Tag: lezen

  • Te midden van de oorlog floreert de boekenmarkt in Oekraïne

    Te midden van de oorlog floreert de boekenmarkt in Oekraïne

    Nieuwe boekwinkels openen de deuren, uitgeverijen groeien en klassieke boeken worden heruitgegeven. Door de oorlog is Oekraïne aan het lezen geslagen.

    Tussen boekenwanden, kunstwerken en hangende bloembakken zorgen comfortabele fauteuils voor een woonkamer­sfeer. Tot 21:00 kun je koffie of wijn bestellen en wordt er gelezen. ‘Er zijn momenteel veel van dit soort boekwinkels in Kyiv,’ zegt IT-specialist Mariana Fuhalewich, die het zich gemakkelijk heeft gemaakt in de ‘Boekenleeuw’ in de trendy wijk Podil in Kyiv. Haar collega Darina Chrapach vraagt haar een foto van haar te maken in de fauteuil. ‘Ik heb hier vele heerlijke uren doorgebracht.’ De boekwinkels zijn er niet alleen om te snuffelen, als de stroom uitvalt zijn ze een toevluchtsoord voor buurtbewoners, lezers en schrijvers. En ze getuigen van een opmerkelijke opleving te midden van de oorlog.

    De Russische oorlog is niet alleen gericht tegen Oekraïne als grondgebied, maar ook tegen de cultuur, taal en literatuur van het land. Overal waar Russische troepen binnenvallen, verstoppen mensen snel hun boeken voordat ze door de bezetters worden vernietigd en vervangen door propaganda uit Moskou. ‘Ze wisselen de boeken direct na de bezetting om,’ vertelt Joeri Belousov, hoofd van de afdeling Oorlogsmisdaden van het Oekraïense Openbaar Ministerie.

    Onder vuur

    Sinds 2022 zijn ongeveer achthonderd Oekraïense bibliotheken en boekwinkels verwoest. In mei 2024 werd de grootste drukkerij van Oekraïne getroffen: een raketaanval op Factor Druk in Charkov kostte zeven werknemers het leven. Naast de persen verbrandden ook de vers gedrukte nieuwe uitgaven van vele uitgeverijen, een week voor de belangrijkste boekenbeurs van het land.

    Ook Oekraïense literaire instellingen werden tijdens de meest recente aanvalsgolf onder vuur genomen: in Kyiv werd begin juli een opslagplaats van de schrijversvereniging PEN Oekraïne getroffen. Boeken van het project ‘Onverwoestbare Bibliotheken’, dat Engelstalige en tweetalige boeken verzamelt voor 250 bibliotheken in 17 regio’s van het land, werden verwoest. Diezelfde nacht ging het magazijn van uitgeverij Nasch Format (Ons Formaat) gedeeltelijk verloren en werden sommige boeken onherstelbaar beschadigd. De directie van de uitgeverij verkondigde: ‘We weten waar we voor vechten. We publiceren boeken die kracht bieden, een kritische blik en waardigheid – precies waar Rusland bang voor is.’

    ‘De sector is sinds het begin van de invasie razendsnel gegroeid’

    De Oekraïense literatuur trotseert de verwoesting en beleeft zelfs een renaissance: te midden van luchtaanvallen, raketterreur en de dagelijkse realiteit van oorlog, blijft de boekenmarkt groeien. Volgens het Oekraïense Boekeninstituut nam de verkoop in 2024 toe met 31 procent. Het aantal actieve uitgevers steeg van 300 naar 350. ‘De sector is sinds het begin van de invasie razendsnel gegroeid,’ zegt econoom Hlib Wischlinski van het Centrum voor Economische Strategie. ‘Verrassend genoeg gaven mensen in oorlogstijd meer geld uit aan boeken.’

    De trend is duidelijk zichtbaar op beurzen zoals het Boekarsenaal in Kyiv of de openluchtbeurs Boekenland. Op de laatstgenoemde werden in vier dagen tijd 90.000 boeken verkocht. Boekhandelketens breiden uit, zoals blijkt uit cijfers van het Oekraïense Boekeninstituut. Daarbij is vooral Oekraïense literatuur gewild – van klassiekers tot nieuwe oorlogspoëzie en fantasyromans. Was in 2021 een op de vijf boeken in het land door een Oekraïense auteur geschreven, in 2023 was dat drie op de vijf.

    Steeds meer Oekraïense auteurs belanden in de maandelijkse top 10

    Midden in de oorlog openen onafhankelijke boekhandels hun deuren in Kyiv, Lviv en Odessa. Dat deed ook Boekenleeuw, in augustus 2022, toen de wijk Podil zo goed als uitgestorven was. Naast boeken over de Oekraïense geschiedenis en kunst is er vraag naar vertalingen van internationale literatuur en zelfhulpboeken. Oorlogsliteratuur en -poëzie doen het goed, zoals de teksten van de dichtende verpleegkundige en dronepiloot Yaryna Chornohuz of de oorlogsdagboeken van vechter en schrijver Artem Chekh. Ook reportages en fotoboeken over de bezette gebieden en de onherroepelijk verwoeste steden zoals Marioepol zijn populair.

    Steeds meer Oekraïense auteurs belanden in de maandelijkse top 10, zegt Katerina Ivanova, medeoprichter van de boekhandel. ‘We hadden vertrouwen in de Oekraïense boekenmarkt en dat er genoeg boeken zouden verschijnen om de schappen te vullen,’ aldus Ivanova. Ze is ervan overtuigd dat de opening op het allerslechtst denkbare moment anderen heeft geïnspireerd.

    Renaissance van Oekraïense klassiekers

    Vooral de renaissance die klassiekers doormaken is opmerkelijk: ‘Bloemlezingen van Oekraïense klassiekers zijn ware melkkoeien,’ vertelt de boekhandelaar. De Oekraïense literatuur uit de negentiende en vooral de twintigste eeuw was in de Sovjet-Unie decennialang onderdrukt of zelfs verboden. Begin jaren dertig decimeerde Jozef Stalin de bloeiende Oekraïense cultuur op brute wijze; bijna driehonderd Oekraïense schrijvers werden geëxecuteerd en veel kunstenaars belandden in de Goelag. In het huidige Oekraïne spreekt men van de ‘doodgeschoten renaissance’, vertelt de Oekraïense vertaler en psychoanalyticus Jurko Prochasko.

    Nu worden hun literaire werken heruitgegeven en opnieuw onder de aandacht gebracht, onder andere door Wichola. Met de serie Oncanonieke Canon bracht deze jonge uitgeverij literair-wetenschappelijke boeken van vergeten stemmen op de markt, uitsluitend Oekraïense auteurs. Met succes.

    ‘Het is een kwestie van identiteit. Mensen realiseerden zich dat de Russen hen kwamen vermoorden, puur omdat ze Oekraïners waren,’ zegt Bohdana Neborak, manager culturele projecten en redacteur van tijdschrift The Ukrainians. ‘Dus vroegen ze zich af: wat betekent het eigenlijk om Oekraïens te zijn? De klassieke literatuur gaat daar vaak op in.’

    247 Oekraine3 1
    Valeriy (40) leest een boek voor aan haar zoon Pasha (11) in een metrostation dat als schuilkelder wordt gebruikt in de wijk Saltivka in de stad Charkov, Oekraïne. – © Getty Images

    Ook worden innovatieve concepten opgezet om het lezen te bevorderen. Boekhandel Sens aan de promenade Chresjtsjatyk in Kyiv combineert bijvoorbeeld coworking, evenementen, gastronomie en literatuur. Sinds de opening in februari 2024 is het aantal bezoekers gestaag gegroeid. Maandelijks ontmoeten 50.000 lezers, auteurs en creatievelingen elkaar op deze plek. Je vindt er het nieuwe boek van historicus Serhii Plokhy over de ondergang van de Sovjet-Unie evenals de vertaling van Timothy Snyders’ Over vrijheid. Op een kleine tafel staan drie werken van Artem Chekh. Internationale bestsellers, zoals Rebecca F. Kuangs fantasytrilogie The poppy war, zijn ook populair.

    Wat je hier níét vindt zijn werken in het Russisch of van Russische auteurs. Het feit dat de kasten vol staan met boeken in de lokale taal vervult Sens-oprichter Olexi Erinchak met trots. Lange tijd was dit nauwelijks denkbaar: tot de Russische invasie van de Krim en de regio’s Donetsk en Loehansk in het oosten van het land in 2014 domineerden boeken van Russische uitgevers en auteurs de markt. ‘Lange tijd was het runnen van een Oekraïense uitgeverij meer een soort liefhebberij,’ zegt econoom Wischlinski. Er viel niet op te concurreren tegen de Russische markt. ‘Tegenwoordig is het big business geworden.’

    Flexibel

    Een van de redenen is de geleidelijke loskoppeling van de Russischtalige boekenmarkt sinds 2016, en de hernieuwde aandacht voor de Oekraïense taal. Sinds 2023 zijn de import van boeken uit Rusland en Wit-Rusland evenals de activiteiten van Russische uitgeverijen verboden. Uitgevers mogen bovendien alleen nog publiceren in het Oekraïens, in de talen van erkende minderheden of van de Europese Unie. ‘Zo is er een nieuwe markt ontstaan, vooral op het gebied van internationale vertalingen,’ aldus Wischlinski. En of het nu om thrillers of liefdesromans gaat, ook in Oekraïne wakkert BookTok, oftewel boekgerelateerde content op TikTok, de vraag aan.

    Het blijft een wonder dat de boekenmarkt zich zo snel ontwikkelt, want de situatie is nog altijd fragiel. Hoewel de verwoeste drukkerij Factor Druk dankzij een gulle donor is heropgebouwd, blijven de toeleveringsketens onzeker, is papier duur en zijn vertalers schaars. ‘Titels verschijnen met vertraging,’ zegt boekhandelaar Erinchak. ‘Maar in oorlogstijd moet je flexibel te zijn.’ Hij koopt nu titels in zodra er belangstelling voor ontstaat.

    ‘Voor deze generatie schrijvers is de oorlog verwoestend’

    Een groot deel van de groeiende inkomsten van de boekenindustrie is te danken aan de gestegen prijzen, legt Oleksandra Kowal uit, hoofd van het Oekraïense Boekeninstituut. Dat mensen toch boeken blijven kopen, schrijft econoom Wischlinski mede toe aan het feit dat ze minder kunnen reizen en dat hun consumptiepatroon sowieso verandert. Maar hij is voorzichtig: de markt is nog niet erg stabiel. ‘Mensen hebben nog steeds geld, dankzij steun uit het Westen. Maar de toekomst is onzeker. Over twee of drie jaar zullen we zien hoeveel boekwinkels er nog zijn. Als mensen alleen nog het hoognodige kopen, zullen boeken als eerste wegvallen.’

    De oorlog vormt niet alleen een bedreiging voor boeken, de economie en de infrastructuur, maar ook voor de makers zelf. ‘Voor deze generatie schrijvers is de oorlog verwoestend,’ zegt cultuurmanager Bohdana Neborak. Veel schrijvers bevinden zich aan het front. Sommigen zijn gesneuveld, anderen tijdens de gevechten verdwenen – zoals dichter en boekontwerper Mikola Leontowitsch. ‘Hij was briljant,’ zegt Neborak over haar vriend. ‘Sinds twee jaar is er niets nieuws meer van hem verschenen.’

    ‘Lezen helpt ons onze waardigheid behouden’

    Op een avond in juni modereert Neborak een boekpresentatie bij Sens. Het betreft een nieuwe editie van een vergeten vertaling van Hans Christian Andersens De Sneeuwkoningin en andere sprookjes, in Oekraïne gepubliceerd aan het einde van de negentiende eeuw. De zaal zit vol. ‘Mensen verlangen naar klassiekers én naar nieuwe stemmen. Er is grote behoefte aan plekken waar die boeken onder de aandacht staan.’ Steeds meer boekhandels en uitgeverijen richten daarom boekenclubs en discussieformats op.

    ‘Mensen kunnen hier hun emoties delen,’ zegt Neborak. In oorlogstijd is lezen meer dan alleen afleiding: het is ook een manier om menselijkheid, identiteit en verzet tot uitdrukking te brengen. ‘Lezen is een humanistische daad,’ zegt ze. ‘Het helpt ons onze waardigheid te behouden – zelfs onder de meest verwoestende omstandigheden.’ Daarbij draait het om hoop en troost. ‘Door te lezen voelen mensen dat ze niet alleen zijn, en dat ze nog steeds mens zijn.’

  • De treurige reden achter het dalende leesplezier van kinderen

    De treurige reden achter het dalende leesplezier van kinderen

    Als mensen onder financiële druk staan en kinderarmoede hoog is, is het moeilijk voor een gezin om lezen prioriteit te geven. Om kinderen aan het lezen te krijgen, zijn structurele veranderingen nodig in ons economische systeem, betoogt The Guardian-columnist Rhiannon Lucy Cosslett.

    Op de plank in de slaapkamer van mijn zoon staat een rij prentenboeken die ooit van mij waren. Soms kijk ik ernaar en word ik meteen teruggevoerd naar mijn eigen kindertijd. Zoals door The Three Wonderful Beggars van Sally Scott, een hervertelling van het Servische sprookje, en The Whales’ Song van Dyan Sheldon en Gary Blythe, over een klein meisje dat ’s nachts naar buiten sluipt in de hoop de zeewezens met elkaar te horen communiceren.

    Deze boeken riepen levendige werelden bij me op, en het is fantastisch dat dat na al die jaren nog steeds in één keer gebeurt. Deze week las ik een interessant rapport over de zogenoemde crisis in de leesvaardigheid van kinderen. Hoewel zorgwekkend, wordt deze crisis enigszins overdreven. Het echte probleem lijkt niet zozeer te liggen bij de testresultaten die de leesvaardigheid meten, maar bij het sterk dalende aantal kinderen dat leest voor hun plezier. In 2020 las slechts 17 procent van de Amerikaanse dertienjarigen dagelijks voor hun plezier, vergeleken met 27 procent in 2012. De cijfers in het Verenigd Koninkrijk liggen hoger, maar vertonen ook een dalende lijn. De National Literacy Trust ontdekte dat in 2024 slechts 35 procent van de kinderen tussen acht en achttien aangaf regelmatig voor plezier te lezen – het laagste percentage sinds dit twee decennia geleden voor het eerst werd gemeten.

    Voorgelezen worden, en vervolgens zelf lezer worden, heeft mijn wereldbeeld zo diepgaand gevormd dat ik niet weet wie ik zou zijn zonder deze ervaring. Niet dat deze altijd vreugdevol hoefde te zijn: ik ontdekte de waarheid over de kerstman toen ik zes was, omdat hij niet opdook in Little Women. Het lezen over de vloek van Toetanchamon bezorgde me nachtmerries, en ik was tot tranen geroerd aan het einde van The Amber Spyglass van Philip Pullman. Toch hebben deze boeken me gemaakt tot wie ik ben.

    Flinke opgave

    Het is geen toeval dat de daling in lezen voor plezier bij kinderen samenvalt met de opkomst van de smartphone. Al is deze natuurlijk niet de enige reden. De gedwongen sluiting van veel bibliotheken speelt ook een rol – een feit dat hartverscheurend is voor degenen onder ons die ermee zijn opgegroeid (ik zal nooit mijn enthousiasme vergeten toen ik maar liefst acht boeken mocht meenemen!). Voor degenen die tot de microgeneratie behoren die volwassen werd zonder veel blootstelling aan sociale media, en vervolgens de enorme overgang van een wereld van gedrukte woorden naar een digitaal tijdperk meemaakte blijft deze overgang soms moeilijk te bevatten.

    Natuurlijk zijn er veel ouders die hun kinderen elke dag voorlezen. Boeken delen met mijn zoontje – hem de plaatjes zien kussen van zijn favoriete personages en horen lachen van plezier om een verhaal – is een van de grote genoegens van mijn ouderschap. Maar dat is niet voor iedereen weggelegd. Ik had het voorrecht om op te groeien in een gezin waar boeken als waardevol en belangrijk werden gezien, en mijn ouders besteedden tijd en geld om ze aan te schaffen. Ik heb het geluk boeken voor mijn zoontje te kunnen kopen. En ik heb voldoende tijd en energie om hem voor te lezen.

    Niet alle gezinnen hebben dat geluk. In een tijd waarin mensen enorme financiële druk ervaren en kinderarmoede recordhoogtes bereikt, belandt lezen al snel lager op de prioriteitenlijst. Boeken kunnen duur zijn, zelfs sommige kringloopwinkels vragen prijzen die buitensporig aandoen. Een bezoek aan de bibliotheek vereist tijd en vervoer. Mensen werken lange dagen en hebben vaak nauwelijks ruimte tussen thuiskomen, koken en bedtijd. Vooral als je meer kinderen hebt, kan voorlezen een flinke opgave zijn.

    Als we willen dat ouders hun kinderen voorlezen, zijn empathie en ondersteuning vereist

    Ouders krijgen veel kritiek, vooral van ouderen, op de manier waarop ze met schermtijd omgaan. De neiging om een apparaat op te pakken is zorgwekkend onbewust geworden. Zelfs bij iemand die veel leest, zoals ik, is de impact op mijn aandachtsspanne enorm – wat voor hoop is er dan voor onze kleintjes? Er is veel bezorgdheid over hoe programma’s zoals Cocomelon hun hersenen beïnvloeden, en het is geen verrassing dat steeds meer ouders pleiten voor een smartphonevrije kindertijd.

    Scholen, kinderdagverblijven en Dolly Parton dragen allemaal hun steentje bij om lezen voor plezier te bevorderen. Goede doelen doen geweldig werk: mijn zoon kreeg laatst twee gratis boeken mee naar huis, mogelijk gemaakt door BookTrust. Je kunt aan deze organisatie doneren zodat met Kerst de gezinnen die daar de middelen niet toe hebben hun kinderen boeken kado kunnen doen. Als we willen dat ouders hun kinderen voorlezen, zijn empathie en ondersteuning vereist. Maar vooral denk ik dat het een dieper begrip vraagt van hoe ons economisch systeem veel gezinnen met jonge kinderen in de steek laat. Alleen structurele veranderingen zullen zorgen voor ruimte in ons leven – en in onze geest – om echt te kunnen genieten van het lezen.

    Wat wel en niet werkt

    We hadden het geluk om afgelopen weekend een voorstelling van The Snowman in het Peacock-theater te kunnen zien. Ik dacht dat het al mooi meegenomen was als mijn peuter het een half uur van de 1 uur en 50 minuten durende show (inclusief pauze) zou volhouden. Maar kinderen kunnen je verrassen: hij vond het zo geweldig dat hij de hele show uitzat, en toen de jongen en de Sneeuwman in de besneeuwde lucht opstegen, was de blik in zijn ogen onvergetelijk.

    In de veronderstelling dat knutselen een goede alternatieve manier zou zijn voor een glas wijn om stress te verlichten, besloot ik een miniatuur kerstmuizenhuis voor mijn zoon te maken. De chique Scandinavische winkel Søstrene Grene heeft een hele reeks mooie meubeltjes en knutselmaterialen, maar blijkt al sinds oktober helemaal door de kleine houten huisjes heen te zijn en krijgt bovendien geen nieuwe binnen. Ik zal zeker niet de enige zijn die hierdoor gefrustreerd is. Nu doet mijn lieve moeder haar best om zelf iets in elkaar te zetten.

  • Brazilië: gevangenen krijgen vier dagen strafvermindering per boek dat ze lezen

    Brazilië: gevangenen krijgen vier dagen strafvermindering per boek dat ze lezen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Venezuela: pro-Maduro partijen claimen overwinning na twijfelachtige verkiezingen

    » Afghanistan: taliban voeren een voorlopig schaakverbod in

    President Lula wil het analfabetisme terugdringen

    De vrouwengevangenis Talavera Bruce in Rio de Janeiro bevat een leeszaal waar gevangenen boeken kunnen lenen om te lezen in hun cel. De collectie van 600 boeken – bijna allemaal gedoneerd – omvat Braziliaanse en buitenlandse literatuur, poëzie, stripverhalen en kinderboeken. Sinds 2012 kunnen gevangenen met elk boek dat ze lezen en waarover ze een opstel schrijven, hun straf met vier dagen verminderen. Dat schrijft Courrier International.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Er is echter een probleem: 30,4 procent van alle gevangenissen in Brazilië heeft geen bibliotheek. Bovendien is 53 procent van de Braziliaanse gevangenen analfabeet of heeft de middelbare school niet afgemaakt. Met zijn ‘plan voor een eerlijke straf’ wil president Lula alle gevangenissen uitrusten met scholen en ervoor zorgen dat 60 procent van alle gevangenen tegen 2027 toegang heeft tot het systeem ‘Lezen voor strafvermindering’.

  • De beste non-fictie van april

    De beste non-fictie van april

    Natuurmysteries ontrafeld beschrijft 150 bijzondere natuurfenomenen uit de planten- en dierenwereld & meer boekentips in deze top 5 non-fictie, aangeraden door 360 en Athenaeum Boekhandel.

    Tragedies – Aischylos

    Van de ongeveer negentig stukken van Aischylos zijn zeven tragedies compleet overgeleverd. Perzen bekijkt de overwinning van de Grieken bij Salamis door de ogen van de verliezers. Hoogtepunt in Aischylos’ oeuvre is de Oresteia, een trilogie vol moord en geweld binnen één familie.


    Natuurmysteries ontrafeld – Vincent Albouy

    Hoe wordt een vlinder geboren? Waarom heeft een hommel zo veel stuifmeel op zijn vacht? En wat is het mysterie achter de herrezen slang? In de natuur kom je soms gekke dingen tegen. Natuurmysteries ontrafeld beschrijft 150 bijzondere natuurfenomenen uit de planten- en dierenwereld.


    Cryptomanie – Zeke Faux

    Onderzoeksjournalist Zeke Faux brengt de cryptohype, sinds 2021, levendig in beeld: van de overmoedige beloftes over de rol die crypto ‘binnenkort’ in de financiële wereld zou spelen, tot mensen die in die droom geloofden en oplichters die misbruik maakten van die goedgelovigheid.


    Splinters – Leslie Jamison

    Kort nadat Leslie Jamison moeder is geworden van een dochter, komt er abrupt een einde aan haar huwelijk. Even scherp als onverschrokken legt ze haar eigen gevoelens, twijfels en angsten bloot en zoekt ze naar antwoorden op enkele van de kwellendste levensvragen: hoe gaan we om met verlies?


    Het koude crematorium – József Debreczeni

    Het koude crematorium was in 1950 het eerste boek in communistisch Oost-Europa dat het ware gezicht van de Holocaust liet zien. Met nietsontziende precisie beschrijft Debreczeni de mechanismen van ontmenselijking in de kampen. Ruim zeventig jaar later is dit meesterwerk wereldwijd vertaald.

  • De beste non-fictie van januari

    De beste non-fictie van januari

    In De mythe van het moederschap laat Elisabeth Badinter zien dat hét moederschap niet bestaat & meer boekentips in deze top 5 non-fictie, aangeraden door 360 en Athenaeum Boekhandel.

    Denken zonder leuning – Hannah Arendt

    Voor Hannah Arendt was politiek denken vrij denken, zonder enig religieus, moreel of historisch houvast – en ze besefte terdege dat dit even bevrijdend als gewaagd was. In Denken zonder leuning is een aantal grote essays opgenomen – groot in omvang, maar vooral in hun benadering van de onderwerpen.


    De mythe van het moederschap – Elisabeth Badinter

    Is moederliefde een instinct dat voortkomt uit een ‘vrouwelijke natuur’ of is het grotendeels een kwestie van sociaal gedrag? De onthulling dat hét moederinstinct niet bestaat, maar moederliefde onvoorspelbaar is, lokte bij verschijnen hevige reacties uit.


    Het Congo complot – Stuart A. Reid

    Reid toont op basis van talloze nieuwe bronnen aan dat de CIA instemde met het plan om de eerste democratisch gekozen leider van het onafhankelijke Congo te vermoorden. Een plan dat een blauwdruk werd voor toekomstige interventies van de CIA op het wereldtoneel.


    Anaximander en de geboorte van het wetenschappelijk denken – Carlo Rovelli

    De vermaarde natuurkundige Carlo Rovelli vertelt het spannende verhaal van een relatief onbekende Griekse filosoof die ruim tweeënhalfduizend jaar geleden de basis legde voor onze wetenschappelijke manier van denken.


    Me vs Brain – Hayley Morris

    TikTok- en Instagramsensatie Hayley Morris biedt met veel humor inzage in een brein dat continu overuren maakt en geeft tips om hiermee om te gaan. Of het nu gaat om een ongemakkelijke date, ontslag nemen of menstruatiecups, in deze gids gaat ze geen onderwerp uit de weg.

  • Waarom we juist nu moeten lezen en filosoferen

    Waarom we juist nu moeten lezen en filosoferen

    Zijn literatuur en filosofie overbodig geworden in een zakelijke, technologische wereld die wordt verscheurd door crises? Academica Zena Hitz betoogt juist dat lezen fundamenteel is voor het behouden van onze menselijkheid.

    Bij een directe confrontatie met dramatisch menselijk lijden krijgen doorgewinterde boekenwurmen als ik last van hun geweten. Als filosofiestudent werd ik door de rokende puinhopen van het World Trade Center uit mijn contemplatieve sluimering wakker geschud. Ik had het gevoel dat ik niet in een bibliotheek mocht leven: ik moest op mijn manier ‘het verschil maken’, helpen om de brokstukken in de wereld te lijmen.  

    Nu is het verlangen om het verschil te maken niet altijd makkelijk te onderscheiden van de drang om opzien te baren. Misschien zet je van de weeromstuit uiteindelijk vooral jezelf in de spotlights. Wij maken deel uit van een samenleving waarin de roep om rechtvaardigheid makkelijk leidt naar vast-omlijnde, rigide paden en waarin een absurde voorstelling van zaken het zicht op de inhoud wegneemt. Dat is niets nieuws. In 1944 schreef Caryll Houselander al over een zieke dame die wrok koesterde jegens God omdat hij haar niet toestond te worden opgegeten door een kannibaal en het op die manier tot martelaar te brengen. ‘Ze kon zichzelf niet accepteren als een zieke vrouw,’ schreef Houselander. ‘Als kotelet daarentegen had ze het tot heldin gebracht!’ We dromen liever van onszelf als kannibalenmaaltje dan de sleur van ons dagelijks leven als ziek mens onder ogen te zien.

    Moeten we ons niet meer dan ooit bezighouden met het welzijn van onze medemens?

    Sarcasme is niet zo moeilijk, weten wat te doen wel. Valt er te midden van een wereldwijde pandemie en een krachtige protestbeweging tegen politiegeweld en racisme nog wel iets te zeggen voor een studie literatuur, filosofie, poëzie of wiskunde? Horen al die genotzuchtige hobby’s niet thuis in rustiger tijden? Moeten we ons niet meer dan ooit bezighouden met het welzijn van onze medemens?

    Twee hindernissen spelen ons parten bij zowel studie als dienstbaarheid, bij het ware leven van de geest en het ware leven van het hart. De eerste is, zoals ik al suggereerde, een zekere neiging om in een fantasie-wereld te leven. Net zoals we een theatrale rechtvaardigheidsstrijd kunnen bedenken die het rijk van de pixels nooit zal verlaten, kunnen we ons op studie en beschouwing toeleggen juist om met een boog om de behoeften van anderen heen te lopen. Misschien verschansen we ons in feite achter onze vermeende bewijzen van superioriteit en verzamelen we een arsenaal aan feiten om onze nietsvermoedende vijanden neer te sabelen. Op die manier verbeelden we ons dat we de status heroveren die we op erotisch of atletisch vlak zijn kwijtgeraakt. 

    Zo’n manier van lezen en denken vereist discipline en de bereidheid je over te geven aan wat je ontdekt

    Het tweede wat ons in de weg staat is ons goede leven. Als filosofiestudent speelde eerder luxe dan competitie mij parten. Ik had een comfortabel en veilig leven, maakte regelmatig reisjes, ging naar feestjes en had succes met prestigieus werk waarvan ik ook nog eens hield. Toen op 11 september 2001 de Twin Towers instortten, realiseerde ik me dat mijn comfort niet alleenzaligmakend was. Het feit dat anderen leden terwijl het met mij zo goed ging leek niet in orde. Moest ik niet namens en met hen lijden? Zolang fantasie de plaats van de werkelijkheid inneemt, heb je vanuit je comfortzone een beperkte kijk op de dingen. Eén glimp van wat tot dan toe verhuld was kan ons veranderen. 

    Wanneer we serieus lezen of studeren, niet om status te verwerven of als verstrooiing, worden we met het onderwerp van onze aandacht geconfronteerd in al zijn verwarde, onvoorspelbare facetten. Zo’n manier van lezen en denken vereist discipline en de bereidheid je over te geven aan wat je ontdekt. We kunnen niet bevroeden hoe we wellicht zullen veranderen als we ons begeven in een fictionele wereld of ons verdiepen in een filosofische stelling. De grote kroniekschrijver van de slechtvalk, John Baker, een kantoorbediende uit Essex, had geen idee dat hij uiteindelijk de kleur van bloed zou bewonderen omdat hij zich gaandeweg steeds meer identificeerde met zijn bloeddorstige vogels. Studie vereist overgave en de angst daarvoor dient als eerste te worden overwonnen. 

    Houvast

    Ons intellectueel comfort betekent houvast, vertrouwen, rechtvaardiging. Het garandeert de luxe te verkeren met anderen die onze standpunten delen. Iedere confrontatie met de realiteit dreigt dat comfort te verstoren en ons in verwarring of eenzaamheid achter te laten, precies zoals een rit door een verpauperde buurt de schoonheid van je eigen weelderige tuin kan aantasten of een bezoek aan het ziekenhuis kan duidelijk maken dat onze eigen gezondheid een kwestie van toeval is. 

    Dorothy Day richtte ooit de Katholieke Arbeiders-beweging op, opende overal in de Verenigde Staten opvanghuizen en startte een katholiek anti-oorlogsactivisme, waarmee ze protesteerde tegen de atoombom en tegen proeven met nucleaire wapens. Je zou denken dat ze bovenal een activist was. En toch zei ze in een interview met een biograaf iets verrassends: ze wilde in de eerste plaats herinnerd worden als een liefhebber van boeken. 

    Wij zijn van aard dieren met het vermogen waar te nemen en te denken. Toch leven we grotendeels met oogkleppen op

    Day zag zichzelf niet als geleerde. Wel was ze van mening dat haar roeping om haar naasten lief te hebben het gevolg was van gretig lezen. Als jonge vrouw las ze schrijvers met hart voor de armen, zoals Dickens, Dostojevski en Tolstoj en ging ze arbeiders door hun ogen bekijken. Ze las de psalmen en in de gevangenis, waar ze belandde na een protestactie voor vrouwenstemrecht, merkte ze hoe de teksten doorklonken in haar eigen ervaringen en die van de wanhopige mensen die samen met haar vastzaten. Voor Day waren boeken niet zozeer een middel om te ontsnappen aan als wel om in aanraking te komen met de echte wereld die tijdens haar kleinburgerlijke opvoeding voor haar verborgen was gehouden. 

    Wij zijn van aard dieren met het vermogen waar te nemen en te denken. Toch leven we grotendeels met oogkleppen op. Onze eigen behoeften en ambities staan voorop: ik heb pijn, ik heb honger, ik ben moe, ik ben beledigd. Als beeldschermdieren waarin we de laatste twintig jaar zijn geëvolueerd zijn we mondiger: ik denk dit, niet dat; hij heeft gelijk, zij heeft het mis; hij is kwaadaardig, zij bewonderenswaardig; dit vind ik leuk, dat niet; vrolijke smiley, boze smiley, hartje, retweet.

    Manier van kijken

    In ieder boek figureert op z’n minst één ander mens: de schrijver. De schrijver biedt ons een manier van kijken, een ander perspectief, vanaf een hoog of laag standpunt van waaruit we de dingen nog niet hadden bekeken. Soms maakt de auteur ons deelgenoot van de gedachten, wensen en beperkingen van anderen. Op z’n best is lezen meer een uiting van betrokkenheid dan een middel ter verstrooiing. 

    Augustinus zei dat liefde mensen niet kon verbinden als niemand iets van iemand anders leerde. Hij bedoelde, denk ik, dat ons vermogen om lief te hebben en te kiezen groeit doordat we boeken lezen en studeren. Bovendien ontlenen we er een zekere waardigheid aan die uitstijgt boven ons gewone nut als kruidenier, advocaat of schoonmaker. We zien ineens overeenkomsten met anderen waardoor wij hen, en zij ons, niet langer beschouwen als een middel om macht of genot te verkrijgen, maar als medereizigers of medezwoegers in onze poging tot begrip. Net als alle andere gezamenlijke inspanningen schept studie een onderlinge band waarbij onze verschillen eerst wegvallen en vervolgens, voorzien van nieuwe waarde, terugkeren. 

    Wij beleven vandaag de dag een merkwaardig soort paternalisme

    De levensverhalen van gemarginaliseerden en verpauperden getuigen van de kracht om je via studie te verheffen en samenwerkingsverbanden aan te gaan. De onderdrukten hervonden via boeken, toneel, poëzie en astronomie een waardigheid die hun in het gewone leven was ontzegd. In Jonathan Rose’s prachtige boek The Intellectual Life of the British Working Classes zijn een heleboel van zulke getuigenissen bijeengebracht. De zwarte Amerikaanse geleerde en activist W.E.B. Du Bois beschrijft hoe hij bij dode schrijvers als Aristoteles en Balzac een gemeenschap van gelijkgezinden aantrof waarin huidskleur er helemaal niet toe deed. Veel zwarte Amerikaanse leiders en schrijvers doen van hun scholing verslag in soortgelijke bewoordingen. Zij vinden in oude boeken een vrijheid die hun in veel gevallen door hun levende medemens was ontzegd. 

    Wij beleven vandaag de dag een merkwaardig soort paternalisme. We worden niet geacht een goed boek op te pakken en de schrijver als gelijke te bejegenen, maar te zitten aan de voeten van een deskundige die ons vertelt hoe we moeten denken. Zo gaat het ook op het vlak van hulpvaardigheid: we worden niet geacht gewoon onze naaste te bezoeken, hem te leren kennen en naar vermogen te helpen, maar moeten onze bijval betuigen aan initiatieven van bovenaf, vijfpuntenplannen en politiek beleid – stuk voor stuk uitgedacht door mensen aan de top die degenen over wie ze bedisselen niet kennen. Maar ook wijzelf kunnen qua kennis of liefde geen vooruitgang boeken als we niet vanaf gelijke hoogte naar elkaar kijken.

    Eigen waardigheid

    Door serieus te studeren ontdekte Du Bois een gemeenschap van doden en zijn eigen waardigheid. Dorothy Day vond een manier om een gemeenschap van levenden te stichten die een venster op de hele mensheid bood. Terwijl ze in de gevangenis uit de psalmen voorlas, merkte ze hoe ze de pijn van de anderen via het lijden van Christus ervoer. 

    Het mystieke lichaam van Christus, in de wereld van de levenden, is een lijdend lichaam. We zeggen nee tegen serieus lezen, net zoals we het lijden van onze bloedeigen naaste uit de weg gaan omdat we zelf niet willen lijden. Als we bereid zijn de brokstukken van een uiteengevallen wereld op te rapen, moeten we ons harden tegen pijn, angst en onzekerheid. Serieus lezen biedt zowel lessen in uithoudingsvermogen als brandstof om de toekomst opnieuw te verbeelden. Echte verandering is een organisch proces en vereist derhalve geduld. En geduld, zoals Gerard Manley Hopkins zegt, ‘vult zijn brosse raten, / en ’t is vergaard langs de wegen die wij kennen’. 

    Dit is een passage uit het boek van Zena Hitz Lost in thought: The Hidden Pleasures of an Intellectual Life

  • Kritische lezer valt het vaakst voor complottheorieën

    Kritische lezer valt het vaakst voor complottheorieën

    Facebook en andere sociale media lenen zich perfect voor de verspreiding van complottheorieën. De kritische lezer, die manipulatie vreest van gevestigde bronnen, laat zich daarbij het makkelijkst misleiden.

    Dit artikel verscheen eerder in #61.

    Op Facebook verscheen rond de Italiaanse verkiezingen in 2014 een bericht dat zich al snel als een virus verspreidde. De titel luidde: ‘Italiaanse senaat neemt (met 257 stemmen voor en 165 onthoudingen) een wetsvoorstel van senator Cirenga aan om 134 miljard euro beschikbaar te stellen aan politici die na een verkiezingsnederlaag een nieuwe baan moeten zoeken’. 

    Het bericht kwam van een Facebookpagina die bekendstaat om zijn satirische inhoud en waar altijd grappen worden gemaakt over de Italiaanse politiek. Er stonden zeker vier onjuiste beweringen in: de genoemde senator bestaat niet, het totaal aantal stemmen was hoger dan mogelijk in het Italiaanse parlement, het genoemde bedrag was meer dan 10 procent van het Italiaans bnp, en de wet zelf was verzonnen. 

    Maar blijkbaar raakte de grap een snaar bij ontevreden kiezers, die hem in minder dan een maand tijd zo’n 35.000 keer deelden. En daarna gebeurde er iets eigenaardigs. Het bericht werd opnieuw gepubliceerd, nu met commentaar erbij, op een Facebookpagina met politieke opinies. 

    Weer verspreidde het zich, maar dit keer met een vernisje van respectabiliteit. En nu verwijzen demonstranten in heel Italië vaak naar deze ‘wet’ om te laten zien hoe corrupt de Italiaanse politiek wel niet is. 

    Epidemisch verschijnsel 

    Welkom in de duistere wereld van de complottheorie. De epidemische verspreiding van onjuiste informatie via internet is een bekend verschijnsel. Geloof je bijvoorbeeld dat het aidsvirus is gemaakt door de Amerikaanse overheid om de Afro-Amerikaanse bevolking eronder te houden, dan ben je slachtoffer. 

    Complottheorieën lijken te ontstaan wanneer valse berichtgeving de geloofwaardigheidsbarrière weet te doorbreken 

    Een verhaal als dat van de Italiaanse ‘wet’ werpt interessante vragen op. Waar doen mensen onjuiste ideeën op? En hoe komt het dat ze erin gaan geloven? Sinds kort weten we een paar belangrijke antwoorden op deze vragen, dankzij het werk van Walter Quattrociocchi en zijn collega’s aan de universiteit van Boston. Zij hebben onderzocht hoe gewone mensen reageren op berichten op Facebook waarvan bekend is of ze waar zijn of niet. 

    Ze gingen na hoe meer dan een miljoen mensen reageerden op politieke informatie die in de Italiaanse verkiezingstijd van 2013 op Facebook werd gezet. Om precies te zijn keken de onderzoekers hoe deze mensen berichten afkomstig van gevestigde nieuwsmedia, alternatieve nieuwsbronnen en opiniepagina’s ‘liketen’ en becommentarieerden. 

    Daarna brachten ze in kaart hoe dezelfde mensen reageerden op onjuist nieuws dat in roulatie gebracht werd door zogenaamde trollen, op pagina’s waarvan bekend is dat ze satirisch nieuws of anderszins onjuiste bewerkingen brengen.

    De uitkomsten leverden interessant leesvoer op. Quattrociocchi en de zijnen analyseerden hoelang een discussie over een bericht doorging, door de tijd te meten tussen de eerste publicatie en het laatste commentaar daarop. Ze ontdekten dat elke discussie even lang duurde, ongeacht het type inhoud. 

    Wantrouwen 

    Vervolgens keken Quattrociocchi en co of mensen die deelnemen aan dit soort discussies ook meedoen aan discussies over berichten die duidelijk onwaar zijn, zoals die over de verzonnen wet. En ze ontdekten dat sommige mensen meer geneigd zijn in te gaan op onjuiste berichten dan andere. Mensen die vooral reageren op berichten van alternatieve nieuwsbronnen, blijken meer dan anderen geneigd deel te nemen aan een discussie over onwaar nieuws, verspreid door een trol. ‘We zien dat de grootste groep die reageert op de berichten van trollen, de groep is die voornamelijk alternatieve informatiebronnen gebruikt – en die dus meer blootstaat aan twijfelachtige beweringen.’ 

    Ze ontdekten dat elke discussie even lang duurde, ongeacht het type inhoud 

    Dat is een interessante uitkomst. Quattrociocchi en co wijzen erop dat veel mensen zich wenden tot alternatieve nieuwsmedia uit wantrouwen tegenover de conventionele nieuwsbronnen, die in Italië sterk onder invloed staan van politici uit de ene of de andere hoek.
    Maar deze zoektocht naar andere nieuwsbronnen lijkt vol gevaren. 

    ‘Vreemd genoeg zijn mensen die alternatief nieuws tot zich nemen – dus degenen die de “massamanipulatie” van de gevestigde media proberen te omzeilen – het meest ontvankelijk voor de toediening van vals nieuws,’ concluderen zij. 

    Geloofwaardigheidsbarrière 

    Daarmee doemt een interessant mechanisme op: complottheorieën lijken te ontstaan door een proces waarin satirisch commentaar of overduidelijk valse berichtgeving op de een of andere manier de geloofwaardigheidsbarrière weet te doorbreken. En dat lijkt te gebeuren via groepen mensen die zichzelf willens en wetens blootstellen aan alternatieve nieuwsbronnen. 

    Natuurlijk, er zijn waarschijnlijk ook andere manieren waarop complottheorieën opduiken. Het is best mogelijk dat het soms gaat om een waarheid die opzettelijk is achtergehouden door een hogere macht, zoals de overheid, een groot bedrijf, et cetera. Maar dit onderzoek maakt aannemelijk dat er ook een mechanisme bestaat waardoor onware verhalen uiteindelijk voor waar worden aangenomen. 

    De vraag is nu hoe we die kennis kunnen gebruiken om het verspreiden en duiden van informatie, uit welke bron dan ook, te verbeteren. 

  • Dyslectisch 
bij een taal met duizenden karakters

    Dyslectisch 
bij een taal met duizenden karakters

    Er werd gedacht dat Chinese kinderen geen last van dyslexie zouden hebben, omdat zij de visuele vorm, uitspraak en betekenis van een karakter in hun hoofd moeten stampen. Maar het tegendeel is waar.

    In een lokaal van het Weining-centrum, een onderwijsinstelling voor kinderen met dyslexie, pakken diverse leerlingen van een jaar of tien enthousiast kleurenpennen en beginnen aan een reeks Chinese karakters. Het is een van de vele oefeningen om de kinderen van hun dyslexie af te helpen. In het lokaal zijn ze omringd door leeftijdgenoten die met dezelfde stoornis kampen, maar daarbuiten worden ze vaak gezien als slechte leerlingen en ‘stom’ of ‘lui’ genoemd door hun docenten.

    Het is hoog tijd dat de leerbeperking 
in China wordt erkend: volgens een 
in 2016 gepubliceerd rapport van de Chinese Academie van Wetenschappen kampt 11 procent van de basisschoolleerlingen in het land met dyslexie, wat neerkomt op zo’n tien miljoen kinderen. Ondanks dit onthutsende aantal is er op het Chinese vasteland maar weinig begrip en nauwelijks enige steun voor dyslectische leerlingen – het Weining-centrum, gelegen in de zuidelijke techhub Shenzhen, is een van de weinige instellingen die er wat aan doen. In westerse landen is dyslexie een bekend en grondig onderzocht fenomeen, maar op het Chinese platteland is de bekendheid ermee nog altijd gering; zonder steun zullen leerlingen die ermee behept zijn niet mee kunnen op school, met alle gevolgen voor hun toekomst van dien.

    Su Yingzi weet dit maar al te goed. Haar zoon, de elfjarige Xiaogu, is in veel opzichten intelligent en gevat. 
Hij blinkt uit in het ontwerpen van nieuwe games, is een geboren grappenmaker en maakt makkelijk vrienden. Maar het lezen en schrijven van Chinese karakters leek een onoverkomelijke hindernis. Waar sommige van zijn klasgenoten minder dan een halfuur nodig hadden om een paar karakters uit hun hoofd te leren, kon Xiaogu daar uren mee bezig zijn en dan toch nog vergeten hoe hij de woorden moest schrijven. Als er een tentamen was, begreep hij vaak de vragen niet, omdat veel karakters hem gewoonweg niets zeiden.

    Achteraf bezien denkt Su dat haar zoon al op de kleuterschool tekenen van de beperking vertoonde: zijn handschrift was slordig en hij was vaak als laatste klaar met zijn schrijfoefeningen. ‘Maar de docent weet zijn slechte prestaties aan luiheid, en dat geloofde ik ook,’ zegt Su.

    Blanco tentamenblaadjes

    Toen Xiaogu op de basisschool kwam, gaf Su duizenden yuans uit om hem naar een bijlesinstituut te sturen, maar de familie zag weinig verbetering. Su begon haar geduld te verliezen. Ze gaf haar zoon uitbranders vanwege zijn teleurstellende toetsresultaten en bekent dat ze hem sloeg als hij karakters niet goed schreef.

    Xiaogu begreep niet waarom hij zo veel moeite had met iets wat zijn klasgenoten gemakkelijk afging. Zijn afkeer van schoolwerk nam toe. Uiteindelijk gaf hij er helemaal de brui aan en leverde blanco tentamenblaadjes in, hoewel 
hij sommige vragen best had kunnen beantwoorden. Maar voordat Xiaogu naar groep zes ging, kwam er een keerpunt. Een vriendin van Su die maatschappelijk werkster is, opperde dat Xiaogu misschien wel dyslectisch was. Omdat ze nog nooit van de stoornis had gehoord, zocht Su op internet op wat die inhield en liet Xiaogu testen in het Weining-centrum, de eerste ngo op het Chinese vasteland die gespecialiseerd is in dyslexie.

    Mensen met dyslexie hebben problemen met zowel lezen als schrijven. Volgens Tan Lihai, directeur van het Instituut voor Neurowetenschappen in Shenzhen, is de stoornis moeilijker te overwinnen voor kinderen die leren lezen en schrijven in het Chinees, een taal met duizenden karakters. Woorden in alfabetische talen gebruiken een standaardreeks letters en worden net zo geschreven als uitgesproken, maar een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert.

    Sommige karakters lijken hetzelfde maar worden op heel verschillende manieren uitgesproken en gedefinieerd: neem 己 (ji), dat ‘zelf’ betekent, en 已 (yi), dat ‘reeds’ betekent. Om Chinees 
te leren moeten leerlingen de visuele vorm, uitspraak en betekenis van een karakter in hun hoofd stampen.

    Een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert. – © Getty
    Een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert. – © Getty

    Tijdens zijn onderzoek ontdekte Tan dat dyslexie onder Chineessprekenden verband houdt met delen van de hersenen die cruciaal zijn voor visuele perceptie, ruimtelijke relaties en cognitieve vaardigheden – en niet met delen die de conversie van letters in klanken ondersteunen, zoals het geval is bij dyslectische sprekers van alfabetische talen. Het gevolg is dat sommige mensen moeite hebben zich de betekenis van een karakter of zin te herinneren, ook al kunnen ze die herkennen en lezen; sommigen slaan woorden over als ze een zin lezen, anderen halen verschillende onderdelen van een karakter door elkaar en weer anderen schrijven één karakter als twee. Ze doen er vaak veel langer over om taaloefeningen of tentamens te voltooien dan hun klasgenoten – een factor die op de meeste Chinese scholen niet in overweging wordt genomen.

    Toen Xiaogu’s diagnose was gesteld, was Su niet onmiddellijk opgelucht dat ze wist wat er aan de hand was, maar eerder bezorgd over de toekomst die haar zoon wachtte met een beperking die niet door het landelijke onderwijsstelsel wordt erkend. ‘Ik was teleurgesteld toen werd geconstateerd dat hij dyslectisch is,’ zegt Su. ‘Waarom moet dat mijn zoon treffen?’

    Toen gevraagd werd waar de term naar verwijst, dachten sommigen dat het om mensen zonder handen ging. Anderen hadden wel van dyslexie gehoord, maar dachten dat het iets was wat alleen maar voorkwam bij mensen die alfabetische talen gebruiken

    Liang Yueyi, docent op het Weining-centrum, zegt tegen Sixth Tone dat hoewel men zich in de ontwikkelde metropool Shenzhen veel bewuster is van het bestaan van dyslexie dan in de meeste Chinese steden, onderzoek heeft uitgewezen dat meer dan 75 
procent van de inwoners nooit van de stoornis heeft gehoord. Toen gevraagd werd waar de term naar verwijst, dachten sommigen dat het om mensen zonder handen ging. Anderen hadden wel van dyslexie gehoord, maar dachten dat het iets was wat alleen maar voorkwam bij mensen die alfabetische talen gebruiken.

    Decennia lang hebben onderzoekers diezelfde fout gemaakt. In Europa wordt dyslexie al sinds het eind van de negentiende eeuw bestudeerd, maar tot de jaren tachtig van de vorige eeuw dachten deskundigen dat Chineessprekenden er geen last van hadden, en pas in de jaren negentig begonnen Chinese onderzoekers zich ervoor te interesseren.

    De vier genen waarvan wordt aangenomen dat ze dyslexie veroorzaken bij sprekers van alfabetische talen, gelden niet als factoren bij Chinese dyslexie. In plaats daarvan hebben wetenschappers twee andere genen gevonden die ermee in verband kunnen worden gebracht. Maar het Chinese dyslexieonderzoek heeft nog een lange weg te gaan en er is maar weinig financiële steun, zegt Tan.

    De tekens hierboven laten zien hoe dyslectische kinderen Chinese karakters schrijven; ze voegen een lijntje toe of verhaspelen verschillende karakters. – © Sixth Tone
    De tekens hierboven laten zien hoe dyslectische kinderen Chinese karakters schrijven; ze voegen een lijntje toe of verhaspelen verschillende karakters. – © Sixth Tone

    De situatie op het Chinese vasteland 
is anders dan die in Hongkong en Taiwan, waar al wel wetten en regelingen omtrent dyslexie bestaan. Zo wordt in Hongkong de leervaardigheid van leerlingen al in groep 3 getest. Degenen bij wie dyslexie wordt geconstateerd, ontvangen zowel financiële steun als speciale bijstand tijdens het lesprogramma, zoals meer tentamentijd en speciaal opgemaakte tentamenformulieren met grotere karakters. Leerlingen mogen ook computerprogramma’s gebruiken om hun tentamenvragen te kunnen lezen en de hulp inroepen van een aantal particuliere taalklinieken en -organisaties. Sommige leerlingen met dyslexie zijn op topuniversiteiten beland – iets wat voor de meeste ouders van dyslectische kinderen op het vasteland ondenkbaar is.

    Ondertussen is er op het Chinese vasteland geen ondersteunend beleid voor dyslectische kinderen. Ngo’s en sociale toeslagen voor deze leerlingen zijn uiterst schaars, zelfs in welvarende steden met grote onderwijsbudgetten zoals Shanghai. In sommige streken in de provincie Guangdong – in de buurt van Hongkong – is de situatie wat gunstiger, maar zelfs daar zijn er amper tien organisaties die dyslectische kinderen helpen, waarvan de grootste er hooguit een paar honderd bedient.

    Sinds het Weining-centrum in 2010 zijn deuren opende, heeft het geprobeerd het bewustzijn van dyslexie te vergroten en werkt het samen met plaatselijke basisscholen. Wang Lei, de directeur van het centrum, zegt tegen Sixth Tone dat het door het ontbreken van onderwijsbeleid voor dyslectische leerlingen – waaronder een standaardonderzoek om dyslexie vast te stellen – moeilijk is de stoornis door scholen en ouders op het vasteland te laten herkennen. ‘Chinese dyslectici vormen een reusachtige groep die hulp nodig heeft, maar ze zijn onzichtbaar omdat ze in het dagelijks leven normaal lijken,’ zegt Wang. Het aanvragen van meer tentamentijd of speciaal opgemaakte tentamenformulieren zoals in Hongkong zou alleen mogelijk zijn met gericht beleid van de plaatselijk onderwijsafdeling.

    Ook zijn er ouders die sceptisch blijven en weigeren te accepteren dat hun kind met een stoornis is behept. ‘Zelfs als er in ons centrum dyslexie bij hun kinderen wordt geconstateerd, kunnen sommige ouders zich niet voorstellen dat het lezen en schrijven van karakters een probleem zou kunnen zijn,’ zegt Wang, om eraan toe te voegen dat hij vaak naar het beleid in Hongkong verwijst om duidelijk te maken dat Chinese dyslexie wel degelijk bestaat.

    Wang hoopt de samenwerking van het centrum met onderzoekers en scholen verder uit te bouwen en gegevens over de kwestie te helpen verzamelen waarmee toekomstige beleidsaanbevelingen kunnen worden gestaafd.

    Deskundigen zijn het erover eens dat het hoog nodig is mensen bewuster te maken van het bestaan van dyslexie en ondersteunend beleid te ontwikkelen voor degenen die met de stoornis zijn behept – niet alleen omdat het de toekomst van miljoenen kinderen betreft, maar ook omdat de ernst van de stoornis kan toenemen naarmate inkt en papier meer vervangen worden door elektronische programma’s.

    Onderzoekers hebben een negatieve correlatie ontdekt tussen de tijd die leerlingen besteden aan het gebruik van elektronica en de snelheid waarmee de lees- en schrijfvaardigheid zich ontwikkelt

    Onderzoekers hebben een negatieve correlatie ontdekt tussen de tijd die leerlingen besteden aan het gebruik van elektronica en de snelheid waarmee de lees- en schrijfvaardigheid zich ontwikkelt. Tans onderzoek heeft ook uitgewezen dat het gebruik van pinyin – het op het vasteland gebruikte Latijnse transcriptiesysteem voor het Chinees – om tekst in te voeren in plaats van karakters met de hand te schrijven een negatieve invloed heeft gehad op de leesvaardigheid van de leerlingen.

    Een jongetje dat lessen volgt op het Weining-centrum vertelt dat hij daar veel gelukkiger is – zijn docent op de basisschool prees hem nooit en moedigde hem nooit aan, zegt hij, maar voer alleen heftig tegen hem uit als hij slecht presteerde. Cao Wenying, wier elfjarige zoon dyslectisch is, zegt dat docenten in de klas van haar zoon de beste leerlingen stelselmatig op pizza trakteerden, wat tot een hoop frustratie leidde bij degenen die het er minder goed van afbrachten.

    Deze behandeling kan volgens Liang een negatieve invloed hebben op het zelfrespect van leerlingen en tot blijvende psychologische problemen leiden. Ze herinnert zich leerlingen 
die zo gefrustreerd waren geraakt dat ze met hun hoofd tegen de muur bonkten. ‘Dat is voor sommige leerlingen een manier om uiting te geven aan negatieve gevoelens, als ze geen begrip en zorg ontvangen van de mensen om wie ze geven,’ zegt ze.

    De grootste omslag voor Cao’s zoon na het volgen van de lessen op het Weining-centrum was niet dat hij beter presteerde, maar dat zijn houding veranderde. Hij was altijd stilletjes in de klas en had maar weinig vrienden. Toen de diagnose eenmaal was gesteld, was hij niet langer ‘de domoor’ en herwon hij zijn zelfvertrouwen. Ook spoort Cao hem niet langer aan om 
uit te blinken in lezen en schrijven, 
en leest ze nu elke avond zijn lievelingsverhalen met hem. ‘Hij is nu veel gelukkiger en spraakzamer dan vroeger,’ zegt ze.

    Toekomst

    Su en haar familie hebben een soortgelijke ervaring. Hoewel ze aanvankelijk geschokt en teleurgesteld was toen bij Xiaogu dyslexie werd geconstateerd, helpt ze hem nu een halfuur per dag om karakters uit zijn hoofd te leren met behulp van een methode die haar door het Weining-centrum is aangereikt. Su heeft de docent van haar zoon er zelfs toe overgehaald het lesprogramma interactiever en boeiender te maken. Ze zegt dat Xiaogu sindsdien veel actiever meedoet in de klas en dat hij nu gemiddeld scoort bij Chinese tentamens.

    Maar de grootste zorg voor ouders van dyslectische leerlingen is de toekomst van hun kinderen. Velen zijn bang dat hun kind niet zal slagen in het uiterst competitieve en tentamengerichte onderwijssysteem. Su, academisch geschoold en nu werkzaam als architect, ging er altijd van uit dat haar zoon ook naar de universiteit zou gaan. Nu verzoent ze zich met een toekomst waarin haar zoon misschien een heel andere weg zal moeten inslaan. ‘Zelfs 
op beroepsopleidingen in Shenzhen 
kom je niet gemakkelijk binnen,’ zegt ze. Xiaogu’s optimistische instelling en vriendelijke houding zouden zijn redding kunnen zijn, hoopt ze.

    ‘We dachten altijd dat toetsresultaten het belangrijkst waren,’ zegt Su. ‘Maar in hoeverre heeft je toekomst eigenlijk baat bij al die goede antwoorden tijdens een toets? De meeste kennis die we vergaren komt uit het echte leven, niet uit boeken. Nu geloof ik dat hij met zijn persoonlijkheid nog ver kan komen.’

    Auteur: Cai Yiwen
    Vertaler: Peter Bergsma

    Openingsbeeld: © Getty

    Uitgelichte bron

    Sixth Tone
    China | sixthtone.com

    Een typisch Chinese uitvinding wordt het genoemd, deze mediastart-up onder toezicht van de Partij. Met een aantrekkelijke, gelikt vormgegeven website wil het Engelstalige platform Sixth Tone een westers lezerspubliek interesseren voor Chinese kwesties. Want, zo heerst het officiële standpunt, China wordt in de media onterecht te negatief afgeschilderd. Sixth Tone heeft daar het antwoord op gevonden. Maar zoals alle publicaties is ook deze onderworpen aan strikte censuur. Hoe het redacteuren dan toch lukt om westerse lezers naar hun verhalen te lokken, komt volgens de hoofdredactie doordat zij het nieuws ‘vermenselijken’ en de ‘frisse’ kant van China laten zien.

  • De kamer van Nabokov

    De kamer van Nabokov

    Journalist Robert D. Kaplan, wiens nieuwe boek begin maart verschijnt, is een verwoed lezer. Welke boeken zou hij meenemen naar een kamer waar hij de rest van zijn leven zou wonen?

    Ik heb veel te veel boeken. Maar ik kan ze niet wegdoen omdat er aantekeningen in staan die 
ik nog wil gebruiken. Toch is het opruimen van boekenkasten een taak die je moet verrichten voordat de ouderdom echt toeslaat. Eén boek betekent vrijheid; te veel boeken staan nieuwe ontdekkingen in de weg. Als je bij alles wat je ziet of hoort een citaat paraat hebt, sta je niet meer open voor wat nieuw en anders is.

    Gebonden boeken zijn voor een gevestigd bestaan. 
Ik heb relatief weinig hardcovers en nog minder eerste drukken. Geen bibliofiel zal onder de indruk zijn. Mijn bibliotheek bestaat grotendeels uit groezelige paperbacks vol aantekeningen die ik in de loop der jaren heb gemaakt. Toch zijn al mijn boeken me dierbaar. Als je weinig geld hebt, koester je de boeken die je hebt en koop je alleen wat je echt graag wilt hebben.

    ‘Boeken die ik lang geleden aanschafte zijn net als oude vrienden die je uit het oog verloren bent: ze waren misschien niet perfect, maar ze zitten voor altijd in je geheugen’

    Ik was al drieënvijftig toen ik mijn eerste fulltimebaan kreeg. Daarna volgden de banen elkaar op en soms had ik er zelfs meerdere tegelijk. Ik was dus pas vrij laat in mijn leven in de gelegenheid om veel boeken te kopen, en die gingen toen elk afzonderlijk steeds minder voor me betekenen. Het meest gehecht ben ik aan de boeken die ik tientallen jaren geleden kocht. Daarmee is het net als met oude vrienden die je uit het oog verloren bent: ze waren misschien niet perfect, maar ze zitten voor altijd in je geheugen.

    Er is evenwel nog een tweede overeenkomst tussen herinneringen en spullen, namelijk dat het oude en dierbare door het nieuwe wordt overwoekerd. De icoon die ik ooit van een Roemeense kunstenaar kreeg en vroeger zo’n prominente plaats innam, staat nu half verscholen achter een boek over de Balkan en een Cambodjaans beeldje en achter dat beeldje staat ook nog een print die ik haast een leven geleden in een museum in Lahore kocht. Ik moet dat alles echt opruimen. Kijk uit voor het narcisme van de verzamelaar!

    Maar het valt me zwaar. Een goede pocket naast het bed en zelfs de goedkoopste hotelkamer krijgt beschaving. Nadat zijn bibliotheek in 1931 door een menigte in brand was gestoken, schreef de Britse gouverneur van Cyprus, sir Ronald Storrs: ‘Als je gedachten vaak en langdurig bij ze hebben verwijld, kunnen ook dingen die gewoonlijk als levenloos worden beschouwd, bijna net zo veel voor je gaan betekenen als geliefde wezens die altijd in je gedachten blijven. Als ik mijn ogen sluit, kan ik nog elk boek op zijn plaats zien staan…’ Het citaat komt uit een van de weinige eerste drukken die ik wel bezit.

    Geen levenloos voorwerp is zo sensueel als een boek. In mijn handen heb ik The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825 van C.R. Boxer, verschenen in 1969 en een van de heilige teksten van iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Portugal. Ik bekijk de omslag van mijn pocketuitgave van Hutchinson uit 1977. Op de bovenste helft staan smaakvolle zwarte letters op een witte achtergrond en op de onderste helft is een landkaart afgedrukt met eroverheen een schilderij van een karveel op een woelige turquoise zee. De pocket voelt aan als een middeleeuwse vaas.

    Tientallen jaren had ik de gewoonte om telkens als ik aan een nieuw project begon, een mooie studie over het onderwerp te kopen. The White Nile (1960) en The Blue Nile (1962) van Alan Moorehead voor mijn boek over de Hoorn van Afrika. The Pathans (1958) van Olaf Caroe, in een uitgave van Oxford University Press / Karachi voor mijn boek over Afghanistan. Een eerste druk van John Reeds The War in Eastern Europe (1916), een zeldzame uitspatting, voor mijn boek over de Balkan. The Opium Clippers (1933) van Basil Lubbock, een exemplaar van de oorspronkelijke editie van Charles E. Luriat Company, een andere uitspatting, voor mijn boek over de Indische Oceaan. Enzovoorts. Aan boeken die jarenlang met een bepaald doel worden bewaard, kleven niet alleen herinneringen (dat spreekt voor zich), maar ze onthullen ook iets over de echte waarden van de eigenaar. Je bibliotheek kan namelijk iets heel anders over je zeggen dan je zelf denkt.

    Boeken hebben bovendien nog beter dan foto’s het vermogen om de plaats waar je ze gelezen hebt, tevoorschijn te toveren. Zo voel ik bij De Buddenbrooks weer de sfeer van Praag in de winter van 1981. Door de Koude Oorlog was de stad in stilte gedompeld en waren er zo weinig mensen op straat dat de standbeelden en waterspuwers op de pleinen nog mooier waren dan ze toch al zijn. Ik weet nog dat ik na een interview met een communistische functionaris en met een geheim agent op mijn hielen terugliep naar mijn hotelkamer, en daar las over het huisje aan de Mecklenburgse kust waar de geur van koffie hangt en Tony Buddenbrook warme gevoelens krijgt voor een student medicijnen, een romance die vanwege familieverplichtingen bij een zomerliefde blijft. Bij het boek Vaders en zonen zie ik weer het dichte bos 
in Roemenië voor me waar ik in de zomer van 1973 wegens noodweer twee dagen in mijn eentje vastzat in een lodge. De duistere strekking van Toergenjevs pastorale vertelling over het negentiende-eeuwse Rusland is zo modern dat ik me er wel alleen, maar niet eenzaam voelde.

    Een verhaal van Nabokov

    Jonge mensen kunnen in het heden leven. Dat is een gevoel dat ouderen, die niet meer zo onbezorgd in het leven staan, dolgraag terug willen krijgen. Het lezen van een boek is een daad van verzet, niet alleen tegen de afleidingen van het elektronische tijdperk, maar ook tegen eigen zorgen en het gevoel dat je iets moet. Het doel is niet succes, maar opgaan in het nu. Je wilt weer net als vroeger urenlang helemaal verdwijnen in dat verhaal van Toergenjev. Hij liet me een door passie totaal verkild hart zien, waardoor ik voor het eerst begreep dat ideologie, hoe abstract de redeneringen ook zijn, uiteindelijk op shakespeareaanse diepten berust.

    Met paperbacks is het als met de grammofoonplaten van vroeger. Nieuw zijn ze glanzend en mooi, maar op den duur kunnen ze op de oude rommel op zolders gaan lijken. Het stoffige, vergeelde papier past niet meer in deze glasheldere tijd. Weg met die troep, zeg ik tegen mezelf. Houd alleen de boeken waar je het meest om geeft. Decimeer je bibliotheek. Breng 
je verzameling terug tot de essentie.
    Er is een kort verhaal van Nabokov, getiteld ‘Wolk, burcht, meer’. De hoofdpersoon kan niet meer tegen zijn drukke reisgenoten, die van hem eisen dat hij zich aanpast. Maar dat kan hij niet en hij wil aan hen – of eigenlijk aan de wereld – ontsnappen. Hij komt bij een herberg. ‘Boven was een kamer voor reizigers. “Weet u, ik neem hem voor de rest van mijn leven,”’ zei hij tegen de herbergier. Het was een ‘heel gewone’ kamer. Maar ‘uit het raam kon je duidelijk het meer met zijn wolk en zijn burcht zien, in een roerloos en volmaakt samengaan van geluk’. In ‘één stralende seconde besefte hij dat daar, in die kleine kamer met dat prachtige uitzicht waarvan de tranen je in de ogen kwamen, het leven zou zijn zoals hij het zich altijd gewenst had’. Hij hoefde nu alleen nog maar ‘de weinige bezittingen die hij had’, waaronder een paar boeken, naar deze kamer zien te krijgen.

    Welke boeken – één plank vol op zijn hoogst, een stuk of vijfentwintig dus – zou ik meenemen naar zo’n kamer waarin ik de rest van mijn leven zou wonen? Het moeten boeken zijn die heel veel voor me betekenen. Ze moeten me veranderd hebben of een beslissende invloed op mijn leven hebben gehad, en dat niet per se ten goede, want zonder problemen en zelfs onaangenaamheden kun je een leven geen leven noemen.

    Ik weet welke boeken ik zou kiezen. In de volgende alinea’s beschrijf ik er slechts eentje.

    Ik pak een oude pocket van een plank. Het is The Governments of Communist East Europe van H. Gordon Skilling in een uitgave van 1971; het boek verscheen voor het eerst in 1966. Ik bekijk het met genegenheid. 
De omslag is even saai en academisch als de titel: helemaal grijs, met bruine letters en zonder foto. Dit is een werk waarbij schoonheid en literaire talenten geen rol spelen. Anders dan de studie over het Portugese wereldrijk is het geen mooi boek. En toch is het een van de boeken die ik zou meenemen naar de fictieve kamer van Nabokov.

    Aan het eind van de zomer van 1981 liep ik door King George Street in Jeruzalem. Het zonlicht was schel aan mijn ogen. Moe, zweterig en met een lichte hoofdpijn liep ik doelloos door, totdat ik een boekwinkel zag op ongeveer dezelfde hoogte van het 
aan een parallelstraat gelegen King David Hotel. 
Het was een stoffig winkeltje met kasten van grijs metaal. Er was geen stoel of kruk en de boeken stonden ongeordend door elkaar. Zoals ik zomaar wat door de stad dwaalde, zo had ook mijn leven op dat moment geen doel.

    Een paar weken later zou ik uit het Israëlische leger (IDF) ontslagen worden en ik wist nog niet wat ik daarna zou doen. Ik was 29 jaar. Ik had geen collegeopleiding die een goed opstapje was naar de wereld van de journalistiek. Ik was freelanceverslaggever in Arabische landen en Israël geweest en had ook veel gelezen en gereisd, maar gepubliceerd had ik nog maar weinig. In de paar jaar dat ik in Israël woonde, was ik behalve door het land zelf gefascineerd geraakt door het ‘Heilige Land’ en al zijn godsdiensten. Zo had ik een passie opgevat voor alle soorten religieuze gebouwen, van de synagoges en Griekse kloosters in de woestijn van Judea tot de middeleeuwse islamitische monumenten. Vanuit die interesse had ik ook een aantal geïllustreerde boeken over archeologie en het orthodoxe christendom geschreven, onder eigen naam of als ghostwriter. Ze waren door Israëlische uitgeverijen gepubliceerd, maar verkochten amper. In feite was ik dus werkloos. Bovendien vond ik het leven in Jeruzalem verstikkend. Ik wilde weer reizen.

    Puur toeval

    Het was puur toeval dat ik op dat moment stuitte op The Governments of Communist East Europe, maar dat ik het meteen van de plank pakte toen mijn oog erop viel, was niet toevallig. De schrijver, de Canadees H. Gordon Skilling, was een vrij bekende Oost-Europadeskundige en zette zich in de jaren van de Koude Oorlog vanuit Toronto, waar hij aan de universiteit doceerde, in voor anticommunistische dissidenten. Hij was vooral geïnteresseerd in het toenmalige Tsjechoslowakije en had ook een boek over de twintigste-eeuwse geschiedenis van dat land geschreven. Maar dat alles wist ik toen nog niet. Voor mij was hij nog louter een naam op een saai ogend en goedkoop boek. Ik besloot er een blik in te werpen omdat het een herinnering bij me opriep.

    In de zomer van 1971 had ik een paar dagen met de trein door Joegoslavië gereisd. Dat korte bezoekje was me zo goed bevallen dat ik na mijn afstuderen – in de zomer van 1973 – een trektocht van drie maanden door communistisch Europa maakte. Ik begon in Oost-Duitsland, ging naar Polen en Tsjechoslowakije en trok vandaar in zuidoostelijke richting naar Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Ik logeerde in jeugdherbergen of thuis bij mensen die ik onderweg tegenkwam. Het was midden in de Koude Oorlog en in de westerse media werden al deze landen op één hoop gegooid als ‘satellietstaten van Moskou’. Maar zodra ik vanuit Oost-Berlijn in Warschau aankwam, begonnen de verschillen me op te vallen. Zo heerste er in Polen een veel vrijere sfeer dan in Oost-Duitsland, dat aanvoelde als een gevangenis. Hongarije leek op Polen in die zin dat je overal vrolijke jongeren zag, met wie je ook gemakkelijk contact kon maken. Buurland Roemenië daarentegen was niet alleen veel armer, maar ook zo gesloten dat een westerse bezoeker als ik er met niemand vriendschap kon sluiten. 
In Bulgarije ten slotte was de situatie weer anders. Op het platteland daar kreeg ik het gevoel alsof ik niet meer in Europa was: het was er precies zoals ik me toen het Midden-Oosten voorstelde.

    De reis in 1973 leverde qua werk niets op. Pogingen om reportages gepubliceerd te krijgen mislukten door mijn gebreken als schrijver en wellicht ook doordat er niet veel belangstelling was voor een regio waar in die tijd weinig nieuws gebeurde. Na terugkomst in de VS vond ik een baan bij een kleine krant en spaarde genoeg geld om weer te gaan reizen, ditmaal door de Arabische wereld. Die reis eindigde in Israël, zonder dat ik wist wat ik er wilde gaan doen. Ik vreesde dat mijn leven volledig de mist in zou gaan. Al leunend tegen de metalen kast in de stoffige boekwinkel begon ik Skillings boek te lezen. Op pagina vijf begreep ik plots dat de reputatie van het Westen in Oost-Europa al voor de Tweede Wereldoorlog een knauw had gekregen door de Brits-Franse appeasementpolitiek. Een groot deel van de jaren dertig werden niet de westerse landen, maar de communisten als de grote tegenstanders van de nazi’s gezien. Het verlies van Oost-Europa aan Stalin had dus zijn wortels in Chamberlains pact met Hitler in München in 1938.

    Op pagina zeven realiseerde ik me dat de Sovjet-Unie Oost-Europa deels zo makkelijk had kunnen veroveren en behouden doordat de landen daar onderling verdeeld waren. Acht jaar eerder waren de verschillen tussen de satellietstaten me al opgevallen. Omdat ik moe werd van het staande lezen, kocht ik het boek en vertrok naar mijn loft in Musrara, een buurt niet ver van de Oude Stad.

    De dagen daarop legde Skilling voor mij een wereld bloot van nationale conflicten, interne politieke problemen en tal van bevolkingsgroepen die allemaal hun eigen, afgebakende gebied hadden. Maar al die gebieden waren eenvoudig te penetreren door grootmachten, of het nu ging om het oude Habsburgse keizerrijk of de latere Sovjet-Unie. ‘Via de Donauvlakte waren volkeren van elders en invasielegers gekomen. (…) Meer dan een dozijn nationaliteiten vormen er een etnisch mozaïek dat net zo gevarieerd is als de geografie. (…) Hoewel de meeste Slaven uit Azië kwamen, leidde de culturele verwantschap niet tot politieke eenheid. Conflicten tussen Slaven onderling en tussen hen en anderen hingen samen met verschillen in geloof en in ervaringen met bezettingen.’ Dit is de transcriptie van de stenografische notities die ik destijds achter in het toen al tien jaar oude boek maakte. ‘Doordat de orthodoxe kerken per land zelfstandig waren en er bovendien de verdeeldheid tussen katholiek en protestant was, bracht de godsdienst geen eenheid.’

    Verder was er natuurlijk nog de kloof tussen katholiek en orthodox, die zo oud is als het geschil tussen Rome en Byzantium. Bij het woord ‘orthodox’ in het boek van Skilling moest ik denken aan de Griekse kloosters in de woestijn van Judea die ik vaak had bezocht. Betoverende, naar muskus ruikende gebouwen vol iconen en fresco’s die met eitempera zijn geschilderd. De kloosters zijn ommuurd en liggen in een geblakerd, zinkkleurig landschap.

    Het boek maakte een buitenlandcorrespondent van me

    In het interbellum had de democratie in de Oost-Europese landen niet echt wortel geschoten, zo schreef Skilling verderop in zijn boek. Daarna had 
de Tweede Wereldoorlog onder de volkeren in 
deze contreien winnaars en verliezers gecreëerd 
en in 1945 was de geschiedenis in feite bevroren. Ondertussen waren Roemenië en Albanië nog sterk agrarisch, een opmerking die me trof omdat ik nu beter begreep waar het verschil tussen Roemenië 
en Hongarije vandaan kwam dat me in 1973 zo had geschokt. Minutenlang bestudeerde ik de etnische kaart op pagina dertien. Die kaart was heel anders dan de kaarten uit de Koude Oorlog die ik vagelijk kende.

    Nauwelijks gecovered

    Net als belangrijke inzichten kan ook een plan in een fractie van een seconde bij je opkomen. Het enige land van het Warschaupact waarmee Israël diplomatieke betrekkingen had, was Roemenië en nog belangrijker voor mijn doel was dat het een directe vliegverbinding had met Boekarest. Ik besloot dat ik de dag na mijn ontslag uit het Israëlische leger naar Roemenië zou vliegen voor een nieuwe reis door Oost-Europa.

    Ik had wat geld gespaard van mijn verdiensten als ghostwriter. Ditmaal zou ik het goed aanpakken, zo hield ik mezelf voor. Met Skillings boek als gids zou ik me helemaal richten op de verkoop van artikelen aan dagbladen om zo een basis voor de toekomst te leggen. In 1981 was de journalistieke belangstelling voor Oost-Europa, en zeker voor de Balkan, buitengewoon klein. Skilling onderscheidde drie subregio’s in Oost-Europa: de Noord-Europese laagvlakte, de Donauvlakte en ‘het ruige en bergachtige Balkanschiereiland’. Met deze laatste subregio gaf hij aandacht aan een gebied (en zelfs een woord) dat tientallen jaren uit het nieuws verdwenen was. Op de publiciteitsschaal lag ‘de Balkan’ eertijds precies aan de andere kant ten opzichte van Israël en het Midden-Oosten. Werden de persconferenties in Jeruzalem druk bezocht door journalisten die allemaal achter hetzelfde verhaal aanjoegen, de in Europa zelf gelegen Balkan werd amper gecoverd. En dat terwijl de regio in historisch en cultureel opzicht niet minder interessant was dan het land waar ik op dat moment woonde.

    Ik zou de opmerking aan het eind van Skillings boek, dat alle door hem behandelde landen nog steeds ‘hun eigen kenmerken hebben’ – en het communisme op hun eigen manier praktiseerden – tot het thema van mijn verhalen maken, besloot ik. Oog hebben voor de verschillen tussen mensen en landen is even belangrijk als het zien van de overeenkomsten. Alleen als je beide ziet, doe je de mens recht.

    Ik begon in kranten te zoeken naar berichten over Oost-Europa en met name over de Balkan, en bestudeerde microfilms op het persarchief van de bibliotheek van het Amerikaanse Informatiecentrum in West-Jeruzalem. Al snel zag ik een patroon. De in Warschau of Wenen gevestigde correspondenten van de grote dagbladen gingen zo ongeveer eens per jaar naar het zuidelijke deel van Oost-Europa om afwisselend een verhaal over Joegoslavië, Roemenië of een ander land daar te maken. Ook ontdekte ik dat verscheidene kranten meldden dat de Roemeense munt nog maar zo weinig waard was dat de bevolking Kent-sigaretten als betaalmiddel gebruikte. Hoe interessant ook, ik vond het toch vreemd dat alle correspondenten met hetzelfde verhaal kwamen. Er moest toch iets meer uit Roemenië te melden zijn.

    Ten slotte trok een bericht van een persbureau dat ergens weggestopt in de Jerusalem Post stond mijn aandacht. De correspondent in Belgrado meldde dat in heel Oost-Europa zo af en toe de elektriciteit uitviel. De vermoedelijke oorzaak was dat de Sovjet-Unie bezuinigde op de brandstofsubsidie aan de Oost-Europese landen. Indertijd kon ik dat uiteraard niet weten, maar dit feit markeerde het begin van tien jaar economische teruggang die mede de oorzaak was van de latere onrust die het communisme fataal werd. In oktober 1981 ontdekte ik ergens binnen in een krant nog een ander berichtje uit Belgrado van een persbureau. In de Zuid-Joegoslavische provincie Kosovo waren opstootjes geweest van etnische Albanezen. Bij mijn vertrek uit Israël had ik circa tien van dit soort berichten verzameld.

    Op de dag van mijn ontslag uit het leger leverde ik mijn uniform en plunjezak in bij bakum, de legerbasis even buiten Tel Aviv, waar de diensttijd van alle Israëlische soldaten begint en eindigt. Vervolgens diende ik het verzoek in voor een reis naar het buitenland, een regel voor reservesoldaten die oproepbaar moeten zijn. De jonge vrouw in uniform vroeg waar ik heen wilde. Op mijn antwoord reageerde ze wat verbaasd. Roemenië was lid van het Warschaupact, dat nauwe banden had met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie en radicale Arabische landen. ‘Daar gaan niet veel Israëli’s naartoe,’ zei ze. ‘Waarom? En dat nog wel aan het begin van de winter?’ Ik zei dat ik christelijk-orthodoxe kloosters wilde bezoeken, een onderwerp waarover ik boeken geschreven had. ‘Bel het ministerie van Buitenlandse Zaken in Jeruzalem voor het adres en telefoonnummer van de Israëlische ambassade in Roemenië, voor het geval u daar veiligheidsproblemen krijgt,’ zei ze met een toonloze stem terwijl ze me mijn reisvergunning gaf. De vergunning was alleen voor Roemenië, zo vervolgde ze. Van de IDF had ik geen toestemming voor een reis naar andere Oost-Europese landen, waar Israël geen ambassades had. Ik accepteerde de voorwaarden wetende dat ik me er toch niet aan zou houden. Hoe gering de inmenging ook was, op dat moment wist ik dat ik misschien niet naar Israël zou terugkeren.

    Zodra ik de volgende ochtend aan boord van het El Al-toestel naar Boekarest was gegaan, legde ik mijn Israëlische paspoort helemaal onder in mijn tas. Na aankomst liet ik mijn Amerikaanse paspoort zien en gooide ik mijn retourticket weg. En toen ik later bij de ambassades van andere communistische landen in Boekarest visa aanvroeg, gebruikte ik weer mijn Amerikaanse paspoort. Dankzij Skillings boek had ik nu een roeping en een doel. Wie historische boeken leest, leert iets over de omstandigheden waarin hij of zij is opgegroeid. Doordat ik in het Europa van de Koude Oorlog dook – in de negen jaar hierop zou ik Oost-Europa meermaals bezoeken – heb ik veel geleerd over mijn eigen tijd. Dat boek maakte een buitenlandcorrespondent van me, zonder dat iemand me had ingehuurd.

    Auteur: Robert Kaplan
    Vertaler: Margreet de Boer

    Robert D. Kaplan is al 
25 jaar correspondent van The Atlantic. Hij schreef veertien boeken over buitenlandse politiek 
en reizen, waaronder Moesson en Balkanschimmen. Zijn nieuwe boek, Duister Europa, verschijnt op 3 maart bij Unieboek | Het Spectrum. Kaplan spreekt op 15 maart in De Balie in Amsterdam.

  • 1. ‘Verplicht al mijn boeken lezen’

    1. ‘Verplicht al mijn boeken lezen’

    Umberto Eco zou het onderwijs verbeteren, ‘circulerende kennis’ verplicht stellen en alle mensen dwingen zijn boeken te lezen, zodat ze even intelligent worden als hij.

    Ik kan alleen maar een polemisch antwoord geven op de vraag wat ik zou doen als ik het voor het zeggen had in de wereld, want er bestaat geen enkele kans dat het ooit zover komt. Met het ouder worden heb ik een hekel gekregen aan de mensheid, dus als ik de absolute macht had, zou ik die mens‑heid voort laten gaan op haar weg naar zelfvernietiging – ze zou vernietigd worden en dan zou ik me prettiger voelen.

    Mensen zoals ik, wij zijn intellectuelen – we doen ons werk, we schrijven artikelen, we hebben manieren om te protesteren, maar we kunnen de wereld niet veranderen. Het enige wat we kunnen doen is onze steun uitspreken voor de politiek van het meegevoel. Angela Merkel heeft een positief gebaar gemaakt toen ze de Duitse bevolking opriep om Syrische vluchtelingen op te nemen. Ze heeft het beeld van de Duitsers overal ter wereld veranderd – zij worden niet langer gezien als de SS van Adolf Hitler. Dat kan een politicus doen.

    Er is geen kwaliteitscontrole, 
dat is een enorm 
probleem

    Jonge mensen moet geleerd worden om de informatie die ze via internet krijgen te filteren en er vraagtekens bij te plaatsen, in plaats van alles zomaar voor waar aan te nemen. Dat is een moeilijke taak. Ik gebruik Wikipedia en ik weet dat ik de informatie daarvan in 99 procent van de gevallen kan vertrouwen, maar op mijn eigen pagina hebben mensen beweerd dat ik de oudste van dertien kinderen ben en dat ik getrouwd ben met de dochter van mijn uitgever. Dat is allebei niet waar. Dus zelfs dat kan onderhevig zijn aan manipulatie. Een van mijn kleinzoons is vijftien jaar en zegt dat veel vrienden van hem 
geloven in de complottheorieën die ze op internet lezen. Er is geen kwaliteitscontrole, dat is een enorm probleem.

    Elke overheid zou moeten streven naar verbetering van het onderwijs. Voor de Eerste Wereldoorlog volgde maar zo’n 20 procent van de mensen in Italië een lagereschoolopleiding. Vandaag de dag zijn de universiteiten het probleem – het risico dat we de toelatingseisen verlagen om meer mensen toegang tot de universiteit te geven, maar daarmee ook de kwaliteit verminderen. Dat is onlangs in Italië gebeurd en het is een tragedie geworden. Nu zijn de eerste drie jaar van de universiteit te gemakkelijk – studenten hoeven geen boeken van meer dan honderd pagina’s te lezen. De machthebbers moeten begrijpen dat je uitdagingen nodig hebt om 
volwassen te worden. Toen ik aan de universiteit studeerde las ik duizenden pagina’s, en ik ben er niet aan onderdoor gegaan!

    Encyclios

    Het onderwijzen van talen is het enige wat ik op scholen verplicht zou stellen. Als het concept Europa bestaat, dan is het gebaseerd op de wederzijdse kennis van elkaars taal. In twee van de grootste Europese landen, Engeland en Frankrijk, schijnt de meerderheid van de bevolking alleen de eigen taal te spreken. Nog niet eens zo lang geleden kregen mensen in Engeland gedegen onderwijs in Latijn. Er bestaat een verhaal over een Engelse generaal die in de negentiende eeuw tijdens een opstand werd uitgezonden naar de Indiase provincie Sindh. Bij wijze van grap stuurde hij een telegram waarin stond ‘Peccavi’, wat in het Engels betekent ‘I have sinned’. Het mooie was niet dat hij grapjes kon maken in het Latijn, maar dat zijn collega’s in Londen het begrepen. Mijn kleinzoon heeft de afgelopen twee jaar Grieks geleerd; hij kan misschien nog niet Homerus in de originele taal lezen, maar hij heeft wel kennis opgedaan over de Griekse beschaving. Dat hoort bij wat vroeger encyclios werd genoemd, oftewel circulerende kennis, en daar komt het woord ‘encyclopedie’ vandaan.

    Mensen zijn religieuze dieren. Honden zijn niet religieus. Ze blaffen wel tegen de maan, maar dat is niet vanuit religieus gevoel. Mensen hebben de neiging naar de reden voor hun situatie te zoeken. Er bestaat een mooie zin, die is toegeschreven aan G.K. Chesterton: ‘Als mensen niet meer in God geloven, geloven ze niet nergens in, maar geloven ze in alles.’ De baas over de wereld kan de religie niet uitbannen. Je kunt atheïst zijn of niet-gelovige, maar je moet er‑kennen dat de overgrote meerderheid van de mensen een of andere religieuze overtuiging nodig heeft.

    Karl Marx noemde religie opium voor het volk – iets wat mensen rustig houdt. Maar het kan ook cocaïne voor het volk zijn. Religie heeft een dubbele functie – ze beantwoordt bepaalde fundamentele vragen en zet soms aan tot strijd tegen niet-gelovigen. Het is een eigenschap die bij mensen hoort, net zoals mensen de enige soort zijn die kan liefhebben.

    Tot slot, als ik de baas over de wereld was, zou ik mensen willen verplichten om al mijn boeken te lezen, zodat ze even intelligent worden als ik en niet geloven dat we een baas over de wereld nodig hebben.

    Auteur: Umberto Eco
    Vertaler: Annemie de Vries

    Umberto Eco is auteur, essayist, filosoof, literatuurrecensent en semioticus. 
Zijn meest recente boek Numero Zero verscheen in Nederland als Het nulnummer bij uitgeverij Prometheus.