Tag: milieu

  • 2. Industrial Scars

    2. Industrial Scars

    J Henry Fair is een Amerikaans fotograaf en milieuactivist. In Industrial Scars toont hij op schilderachtige wijze de minder schilderachtige gevolgen van de industrie op de natuur.

    Vervuiling door een bestrijdingsmiddelenfabriek in Luling, LA. – © J Henry Fair
    Vervuiling door een bestrijdingsmiddelenfabriek in Luling, LA. – © J Henry Fair
    Hommage aan Miró.  – © J Henry Fair
    Hommage aan Miró. – © J Henry Fair
    Detail uit de binnenkant van een tank waarmee olie uit zand wordt gewonnen.  – © J Henry Fair
    Detail uit de binnenkant van een tank waarmee olie uit zand wordt gewonnen. – © J Henry Fair
  • Goud maken uit afval

    Goud maken uit afval

    De funeste levenscyclus van plastic moet doorbroken worden, vindt de Canadese milieuorganisatie Ocean Legacy. Daarom stelde men zich een ambitieus doel: 20 ton plastic afval – een hoeveelheid ter grootte van een blauwe vinvis – volledig recyclen.

    Op een zonnige middag in september vaart een grote sloep vol oceaanafval de haven van Delta in Brits-Columbia binnen. Schuimrubber, plastic flessen, rafelig touw: tweehonderd enorme witte bouwzakken vol met alle rotzooi die door tientallen vrijwilligers op de stranden van Vancouver Island is geraapt.

    ‘Jammer dat daar geen goud in zit,’ roept iemand vanaf de wal.

    ‘Wacht maar af,’ roept Chloé Dubois vanaf het dek terug. ‘Dat wordt het wel.’

    Dubois is de directeur van Ocean Legacy, een van de organisaties die in de zomer van 2016 meededen aan wat al de grootste schoonmaakoperatie in Canada is genoemd. Ze praat met grote bevlogenheid over plastic – iets wat de meeste mensen elke dag weggooien.

    Ik heb de vorige maand meegedaan aan de schoonmaakactie van Ocean Legacy in het Brooks Peninsula Provincial Park, waar ik Dubois twaalf uur per dag druk in de weer zag: schuimrubber sorteren, grote slingers van boeien door het hete zand sleuren en rondsjouwen met zulke enorme zakken vol plastic flessen dat ze er met haar anderhalve meter bijna onder verdween. En alles in het volle besef dat de stranden die zij schoonmaakt binnen een week weer vol met zwerfvuil liggen.

    Die schoonmaakactie was gefinancierd met wat nog resteerde van een subsidie van 1 miljoen Canadese dollars [700.000 euro] van Japan, bedoeld om afval van de tsunami op te ruimen. Maar ook zonder tsunami drijft er al genoeg plastic in zee rond. Ocean Legacy schat dat slechts een derde van wat zij verzamelen afkomstig is van de ramp uit 2011. Wereldwijd lozen landen die aan zee liggen jaarlijks 4,8 tot 12,7 miljoen ton plastic in de oceaan. Maar Canada, het land met de langste kustlijn ter wereld, kent weinig subsidies of reguliere voorzieningen om alles wat aanspoelt op te ruimen. Het plastic blijft op de kust liggen en valt uiteen in steeds kleinere delen die door dieren worden opgegeten of insecticiden, vlamvertragers en andere gifstoffen in het milieu verspreiden.

    Milieuorganisaties zien zich vaak genoodzaakt het zongebleekte, broze plastic dat ze verzamelen uiteindelijk naar de vuilstort te brengen. Maar Ocean Legacy, drie jaar geleden door Dubois en haar partner James Middleton opgericht, neemt daar geen genoegen mee. Hun ambitieuze doelstelling is om de twintig ton afval die ze deze zomer hebben geraapt volledig te recyclen. Om te bewijzen dat plastic afval weer waarde kan krijgen en de funeste levenscyclus van plastic, van fabriek naar oceaan, te doorbreken. Anders blijft er steeds nieuw afval aanspoelen en wordt het schoonmaken van de kust echt de sisyfusarbeid die het nu al lijkt te zijn. Als het hun lukt, leveren ze de grootste alchimistische prestatie die de wereld ooit heeft gezien: goud maken uit afval.

    © OceanLegacy
    © OceanLegacy

    Hoge eisen

    Op een treurig industrieterrein in Vancouver zie ik één loods waar de openstaande deur is vastgezet met een verweerde zeeboei.

    ‘Hoe gaat het?’ vraag ik de langharige man die daar koffie zit te drinken.

    ‘Ik kan geen flessendop meer zien,’ zegt hij.

    Dit is Eric McGillveray, de technische man bij Ocean Legacy. Iedereen noemt hem Dexter, naar de tekenfilmserie Dexter’s Laboratory, omdat hij net als die maffe uitvinder helemaal in zijn element is in het halfdonker van, bijvoorbeeld, de machinekamer van de trawler vol afval in de haven van Delta. Maar op dit moment heeft de organisatie meer behoefte aan mankracht dan aan technische expertise. Na aankomst van de trawler heeft cosmeticafabrikant Lush de organisatie vorige maand deze loods ter beschikking gesteld om het afval in te sorteren. Ocean Legacy heeft beloofd om behalve het door henzelf verzamelde afval ook alles te recyclen wat is verzameld door drie andere organisaties: de Sail and Life Training Society, de Surfrider Foundation en de Nuu-chah-nulth Tribal Council. En nu hebben Dubois en haar mensen nog maar twee weken om een berg afval ter grootte van een blauwe vinvis geschikt te maken voor recycling.

    Wat niet veel mensen weten: recyclebedrijven stellen hoge eisen aan afval. Ze zijn vaak gespecialiseerd in de verwerking van huishoudelijk afval en bang dat hun hypermoderne apparatuur schade oploopt door wat er allemaal tussen dit oceaanafval zit. Bovendien moet je weten welk plastic je in huis hebt, en de in het plastic gedrukte recyclingcode die dat aangeeft is door het zeewater meestal weggesleten. De meeste recyclingbedrijven hebben dus niet de apparatuur, de tijd of de financiële prikkel om dit laagwaardig afval te verwerken. ‘Iedereen roept steeds nee, nee, nee,’ zegt Dubois.

    ‘We moeten ons nu even vastbijten in deze klus. Dan krijgen we daarna weer een leven’

    Daarom zitten Dubois, McGillveray en Middleton elke dag van acht uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds in de loods, waar ze zak na zak op de grond uitstorten en met de hand sorteren. ‘Zolang we nog geen robots met kunstmatige intelligentie hebben die net zo goed kunnen kijken en voelen als wij, moet alles met de hand,’ zegt McGillveray. Vooral aan doodgewone plastic flessen heeft hij inmiddels een broertje dood. Onderop staat een driehoekje met het cijfer 1, de code voor polyethyleentereftalaat, beter bekend als PET. Maar de dop van de fles heeft code 5, voor polypropeen. Voor de recycling moet PET van polypropeen worden gescheiden, om nieuw homogeen plastic te maken dat je zo duur mogelijk kunt verkopen. Maar mensen blijken er enorm bedreven in te zijn om de dop muurvast te schroeven op hun lege fles. Ondertussen hopen de zakken met mysterieus veelkleurig schuim zich op. Als ze daar geen afnemer voor vinden, halen ze hun doelstelling van volledige recycling niet.

    Na vier dagen sorteren laat Dubois me zien hoever ze zijn. Ze hebben in de loods achttien vakken, allemaal met een bordje waarop geschreven staat welk materiaal daar ligt: rubber, metaal, glas, schuim, tassen, boeien, enzovoort. In één vak liggen alleen maar schoenen, veelal van slachtoffers van de Japanse tsunami in 2011 (een van de redenen waarom Dubois kwaad wordt als mensen het plastic in de oceaan als ‘vuilnis’ betitelen). Sommige vakken, zoals die met schuim en boeien, zijn weer in kleinere vakken onderverdeeld: voor vies schuim, gemengd schuim en schoon schuim, of goede boeien, kapotte boeien en boeien van kurk.

    Dubois en haar team zoeken al jarenlang naar experimentele recyclebedrijven die zich wel aan oceaanafval willen wagen: bedrijven als Lush en Adidas en fabrieken in het naburige Coquitlam en Ohio. Maar daarvoor moeten ze homogene partijen plastic aanleveren, dat door die bedrijven kan worden verdampt tot diesel, omgesmolten tot cosmeticaflesjes of verwerkt tot textiel voor schoenen.

    ‘We moeten ons nu even vastbijten in deze klus. Dan krijgen we daarna weer een leven,’ zegt Dubois, terwijl haar ogen door de loods dwalen. Ze trekt een zak gemengd schuim open en kijkt naar de blauwe, roze en lichtbruine brokken. Hiervoor hebben ze nog steeds geen afnemer. ‘Dit belandt misschien toch op de vuilstort,’ zegt ze op spijtige toon. Een paar dagen geleden heeft McGillveray de voicemail ingesproken van een chemisch ingenieur met een oude, schijnbaar dode website waarop hij schrijft over zijn systeem voor het recyclen van gemengd schuim. Waarschijnlijk levert het niks op, maar niet geschoten is altijd mis. Overal in de loods liggen hoopjes piepschuim, flessen en touw, en ze hebben nog maar negen dagen om alles uit te zoeken.

    Dure grap

    Als ik zes dagen later weer langskom, lopen zestig schoolkinderen als ijverige mieren met enorme brokken wit piepschuim rond. De nieuwszender Global News heeft in het weekend aandacht aan de actie besteed en dat heeft tientallen nieuwe vrijwilligers opgeleverd. Dubois vertelt over een Japans stel dat op de koude betonnen vloer heel geduldig schuimkorrels uit een berg aarde zat te pikken. Ocean Legacy ligt ineens drie dagen voor op schema. Na de rust van vorige week is het nu een drukte van belang. Kinderen die op vuilnisvaten roffelen, flessenverzamelaars die af en aanlopen met hun karretje, nieuwe vrijwilligers die zich komen melden. De enorme afvalberg is opgedeeld in keurige hopen die klaar zijn voor verwerking. Zelfs het lastige gemengd schuim komt misschien nog goed terecht: de chemisch ingenieur heeft teruggebeld dat hij binnenkort komt kijken.

    Dubois zit op haar knieën de laatste zak uit te zoeken. Ondanks al het goede nieuws is ze somberder dan anders, haar stem klinkt mat. Dit is in het driejarig bestaan van Ocean Legacy de eerste keer dat ze proberen om werkelijk ál het verzamelde afval te recyclen, en dat blijkt een dure grap. De organisatie drijft op donaties, de leden van het team doen in de loop van het jaar allerlei klusjes om rond te komen. Maar de schulden hopen zich op en hun spaartegoed slinkt zienderogen. Al hun tijd gaat hierin zitten. ‘James en ik nemen de extra kosten voor onze rekening,’ zegt Dubois. Zoals een duur onderdeel voor de boot, toen die panne kreeg en het werk even stillag.

    Terwijl ze aan het werk is, komt Middleton langs met een rekening van 45 dollar voor een lading verroeste cilinders en ander afval dat niet kon worden gerecycled en naar de vuilstort moest. Weer een rekening erbij. Ze hadden vanaf het begin al zo’n vermoeden dat het niet zou lukken om echt álles te recyclen.


    Eén dag voor de deadline is Dubois weer monter als altijd. De berg wit piepschuim is verscheept naar Coquitlam, waar het zal worden verwerkt in gevelbeplating. Drie ton gemengd plastic staat in vierkante pakketten klaar om te worden vervoerd naar een fabriek in Ohio waar ze plastic verdampen tot brandstof. Lush koopt de PET-flessen en het harde plastic om er nieuwe cosmeticaverpakkingen van te maken. En Dubois is opgetogen over een subsidieaanvraag die ze gaat indienen. Als die wordt toegewezen, kunnen ze een apparaat aanschaffen om zelf plastic te reinigen en te vermalen, zodat ze het kunnen verkopen. Dan komt hun ideaal om plastic in goud te veranderen weer een stapje dichterbij.

    Rond één uur die middag komt de chemisch ingenieur Kambiz Taheri, een keurig geklede man, naar het gemengd schuim kijken – het ‘laatste grote vraagteken’ volgens Middleton. Als hij dat afneemt, hebben ze van de twintig ton afval in totaal nog geen halve ton naar de vuilstort gebracht. Taheri zegt dat het roze en blauwe schuim gescheiden moet worden van het karamelbruine urethaan waarin hij zich specialiseert: daar kan hij een bruikbare chemische vloeistof aan onttrekken. Hij zegt dat hij dat urethaan wel wil hebben en helpt ze aan de naam van een ander bedrijf dat het roze en blauwe schuim kan afnemen. Gejuich van Dubois, Middleton en McGillveray: ze zijn dolblij, en doodop.

    Buiten jagen felle regenvlagen over het parkeerterrein: het staartje van de tyfoon Songda die over de Stille Oceaan raast en weer massa’s plastic naar de kusten drijft.

    Auteur: Laura Trethewey
    Vertaler: Frank Lekens

    Hakai Magazine
    Brits Colombia | hakaimagazine.com

    Dankt zijn naam aan een natuurgebied bij Vancouver. Het specialiseert zich in kustgebieden, ‘waar bijna de helft van de wereldbevolking woont’.

  • Kraamkamer voor bedreigde zalm

    Kraamkamer voor bedreigde zalm

    In Californië worden jonge zalmen opgekweekt in braakliggende rijstvelden, zodat ze een betere kans hebben om te overleven. Zowel de vis als de boeren profiteren van het project.

    Rijst groeit op ondergelopen land; vissen hebben water nodig. En in Californië, dat nu voor het vijfde jaar op rij wordt geteisterd door droogte, staan boeren en milieuactivisten meestal met elkaar op gespannen voet in hun strijd om de natuurlijke bronnen van de staat.

    Maar er is nu ook een groep zogenaamde tegenstanders die de handen ineen heeft geslagen, op zoek naar oplossingen. Het Nigiri-project, genoemd naar de klassieke sushi waarin rauwe vis en witte rijst samenkomen, is een groots opgezet project van [universiteit] UC Davis, het California Department of Water Resources en California Trout, waarbij jonge zalm wordt uitgezet in de natte rijstvelden. Daar kunnen de zalmen sterker worden dan in de rivier, voordat ze hun weg naar zee zoeken. En ondertussen wordt er gebruikgemaakt van land dat anders braak zou liggen.

    In sommige gevallen zijn de vissen van het verdronken land bijna twee keer zo groot als hun leeftijdsgenoten

    Alle levende organismen in Californië ondervinden de gevolgen van de droogte, maar de zalm is bij uitstek kwetsbaar. Zalm is afhankelijk van koude, stromende rivieren als de Sacramento en de Klamath om de paaicyclus van drie jaar vol te maken. (In het kort: zalm wordt aan de bovenloop van de rivier geboren en zakt dan af naar zee, gewoonlijk via de Golden Gate, een zeestraat waar sommige soorten het grootste deel van hun leven doorbrengen. Vervolgens zwemmen de vissen weer stroomopwaarts naar de bovenloop, waar ze kuitschieten en sterven.) Door meer dan een eeuw van hydraulische ontginning, uitdijende steden, indamming van rivieren en nog meer menselijk ingrijpen, is zowel het leefgebied van de zalm als het aantal zalmen afgenomen. Toen door de aanhoudende droogte bovendien het waterpeil zakte, werd het probleem nog eens verergerd. In 2015 overleefde slechts 3 procent van de jonge winterzalm in Californië de tocht naar zee.

    Het Nigiri-project is aangezwengeld in het begin van de jaren negentig, toen onderzoekers van het California Department of Water Resources de zalmmigratiepatronen in het noorden van Californië onder de loep namen en zich afvroegen of de kleine vissen sneller zouden groeien op stukken verdronken land, die meer dan een eeuw eerder op natuurlijke wijze waren ontstaan. In 2012 kreeg het experiment de naam Nigiri-project.

    Ongebruikt land

    Zowel de boeren als de belangen van de zalm zijn gediend met dit project. Door het betrekkelijk korte groeiseizoen van rijst – slechts vier tot vijf maanden, van juni tot oktober – liggen de drassige rijstvelden er het grootste deel van het jaar ongebruikt bij. Slimme rijstboeren bedachten dat ze hun krachten zouden kunnen bundelen met milieugroeperingen als de National Audubon Society en California Trout, teneinde op hun braakliggende land een (min of meer) natuurlijke visgrond te creëren.

    De zalm leeft grofweg van januari tot maart op de rijstvelden, maar dat is lang genoeg, zegt Carson Jeffres van het UC Davis Center for Watershed Sciences. Jeffres is een van de mensen die het Nigiri-project trekken. ‘Het is een betrekkelijk korte periode in een vissenleven, maar het is wel een heel belangrijke periode. Hoe groter een vis is wanneer hij de zee in zwemt, des te groter de kans dat hij als volwassen vis zal terugkeren,’ aldus Jeffres. ‘In onze optiek helpen we de zalm om zijn spullen te pakken en naar zee te trekken.’

    De resultaten zijn tot nog toe zeer hoopgevend: men beweert dat deze zalmpopulatie de snelst groeiende vispopulatie in de Central Valley is – kweekvijvers niet meegerekend. In sommige gevallen zijn de vissen van het verdronken land bijna twee keer zo groot als hun leeftijdsgenoten, aangezien er in het warme, ondiepe water van de rijstvelden een overdaad aan voedsel is, al helemaal in vergelijking met het snelstromende rivierwater. In een goed jaar wordt er in Californië dik tweeduizend vierkante kilometer rijst verbouwd. Volgens sommigen zouden al die vierkante kilometers ook dienst kunnen doen als leefomgeving voor de vissen, waarmee dit in heel Californië een van de meest veelbelovende samenwerkingen is tussen landbouw en natuur.

    Om te begrijpen waarom het zo’n succes is, is het goed om even te bekijken hoe het land er zo’n honderd jaar geleden uitzag. De Sacramento Valley, waar de natuur op zijn beloop werd gelaten, liep vrijwel elk jaar onder wanneer regen en smeltwater uit de Sierra’s door de rivieren kolkte, op weg naar zee. In grote delen van de vallei stond een dun laagje water, dat het zonlicht filterde en zo de planten bereikte, fotosynthese in gang zette en zorgde voor een ongekende groei van zowel dierlijk als plantaardig plankton. De zalm die door de rivier naar zee zwom, at deze minuscule schepsels en werd groot en sterk.

    Zalmen in een rijstveld. – © Carson Jeffres
    Zalmen in een rijstveld. – © Carson Jeffres

    Dat natuurlijke proces werd in de twintigste eeuw verstoord, toen de overheid gigantische projecten in gang zette om het water in te dammen. Het gebied rond Sacramento, met een groot risico op overstromingen, werd ingedamd en omgeleid met behulp van enkele keerdammen en kanalen, die tezamen de Yolo Bypass worden genoemd. Het gebied overstroomde niet langer wanneer het waterpeil steeg, maar tegelijkertijd werd het minder toegankelijk voor zalm en trekvogels.

    Momenteel wordt 97 procent van alle rijst in Californië verbouwd in Sacramento Valley, en boeren zoals John Brennan werken samen met het Nigiri-project en andere groeperingen om op hun terrein in ieder geval een aantal van de natuurlijke kenmerken van het verdronken land te herstellen. Buiten het rijstseizoen heeft het gebied veel weg van moerasland, zegt Brennan. Hij is maar al te blij met de vogels en alle andere dieren op zijn rijstvelden, die zo’n 25 tot 30 vierkante kilometer beslaan; de dieren helpen zelfs bij het afbreken van de rijststengels, een taai bijproduct dat de meeste boeren anders na de oogst verbrandden. De Californian Rice Commission schat dat de rijstvelden in Californië, zoals die van Brennan, jaarlijks zeven miljoen eenden en andere trekvogels voorzien van voedsel en een rustplaats.


    Brennan is oprecht blij dat hij hiermee de vogels kan helpen, maar ziet het ook als een unieke kans om de levensvatbaarheid van zijn rijstvelden te garanderen, in een tijd waarin er goed moet worden bekeken hoe het schaarse Californische water wordt verdeeld, en amandelbomen een hogere opbrengst hebben. ‘We gebruiken het water niet alleen voor de rijst, we gebruiken het om te investeren in het milieu,’ zegt hij. ‘Dat heeft meer waarde dan alleen voor de rijstbouw.’

    Het Nigiri-project stelt zich ten doel om de projecten uit te breiden en ervoor te zorgen dat de Californische zalm de reis naar zee overleeft. Afgelopen winter heeft men onderzoek gedaan op een aantal stukken grond bij de Yolo Bypass en nog wat verder in het achterland, om te kijken of de resultaten standhouden. Ook op al die andere velden heeft men een vergelijkbare, snelle groei van de zalm geconstateerd. Er wordt gehoopt op een miljoen of meer vissen in de komende twee tot vijf jaar.

    Voor Jeffres draait het Nigiri-project ook om meer dan alleen het helpen van de zalm – het is een manier waarop technologische landbouw en natuur de krachten kunnen bundelen, in plaats van tegen elkaar in te werken. En dat wordt steeds belangrijker naarmate de natuurlijke hulpbronnen van de staat uitgeput raken.
    ‘Het idee is dat het land meer kan voortbrengen dan één gewas. Rijst, watervogels, vis: het landschap kan door meerdere organismen worden benut; het een hoeft het ander niet uit te sluiten,’ zegt hij. ‘Het vergt alleen enige aanpassingen in de manier van beheren.’
    Anna Roth

    Auteur: Anna Roth
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Beeld bovenaan: Een medewerkster van UC Davis met een emmer jonge zalm. – © Gregory Urquiaga / UC Davis

    Lucky Peach
    VS | kwartaaltijdschrift | oplage 100.000

    Vrolijk Amerikaans culinair kwartaaltijdschrift, in 2011 opgericht door de Koreaans-Amerikaanse restaurateur David Chang en voormalig voedselcolumnist Peter Meehan.

  • Wereldbeeld

    Wereldbeeld

    It’s never dull in hull.

    De Amerikaanse fotograaf Spencer Tunick staat bekend om zijn installaties van grote groepen naakte mensen. Op zaterdag 9 juli verzamelde hij 3200 vrijwilligers
    in de Engelse stad Hull, die zich lieten beschilderen met blauwe verf. ‘Ze arriveerden met duizenden’, noteerde The Guardian. ‘Sommigen lopend, anderen leunend op krukken, weer anderen in rolstoelen – maar allemaal naakt.’ De deelnemers poseerden vervolgens voor de camera op plekken die te maken hebben
    met Hulls maritieme geschiedenis. Volgens Tunick staat de golf aan blauwe mensen ook symbool voor de stijgende zeespiegel.

    © Andrew Yates / Reuters
    © Andrew Yates / Reuters
  • Verdedig onze palmolie

    Verdedig onze palmolie

    In Indonesië leven ruim 25 miljoen mensen van 
de productie van palmolie. Maar Europa weert het goedje vanwege de milieueffecten. Volgens een Indonesische expert moet zijn regering de industrie beschermen én de uitwassen aanpakken.

    Onze diplomatieke diensten staan voor een nieuwe uitdaging: de palmolie beschermen nu er een nieuwe commerciële oorlog voor de deur staat. Niet alleen gaat Frankrijk een progressieve belasting heffen op de import van ruwe palmolie [de ‘Nutella’-belasting werd op 17 maart 2016 door het parlement goedgekeurd], maar er is zelfs een campagne gestart om levensmiddelen in de Europese Unie voortaan van het etiket palm oil free (POF) te voorzien.

    De Indonesische regering heeft alle reden om dit POF-etiket af te wijzen 
en protest aan te tekenen tegen deze Franse wet voor een progressieve importheffing op palmolie. De twee maatregelen zijn in strijd met de regels van de Wereldhandelsorganisatie en het GATT-akkoord uit 1994, dat de douane- en handelstarieven regelt. De regering zal ook met strenge regelgeving moeten komen om kleine lokale producenten van palmolie – die 45 procent van de Indonesische oliepalmplantages bezitten – te beschermen.

    Europese landen gaan onverminderd door met hun negatieve en agressieve campagne tegen palmolie, onder het voorwendsel dat deze slecht zou zijn voor het milieu [de Franse importheffing komt als amendement op de wet op 
de biodiversiteit en is ingediend door parlementsleden van een ecologische partij]. De werkelijke reden voor deze campagne lijkt echter te zijn dat de Europese landen graag hun eigen 
productie van zonnebloem-, soja- en koolzaadolie willen beschermen.

    Om het imago van Indonesië op de wereldmarkt te verbeteren zou de regering plannen moeten maken om andere industrieën te stimuleren

    Toch is het zeker geen loze bewering dat het milieu te lijden heeft onder de productie van palmolie, wanneer er sprake is van brandlandbouw. Elk jaar weer wordt er voor de uitbreiding van plantages bos verbrand. In de provincie Riau op Sumatra woedden er bijvoorbeeld ook in 2016 bosbranden. Deze branden leveren naar wordt gedacht een flinke bijdrage aan de wereldwijde CO2-uitstoot. Ook zijn ze niet goed 
voor de ozonlaag en vernietigen ze 
het leefgebied van orang-oetans en olifanten. Ontbossing is sinds jaar en dag het beste argument van het Westen om de import van palmolie aan banden te leggen. De Indonesische regering moet brandlandbouw dus zo snel mogelijk verbieden en veel strenger optreden tegen grote plantages en bosbedrijven die verdacht worden van het stichten van bosbranden. Hun vergunningen moeten worden ingetrokken en zij moeten voor het gerecht worden gedaagd.

    In 2006 haalde Indonesië de doelstelling om ’s werelds grootste producent van ruwe palmolie te worden. Daarmee ontnam het Maleisië de eerste plek, maar er werd een dure prijs voor betaald: de vernietiging van grote stukken oerwoud en de schending van de rechten van talloze lokale gemeenschappen [zie kadertekst].

    ‘Groene’ palmolie

    Om het imago van Indonesië op de wereldmarkt te verbeteren zou de regering plannen moeten maken om andere industrieën te stimuleren. Biobrandstoffen, glycerine en vetalcohols zijn basisproducten voor de olieverwerkende industrie waarvan de prijzen al een tijdlang aan het stijgen zijn. Ze worden onder andere toegepast in bestrijdingsmiddelen, plastics en producten van de farmaceutische industrie. Zowel in ons eigen land als in het buitenland kunnen ze een afzetmarkt vinden. De stimulering van alternatieven voor de palmolieproductie heeft als bijkomend voordeel dat er arbeidsplaatsen mee gecreëerd worden.

    Onze palmolieproducenten zijn steeds afhankelijker van mondiale markten en kunnen niet langer 
uitsluitend rekenen op de export 
van ruwe palmolie, waarvan de toegevoegde waarde relatief klein is. Bovendien kan de prijs van ruwe palmolie op ieder moment instorten, als gevolg van de felle campagnes en de concurrentie van andere landen.

    Er moet dus een diplomatiek offensief komen om nieuwe landen ervan te overtuigen palmolie te gaan importeren. Dat zou de importbeperkingen van sommige West-Europese landen kunnen compenseren.

    Maar ook moet de regering negatieve campagnes de wind uit de zeilen nemen door ‘groene’ palmolieplantages te ontwikkelen. Het is niet moeilijk om te benadrukken dat palmolie, dat geen onverzadigde 
vetzuren bevat die de kans op hart- en vaatziekten verhogen, een plek verdient in een gezond dieet. Ook hier zijn Europese en Amerikaanse markten gevoelig voor.

    Auteur: Posman Sibuea
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Posman Sibuea is hoogleraar Landbouwkunde aan de katholieke universiteit Santo Thomas te Medan (Sumatra).

    Kompas
    Indonesië | dagblad | oplage 450.000

    Opgericht in1965 als reactie op de communistische pers. Geschreven in het Indonesisch. Kompas is de grootste landelijke krant met achtergrondverhalen over de door Java vaak ‘vergeten’ andere eilanden.

    Landbouwgrond op Sumatra die is vrijgemaakt voor palmolieplantages. – © Ulet Ifansasti / Getty Images
    Landbouwgrond op Sumatra die is vrijgemaakt voor palmolieplantages. – © Ulet Ifansasti / Getty Images

    CONTEXT: Drie miljoen kleine planters

    Palmolie is voor Indonesië na fossiele brandstoffen 
de tweede bron van deviezen: in 2014 leverde het het land in totaal 21 miljard dollar op, oftewel 13 procent 
van de totale export. De plantages beslaan momenteel
14 miljoen hectare, vooral op Kalimantan en Sumatra. De regering heeft als doelstelling om dit vóór 2020 uit
te breiden tot 20 miljoen hectare. De productie, die nu
op 33 miljoen ton ligt, moet tegen die tijd verdubbeld zijn. De brancheorganisatie van grote palmolieproducenten (Gapki) en de vakbond van kleine planters (SPKS) zijn het erover eens dat zo’n 40 procent van de
palmolieplantages in handen zijn van ongeveer drie miljoen kleine planters. Direct of indirect leven meer dan 25 miljoen Indonesiërs van palmolie.

    Tussen 
augustus en november 2015 werd in totaal 2 miljoen hectare oerwoud verbrand, wat voor 1662 miljoen ton CO2-uitstoot zorgde. Zo’n veertig miljoen mensen ondervonden hinder van de rook van deze branden, in Indonesië, maar ook in Singapore en in Maleisië. De branden worden voor een belangrijk deel toegeschreven aan de houtwinning, de papierpulp- en de palmolie-industrie: de goedkoopste manier om bos 
te rooien is door het in brand te steken. Gandhi Sulistyo, directeur van de grote Indonesische palmolieproducent Sinar Mas, ontkent echter elke verantwoordelijkheid voor de branden.

    ‘Het heeft geen enkele zin om grondstoffen die wij zelf gebruiken in brand te steken,’ vertelde hij aan Tempo. Volgens de stichting Forest Watch Indonesia is er in de Indonesische archipel nog maar zo’n 82 miljoen hectare echt oerwoud over: 46 procent van het totale oppervlakte van het land. Het officiële cijfer ligt op 131 miljoen hectare, maar daarin wordt uitgedund of secundair bos meegerekend.

  • 7. Duurzaam dineren is lucratieve groeimarkt

    7. Duurzaam dineren is lucratieve groeimarkt

    In de VS worden klimaatneutrale restaurants steeds populairder. Zeker nu blijkt dat je er ook goed aan kunt verdienen.

    Bij Farmers Fishers Bakers, in Washington D.C., zet men zich al zeven jaar lang in voor klimaatneutraal dineren – en dat begint op het moment dat de klant de deur door komt. Een klein bordje nodigt de gasten uit om het restaurant te betreden door de uitbundig versierde draaideur. (Draaideuren, zo heeft een onderzoeksteam van het Massachusetts Institute of Technology ontdekt, zijn acht keer zo energie-efficiënt als traditionele deuren.) Eenmaal binnen in het chique, biologische restaurant, ziet de klant hergebruikt sloophout, herwonnen marmer en karaffen water uit een buurtwinkel. Op de menukaart staat uitdrukkelijk vermeld dat de ingrediënten afkomstig zijn van plaatselijke leveranciers en dat de restjes de volgende dag gebruikt kunnen worden voor een voorafje.

    ‘We verleiden de klant met duurzaamheid, verse producten, het aangename gevoel dat je weet waar alles vandaan komt,’ zegt Jennifer Motruk, plaatsvervangend hoofd marketing en communicatie van de Farmers Restaurant Group, waar Farmers Fishers Bakers onder valt, net als de Founding Farmers-restaurantketen. ‘Bij elke beslissing die we nemen stellen we onszelf de vraag: Zou ik hier ook voor kiezen als ik een boer was?’ Men streeft ernaar dat alles wat op tafel staat zo van het land komt, en dat alles in een omgeving die zo veel mogelijk klimaatneutraal is.

    Alles wat er gedaan kán worden op het gebied van duurzaamheid, wórdt ook gedaan. Founding Farmers composteert, recyclet, gebruikt linnen servetten, drukt de menukaarten met soja-inkt op hergebruikt papier, geeft het eten mee in bakjes van afbreekbaar materiaal, gebruikt natuurlijke schoonmaakmiddelen, maakt zelf groente in en bakt het brood ter plaatse.

    Founding Farmers Restaurant. – ©  Davis Staedtler
    Founding Farmers Restaurant. – © Davis Staedtler

    Ongekend winstgevend

    Deze filosofie wordt doorgetrokken tot op het toilet, met bewegingssensoren en waterbesparende stortbakken. Tot slot wordt de klant op het hart gedrukt dat het bedrijf doet aan klimaatcompensatie via Carbonfund.org, om de schadelijke uitstoot te compenseren van het wekelijkse transport van een kleine duizend kilo graan vanuit North Dakota naar het District of Columbia.

    Sinds de eerste Founding Farmers-zaak in 2008 de deuren opende is de keten uitgegroeid tot een concern met vier vestigingen die ongekende populair zijn. Volgens Motruk voeren de Founder Fathers al 49 maanden de lijst aan van restaurants die worden gereserveerd via OpenTable. Daarnaast is de keten ongekend winstgevend. In 2014 bedroeg de omzet meer dan 35 miljoen. En hoewel Founding Farmers slechts een kleine keten is in een industrietak van immense omvang, wordt het concept van klimaatneutraal eten en het verkleinen van de ecologische voetafdruk steeds populairder. Het bedrijf probeert iets te veranderen binnen een energieverslindende bedrijfstak.

    Klanten zijn steeds meer gericht op duurzaamheid, en sommige lokale overheden schrijven dat ook voor

    Het systeem waarin voedsel wordt verbouwd, verscheept, bereid en weggegooid, is wereldwijd verantwoordelijk voor 30 procent van de koolstofemissie. Van elke dollar die een Amerikaan aan eten uitgeeft gaat 47 procent naar een restaurant – en daarvan is het land er bijna één miljoen rijk, afgaande op de cijfers van de National Restaurant Association.

    Laura Abshire, hoofd duurzaamheidsbeleid en overheidszaken van de National Restaurant Association, qua ledental de grootste vakbond in de voedselindustrie ter wereld, zegt dat restaurants zich er terdege van bewust zijn dat ze een grote invloed kunnen hebben op het milieu, maar ze willen het natuurlijk ook de klant naar de zin maken. Wat de klant meer en meer wil, zegt ze, is dat de zaak die hij bezoekt begaan is met het milieu.

    Het filiaal van Farmers Fishers Bakers in Washington D.C.
    Het filiaal van Farmers Fishers Bakers in Washington D.C.

    ‘Klanten zijn steeds meer gericht op duurzaamheid, en sommige lokale overheden schrijven dat ook voor,’ zegt Abshire. ‘Restaurants hebben er alleen maar bij te winnen. Ze kunnen geld besparen en klanten trekken.’

    In San Francisco opent binnenkort 
een nieuw restaurant haar deuren, een restaurant dat vanuit een iets andere invalshoek streeft naar een klimaatneutrale bedrijfsvoering. Het Perennial is de droom van het echtpaar Anthony Myint en Karen Leibowitz, die al naam hebben gemaakt in de Bay Area met twee andere restaurants met een charitatief oogmerk.

    Ze zullen gebruikmaken van een bijna tweehonderd vierkante meter grote 
kas en een ecologisch verantwoorde combinatie van visteelt en hydrocultuur om de voedselrestanten te verwerken en groenten en kruiden voor het restaurant te verbouwen. Ze gaan 
de samenwerking aan met leveranciers die klimaatneutraliteit hoog in het vaandel hebben staan bij de productie van rundvlees en graan, en ze zullen gebruikmaken van typisch milieuvriendelijke pijlers als energiezuinige keukenapparatuur en een daktuin. 
Met al die middelen hopen Myint en Leibowitz een aangename, educatieve omgeving te scheppen die duidelijk maakt dat het voedselsysteem ook op een meer verantwoorde wijze kan functioneren.

    Spitsroeden

    ‘Het is lastig omdat klimaatverandering en milieukwesties mensen ook kunnen afschrikken,’ zegt Myint. ‘Het is een beetje spitsroeden lopen om dat aan de kaak te stellen in een restaurant waar mensen het vooral naar hun zin willen hebben.’

    Myint is ook een van de oprichters van een non-profit-consultancy dat een richtlijn met ‘best practices’ beschikbaar wil stellen voor restaurants die hun ecologische voetafdruk willen 
verkleinen – Zero Foodprint geheten. Ze willen een klimaatneutrale bedrijfsvoering binnen de restaurantwereld presenteren als iets om trots op te zijn, vergelijkbaar met vrijhandel, waarbij chefs of restauranthouders een bepaalde procedure moeten doorlopen om gecertificeerd te worden. Kennis is macht, zegt Myint, en nadenken over klimaatverandering wil nog niet zeggen dat je niet langer zou nadenken over eten. ‘Rundvlees heeft een gigantische ecologische voetafdruk,’ zegt hij. ‘Ik eet nog steeds rundvlees, maar met de kennis die ik nu heb ben ik wel kieskeuriger.’

    Auteur: Brittany Patterson
    Vertaler: Annemie de Vries

    Environment & Energy Publishing
    VS | eenews.net

    Online-mediumbedrijf sinds 1998. Publiceert dagelijks zo’n 70 artikelen over energie- en milieubeleid.