoogste aantal moorden ter wereld wordt gepleegd,’ zegt Thomas, ‘maar dat klopt niet meer.’
Het echtpaar maakt deel uit van een almaar groeiende golf avontuurlijke gepensioneerden die besluiten naar Colombia te emigreren. In 2017 maakte de Amerikaanse Social Security 6704 pensioenuitkeringen over naar Colombia – een stijging van 85 procent ten opzichte van 2010 en op basis van voorlopige schattingen het hoogste aantal Amerikaanse pensioenen van alle landen in Latijns-Amerika, met uitzondering van Mexico.
Pablo Escobar
Media die zich op gepensioneerden richten, zijn vol lof over Medellín; televisieprogramma’s als House Hunters International brengen de stad prominent in beeld. En dat terwijl Medellín decennialang een plek was waar bezoekers met een grote boog omheen liepen. De stad was de thuishaven van drugsbaron Pablo Escobar en zijn Medellín-kartel. Huurmoorden en aanslagen met autobommen hielden de op een na grootste stad van het land in een wurggreep. Gedurende een groot deel van de jaren negentig werden er de meeste moorden ter wereld gepleegd, met als dieptepunt het jaar 1995: 225 moorden per 100.000 inwoners.
Ondanks de bloedige reputatie die nog steeds aan de stad kleeft, is het aantal moorden gedaald naar 20 per 100.000 inwoners – veel lager dan in steden als St. Louis, Baltimore, New Orleans en Detroit.
‘Nu de stad steeds veiliger is geworden, komen er steeds meer toeristen en gepensioneerden deze kant op,’ zegt Juliana Cardona Quirós, wethouder Toerisme van Medellín. In 2017 bezochten meer dan 735.000 bezoekers de stad, een stijging van 5 procent ten opzichte van het jaar ervoor. ‘En het zijn niet alleen jonge mensen die je in cafés ziet zitten. Ook ouderen hebben de potentie van Medellín ontdekt,’ aldus Cardona. ‘Ze waarderen het zachte klimaat, het goede openbaar vervoer en een leven in een door natuur en bergen omringde stad.’
Toch doen populaire series als Narcos of El Patrón del Mal, die zich afspelen in het gewelddadige verleden van de stad, afbreuk aan de reputatie van Medellín. Toen Nancy Kiernan en haar man met de gedachte speelden om na hun pensioen in Latijns-Amerika te gaan wonen, sprak ze een man die enorm enthousiast was over Medellín. ‘We glimlachten beleefd,’ weet ze zich nog te herinneren, ‘terwijl ik hem in gedachten voor gek verklaarde.’
De 59-jarige Kiernan komt uit Maine en is manager medische dienstverlening. Toen ze bijna zes jaar geleden naar Medellín verhuisde, kende ze nauwelijks expats van haar leeftijd. Dat is wel anders sinds de stad zo vaak genoemd wordt in artikelen over pensioengerelateerde onderwerpen. Niet alleen trekt Medellín Amerikanen aan die in de VS wonen, maar ook Amerikanen die zich al hadden gevestigd in landen als Ecuador of Panama. ‘Sommige delen van de stad zitten vol gringo’s,’ zegt Kiernan.
Het echtpaar Thomas verhuisde zes weken geleden van Boquete – een stad met ongeveer 25.000 inwoners in het noorden van Panama – naar Medellín. ‘Ik vond het daar saai, dus besloten we te kijken of Medellín beter zou bevallen,’ aldus Cindy Thomas.
Ze vonden er een driekamerappartement dat ze delen met hun drie honden en drie katten. Ze betalen ongeveer 1400 dollar per maand. Hun maandelijkse uitgaven, inclusief lidmaatschap van een sportschool en frequente uitjes, schatten ze op ‘ruim onder de 3000 dollar’. Volgens Kiernan kan het overgrote deel van de mensen comfortabel leven voor minder dan 2000 dollar per maand. ‘Colombia is niet het goedkoopste land om in te leven, maar het is goed te doen,’ zegt Kiernan, terwijl ze haar vruchtensap drinkt in een glimmende shoppingmall vol winkels met internationale merken. ‘Het weer is fantastisch, het is een kosmopolitische stad, je kunt water uit de kraan drinken en de dienstverlening is deugdelijk.’
De stad heeft een internationale luchthaven, waardoor Medellín makkelijk toegankelijk is vanuit de oostkust van de Verenigde Staten. Daarnaast zijn alle mogelijke medische voorzieningen aanwezig. Uit een enquête over het jaar 2017, gepubliceerd in het tijdschrift América Economía, blijkt dat 7 van de 49 belangrijkste ziekenhuizen van Latijns-Amerika in Medellín staan. Een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie plaatst Colombia op plek 22 in een ranking van medische voorzieningen in 190 landen, boven de Verenigde Staten en Canada, die op nummer 37 en 33 staan. Emigranten met een permanente verblijfsvergunning die in Medellín wonen, kunnen zich inschrijven bij het ziekenfonds, dat maar 30 dollar per maand kost. David Thomas vertelde dat een vriend met een particuliere verzekering onlangs met een hartaanval met spoed naar het ziekenhuis moest. Hij hoefde maar 14 dollar uit eigen zak te betalen.
Colombia is nog altijd de grootste cocaïneproducent ter wereld, de regering blijft strijden tegen linkse guerrillastrijders en nog altijd zijn politieke moorden dagelijkse realiteit
Ondanks de juichende woorden is Medellín niet voor iedereen geschikt, vindt Brad Hinkelman, eigenaar van Casacol, een makelaarskantoor dat diensten verleent aan beleggers die in vastgoed willen investeren en aan gepensioneerden die een tweede woning zoeken. Hinkelman verwijt de media dat ze onrealistische verwachtingen scheppen van Medellín: of het is een poel van verderf waar harddrugs de dienst uitmaken, of het is ‘het Parijs van Latijns-Amerika’. ‘Er komen mensen naar ons kantoor die niet adequaat zijn voorbereid op een leven in deze stad,’ zegt hij. ‘Ze denken dat ze met een uitkering een luxeleven kunnen leiden. Aan ons de taak om hen te confronteren met de werkelijkheid.’
Bovendien kampt Colombia nog steeds met omvangrijke en hardnekkige problemen. Het land is nog altijd de grootste cocaïneproducent ter wereld, de regering blijft strijden tegen linkse guerrillastrijders en nog altijd zijn politieke moorden dagelijkse realiteit. Desondanks plaatste het gezaghebbende tijdschrift International Living, dat zich richt op gepensioneerden, Colombia als zesde op de lijst van landen waar je na je pensioen het best kunt gaan wonen.
Het echtpaar Thomas gaf les op de J.P. Taravella High School in Broward County, op ongeveer 8 kilometer van de Marjory Stoneman Douglas High School, waar onlangs zeventien leerlingen en docenten met een geweer werden afgeslacht. En de moeder van David Thomas woonde een tijd in het bejaardenhuis in Hollywood waar in 2017 twaalf personen omkwamen door een elektriciteitsstoring die werd veroorzaakt door de orkaan Irma. Incidenten als deze maken dat er op een andere manier naar de wereld wordt gekeken, waardoor zelfs een stad met de reputatie van Medellín veilig lijkt. ‘Ik denk niet dat we ooit nog terugkeren naar Florida,’ aldus Cindy Thomas.
In 1977 voor het eerst uitgebracht als bijlage van de Miami Herald, sinds 1986 op eigen benen. Dé Spaanstalige krant (de tweede en meest gelezen in de VS) van de latinogemeenschap in Miami.
Als negenjarige jongen zag de Duitse journalist Johannes Böhme de Elfstedentocht op televisie. Sindsdien koestert hij elke winter dezelfde hoop als wij: gaat het eindelijk weer gebeuren?’
De horizon in Friesland loopt zo recht boven het vlakke landschap dat het lijkt alsof een reus met een liniaal een lijn heeft getrokken. Een scherpe grens, die het fletse blauw van de winterhemel en het groenbruin van de velden van elkaar scheidt. De enige hobbels zijn reusachtige boerderijen, met riet gedekt, als piramiden in een woestijn van gras. En over dit alles fluit onophoudelijk de wind. Het is een landschap voor mensen van weinig woorden en met grote verlangens. Die zonder morren regen en duisternis doorstaan en hun dromen decennialang met zich meevoeren.
Dromen zoals die waar het hier om gaat. Met elke dag vorst komt hij meer tot leven. Het is de droom van het dichtvriezen van rivieren, vaarten en sloten die hier in het Noord-Nederlandse Friesland als een vroegmodern internet alles met elkaar verbinden – velden met dorpen, dorpen met andere dorpen, steden met steden. De droom dat je dan op schaatsen door dit vlakke landschap kunt glijden als een Maserati over de snelweg; moeiteloos, haast gewichtloos, alleen te overtreffen door vliegen. Het is de droom van de Elfstedentocht, een schaatswedstrijd met start en finish in Leeuwarden over een 200 kilometer lang parcours, door elf Friese steden, met meer dan 30.000 deelnemers en een miljoen toeschouwers.
De Elfstedentocht is de grootste schaatswedstrijd ter wereld – als hij tenminste weer eens zou plaatsvinden. De laatste keer dat hij werd verreden, weet ik nog, zat ik bij mijn oma voor de televisie. Ik was negen jaar. De dag: 4 januari 1997. Het was een van die bezoekjes aan oma waarbij ik me stierlijk verveelde, en op een gegeven moment werd ik voor de stokoude televisie met eikenhouten bekleding geplant, die maar drie zenders had. Op een ervan schaatsten mannen in bonte pakken als gekken door een winterlandschap, met erachter een motor met zijspan van de Nederlandse televisie. En wanneer een van die mannen in een scheur bleef haken, maakte hij een doodsmak op het ijs.
Ik had net leren schaatsen en kon me absoluut niet voorstellen dat je in zo’n tempo op die dingen kon rijden. Langs het parcours stonden destijds tienduizenden mensen in typische winterjassen uit de jaren negentig, met groen, lila en rood. De vijf koplopers zetten bij de finish in Leeuwarden een lange sprint in. Winnaar Henk Angenent werd de ‘held der helden’ genoemd en bijna platgedrukt door de juichende menigte. En op een of andere manier was zelfs voor mij als negenjarige duidelijk dat er zojuist iets buitengewoons was gebeurd.
Sindsdien zijn er twintig jaren verstreken. Twintig jaren waarin de wedstrijd niet door kon gaan omdat het te warm was of het ijs te dun. Twintig jaren waarin de Nederlanders steeds weer opnieuw tegen elkaar zeiden dat de volgende winter vast weer koud genoeg zou zijn. Er is zelfs een woord voor de irrationele hoop die veel mensen in Nederland vanaf december koesteren: Elfstedenkoorts. Bij mij leidt dat tot vragen. Hoe hou je iets levend wat decennialang niet plaatsvindt? Hoelang kan zo’n pauze duren voordat ook de laatste schaatsliefhebber gefrustreerd afhaakt? Hoe train je voor zo’n wedstrijd?
Wanneer ik in februari ’s nachts in de auto stap naar Friesland is het nog min tien, nu is het min twee. Het is een ochtend die zo koud is dat hij euforisch stemt. Nog twaalf, dertien van dit soort dagen, denk ik.
Als eerste wil ik me laten uitleggen waarom dat weer zo’n complicerende factor is geworden. Vroeger vond de tocht namelijk een stuk vaker plaats. In 1909, 108 jaar geleden, werd de eerste Elfstedentocht verreden. Er verschenen tweeëntwintig deelnemers aan de start, van wie negen de finish haalden. Sindsdien vond de tocht vijftien keer plaats – maar slechts drie keer in de afgelopen vijftig jaar. De juiste persoon voor het onderwerp weer is Geert Jan van Oldenborgh, klimaatonderzoeker bij het Koninklijk Meteorologisch Instituut in De Bilt.
Zijn uitleg begint natuurlijk met de klimaatverandering. Hij vertelt over het warmer geworden noordpoolgebied, het weer in Groenland en Siberië en eindigt met lagedruksystemen boven de Atlantische Oceaan en de Golfstroom. De essentie van zijn ingewikkelde betoog is dat het ideale weer voor de Elfstedentocht nauwelijks nog voorkomt: twee weken lang koude, droge wind uit Siberië, het liefst zonder sneeuw zodat het ijs overal op het parcours minstens 15 centimeter dik is. ‘De wind waait in de winter nu vaker dan vroeger uit het westen, van zee, met warmere lucht.’
Maar dat is geen reden om de moed te verliezen, zegt Van Oldenborgh: ‘De kans op het juiste weer ligt momenteel elk jaar ergens tussen de vijf en tien procent. We moeten alleen wat meer geduld hebben dan vroeger.’
Nu is de Elfstedentocht geen wedstrijd die je zomaar even zonder training schaatst. Profs doen er iets minder dan zeven uur over, de meeste amateurs ruim tien uur. De tocht is inspannender dan een marathon en wordt na aankondiging binnen drie à vier dagen verreden. Je moet er altijd klaar voor zijn. Het is al moeilijk om je voor te bereiden op de Olympische Spelen: dagelijks trainen voor een wedstrijd die maar eens in de vier jaar plaatsvindt. Hoeveel zwaarder moet het dan zijn om je decennialang in conditie te houden voor een wedstrijd waarvan je niet eens weet of en wanneer hij wordt gehouden?
Maar bij de Nederlanders neemt met het jaar dat de Elfstedentocht niet doorgaat het verlangen, het fanatisme en – als een roulettespeler met een negatieve reeks – het optimisme toe.
De gebroeders Mesu, 24 en 27 jaar oud, zeggen dingen als: “Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij”
Zoals bij Niels en Erwin Mesu, 24 en 27 jaar oud, die dingen zeggen als: ‘Elk jaar dat hij niet doorgaat, komt de Elfstedentocht een jaar dichterbij.’
Ik ontmoet de twee in het beroemde Thialf, het grote ijsstadion in het Friese Heerenveen waar Olympische zeges en wereldtitels worden voorbereid. Aan de buitenkant lijkt het gebouw op een witte ufo, die hier tussen de sloten is geland.
De broers, opgegroeid op een kaasboerderij, behoren tot de wereldtop op natuurijs en in Nederland tot een kleine kring van zo’n tien schaatsers die favoriet zouden zijn voor een zege in de Elfstedentocht. Elke winter nemen ze deel aan wedstrijden, van Zweden tot Oostenrijk.
De broers Mesu hebben een lichaam dat gemaakt lijkt te zijn voor het schaatsen: een kromme rug, een haast anorectisch dunne torso en extreem gespierde benen. Erboven een open, kinderlijk gezicht met grote ogen. Ze steken hun blote voeten in de nauwsluitende schaatsen en persen zich in hun schaatspak van elastaan – zodra ze op het ijs staan oogt elke beweging moeiteloos, lijkt elke slag van een andere planeet. Met zes lange, krachtige slagen leggen de twee 150 meter af; met ruim 40 kilometer per uur suizen ze over de baan.
Op het wedstrijdparcours buiten zouden ze langzamer gaan, maar niet heel veel. De tocht van 200 kilometer zouden ze met een gemiddelde van 30 kilometer per uur schaatsen. Je reinste waanzin als je bedenkt dat de wedstrijd om vijf uur ’s ochtends in het stikdonker begint, er scheuren in het ijs zitten en de schaatsers groepjes vormen waarin ze niet meer dan een armlengte afstand van elkaar houden.
De twee broers trainen het hele jaar door vrijwel elke dag. Ze gaan niet naar feesten, zoals de studiegenoten van Niels aan een hogeschool in Leeuwarden, waar hij Dier- en Veehouderij studeert. Ze drinken ook geen alcohol, zelfs geen biertje op de vrijdagmiddagborrel, zoals de collega’s van Erwin bij het advies- en accountantskantoor waar hij halve dagen werkt.
En ergens lijken ze er zeker van te zijn dat ze hun kans zullen krijgen. Dat in de niet al te verre toekomst de dag zal komen waarop ze kunnen laten zien dat ze harder, sterker en onvermoeibaarder zijn dan de rest van de naar schatting dertigduizend deelnemers, die allemaal lid moeten zijn van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden. De vereniging die de wedstrijd organiseert laat namelijk alleen maar leden toe op het ijs, zodat het niet te druk wordt.
Schaatsmuseum
Wanneer ik in Hindeloopen arriveer, een stadje waar de schaatsers er ongeveer 80 kilometer zouden hebben opzitten, is het weer nog hoe het moet zijn. De zon schijnt, maar het is lekker koud, net onder het vriespunt. De weersvoorspelling belooft echter niet veel goeds: vanmiddag wordt het warmer. Plus vijf graden.
Hindeloopen is een Friese idylle: vissersbootjes met zeilen, bakstenen huisjes achter de dijk en een supermarkt die zo klein is dat hij nog altijd de sfeer ademt van de buurtwinkel die hier ooit zat. In een van de huisjes midden in het stadje bevindt zich het Schaatsmuseum, dat alles verzamelt wat er zoal te verzamelen is over de Elfstedentocht. Zoals de zilveren kruisjes, die iedereen krijgt die de lijdensweg voor middernacht heeft voltooid. De neonkleurige pakken van de winnaars uit de jaren tachtig en negentig. En oude schaatsen: enkele waren al een eeuw geleden in gebruik bij boeren en op één paar heeft ooit een Nederlandse koningin over het ijs gezwierd.
Om de paar jaar komt een oud-winnaar op bezoek, die een rondje langs de vitrines maakt en iets achterlaat voor de collectie in deze tempel. Het museum wordt beheerd door de 47-jarige Pieter Bootsma, een ongekunstelde, zelfs voor Friese begrippen weinig spraakzame man met dik roodblond haar. Praten hoeft Bootsma vandaag ook niet veel: op deze winterdag is er niemand gekomen, we zijn helemaal alleen. En dat vindt Bootsma voor dit moment niet erg: ‘Er wordt beweerd dat het een romantische dag zal worden wanneer de tocht eindelijk weer wordt gehouden, maar in werkelijkheid zal het een gekkenhuis worden. Iedereen wil erbij zijn, tienduizenden mensen zullen hiernaartoe komen om het mee te maken.’
De grote angst is inderdaad niet dat er na twintig jaar niemand meer zal komen, maar dat er te veel mensen komen. Er liggen zelfs noodplannen klaar om de snelwegen naar Friesland af te sluiten en geen treinen meer te laten rijden naar de provincie wanneer er meer dan twee miljoen mensen op pad zouden gaan. ‘Dat wordt een hele mooie business,’ zegt Bootsma grijnzend.
In Leeuwarden, de provinciehoofdstad, woont de 61-jarige Eddie Huitema, een heel gewone schaatsfanaat, zoals er in Nederland duizenden zijn. Ik ontmoet hem op de plek waar de tocht van start zou gaan: bij de ijshal van Leeuwarden. Over deze tamelijk kleurloze vierbaansweg zouden duizenden mannen en vrouwen, de schaatsen in de hand, in de duisternis van de vroege ochtend naar het ijs sprinten.
Huitema is leraar, een lange, magere, haast tengere man met een zachte stem die doet denken aan die van een radiopresentator van een cultuurprogramma. Je ziet niet aan hem af hoe hard hij is. Hij was erbij in 1986 en 1997, heeft al vakanties afgezegd voor de Elfstedentocht en heeft die in jaren dat het ijs eigenlijk te dun was op eigen houtje met vrienden geschaatst.
De Elfstedentocht, zegt hij, is een verraderlijke wedstrijd. Van de elf steden die je moet passeren, liggen de eerste vijf dicht bij elkaar. ‘Vaak heb je aan het begin de wind in de rug. Veel deelnemers denken dan dat ze er al bijna zijn.’ Maar dan moet het zwaarste deel nog komen: een meer dan vijftig kilometer lang traject waar de wind van voren blaast en het landschap meedogenloos vlak is, ‘als een ijswoestijn’. Bovendien is het ijs op dat deel vaak bijzonder slecht, omdat het in de smalle wateren is opgedrukt tot bergjes. ‘Tweehonderd kilometer schaatsen doet pijn,’ zegt hij, ‘maar niet meedoen doet nog meer pijn.’
Twee jaar geleden kreeg Huitema een hartinfarct. Zijn vrouw heeft hem verboden ook nog maar te peinzen over meedoen, maar evengoed lijkt hij te overwegen of het dat niet waard zou zijn: zijn leven te riskeren voor de meest grandioze wedstrijd ter wereld. Nog één keer langs de mensenmassa’s te glijden die met een borrel of glühwein in de hand schreeuwen, zingen en dansen op de muziek van blaaskapellen. Nog één keer in het middelpunt van deze tweehonderd kilometer lange Friese Mardi Gras te staan.
In een buitenwijk van Leeuwarden, tegen de achtergrond van enkele eengezinshuizen die stuk voor stuk zo uit een catalogus van prefabwoningen lijken te komen, is naast de vaart een paal in het gras geslagen. Hier zou de eindsprint eindigen, hier zouden helden worden gemaakt.
Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen
De vaart is op deze plek kaarsrecht, de volgende bocht ligt ergens achter de horizon. Een bleke ijslaag met luchtbelletjes bedekt het water. Zou het niet geweldig zijn om nu schaatsen aan te trekken en er gewoon vandoor te schaatsen, kilometer na kilometer?
Ik laat een vuistgrote steen vallen om te controleren of het ijs stevig genoeg is. De steen kraakt er moeiteloos doorheen en verdwijnt in het donkere, troebele water. Ik stel mijn tocht wel uit, zoals elk jaar bijna 650.000 Friezen doen.
Tot de komende winter, wanneer er weer drie maanden hoop zijn.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
In Duitse natuurgebieden verdween in 27 jaar driekwart van de insecten. Een studie laat precies zien om welke soorten het gaat. Maar niet wat de oorzaak is.
De sterke afname van insecten in Duitsland is absoluut geen verzinsel van een paar insectenliefhebbers of verenigingen van entomologen, zoals sommige media anderhalf jaar geleden beweerden na een hoorzitting in het Duitse parlement. Een onderzoek van Caspar Hallmann van de Radboud Universiteit Nijmegen met behulp van vrijwilligers van de Krefeldse entomologenvereniging, concludeerde onlangs in het onlinetijdschrift Plos One dat het insectenbestand de afgelopen 27 jaar drastisch is verminderd.
Bij metingen over de periode 1989-2016 stelde men vast dat in 63 beschermde Duitse natuurgebieden de biomassa aan vliegende insecten met 76 procent (en in de hoogzomer tot 82 procent) is teruggelopen. Dit verlies betreft nagenoeg alle insectensoorten, van vlinders, bijen en wespen tot en met motten en andere soorten die kunnen vliegen. Vrijwel al deze soorten zijn verantwoordelijk voor de bestuiving van planten, of ze zijn van belang als prooidier voor vogels. Ongeveer 80 procent van de wilde planten is afhankelijk van bestuiving door insecten, en voor 60 procent van de vogels in onze natuur vormen zij de belangrijkste voedselbron. De sterke terugloop in insectenaantallen is ook geen puur Duits fenomeen: betrouwbare studies lieten eerder al zien dat bijenpopulaties in andere landen duidelijk afnemen, en het aantal vlinders op de graslanden van Europa nam af met circa 50 procent.
Wat precies de oorzaak van deze wijdverbreide afname is, blijft vooralsnog onduidelijk. De afnemende aantallen laten zich niet verklaren door alleen een verstoring van de habitat, klimaatverandering of wijzigingen in landgebruik – en daarmee verarming van het agrarische landschap. Tenminste: niet met de nu beschikbare data. Voor Joseph Settele, onderzoeker aan het Helmholz-Zentrum voor Milieuonderzoek in Halle, is dit een van de weinige zwakke punten van deze studie: ‘De auteurs konden niet alle voor het klimaat relevante factoren bij hun onderzoek betrekken. Naar hun eigen zeggen is er nog verdere analyse nodig. Je kunt het klimaat als belangrijke factor dus ook niet uitsluiten. Het idee dat weersveranderingen of wijzigingen in landgebruik de algehele teruggang niet kunnen verklaren, is een versimpeling die op zijn minst misleidend is.’
Volgens Settele is het vinden van oorzaken voor veranderingen die zich op wereldschaal voordoen uiterst complex. Zo kunnen effecten van de klimaatverandering, zoals stijgende temperaturen en een hogere stikstoftoevoer, plaatselijk leiden tot verdichting van de vegetatie en juist een koeler microklimaat, zodat het grotere plaatje wordt versluierd.
De uitsplitsing naar soorten die de Krefeldse onderzoekers hebben gemaakt, noemt Settele juist weer een sterk punt van de studie. In de toekomst zouden volgens hem ook plekken buiten de beschermde natuurgebieden op deze manier moeten worden onderzocht, om te kijken hoe de situatie daar is.
Settele: ‘Hier stuit de amateuronderzoeker op zijn grenzen. Het is toch al enorm wat deze mensen tot dusverre hebben gepresteerd. Het is hard nodig dit soort waarnemingen systematisch te gaan verrichten – als een publieke taak, met publiek geld.’
Ook natuurbeschermingsexpert Alexandra-Maria Klein van de Universiteit van Freiburg benadrukt dat er nog losse eindjes aan het onderzoek zitten. ‘Of de afname in andere ecosystemen, zoals agrarische of bosbiotopen, vergelijkbaar is, valt op basis van deze studie niet te zeggen.’
De noeste arbeid van de Krefeldse insectenvangers wordt door alle ecologen unaniem geprezen. Voor Teja Tscharntke, agrarisch ecoloog aan de Georg-August-universiteit in Göttingen, ‘maken studie en uitkomsten een solide, overtuigende indruk’. De dramatische afname van de insectenaantallen laat zien ‘dat beschermde natuurgebieden nog slechts in zeer beperkte mate als toevluchtsoord dienen voor soorten die agrarische landschappen bevolken’.
Zoöloog Johannes Steidle van de Hohenheim-universiteit in Stuttgart windt er nog minder doekjes om: ‘De resultaten van het onderzoek zijn schokkend. Het beetje hoop dat er mogelijk vraagtekens konden worden gezet bij de verontrustende informatie die al eerder naar buiten was gekomen – bijvoorbeeld omdat de studie gebreken vertoont – is vervlogen. Op het werk is methodisch niets aan te merken en het laat voor een groot geografisch gebied in Midden-Europa een massieve teruggang in de biomassa aan insecten zien. We zijn in een nachtmerrie beland, aangezien insecten een essentiële rol spelen bij het functioneren van onze ecosystemen.
Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.
In de Noord-Spaanse stad Gijon ligt de temperatuur in november normaal gesproken rond de 15 graden. De zon schijnt er dit jaargetijde hooguit drie uur per dag.
Op 21 november jl. was de situatie iets anders, getuige deze foto. Lokale zonaanbidders genoten van ongekend zomerse temperaturen op het strand van San Lorenzo. Elders in Zuid-Europa had men minder geluk. In Italië viel twee weken eerder al de eerste sneeuw.
Terwijl de ijskappen afbrokkelen en Twitterpresident Trump zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, vraagt de Amerikaanse bestsellerauteur Jonathan Franzen zich af wat zijn rol als schrijver kan zijn in tijden van crisis.
Keuze uit het archief
Recent verscheen het nieuwe boek van de toonaangevende Amerikaanse auteur Jonathan Franzen: Crossroads (Kruispunt, in vertaling van Peter Abelsen). In 2017 schreef Franzen voor The Guardian een doorwrocht essay over zijn eigen schrijverschap, de democratische crisis in de Amerikaanse samenleving, de destructieve rol van sociale media en de klimaatcrisis. Wat hij zich vooral afvroeg: wat kan een schrijver (ik) hieraan doen?
Als we kijken naar de oorsprong van het woord essay – afkomstig van het Oudfranse essai, proef – dan gaat het om iets onderzoekends, iets voorlopigs, een tekst waarin niet het laatste woord over een kwestie wordt gesproken; een tekst op grond van de persoonlijke, subjectieve ervaringen van de auteur – misschien leven we momenteel wel in de gouden eeuw van de essayistiek. Naar welk feestje je vrijdagavond bent geweest, hoe je bent behandeld door een stewardess, hoe jij tegen de politieke waan van de dag aankijkt: social media stoelen op de gedachte dat zelfs het allerkleinste verhaal het waard is om niet alleen te worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een dagboek, maar ook om te worden gedeeld met anderen. De president van de Verenigde Staten handelt ook vanuit die gedachte.
Traditioneel nuchtere journalistiek, zoals te vinden in bijvoorbeeld The New York Times, biedt inmiddels ook volop ruimte aan het ik, met de daarbij horende stemmen en meningen en impressies, en ook literair recensenten voelen zich minder en minder genoodzaakt een zekere mate van objectiviteit te betrachten. Vroeger deed het weinig ter zake of Raskolnikov en Lily Bart sympathieke personages waren, maar de vraag of iemand sympathiek is – waarbij impliciet de gevoelens van de recensent gewicht krijgen – speelt tegenwoordig een cruciale rol binnen de literaire kritiek. Literaire fictie krijgt steeds meer weg van een essay.
In enkele van de meest invloedrijke romans van de afgelopen jaren, van Rachel Cusk en Karl Ove Knausgard, wordt het perspectief van de ik-verteller die op zichzelf reflecteert naar een hoger plan getild. De echte fans van dit genre zullen zeggen dat verbeelding en vernieuwing niet meer van deze tijd zijn; dat het een vorm is van appropriation, om niet te zeggen kolonisering, om je de subjectiviteit toe te eigenen van een personage dat anders is dan de auteur, dat de autobiografie de enige authentieke, en politiek verantwoorde manier van vertellen is.
Ondertussen is het persoonlijke essay – dat serieuze literaire genre waarin sprake is van oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed, in het leven geroepen door Montaigne en verder ontwikkeld door Emerson, Woolf en Baldwin – op zijn retour. Er zijn vrijwel geen grote Amerikaanse tijdschriften waarin nog echte, onversneden essays worden gepubliceerd. Het essay houdt voornamelijk stand in kleine publicaties die meestal minder lezers hebben dan Margaret Atwood volgers heeft op Twitter. Moeten we rouwig zijn om het uitsterven van het essay? Of moeten we blij zijn dat het essay de cultuur in bredere zin heeft veroverd?
Essayistiek
Een persoonlijk en subjectief microverhaal: de paar dingen die ik heb geleerd over het schrijven van essays zijn allemaal lessen geweest van mijn redacteur bij The New Yorker, Henry Finder. Ik klopte bij Henry aan in 1994, als aanstormend journalist in geldnood. Het was deels een kwestie van geluk dat ik een publicabel artikel kon leveren over de US Postal Service. Later schreef ik, door narratieve onkunde, een stuk over de Sierra Club dat niet voor publicatie geschikt was. Dat was het moment waarop Henry zei dat ik misschien wel enige aanleg had voor de essayistiek. Wat ik vooral in zijn woorden hoorde was: ‘omdat je duidelijk een journalist van niks bent’. Ik weerlegde zijn opmerking dat ik aanleg zou hebben voor essayistiek. Ik was opgegroeid in het Midwesten, waar je vooral niet te veel over je zelf moet ouwehoeren, en daarnaast had ik bepaalde vooroordelen, ingegeven door bepaalde misvattingen over romans. Ik was van mening dat je de dingen beter kon uitbeelden dan beschrijven. Maar goed, ik had geld nodig, dus ik bleef Henry aan zijn kop zeuren of ik recensies mocht schrijven. Een van die keren vroeg hij me of ik geïnteresseerd was in de tabaksindustrie – waar Richard Kluger net een omvangrijke studie over had geschreven. Ik reageerde meteen met: ‘Sigaretten zijn echt wel het laatste waaraan ik wil denken.’ Waarop Henry ogenblikkelijk reageerde met: ‘Daarom moet je er juist over schrijven.’
Dat was de eerste les van Henry, en meteen ook de belangrijkste. Nadat ik een jaar of tien had gerookt, was ik erin geslaagd om twee jaar te stoppen toen ik begin dertig was. Maar toen ik dat US Postal Service-stuk mocht schrijven, en met het zweet in mijn handen de telefoon moest pakken om mezelf te introduceren als een verslaggever van The New Yorker, was ik weer gaan roken. In de jaren die volgden, slaagde ik erin mezelf te zien als iemand die niet rookte, of in ieder geval iemand die zo vastbesloten was om weer te stoppen dat ik feitelijk geen roker was – maar ondertussen rookte ik wel. Mijn gemoedstoestand was een soort kwantumgolffunctie waarin ik tegelijkertijd een roker en een niet-roker kon zijn, zolang ik mezelf maar niet de maat nam. En het was zonneklaar dat ik gedwongen zou worden mezelf de maat te nemen zodra ik over sigaretten zou gaan schrijven. Want zo gaat dat met essays.
Nog los van dit alles was er mijn moeder, die haar vader had verloren aan longkanker, en die altijd fel tegen roken gekant was geweest. Ik had vijftien jaar lang voor haar verborgen weten te houden dat ik rookte. Een van de redenen dat ik mijn schimmige staat van roker/niet-roker in stand moest zien houden, was dat ik het vervelend vond om tegen haar te liegen. Zodra het met zou lukken om weer te stoppen, en dan voorgoed, zou de golffunctie ineenstorten en zou ik, honderd procent zeker, de niet-roker zijn die ik altijd had voorgewend te zijn – maar die vlieger ging natuurlijk niet meer op als ik eerst, zwart op wit, moest opbiechten dat ik rookte.
Henry was een wonderkind van ergens in de twintig toen Tina Brown hem had aangenomen, bij The New Yorker. Hij had een heel aparte manier van praten, een beetje afgeknepen, een soort overdreven gearticuleerd gemompel, als een tekst die nauwgezet is geredigeerd maar toch nauwelijks valt te lezen. Ik was onder de indruk van zijn intelligentie en zijn erudiete en na niet al te lange tijd leefde ik in een voortdurende angst hem teleur te stellen. Door de hartstochtelijke nadruk die Henry had gelegd in zijn opmerking ‘Daarom moet je er juist over schrijven’ – hij was de enige spreker van wie ik zoiets kon hebben, het beklemtoonde eerste woord ‘daarom’ gevolgd door het gebiedende ‘moet’ – durfde ik een bescheiden hoop te koesteren dat hij op een bepaalde manier notie van mij had genomen.
En zo begon ik aan mijn essay en pafte elke dag een half pakje lichte sigaretten weg, gezeten voor een ventilator in de vensterbank van mijn woonkamer. Na afloop gaf ik Henry het enige stuk dat ik ooit voor hem heb geschreven dat geen redactie behoefde. Ik weet niet meer hoe mijn moeder het stuk in handen had gekregen en hoe ze me duidelijk maakte dat ze zich intens verraden voelde, of ze me een brief schreef of dat ze me belde, ik weet alleen nog dat ze zes weken lang elk contact meed – verreweg de langste stilte waarmee ze me ooit heeft gestraft. Het ging precies zoals ik had gevreesd. Maar toen ze er dan eindelijk overheen was en me weer brieven schreef, voelde ik me echt gezien, gezien als wie ik echt was, op een manier die nieuw voor me was. Het punt was nog niet eens dat ik mijn ‘ware’ zelf voor haar verborgen had gehouden; het punt was dat er eigenlijk helemaal nooit sprake leek te zijn geweest van een waar zelf.
Drukbezette mens
In Of/Of drijft Kierkegaard de spot met de ‘drukbezette mens’ voor wie druk zijn een manier is om maar niet eerlijk naar zichzelf te hoeven kijken. Misschien word je midden in de nacht wakker en voel je je op dat moment heel alleen in je huwelijk, of bedenk je dat je toch eens een kritisch moet kijken naar de milieuschade van je consumptiepatroon, maar de volgende ochtend heb je van alles en nog wat te doen. Zolang er oneindig veel kleine dingetjes om aandacht vragen, kun je de grotere vragen uit de weg gaan. Het schrijven of het lezen van een essay is natuurlijk niet de enige manier om even pas op de plaats te maken en je af te vragen wie je nou eigenlijk bent en wat de zin van je leven zou kunnen zijn, maar het is wel een goede manier. En als je bedenkt hoe lachwekkend gezapig het Kopenhagen van Kierkegaard moet zijn geweest, in vergelijking met onze moderne tijd, dan lijken die subjectieve tweets en haastige blogposts lang niet meer zo essayistisch. Ze lijken eerder een manier om weg te lopen voor de dingen waar een echt essay ons mee zou kunnen confronteren. We lezen de hele dag door, op verschillende schermen, we lezen dingen die ons in een echt boek niet zouden boeien, en vervolgens klagen we dat we het zo druk hebben.
In 1997 ben ik voor de tweede keer gestopt met roken. En vervolgens, in 2002, voor de laatste keer. En daarna, in 2003, voor de allerlaatste keer – tenzij je de rookloze nicotine meetelt die door mijn bloedbaan trekt terwijl ik dit schrijf. Dat ik probeer een integer essay te schrijven verandert niets aan het gegeven van de meerdere ikken: ik ben nog altijd zowel een verslaafde met een reptielenbrein, als iemand die piekert over zijn gezondheid, als een eeuwige puber, als iemand die kampt met depressies en die aan zelfmedicatie doet. Wat er ondertussen verandert, realiseer ik me als ik even de tijd neem om erbij stil te staan, is dat mijn zelf, dat uit meerdere identiteiten bestaat, iets steviger wordt.
Een deel van het mysterie van literatuur is dat zowel voor de schrijver als voor de lezer het wézen van de betrokkenen zich buiten hun beider lichaam bevindt, op een pagina, wat voor vorm die ook aanneemt. Hoe kan ik het gevoel hebben dat ik waarachtiger ben in mijn teksten dan in mijn lichaam? Hoe kan het dat ik me meer verwant voel met iemand wanneer ik haar woorden lees dan wanneer ik naast haar zit? Het antwoord is er deels in gelegen dat zowel lezen als schrijven volledige aandacht vereisen. Maar het heeft ongetwijfeld ook te maken met een soort ordening die alleen op papier mogelijk is.
A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump
Dit is misschien het moment om twee andere lessen van Henry Finder te vermelden. Een van die lessen luidde dat elk essay, ook een opiniestuk, een verhaal vertelt. De andere les was dat er maar twee manieren zijn om materiaal te ordenen: ‘soort bij soort’ en ‘a leidt tot b’. Deze regels lijken misschien nogal voor de hand liggend, maar wie geregeld essays leest van studenten of middelbare scholieren weet dat het lang niet altijd zo eenvoudig is. Mij was ook niet helemaal duidelijk dat een opiniestuk de regels van een narratief dient te volgen. Maar zeg nou zelf: begint een goede discussie niet vrijwel altijd met het poneren van een ingewikkeld probleem? En wordt er niet vervolgens een onconventionele oplossing aangedragen, waarna er obstakels voor het voetlicht worden gebracht in de vorm van bezwaren en tegenargumenten, waarna we tot slot, via een reeks omkeringen, naar een onverwachte maar bevredigende oplossing worden geleid?
Wie meegaat in Henry’s aanname dat geslaagd proza bestaat uit materiaal dat is geordend in een verhaalvorm, en wie mijn overtuiging deelt dat onze identiteit is opgebouwd uit de verhalen die we over onszelf vertellen, zal het er vermoedelijk mee eens zijn dat het proces van schrijven en het genoegen van lezen ons dicht in de buurt van iemands wezen brengen. Wanneer ik alleen door het bos loop, of met iemand zit te eten, word ik overspoeld door een enorme hoeveelheid willekeurige, zintuigelijke informatie. Door het proces van schrijven valt dat vrijwel allemaal weg, totdat enkel nog alfabet en leestekens resten, en de willekeur steeds verder naar de achtergrond wordt gedrongen. Het kan gebeuren dat je, bij het ordenen van de elementen van een vertrouwd verhaal, tot de ontdekking komt dat het niet betekent wat je dacht dat het betekende. Soms, met name bij een argumentatie (a leidt tot b) is een volkomen nieuw narratief vereist. Door de discipline om een meeslepend verhaal te vertellen, kunnen bepaalde gedachten en gevoelens uitkristalliseren waarvan je je tot dan toe slechts vaag bewust was.
Als je met een hele hoop materiaal zit waarvan je niet meteen ziet hoe je het tot een verhaal kunt smeden, zit er volgens Henry nog maar één ding op: onderverdelen in categorieën, vergelijkbare elementen bijeenbrengen. Soort bij soort. Dat is in ieder geval een overzichtelijke manier van schrijven. Maar patronen hebben ook de neiging zich tot verhalen te ontwikkelen. Het is heel verleidelijk om een a-leidt-tot-b-verhaal te construeren teneinde te begrijpen hoe het kon dat Donald Trump de verkiezingen won, terwijl in brede kring werd verwacht dat hij zou verliezen: Hillary Clinton sprong slordig om met haar mail, het ministerie van Justitie besloot haar niet te vervolgen, daarna doken de [sexting] berichten van Anthony Weiner op, vervolgens liet James Comey het Congres weten dat Clinton misschien alsnog in de problemen zou komen, en uiteindelijk won Trump de verkiezingen. Maar misschien levert het veel meer op om soort bij soort te plaatsen: Trumps overwinning was vergelijkbaar met de uitslag van de stemming over de Brexit en met de rechtse anti-immigratiebewegingen die steeds opnieuw de kop opsteken in Europa. De gevaarlijk nonchalante manier waarop Clinton met haar e-mail omsprong was vergelijkbaar met haar slecht uitgevoerde campagne en met haar beslissing om geen campagne meer te voeren in Michigan en Pennsylvania.
Lijstjesfreak
Op verkiezingsdag was ik in Ghana. Ik was gaan vogelen met mijn broer en twee vrienden. James Comeys bericht aan het congres had de campagne al op zijn kop gezet nog voordat ik naar Afrika vertrok, maar op Nate Silvers toonaangevende peilingenwebsite, FiveThirtyEight, maakte Trump evengoed nog maar dertig procent kans om te winnen. Ik had al vroeg mijn stem uitgebracht op Clinton en bij aankomst in Afrika was ik hooguit een klein beetje ongerust over de verkiezingsuitslag, maar ook tevreden over mijn beslissing om de laatste week van de campagne elders door te brengen en niet tien keer per dag op FiveThirtyEight naar de peilingen te kijken.
Ondertussen was ik in Ghana in de ban van iets heel anders. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik een lijstjesfreak ben. Niet dat ik niet van de vogels zelf hou. Ik ben een vogelaar omdat ik me laaf aan hun schoonheid en diversiteit, omdat ik meer aan de weet wil komen over hun gedrag en hun habitat, en omdat ik graag lange, aandachtige wandelingen maak op plekken die ik nog niet ken. Maar daarnaast hou ik krankzinnig veel lijstjes bij. Ik hou niet alleen bij welke vogelsoorten ik over de hele wereld heb gezien, maar ik heb dat ook nog eens allemaal uitgesplitst naar de verschillende landen of staten van Amerika die ik speciaal met dat doel heb bezocht, of zelfs naar nog specifiekere plekken, zoals mijn achtertuin – en dat dan voor elk afzonderlijk jaar sinds 2003. Ik kan dit dwangmatige bijhouden van gegevens goedpraten door het te beschouwen als een soort spelletje binnen het kader van mijn hobby. Maar het heeft zonder meer iets dwangmatigs. Ik vind dan ook dat ik in moreel opzicht onderdoe voor vogelaars die het puur om het plezier is te doen.
Door naar Ghana te gaan hoopte ik mijn vorige jaarrecord – 1286 soorten – te verbeteren. Ik zat al op meer dan achthonderd in 2016 en ik wist, na wat op internet te hebben gesnuffeld, dat vergelijkbare reizen een kleine vijfhonderd soorten hadden opgeleverd, waarvan slechts een handjevol in Amerika voorkomt. Als ik in Afrika vierhonderdzestig unieke soorten zou kunnen spotten, en vervolgens mijn tussenstop van zeven uur in Londen zou weten te gebruiken om in een park in de buurt van Heathrow nog twintig veelvoorkomende Europese soorten te spotten, zou 2016 mijn beste jaar ooit worden.
We zagen echt schitterende dingen in Ghana, adembenemende toerako’s en bijeneters die alleen in West-Afrika voorkomen. Maar de paar bossen die het land nog rijk is worden ernstig bedreigd door intensieve jacht en houtkap, en onze wandelingen waren eerder verstikkend dan productief. Tegen het einde van verkiezingsdag hadden we al onze enige kans misgelopen om een aantal soorten te zien die ik op mijn lijstje had staan. Al heel vroeg de volgende ochtend, toen de stembureaus aan de westkust nog open waren, zette ik mijn telefoon aan om de prettige bevestiging te krijgen dat Clinton aan de winnende hand was. In plaats daarvan zag ik geschokte berichten van mijn vrienden in Californië, foto’s waarop ze ongelovig, en stuurs, naar de televisie staarden, foto’s van mijn vriendin die helemaal ineengedoken ergens op een bank lag. De kop van de Times luidde: ‘Trump haalt North Carolina binnen, lijkt niet te stuiten; Clintons pad naar de zege lijkt smal.’
Er zat weinig anders op dan weer te gaan spotten. Op een pad in het bos van Nsuta, waar we moesten uitwijken voor wagens vol hout die net zomin leken te stuiten als Trump, maar met in mijn achterhoofd de gedachte dat Clinton nog altijd een pad naar de zege had, zag ik de zwarte tok, de Afrikaanse koekoekswouw en een melancholische specht. Het was een zweterige maar bevredigende ochtend die, toen we weer bereik hadden, eindigde met het nieuws dat de ‘short-fingered vulgarian’ (de proleet met de dikke vingers) zoals Spy hem noemde, de nieuwe president van mijn land was. Op dat moment begreep ik wat ik in mijn hoofd had gedaan met Nate Silvers dertig procent kans voor Trump. Op de een of andere manier had ik het zo geïnterpreteerd dat de wereld er, in het ergste geval, na de verkiezingen, dertig procent slechter aan toe zou zijn. Wat het getal in feite betekende was natuurlijk dat er dertig procent kans was dat de wereld er honderd procent slechter aan toe zou zijn.
Terwijl wij naar het drogere, verlaten noorden van Ghana reisden, kruisten we het pad van enkele vogels waar ik al lange tijd van droomde: krokodilwachters, de zuidelijke karmijnrode bijeneter en het viervleugelnachtzwaluwmannetje, die er met zijn spectaculaire vleugelpunten uitzag als een nachtzwaluw die op de hielen wordt gezeten door twee vleermuizen. Maar we raakten steeds verder achter op het vogel-jaarschema dat ik moest aanhouden. Laat, veel te laat, werd me duidelijk dat op de lijsten met soorten die me online waren voorgespiegeld, ook vogels stonden die we alleen zouden horen maar niet zouden zien – terwijl een vogel voor mij pas meetelde als ik hem had gezien.
De lijsten op internet hadden hoge verwachtingen gewekt, net als Nate Silver. Met elke soort die ik had gemist nam de druk toe om alle overgebleven soorten wél te zien, zelfs de soorten waarvan dat hoogst onwaarschijnlijk was. Anders zou ik mijn eigen record niet weten te breken. Het was niet meer dan een onzinnige jaarlijst, die uiteindelijk volkomen onbeduidend was, maar ik werd achtervolgd door de krantenkop op de ochtend na verkiezingsdag. In plaats van 275 kiesmannen had ik 460 soorten nodig, en ook mijn pad naar de zege was inmiddels wel heel smal. Uiteindelijk, vier dagen voor het einde van de reis, bij de overlaat van een dam aan de grens met Burkina Faso, waar ik had gehoopt een handvol nieuwe graslandvogels te zien maar waar er niet eentje viel te ontdekken, moest ik berusten in de realiteit en mijn nederlaag erkennen. Ineens drong tot me door dat ik eigenlijk thuis had moeten zijn, om te proberen mijn vriendin te troosten na de verkiezingsuitslag, want als een depressieve pessimist ergens goed in is, is het wel in lachen in donkere tijden.
Hoe was de proleet met de dikke vingers in het Witte Huis terechtgekomen? Toen Hillary Clinton weer in het openbaar verscheen, verleende zij een ‘soort-bij-soort’-analyse van haar karakter geloofwaardigheid door een a-leidt-tot-b-narratief te volgen. We laten even buiten beschouwing dat ze nonchalant omging met haar mail en dat ze repte van een ‘basket of deplorables’. We laten even buiten beschouwing dat er onder kiezers misschien een terechte onvrede leeft over de linkse elite die Clinton vertegenwoordigde; dat kiezers de vrije handelsmarkt, de open grenzen en de automatisering misschien niet helemaal op waarde weten te schatten wanneer de middenklasse de prijs betaalt voor de wereldwijd toegenomen welvaart; dat kiezers er moeite mee hebben dat de liberale normen van stedelijke gebieden worden opgelegd aan het conservatieve platteland. Volgens Clinton kwam haar verlies op het conto van James Comey – en misschien ook wel van de Russen.
Ik zal niet ontkennen dat ik zelf ook mijn verhaal paraat had. Toen ik vanuit Afrika terugkeerde in Santa Cruz, worstelden mijn linkse vrienden nog altijd met de vraag hoe Trump in godsnaam kon hebben gewonnen. Ik herinnerde me een optreden dat ik ooit had gedaan met de optimistische socialmediaexpert Clay Shirky, die het publiek in herinnering had gebracht hoe ‘geschokt’ culinair recensenten in New York hadden gereageerd toen Zagat, een crowded-sourced recensieplatform, Union Square Cafe had uitgeroepen tot beste restaurant van de stad. Shirky wilde aantonen dat professionele recensenten lang niet zo slim zijn als ze denken; sterker nog, dat recensenten overbodig zijn in tijden van Big Data. Hoewel Union Square Cafe ook mijn favoriete restaurant was (het grote publiek had gelijk!) had ik me tijdens dat optreden wat zuur afgevraagd of Shirky echt van mening was dat recensenten ook gek waren wanneer ze zeiden dat Alice Munro een betere schrijver is dan James Patterson. Maar door Trumps overwinning voelt Shirky gesterkt in het ridiculiseren van experts. Social media hadden Trump in staat gesteld het kritische establishment te omzeilen en er waren net genoeg mensen onder de kiezers, in cruciale swing states, die zijn platte humor en zijn vlammende betogen ‘beter’ vonden dan Clintons genuanceerde argumenten en haar ongeëvenaarde politieke ervaring. A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump.
Na de verkiezing leek Mark Zuckerberg heel even, in zekere zin, verantwoordelijkheid te nemen voor wat er was gebeurd, voor het feit dat hij een platform had gecreëerd dat werd gebruikt voor het verspreiden van nepnieuws over Clinton, en hij leek te suggereren dat Facebook een actievere rol zou kunnen spelen bij het filteren van nieuws. (Nou, veel succes.) Twitter hield zich gedeisd. Wat moest Twitter zeggen, terwijl Trump onverdroten door twitterde? Dat Twitter een vooruitgang was?
In december hoorde ik op mijn favoriete radiozender in Santa Cruz een nepadvertentie voor een therapie gericht op mensen die verslaafd waren aan anti-Trumptweets en dito facebookberichten. De maand daarop, een week voor Trumps inauguratie, organiseerde PEN Amerika een aantal bijeenkomsten door het hele land om te protesteren tegen de aantasting van de vrijheid van meningsuiting waar Trump symbool voor zou staan. Hoewel de inreisbeperkingen van zijn regering het voor schrijvers uit moslimlanden lastiger zou maken hun stem te laten horen in de Verenigde Staten, was er één ding waar we Trump niet van konden betichten, in januari, en dat was dat hij de vrijheid van meningsuiting op wat voor manier dan ook aan banden had gelegd. Zijn leugenachtige, misselijke tweets waren de vrijheid van meningsuiting in overdrive. PEN had nog geen drie jaar eerder een vrijheid-van-meningsuitingonderscheiding uitgereikt aan Twitter, voor de rol die het had gespeeld tijdens de Arabische Lente. Uiteindelijk heeft de Arabische Lente erin geresulteerd dat de autocratie zich heeft verschanst, en inmiddels lijkt Twitter zelf, in handen van Trump, het middel bij uitstek om een autocratie in stand te houden. De ironie kent geen grenzen: tijdens diezelfde week in januari riepen linkse auteurs en boekwinkels op tot een boycot van Simon & Schuster vanwege de voorgenomen publicatie van een boek van de nare, rechtse provocateur Milo Yiannopoulos. De kwaadste boekhandelaren overwogen alle titels van Simon & Schuster uit de schappen te weren, waaronder vermoedelijk ook de boeken van Andrew Solomon, de voorzitter van PEN. Er kwam pas een einde aan de controverse toen S&S het contract met Yiannopoulos verbrak.
Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn
Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn – studenten en actievoerders claimen het recht om niet te horen wat ze vervelend vinden, en om ideeën waar ze aanstoot aan nemen weg te jouwen. Onverdraagzaamheid viert hoogtij op internet, waar genuanceerde meningen worden afgestraft doordat er niet op wordt geklikt, waar onzichtbare Facebook- en Google-algoritmen je naar content leiden die in je straatje past, en waar tegendraadse stemmen zwijgen uit angst te worden geflamed, getrold of ontvriend. Met als gevolg dat je in een bubbel terechtkomt waarin je het gevoel hebt dat je, ongeacht aan welke kant je staat, het volste recht hebt om te haten wat je haat. En dat is ook een aspect waarin het essay verschilt van andere subjectieve manieren om je te uiten die er enigszins aan verwant lijken. Het essay is geworteld in de literatuur, en een van de mooie aspecten van literatuur – denk bijvoorbeeld aan het werk van Alice Munro – is dat literatuur je aan het denken zet, of je het misschien toch niet helemaal goed ziet, of misschien zelfs wel helemaal fout, en of het misschien valt te begrijpen dat iemand je haat.
Drie jaar geleden wond ik me ontzettend op over de klimaatverandering. De Republikeinen bleven vasthouden aan hun leugens over gebrek aan sluitend wetenschappelijk bewijs – het milieudepartement in Florida was zelfs zo ver gegaan dat het werknemers had verboden het woord klimaatverandering nog te gebruiken nadat de gouverneur van Florida, een Republikein, erop had gehamerd dat het ‘geen feit’ was. Maar ik was minstens zo kwaad op links. Ik had een nieuw boek gelezen van Naomi Klein, This Changes Everything, waarin ze de lezer geruststelde dat het weliswaar ‘vijf voor twaalf’ was, maar dat we nog altijd tien jaar de tijd hadden om de mondiale economie grondig te hervormen en te zorgen dat de temperatuur in de loop van deze eeuw met niet meer dan twee graden zou stijgen. Klein was niet de enige in linkse hoek die zei dat we nog tien jaar de tijd hadden. Sterker nog, milieuactivisten zeggen al sinds 2005 precies hetzelfde.
Ook in 1995 werd het al gezegd: we hebben nog tien jaar de tijd. Maar zo rond 2015 moest wel duidelijk zijn dat de mensheid op geen enkele manier – politiek, psychologisch, ethisch, economisch – in staat zal zijn de CO2-uitstoot snel genoeg te verminderen om het tij te keren. Zelfs voor de Europese Unie, die vooropging in de klimaatkwestie, en die andere delen van de wereld graag de les mocht lezen over hun onverantwoorde gedrag, was in 2009 een recessie voldoende om de focus te verleggen naar economische groei.
Tenzij er de komende tien jaar een wereldwijde opstand komt tegen het vrijemarktkapitalisme – het scenario waarvan Klein zei dat het ons nog net op tijd zou kunnen redden – zal de temperatuur deze eeuw vermoedelijk met een graad of zes stijgen. We mogen van geluk spreken als we een stijging van twee graden voor 2030 weten te voorkomen.
In een landsbestuur dat steeds grimmiger verdeeld raakte, was de waarheid omtrent klimaatverandering links nog onwelgevalliger dan rechts. De klimaatontkenningen van rechts waren grove leugens, maar ze waren tenminste consistent met een bepaalde hard-realistische politieke lijn. Links, dat rechts altijd intellectuele onbetrouwbaarheid heeft verweten en dat klimaatontkenning als een soort strijdkreet heeft gehanteerd, bevond zich in een onmogelijke situatie. Het moest blijven hameren op de waarheden van de klimaatwetenschappers terwijl het tevens vasthield aan het fictieve idee dat wereldwijde actie het doemscenario nog zou kunnen afwenden: dat door een wereldwijde erkenning van de feiten, waarmee we in 1995 het tij nog hadden kunnen keren, het tij nog altijd gekeerd zou kunnen worden. Want wat deed het er anders nog toe dat de Republikeinen de wetenschappelijke bewijzen betwistten?
Omdat ik sympathiseerde met links – de CO2-uitstoot terugdringen is een stuk beter dan gewoon maar nietsdoen: elke halve graad helpt – verwachtte ik ook meer van links. Het ontkennen van de grimmige werkelijkheid, doen alsof het klimaatakkoord van Parijs het onheil kon afwenden, was een begrijpelijke tactiek om draagvlak te houden voor het terugdringen van de CO2-uitstoot: de hoop in leven houden.
Maar als strategie deed het meer kwaad dan goed. Men kon zich niet langer moreel superieur voelen, het was een belediging voor het intellect van kiezers die nog niet waren overtuigd (‘Echt? Hebben we nog tien jaar?’) en het stond een open discussie in de weg over de vraag hoe de wereldgemeenschap zich zou moeten voorbereiden op drastische veranderingen, en hoe landen als Bangladesh gecompenseerd moesten worden voor wat landen als Amerika hen hadden aangedaan.
Door al het gedraai ontstond ook een verkeerd beeld van de prioriteiten. In de afgelopen twintig jaar heeft de milieubeweging zich blindgestaard op één onderwerp. Deels uit oprechte zorg, maar ook deels omdat het in politieke zin minder riskant was – minder elitair – om de problemen voor de mens te laten prevaleren boven de natuur. De grote milieu ngo’s hebben dan ook hun politieke kapitaal ingezet op het tegengaan van de klimaatverandering, een probleem met een menselijk gezicht. De ngo waar ik me, als vogelliefhebber, enorm kwaad over heb gemaakt is de National Audubon Society, ooit een onvermoeibaar strijder voor vogels, nu een krachteloze instelling met een enorme pr-afdeling. In september 2014 maakte die pr-afdeling met veel tamtam wereldkundig dat de klimaatverandering de grootste bedreiging was voor de vogelstand in Noord-Amerika. Die voorstelling van zaken was niet alleen op kleine schaal vals, omdat de formulering niet strookte met de bevindingen van Audubons eigen wetenschappers, maar ook vals in bredere zin omdat niet één dode vogel direct kon worden gerelateerd aan de CO2-uitstoot. In 2014 was de grootste bedreiging voor de Amerikaanse vogel het verdwijnen van hun habitat, gevolgd door loslopende katten, gebouwen waar ze tegenop vlogen en pesticiden. Door het magische woord klimaatverandering van stal te halen, kreeg Aubudon veel aandacht in de linkse media. En weer was er een punt gescoord in de strijd tegen de rechtste klimaatontkenners. Maar geen idee wat de vogels daarmee opschoten. Naar mijn idee was het enige merkbare effect van de mededeling van Aubudon dat mensen hun ogen sloten voor de ware gevaren voor vogels in het hier en nu.
Kwaad
Ik was zo kwaad dat ik bedacht dat ik maar het beste een essay kon schrijven. Ik begon met een tirade tegen de National Audubon Society, plaatste die vervolgens in breder perspectief met een smalende aanklacht tegen de milieubeweging in het algemeen, en schrok vervolgens midden in de nacht in paniek wakker, vervuld van wroeging en twijfel. Voor de schrijver is een essay een spiegel, en wat ik in deze spiegel zag, zinde me niet. Waarom nagelde ik een paar linkse medestanders aan de schandpaal terwijl de klimaatontkenners zo veel erger waren? Het vooruitzicht van klimaatverandering vond ik minstens zo stuitend als de groeperingen waartegen ik van leer trok. Met elke graad die de aarde opwarmt, zouden wereldwijd nog eens honderden miljoenen mensen in grote problemen komen. Moesten we niet alles op alles zetten om dit tegen te gaan, al was het maar met een halve graad? Was het niet stuitend om het zelfs maar over vogels te hebben terwijl de kinderen in Bangladesh gevaar liepen? Ja, de aanname van mijn essay was dat we ook een ethische verantwoordelijkheid hebben tegenover andere soorten dan de mens. Maar stel nou dat die aanname niet klopte? En zelfs als hij wel klopte – ging de biodiversiteit mij echt zo aan het hart? Of was ik gewoon een bevoorrechte blanke die het leuk vond om in zijn vrije tijd te gaan vogelen? En dan ging het me nog niet eens alleen om de vogels, maar ook om mijn lijstjes!
Nadat ik drie nachten lang mijn karakter en mijn drijfveren in twijfel had getrokken, belde ik Henry Finder en zei dat het me niet lukte om het stuk te schrijven. Ik was vaak genoeg tekeergegaan over de klimaatverandering in het bijzijn van mijn vrienden en gelijkgestemde natuurliefhebbers, maar dat verschilde weinig van de tirades op internet, waar je je kunt verschuilen achter het feit dat alles spontaan uit je pen is gerold, ten overstaan van een publiek dat goeddeels achter je staat. Doordat ik nu een afgerond geheel wilde schrijven, een essay, werd ik geconfronteerd met de rafelranden van mijn ideeën. Daarnaast was er een groter risico op schaamte, omdat het hier een doordacht stuk betrof, en omdat het verspreid zou worden onder een publiek van vermoedelijk vijandige onbekenden. Henry’s aansporing (‘Daarom moet je’) indachtig, was ik de essayist gaan zien als een soort brandweerman, die recht de vlammen van de schaamte in moet rennen, terwijl iedereen die nu juist probeert te ontvluchten. Ik had ineens veel meer te vrezen dan alleen de afkeuring van mijn moeder.
Misschien zou mijn essay voorgoed uit beeld zijn verdwenen als ik niet al op een knop had geklikt op de website van Aubudon, om te bevestigen dat ook ik me wilde inzetten voor de strijd tegen klimaatverandering. Dat had ik alleen gedaan in mijn zoektocht naar retorische munitie voor mijn strijd tegen Audubon, maar vervolgens werd ik bedolven onder directmailberichten. Ik kreeg er zeker acht in zes weken, allemaal met een verzoek om geld. Daarnaast werd ik ook nog eens overspoeld door nieuwsbrieven. Een paar dagen nadat ik Henry had gesproken, klikte ik een van die nieuwsbrieven aan en zag een foto van mezelf – godzijdank een flatteuze foto, die in 2010 was gemaakt voor Vogue dat me beter had gekleed dan ik mezelf gewoonlijk kleed en dat me met mijn verrekijker in een weiland had gezet, als vogelaar. De kop luidde iets als ‘Steun Audubon, samen met schrijver Jonathan Franzen’. Het is waar dat ik me een paar jaar eerder, in een interview voor het blad van Aubudon, in beleefde bewoordingen positief had uitgelaten over de organisatie, of in ieder geval over het blad. Maar niemand had mij om toestemming gevraagd mijn naam en foto te gebruiken om steun te werven. Ik vroeg me zelfs af of die mail wel helemaal legaal was.
Vreemde vogel
Een wat mildere prikkel om het essay weer tevoorschijn te halen kwam van Henry. Voor zover ik wist had Henry maar weinig met vogels, maar hij leek wel iets te zien in mijn redenering dat onze obsessie met toekomstige rampen ons ervan weerhoudt iets te doen aan de behapbare milieuproblemen in het hier en nu. Hij stuurde me een mail met de voorzichtige suggestie dat ik misschien iets zou kunnen doen aan mijn toon van profetische hoon. ‘Gek genoeg zal het stuk winnen aan overredingskracht,’ schreef hij in een andere mail, ‘als je wat meer ambivalentie toelaat, je wat minder polemisch opstelt. Je richt je pijlen niet op de mensen die aandacht willen genereren voor klimaatverandering en emissiereductie. Maar je hebt wel oog voor de kosten. Zodoende wordt de discussie gevoerd op het scherp van de snede.’ Mail na mail, revisie na revisie, wist Henry me met zachte hand over te halen het essay niet in de vorm te gieten van een aanklacht, maar eerder van een vraag: hoe kunnen we zingeving vinden in ons handelen wanneer de wereld ten dode lijkt opgeschreven? In de laatste versie had ik veel ruimte gereserveerd voor een aantal goed ontvangen regionale milieuprojecten in Peru en Costa Rica, projecten waar de wereld ook echt beter van wordt, niet alleen voor wilde planten en wilde dieren, maar ook voor de lokale Peruvianen en Costa Ricanen. Het werken aan deze projecten is betekenisvol op persoonlijk vlak, en de positieve effecten zijn direct en tastbaar.
Door over die twee projecten te schrijven, hoopte ik dat een of twee grote liefdadigheidsorganisaties, die bijvoorbeeld tientallen miljoenen steken in de ontwikkeling van biodiesel of windmolenparken in Eritrea, bij het lezen van mijn stuk zouden overwegen geld te steken in projecten die tastbaar resultaat opleveren. In plaats daarvan werd ik onder vuur genomen vanuit het linkse kamp. Ik zit niet op social media, maar ik begreep van mijn vrienden dat ik voor van alles en nog wat werd uitgemaakt, waaronder ‘vreemde vogel’ en klimaatontkenner. Flarden uit mijn essay, volkomen uit hun verband gerukt, werden geretweet, waardoor het leek alsof ik er voorstander van was om te stoppen met remissiereductie – het standpunt van de Republikeinen. Binnen de polariserende logica van online discussies werd ik vervolgens bestempeld tot klimaatontkenner. Terwijl ik in werkelijkheid zo overtuigd ben van het gelijk van de klimaatwetenschappers dat ik geen enkele hoop meer koester voor de ijskappen. Het enige wat ik heb ontkend is dat een rechts georiënteerde internationale elite, die bijeenkomt in dure hotels over de hele wereld, in staat zou zijn het smelten van de ijskappen te voorkomen. Dat was mijn misdaad tegen de orthodoxe leer.
Het klimaat heeft de linkse verbeelding dusdanig in de houdgreep dat elke poging om het gesprek een andere wending te geven – zelfs een poging om het gesprek te brengen op het tragische uitsterven van de mens, waar we ook zonder hulp van het milieu al hard naartoe op weg zijn – maakt dat je als een afvallige wordt beschouwd.
Ik had begrip voor de mensen die zich beroepsmatig met klimaatverandering bezighouden en die zich tegen het essay keerden. Zij hadden zich tientallen jaren ingespannen om Amerikanen bewust te maken van het probleem, en uiteindelijk hadden ze president Obama aan hun kant weten te krijgen; er was een klimaatakkoord gekomen. Het was geen handig moment om te stellen dat de verregaande opwarming van de aarde al een voldongen feit is, en dat het onwaarschijnlijk is dat de mens de fossiele brandstoffen in de grond zal laten zitten, zeker wanneer je bedenkt dat op dit moment nog niet één land die toezegging heeft gedaan.
Ik had ook begrip voor de woede binnen de wereld van de duurzame energie, een industrie die met geen andere bedrijfstak valt te vergelijken. Als je je op het standpunt stelt dat het gebruik van duurzame energie slechts een vertragingstactiek is, omdat de schade van de CO2-uitstoot niet valt terug te draaien en nog eeuwen zal doorwerken, opent dat de deur voor talloze andere vragen op dit gebied. Hebben we bijvoorbeeld echt zo veel windmolens nodig? Moeten die echt in ecologisch kwetsbare gebieden worden geplaatst? En de zonneparken in de Mojavewoestijn? Was het niet veel logischer geweest om Los Angeles te bedekken met zonnepanelen en de open ruimte ongemoeid te laten? Waren we niet bezig om de natuur te verwoesten teneinde de natuur te redden? Volgens mij was het een blogger uit die hoek die me voor ‘vreemde vogel’ uitmaakte.
“Als het over de publieke opinie gaat,” zei hij, “dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd”
Even terug naar Aubudon. Dat fundraisingmailtje had me duidelijk moeten maken wat voor soort mensen daar aan de top zitten. Maar ik stond evengoed te kijken van Aubudons reactie op mijn essay: een frontale, persoonlijke aanval op iemand die ze twee maanden daarvoor nog probleemloos voor hun karretje hadden gespannen. Toegegeven, ik had Aubudon niet gespaard in mijn essay. Ik wilde dat ze ophielden met hun onzinverhalen, dat ze niet langer verwezen naar ‘over vijftig jaar’, en dat ze zich daadkrachtiger zouden inzetten voor de vogels die zowel hun als mij aan het hart gingen. Maar Aubudon zag duidelijk alleen een bedreiging voor hun ledental en fondsen, dus moest ik als mens onschadelijk worden gemaakt. Ik heb me laten vertellen dat het hoofd van Aubudon vier keer zijn pijlen op mij persoonlijk heeft gericht. Zo doet een directeur dat tegenwoordig kennelijk. En het werkte. Ik schaamde me, zonder die tirades te hebben gelezen – domweg omdat ik wist dat anderen ze hadden gelezen. Ik voelde me zoals ik me vroeger op school had gevoeld, gemeden door de rest van de klas en uitgemaakt voor van alles en nog wat, wat me eigenlijk niet zou moeten raken, maar dat ondertussen toch deed. Ik wilde dat ik mijn nachtelijke paniekaanvallen niet in de wind had geslagen en dat ik mijn mening voor me had gehouden. Over mijn toeren belde ik Henry en stortte al mijn schaamte en berouw over hem uit. Hij antwoordde, op zijn nauwelijks verstaanbare wijze, dat ik de online reacties moest zien als het weer. ‘Als het over de publieke opinie gaat,’ zei hij, ‘dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd.’
Het deed weinig ter zake of ik dat al dan niet geloofde. Het was voldoende om te weten dat er één iemand was, Henry, die me niet verafschuwde. Ik troostte mezelf met de gedachte dat het klimaat zo groots en chaotisch is dat één iemand het onmogelijk kan veranderen, maar dat het daarom nog wel zin kan hebben om als individu te proberen iets te veranderen aan het lot van één getroffen dorp, één slachtoffer van de mondiale onrechtvaardigheid.
Of het lot van één vogel, één lezer. Nadat de online vlammen waren geluwd, hoorde ik een-op-een van mensen uit de milieuhoek dat ze mijn frustratie deelden maar het zich niet konden veroorloven daar uiting aan te geven. Er waren niet veel mensen die iets van zich lieten horen, maar het hoefden er ook niet veel te zijn. Bij iedereen die het wel deed, dacht ik: Ik heb dit essay voor jou geschreven.
Maar nu, tweeënhalf jaar later, terwijl de ijskappen afbrokkelen en de Twitterpresident zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, slaat de twijfel toe. Ik zie inmiddels onder ogen dat ik het essay niet alleen heb geschreven om een paar milieubeschermers een hart onder de riem te steken en om wat liefdadigheidsgeld een bepaalde richting op te sluizen. Ik wilde echt het klimaat veranderen. Dat wil ik nog steeds. Ik deel, uitgerekend met de mensen die mijn essay hekelden, het inzicht dat de opwarming van de aarde hét probleem van deze tijd is, misschien wel het grootste probleem in de geschiedenis van de mensheid. We bevinden ons allemaal in de situatie van de indianen toen de Europeanen ten tonele verschenen met hun geweren en hun pokken: onze wereld staat aan de vooravond van een ingrijpende, onvoorspelbare verandering die naar alle waarschijnlijkheid slecht zal uitpakken. Ik koester geen enkele hoop dat we de verandering nog kunnen tegenhouden. Mijn enige hoop is dat we de realiteit op tijd onder ogen zullen zien om ons er op een menswaardige manier op te kunnen voorbereiden, en mijn enige overtuiging is dat het beter is om de werkelijkheid open en eerlijk tegemoet te treden, hoe pijnlijk ook, dan hem te ontkennen.
Als ik dat essay nu zou schrijven, zou ik dat misschien allemaal zeggen. De spiegel van mijn essay, zoals het destijds is gepubliceerd, toonde me een boos buitenbeentje dat van vogels houdt en denkt het beter te weten dan de grote massa. Misschien ben ik dat ook allemaal wel, maar ik ben ook meer dan dat, en een beter essay zou ook die andere kant hebben getoond. In een beter essay zou ik Audubon misschien ook hebben gehekeld, maar ik zou ook meer sympathie hebben opgebracht voor de anderen op wie mijn woede zich richtte: de klimaatactivisten, die twintig jaar lang hadden toegekeken hoe hun pad naar de overwinning angstaanjagend versmalde terwijl de CO2-uitstoot alleen maar toenam en de noodzakelijke emissiereductiedoelstellingen steeds onhaalbaarder werden; de mensen in de duurzame-energiebranche die een gezin moesten onderhouden en die op zoek waren naar alternatieven; de milieu-ngo’s die dachten eindelijk een onderwerp te hebben gevonden dat de wereld zou wakker schudden; politiek links dat de klimaatverandering aangreep als een laatste overtuigend argument voor collectivisme in een tijd waarin het neoliberalisme en de bijbehorende technologieën het electoraat reduceerden tot individuele consumenten. Ik zou vooral hebben getracht al die mensen tegemoet te komen die meer behoefte hebben aan hoop dan een depressieve pessimist, mensen voor wie het vooruitzicht van een hete toekomst vol rampspoed ondraaglijk triest en angstaanjagend is, en die daar dan ook niet aan willen denken – wat hen niet valt kwalijk te nemen. Ik zou zijn blijven schaven.
WIE IS JONATHAN FRANZEN?
De Amerikaan Jonathan Franzen (1959) wordt de belangrijkste schrijver van zijn generatie genoemd. In 2001 brak hij internationaal door met zijn meesterwerk De correcties, waarvoor hij de National Book Award ontving, negen jaar later lanceerde hij Vrijheid, en vervolgens Zuiverheid. Met opzet tweeslachtige termen waarvan de tegenpolen ‘onvrijheid’ en ‘verdorvenheid’ in de respectievelijke romans leidend zijn.
Franzen belandde als eerste schrijver in tien jaar op de cover van TIME magazine, als ‘Great American Novelist’. Kenmerkend voor zijn epische romans is het maatschappelijke decor waarbinnen de auteur zijn personages – of de Amerikaanse cultuur – met subtiele satire doorgrondt. In ‘Is it too late to save the world?’ toont hij zich opnieuw meester in het literaire genre van de essayistiek: de extensieve verhaallijnen van ‘oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed’ samenbrengen.
Een verslaggever van The Guardian reisde af naar het Limburgse Venray, waar kippenboer Ruud Zanders onlangs begon met de productie van het ‘Kipster-ei’. Volgens Zanders is zijn productiemethode niet alleen goed voor het dierenwelzijn, maar ook zo goed als klimaatneutraal.
Bij eieren heb je de keuze uit exemplaren uit de legbatterij en duurdere biologische en vrije-uitloopvarianten. Maar in Nederland heb je nu ook Kipster-eieren, afkomstig van een gloednieuwe kippenfarm bij Venray die zich profileert als ‘’s werelds milieuvriendelijkste boerderij’. De naam Kipster is een samentrekking van ‘kip’ en ‘ster’ en het is geen toeval dat dit rijmt op ‘hipster’. Volgens Ruud Zanders, universitair docent en de kippenboer achter deze boerderij – met bezoekerscentrum, vergaderzaal en zelfs gratis cappuccino – is het tijd om de positie van dieren in de voedselketen te heroverwegen.
Legbatterijen en andere grootschalige kippenboerderijen leveren goedkope eieren, maar dat gaat ten koste van het milieu en de dieren. Bovendien leidt deze manier van produceren geregeld tot voedselpaniek in Noord-Europa, zoals onlangs bij het fipronilschandaal.
Biologische en vrije-uitloopeieren, waarbij boeren het welzijn van de kippen vooropstellen, worden voor een hogere prijs verkocht, maar gaan ook ten koste van het milieu omdat deze kippen dure, geïmporteerde maïs krijgen die beter kan worden gebruikt om mensen te voeden. ‘Het slaat nergens op dat we met dieren moeten concurreren voor ons eten,’ zegt Zanders. ‘De CO2-voetafdruk van eieren wordt voor zeventig procent bepaald door het kippenvoer.’ Zanders (44), die ooit zijn vaders traditionele eierbedrijf leidde met een omzet van 45 miljoen euro, gelooft heilig in zijn nieuwe onderneming, waar sinds vijf weken 24.000 kippen eieren leggen die worden verkocht bij supermarktketen Lidl.
De eieren kunnen tegen betaalbare prijzen worden verkocht omdat het bedrijf niet probeert te voldoen aan een aantal volgens Zanders minder zinnige beperkingen die nodig zijn om het stempel biologisch of vrije uitloop te krijgen
Zanders’ verkoopargument is dat zijn boerderij de hoogste dierenwelzijnsnormen, bevestigd door de Stichting Wakker Dier, combineert met de laagst mogelijke belasting voor het milieu. Dat laatste punt wordt onderschreven door Wageningen University, die de CO2-voetafdruk en uitstoot van fijnstof van het bedrijf onderzocht.
De eieren kunnen tegen betaalbare prijzen worden verkocht omdat het bedrijf niet probeert te voldoen aan een aantal volgens Zanders minder zinnige beperkingen die nodig zijn om het stempel biologisch of vrije uitloop te krijgen.
Elke ochtend om tien uur gaan op de Kipsterboerderij de luiken omhoog tussen de slaapvertrekken van de kippen en een overdekte binnenplaats. Druk fladderend wagen duizenden stevige witte kippen zich in het daglicht om zich, tot de luiken om half acht ’s avonds weer dichtgaan, in de bomen op hun speelterrein te verschansen of rond te scharrelen.
Formeel zijn het geen vrije-uitloopkippen, want ze beschikken niet over de wettelijk verplichte tien hectare open veld. Volgens Zanders zijn kippen echter van nature bosdieren die vaak angstig worden van open, onbeschutte ruimtes, dus is een kleinere buitenruimte in combinatie met de overdekte binnenplaats voor de dieren volegns hem de beste setting. ‘Ook al heb je tien hectare, iedere boer met vrije-uitloopkippen weet dat de dieren er maar negen van gebruiken,’ zegt hij. ‘Wij hebben 6,7 kippen per vierkante meter. Een vrije-uitloopboerderij meestal negen.’
Het dak boven de binnenplaats heeft de vorm van een onregelmatige driehoek en bestaat voor een derde uit glas, waardoorheen het daglicht binnenvalt. De rest is ondoorzichtig door de 1078 zonnepanelen die genoeg elektriciteit opleveren om de boerderij van stroom te voorzien. Wat over is wordt verkocht aan het elektriciteitsnet.
Het voer van de kippen bestaat uit verwerkte gebroken beschuit en rijstwafels en andere ‘afvalstromen’ van bakkerijen uit de omgeving. De geproduceerde eieren zijn niet biologisch, omdat het voer niet biologisch is, maar op deze manier past het dier in de voedselketen in plaats van met mensen te concurreren om maïs, zegt Zanders. Ook door afvalproducten als voer te gebruiken, wordt de CO2-voetafdruk verkleind.
‘Door de CO2-voetafdruk te verkleinen en zonne-energie te verkopen, denken we op basis van voorlopige berekeningen van Wageningen University dat we CO2-neutrale eieren produceren,’ aldus Zanders. ‘Mocht in de toekomst blijken dat dit niet zo is, dan zullen we elders in zonnepanelen investeren om de CO2-uitstoot te verminderen.’
Na zeventig weken worden de kippen geslacht, maar niet, in tegenstelling tot wat vaak gebeurt, op de Afrikaanse markt gedumpt, waardoor de kippenboeren dáár de hoop op een winstgevende onderneming kunnen opgeven. In plaats daarvan worden ze verwerkt tot kippenburgers en kipnuggets voor de lokale markt.
Hanenburgers
De Kipsterboerderij heeft ook een overeenkomst gesloten met de kippenfokker die de hennen levert. In Noord-Europa is het voor kippenfokkers gebruikelijk de mannelijke kuikens te vergassen als ze uitkomen; dat zijn er in totaal 350 miljoen per jaar. Ze worden dan gebruikt als voer in dierentuinen of ze worden, maar al te vaak, weggegooid.
‘Die van ons worden gedurende zeventien weken grootgebracht en dan geslacht om hanenburgers van te maken,’ zegt Zanders. ‘Mensen nemen misschien aanstoot aan de behandeling van hanen, maar we proberen tenminste een oplossing te vinden.’
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Teken, vlooien en lintwormen zijn geen populaire wezens. Maar als ze door de opwarming van de aarde zouden verdwijnen, zou dat een ramp betekenen.
Wereldwijd zijn dieren op drift geraakt. En dat geldt ook voor hun parasieten. Onlangs werden de resultaten gepubliceerd van een eerste grootschalig onderzoek naar de gevolgen van de klimaatverandering voor ’s werelds parasieten. De onderzoekers kwamen tot de verbijsterende conclusie dat maar liefst een op de drie parasietensoorten in de loop van deze eeuw dreigt uit te sterven. Door de opwarming van de aarde zullen veel van hen inboeten aan leefgebied, waardoor hun voortbestaan in gevaar komt. Ook veel van hun gastheren zullen het niet redden. ‘Ik ben er nog steeds kapot van,’ vertelt Colin Carlson, de eerste auteur van het stuk, die aan de Universiteit van California op het onderwerp promoveert. Hij vermoedt dat veel mensen het nieuws met applaus zullen begroeten. ‘Parasieten zijn natuurlijk niet echt populair,’ aldus Carlson.
Maar hoe griezelig lintwormen en bloedparasieten misschien ook zijn, ze zijn cruciaal voor de ecosystemen waarin ze leven. Sterven ze uit, dan kan dat hele voedselnetwerken verstoren, wat zelfs de menselijke gezondheid kan bedreigen. Parasieten verdienen hetzelfde respect dat toppredatoren de afgelopen decennia al kregen. Ooit werden wolven ook als ongedierte gezien – maar toen ze verdwenen veranderden ecosystemen opeens radicaal. Wetenschappers beseften toen dat wolven en andere roofdieren prooidierpopulaties in toom houden, waardoor planten de ruimte krijgen. Toen wolven op plekken als het Yellowstone-park geherintroduceerd werden, gingen deze ecosystemen erop vooruit.
Monsters uit de Amerikaanse Nationale Parasiet Collectie.
Nu beginnen onderzoekers voorzichtig te bestuderen welke rol parasieten in dit geheel spelen. In sommige ecosystemen vormen zij het grootste deel van de biomassa en wegen ze gezamenlijk wel twintig keer zoveel als de roofdieren in het gebied. Wetenschappers die voedselnetwerken bestudeerden, waren jarenlang gewend om lijnen te trekken tussen soorten – bijvoorbeeld tussen gnoes en het gras waarop ze graasden, en tussen gnoes en de leeuwen die hen opaten. Ze zagen glad over het hoofd dat parasieten zich met hun gastheren voeden en dat dit ook een niet te verwaarlozen factor is. Het blijkt dat wel 80 procent van de lijnen in een gemiddeld voedselnetwerk bij een parasiet uitkomen. Parasieten kunnen zo gemakkelijk populaties van hun gastheren in toom houden. Sommige daarvan doden ze direct, of anders zorgen ze ervoor dat hun gastheer zich na een infectie niet meer kan voortplanten: het voedsel waar de parasiet naar hunkert moet immers niet verspild worden aan de aanmaak van eitjes of sperma.
Eigenlijk zou je parasieten samen met hun gastheren moeten beschermen,’ vindt ecoloog Kevin Lafferty van de Universiteit van California, die zelf niet bij het onderzoek betrokken was. De opwarming van de aarde maakt het plaatje nog gecompliceerder. Er was al wel onderzoek gedaan naar het lot van enkele parasietensoorten, maar Carlson en zijn collega’s wilden een globaal beeld van de invloed van klimaatverandering op al deze soorten krijgen. Zij begonnen hun werk bij de National Parasite Collection, die dateert uit 1892 en nu wordt beheerd door het Smithsonian-instituut. Het is een van de grootste verzamelingen in haar soort op de wereld, met twintig miljoen specimens, sommige in potjes met alcohol en sommige in objectglaasjes.
Parasieten leven meestal in of op hun gastheren, maar dat maakt ze nog niet immuun voor klimaatverandering. Een stijgende omgevingstemperatuur kan schadelijk voor ze zijn
Carlson en zijn collega’s bepaalden van elke parasietensoort het huidige bereik; zo konden ze inschatten in welk type klimaat de soorten zouden kunnen overleven en hoe het ze in een hete wereld zou vergaan. Nadat ze de hele collectie hadden doorgeploeterd, hadden ze 53.133 parasieten die naar hun idee geschikt waren om bij hun onderzoek te betrekken. Deze behoorden tot 457 soorten lintwormen, teken, vlooien en andere dieren.
Parasieten leven meestal in of op hun gastheren, maar dat maakt ze nog niet immuun voor klimaatverandering. Een stijgende omgevingstemperatuur kan schadelijk voor ze zijn. Teken kunnen bijvoorbeeld omkomen door de hitte als ze in het gras op hun slachtoffers liggen te wachten. Mijnwormlarven leven in vochtige grond voordat ze iemands voet binnendringen. En parasieten hebben natuurlijk ook hun gastheren nodig – als die uitsterven, overleven de parasieten het meestal ook niet. Carlson en zijn collega’s moesten dus ook nagaan hoe de gastheren het na een klimaatverandering zouden doen.
Andere leefgebieden
De onderzoekers combineerden al deze factoren en schatten in welk risico elk type parasiet loopt. Uit het onderzoek bleek bijvoorbeeld dat sommige soorten weinig van de opwarming te vrezen hebben. Haakwormen zullen er bijvoorbeeld niet veel last van hebben omdat hun gastheren, vissen en vogels, zo wijdverbreid zijn. Maar andere typen, zoals vlooien en lintwormen, verdragen sterke temperatuurstijgingen veel minder goed; en veel andere leven op één enkele gastheer die in zijn voortbestaan bedreigd wordt.
Carlson concludeerde dat zo’n 30 procent van de parasietensoorten het waarschijnlijk niet gaat redden. Volgens Lafferty zetten deze nieuwe onderzoeksresultaten vraagtekens bij die van eerdere, kleinere onderzoeken, die vaak geheel tegengestelde conclusies trokken. ‘We zijn van nature geneigd om aan te nemen dat parasieten en de ziekten die ze veroorzaken zullen toenemen, terwijl de rest van de biodiversiteit afneemt,’ vertelt hij.
Carlson zegt dat klimaatverandering niet alleen soorten zal laten uitsterven, maar dat ze ook andere effecten heeft. Sommige parasieten kunnen naar andere leefgebieden verhuizen. Teken, die de ziekte van Lyme overbrengen, hebben volgens klimaatveranderingsmodellen een stralende toekomst als ze in noordelijke richting opschuiven. ‘We hoeven niet bang te zijn dat die gaan uitsterven,’ aldus Carlson.
Zo’n dertig jaar geleden doken voor het eerst berichten op over klimaatverandering door opwarming van de aarde en een daarmee gepaard gaande stijging van het zeeniveau. Het waren kleine berichtjes, snippertjes, buitenissigheidjes, bijvangst in de wandelgangen van wetenschappelijke congressen – nieuwtjes die soms wel, maar doorgaans niet de krant haalden.
In betrekkelijk korte tijd is er op dat punt wel iets veranderd – in elk geval in de nieuwsvoorziening met betrekking tot ‘het klimaatvraagstuk’. Voor Nederland is dat probleem, en dan vooral de stijging van het zeeniveau, tamelijk urgent omdat we met 17 miljoen mensen op een heel klein stukje grond verblijven, waarvan een groot deel al sinds mensenheugenis onder de zeespiegel ligt. En als die zeespiegel stijgt, hebben we collectief kieuwen nodig om te overleven.
Daar wordt vast ook al aan gewerkt.
Feit is dat Nederland voorloopt in geavanceerde technieken om dit onheil te voorkomen en deze expertise internationaal vermarkt – want zo zijn we ook wel weer. Dat vervult ons met gepaste trots en verbindt – om dat inmiddels versleten woord toch maar weer eens te gebruiken – als de elftallen het laten afweten.
De filosofie dat je mét water moet leven in plaats van het te willen verslaan, is vrij uniek in de wereld
In het buitenland wordt met belangstelling gekeken hoe we dit waterland in bedwang weten te houden. En terecht, want de filosofie dat je mét water moet leven in plaats van het te willen verslaan, is vrij uniek in de wereld. Aanpassen aan het klimaat, zeker als het vakkundig wordt gedaan, levert uiteindelijk een betere bescherming op.
The New York Times stuurde een van zijn sterverslaggevers, Michael Kimmelman, van huis uit zowel architectuurcriticus als concertpianist, naar de Rotterdam om te onderzoeken hoe die Nederlanders het klimaatprobleem met dat wassende zeewater aanpakken. Kimmelman, die eerder dit jaar met dezelfde vraag China (‘Rising Waters Threaten China’s Rising Cities) en Mexico (‘Mexico City, Parched and Sinking, Faces a Water Crisis) bezocht, werd laaiend enthousiast over wat hij in de Maasstad hoorde en vooral zag. Zijn conclusie: ‘The Dutch Have Solutions to Rising Seas’.
Vooral over de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg raakte de Amerikaan buiten adem van bewondering: ‘… een verbluffend staaltje ingenieurswerk … een constructie van een onvergetelijke schoonheid … een van de minder bekende wonderen van het moderne Europa…’ Allang geen snippertje meer dus, en ook al is het ongebruikelijk dat 360 opent met een artikel over Nederland, deze pluimen wilden we u niet onthouden.
Sinds de verkiezing van Donald Trump schuift China zichzelf naar voren als alternatieve partner voor Europa. Maar op de Chinezen valt heel wat aan te merken, betoogt Steffen Wurzel.
Bij zijn bezoeken aan Berlijn en Brussel verkocht de Chinese premier Li Keqiang zijn land als nieuwe droompartner voor Europa. Vrijhandel, globalisering, klimaatbescherming: waar de Amerikaanse president Donald Trump het laat afweten, presenteert China zich als voorvechter.
Maar zo simpel is het niet.
1. Klimaatbescherming
De afgelopen jaren heeft China zijn achterstand ingelopen en heeft het grootscheeps geïnvesteerd in hernieuwbare energiebronnen. Nergens op aarde draaien meer windmolens, worden meer zonnepanelen gefabriceerd en meer elektrische auto’s verkocht dan in China. Maar nog altijd stoot het land de meeste CO2 uit en verbruikt het de meeste kolen ter wereld.
De stroom voor elektrische auto’s produceren de Chinezen vooral in smerige kolencentrales. Energie-efficiëntie kent het land zo goed als niet. En vanwege het vaak verouderde elektriciteitsnet draaien veel van de uiterst geavanceerde windkrachtinstallaties in het noorden en het westen van het land volkomen zinloos omdat de opgewekte stroom niet kan worden afgevoerd.
In China gelden deze waarden uitsluitend “binnen Chinese kaders”, wat gewoon betekent dat ze niet bestaan
2. Economie
Al over enkele jaren zal China de grootste economie ter wereld zijn. Om dat doel te bereiken gaat het land vaak nietsontziend te werk. Het protectionisme is de afgelopen jaren alsmaar toegenomen. Begin deze maand heeft de Europese Handelskamer in Beijng weer eens geklaagd dat veel buitenlandse ondernemingen zich ten opzichte van Chinese bedrijven steeds vaker onrechtvaardig behandeld voelen. En hieraan lijkt vooralsnog geen eind te komen.
Met hun ambitieuze Made in China 2025-programma zal het regime in Beijing de reusachtige staatsondernemingen nog eens van vele miljarden subsidies voorzien. Tegenover zulk financieel geweld maken buitenlandse bedrijven geen enkele kans.
Chinese politici benadrukken graag in mooie bewoordingen de win-winsituatie van een nauwe samenwerking tussen Europeanen en Chinezen. Daar mag veel van waar zijn, maar de Europeanen moeten wel oppassen dat deze win-winsituatie niet slechts ten gunste van één kant uitvalt, naar het motto: win-win wil zeggen dat de Chinees tweemaal wint.
3. Westerse waarden
In de derde plaats is er in zijn algemeenheid nog de vraag of Europa in plaats van op de VS wel sterker op China moet inzetten. Ik wil zeker niet ontkennen dat een verdere toenadering tussen Europa en China goed is en belangrijk. Beide hebben elkaar nodig.
Maar China heeft Europa vooral economisch nodig. Maatschappelijk gezien staan de Amerikanen – ondanks Trump – nog altijd veel dichter bij ons dan de Chinezen. En laten we hopen dat dit zo blijft. Vrijheid, democratie, medezeggenschap, rechtsstatelijkheid en individuele mensenrechten – deze grootse waarden zijn door ons Europeanen en Amerikanen moeizaam bevochten. In China gelden deze waarden uitsluitend ‘binnen Chinese kaders’, zoals de leiders in Beijing steeds weer eufemistisch benadrukken.
Hetgeen gewoon betekent dat deze waarden, zoals wij die begrijpen, in China niet bestaan. En vermoedelijk wordt dit ook niet heel snel anders. Integendeel. De druk op alles wat naar vrijheid ademt, neemt in China verder toe. De perscensuur wordt alsmaar scherper. Sinds begin deze maand is een nieuwe cyberwet in werking getreden, waardoor de Chinese staat nog meedogenlozer controle kan uitoefenen op het internet. En op 5 juni werd de 28e verjaardag van het bloedig neergeslagen protest op het Tiananmenplein ook dit jaar weer doodgezwegen. Elke vorm van herdenking zou door de staat verhinderd zijn, zo nodig met geweld.
Wie in China de nieuwe droompartner voor Europa meent te zien, is dus overduidelijk te snel met zijn conclusies.
Steffen Wurzel is correspondent in Sjanghai voor de Duitse radiozender ARD. Hij doet verslag over China, Hongkong en Macau.
Journaal van de ARD-omroepen dat wordt uitgezonden op Das Erste. De eerste uitzending was op 26 december 1952 te zien bij de NWDR (Nordwestdeutscher Rundfunk).
Zane Webber en Michelle Williamson verzamelen in opdracht van de Nieuw-Zeelandse overheid overal ter wereld zaden van grassen en andere weidegewassen. Hun archief moet de nationale vlees- en zuivelindustrie beschermen tegen rampen en de gevolgen van de klimaatverandering.
We kunnen er alleen maar naar gissen wat die Russische boeren gedacht moeten hebben toen ze dat stel Nieuw-Zeelanders voorovergebogen in het groen zagen staan in een afgelegen gebied in de buurt van Mongolië. Ze zullen enige argwaan hebben gekoesterd, want niet lang nadat Zane Webber en Michelle Williamson werden opgemerkt door een man op een tractor, hoog in het schitterende Altajgebergte, kwam er iemand in een terreinwagen aanrijden die Williamson een identiteitsbewijs onder de neus duwde. ‘Ze spreken natuurlijk geen Engels, dus dan doe ik maar een koe na en maak ik kauwbewegingen,’ zegt Williamson.
De taalbarrière is een van de redenen waarom Webber en Williamson altijd een tolk bij zich hebben. Dit keer lieten hun Russische collega’s de natuurambtenaar hun vergunningen zien, en dat leek voldoende. Hij vertrok weer. Toch moet hun expeditie een vreemde indruk hebben achtergelaten.
Webber en Williamson zijn zaadzoekers. Zij en hun collega’s struinen rond in Tadzjikistan, Tunesië, Turkije, China, Spanje, Griekenland en Portugal, of waar er maar zeldzame en oude plantensoorten zijn te vinden. Dat is op zich nog niet zo vreemd. Veel genenbanken hebben verzamelaars in dienst die over de hele wereld op zoek zijn naar plantaardig materiaal voor wetenschappelijk onderzoek. Die reizen bijvoorbeeld naar een afgelegen gedeelte van Kazachstan en keren terug met een zak vol zaden in envelopjes.
Elke keer zegt hij na afloop tegen Williamson dat dit écht de laatste keer was. “En vervolgens begin ik voorbereidingen te treffen voor de volgende expeditie”’
Wat de Nieuw-Zeelanders onderscheidt is hun obsessie met koeien- en schapenvoer. Het merendeel van hun collega’s is uit op de wilde familieleden van gewassen die geschikt zijn voor menselijke consumptie, in de hoop er een sterkere en voedzamere soort tarwe, maïs, zoete aardappel, cassave of rijst mee te kweken. Als de wereld wordt getroffen door een ramp die alle gewassen verwoest, dan zullen de mensen die het overleven vermoedelijk proberen om naar het Noorse Svalbard (voorheen Spitsbergen) binnen de poolcirkel te komen, waar diep in de permafrost een opslagplaats is voor (inmiddels tweeënhalf miljard) zaden, bedoeld om de vruchten van vele eeuwen landbouw te beschermen tegen een eventuele ramp. Maar een uitgehongerde koe doet er beter aan om naar Palmerston North te gaan, op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland, en te proberen daar het imposante grasarchief binnen te dringen.
Het Margot Forde Germplasm Centre is een overheidsinstelling op de Grassland-campus van AgResearch en heeft een opslagruimte met klimaatcontrole, waar zo’n 114.000 zaadmonsters worden bewaard. Het betreft vooral zaden van verschillende soorten weidegewassen, met name grassen en klaversoorten, die koeien en schapen helpen omzetten in lucratieve vlees- en zuivelproducten voor de export.
Kaart en plantengids
Een zadenzoekexpeditie begint vrijwel altijd met een kaart en een plantengids. Op de wereldkaart in het Margot Forde Centre zijn cirkels getrokken rond veelbelovende gebieden met een grote biodiversiteit. Sommige van die gebieden zijn nog niet eerder bezocht door zaadzoekers. Het centrum kan zich een of twee expedities per jaar veroorloven, dus geven de jagers de voorkeur aan plekken die waarschijnlijk de grootste lacunes in hun collectie kunnen opvullen. Daarbij moeten ze er ook op letten welke landen bereid zijn een vergunning te verstrekken. Er zijn landen die aanvankelijk wel buitenlandse verzamelaars toelieten, maar die zijn teruggekrabbeld nadat louche partijen, ook wel ‘biopiraten’ genoemd, zonder toestemming zaden meenamen en patent aanvroegen op hun producten, vertelt de Nieuw-Zeelandse specialist Kioumas Ghamkar.
Zodra alle paperassen in orde zijn, stuurt Webber een verlanglijstje met soorten naar een groep lokale medewerkers, die vervolgens een route samenstellen. De afgelopen jaren heeft Webber ook zijn collega Williamson uit de zaadopslag van Palmerston North meegevraagd, zodat zij het een en ander zou kunnen leren over het verzamelen.
Het team stapt in twee identieke witte busjes, die er haast antiek uitzien, al houdt Williamson bij hoog en bij laag vol dat ze nieuw zijn. De Russische busjes blijken het verrassend goed te doen op de steile hellingen in het Altajgebergte, en Webber heeft pas één keer gevreesd voor zijn leven. ‘Op zeker moment was de weg heel erg smal en waren we allemaal bang dat ons laatste uur had geslagen. Ik zat op de passagiersstoel en keek recht een ravijn in.’ Elke keer zegt hij na afloop tegen Williamson dat dit écht de laatste keer was. ‘En vervolgens begin ik voorbereidingen te treffen voor de volgende expeditie.’
Telkens wanneer ze een veelbelovend stukje groen zien, zetten de verzamelaars de auto neer, stappen uit en verzamelen de zaden die ze later die avond zullen drogen en schoonmaken. De Nieuw-Zeelandse wetgeving verbiedt het aarde en ander uitheems materiaal in te voeren. Zelfs voor de zaden moet speciaal dispensatie worden aangevraagd. In Rusland, in augustus, hebben ze zaden geplukt van zevenhonderd populaties, 56 keer de auto aan de kant gezet en bij elke stap een verscheidenheid aan soorten geplukt.
Aan het einde van de tocht delen ze de buit met de plaatselijke botanisten, die gebruikmaken van de door Nieuw-Zeeland gefinancierde tochten om hun eigen collectie aan te vullen. Ghamkar is ervan overtuigd dat zowel het gastland als de bezoekende landen baat hebben bij deze expedities, en daarom weet hij ook zo goed andere landen over te halen om mee te werken. De Russische connectie was het werk van zijn voorganger, maar hij probeert nieuwe landen over de streep te trekken. Hij hoopt op een dag een Nieuw-Zeelandse expeditie te kunnen regelen naar zijn geboorteland Iran. ‘Ik wil niet dat Iran er schade van ondervindt, maar het gaat hier om internationale schatten,’ zegt hij.
Eenmaal terug in Palmerston North kweekt het team in afgeschermde tuinen de zaden van elke variëteit op, totdat er per variëteit ten minste honderd exemplaren zijn. Dat is voldoende om genetische diversiteit te garanderen, en ook om iets aan een andere genenbank af te staan, mocht daartoe een verzoek komen.
In Palmerston North gaan de zaden naar een droge ruimte, die wel wat doet denken aan de bierkoeling van een supermarkt. Daar blijven de zaden zeker twintig jaar vers, en ze hoeven pas na honderd jaar opnieuw te worden geplant. ‘We hebben hier zaden uit 1940, die nog altijd levensvatbaar zijn,’ zegt Ghamkar.
De koeling waarin de zaden worden bewaard is afgesloten, maar het is bepaald geen fort. Toen Ghamkar vorig jaar aantrad als directeur, kwam hij er tot zijn ontzetting achter dat Nieuw-Zeeland geen reservevoorraad heeft in Svalbard, de noodopslag op Spitsbergen, die ooit is aangelegd voor het geval zich een grote ramp zou voordoen. Svalbard is zo gebouwd dat het ook een nucleaire winter kan doorstaan. ‘Zelfs Noord-Korea heeft daar wat liggen.’
Ghamkar heeft er met zijn team negen maanden voor uitgetrokken om te beslissen welke soorten absoluut niet verloren mogen gaan, en dit jaar heeft hij een selectie gemaakt voor opslag onder de permafrost. ‘Svalbard is een kluis. Nieuw-Zeelandse grassen en klaversoorten worden daar bewaard voor het geval het Margot Forde Centre getroffen zou worden door een brand of een aardbeving.’
Klimaatverandering
Los daarvan is er de klimaatverandering, die de hele onderneming nog prangender maakt. Het duurt een jaar of tien om een nieuw gewas te ontwikkelen, en daarmee is de dramatische klimaatverandering, die voor veel plekken op aarde al is voorspeld voor 2030, nog maar twee kweekcycli verwijderd. Klimatologen in Nieuw-Zeeland voorzien dat in 2040 de frequentie van de droogten in de oostelijke en noordelijke regio’s van de aarde zal zijn verdubbeld of zelfs verdrievoudigd, terwijl het op andere plekken warmer en natter zal worden. Tegen het einde van de eeuw zullen bepaalde plekken op aarde vruchtbaarder zijn. Maar over het geheel genomen is de verwachting dat ten gevolge van de klimaatverandering de voedselproductie zal krimpen, terwijl de bevolking blijft groeien. Ondertussen zullen door veranderingen in temperatuur en de hoeveelheid neerslag mogelijk nieuwe ziekten en epidemieën om zich heen grijpen.
De zoektocht naar wilde zaden richt zich meer en meer op extreme planten. Als een plant in leven kan blijven met weinig water, of juist tijdens een overstroming, dan zou die plant weleens goed kunnen gedijden in het klimaat van de toekomst. Zelfs als een wild gewas ongeschikt is voor consumptie, dan kan het worden gekruist met andere soorten om hybride gewassen te kweken die zijn bestand tegen droogte of hitte, of die met weinig stikstof toe kunnen.
Voor wie het kweken van supersoorten nogal klinisch vindt klinken, heeft Ghamkar een mooi liefdesverhaal. Wetenschappers van AgResearch hebben de herkomst van witte klaver – een gewas dat voor Nieuw-Zeeland bij uitstek van belang is – genetisch weten te herleiden tot de verre voorouders. Deze oerklavers bleken geheel andere organismen dan de planten die wij nu kennen. De afstand tussen beide soorten was zo groot dat het een wonder mocht heten dat ze ooit iets met elkaar kregen. ‘Er werden een vader en een moeder ontdekt,’ zegt Ghamkar. ‘De een leeft in de bergen van Azerbeidzjan, de ander op de stranden van Portugal, dus vele duizenden kilometers verderop.’ Op de een of andere manier zijn die oude soorten elkaar ooit, lang geleden, zo dicht genaderd dat ze nageslacht hebben voortgebracht. ‘Misschien aan een Grieks strand. We weten het niet. Maar ze hebben elkaar leren kennen en een plantensoort voortgebracht. De ouders zijn nog altijd twee totaal verschillende individuen, die leven op een andere hoogte, op een andere bodem en in een ander klimaat.’
Maar toch hebben de wetenschappers, met enige overredingskracht, de planten zo ver weten te krijgen dat ze weer nageslacht zijn gaan produceren. ‘Normaal gesproken zijn deze kruisingen steriel. Maar als we het embryo in het laboratorium houden, en extra voeding en zorg geven, zal een aantal exemplaren weten te overleven, en die zullen in staat zijn de soort te herstellen,’ zegt Ghamkar. ‘Als je wilde planten kruist, breng je de genen terug die voor weerstand en uithoudingsvermogen zorgen. En dat is precies wat we nodig hebben als het klimaat gaat veranderen.’ Versies van de hybride klaver worden op verschillende boerderijen uitgezet om te zien hoe ze het doen. Het beslissende woord is nog niet gesproken, ‘maar de aanvankelijke resultaten tonen planten met diepere wortels, die beter tegen droogte bestand zijn en minder fosfor gebruiken’, zegt Ghamkar.
En daarom gaat Webber door met verzamelen. Over het algemeen staat hij ervan te kijken hoe gemakkelijk hij in Rusland, of elders, wordt geaccepteerd. ‘Ik denk dat ze ons maar rare snuiters vinden. Maar zodra je mensen in een dorp uitlegt waar je nou precies mee bezig bent, zijn ze al snel bereid een helpende hand toe te steken, en vinden ze het geen enkel probleem dat je wat materiaal meeneemt,’ zegt hij. Hij vraagt zich af hoe hij zou reageren wanneer er ineens een Rus door zijn buurt zou struinen. ‘Het is wel interessant om je af te vragen hoe je zelf zou reageren als er ineens een vreemde over je tuinhek klimt en jouw bloemen plukt. Hoe zou je daar dan tegenaan kijken?’
In de buurt van Argentijnse sojaplantages komen steeds meer overstromingen voor. Volgens de autoriteiten ligt het aan de klimaatverandering. Milieubeschermers wijzen naar de intensieve landbouw.
Het is een cyclus van regenval, overstromingen, boeren die het klimaat de schuld geven, economische schade die in de miljoenen loopt en een regering die subsidies uitdeelt en maatregelen belooft. En bij de volgende storm begint de cyclus opnieuw. De laatste weken waren de regio’s Córdoba, Santa Fe en Buenos Aires aan de beurt. ‘Het komt niet door het klimaat, maar door het de manier waarop hier landbouw en veeteelt bedreven wordt,’ stelt de Argentijnse milieurechtenorganisatie Naturaleza de Derechos. Andere milieuorganisaties hebben erop gewezen dat door de macht van de Argentijnse landbouwsector de ontbossing in het land sneller gaat dan waar ook ter wereld. Uit onderzoek blijkt dat veranderend grondgebruik de oorzaak is van de vele overstromingen.
In maagdelijk bosgebied absorbeert de grond wel driehonderd millimeter water per uur, gewone weidegrond (met grazend vee) maximaal honderd millimeter. Een sojaveld absorbeert slechts dertig millimeter per uur, zo stelde het Nationaal Instituut voor Landbouw- en Veeteelt Technologie (INTA) vast. Volgens Nicolas Bertram van INTA, een van de auteurs van de studie, is ‘de wateroverlast er niet aan te wijten dat er te weinig waterwerken zijn uitgevoerd en al evenmin aan overvloedige regenval, maar vooral aan de enorme groei van het landbouwareaal in de laatste decennia’.
Natuur de schuld
‘Stijging van het grondwater in de pamparegio: meer regenval of veranderd grondgebruik?’ luidt de titel van het onderzoeksrapport (de tweede auteur is Sebastián Chiacchiera). De twee wetenschappers onderzochten hoeveel regen de afgelopen veertig jaar viel en hoe het grondgebruik veranderde (sojacultuur verdrong op grote schaal de veeteelt). Bertram vertelt: ‘Het grondwaterpeil lag eerst op tien meter diepte, nu nog maar op één meter. De aarde is verzadigd en kan geen water meer opnemen. Het is alsof we eerst een grote teil hadden waar we één emmer water in gooiden. Nu is de teil tien keer zo klein, maar we legen er nog steeds dezelfde emmer water in.’
Na een overstroming in Córdoba in 2015 gaf toenmalig gouverneur José Manuel de la Soja de natuur de schuld: ‘Het was een tsunami uit de hemel.’ Volgens landbouwkoepelorganisatie Aapresid waren de recente overstromingen, waarbij de landbouwsector zwaar getroffen werd, het gevolg van een ‘klimaatcatastrofe’.
Horacio Brignone van de campagne Paren de Fumigar (die ageert tegen bestrijdingsmiddelen) vindt dat de overheid behalve met de landbouwsector ook met andere partijen om te tafel moet gaan zitten. ‘De sector krijgt subsidie als schadeloosstelling voor overstromingen die zij zelf heeft veroorzaakt. Ze proberen het water tegen te houden met subsidies, export en “productie”. Dit gebeurt telkens weer, maar de werkelijke oorzaken worden niet aangepakt.’
In een persbericht schrijft natuurbeschermingsorganisatie Cepronat, die ook deelneemt aan de campagne Paren de Fumigar: ‘Het agrarisch-biotechnologisch model verergert de overstromingen. Door gebruik van transgene gewassen, bestrijdingsmiddelen en directe inzaaiing stijgt de grondwaterspiegel. De monocultuur van soja en de chemicaliën die daarbij worden gebruikt maken de grond ondoordringbaar. Het water wordt niet meer opgenomen, en dat leidt op den duur tot overstromingen.’
Het persbericht werd al in augustus 2015 geschreven maar het werd deze week opnieuw verstuurd. Carlos Manessi van Cepronat legt uit waarom: ‘Het is nog even actueel als toen en daarom geven we het nog eens uit.’ Hij verwijt de landbouwsector en de politiek alleen maar naar klimaatverandering en El Niño te wijzen als oorzaak.
Volgens de wereldvoedselorganisatie van de Verenigde Naties hoorde Argentinië bij de tien landen op de wereld die de afgelopen 25 jaar het meeste kapten. Er verdween 7,6 miljoen hectare bos, een gemiddelde van 300.000 hectare per jaar. Hernán Giardini van Greenpeace zegt erover: ‘Elk jaar zien we weer grote overstromingen. Dat is niet toevallig: het is geen natuurlijk fenomeen. Het komt doordat dit land geen milieupolitiek heeft om bossen en andere natuurgebieden tegen branden, houtkap, sojateelt, intensieve veehouderij en projectontwikkelaars te beschermen.’
De stad Chabás ten zuiden van Santa Fe is als geen ander door de overstromingen getroffen. De inwoners blokkeerden onlangs een nationale snelweg en eisten infrastructurele projecten, kanalen en pompen om het overtollige water af te voeren. Een van de actievoerders vertelt: ‘Chabás staat midden in een zee van soja. Het water kwam van het land gestroomd terwijl het in de stad niet eens regende. In twee uur tijd stond zeventig procent van de straten onder water.’
Córdoba is een van de zwaarst getroffen provincies. Milieu-advocaat Dario Avila, lid van een mensenrechtencomité, schampert: ‘Wat toevallig. Telkens weer in gebieden met intensieve landbouw, in het hart van de sojateelt.’ De regionale overheid heeft zojuist een wet aangenomen om meer bos te kappen en de landbouwsector nog meer ruimte te geven.
Auteur: Dario Aranda
Vertaler: Valentijn van Dijck
Belangrijkste linkse krant van Argentinië. Veel nadruk op mensenrechten. Heeft vaak briljant gemonteerde foto’s op de cover, bedoeld om een jong publiek aan te trekken.
CONTEXT: Zorgen over Amazone
De afgelopen 25 jaar ‘heeft de sojaproductie grote happen genomen uit het oerwoud en de savanne van Mato Grosso’, schrijft website Mongabay. Mato Grosso, een Braziliaanse deelstaat in het westelijk Amazonegebied, is een van de gebieden met de hoogste biodiversiteit ter wereld. Tegelijk is het volgens Mongabay een van de regio’s waar de honger van de landbouwsector het grootst is. Tussen 1991 en 2016 groeide het landbouwareaal voor soja er van 1,2 tot 9,4 miljoen hectare. In 2006 besloten de Braziliaanse voedingssector, ngo’s en de regering samen tot een moratorium. Desondanks groeide het soja-areaal in de staat nog steeds aanzienlijk.
In de VS worden klimaatneutrale restaurants steeds populairder. Zeker nu blijkt dat je er ook goed aan kunt verdienen.
Bij Farmers Fishers Bakers, in Washington D.C., zet men zich al zeven jaar lang in voor klimaatneutraal dineren – en dat begint op het moment dat de klant de deur door komt. Een klein bordje nodigt de gasten uit om het restaurant te betreden door de uitbundig versierde draaideur. (Draaideuren, zo heeft een onderzoeksteam van het Massachusetts Institute of Technology ontdekt, zijn acht keer zo energie-efficiënt als traditionele deuren.) Eenmaal binnen in het chique, biologische restaurant, ziet de klant hergebruikt sloophout, herwonnen marmer en karaffen water uit een buurtwinkel. Op de menukaart staat uitdrukkelijk vermeld dat de ingrediënten afkomstig zijn van plaatselijke leveranciers en dat de restjes de volgende dag gebruikt kunnen worden voor een voorafje.
‘We verleiden de klant met duurzaamheid, verse producten, het aangename gevoel dat je weet waar alles vandaan komt,’ zegt Jennifer Motruk, plaatsvervangend hoofd marketing en communicatie van de Farmers Restaurant Group, waar Farmers Fishers Bakers onder valt, net als de Founding Farmers-restaurantketen. ‘Bij elke beslissing die we nemen stellen we onszelf de vraag: Zou ik hier ook voor kiezen als ik een boer was?’ Men streeft ernaar dat alles wat op tafel staat zo van het land komt, en dat alles in een omgeving die zo veel mogelijk klimaatneutraal is.
Alles wat er gedaan kán worden op het gebied van duurzaamheid, wórdt ook gedaan. Founding Farmers composteert, recyclet, gebruikt linnen servetten, drukt de menukaarten met soja-inkt op hergebruikt papier, geeft het eten mee in bakjes van afbreekbaar materiaal, gebruikt natuurlijke schoonmaakmiddelen, maakt zelf groente in en bakt het brood ter plaatse.
Deze filosofie wordt doorgetrokken tot op het toilet, met bewegingssensoren en waterbesparende stortbakken. Tot slot wordt de klant op het hart gedrukt dat het bedrijf doet aan klimaatcompensatie via Carbonfund.org, om de schadelijke uitstoot te compenseren van het wekelijkse transport van een kleine duizend kilo graan vanuit North Dakota naar het District of Columbia.
Sinds de eerste Founding Farmers-zaak in 2008 de deuren opende is de keten uitgegroeid tot een concern met vier vestigingen die ongekende populair zijn. Volgens Motruk voeren de Founder Fathers al 49 maanden de lijst aan van restaurants die worden gereserveerd via OpenTable. Daarnaast is de keten ongekend winstgevend. In 2014 bedroeg de omzet meer dan 35 miljoen. En hoewel Founding Farmers slechts een kleine keten is in een industrietak van immense omvang, wordt het concept van klimaatneutraal eten en het verkleinen van de ecologische voetafdruk steeds populairder. Het bedrijf probeert iets te veranderen binnen een energieverslindende bedrijfstak.
Klanten zijn steeds meer gericht op duurzaamheid, en sommige lokale overheden schrijven dat ook voor
Het systeem waarin voedsel wordt verbouwd, verscheept, bereid en weggegooid, is wereldwijd verantwoordelijk voor 30 procent van de koolstofemissie. Van elke dollar die een Amerikaan aan eten uitgeeft gaat 47 procent naar een restaurant – en daarvan is het land er bijna één miljoen rijk, afgaande op de cijfers van de National Restaurant Association.
Laura Abshire, hoofd duurzaamheidsbeleid en overheidszaken van de National Restaurant Association, qua ledental de grootste vakbond in de voedselindustrie ter wereld, zegt dat restaurants zich er terdege van bewust zijn dat ze een grote invloed kunnen hebben op het milieu, maar ze willen het natuurlijk ook de klant naar de zin maken. Wat de klant meer en meer wil, zegt ze, is dat de zaak die hij bezoekt begaan is met het milieu.
Het filiaal van Farmers Fishers Bakers in Washington D.C.
‘Klanten zijn steeds meer gericht op duurzaamheid, en sommige lokale overheden schrijven dat ook voor,’ zegt Abshire. ‘Restaurants hebben er alleen maar bij te winnen. Ze kunnen geld besparen en klanten trekken.’
In San Francisco opent binnenkort een nieuw restaurant haar deuren, een restaurant dat vanuit een iets andere invalshoek streeft naar een klimaatneutrale bedrijfsvoering. Het Perennial is de droom van het echtpaar Anthony Myint en Karen Leibowitz, die al naam hebben gemaakt in de Bay Area met twee andere restaurants met een charitatief oogmerk.
Ze zullen gebruikmaken van een bijna tweehonderd vierkante meter grote kas en een ecologisch verantwoorde combinatie van visteelt en hydrocultuur om de voedselrestanten te verwerken en groenten en kruiden voor het restaurant te verbouwen. Ze gaan de samenwerking aan met leveranciers die klimaatneutraliteit hoog in het vaandel hebben staan bij de productie van rundvlees en graan, en ze zullen gebruikmaken van typisch milieuvriendelijke pijlers als energiezuinige keukenapparatuur en een daktuin. Met al die middelen hopen Myint en Leibowitz een aangename, educatieve omgeving te scheppen die duidelijk maakt dat het voedselsysteem ook op een meer verantwoorde wijze kan functioneren.
Spitsroeden
‘Het is lastig omdat klimaatverandering en milieukwesties mensen ook kunnen afschrikken,’ zegt Myint. ‘Het is een beetje spitsroeden lopen om dat aan de kaak te stellen in een restaurant waar mensen het vooral naar hun zin willen hebben.’
Myint is ook een van de oprichters van een non-profit-consultancy dat een richtlijn met ‘best practices’ beschikbaar wil stellen voor restaurants die hun ecologische voetafdruk willen verkleinen – Zero Foodprint geheten. Ze willen een klimaatneutrale bedrijfsvoering binnen de restaurantwereld presenteren als iets om trots op te zijn, vergelijkbaar met vrijhandel, waarbij chefs of restauranthouders een bepaalde procedure moeten doorlopen om gecertificeerd te worden. Kennis is macht, zegt Myint, en nadenken over klimaatverandering wil nog niet zeggen dat je niet langer zou nadenken over eten. ‘Rundvlees heeft een gigantische ecologische voetafdruk,’ zegt hij. ‘Ik eet nog steeds rundvlees, maar met de kennis die ik nu heb ben ik wel kieskeuriger.’
De orkaan Patricia, die zich eind oktober boven de Grote Oceaan in recordtempo ontwikkelde en met nooit eerder gemeten windsnelheden van 325 km per uur op Mexico afkoerste, leek in kracht alles te overtreffen wat bij orkanen eerder was waargenomen. Maar eenmaal boven land takelde Patricia binnen 24 uur af tot een ‘tropische depressie’.
De vraag bleef: waardoor ontwikkelde Patricia zich tot de zwaarste orkaan ooit geregistreerd? Tal van theorieën zijn erop losgelaten, van El Niño tot klimaatverandering, maar het antwoord is gecompliceerder. Er deden en doen zich in het enorme gebied van de Grote Oceaan, 32 procent van het aardoppervlak, een aantal verschijnselen gelijktijdig voor, ‘zoals de secondewijzer, de minutenwijzer en de uurwijzer van een klok, die om twaalf uur samenvallen’, zoals een oceaanvorser het verwoordt. ‘Het is niet realistisch om voor zoiets als Patricia één oorzaak aan te wijzen.’
De Grote Oceaan is op dit moment een zorgelijke plek die veel problemen oplevert en veel raadsels telt. Zo is er naast de klimaatverandering ook een sterke El Niño rond de evenaar. Tegelijkertijd doet zich een verschijnsel voor van een ongebruikelijk langdurig aanwezig gebied met warm water voor de Noord-Amerikaanse kust, die al de bijnaam Blob [De Bobbel] heeft gekregen. Blob zou onder meer verantwoordelijk zijn voor een zeer sterke algengroei langs de kust, waardoor schelpdieren vergiftigd raken. ‘Een enkele mossel hier kan genoeg gifstoffen bevatten om een mens te doden,’ zegt een expert. Kwekerijen in de staten Washington Oregon en Californië zijn daarom stilgelegd.
Daarnaast is er het verschijnsel van de ‘Pacific oscillation’, de temperatuurschommeling over een lange periode, die nu net van koel naar warm zou kunnen overgaan. De voorbije koele periode zou overigens een deel van de opwarming van de aarde teniet hebben kunnen doen.
En dan is er het verontrustende verschijnsel van ‘koraalverbleking’ op grote schaal, die kan leiden tot het afsterven van het koraal, het verdwijnen van leefgebieden voor allerlei vormen van leven in zee en het verzwakken van het systeem van kustbescherming.
Eén voordeel heeft deze samenloop van omstandigheden: ‘Het kan de mensheid wakker schudden, dienen als voorbode van de klimaatverandering. We kunnen mensen iets laten zien: let op, dit gebeurt er als we met het klimaat blijven rotzooien.’
Als dit nummer van 360 Magazine verschijnt, is de klimaattop in Parijs enkele dagen onderweg. Uit de duizenden artikelen die in de aanloop ervan verschenen, selecteerde 360 een mix van concrete cases en weidse vergezichten, met artikelen over de relatie tussen klimaatverandering en conflicten, een waarschuwing om onze democratische principes niet te verloochenen, duurzame restaurants, en een krankzinnig gedachte-experiment.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.