Tag: klimaat

  • Klimaatcrisis treft Afrika

    Klimaatcrisis treft Afrika

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Filipijnen vrezen hoge olieprijs

    » Wenen stript op OnlyFans

    Inwoners van Afrika ‘extreem kwetsbaar’ voor klimaatcrisis

    Een nieuw rapport van de VN waarschuwt dat miljoenen ‘extreem arme’ mensen in Afrika worden bedreigd door de versnellende klimaatverandering. ‘Extreem arm’ betreft mensen die moeten leven van minder dan € 1,60 per dag. Ook de weinige gletsjers op het continent zullen binnen twee decennia wegsmelten, aldus Al Jazeera.

    Volgens het rapport van de Wereld Meteorologische Organisatie zijn de 1,3 miljard inwoners van Afrika ‘extreem kwetsbaar’, aangezien het continent meer en sneller opwarmt dan het wereldwijde gemiddelde, ook al is Afrika verantwoordelijk voor minder dan 4% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.

    ‘In 2030 zullen naar schatting tot 118 miljoen extreem arme mensen worden blootgesteld aan droogte, overstromingen en extreme hitte’

    ‘In 2030 zullen naar schatting tot 118 miljoen extreem arme mensen worden blootgesteld aan droogte, overstromingen en extreme hitte in Afrika als er geen adequate maatregelen worden genomen’, zei Josefa Leonel Correia Sacko, commissaris voor plattelandseconomie en landbouw bij de Commissie van de Afrikaanse Unie. ‘De leefomstandigheden worden slechter en het aantal mensen dat wordt getroffen neemt toe’, voegde ze eraan toe.

  • Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Zogeheten groene knelpunten, zoals snelle prijsstijgingen en grondstoftekorten, zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk in de praktijk wordt gebracht. Ze kunnen alleen worden overkomen als overheden zich ‘activistisch’ opstellen, zonder er een tweede nationale agenda op na te houden.

    Terwijl de wereldeconomie aantrekt, hebben tekorten en snelle prijsstijgingen een alomvattende invloed: van de levering van Taiwanese chips tot de kosten van een Frans ontbijtje. Eén knelpunt verdient echter speciale aandacht: problemen aan de aanbodzijde, zoals schaarste aan metalen en beperkende regels voor grondgebruik die de hausse op het gebied van groene energie dreigen te vertragen. 

    Deze knelpunten zijn geenszins tijdelijk. Ze zouden de komende jaren een terugkerend probleem kunnen vormen in de wereldeconomie, doordat de overgang naar een schoner energiestelsel nog in de kinderschoenen staat. Aan overheden de taak om op deze signalen van de markt te reageren en de komende tien jaar een forse investeringsstijging in de particuliere sector mogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan blijft capaciteitsvergroting uit en kunnen beloften van ‘nulemissies’ waarschijnlijk niet worden nagekomen.

    Gekanteld

    Wetenschappers en activisten maken zich al tientallen jaren zorgen over klimaatverandering. Sinds kort lijkt de boodschap bij politici te zijn aangekomen: landen die goed zijn voor meer dan 70 procent van het mondiale bbp én verantwoordelijk voor een even hoog percentage aan uitstoot van broeikasgassen, hebben nu doelstellingen voor nulemissies geformuleerd. De meeste moeten rond 2050 zijn gerealiseerd. 

    De houding van het bedrijfsleven is daarmee gekanteld. Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, aangespoord door de nieuwe realiteit dat schone technologieën goedkoper zijn. De reuzen van het fossiele-brandstoftijdperk, zoals Volkswagen en Exxonmobil, moeten hun investeringsplannen aanpassen, terwijl de pioniers op het gebied van schone energie hun kapitaaluitgaven snel opdrijven. Orsted, leider op het gebied van windmolenparken, voorziet dit jaar een stijging van 30 procent; Tesla, fabrikant van elektrische auto’s, maakt een sprong van 62 procent. Ondertussen stroomde in het eerste kwartaal van 2021 niet minder dan 178 miljard dollar naar inmiddels groene investeringsfondsen.

    Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, ook omdat schone technologieën goedkoper zijn

    Deze plotselinge verschuiving veroorzaakt de nodige spanningen, aangezien de vraag naar grondstoffen stijgt en er om de weinige wettelijk goedgekeurde projecten wordt gestreden. Uit berekeningen blijkt dat een samenstel van vijf mineralen voor gebruik in elektrische auto’s en elektriciteitsnetten het afgelopen jaar met 139 procent in prijs is gestegen. Houtmaffia’s stropen de Ecuadoraanse bossen af, op zoek naar balsahout voor verwerking in windturbinebladen. In februari bracht een Britse veiling van zeebodemrechten voor offshore windparken 12 miljard dollar op, omdat energiebedrijven gespitst zijn op exposure, ongeacht de kosten. 

    Ook tekenen zich financieringstekorten af: terwijl een handvol bedrijven op het gebied van hernieuwbare energie onder geld wordt bedolven, beginnen de waardebepalingen behoorlijk te zwabberen. Hoewel de hernieuwbare energiesector, getuige de indexcijfers van de consumptieprijzen, nog steeds weinig gewicht in de schaal legt, vrezen sommige financiers dat tekorten aan de aanbodzijde op den duur tot hogere inflatie kunnen leiden.

    Tien keer zo hoog

    Opvallend aan deze tekenen van overbelasting is dat er nu al sprake van is, terwijl de energietransitie nog voor geen 10 procent is voltooid (gemeten naar het aandeel reeds gepleegde cumulatieve energie-investeringen dat in 2050 nodig is). Weliswaar zijn sommige noodzakelijke technologieën nog nauwelijks gerealiseerd, zodat er niet in kan worden geïnvesteerd. Ook daarom zijn onderzoek en ontwikkeling bittere noodzaak. En op andere gebieden is het hersenwerk grotendeels gedaan, zodat dit decennium spijkers met koppen moet worden geslagen en veel kapitaal uitgegeven, waardoor gevestigde technologieën een hoge vlucht kunnen nemen.

    Cijfermatig blijkt hoe ontzaglijk de opgave de komende tien jaar is. Om op koers te blijven voor een netto uitstoot van nul, moet in 2030 de jaarlijkse productie van elektrische voertuigen tien keer zo hoog zijn als vorig jaar en moeten er eenendertig keer meer laadstations langs de weg staan dan nu het geval is. Duurzame energieopwekking moet verdrievoudigen en internationale mijnbouwbedrijven dienen de jaarlijkse productie van essentiële mineralen met 500 procent te verhogen. En misschien zal het nodig zijn om twee procent van het Amerikaanse grondgebied met turbines en zonnepanelen te bedekken.

    Energiebedrijven zijn gespitst op exposure, ongeacht de kosten

    Dit alles vergt het komende decennium zo’n 35 biljoen dollar, ofwel een derde van de activa waarover de vermogensbeheersector op dit moment wereldwijd beschikt. Het beste systeem om dit te realiseren is via het netwerk van grensoverschrijdende toeleveringsketens en kapitaalmarkten dat sinds de jaren negentig een wereldwijde revolutie teweeg heeft gebracht. Maar zelfs dit systeem schiet tekort. De energie-investeringen liggen op ongeveer de helft van het vereiste niveau, en vertonen een scheefgroei: ze komen grotendeels voor rekening van een aantal rijke landen en China. Ondanks de stijgende metaalprijzen, bijvoorbeeld, zijn mijnbouwbedrijven huiverig voor een verruiming van het aanbod.

    De voornaamste reden voor het investeringstekort is dat het te lang duurt om projecten goedgekeurd te krijgen, en dat het verwachte risico en rendement ondoorzichtig zijn. Overheden maken het er niet beter op door klimaatbeleid te gebruiken als vehikel voor andere politieke doeleinden. De Europese Unie streeft naar strategische autonomie op het gebied van batterijen, en met haar groene agenda sluist ze een deel van haar begroting naar achtergestelde gebieden. China overweegt binnenlandse prijsplafonds voor grondstoffen in zijn volgende vijfjarenplan op te nemen. Evenzo geeft het klimaatplan in wording van president Joe Biden prioriteit aan vakbondsbanen en lokale industrieën. Deze mix van vage doelen en protectionisme ‘light’ belemmert noodzakelijke investeringen.

    Snelheid van handelen

    Overheden moeten meer standvastigheid aan de dag leggen. Er is een cruciale rol weggelegd voor een activistische staat die helpt om essentiële infrastructuur zoals transmissielijnen te realiseren, en om onderzoek en ontwikkeling te stimuleren. Het aanjagen van particuliere investeringen heeft echter de allerhoogste prioriteit. 

    Dat moet op twee manieren gebeuren. In de eerste plaats door de regels voor planning te versoepelen. Wereldwijd kost het gemiddeld zestien jaar om een mijnbouwproject goedgekeurd te krijgen; bij een doorsnee windenergieproject in de VS zijn leaseovereenkomsten en vergunningen na ruim tien jaar rond – een van de redenen dat de offshorewindcapaciteit er nog geen honderdste van de Europese bedraagt. Snelheid van handelen vereist gecentraliseerde besluitvorming, waarbij lokale natuurbeschermers en bewakers van de eigen achtertuin het nakijken zullen hebben.

    In de tweede plaats kunnen overheden bedrijven en investeerders helpen om risico’s te beheersen. Bijvoorbeeld door bepaalde zekerheden te bieden, zoals gegarandeerde minimumprijzen voor elektriciteitsopwekking. Westerse regeringen hebben ook de plicht om goedkope financiering te verlenen waarmee ze investeringen in armere landen stimuleren. 

    Het allerbelangrijkste is echter dat er koolstofprijzen worden ingevoerd die marktsignalen verankeren in miljoenen dagelijkse zakelijke beslissingen, en dat ondernemers en investeerders een breder perspectief op de lange termijn krijgen. Vandaag de dag wordt slechts 22 procent van de uitstoot van broeikasgassen in de wereld gedekt door tariefregelingen, en die zijn niet geharmoniseerd. Groene knelpunten zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk van theorie naar praktijk verschuift. Een krachtige stoot voorwaarts is nu nodig om de revolutie werkelijk tot stand te brengen.

  • Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Bijna iedereen is het erover eens: ons voedselsysteem moet op de schop. Maar hoe zorgen we ervoor dat we én gezonder eten, én beter omgaan met de planeet, én betere arbeidsomstandigheden creëren in de voedselindustrie? Deze activisten doen een poging.

    Een altaar is een heilige plek, maar je kunt er overal een inrichten, met wat je maar wil of toevallig voorhanden is. Zo kwam vorig jaar op 5 december een groepje mensen bijeen op een plein in het centrum van Springdale in Arkansas om daar op de betonnen treden van een trap een wake te houden met chrysanten en kaarsen van Onze Lieve Vrouw van Guadalupe, en handgeschreven witte kaarten met de namen van werknemers in pluimveeslachterijen die waren overleden aan corona. Onder elke naam stond ‘¡Presente!’ (Aanwezig!), wat zowel op de doden als de levenden kan slaan: in Latijns-Amerika wordt ermee gewezen op de aanwezigheid van de doden, met name slachtoffers van onderdrukking. Er lagen witte veiligheidshelmen bij, en aan de leuning hingen blauwe schorten: onderdelen van het bedrijfstenue dat deze werknemers droegen toen de coronapandemie al volop woedde en zij nog steeds schouder aan schouder 175 kippen of kalkoenen per minuut stonden te slachten – in deze stad die leeft van de pluimveeslachterijen en door Arkansas dan ook is uitgeroepen tot pluimveehoofdstad van de wereld.

    De arbeidersorganisatie Venceremos (Wij Zullen Zegevieren), die deze wake organiseerde, had maandenlang geijverd voor beschermingsmiddelen en gespreide diensten om het risico op coronabesmetting te verkleinen. (Volgens de Centers for Disease Control and Prevention waren eind mei in het hele land al meer dan 16.000 werknemers in de vleesverwerkende industrie besmet geraakt.) ‘Je zat in de orkaan en probeerde te overleven,’ zegt de voorzitter van Venceremos, de van oorsprong Mexicaanse Magaly Licolli (38). ‘En ineens begin je de doden te tellen.’ De mensen die ze daar herdachten, waren gestorven doordat ze werkzaam waren in de ‘vitale beroepen’, zoals de overheid dat nu noemt. Vitaal en dus waardevol, zou je denken, maar in plaats van waardering en een hogere beloning, bracht die kwalificering slechts dwang met zich mee.

    Toch heeft de term ‘vitale beroepen’, met die ondertoon van heroïek, sommige Amerikanen voor het eerst de ogen geopend voor de lang genegeerde levens van de boeren, de werknemers in slachterijen en de vakkenvullers zonder wie wij geen eten op tafel zouden krijgen. ‘Corona heeft een breder publiek erop attent gemaakt dat we een voedselsysteem hébben,’ zegt Navina Khanna (40), de directeur van de HEAL Food Alliance, die in Oakland woont. (HEAL staat voor Health, Environment, Agriculture and Labor.)

    Dat komt mede doordat het bedrijfsleven in de begindagen van de coronacrisis inspeelde op de angst voor lege schappen en waarschuwde dat een lockdown de voedselvoorziening in gevaar zou brengen. (In de brute optelsom van de kapitalistische productie zijn arbeiders minder waard dan de kippen die ze slachten.) Tyson Foods in Springdale, de grootste vleesverwerker van de VS (met in 2020 een omzet van 43,2 miljard dollar, 800 miljoen meer dan in het coronavrije jaar ervoor) plaatste in april een paginagrote advertentie in de grote kranten. ‘Het is onze verantwoordelijkheid om het land van voedsel te voorzien,’ schreef bestuursvoorzitter John Tyson daarin. ‘Dat is van even vitaal belang als medische zorg.’

    Gericht op winst

    Op zichzelf was dat voor zo’n industriegigant een radicale omslag. Sociale hervormers wijzen al jaren op de gevaren van een voedselsysteem dat louter gericht is op winst. Als je voedsel alleen maar ziet als handelswaar en niet als basisbehoefte, accepteer je in feite dat er altijd mensen zullen zijn die er geen geld voor hebben en dus honger moeten lijden. Volgens Feeding America, een landelijk netwerk van voedselbanken dat opereert vanuit Chicago, waren er het afgelopen jaar zo’n vijftig miljoen burgers, ofwel één op de zes Amerikanen, die gebrek aan voedsel hadden. Kijk maar naar de met 60 procent gestegen afname van producten bij voedselbanken in het hele land, waar soms kilometerslange rijen staan, en de scherpe stijging in het aantal winkeldiefstallen van zulke basisbenodigdheden als brood.

    Maar ook vóór de pandemie waren er al 35 miljoen mensen die niet genoeg eten konden kopen, en toen waren er maar weinig bedrijven die vonden dat ze het volk moesten voeden. En het was ook niet vanwege lege supermarkten dat mensen in 2020 bij de voedselbank aanklopten. Toen de president in april gelastte dat de vleesverwerkende industrie moest blijven draaien, zogenaamd om ‘de Amerikaanse burger van voldoende eiwit te blijven voorzien’, bleek de productie zo hoog dat de grote bedrijven voor honderdduizenden tonnen (en miljarden dollars) aan vlees naar het buitenland konden exporteren.

    Het is geen toeval dat naarmate Amerikaanse consumenten steeds verder vervreemd zijn geraakt van de herkomst van hun voedsel en de grotendeels onzichtbare arbeid die nodig is voor de productie ervan, datzelfde voedsel ook is uitgegroeid tot een soort nationale obsessie, zoals die tot uiting komt in alle kookprogramma’s op tv, de verafgoding van topkoks en #foodporn op Instagram. Het is makkelijk om dit af te doen als het hedonisme van een beschaving in zijn nadagen, waarvan de decadentie des te meer opvalt doordat de lockdowns een kloof hebben geschapen tussen mensen die zich niet kunnen afzonderen omdat ze tomaten moeten plukken of vakken vullen, en zij die zich de luxe kunnen veroorloven om thuis te blijven en al hun boodschappen te laten bezorgen.

    De obsessie met eten is een teken van een verlangen om weer in contact te komen met onze oorsprong

    Maar die obsessie met eten is ook een teken van angst en van een verlangen – al is het nog zo confuus – om weer in contact te komen met onze oorsprong. Dat biedt kansen aan voorvechters van verandering in de wereld van de voedselproductie, zoals Licolli en Khanna: zij kunnen zich richten tot een publiek dat nu ook (zij het aan de late kant) oog begint te krijgen voor de grote problemen van onze tijd: de kloof tussen arm en rijk, raciale ongelijkheid en de afbraak van het milieu. Problemen die ons al vóór corona parten speelden en waar we zonder systeemverandering ook nog wel mee zullen kampen als de pandemie alweer verleden tijd is.

    De gebreken van ons moderne voedselsysteem dateren al van de eerste suikerplantages op het Portugese eiland Madeira in de vijftiende eeuw, en de eerste mondiale ondernemingen die voortkwamen uit de zeventiende-eeuwse specerijenhandel. Europeanen konden zich toen verrijken dankzij de inzet van goedkope en vaak gedwongen arbeid uit andere landen: een bedrijfsmodel dat voor velen te winstgevend was om te weerstaan, ondanks de humanitaire tol die het eiste.

    Aan het eind van de achttiende eeuw hekelden Britse tegenstanders van de slavernij het leed dat in elk kopje thee en elk lepeltje suiker school, geproduceerd als die waren door Afrikaanse slaven in wat toen West-Indië heette. De boekhandelaar William Fox publiceerde in 1791 het pamflet ‘Een Pleidooi aan het Volk van Groot-Brittannië, over waarom het van Fatsoen getuigt om geen Suiker en Rum uit West-Indië te nuttigen’, waarvan aan weerszijden van de Atlantische Oceaan meer dan honderdduizend exemplaren in omloop waren: het was het meestverkochte pamflet van zijn tijd. ‘Met elk pond suiker consumeren wij in feite ook één ons mensenvlees,’ schreef Fox.

    Fair Trade

    De Engelse quaker Sophia Sturge ging in Birmingham van deur tot deur om mensen over te halen suiker uit West-Indië te boycotten, en sommige winkeliers gingen er prat op geen uit slavernij voortkomende producten te verkopen. Dat groeide uit tot een heuse beweging onder de noemer ‘Free Produce’, ‘slaafvrije producten’, die ook in Amerika voet aan de grond kreeg. Veel quakers hadden daar suikerriet al in de ban gedaan ten faveure van ahornsiroop en wilden geen katoen dat afkomstig was van de plantages in de Zuidelijke staten. (Het hedendaagse equivalent van Free Produce is het in de jaren tachtig ingevoerde Fair Trade-keurmerk, gestoeld op de gedachte dat het ethisch is om zo veel voor een product te betalen dat kleine boeren en producenten er iets aan kunnen verdienen – al blijft er discussie over de vraag wie daarop moet toezien en wie er werkelijk beter van wordt.)

    Tegenwoordig zijn alle onderdelen van de voedselvoorzieningsketen mikpunt van activisme: hoe voedsel wordt geproduceerd (milieuvervuilende landbouwpraktijken, onveilige arbeidsomstandigheden, de uitbuiting van illegalen en dwangarbeid van gedetineerden, dierenmishandeling), wie het kan produceren en hoe het wordt verkocht (raciale ongelijkheid bij het krijgen van leningen en investeringen, het schaalvoordeel van grote bedrijven, de verdringing van minderheidsculturen of de verspreiding van valse stereotypen daarover) en bij wie het belandt (armoede en honger, buurten waar geen vers en gezond voedsel te krijgen is, moralistische praatjes over de besteding van voedselbonnen).

    Sommige van die problemen worden wel opgepakt door topkoks, die in onze obsessieve eetcultuur enig respect afdwingen, maar hun pleidooi is vaak eerder juichend dan kritisch van aard (zoals in hun aansporing om vooral te eten wat het seizoen te bieden heeft en wat vers van de boer komt) en resulteert doorgaans niet in aanbevelingen voor nieuw beleid. Al zou dit onder invloed van de pandemie kunnen veranderen: de uit Spanje afkomstige José Andrés, die restaurants bezit in Las Vegas, Miami en Washington en die in het verleden voedselhulp heeft georganiseerd voor miljoenen slachtoffers van orkanen en ziekte, haalde onlangs uit naar de Amerikaanse overheid omdat het zou ontbreken aan de ‘politieke wil’ om een eind te maken aan de honger.

    ‘En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Maar ook buiten de schijnwerpers wordt veel belangrijk werk verricht met buurtactivisme, zoals de moestuinen die Karen Washington (66) aanlegt in de Bronx. Ze begon in 1988 met één braakliggend, met vuilnis bezaaid perceel tegenover haar huis. Ze had geen grootse plannen, ze was al blij dat ze dat onooglijke lapje grond wist om te toveren tot de oase die ze de Garden of Happiness noemde, en dat ze haar buren op verse groente kon trakteren. Maar al snel sloeg ze de handen ineen met andere stadstuiniers om zich te verweren tegen de pogingen van de gemeente om hun tuintjes weg te halen en gebouwen neer te zetten op deze voorheen verwaarloosde stukjes grond, die inmiddels groeiden en bloeiden. (Natuurbeschermingsorganisaties schoten uiteindelijk te hulp door een aantal van die percelen op te kopen.) Ze heeft mettertijd al veel tuinen helpen opzetten en beleidsvoorstellen voor ambtenaren geschreven, maar de kern van haar werk is nog steeds wat ze in en voor haar eigen buurt doet. Tijdens de pandemie ging ze de huizen af om te kijken of ouderen wel genoeg te eten hadden, en een groot deel van de oogst uit haar moestuin gaat naar voedselbanken en gaarkeukens. ‘Als we koken, maken we altijd wat extra,’ zegt ze.

    Maar ze weet ook dat dit alleen maar een lapmiddel is. ‘We zijn al zo lang afhankelijk van de bedeling,’ zegt ze. ‘Er wordt voedsel uitgedeeld en we gaan in de rij staan. En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Voedselactivisme bestrijkt zo veel terreinen dat het een versnipperd geheel is, een bonte lappendeken van uiteenlopende achterbannen, van geïmmigreerde bessenplukkers in de staat Washington die in de zomer stikken in de rook van de bosbranden, tot zwarte stadsboeren in Atlanta die kampen met de erfenis van racistische grondonteigening en New Yorkse ondernemers met kraampjes voor taco’s of halal hapjes die aan het begin van de pandemie hun omzet met 80 procent zagen dalen, maar niet voor overheidssteun in aanmerking kwamen omdat ze in de marges van de officiële economie werken, met veel contante betalingen en een minimum aan papierwerk. Na jarenlang soms wel veertien uur per dag te hebben gewerkt, zaten veel van deze ondernemers ineens aan de grond en waren ze aangewezen op de voedselbank. Carina Kaufman-Gutierrez (30), adjunct-directeur van het Street Vendor Project van het Urban Justice Center in Manhattan, dat met een team van zes medewerkers opkomt voor de belangen van zo’n twintigduizend straatverkopers, vindt het beschamend ‘dat de mensen die nu in de rij staan om eten te krijgen, de mensen zijn die al hun leven lang anderen van voedsel voorzien’.

    ‘We hadden al die tijd ook kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld’

    Maar al sinds de jaren tachtig bestookt de voedselbeweging het grote publiek niet zozeer met oproepen om in opstand te komen, als wel met het vagelijk jubelende mantra om gezonder te eten door inkopen te doen op de boerenmarkt en biologisch en onbewerkt voedsel te kopen dat niet in massa geproduceerd is. En dat is ook wel goed voor het milieu en voor kleinere bedrijven, maar het lijkt soms alsof dat alleen maar mooi meegenomen is en het per saldo vooral gaat om het individueel welzijn. Alsof je mensen alleen zover kunt krijgen dat ze in het belang van arbeiders of de planeet ‘met hun vork stemmen’ door een beroep te doen op hun eigenbelang. De neiging om het gedrag van individuele consumenten te beïnvloeden in de hoop zo tot geleidelijke verandering te komen, staat in feite op gespannen voet met de noodzaak van directe politieke actie. ‘Dat geloof dat je de boel via de individuele keuzes van mensen kunt veranderen, is een manier om de markt zelf niet ter discussie te stellen,’ zegt de agro-ecoloog Eric Holt-Giménez (67), voormalig directeur van de in Oakland gevestigde denktank Food First. ‘We hebben de neiging vooral te kijken naar de romantische kant, de kleine boer die biologische groenten verbouwt, terwijl we al die tijd ook hadden kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld.’

    De moeilijkste opgave voor elke activist is misschien wel hoe je mensen tot inzicht kunt brengen. De uit Nigeria afkomstige schrijver en kok Tunde Wey (37) uit New Orleans heeft daar zijn missie van gemaakt. Hij verbindt zich niet aan een restaurant, maar vergast de wereld op bijzondere pop-ups: bijvoorbeeld een kraampje waar witte klanten dertig dollar betalen voor een gerecht dat zwarte klanten maar twaalf dollar kost, als een afspiegeling van het gemiddelde inkomensverschil tussen zwarte en witte inwoners van New Orleans. Of een diner in een kerk waar het menu in het teken staat van de gentrificatie en je voor een halve kip 50.000 dollar betaalt – wederom als je wit bent, want zwarte gasten eten er gratis. Het is niet alleen maar provocatie en ook geen surrealistische grap, het zijn eerder gedachte-experimenten over de reële gevolgen van ongelijkheid. Zijn projecten ‘blijven achter bij de omvang van het probleem, dat kan niet anders’, zegt Wey. Hij wantrouwt mensen die zijn werk klakkeloos omarmen, want hij weet ‘hoe moeilijk het is om te veranderen’. Het echte werk ‘moet vanbinnen gebeuren’, zegt hij. ‘Ook bij mijzelf.’

    Land- en tuinbouw-cao

    ‘Het vraagt meer van je om voor anderen te zorgen,’ zegt de directeur van Community to Community Development in de westelijke staat Washington, Rosalinda Guillén (69). Als dochter van een geïmmigreerde landarbeider werkte ze als kind in de jaren zestig zelf ook in de aardbeienpluk. Dertig jaar later probeerde ze een vakbond op te zetten onder de werknemers van Chateau Ste. Michelle, de grootste wijnmaker in de staat. Ze organiseerde demonstraties, liet van zich horen op aandeelhoudersvergaderingen (speciaal met dat doel hadden de activisten aandelen in het bedrijf gekocht), en wat misschien nog wel het belangrijkste was: ze trok de aandacht van de buitenwereld. De countryzanger Willie Nelson zegde uit solidariteit een voorgenomen concert bij het wijnhuis af, dokwerkers in Europa weigerden de wijn uit te laden en stewardessen wilden die niet meer aan passagiers serveren. Guillén heeft jarenlang bij het bedrijf actie moeten voeren, ze werd bedreigd door beveiligers, haar banden werden lek gestoken en er werd suiker in haar tank gegooid. Maar uiteindelijk kregen de arbeiders hun cao, de eerste voor land- en tuinbouwwerknemers in de staat Washington.

    Raj Patel, een 48-jarige docent op het gebied van voedselsystemen aan de Universiteit van Texas in Austin, wijst erop dat internationale activisten de afgelopen decennia een bredere kijk hebben omarmd op wat ze voedselsoevereiniteit noemen. Dat begrip is gemunt door La Via Campesina, een internationale organisatie van boeren en landarbeiders die ontstaan is tijdens een conferentie in België in 1993. Voedselsoevereiniteit omvat meer dan alleen een betrouwbare voedselvoorziening voor iedereen en gaat ook over het erkennen van het belang van de culturele context, rentmeesterschap en het grondrecht op zelfbeschikking. ‘Eet je een biologische banaan omdat je vindt dat je lichaam een tempel is, of omdat landarbeiders degenen zijn die het meest onder pesticiden te lijden hebben?’ vraagt Patel.

    (Er is ook een akelige historische link tussen de beweging voor biologisch eten en blank etnisch nationalisme: beide putten uit een vergelijkbaar jargon van zuiverheid en wazige en geïdealiseerde denkbeelden over een bloedband met de aarde die niet mag worden bezoedeld met industriële bestrijdingsmiddelen of ‘Fremdstoffe’ – zoals de naziwetenschapper Werner Kollath het noemde, die in de Tweede Wereldoorlog niet alleen voorstander was van de slogan Lasst unsere Nahrung so natürlich wie möglich (‘laat onze voeding zo natuurlijk mogelijk zijn’), maar ook van gedwongen sterilisatie en eugenetica. Een van de extreemrechtse opstandelingen die begin januari na de rellen bij het Capitool in Washington werden opgepakt, schijnt in de gevangenis biologisch voedsel te hebben geëist omdat hij vreesde anders ziek te worden.)

    Armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen

    Tijdens de Amerikaanse Gilded Age, de economische bloeitijd na de Burgeroorlog, leidde de snelle industrialisatie en de ophoping van rijkdom in de handen van een kleine groep tot de opkomst van een nieuwe arbeidersklasse in de VS. Die arbeiders waren veelal verse immigranten die onder aan de pikorde stonden en daarom geen kans maakten op goedbetaald werk. Zij zagen zich dus genoodzaakt de allerlaagste baantjes te accepteren, hoe vies en gevaarlijk de werkomstandigheden ook waren. Toen Upton Sinclair in zijn baanbrekende roman The Jungle (1906) het werk in slachthuizen en vleesverwerkingsfabrieken beschreef, was dat een sensatie – zij het om de verkeerde redenen, zo besefte hij al snel: de lezers gruwden eerder van de gedachte dat ze besmet vlees op hun bord konden krijgen dan van het harde arbeidersbestaan. ‘Ik mikte op het hart van het publiek, en raakte het bij toeval in de maag,’ schreef hij daar later over.

    Maar misschien dat de groeiende onzekerheid op de banenmarkt in alle sectoren, voor zowel arbeiders als kantoorpersoneel, en de miljoenen mensen die ten gevolge van corona nu zonder werk zitten, dit debat toch weer leven kunnen inblazen. ‘De gedachte dat men zich een uitweg uit de problemen kan kopen zit diep verankerd in het individualistische, kapitalistische denken,’ zegt Khanna, ‘in tegenstelling tot het besef dat we allemaal genaaid worden.’

    Critici van links tot rechts beschuldigen de voedselbeweging wel van elitarisme. Het vergt een zekere mate van betrekkelijke maatschappelijke voorsprong en welvaart om te kunnen eten op een manier die doorgaans als gezond wordt beschouwd. Etiketten zoals ‘biologisch’ dreigen daardoor alleen maar symbolen van status en deugdzaamheid te worden, terwijl mensen die op voedselbonnen zijn aangewezen geregeld wordt verweten dat ze met overheidsgeld ‘verkeerd’ voedsel kopen. De in voedsel gespecialiseerde schrijver en universitair docent S. Margot Finn uit Michigan stelde in 2019 in een artikel dat onder invloed van overwegend rijke en witte activisten de prioriteiten van de voedselbeweging te veel zijn doorgeslagen naar buurtmoestuinen, stadsboeren, groenteabonnementen en de beschikbaarheid van vers voedsel, in plaats van zich bijvoorbeeld te beijveren voor betaalbare gezondheidszorg voor iedereen of een hoger minimumloon. Het getuigt volgens haar van ‘een schrale morele verbeelding van wat de moeite waard is als het om eten gaat’. (Je kunt natuurlijk ook voor al deze zaken tegelijk strijden.)

    De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet

    Maar voor de welgestelden mag gezond eten dan misschien vooral een kwestie van levensstijl zijn, armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen. En de beschikbaarheid van gezond voedsel speelt vandaag de dag nog steeds een grote rol in het activisme van mensen van kleur. In 1969 begon de Black Panther Party met de verstrekking van een gratis ontbijt aan schoolkinderen, eerst in Oakland en daarna in het hele land: minstens twee keer per week kregen ze worst, spek of eieren met toast of maispap, melk, jus of warme chocolademelk en vers fruit. De Black Panthers beschouwden voedselonzekerheid als een vorm van onderdrukking en waren van mening dat gebrek aan goede voeding geen incidenteel probleem was, maar onderdeel van een systeem waarmee men zwarte mensen onder de duim hield. Het gratis ontbijt werd nooit als een oplossing voor de rassenongelijkheid beschouwd: het was een van de overlevingsprogramma’s van de Panthers (‘survival pending revolution’ was hun leus: overleven tot de revolutie). Zo wilden ze de zwarte burgers op de been houden tot ze in de positie verkeerden ‘om zich aan de laars van hun onderdrukker te ontworstelen’, zoals Huey P. Newton, een van de oprichters van de Panthers, in 1972 schreef.

    De federale overheid had in 1966 ook al een kleine pilot opgezet van haar eigen gratis ontbijtprogramma, maar dat werd pas landelijk uitgerold in 1975, toen de Panthers door de FBI praktisch waren ontmanteld en hun maatschappelijke hulpprogramma’s waren verdwenen. De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet. In veel steden waar de scholen dichtgingen, bleven de schoolkantines open en werden daar maaltijden bereid en uitgedeeld voor ’s ochtends, ’s middags en soms ook ’s avonds, niet alleen voor kinderen maar ook voor andere mensen in nood. De toenmalige minister van landbouw Sonny Perdue versoepelde de federale wetgeving die sommige scholen in staat stelt gratis maaltijden te verstrekken zonder naar een inkomensbewijs te vragen. ‘Kinderen kunnen zich niet op de les concentreren als ze honger hebben,’ zei Perdue, waarmee hij een gedachte verwoordde die meer dan een halve eeuw geleden ook al in de partijkrant van de Black Panthers had gestaan: ‘Hoe kunnen onze kinderen iets leren als hun maag meestentijds leeg is?’ Vanuit diezelfde gedachte hebben veel vrijwilligersorganisaties tijdens de Black Lives Matter-betogingen van vorig jaar maaltijden verstrekt aan demonstranten. Dat was behalve voedselhulp ook een statement: wij staan achter jullie.

    Gezond voedsel

    Je mensen te eten geven als die niet altijd zeker zijn van voldoende voedsel, kan ook een daad van verzet zijn – de erkenning dat het ook een vorm van geweld is om mensen zulke basisbenodigdheden te onthouden. Dara Cooper (43) woont in Atlanta en is directeur van de National Black Food and Justice Alliance (NBFJA). Toen ze in de jaren tachtig opgroeide in de South Side van Chicago, zag ze dat haar moeder keihard werkte en toch maar met moeite genoeg eten op tafel kreeg. De groente in hun supermarkt zag er altijd oud, verlept en gehavend uit, heel anders dan de fleurige groente- en fruitafdelingen vol verse waren in de winkels van de rijkere en wittere buurten van de stad.

    Buurten waar niet of nauwelijks winkels met vers en gezond voedsel voorhanden waren, werden vroeger wel een voedselwoestijn genoemd: bijna alsof het een willekeurig en natuurlijk verschijnsel was, in plaats van het gevolg van bewust beleid. Buurten die als ‘risicovolle’ investering werden beschouwd, zoals bijna alle buurten waar vooral minderheden woonden, moesten het immers vaak zonder essentiële diensten stellen en kwamen niet in aanmerking voor leningen van de in de jaren dertig opgerichte hypotheekverstrekker van de overheid, de Home Owners’ Loan Corporation. Door de Fair Housing Act van 1968 is deze discriminatie nu weliswaar officieel verboden, maar de ongelijkheid blijft hardnekkig. Activisten spreken tegenwoordig van voedselapartheid, een term die opgeld deed toen de lokale bewonersorganisatie Community Coalition of South Los Angeles campagne voerde om de wildgroei van fastfoodzaken in wijken met lage inkomens af te remmen.

    Dara Cooper hielp in 2011 een afgedankte stadsbus om te bouwen tot een rijdende groentewinkel, Fresh Moves, waarmee verse groenten worden verkocht in wijken met te weinig goede winkels. Zo willen ze tegelijkertijd aandacht vragen voor het probleem en meteen ook demonstreren hoe je het kunt oplossen. Het probleem is niet alleen de afwezigheid van winkels met een goed assortiment, maar ook wie er in zo’n winkel de leiding heeft. Als grootwinkelbedrijven een filiaal in een zwarte wijk openen, zie je bij het management vaak nog vooroordelen die tot wrijving met klanten leiden, en weinig bereidheid om personeel uit de buurt te werven. Net als de moestuinen van Karen Washington in de Bronx was Fresh Moves bedoeld als een zaak van en voor de buurt, en het liep meteen storm. ‘We stonden naast een ijscowagen, en bij ons stond een langere rij,’ zegt Cooper.

    Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin

    Sommige zwarte activisten vinden het vooral aantrekkelijk om hun eigen groente te verbouwen – zowel om in hun eigen behoeften te kunnen voorzien, als om zich af te zetten tegen een verleden waarin zwarte mensen op het platteland geen eigen grond mochten hebben, maar tot slavernij werden gedwongen. Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin. Soul Fire Farm, een non-profitorganisatie buiten New York, organiseert workshops waarin praktijklessen in traditionele Afrikaanse landbouwmethoden gecombineerd worden met een kritische beschouwing van het voedselsysteem door de bril van ras en klasse. En wat betreft de groenteabonnementen van gemeenschapslandbouw, waarbij je als consument aandelen koopt in de jaaroogst van een boerderij en je dividend krijgt uitbetaald in de vorm van een aantal dozen verse groente per jaar: wie dat wegzet als een speeltje van linkse witte mensen, gaat voorbij aan het baanbrekende werk van Booker T. Whatley, een landbouwdocent aan de Tuskegee University in Alabama, die de lezers van zijn Handbook on How to Make $100,000 Farming 25 Acres in 1987 al adviseerde om zich van vaste inkomsten te verzekeren door een club op te zetten waarbij de leden vooruitbetalen voor een jaar lang groente.

    Jamila Norman (41), een milieukundig ingenieur die zich op de stadslandbouw heeft toegelegd wegens het gebrek aan winkels met gezond voedsel in haar eigen wijk in Atlanta, vindt het belangrijk om de grond waarop ze gewassen verbouwt in eigendom te hebben en rendabel te maken, ‘om een landbouwbedrijf neer te zetten als een levensvatbaar bedrijfsmodel voor mensen van kleur, zodat ze zien dat die weg voor hen vrij ligt’. Volgens cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw is het totale aantal boerderijen de afgelopen eeuw met 68 procent gedaald van bijna 6,5 miljoen in 1920 tot iets meer dan 2 miljoen in 2017. Maar het aantal boerderijen van zwarte boeren is gedaald van ongeveer 925.000 naar 35.000, een veel scherpere daling van wel 96 procent. Dat komt neer op de onteigening van miljoenen hectares, deels door discriminatie bij het verstrekken van leningen door zowel banken als de overheid. (In 1998 erkende het ministerie in een rapport dat er sprake was van ‘langdurige vooroordelen tegen en discriminatie van boeren uit etnische minderheden’.) Met de Patchwork City Farms, door Norman oorspronkelijk begonnen op een stuk grond dat ze pachtte van een openbare school, maar inmiddels gevestigd op een eigen perceel niet ver van haar huis, wil ze het ‘verhaal’ van de zwarte boer ‘heroveren’. Het doel is een toekomst waarin, zo zegt ze, ‘ik helemaal niet bijzonder meer ben omdat iedereen dan aan landbouw doet’.

    Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’

    De pandemie heeft veel voedselactivisten genoodzaakt om van belangenbehartiging over te stappen op noodhulp (de ‘overlevingsprogramma’s’ van Huey P. Newton) teneinde te kunnen voorzien in de eerste behoeften van mensen: voedsel voor wie honger lijdt, financiële steun voor kleine bedrijven op de rand van het faillissement, en bescherming van de levens van werknemers in ‘vitale’ beroepen. Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’. Maar ‘ons normaal is dodelijk’, zegt Guillén. En ook Holt-Giménez ziet het somber in: ‘Miljardairs, grote bedrijven en grote ketens komen beter uit de pandemie,’ zegt hij. ‘Het levert kansen op – en kijk wie die kansen benutten.’ Tegen het probleem van het schaalvoordeel valt praktisch niet op te boksen, zoals Wey ook laat zien. Norman wil haar kinderen van rond de twintig niet als knecht op haar boerderij inzetten. ‘Ik moet dit werk zelf kunnen doen,’ zegt ze, ‘dit rendabel houden zonder mensen uit te buiten.’ Maar grote landbouwbedrijven kunnen makkelijk lagere prijzen vragen door arbeidskrachten te behandelen als wegwerpartikelen en ze ‘in tijden van crisis zelfs op te offeren’, zegt Guillén. ‘De gedachte blijft toch: hoe dicht kun je de wettelijke grens van slavernij naderen?’

    Maar de huidige crisis zal niet meteen verdwenen zijn met het virus, die zoönotische infectie die van dier op mens is overgesprongen en dus duidelijk een nevenproduct is van onze inbreuken op de habitat van dieren en het existentiële gevaar van onze niet-aflatende belasting van het milieu. Met het stijgende tempo waarin de klimaatverandering om zich heen grijpt, en de schijnbare onuitroeibaarheid van raciale onrechtvaardigheid en de eeuwenoude verdeling van rijkdom en macht, zowel in Amerika als op mondiaal niveau (om nog maar te zwijgen over de bunkermentaliteit van diegenen die al zo lang aan de knoppen zitten dat ze het delen van macht meteen ervaren als de totale ondergang), is voedsel zowel een symbool als de letterlijke belichaming geworden van alle problemen om ons heen. Activisme kan de vorm aannemen van een betoging, van een boycot, van een campagne om een miljoen deuren af te gaan, of zelfs van een handvol zaad: een stukje toekomst dat je in de aarde steekt. Het kan bestaan uit een koor van stemmen en een groeiend bewustzijn dat wat wij eten niet alleen een afspiegeling is van onze (vaak laaghartige) keuzes als samenleving, maar die keuzes ook vormt; en dat het in onze macht ligt om iets aan die keuzes, en aan de manier waarop we leven, te veranderen.

  • Oktobernummer | 200 keer het beste uit de internationale pers

    Oktobernummer | 200 keer het beste uit de internationale pers

    »  Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Dossier: Wat eten we morgen

    » ‘Bijna een groot kanselier.’ Merkels leiderschap in zeven punten

    » Griekse muur van 40 kilometer gewapend beton in aanbouw

    » Alleen een sterke staat kan pact tussen politiek en misdaad verbreken

    Tien jaar

    Redactioneel

    ‘Voor u ligt een nieuw venster op de wereld. Die wijde, veranderlijke wereld, waarover we alles willen weten’, stond hier 200 edities en 23 readers geleden op 25 november 2011. Dat die ‘we’, aangestoken door ons eigen enthousiasme, en masse een abonnement op 360 ging afsluiten, was een door dopamine gestuurde aanname vol bravoure en ambitie. Maar laten we wel wezen, er was toch niets tegen in te brengen, een magazine dat speurt naar het beste wat de internationale media te bieden heeft, het kaf van het koren scheidt op basis van kwaliteit en relevantie en de lacunes in het internationale nieuws dicht, als dat zich vooral richt op landen waar verkiezingen, conflicten of rampen de voorpagina’s bepalen?

    Dat ‘wereldse’ voornemen zijn wij trouw gebleven. Zoals een schare ‘we’ 360 trouw is gebleven. Daar zijn we zeer dankbaar voor.

    Met evenveel animo blijven wij verder zoeken naar originele stemmen en nieuwe perspectieven

    Tien jaar kan een eeuwigheid lijken voor pasgeborenen terwijl ouderen bij een decennium wellicht niet langer stilstaan dan bij een trilling in de vleugels van een vlinder. Onweerlegbaar is dat er in de tien tussenliggende jaren ontzettend veel is gebeurd, ook al gaan wezenlijke veranderingen tergend langzaam. De eerste nummers gingen toen al over de verschuivende wereldorde, zowel multilateraal als particulier, aan het genderfront (Hij/zij, ed. 4, 2012). We publiceerden meerdere malen in verschillende edities over wat nog steeds de grote kwesties van deze tijd zijn: de verkramping van de macht, ongelijkheid, immigratie, racisme en de alarmerende conditie van natuur en klimaat. We zagen onderwerpen elders opduiken voordat deze in Nederland of Europa op de agenda kwamen, doordat bijvoorbeeld het Pakistaanse dagblad The Express Tribune schreef over de mislukkende internationale missie en de binnenlandse taliban in de miljoenenstad Karachi en de voormalig leider van de taliban interviewde (De terugkeer van de taliban, ed. 33, 2013). En we lieten veel verschillende stemmen aan het woord over de opkomst van het populisme (Wraak op de elite, ed. 106, 2016) en het wel en wee van de #MeToo-discussie (o.a. ed. 128, 2017).

    Maar we vonden ook talloze opzienbarende reportages en andere onterecht onopgemerkt gebleven inzichten die vrolijk stemden en boven alles bewezen dat er overal ter wereld met knisperende intelligentie en creativiteit geschreven wordt. Met evenveel animo blijven wij verder zoeken naar originele stemmen en nieuwe perspectieven in de internationale pers, voor iedereen die over zijn eigen grenzen wil kijken.

    Katrien Gottlieb

    gottlieb@360international.nl

    INT 21200 1 LR 1
  • Volgens China is leegloop Hongkong ‘normaal’ | Maersk bestelt groenere schepen

    Volgens China is leegloop Hongkong ‘normaal’ | Maersk bestelt groenere schepen

    China: ‘Vertrek van tienduizenden is normaal

    Tijdens een bezoek aan Hongkong ontkende een hoge Chinese regeringsfunctionaris dat tienduizenden inwoners de stad hebben verlaten vanwege de door Beijing opgelegde nationale veiligheidswet. De regering van de stadstaat maakte eerder deze maand bekend dat ruim 89.000 mensen uit Hongkong zijn vertrokken sinds de invoering van de veiligheidswet, twaalf maanden geleden. Maar volgens Huang Liuquan, van het Bureau voor Zaken aangaande Hongkong en Macau, hebben de twee zaken niets met elkaar te maken, schrijft South China Morning Post.

    ‘De ontwikkeling van Hongkong is weer op de goede weg’

    ‘Sommigen suggereren dat mensen Hongkong hebben verlaten omdat ze ontevreden zijn over de uitvoering van de nationale veiligheidswet en het vertrouwen in de ontwikkeling van de stad hebben verloren. Ik denk niet dat dat juist is’, aldus Huang. ‘Inwoners hebben hun rustige en veilige leven hervat, de principes van de rechtsstaat zijn duidelijk gemaakt en de sociale orde is hersteld. De ontwikkeling van Hongkong is weer op de goede weg. Dit zijn onmiskenbare feiten.’

    Huang beweerde dat een uittocht van tienduizenden inwoners normaal is voor een internationaal georiënteerde stad, zeker tijdens een pandemie.

    Lees ook:


    Maersk bestelt groenere schepen

    Het Deense Maersk, de grootste rederij ter wereld, investeert 1 miljard Britse pond, circa 1,17 miljard euro, in CO2-neutrale containerschepen. Het bedrijf bestelt acht containerschepen die kunnen varen op groene methanol en op traditionele bunkerbrandstof, bericht The Guardian. Volgens Maersk, dat onder meer goederen verscheept voor H&M Group en Unilever, leidt de vervanging van oudere door fossiele brandstoffen aangedreven schepen, tot een vermindering van zeker 1 miljoen ton CO2 per jaar.

    ‘Deze order bewijst dat er nu goede CO2-neutrale oplossingen beschikbaar zijn’

    De bestelling van de schepen bij Hyundai Heavy Industries in Zuid-Korea, is vooralsnog de grootste stap om de scheepvaartindustrie, die verantwoordelijk is voor bijna 3 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, CO2-arm te maken. De scheepvaart reageerde relatief traag op oproepen om het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen, deels omdat schonere alternatieven schaars en duurder zijn. ‘Deze order bewijst dat er nu goede CO2-neutrale oplossingen beschikbaar zijn’, aldus Søren Skou, CEO van Maersk. De acht schepen, elk met een capaciteit van 16.000 containers, worden naar verwachting aan het begin van 2024 opgeleverd.

    Lees ook:

    10 miljard yuan voor Chinese boeren

    Pinduoduo, het grootste technologieplatform in China dat boeren en distributeurs rechtstreeks met consumenten verbindt, kondigde vorige week aan 10 miljard yuan, circa 1,3 miljard euro, te doneren aan de landbouwsector. Direct daarna steeg de beurskoers met 22 procent. De donatie komt overeen met instructies van president Xi Jinping om sociale ongelijkheid aan te pakken, schrijft Le Courrier International.

  • Scheepvaartindustrie doet niet aan klimaatregels

    Scheepvaartindustrie doet niet aan klimaatregels

    Scheepsbouwers en mijnbedrijven vertegenwoordigen een industrie die evenveel vervuilt als alle Amerikaanse kolencentrales bij elkaar. Toch kunnen zij achter gesloten deuren hun eigen regels opstellen.

    De IMO [International Maritime Organization] is een deftig en zeer machtig bureau van de Verenigde Naties aan de oever van de Theems. De afgevaardigden ontmoeten elkaar al decennialang achter gesloten deuren om de vaak wat duistere wereld van de internationale scheepvaart te reguleren – een sector die evenveel koolstofdioxide uitstoot als alle Amerikaanse kolencentrales bij elkaar en gebruikmaakt van een van de allersmerigste brandstoffen: een dikke olie waar ook asfalt van wordt gemaakt. 

    Vorige maand nam het IMO voor het eerst sinds het Parijs-akkoord nieuwe regels aan omtrent de uitstoot van broeikasgassen. De regels beperken de uitstoot niet en verhullen essentiële details in een mist van geheimzinnigheid. 

    Het IMO stelt al sinds 1948 de internationale spelregels op. Nationale overheden kunnen de scheepvaart, in tegenstelling tot andere industrieën, maar moeilijk reguleren. Een in Japan gebouwde tanker kan eigendom zijn van een Grieks bedrijf, van China naar Australië varen met een Indiase bemanning – en dat alles onder Panamese vlag. Toen wereldleiders om deze reden besloten om de internationale scheepvaart buiten het verdrag van Parijs te houden, legden zij de verantwoordelijkheid neer bij de IMO. Maar deze organisatie lijkt allerminst van plan om wezenlijke veranderingen door te voeren.

    Ambitieus milieuplan

    ‘Ze hebben er alles aan gedaan om een serieus gesprek te blokkeren of de angel eruit te halen,’ zegt Albon Ishoda, een diplomaat van de Marshalleilanden. Zijn Pacifische eilandstaatje had vroeger nooit moeite met de grote invloed van de industrie op de organisatie en droeg daar zelfs aan bij. Het land verkocht zijn diplomatieke zetel in Londen jaren geleden aan een Amerikaans bedrijf. Maar de opwarming van de aarde heeft daar verandering in gebracht. De zeespiegel stijgt. Huizen spoelen weg. Een deel van de eilanden kunnen het komende decennium al onbewoonbaar worden.

    Daarom hebben de Marshalleilanden een ambitieus milieuplan opgesteld, dat voorziet in een CO2-belasting voor vervuilers. Ook proberen de eilandbewoners hun diplomatieke zetel terug te veroveren en zo weer een stem te krijgen op het internationale toneel.

    ‘Mijn voorouders geloofden dat de oceaan ons welvaart brengt,’ vertelt de minister die achter de campagne zit. ‘Nu vrezen we dat de oceaan onze dood zal gaan worden.’

    Maar de kans dat de Marshalleilanders de maritieme organisatie hun wil kunnen opleggen is zeer klein. In 1990 tekende de eerste president van het land een overeenkomst met het bedrijf International Registries Inc. Elk schip kon voortaan, zonder veel belasting of andere kosten te betalen, onder de vlag van de Marshalleilanden varen. Het bedrijf uit Virginia in de VS regelde alles en algauw bezaten de Marshalleilanden op papier een van de grootste koopvaardijvloten ter wereld. De regering deelde in de opbrengst – die volgens een ambtenaar van de archipel neerkwam op een slordige 8 miljoen dollar per jaar. 

    ‘De IMO is eigenlijk een besloten club van oude zeelui’

    In 2015, toen minister van Buitenlandse Zaken Tony de Brum naar de IMO afreisde, ontstond echter deining. Even daarvoor had hij bij de klimaatonderhandelingen in Parijs sympathie geoogst met verhalen over zijn in de golven verdwijnende vaderland. In Londen verwachtte hij eenzelfde ontvangst. Maar toen hij in het zakenkostuum van zijn eiland verscheen – bloemenoverhemd, broek en een net jasje – werd hij naar eigen zeggen door de beveiliging terug naar zijn hotel gestuurd om een das te halen.

    ‘De IMO is eigenlijk een besloten club van oude zeelui,’ vertelt analist Thom Woodroofe, die de Brum naar Londen begeleidde. ‘Het zou me niks verbazen als je tijdens de vergaderingen nog mag roken.’ 

    De Brum kon aanvankelijk niet eens gaan zitten, omdat International Registries, dat de Marshalleilanden bij de IMO vertegenwoordigde, weigerde zijn zetel af te staan.

    Industriebonzen

    In de regel worden landen bij klimaatgesprekken van de Verenigde Naties vertegenwoordigd door ervaren politici en delegaties van ambtenaren. Bij het milieucomité van de maritieme organisatie komt een op de vier afgevaardigden uit de industrie zelf.

    Een vertegenwoordiger van het Braziliaanse mijnbouwbedrijf Vale, een van de grootste CO2-vervuilers van de sector en een belangrijke overzeese exporteur, zit er als regeringsadviseur bij. Ook de Franse oliegigant Total en een reeks verenigingen van scheepseigenaren zijn van de partij. Deze bedrijven helpen het beleid bepalen. Niet zelden spreken zij zelfs uit naam van regeringen – ook vertrouwend op de geheimhoudingsplicht die binnen de organisatie bestaat.

    En vaak is onduidelijk waar de affiniteit van de afgevaardigden precies ligt. Zo maakte Luiz Gylvan Meira Filho in 2017 en 2018 deel uit van de Braziliaanse delegatie als onderzoeker van de Universiteit van São Paulo. Tegelijkertijd werkte hij bij een door Vale gefinancierde onderzoeksorganisatie. Het tweede jaar was hij zelfs een betaalde consultant van het bedrijf. In een interview beschreef hij deze rol als dubbel voordelig voor zijn land: hij ondersteunde de Braziliaanse ambtenaren met zijn expertise, terwijl Vale zijn kosten betaalde.

    Andrew Bowden CC Flickr Headquarters of the International Maritime Organization 2
    Het hoofdkwartier van de IMO in Londen. – © Andrew Bowden / CC Flickr

    Honderden andere industriebonzen nemen deel als geaccrediteerd toeschouwer en kunnen tijdens de vergaderingen hun zegje doen. Ze zijn veel talrijker dan vertegenwoordigers van milieuorganisaties. Een verzoek tot accreditatie van het Environmental Defense Fund in 2018 werd afgewezen.

    De Brum probeerde deze industrieafgevaardigden en diplomaten over te halen om binnen acht maanden ambitieuze uitstootdoelen af te spreken. ‘De tijd is kort en werkt tegen ons,’ zei hij in 2015 tegen hen. Maar de toenmalige secretaris-generaal van de IMO, de Japanner Koji Sekimizu, verzette zich tegen strenge uitstootgrenzen, vanwege de rem die dat op de economische groei zou zetten. Een informeel blok van landen en industriegroepen wist het stellen van doelen drie jaar lang te traineren.

    Uit verslagen waarop The New York Times de hand wist te leggen blijkt dat vooral China, Brazilië en India er herhaaldelijk voor gingen liggen. In 2015 heette het te vroeg om een strategie te bepalen. In 2016 was het voorbarig om doelstellingen af te spreken. In 2017 ontbrak het aan gegevens om langetermijndoelen te kunnen bespreken.

    Al snel besloten de afgevaardigden om de doelstelling van nul uitstoot maar helemaal weg te laten

    Het ontbreken van gegevens wordt wel vaker als excuus aangevoerd. De Braziliaanse vertegenwoordiger admiraal Louise Henrique Caroli zei geen geloof te hechten aan onderzoekresultaten die wijzen op een stijgende uitstoot. Volgens hem wilde Brazilië de uitstoot best beperken, maar moest er eerst verder onderzoek worden gedaan naar de economische consequenties van zo’n stap.

    De Cook Eilanden, een andere Stille-Zuidzeearchipel, voert vergelijkbare argumenten aan. Net als de Marshalleilanden wordt het land door de stijgende zeespiegel in zijn bestaan bedreigd. Maar volgens Joshua Mitchell van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de eilandengroep zijn op korte termijn banen en de kosten van levensonderhoud belangrijker. 

    De IMO brengt milieumaatregelen bijna nooit in stemming maar zoekt liever naar een informele consensus. In de praktijk geeft dat luidruchtige tegenstanders een vetorecht. 

    Geen wonder dus dat van De Brums grootse plannen, toen de afgevaardigden in 2018 eindelijk doelstellingen gingen formuleren, weinig over was. De doelstelling van de Marshalleilanden was nul uitstoot ‘in de tweede helft van de eeuw’ – vanaf 2050 dus. Industriebonden maakten daarvan ‘in de loop’ van de tweede helft van de eeuw. Met een kleine tekstwijziging was de termijn stilletjes vijftig jaar opgeschoven.

    Al snel besloten de afgevaardigden echter, zonder erover te stemmen, om de doelstelling van nul uitstoot maar helemaal weg te laten.

    Slechts twee doelstellingen bleven uiteindelijk overeind: allereerst zou de industrie de brandstofefficiëntie met tenminste veertig procent proberen te verbeteren. Dat was niet meer dan een luchtspiegeling. *Deze doelstelling was zo bescheiden dat hij, volgens sommige berekeningen, al gehaald was op het moment dat hij werd aangekondigd. Ten tweede zou het bureau zijn best doen om de uitstoot in 2050 te halveren. Maar zelfs deze verwaterde doelstelling blijkt onhaalbaar. Volgens gegevens van het bureau zelf kan de uitstoot nog met wel dertig procent toenemen.

    Eindeloze compromissen

    Toen de afgevaardigden elkaar oktober vorig jaar weer ontmoetten – vijf jaar na De Brums speech – was nog geen enkele actie ondernomen. Voorstellen zoals maximumsnelheden waren besproken en snel weer verworpen. Wat overbleef was wat sommige afgevaardigden wel de ‘koelkastrating’ noemden – een score die net als die van huishoudelijke apparatuur schone en vuile schepen van elkaar moet onderscheiden.

    Volgens Europese afgevaardigden kan dit systeem alleen werken als schepen met een slechte score op een zeker moment niet meer uit mogen varen. Maar dat vonden China en bondgenoten te ver gaan. Dus droeg de Noor Sveining Oftedal, die de vergadering voorzat, Frankrijk en China op om in een apart gesprek tot een vergelijk te komen.

    De IMO laat het aan de bedrijven over om aan te geven hoe vuil hun schepen zijn

    De Marshalleilanden werden overal buiten gehouden. ‘“We hebben naar jullie geluisterd”, zeiden ze altijd tegen ons,’ vertelt Ishoda. ‘Maar zodra ze in details traden zeiden ze: ‘Sorry, jullie bijdrage wordt niet op prijs gesteld’. 

    Uiteindelijk legde Frankrijk zich bij vrijwel alle Chinese eisen neer. De vuilste schepen gaan niet aan de ketting. Scheepseigenaren moeten plannen indienen waarin ze de intentie tot verbetering uitspreken, zonder echt iets te hoeven verbeteren.

    Dit alles gebeurde in het diepste geheim. De IMO noemde de vergadering in een samenvatting een ‘grote stap voorwaarts’. Woordvoerder Natasha Brown zei dat het klanten en belangengroepen meer macht had gegeven. 

    Helaas bevat de regeling nog een andere grote lacune. De IMO zal de scores niet publiceren, en laat het aan de scheepvaartbedrijven over om aan te geven hoe vuil hun schepen zijn.

    Nieuwe wind

    Sinds kort is de politieke wind aan het draaien. De Europese Unie is bezig om de scheepvaart mee te nemen in haar emissiehandelssysteem. De Verenigde Staten, dat jarenlang geen grote rol in het bureau speelde, gooit het onder president Biden over een andere boeg en liet onlangs weten ook naar de uitstoot van de scheepvaart te zullen kijken.

    Het zouden twee grote klappen zijn voor het IMO, dat lang heeft volgehouden dat alleen zij in staat is om de scheepvaart te reguleren. 

    Maar de weerstand achter gesloten deuren is zeker niet gebroken. Op opnames van een klimaatvergadering van afgelopen winter is te horen dat alleen al de suggestie dat de scheepvaart duurzaam zal moeten worden, een woedende reactie uitlokt. ‘Dat soort uitlatingen getuigen van een gebrek aan respect voor de industrie,’ zei Kostas G Gkonis, directeur van handelsgroep Intercargo.

    Vorige maand ontmoetten de afgevaardigden elkaar in het geheim om te bespreken welke beoordeling in het nieuwe ratingsysteem als voldoende zou moeten gelden. Onder druk van China, Brazilië en andere landen legden de afgevaardigden de lat zo laag dat de uitstoot rustig door kan blijven stijgen – in praktisch hetzelfde tempo als voor de regulering.

    De afgevaardigden kwamen overeen de kwestie over vijf jaar opnieuw te bespreken.

  • Poolse wet is ‘ongekende aanval op persvrijheid’ | Nederlands pensioenfonds waarschuwt Korea

    Poolse wet is ‘ongekende aanval op persvrijheid’ | Nederlands pensioenfonds waarschuwt Korea

    Pools parlement neemt wet aan in die persvrijheid bedreigt

    Het Poolse parlement heeft een omstreden mediawet aangenomen die de persvrijheid bedreigt. De wet, die op woensdagavond werd aangenomen, zou de Amerikaanse groep Discovery kunnen dwingen het grootste deel van haar belang in de commerciële televisiezender TVN, dat vaak kritisch staat tegenover de conservatieve regering, te verkopen. In het wetsvoorstel staat dat alleen bedrijven uit de Europese Economische Ruimte een uitzendvergunning mogen bezitten.

    ‘Washington had Warschau gevraagd deze wet niet in stemming te brengen, maar de nationalistische regeringspartij liet zich niet afschrikken’, merkt de Europese editie van de website Politico op. Het besluit van het parlement is ‘een ongekende aanval op de vrijheid van meningsuiting en onafhankelijkheid van de media’, zo reageerde de directie van TVN, die de Poolse Senaat en de president opriep de wet te verwerpen.

    Vicepremier Jaroslaw Gowin werd ontslagen vanwege zijn verzet tegen de omstreden wet

    De wet was een van de oorzaken van de val van de regeringscoalitie op dinsdag. Vicepremier Jaroslaw Gowin werd door premier Mateusz Morawiecki ontslagen vanwege zijn verzet tegen de omstreden wet en zijn fractie van tien zetels stapte op. Toch wisten de overgebleven regeringspartijen de wet erdoor te krijgen met steun van kleine partijen in de 460 zetels tellende Sejm, de Poolse Tweede Kamer, schrijft Politico.

    Lees ook:


    Huawei investeert 100 miljoen dollar in start-ups

    Het Chinese techbedrijf Huawei investeert de komende drie jaar 100 miljoen dollar in het startup-ecosysteem in Azië-Pacific, bericht YourStory. Al eerder werd geïnvesteerd in start-uphubs in Singapore, Thailand, Sri Lanka en Maleisië en Huawei wil dit zogenoemde Spark-programma uitbreiden in India als de coronapandemie in het land is afgenomen.


    Pensioenfonds APG waarschuwt Korea voor bouw kolencentrales

    Het in Amsterdam gevestigde APG Asset Management, onderdeel van het Nederlandse pensioenfonds APG, heeft de Zuid-Koreaanse regering gewaarschuwd dat het niet schrappen van een plan om drie kolencentrales te bouwen een ‘aanzienlijke risicofactor’ zal vormen voor haar investeringen in Korea, bericht The Korea Herald. De brief heeft betrekking op drie centrales met een gecombineerd vermogen van 6,3 gigawatt die in aanbouw zijn in de provincie Gangwon.

    ‘De kolencentrales zullen onvermijdelijk een belasting vormen voor de toekomst van de mensheid’

    Park Yookyung, hoofd verantwoord beleggen Azië van APG Asset Management, schrijft in de brief dat de centrales in de nabije toekomst een bedreiging zullen vormen voor het streven naar CO2-neutraliteit. ‘In het licht van de klimaatcrisis zullen kolencentrales onvermijdelijk een belasting vormen voor de Koreaanse economie en de toekomst van de mensheid’, aldus de in het Koreaans opgestelde brief. ‘De uitstoot van broeikasgassen in Korea zal niet alleen een zware last vormen voor de particuliere sector, maar ook voor andere binnenlandse bedrijven in dit op export gerichte land.’

  • Californië geteisterd door historische bosbrand | VS blijft dicht voor EU-reizigers

    Californië geteisterd door historische bosbrand | VS blijft dicht voor EU-reizigers

    Op een na grootste brand in de geschiedenis van Californië

    Met een getroffen gebied van 187.000 hectare is de Dixie Fire vanaf zondag de op één na grootste natuurbrand in de geschiedenis van Californië, schrijft Los Angeles Times. De brand is vernoemd naar de straat waar hij op 13 juli begon, Dixie Street. Het vuur heeft al vierhonderd woningen en bedrijfsgebouwen verwoest, aldus het dagblad. De vlammenzee, die deze week het stadje Greenville in de as legde, is nog maar voor 21 procent onder controle en de brandweer vreest dat ze het vuur pas tegen 20 augustus helemaal zal hebben geblust.

    ‘We moeten openlijk toegeven dat deze branden worden veroorzaakt door het klimaat’

    De gouverneur van Californië, Gavin Newsom, bezocht zondag de ruïnes van Greenville en sprak zijn ‘diepe waardering’ uit voor de brandweerlieden. Hoewel Californië gewend is aan bosbranden, ‘is de droogte veel ernstiger, het is heter dan ooit’, aldus Newsom in een verklaring op Twitter. ‘We moeten openlijk toegeven dat deze branden worden veroorzaakt door het klimaat.’ Officieel heeft de Dixie Fire geen slachtoffers gemaakt, maar vier inwoners van Greenville worden nog vermist.

    Lees ook:


    Mozambikaanse havenstad heroverd op opstandelingen

    Het Mozambikaanse leger kondigde zondag aan dat het de stad Mocimboa da Praia had heroverd, een belangrijke haven in het noordoosten van het land en ‘het laatste bolwerk van de opstandelingen’, meldde BBC. Mozambikaanse troepen werden bij deze operatie bijgestaan door een contingent van duizend Rwandese soldaten.

    Mocimboa da Praia ligt in de provincie Cabo Delgado, waar het Franse olie- en gasbedrijf TotalEnergies afgelopen voorjaar een megagasproject onderbrak vanwege jihadistische dreiging. De Mozambikaanse regering, die lange tijd gekant was tegen internationale hulp in haar strijd tegen de opstandelingen, heeft afgelopen juli eindelijk hulp van haar buurlanden geaccepteerd. Rwanda, Botswana, Zimbabwe, Zuid-Afrika en Angola behoren tot de landen in de regio die troepen hebben gestuurd. De crisis in Mozambique heeft meer dan 2800 mensenlevens geëist, vooral burgers, en meer dan 800.000 mensen zijn ontheemd geraakt.

    Lees ook:


    Europa roept VS op om reizigers uit EU toe te laten

    De voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, heeft de Verenigde Staten opgeroepen om reizigers uit Europa toe te laten tot hun grondgebied, bericht Deutsche Welle.

    Sinds juni heeft de EU de 27 lidstaten aanbevolen om reizigers uit de VS binnen te laten, maar andersom is een verbod voor reizigers uit Europa nog van kracht. ‘We dringen erop aan dat vergelijkbare regels worden toegepast op aankomsten in beide richtingen’, zei Von der Leyen tegen Duitse media. ‘We moeten dit probleem zo snel mogelijk oplossen en daarover hebben we contact met onze Amerikaanse vrienden, voegde ze eraan toe, ‘maar het mag geen weken blijven voortslepen.’

    In de EU heeft 59,3 procent van de bevolking een eerste vaccin gekregen, tegenover 57,8 procent in de VS

    Von der Leyen merkte op dat de epidemiologische situatie in de VS en EU-landen ‘zeer vergelijkbaar’ is. In de EU heeft 59,3 procent van de bevolking een eerste vaccin gekregen, tegenover 57,8 procent in de VS. Aan beide kanten van de oceaan stijgt het aantal gevallen overigens weer door de deltavariant, aldus DW.

  • Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Ook vóór corona was het al duidelijk: als we natuur en steden willen sparen, moeten we onze manier van reizen gaan veranderen. Maar hoe?

    In een niet al te verre toekomst zullen we net zo naar ons reisverleden kijken als nu naar Mad Men, de serie uit de jaren 60 waarin ongeremd gerookt en gedronken wordt en het plastic bestek na de picknick gewoon in de natuur achterblijft: ging dat toen echt zo?

    Eerlijkheidshalve zouden we dan moeten toegeven: ja, dat ging toen zo en niemand die er zich druk over maakte. Mij zouden dan bijvoorbeeld mijn reizen in het jaar 2019 te binnen schieten: in maart bewonderde ik op de Lofoten het noorderlichttheater, in de zomer stroopte ik enkele eilanden van de Cycladen af en tot slot laste ik nog een weekendje weg naar Porto in, waar we onszelf warmdronken in de kilte van de vroege herfst. Tussen die vakanties door was ik achtmaal op dienstreis – met het vliegtuig. Met al dat gereis zou ik 2019 kwalificeren als een heel normaal jaar – het laatste voordat de wereld tot stilstand kwam.

    Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen in 2019 1,5 miljard boekingen

    In dat jaar brak het mondiale toerisme alle records. Nooit eerder werd er zo vaak bezichtigd, bereisd en verwelkomd. Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen 1,5 miljard boekingen, terwijl toerismeonderzoekers zelfs een verdere stijging naar 1,8 miljard voor mogelijk hielden. Elke anderhalve seconde steeg er wel ergens op onze planeet een vliegtuig op om nieuwsgierigen zoals ikzelf af te zetten in toeristische bestemmingen als New York, Barcelona of Praag – even gewoon als een busreisje en dankzij de prijsvechters niet eens veel duurder. De wereld van 2019 was een onbegrensd draaiende vliegcarrousel.

    DO 2.1 1

    Tegelijkertijd was 2019 het jaar waarin we waarschuwingssignalen dat het zo niet verder kon nog maar moeilijk over het hoofd konden zien. Of het nu de door cruiseschippassagiers geplaagde binnenstad van Dubrovnik in Kroatië betrof of de verstopte toegangswegen naar de Walchensee in Beieren, toeristische hotspots herkenden we aan de fluitconcerten van geïrriteerde autochtonen, aan ‘tourist go home’-graffiti en aan de nare diagnose overtourism in de media. In Europa’s warmste jaar sinds de start van de weerregistraties werden wij, frequent travellers, om de oren geslagen met het begrip ‘vliegschaamte’; circa 80 procent van de reis-gerelateerde CO2-emissies wordt veroorzaakt door vliegreizen naar onze plekken van bestemming.

    Toerismecarrousel

    Toen kwam covid-19. De pandemie legde de toerismecarrousel die tot dan toe voor een soort van mensenrecht was doorgegaan, stil. Als was het een gigantische parkeerklem. Bij nader inzien was de pandemie echter geen rem maar een turbo. ‘Overtoerisme, milieubescherming, duurzaamheid – de coronacrisis werkt als vliegwiel voor ontwikkelingen die toch al vraagtekens plaatsen bij het massatoerisme,’ zegt Alexis Papathanissis, hoogleraar toerismemanagement aan de hogeschool van Bremerhaven. 180 jaar nadat de Engelsman Thomas Cook reizen begon te organiseren en het toerisme onze aarde begon te belasten, moeten we het radicaal heruitvinden.

    Maar als onze oude manier van reizen niet langer functioneert, hoe zou een nieuwe er dan uit kunnen zien? Want helemaal niet meer reizen kan geen oplossing zijn. Reizen voorziet in een essentiële behoefte – waarvan je je net als bij de liefde pas goed bewust bent als het er ineens niet meer is. Juist nu is het verlangen heftig: nog maar net ingeënt trekken waarschijnlijk massa’s mensen binnenkort de wijde wereld in. De prijsvechters breiden hun vloot al uit.

    Maar hoe zou het toerisme er na de gevreesde post-coronaparty dan wel moeten uitzien? Ik maak afspraken met een trendonderzoeker, een avonturier, een toerisme-expert en een klimaatdeskundige – mensen van wie ik antwoorden hoop te krijgen op vragen als: hoe zullen we over vijf of tien jaar op reis gaan? Mag dat eigenlijk nog wel? Hoe kunnen we onze wereld verkennen zonder een verschroeide aarde achter te laten?

    Wie in de toekomst kijkt, moet eerst weten waar hij staat. Daarom vraag ik Nikolaj Koch: Welk effect heeft een jaar met veel reizen zoals dat van mij, op het klimaat? De 38-jarige Koch is klimaatexpert bij Arktik in Hamburg, een organisatie waar je je eigen CO2-uitstoot kunt berekenen en compenseren.

    Koude douche

    Kochs conclusie blijkt een nog koudere douche dan ik al vreesde. Met mijn CO2-voetafdruk heb ik veel weg van een bankier bij Lehman Brothers kort voor het begin van de financiële crisis – het type tot wie nog niet is doorgedrongen hoe megafailliet hij eigenlijk is. Tijdens de 5800 kilometer die ik in 2019 achter het stuur zat, stootte mijn Volvo volgens Kochs berekeningen ongeveer 1300 kilo broeikasgas uit. Hierbij vergeleken vielen mijn 2500 treinkilometers met 90 kilo aan broeikasgassen in het niet. Maar de elf vliegreizen deden het pas echt: het stedentripje naar Porto, mijn vakantietrips naar de Lofoten en Griekenland, samen met een paar businessvluchten binnen Duitsland, veroorzaakten – zo rekende Koch mij voor – bij elkaar een wolk van circa 6800 kilogram CO2. Al met al had ik dus in de loop van het jaar onze klimaatzieke planeet met ruim acht ton kooldioxide opgezadeld – alleen al door mijn mobiliteit. Vanuit klimaatoptiek bezien sta ik sindsdien diep in het rood. ‘Acht ton is meer dan dubbel zoveel als waar een aardbewoner jaarlijks recht op heeft,’ zegt klimaatexpert Koch. En wat nog veel erger is: de mede door mij geproduceerde kooldioxide zal nog in de atmosfeer aanwezig zijn als ik mij allang niet meer aan een of andere vertrekgate meld maar in plaats daarvan voor het avondeten in het verzorgingshuis. Toeristen mogen dan graag bagatelliseren dat het vliegverkeer verantwoordelijk is voor slechts 3 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot – als we eerlijk het staartje aan condensstrepen, zwavel- en stikstofoxiden en het effect daarvan meerekenen, valt de bijdrage van het vliegverkeer aan de opwarming van de aarde minimaal tweemaal zo hoog uit. Die 6 procent CO2-last weegt nog weer zwaarder als we ons realiseren dat maar ongeveer 5 à 10 procent van de wereldbevolking überhaupt vliegt.

    Wij, de piepkleine minderheid van wereldwijde topverdieners, hebben dus een uiterst sterke hefboom in handen die in de toekomst voor de resterende 90 procent van de wereldbevolking een merkbaar verschil kan maken. ‘Onze huidige uitstoot van kooldioxide zal negatief uitwerken op de leefomstandigheden van honderden miljoenen mensen,’ zegt Volker Quaschning, hoogleraar hernieuwbare energiesystemen aan de Hogeschool voor Techniek en Economie in Berlijn. Hij onderzoekt hoe onze energiehuishouding eruit zou moeten zien, willen we het klimaat op aarde niet volkomen ruïneren. In het kort komt dat hierop neer: het moet radicaal anders. ‘Overstromingen, droogte, voedselgebrek, gezondheidsschade en andere gevolgen van onze klimaatverandering zullen generaties na ons nog treffen,’ waarschuwt professor Quaschning.

    Electrofuels

    Bieden de zogeheten electrofuels waarmee de luchtvaartindustrie op een dag klimaatneutraal hoopt te worden, dan misschien een oplossing? De expert in hernieuwbare energiebronnen heeft er weinig fiducie in. Weliswaar kunnen zulke synthetische vliegtuigbrandstoffen inderdaad via wind- of zonnestroom en daarmee CO2-neutraal geproduceerd worden, maar de productie ervan vergt helaas extreem veel energie – meer dan 80 procent daarvan gaat onderweg verloren – en is acht à negen keer zo duur als de productie van conventionele kerosine. Quaschning: ‘Er gaan nog heel wat jaren overheen voor electrofuels inzetbaar en betaalbaar zijn, als dat ooit al het geval zal zijn. Tot dat moment is en blijft het vliegtuig het schadelijkste transportmiddel voor het klimaat’. 

    En compenseren? Dat levert te weinig op. Dus besluit ik ter plekke tot een eigen aanpak. In plaats van voor stedentrips het vliegtuig te nemen, ga ik voortaan vaker met de trein en op de fiets; verplaats ik zakenafspraken van de ochtend naar de middag om niet met de ochtendvlucht maar met de trein te kunnen komen. En mijn volgende vakantie naar Italië maak ik met een van de nachttreinen die de Oostenrijkse spoorwegen net als vroeger door Europa laten rollen. In de toekomst moeten dat er duidelijk meer worden: met de Franse en Duitse collega’s werken de Oostenrijkers aan een netwerk van snelle treinverbindingen dat voor het eind van dit decennium een flink aantal Europese metropolen met elkaar moet verbinden.

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – zou de komende jaren weleens mainstream kunnen worden

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – al die oude reisadviezen zouden de komende jaren weleens mainstream kunnen worden. Want de nood groeit – en het bewustzijn ook: het hoeft niet noodzakelijkerwijs af te doen aan ons plezier wanneer we op onze weg door de wereld wat meer verantwoordelijkheid op ons zouden nemen. Het vereist alleen wat meer denkwerk. Maar dat leidt meteen tot de volgende ongemakkelijke vraag: wat leveren al die inspanningen op als we gewoon met te veel mensen zijn?

    De toerist ‘vernietigt wat hij zoekt door het te vinden,’ stelde schrijver Hans Magnus Enzensberger droogjes vast. Geen wonder dat ze ons op veel plaatsen niet meer willen, in elk geval niet in de hoeveelheden die goedkope luchtvaartmaatschappijen, cruiseschepen en busondernemingen neerkiepen bij de poorten van de hotspots. Bewoners vluchten voor maandhuren die als gevolg van het toerisme onbetaalbaar zijn geworden, hun manier van leven bezwijkt onder de massa’s. Waar lokale toerismemanagers vroeger zoveel mogelijk betalende gasten naar hun bestemming probeerden te lokken, willen ze ons nu zo efficiënt mogelijk spreiden. De fraaie aansporing van de bestseller 1000 Places to See Before You Die heeft op termijn als neveneffect dat de ‘plaatsen die je gezien moet hebben’, langzaam sterven.

    In Barcelona, waar het aantal van 1,7 miljoen bezoekers in 1990 explosief steeg naar dertig miljoen in 2019, worden al geruime tijd geen nieuwe hotels in de binnenstad meer toegestaan en aan de ooit wild voortwoekerende Airbnb-business worden boetes tot wel 30.000 euro opgelegd. Bergen beknot het aantal cruiseschepen dat deze Noorse havenstad mag aandoen, Venetië strijdt nog over een oplossing voor de plaag van drijvende SUV‘s. Amsterdam probeert de toeristische stortvloed van 18 miljoen bezoekers per jaar om te leiden naar minder belaste gebieden, bijvoorbeeld door het 30 kilometer verderop gelegen Zandvoort om te dopen tot Amsterdam Beach.

    Met zulk soort maatregelen kan lokaal mogelijk de grootste stormloop het hoofd worden geboden. Maar wat wanneer de groeiende middenklasse in China, Rusland, India en Brazilië haar koffers pakt en op reis gaat – miljoenen mensen met net zoveel recht op het San Marcoplein, het noorderlicht en het strand van de Cycladen als wij? In China is slechts 10 procent van de bevolking in het bezit van een paspoort maar dit minieme aandeel correspondeert wel met zo’n honderd miljoen potentiële Venetië-gangers.

    Om het groeiende concentratierisico van toeristen van zijn scherpe kantjes te ontdoen, is er duidelijk meer nodig dan wat onbeholpen inreisbeperkingen. Een man die aan zulk soort alternatieve ideeën knutselt, is Guido Sommer, hoogleraar toerismemarketing aan de Hogeschool van Kempten. En een oplossing heeft hij al in zijn zak zitten.

    BayernCloud

    Opgewekt blikt Sommer me op een ochtend via het Zoom-venster op mijn laptop tegemoet. ‘Ziet u dit hier?’ vraagt de 47-jarige wetenschapper terwijl iets uit zijn broekzak frommelt. ‘Het zou weleens een oplossing voor het probleem van het overtoerisme kunnen betekenen.’ Hij houdt zijn iPhone voor de camera. Onze smartphones, zo licht hij toe, wacht een grote carrière in het toerisme. Van een simpel communicatiemiddel waarmee we onderweg hotelprijzen, weersverwachting, alternatieve routes en openingstijden bijeen googelen ontwikkelt het mobieltje zich tot reisgids, reisbureau en risicomanager ineen. Dat wordt mogelijk dankzij een nieuw soort databanken waarin meteorologische diensten, hoteliers, skiliftexploitanten en andere ondernemers in de toeristenbranche voortaan in realtime hun data invoeren. Zo’n centraal informatiebureau is de BayernCloud die momenteel aan Sommers hogeschool wordt ontwikkeld. Al vanaf de zomer van 2022 moet het als een alwetende datawolk boven Beieren zweven. Soortgelijke datacentra ontstaan momenteel op allerlei plaatsen op aarde omdat ze immers een duidelijke meerwaarde te bieden hebben: alle voor toeristen relevante informatie in één enkele, uiterst actuele databron die afgetapt kan worden via één enkele app en een klein apparaatje dat ieder van ons gemiddeld 80 maal per dag ter hand neemt.

    ‘U vindt dat weinig spectaculair klinken?’ vraagt Sommer die mijn licht ontnuchterende blik kennelijk niet ontgaan is. ‘Het is wel degelijk revolutionair.’ Want met kunstmatige intelligentie gevoerde data-aggregators, zoals de BayernCloud, bieden reizigers twee niet te overtreffen voordelen: ze verklappen ons niet alleen de actuele omstandigheden op onze bestemming maar ook de situatie in de nabije toekomst. En nog fascinerender: ze kunnen die toekomst zelfs in positieve zin voor ons veranderen.

    Met slimme reisbegeleiders zullen we intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn

    ‘Neem mij bijvoorbeeld,’ zegt Sommer. Hij vertelt over zo’n typische zaterdagochtend in de winter als hij vanuit zijn woonplaats Kempten in de auto stapt om te gaan skiën in de Allgäuer Alpen. Helaas doen op zonnig-koude zaterdagen met verse sneeuw veel Kemptenaren dat. Niet zelden staat Sommer daarom korte tijd later al in de file, geïrriteerd dat hij toch niet vroeger is vertrokken, en verdoet hij op de plaats van bestemming kostbare minuten met het zoeken van een parkeerplaats om tegen het middaguur op het Oberjoch of de Fellhorn zijn eerste bochtjes te draaien. Dan is hij al een typische toerist; zo eentje die opgefokt is van te veel mensen die hetzelfde willen als hij.

    Maar volgend jaar winter zou dat heel anders kunnen zijn. Met zijn gedownloade BayernCloud kan Sommer al aan de ontbijttafel de voorziene drukte op de parkeerplekken en de rijen voor de skiliften zien – en wel op het moment dat hij denkt aan te komen. Als de sensoren onder de parkeerterreinen en bij de skiliften een cruciale belasting aangeven doet zijn app, nog voor hij in zijn auto is gestapt, al voorstellen voor minder volle alternatieven. ‘Smart assistents als deze zullen ons’ volgens Sommer ‘in de toekomst van onze eerste plannetjes tot aan de ervaring ter plekke op elke fase van onze reis begeleiden’.

    Hoe meer de algoritmes hierbij leren over onze favoriete activiteiten en doelen, hoe preciezer ze een ons passend aanbod kunnen doen. Als de skipistes rond Oberstdorf naar verwachting overvol worden, kunnen ze multisporter Sommer een weinig geboekte skitocht voorstellen of een cursus deltavliegen in het nabije Sonthofen, vanwaar de meteorologische dienst op de app juist een fantastische thermiek en een paar vrije startplaatsen heeft gemeld. Het zou de redding zijn voor zijn zaterdag en ook voor het skigebied – dat zo een overvloed aan mensen bespaard blijft.

    ‘Natuurlijk hebben dergelijke services een prijs,’ zegt Sommer. ‘Voor dat alles betalen we met onze data’. Met slimme reisbegeleiders zullen we in de toekomst niet alleen intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn. Willen we dat echt? Tegenvraag: wie wil de voordelen ervan missen?

    Transport naar behoefte

    Want op pad met digitale helpers kunnen we niet alleen betere alternatieven ontdekken maar die zelfs zelf creëren. Verondersteld dat naast Guido Sommer ook andere Kemptenaren in datzelfde weekend belangstelling hebben voor hetzelfde skigebied, dan zou het algoritme van de app voor de betreffende dag een busdienst kunnen activeren die de skiërs één voor één ophaalt en afzet bij het dalstation. ‘Het achterhaalde principe van star streekvervoer met vaste routes kan vervangen worden door het principe van MOIA – individueel transport naar behoefte,’ zegt de toerisme-onderzoeker. Weekendskiërs hoeven dan niet meer naar een vrije parkeerplek te zoeken, ze hoeven helemaal niet meer te zoeken. En mocht de vraag naar een bepaald skigebied, wandelroute of bezienswaardigheid naar verwachting te groot worden, dan schakelt de app ogenblikkelijk over op de methode Galapagos: op die eilandengroep in de Grote Oceaan worden geen nieuwe toeristen meer toegelaten, zodra de aanvaardbare hoeveelheid bezoekers wordt overschreden. Zo zouden ook in Oberstdorf en elders nieuwe gasten vroegtijdig gewaarschuwd en met zachte hand omgeleid kunnen worden voordat ze de toegangswegen en ingangen versperren.

    Op die manier kunnen digitalisering en datawolken een kernprobleem van het moderne toerisme – te veel mensen willen op hetzelfde moment hetzelfde – helpen ontwarren. Bezoekersstromen kunnen er zo mee worden gestuurd dat gedrang en reisfrustratie uitblijven.

    Dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie kan ik me maar moeilijk voorstellen

    Maar er is ook al een visie die nog verder gaat. De gerenommeerde Zwitserse econoom Bruno S. Frey komt met een noodoplossing die bepaald radicaal is. Zijn idee voorziet in een reeks origineelgetrouwe kopieën van publiektrekkers zoals Salzburg, Venetië of Vaticaanstad, een soort golfbrekers die een deel van de last van de hotspots kunnen opvangen. Op dat denkbeeld kwam Frey – niet onverwachts – tijdens een totaal verpeste vakantie in Venetië. Naar zijn mening zouden zulke kunstmatige tweelingen reizigers zelfs een intensere vakantie-ervaring kunnen bieden dan hun echte voorbeeld: ‘Bezoekers van een Venetië-kloon zou bijvoorbeeld een multimediapresentatie over kunstgeschiedenis aangeboden kunnen krijgen of een carnaval waarin ze echt kunnen participeren.’

    Maar hoe goedbedoeld zulke afleidingsmanoeuvres ook zijn – dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie aan een kunstmatige Lofotenhemel, kan ik me maar moeilijk voorstellen. Ook voor een wandeling langs het strand van een Santorini-kloon schiet mijn fantasie tekort.

    Dat leidt tot de volgende wezenlijke vraag: wat zijn mijn verwachtingen als ik ergens arriveer? En waar in hemelsnaam vind ik die? Die vraag stel ik aan een man die in de loop van zijn leven al een behoorlijk stuk van onze aardbol heeft verkend.

    Alastair Humphreys fietste na een lichtvaardige aankondiging tegenover kroegvrienden in vier jaar en drie maanden 74.000 kilometer rond de wereld. Te voet doorkruiste hij de grootste zandwoestijn op aarde, hij was National Geographic Adventurer of the Year en één van de vier gekken die in 2012 in een piepklein roeibootje de Atlantische Oceaan overstaken.

    Microavontuur

    Maar zijn grootste prestatie volbracht Humphreys thuis achter zijn bureau. De Engelse vrijbuiter en schrijver wist het wijdverbreide idee over vrijheid en avontuur op zijn kop te zetten. Hij deed dat door ideeën over even onopzienbarende als verrassende ondernemingen in de nabije omgeving op papier te zetten, er een boek van te maken en dat alles van een duidelijke titel te voorzien: Microadventures.

    ‘Toen ik aan mijn microavonturen begon, heb ik telkens naar het waarom gevraagd: Waarom zou ik als dertiger in mijn voortuin gaan slapen? Moet ik als robuust avonturier geen robuuste dingen maken?’ vertelt Humphreys, die met zijn gezin in een dorp in het zuiden van Engeland woont. ‘Maar een klein avontuur is beter dan geen avontuur.’ Hymphreys definieert een microavontuur als een kleine vlucht in de naaste omgeving die iedereen ’s avonds of in het weekend kan ondernemen. Bijvoorbeeld door tussen twee heel gewone kantoordagen in een nacht in een slaapzak in het bos door te brengen. Door een wandeling van de verst gelegen tramhalte terug naar huis of door een uitstapje met een zelf getimmerd vlot op de rivier die je tot nog toe alleen vanuit het autoraampje kent. Dat alles volgens de formule: weinig voor nodig, minimale voorbereiding, intensieve ervaring.

    Nu zou je daartegen in kunnen brengen dat een man die de halve wereld al over is getrokken gemakkelijk een loflied op eigen land kan zingen. Maar Humphreys was er helemaal niet op uit om een nieuw reisconcept te bedenken – als vader van twee kleine kinderen zocht hij simpelweg naar manieren om zijn drang naar verre landen en lust in avontuur af te kunnen stemmen op zijn gezinsverplichtingen.

    En het werkt. Ik kan er zelf over meepraten. Na de dag dat ik Humpreys Microadventures in handen kreeg sliep ik verschillende nachten in een hangmat in het bos en bracht ik diverse dagen door met eigen miniwandeltochten. Enkele zomers geleden leende ik met vrienden waterdichte zakken en supboards en liet die te water in het mij tot dan toe volstrekt onbekende Feldberger Seenlandschaft. Vier dagen achtereen gleden we van het ene meer naar het andere en hoewel het hoogzomer was, peddelden we vrijwel ongestoord door het glinsterende water. Rond ons bossen van een soort die we eerder in New England of Finland zouden verwachten. ’s Avonds schoven we onze supboards door de rietkraag op de oever en fileerden we forellen die we onderweg hadden gekocht bij een visser. En inderdaad, op de Krüselinsee schoot vlak naast ons een visadelaar het water in om vervolgens met zijn spartelende buit weer op te stijgen.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid’

    De Krüselinsee ligt op drie uur rijden van mijn stadsappartement in Hamburg, maar toen ik daar op de avond van de vierde dag nat van het zweet mijn supboard uitlaadde, leek het alsof ik terugkwam uit een andere wereld. In die vier dagen had ik meer meegemaakt en meer ervaren dan in alle voorgaande georganiseerde vakanties bij elkaar. Op het verlangen naar verre reizen hebben microavonturen hetzelfde effect als een proteïnerijk tussendoortje op stevige trek: ze zijn geen vervanging voor de gewone maaltijd maar ze vullen die aan door in korte tijd een intensieve ervaring te bieden. Tenslotte is het oneindig veel opwindender om voor jezelf een slaapplaats in het bos te zoeken dan dat je je in een hotel te ruste legt in een vers opgemaakt bed.

    Van zo’n concept profiteren waarschijnlijk niet alleen wij reizigers, maar ook de vakantieregio’s in eigen land. Die kunnen zich zo op een gemakkelijke manier in de markt zetten – en zich laten ontdekken. En het beste is nog dat ze er geen bezoekerscentra voor hoeven in te richten, attractieparken aan te leggen of infrastructuur op te bouwen – alle benodigdheden voor een microavonturier zijn er immers al.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid want ze zorgden voor een dosis wildernis, stilte en fysieke inspanning in mijn leven,’ vertelt Alastair Humphreys. Zelf besefte ik na mijn trip naar het Feldberger Seenlandschaft dat ik voor onvergetelijke momenten geen vliegticket, verleend jaarlijks verlof of touroperators nodig heb. Vereist zijn eerder fantasie, wat durf en waterdicht schoeisel.

    Resonantie

    Als we Verena Muntschick mogen geloven, maak ik daarmee deel uit van een trend. De Frankfurter toekomstonderzoeker en haar team wijdden zich enige tijd terug aan de vraag hoe we in de toekomst gaan reizen en wat we in een vakantie zullen zoeken. De belangrijkste trend die Muntschick en haar collega’s bij het Frankfurter Zukunftsinstitut blootlegden, vatten zij samen in de term ‘resonantie’. Achter dit lastig te doorgronden begrip schuilt volgens Muntschick de ‘behoefte om op reis ervaringen op te doen die je bijblijven, die verdergaan dan het serviceaanbod, de bezienswaardigheden en de beloofde uren zonneschijn’. Met andere woorden: we reizen weer om het echte leven te ontdekken en daarbij ook meteen onszelf. Voortekenen van die trend zijn bijvoorbeeld de pelgrims naar Santiago de Compostella, de couchsurfers of de stellen die na jarenlang hotelvakanties nu een Volkswagenbusje kopen om op eigen houtje de wijde wereld in te trekken.

    ‘Natuurlijk zijn dat allemaal nog niches,’ geeft Muntschick toe, ‘maar die niches worden wel gestaag groter’. De Corendons en de all-in-concepten zullen altijd wel blijven bestaan en ook het massatoerisme zal niet verdwijnen omdat een paar mensen op een sup in eigen land vakantie houden in plaats van met een surfplank op Bali. Maar jongere reizigers zijn opgegroeid met een heel andere gevoeligheid voor de ecologische en sociale gevolgen van onze reisactiviteit. En daarmee stellen ze ook hogere eisen aan de toeristenbranche: ‘Mensen willen niet meer als economisch object behandeld worden maar als vriend van een gemeenschap.’

    Liever een handvol echte ervaringen dan duizend overvolle places to see

    De vraag is alleen: is dat echt de toekomst? Feldberg klinkt nu eenmaal minder aanlokkelijk dan Faro, Brandenburg saaier dan de Balearen. Zijn we echt verstandig en bereid genoeg om van dat alles af te zien?

    Op den duur ligt de toekomst ook helemaal niet in de keuze tussen het een of het ander, maar in een eerlijke mix. Voor mij betekent dit dat ik naar de Cycladen of het noorderlicht zal kunnen blijven gaan, maar misschien niet meer zo vaak als vroeger en niet per vliegtuig maar met veerboot en trein. Wel zou ik, zelfs als je royaal tijd voor het inchecken meerekent, meer dan tweemaal zolang naar mijn bestemming onderweg zijn. Maar als er iets is wat vakantiegangers in de toekomst hebben, dan is het wel tijd.

    Sinds het opkomen van de naoorlogse reisgolf in 1950 is onze levensverwachting met gemiddeld vijftien jaar gestegen. Dat zijn vijf uren per dag die wij meer ter beschikking hebben dan onze grootouders. Elke dag weer. Anders dan zij, die ook nog eens zes dagen per week zwaar werk verrichtten, hoeven wij onze reizen niet in een paar vakantiedagen te persen. De oude drieklank van het leven – school, werk, oude dag – kunnen we vervangen door een meer ontspannen soundtrack. De tijd speelt voor ons. We kunnen hem nemen. Altijd krijgen we te horen dat de toekomst ligt in levenslang leren. Ik zou dat willen aanvullen: ze ligt in levenslang reizen.

    Dat is niet in het minst te danken aan een neveneffect van corona: door de pandemie is ook de laatste scepticus ervan overtuigd geraakt dat zeker kantoormedewerkers probleemloos vanaf diverse plekken met elkaar samen kunnen werken, vooropgesteld dat er WLAN en elektriciteit aanwezig is. En juist dat zullen veel van ons na de pandemie ook willen. Waarom niet vanuit een bergboerderij inloggen bij een Zoom-bijeenkomst? Waarom dat nieuwe idee niet uitwerken op een wandeltocht met collega’s?

    Werkverblijf

    ‘Het concept van de “mooiste weken van het jaar” waarin we bij moeten komen van de met werk gevulde rest van het jaar, is momenteel zienderogen aan het verdwijnen,’ zegt Claudia Brözel, hoogleraar economie van het toerisme (afdeling duurzame ontwikkeling) aan de Hogeschool van Eberswalde. In de toekomst zou bijvoorbeeld een reeks microavonturen gecompleteerd kunnen worden met een maandenlang werkverblijf aan de Middellandse Zee, een tuinierproject in een naburig dorp met een lange sabbatical waarin we door half Afrika trekken. Onder het motto: liever een handvol echte ervaringen dan 1000 overvolle places to see. Niet langer ‘meer’, maar ‘indringender’. Beleven in plaats van bereizen.

    Dit volslagen andere idee van wat een vakantie dient te zijn en wat hij ons moet brengen, zou weleens de sterkste veranderingskracht voor het toerisme kunnen blijken. Niet uitgesloten dus dat we ons op een dag het jaar 2019 herinneren als het jaar waarin we op een heel nieuwe manier begonnen te reizen.

    We zullen veel in de natuur zijn omdat we het digitale ‘always on’ moe zijn

    De visionair Bernd Neff, initiator van het Berlin Travel Festival en voormalig marketingmanager van Design Hotels, voorspelt een trend naar een luxe en groene vakantie. Historisch gezien werden pandemieën altijd gevolgd door fases van verhoogde levenslust en luxe. Nadat de pest was overwonnen gingen de mensen overal in Europa trouwen en zetten ze kinderen op de wereld; op de Spaanse griep volgden de roaring twenties. Wij zullen in de post-coronajaren een tijd van luxereizen meemaken. Maar het zal een nieuwe, minder materieel bepaalde vorm van luxe zijn. We zullen in kleinere groepen op vakantie gaan en veel in de natuur zijn omdat we het digitale always on moe zijn. Overal zullen nederzettingen met tiny houses ontstaan of zoals in Italië, albergi diffusi: goed voorziene hideaways in de buurt van steden. In Berlijn ontwikkelt een start-up onder de naam Raus momenteel zo’n mix van boutique-hotel, boshut en smart loft. Wilde tuinen, workshops en wellness maken deel uit van het concept. Wat verdwijnen gaat is dat zinledige snel-maar-ergens-heen-vliegen. Net als ecofashion en veganisme zal bewustzijn van de gevolgen van al ons reizen gemeengoed worden. We zullen weer waardering krijgen voor wat lokaal is, per slot van rekening was het nogal saai om van Tokio tot aan Quebec dezelfde restaurantketens en merken aan te treffen. Reizen zal inspirerender worden. ‘Nachttreinen in plaats van budgetvluchten, drie maanden in een work-away-hotel in plaats van een driedaags stedentripje. Voor mij is dat de echte luxe.’

    De veelsporige Monisha Rajesh reisde ‘de wereld rond in tachtig treinen’ en schreef er een boek over. Die goeie ouwe trein heeft de toekomst, voorspelt de Britse schrijfster. ‘Als treinreiziger houd je steeds een gevoel voor ruimte en tijd – in tegenstelling tot bij een vliegreis. Je kunt met een kopje thee in bed liggen, samen eten, werken en de wereld aan jezelf voorbij zien trekken. Ik ben er vast van overtuigd dat het reizen per trein – ook vanwege de gunstige CO2- balans – een grote toekomst wacht. In Azië, Afrika en Latijns-Amerika is de trein ook nog eens een relatief goedkoop transportmiddel. De beste ter wereld zijn in mijn ogen de Japanse. Met de Shinkansen kun je binnen een paar uur bijna het halve land doorkruisen. Op het eindstation voltrekt zich een ‘zevenminutenwonder’: schoonmaakpersoneel bestormt de trein, draait de zittingen om, maakt tafeltjes en vloeren schoon, voert afval af en zeven minuten later springt het weer naar buiten en kunnen er nieuwe gasten instappen.

    In Europa wordt reizen per trein lastig zodra we de grens overgaan. Elk land heeft zijn eigen spoorwegmaatschappij, er is geen centrale website of een aanbieder die alle verbindingen bestrijkt. Mocht er een Europese spoorminister komen en ik zou die baan krijgen, dan zijn mijn eerste maatregelen: invoering van extra nachttreinverbindingen, prijsdalingen van tickets en opbouw van een centraal boekingssysteem voor heel Europa.’

    ‘Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Een geweldig avontuur’

    Anselm Pahnke fietste 414 dagen door vijftien landen in Afrika. Hij is filmmaker, schrijver (Von Anderswo und anderen Orten) en een van de oprichters van Terran e.V. voor reizen zonder vliegtuig. ‘Het is waar, zelf heb ik de wereld kunnen ontdekken en mijn reishonger uitvoerig kunnen stillen. Ik heb ook een vaag vermoeden van wat het succes van mijn film aan reizen naar Afrika heeft veroorzaakt. Daarom zou het absurd zijn om nu anderen moreel de les te lezen over vliegen. Maar voor mij moeten reisdoel en reistijd wel met elkaar in overeenstemming zijn. Drie weken naar Thailand staan in geen verhouding tot de kostbare reis. Steeds meer beroepen en bedrijven zullen in de toekomst een sabbatical kennen waarin mensen een deel van de wereld kunnen leren kennen zonder hectisch heen en weer terug te moeten vliegen. Althans dat hoop ik. Bij mij duurde het vijf maanden voor ik me in Afrika op mijn gemak begon te voelen.

    Sinds ik weer in Freiburg woon, ben ik veel met de fiets, de trein en te voet op pad, Naar Denemarken of in de Alpen. Dat geeft absoluut niet de exotische kick die Afrika mij gaf, maar het voelde ook in geen enkel opzicht als minder. Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Na twintig uur kwamen we daar aan. Een geweldig avontuur. Om eerlijk te zijn: het is opwindender om onvoorbereid op een trein richting Oost-Europa te stappen dan voor een georganiseerde safari naar Kenia te vliegen.’ 

    Technoloog Marta Kwiatkowski Schenk, wetenschappelijk onderzoeker aan het Gottlieb Duttweiler Institut in Rüschlikon (Zwitserland) vertrouwt de reisleiding al gauw toe aan digitale assistentie. ‘Reizen betekent kiezen. Huur ik een auto of beschikt mijn hotel over fietsen? Biedt het restaurant glutenvrije maaltijden en kan ik die wandeling ook met een slechte knie maken? Al die informatie moeten we moeizaam bijeengaren. En daarna moeten we beslissen. Reizen betekent daarom altijd ook stress. Dat zullen slimme assistenten ons binnen enkele jaren uit handen nemen. Zij zullen ons als privéreisbureau, navigator, reisgids en ticketshop vergezellen en helpen bij de besluitvorming. We zullen er ook geen extra apparaat voor aan te hoeven schaffen. De assistentietechnologieën zullen verwerkt zitten in onze polshorloges, koelkasten, auto’s en misschien zelfs wel in kledingvezels. Onopvallend op de achtergrond zullen zij hun werk verrichten. We noemen dat calm tech. Dankzij kunstmatige intelligentie zullen zij ons alleen voorstellen doen voor belevenissen die relevant voor ons zijn. Zij kennen ons immers omdat zij ons voortdurend begeleiden.

    Het zal sommigen van ons doen denken aan de sciencefictionfilm Her en inderdaad vormde deze film van Spike Jonze een inspiratiebron voor ons onderzoek. Maar digitale assistentie is geen sciencefiction, het maakt al deel uit van onze werkelijkheid, zij het ook nog niet zo uitontwikkeld als het ooit zal zijn en alles op zijn kop zal zetten.’

  • Groenland legt olie-exploratie aan banden | Wereldwijd tekort aan computerchips

    Groenland legt olie-exploratie aan banden | Wereldwijd tekort aan computerchips

    Groenland legt olie-exploratie aan banden

    Naalakkersuisut, zoals de regering van Groenland wordt genoemd, stopt met nieuwe olie- en gasexploraties. In een verklaring die half juli werd uitgegeven, noemt de regering de ‘prijs voor oliewinning te hoog’, verwijzend naar zowel economische overwegingen als de strijd tegen klimaatverandering, schrijft CBS News. Het besluit is genomen ‘in het belang van onze natuur, van onze visserij, van onze toeristenindustrie en om de aandacht te richten op duurzamere mogelijkheden’. Aangenomen wordt dat Groenland over enorme hoeveelheden onontgonnen olievoorraden beschikt. Volgens onderzoek is het equivalent van miljarden vaten olie te vinden langs de westkust. Ook wordt gesproken van grote afzettingen onder de zeebodem aan de oostkust, aldus CBS.

    ‘We willen bijdragen aan wereldwijde oplossingen om klimaatverandering tegen te gaan’

    Met het huidige besluit is exploratie overigens nog niet volledig van de baan, want twee kleine bedrijven beschikken nog over vier eerder gegunde exploratievergunningen, die Groenland zal moeten respecteren. Maar volgens Kalistat Lund, de Groenlandse minister van Landbouw, Zelfvoorziening, Energie en Milieu, neemt de regering klimaatverandering serieus. ‘In ons land zien we elke dag de gevolgen ervan en we willen bijdragen aan wereldwijde oplossingen om klimaatverandering tegen te gaan’, zei Lund. ‘Naalakkersuisut werkt aan het aantrekken van nieuwe investeringen voor het grote potentieel aan waterkracht dat we niet zelf kunnen exploiteren. Het besluit om te stoppen met nieuwe exploraties naar olie draagt ertoe bij dat Groenland wordt gezien als een land waar duurzame investeringen serieus worden genomen.’

    Het kabinet werkt ook aan een conceptwetsvoorstel dat vooronderzoek, opsporing en winning van uranium verbiedt, schrijft CBS. De winning van uranium, dat voornamelijk wordt gebruikt voor de opwekking van kernenergie, gaat gepaard met de productie van radioactief afval. ‘Groenland leeft al eeuwenlang van aanwezige natuurlijke hulpbronnen en het verbod op uraniumwinning rust op de diepe overtuiging dat de economie rekening moet houden met de natuur en het milieu’, aldus Naalakkersuisut.


    Afrika is dol op Japanse auto’s

    Japanse tweedehands auto’s blijven onverminderd populair in Afrika. Het continent ontwikkelt zich economisch gestaag en de invoer van tweedehands Japanse voertuigen blijft stijgen. In de afgelopen tien jaar is de markt bijna verdubbeld, schrijft de Japanse krant Mainichi.

    Gebruikte Japanse voertuigen zijn over het algemeen in goede staat, van hoge kwaliteit en bovendien gemakkelijk te onderhouden. Reparatie-onderdelen zijn ruimschoots voorhanden, hetzij origineel, hetzij van Chinese makelij.

    Van de 105.000 auto’s die in 2019 in Kenia werden geregistreerd, was ongeveer 90 procent tweedehands. Kenia is ook de thuisbasis van de Japanse autobedrijven Toyota en Isuzu. Ironisch genoeg wordt de belangrijkste concurrentie voor Japanse autofabrikanten in de regio nu gevormd door Japanse auto’s: de populariteit van redelijk geprijsde geïmporteerde occasions zorgt ervoor dat nieuwe Japanse voertuigen slecht worden verkocht, aldus Mainichi. Door corona nam de import wel af: in 2019 werden er zo’n 320.000 tweedehands auto’s van Japan naar Afrika geëxporteerd; in 2020 daalde dat tot zo’n 280.000.


    Wereldwijd tekort aan chips

    Het mondiale tekort aan halfgeleiders heeft een enorme impact op een breed scala van sectoren, variërend van auto’s en computers tot smartphones en gaming.

    Vorige week werden de Duitse autofabrikanten Daimler en BMW gedwongen om hun assemblagelijnen te vertragen of stil te leggen vanwege tekorten en autofabrikanten elders worstelen met hetzelfde probleem. Ook Apple en Samsung lieten weten dat het chiptekort hun productie zodanig beïnvloedt dat de verkoop van laptops en desktopcomputers kan dalen, bericht The Korea Herald.

    ‘Het aanbod van chips zal waarschijnlijk veel lager blijven dan de groeiende vraag’

    Het chiptekort zal naar verwachting aanhouden, omdat het tijd kost voor chipmakers en onderdelenfabrikanten om nieuwe fabrieken op te zetten en systemen aan te passen, aldus experts. ‘De productie van chips zal in het derde kwartaal waarschijnlijk de volledige capaciteit benutten om aan de stijgende vraag te voldoen’, volgens Jeon Byeong-seo, professor aan de Koreaanse Kyung Hee University. ‘Maar het aanbod zal veel lager blijven dan de groeiende vraag van autofabrikanten, smartphone- en elektronicafabrikanten.’

  • Het is tijd voor ruimtevaartregels: ‘Steeds meer miljonairs kopen een ticket’

    Het is tijd voor ruimtevaartregels: ‘Steeds meer miljonairs kopen een ticket’

    Plezierruimtevaart zal in de toekomst steeds toegankelijker worden. Maar gaat ook gepaard met enorme milieukosten: per ruimtevlucht gaat het om een uitstoot van zo’n 75 ton koolstofdioxide per passagier.

    Terra Incognita, die voor avonturiers en reislustigen zo beloftevolle aanprijzing, verdween in de negentiende eeuw gaandeweg van de landkaarten. Alleen de bodems van onze oceanen zijn nog terra incognita, de rest van de aarde is in kaart gebracht en is mede door massatoerisme hetzij vernietigd, hetzij verontreinigd, hetzij zo veel mogelijk van enige authenticiteit ontdaan. Dan maar de ruimte in, dacht een handvol miljardairs.

    In juli 2021 brachten twee superrijken dat voornemen in praktijk. Op 11 juli vloog Virgin-oprichter Richard Branson naar ongeveer 86 km hoogte en op 20 juli volgde Jeff ‘Amazon’ Bezos. Hij moest uiteraard nog wat hoger en vloog naar 100 kilometer.

    ‘Welkom bij de dageraad van een nieuw ruimtetijdperk’, aldus Branson na zijn vlucht. ‘We zijn er om de ruimte voor iedereen toegankelijker te maken’. Dat is nogal eufemistisch gesteld, want een ticket voor een ruimtevlucht is slechts voor enkele zeer bemiddelden weggelegd. Toch kopen mensen nu al tickets voor ruimtereizen bij bedrijven als SpaceX, Virgin Galactic en Space Adventures, die beogen het ruimtetoerisme te stimuleren.

    Milieukosten

    Dat nieuwe particuliere ruimtetoerisme zou wel eens gepaard kunnen gaan met enorme milieukosten, zegt Eloise Marais, hoofddocent fysische geografie aan het University College London. Marais bestudeert de impact van brandstoffen en industrie op de atmosfeer.

    Raketten die worden gelanceerd, hebben een grote hoeveelheid drijfgassen nodig om uit de atmosfeer van de aarde te komen. SpaceX’ Falcon 9-raket gebruikt daarvoor kerosine en NASA gebruikt vloeibare waterstof voor zijn nieuwe Space Launch System. Die brandstoffen stoten een verscheidenheid aan stoffen uit in de atmosfeer, waaronder koolstofdioxide, water, chloor en andere chemicaliën.

    De uitstoot van raketten stijgt al met bijna 5,6 procent per jaar

    De uitstoot van raketten is nu nog klein in vergelijking met de vliegtuigindustrie, aldus Marais, maar ze stijgt al met bijna 5,6 procent per jaar. ‘Voor een langeafstandsvlucht gaat het om een uitstoot van één tot drie ton koolstofdioxide per passagier’, aldus Marais. Eén raketlancering verdeelt 200-300 ton koolstofdioxide over ongeveer vier passagiers. ‘Dus er is niet zo veel meer groei nodig om te concurreren.’

    Op dit moment is het aantal raketvluchten nog klein. Volgens NASA ging het in 2020 wereldwijd om 114 lanceringen. Maar emissies van raketten worden uitgestoten tot in het bovenste deel van de atmosfeer en blijven daar lang hangen: twee tot drie jaar. Zo kan zelfs het injecteren van water in de bovenste atmosfeer, waar het wolken kan vormen, volgens Marais al opwarmende effecten hebben.

    Ruimtetransport

    Dichter bij de grond zorgen brandstoffen voor enorme hoeveelheden warmte, waardoor ozon wordt toegevoegd aan de troposfeer, die daar werkt als een broeikasgas en warmte vasthoudt. Naast koolstofdioxide produceren brandstoffen als kerosine en methaan ook roet. In de bovenste atmosfeer kan de ozonlaag worden verwoest door de combinatie van elementen van verbrande stoffen.

    ‘Van het aantal milieueffecten als gevolg van de lancering van ruimtevoertuigen, is de uitputting van ozon in de stratosfeer de meest bestudeerde en de meest direct zorgwekkende’, schreef beleidsadviseur bij New Zealand Space Agency Jessica Dallas vorig jaar in een analyse van emissies door ruimtelanceringen.

    Een rapport van het Center for Space Policy and Strategy uit 2019 vergeleek het probleem van de ruimte-emissies met dat van ruimteafval, een ander existentieel risico voor de ruimtevaart. ‘De uitstoot door lanceringen is een echo van het ruimteafvalprobleem. Uitlaatgassen van raketmotoren die tijdens het opstijgen in de stratosfeer worden uitgestoten, hebben een nadelige invloed op de atmosfeer’, aldus het rapport.

    Het rapport wijst op ontwikkelingen als ruimtetransport, gezien het aantal startups in suborbitaal transport die op zoek zijn naar ‘goedkope lanceerplaatsen’. Met een jaarlijkse groei van 17,15 procent in het komende decennium zal de mondiale markt voor ruimtetransport en -toerisme volgens schattingen zo’n 2,58 miljard dollar bedragen in 2031.

    In het verleden was het meeste ruimtevervoer gericht op vrachtmissies naar het International Space Station en diensten voor satellieten, maar momenteel verschuift de focus naar planetaire verkenningen, bemande missies, suborbitaal transport en ruimtetoerisme. Bedrijven als SpaceX, Blue Origin en Virgin Galactic, richten zich op het ontwikkelen van ruimtevoertuigen die transport en ruimtetoerisme mogelijk maken.

    Klimaatrampen

    Ondertussen wijzen critici erop dat de enorme bedragen die Branson, Bezos en Elon Musk in ruimtetechnologie steken, geïnvesteerd hadden kunnen worden in het verbeteren van het leven op aarde waar bosbranden, hittegolven en andere klimaatrampen steeds vaker voorkomen naarmate de wereld warmer wordt.

    Eloise Marais begrijpt de opwinding rond de ontwikkelingen in de ruimte, maar pleit voor verantwoordelijkheid en voorzichtigheid naarmate de ruimte-industrie groeit. Ze wijst erop dat er nu geen internationale regels zijn met betrekking tot de soorten brandstoffen die worden gebruikt, hun emissies en hun impact op het milieu. ‘Het is nu tijd om te handelen, nu miljardairs een ticket kopen.’

  • Wereldnieuws: Groenland legt olie-exploratie aan banden & Meer

    Wereldnieuws: Groenland legt olie-exploratie aan banden & Meer

    Wielrennen voor vrouwen in Afghanistan

    Halverwege juni stonden zo’n vijftig vrouwen aan de start voor de Ronde van Bamiyan, ondanks dat er een zwaar taboe rust op het vrouwenfietsen in Afghanistan, schrijft Al Araby. Officieel werd in 1986 een Afghaans wielerteam voor vrouwen opgericht, maar het werd eigenlijk pas een sport in het post-talibantijdperk. De Amerikaanse Shannon Gilpin speelde daarbij een belangrijke rol.

    In 2009 was ze de eerste vrouw die mountainbikend door Afghanistan trok. Ze ontdekte dat een kleine
    groep vrouwen een eigen nationale wielerploeg had gevormd, met een slechte uitrusting maar met groot enthousiasme. Veel van die vrouwen hadden als vluchteling leren fietsen in Iran en Pakistan. Gilpins liefdadigheidsinstelling Mountain2Mountain zorgde voor beter materieel en betaalde het team om deel te kunnen nemen aan internationale toernooien.

    Door de opkomst van de taliban is het de vraag of het Afghaanse vrouwenfietsen nog toekomst heeft

    Nu de taliban sinds het vertrek van de Amerikanen claimen dat ze 85 procent van het land in handen hebben en berichten over strenge beperkingen voor vrouwen weer aanzwellen, is het de vraag of het Afghaanse vrouwenfietsen nog toekomst heeft.


    Vaccinatieplicht in Azerbeidzjan

    Inwoners van Azerbeidzjan zullen binnenkort een vaccinatiebewijs moeten kunnen overleggen om de meeste openbare gebouwen te mogen betreden, bericht Eurasianet. Deze maatregel werd eind juli aangekondigd en komt feitelijk neer op een nationale vaccinatieplicht. Vanaf 1 september moeten mensen vanaf achttien jaar een vaccinatiebewijs in een ‘covidpaspoort’ kunnen tonen om onder meer restaurants, cafés, winkelcentra en hotels te mogen betreden. In onderwijsinstellingen moeten leerlingen en studenten vanaf achttien kunnen bewijzen dat ze zijn ingeënt.

    Tot nu toe is 26 procent van de Azerbeidzjanen minstens één keer gevaccineerd. 80 procent van de werknemers van overheidsinstanties, medische en farmaceutische bedrijven en wetenschappelijke en onderwijs-instellingen zal vanaf 1 september een eerste inenting moeten hebben en een tweede in oktober. De vaccinatieplicht leidt nu al tot een zwarte markt in valse covidpaspoorten.


    Edelstenen, hoe groter hoe beter

    Een troon van amethist met een gewicht van één ton à 45.000 dollar: Crystalarium, een edelstenenwinkel in West-Hollywood, verkocht er recentelijk vier stuks van. Kristallen en mineralen zijn enorm populair geworden bij de meer vermogenden der aarde en het motto is: hoe groter hoe beter, zo signaleert The Los Angeles Times.

    De wereldwijde markt van (half)edelstenen wordt nu geschat op ruim 1 miljard dollar. Zangeres Adele houdt ze vast tijdens optredens om plankenkoorts te overwinnen en model Naomi Campbell reist er mee. Er is zelfs een Kim Kardashian-lijn van parfums met kristalthema in kristalvormige flessen. Het fenomeen werd verder aangejaagd door de pandemie: veel rijken zagen minder mogelijkheden voor opzichtige uitgaven en kozen ervoor om hun huizen te bezielen met de ‘genezende’ energie van stenen.


    Groenland legt olie-exploratie aan banden

    Naalakkersuisut, zoals de regering van Groenland wordt genoemd, stopt met nieuwe olie- en gasexploraties. In een verklaring die half juli werd uitgegeven, noemt de regering de ‘prijs voor oliewinning te hoog’, verwijzend naar zowel economische overwegingen als de strijd tegen klimaatverandering, schrijft CBS News. Het besluit is genomen ‘in het belang van onze natuur, van onze visserij, van onze toeristenindustrie en om de aandacht te richten op duurzamere mogelijkheden’. Aangenomen wordt dat Groenland over enorme hoeveelheden onontgonnen olievoorraden beschikt. Volgens onderzoek is het equivalent van miljarden vaten olie te vinden langs de westkust. Ook wordt gesproken van grote afzettingen onder de zeebodem aan de oostkust, aldus CBS.

    ‘We willen bijdragen aan wereldwijde oplossingen om klimaatverandering tegen te gaan’

    Met het huidige besluit is exploratie overigens nog niet volledig van de baan, want twee kleine bedrijven beschikken nog over vier eerder gegunde exploratievergunningen, die Groenland zal moeten respecteren. Maar volgens Kalistat Lund, de Groenlandse minister van Landbouw, Zelfvoorziening, Energie en Milieu, neemt de regering klimaatverandering serieus. ‘In ons land zien we elke dag de gevolgen ervan en we willen bijdragen aan wereldwijde oplossingen om klimaatverandering tegen te gaan’, zei Lund. ‘Naalakkersuisut werkt aan het aantrekken van nieuwe investeringen voor het grote potentieel aan waterkracht dat we niet zelf kunnen exploiteren. Het besluit om te stoppen met nieuwe exploraties naar olie draagt ertoe bij dat Groenland wordt gezien als een land waar duurzame investeringen serieus worden genomen.’

    Het kabinet werkt ook aan een conceptwetsvoorstel dat vooronderzoek, opsporing en winning van uranium verbiedt, schrijft CBS. De winning van uranium, dat voornamelijk wordt gebruikt voor de opwekking van kernenergie, gaat gepaard met de productie van radioactief afval. ‘Groenland leeft al eeuwenlang van aanwezige natuurlijke hulpbronnen en het verbod op uraniumwinning rust op de diepe overtuiging dat de economie rekening moet houden met de natuur en het milieu’, aldus Naalakkersuisut.


    Migranten brengen het Spaanse platteland tot leven

    Dankzij een programma dat ontvolkte plattelandsgebieden in Spanje probeert nieuw leven in te blazen, leidt een gevlucht Colombiaans gezin met twee kinderen nu een rustig leven in een dorpje in de Noord-Spaanse provincie León. Het gezin verruilde de Colombiaanse stad Cali, met een bevolking van drie miljoen, voor het dorp Brañuelas, dat tweehonderd inwoners telt.

    Het project Nuevo Comienzo beoogt migranten naar leeglopende gebieden te trekken

    Ze arriveerden in december 2019 in Spanje en vroegen asiel aan om te voorkomen dat ze terug moesten naar Colombia, waar de FARC hun land opeiste. Aanvankelijk liepen ze tegen een bureaucratische muur op, schrijft El País. Totdat ze hoorden van Nuevo Comienzo (‘Nieuw Begin’), een project van de provinciale overheid en verschillende instanties, dat beoogt migranten naar leeglopende gebieden te trekken. Als de Colombianen naar het afgelegen dorp verhuisden, zouden ze werk krijgen, hulp bij huisvesting en zouden hun kinderen worden toegelaten tot het Spaanse schoolsysteem. In ruil daarvoor zou Brañuelas nieuwe inwoners krijgen en genoeg leerlingen om een nieuwe schoolklas te kunnen samenstellen.

    Burgemeester Carolina López van de sociaal-democratische PSOE hoopt dat de aanwas leidt tot beter vervoer en betere telefoon- en internetverbindingen. Astorga, de dichtstbijzijnde grote gemeente waar wordt gevaccineerd en waar medische zorg is, is slecht bereikbaar vanuit Brañuelas. Met de auto is het veertig minuten rijden, maar met het openbaar vervoer duurt het vanwege belabberde busverbindingen een hele dag.

    Andere leeglopende regio’s in Spanje beginnen nu ook met soortgelijke programma’s.


    Marble Arch Mound

    Het is het zoveelste project van Nederlandse makelij dat niet geapprecieerd wordt in het buitenland. Parijs haalde de Domestikator van Joep van Lieshout weg en nu is er van alles aan te merken op de installatie van Het Rotterdamse architectenbureau MVRDV in het Londense Hyde Park. Zo veel dat de ‘heuvel’ Marble Arch Hill, ontworpen in opdracht van de Londense deelgemeente Westminster om het winkelend publiek weer terug Oxford Street in te krijgen, tijdelijk gesloten werd om kinderziekten te genezen.

    Volgens MVRDV past de kunstmatige heuvel, door de vileine Britse pers nu al met een drol vergeleken, in de Engelse traditie van de folly, de aristocratische gewoonte om even malle als nutteloze bouwwerken neer te zetten.

    marble arch mound has a serious message says mvrdv in defence of attraction dezeen 2364 col 4 1536x1152 kopie 1 1
    © Dezeen

  • Van visvoer tot megatrend: de evolutie van de erwt

    Van visvoer tot megatrend: de evolutie van de erwt

    Hoewel de smaak weinig markant is en de kleur wat aan de bleke kant, worden vrijwel alle eigenschappen van de erwt bejubeld. En de populariteit van de onopvallende peulvrucht zal alleen nog maar toenemen in een toekomst waarin vlees meer en meer wordt vervangen door de plantaardige variant.

    Op de velden rond het dorpje Knau in het zuiden van Thüringen staan dit voorjaar niet alleen zachtjes in de wind wuivende graanhalmen. Op 260 hectare schieten er ook de ranken van kruidachtige planten met groene bladeren uit de grond. In de vier Duitse fabrieken van de Emsland-groep – met een omzet van jaarlijks meer dan 600 miljoen euro een van de grootste verwerkers van agrarische producten in Europa – lopen niet meer enkel aardappelen over de lopende band. Met tonnen tegelijk worden er ook kleine korrelige vruchten schoongemaakt en opgesplitst. En nu op tv de reclameslogan ‘Vlees mevrouw, u weet wel waarom’ allang niet meer te zien valt, laat Amidori, een start-up uit Bamberg, zijn vegetarische braadworsten en gehaktballen aanprijzen door een animatiefiguurtje: een sprekende erwt. 

    De erwt is hét gewas van dit moment. En veel wijst erop dat de opmars die hij enkele jaren geleden begon, nog wel even voort zal duren. Dat is niet alleen zo in Duitsland, maar overal ter wereld: jaar na jaar worden er wereldwijd meer erwten geoogst; de grootste producenten zijn Canada en China. Het areaal waarop in Duitsland erwten geteeld wordt, is de laatste tien jaar verdubbeld. En nog altijd groeit de vraag sneller dan het aanbod. Tegenwoordig vertegenwoordigt deze onopvallende peulvrucht – in het spraakgebruik symbool voor alles wat nietig is – een miljardenmarkt. Daarop zijn landbouwbedrijven als Agrofarm Knau uit Thüringen actief, maar ook gevestigde ondernemingen zoals de Emsland-groep of opkomende bedrijven zoals Amidori.

    Megatrends

    Hoe kan dat? Maar liefst twee megatrends hebben de erwtenbusiness de wind in de rug gegeven. Als eerste: de zorg voor het milieu. Erwten bevatten veel eiwit, evenals linzen en bonen. Bovendien zijn ze goed voor de grond. Ze slaan er namelijk stikstof in op. Een boer die op een akker peulvruchten teelt, hoeft het volgend jaar minder kunstmest te gebruiken. Met als plezierig ecologisch bijeffect: wie erwten of veldbonen oogst, heeft voer voor het eigen vee. Voor de eiwitverzorging van zijn dieren hoeft deze boer dan niet langer zoveel soja uit Amerika te halen, een product dat als genetisch gemanipuleerde plant en notoire regenwoudkiller toch al in een kwaad daglicht staat. Om dit dubbel heilzame effect te bevorderen heeft de Duitse overheid in 2014 een ‘eiwitstrategie’ afgekondigd. Ook de EU zet een deel van haar agrarische subsidies in op de teelt van peulvruchten; sommige Duitse deelstaten zoals Thüringen leggen daar nog geld bij. Het was de prozaïsche reden voor bedrijven als Agrofarm in Knau om op grote schaal haar erwtenareaal uit te breiden. Zonder die subsidies, zo geven de boeren toe, zouden ze veel minder erwten telen.

    Op het moment dat politici en bureaucraten hun stimuleringsregelingen ontwierpen, was er van veggieburgers, visloze vis en melk zonder koeien nog maar nauwelijks sprake. Sindsdien hebben miljoenen mensen hun voedingspatroon aangepast – geen dierlijk voedsel meer, maar plantaardige vervangers. Aangespoord door gezondheidsapostelen, dierbeschermers en klimaatredders in Californië en aan de Amerikaanse oostkust, maar inmiddels ook salonfähig bij de gegoede burgerij in eigen land (zij het nog niet bij een meerderheid), is dat de tweede megatrend ter verklaring van de zegetocht van de erwt. De grote zoektocht naar alternatieven voor vlees, vis en melkproducten haalt tegenwoordig de hele levensmiddelenindustrie overhoop; vanwege de fantastische winstvooruitzichten zorgt hij over de hele wereld voor schitterende ogen bij financiële beleggers; zelfs het verder zo biovriendelijke pluimveeconcern PHW (Wiesenhof) doet hij ijverig samenwerken met fabrikanten van eiervervangers en vleesloze burgers. 

    En nu komt de clou: in deze burgers zit geen rundergehakt maar vooral erwtenpuree. Let wel, niet gemaakt van die groene erwten uit de diepvrieskast, maar van die gele korrelerwten die vroeger vooral aan het vee werden gevoerd en in de keuken tot hooguit een stevige soep werden verwerkt. Die tijden zijn voorbij. Met dank aan de veggiegolf. Tegenwoordig zit in alles erwten: in de tonijnvervanger van het Amerikaanse bedrijf Good Catch net zo goed als in het alom aangekondigde melkalternatief van VLY uit Berlijn, nog zo’n start-up uit het geheel van veggiebedrijven. Zelfs de Zwitserse voedingsmiddelengigant Nestlé brengt een erwtendrank op de markt. 

    Het is haast een wonder dat de erwt niet al veel eerder ontdekt is als een plant met grote toekomst

    Waarom groeide uitgerekend de erwt uit tot superster van de vleesvervangersbranche? Natuurlijk omdat hij zoveel eiwit bevat, tenslotte is dat de voedingsstof die vlees, vis en melk zo interessant maakt voor menselijke voeding. Maar ook alle overige peulvruchten bevatten veel eiwit. En subsidies die voor lage prijzen zorgen, zijn er ook voor linzen en bonen. Wat maakt de erwt dan zo bijzonder?

    Nina Blijdorp kan ons dat precies uitleggen aan de hand van een tabel met heel veel cijfers. Blijdorp is productmanager voor haver en erwten bij plantenverdelingsbedrijf KWS Saat in Einbeck; haar tabel bevat de aminozurenprofielen van een tiental verschillende planten. Want een eiwit is niet zomaar een eiwit, experts weten dat ze op onderdelen sterk kunnen verschillen: hoeveel histidine bevat het, hoeveel lysine, hoeveel fenylalanine? De erwt heeft alles precies in de juiste verhoudingen: een perfecte middelmaat. Bovendien bevat hij vrijwel geen stoffen die allergieën kunnen veroorzaken. En nog beter: de erwt doet dat allemaal zonder zelf erg veeleisend te zijn. ‘Hij heeft bijvoorbeeld maar ongeveer half zoveel water nodig als de veldboon,’ vertelt Nina Blijdorp.

    ANP 68140200
    Een erwtenoogstmachine leegt peulvruchten in een trailer van diepvriesbedrijf Frosta in Lommatzsch, Duitsland. Bijna alle erwten die in Duitsland worden gegeten, zijn diepgevroren. Bedrijven en boerderijen moeten in de vroege zomer voldoende erwten oogsten om aan de vraag van het hele jaar te voldoen. – © Sebastian Kahnert/dpa-Zentralbild/dpa/Newscom

    Zo bezien is het haast een wonder dat de erwt niet al veel eerder ontdekt is als een plant met grote toekomst. Het tegendeel was het geval. In de afgelopen vijftig jaar, zo geeft Nina Blijdorp toe, zijn er maar heel weinig pogingen ondernomen om de opbrengst te vergroten of de planten robuuster te maken. ‘De erwt was enigszins verwaarloosd, een soort weeskind. Maar sinds ongeveer vijf jaar is dat anders. Nu tonen landbouw en voedingsmiddelenindustrie ineens heel veel belangstelling voor onze veredelingspogingen.’ 

    Een paar jaar voor de meeste anderen ontdekte Friedrich Büse, de grondlegger van Amidori, het potentieel van de erwt. Büse voldeed dan ook aan de ideale voorwaarden om op dit gebied een pionier te worden. Opgeleid tot kok en slager werkte hij lange tijd in de vleeswarenindustrie. Tot hij zijn geloof in het hervormingsvermogen van zijn branche in de richting van meer dierenwelzijn en betere arbeidsomstandigheden verloor en het plan opvatte een onderneming te stichten die op planten gebaseerde alternatieven voor vlees op de markt moest brengen. Zo schildert Friedrich Büse het in elk geval zelf. ‘Sinds 2008 heb ik daarvoor diverse mogelijke eiwitbronnen onderzocht. Aanvankelijk stonden er zestien planten op mijn lijstje. In 2012 was duidelijk dat in Duitsland de erwt de meeste kansen bood. En in 2015 hadden we vervolgens de eerste oogst.’ In datzelfde jaar richtte Friedrich Büse in Bamberg Amidori op.

    Visvoer

    Vanuit landbouweconomisch perspectief is het een voordeel dat de erwt als voedingsmiddel in Europa een lange traditie heeft. ‘De boeren zijn er goed mee bekend,’ zegt Büse. ‘Bovendien laten erwten zich gemakkelijk opslaan. En waar koolzaad en linzen te klein zijn om ze in het productieproces veel verder te verwerken, hebben erwten daarvoor precies de juiste grootte.’ Zelfs wat in vroegere tijden eerder in het nadeel van de gele erwt was, verkeert nu in haar triomf. Dat de smaak weinig markant is en de kleur aan de bleke kant, maakt haar juist heel geschikt als proteïnebron voor vleesvervangers – die moeten immers niet op peulvruchten lijken en ernaar smaken, maar naar gehakt of braadworst, waarvoor dan weer een reeks andere plantaardige ingrediënten moet zorgen.

    Nu zit het zo: het vee in de stal vreet de korrelerwten zoals die in hun schil gegroeid zijn; ze hoeven alleen klein te worden gemaakt. Maar in de veggieburgers komen de erwten niet rechtstreeks van het veld, het deeg voor de plantaardige gehaktballen mengt ook vrijwel niemand thuis in de keuken. Daarvoor zijn de recepturen veel te complex. (Dat is ook een reden waarom vervangingsproducten zich zo goed lenen voor het opbouwen van merken met relatief hoge prijzen: aan de toonbank betaalt de klant ook voor de productie-knowhow van de producent.) De branche van nieuwe, alternatieve voedselproducenten noemt zich niet voor niets met een chic Engels woord FoodTech. Om aan de behoeften van deze FoodTech-bedrijven te voldoen, worden de erwten na de oogst eerst uitgesplitst in commercieel bruikbare bestanddelen. 

    Dat gebeurt bijvoorbeeld in de fabrieken van de Emsland-groep. Circa 180.000 ton erwten worden hier jaarlijks verwerkt. Ook op dit onderdeel van waardetoevoeging heeft een gunstig toeval de opmars van de erwt vereenvoudigd: het proces van schoonmaken, fijnwrijven, filteren en drogen dat de vrucht keurig uitsplitst in vezels, zetmeel en zogeheten proteïne isolaat met een zo hoog mogelijke eiwitconcentratie, hoefde niet specifiek voor de erwt te worden uitgevonden. Hetzelfde principe en dezelfde installaties worden op veel grotere schaal toegepast voor de verwerking van aardappelen. Met dit verschil dat de aardappel van oudsher vanwege haar zetmeel wordt gewaardeerd, terwijl het bij de erwt om het eiwit gaat.

    Binnen tien, misschien zelfs vijf jaar kan naar schatting van branchekenners 10 procent van het totale vleesverbruik van de wereldbevolking uit plantaardige vervangers bestaan

    Dat was overigens niet altijd zo, meldt Christian Kemper, een van de bedrijfsleiders van de ooit door aardappelboeren opgerichte Emsland-groep. ‘Het eiwit was een bijproduct; van groter belang was de vraag naar erwtenzetmeel en erwtenvezels vanuit de bakkerij- en zoetwarenindustrie, maar ook vanuit de papier- en textielproductie.’ Aan het begin van deze eeuw werd de overtollige erwtenproteïne nog vooral tot visvoer verwerkt. Stapje voor stapje is vervolgens echter het proteïne isolaat, een beige poeder, uitgegroeid tot het gewilde product. ‘Eerst werd het gebruikt voor sportvoeding, in de vorm van shakes en repen,’ vertelt Kemper. ‘Voor visvoer is erwtenproteïne inmiddels te duur geworden. Tegenwoordig leveren we circa 70 procent van deze proteïne aan fabrikanten van vleesvervangers.’

    In Duitsland is de omzet het afgelopen jaar met een kleine 40 procent gestegen tot 375 miljoen euro. Dat is weinig in vergelijking met de huidige 40 miljard euro die de vlees- en worstmarkt per jaar omzet. Maar de groeipercentages zijn enorm en er is sprake van een wereldwijde markt. Binnen tien, misschien zelfs vijf jaar, kan naar schatting van branchekenners 10 procent van het totale vleesverbruik van de wereldbevolking uit plantaardige vervangers bestaan. En dat betekent maar één ding: de wereld heeft meer erwten nodig.

    Wie daarvan overtuigd is, moet nu handelen. De Emsland-groep beraadt zich over de volgende grote investering in het verwerkingsproces van erwten. Friedrich Büse van Amidori stelt voor de tweede helft van dit jaar nieuwe producten in het vooruitzicht. En de plantenveredelaars van KWS Saat werken aan een erwtenplant met meer ranken en minder bladeren, die in oogsttijd niet meer zo vlak tegen de grond ligt. Dat is zo’n beetje de enige eigenschap van de erwt waarover momenteel niet wordt gejubeld.

  • Ongekende hittegolf in Finland | Israël moet draagmoeders voor lhbt-koppels toestaan

    Ongekende hittegolf in Finland | Israël moet draagmoeders voor lhbt-koppels toestaan

    Uitzonderlijk hoge temperaturen in Finland

    Finland zuchtte vorige week onder een hittegolf. Het kwik steeg dinsdag tot 30 graden Celsius in het noorden van het land en de temperaturen in Zuid- en Midden-Finland schommelden tussen de 25 en 31 graden.

    Het bijna zeventig jaar oude record werd met 0,3 graden verbroken

    Volgens het Finse Meteorologisch Instituut FMI was juni de warmste maand ooit. Het kwik steeg vorige maand tien dagen vaker dan normaal tot zeker 25 graden in het zuiden, en de gemiddelde temperatuur in Helsinki was 19,3 graden, waarmee het vorige, bijna zeventig jaar oude record met 0,3 graden werd verbroken, schrijft Helsinki Times. De gemiddelde temperatuur in het land is normaal gesproken 16,5 graden Celsius.

    Het hete zomerweer leidt tot overuren bij de spoedeisende afdelingen van ziekenhuizen, waar zowel oudere als jongere mensen behandeling zoeken voor hitte-gerelateerde aandoeningen. ‘We zien vooral mensen met hartaandoeningen die uitgeput en uitgedroogd zijn. Ze gebruiken medicijnen die ervoor zorgen dat hun bloeddruk te laag wordt, waardoor ze zich duizelig en misselijk voelen’, aldus Riikka Kettunen van het Kuopio Universitair Medisch Centrum in de Finse krant. ‘De hoeveelheid patiënten ligt duidelijk hoger dan een jaar geleden.’

    Lees ook:


    Draagmoederschap in Israël opengesteld voor homostellen

    In Israël stelt het Hooggerechtshof draagmoederschap open voor paren van hetzelfde geslacht. Het hoogste gerechtshof van het land oordeelde zondag dat het uitsluiten van homoseksuelen en alleenstaande mannen van het recht op draagmoederschap ‘in strijd met de mensenrechten’ is. Het Hooggerechtshof heeft de nieuwe regering zes maanden de tijd gegeven om de uitspraak in uitvoering te brengen, meldt The Times of Israel.

    Na een eerste, gedeeltelijke uitspraak, had de toenmalige regering van Netanyahu nog geen wetgeving ingevoerd

    De maatregel werd toegejuicht door voorstanders van gelijke behandeling van lhbt-koppels, maar doet volgens conservatieven afbreuk aan traditionele familiewaarden. In februari 2020 had het Hooggerechtshof een eerste, gedeeltelijke uitspraak gedaan, waarin het de wetgevers opdroeg binnen twaalf maanden een einde te maken aan discriminatie wat betreft draagmoederschap. Maar de toenmalige regering, die werd geleid door Benjamin Netanyahu en waarin ultraorthodoxe partijen zaten die tegen draagmoederschap voor lhbt-paren waren, had nog geen wetgeving over de gevoelige kwestie ingevoerd.

    De beslissing van zondag door het hoogste gerechtshof van Israël maakt een einde aan een elf jaar durende strijd die op gang werd gebracht door Etai en Yoav Arad Pinkas, het eerste koppel van hetzelfde geslacht dat de kwestie van draagmoederschap voor de rechtbank bracht, aldus The Times of Israel.


    Zuid-Korea leent 700.000 vaccins

    Zuid-Korea krijgt deze week zevenhonderdduizend doses van het coronavaccin Pfizer-BioNTech van Israël ‘in bruikleen’, in een poging de immunisatiegraad te snel te verhogen te midden van een golf van infecties rond de hoofdstad Seoel, meldt Al-Jazeera. Hetzelfde aantal vaccins, dat al is besteld bij Pfizer, zal door Zuid-Korea in september en oktober worden teruggeven aan Israël.

    Lees ook:

  • Smeltende gletsjer is mondiaal gevaar | Ikea krijgt een boete

    Smeltende gletsjer is mondiaal gevaar | Ikea krijgt een boete

    Waarom deze smeltende gletsjer een mondiaal gevaar is

    De smeltende Pine Island-gletsjer van West-Antarctica stond al bekend als de grootste aanjager van de zeespiegelstijging. Dat wordt nog erger omdat de ijsplaat versneld uiteenvalt. Dit schrijft The Washington Post naar aanleiding van een nieuw onderzoek dat afgelopen vrijdag werd gepubliceerd.

     De Pine Island-gletsjer, een ijsrivier van 260 kilometer lang, staat bekend als de zwakke plek van West-Antarctica. Hij draagt meer bij aan de zeespiegelstijging dan enige andere gletsjer van het continent en behoort tot de snelst smeltende gletsjers ter wereld.

    In tegenstelling tot andere Antarctische gletsjers, wordt de Pine Island-gletsjer niet beschut tegen de opwarmende oceaan door een grote massa zee-ijs. Het enige dat voorkomt dat hij rechtstreeks in de Amundsenzee stroomt, is een drijvende ijsplaat aan de voorkant van de gletsjer. Die fungeert als een kurk in een fles die de enorme druk aan de achterkant opvangt.

    Maar die ijsplaat scheurt nu zelf uit elkaar. De afgelopen vijf jaar ging een vijfde van zijn massa verloren, waardoor ijsbergen zo groot als steden zijn afgestoten. Er zijn scheuren ontstaan in het midden van de ijsplaat, hetgeen mogelijk bijdraagt aan de instabiliteit.

    Als dit proces doorgaat, ‘kan de hele ijsplaat de komende jaren uit elkaar vallen en dat is veel sneller dan we hadden verwacht’

    Inmiddels is er een nieuwe reden voor zorgen om de Pine Island-gletsjer. Volgens het onderzoek dat vrijdag in Science Advances is gepubliceerd, stroomt de gletsjer 12 procent sneller naar de oceaan dan vier jaar geleden; het gevolg van de afbrokkelende, verzwakte ‘kurk’.

    Als dit proces doorgaat, ‘kan de hele ijsplaat de komende jaren uit elkaar vallen en dat is veel sneller dan we hadden verwacht’, aldus Ian Joughin, een glacioloog aan het Applied Physics Laboratory van de University of Washington, die meeschreef aan het rapport.

    Het verlies van de ijsplaat zou het verval van de Pine Island-gletsjer verder versnellen. Hoe sneller die stroomt, hoe meer ijs er in de oceaan terecht komt, waardoor de zeespiegel stijgt. De gletsjer voegt elk jaar al een zesde millimeter toe aan de zeespiegelstijging, maar het verlies van de ijsplaat zou die snelheid kunnen verdubbelen of verdrievoudigen, volgens Joughin. Pine Island bevat ongeveer 180 biljoen ton ijs en dat is genoeg om een zeespiegelstijging van zo’n 49 centimeter te veroorzaken. ‘Ik ben echt geen catastrofedenker’, zegt Joughin. ‘Maar de staat van de ijsplaat staat zeker ter discussie.’

    Afkalven

    Eerder richtten wetenschappers zich op het langzame maar gestage dunner worden van de ijsplaat doordat warm oceaanwater eronder stroomt. Dit smelten maakt ijsplaten kwetsbaarder voor instorting tijdens de Antarctische zomer, wanneer hoge temperaturen zorgen dat het oppervlak smelt. Maar aangezien de temperaturen in West-Antarctica zelden meer dan een paar graden boven het vriespunt liggen, werd verwacht dat dat proces eeuwen zou duren.

    Wat er nu gebeurt, gaat veel sneller en is minder voorspelbaar, volgens Joughin. Het lijkt erop dat de snelle verschuiving van de gletsjer breuken veroorzaakt in de ijsplaat, wat ertoe leidt dat er meer stukken afbreken of ‘afkalven’. Computersimulaties en wiskundige modellen ondersteunen het idee dat dit proces verantwoordelijk is voor de versnelde stroming van de gletsjer.

    De ijsplaat van Pine Island kalfde vroeger om de vier tot zes jaar af, volgens NASA, maar sinds 2017 zijn er elk jaar enorme brokken ijs verloren gegaan. Radarinstrumenten aan boord van de Sentinel-1-satellieten van de European Space Agency leggen elke zes dagen beelden van de gletsjer vast, zelfs tijdens de maandenlange duisternis in de Antarctische winter. Hierdoor kunnen wetenschappers de ijsplaat bijna in realtime zien breken.

    NASA-wetenschappers vlogen in 2018 over een van de nieuwgevormde ijsbergen van Pine Island. Zelfs vanaf 450 meter hoogte besloeg een deel ter grootte van de stad Seattle het hele gezichtsveld van de onderzoekers. ‘Het was spectaculair, inspirerend en nederig makend tegelijk’, schreef Brooke Medley, projectwetenschapper voor Operation IceBridge, in een blogpost.

    Maar slechts twee jaar later braken grote stukken af van de randen van de ijsplaat. Daardoor is het alsof de kurk in de fles met de Pine Island-gletsjer aan het afbrokkelen is.

    Iets soortgelijks gebeurde in de jaren negentig en het begin van de jaren 2000 met gletsjers op het Antarctisch Schiereiland, het staartvormige deel van het continent dat zich uitstrekt naar Zuid-Amerika. Daar veroorzaakten warme temperaturen het catastrofale uiteenvallen van ijsplaten in de loop van slechts een paar jaar. Twee decennia later stromen de gletsjers van het schiereiland nog steeds twee of drie keer zo snel als voorheen, hetgeen bijdraagt aan de zeespiegelstijging.

    ‘De waarneming van zo’n zelfde proces op de Pine Island-gletsjer is nieuw en zorgwekkend’, zegt Bethan Davies, een glacioloog aan de Royal Holloway University of London die niet betrokken was bij de nieuwe studie.

    Pine Island en andere West-Antarctische gletsjers zijn veel groter dan de gletsjers die uit het Antarctische schiereiland stromen, aldus Davies, waardoor de gevolgen veel extremer zullen zijn. ‘Het verlies van ijs hier zou catastrofaal en onomkeerbaar kunnen zijn.’

    De modellen van Joughin kunnen niet zeggen wat er daarna gaat gebeuren. Hij en zijn collega’s hebben geen smeltvijvers waargenomen op het oppervlak van de ijsplaat, iets waarvan bekend is dat het ijs er minder stabiel door wordt. Het scheuren van het ijs leek in 2020 te verminderen. Maar als de versnelde stroom van de gletsjer breuken blijft veroorzaken, kan dit leiden tot een terugkoppeling waardoor de ijsplaat in een spiraal van verval terecht komt. ‘Het is zeker niet ondenkbaar dat de rest van de ijsplaat over tien jaar verdwenen is’, zegt Joughin. 

    Als ijsplaten snel en resoluut kunnen verschuiven, kan de mensheid dat ook. Door het ozongat te helen en snel actie te ondernemen tegen klimaatverandering, zullen de omstandigheden in de atmosfeer en de oceanen van Antarctica veranderen en dat zal helpen de gletsjers van het continent te stabiliseren.

    ‘De toekomst kan veranderd worden’, zegt Davies, ‘op voorwaarde dat mensen doen wat nodig is.’


    Hoe een tachtigjarige vecht voor haar taal

    In Zuid-Afrika is de kliktaal n|uu uniek, maar ook bedreigd: slechts enkele hoogbejaarden spreken het nog vloeiend. Daarom is er nu een schrijfsysteem ontwikkeld om de taal te bewaren en te kunnen onderwijzen, schrijft het Britse iNews.

    Katrina Esau groeide op in een blanke boerderij aan de rand van de Kalahari-woestijn in Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Haar werkgever verbood haar om de taal te spreken die ze van haar moeder had geleerd. De taal N|uu, bekend van de ‘klik’klanken en ooit gesproken door de jager-verzamelaars van de Noord-Kaap die tegenwoordig bekend staan als San of ‘bosjesmannen’, was een halve eeuw lang bijna vergeten.

    Dat was het gevolg na eeuwen van uitroeiing en assimilatie van de San. Decennialang werd gedacht dat N|uu, zoals veel van de oorspronkelijke kliktalen van zuidelijk Afrika, was uitgestorven.

    Maar eind jaren negentig, na decennia van apartheid, deed Elsie Vaalbooi, een N|uu-spreker, op de lokale radio een beroep op andere sprekers om naar voren te komen. Het bleek dat er nog ongeveer twintig bejaarde sprekers van de taal in de regio van de Noord-Kaap leefden. Een paar jaar later was dat aantal al drastisch afgenomen. Tegenwoordig is Katrina Esau de enige die het N|uu nog vloeiend spreekt. Ze is achter in de tachtig.

    De afgelopen twee decennia heeft Esau gewijd aan het onderwijzen van N|uu, in een poging de taal en cultuur van de San te behouden. In een klaslokaal aan de voorkant van haar huis in Upington leert ze lokale kinderen de oorspronkelijke taal van haar thuisland. Ondanks jaren van verplicht zwijgen, verloor ze nooit haar spreekvaardigheid. ‘Ik heb deze taal niet geleerd maar kreeg hem via de borst van mijn moeder’, zegt ze in Lost Tongue, een film over N|uu die in 2016 werd gemaakt.

    Afrika is het enige continent met talen waarin klikken gewone medeklinkers zijn. Het kenmerkende geluid wordt geproduceerd met de punt van de tong tegen de boventanden. N|uu, geclassificeerd als ernstig bedreigde taal door Unesco, is een van de slechts drie talen waarvan bekend is dat ze een ‘kiss-klik’ hebben die met beide lippen wordt geproduceerd.

    Om deze buitengewoon rijke taal te onderwijzen, gebruikt Esau, die nooit heeft leren lezen of schrijven, zang, spel en beelden. Het helpt haar leerlingen, in de leeftijd van drie tot negentien jaar, om basisbegrippen te leren, zoals begroetingen, lichaamsdelen, dierennamen en korte zinnen.

    Zij zijn de enige studenten van N|uu ter wereld die een taal leren met 114 verschillende geluiden, waaronder 45 klikken, 30 niet-klikmedeklinkers en 39 klinkers. Om dit in context te plaatsen: Engels, Russisch en Chinees hebben ongeveer 50 klanken.

    Lees ook:

    De afgelopen jaren werd Esau in haar missie bijgestaan door academici Sheena Shah en Matthias Brenzinger. Samen met leden van de gemeenschap hebben ze een N|uu-orthografie opgesteld, conventies voor het schrijven van de taal, en leermiddelen gemaakt voor Esau’s school.

    De kroon op het werk is een geïllustreerde drietalige N|uu-Afrikaans-Engelse reader van honderdzestig pagina’s, waarin de mondelinge taal is omgezet in een geschreven taal. De reader dient als een hulpmiddel waarmee ook Esau’s kleindochter, Claudia Snyman, leerlingen de geschreven taal kan onderwijzen.

    ‘Wat Ouma Katrina heel graag wilde, was les- en leermateriaal’, aldus Shah. ‘Kinderen in haar gemeenschap gingen ’s ochtends naar school met schoolboeken voor wiskunde, Engels en Afrikaans. Maar voor haar naschoolse lessen bestond geen gedrukt materiaal. Ze wilde dat haar taal op hetzelfde niveau werd behandeld.’

    De titel van de reader, Ouma Geelmeid ke kx’u ||xa||xa N|uu (Ouma Geelmeid leert N|uu), bevat een verhaal uit Esau’s verleden. Als kind noemde de Afrikaanse eigenaar van de boerderij waar ze werkte haar ‘Geelmeid’, een aanstootgevende verwijzing naar haar huidskleur. Tegenwoordig staat ze bekend als Ouma (Oma) Katrina.

    ‘Voor Ouma Katrina is N|uu een centraal onderdeel van haar leven’, zegt Shah, die haar tijd verdeelt over universiteiten in Hamburg, Londen en Bloemfontein in Zuid-Afrika. ‘Als taalkundigen zijn we geïnteresseerd in hoe mensen taal gebruiken in de dagelijkse communicatie. Met Ouma Katrina kun je uren luisteren naar de verhalen die ze vertelt en de liedjes die ze zingt.’

    Schildpad en struisvogel

    Gezien haar hoge leeftijd wordt hard gewerkt om ervoor te zorgen dat de taal ook in de toekomst gehoord blijft worden. Volgens Brenzinger, van de Universiteit van de Vrijstaat in Bloemfontein, zijn er audio- en video-opnamen gemaakt van Esau, zodat de gesproken taal behouden kan blijven.

    Een ander hoopgevend teken is de recente publicatie door Esau en haar kleindochter van een boek met kinderverhalen in het N|uu, Afrikaans en Engels, genaamd !Qhoi n|a Tjhoi (schildpad en struisvogel). Het volksverhaal, verteld door Esau, is bedoeld om jongeren te inspireren door de sluwe capriolen van een schildpad.

    Elinor Sisulu, directeur van een stichting voor kinderliteratuur die achter het kinderboek staat, bepleit dat het werk van Esau financieel moet worden ondersteund. ‘Ouma Katrina is de wereldexpert in de N|uu-taal en de cultuur van haar mensen’, zegt ze. ‘Niemand weet meer dan zij. Als zodanig zou ze de status van professor van de N|uu-taal moeten krijgen en een overeenkomstig salaris moeten krijgen.’

    Voor Esau, die een van Zuid-Afrika’s hoogste onderscheidingen ontving, de Orde van de Baobab in zilver, als erkenning voor haar inspanningen om de taal en cultuur van de San te behouden, gaat het essentiële werk door. Nadat ze haar onderscheiding had ontvangen van de toenmalige president Jacob Zuma, zei ze: ‘Andere mensen hebben hun eigen taal. Waarom moet mijn taal sterven? Het moet doorgaan. Zolang er mensen zijn, moet de taal doorgaan.’


    Boete voor Ikea

    Een Franse rechtbank heeft het meubel- en woninginrichtingsconglomeraat Ikea dinsdag veroordeeld tot het betalen van een boete van 1 miljoen euro nadat het bedrijf schuldig is bevonden aan het bespioneren van zijn personeel en het opslaan van personeelsgegevens. Dit schrijft Deutsche Welle.

    In 2012 begon een strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf, naar aanleiding van berichten over wijdverbreid ‘gesnuffel’ dat werd gebruikt tegen zowel werknemers als klanten die een geschil hadden met Ikea Frankrijk.

    Volgens de aanklagers had de Franse dochteronderneming een particulier beveiligingsbedrijf en privédetectives ingehuurd om illegaal informatie over werknemers en toekomstige medewerkers te verkrijgen als onderdeel van een ‘spionagesysteem’ dat van 2009 tot 2012 actief was.

    De voormalige topman van Ikea France, Jean-Louis Baillot, werd schuldig bevonden en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Hij kreeg ook een boete van  50.000 euro voor het opslaan van persoonlijke gegevens.

    Baillot had eerder ontkend dat hij iets verkeerd had gedaan en legde de schuld bij zijn voormalige hoofd risicobeheer, Jean-Francois Paris. Die heeft toegegeven namen van mensen naar een particulier beveiligingsbedrijf, Eirpace, te hebben gestuurd.

    Ongeveer vijftien mensen stonden terecht voor het spionagesysteem, waaronder een andere voormalige CEO van Ikea Frankrijk, Stefan Vanoverbeke. Ook vier politieagenten stonden terecht. Ze worden ervan beschuldigd vertrouwelijke informatie aan Ikea Frankrijk te hebben overhandigd.