Tag: migranten

  • ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    Dit is het waargebeurde verhaal van een Koerdische vrouw die, hoogzwanger, samen met haar man en twee kinderen van Turkije naar Griekenland vlucht. De auteur maakte deel uit van dezelfde groep vluchtelingen en tekende haar verhaal op. Deel 1 van een tweeluik.

    Keuze uit ons archief

    Sinds de aardbeving in Turkije en Syrië stromen er steeds meer verhalen binnen van Syrische vluchtelingen in buurland Turkije die eerst hun huis in eigen land vernietigd zagen worden door de bommen van Assad en nu in hun nieuwe thuisland worden overvallen door natuurgeweld. Ongetwijfeld zullen veel Syrische ontheemden in beide getroffen landen nog meer reden zien om hun heil te zoeken in West-Europa – en geef ze eens ongelijk. Dit aangrijpende verhaal uit de Turkse krant Birgün

    Weeën… Hevige weeën. En dat terwijl alles net begonnen is, het maakt me bang, maar ik moet volhouden, er zit niks anders op. Toen ik aan de reis begon was ik er eigenlijk beter aan toe. Waarom moet het nu beginnen? Komt het door het heen en weer geschud tijdens de ‘reis’ in de laadruimte van de vrachtwagen? Of is het de angst, de onrust, de spanning niet te weten wat het onbekende brengt? Hoe komen we over die rivier… Mijn kinderen… Hoe moeten die deze tocht doorstaan, blijft mijn baby in leven?

    Voordat ik aan deze onzekere tocht begon, had de dokter gezegd dat ik binnen een week zou kunnen bevallen. Toch ben ik vertrokken, wij allemaal, ons hele gezin. Wat als het kind onderweg ter wereld komt, of als het de reden is dat we worden teruggestuurd? We hebben verhalen genoeg gehoord van mensen die keer op keer de overkant wisten te bereiken en vervolgens werden teruggestuurd, met geweld. Geen idee wat ons te wachten staat. Het enige waar we ons aan vast kunnen klampen is onze hoop, het enige wat we weten is dat we niet terug willen naar waar we vandaan zijn gekomen. Daarom hebben we alle hoop die we in ons hadden aangesproken. Ons nog ongeboren kind. Misschien geeft onze baby aan de overkant houvast.

    705x470 1 1

    Hazne Alviyi

    Hazne Alviyi, 37, blijft bij haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de Syrische provincie Raqqa vanwege de zes jaar durende Syrische burgeroorlog. Turkije, dat een lange grens deelt met Syrië, herbergt nu ongeveer 3 miljoen Syrische vluchtelingen – meer dan enig ander land ter wereld. Sinds de Syrische burgeroorlog meer dan zes jaar geleden begon, heeft Turkije ongeveer $ 25 miljard uitgegeven om Syrische vluchtelingen te helpen en op te vangen. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Uit de reeks Mutual life: The Syrian refugee crisis

    Mijn man, mijn twee kleine kinderen, Mizgin en Azad, en mijn nog ongeboren kind. Na een uren durende tocht in de laadruimte van een vrachtwagen, een reis kun je het nauwelijks noemen, komen we bij een grensdorp aan. De mensensmokkelaar die ons van Istanboel hierheen heeft gebracht, stapt uit, doet ons over aan een andere smokkelaar en vertrekt. Het is midden in de nacht, half november. We lopen een tijd door een akker. ‘Stop,’ zegt de smokkelaar, ‘hier blijven we wachten.’ Hij blijkt niet degene te zijn die ons meeneemt.

    We wachten in stilte. De weeën zijn hevig, ik kan nauwelijks ademhalen. Ik zak neer in het bedauwde gras, op de vochtige aarde. Een bedroefd, bezorgd, gespannen wachten in het holst van de nacht. Wat zoeken we hier?

    De auteur

    Vanwege haar kritiek op de oorlogspolitiek die meteen na de verkiezingen van 7 juni 2015 in Turkije oplaaide, ondertekende Umut Güneş (pseudodiem) de Petitie van Academici voor de Vrede. De petitie kwam in januari 2016 uit onder de titel ‘Wij willen geen deel van deze misdaad zijn’.

    Als ondertekenaar werd ze krachtens een decreet van februari 2017 ontslagen uit haar functie op de universiteit. Haar leven veranderde van de ene dag op de andere. Ze werd bedreigd, fysiek en verbaal belaagd, er werden rechtszaken tegen haar aangespannen, ze raakte haar baan kwijt, haar paspoort werd ingetrokken, er werd haar verhinderd nieuw werk te zoeken – net als de andere ondertekenaars kon ze haast geen van haar burgerrechten nog uitoefenen.

    Om een nieuw hoofdstuk te beginnen en haar laboratoriumonderzoek voort te kunnen zetten, stak ze illegaal de Maritsa over, de rivier tussen Turkije en Griekenland, en reisde naar het buitenland. Ze maakte de tocht met vluchtelingen uit verschillende landen. Wat ze meemaakte en om zich heen zag vormde de basis voor dit verhaal. Daarin beschrijft ze de gebeurtenissen door de ogen van een van haar medereizigers, een zwangere Koerdische vrouw. Ze wil haar een stem geven.

    Geen woord

    We wachten in stilte. Midden op een akker, twintig mensen die in dezelfde laadruimte van een vrachtwagen zijn vervoerd, als schapen naar de slachtbank.

    We wachten in stilte. Allerlei verschillende gezichten, verschillende talen, Kurmanci, Sorani, Arabisch, Afghaans. In de vrachtwagen klonken ze nog door elkaar, nu valt er geen woord.

    We wachten in stilte. Mijn man laat mijn hand geen moment los. Mijn hoofd kan ik nauwelijks overeind houden, het rust steeds tegen zijn borst. En dan mijn kinderen. Mijn dochter is acht, mijn zoon zeven. Maar eigenlijk zijn ze al ouder. Wanneer zijn ze zo volwassen geworden? Waarom was dit nodig? De nacht is donker, nat, koud. Nu zitten ze hier, mijn kinderen, in een land dat we niet kennen, tussen mensen die we niet kennen, in een novembernacht op een braakliggende akker bij een dorp aan de grens, doen hun best om wakker te blijven, wachten op het moment dat we op weg zullen gaan, in stilte. Wat heeft hen op deze leeftijd geleerd zo stil te zijn?

    Hoe lang we al wachten, geen idee. Uiteindelijk komt de andere smokkelaar. Hij lijkt nog een vrouw bij zich te hebben, maar zeker weet ik het niet, het is donker, de pijn zo hevig dat ik mijn ogen nauwelijks open krijg. Dan hoor ik haar stem, ze praat Turks met hem, ja, een vrouw uit Turkije.

    Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling

    In het pikkedonker worden we geteld, als vee. Een som om uit te rekenen met hoeveel stuks we zijn. Ik weet wel dat we nummers voor hen zijn, dat het niet om onze levens gaat. Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling. Alleen de cijfers tellen, een rekening voor het geld dat ze straks krijgen, ons bestaan zegt ze niks.

    We gaan verder. We zouden ongeveer een uur langs de Turkse grens lopen, was er gezegd, dan met een boot de rivier oversteken, daarna was het nog hoogstens drie, vier uur lopen tot de auto die ons naar Athene brengt. In de woorden van de smokkelaar had het heel eenvoudig geklonken. Een korte tocht zou het zijn, het had ons moed gegeven. Net als de wens te leven, die ons de moed gaf op weg te gaan. Zo eenvoudig als het allemaal was, zo menselijk was het ook.

    Dikke sokken en slippers

    Het moet een uur of drie in de nacht zijn. Naast ons een kanaal. Op de oever zijn bergen zand gestort. We lopen langs het water, over de zandhopen, tenminste, dat proberen we. Waarom? Geen idee. Misschien om niet te verdwalen. De regen heeft kuilen in de grond geslagen, de schrale wind de grond hard gemaakt. Hoe valt hier te lopen?

    De smokkelaar gaat voorop, naast hem de vrouw uit Turkije, pal achter hen de Afghanen. Ze worden gevolgd door de Irakezen en de Syriërs. Mijn twee kinderen lopen ieder aan de hand van een jonge Irakees. Jong zeg ik, maar zelf ben ik ook pas 28. Helemaal achteraan komen wij, mijn man en ik. Ik loop op dikke sokken en slippers. De weeën zijn zo hevig dat ik mijn voeten nauwelijks van de grond krijg, mijn man en ik sloffen voort. Proberen vooruit te komen. Niemand weet dat ik zwanger ben, ik weet, wij weten maar al te goed dat de smokkelaars ons anders nooit hadden meegenomen.

    stiekem geneert ze zich

    en tegelijkertijd is ze bang 

    dat ze dood zal gaan. 

    na deze winter zijn we met één ziel meer.

    lief kind, waar in mijn lijf verstop ik je?

    Ahmed Arif – Aantekeningen uit de burcht van Diyarbekir en wiegelied voor het babietje Adiloş

    Mijn man torst 26 kilo op zijn rug: een tas met onze eigen spullen en, zonder dat iemand het weet, die voor onze baby (reistas, deken, luiers, een speen). Zelf heb ik een tas diagonaal over mijn schouders, daar zit wat geld in. Ik heb mijn arm in die van mijn man gehaakt, maar in feite draagt hij mij: hij heeft zijn ene hand onder mijn arm doorgeschoven, heeft me bij mijn middel vast, probeert me zo op de been te houden. In zijn andere hand draagt hij een tweede tas, met wat eten en drinken.

    We ploeteren voort, over de bergen zand, het wordt steeds kouder. Ik loop met gebogen hoofd en toch zie ik niks, ik stap in modderpoelen. In het maanlicht lijken de glanzende plekken op de grond droog, de donkere plekken plassen, maar als ik merk dat het precies andersom is, is het al te laat. Mijn sokken zijn doorweekt.

    Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken

    Ik hoor de stem van de smokkelaar, hij is kwaad op de Irakezen omdat ze hardop praten. In de verte het licht van de militaire wachttorens. Plotseling glijdt een lange lichtstraal over het veld. Op bevel van de smokkelaar duiken we allemaal ineen, we zijn stil en doodsbang. Hebben ze ons gezien, of was het een routinecontrole? We weten het niet. We wachten een tijdje, komen dan overeind.

    De smokkelaar zegt dat de mannen de boten moeten oppompen. Kennelijk zijn we vlak bij de rivier. Twee grote rubberboten worden opgeblazen, iedere boot wordt door vier mannen gedragen, zo vervolgen we onze tocht. Wij lopen weer achteraan.

    705x470 2 1

    Hapse Guclu

    Hapse Guclu, 63, huisvest haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de provincie Raqqa in Syrië. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Even later zien we dat verderop de hele groep zijn pas inhoudt. Als we bij hen komen, blijkt ons pad afgesneden door een lang kanaal met wanden van beton. De wanden lopen schuin af, steil naar beneden. Op de bodem staat water, niet veel, maar toch. Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken. De twee smokkelaars staan te discussiëren. Nemen ze deze route dan voor het eerst, wisten ze niet van dit obstakel?

    Als duidelijk is dat we hier niet naar de overkant kunnen, gaan we naar rechts. We lopen langs het kanaal in de hoop ergens een plek te vinden waar we wel kunnen oversteken. Ze hebben het over een brug, een brug met pal daarnaast een toren. Ze zeggen dat we doodstil moeten zijn, dat we anders misschien worden opgepakt. En ze waarschuwen ons: worden we gepakt, dan doen zij alsof ze vluchtelingen zijn. Als we hen verraden ziet het er slecht voor ons uit.

    Ik ben bang, we zijn nog maar net onderweg en nu al wordt de tocht steeds langer. Eén uur hadden ze gezegd. Het is misschien al wel drie uur geleden dat we vertrokken en we zijn er nog steeds niet. We lopen bij de groep nu, vlak achter de anderen. Ik wil niet hebben dat mijn kinderen de jonge mannen loslaten die met grote stappen voor ons uit lopen, dat mag niet gebeuren, zeker niet voordat we het kanaal over zijn en die wachttoren voorbij.

    Ik dwing mezelf mijn pas te versnellen zodat ik in hun buurt blijf. Gelukkig duurt het niet lang voordat we aankomen bij wat ze een ‘brug’ noemen: een plek waar het kanaal is volgestort met aarde. De toren is vlakbij. Een angstaanjagend moment, ik probeer mijn zenuwen de baas te blijven door de hand van mijn man nog steviger vast te houden. Zo snel en stil mogelijk sluipen we langs de toren, steken het kanaal over en verdwijnen in het desolate donker.

    Bijna licht

    Nu mijn angst wat is gezakt worden de weeën heviger. Ondraaglijk bijna, ik kan niet meer vooruit. We raken steeds verder achterop. Aan het begin, vooral in de buurt van die militaire toren, hield iedereen af en toe stil om te kijken of de anderen er nog waren, maar nu de dag bijna aanbreekt en iedereen haast heeft, wordt er nauwelijks nog achterom gekeken. Wat moeten we doen, hoe halen we hen weer in?

    Mijn kinderen lopen vooraan, maar ik hou het niet meer vol, we raken achterop. Ik laat me op de grond zakken. Mijn man is bij me, hij houdt mijn hand stevig vast, ik krimp ineen van de pijn. De bevalling moet op gang aan het komen zijn. Alsjeblieft, niet nu… We moeten de rivier over. We kunnen niet hier blijven, in handen vallen van het leger, dat moet niet gebeuren. We zijn de tocht juist begonnen om weg te komen. Alsjeblieft, nu nog niet.

    volle maan en de weg is lang 

    een zilveren dolk in mijn rug 

    ik loop maar doodgaan kan ik niet

    uit de anjer druppelt bloed 

    Behçet Aysan – Gedicht van een kapot potlood 

    Het is al bijna licht en we zijn een flink eind achterop geraakt. Met een laatste krachtsinspanning sta ik op. We lopen verder, moederziel alleen, in doodse stilte – mijn sloffende voetstappen het enige dat de stilte verbreekt. Waar zijn mijn kinderen, waar zijn de anderen? Na een tijdje zien we vóór ons een paar mensen, twee Syrische vrouwen en een man, ook zij zijn achterop geraakt. We zijn dus op de goede weg.

    Opgelucht lopen we verder, maar we zien niemand, horen niks. We lopen maar, naast elkaar, en zijn zo ten einde raad dat we volledig op onszelf worden teruggeworpen, ons aan de anderen vastklampen, ons nog vermoeider voelen en nog eenzamer, totdat we daar, op die dorre grond, in dat barre veld plukken diepgroen riet onderscheiden. Water, staat dat niet voor leven? Dat is wat het riet, de lage bomen ons toeroepen. We hebben de rivier bereikt.

    Welke kant nu uit? Konden we maar naar de oever, dan zagen we de anderen vast, maar de bomen, het riet maken dat onmogelijk. Misschien zijn we verdwaald. En mijn kinderen, waar zijn mijn kinderen? Ik krijg geen adem. Mijn man probeert me te kalmeren. ‘Misschien zijn ze doorgelopen op zoek naar een plek waar ze de boten makkelijker te water kunnen laten,’ zegt hij. Hij loopt naar rechts, geen idee waarom, de anderen lopen zonder vragen achter ons aan, de rivier ligt nu links van ons.

    Ik probeer mijn krachten weer te verzamelen. We moeten harder lopen, hen zo snel mogelijk zien te vinden. De angst mijn kinderen kwijt te raken overmant me. Een hels kabaal, ik schrik. Is er iemand in het water gevallen, is in de militaire wachttorens in de verte het vuur geopend? Het kabaal houdt maar niet op, steeds hetzelfde geluid.

    Pas als we op een plek komen waar we tussen de bomen door de rivier kunnen zien, begrijpen we waar het vandaan komt. Pelikanen! Grote, spierwitte vogels. ‘Ze vangen vis,’ zegt mijn man, ‘ze waden en slaan met hun vleugels op het water, zo maken ze de vissen bang en jagen die op naar de oever.’ Het leven gaat door, ondanks alles. Een gevoel van rust daalt over me neer, heel even, dan is het weer verdwenen.

    mijn bladeren zijn weg mijn vogels gevlogen 

    mijn bergen niets dan puin

    ook de liederen die ik kende zijn verdwenen 

    in mijn stem geen echo van mijn leven

    slechts het daveren van het bos klinkt in mijn stem 

    Ahmet Telli – Vergeet, mijn hart, dit gedicht 

    De Maritsa

    Er is nog steeds niemand te zien. Misschien zijn we de verkeerde kant op gelopen. We draaien om, de rivier ligt nu rechts van ons. Links is het terrein vlak en open zover het oog reikt, de weg die we hebben afgelegd. Ik voel dat ik aan het eind van mijn krachten kom. Mijn man probeert me te bemoedigen, houdt mijn hand vast, zegt dat ik niet bang hoef te zijn, we zullen ze wel vinden. 

    We lopen en lopen. Achter ons rent iemand onze kant uit. De schrik slaat ons om het hart, maar het blijkt een van de smokkelaars te zijn die ons is komen zoeken. Ik ben dolblij. Mopperend en met snelle passen gaat hij ons voor, wij hollen achter hem aan. Als we bij de anderen aan de oever van de rivier komen, zie ik mijn twee kleintjes terug, zij aan zij in elkaar gedoken, nog kleiner, enkel kwetsbaar en fragiel, niet stil meer maar verstomd, ogen waar de angst uit stroomt, een zee van tranen. Mijn hart is verteerd van verlangen, ik omhels ze, kus ze.

    de lente heeft haar stempel gedrukt de seringen

    zijn ontloken wat als ik een kersentakje pak

    binnen in me draaft een ree

    en de papavervelden schreeuwen het uit

    Behçet Aysan – Een kersentak

    Het is ochtend. De bevalling lijkt nu niet lang meer op zich te laten wachten, hoewel ik eigenlijk nog wat tijd zou hebben. Het lange lopen en de angst om mijn kinderen hebben me uitgeput. Ik krimp ineen van de weeën, ik kan ze niet langer verborgen houden. Net nu we bij de rivier zijn, ons opmaken naar de overkant te gaan, val ik neer op de oever, de oever van een rivier die eigenlijk zo ver van ons weg is. Niet de Tigris, niet de Eufraat, maar de Maritsa, die al haar smart uitstort waar ze langs stroomt. Mijn man komt naast me zitten, neemt mijn handen tussen de zijne, onze blikken kruisen elkaar. De hemel, de wolken lijken neergedaald in zijn ogen, er ligt een sluier over zijn blik. Hij kijkt weg, omhelst me, nog steviger, om mij te bemoedigen en ook zichzelf, dat weet ik wel.

     zeg het maar mijn lief! zeg: op een notenbruine dag kom ik eraan

    Istanboel zal een wanboel zijn, mijn haren 

    een wanboel. alles een wanboel! 

    wees niet bedroefd, mijn lief! we rapen ons bijeen, samen 

    staan we op, lopen we weg, zeg dat mijn lief 

    en al heeft het leven een stalen grond met iedere stap doorboren we het!

    Küçük İskender – Zeg het maar mijn lief 

    De vrouw uit Turkije, die de hele tijd vooraan, bij de smokkelaar loopt, is de eerste die me opmerkt. Ze komt naar me toe. Nu pas, in het daglicht, kunnen we elkaars gezicht zien. Ze haalt water uit haar tas en wast mijn gezicht. Dan komt een van de Irakezen, hij zegt dat hij arts is, voelt mijn pols, mijn hartslag is heel laag. Ik ben blij te horen dat hij arts is, en in de hoop dat hij me helpt vertel ik dat ik zwanger ben.

    Tumult. De smokkelaar komt naar me toe, duwt me tegen de grond, daar lig ik, op mijn rug in de natte aarde aan de oever van de rivier. ‘Geen denken aan!’ zegt hij. ‘Zo kan ik je niet meenemen, je geeft je maar aan bij de militairen, ga naar een ziekenhuis!’

    De Irakese arts geeft hem gelijk. ‘Je moet in geen geval meegaan,’ zegt hij, ‘niet in deze toestand!’

    ‘Onmogelijk,’ zeg ik, ‘dat kunnen jullie niet doen, we hebben betaald, jullie moeten ons meenemen!’

    We kunnen niet meer terug, bovendien, waar zouden we heen moeten, onze huizen liggen in puin, onze straten ruiken naar oorlog, verder hebben we niks. De kinderen, deze kinderen moeten leven. De weeën zijn afgrijselijk, ze snijden me de adem af, ik zet mijn kiezen op elkaar en kom overeind, ik wil hen laten zien dat ik het vol kan houden, ik smeek hen, kijk hen recht aan terwijl er een brand in mijn binnenste woedt.

    Ahmet, beste jongen, waarom huilt een zakdoek 

    niet een tand, niet een nagel, een zakdoek, waarom huilt die 

    in mijn zakdoek klinkt het bloed.

    Edip Cansever – In mijn zakdoek klinkt het bloed 

    ‘Goed,’ zegt de andere smokkelaar uiteindelijk. Hij stemt in. De vrouw uit Turkije geeft me een arm, neemt de tas over die mijn man in zijn hand heeft, en wil dan ook de tas van mijn hals halen. Ik begrijp het wel, ze probeert te helpen, maar dat gaat niet. Hoe moet ik weten of ik haar kan vertrouwen? Terwijl ik het hoofd bied aan de pijn probeer ik haar angstig te doorgronden, dan zie ik haar zwarte nagellak, haar stevige laarzen, die speciaal voor de tocht lijken aangeschaft. Ze zegt iets, eerst in het Turks, dan in het Kurmanci, terwijl ze naar mijn tas reikt. Ik krijg geen woord over mijn lippen, geef haar met mijn blik te verstaan dat ik mijn tas niet kan geven. Ze begrijpt het.

    Klein lichaam

    De overkant. Een nieuw leven. Zo dichtbij en zo ver weg. Al die omgeslagen boten op zee, op rivieren. Al die mensen die er niet meer zijn. En met die kennis dan op weg gaan, met twee kleine kinderen en een baby in mijn buik. Als we bij de meest geschikte plaats aankomen worden de twee boten aan elkaar vastgebonden, misschien om zo snel mogelijk naar de overkant te kunnen, of om meer weerstand te kunnen bieden aan de sterke stroming.

    Ik weet het niet. Ik kan niet nadenken. Ik voel de pijn niet, de weeën niet. Een voor een stappen we in een boot en proberen zo te gaan zitten dat het gewicht gelijk verdeeld is. Het enige wat ik voel is angst. Enorme angst. Ik zie de beelden voor me van al die hartverscheurende gebeurtenissen waarover ik gelezen, gehoord heb, waarvan ik het meeste heb gezien, meegemaakt, gehoord van mijn naasten. Ik ben bang, bang vanwege mijn kinderen, vanwege het kind dat nog geboren moet worden.

    Mijn kinderen. Alan heette het peutertje, aan deze kant van de rivier kent men hem als Aylan Kurdi. Is er een verschil tussen die kinderen? ‘Klein lichaam ontzield aangespoeld’ luidden de koppen op 2 september 2015. Dezelfde datum in zekere zin als vandaag, nu, morgen.

    ‘Klein lichaam.’ Oppervlakkige woorden voor een ziel die is heengegaan. Het kind was nog maar klein, zijn ziel des te groter. In wat voor eenheid meet je het leven, in jaren, de leeftijd van een ziel?

    als een rivier was de mens

    zonder besef van het bloed dat hij meevoert; 

    stom bij zijn eigen lied,

    blind voor zijn eigen droom,

    doof voor zijn eigen schreeuw…

    Nihat Behram – Ali is een meisje 

    Drie jaar duurde het leven van Alan, een berg aan ervaringen, net als de levens van zijn moeder en zijn broer, die samen met hem stierven. Ze vluchtten voor de dood, precies wat ons tot deze tocht bracht, met onze kinderen in onze armen. En we wisten: ‘(…) no one puts their children in a boat / unless the water is safer than the land (…).’ (Warsan Shire – Home)

    We doffen ons op alsof we naar een feest gaan

    De smokkelaar die tot nu toe met ons was meegelopen, gaat terug. Zijn collega stapt in een van de boten, gaat voorin zitten. De Irakese arts stapt in de tweede, zij zijn degenen met een peddel. Maar de Irakese arts krijgt het niet voor elkaar, hij weet simpelweg niet wat te doen. De rivier is breed, de stroming sterk. De vrouw uit Turkije wil de peddel overnemen, maar de smokkelaar laat haar niet in de andere boot overstappen, bang dat de boot uit balans raakt.

    Kwaad probeert hij wat te verschuiven zodat hij in het midden van de twee boten zit. Hoe moet die jongen, zo’n dunne man ingaan tegen de stroming van die brede rivier? Wat als de touwen tussen de twee boten breken? Reddingsvesten hebben we niet. Het enige wat we hebben zijn de grote tassen in onze handen, op onze ruggen. Als we in het water vallen zijn we verloren, dat besef ik maar al te goed.

    We hebben al zo vaak gehoord dat op de Egeïsche Zee, hier, op de Maritsa boten omsloegen met reizigers zoals wij en tientallen mensen verdronken. Hier mogen smokkelaars de mensen misschien nog overzetten, op zee is het een heel ander verhaal. Daar laten ze de migranten zien hoe ze een rubberen vaartuig met een goedkope motor moeten besturen, daarna mogen ze het zelf uitzoeken met die ondeugdelijke boten en zwemvesten die geen enkel nut hebben.

    Al die mensen die ze zo de dood in hebben gejaagd. Alan was maar een van hen. De gedachten, de gebeurtenissen bezorgen me steken in mijn hart, maar ondertussen is de smokkelaar nog bij ons en hij krijgt het voor elkaar! Met al zijn kracht en één peddel heeft hij ons naar de overkant gebracht. 

    We stappen uit, het water in, de blubber. De boten worden meteen uit het water getrokken. We rennen naar de bomen op de oever, schuilen onder de takken, proberen onze voeten en schoenen schoon te maken, trekken droge sokken aan. Van sommigen zitten de kleren zo onder de modder dat ze hun broek uittrekken en een schone aandoen. De vrouw uit Turkije heeft een grote doos vochtige doekjes bij zich, die ze aan iedereen uitdeelt.

    Iedereen lijkt op te leven, is er wat beter aan toe, opgewekter. Kennelijk waren we allemaal vooral bang voor de rivier. We hebben het gehaald! We doffen ons op alsof we naar een feest gaan. Op de oever, onder de bomen wordt de lucht uit de boten gelaten, eentje wordt er achtergelaten – waarom weet ik niet, misschien hebben we er geen twee meer nodig. We zijn tenslotte aan de overkant, eindelijk, nu zal alles makkelijker zijn – tenminste, dat hoop ik. Misschien heeft de smokkelaar hem nodig voor de terugreis.

    Behalve die van ons liggen er nog een paar boten, en modderige broeken, sokken, talloze conservenblikken. Al die mensen die al hierlangs gekomen zijn. Net als onze voorgangers laten ook wij onze modderige spullen liggen, we wachten af tot we achter de smokkelaar aan onze tocht kunnen vervolgen. Het is licht, we kunnen niet verder, zegt hij. We moeten weg van de rivier, ons verstoppen en wachten tot het donker wordt. Urenlang wachten, hoe is het mogelijk, net nu we de grootste hindernis genomen hebben, de rivier hebben weten over te steken, onze angst is gezakt en onze hoop aangewakkerd, net op het moment dat we denken er bijna te zijn.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren

    Terwijl we de brede rivier achter ons laten en tussen de lage bomen door proberen te lopen, moet ik denken aan de mensen die in de winter hun toevlucht zochten tot het bos en in hun dunne kleren zijn bevroren. Ieder moment van deze tocht ligt de dood op de loer. De weeën worden steeds heviger, ik leg mijn hand op mijn buik, denk aan de baby. Die pijn, die hevige pijn zal me uiteindelijk met mijn kind verenigen, dat weet ik toch, zo is het eerder ook gegaan.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren – karkassen, beter gezegd. Vreemd genoeg liggen de meeste erbij zoals ze zijn neergevallen, de botten op hun plek, alles aan elkaar. Koppen verbonden met de hals, borst en ribben. Heupen aan poten. Talloze hoorns en hoeven. Wat heeft dat te betekenen, waar wijzen die onaangeroerde skeletten op? Zijn de beesten geschoten en vervolgens blijven liggen? Maar wie schiet ze dan? Jagers heb je hier niet. Militairen?

    Na een tijdje vinden we tussen de bomen en het struikgewas, ver van de rivier, een vlak stuk. Het is vochtig en koud maar toch gaan we op het gras zitten. Wachten, een gespannen wachten. We proberen allemaal te ontspannen en eten wat van onze meegebrachte etenswaren. Mizgin en Azad krijgen eerst, ze vallen om van de honger. Daarna gaat iedereen ergens liggen en probeert te slapen. De Afghanen lopen het verst weg, gaan in grote zwarte vuilniszakken liggen. Goed idee om die mee te brengen. Zo hebben ze bescherming tegen de kou, de wind, het vocht.

    Ik zit hevig te rillen. De Irakese arts, die vlak bij ons is gaan liggen, merkt het, hij haalt een regenjas uit zijn tas, trekt me die aan, doet de knopen een voor een dicht. Dan gaat hij weer liggen, maar hij kan de slaap niet vatten, schrikt iedere keer wakker.

    Ook de vrouw uit Turkije kan niet slapen, ze zit met haar rug tegen een boom te wachten. Naast haar ligt de smokkelaar, onder een laken, hij is meteen ingedut. De Syriërs liggen een eindje verderop, links van ons, naast elkaar onder een boom. Een van hen, een vrouw, heeft zich opgerold en, in een poging zich tegen de kou te beschermen, een sjaal over zich heen getrokken.

    Zwak gehuil

    Door de dunne regenjas ril ik minder, maar nu komen de weeën weer opzetten. Even later voel ik vocht tussen mijn benen lopen, zijn mijn vliezen soms gebroken? Ik vertel het mijn man, ik pak zijn hand en kom overeind, zonder iets tegen iemand te zeggen lopen we met onze kinderen verder het bos in. De vrouw uit Turkije volgt ons met haar ogen, maar ze heeft geen idee wat er aan de hand is. Mijn kind is op komst!

    Ver weg van de anderen strek ik me met moeite uit in het natte gras, mijn man houdt mijn hand stevig vast, laat me niet los, Azad en Mizgin kijken me verbaasd aan. Even zie ik Ruhat en Botan in hun ogen. Ik denk weer aan hun moeder, de mooie Muntazam. Toen ze in haar eentje thuis beviel keken haar twee kinderen ook zo verbaasd naar haar, dat vertelde ze naderhand. Zoals ze in haar eentje van haar kind was bevallen, eigenhandig de navelstreng van haar kind had doorgeknipt. Dat zou ik ook kunnen, maar ik ben niet alleen, mijn man is bij me.

    Maar nee. Dat prachtige kind, Muntazams baby. Nog geen twee maanden was het toen… Ik krijg het gewoon niet over mijn lippen.

    Ik heb iemand nodig, een vrouw. De bevalling begint, echt, het hoofdje komt al. Ik zeg tegen Mizgin dat ze de vrouw uit Turkije meteen moet gaan roepen. De twee Syrische vrouwen spreken Kurmanci en Arabisch en het is makkelijker om met hen in Sorani te communiceren ook al kennen ze die taal niet, maar dat gaat niet, ze hebben zich niet laten zien, kennelijk houdt iets hen tegen, ze zijn bevreesd.

    Serê zarok,’ roept Mizgin, ‘het hoofd van het kind’, en ze rent weg. De vrouw uit Turkije komt er meteen aan. Ze heeft een klein zakmes bij zich. Ze kijkt me geschokt aan maar herneemt zich snel, gaat bij mijn voeten zitten en trekt voorzichtig aan mijn baby. Daar is hij, in haar handen, mijn man zit bij mijn hoofd, mijn kinderen kijken naar hun nieuwe broertje – het jongetje dat nog steeds met mij verbonden is. Alleen, hij geeft geen kik, wat is er aan de hand?

    Mijn hart staat zo in brand dat ik geen woord kan uitbrengen. Dan begint de vrouw onhandig tikjes te geven tegen de billen van mijn kind. Eindelijk hoor ik een zwak gehuil.

    er stond een bloem, daar, ergens,

    te bloeien als om een fout weer recht te zetten; 

    boog zich tot vlak bij mijn lippen 

    en praatte en praatte maar.

    Cemal Süreya – Een bloem

    De vrouw vraagt iets, zegt wat tegen ons, maar we begrijpen elkaar niet. Gelukkig komt de smokkelaar op dat moment, ze vraagt hem meteen om zijn telefoon. Ze belt iemand, overlegt. Belt dan iemand anders, zet de telefoon op de luidspreker en legt hem op mijn opgeschorte rok. Aan de andere kant van de lijn legt een vrouw met een verbazingwekkende kalmte een en ander uit, haar stem geeft vertrouwen.

    De Turkse vrouw snijdt met haar zakmes de navelstreng door. Nu moet die afgebonden worden, maar er is geen draad. Mijn man laat mijn hand heel eventjes los om in de tas te zoeken. Alles voor de baby hebben we bij ons, hoe hebben we draad nou kunnen vergeten. De vrouw stuurt de smokkelaar naar de anderen in de hoop dat die iets hebben.

    Een van de Syrische vrouwen komt aangelopen met een klein stukje naaigaren. Een dun stukje naaigaren, daarmee bindt ze de dikke, harde, glibberige navelstreng af. Met wat water probeert ze de baby te wassen, geeft hem dan aan de anderen over zodat die hem aan kunnen kleden.

    Op dat moment wordt de verbinding verbroken. Onze blikken kruisen elkaar. Ik voel me gelukkig en dankbaar, op haar gezicht ligt een vage glimlach. Toch valt er angst in haar blik te lezen. Ik voel dat ze niet weet wat te doen maar me tegelijkertijd wil bemoedigen. We spreken niet dezelfde taal, maar proberen elkaar met onze blikken te steunen en moed in te spreken. Dat heeft zij net zo hard nodig als ik.

    De bevalling is nog niet voorbij. De nageboorte zit er nog. En tussen mijn benen voel ik de navelstreng, waarmee mijn kind negen maanden lang met mij was verbonden. Mijn lichaam moet dat alles nu kwijt. Zij weet ook wat er te doen staat, ze weet alleen niet hoe. Ze vraagt me iets, maar ik ben niet in staat antwoord te geven, zelfs maar te laten zien wat ze moet doen.

    Ze vraagt de smokkelaar nogmaals om zijn telefoon, zet hem op de luidspreker en geeft ook mijn man instructies, laat hem zien hoe hij met kracht op mijn buik moet duwen. Felle pijnscheuten trekken door mijn hele lijf. Terwijl mijn man op mijn buik drukt, lukt het de vrouw met haar blote handen de nageboorte uit me trekken. De pijn zakt een beetje. Ik voel me uitgeput, maar beter. Alles is voorbij, tenminste, dat hoop ik, want ik weet niet hoeveel ik ben ingescheurd, of ik veel bloed heb verloren, of de bloedingen aanhouden.

    De regenjas onder me is besmeurd met alles wat met mijn kind is meegekomen. Mijn voeten staan er midden in en trillen, ik kan het niet tegenhouden. Ik heb het ijskoud.

    Mijn man haalt mijn kleren uit de tas. De vrouw uit Turkije probeert me met vochtige doekjes schoon te wrijven. Ze stuurt de smokkelaar er nog een keer op uit, hij komt terug met een grote zwarte vuilniszak, van de Afghanen gekregen waarschijnlijk. Ze snijdt het onderste stuk van mijn regenjas en laat dat op de grond liggen – schoonmaken lukt toch niet zonder water of een fatsoenlijke doek. Samen met mijn man tilt ze me op de vuilniszak die ze naast me op de grond heeft uitgespreid.

    Dan wrijft ze me helemaal schoon, kleedt me aan. Schone sokken heb ik niet. Het enige reservepaar dat ik had, heb ik aangedaan nadat we de rivier waren overgestoken en in de modder terecht kwamen. Tijdens de bevalling heb ik er geen moment aan gedacht ze uit te trekken. Ze zegt tegen Mizgin dat die haar tas moet brengen. Ze heeft een maillot, die trekt ze me aan.

    Ik voel me wat beter, al heb heb ik het nog steeds koud en trillen mijn benen nog. Ze stuurt de smokkelaar naar de Syrische vrouw, die een korte legging bij zich heeft. Ook die trekt ze me aan. Dat scheelt, de legging verwarmt me en houdt mijn ondergoed strakker tegen mijn lijf. Na een bevalling verlies ik veel bloed, ik weet het van de geboorte van Mizgin en Azad. Ik moet er niet aan denken dat op die koude, natte wegen, te midden van al die mensen, het bloed langs mijn benen loopt. En daarbij, bloedverlies betekent je slap voelen, uitgeput, misschien niet verder kunnen lopen.

    Niet aan denken. Nu heb ik mijn baby in mijn armen. Ik sla ze nog steviger om hem heen.

    Lees hier deel 2:

  • Heeft impeachment zin? | Hondurezen op weg naar VS | 2020 heetste jaar ooit

    Heeft impeachment zin? | Hondurezen op weg naar VS | 2020 heetste jaar ooit

    Komt de impeachment van Trump niet te laat?

    De Amerikaanse pers zit vol vragen over het impeachmentproces tegen president Donald Trump. Op 20 januari neemt zijn opvolger Joe Biden het al over. Kan Trump dan nog wel terechtstaan voor het Senaat? En als hij afgezet wordt, kan hij dan nog meedoen aan de verkiezingen in 2024?

    Op woensdag 13 januari hebben leden van het Huis van Afgevaardigden Donald Trump voor de tweede keer geïmpeacht, ditmaal voor zijn rol in het opruien van de menigte die het Capitool op 6 januari bestormde. Een meerderheid van de leden van het Huis, waaronder tien Republikeinen, hebben hem beschuldigd van ‘het aanwakkeren van een opstand’. De impeachmentprocedure is uitgevoerd met ‘buitengewone snelheid en ‘roept nooit eerder gestelde vragen op’, schrijft The New York Times.

    Een opvatting die wordt gedeeld door Fox News, dat opmerkt dat een mogelijk proces tegen Donald Trump in de Senaat, terwijl hij al het Witte Huis zou hebben verlaten, een sprong in het onbekende betekent.

    Mitch McConnell, de Republikeinse meerderheidsleider in het Senaat, verklaart dat de Senaat pas op 19 januari de aangenomen impeachmentverklaring zal ontvangen van het Huis, een dag voor de inauguratie van Joe Biden. ‘Een rechtszaak zou weken kunnen duren, als die al plaatsvindt’, aldus het conservatieve tv-station.

    GettyImages 1230572209
    Voorzitter van het Huis van Afgevaardigden Nancy Pelosi toont op 13 januari de met een meerderheid aangenomen impeachmentverklaring aan de pers. – © Stefani Reynolds / Getty

    Trumps proces in de Senaat ‘zou ongrondwettelijk zijn’, aldus voormalig federale rechter J. Michael Luttig, die dicht bij de Republikeinen staat, in een opinieartikel in The Washington Post. Volgens hem zal het Amerikaanse Congres na afloop van Trumps termijn op 20 januari niet langer de macht hebben om in overeenstemming met de grondwet ‘het impeachmentproces voort te zetten’.

    Maar volgens Fox News geloven andere deskundigen dat een dergelijk proces wel kan worden gehouden, en ‘lijken de leiders van beide partijen in de Senaat klaar om het door te zetten’.

    Memo

    McConnell heeft een memo naar zijn Republikeinse collega’s gestuurd om uit te leggen hoe de Senaat te werk zou kunnen gaan na het ontvangen de impeachmentverklaring van het Huis, en zijn Democratische tegenhanger senator Chuck Schumer heeft gezworen dat er een proces wordt gehouden.

    Als Trump daadwerkelijk wordt afgezet – waarvoor de stem van twee derde van de senatoren nodig is – ‘zou dat hem niet automatisch uitsluiten van een toekomstige positie als volksvertegenwoordiger’, aldus The New York Times. Maar de Grondwet staat wel toe dat er later wordt gestemd over het uitsluiten van de president voor een openbare functie, waarvoor dan slechts een meerderheid van de senatoren nodig is.

    ‘Vergis je niet, er komt een proces in de Amerikaanse Senaat. Er zal gestemd worden over het al dan niet veroordelen van de president’, verklaarde Schumer op woensdag, bericht Fox. ‘En als de president veroordeeld wordt, zal er gestemd worden om hem uit te sluiten van herverkiezing.’

    ‘Donald Trump is afgeschreven als een serieuze presidentiële kandidaat – tenzij de Democraten hem proberen te rehabiliteren met een wraakzuchtig proces’

    Volgens The New York Times zou een dergelijke maatregel een aantrekkelijk vooruitzicht zijn, ‘niet alleen voor de Democraten, maar ook voor veel Republikeinen, die (…) ervan overtuigd zijn dat dit de enige manier is om hun partij uit de greep van Trump te bevrijden’.

    Kortom, er is zoveel onzekerheid dat The Wall Street Journal van mening is dat het beter is om het hierbij te laten en de aanklacht ‘te laten sterven in het Huis’. Voor het conservatieve dagblad is ‘Donald Trump afgeschreven als een serieuze presidentiële kandidaat – tenzij de Democraten hem proberen te rehabiliteren met een wraakzuchtig proces’.

    De krant voegt daar waarschuwend aan toe: ‘Wees niet verrast als Trump een rechtszaak gebruikt om weer uit de dood te herrijzen.’


    Hondurese migrantenkaravaan wil naar VS

    De Guatemalteekse regering heeft verklaard in zeven grensdepartementen de noodtoestand af te kondigen in afwachting van de komst van een ‘migrantenkaravaan’, meldt het Guatemalteekse dagblad La Hora. Deze migranten hebben weinig kans om hun bestemming te bereiken, volgens de regionale pers.

    Het is de eerste karavaan van 2021. Naar schatting 300 migranten verlieten Honduras op de avond van woensdag 13 januari in de hoop maar liefst drie grenzen over te steken: via Guatemala en Mexico met als einddoel de Verenigde Staten. Vergelijkbare marsen die de afgelopen tijd hebben plaatsgevonden van Hondurezen die de VS willen bereiken zijn allemaal gestrand in Guatemala.

    Het Spaanstalige Amerikaanse tv-station Noticias Telemundo maakte een item over de Hondurese ‘migrantenkaravaan’ aan de Guatemalteekse grens.

    Vanuit San Pedro Sula, een grote stad in het noorden van Honduras, ‘gingen ze gisteravond te voet op weg naar [de grensstad] Corinto en Guatemalteeks grondgebied, het eerste doel van deze grote overtocht naar de Verenigde Staten en de zogenaamde “Amerikaanse droom” achterna’, schrijft het populaire Mexicaanse dagblad Milenio.

    Ook het Hondurese dagblad La Prensa schrijft over het vertrek van deze nieuwe ‘karavaan’: ‘Sommige van deze migranten, vooral jongeren, zeggen dat ze het land verlaten omdat ze na de tropische stormen Eta en Iota alles zijn kwijtgeraakt en geen werk kunnen vinden.’ Volgens La Prensa hopen de migranten dat ze na de inauguratie van Joe Biden makkelijker asiel in de VS kunnen krijgen.


    2020 (bijna) heetste jaar ooit gemeten

    Het jaar 2020, waarin van Californië tot Siberië een angstaanjagende hoeveelheid bosbranden hebben plaatsgevonden en een recordaantal tropische cyclonen op de Atlantische Oceaan is geteld, komt dicht in de buurt en staat mogelijk zelfs op gelijke voet met het heetste jaar ooit gemeten, volgens meerdere wetenschappelijke onderzoeken die donderdag naar buiten kwamen, bericht The Washington Post.

    Alleen het jaar 2016, waarin een ‘super’-El Niño de zeewatertemperatuur erg deed stijgen, lijkt nog iets warmer te zijn volgens onderzoeksresultaten van NASA, het Amerikaanse en het Britse meteorologisch instituut, en klimaatwetenschappelijk onderzoeksinstituut Berkeley Earth.

    Maar de directeur van NASA, Gavin Schmidt, noemt het verschil in een interview met The New York Times ‘onbeduidend’. ‘In feite is het een statistisch gelijkspel’, aldus Schmidt. De NYT meldt verder dat de afgelopen zeven jaar de warmste jaren waren sinds klimaatgegevens worden bijgehouden.


    Hondenzegen

    In India gaat een video rond op de sociale media waarin een hond bij de ingang van een tempel in de Indiase plaats Maharashtra gelovigen de hand schudt en ‘zegent’, schrijft het dagblad The Indian Express. Volgens een Instagramgebruiker zit het dier elke dag op dezelfde plek om bezoekers van de tempel te groeten.

    Screen Shot 2021 01 15 at 11.42.56 AM 1 1
    Bekijk het filmpje hier.

    Inmiddels gaat het filmpje viral. Veel Indiase socialemediagebruikers posten de video van de zegenende hond met de begeleidende boodschap dat we dieren beter moeten behandelen.  

  • Worden de Canarische Eilanden het nieuwe Lesbos?

    Worden de Canarische Eilanden het nieuwe Lesbos?

    De Canarische Eilanden hebben dit jaar acht keer zoveel migranten ontvangen als vorig jaar. Spaanse opiniemakers zien dat de eilanden de toestroom niet meer aankunnen en dringen aan op actie om een volgende humanitaire ramp te voorkomen.

    Sinds het begin van dit jaar kampen de Canarische Eilanden met een grote instroom van migranten uit Afrika. De crisis op de Canarische Eilanden is een mislukking van de regering, die de opvang dringend moet verbeteren’, schrijft de Spaanse krant El País in een redactioneel commentaar. In de haven van Arguineguín verblijven nu meer dan tweeduizend migranten die in bootjes de oceaan zijn overgestoken.

    ‘De migratiecrisis op de Canarische Eilanden is te wijten aan de hoge toestroom, maar meer nog aan het slecht handelen van de regering’, aldus El País. ‘Niemand twijfelt eraan hoe moeilijk het is om tussen 1 januari en 15 november 16.750 mensen te ontvangen en op te vangen, met een voortrazende pandemie en de beperkte middelen op de eilanden. Maar de huidige situatie is onaanvaardbaar. De mensen die aankomen worden behandeld op een manier die niet strookt met de waarden van de Spaanse samenleving, en die het migratiebeleid in twijfel trekt.’

    Ook El Mundo, een van de andere grote Spaanse dagbladen, levert in het redactionele commentaar kritiek op het regeringsbeleid omtrent de Canarische Eilanden. ‘De minister van Binnenlandse Zaken slaagt er (…) niet in de middelen en manschappen te mobiliseren die een land als Spanje ter beschikking staan om de migratiedruk (…) het hoofd te bieden.’ De oplossing moet de Spaanse regering volgens het dagblad zoeken in Brussel. ‘De situatie wordt nog verergerd door het onvermogen van Sanchez om de EU te betrekken bij het aanpakken van een crisis die Europa in zijn geheel treft. Europa ondervindt nog altijd de gevolgen van het ontbreken van een gemeenschappelijke, solide en toereikende migratiestrategie.’

    @ Getty
    Migranten staan in de rij in de haven van Arguineguín om zich na aankomst te laten registreren en te worden opgevangen. – © Europe Press / Getty

    Niet loyaal

    De meeste migranten bereiken de eilandengroep via Marokko. Onder hen is een aanzienlijke groep Marokkanen. Het rechtse dagblad La Razón wijt de ontstane situatie dan ook aan de slechte diplomatieke betrekkingen tussen de linkse coalitieregering van Spanje en het Noord-Afrikaanse land. ‘Als we aan de illegale immigratie de dreiging van terrorisme en drugshandel toevoegen, wordt het duidelijk dat de stabiliteit van Marokko van strategisch belang is voor Spanje. (…) Maar de huidige “co-regering” van Sánchez en Iglesias heeft zich onverantwoordelijk en niet loyaal tegenover ons buurland opgesteld.’ Nu Marokko zijn grenzen heeft gesloten vanwege corona, kunnen migranten niet worden teruggestuurd.

    Spanje bevindt zich niet in een migratiecrisis maar in een opvangcrisis, betoogt de Spaanse politicoloog Augusto Delkáder Palacios in de onlinekrant El Español. ‘Het is niet meer dan logisch om te denken dat een land met meer dan 47 miljoen inwoners de middelen en capaciteit heeft om de 30.000 mensen op te vangen die volgens gegevens van het ministerie van Binnenlandse Zaken in 2020 onrechtmatig over zee in Spanje zijn aangekomen.

    Maar het migratiebeleid van Spanje is altijd in handen geweest van het ministerie van Binnenlandse Zaken en dus is het een kwestie van politie- en veiligheidsbeleid’, analyseert Delkáder Palacios. ‘[Door deze focus op veiligheid] wordt de integratiedimensie in feite tenietgedaan en genegeerd.’ De politicoloog roept op tot een beter evenwicht tussen het integratiebeleid en grensbewaking. ‘We moeten de fundamenten van het beleid van migratiebeperking bevragen.’

    Een reportage van Euronews over het grote aantal migranten in de haven van Arguineguín

    Opvang van migranten vindt nu voor een deel plaats in de hotels die leeg staan vanwege corona. Daar is de lokale overheid niet altijd blij mee. De Canarische gemeenten gaan vanaf 1 januari boetes opleggen aan hotels die illegale migranten huisvesten, bericht El País. Hotels hebben alleen een vergunning voor toeristische overnachtingen, aldus Onalia Bueno, burgemeester van Mogán. ‘Wij, de toeristische gemeenten, kunnen de problemen van de staat niet meer oplossen: de situatie is uit de hand gelopen’, stelt de burgemeester.

  • Terugkeren na IS. ‘Ik dacht dat ik het juiste deed’

    Terugkeren na IS. ‘Ik dacht dat ik het juiste deed’

    Hoda Muthana en Kimberly Polman verbrandden beide alle schepen achter zich toen ze naar het kalifaat vertrokken om te trouwen. Ze twitterden boodschappen als ‘Beschiet ze vanuit auto’s en laat al hun bloed vloeien, of huur een grote vrachtwagen en rijd over ze heen’. Tot ze begonnen te realiseren dat ze een fout hadden gemaakt.

    Kamp al-Hawl, Syrië – Hoda Muthana was een twintigjarige studente in Alabama die ervan overtuigd was geraakt dat IS voor de goede zaak streed. Dus maakte ze haar ouders wijs dat ze op studiereis ging maar kocht in plaats daarvan van haar studietoelage een vliegticket naar Turkije. Nadat ze het kalifaat binnen was gesmokkeld postte de studente een foto op Twitter waarop haar gehandschoende handen haar Amerikaanse paspoort vasthielden. ‘Binnenkort de fik erin,’ beloofde ze.

    Dat was meer dan vier jaar geleden. Nu, na drie huwelijken met IS-strijders en het bijwonen van het soort executies dat ze op sociale media had toegejuicht, zegt Muthana dat ze diepe spijt heeft en terug wil naar de Verenigde Staten. Ze gaf zich vorige maand over aan de coalitietroepen die tegen IS vechten en brengt nu haar dagen door als gedetineerde in een vluchtelingenkamp in het noordoosten van Syrië. Ze heeft daar gezelschap van een andere vrouw, Kimberly Gwen Polman (46), die rechten studeerde in Canada voordat ze zich aansloot bij het kalifaat en die zowel Amerikaans als Canadees staatsburger is.

    Tijdens een interview in het kamp met The New York Times zeiden beide vrouwen dat ze erachter probeerden te komen hoe ze een nieuw paspoort konden krijgen en hoe ze de sympathie konden herwinnen van de twee landen die ze eerder verachtten.

    Krankzinnig idee

    ‘Woorden schieten me tekort om mijn spijt uit te drukken,’ zei Polman, dochter van een Amerikaanse moeder en een Canadese vader uit een mennonitische gemeenschap in Hamilton, Ontario, die zelf drie volwassen kinderen heeft.

    Muthana zei dat ze zich in haar middelbare-schooltijd voor het eerst aangetrokken had gevoeld tot IS door het lezen van posts op Twitter en andere sociale media. ‘Als ik er nu op terugkijk, kan ik niet genoeg benadrukken wat een krankzinnig idee het was,’ zegt ze. ‘Ik kan het gewoon niet geloven. Ik heb mijn leven verpest. Ik heb mijn toekomst verpest.’

    President Trump leverde deze week in een tweet kritiek op bondgenoten als Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland omdat ze niet honderden IS-gevangenen terugnamen die waren gevangengenomen op het slagveld. ‘Het alternatief is dat we ze moeten vrijlaten,’ waarschuwde hij.

    De president zei er niet bij dat de Verenigde Staten Amerikaanse vrouwen die met IS-strijders waren getrouwd ook niet naar huis hadden gehaald. Zowel Muthana als Polman zei geen bezoek te hebben gehad van Amerikaanse functionarissen sinds hun gevangenneming vorige maand. Ze zeiden ook dat er een familie van vier zussen uit Seattle was, met vier kinderen, die in een ander kamp werd vastgehouden. Een voormalige politiefunctionaris bevestigde dat een familie uit Seattle naar Syrië was gereisd om zich aan te sluiten bij Islamitische Staat, maar had geen aanvullende informatie.

    Hoda Muthana trouwde drie keer in het kalifaat en vluchtte uiteindelijk mee met een Syrische familie vanuit Shafa. Ze nam alleen haar baby mee.
    Hoda Muthana trouwde drie keer in het kalifaat en vluchtte uiteindelijk mee met een Syrische familie vanuit Shafa. Ze nam alleen haar baby mee.

    Van een klein aantal Amerikanen – slechts 59, volgens gegevens van het George Washington University Program on Extremism – is bekend dat ze naar Syrië zijn gereisd om zich aan te sluiten bij IS. Bijna alle Amerikaanse mannen die in de strijd gevangen zijn genomen zijn gerepatrieerd, maar het blijft onduidelijk waarom dat bij sommige Amerikaanse vrouwen en hun kinderen – minstens dertien, volgens bronnen van The Times – niet het geval is.

    Een FBI-woordvoerster wilde geen commentaar leveren op de twee gevallen, maar zei dat agenten per definitie een onderzoek instellen naar iedere Amerikaan die zich heeft aangesloten bij Islamitische Staat, een organisatie die als terroristisch te boek staat.

    Robert Palladino, een woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, beschreef de situatie van Amerikanen in Syrië als ‘uiterst gecompliceerd’. ‘We bekijken deze gevallen om de details beter te begrijpen,’ zei hij, maar hij wilde verder geen commentaar geven om redenen van privacy en veiligheid.

    Een Canadese regeringsfunctionaris zei dat het voor Canadezen die vastzitten in Syrië moeilijk kan zijn de regio te verlaten omdat ze waarschijnlijk ernstige aanklachten tegemoet kunnen zien in naburige landen.

    Seamus Hughes, adjunct-directeur van het George Washington University Program on Extremism, noemde de talrijke misdaden die door IS zijn gepleegd en zei dat er ‘duizenden legitieme redenen zijn om de oprechtheid in twijfel te trekken’ van verzoeken als die van Muthana en Polman. ‘Hoewel er vaak simplistische verhalen de ronde doen over “jihadbruiden”, “hersensspoelen” en “internetdaten”,’ zei hij, ‘hebben de buitenlandse vrouwen van IS bij heel wat wreedheden geassisteerd en zich er in sommige gevallen rechtstreeks schuldig aan gemaakt.’

    Muthana en Polman erkenden tijdens het interview dat veel Amerikanen zich zouden afvragen of ze het verdienden naar huis te worden gebracht nadat ze zich hadden aangesloten bij een van de dodelijkste terreurgroepen ter wereld. ‘Hoe kun je eerst je paspoort verbranden en je vervolgens in slaap huilen omdat het je zo vreselijk spijt?’ vroeg Polman. ‘Hoe maak je mensen dat duidelijk?’

    Neem een vliegtuig naar Turkije. Bel na het landen dit nummer

    Muthana groeide als dochter van Jemenitische immigranten op in een ultrastreng huishouden, waar feestjes, vriendjes en mobieltjes taboe waren. Haar vader gaf haar pas een mobiele telefoon als cadeautje voor haar einddiploma van de middelbare school. Die telefoon werd algauw haar toegangspoort tot de wereld van de extreme islam, zei ze. Ze vertelde hoe nog geen twee jaar later, in 2014, een internetcontact haar instructies gaf hoe ze zich kon aansluiten bij Islamitische Staat: Neem een vliegtuig naar Turkije. Bel na het landen dit nummer.

    Muthana schreef zich in bij de University of Alabama in Birmingham, waar ze het als tweedejaars na het innen van de studietoelage van haar ouders voor gezien hield. Ze stopte een boekentas vol kleren en zei tegen haar familie dat ze naar een studie-evenement in Atlanta ging, op twee uur rijden afstand. In plaats daarvan ging ze regelrecht naar de luchthaven van Birmingham voor een vlucht naar Istanboel. ‘Ik huilde omdat ik dacht dat ik een groot offer aan God bracht en afstand deed van mijn familie, mijn thuis, mijn comfort, alles wat ik kende, alles wat me lief was,’ zei ze. ‘Ik dacht dat ik het juiste deed.’

    Muthana zei dat ze in november 2014 over de Syrische grens werd gesmokkeld en naar een slaaphuis voor vrouwen werd gebracht, waar honderden alleenstaande vrouwen van over de hele wereld dicht opeengepakt zaten. Elke dag, zei ze, wandelde een IS-functionaris door het slaaphuis met een lijst van mannen die op zoek waren naar een bruid. ‘Je mag het huis niet verlaten voordat je getrouwd bent,’ zei ze. ‘Ik wist dat dat zou gebeuren, maar ik dacht dat ik er wel aan kon ontkomen. Ik wist niet dat er sloten op de deuren zaten. Ik wist niet dat er kettingen waren. En bewakers.’

    Ze zei dat ze het een maand volhield voordat ze toestemde in een ontmoeting met Suhan Rahman, een Australiër uit Melbourne. Hij gebruikte de naam Abu Jihad, oftewel ‘Vader van de Jihad’, zei ze. Ze ontmoetten elkaar in een kamer onder begeleiding. Na een kort gesprek nam hij haar mee naar huis. Ze nam de naam Umm Jihad aan, oftewel ‘Moeder van de Jihad’. Als ze alleen thuis zat terwijl haar man aan het vechten was, postte ze giftige tweets onder haar pseudoniem. ‘Petje af voor de moedjs in Parijs’, schreef ze met gebruikmaking van de afkorting voor moedjahedien op de dag in 2015 dat jihadisten de kantoren van het satirische weekblad Charlie Hebdo bestormden en twaalf mensen doodden. Ook spoorde ze anderen aan zich bij de terroristische organisatie aan te sluiten. ‘Er zijn hier zoooooveel Aussies en Britten maar waar blijven de Amerikanen, word wakker lafaards’, postte ze.

    Ook gebruikte ze haar account om aanslagen in het Westen te helpen uitlokken, zoals in de Verenigde Staten. ‘Amerikanen word wakker!’ schreef ze op 15 maart 2015. ‘Jullie hebben veel te doen zolang jullie nog onder onze grootste vijand leven, genoeg geslapen! Beschiet ze vanuit auto’s en laat al hun bloed vloeien, of huur een grote vrachtwagen en rijd over ze heen.’

    Haar Twitteraccount is sindsdien geblokkeerd, maar de posts werden door het George Washington Program gekopieerd en doorgespeeld aan The Times.

    Ze was nauwelijks drie maanden getrouwd, zei Muthana, toen ze thuis een dutje lag te doen en een man de trap op kwam rennen en schreeuwde dat haar man ‘de marteldood’ was gestorven. Na zijn dood stemde ze toe in twee andere gearrangeerde huwelijken, zei ze.

    Kinderadvocaat

    Polman zei dat ze begin 2015 het kalifaat binnen was gesmokkeld nadat ze op een Amerikaans paspoort van Vancouver naar Istanboel was gevlogen. Ze zei dat ze kort daarvoor belangstelling voor de verpleging had gekregen en was gaan corresponderen met een man in Syrië die de nom de guerre Abu Aymen gebruikte. Deze man, met wie ze later trouwde, vertelde haar dat in het groeiende kalifaat steeds meer behoefte was aan verpleegkundigen.

    Jaren eerder had ze het mennonitische geloof van haar ouders vaarwel gezegd en zich bekeerd tot de islam. Omdat ze niets anders te doen had, zei ze, bracht ze haar dagen door op internet en was haar Facebook-tijdlijn vergeven van de beelden van stervende moslims in Syrië.

    Polman zei dat ze op een gegeven moment had ontdekt dat ze een posttraumatische-stresstoornis had en niet meer in staat was haar bed uit te komen. Een broer en een zuster meldden vanuit British Columbia dat haar was gezegd dat ze aan een psychische aandoening leed. ‘Ze heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt,’ zei de broer, die niet met name genoemd wilde worden uit angst voor represailles.

    Volgens de zuster, die ook niet met name genoemd wilde worden, studeerde Polman rechten aan Douglas College en werkte ze korte tijd op een moslimschool in Richmond, British Columbia. In 2011 won ze een Women’s Opportunity Award van de vrouwenorganisatie Soroptimist International. In de bekendmaking van de prijs, afgedrukt in de plaatselijke krant, stond dat het haar uiteindelijke doel was kinderadvocaat te worden.

    Haar zuster zei dat Polman in de zomer van 2015 op reis ging naar Oostenrijk, zogenaamd voor twee weken. ‘Ze omhelsde me bij het afscheid en zei dat we thee zouden gaan drinken als ze terugkwam,’ zei de zuster. Pas nadat de familieleden waren ingelicht door de Canadese autoriteiten beseften ze dat ze zich had aangesloten bij IS. Op een gegeven moment had haar zus zes maanden lang niets van Polman gehoord en ging ze ervan uit dat ze dood was. ‘In het verleden hebben we haar als familie kunnen helpen,’ zei haar zus. ‘Dit was de enige keer dat we haar niet konden helpen. Dus dat was heel moeilijk voor ons.’

    Tegen de tijd dat Polman in het kalifaat belandde waren de misdaden daarvan welbekend, inclusief het onthoofden van journalisten, het tot slaaf maken en systematisch verkrachten van vrouwen van de Jezidi-minderheid en het levend verbranden van gevangenen. Zowel zij als Muthana deed ontwijkend toen er vragen over die wreedheden werden gesteld. ‘Ik ben niet geïnteresseerd in bloedvergieten en wist niet wat ik moest geloven,’ zei Polman. ‘Dat zijn filmpjes op YouTube. Wat is waar? Wat is niet waar?’

    Vluchtelingen op weg naar een tijdelijk kamp, vanwaar ze naar het Al-hol-kamp in de Syrische provincie Hassakeh worden overgeplaatst. Veel van hen zijn gezinsleden van en waarschijnlijk zelf ook IS-strijders. – © Antoine Chauvel / SIPA /SIPA / 19021519
    Vluchtelingen op weg naar een tijdelijk kamp, vanwaar ze naar het Al-hol-kamp in de Syrische provincie Hassakeh worden overgeplaatst. Veel van hen zijn gezinsleden van en waarschijnlijk zelf ook IS-strijders. – © Antoine Chauvel / SIPA /SIPA / 19021519

    Volgens haar eigen lezing begon Muthana zich in haar tweede jaar in het kalifaat van de terroristische groepering distantiëren. Ze trouwde met een tweede strijder en raakte zwanger. Omdat ze aan bloedarmoede leed door ijzergebrek bracht ze veel tijd in bed door. ‘Ik kreeg twijfels,’ zegt ze in een verslag dat The Times niet kon verifiëren. ‘Ik was zwanger. Heel emotioneel, omdat ik mijn familie miste. Ik dacht: wat doe ik hier?’

    Ze zei dat haar tweede man omkwam in Mosoel in Irak. ‘Door een raket of een luchtaanval.’

    Het was inmiddels 2017 en de belegering van Raqqa in Syrië was begonnen. Toen ’s nachts haar vliezen braken liep ze volgens eigen zeggen bijna twee kilometer naar de dichtstbijzijnde kliniek terwijl de bommen op de stad vielen.

    Na het baren van een zoon trok Muthana van het ene huis naar het andere, naarmate het gebied van het kalifaat verder kromp. Toen Raqqa eind 2017 viel, verhuisde ze naar al-Mayadin in het dal van de Eufraat. Toen al-Mayadin viel, verhuisde ze naar Hajin, en vandaar naar Shafa, een dorp in de laatste schilfer IS-gebied dat honderden luchtaanvallen te verduren kreeg. Ze trouwde voor de derde keer en scheidde na enige tijd weer van haar man, wiens naam ze niet wilde noemen.

    Polman zei dat haar breuk met het kalifaat heftiger verliep, al een jaar na haar aankomst. Ze zei dat ze probeerde te ontsnappen maar werd betrapt door veiligheidsagenten van IS toen ze op de markt een vrouw vroeg of ze een smokkelaar kende die haar zou kunnen helpen. Ze zei dat ze werd opgesloten in een cel in Raqqa, waar ze zo lang bleef dat ze uiteindelijk alle 4422 tegels had geteld.

    Ze zei dat ze herhaaldelijk uit haar cel werd gehaald om te worden verhoord. En dat ze op een avond werd verkracht.

    ‘Ze namen me mee via de gang, en het was aardedonker,’ zei ze. ‘Er waren dikke metalen deuren en ik herinner me dat ik uitgleed, en ze schopten me.’ Ze zei dat de gevangenbewaarders haar waarschuwden dat als ze de verkrachting ooit zou melden, ze zouden zeggen dat ze bewijs hadden dat ze een spionne was. Voordat ze haar vrijlieten, zei ze, lieten ze haar een verklaring ondertekenen in zowel het Arabisch als het Engels waarin stond dat als ze opnieuw zou proberen te ontsnappen ze de hukm zou accepteren, de doodstraf volgens de shariawet.

    ‘Het is moeilijk om van gedachten te veranderen als je alles hebt verloren en opgeofferd’

    De twee vrouwen, die een generatie in leeftijd verschillen, ontmoetten elkaar en raakten bevriend in de laatste uithoek van het kalifaat, dat tegen januari uit nog geen vijftien vierkante kilometer bestond. Het omsingelde gebied kampte met verscheidene tekorten. Toen er geen papieren luiers meer te krijgen waren, knipten de twee vriendinnen handdoeken in stukken. Toen er moeilijk aan eten viel te komen, verzamelden ze gras uit spleten tussen de stoeptegels, kookten het en dwongen zichzelf het op te eten. ‘Als je een aardappel zag,’ aldus Muthana, ‘was het alsof je een Lamborghini zag.’ Ze begonnen over vluchten te praten, en ze zeiden dat ze steeds meer gruwden van de keuze die ze hadden gemaakt.

    ‘Het is moeilijk om van gedachten te veranderen als je alles hebt verloren en opgeofferd. Ook al voel je dat er iets niet klopt, dat dit niet oké is, toch denk ik dat het heel erg moeilijk is om een ommezwaai te maken als je alle bruggen achter je hebt verbrand,’ zei Polman.

    IS verbood mensen te vertrekken en zette landmijnen en scherpschutters in om dat te voorkomen. Maar vorige maand, zei Muthana, besloot ze het toch te proberen door aan te haken bij een Syrische familie die Shafa rond het schemeruur verliet. Ze nam alleen haar baby mee in zijn kinderwagen, zei ze. Toen de duisternis inviel, raakte de groep verdwaald en bracht de nacht door in de ijzige kou. De volgende dag, op 10 januari, voltooide ze de reis en gaf zich over aan Amerikaanse troepen in de Syrische woestijn, die haar vingerafdrukken namen.

    Enkele dagen later volgde Polman via dezelfde route en gaf zich ook over. Na enkele weken, waarin ze geen contact hadden met de Amerikaanse of Canadese autoriteiten, benaderden zij en Muthana het Rode Kruis om hulp te krijgen. Ze hebben ook contact met een advocaat die probeert hun terugkeer naar Noord-Amerika te bewerkstelligen.

    Muthana gaf de advocaat een handgeschreven briefje: ‘Ik besefte dat ik niet inzag of misschien zelfs niet eens begreep hoe belangrijk de vrijheden zijn die we in Amerika hebben. Nu doe ik dat wel,’ schreef ze. ‘Ik kan moeilijk onder woorden brengen hoeveel spijt ik heb van wat ik in het verleden heb gezegd, van de pijn die ik mijn familie heb gedaan en van de overlast die ik mijn land heb bezorgd.’ Volgens adjunct-directeur Hughes van het George Washington University Program on Extremism zijn de Verenigde Staten verplicht haar naar huis te halen, ‘maar wel met handboeien om’.

    Rukmini Callimachi deed verslag vanuit Syrië, Catherine Porter vanuit Toronto. Adam Goldman en Edward Wong leverden bijdragen vanuit Washington, en Glenny Brock vanuit Alabama. Kitty Bennett deed research.
    Vertaler: Peter Bergsma

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • ‘El Salvador heeft uitgezette landgenoten niets te bieden’

    ‘El Salvador heeft uitgezette landgenoten niets te bieden’

    De Verenigde Staten hebben aangekondigd in 2019 een groot deel van 
de Salvadoraanse migranten te zullen uitzetten. Maar hun vaderland 
ziet hen liever niet komen, constateert deze schrijver treurig.

    De Verenigde Staten hebben de knoop doorgehakt: ze willen af van de tweehonderdduizend Salvadoranen die een tijdelijke beschermde status (TPS) genieten. 
Dat betekent dat deze migranten van de ene dag op de andere illegaal zullen worden – zo noemen de Republikeinen mensen zonder verblijfsvergunning. Maar het betekent ook dat El Salvador zich over de terugkeer van deze onderdanen zal moeten buigen en over de manier waarop die weer kunnen worden opgenomen in de samenleving die ze bij gebrek aan perspectief hadden verlaten.

    Klagen heeft geen zin, wat gebeurd is, is gebeurd. Wat is de Salvadoraanse regering van plan? En dan bedoel ik 
op de lange termijn, want ze heeft hun vertrek al achttien maanden weten uit te stellen. Minister van Buitenlandse Zaken Hugo Martínez verklaarde dat de regering erin was geslaagd de TPS 
te verlengen, terwijl hij in werkelijkheid heeft bereikt – op zichzelf niet niks – dat de tweehonderdduizend 
Salvadoranen tot september 2019 hebben om hun zaken in de VS te 
regelen voordat ze moeten vertrekken.

    In wat voor land zullen deze Salvadoranen terugkomen? Zolang de leefomstandigheden die duizenden 
landgenoten hebben doen besluiten 
El Salvador te verlaten niet verbeteren, riskeren we een nieuwe humanitaire ramp. De geschiedenis heeft de neiging zich te herhalen, vooral wanneer de factoren die een hele generatie in socioculturele wanorde hebben 
gestort voor de volgende generatie 
niet veranderen.

    Iemand die voor ballingschap heeft gekozen zal moeite hebben zich weer in zijn oude leven te schikken, vooral als hij terugkeert naar een land dat er alleen maar onrechtvaardiger en gewelddadiger op is geworden

    Toen de VS aan het begin van deze eeuw begonnen met het terugsturen van migranten uit Centraal-Amerika, die nog maar heel weinig banden hadden met het land van hun ouders, of die zich de geur van hun geboortegrond nog maar nauwelijks herinnerden, was dat een ware tijdbom die 
zich tegenwoordig manifesteert in de vorm van tientallen criminele bendes. Armoede en sociale ongelijkheid hebben ons de afgelopen jaren in een burgeroorlog gestort die honderden mannen, vrouwen en kinderen het leven heeft gekost. Nu zijn we misschien niet meer in oorlog, maar er vallen nog altijd doden en de ongelijkheid is misschien nog wel groter dan 
in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

    Links noch rechts is in El Salvador bij machte geweest oplossingen voor deze sociale problematiek te bieden. Het enige waar het de politici om gaat is 
op het fluweel te blijven zitten. En onze instituties zijn langzaam maar zeker aangetast door corruptie.

    Ik durf me de samenleving niet voor 
te stellen die we zouden kunnen 
creëren als El Salvador erin zou slagen duizenden landgenoten op te vangen die gewend zijn aan een andere manier van leven, in een samenleving waar 
de voordelen van het hebben van vast werk op waarde worden geschat; waar vaklieden het beter zouden krijgen 
dan hun ouders, terwijl er zich een sociale verandering zou voltrekken 
die niet alleen maar een verkiezings-belofte was.

    Het romantische beeld dat we van deze broeders in ballingschap hebben houdt stand zolang ze in het noorden blijven wonen, maar laten we ons niet vergissen: iemand die voor ballingschap heeft gekozen zal moeite hebben zich weer in zijn oude leven te schikken, vooral als hij terugkeert naar een land dat er alleen maar onrechtvaardiger en gewelddadiger op is geworden.

    1. Diana Paredes en Isabel Barrera hoorden op een persconferentie dat ze hun beschermde status verliezen. © Damian Dovarganes / HH; 2. Nicole Castillo, 7, met haar broertje van 4 tijdens een ‘Here to Stay’- bijeenkomst in Boston. © Charles Krupa / H
    1. Diana Paredes en Isabel Barrera hoorden op een persconferentie dat ze hun beschermde status verliezen. © Damian Dovarganes / HH; 2. Nicole Castillo, 7, met haar broertje van 4 tijdens een ‘Here to Stay’- bijeenkomst in Boston. © Charles Krupa / H

    Aan de andere kant is er het sociale 
en economische belang van deze migranten. Ze hebben de plaats van 
de staat ingenomen door hun families te helpen zich in leven te houden in de jungle die ons land geworden is. Als deze particuliere sociale steun wegvalt, hoe zal de staat deze investeringen 
dan kunnen vervangen? En hoe kan, economisch gezien, deze toestroom van deviezen worden vervangen? Wat hebben ze hier voor kansen? Wat wil 
de staat hun bieden als ze datgene wat ze in de Verenigde Staten hebben geleerd hier niet eens in praktijk kunnen brengen?

    Het is misschien moeilijk om toe te geven, maar de leefomstandigheden van de meeste Salvadoranen zijn 
hopeloos, ook al zijn we eraan gewend. Het geweld, de armoede, de criminaliteit, het is allemaal om wanhopig van te worden.

    Er is een groot gebrek aan sanitaire voorzieningen en scholen in dit land, en daar hebben de regeringen de 
afgelopen veertig jaar maar weinig aan gedaan. Het militarisme viert nog altijd hoogtij. Jongeren worden dagelijks met intolerantie geconfronteerd. Het leger en de politie wanen zich almachtig. De jongeren vervallen 
tot criminaliteit omdat het de enige manier is om in opstand te komen. Zonder dat ze weten wat hun te 
wachten staat.

    Noodplan

    Bij de families die uitgezet zullen worden zit veel jong talent, tweetalig, gewend om in een rijke samenleving 
te wonen, en ik weet niet zeker of de Salvadoraanse samenleving klaar is 
om deze nieuwe socioculturele verandering op te vangen. Aan de andere kant kun je je afvragen hoe ver onze regering zal gaan om de rechten van 
de Salvadoranen te verdedigen die al die jaren in de Verenigde Staten hebben gewoond. Families zullen uiteen worden gerukt, investeringen en bezittingen dreigen in handen van andere mensen te vallen en voor altijd verloren te gaan als de eigenaars er geen aanspraak op kunnen maken.

    Ik betwijfel of de regering zich heeft afgevraagd hoe ze met deze veranderingen moet omgaan. Hoe denkt ze deze onderdanen in de Salvadoraanse samenleving te reïntegreren? Zijn het land, de instituties en de inwoners wel modern genoeg voor de mentaliteitsverandering die deze nieuwkomers teweeg zullen brengen? Zullen de gerepatrieerden kunnen wennen of zullen ze proberen terug te gaan naar het land dat hen niet meer wil, met het risico dat ze zich aan de gevaren blootstellen die ze al eerder hebben gelopen?

    Ik weet niet hoeveel tijd de regering nodig zal hebben om met een noodplan te komen, maar waarschijnlijk is het al te laat.

    Auteur: Diego Murcia
    Vertaler: Peter Bergsma

    El Faro
    El Salvador | elfaro.net

    Gelanceerd in 1998, biedt een verscheidenheid aan meningen. Staat bekend vanwege zijn goede onderzoeksjournalistiek.

    CONTEXT: Uitwijken naar Canada

    Canada moet zich voorbereiden op een mogelijke toevloed van Salvadoraanse asielzoekers die na september 2019 uit de Verenigde Staten zullen worden verdreven en hun tijdelijke beschermde status (TPS) zullen verliezen, waarschuwt de website La Presse (Montreal). ‘We moeten mogelijke asielzoekers duidelijk te verstaan geven dat de Canadese wet niet zomaar iedereen asiel verleent.’ Le Devoir doet er nog een schepje bovenop door te melden dat Canada in de zomer van 2017 werd overspoeld door ‘honderden Haïtianen die dagelijks de grens tussen de VS en Canada overstaken’. Inderdaad zijn ongeveer tienduizend Haïtianen binnen enkele maanden de grens overgestoken om hun toevlucht te zoeken tot Québec, nadat de regering-Trump had aangekondigd de TPS voor Haïtianen in 2019 
te beëindigen. De Canadese regering lijkt haar lesje te hebben geleerd en neemt dit keer talrijke initiatieven om de Salvadoraanse gemeenschap in de VS te informeren over de Canadese wet.

  • Van opiumteler in Laos tot marihuanaboer in Californië

    Van opiumteler in Laos tot marihuanaboer in Californië

    In hun thuisland Laos verbouwden de Hmong papaver, in Californië storten ze zich sinds kort massaal op de marihuanateelt. Commercieel aantrekkelijk, maar ook een kans om terug te keren naar hun boerenwortels en hun rurale levensstijl.

    De rode en paarse papaverbollen die zijn familie een halve wereld hiervandaan op een bergflank verbouwde waren gevuld met een bedwelmend, kleverig sap dat zijn moeder voor zilvergeld ruilde om haar kinderen te voeden en hun ontsnapping te betalen.

    Adam Lee glimlacht bij de herinnering aan een kindertijd in het door oorlog verscheurde Laos en de reis naar Amerika, waar hij tientallen jaren heeft geprobeerd zich aan het grotestadsleven aan te passen.

    Nu is de inmiddels 47-jarige Lee teruggekeerd naar de bergen – de Trinity Alps in Noord-Californië – om voor zijn levensonderhoud een ander geestverruimend gewas te verbouwen: marihuana.

    ‘We hebben grote dromen,’ zegt Lee op een heuveltop met uitzicht op zijn marihuanakwekerij.

    Radertje

    Lee maakt deel uit van een diaspora van zo’n duizend etnische Hmong-families die naar deze betrekkelijk arme uithoek van Californië zijn gekomen om marihuana te verbouwen.

    Met bijna honderdduizend zielen herbergt Californië de grootste Hmong-populatie in de Verenigde Staten, waarvan het merendeel zich aanvankelijk in de Central Valley vestigde. De afgelopen tien jaar zijn de meesten naar het noorden verhuisd, en ook van elders uit het land trekken Hmong naar dit deel van Californië om te profiteren van de groeiende marihuanahandel.

    Ze zijn een klein radertje in wat overal in de staat tot een reusachtige industrie is uitgegroeid. Ze blazen Trinity County, een ruraal gebied dat zijn bevolking zag wegtrekken, nieuw leven in.

    De legalisering van recreatieve marihuana afgelopen november heeft een ware cannabiskoorts ontketend in Californië, dat al decennialang de grootste producent van dit gewas was. Net als de goudzoekers die de Noord-Californische heuvels honderdvijftig jaar geleden afschuimden, hopen de marihuanaondernemers grote kapitalen te verdienen.

    Een Hmong-marihuanateler in Hayfork, Californië. – Jim Wilson / The New York Times / HH
    Een Hmong-marihuanateler in Hayfork, Californië. – Jim Wilson / The New York Times / HH

    De Hmong, een stam uit de heuvels van Laos die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw aan de zijde van de CIA een geheime oorlog voerde tegen de communistische strijdkrachten, stonden bekend als kundige opiumtelers, een handel die nog steeds opstandelingen financiert in een deel van Zuidoost-Azië dat de Gouden Driehoek wordt genoemd. En sommige Hmong die nu in een deel van Californië wonen dat de Smaragden Driehoek wordt genoemd, naar de bloeiende marihuanahandel, zijn het vak nog niet verleerd.

    Veel mensen in de staat zien de marihuanateelt als een commerciële buitenkans, maar voor de Hmong, van wie velen in de beginjaren moeite hadden zich aan het leven in Californië aan te passen, is het ook een kans om terug te keren naar hun boerenwortels en hun rurale levensstijl.

    Dankzij de pastorale omgeving worden sommige oudere Hmong, die na hun aankomst in Amerika als conciërge of fabrieksarbeider werkten, in de gelegenheid gesteld hun nog altijd aanwezige oorlogstrauma enigszins te vergeten en zich te omringen met familie en vrienden uit een ver verleden.

    ‘Dat je van het land kunt leven geeft je een vrij en onafhankelijk gevoel,’ zegt You Ping Vang, een etnische Hmong die in de Verenigde Staten is geboren en de oprichter is van Lonestar Trade, een bedrijf dat de hier verbouwde marihuana verkoopt. ‘Dit is het leven dat ze hebben achtergelaten. Ze vinden het heerlijk.’

    ‘Toen ze hier acht jaar geleden kwamen, durfden ze niet eens naar de kruidenier te gaan’

    In een district dat voor meer dan 85 procent blank is, lopen de Hmong in het oog. Hun assimilatie is nog lang niet voltooid, zeggen oorspronkelijke bewoners.

    ‘We hebben ons uiterste best gedaan om hun tradities in het onderwijs te integreren,’ zegt Debbie Miller, hoofd van het Mountain Valley Unified School District, waar 30 van de 280 leerlingen Hmong zijn.

    ‘We kampten een tijdlang met een teruglopend leerlingenaantal, en dankzij hen hebben we er kinderen bij gekregen,’ aldus Miller. ‘Ik hoop dat er nog meer komen.’

    Mai Vue, de oprichter van Conscious Cannabis Resources, een non-profitorganisatie die Hmnong-telers wegwijs maakt in het almaar dichter wordende oerwoud van regels voor de marihuanateelt, schat dat er meer dan vijftienhonderd Hmong in Trinity County wonen, op een totale bevolking van zo’n dertienduizend.

    ‘Toen ze hier acht jaar geleden kwamen, durfden ze niet eens naar de kruidenier te gaan,’ zegt Vue. ‘Ikzelf ging er wel heen, omdat mijn man blank was. Het was gewoon angst, denk ik, van beide kanten. Zo van: “Dit is een klein stadje. Misschien accepteren ze ons niet.”’

    In het naburige Siskiyou County hebben marihuana telende Hmong vorig jaar de sheriff en andere ambtenaren aangeklaagd omdat ze hen zouden hebben geïntimideerd bij het stemmen.

    Maar in Trinity worden de Hmong steeds meer geaccepteerd. Vorig jaar won een Hmong-team een prijs tijdens een prestigieuze plaatselijke barbecuewedstrijd. En tijdens het eindfeest voor de zomervakantie gaven Hmong-leerlingen een modeshow.


    In november werd boerin Bobbi Chadwick in de Raad van Toezichthouders gekozen met de slogan ‘Verenig Trinity’, waaronder het verenigen van de Hmong en de blanke bevolking werd verstaan. Chadwick was bevriend geraakt met haar Hmong-buren en had een feestmaal georganiseerd en een vergelijking van slachttechnieken.
    ‘Er kwamen zes mannen naar de boerderij en we hebben twee zwijnen en een geit geslacht,’ zegt Chadwick.

    Toen de communisten in 1975 de macht grepen en Saigon viel, kwamen de Hmong vanuit de jungle en de vluchtelingenkampen in Zuidoost-Azië naar Amerika. Ze waren verarmd, gedesoriënteerd door de geïndustrialiseerde samenleving waarmee ze werden geconfronteerd en voor het merendeel ongeschoold. Ze kwamen in klimaten terecht die hun als bewoners van tropische heuvels volkomen vreemd waren, van de ijskoude winters in Minnesota en Wisconsin tot de verzengende hitte van de Central Valley in Californië.

    Vang senior zegt dat hoewel de Hmong zich thuis voelen in Trinity County, hij niet weet hoe lang ze er nog zullen blijven

    Mark E. Pfeiffer, Zuidoost-Aziëdeskundige en hoofdredacteur van de Hmong Studies Journal, beschrijft de Hmong als een succesverhaal van geïmmigreerde laatbloeiers die overheidssteun voor gezien hielden en niches in de Amerikaanse economie ontdekten, zoals Aziatische restaurants in Michigan en de bloemenhandel in Washington State.

    In 2015 woonden er naar schatting 285.000 Hmong in de Verenigde Staten.

    In een streek die hier de Trinity Pines wordt genoemd, drie bergen die worden verbonden door een netwerk van hobbelige onverharde wegen, hebben de oudere Hmong een levensstijl hervonden die ze vertrouwd is, het bebouwen van kleine percelen op steile heuvelflanken.

    Terwijl hij zijn pick-uptruck door de Pines stuurt somt Vang de staten op waar zijn Hmong-buren vandaan komen: ‘Deze mensen komen uit Alaska, en die uit Arkansas. Texas… Minnesota… Hij komt uit Wisconsin.’

    Vangs vader, Nen Vang, werkte in Laos als radiotelegrafist voor de CIA tijdens de zogeheten geheime oorlog. Hij was luitenant in het leger van Vang Pao, de leider van de anticommunistische Hmong-troepen die samenwerkte met Amerikaanse militaire adviseurs.

    ‘We hebben ons over de hele Verenigde Staten verspreid – noord, zuid, oost, west,’ zegt Vang senior.

    Nu hij inmiddels 61 is geniet hij van het onverwachte, ontroerende weerzien met oude bekenden. Hij ontmoet vroegere kameraden uit het leger, jeugdvrienden en al jaren uit het oog verloren neven en nichten die allemaal naar Hayfork zijn gekomen om marihuana te verbouwen.

    Bij een benzinestation in het stadje liep hij een onderofficier tegen het lijf, zijn vroegere ondergeschikte in Laos. In een plaatselijke winkel voor tuingereedschap sprak een vroegere klasgenoot hem aan.

    ‘Hij zei tegen me: “Ik dacht dat je nog in Laos was. Ik dacht dat je dood was,”’ zegt Vang senior. ‘We hadden elkaar niet meer gezien sinds onze vlucht naar Amerika.’

    Regels

    Wie de boerderij van de Vangs bezoekt wordt begroet door aandenkens aan het oude vaderland. In de keuken ligt een hakmes naast een dikke plak vurenhout die als snijplank wordt gebruikt. Op de gasbrander staat een zandlopervormige pan voor het koken van kleefrijst.

    Vang senior zegt dat hoewel de Hmong zich thuis voelen in Trinity County, hij niet weet hoe lang ze er nog zullen blijven. Door de regels waaraan het district en de staatsambtenaren de marihuanatelers onderwerpen – elke kwekerij moet een huis hebben dat aan bepaalde specificaties voldoet –, beginnen veel Hmong zich af te vragen hoe lang de bedrijfstak nog winstgevend blijft. Overal in de staat moeten kleine telers het steeds vaker opnemen tegen veel grotere industriële kwekerijen.

    De Hmong zijn niet de eerste Oost-Aziaten die in een bloeitijd in groten getale naar Trinity County zijn gekomen. In Weaverville, zo’n 45 minuten rijden van Hayfork, is het enige wat rest van de Chinese gemeenschap die er tijdens de negentiende-eeuwse goudkoorts neerstreek een taoïstische tempel die een museum is geworden.
    Vang zegt dat hij hoopt dat de Hmong vergunning krijgen om zich voor langere tijd in Trinity County te vestigen.

    ‘Als ze ons laten telen, zullen de Hmong blijven,’ zegt hij.

    Auteur: Thomas Fuller
    Vertaler: Peter Bergsma

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De gedrukte oplage is onder de 1 miljoen gedaald maar de website trekt meer dan 30 miljoen bezoekers per maand.

  • 7. Stop de Mexicaanse hypocrisie over migratie

    7. Stop de Mexicaanse hypocrisie over migratie

    In plaats van te klagen over een strengere Amerikaanse migratiepolitiek, zou Mexico beter zijn eigen falende beleid kunnen aanpakken, vindt een lokale journalist.

    Tientallen jaren lang hebben we een volkomen disfunctionele kijk gehad op de illegale migratie naar de Verenigde Staten. We beschouwden die als een van de belangrijkste bronnen van aanvullend inkomen voor de Mexicanen. Het is zelfs zo ver met ons gekomen dat we een president als Vicente Fox hebben, die de toename van geldzendingen uit het buitenland voorstelt als een succes van zijn regering, terwijl het om Mexicanen gaat die werk doen ‘waar zelfs de negers hun neus voor optrekken’.

    Men praat, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, over het belang van geldzendingen voor de binnenlandse economie, en de Mexicaanse Bank loopt met de hoogte van het bedrag te koop, en sommigen zijn er zelfs trots op dat dat bedrag hoger is dan de inkomsten uit toerisme of dat het de daling van de olieprijs compenseert. Ook wordt erover gesproken in termen van records: zo bedraagt het momenteel meer dan 25 miljard dollar.

    Voor de overgrote meerderheid van de Mexicanen valt het bedrag van de buitenlandse geldzendingen in dezelfde categorie als de inkomsten uit export of toerisme, dat wil zeggen iets waar we trots op moeten zijn omdat het het product is van het samenspel tussen particulier initiatief en overheidsbeleid. Maar eigenlijk zouden we ons vooral moeten schamen voor die geldzendingen, omdat ze het product zijn van het mislukken van ons land en zijn plicht om alle rechten die in de grondwet zijn vastgelegd te realiseren.

    Mythologie

    Een groot deel van de migranten behoren tot onze beste landgenoten. Mannen en vrouwen die, in plaats van hun hand op te houden bij de overheid of mee te doen met het cliëntelisme van de politieke partijen, besluiten in de Verenigde Staten te zoeken wat ze hier voor zichzelf en hun families niet kunnen verwezenlijken. Het zijn mensen die onuitgenodigd dat land binnenkomen en buiten de wet leven. Het gaat om een realiteit die dramatisch is en waarvoor we ons als land zouden moeten schamen. Vandaar dat we er een hele mythologie omheen hebben gebouwd, die woorden met feiten verwisselt.

    We zeggen dat het geen illegale immigranten zijn, maar ‘mensen zonder papieren’. Heel wat ambtenaren en ex-ambtenaren van Buitenlandse Zaken stellen deze kwalificatie ter discussie. Als iemand geen werk- en/of verblijfsvergunning heeft, dan overtreedt die persoon de wet en is het niet juist om te zeggen dat hij alleen maar ‘geen papieren’ heeft.

    De politici, en ook de burgers, hebben er de mond van vol dat ze goed behandeld dienen te worden en toegang moeten hebben tot alle voorzieningen van de Verenigde Staten. Maar het punt is dat ze die rechten hier zouden moeten hebben, dat ze hier werk zouden moeten kunnen krijgen, dat ze bij hun gezin moeten kunnen zijn en dat ze, als ze willen emigreren, dat legaal zouden moeten doen, dat wil zeggen, volgens de regels van het gastland.

    Arbeiders werken aan een hek bij de grens tussen de VS en Mexico. – © HH
    Arbeiders werken aan een hek bij de grens tussen de VS en Mexico. – © HH

    Als natie zijn we hypocriet. Sommigen zeggen zich erg veel zorgen te maken over de behandeling die deze Mexicanen door de komst van Donald Trump in het Witte Huis te lijden zouden kunnen krijgen, evenals over de toename van racisme waar we de afgelopen tijd getuige van zijn geweest.

    Menig economisch expert maakt zich zorgen over de economische groei als er belasting over de geldzendingen zal worden geheven, of als ze verminderen ten gevolge van een verharding van de immigratiepolitiek. (Barack Obama heeft trouwens in zijn regeerperiode ruim 2,5 miljoen mensen gedeporteerd, het hoogste aantal in de geschiedenis van de Verenigde Staten.)

    Hoe dan ook is het een hypocrisie die onaanvaardbaar is.

    De migranten worden gezien als een soort overtollige Mexicanen die alleen dienen om geld uit het buitenland te sturen en die het beter maar uit hun hoofd kunnen laten om nog ooit terug te keren

    1. De illegale migratie naar de Verenigde Staten is het gevolg van het falen van de overheid en de maatschappij om alle Mexicanen de mogelijkheid te geven zich samen met hun familieleden te ontwikkelen in hun geboorteland.

    2. De geldzendingen uit het buitenland zijn een teken van het falen van het economisch beleid om voor economische groei te zorgen.

    3. Over de migranten wordt gesproken als grote helden en er wordt geroepen om maatregelen die ervoor zorgen dat ze goed behandeld worden in de Verenigde Staten.
    Maar dat zou in Mexico moeten gebeuren.

    De migranten worden gezien als een soort overtollige Mexicanen die alleen dienen om geld uit het buitenland te sturen en die het beter maar uit hun hoofd kunnen laten om nog ooit terug te keren, zoals blijkt uit de hysterie van veel sectoren in de maatschappij, die zich afvragen wat ze in godsnaam met al die mensen aan moeten als de nieuwe regering van de Verenigde Staten de immigratiepolitiek nog verder verhardt.

    Auteur: David Páramo
    Vertaler: Jos den Bekker

    Dinero en imagen
    Mexico | dineroenimagen.com

    Alles over geld in woord 
en beeld. Toegankelijke 
analyses en adviezen over hoe geld te besteden dan 
wel te verdienen.

  • Amerikaanse lessen voor Molenbeek

    Amerikaanse lessen voor Molenbeek

    Waarom zijn er in de VS geen aanslagen als in Parijs en Brussel, en vertrekken er zo weinig Amerikaanse moslims naar Syrië? Voor het antwoord op die vragen moet je in ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ zijn: 
Dearborn, Michigan.

    Van alle Amerikaanse voorsteden lijkt Dearborn, Michigan, 
misschien wel het meest op Molenbeek, waar de terroristen 
vandaan kwamen die de aanslagen pleegden op het vliegveld en in de metro van Brussel en afgelopen najaar in Parijs. Deze gewone voorstad van Detroit, die wel ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ wordt genoemd, heeft de grootste moskee van het land; in Dearborn vind je ook het Arabisch Museum, Arabische cafés, en halal beefburgers. De laatste tijd is Dearborn doelwit van rechtse angstzaaierij en bijtende, islamofobe commentaren. Ron Haddad, hoofd van de politie in Dearborn, vertelt dat hij op reizen door het land altijd maar één vraag krijgt. ‘Dan komt er iemand naar me toe, priemt zijn vinger in mijn gezicht, 
en vraagt: “Zullen de mensen in uw gemeenschap terroristische daden bij jullie melden?”’

    Wat ze bedoelen is: zullen moslims andere moslims aangeven? Haddad heeft dan zijn antwoord klaar: ‘Niet alleen zouden ze dat doen, ze doen het ook,’ zegt hij. ‘Ze hebben het al gedaan.’

    Amerikaanse moslims zijn sterker geassimileerd en patriottischer

    Dearborn en Molenbeek, ze verschillen van elkaar als dag en nacht. In een stad waar bijna een derde van de 95.000 inwoners Arabisch-Amerikaans is, heeft Haddads politiedienst een wijdvertakt netwerk aan contacten in de islamitische gemeenschap. Zijn politiemensen gaan geregeld op bezoek bij de achtendertig scholen en de vele moskeeën die de stad telt. Haddad ondersteunt een programma dat ‘Stepping Up’ heet, en dat onder andere een jaarlijkse prijsuitreiking organiseert voor bewoners die criminele activiteiten aangeven. 
De afgelopen jaren heeft zeker twee keer per jaar een moslimvader die zich zorgen maakte over de invloed van IS 
of andere onlinepropaganda op zijn kind, zijn eigen zoon aangegeven. 
Ook is het voorgekomen dat leerlingen van een overwegend islamitische 
middelbare school problemen rond 
een medeleerling kwamen melden.

    Dat komt volgens Haddad deels doordat er een plek is waar ze hun meldingen kúnnen doen, en deels doordat ze zich verbonden voelen met de rest van Dearborn, Michigan en de Amerikaanse samenleving. Het contact- en informantenprogramma dat hij leidt wordt door de Amerikaanse politie- en contraterrorisme-autoriteiten als voorbeeld gezien. En het is maar één klein onder-
deel van de weinig bekende, maar wijdverbreide inspanningen die in het hele land gaande zijn om netwerken op te bouwen binnen moslimgemeenschappen. Dat gebeurt zowel op landelijk als op federaal niveau, en binnenkort gaat er een nieuw financieringsprogramma van start voor deze inspanningen. 
Toch zijn slechts weinig Amerikanen van deze ontwikkelingen op de hoogte.

    In de race om het Amerikaanse presidentschap is het antimoslimsentiment weer een geliefd onderwerp, en niet alleen bij Donald Trump, met zijn voorstel om moslims te weren. Ook Ted Cruz heeft zijn steentje bijgedragen, toen hij zei: ‘We moeten de politie de middelen geven om de orde in 
islamitische wijken te handhaven, voordat die radicaliseren.’

    Een politieman in Dearborn houdt de wacht terwijl bezoekers de moskee verlaten, vlak na de aanslagen van 11 september 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images
    Een politieman in Dearborn houdt de wacht terwijl bezoekers de moskee verlaten, vlak na de aanslagen van 11 september 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Amerikaanse politiemensen die betrokken zijn bij de pogingen om 
terrorisme tegen te gaan, voelen zich hier bepaald niet prettig bij: volgens hen is er al veel contact tussen Amerikaanse moslimgemeenschappen en de Amerikaanse politie- en inlichtingendiensten. En die gemeenschappen 
blijken niet ‘geradicaliseerd’ te zijn, maar juist verbazingwekkend coöperatief. Verschillende bronnen binnen de Amerikaans politie- en inlichtingendiensten schetsen een beeld van een grotendeels stilgehouden maar wijdverbreide manier van werken: om terrorisme tegen te gaan en inlichtingen te verkrijgen is de federale overheid diep doorgedrongen in moslimgemeenschappen. Hun aanpak bestaat niet zozeer uit surveilleren, maar uit geavanceerde, zij het soms inbreukmakende programma’s gericht op het versterken van contacten en het winnen van informanten. Het resultaat is volgens Amerikaanse functionarissen dat Amerikaanse moslimwijken veel meer meewerken aan het bestrijden van 
islamitisch terrorisme dan hun Europese tegenhangers.

    Bij de bron

    Onlangs ging de grootste van deze federale programma’s van start: een taskforce met vertegenwoordigers 
van de verschillende diensten, 
gecoördineerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat betekent dat geld en bevoegdheden die voorheen altijd over verschillende diensten waren verdeeld nu voor het eerst op één plek terechtkomen. Als onderdeel van dat programma zet de FBI zogenaamde ‘Shared Responsibility Committees’ 
op, waarin mensen uit de federale (FBI) en plaatselijke politie, de geestelijke gezondheidszorg, binnenstads- en schoolprogramma’s, maatschappelijk werkers en imams en andere religieuze leiders samen een aanpak bedenken – en tevens verdacht gedrag onder de aandacht van de FBI brengen.

    Het gaat er niet om verdachten in de val te lokken, zeggen de autoriteiten. De bedoeling is juist om de vervreemding bij de bron aan te pakken en jonge mensen die zich aangetrokken voelen tot IS of andere radicale propaganda, op andere gedachten te brengen en 
ze via therapie en gespreksgroepen terug te brengen naar de samenleving, voordat het te laat is. Maatschappelijk werkers en therapeuten zullen toegang krijgen tot geheime informatie en de Shared Responsibility Committees 
zullen onder andere bespreken of er sprake is van duidelijk misdadige opzet en of ‘alternatieve straffen’ in plaats van lange gevangenisstraffen misschien beter zullen werken.

    Antimoslimgraffiti op de muur van het Islamic Center in de stad. – © Bill Pugliano / Getty Images
    Antimoslimgraffiti op de muur van het Islamic Center in de stad. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Maar natuurlijk geeft het programma ook een stevige basis aan het informantennetwerk van de FBI. Er is veel discussie geweest over dit soort programma’s. In New York maakte burgemeester Bill de Blasio een eind aan een controversieel profilingprogramma van het New York Police Department dat volgens de Amerikaanse burgerrechtenorganisatie ACLU [American Civil Liberties Union] zo ongeveer elke mannelijke moslim als verdachte aanmerkte.

    In de val

    Een van de middelen die het hoofd van de FBI kan inzetten in de strijd tegen potentiële terroristen – via agressieve undercoveroperaties – staat in de ogen van veel mensen bovendien gelijk met ouderwets in de val lokken. Uit een onderzoek uit 2014 door Human Rights Watch bleek dat ‘in sommige gevallen de FBI misschien wel terroristen heeft gemaakt van gezagsgetrouwe individuen door infiltratieoperaties uit te voeren die de bereidheid van het doelwit om een aanslag te plegen onderzocht en die vervolgens faciliteerde’. In het geval van de ‘Newburgh Four’ (vier moslimmannen uit Upstate New York die in 2014 door de FBI in de val werden gelokt en gearresteerd), zei een rechter dat ‘de overheid de misdaad en de middelen leverde en alle relevante belemmeringen uit de weg ruimde.’

    Volgens politiefunctionarissen zijn deze methodes wel degelijk effectief, al hebben ze ‘lone wolf’-aanslagen, zoals de schietpartij in San Bernardino en de bomaanslag op de marathon van Boston in 2013, niet weten te voorkomen.

    De Amerikaanse aanpak van moslimgemeenschappen is in het algemeen genuanceerder dan die in Frankrijk, waar de politie duizenden moslims 
in de gaten houdt die niets te maken hoeven te hebben met terreurplannen. En veel waarnemers geloven dat die genuanceerdheid een grote rol speelt bij het beantwoorden van die grote vraag: waarom hebben de Verenigde Staten, die toch lange tijd het hoofddoelwit zijn geweest van jihadistische haat, geen terreurprobleem van eigen bodem zoals Europa?

    De agressieve FBI-operaties staan volgens velen gelijk aan uitlokking

    Enkele redenen liggen voor de hand. Europa is geografisch verbonden met Syrië en andere terroristische vrijhavens, en de VS is dat niet. Maar de meeste deskundigen zijn het erover eens dat een deel van de verklaring ligt in de Amerikaanse moslimgemeenschappen zelf. De Amerikaanse moslims zijn veel sterker geassimileerd en patriottischer dan de vervreemde islamitische onderklasse in Frankrijk en België – die vaak bestaat uit ontevreden Algerijnse of Marokkaanse jongeren. En volgens Amerikaanse autoriteiten zijn Amerikaanse moslims zelf enorm behulpzaam geweest bij het verhinderen van aanslagen. ‘In de meer dan tien jaar dat ik nu bij de federale overheid werk, zijn Arabische en Zuid-Aziatische islamitische gemeenschappen in het hele land een van de grootste hulpbronnen geworden voor de bescherming van de veiligheid van ons land en het bevorderen van de Amerikaanse waarden,’ zegt George Selim, die bij Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor de nieuwe taskforce.

    Volgens radicaliseringsexpert Jessica Stern is één probleem voor IS-ronselaars in Amerika – waarvandaan procentueel tien keer minder moslims geprobeerd hebben af te reizen naar Islamitische Staat dan vanuit veel West-Europese landen – dat ‘Amerikaanse moslims gewoon te gelukkig zijn. Uit opiniepeilingen blijkt dat Amerikaanse moslims patriottisch zijn. Zij zijn aantoonbaar gelukkiger met de koers van het land dan niet-moslims. Als jongeren in de verleiding komen om zich bij een jihadistische groep te voegen, doen hun ouders vaak alles om ze tegen te houden. Gelukkig heeft de politie in verscheidene Amerikaanse steden een goede vertrouwensband met ze opgebouwd.’

    Dearborn en Molenbeek verschillen van elkaar als dag en nacht

    Een aantal gevallen in de afgelopen jaren illustreert hoe bepaalde situaties in de Verenigde Staten uit hadden kunnen groeien tot aanslagen à la Brussel, maar dat niet deden. In 2010 werd Farooque Ahmed, een genaturaliseerde Pakistaan uit Noord-Virginia, aangegeven door iemand uit zijn moskee en vervolgens aangeklaagd wegens het beramen van een aanslag op metrostations. In 2014 werd de FBI door een plaatselijke informant gewaarschuwd dat drie islamitische tieners van plan waren zich bij IS in Syrië te voegen.

    Moskeegangers passeren een auto met Amerikaanse vlag, eind 2001. –  © Bill Pugliano / Getty Images
    Moskeegangers passeren een auto met Amerikaanse vlag, eind 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Maar zoals altijd verplaatst de dreiging zich. John D. Cohen, die aan het hoofd stond van het programma tegen gewelddadig extremisme van Binnenlandse Zaken en nu doceert aan Rutgers University, zegt dat de IS-dreiging nu diffuus is en wordt verspreid via internet, zodat het niet veel zin meer heeft om zich op speciale moslimgemeenschappen te richten – althans niet in de Verenigde Staten. ‘Wat we nu zien 
is dat terroristen in spe niet gewoon in moslimgemeenschappen leven, en zelfs niet altijd een islamitische achtergrond hebben,’ zegt Cohen. ‘Het gaat vaak 
om verwarde mensen die hun leven betekenis willen geven door voor zo’n zaak te gaan vechten. Ze weten vaak nauwelijks iets van de islam.’

    Het is ook een kwestie van het efficiënt uitwisselen van inlichtingen, een belangrijk onderdeel van de inspanningen van Binnenlandse Zaken, dat in Europa veel minder ver gevorderd is. ‘Er zijn twee verschillen met West-Europa,’ zegt Cohen. ‘De ene is dat de immigrantengemeenschappen daar veel minder vertrouwen hebben in de 
politie en in andere mensen. Maar de andere reden waarom wij in dit land zo veel aanslagen hebben ontdekt en voorkomen, is dat de inlichtingenstroom tussen plaatselijke en nationale diensten ongelooflijk verbeterd is sinds 9/11. Ik vermoed dat de informatie over de verdachten die Turkije doorgaf aan de Belgische autoriteiten, wel naar de inlichtingendienst ging, maar misschien niet naar politiemensen. Het zou wel eens kunnen dat die er niet vanaf wisten.’

    Schadelijk

    In de Verenigde Staten vrezen veel betrokkenen nu dat de antimoslimretoriek uit de verkiezingscampagne schadelijk is voor hun zo zorgvuldig opgebouwde programma’s, waaronder ook de nieuwe task force.

    Haddad in Dearborn en andere Amerikaanse politiemensen zijn bang dat deze nieuwe golf openlijke islamofobie de radicalisering die zij juist hebben geprobeerd te beteugelen, weer aanwakkert. Tot nu toe lijken hun inspanningen te werken: Charles Kurzman, socioloog aan de University of North Carolina, zegt dat het relatief kleine aantal moslims in Amerika dat zich aangetrokken voelde tot de IS-ideologie, de laatste tijd nog verder is afgenomen. ‘Het aantal dat naar het buitenland wil reizen (waarschijnlijk naar Islamitische Staat) was tussen half 2014 en half 2015 op zijn hoogtepunt en is daarna aanzienlijk gedaald. Een mogelijke reden daarvoor is dat de aantrekkingskracht van IS is afgenomen door de gewelddadige en wrede beelden.’

    Auteur: Michael Hirsch
    Vertaler: Annemie de Vries

    Politico
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000

    Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.

  • Roemeen zijn is een baan

    Roemeen zijn is een baan

    Al tien jaar rijdt de Roemeen Viktor Talic met een bestelbusje door Europa om mensen en goederen af te leveren. Zijn vijftig uur lange, vrijwel slapeloze reizen bieden een verontrustend maar ook inspirerend kijkje in de ziel van het continent.

    De held van dit verhaal lijkt ouder dan zijn 34 jaar. Hij heeft indrukwekkende bovenarmen en een vriendelijk voorkomen, en hij weet wat veel mensen denken als ze ‘Roemenië’ horen. Er zijn Europese landen met een slechte reputatie, er zijn landen met een bijzonder slechte reputatie en dan heb je nog Roemenië. Het is een land waar hoofden van het Nationale Anticorruptie Directoraat moesten aftreden op beschuldiging van corruptie en waar de premier wordt verdacht van witwaspraktijken. Onze man weet daar alles van, omdat hij heel Europa bereist. In politieke termen zou je kunnen zeggen dat hij voortdurend op weg is door een steeds verder integrerende Europese Unie.

    In 1992 had Roemenië nog 23 miljoen inwoners. Nu zijn dat er vier miljoen minder. Degenen die emigreerden profiteren van het feit dat Europa een onuitgesproken arbeidsverdeling kent die ongeveer als volgt werkt: overal waar ongeschoolde arbeiders nodig zijn, kijken werkgevers naar Roemenen.

    Zelfs de Duitsers. Als er geen Roemenen waren, zouden eigenaars van abattoirs tot aan hun borst tussen de varkenskarkassen staan. Als zij er niet waren, zouden projectontwikkelaars de glorieuze Duitse bouwhausse kunnen vergeten. Hetzelfde geldt voor asperge- en aardappeloogsten. In de ogen van de Roemeense emigranten is alles beter dan thuisblijven. Als gevolg daarvan is huis en haard verlaten het meest Roemeense wat een mens kan doen – en dat is helemaal niet moeilijk. Je hoeft alleen maar in een minibusje te klimmen en naar het Westen te hobbelen. Elke Roemeense stad kent honderden van deze busjes. Een enkele reis Duitsland kost 70 euro; Nederland en België 80 euro; Frankrijk, Italië en Portugal 120 euro. Een gigantische armada van Roemeense busjes koerst al jaren door Europa.

    Hier komt onze held om de hoek kijken, een held van de vrijheid, een held van de markteconomie – en op de een of andere manier, op zijn eigen manier, ook een held van Europa. Hij laat zich Viktor Talic noemen. Het zou onverstandig zijn, beweert hij, om zijn echte naam te gebruiken. Talic is op weg naar Portugal. Hij is meer dan alleen maar chauffeur van een busje, hij is ook expediteur, geldtransporteur en koerier – allemaal tegelijk. Met zijn Mercedes Sprinter vervoert hij acht landgenoten en een voorraad goederen van Punt A (Roemenië) naar Punt B (Portugal), een route die al veel Roemenen hebben gevolgd. Een deel van zijn klanten gaat zijn geluk voor het eerst buiten het vaderland beproeven, anderen vertrekken voor korte tijd om asperges te plukken of in de bouw of de diepvries-industrie te werken, of in wat voor sector dan ook. Weer anderen waren alleen maar even terug in Roemenië om formaliteiten af te handelen in Boekarest. Wanneer ze op weg gaan naar Portugal, vertrekken ze niet van huis, ze gaan naar huis. Talics kofferbak is altijd gevuld met pakketten.

    Viktor Talic on the road, achter het stuur van zijn Mercedes Sprinter. – © Thomas Grabka / Der Spiegel
    Viktor Talic on the road, achter het stuur van zijn Mercedes Sprinter. – © Thomas Grabka / Der Spiegel

    De meeste zijn cadeautjes voor familieleden in het buitenland, zelf geslacht, zelf gebreid en vooral zelf gedistilleerd. Alles wat hij vervoert, of het nu pakketten of personen zijn, wordt van deur tot deur bezorgd, ongeacht de eind-bestemming in Portugal.

    Dromen over het Westen

    Het is half mei en Talic staat met zijn bus in het centrum van zijn woonplaats Satu Mare, in het noordwesten van Roemenië. Zijn klanten zijn allemaal stipt op tijd, gedoucht, een beetje weemoedig, en allemaal hebben ze meer bij zich dan de afgesproken ene koffer. Het zijn er zeven, ieder met zijn eigen dromen over het Westen. Er is een jong echtpaar bij en een ouder echtpaar, een gezette vrouw die de hele vijftig uur lange rit geen woord zal zeggen en een afgetobde, magere man van het soort dat door Hollywood vaak als terroristische ‘mol’ wordt gecast.

    Er is ook een mooi meisje bij in een glanzend witte, met lovertjes afgezette outfit, eigenlijk een joggingpak. Van alle chauffeurs in Satu Mare biedt Talic de zwaarste reis. Zijn route van hier naar Portugal is ongeveer 4000 kilometer lang. Hij mijdt Italië, hoewel dat korter zou zijn. De carabinieri hebben in het verleden vanwege de geringste overtredingen Roemeense auto’s geconfisqueerd. Dan rijdt Talic liever 500 kilometer om. De laatste halte is altijd Portimão, op het zuidwestelijke puntje van Europa, waar Talics moeder inmiddels naartoe is verhuisd. Verder westelijk kun je in Europa bijna niet gaan. De rit duurt vijftig uur en het eerste Roemeense woord dat je onderweg leert is cinci, oftewel vijf. Dat is precies het aantal minuten pauze dat Talic neemt na het tanken.

    Het tweede woord is cincisprezece, oftewel vijftien, wat de lengte is van de eetpauzes. Wat slaappauzes betreft, daarvoor is maar drie uur ingeruimd, overmorgen in het noorden van Spanje. De rest van de tijd blijft Talic wakker.

    ‘Krankzinnig, vind je niet?’ zegt Talic.

    Een vrouw in de Roemeense plaats Brasov steekt de weg over. – ©  Dennis Jarvis / Flickr
    Een vrouw in de Roemeense plaats Brasov steekt de weg over. – © Dennis Jarvis / Flickr

    Talic is een held van de vrijheid, een held van de markteconomie en een held van Europa

    Kostwinner

    Vijftig uur om 4000 kilometer door Europa te reizen in een oude groene Mercedes Sprinter met 1,2 miljoen kilometer op de teller. De stoelen zijn keihard en versleten, de tweeassige aanhanger is tot de rand gevuld. En dan is er nog de Roemeense discopop die op volle sterkte aan staat en eindeloos wordt herhaald, zodat Talic niet in slaap valt voordat hij Noord-Spanje bereikt.

    In Frankrijk mijdt hij de snelwegen – die zijn te duur – wat betekent dat het land met de grootste oppervlakte van Europa via landwegen wordt doorkruist. Tien uur pauze in Portugal is alles wat Talic zichzelf gunt voordat hij omdraait en weer op huis aan gaat. Dat komt neer op 8000 kilometer rijden, honderd uur achter het stuur, in iets meer dan vijf dagen. Is dit krankzinnig, suïcidaal of een gewone gang van zaken?

    Talic is een aardige man die zich niet klein laat krijgen door de miljoen kilometer die hij achter het stuur heeft gezeten. Hij begrijpt dat mensen kritiek hebben op zijn manier van leven en legt uit dat hij niet altijd chauffeur is geweest. Hij zegt dat hij een goede leerling was met een wiskundeknobbel. Maar op een dag, toen zijn vader een boom aan het omzagen was, viel er een tak van een eik op diens achterhoofd zodat zijn beide ogen uit hun kassen werden gedrukt. Hij viel voorover op zijn nog draaiende kettingzaag, een rode Drujba van Sovjetmakelij die zijn hart aan flarden reet.

    Talic was destijds veertien jaar. Een week nadat zijn vader omkwam in het bos ging hij van school; vier jaar lang voorzag hij met de zware Drujba in het levensonderhoud van zijn familie. Daarna ging hij naar Portugal en werkte in de bouw. Talic vertelt het verhaal op liefdevolle toon. Hij is niet iemand die overdrijft; vijftig uur later, op het zuidwestelijke puntje van Europa, bevestigt zijn moeder het hele verhaal met tranen in haar ogen. Voor iemand die als kind zijn familie onderhield met een kettingzaag lijken 4000 kilometer lange reizen door Europa zo krankzinnig nog niet. Eigenlijk is het best een prettig baantje. Talic start de bus. De overladen Mercedes kraakt en schokt, maar hij rijdt. Algauw bereiken we Hongarije.

    Een Roemeense seizoenarbeider oogst komkommers bij een bedrijf in het Duitse Vetscha. - © Patrick Pleul
    Een Roemeense seizoenarbeider oogst komkommers bij een bedrijf in het Duitse Vetscha. – © Patrick Pleul

    Acht mobieltjes

    Bij de grens verroert niets of niemand zich. Het is een warme dag en de Hongaarse douaniers zweten in hun blauwe uniform en laten zien hoe langzaam iemand in een paspoort kan bladeren. Talics baas, de eigenaar van het Mercedes-busje, staat voor ons in de rij, in een VW Passat. Hij rijdt altijd mee tot de grens, omdat hij de mensen van de douane het beste kent. Wanneer Talic niet verder komt bij de Hongaarse tolpoort, stapt voor ons zijn baas uit zijn auto en begroet een van de douane-beambten. Ze omhelzen elkaar. Ze kennen elkaar. Een korte babbel, een snelle blik in het paspoort.

    Er zit iets tussen de bladzijden, dat de douanier met geoefende vingers pakt. Twee minuten later kan Talic de rij verlaten en terwijl hij passeert, wenst de Hongaar in zijn uniform de Roemenen in de Mercedes vrolijk een goede reis. Talic leunt voorover en zet de muziek harder. Hij heeft een usb-stick met honderden uren Roemeense folkpop in de radio gestoken. Voor westerse oren is het honderden uren lang hetzelfde liedje. Talic lijkt het mooi te vinden, de anderen staren tevreden naar de eentonige Hongaarse Pannonische steppe.

    En dan rijden we Oostenrijk binnen.

    Talics mobieltjes liggen op het dashboard, acht in getal: twee Roemeense, een Duitse, een Franse, een Spaanse en drie Portugese. Als een klant een pakket in Portugal wil laten bezorgen, belt hij of zij Talic. Dat kan ook als Talic al onderweg is. Dan maakt hij een kleine omweg. Voor veel Roemenen is Talic een van de weinige banden die ze nog met thuis hebben. Natuurlijk zijn er Facebook, WhatsApp en vaste buitenlandtarieven voor mobiele telefoons, maar die nemen de heimwee niet weg. Tot Talics klanten behoren gastarbeiders die zeven dagen per week vijftien uur per dag in een veld in het Portugese Alentejo werken. Soms geven ze hem alleen maar pakketten ter bezorging om even Roemeens met hem te kunnen praten en een band met hun vaderland te voelen.

    Voor Talic is de EU geen monster dat in Brussel woont, het is een zee van mogelijkheden

    Hun land, hun regels

    Na Oostenrijk komt Duitsland. ‘Waarom gaat iedereen eigenlijk altijd vrijdags op weg?’ vraagt het mooie meisje zich hardop af. Ze heeft al in Duitsland gewerkt, in het zuiden, in een conservenfabriek. Daar verdiende ze 8,50 euro per uur aan de lopende band en was ze niet officieel in dienst. Maar ze was 400 euro van haar loon kwijt aan een piepklein kamertje in een stacaravan naast de fabriek. Dat kamertje van tien vierkante meter moest ze delen met een andere Roemeense. Ze merkte dat een minimumloon van 8,50 euro niet betekent dat je ook 8,50 euro verdient. Het betekent alleen dat sommige bedrijven moeilijker doen, en je maar 6 euro betalen.

    De armada van Roemeense busjes maakt zich op voor Duitsland, of meer in het bijzonder voor de politieagenten daar. Anders dan de Hongaren laten de Duitsers zich niet omkopen. Natuurlijk zijn er boetes, 50 euro, zelden meer. Het probleem zijn de eerlijke agenten. Alleen in Duitsland neemt een politieman de moeite om een bestelbusje vol Roemenen aan te houden op de Autobahn om te zien of de auto of de aanhanger te zwaar beladen is. Talic vindt de Duitsers niet bijzonder gemeen. Of lastig. Ze zijn gewoon correct, zegt hij. Een eenvoudige rekensom verklaart het vertrek op vrijdag: een chauffeur heeft ongeveer tien uur nodig om de 900 kilometer van de Hongaarse grens naar Passau af te leggen. Als je aan het begin van de middag uit Roemenië vertrekt, ben je vlak na zonsondergang in Duitsland. Een Roemeens nummerbord is ’s nachts moeilijker te herkennen en een deel van de Duitse agenten is in het weekend vrij, de mooie Duitse Autobahn is leeg, de kans dat je niet wordt aangehouden is groot.

    En voordat zaterdagochtend de zon opgaat, zijn de Roemenen alweer weg. Talic vindt het goed wat de Duitsers doen. Hun land, hun regels, zegt hij, niets mis mee. Hij ziet zijn werk als sport. Hij wil zijn dochter in Roemenië het beste van het beste geven, zodat ze later naar de universiteit kan en in een mooi huis kan wonen. Als hij zich aan de Duitse regels zou houden, zou dat onmogelijk zijn. Dus doet hij wat hij moet doen. Zoals Duitsland ook doet wat het moet doen, en Europa. Het is eigenlijk doodeenvoudig.


    Je komt bij wijze van spreken weinig mensen tegen die zo hartstochtelijk Europeaan zijn als Viktor Talic. Voor hem is de Europese Unie geen monster dat in Brussel woont, het is een zee van mogelijkheden. Veel mensen die met hem zijn meegereden keren een paar jaar later misschien in een grote auto terug naar Roemenië en trekken in een groot huis dat ze zich nooit zouden hebben kunnen veroorloven als ze het land niet hadden verlaten. Dus wie zegt dat de Europese droom niet werkt?

    Een graanveld in Roemenië. -  © Florin Gorgan / Flickr
    Een graanveld in Roemenië. – © Florin Gorgan / Flickr

    Varkens

    Terwijl het busje Frankrijk binnenrijdt gaat de radio aan. Talic tankt goedkope benzine in de buurt van Montluçon in de Auvergne. In plaats van te douchen gaat hij naar de drogisterijafdeling van een supermarkt en spuit parfum op zijn bovenarmen. Helaas doen de andere passagiers hetzelfde. Nu ruikt het buisje naar een parfumoutlet op het hoogtepunt van de zomer.

    In Frankrijk heeft Talic nooit problemen. Als hij voor de politie aannemelijk kan maken dat hij alleen maar op doorreis is en over een paar uur in Spanje zal zijn, laten ze hem passeren. Hij heeft maar één keer gedoe gehad. ‘Dat was met de varkens.’

    Algauw was bekend geworden dat je Talic alles kon meegeven. Twee euro per kilo, dat was de enige regel. Vorig jaar rond deze tijd kreeg hij een telefoontje van een Roemeen die in een slachthuis in de buurt van Lissabon werkte. De baas daar weigerde de lonen van de Roemeense werknemers te betalen en zei dat ze hem maar voor de rechter moesten slepen. De Roemenen hadden een ander idee: ze besloten zijn varkens te stelen. Ze timmerden een enorme houten kist, stopten er veertien levende varkens in en gaven alles aan Talic, die de gestolen waar vastsjorde op zijn aanhanger.

    Omdat alle betrokkenen besloten dat de reis van 4000 kilometer van Portugal naar Roemenië nogal lang was voor de varkens, besloten ze de varkens naar een kennis in Parijs te sturen. Talic en de varkens werden betrapt tijdens een politiecontrole. Een gendarme hield hen aan en vroeg om de verklaring van een dierenarts. Talic, die hem begrepen had, toonde hem de autopapieren en legde uit dat de zending voor Parijs was bestemd. De politieman schudde zijn hoofd en liet Talic doorrijden met zijn varkens.

    ‘Ze hebben het allemaal overleefd,’ zegt Talic. ‘De reis althans.’
    En zo rijden we Spanje binnen.

    De waanzin begint

    Na het vijfendertigste uur verstrijkt de tijd in dikke klonten. Bilbao, Valladolid, Salamanca, de steden trekken voorbij. Nu rijdt de bus in elk geval weer over de snelweg. Niemand let op de tijd, niemand lijkt zich erom te bekommeren of de rit ooit voorbij zal zijn. Spanje is het ergste deel van de reis. De passagiers hangen als verdoofd op hun stoel. De gespreksonderwerpen zijn al sinds Bazel uitgeput. Dit is het moment waarop de mensen zich afvragen waarom ze zich hiervoor 120 euro voor hebben betaald. Een vlucht zou twee keer zoveel hebben gekost. Nooit heeft het fijner gevoeld om in Portugal aan te komen. De waanzin begint. Van nu af aan blijft geen van Talics acht mobieltjes stil. Iedereen weet dat hij op zondagmiddag in Portugal arriveert. Iedereen wil weten wanneer zijn pakket, zijn familielid, zijn vriendje komt. Soms belt Talic met drie mensen tegelijk.

    Nadat hij het oudere echtpaar en de magere man in een dorp in de buurt van Lissabon heeft afgezet, rijdt Talic de Portugese hoofdstad in. Daar wachten verscheidene klanten hem op met hun auto om hun pakketten in ontvangst te nemen. Dertig, veertig Roemenen belegeren zijn Mercedes. Hij deelt het ene na het andere pakket uit en neemt een paar nieuwe in ontvangst.


    Zondagavond vroeg eindigt de rit in Portimão, een toeristenoord in de buurt van de Algarve waar de Portugese bouwhausse heeft geresulteerd in een paar oerlelijke torenflats. In een daarvan woont Talics moeder. Zijn zus en stiefbroer wonen onder haar.


    Talics moeder werkt voor 5 euro per uur als schoonmaakster in een hotel. De nieuwbouw waarin ze woont is nog niet klaar, maar ze wil onder geen beding terug naar Roemenië, ze is hier gelukkig. Talic zit naast haar aan de keukentafel en is te moe om te praten. Morgenochtend om acht uur gaat hij terug naar Roemenië. Hij zegt dat hem net iets te binnen is geschoten. Over de vraag hoe het is om Roemeen in Europa te zijn. Hij weet het antwoord. Roemeen in Europa zijn heeft niets met nationaliteit te maken. Roemeen zijn is een baan.

    Juan Moreno