Sinds april woedt er in Soedan een machtsstrijd tussen het regeringsleger van generaal Al-Burhan en de milities van de RSF onder leiding van generaal Dagalo. Raga Makawi vertelt over de angstaanjagende tocht die ze met haar vriendin in het door geweld verscheurde Khartoem maakte.
De nacht voordat op straat de oorlog uitbrak in Khartoem, was ik in een cultureel centrum in het noorden van de stad om te luisteren naar een panel met feministische sprekers. Een evenement als dit zou ondenkbaar zijn geweest onder Omar al-Bashir, de dictator die vier jaar geleden door een volksopstand werd verdreven. Onder Bashir was Soedan voor vrouwen een van de meest repressieve plekken ter wereld, en het waren vrouwen die de protesten tegen hem leidden.
De panelleden spraken die avond over strategieën om juridische hervormingen af te dwingen (nog steeds kunnen Soedanese rechtbanken vrouwen voor overspel veroordelen tot steniging). Na afloop zette het publiek, dat zowel uit mannen als vrouwen bestond, de discussie voort onder het genot van thee, koffie en Schwarzwalder Kirschtorte. Sinds in 2021 de revolutie werd gekaapt door een militaire junta, zijn dit soort burgerbijeenkomsten onze beste kans op verandering. De sfeer was geweldig. We wisten allemaal dat er spanning in de straten hing omdat de twee belangrijkste generaals van de junta, Abdel Fattah al-Burhan en Muhammad Hamdan Dagalo, in een impasse terechtgekomen waren. Maar we hadden nooit gedacht dat de situatie echt zou exploderen.
Geweerschoten
Ik was de week ervoor teruggekeerd naar Soedan om academisch onderzoek te doen, nadat ik enkele jaren eerder mijn huis had verlaten om in Groot-Brittannië te studeren. In Soedan verbleef ik bij mijn vriendin Kholood. Ik had nog maar een paar uur geslapen toen ze me wakker maakte. ‘Ik hoor geweerschoten,’ zei ze. We luisterden. Het geluid van geweerschoten maakte plaats voor het gedreun van explosies. In de woonkamer zetten we de tv aan en we keken even naar het nieuws. Toen hoorden we het geronk van een bommenwerper boven ons hoofd en drong tot ons door hoe dichtbij de gevechten waren. We verhuisden naar een raamloze bijkeuken naast de keuken, waar amper voldoende ruimte was voor twee personen. Toen viel de elektriciteit uit.
We wisten niet dat we daar voor onbepaalde tijd vast zouden zitten. Het stelde me gerust dat mijn powerbank zes uur stroom voor onze telefoons kon leveren, maar de waterpomp viel uit, we konden ons niet wassen en het water in onze drinkflessen werd warm. Na ongeveer twaalf uur besloten we de bijkeuken te verlaten om te proberen te slapen. Het leek ons veiliger om bij elkaar in bed te liggen, zodat we het zouden merken als de ander door een verdwaalde kogel zou worden geraakt. Versuft lag ik op mijn zij door een kier in de deuropening naar de ochtendlucht te kijken.
Uit angst dat de batterij van onze telefoon leeg zou raken keken we geen videobeelden – via Twitter probeerden we aan nieuws te komen
De volgende dag was het duidelijk dat onze situatie niet zou verbeteren. Uit angst dat de batterij van onze telefoon leeg zou raken keken we geen videobeelden – via Twitter probeerden we aan nieuws te komen. Kholood was voortdurend op zoek naar informatie: hoe wijdverspreid waren de gevechten? Zat iedereen in Khartoem zonder elektriciteit? Weer ging een dag voorbij terwijl we in de bijkeuken zaten en luisterden naar het geweervuur, de mortieren en raketten. We konden niets doen. Ik raakte in paniek. ‘We moeten een plan maken,’ zei ik, terwijl ik naar voren leunde om de aandacht van Kholood te trekken. Ze bleef maar door haar telefoon scrollen. Ik stond op om haar wat ruimte te geven en herhaalde toen zachtjes: ‘We moeten een plan maken.’
We probeerden uit te zoeken of er straten waren die misschien rustig genoeg waren om doorheen te rijden, de zogenaamde safe passages. Mensen appten elkaar daar voortdurend updates over; iemand had er zelfs speciaal een app voor gemaakt. Op de vierde dag kreeg ik om twee uur ’s middags een gehaast telefoontje van een vriend in het oosten van de stad die had gehoord over een veilige doorgang naar een rustiger wijk. ‘Het is nu of nooit,’ zei hij.
We vertrokken een kwartier later, met alleen het meest noodzakelijke: schone kleren, geld en onze identiteitspapieren. We wilden naar mijn ouders, als we dat zouden redden. De vorige dag had ik gehoord over een man die was beschoten toen hij probeerde te ontsnappen via dezelfde route; hij bloedde dood in zijn auto. Toen we wegreden kon ik het beeld van ons bloed op de stoelen maar niet uit mijn hoofd krijgen. Ik besloot de getinte ramen die ons beschermden tegen de felle zon naar beneden te doen, zodat iedereen kon zien dat we vrouwen waren.
Thelma en Louise
De straten waren verlaten. Na tien minuten kwamen we bij een controlepost. Ik vertraagde en boog voorover om te zien van welke partij de soldaten waren. De man die onderuitgezakt bij de controlepost zat, droeg een donkergroen uniform en een oude AK-47, wat deed vermoeden dat hij behoorde tot de strijdkrachten van Burhan, het feitelijke hoofd van de junta. Ik glimlachte en zei met zachte, smekende stem: ‘Goedendag, officier, mogen we erlangs?’ Hij nam niet de moeite om op te staan, maar vroeg kortaf waar we heen gingen. Andere soldaten kwamen nu ook onze kant op.
We hadden een verhaal bedacht voor deze situatie – iets waardoor we zo onschuldig mogelijk zouden overkomen. ‘Mijn moeder is een oudere vrouw en ze is alleen,’ zei ik. ‘Ik moet naar haar toe want ze zit al dagen zonder eten of drinken. Deze dame die met me meerijdt is mijn zus.’ Er viel een stilte, waarna de soldaat vroeg hoe ik van plan was daar te komen. Ik vroeg of hij zo vriendelijk wilde zijn om ons de weg te wijzen, maar hij wuifde alleen maar met zijn hand om aan te geven dat we bij het kruispunt verderop rechtsaf moesten slaan.
Ik reed langzaam verder en sloeg de hoek om. Zo’n veertig meter verderop in de straat zag ik nog een controlepost met nog meer soldaten in donkergroene uniformen. Ik ging ervan uit dat we toestemming hadden om door het gebied te rijden dat door de mannen van Burhan werd gecontroleerd, dus reed ik verder. Maar toen hoorde ik soldaten schreeuwen en zag ik in mijn achteruitkijkspiegel dat vier van hen hun wapens op ons richtten. Angstig stopte ik en stak ik mijn armen uit het raam, als een gebaar van overgave. Nadat ze onze papieren hadden gecontroleerd en de auto hadden doorzocht, lieten ze ons gaan.
Toen we de wijk van mijn ouders inreden en de soldaten in licht kaki met hun geavanceerde wapens zagen, verloor ik de moed
De volgende anderhalf uur reden we door de buitenwijken van Khartoem. Toen we de wijk van mijn ouders inreden en de soldaten in licht kaki met hun geavanceerde wapens zagen, verloor ik de moed. Dit waren de Rapid Support Forces (RSF) van Dagalo. De RSF is voortgekomen uit de Janjaweed, een door de staat gesteunde militie die begin jaren 2000 werd beschuldigd van genocide in de regio Darfur. Het was de bedoeling dat de RSF zou fuseren met het leger als een stap op weg naar een burgerregering, maar commandant Dagalo lijkt van niemand bevelen aan te willen nemen. Ik had vreselijke dingen gehoord over de wreedheden van de Janjaweed, waaronder massaverkrachtingen. Maar toen we bij de controlepost aankwamen, riep de jonge militieofficier alleen maar ‘Ga!’ en wuifde ons haastig door.
Ik verliet de hoofdweg zo snel mogelijk en reed door achterafstraatjes naar het huis van mijn ouders. We kwamen langs een bakkerij die open was en stopten om wat eten te kopen. De mensen stonden te dringen om geholpen te worden en de bakker leek de hoeveelheid brood per klant te rantsoeneren. Ik hoorde een man roepen: ‘Het is niet aan jou om te bepalen hoeveel brood je me geeft!’
Kort daarna reden we de garage van mijn ouders binnen. Toen ik de motor uitzette, gaven we elkaar een high five. Het voelde als een moment uit Thelma and Louise. We hadden ons een weg weten te banen door de dodelijke en giftige wereld van mannen en hun wapens. Voor nu waren we veilig.
Lees ook:
















