Tag: liefdadigheid

  • Een Hollywoodmythe ontrafeld: Tijdens crises neigt men naar altruïsme

    Een Hollywoodmythe ontrafeld: Tijdens crises neigt men naar altruïsme

    Er heerst een sentiment dat de vernislaag van beschaafdheid snel verdwijnt in tijden van crisis, maar niets blijkt minder waar. Rampen halen juist het goede in de mens naar boven.

    Een vliegtuig boort zich in een van de hoogste torens ter wereld. Een ongekende noodsituatie, medewerkers van talloze verdiepingen moeten een voor een via de trap het gebouw verlaten. Hoe zou een dergelijke scène worden uitgebeeld in een Hollywood-film? Krijsende, duwende, egoïstische mensen die anderen vertrappen om zichzelf in veiligheid te brengen. Hoe ging het op 11 september 2001 in New York? In het hele gebouw werd de kalmte behouden die nodig was om vrijwel iedereen er levend uit te krijgen. De mensen die werden geëvacueerd hielpen anderen, droegen gewonde collega’s of leidden onbekenden door donkere trappenhuizen. Bij de ene na de andere ramp blijkt dit de norm: extreem egoïsme komt niet voor, de getroffenen tonen zich eerder menslievend, om niet te zeggen heldhaftig, ten aanzien van onbekenden. In crisissituaties, zoals de massale stroomuitval op het Iberische schiereiland van vorige week, gaan mensen niet met een honkbalknuppel hun buren te lijf. Ze zullen hun eerder een pakje batterijen geven, zelfs als ze tot dan toe nooit een woord met elkaar hebben gewisseld. Waarom blijven we dan toch geloven dat onze natuurlijke reactie hieraan tegenovergesteld is?

    ‘Rampenfilms en de media blijven de gemiddelde mens afschilderen als hysterisch of meedogenloos in het geval van een ramp. We hechten meer geloof aan de stemmen die ons afschilderen als slachtoffers of bruten dan aan onze eigen ervaringen,’ vat schrijver Rebecca Solnit het samen in haar essay ‘A Paradise Built in Hell’, waarin ze alle positieve reacties op een rij zet die we hebben gezien bij mensen die werden geconfronteerd met een ramp. Ons recente geheugen wordt bevolkt door apocalyptische angstbeelden en werkelijke rampen: de overstromingen in Valencia, de wereldwijde computerstoring, de coronalockdown… In al die gevallen waren we getuige van daden van solidariteit, zoals die op 28 oktober. Een Spaans centrum voor sociologisch onderzoek (het CIS) heeft dit vertaald in een statistiek: 88,2 procent van de Spanjaarden heeft mensen gezien die zich goed of heel goed gedroegen; slechts 5,3 procent meldde dat mensen zich gemiddeld, slecht of heel slecht gedroegen.

    ‘We hechten meer geloof aan de stemmen die ons afschilderen als slachtoffers of bruten dan aan onze eigen ervaringen’

    ‘De realiteit laat zien dat mensen zodra een crisis ontstaat de neiging hebben om elkaar te helpen; er ontstaat solidariteit. Dat helpt ons om weer controle te krijgen en om te bevatten wat er is gebeurd, en ook om de emoties van die ervaring te verwerken,’ legt psycholoog Lidia Rupérez uit, gespecialiseerd in noodsituaties. En dat is niet alleen omdat de Spanjaarden zo vriendelijk zijn; het zit in de aard van de mens.

    ‘Het probleem met de paniekmythe is dat die uitgaat van een overreactie op een noodsituatie. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat bij noodsituaties mensen eerder juist om het leven komen door onderreactie,’ aldus Stephen Reicher, hoogleraar sociale psychologie aan de University of St. Andrews in Schotland en gespecialiseerd in collectief gedrag. Hij houdt zich al tientallen jaren bezig met dit fenomeen en is nog altijd gefascineerd door de hardnekkigheid van het misverstand, dat door specialisten ‘de rampmythe’ wordt genoemd; een mythe die de solidariteit versluiert die we juist als waardevolle kwaliteit moeten omarmen. 

    Na de aanslagen in Oklahoma City in 1995, in Madrid in 2004 en in Londen in 2005, toen de eerste schok en de angst de overhand hadden en er nog werd gewacht op de hulpdiensten, vervaardigden omstanders geïmproviseerde brancards en legden ze tourniquets aan bij onbekenden. De zogeheten zero responders bij deze en vergelijkbare tragedies zijn vaak andere slachtoffers of volstrekt altruïstische onbekenden: dit is een wereldwijd fenomeen met lokale wortels. ‘Talloze eerdere onderzoeken en rampen die zich hebben voorgedaan in Spanje, zoals de bomaanslagen in Madrid of de vulkaanuitbarsting op La Palma, hebben ons geleerd dat samenwerking de menselijke norm is. In Spanje is de sociale cohesie heel sterk,’ aldus socioloog Celia Díaz van de Complutense University in Madrid.

    ‘Gedeelde identiteit ontstaat uit een gevoel van een gedeeld lot, het gevoel dat we allemaal hetzelfde meemaken’

    ‘Gedeelde identiteit ontstaat uit een gevoel van een gedeeld lot, het gevoel dat we allemaal hetzelfde meemaken. De grootste uitdaging is om dat gevoel over een langere periode vast te houden,’ zegt Reicher. Een gevoel van verbondenheid werkt wederzijdse hulp in de hand, spontane coördinatie en vertrouwen in de ander. Dit principe wordt beschreven in de sociale psychologie en is evolutionair gezien al heel vroeg ontstaan: we zorgen voor anderen die dat nodig hebben omdat we niet zonder elkaar kunnen overleven.

    Paleontologen hebben niet ver van Xàtiva, in Valencia, de overblijfselen gevonden van Tina, een Neanderthalermeisje met het syndroom van Down. Honderdduizenden jaren geleden hebben deze vroegste verwanten van de homo sapiens, onder de zwaarst denkbare omstandigheden, voor dat meisje gezorgd tot aan haar zesde levensjaar, zonder daar iets voor terug te verwachten. Het paleontologische dossier staat vol met zulke gevallen: tandeloze mensen die moesten worden gevoerd, armen of benen misten, artritis hadden, zware botbreuken die weer heelden of doof waren. Dat deze mensen overleefden kan alleen worden verklaard doordat er dagelijks voor hen werd gezorgd, doordat was besloten ze niet te laten vallen. De mensheid heeft geleerd lantaarns te maken, maar leerde lang daarvoor al zorgen voor wie in het duister achterbleef.

    En na de schok?

    De stroomstoring in Spanje duurde slechts enkele uren. Wat zou er zijn gebeurd als deze langer had aangehouden? Na de aanvankelijke heldhaftige fase dringt het besef van de verliezen door, maar de samenwerking blijft bestaan. Al enkele decennia lang circuleert de overtuiging dat de gehele mensheid binnen 48 uur – of vier maaltijden – kan instorten; een uitspraak die wordt toegeschreven aan de Britse geheime diensten, maar die geen enkele empirische basis heeft en eerder een logistieke simplificatie is. ‘Ik begrijp best dat veiligheidsdiensten het slechtste in de mens zien, maar ze zouden er goed aan doen de geschiedenis wat nauwlettender te bestuderen,’ merkt Reicher op.

    Na de zware aardbeving en de tsunami van 2011 kampte Japan wekenlang met ernstige tekorten, doordat de infrastructuur was verwoest en een nucleaire ramp dreigde. Maar in de rijen voor het eten overheerste solidariteit en er werd nauwelijks geplunderd. In 1998 zorgde een sneeuwstorm voor enorme verwoestingen in Canada, miljoenen mensen zaten dagen of weken zonder elektriciteit. De autoriteiten registreerden een duidelijke daling in de criminaliteit, buren namen hele gezinnen die geen warmtebron hadden in huis en de al bestaande solidariteitsnetwerken – zoals coöperaties en parochies – werden hechter. Doeltreffend overheidsoptreden, van militaire inzet tot steunuitkeringen, versterkte het vertrouwen.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog zagen we dat in Engeland de onvrede over het bonnensysteem toenam, maar dat was omdat de rijken op de zwarte markt bonnen konden kopen en zich nog altijd luxe artikelen konden veroorloven. ‘Mensen komen in opstand als ze onrecht ervaren: sommigen hebben wel te eten en anderen niet; sommige mensen hamsteren en drijven de prijzen op… Als we sociale onrust willen voorkomen moet de overheid voorkomen dat elites profiteren en toezien op een eerlijke verdeling,’ zegt Reicher.

    ‘Een kenmerkend patroon is een hoge mate van onmiddellijke solidariteit en onderlinge hulp, die vervolgens wordt ondermijnd door overheidsingrijpen,’ voegt hij eraan toe. Wanneer onrust ontstaat, is het probleem dus niet de ‘menselijke natuur’, maar het politieke ingrijpen, dat de inzet van burgers ondermijnt in plaats van deze te benutten – vooral wanneer het officiële optreden te laat komt of onbevredigend is. ‘Overheden zijn vaak paternalistisch. Ze zien het publiek als kinderen of dieren die verzorgd moeten worden. Dat zagen we tijdens covid, toen ze het publiek beschouwden als onderdeel van het probleem dat moest worden aangepakt.’

    ‘Overheden zijn vaak paternalistisch. Ze zien het publiek als kinderen of dieren die verzorgd moeten worden’

    Een gebrek aan informatie kan de situatie verergeren: zestig procent van Spanjaarden had tijdens de black-out behoefte aan meer informatie, aldus het CIS. ‘In Spanje is het onderlinge vertrouwen tussen mensen erg groot – iets wat ook al tot uiting kwam bij de vaccinatiebereidheid tijdens de pandemie. Maar het vertrouwen in de overheid is veel lager,’ merkt Díaz op. Daarom, aldus de socioloog, ‘was niemand er echt ondersteboven van’ dat de regering zo lang wachtte met communiceren; ‘ze hadden niet veel anders verwacht’.

    Dit betekent niet dat mensen geen hevige stress ervaren, maar de sociale ineenstorting die zo vaak in films wordt gepresenteerd, is eerder de uitzondering dan de regel. Er zijn bovendien omstandigheden die veel meer invloed hebben dan simpelweg hoe lang de oplossing op zich laat wachten. New York is wat dat betreft een goed voorbeeld. Tijdens de grote stroomuitval van 2003 meldde de politie minder incidenten dan op een normale dag. Tijdens de black-out van 1977 daarentegen, toen de stad werd geteisterd door criminaliteit, armoede en raciale spanningen, sloegen de plunderingen snel toe.

    ‘De aanhoudende mythe van “ieder voor zich” heeft ook te maken met het feit dat ons collectieve voorstellingsvermogen de laatste decennia vooral dystopisch is geworden,’ legt Díaz uit. ‘Oorlogen, de bestorming van het Capitool – al die beelden staan scherper op ons netvlies gebrand dan de vrolijke.’ En dan is er natuurlijk nog de rol van de media bij het verspreiden van deze perceptie van chaos. Dat brengt ons bij het favoriete voorbeeld van dit betoog: het massaal inslaan van wc-papier. Een volkomen redelijke vorm van massahysterie, volgens Reicher: ‘Als je hoort dat anderen zich irrationeel gedragen door een bepaald product te gaan hamsteren, dan is het rationeel om je daarbij aan te sluiten voordat de schappen leeg zijn.’ Een lange rij heeft een grotere nieuwswaarde dan twee buren die op de trap kaarsen uitwisselen. Maar ondertussen zijn het wel onze buren die ons zullen redden van de apocalyps.

  • ‘Rijke filantropen ontwijken belastingen via goede doelen – dat moet aangepakt worden’

    ‘Rijke filantropen ontwijken belastingen via goede doelen – dat moet aangepakt worden’

    Filantropen staan te boek als gulle mensen, maar ze halen enorm veel belastingvoordeel uit hun schenkingen en slechts het kleinst mogelijke deel daarvan gaat naar goede doelen. Hoog tijd dat ze eerlijk worden belast, aldus de directeuren van Transition Resource Circle, een ngo die zich inzet voor een eerlijkere liefdadigheidssector.

    We hebben weer een roerig jaar achter de rug, waarin allerlei gemeenschappen in de wereld getroffen zijn door oorlogen en natuurrampen. Rampspoed die het leed vergroot van mensen die toch al zuchten onder grote ongelijkheid, klimaatchaos, onteigening en marginalisatie. Zoals altijd bestond de mondiale reactie op deze crises onder meer uit ‘gulle giften’ van verschillende filantropen. Hun vertegenwoordigers schoven zelfs aan bij staatshoofden, CEO’s, beroemdheden, royalty en hoge ambtenaren op de jaarlijkse Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september, en daarna op de VN-klimaattop COP28 in november, om samen naar ‘oplossingen’ te zoeken. En velen van hen kwamen deze maand onder datzelfde mom opnieuw bijeen op het World Economic Forum in Davos.

    Maar de uitkomst van deze bijeenkomsten lijkt elk jaar te zijn dat er niets verandert. Dat komt onder meer doordat de elites in hun kijk op problemen en oplossingen beperkt worden door hun eigen wereldbeeld – een wereldbeeld dat deze crises veroorzaakt en in stand houdt. Bovendien zijn zulke bijeenkomsten vruchteloos omdat dat hun doel is: ze zijn niet opgezet om tot systemische verandering te leiden, maar om de status quo te behouden. De hele filantropische sector is evenmin opgezet om de oorzaken van systemische problemen bij de wortel aan te pakken, maar dient in plaats daarvan om particuliere financiële belangen te beschermen. Het wordt tijd dat dit eens tot de wereld doordringt. Hoe sneller we dit beseffen, des te sneller we betere manieren kunnen vinden om filantropie werkelijk in te zetten voor het belangrijke en moeizame werk van echte maatschappelijke verandering.

    ‘Iets terugdoen’

    We weten allemaal dat de rijken rijker worden en een gigantisch percentage van alle rijkdom op aarde in handen hebben. Volgens een recent rapport over de mondiale ongelijkheid van Oxfam is bijna twee derde van al het nieuwe vermogen sinds 2020 terechtgekomen bij de rijkste 1 procent van de mensheid, dus bijna tweemaal zoveel als bij de armste 99 procent. De rijken betalen bijna geen belasting (vaak nog geen 3 procent van hun inkomen) en door de rente op rente die ze over hun miljarden krijgen, blijft hun vermogen maar groeien. In de komende twintig jaar zal het grootste deel van dat vermogen overgaan op familieleden binnen de rijkste 1 procent. Alleen al in de VS zal naar schatting tussen de 36 en de 70 biljoen dollar aan vermogen van de ene op de andere generatie overgaan.

    De roep om de rijken te belasten zwelt wereldwijd aan en zal nog luider worden als deze enorme overdracht plaatsvindt. Een van de belangrijkste methoden van de rijken om die druk af te wenden is liefdadigheid. Je geld besteden aan goede doelen wordt aangemoedigd als een manier om ‘iets terug te doen’. Wereldwijd wordt er naar schatting 2,3 biljoen dollar aan liefdadigheid besteed, ongeveer 2 procent van het mondiale bbp. Dat is meer dan het jaarlijkse bbp van landen als Canada en Brazilië.

    Als filantropie per definitie iets goeds is en alleen maar zal groeien, waar maken we ons dan druk om? Laten we eens kijken hoe filantropie in de praktijk werkt.

    Eén aspect van filantropie in de VS is bijvoorbeeld de 5-procentregel die daar sinds 1976 in de belastingwet is verankerd. Deze houdt in dat een liefdadige instelling jaarlijks maar 5 procent van de geschonken fondsen hoeft te besteden aan beurzen of projectgerelateerde investeringen om de status van non-profitorganisatie te behouden. In de praktijk is die 5 procent nu niet de bodem, maar het plafond voor de bestedingen van filantropische instellingen. De overige 95 procent van het geld wordt behandeld als een belastingvrij investeringsfonds, dat de meeste stichtingen voortdurend verder laten groeien.

    Laten we dat concreter maken. Het gemiddelde rendement voor het kapitaal van liefdadige instellingen bedroeg in 2020 13,1 procent. Neem als voorbeeld een stichting met een fonds van 100 miljoen dollar: die stichting hoeft in een jaar maar 5 miljoen dollar aan goede doelen te besteden. Het vermogen groeit in dat jaar tot 113 miljoen dollar, en na aftrek van die 5 miljoen blijft er 108 miljoen over. Het jaar daarop groeit die grotere taart van 108 miljoen uit tot 122 miljoen, wat met aftrek van pakweg 5,4 miljoen aan liefdadige bestedingen resulteert in circa 117 miljoen. Zo is die 100 miljoen in twee jaar tijd dus al 117 miljoen geworden, en dat blijft maar groeien. Dat geld, in feite onbelast investeringskapitaal, belandt vervolgens bij de gebruikelijke aanjagers van het extractiekapitalisme: aandelen, obligaties, vastgoed, fossiele-brandstofbedrijven enzovoort. Wat weer resulteert in verdere vermogensaccumulatie. 

    Leeuwendeel

    De 5-procentregel is ooit ontstaan in de VS, maar heeft zich over de wereld verspreid en wordt nog steeds aanbevolen als model voor filantropische instellingen: het eigen fonds zo veel mogelijk laten groeien en de bestedingen tot het minimum beperken. Zo groeit het vermogen en groeit de macht van de betreffende instellingen, terwijl het geld mondjesmaat doorsijpelt naar degenen die het harde werk doen. Je hoeft geen boekhouder of econoom te zijn om de gevolgen van dit model te begrijpen. Slechts een fractie van de onbelaste schenkingen wordt daadwerkelijk ingezet voor het oplossen van maatschappelijke en klimatologische problemen, het leeuwendeel wordt opnieuw geïnvesteerd in de levensvernietigende activiteiten van extractieve markten met een hoog doorlopend rendement op investeringen.

    In de meeste landen zijn schenkingen aan liefdadige instellingen aftrekbaar van de belasting. Filantropie speelt daardoor een grote rol in strategieën voor het minimaliseren van de belastingafdracht en draagt verder bij aan de vermogensconcentratie. Volgens een recent onderzoeksrapport van tijdschrift The Nation krijgt Bill Gates misschien wel meer geld terug via belastingvoordelen dan hij met de activiteiten van de Gates Foundation aan schenkingen besteedt. Een ander voorbeeld is MacKenzie Scott, een van de grootste weldoeners in de VS. Haar is de afgelopen jaren lof toegezwaaid vanwege de omvang, aard en snelheid waarmee ze goede doelen heeft gefinancierd. Maar volgens de Billionaires Index van Bloomberg is ondanks al die schenkingen haar eigen vermogen in 2023 toch gegroeid. 

    Hoewel ze dus enorm veel belastingvoordeel uit hun schenkingen halen en slechts het kleinst mogelijke deel daarvan echt aan goede doelen besteden, staan filantropen in onze samenleving toch te boek als goede, gulle en grootmoedige mensen. Het is tijd om op te houden met die heldenverering van filantropen en de oproep om de rijken te belasten om te zetten in daden. We moeten de schenkingen gaan belasten. Ga maar na wat je zou kunnen doen met een belasting op die enorme filantropische fondsen. Met de opbrengst daarvan kun je democratisch beheerde burgerfondsen opzetten die miljarden dollars kunnen herverdelen onder gemeenschappen die direct door de klimaatverandering worden getroffen, inheemse volkeren, klimaatvluchtelingen en zelfs de ecosystemen die het zwaarst onder de winning van grondstoffen hebben geleden.

    Dit kan het begin zijn van ingrijpende structurele veranderingen in de filantropie. Wat hier vereist is, is niets minder dan een ander wereldbeeld, een andere aanpak die gebaseerd is op een economie die het leven op aarde centraal stelt en een oprecht verlangen de mondiale polycrisis aan te pakken. Het is tijd om van systemen die individuele en institutionele belangen beschermen over te stappen op systemen die de rijkdom herverdelen in collectieve investeringen in een toekomst die het leven waard is.

  • Moet je bedelaars altijd iets geven?

    Moet je bedelaars altijd iets geven?

    Bedelaars wekken medelijden op. Maar geef je ook iets als hij opdringerig is, tot een georganiseerde bende behoort of het geld zou kunnen uitgeven aan drank? Twee redacteuren van Süddeutsche Zeitung gaan met elkaar in debat.

    Ja: ‘Oordeel niet’

    De tijd dat medeleven goedkoop was, is duidelijk voorbij. Duitsers hebben ofwel minder geld dan gewoonlijk of zijn bang dat het ooit zover zal komen; in elk geval maken ze zich steeds meer zorgen over hun financiële toekomst. Mensen die zomaar iets krijgen, maar zonder er hard voor gewerkt te hebben of zich nederig tonen, worden steeds meer met argwaan bekeken, met afgunst zou je soms bijna zeggen. Toch zouden maar weinig mensen van plaats willen ruilen met de mensen die ze hun aalmoezen niet gunnen.

    Het uitkeringssysteem Hartz IV heet nu burgerinkomen en wordt dat op 1 januari met 12 procent verhoogd? Dan zullen ze vast op hun luie reet gaan liggen en mogelijk nog makkelijker rondkomen dan jij! Komen mensen uit verre landen onder levensbedreigende omstandigheden naar ons toe omdat ze hopen op veiligheid en een beter leven hier? Laten we er dan voor zorgen dat ze niet onze banen en tandartsafspraken afpakken en uiteindelijk toch geen Duits spreken en zich niet aanpassen aan de dominante cultuur – op onze kosten! Vluchtelingen uit Oekraïne krijgen een gratis woning? Wat brutaal, je betaalt zelf 15 euro per vierkante meter, kale huur!

    Voor de staat is deze houding tot op zekere hoogte toelaatbaar, zelfs noodzakelijk. De staat heeft maar een beperkte hoeveelheid geld te besteden, dus moet de overheid beslissen wie hoeveel krijgt en onder welke voorwaarden. Met andere woorden, de staat bepaalt de voorwaarden. Het is de taak van de staat om deze voorwaarden op een universeel geldige manier te formuleren, idealiter op zo’n manier dat het resultaat door de meerderheid van de bevolking als eerlijk wordt ervaren. Dit kan niet de taak zijn van het individu, wat een voorrecht is: hij kan ervoor kiezen om onvoorwaardelijk te geven. En dat brengt ons bij het bedelen.

    Experts waarschuwen dat iedereen die hier geld geeft maffiastructuren steunt en versterkt

    Als je iemand op straat ziet zitten met een kartonnen bordje en een metalen bekertje, heb je drie opties. Eén: niets geven. Twee: in ieder geval iets geven. Drie: iets onder bepaalde voorwaarden geven. Deze voorwaarden houden meestal in dat de bedelaar niet opdringerig is. Dat hij niet de indruk wekt dat hij op het punt staat het gekregen geld bij de dichtstbijzijnde slijterij te verbrassen. Dat hij geen oneerlijke trucjes uithaalt of onder valse voorwendselen bedelt. Dat hij niet bij een bedelbende hoort en dus achteraf een groot deel van het geld moet afstaan.

    Het is vooral de verdenking dat hij deel uitmaakt van een bende die mensen ervan weerhoudt om in hun buidel te tasten. Experts waarschuwen dat iedereen die hier geld geeft maffiastructuren steunt en versterkt. Maar hoe kun je snel herkennen of de bedelares met het kind bij zo’n bende hoort? En zelfs als dat zo is: maakt het kleine bedrag dat ze mag houden misschien het verschil voor haar aan het eind van de dag? En hoe zit het met degenen die bedelaars opzettelijk alleen eten geven zodat ze met het geld geen drank kunnen kopen – nemen zij hier niet opnieuw de rol van rechter op zich door dit signaal af te geven: ik kijk weliswaar niet de andere kant op, maar ik beslis wat goed voor jou is? Een moreel dilemma natuurlijk, maar die vraag kun je jezelf stellen.

    De bottomline blijft hetzelfde: het meest genereuze (en overigens ook het meest bevredigende) geschenk is niet aan voorwaarden gebonden, het is gericht aan een persoon die het niet verdient. In dit opzicht is het onrechtvaardig. In de Bijbel staat de gelijkenis van de verloren zoon (Lukas 15:11-32): de jongste zoon eist bij zijn vader zijn erfenis op, verkwist die en keert als een arm man terug naar huis – waar zijn vader hem om de hals valt en een vetgemest kalf slacht om het te vieren. De oudste zoon, die al die jaren hard heeft gewerkt, vindt dit oneerlijk, maar de vader laat niet van de wijs brengen brengen.

    Het Centraal Comité van Duitse Katholieken heeft een lezenswaardige uitleg daarover gepubliceerd: goddelijke rechtvaardigheid, hoog gewaardeerd in het Oude Testament, staat in de gelijkenis van de verloren zoon tegenover liefde, die uiteindelijk sterker blijkt te zijn. En het is een feit: ‘Het primaat en de verhevenheid van de liefde boven de gerechtigheid komt juist tot uitdrukking in mededogen.’ Dat is een radicaal goede uitspraak, en niet alleen met Kerstmis.

    Tanja Rest


    Nee: ‘Een kwestie van afwegen’

    Individuen kunnen niet iedereen helpen, dus maken ze keuzes, en dat is prima. Omdat mensen mensen zijn en geen gevoelloze leeghoofden, raken ze ontroerd als iemand op de grond gehurkt zit bij de tochtige ingang van een metrostation, voor een kerk, bedelend om hulp. Met Kerstmis, dat gevoel krijg ik althns, zijn er meer mensen op straat aan het bedelen dan normaal; velen hebben een kartonnen bordje voor zich neergezet waarop staat ‘Ik ben in nood’, ‘Ik heb honger’, naast een beker of een hoed voor de munten die ze hopen te ontvangen.

    Misschien valt deze overduidelijke armoede ook meer op doordat het moeilijker te verdragen is dat de warme adventssfeer en koude misère tegelijkertijd aanwezig zijn. Ik heb het warm en heb iets te eten en ben misschien al bezig met het vervullen van kerstwensen – terwijl anderen bevriezen en verhongeren en zeer basale wensen hebben.

    In een ideale wereld zou iedereen in nood geholpen moeten worden. Dat is naastenliefde, een belangrijke, misschien wel de belangrijkste lijm die de maatschappij bij elkaar houdt. Het lot van anderen zou je nooit onverschillig mogen laten, mede omdat het kan gebeuren dat je zelf ook een keer afhankelijk bent van anderen. Het individu kan echter niet iedereen helpen, maar inderdaad: alleen individuen. Dus kiezen en beslissen ze of en, zo ja, aan wie ze één of twee euro geven en aan wie niet. En dat is prima.

    Kiezen betekent immers niet dat men voorwaarden stelt. Dat is vaak het verwijt als mensen zeggen dat ze nadenken voor ze een muntje in iemands beker doen: aha, dus nu worden zelfs bedelaars en paupers in de neoliberale meritocratie geacht netjes te presteren en hun hongerloontje te verdienen, door er aangenaam uit te zien, niet te drinken in het openbaar, misschien zelfs door er een kleine prestatie tegenover te zetten. Wat een laatdunkende houding!

    Het aanpakken van fundamentele problemen is in de eerste plaats de taak van de staat

    Maar dit is een beschuldiging die nergens toe leidt. Want de criteria om een keuze te maken kunnen totaal verschillend zijn en vooral onafhankelijk van de individuele bedelaar: ik geef iets aan elke vierde persoon die ik passeer. Ik doe het alleen op een bepaalde dag van de week. Ik koop een van de vele daklozenkranten die nu in de steden verkrijgbaar zijn, met een goede fooi voor degenen die ze aanbieden en uren in de kou wachten. Ik neem intuïtieve beslissingen, die soms onaangenaam kunnen zijn – bijvoorbeeld als je doorloopt omdat je bent lastiggevallen voor de supermarkt.

    Je denkt dus heel eenvoudig na over aan wie je iets geeft. Dit gedrag wordt nooit echt ter discussie gesteld in gesprekken wanneer je geld overmaakt naar liefdadigheidsinstellingen, zelfs niet voor Kerstmis. Wat, even terzijde, waarschijnlijk sowieso de betere oplossing is: als je regelmatig grote bedragen doneert aan organisaties zoals de Kältebus, beslissen anderen die het beter weten dan jij waar het geld het beste aan besteed kan worden.

    En het kan ook betekenen: ik geef niet aan iemand van wie ik het gevoel heb dat hij deel uitmaakt van een georganiseerde bende. Want dan is de kans groot dat het geld niet terechtkomt bij de mensen die ik wil steunen. Met mijn donatie versterk ik een maffia-achtig systeem dat weerloze mensen uitbuit. Ja, deze houding benadeelt deze mensen die het waarschijnlijk hard nodig hebben. Om het bot te zeggen: we weigeren hen te helpen. Op dit punt wil ik echter opmerken dat het aanpakken van fundamentele problemen zoals dakloosheid, armoede (en bendecriminaliteit) in de eerste plaats de taak van de staat is – niet van het individu.

    Je zou hieruit een fatale conclusie kunnen trekken, namelijk dat je gewoon nooit iets van je geld moet weggeven. Wat heeft het voor zin als ik er bijna niets mee voor elkaar krijg? Niets verander aan de fundamentele structuren? Maar dat is geen optie. Want deze beslissing zou niet alleen een teken van hardvochtigheid à la Ebenezer Scrooge zijn, het zou ook betekenen dat je bewust de andere kant opkijkt: je kijkt bewust weg van de plek waar je moet kijken. En niet alleen in de weken voor Kerstmis.

    Maureen Linnartz

  • In Myanmar help je elkaar, maar niet de moslims

    In Myanmar help je elkaar, maar niet de moslims

    De inwoners van Myanmar staan bekend om hun buitengewone solidariteit. Alleen geldt die dus niet voor de Rohingya.

    De eerste buurt in Yangon waar ik woonde had al vrijwel geen charme toen ik er aankwam. Vlak daarna raakten we het enige wat er nog leuk aan was kwijt toen de gemeenteraad de bomen langs de straat liet kappen om de weg tot zes banen te verbreden. In één klap werd de tot dan toe verwaarloosde straat een drukke verbindingsweg tussen de flats in het centrum en de buitenwijken van de stad in het oosten.

    Op een avond zag ik een auto de hoek om slingeren en een man aanrijden die langs de kant van de weg liep. In minder dan een minuut hadden vele tientallen mensen zich rond de plek van het ongeluk verzameld. Twee van hen verzorgden de gewonde man terwijl tien of vijftien anderen het verkeer gingen regelen. Omdat de politie nergens te bekennen was, haakten weer anderen de handen in elkaar om een versperring te vormen en te voorkomen dat de man achter het stuur, die duidelijk dronken was, ervandoor zou gaan. Algauw kwam er een plaatselijke ambulance, bemand door een groep vrijwilligers, die de gewonde man op een brancard van bamboe afvoerden naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.

    Zes cijfers

    Ik dacht na over die avond tijdens een recent bezoek aan Phandeeyar, een technologisch centrum in Yangon dat de drijvende kracht is achter Myanmars opkomende, digitale industrie. De afgelopen twee jaar heeft Phandeeyars ‘Accelerator’-programma met succes jonge ontwikkelaars begeleid die op apps gebaseerde bedrijven willen opzetten. In twee van de eerste start-ups worden al investeringen gedaan die tot in de zes cijfers lopen.

    Wat vooral opvallend is aan het programma is de maatschappelijke betrokkenheid van de mensen die eraan meedoen. Eén start-up werkt aan de digitalisering van medische dossiers, wat een steunpilaar kan zijn voor de gezondheidszorg in Myanmar, die onder chronische financiële tekorten lijdt. Een ander werkt aan de start van een nationaal recyclingsysteem, dat van de grond af moet worden opgebouwd. De initiatiefnemers ontlenen hun motivatie aan de treurige aanblik van al het vuil waarmee afvoeren en rivieren door het hele land verstopt raken. De oprichters van RecyGlo werken intussen samen met kantoren en privéscholen om het vuilnis in Yangon op te halen – papier wordt verkocht aan plaatselijke bedrijven terwijl andere recyclebare producten in grote hoeveelheden naar China worden verscheept.

    ‘Dit hoort eigenlijk door de staat te worden gedaan,’ zei RecyGlo’s medeoprichter Yamin Oo. ‘Maar in een ontwikkelingsland kan de staat niet zo veel doen. Daar is een ondersteunend systeem voor nodig.’

    Het technologisch centrum Phandeeyar in Yangon. – © Taylor Weidman / Getty Images
    Het technologisch centrum Phandeeyar in Yangon. – © Taylor Weidman / Getty Images

    Myanmar staat bekend als een van de meest liefdadige landen ter wereld als het om giften en vrijwilligerswerk gaat. Maar het is misschien juister om te zeggen dat de mensen hier gewend zijn geraakt een handje te helpen als de staat daar de middelen niet voor heeft. Nadat ongekende overstromingen in 2015 meer dan honderdduizend dorpelingen uit hun huis verdreven, vormden zich rondom Yangon spontaan liefdadigheidsgroepen die geld vroegen aan automobilisten om voorraden te kopen die ze later zelf naar de opvangkampen reden. Vorig jaar, na wanordelijk verlopen onderhoudswerkzaamheden aan een aantal drukke buslijnen, boden vrijwilligers gestrande reizigers een rit in hun auto aan.

    Maar dit verantwoordelijkheidsgevoel jegens de gemeenschap, dat zo vaak een voorbeeld is van Myanmar op zijn best, heeft ook een donkere keerzijde. Het afgelopen jaar heeft het land zich ingegraven als reactie op het massale geweld tegen de Rohingya-minderheid, die nog steeds buiten de grenzen van die collectieve solidariteit valt. Onlineactivisten die Aung San Suu Kyi steunen – de feitelijke leider van het land, wier regering verantwoordelijk is voor de chaotische reactie op de vluchtelingenexodus – hebben geprobeerd om buitenlandse media in diskrediet te brengen en de wereldwijde verontwaardiging over Myanmar af te doen als een samenzwering.

    In de staat Rakhine, het epicentrum van de crisis in het afgelopen jaar, hielden inwoners humanitaire hulp aan Rohingya tegen. In één stad beschuldigden inwoners een boeddhistische winkeleigenares ervan dat ze zaken deed met moslims, waarna ze haar kaalschoren en lieten rondlopen met een bord waarop ‘verrader’ stond.

    Tot nu toe heeft de regering weinig gedaan om haar burgers in het gareel te houden of om de destructievere instincten een halt toe te roepen. Maatschappelijke organisaties zeggen dat ze worden tegengewerkt. Kundige technocraten die geen banden hebben met de partij van Suu Kyi worden wantrouwig bekeken. Mensen die antimoslimagitatie veroordelen worden bedreigd en kunnen niet rekenen op hulp van de politie of steun van de staat. Of, erger nog, ze worden het doelwit van hinderlijke aanklachten.

    Een groot deel van Myanmars recente geschiedenis is een aaneenschakeling van gemiste kansen. Het is moeilijk om het gevoel af te schudden dat we weer zo’n gemiste kans voorbij zien komen.

    Auteur: Sean Gleeson
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Nikkei Asean Review
    Japan | weekblad | oplage 12.000

    In 2013 opgericht magazine over politiek, economie, zaken en internationale betrekkingen, vanuit een Aziatisch perspectief. Onderdeel van mediareus Nikkei, onder meer de eigenaar van de Financial Times.

    CONTEXT: VN-bezoek

    Myanmar gaat in beginsel akkoord met het bezoek van de ambassadeurs van de lidstaten van de Veiligheidsraad van de VN, die op dit moment wordt voorgezeten
    door Peru. De internationale vertegenwoordiging gaat op een nog niet vastgesteld tijdstip ook naar Bangladesh, naar de omgeving van Cox’s Bazar, waar zich zevenhonderd- duizend uit Birma gevluchte Rohingya’s bevinden.

    De Birmaanse regering had in februari een dergelijk bezoek nog uitgesloten. Nu, begin april, heeft ze haar toestemming gegeven, maar de details over het bezoek zijn nog niet bekend. Daarom is het onduidelijk of de VN-delegatie ook toegang krijgt tot de Birmaanse deelstaat Arakan (tegenwoordig Rakhine), het woongebied van de Rohingya’s.