Tag: menselijk lichaam

  • Bodypositivity, net zo utopisch als wereldvrede

    Bodypositivity, net zo utopisch als wereldvrede

    Iedereen zou zich prettig moeten voelen in zijn eigen lichaam. Om die gedachte aan te moedigen is de bodypositivity-beweging opgericht. Een prachtig ideaal, maar in de praktijk onhaalbaar, schrijft Tobias Haberl. ‘Bodypositivity heeft de druk op ons lichaam nog verder opgevoerd.’

    Toen ik voor het eerst over de bodypositivity-beweging hoorde, was ik meteen om. Uit puur egoïsme, want als elk lichaam mooi kan zijn, dan zeker ook het lichaam waarmee ik al tientallen jaren in de knoop zit. Dan hoefde ik me niet meer af te vragen of mijn wimpers te kort zijn (als ik ze überhaupt heb) en hoefde ik in het openluchtzwembad mijn grote teen niet beschermend te buigen over de teen ernaast, de digitus pedis II, omdat de nagel ervan me sinds mijn geboorte doet denken aan de klauw van een slechtvalk, de reden waarom ik nooit teenslippers heb gedragen.

    Als elk lichaam mooi is kon ik opgelucht ademhalen, en miljoenen onzekere tieners ook. Tegelijkertijd waren de perfecte mensen, met hun stralende teint en hoge jukbeenderen, niet langer in het voordeel – niet bij sollicitatiegesprekken, niet bij het flirten en ook niet op Instagram. Eigenlijk zou er niet langer zoiets bestaan als schoonheid, omdat die alleen nog maar zou functioneren als positieve uitzondering op de regel. Zelfs mijn digitus pedis II zou niet meer belachelijk worden gemaakt: als standaardschoonheid niet meer bestaat, kun je er immers ook niet meer van afwijken.

    Een tijdlang was ik blij met modellen met rondingen en met de snelle opkomst van de 140 kilo wegende Amerikaanse Grammy-winnares Lizzo (‘I like being fat, and I’m beautiful and I’m healthy’). Dik en dun, naast elkaar en met elkaar, een choreografie van diversiteit: ik vond het leuk en ongedwongen. Natuurlijk, beroemdheden en bedrijven promoten bodypositivity niet alleen uit idealisme, maar ook met een strategisch motief. Maar dat is altijd het geval bij emancipatiebewegingen, en bovendien is het te billijken als miljoenen mensen zich daardoor niet langer buitengesloten hoeven te voelen.

    Dat was allemaal een tijdje geleden. Nu schaam ik me behoorlijk dat ik ooit viel voor een idee dat toch nooit kan werken. Niet in onze wereld, met een systeem dat profiteert van mensen die zich overgeven aan consumptie om zich minder tekortgedaan te voelen. Iedereen mooi? Zo’n vorm van esthetisch socialisme kun je niet politiek opleggen, zeker niet met hashtags en tweets. Het zou een vernieuwing van het hele systeem vereisen, inclusief een spirituele bewustzijnsverandering die, laten we eerlijk zijn, nou niet echt in de lucht hangt.

    Bodypositivity is een modieus begrip dat past bij de tijdgeest

    Ondertussen doet bodypositivity me denken aan wereldvrede: een prachtig idee dat helaas niet werkt. Een eervolle maar hopeloze poging om uit verkeerd begrepen mededogen een wereld die niet is zoals we zouden willen te verzachten, door impopulaire, deels evolutionair-biologische waarheden te negeren en alle verschillen die er tussen mensen bestaan te ontkennen. Bodypositivity is een modieus begrip dat past bij de tijdgeest en dat onvoorwaardelijke trouw vereist – een gebed om genezing, een slogan, een utopie. 

    Het zou allemaal niet zo erg zijn als iets erop zou wijzen dat het werkt, maar dat is dus niet het geval. Af en toe duikt er een mollige persoon op in een reclamefilmpje, en laatst liep er op straat een zelfverzekerde jonge vrouw voorbij in een naveltruitje dat haar bleke buik en harige navel prijsgaf, maar als opzichtige uitzonderingen op de regel lijken zulke fenomenen het schoonheidsideaal van begin eenentwintigste eeuw – slank, fit, haarloos – eerder te bevestigen dan af te zwakken. 

    Horizon2
    Lizzo op het Roskilde Festival, 2023. – © Getty Images

    Waarom zijn de magere modellen anders massaal terug op de catwalks? Waarom werd slechts 0,6 procent van de 9137 outfits tijdens de modeweken van dit voorjaar gepresenteerd door plussize modellen? Waarom hebben de vrouwelijke influencers bij wie alles om hun uiterlijk draait (en die het meest met hun billen lopen te pronken) de meeste volgers? Waarom is het zo dat je, als je op YouTube het zoekwoord ‘yoga’ intypt, ervan uit moet gaan dat er een soort geheime regel bestaat dat alleen schaars geklede schoonheidskoninginnen aan yoga mogen doen? En waarom laten steeds meer mensen delen van hun wangen uit hun gezicht snijden om er in het dagelijks leven eindelijk uit te zien als hun gefilterde versie op Instagram? 

    Schoonheidsnorm

    Hoe ideologisch verblind moet je zijn, hoe vatbaar voor zelfbedrog, om naast al die cosmetische ingrepen en al die sterren, influencers, youtubers, talkshowhosts en gastvrouwen die aan de schoonheidsnorm voldoen, naar de dikke kunstschaatser in de reclame voor maandverband te wijzen en dan te beweren: bodypositivity? Top!

    Inmiddels haak ik af als iemand me iets wil vertellen over bodypositivity. Dat zijn overigens meestal stedelingen uit de mediawereld die gevaarlijk dicht bij het gangbare schoonheidsideaal komen, mensen die bewust eten en sporten en er oogverblindend uitzien. ‘Morele zelfexpressie’, heet dat volgens Philipp Hübl, hoogleraar filosofie aan de Universiteit voor de Kunsten in Berlijn. ‘Deze mensen koesteren luxeovertuigingen. Ze zijn solidair met mensen met overgewicht om moreel aan de juiste kant te staan, maar zelf leven ze gezond en hoeven ze de negatieve gevolgen van hun genereuze houding niet aan den lijve te ondervinden.’ 

    Voetbalvrouw en influencer Cathy Hummels, bijvoorbeeld, werpt zich momenteel op als ambassadrice voor bodypositivity door met haar kunstmatige (!) borsten te pronken in de Playboy. Of neem Heidi Klum, die de mollige 23-jarige Vivien Blotzki alleen maar tot ‘Germany’s Next Topmodel’ kon kronen omdat haar eigen (uiterlijke) onberispelijkheid haar de macht geeft om ook mollige lichamen goed te keuren. De rollen zijn duidelijk: degene die voldoet aan de schoonheidsnorm spreekt en de mollige zegt: dank je, Heidi!

    Zijn zwaarlijvige mensen met gezondheidsproblemen ermee geholpen als zwaarlijvigheid wordt gemodelleerd tot norm of zelfs tot ideaal?

    Op Instagram presenteren bijzonder aantrekkelijke mensen de laatste tijd gretig hun vermeende gebreken, zoals piepkleine vetkussentjes, littekentjes of levervlekjes. ‘Ze doen dit om zichzelf te beschermen tegen kritiek, omdat perfectie als onaantrekkelijk wordt gezien,’ zegt Hübl. ‘Deze mensen staan bovenaan de ladder van aantrekkelijkheid, maar hopen door minimale afwijkingen van het ideaal te tonen sociaal gezien ook wat op te klimmen.’ Ze construeren een lijdensverhaal om hun eigen zelfontplooiing des te helderder te laten stralen. En als de non-binaire publicist Hengameh Yaghoobifarah zichzelf publiekelijk beschrijft als ‘dik en arrogant’, is dat natuurlijk omdat die een bepaalde reactie verwacht. 

    Helaas hebben de meeste zwaarlijvige mensen uit milieus met onderwijsachterstanden nog nooit van bodypositivity gehoord, maar lijden ze wel aan hart- en vaatproblemen, hoge bloeddruk of slechte knieën. Helpt het die mensen als een paar activisten beweren dat mensen met overgewicht geen probleem hebben met hun dieet, maar slachtoffer zijn van een patriarchaal-kapitalistische samenleving, of van seksistische artsen? Helpt het hen als zwaarlijvigheid door een verkeerd begrepen moraliteit wordt gemodelleerd tot norm, of zelfs tot ideaal? Een paar maanden geleden pleitte een gastcommentator in The New York Times er zelfs voor dat kinderartsen dikke kinderen en hun ouders niet moesten aanmoedigen om af te vallen, omdat dat zou kunnen leiden tot een lager zelfbeeld, angst en depressie.

    Denkfout

    De Canadese politicoloog Eric Kaufmann spreekt van een denkfout – hij noemt het de fallacy of composition – wanneer maatschappelijke problemen (zoals obesitas) worden verdoezeld of weggewuifd door ze te ‘emotionaliseren’ en te stigmatiseren als aanval op het individu. Het gevolg is dat belangrijke sociaal-politieke debatten worden versimpeld of in de kiem gesmoord om individuen te beschermen tegen discriminatie. Er is toch echt een verschil tussen het beledigen van een zwaarlijvig persoon en het serieus nemen van zwaarlijvigheid als maatschappelijk verschijnsel met grote gevolgen voor de gezondheid.

    Op dit moment lijkt het alsof we één stap vooruit en drie stappen terug doen. Een paar mensen doen hun uiterste best om de soevereiniteit op te eisen over de interpretatie van wat mooi wordt gevonden, terwijl een meerderheid, geplaagd door zelftwijfel, een enorme druk voelt om nog slanker, fitter en mooier te worden. ‘De bodypositivity-beweging heeft de druk op ons lichaam nog verder opgevoerd,’ zegt kunstwetenschapper Jörg Scheller, die al jaren onderzoek doet naar de politieke dimensie van het lichaamsbeeld. ‘Want de dwang tot zelfoptimalisatie blijft, maar er wordt ons tegelijk gevraagd om tevreden of zelfs gelukkig te zijn met ons eigen lichaam.’ 

    Elke trend lijkt een hobby van het kapitalisme, dat nu ook in een woke variant bestaat

    Op tv zijn dikke mensen nog steeds geen nieuwslezers, maar vooral deelnemers aan afslankshows – alsof het objecten zijn die bewonderd moeten worden. Mediawetenschapper Kathrin Karsay zegt: ‘Mensen met overgewicht worden vaker dan voorheen getoond in series en films, maar dan meestal als “dik, lui en onsuccesvol” of anders in de oppervlakkige rol van grappige of onhandige dikke vrouw.’ Een paar activisten roepen ‘big is beautiful’, terwijl duizenden tieners ondertussen alles leren over booty lifts en fillers, als ze niet bezig zijn met body checking op TikTok. De oude idealen blijven werken. Elke – zelfs subversieve – trend lijkt gewoon weer een hobby van het kapitalisme, dat nu dus ook in een woke variant bestaat. En wie de maatschappij wil veranderen, moet altijd rekening houden met mensen die helemaal niet veranderd willen worden.

    Horizon3
    Presentatrice Heidi Klum (l) en Vivien Blotzki, winnaar van Germany’s Next Topmodel in 2023. – © Getty Images

    Natuurlijk moeten we blijven streven naar het onmogelijke, en dan vooral naar een samenleving met zo min mogelijk discriminatie, maar koste wat het kost een ideologie doordrukken terwijl de ineffectiviteit ervan elke dag opnieuw openlijk aan het licht komt? Net zoals mensen al duizenden jaren dromen van vrede, lijkt een wereld zonder schoonheidsidealen – en dus ook zonder modedictaten, eetstoornissen en een manipulatieve cosmetische industrie – ondenkbaar. Zeker, soms zijn mollige modellen in trek en soms magere of atletische. Soms grote borsten en dan weer kleine, nu eens strakke broeken en dan weer wijde. Maar alles, en dan nog liefst gelijktijdig, even cool? Dat werkt helaas niet, want de cyclus van verlangen en frustratie moet in stand worden gehouden. 

    Omslag

    ‘Het principe is niet veranderd,’ zegt Scheller. ‘Met dit verschil: nu worden diversere lichaamsbeelden te gelde gemaakt.’ Als het uiterlijk geen rol meer speelt, kan er niets meer worden verkocht. Maar omgekeerd geldt dat er steeds meer kan worden verkocht als een merk erin slaagt meer mensen te vertegenwoordigen. Er is geen sprake van een omslag in het denken. Een eenmaal ingebracht implantaat zal hoogstwaarschijnlijk een paar jaar later weer worden verwijderd (en mogelijk in een aangepaste vorm ooit opnieuw worden ingebracht). Zelfs feministisch auteur Laurie Penny schrijft: ‘Als alle vrouwen op aarde morgenochtend wakker zouden worden en zich echt lekker en sterk in hun lichaam zouden voelen, dan zou de wereldeconomie van de ene op de andere dag instorten.’

    In een competitieve samenleving is het ene altijd goed en het andere minder goed. Vanaf het moment dat de sociale media tevreden mensen gingen aanzetten tot narcistisch gedrag, is het verlangen om speciaal te zijn en de behoefte om zich op subtiele manieren van anderen te onderscheiden niet af- maar toegenomen. Verbetering zonder gelijktijdige verslechtering lijkt ondenkbaar. Er bestaat nauwelijks een discipline waarin we niet met elkaar concurreren of elkaar beoordelen. Wie zingt er mooier? Wie leeft er moreel beter? Wie kookt er beter? Wie vliegt er minder vaak? Wie heeft meer volgers, likes, vierkante meters? En nu dus ook: wie kan het best onbekommerd dik zijn? 

    Het principe is hetzelfde gebleven, er is alleen een categorie aan toegevoegd. We zijn geobsedeerd door ons lichaam, worden bestookt met ranglijsten en zenuwslopende vergelijkingen, positieve en spottende commentaren, likes en dislikes, duimpjes omhoog, duimpjes omlaag. De ijdelheidsmarkt wordt steeds verraderlijker, genadelozer en voyeuristischer. En wie zich nog niet goed heeft verstopt, wordt meedogenloos gescand en gesorteerd. Hoe groot is de kans dat we deze logica uitgerekend bij uiterlijkheden, die – in tegenstelling tot cognitieve prestaties – zo makkelijk in het voorbijgaan beoordeeld kunnen worden, zouden negeren?

    Hoezeer we het ook proberen, het maakt ons wel degelijk uit hoe mensen eruitzien

    Mensen lijken zo makkelijk hiërarchieën te creëren dat er geen alternatieven bij hen opkomen, ook niet als ze zelf aan de onderkant van zo’n hiërarchie staan. Dat komt vooral doordat de industriële samenleving is veranderd in een dienstenmaatschappij. Daarin hebben mensen via online- en offlineontmoetingen permanent de mogelijkheid om de sociale status van de ander af te lezen aan zijn of haar bewegingen en lichaam. Of we het nu leuk vinden of niet, ons uiterlijk is altijd een projectievlak en een investering in de eigen persoonlijkheid geweest, en vandaag nog meer dan vroeger. De Britse socioloog Catherine Hakim spreekt van ‘erotisch kapitaal’, dat (samen met economisch, cultureel en sociaal kapitaal) onze sociale waarde bepaalt. Mooie mensen krijgen betere cijfers, hogere salarissen, minder strenge straffen en sneller een huis, en maken gemakkelijker vrienden. Dat is allemaal oneerlijk en we kunnen onszelf inbeelden dat het anders is, maar daarmee staan we wel buiten de realiteit. 

    Op datingsites worden potentiële seks- en levenspartners met algoritmische precisie gefilterd op lengte, gewicht, postuur en oog- en haarkleur. De meeste vrouwen zijn op zoek naar lange mannen, de meeste mannen naar vrouwen met lange benen. Ze zijn allemaal op zoek naar mensen met een gave huid, iets wat in alle culturen als ideaal wordt beschouwd. Cultureel gezien kunnen we het lelijke fascinerend vinden – denk bijvoorbeeld aan de schilderijen van Otto Dix – maar toch zijn we niet vrij in onze smaak, want die is biologisch-evolutionair gevormd. Hoezeer we het ook proberen, het maakt ons wel degelijk uit hoe mensen eruitzien, er zijn vooroordelen en no-go’s. Of ken je soms een vrouwelijke presentator met ernstige acné?

    Erotisch kapitaal

    Op dit moment hangt Duitsland vol met posters van Calzedonia. Twee superinfluencers presenteren de nieuwe bikinicollectie: Pamela Reif, 27 jaar, 1 meter 65, 50 kilo, afgetraind. En Farina Opoku, 32 jaar, 1 meter 76, 84 kilo, mollig. Op het eerste gezicht is dit een voorbeeld van bodypositivity, want de campagne bewijst dat een lichaam dat niet aan de standaard voldoet ook mooi kan zijn, en zelfs gebruikt kan worden om geld te verdienen. Maar in feite lijken de twee vrouwen erg op elkaar. Terwijl de ene het ideale lichaam van begin eenentwintigste eeuw heeft, wijkt de andere daar slechts in één aspect van af: haar gewicht. Al het andere is onberispelijk: perfecte huid, glanzend haar, stralende ogen, hartvormige mond. De twee vrouwen vertegenwoordigen geenszins de twee uitersten van de schaal der aantrekkelijkheid. Integendeel, ze hebben allebei een enorm erotisch kapitaal. De ene omdat ze standaardmooi is, de andere omdat ze nog steeds standaardmooi is, maar dan in combinatie met een paar goed geproportioneerde kilo’s te veel. 

    Horizon4
    Twee superinfluencers presenteren de nieuwe bikinicollectie van Calzedonia. – © Calzedonia

    Maar hoe zit het met de gebochelden, de scheefgezakten en kromgegroeiden, degenen met pukkels en littekens, de mensen met flaporen, afgekloven vingernagels en moedervlekken waar haar uit groeit? Waarom zijn bijna alle plussize modellen vrouw? Hoe zit het met dikke mannen? Denken mensen dat mannen minder last hebben van hun uiterlijk? En waarom wordt in karikaturen van Donald Trump en Boris Johnson ook vaak de draak gestoken met hun uiterlijk? Omdat het mag van de politieke tegenstander?

    De oplossing is om voor eens en voor altijd op te houden over lichamen te praten, omdat het niet uitmaakt hoe je eruitziet

    Ik denk niet dat we veel verliezen als de bodypositivity-beweging haar momentum verliest, waar het momenteel op lijkt. De eerste activisten propageren al een nieuwe beweging. Na rijp beraad denken ze te begrijpen dat het probleem niet schuilt in een onrealistisch schoonheidsideaal, maar in het feit dat mensen überhaupt hun eigenwaarde aan hun lichaam koppelen. Het is dus geen oplossing om dikke mensen per se mooi te vinden; de oplossing is om voor eens en voor altijd op te houden over lichamen te praten, omdat het niet uitmaakt hoe je eruitziet. 

    Er is al een term en een hashtag voor: #bodyneutrality. En hoewel ik het er in grote lijnen mee eens ben, blijf ik sceptisch. Weer een nieuwe strategie voor empowerment? Weer nieuwe campagnes, activisten, slogans en poses? Wordt weer alles anders terwijl alles hetzelfde blijft? ‘Mensen kunnen niet neutraal zijn over hun lichaam,’ zegt kunstwetenschapper Scheller. ‘We verlangen naar lichamen, vinden ze aantrekkelijk of afstotelijk. Een belangeloos genoegen is een utopie.’

    De natuur is oneerlijk. Intelligentie, gezondheid, schoonheid zijn ongelijk verdeelde grootheden. Je kunt doen alsof dat niet zo is, je kunt jezelf wijsmaken dat we er gewoon anders over moeten praten om deze valse streek te compenseren. Maar je kunt ook proberen – en dat zou de meest empathische en veelbelovende strategie zijn – om kinderen op te voeden tot zelfverzekerde mensen, met een realistische kijk op hun lichaam en hun maatschappelijke beperkingen, ter voorbereiding op het feit dat ze niet perfect zijn, net zoals de wereld waarin ze leven niet perfect is. 

    Het is onmogelijk om zonder tegenslagen door het leven te gaan; daarmee leren omgaan kan een diep menselijke ervaring bieden die leidt tot groei en misschien zelfs tot transformatie in iets wat op karakter lijkt. Dat zou pas echte zelfempowerment zijn. Natuurlijk is daar meer voor nodig dan wat tweets en hashtags. Het vereist liefde, zorg, geduld en oprechtheid, en mensen die die idealen niet misbruiken of rondbazuinen, maar ze als vanzelfsprekend naleven. Ook als er niemand kijkt.

    Lees ook:

  • Zijn tatoeages goed of slecht voor ons immuunsysteem?

    Zijn tatoeages goed of slecht voor ons immuunsysteem?

    De wetenschap begrijpt (nog) niet helemaal hoe het kan dat tatoeages overleven, terwijl ons immuunsysteem aan één stuk door z’n uiterste best doet om de geïnkte indringer te vernietigen. Maar misschien wordt ons immuunsysteem juist wel versterkt door tatoeages.

    In 2018 betaalde ik iemand een paar honderd dollar om in rap tempo verschillende naalden in de huid van mijn rechterpols te zetten. Het voelde alsof ik werd belaagd door een cavalerie van microscopisch kleine krabbetjes. Bij iedere prik werd er zwarte inkt geïnjecteerd, die geleidelijk het patroon aannam van dubbele aanhalingstekens. Het was mijn eerste tatoeage en waarschijnlijk niet mijn laatste.

    In de duizenden jaren dat tatoeages inmiddels bestaan, is er weinig veranderd. De praktijk houdt nog steeds in dat er wonden worden gekerfd tot permanente geïnkte figuren die ons esthetisch bevallen. Veel omtrent tatoeëring blijft echter mysterieus: wetenschappers zijn er nog steeds niet helemaal achter waarom bepaalde tatoeages snel vervagen en andere zichtbaar blijven terwijl ze geacht worden te verdwijnen, of hoe ze op licht reageren. Maar een van de grootste en minst bestudeerde raadsels is wel hoe tatoeages überhaupt overleven. Ons immuunsysteem doet aan één stuk door z’n uiterste best om ze te vernietigen. Hebben we eenmaal door waarom dat niet lukt, dan zegt dat misschien iets over een van de belangrijkste functies van ons lichaam, ook als we de huid onbeklad laten.

    Aanval

    Wanneer een tatoeage in de huid wordt aangebracht, beschouwt het lichaam dat als een aanval. De huid is de ‘eerste barrière’ van het immuunsysteem; hij is royaal voorzien van snel handelende verdedigingscellen die onmiddellijk in actie kunnen komen als hij wordt geschonden, zegt Juliet Morrison, viroloog aan de Universiteit van Californië in Riverside. Eerste instructie aan zulke cellen: alles wat vreemd is onderscheppen en vernietigen, zodat het herstel kan beginnen.

    Die missie is over het algemeen heel succesvol – met als gevolg dat brandwonden genezen, littekens langzaam vervagen en korstjes afvallen – behalve om de een of andere reden als er inkt in het spel is. De deeltjes in pigmenten zijn log en moeilijk voor de enzymen in een afweercel om af te breken. Dus als inkt wordt ingeslikt door afweercellen zoals in de huid woonachtige macrofagen – die hun leven wijden aan het verslinden van ziektekiemen, dode cellen en andere rommel in een piepklein stukje lichaam – kan die veranderen in een microscopische versie van gom. De pigmentdeeltjes nestelen zich in de ingewanden van de macrofagen en weigeren afgebroken te worden. Wanneer inkt zichtbaar is op de oppervlakte van het lichaam, is die niet gewoon verweven met huidcellen, maar schijnt die dwars door de buik van macrofagen die hem niet kunnen verteren.

    Sandrine Henri, immunoloog aan het Immunologiecentrum van Marseille-Luminy in Frankrijk, heeft samen met haar collega’s ontdekt dat de voorliefde van macrofagen voor inkt kan helpen verklaren waarom tatoeages zo hardnekkig blijven zitten, zelfs als de cellen dood zijn. Aan het eind van zijn leven, dat een paar dagen tot een paar weken duurt, begint een macrofaag uiteen te vallen en laat hij de pigmenten in zijn binnenste los. Maar zodra dat gebeurt wordt de inkt weggegrist en opgeschrokt door een andere macrofaag die, slechts een paar micrometer verderop – nog niet de breedte van een mensenhaar, de rol van zijn voorganger min of meer overneemt.

    Na een tijdje worden de randen van tatoeages soms wat minder scherp, naarmate de inkt van cel naar cel gaat. Bovendien kan een deel van het pigment worden afgevoerd naar lymfeklieren. Die grotere afweercentra zijn normaal gesproken gebroken wit. Maar bij zwaar getatoeëerde mensen kunnen ze uiteindelijk ‘de kleur van inkt’ krijgen, zegt Gary Kobinger, immunoloog aan het Galveston National Laboratory van de Medische Universiteit van Texas. Doorgaans blijft de inkt echter zitten waar hij zit, in de macrofagen. Volgens Henri wordt deze eindeloze estafette van opname, afstoting en heropname gezien als een deel van de verklaring waarom het zo moeilijk is om tatoeages weg te laseren.

    Consequenties

    Wetenschappers zijn er nog niet zeker van of de inktophoping in de macrofagen consequenties heeft. ‘Wat nu als we ze op die manier dwingen om zorg te dragen voor vreemde pigmentklonten, in plaats van de immuniteit te bewaken?’ vroeg Morrison zich af toen ik haar sprak. Verstopte macrofagen zijn misschien wel minder goed in staat om gevaarlijker spul op te nemen, zoals ziektekiemen. Uit een vorig jaar gepubliceerde studie bleek dat tatoeagepigment wellicht invloed heeft op de proteïnen die ze produceren en de signalen die ze naar andere cellen sturen. Het zou ook kunnen dat de cel te hevig of te zwak begint te reageren op onbekend materiaal, en dat daardoor het immuunsysteem potentieel wordt benadeeld als een nieuwe tatoeage ontstoken of geïnfecteerd raakt of een allergische reactie teweegbrengt.

    Infecties bij tatoeages zijn zeldzaam – ze komen in hooguit 5 of 6 procent van de gevallen voor – en als ze zich voordoen, zijn ze meestal bacterieel van aard. Maar in heel zeldzame gevallen kunnen liefhebbers van bodyart een gevaarlijk virus oplopen, zoals hepatitis C. Gelukkig gaat het met de meeste getatoeëerde mensen ‘gewoon goed’, zeker met de modernste hygiënemaatregelen, zegt Danielle Tartar, dermatoloog aan de Universiteit van Californië in Davis.

    Henri maakt zich in elk geval geen zorgen. Het immuunsysteem is veelzijdig en vult zijn cellen constant aan; doet zich een grotere aanval voor, dan zijn de cellen die zich met inkt bezighouden waarschijnlijk in staat versterking in te roepen om de dreiging af te wenden. En het is ook heel goed mogelijk dat de macrofagen slechts tijdelijk in de war zijn door de inkt die ze hebben opgeslokt, en daarna weer een nieuwe balans vinden.

    Er is trouwens meer aan de hand met het immuunsysteem dan cellen die dol zijn op inkt. Een paar jaar geleden voegde een groep onderzoekers onder leiding van Jennifer Juno, immunoloog aan de Universiteit van Melbourne, tatoeage-inkt toe aan een vaccin; ze wilden zien waar de injectievloeistof bij muizen en makaken uiteindelijk terechtkwam. Uit niets bleek dat afweercellen ‘niet vrolijk’ werden van de pigmenten of het loodje legden, vertelde Juno me. Evenmin leek de inkt de goede werking van het vaccin in de weg te staan.

    Personen die zich vaak laten tatoeëren lijken hogere doses van bepaalde afweermoleculen, inclusief antilichamen, in hun bloed te hebben

    Het toebrengen van kleine beschadigingen aan de huid – door een expert met steriele, hypoallergene kledij en materialen – hield nabije afweercellen zelfs scherp. Recente studies wijzen uit dat macrofagen en andere zogeheten natuurlijke afweercellen wellicht in staat zijn om kortstondig enkele van hun eerdere confrontaties met andersoortig vreemd materiaal te onthouden en derhalve beter te reageren op toekomstige aanvallen. (Dit is uiteraard precies waar het bij vaccinatie om gaat, maar vaccins richten hun pijlen op aangepaste afweercellen, die veel vatbaarder zijn voor het proces.) Het is ook mogelijk – al wordt dit nog niet door data ondersteund – dat het leren samenleven met tatoeage-inkt afweercellen helpt om hun reactie op andere substanties te bepalen en misschien zelfs auto-immuunaanvallen te onderscheppen, zegt Tatiana Segura, biomateriaaldeskundige aan de Duke-universiteit. ‘Als je lichaam een tatoeage überhaupt verdraagt, betekent het dat het immuunsysteem zich heeft aangepast,’ zegt María Daniela Hermida, dermatoloog in Buenos Aires.

    Om meer inzicht te krijgen in de effecten van tatoeages op de immuniteit verrichtte Christopher Lynn, antropoloog aan de Universiteit van Alabama, diepgaand onderzoek naar zwaar getatoeëerde mensen in verschillende delen van de wereld. Hij en zijn collega’s ontdekten dat personen die zich vaak laten tatoeëren hogere doses van bepaalde afweermoleculen, inclusief antilichamen, in hun bloed lijken te hebben dan mensen bij wie zelden inkt wordt geïnjecteerd. Misschien, zei Lynn toen ik hem sprak, krijgt het immuunsysteem bij frequente tatoeage een regelmatige, lichte training en blijven bepaalde stukjes van ons verdedigingsarsenaal er gezonder door.

    Maar meer antilichamen is niet hetzelfde als betere immuniteit, en onderzoekers hebben tot nu toe geen idee hoelang zulke effecten aanhouden, zegt Saranya Wyles, dermatoloog aan de Mayo Kliniek. En omdat Lynn en zijn collega’s geen klinische proef hebben gedaan waarbij ze sommige personen lieten tatoeëren en andere niet, kunnen ze niet echt bewijzen dat de stapel antilichamen een direct gevolg is van een tatoeage. Het kan zijn, vertelde Lynn, dat mensen met van nature hogere doses van bepaalde afweermoleculen meer geneigd zijn veel tatoeages te nemen, omdat ze niet zo snel slecht reageren. In dat geval zouden tatoeages eerder een lakmoesproef voor het lichaam zijn – wat in bepaalde opzichten klopt met de culturele hang naar bodyart in veel culturen: pronken met je pijntolerantie. Hoe dan ook, Lynn waarschuwt dat tatoeëren zelfs in het best denkbare scenario zijn grenzen zal hebben.

    Inspiratiebron

    Los van de vraag of tatoeages op zichzelf de immuniteit verhogen, vormen ze wellicht een inspiratiebron voor de technologie die daar wel toe in staat is. Kobingers team is niet het enige dat met de techniek van tatoeagenaalden in de weer is bij het toedienen van injecties, met de bedoeling ze krachtiger, efficiënter en draaglijker te maken. In de huidige praktijk worden de meeste vaccins ver onder de huid toegediend, in de spieren, die niet rijk gezegend zijn met afweercellen. Het proces kost tijd en er zijn behoorlijk grote doses nodig om echt effect te hebben. De huid daarentegen is ‘een formidabele plek om vaccins toe te dienen,’ zei Kobinger toen ik hem sprak. ‘De cellen zijn al ter plekke, en er is een onmiddellijke reactie.’

    Een techniek om in de huid te vaccineren, de zogenaamde ‘intradermale’ manier, bestaat al en wordt gebruikt bij injecties tegen pokken, hondsdolheid en, sinds kort, apenpokken. De toediening van intradermale vaccins vereist echter nogal wat training – en als naalden hun doel missen, kan de effectiviteit van de injectie enorm kelderen. Door tatoeagenaalden en vaccinflacons te combineren, kun je die valkuilen in theorie omzeilen, zei Kobinger. Met een steeds verfijndere technologie, aldus Kobinger, hebben mensen op een dag wellicht minder injecties van een bepaalde hoge dosis nodig, en dat bespaart tijd, geld, inspanning en ongerief. Er komt geen inkt aan te pas. Maar misschien hebben deze naalden wel de kans een blijvende indruk op ons te maken.

    Lees ook:

  • Waarom je speeksel bepaalt wat je proeft

    Waarom je speeksel bepaalt wat je proeft

    De vloeistof die onze mond produceert, is niet alleen een glijmiddel. Speeksel speelt een actieve rol in hoe we smaak ervaren en heeft invloed op onze voedselkeuze, zo hebben onderzoekers ontdekt.

    Op het eerste gezicht lijkt speeksel nogal saai spul. Handig om ons voedsel mee te bevochtigen, meer niet. De realiteit is heel anders, beginnen wetenschappers nu te begrijpen. De vloeistof gaat een ingewikkelde interactie aan met alles wat in de mond komt, en hoewel speeksel voor 99 procent uit water bestaat, heeft het een grote invloed op de smaak van wat we eten en drinken, en het genot dat we daaruit putten.

    ‘Het is een vloeistof, maar niet zomaar een vloeistof,’ zegt oraal bioloog Guy Carpenter van King’s College London.

    Wetenschappers weten al een tijd dat speeksel voor van alles en nog wat dient: het beschermt het gebit, vergemakkelijkt het spreken en biedt binnenkomend voedsel een uitnodigende omgeving. Nu zijn onderzoekers erachter gekomen dat speeksel ook bemiddelend optreedt en als vertaler dienst doet, dat het invloed uitoefent op hoe voedsel door de mond beweegt en onze zintuigen prikkelt. En er zijn steeds meer aanwijzingen dat uitwisselingen tussen speeksel en voedsel voor een deel bepalen wat we graag eten.

    ‘Orale voedselverwerking’

    De substantie is niet erg zout, waardoor we het zout van een aardappelchip kunnen proeven, en niet erg zuur, waardoor een scheutje citroen zo kan prikkelen. Elke hap voedsel wordt met water- en speekseleiwitten ingevet, waarop enzymen zoals amylase en lipase het verteringsproces op gang brengen. Het speeksel levert smaakstoffen af bij de smaakpapillen, waar de twee met elkaar kunnen communiceren. Speeksel, zo zegt de Chinese voedingswetenschapper Jianshe Chen, zorgt ervoor dat we ‘de chemische informatie van voedsel – het aroma, de smaak – detecteren.’

    Chen bedacht de term ‘orale voedselverwerking’ in 2009 om het multidisciplinaire veld te beschrijven dat bestaat uit voedingswetenschap, de fysica van voedingsstoffen, de fysiologische en psychologische reacties van het lichaam op voedsel en meer. Hij schreef over het onderwerp in de Annual Review of Food Science and Technology 2022. Als mensen eten, legt hij uit, proeven ze eigenlijk niet het eten zelf, maar een mengsel van voedsel en speeksel. Zo kun je alleen een zoet- of zuursmakend molecuul in een hap eten proeven als dat molecuul de smaakpapillen kan bereiken – en daarvoor moet het door de laag speeksel heen die de tong bedekt.

    Anders proeven

    Dat is allemaal niet zo vanzelfsprekend, zegt de eerder aangehaalde oraal bioloog Guy Carpenter, die erop wijst dat frisdrank zoeter smaakt als er geen prik in zit. Lang werd aangenomen dat dit kwam doordat sprankelende bubbeltjes kooldioxide in verse frisdrank zorgden voor een zuur stootje dat de hersenen afleidde van de zoetheid. Niet dus. Carpenter en zijn collega’s bestudeerden het proces in een kunstmatige laboratoriummond en ontdekten dat het speeksel de frisdrankbubbels belette om hun weg te vinden tussen tong en verhemelte. Carpenter denkt dat deze ophoping van bubbels voorkomt dat de suikers de smaakreceptoren op de tong bereiken. Met frisdrank zonder koolzuur zijn er geen luchtbellen die de zoete smaak blokkeren.

    Speeksel heeft ook invloed op de aroma’s – aroma’s die voor het overgrote deel onze smaakperceptie bepalen en voortkomen uit voedsel in de mond. Door het kauwen lossen sommige smaakmoleculen op in het speeksel en andere niet. Die laatste moleculen kunnen in de neusholte terechtkomen en worden er opgemerkt door de talloze receptoren aldaar. Wat betekent dit? Dat mensen met verschillende speekseldebieten of speekselsamenstelling – met name van eiwitten in de vorm van slijmstoffen – iets heel anders kunnen proeven terwijl ze hetzelfde eten of drinken.

    De proefpersonen die meer speeksel produceerden ervoeren meestal intensere smaken

    Spaanse onderzoekers maten bijvoorbeeld de speekselvloed van tien wijnproevers. Aan de wijn waren fruitige esters toegevoegd. De vrijwilligers die meer speeksel produceerden ervoeren meestal intensere smaken – misschien omdat ze vaker slikten en daardoor meer aroma’s in hun neusholtes kregen. Met andere woorden: wijnliefhebbers die prat gaan op hun vermogen aromanuances te detecteren, hebben dit op zijn minst voor een deel aan hun spuug te danken.

    Speeksel speelt ook een prominente rol in onze perceptie van textuur. Neem wrangheid, dat droge gevoel in je mond als je rode wijn drinkt of onrijp fruit eet. Dat is niet de schuld van de wijn, nee, tanninemoleculen in de wijn zorgen ervoor dat eiwitten uit het speeksel neerslaan, waardoor dat speeksel niet meer zo goed smeert.

    Dankzij speeksel weten wij ook voedsel met een hoog en laag vetgehalte te onderscheiden. Ook als twee yoghurts er hetzelfde uitzien en net zo vloeibaar zijn, voelt een vetarme versie droger in de mond, aldus Anwesha Sarkar, voedingswetenschapper aan de universiteit van Leeds. ‘We proberen niet de eigenschappen van het voedsel te doorgronden, maar de wisselwerking ervan met de oppervlakte,’ zegt Sarkar. Een mengsel van melkvet en speeksel creëert een laag druppeltjes in de mond die de wrangheid kan verdoezelen en de yoghurt een rijkere smaak geeft.

    Mechanische tong

    Sarkar gebruikt voor haar onderzoek een mechanische tong, gedoopt in kunstmatig speeksel, die simuleert wat er gebeurt als voedsel door de mond beweegt en hoe dat de zintuiglijke ervaring van het eten beïnvloedt. Een smoothie met weinig vet, zegt Sarkar, lijkt op het eerste gezicht romig, maar mist de weelderige textuur die vet levert indien vermengd met speeksel.

    Een volledig inzicht in deze interacties tussen speeksel, voedsel en de mond – en de overdracht van de informatie naar de hersenen – kan leiden tot de productie van gezonder voedsel, aldus Sarkar. Ze denkt aan ‘getrapt voedsel’ dat genoeg suiker aan de buitenkant bevat om in speeksel te kunnen oplossen met een gevoel van zoetheid als gevolg, maar dat in zijn geheel lagere concentraties suiker en dus ook een lager calorieniveau kent. Een dergelijke opzet kan volgens haar leiden tot voedsel met minder vet.

    Maar het is niet makkelijk om deze interacties zo goed te begrijpen dat je zulke voedingsmiddelen kunt ontwikkelen. Speeksel en smaakperceptie variëren de hele dag door, en dan zijn er op dat gebied ook nog eens verschillen tussen individuen. Meestal is speeksel traag in de ochtend en het vloeiendst vroeg in de middag. En de componenten van het speeksel van ieder individu – hoeveelheden van bepaalde eiwitten bijvoorbeeld – fluctueren de hele dag, net als stimulerende aroma’s.

    Speekseleiwitten

    Oraal biochemicus Elsa Lamy van de Universiteit van Évora in Portugal heeft dit onderzocht door geblinddoekte vrijwilligers zo’n vier minuten lang aan een stuk brood te laten ruiken. Ondertussen hield ze in de gaten of er veranderingen in hun speeksel optraden. Twee soorten eiwit – zetmeel verterende amylases en cystatines – die met smaakgevoeligheid en smaakperceptie in verband worden gebracht, namen toe na de blootstelling aan het brood. Soortgelijke experimenten volgden met vanille en citroen, en in alle gevallen veranderden de niveaus van speekseleiwitten, hoewel die afhingen van het voorgezette voedsel. Lamy en haar team proberen er nu achter te komen wat voor functie die stijging in eiwitten kan hebben.

    De samenstelling van speeksel verschilt van persoon tot persoon – en hangt deels af van iemands vroegere voedselkeuzes, zegt Ann-Marie Torregrossa, een gedragsneurowetenschapper aan de Universiteit van Buffalo. Toen zij ratten onderwierp aan een dieet met additieven die bitter smaakten, registreerde zij scherpe toenamen van speekseleiwitten in tal van categorieën. Ondertussen leken de ratten dat bittere spul in hun eten steeds meer te accepteren. ‘De conclusie is dus dat broccoli best lekker is als je niets anders meer eet,’ zegt Torregrossa.

    In een ander experiment gebruikte ze katheters om speeksel van ratten die bitter voedsel gewend waren over te brengen naar andere rattenbekjes. Die diertjes gingen bitter voedsel prompt beter verdragen. Maar controledieren die de bitterheid verdragende speekseleiwitten werden onthouden, moesten niets van het bittere voedsel hebben.

    Torregrossa en haar medewerkers zijn er nog niet uit welke eiwitten precies verantwoordelijk zijn voor deze tolerantie. Er zijn wel een paar kandidaten, zoals prolinerijke eiwitten en proteaseremmers, maar er zijn misschien nog andere. Ze moeten weten om welke eiwitten het gaat voordat ze kunnen beoordelen hoe reacties op bittere smaken in de mond en in de hersenen worden beïnvloed.

    Ratten zijn natuurlijk geen mensen. Wel zijn er aanwijzingen gevonden dat hun speeksel soortgelijke dingen doet met smaakperceptie als bij mensen. Het beeld is echter ingewikkelder. ‘Het menselijk dieet en de menselijke ervaring worden beïnvloed door tal van andere factoren die knaagdieren gewoon vreemd zijn,’ zegt Lissa Davis, wetenschapper aan de Purdue University in Indiana, die smaak en gedrag bestudeert.

    Gezondere eetgewoonten

    Maar als deze patronen kunnen worden gedecodeerd en begrepen, dan belooft dat wat, zegt Lamy. Als je kinderen een additief zou kunnen geven dat veranderingen in hun speeksel stimuleert en hun ervaring met een bittere groente daardoor letterlijk en figuurlijk verteerbaarder maakt, zou dat gezondere eetgewoonten kunnen bevorderen. Als hun eerste ervaring met nieuw voedsel verschoond blijft van een hoge bitterheidsgraad, dan zullen ze goede smaakervaringen met die groente hebben.

    Meer in het algemeen zal een beter begrip van de invloed van speeksel op smaak – en die van voedsel op de samenstelling van speeksel – veel nieuwe manieren mogelijk kunnen maken om eetvoorkeuren om te buigen naar vaak weinig populair maar gezond voedsel. ‘Hoe,’ zegt Torregrossa, ‘kunnen we haters van dat voedsel veranderen in liefhebbers? Die vraag houdt me bezig.’

    Lees ook:

  • Koude kermis: hoe warm te blijven tijdens een energiecrisis

    Koude kermis: hoe warm te blijven tijdens een energiecrisis

    Bij veel mensen valt de energierekening koud op het dak. Ze denken twee keer na voordat ze de verwarming hoger zetten. Hoe past ons lichaam zich aan de kou aan? En een muts dragen, helpt dat nou echt?

    Net als andere zoogdieren en vogels zijn wij, mensen, warmbloedig. Door middel van thermoregulatie houden we constant onze lichaamstemperatuur op peil, gemiddeld tussen de 37 en 37,5 graden Celsius. Wanneer de externe omgeving verandert, ‘wordt een reeks fysiologische reacties in gang gezet. Zo wordt de temperatuur van ons weefsel – huid, bloed en spieren – verlaagd,’ aldus dr. Joseph Costello, die als fitness- en omgevingsfysioloog aan de Universiteit van Portsmouth werkt in laboratoria voor extreme klimaatomstandigheden. ‘Als de blootstelling van het lichaam langere tijd duurt, kan de zogenaamde diepe temperatuur ook veranderen.’

    Thermoregulatie wordt aangestuurd door de hypothalamus. Dat is een structuur diep in de hersenen die het interne evenwicht (‘homeostase’) in stand houdt door processen als de hartslag en lichaamstemperatuur te reguleren. Als de hypothalamus merkt dat het lichaam koud wordt, stuurt hij signalen naar de huid, klieren, spieren en organen, waardoor reacties op gang komen die het lichaam warm houden en de vitale organen beschermen.

    Wanneer het lichaam afkoelt, heeft bescherming van de interne organen de hoogste prioriteit. Als de omgevingstemperatuur daalt tot vijftien graden, worden de bloedvaten die dicht onder de huid gelegen zijn nauwer. De bloedstroom wordt omgeleid van de uiterste lichaamsdelen – denk aan de handen, voeten, armen, benen en de buitenste huidlaag – naar de kern, om de organen warm en beschermd te houden. Vandaar dat de huid kou als eerste signaleert. Sommige mensen voelen kou sterker dan anderen, met name vrouwen, bejaarden en jonge kinderen. Vrouwen hebben namelijk meer lichaamsvet dan mannen; een dikke laag onderhuids vet isoleert de inwendige organen, maar blokkeert tegelijkertijd de toevoer van warm bloed naar de huid en de uiterste ledematen. Vrouwen hebben doorgaans ook minder spieren, die door rillen warmte kunnen opwekken. Minder spiermassa zorgt er daarnaast voor dat het vermogen van de basale stofwisseling afneemt: het vermogen om voedsel om te zetten in energie.

    Als de huid net zo koud wordt als de omgevingstemperatuur, kan het gebrek aan bloed in de huid leiden tot een blauwachtige tint

    Die stofwisseling verslechtert met de jaren, waardoor het ouderen ook meer moeite kost om bloed te pompen naar de plekken die daarom vragen. Bij baby’s zijn de stofwisselingsmechanismen simpelweg nog niet genoeg ontwikkeld om goed op kou te reageren, aldus neonatoloog dr. Chris Dewhurst van de Liverpool Women’s NHS Foundation Trust. ‘Baby’s kunnen bijvoorbeeld niet rillen,’ zegt hij. ‘Bovendien is hun lichaamsmassa in verhouding tot hun oppervlakte erg groot, wat betekent dat ze het eerder koud krijgen.’ Baby’s beschikken echter wel over bruin vet – hetzelfde soort vet dat dieren in winterslaap hebben. ‘Bruin vet genereert warmte door calorieën te verbruiken,’ legt Dewhurst uit. ‘Het gaat dan om calorieën die normaal gebruikt zouden worden om spieren en hersenweefsel te kweken.’

    Wel kunnen wanneer die calorieën inderdaad worden gebruikt om het lichaam warm te houden, de groei en hersenontwikkeling worden aangetast, waarschuwt hij. Wanneer de lichaamstemperatuur daalt, stijgt de bloeddruk, doordat er meer bloed dan normaal door een kleinere ruimte wordt gepompt. In een poging de hoeveelheid vloeistof te verlagen en de bloeddruk naar beneden te brengen, reageren de nieren door overtollig vocht uit het bloed te filteren. Het resultaat kan zijn dat je als het kouder is vaker moet plassen. Dit proces wordt koude diurese genoemd. Als de huid net zo koud wordt als de omgevingstemperatuur, kan het gebrek aan bloed in de huid leiden tot een blauwachtige tint. Als het lichaam lange tijd aan kou wordt blootgesteld, kan deze verdedigingsstrategie ervoor zorgen dat de bloedstroom in sommige delen van het lichaam gevaarlijk laag komt te liggen.

    Onderkoeling

    Zo bezien heeft het lichaam er in feite voor gekozen om de meer vervangbare delen – denk aan vingers, tenen, oren, neus en wangen – op het spel te zetten om de kerntemperatuur te behouden. Als de huidtemperatuur daalt tot min twee, begint het lichaamsweefsel te bevriezen. De huid ziet er dan wasachtig uit, hij tintelt of prikt en voelt gevoelloos aan. Vervolgens bevriezen de diepere weefsels. Dat heet met een medische term ‘congelatio’. De huid kan dan blauw, grijs of zwart worden. Bij min vier kunnen zich ijskristallen in het bloed vormen. In het geval van ernstige bevriezing kan de huid zo hard als hout aanvoelen. Als het zover is, kunnen ook spieren en botten bevriezen.

    Wanneer het vernauwen van de bloedvaten niet langer volstaat voor het behouden van de kerntemperatuur, gaat het lichaam rillen om de warmteproductie op te voeren. De skeletspieren trekken samen om warmte te genereren, wat het eerste symptoom van onderkoeling is. Onderkoeling tast alle systemen van het lichaam aan: de stofwisseling, het mentale bewustzijn, de zenuwgeleiding en neuromusculaire reactietijden, alsook het cardiovasculaire systeem [dat hart en vaten betreft] en het ademhalingssysteem. Naarmate de lichaamstemperatuur daalt, wordt het moeilijker om duidelijk te praten, verslechtert de coördinatie en treedt er geheugenverlies op. Als de lichaamstemperatuur daalt tot 32 graden, stopt het lichaam met rillen. Komt de kerntemperatuur onder de 30 graden, dan gaat het hart onregelmatig kloppen en hapert de nierfunctie. Vloeistof hoopt zich op in het weefsel en in de luchtruimten van de longen. Bij 29 graden kan er bewusteloosheid optreden. En bij 26 graden de dood.

    Koudeletsel

    Wat nou als je het maar middelmatig koud hebt, maar voor een lange periode – bijvoorbeeld omdat je je huis niet kunt verwarmen? ‘Bij langdurige blootstelling aan minder strenge kou kunnen mensen alsnog lijden aan koudegerelateerde kwalen,’ zegt Costello’s collega en tevens omgevingsfysioloog Clare Eglin. ‘Symptomen van koudeletsel zonder dat er sprake is van bevriezing zijn bijvoorbeeld veranderde zintuiglijke functies, koudegevoeligheid en pijn als gevolg van schade aan de bloedvaten en zenuwen in de handen of voeten. Als die schade ernstig is, kunnen de symptomen vele maanden aanhouden.’

    Ook het langdurig inademen van koude lucht kan de luchtwegen en longen irriteren, zelfs bij gezonde mensen. Bovendien kunnen bestaande ademhalingsproblemen verergeren, zoals astma, bronchitis of chronische obstructieve longziekte. Bij het inademen zorgen de neus en de mond er meestal voor dat de lucht wordt opgewarmd en bevochtigd voordat deze de longen bereikt. Bij het inademen van koude lucht reageren de bovenste luchtwegen door zich te vernauwen, waardoor het moeilijker wordt om te ademen. Bovendien bevat koude lucht minder vocht dan warme lucht, wat betekent dat de luchtwegen door het inademen kunnen uitdrogen. 

    ‘Ademhalingsinfecties gedijen goed bij koudere temperaturen,’ aldus Erika Radford, hoofd gezondheidsadvies bij Asthma + Lung UK. ‘De winter is sowieso al een risicovolle tijd voor mensen met longaandoeningen. Het laatste wat we willen, is dat er vanwege blootstelling aan kou nog meer naar lucht happende mensen naar het ziekenhuis worden gebracht.’

    Er zijn een paar strategieën die wetenschappelijk aantoonbaar helpen tegen de kou. Maar er bestaan ook heel wat fabeltjes, die je maar beter kunt vergeten.

    • Draag een muts: wetenschappers hebben ontdekt dat we meer warmte verliezen via ons lichaam dan via ons hoofd. Toch is het de moeite waard een muts te dragen: als je lichaam warm is maar je hoofd koud, gaat je lichaam niet over op rillen, waardoor je kerntemperatuur snel afneemt.
    • Draag laagjes: als je veel dunne laagjes aan hebt, sluit je lucht in. Zo boots je als het ware het horripilatie-effect na – beter bekend als kippenvel. Veel dieren maken daar ook handig gebruik van: kleine spiertjes, die arrector pili worden genoemd en zich aan de basis van elk haarzakje bevinden, trekken samen, waardoor haren overeind gaan staan en lucht wordt vastgehouden.
    • Blijf actief: lichamelijke inspanning zorgt ervoor dat spieren samentrekken, waardoor meer voedingsstoffen worden afgebroken. Dat genereert warmte. Alleen al het op- en afstappen van een traptrede kan 200 watt aan extra warmte produceren, waardoor de lichaamstemperatuur snel toeneemt. Maar ga hierin niet te ver – als je oververhit raakt en begint te zweten, kunt je snel warmte kwijtraken op het moment dat je zweet verdampt.
    • Drink geen alcohol: alcohol stuurt bloed naar de huidoppervlakte, waardoor het wordt afgevoerd van de lichaamskern. De diepe lichaamstemperatuur daalt, waardoor de kans op onderkoeling toeneemt. Alcohol blijkt er bovendien voor te zorgen dat we kou minder goed waarnemen en minder snel en effectief automatisch gaan rillen.

    Brandstofgebrek

    Volgens deskundigen van het University College London (UCL) zullen deze winter duizenden mensen sterven en miljoenen kinderen lijden door brandstofgebrek van een ‘epidemische omvang’. ‘We bevinden ons op onbekend terrein,’ aldus dr. Tammy Boyce, hoofdonderzoeker aan de UCL en medeauteur van The Marmot Review [van het instituut van gezondheidsgelijkheid]. ‘Huizen die voorheen niet koud waren, zullen dat nu voor het eerst wel zijn. Mensen die nooit brandstof tekortkwamen, zullen nu lijden onder het gebrek.’ 

    Gehandicapten, bejaarden en kinderen zullen het hardst worden getroffen, voegt ze eraan toe. Ze benadrukt dat de kou werkelijk invloed heeft op alles, van schoolresultaten en geestelijke gezondheid tot lichamelijk welzijn. Boyce: ‘Het enige goede wat hieruit kan voortkomen, is dat mensen zich realiseren wat voor een invloed huisvesting heeft op de gezondheid.’

    <iframe width=”100%” height=”166″ scrolling=”no” frameborder=”no” allow=”autoplay” src=”https://w.soundcloud.com/player/?url=https%3A//api.soundcloud.com/tracks/1404040996&color=%23ff5500&auto_play=false&hide_related=false&show_comments=true&show_user=true&show_reposts=false&show_teaser=true“></iframe>