Tag: Mexico

  • Wat er gebeurde met banen die van Ohio naar Mexico werden verplaatst

    Wat er gebeurde met banen die van Ohio naar Mexico werden verplaatst

    Tien jaar geleden verhuisde Delphi Automotive zijn onderdelenfabriek van Warren, Ohio naar Ciudad Juárez in Mexico. Zo kreeg Berta Alicia Lopez de baan van Chris Wade.

    In het donker steekt Chris Wade zijn hand uit om zijn blèrende wekker tot zwijgen te brengen. 
Het is halfvijf op een ijskoude winterochtend in Warren, Ohio en buiten ligt een verse laag sneeuw. Godzijdank, denkt Wade bij zichzelf. Nu kan hij er met zijn sneeuwschuiver opuit om 
snel een paar dollar te verdienen.

    Vroeger was geld nooit een probleem voor Wade (47). Hij bezat een huis met zwembad in de tijd dat hij voor Delphi Automotive werkte, een fabriek van auto-onderdelen die jarenlang een 
van de grootste werkgevers was in dit bebosWadte stukje in het noordoosten 
van Ohio. Tien jaar geleden besloot Delphi grote delen van de productie naar Mexico en China te verplaatsen. Wade kreeg een afvloeiingsregeling en nu behoren het huis en het zwembad tot het verleden.

    Berta Alicia Lopez (54) is het nieuwe gezicht van Delphi. Op een kille ochtend wordt ze voor dag en dauw wakker en neemt een onverwarmde bus die haar na een uur rijden afzet bij de Delphi-fabriek. Lopez verdient 1 dollar per uur met het in elkaar zetten van kabels en elektronica die uiteindelijk 
in auto’s zullen worden geïnstalleerd – hetzelfde werk dat Wade vroeger voor 30 dollar per uur deed. Als boerendochter uit een verarmd stukje Mexicaans platteland is Lopez trots op haar tweedehands Toyota en haar betonnen flatje. Vaak dankt ze God dat ze werk heeft, ook al is het in een stad die kampt met drugsgeweld en ziet ze weinig kansen op salarisverhoging of promotie.

    Tussen deze twee arbeiders ligt 2500 kilometer en een grens, en ze hebben elkaar nooit ontmoet; maar samen belichamen ze de enorme 
economische verschuiving die de opkomst van de vrijhandel met zich mee heeft gebracht.

    Onlosmakelijk verbonden

    In de Verenigde Staten heeft die verschuiving bijgedragen aan het verlies van de banen die arbeiders ooit in staat stelden om een eigen huis te kopen, een zorgverzekering te betalen en 
hun kinderen naar de universiteit te sturen. In Mexico kwamen er door 
die verschuiving juist banen hij – al brachten die niet de brede welvarende middenklasse die ze ooit in Amerika hadden opgeleverd.

    President Trump heeft gezworen de fabrieken terug te brengen. Maar het zou wel eens te laat kunnen zijn om het krachtige tij nog te keren dat 
bepalend is geweest voor het leven van Wade en Lopez, en voor de ontwikkelingen in twee steden, een Amerikaanse en een Mexicaanse, die op de kaart van de wereldeconomie onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven.

    In het verhaal van Trump hebben de vrijhandelsakkoorden en de globalisering duidelijke winnaars en verliezers opgeleverd. Maar Delphi was al jarenlang bezig zijn Amerikaanse personeelsbestand in te krimpen, voordat het bedrijf in 2006 zijn productielijnen naar het buitenland overbracht. ‘Elke keer 
als ik een Delphi zie en andere bedrijven die het land verlaten, wordt die muur een beetje hoger, en hij blijft maar omhoog gaan,’ zei Trump op een 
campagnebijeenkomst in Ohio, een paar dagen voor de verkiezingen. ‘We gaan de strijd aan met Delphi en andere bedrijven en we zeggen: verlaat ons niet, want dat zal gevolgen hebben.’

    Op haar tiende 
haalde haar moeder haar van school: “Waarom zou je verder leren, als je 
toch alleen maar gaat werken en baby’s gaat krijgen?”

    Trump heeft gezworen invoerrechten te zullen heffen op producten uit Mexico en opnieuw te gaan onderhandelen over de North America Free Trade Agreement (NAFTA), het verdrag dat een eind maakte aan de meeste handelstarieven op het continent en waardoor, in de ogen van Trump, Mexico zich heeft verrijkt ten koste 
van Midden-Amerika.

    Maar de werkelijke erfenis van NAFTA, dat van kracht werd in 1994, is gecompliceerder. Niemand zal bestrijden dat het verlies aan maakindustrie pijnlijke littekens heeft achtergelaten in delen van de VS, zoals in de Rust Belt, waar lager betaalde banen in de dienstensector steeds meer de plaats innemen van middenklassebanen in de industrie. Maar volgens veel economen ligt de oorzaak daarvoor eerder bij technologische veranderingen en de concurrentie met China dan bij NAFTA. De scherpe afname van het aantal fabrieksbanen tussen 2000 en 2010, van 17 miljoen naar 11 miljoen, is volgens Gordon 
Hanson, econoom en handelsexpert aan de Universiteit van San Diego, voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de vrije import van goederen die goedkoop in China worden gemaakt en aan het toenemende gebruik van machines die het werk doen dat vroeger door mensen werd gedaan. Ten zuiden van de grens heeft de vrije handel Mexico inderdaad geholpen om te moderniseren; sinds de ondertekening van 
het NAFTA-akkoord zijn in het land 
miljoenen banen gecreëerd, heeft de investeringsstroom een stimulans gekregen en is de Mexicaanse maakindustrie diverser geworden. Mexicaanse arbeiders fabriceren nu allerlei producten, van Whirlpool-wasmachines tot Bombardier-vliegtuigen. Maar de 
lonen zijn laag gebleven, zodat Mexico aantrekkelijk blijft voor fabrikanten 
die anders in de verleiding zouden kunnen komen om zich in China of elders in Azië te vestigen. Sinds NAFTA in werking trad, is er niets veranderd 
in het aantal Mexicanen dat onder de armoedegrens leeft – meer dan de helft.

    Nu Trump bedrijven onder druk zet 
om plannen voor nieuwe fabrieken in Mexico af te blazen en bezweert dat 
hij handelsakkoorden gaat openbreken, doemen er aan de horizon nog meer dramatische veranderingen op. 
Zijn regering heeft voorgesteld om 20 procent invoerrechten te heffen 
op de import van goederen uit Mexico en andere landen waarmee de VS 
een handelstekort hebben. Volgens economen vormt dat plan een reële bedreiging voor Mexico, dat zo’n 80 procent van zijn export naar de VS verscheept en waarvan de nationale munt, de peso, sterk is gedaald als gevolg van de zorgen over wat de 
regering-Trump zal gaan doen.

    Bertha Lopez in haar huis. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times
    Bertha Lopez in haar huis. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times

    Lopez denkt niet na over Trump – zij heeft het te druk voor politiek. Wade zegt dat hij alleen maar wil dat alles weer wordt zoals vroeger. Maar zelfs hij vraagt zich soms af: ‘Is het te laat?’

    De sneeuw blijft vallen, dus Wade 
belt een paar maten met wie hij vaak samenwerkt en start zijn sneeuwschuiver. Zijn eerste klus: de oprit schoonvegen van een industrieterrein dat ooit van Delphi was. ‘Toen waren de tijden nog goed,’ zegt Wade in zijn slepende tongval. ‘Ik kwam hier graag.’

    De geschiedenis van Delphi begint in 1890, toen het bedrijf onder de naam Packard Electric in Warren begon met de productie van gloeilampen. Later kwamen daar auto-onderdelen bij. In 1932 werd het bedrijf onderdeel van General Motors en breidde het zich steeds verder uit, tot het overal in de VS fabrieken had.

    De vestigingen in Warren betaalden middenklassesalarissen en droegen zo bij aan de bouw van een welvarende stad met aantrekkelijke bakstenen gebouwen aan levendige straten. Wades beide ouders werkten voor 
Packard Electric en verdienden genoeg om zomers met het gezin op vakantie te gaan en zich een zwembad in de achtertuin te kunnen veroorloven. Wade groeide op met de verhalen die elke avond aan tafel werden verteld over wat er die dag op de werkvloer in de fabriek was gebeurd. Packard was toen al begonnen met het reduceren van het personeelsbestand in de VS, door delen van de productie over te brengen naar Mexico. Daar kon het bedrijf profiteren van de lagere loonkosten in steden als Ciudad Juárez, dat fabrieken van buitenlandse bedrijven lokte door ze heel weinig belasting te laten betalen. De dreiging dat er nog meer banen naar het buitenland zouden verdwijnen dwong de vakbonden in Ohio tot concessies op het gebied van salarissen en arbeidsvoorwaarden.

    Toen NAFTA toesloeg, veranderde 
Ciudad Juárez van het ene moment op het andere van een woestijnoase die vooral bekendstond om zijn nachtclubs en casino’s, in een uitgestrekt netwerk van betonnen bedrijfsgebouwen langs stoffige zandwegen

    Toch gingen Wades broer en schoonzus na de middelbare school bij de fabriek in Warren werken, en Wade ging ervan uit dat hij dat ook zou doen. Toen het zover was, werkten er nog krap negenduizend mensen bij de vestiging in Warren, tegen dertienduizend tien 
jaar daarvoor. Maar Wade was tevreden met zijn leven. Hij werkte in de avonddienst aan de lopende band en kon elke donderdagavond zijn looncheque gaan verzilveren in de bar aan de overkant van de straat. Op zijn vrije dagen ging hij eenden jagen met zijn chocoladebruine labrador Hunter.

    Aan het begin van deze eeuw, nadat Packard was omgedoopt tot Delphi Automotive Systems en los van General Motors verder was gegaan, bezat Wade zijn huis met zwembad. Zijn vrouw reed in een gloednieuwe Trailblazer 
en hijzelf in een nieuwe Chevrolet pick-up. Hij had geen idee wat hem boven het hoofd hing.

    Lopez groeide op in Bermejillo, een stoffig stadje in de staat Durango, 
waar haar stiefvader hele dagen in de brandende zon werkte op zijn katoen- en meloenakkers. Op haar tiende 
haalde haar moeder haar van school: ‘Waarom zou je verder leren, als je 
toch alleen maar gaat werken en baby’s gaat krijgen?’

    En inderdaad: op haar zeventiende kreeg ze een zoon, de eerste van haar vijf kinderen. De mensen in Bermejillo verdienden al eeuwenlang de kost op hun akkers en Lopez had weinig reden om aan te nemen dat voor haar iets anders weggelegd zou zijn.

    Maar het NAFTA-verdrag maakte het 
de kleine Mexicaanse boeren moeilijk. Zij moesten nu concurreren met de importproducten van reusachtige agrobedrijven uit de VS, die vaak flinke subsidies kregen van de Amerikaanse regering. In plaatsjes als Bermejillo raakte een hele generatie jonge 
mensen werkloos en velen trokken naar het noorden, de VS in. Anderen gingen naar grenssteden zoals Ciudad Juárez.

    Toen NAFTA toesloeg, veranderde 
Ciudad Juárez van het ene moment op het andere van een woestijnoase die vooral bekendstond om zijn nachtclubs en casino’s, in een uitgestrekt netwerk van betonnen bedrijfsgebouwen langs stoffige zandwegen. De bevolking groeide sneller dan de overheid snelwegen, scholen en andere infrastructurele voorzieningen kon bouwen.

    Lopez werkte voor 5 dollar per avond in een café, toen een vrachtwagenchauffeur op doorreis haar vertelde over de nieuwe banen in de fabrieken in het noorden. In 1996 arriveerde ze met haar man en vijf kinderen in Ciudad Juárez. Haar oudste zoon was toen zestien en vond meteen werk in een maquiladora, zoals ze de Amerikaanse fabrieken noemden die zich in hoog tempo aan de Mexicaanse kant van de grens 
vestigden. Dat gold ook voor Lopez, 
die zo nerveus was dat ze op haar eerste dag op het werk aanbood om de toiletten schoon te maken in plaats van op de fabrieksvloer te werken.

    ‘God hielp me,’ vertelt ze nu. ‘We hadden tenminste werk, hoe goed of slecht dat ook was.’ Ze raakte gewend aan het fabriekswerk – roddelde met de andere arbeiders tijdens de pauzes, volgde lessen die na werktijd werden aangeboden en waarmee ze een diploma algemene ontwikkeling behaalde, legde zich neer bij het leven in een grote stad ver van huis. Toen, in 2001, pleegde haar op één na oudste zoon zelfmoord. Na zijn dood was ze zo verslagen dat ze voor het eerst thuisbleef van haar werk.

    Een van haar leidinggevenden kwam haar thuis opzoeken en haalde haar over om weer naar de fabriek te komen. Lopez overwoog vervolgens om naar Durango terug te gaan, maar ze wist dat daar geen goede banen waren. Ze legde zich neer bij het feit dat de Delphi-fabriek waarschijnlijk de beste plek was waar ze ooit zou kunnen werken en dat Ciudad Juárez nu haar thuis was. ‘Zonder die baan had ik niet te eten,’ zegt ze.

    1. Chris Wade werkt ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer; 2. Na een dag belt Wade over zijn werkrooster voor de rest van de week. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times
    1. Chris Wade werkt ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer; 2. Na een dag belt Wade over zijn werkrooster voor de rest van de week. – © Katie Falkenberg / Los Angeles Times

    Delphi had een notering aan de beurs van New York, maar was nog steeds afhankelijk van zijn grootste klant, General Motors. Toen die in 2004 instortte, raakte ook de transnationale auto-onderdelenfabrikant in een vrije val. Het jaar daarna volgde bovendien een boekhoudfraudeschandaal waarin verscheidene topmanagers werden bestraft, en Delphi stevende af op een faillissement.

    Er kwam een nieuwe topman, Robert Miller, die klaagde dat de Amerikaanse personeelsleden van het bedrijf te 
veel betaald kregen, waardoor de loonkosten in de VS-vestigingen drie keer zo hoog waren als die van andere 
auto-onderdelenleveranciers. In maart 2006 kondigde Delphi de sluiting van 21 van zijn 29 Amerikaanse fabrieken aan, waarmee 29.000 banen verloren gingen, zo’n twee derde van het totale personeelsbestand. De productie werd overgebracht naar fabrieken in China en Mexico, waar Delphi nu zo’n 70.000 mensen in twintig steden aan het werk heeft.

    De meeste bedrijfsonderdelen in 
Warren bleven wel open, maar met veel minder mensen. Terwijl Miller een vertrekregeling meekreeg die volgens sommigen 35 miljoen dollar waard was, kregen de arbeiders het dringende advies om een afvloeiingsregeling 
te accepteren en werden ze gewaarschuwd dat hun salaris, als ze bleven, gemiddeld van 29 naar 16,50 dollar 
per uur zou dalen.

    Op de dag dat hij Delphi verliet met een vertrekregeling van in totaal 140.000 dollar, was Wade, zoals hij het noemt, ‘laaiend’. ‘De directeuren en 
de mannen aan de top verdienen 
miljoenen, terwijl alle anderen maar nauwelijks overleven,’ zegt hij. ‘Dat deugt niet.’

    in Trumbull County, het vroeger 
fabricage- en staalbastion waar Warren toe behoort, voelde men de ontslagen bij Delphi als een laatste dodelijke dreun. Wades jaren na Delphi waren niet gemakkelijk. Kort na zijn vertrek bij de fabriek maakte hij een scheiding door en hij ontsnapte op een haar na aan gevangenisstraf, nadat hij dronken achter het stuur was aangehouden met in zijn achterbak een paar wapens waarvoor hij geen vergunning bezat. Hij had zijn groot rijbewijs gehaald om vrachtwagenchauffeur te kunnen worden, maar zijn veroordeling voor rijden onder invloed haalde een streep door dat carrièreplan. Hij behaalde een certificaat om verzekeringen te mogen verkopen, maar ook dat werd geen succes.

    Nu werkt hij ’s zomers als dakdekker 
en ’s winters als sneeuwruimer. Na tien jaar verdient hij ongeveer wat hij ook bij Delphi kreeg, maar zonder de zekerheid van een pensioen, doorbetaalde vakanties of een ziektekostenverzekering. Had hij zijn baan bij Delphi behouden, dan had hij over zeven jaar met pensioen gekund.

    Wade wil geen woord horen over de Mexicaanse arbeiders die zijn plaats hebben ingenomen. Hij kookt van woede als hij hoort hoe weinig zij betaald krijgen en windt zich al even erg op over immigranten die illegaal 
in de VS werken.

    Stem aan Trump

    Hij vond het goed dat Trump Mexico op dit onderwerp aanviel. Dat is dan ook de reden waarom Wade, die zijn hele leven Democraat en vakbondslid was geweest, dit keer besloot zijn stem aan Trump te geven. Net als veel 
anderen in Trumbull County, dat bij 
de afgelopen presidentsverkiezingen voor het eerst sinds 1972 in meerderheid Republikeins stemde.

    Vakbondsman Brian Lutz van de bond die ooit ook Wade vertegenwoordigde, zegt dat hij die woede tegen het 
establishment wel begrijpt. ‘Ik hoor voortdurend mensen zeggen: waarom zou ik op een Democraat blijven stemmen, als alle mensen met wie ik heb gewerkt weg zijn en de Democraten niet gedaan hebben waarvoor wij ze hadden gekozen?’ Zijn bond heeft onlangs een cao afgesloten waarin arbeiders een startsalaris krijgen van 13 dollar per uur. Dat is zo’n tien keer zoveel als Lopez nu verdient, na twintig jaar werken bij de Delphi-fabriek 
in Ciudad Juárez.

    Het effect van Trumps waarschuwingen aan bedrijven om hun productie in Amerika te houden, wordt al zichtbaar in de Mexicaanse economie. Autofabrikant Ford had plannen om een fabriek van 1,6 miljard dollar in Mexico te 
bouwen, maar kondigde vorige maand aan daarvan af te zien, na kritiek van Trump via Twitter. In plaats daarvan gaat het bedrijf in Michigan extra mensen aannemen.

    Een arme buurt in Juárez waar veel fabrieksarbeiders wonen.
    Een arme buurt in Juárez waar veel fabrieksarbeiders wonen.

    Maar sommige bedrijven die nu in Mexico hun producten fabriceren, zeggen dat ze zeker niet terug zullen gaan naar de VS. Dat geldt ook voor Delphi. Het bedrijf heeft net een plan aangekondigd voor nieuwe ontslagen in Warren, waar dan nog 1500 medewerkers overblijven.

    Op de Barclay’s Automotive Conference in New York zette Delphi’s financieel directeur Joe Massaro afgelopen december uiteen wat er met Delphi zou gebeuren bij verschillende handelsscenario’s van Trump. Als Trump de grens met Mexico helemaal zou sluiten, zouden ‘alle mensen in 
Michigan en Ohio die op hem hebben gestemd binnen een week zonder werk zitten’, omdat, zo benadrukte Massaro, veel fabrieken in de VS, waaronder autofabrikanten in Detroit, afhankelijk zijn van onderdelen die in Mexico 
worden gemaakt.

    Als de Verenigde Staten zich terugtrekken uit NAFTA en weer invoerrechten gaan heffen voor producten uit Mexico, blijft Delphi in Mexico produceren, 
zei Massaro. Het bedrijf zou de extra kosten dan doorberekenen aan zijn leveranciers of aan de consumenten, 
of op zoek gaan naar een manier om zijn productiekosten te verlagen – wat ontslagen of salarisverlagingen in Mexico zou kunnen betekenen.

    Wat de gevolgen van dit alles voor Lopez en haar gezin zullen zijn, weet ze niet. Drie van haar vier kinderen werken in een fabriek. De afgelopen paar jaar is elke peso die ze kon missen opgegaan aan de universitaire opleiding voor haar jongste zoon, Sergio, 
die computerwetenschappen studeert. Zijn droom is om een eigen softwarebedrijf te starten dat de concurrentie met Amerikaanse bedrijven aankan. Hij heeft gezien hoe het leven van zijn moeder eruitzag en wil meer dan een fabrieksloontje verdienen. ‘Dat is hard werken voor weinig geld,’ zegt hij.

    Auteur: Kate Linthicium
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: © Katie Falkenberg

    Los Angeles Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 657.000

    Meest links georiënteerde van de grote Amerikaanse kranten. Belangrijke nieuwsbron voor de entertainmentindustrie en winnaar van vele Pulitzerprijzen. Eigendom van de Tribune Company in Chicago.

  • Het verhaal van de man die 14 maanden op de oceaan ronddobberde

    Het verhaal van de man die 14 maanden op de oceaan ronddobberde

    Er werd aan zijn verhaal getwijfeld, maar Salvador Alvarenga, een zesendertigjarige visser uit El Salvador, heeft inderdaad veertien maanden op de Grote Oceaan gedobberd. Hij at vogels en vis en dronk zijn eigen urine. De Amerikaanse auteur en journalist Jonathan Franklin schreef alles op in 438 days. Een voorpublicatie.

    Keuze uit het archief

    Op de oceaan ronddobberen willen we allemaal wel met deze hitte, maar liever geen veertien maanden. Dat was ook niet de bedoeling van Salvador Alvarenga, maar het overkwam hem wel en gelukkig kon hij zijn avontuur navertellen. Lees hier het verhaal van een levensechte Cast Away.

    Terwijl ze op de motor door de lagune van de Marshalleilanden voeren, midden op de Grote Oceaan, keken de politieagenten naar het wezen dat voor hen op dek lag. Het leed geen twijfel dat deze man lange tijd op zee had vertoefd. Zijn haar was net een wilde bos stro, een en al klitten. Zijn woeste baard krulde alle kanten op. Hij had opgezette enkels en graatmagere polsen; hij kon nauwelijks lopen. Hij vermeed oogcontact en verborg geregeld zijn gezicht in zijn handen.

    Salvador Alvarenga, een zesendertigjarige visser uit El Salvador, was veertien maanden eerder in Mexico in een klein bootje met een jongere vissersmaat de zee opgegaan. Nu werd hij van de plek waar hij was aangespoeld, op het Ebon-atol, op het zuidelijkste puntje van de Marshalleilanden, naar de dichtstbijzijnde stad gebracht. Hij bevond zich bijna elfduizend kilometer van de plek waar hij van land was gegaan.

    Alvarenga had meer dan een jaar op de Grote Oceaan gedobberd en het licht van de maan zien opkomen en wegtrekken, en al die tijd had hij gevochten tegen eenzaamheid, depressies en gedachten aan zelfmoord. Maar de strijd om te overleven in een kleurrijke wereld van wilde dieren, levensechte hallucinaties en ongekende eenzaamheid had hem op geen enkele manier voorbereid op zijn status van wereldster, op de ongebreidelde nieuwsgierigheid naar zijn verhaal.

    Goed einde

    Dagen later stond Alvarenga de wereldpers te woord. Gekleed in een bruine slobbertrui, die zijn pezige lijf aan het oog onttrok, stapte hij van de politieboot aan wal, langzaam, maar zonder hulp. Er ging een golf van verbazing door de menigte, die een uitgemergeld en totaal verzwakt slachtoffer had verwacht. Alvarenga glimlachte even en zwaaide naar de camera’s. Verschillende mensen zagen gelijkenis met het Tom Hanks-personage in de film Cast Away. De foto van de bebaarde visser die de wal op schuifelde ging de hele wereld over. Binnen korte tijd kende vrijwel iedereen zijn naam.

    Wie kan veertien maanden op zee overleven? Alleen een scenarioschrijver in Hollywood zou zo’n verhaal een goed einde kunnen geven. Ik vond het maar een vreemd verhaal, maar als verslaggever voor The Guardian zag ik me min of meer genoodzaakt me erin te verdiepen. Al snel bleek dat er tientallen mensen waren die Alvarenga hadden zien uitvaren, die zijn SOS-signaal hadden opgevangen. Toen hij duizenden kilometers verderop aanspoelde (in dezelfde boot waarin hij uit Mexico was vertrokken) wees hij elk verzoek om een interview resoluut van de hand – hij hing zelfs een briefje op de deur van zijn kamer in het ziekenhuis, waarin hij de pers smeekte hem met rust te laten.

    Hij probeert zich niet druk te maken om de steeds grotere plas zeewater die om zijn enkels klotst

    Later zou ik vele uren met Alvarenga doorbrengen, bij hem thuis in El Salvador, waar hij tot in details de vreselijke ontberingen beschreef van een verblijf van meer dan een jaar op zee. In de loop van meer dan veertig gesprekken schetste hij een beeld van zijn ongelooflijke overlevingstocht. Dit is zijn verhaal.

    Jose Salvador Alvarenga, voor (1) en na (2) zijn schipbreuk. – © AFP; © Ola Fjedstad
    Jose Salvador Alvarenga, voor (1) en na (2) zijn schipbreuk. – © AFP; © Ola Fjedstad

    Op 18 november 2012, een dag nadat Alvarenga op zee door een zware storm is overvallen, probeert hij zich niet al te druk te maken om de steeds grotere plas zeewater die om zijn enkels klotst. Een onervaren zeeman zou misschien in paniek zijn gaan hozen 
en zich hebben laten afleiden van zijn voornaamste taak: zorgen dat de boot niet dwars op de golven komt te liggen. Alvarenga vaart al vele jaren en hij 
is zich ervan bewust dat hij het initiatief niet uit handen mag geven. Samen met zijn onervaren maat, Ezequiel Córdoba, probeert hij zo’n vijftig mijl uit de kust langzaam een weg terug te vinden.

    Door het opspattende water en de overslaande golven staan er honderden liters zeewater in de boot, en het gevaar bestaat dat de boot zal zinken of kapseizen. Terwijl Alvarenga aan het roer staat is Córdoba als een bezetene bezig het water terug te scheppen in zee, waarbij hij slechts heel af en toe een paar tellen pauzeert om zijn schouderspieren wat rust te gunnen.

    Alvarenga’s boot is een kleine acht meter, zo lang als twee pick-ups en zo breed als één pick-up. Zonder opbouw, zonder glas en zonder werkende verlichting is hij op open zee praktisch onzichtbaar. Aan dek staat een kist van fiberglas, ter grootte van een koelkast, vol verse vis: tonijn, goudmakreel en haai, hun vangst van de afgelopen twee dagen. Als ze die aan land weten te krijgen hebben ze genoeg geld om het een week uit te zingen.

    De boot ligt vol spullen, waaronder een kleine 300 liter benzine, 60 liter water, 23 kilo sardientjes – bedoeld als aas – 700 vishaken, vele kilometers lijn, een harpoen, 3 messen, 3 hoosvaten, een mobiele 
telefoon (in een plastic zak om hem droog te houden), een gps-zendertje (niet waterdicht), een marifoon (met een batterij die voor de helft vol is), een paar zwengels voor de motor en 91 kilo ijs. Alvarenga heeft de boot in gereedheid gebracht samen met 
Ray Perez, zijn vaste maat en trouwe compagnon. Maar op het laatste moment moest Perez afzeggen. Alvarenga wil toch graag uitvaren en weet Córdoba mee te krijgen, een tweeëntwintigjarige jongen die Piñata wordt genoemd en die helemaal aan de andere kant van de lagune woont, waar hij in het dorp vooral bekendstaat als sterverdediger van het voetbalteam. Alvarenga en Córdoba hebben elkaar nog nooit gesproken, laat staan dat ze ooit samen hebben gewerkt.

    Hij is ervan overtuigd dat de haaien hen zullen verslinden. 
Hij begint te krijsen

    Gespannen manoeuvreert Alvarenga hen heel langzaam dichter naar de kust, waarbij hij als een surfer probeert de boot van de golven te laten glijden en ertussendoor te steken. Het weer verslechtert en Córdoba’s vastberadenheid begint te wankelen. Op momenten weigert hij te hozen en grijpt in plaats daarvan de reling vast, kotsend en huilend. Hij heeft ja gezegd in de hoop vijftig dollar te verdienen. Hij kan twaalf uur achtereen werken zonder ook maar een kik te geven, en hij is sterk en gezond. Maar deze bonkende, drijfnatte tocht terug naar de kust? Hij is ervan overtuigd dat hun kleine bootje aan stukken zal slaan en dat de haaien hen zullen verslinden. 
Hij begint te krijsen.

    Geen gps, geen anker

    Alvarenga blijft zitten, grijpt het roer stevig vast en is vast voornemens de storm uit te zitten – die inmiddels dusdanig is aangewakkerd dat havenmeesters langs de hele kust vissersboten geen toestemming meer geven om uit te varen. Na lange tijd ziet hij eindelijk dat het zicht wat beter wordt, dat het wolkendek wat opentrekt: hij kan kilometers ver over het water kijken. Om een uur of negen ’s ochtends ziet Alvarenga een berg opdoemen aan de horizon. Ze zitten op zo’n twee uur varen van de kust wanneer de motor begint te horten en te sputteren. Hij pakt de marifoon en roept zijn baas op. ‘Willy! Willy! Willy! De motor heeft het begeven!’

    ‘Rustig maar, man, geef me je coördinaten,’ antwoordt Willy, vanaf de kade in Costa Azul.

    ‘We hebben geen gps, hij werkt niet.’

    ‘Gooi een anker uit,’ instrueert Willy.

    ‘We hebben geen anker,’ zegt Alvarenga. Hij had wel gezien dat er geen anker aan boord was voordat ze de zee op gingen, maar hij dacht dat ze er toch niets aan zouden hebben omdat ze op diepe zee gingen vissen.

    ‘Oké, we komen je halen,’ antwoordt Willy.

    ‘Schiet een beetje op, ik hou het niet veel langer,’ roept Alvarenga. Dat zijn de laatste woorden van hem die de wal bereiken.

    Terwijl de golven tegen de boot beuken gaan Alvarenga en Córdoba als team te werk. Met de ochtendzon zien ze hoe huizenhoge golven komen aanrollen en boven hun hoofd omslaan. De mannen zetten zich schrap tegen de zijkant van de open boot om hun evenwicht te bewaren.

    Maar de golven zijn grillig, slaan soms halverwege om, bundelen hun krachten en tillen de mannen hoog de lucht in, alsof ze van drie hoog van het uitzicht genieten, waarna de golven hen naar beneden smakken met de snelheid van een lift waarvan plots de kabel knapt. Hun teenslippers bieden geen enkel houvast aan dek.

    Alvarenga begrijpt dat hun vangst (bijna vijfhonderd kilo verse vis) de boot topzwaar en onstabiel maakt. Hij ziet geen kans om te overleggen met zijn baas en hij volgt zijn intuïtie: ze zetten alle vis overboord. Een voor een halen ze de vissen uit de koeling en slingeren de karkassen zo ver mogelijk weg. Het is 
nu nog gevaarlijker om overboord te vallen: de bloederige vissen trekken natuurlijk haaien aan.

    Vervolgens gaan het ijs en de benzinevoorraad overboord. Alvarenga zet vijftig drijvers overboord bij wijze van geïmproviseerd ‘zeeanker’, dat op het water blijft liggen en zo voor enige weerstand en stabiliteit zorgt. Maar om een uur of tien ’s ochtends begeeft de marifoon het. Dat is nog voor het middaguur van de eerste dag van de storm die vermoedelijk zo’n vijf dagen zal aanhouden, weet Alvarenga. Dat de gps is uitgevallen, is erg vervelend. Dat de motor het niet meer doet is rampzalig. Zonder radiocontact zijn ze volledig op zichzelf aangewezen.

    De storm smakt de mannen keer op keer van de ene kant van de boot naar de andere terwijl ze proberen het water uit de boot te hozen. Met steeds dezelfde spieren, steeds dezelfde beweging, uur na uur, weten ze misschien de helft van het water te lozen. Ze zijn de uitputting nabij, maar Alvarenga is ook razend. Uitzinnig van woede pakt hij de zware stok die normaal gesproken wordt gebruikt om vis te doden, 
en slaat op de kapotte motor in. Dan pakt hij de marifoon en de gps en gooit die van kwaadheid allebei overboord.

    Sterren als houvast

    De zon gaat onder en de storm blijft razen terwijl Córdoba en Alvarenga bevangen worden door de 
kou. Ze keren de ijskist ondersteboven en kruipen eronder. Ze zijn doorweekt en kunnen de vingers 
van hun koude handen nauwelijks meer krommen. Ze kruipen dicht tegen elkaar aan en slaan de benen om elkaar heen. Maar door het overslaande water komt de boot steeds dieper te liggen en om beurten verlaten de mannen de ijskist om een kwartier lang als een dolle te hozen. Het schiet niet echt op maar heel langzaam neemt de plas aan hun voeten iets af.

    De duisternis maakt hun wereld kleiner en kleiner en een stormachtige, aflandige wind drijft de mannen steeds verder naar open zee. Zijn ze nu weer 
op de plek waar ze een dag eerder hebben gevist? Drijven ze in noordelijke richting naar Acapulco, 
of in zuidelijke richting naar Panama? Met enkel 
de sterren als houvast zijn ze niet langer in staat 
op de vertrouwde manieren afstanden te schatten.

    Omdat ze geen aas en geen vishaken hebben, bedenkt Alvarenga een wel heel gewaagde manier om vis te vangen. Hij gaat over het gangboord van 
de boot hangen, speurt het wateroppervlak af naar haaien, en steekt dan zijn armen tot aan de schouders in het water. Met zijn borstkas stevig tegen het gangboord gedrukt houdt hij zijn handen heel stil, een centimeter of tien van elkaar. Als er een vis tussendoor zwemt slaat hij zijn handen tegen elkaar, drukt zijn nagels diep in de schubben. De meeste vissen weten te ontkomen maar Alvarenga wordt er steeds beter in en hij pakt de vissen en slingert ze in de boot terwijl hij uit de buurt probeert te blijven van hun tanden. Met het vissersmes maakt hij de vissen behendig schoon en snijdt ze in duimbrede repen die ze in de zon te drogen leggen. Ze eten de ene vis na de andere. Alvarenga propt zijn mond vol met rauwe vis en gedroogde vis. Hij merkt het verschil nauwelijks, en het interesseert hem ook niet echt. Als ze geluk hebben kunnen ze waterschildpadden vangen of de vliegende vis eten die sporadisch in de boot belandt.

    Binnen enkele dagen gaat Alvarenga ertoe over zijn urine te drinken en hij spoort Córdoba aan zijn voorbeeld te volgen. Het is een beetje zout maar niet eens zo heel erg vies. Hij drinkt, plast, drinkt dat weer 
op en plast het weer uit, in een cyclus waardoor hij meent tenminste nog een beetje vocht binnen te krijgen. Maar in feite drogen ze er juist sterker door uit. Alvarenga was al veel langer op de hoogte van de gevaren van het drinken van zeewater. Hoe zeer ze ook smachten naar vocht, ze weten de verleiding te weerstaan om zelfs maar een paar slokken te nemen van de eindeloze hoeveelheden water om hen heen.

    De boot waarin Alvarenga 438 dagen doorbracht. Na zijn aanspoeling werd aan boord een schildpad aangetroffen: belangrijk onderdeel van zijn dieet op zee. © Ione deBrum
    De boot waarin Alvarenga 438 dagen doorbracht. Na zijn aanspoeling werd aan boord een schildpad aangetroffen: belangrijk onderdeel van zijn dieet op zee. © Ione deBrum

    ‘Ik had zo’n honger dat ik mijn eigen nagels opat, dat ik alle flintertjes doorslikte,’ vertelt Alvarenga me. Hij gaat ertoe over kwallen uit het water te halen. Hij schept ze met zijn handen uit zee en slikt ze in een keer door. ‘Ik voelde het branden boven in mijn slokdarm, maar uiteindelijk viel het nog best mee.’

    Na ongeveer veertien dagen op zee ligt Alvarenga te rusten in de koelbox wanneer hij een geluid hoort. Plons, plons, plons. Het ritme van regendruppels op het deksel van de koelbox is onmiskenbaar. ‘Piñata! Piñata! Piñata!’ schreeuwt Alvarenga terwijl hij uit de koelbox kruipt. Zijn maat wordt wakker en helpt hem. De twee mannen scharrelen rond op het dek om het regenwateropvangsysteem in gereedheid te brengen waar Alvarenga in gedachten al twee weken aan werkt. Córdoba boent een grote grijze emmer schoon en zet hem met de opening naar boven aan dek. Boven hun hoofd pakken donkere wolken zich samen en na dagen urine en schildpaddenbloed te hebben gedronken en bijna te zijn omgekomen van de dorst, breekt de hemel open. De mannen zitten met open mond in de regen, rukken de kleren van hun lijf en nemen een douche in een goddelijke stortvloed van zoet water. Binnen een uur staat er drie centimeter water in de emmer, dan vijf centimeter. Lachend drinken de mannen om de paar minuten uit de emmer.

    Maar nadat ze zich eerst te buiten gaan aan de watervoorraad nemen ze zich heilig voor het water strikt te rantsoeneren.

    Na weken op zee zijn Alvarenga en Córdoba bedreven jagers die hebben geleerd onderscheid te maken tussen de verschillende soorten plastic die in het water drijven. Ze verzamelen alle lege waterflessen die ze maar kunnen vinden. Als er een volle, groene vuilniszak in hun buurt dobbert, grissen de mannen hem uit het water, trekken hem aan boord en scheuren het plastic open. In de zak zit een stuk uitgekauwde kauwgom. Ze delen het stuk, ter grootte van een amandel, en geven zich over aan een ongekende smaaksensatie. Onder een laag vettige, zompige troep treffen ze diverse schatten aan: een halve kool, een paar wortelen en een kwart liter melk – bijna bedorven, maar toch drinken ze het op. Het is het eerste verse voedsel in lange tijd. Eerbiedig eten ze de slappe wortelen.

    Nu ze voor enkele dagen eten hebben gehamsterd, en al helemaal nadat ze een schildpad hebben gevangen en opgegeten, vinden Córdoba en Alvarenga enige tijd vertroosting in het schitterende landschap. ‘We praatten over onze moeders,’ zegt Alvarenga. ‘Hoe wij ons hadden misdragen. We baden God om vergiffenis dat we zulke slechte zoons waren geweest. We stelden ons voor dat we ze in onze armen konden sluiten, ze een kus konden geven. We beloofden harder te werken zodat zij niet meer zouden hoeven werken. Maar het was te laat.’

    Na twee maanden op zee is Alvarenga eraan gewend geraakt om vogels en schildpadden te vangen en te eten, maar met Córdoba gaat het langzaam bergafwaarts, zowel geestelijk als lichamelijk. Ze zitten 
op dezelfde boot maar volgen elk een andere koers.

    Een van de weinige foto’s die bekend zijn van Alvarenga’s scheepsmaat Ezequiel Córdoba. – © James Breeden, Corbis Images
    Een van de weinige foto’s die bekend zijn van Alvarenga’s scheepsmaat Ezequiel Córdoba. – © James Breeden, Corbis Images

    Córdoba is ziek geworden na het eten van rauwe zeevogels en heeft een drastisch besluit genomen: hij weigert nog te eten. Hij pakt met twee handen een waterfles vast maar hij heeft nauwelijks nog de energie en de levenslust om hem aan zijn lippen te zetten. Alvarenga biedt hem kleine stukjes vogelvlees aan en zo nu en dan een stukje schilpaddenvlees. Córdoba houdt zijn lippen stijf op elkaar. De depressie zet zijn lichaam op slot.

    De twee mannen sluiten een pact. Als Córdoba het overleeft gaat hij naar El Salvador om de vader en moeder van Alvarenga op te zoeken. Als Alvarenga 
er levend uitkomt gaat hij terug naar Chiapas om op zoek te gaan naar Córdoba’s godsvruchtige moeder die met een evangelist is getrouwd. ‘Hij heeft me gevraagd zijn moeder te vertellen hoe erg hij het vond dat hij geen afscheid van haar kon nemen en dat ze geen tamales meer voor hem hoeft te maken – 
hij zei dat ze hem moest loslaten, dat hij weldra bij God zou zijn,’ vertelt Alvarenga.

    Om het verlies van zijn maat aan te kunnen, doet Alvarenga domweg alsof het niet gebeurt. “Hoe voel je je nu?” vraagt hij aan het lichaam

    ‘Ik ga dood, ik ga dood, het duurt nu niet lang meer,’ zegt Córdoba op een ochtend.

    ‘Denk daar nou maar niet aan. Laten we gaan slapen,’ antwoordt Alvarenga, die naast Córdoba ligt.

    ‘Ik ben moe, ik wil water,’ kermt Córdoba. Zijn ademhaling is onregelmatig. Alvarenga pakt de waterfles en giet wat in Córdoba’s mond, maar die slikt het niet door. In plaats daarvan gaat hij languit liggen. Zijn lichaam begint te stuiptrekken. Hij kreunt en zijn lichaam verstijft. Ineens raakt Alvarenga in paniek. ‘Laat me niet alleen!’ schreeuwt hij Córdoba in zijn gezicht. ‘Je moet knokken om in leven te blijven. Wat moet ik doen als ik hier alleen achterblijf?’

    Om het verlies van zijn maat aan te kunnen, doet Alvarenga domweg alsof het niet gebeurt. ‘Hoe voel je je nu?’ vraagt hij aan het lichaam.

    Córdoba geeft geen antwoord. Enkele tellen later sterft hij, met zijn ogen open.

    ‘Ik zette hem overeind om te zorgen dat hij niet in het water viel. Ik was bang dat een golf hem overboord zou spoelen,’ vertelt Alvarenga. ‘Ik heb uren zitten huilen.’

    De volgende ochtend kijkt hij strak naar Córdoba, in de punt van de boot. Hij vraagt aan het lijk: ‘Hoe voel je je? Heb je goed geslapen?’

    ‘Prima, en jij? Heb je al ontbeten?’ geeft Alvarenga hardop antwoord op zijn eigen vragen, alsof hij 
Córdoba is die uit het hiernamaals tot hem spreekt. De makkelijkste manier om het verlies te verwerken van zijn enige gezelschap is domweg te doen alsof hij nog in leven is.

    Zes dagen na Córdoba’s dood is Alvarenga tijdens een maanloze nacht diep in gesprek met het lijk. Maar dan, alsof hij ontwaakt uit een droom, komt hij ineens met een schok tot de ontdekking dat hij met een dode praat. ‘Ik heb eerst zijn voeten gewassen. Zijn kleren kon ik nog gebruiken, dus ik heb hem zijn korte broek en zijn trui uitgetrokken. De trui heb ik zelf aangetrokken – de trui was rood, met kleine doodshoofdjes en gekruiste beenderen – en toen heb ik hem overboord gezet. Op het moment dat ik hem in het water liet glijden heb ik het bewustzijn verloren.’

    Gekmakende schepenparade

    Wanneer Alvarenga enkele minuten later weer bijkomt, is hij als de dood. ‘Wat moest ik in mijn eentje beginnen? Zonder iemand om mee te praten?’ zegt hij tegen me. ‘Waarom was híj overleden en niet ik? Ik had hem gevraagd om mee te gaan vissen. Ik voelde me verantwoordelijk voor zijn dood. Maar zijn wil om te leven en zijn angst voor zelfmoord (zijn moeder had hem op het hart gedrukt dat mensen die zelfmoord plegen nooit in de hemel komen) zorgen ervoor dat hij blijft zoeken naar oplossingen en dat hij de horizon blijft afspeuren naar schepen. Zonsopgang en zonsondergang zijn de beste momenten, wanneer wazige vormen aan de horizon scherp afgetekende vormen aannemen en de zon nog draaglijk is. Als zijn ogen zijn scherpgesteld kan Alvarenga zien dat een stipje aan de horizon een schip is. Als het schip dichterbij komt kan hij vaststellen wat voor soort schip het is – meestal een trans-Atlantisch containerschip – terwijl het voorbijkruipt. De zeeschepen, die op het oog moeiteloos het wateroppervlak doorsnijden, zonder zichtbare bemanning of bovendekse activiteit, doen haast denken aan drones boven zee. Elke keer als hij een schip ziet voelt Alvarenga de adrenaline door zijn aderen jagen en springt hij uren lang op en neer op het dek, driftig met zijn armen zwaaiend. Zo’n twintig verschillende containerschepen varen hem voorbij, maar de gekmakende schepenparade blijft hem keer op keer van hoop vervullen. Stormen beuken in op zijn bootje, maar naarmate hij verder op open zee komt lijken de stormen minder lang te duren en beter te hanteren.

    Alvarenga laat zijn fantasie de vrije loop teneinde zijn verstand niet te verliezen. Hij fantaseert een alternatieve werkelijkheid bij elkaar die zo levensecht is dat hij later in alle oprechtheid zal zeggen dat hij lekkerder heeft gegeten dan ooit en de beste seks van zijn leven heeft gehad. Hij raakt er steeds bedrevener in zijn eenzame bestaan om te toveren in een fantasiewereld. Hij begint zijn ochtenden met een lange wandeling. ‘Ik liep heen en weer op de boot en stelde me voor dat ik over de wereld doolde. Op die manier kon ik mezelf wijsmaken dat ik tenminste ergens mee bezig was. Anders zou ik daar maar zitten en aan de dood denken.’ Met een bonte stoet van familieleden, vrienden en geliefden weet Alvarenga de barre realiteit op afstand te houden.

    Als kleine jongen had hij van zijn opa geleerd hoe hij met behulp van de maanstanden de tijd kon bijhouden. Moederziel alleen op open zee weet hij precies hoeveel maanden hij al ronddobberde; hij weet dat hij vijftien maancycli heeft meegemaakt terwijl hij door onbekend gebied dwaalt. Hij is ervan overtuigd dat hierna de hemel zal volgen.

    1. Briefjes die Alvarenda op zee schreef; en 2. het mes dat hij gebruikte. –  © J. Pearlman / The Telegraph
    1. Briefjes die Alvarenda op zee schreef; en 2. het mes dat hij gebruikte. – © J. Pearlman / The Telegraph

    Hij wordt meegevoerd op een stroming wanneer hij plotseling landvogels aan de hemel ziet verschijnen. Alvarenga blijft maar naar de lucht staren. Hij krijgt kramp in zijn nek. Uit de mist doemt een tropisch eiland op. Een lieflijk groene atol, een heuvel midden in een caleidoscoop van turkooizen wateren. Hallucinaties duren nooit zo lang. Zijn Alvarenga’s gebeden eindelijk verhoord? Koortsachtig gaat hij allerlei doemscenario’s af. De wind zou hem uit koers kunnen brengen. Hij zou terug kunnen drijven – dat zou niet voor het eerst zijn. Hij kijkt strak naar het land terwijl hij probeert allerlei details van de kustlijn te onderscheiden. Het is een klein eiland, niet veel groter dan een voetbalveld, schat hij. Het ziet er onherbergzaam uit, geen wegen, geen auto’s en geen huizen.

    Met zijn mes snijdt hij de verweerde lijn met drijvers los. Het is een ingrijpend besluit. Op open zee, zonder drijfanker, kan hij gemakkelijk omslaan, zelfs in een lichte storm. Maar Alvarenga ziet heel duidelijk de kustlijn en hij gokt dat snelheid nu belangrijker is dan stabiliteit.

    Binnen een uur is hij naar het strandje gedreven. Op tien meter van de kust duikt Alvarenga het water in en zwemt ‘als een waterschildpad’, totdat een grote golf hem optilt en hem ver op het strand smijt, als een stuk wrakhout. De golf rolt terug en Alvarenga ligt met zijn gezicht in het zand. ‘Ik graaide in het zand alsof het een kostbare schat was,’ zal hij me later vertellen.

    Naakt kruipt de uitgehongerde visser over een tapijt van vochtige palmbladeren, scherpe stukken kokosnoot en geurige bloemen. Hij kan niet langer dan een paar tellen blijven staan. ‘Ik was volkomen uitgeteld en uitgemergeld,’ zegt hij. ‘Ik was niet meer dan een maag en ingewanden, met botten, en daaromheen een huid. Mijn armen waren vel over been. Mijn benen waren graatmager en niet om aan te zien.’

    Alvarenga weet het zelf niet, maar hij is aangespoeld op Tile Islet, een eilandje dat deel uitmaakt van het Ebon-atol, op het zuidelijke puntje van de 1156 eilanden die samen de Republiek van de Marshalleilanden vormen, een van de meest afgelegen plekken op aarde. Een boot die vanaf Ebon op zoek gaat naar land moet ofwel vierduizend zeemijl in noordoostelijke richting varen om bij Alaska te komen of tweeënhalfduizend zeemijl in zuidwestelijke richting naar Brisbane, in Australië. Als Alvarenga Ebon had gemist, had hij ergens ten noorden van Australië rondgedobberd 
om misschien uiteindelijk in Papoea-Nieuw-Guinea aan land te komen – al is het waarschijnlijker dat hij nog drieduizend zeemijl door zou zijn gedobberd richting de oostkust van de Filipijnen.

    Strompelend baant hij zich een weg door het struikgewas en staat dan ineens voor een klein kanaaltje dat van het strandhuis komt van Emi Libokmeto 
en haar man Russel Laikidrik. ‘Ik kijk op en zie daar een blanke man staan,’ zegt Emi, die op het eiland kokosnoten van hun bolster ontdoet en droogt. ‘Hij schreeuwt. Hij ziet er uitgehongerd en verzwakt uit. Mijn eerste gedachte was: hij is hiernaartoe komen zwemmen, hij is vast van een schip gevallen.’

    Nadat ze elkaar heel behoedzaam zijn genaderd, vragen Emi en Russel hem binnen. Alvarenga tekent een boot, een man en een kustlijn. Dan geeft hij het op. Hoe kan hij met een stokje in het zand een reis van zevenduizend mijl over zee uitbeelden? Zijn ongeduld speelt op. Hij vraagt om medicijnen. Hij vraagt om een arts. Het stel glimlacht en schudt vriendelijk het hoofd. ‘Hoewel we elkaar niet verstonden, begon ik aan een stuk door te praten,’ vertelt Alvarenga me. 
‘Ik praatte maar en praatte, en we gierden het alle drie uit van het lachen. Ik weet niet precies waarom zij lachten. Ik lachte omdat ik was gered.’

    Ebon-atol, een van de meest afgelegen plekken op aarde. – © Ola Fjeldstad
    Ebon-atol, een van de meest afgelegen plekken op aarde. – © Ola Fjeldstad

    Na een ochtend voor de drenkeling te hebben gezorgd en hem eten te hebben gegeven, vaart Russel over een lagune naar de hoofdstad, tevens havenstad, van het eiland Ebon, waar hij de burgemeester om hulp vraagt. Binnen enkele uren is er een heel team gevormd, compleet met politie en een verpleegster, om Alvarenga te redden. Men moet hem overhalen om met een boot mee terug te gaan naar Ebon. Terwijl men de verwilderde man een beetje probeert op te lappen en hem details over zijn reis probeert te ontfutselen, tipt een antropoloog uit Noorwegen die tijdelijk op het eiland verblijft, de Marshall Islands Journal.

    Verslaggevers uit Hawaï, Los Angeles en Australië haasten zich naar het eiland om de vermeende schipbreukeling te interviewen. Verslaggevers proberen alle tot de verbeelding sprekende details te achterhalen en er wordt gevochten om de enige telefoonlijn die het eiland rijk is. Alvarenga’s verhaal bevat voldoende controleerbare gegevens om het geloofwaardig te maken: de aanvankelijke melding van een vermissing, de zoekactie, de afgelegde reis die overeenkomt met de oceaanstromingen, en het feit dat hij uitzonderlijk verzwakt is.

    Maar op internet en in redactiekamers over de hele wereld brandt de discussie los: is dit de meest opmerkelijke overlever sinds Ernest Shackleton, of de grootste bedrieger sinds de Hitler-dagboeken? Overheidsinstanties weten Alvarenga’s baas op te sporen, die kan bevestigen dat het registratienummer van de boot waarin hij is aangespoeld overeenkomt met het nummer van de boot die op 17 november 2012 is uitgevaren om nooit meer terug te keren. _Guardian_-verslaggever Jo Tuckman interviewt Jaime Marroquín, hoofd van een opsporingsteam, die uitvoerig vertelt over de vertwijfelde zoektocht naar Alvarenga en Córdoba. ‘Het stormde verschrikkelijk,’ zegt Marroquín. ‘Na twee dagen moesten we opsporingsvluchten stopzetten omdat het zicht zo slecht was.’

    Ik ga op onderzoek uit, praat met mensen her en der aan de kust van Mexico. Ik bestudeer medische rapporten, kaarten, praat met mensen die zijn gespecialiseerd in overlevingstechnieken – zowel mensen van de Amerikaanse kustwacht als de zogeheten Navy SEAL’s – en met Ivan MacFadyen en Jason Lewis, twee avonturiers die dat deel van de Grote Oceaan zijn overgestoken. Ik heb gesproken met oceanografen en vissers die bekend zijn in het gebied. Ze zeggen allemaal dat Alvarenga’s verslag van het leven op zee overeenkomt met wat zij zouden verwachten. Toen hij op de Marshalleilanden in het ziekenhuis werd opgenomen, is hij gebriefd door medewerkers van de Amerikaanse ambassade die zeggen te hebben geconstateerd dat Alvarenga’s zeer gehavende lichaam onder de littekens zat. ‘Hij heeft heel lang op zee vertoefd,’ zegt de ambassadeur van de Verenigde Staten.

    Ondertussen gaat op de Marshalleilanden Alvarenga’s gezondheid steeds meer achteruit. Zijn benen en voeten zijn opgezet. De artsen vermoeden dat het weefsel zo lang met een watertekort heeft gekampt dat het nu alle vocht vasthoudt. Maar na elf dagen zijn de artsen van mening dat Alvarenga’s lichamelijke conditie stabiel genoeg is om naar El Salvador te reizen, waar hij herenigd zal worden met zijn gezin.

    1. Bij het verlaten van de boot naar de bewoonde wereld. –  © US Embassy, Majuro; 2. Eerste radiocontact. – © Ola Fjeldstad; 3. – © Marshall Island Journal
    1. Bij het verlaten van de boot naar de bewoonde wereld. – © US Embassy, Majuro; 2. Eerste radiocontact. – © Ola Fjeldstad; 3. – © Marshall Island Journal

    Er wordt vastgesteld dat hij aan bloedarmoede lijdt en de doktoren vermoeden dat zijn lever is geïnfecteerd met parasieten door zijn dieet van rauwe schildpad en rauwe vogels. Alvarenga is ervan overtuigd dat de parasieten naar zijn hoofd kunnen stijgen en zijn hersenen kunnen aantasten. Hij kan niet goed slapen en hij moet veel aan de dood van Córdoba denken. Het is een heel ander verhaal om in je eentje te moeten vieren dat je het hebt overleefd. Zodra hij voldoende is aangesterkt reist hij naar Mexico om zijn belofte in te lossen en de boodschap over te brengen aan Anna Rosa, de moeder van Córdoba. Hij blijft twee uur bij haar en beantwoordt al haar vragen.

    Het leven aan wal is niet eenvoudig: Alvarenga is maanden in shock geweest. Hij heeft een diepe angst ontwikkeld, niet alleen voor de zee, maar ook voor alleen al de aanblik van water. Hij slaapt met het licht aan en hij kan niet alleen zijn. Niet lang nadat hij aan land is gekomen neemt hij een jurist in de arm om de mediaverzoeken af te handelen die hem van over de hele wereld bereiken. Later besluit hij zich door iemand anders te laten vertegenwoordigen, en de eerdere jurist dient een claim in van enkele miljoenen wegens contractbreuk.

    Pas een jaar later, als de mist in zijn hoofd enigszins is opgetrokken en hij op de kaart zijn tocht over de Grote Oceaan probeert na te trekken, dringt enigszins tot Alvarenga door wat een onvoorstelbare reis hij heeft gemaakt. Hij heeft 438 dagen op de rand van de waanzin gebalanceerd. ‘Ik had te kampen met honger en dorst en een ongekende eenzaamheid, maar toch heb ik niet de hand aan mezelf geslagen,’ zegt Alvarenga. ‘Je leeft maar één keer – dus je moet er het beste van zien te maken.’

    Het boek 438 days van Jonathan Franklin wordt uitgegeven door Atria books, een imprint van Simon & Schuster, New York.

  • Bekijk de documentaire: Cartel Land

    Bekijk de documentaire: Cartel Land

    Mexico wordt al tientallen jaren geterroriseerd door drugsbaronnen. Regisseur Matthew Heineman kreeg het onwaarschijnlijke gedaan; hij filmde in de methlaboratoria, zag de martelingen en was getuige van het corrupte perpetuum mobile waarin de drugswereld en overheid elkaar in stand houden. Met de documentaire Cartel Land dook Heineman in het hart van de drugsduisternis.

    Oorspronkelijk wilde Heineman een film maken over de freelance ‘vigilantes’, de zelfbenoemde Border Patrol in Arizona. Maar toen zijn vader een krantenknipsel stuurde over de burgermilities aan de andere kant besloot hij een parallel verhaal te filmen.

    Heineman bleef en bleef en kroop onder de huid van de horror, de nachtmerrie die Mexico in stukken scheurt en al meer dan 100.000 doden telt en 20.000 vermisten. Het resultaat is een rauwe, onverschrokken film over de drugsoorlog die de VS en Mexico jammerlijk verbindt.

    Cartel Land won de Best Director Award en de Special Jury Award for Cinematography op het Sundance Festival in 2015.


  • ‘We moeten af van de architectuur van de angst’

    ‘We moeten af van de architectuur van de angst’

    Giancarlo Mazzanti, de Colombiaanse architect die Escobars vesting in een toeristische attractie omtoverde, wil met zijn ontwerpen iets wezenlijks bijdragen aan de gemeenschap, die volgens hem nog altijd door angst wordt beheerst.

    Om aan de maatschappelijk behoeften te voldoen moeten er risico’s worden genomen, aldus architect Giancarlo Mazzanti, ontwerper van gedurfde publieke bouwwerken. Volgens deze Colombiaan, die onlangs de Internationale Prijs voor Duurzame Architectuur van het Institut Français d’Architecture heeft gewonnen, wordt de vooruitgang van de bouw in zijn land belemmerd doordat een groot deel van de architectuur in Colombia gebaseerd is op angst.

    Het feit dat hij de oude onneembare vesting van de huurmoordenaars van Pablo Escobar uit de jaren tachtig heeft veranderd in een toeristische attractie waar de bewoners van Santo Domingo Savio, een wijk van Medellín, trots op kunnen zijn, was echter niet zozeer een dappere daad als wel een mijlpaal: voor dit Parque Biblioteca España ontving Mazzanti de prijs voor het beste architectonische werk op de VIe Latijns-Amerikaanse Biënnale voor Architectuur en Urbanisme.

    Maar dit is niet zijn enige project van culturele betekenis voor een kwetsbare, gewelddadige gemeenschap. Bibliotheek La Ladera in Medellín, kleuterschool El Porvenir in Bosa, de Gerardo Molina-school in Suba, het Museo del Caribe in Barranquilla, het Parque Tercer Milenio in San Vitorino, een sportcomplex voor de IXe Latijns-Amerikaanse Spelen in Medellín, en tal van andere projecten – allemaal hebben ze hetzelfde uitgangspunt: eerbied betuigen aan de mensen die het minste hebben, hun laten zien dat een maatschappij er beter op kan worden door scholing.

    ‘Mazzanti is gefascineerd door het onderwerp scholing en heeft op dat gebied een belangrijke rol gespeeld. Hij heeft een nieuwe dimensie aan de architectuur gegeven en deze naar een niveau getild waarvan we niet hadden durven dromen, dankzij zijn talent voor creëren en verrassen,’ zegt architect en historicus Alberto Escovar.

    © Redux Pictures / Hollandse Hoogte
    © Redux Pictures / Hollandse Hoogte

    Giancarlo Mazzanti, die inmiddels 47 jaar oud is, deed al vroeg van zich spreken. Hij was nog maar pas afgestudeerd aan de Javeriana-universiteit van Bogotá, toen hij de prijsvraag won voor het Museo de Arte Moderno van Barranquilla ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Le Corbusier. ‘Hij behoort tot een generatie voor wie al die architectonische paradigma’s – zoals het functionalisme – niet meer voldeden en die zich, mede dankzij het systeem van prijsvragen voor publieke bouwwerken, anders is gaan uiten,’ verklaart Escovar. ‘Door de vele publieke bouwprojecten maakt de Colombiaanse architectuur twee gouden decennia door.’

    Mazzanti voelde zich als kind al aangetrokken tot de stadsmuren van Cartagena, tot forten en tot lego. Hij is totaal niet dogmatisch en respecteert de opvattingen van anderen. Hij is intelligent, theoretisch, geïnteresseerd in geografie en geschiedenis – hij volgde een master in Geschiedenis en Theorie van de Architectuur en het Industrieel Ontwerp aan de Universiteit van Florence – en ook is hij filosofisch onderlegd. Hij citeert Hegel om aan te geven dat hij niet gelooft in het verband tussen esthetiek en ethiek, en [de Mexicaanse auteur] Octavio Paz om het breken met traditie te definiëren als kritische rede, want zonder kritische rede zou er geen vooruitgang bestaan.

    Bij een openbare aanbesteding wordt de goedkoopste beloond, niet degene die de beste kwaliteit levert

    Hij is een mediafenomeen, maar er zijn ook mensen die twijfelen aan de doelmatigheid van zijn ontwerpen. ‘Ik zie daarin heel fantasierijke, subjectieve ideeën, die de ware taak van de architectuur echter soms in gevaar brengen, namelijk het scheppen van ruimten die geschikt zijn voor het gebruik,’ betoogt architect Daniel Bermúdez, de ontwerper van het pas geopende cultureel centrum Julio Mario Santo Domingo. ‘Zijn oplossingen missen de technische kwaliteit die ze zouden moeten hebben voor duurzame architectuur,’ meent hij. Hoewel hij erkent dat Mazzanti’s ontwerpen moedig zijn, voegt hij eraan toe: ‘Je moet niet overal opvallende, bijzondere dingen willen neerzetten, je moet ook leren bescheiden te zijn.’

    Esthetisch vraagstuk

    Ondanks dit soort kritiek is Mazzanti vast van plan door te gaan met zijn ‘onbescheiden’ ontwerpen. Vanuit zijn glazen studio naast het Museo Nacional filosofeert en schrijft hij, ontwerpt en droomt hij.

    Waarom verkiest u de architectuur van de buitenkant boven die van het interieur?
    In Italië heb ik me beziggehouden met het interieur, maar ik ben vooral geïnteresseerd in de publieke architectuur, want dat is de manier om het sociaal welzijn te bevorderen en culturele activiteiten te genereren. Bovendien werk ik over het algemeen in buitenwijken waar armoede en geweld heersen.

    Wat geeft het publieke bouwwerk u wat de private bouw u niet geeft?
    De betekenis van het publieke bouwwerk is handelen in sociale termen, werken aan welzijn, stedelijke en architectonische verbanden ontwikkelen. Daarbij speelt de politiek een rol, terwijl de private bouw wordt bepaald door persoonlijke smaak en de kans op economisch gewin; het oogmerk ervan is comfort te verschaffen. Als je een huis bouwt, word je geleid door je eigen smaak of door de wensen van een opdrachtgever, en in dat proces raakt het huis op de achtergrond en wordt het een esthetisch vraagstuk.

    De bibliotheek La Ladera, Medellin. Hij is beschikbaar voor de bewoners uit de omliggende slums en er worden o.a. sportaciviteiten, internetcursussen en voorleesuren georganiseerd. © Paul Smith / The New York Times / HH
    De bibliotheek La Ladera, Medellin. Hij is beschikbaar voor de bewoners uit de omliggende slums en er worden o.a. sportaciviteiten, internetcursussen en voorleesuren georganiseerd. © Paul Smith / The New York Times / HH

    Maar de architectuur wordt toch bepaald door de esthetiek van degene die het ontwerp maakt?
    Ja en nee. Wanneer de architectuur een kwestie van goede smaak is, wordt het een subjectieve kwestie. Ik veroordeel het een noch het ander, het zijn alleen twee verschillende dingen. Wat mij interesseert in de architectuur is het bouwen aan de samenleving, architectuur als instrument van politiek handelen. Ons doel – dat van mij en mijn team – is het omvormen en scheppen van politieke voorwaarden in een maatschappij die behoefte heeft aan wezenlijke veranderingen.

    Hoe hebben uw ontwerpen het sociale klimaat veranderd?
    Bij elk bouwwerk ligt dat weer anders. Wat we in Medellín met de Biblioteca España voor ogen hadden was een houvast creëren voor een gestigmatiseerde gemeenschap. We wilden een verwijzingselement creëren, een icoon van het stoere landschap. Bij de kleuterschool El Porvenir, in Bosa, hebben de mensen rechtstreeks toegang tot de groenzone, zonder dat de school daar last van ondervindt, en daardoor behoort het gebied meer toe aan de gemeenschap; hetzelfde gebeurt bij de Gerardo Molina-school in Suba. Alle ontwerpen beogen drie dingen: een meervoudig gebruik, een plaats krijgen binnen de stedelijke structuur als een plek van referentie, en ten derde dat de mensen met het minste geld een eersteklas bouwwerk krijgen dat ze zich kunnen toe-eigenen.

    Volgens u is een groot deel van de Colombiaanse architectuur gebaseerd op angst. Waarom?
    Ik hoor vaak: ‘Pas op, dat moet je zo niet ontwerpen’, ‘dat moet je niet maken, want het materiaal wordt binnen een maand gestolen’. Er is altijd veel angst en verzet tegen verandering. Maar de motor van een stad heet ‘kritische rede’, dat is een begrip van Octavio Paz. Zonder kritische rede geen verandering, en zonder verandering geen vooruitgang. Als ons onderwijs draait om angst, krijgen we angstige mensen die niet in staat zijn met het oude te breken en risico’s te nemen.

    Een door Mazzanti ontworpen bladerdak boven een groot stuk grond dat is bedoeld als dorpsplein voor de zeer gewelddadige en arme sloppenwijk Cazuca, Bogotá, Colombia. © Paul Smith / The New York Times / HH
    Een door Mazzanti ontworpen bladerdak boven een groot stuk grond dat is bedoeld als dorpsplein voor de zeer gewelddadige en arme sloppenwijk Cazuca, Bogotá, Colombia. © Paul Smith / The New York Times / HH

    Vragen mensen die in de buurt van uw bouwwerken wonen zich ook af waarom deze publieke gelden niet worden aangewend voor het verbeteren van hun huizen en straten, of voor openbare voorzieningen?
    Dat komt neer op: geef ik ze vis of leer ik ze vissen? Ik geloof in dat laatste. Een bibliotheek biedt de mensen de mogelijkheid zich te ontwikkelen, en die van Santo Domingo Savio functioneert niet alleen als bibliotheek maar ook als een groot gemeenschapscentrum waar workshops in het starten van kleine ondernemingen worden gegeven en waar jongeren worden gestimuleerd om zich niet bij bendes aan te sluiten. Op die manier verander je de samenleving. De architectuur is niet alleen een fysieke uitdaging, maar ook een mentale.

    Hoe ziet u de rol van de overheid bij sociale woningbouwprojecten?
    Tegenwoordig vervult de overheid deze taak heel weinig, omdat ze de oplossing van het woningbouwprobleem aan de privésector heeft overgelaten. De overheid moet veel meer ingrijpen. Ze moet meer beleid voeren en meer stedelijke projecten genereren, zoals dat is gebeurd met Metrovivienda – wat een goed voorbeeld van stedenplanning is. De megaprojecten zijn in handen van private partijen en de overheid heeft geen controle over de uiteindelijke kwaliteit.

    Moeten steden in de hoogte of in de breedte groeien?
    Ze moeten wat dichter worden, vooral de onze. En de groei van de periferie moet worden beteugeld, anders zijn steden niet werkzaam.

    Wat voor beleid zou er moeten worden gevoerd bij zo’n hoge mate van informele bouw?
    Moeilijke vraag. We zijn niet in staat de bouw van een stad onder controle te houden als 60 of 70 procent informeel is. We zouden mechanismen moeten creëren die ervoor zorgen dat de woningen een zo goed mogelijke kwaliteit hebben, en dat heeft weer te maken met scholing, met workshops waardoor bouwsystemen verbeteren en ruimten beter worden benut.

    Tegen welke problemen met aannemers bent u aangelopen?
    Tegen de aannemer die bij de bouw uitsluitend geïnteresseerd is in het besparen van zo veel mogelijk geld. Over het algemeen wordt bij een openbare aanbesteding de goedkoopste kandidaat beloond, niet degene die de beste kwaliteit levert.

    En architectonisch gesproken?
    Ik hoef niet vaak strijd te leveren. Dat komt doordat je ontwerp bij het winnen van een prijsvraag niet ter discussie staat; de aannemer heeft het gewoon uit te voeren. Colombia is in Latijns-Amerika een voorbeeld wat betreft het uitschrijven van prijsvragen, zo gaat het hier al bijna veertig jaar. De prijsvraag is de enige optie in de architectuur om dingen te doorbreken.

    Waar komt de kritiek op uw werk vandaan?
    Die komt van mensen die het moeilijk vinden dingen te waarderen die zijzelf nooit zouden maken, omdat ze daartoe niet in staat zijn of omdat ze die niet mooi vinden. Hun angst is gebaseerd op een dogma, op één enkele zienswijze op de architectuur. Ik zie tot mijn spijt dat ons land op vele gebieden heel fundamentalistisch is.

    Sommige mensen beweren dat u buitenlandse ontwerpen kopieert…
    Ik geloof dat het bouwwerk van ideeën en bouwstijlen niet aan één bepaalde plek toebehoort. Wij zijn westerlingen, en wat we doen is ontwerpen maken zoals die ook in Europa of de Verenigde Staten worden gemaakt. Ik ben niet bang voor een soort ‘vervuiling’ die je zou krijgen door ideeën van elders hier toe te passen. Ik geloof niet in identiteiten, en ook niet dat we één enkele vorm van Colombiaanse architectuur hebben.

    Hoe moeten we ervoor zorgen dat de architectuur vriendelijker voor onze planeet wordt?
    De meesten van ons doen aan duurzame architectuur, en de beroepsgroep meent dat dit voldoende is om druk vanuit de maatschappij te voorkomen.

    Wat is duurzame architectuur?
    Regenwater opvangen, omstandigheden in de buitenomgeving aanwenden om luchtstromen en ventilatie te genereren in plaats van airconditioning te gebruiken. Maar we moeten veel verder gaan, dat we op een andere manier naar de maatschappij en het milieu moeten kijken. Duurzaamheid bestaat niet alleen uit het verbeteren van energieprestaties, het stoppen met bomen kappen en het verwerken van grassen in het dak van een gebouw. Dat is een nogal naïeve gedachte.

    Gekleurd rubber

    Waarom krijgen duurzame materialen zo’n warm onthaal?
    Er zijn materialen die in de loop der tijd worden afgebroken, die door het milieu kunnen worden opgenomen. Ik heb die wel op een paar plaatsen gebruikt, maar in onze context is dat niet makkelijk. We hebben gewerkt met een bepaald type plantaardige bekledingsmaterialen waarmee je de buitentemperatuur kunt reguleren, met materialen die belangrijke thermische isolatie mogelijk maken, en nu met gekleurd rubber – dat lijkt op kurk – gemaakt van hergebruikte banden.

    Waar bent u op dit moment mee bezig?
    Met de plannen voor een park langs de Calle 26, in Bogotá, en de bouw van een kleuterschool in Soledad, en ook nog een in Santa Marta. Ik heb net een sociaal woningbouwproject in Spanje afgerond en ben bezig een ander project te ontwikkelen met de architectengroep Elemental de Chile. En ik ben uitgenodigd projecten in Taiwan en in Bahrein te presenteren.

    Auteur: Amira Abultaif Kadamani
    Vertaler: Harriët Peteri

    El Tiempo
    Colombia, dagblad, oplage 1.100.000
    Grootste krant van Colombia. Uitgesproken conservatief en centrum-rechts, in tegenstelling tot zijn links-liberale concurrent El Espectador , maar bereid om verschillende standpunten te tonen.