In steeds meer landen, waaronder in het VK, de VS en Japan, daalt het geboortecijfer. Is dit goed nieuws voor onze planeet?
Ja: ‘We moeten deze positieve trend omarmen en ons eraan aanpassen’
‘Ooit werd de groeiende bevolking gezien als de belangrijkste oorzaak van het uitsterven van diersoorten, de uitputting van natuurlijke hulpbronnen, vervuiling en milieuvernietiging,’ blikt Kirsten Stade, conservatiebioloog, terug in Newsweek. ‘Maar tegenwoordig horen we eerder dat er te weinig van ons zijn dan te veel. Deze “crisis”, zo wordt ons verteld, zal ernstige gevolgen hebben voor onze economie en vooral voor senioren.’
Stade wijst erop dat deze retoriek een vertekend beeld geeft. De wereldbevolking groeit namelijk nog steeds met 80 miljoen mensen per jaar en dat heeft grote gevolgen voor het milieu. ‘Ondanks dat het verband tussen bevolkingsgroei en klimaatverandering meermaals is bewezen, komt het terugdringen van onze bevolkingsgroei nauwelijks aan bod in het klimaatdebat.’
Sommigen beweren dat groene technologie een oplossing zou zijn voor het duurzaam ondersteunen van een groeiende wereldbevolking. Maar volgens Stade is dat helemaal niet zo gemakkelijk. Om groene alternatieven zodanig op te schalen, zijn grote investeringen in fossiele brandstoffen en mijnbouw nodig. ‘Mijnbouw voor lithium, koper, nikkel en kobalt, dat wordt gebruikt voor het maken van windturbines en elektrische auto’s, vindt vaak plaats ten koste van laagbetaalde arbeiders, onder wie veel kinderen. En het leidt tot vernietiging van natuurgebieden. Binnenkort is ook de diepzeebodem aan de beurt, wat ten koste zal gaan van het ecosysteem en nog onontdekte diersoorten.’
‘Het is moeilijk voor te stellen hoe we tegen 2100 nog eens 2 miljard extra mensen kunnen voeden’
Ook de voedselproductie vormt een grote uitdaging. ‘Met onze huidige bevolkingsgrootte en consumptiepatroon neemt landbouw al 40 procent van het ijsvrije landoppervlak van de aarde in beslag’, schrijft ze. Ontbossing en habitatvernietiging voor landbouw vormen de grootste bedreiging voor de meeste bedreigde diersoorten. Bovendien verbruikt de agrarische sector 70 procent van het zoetwater. ‘Het is moeilijk voor te stellen hoe we tegen 2100 nog eens 2 miljard extra mensen kunnen voeden zonder de planeet verder uit te putten.’
Een dalend geboortecijfer hoeft dus geen reden te zijn tot paniek. ‘Nu de opwarming van de aarde miljarden mensen dreigt te verdrijven naar gebieden waar de temperatuur nog geschikt is voor menselijk leven, is het niet het moment om ons zorgen te maken over te weinig mensen,’ aldus Stade. ‘In feite is de daling van het geboortecijfer een reden tot vreugde: ze weerspiegelt gendergelijkheid, het welzijn van kinderen en het verlichten van onze druk op de aarde. In plaats van te treuren over het lage geboortecijfer, zouden we deze positieve trend moeten omarmen, ons eraan aanpassen en vieren wat het betekent voor de toekomst van onze planeet.’
Kirsten Stade is conservatiebioloog en communicatiemanager bij de ngo Population Balance.
Nee: ‘Dalende vruchtbaarheidscijfers kunnen de planeet eerder schaden dan helpen’
‘De bezorgdheid over het dalende geboortecijfer neemt toe’, schrijft John Burn-Murdoch in Financial Times. Volgens hem beschouwen progressieven de bezorgdheid over het dalende geboortecijfer als een inherent conservatieve kwestie, omdat het stimuleren van meer kinderen kan botsen met vrouwenrechten. Bovendien betekent meer mensen meer uitstoot. ‘Maar door dit onderwerp aan rechts over te laten, riskeren progressieven juist een conservatievere en minder groene toekomst.’
Een populair argument is dat het dalende geboortecijfer goed zou zijn voor de planeet. ‘De werkelijkheid is minder zwart-wit. De totale uitstoot is namelijk afhankelijk van twee factoren: het aantal mensen dat uitstoot produceert en de hoeveelheid die iedere persoon uitstoot,’ legt Burn-Murdoch uit. ‘De tweede factor heeft een veel grotere impact. Zo hebben technologische vooruitgang en groen beleid de gemiddelde ecologische voetafdruk van westerlingen de afgelopen decennia drastisch verkleind, wat betekent dat landen als het VK en de VS hun totale uitstoot sterk hebben verminderd, ondanks dat de bevolking is gegroeid. In Japan daarentegen heeft de afkeer van schone kernenergie na de ramp in Fukushima geleid tot een stijging van de uitstoot, terwijl het geboortecijfer steeds verder daalde.’
Het is volgens Burn-Murdoch niet alleen zo dat innovatie demografische ontwikkelingen overschaduwt; de twee zijn met elkaar verbonden. ‘Landen met een oudere bevolking zijn over het algemeen conservatiever en minder innovatief, wat de vergroening van hun economieën en samenlevingen kan vertragen.’
‘Een groeiende kloof tussen het geboortecijfer van links en rechts zal de liberalisering vertragen’
Een studie die dit jaar door een groep Amerikaanse onderzoekers is gepubliceerd, komt tot een vergelijkbare conclusie. ‘In het beste geval zullen de dalende geboortecijfers een verwaarloosbare invloed hebben op de mondiale temperaturen en veel te laat komen om de klimaatdoelstellingen te beïnvloeden. In het slechtste geval zal het netto effect zijn dat de vooruitgang wordt vertraagd, waardoor de planeet nog meer vervuild raakt en verder opwarmt.’
Uit recente studies blijkt dat het gebrek aan bezorgdheid van links over het dalende geboortecijfer de samenleving waarschijnlijk in een meer conservatieve richting duwt. ‘Van de VS tot Europa en daarbuiten krijgen mensen die zichzelf als conservatief beschouwen bijna evenveel kinderen als tientallen jaren geleden. De daling is vooral te zien bij progressieve linkse mensen, waardoor elke volgende generatie verder naar rechts verschuift dan anders zou zijn gebeurd.’ Natuurlijk nemen kinderen niet zomaar de politieke opvattingen van hun ouders over. Maar het staat volgens de datajournalist vast dat de waarden van kinderen sterk worden beïnvloed door die van hun ouders. ‘Een groeiende kloof tussen het geboortecijfer van links en rechts zal de liberalisering dus vertragen en kan leiden tot samenlevingen en politici die minder liberaal zijn en minder aandacht hebben voor het milieu dan anders het geval zou zijn. (…)
Iedereen moet de mogelijkheid hebben om het aantal kinderen te krijgen dat hij of zij wenst, en nul is een even legitieme keuze als elke andere. Maar als een deel van iemands redenering om geen kinderen te krijgen is dat dit de juiste keuze is voor de planeet, of dat het progressieve waarden belichaamt, dan is dit zeker niet eenduidig door bewijs onderbouwd.’
John Burn-Murdoch is columnist en dataverslaggever voor Financial Times. Hij schrijft de wekelijkse column Data Points.
De burgemeester wil een Parijs ‘dat kan ademhalen’
De afgelopen twintig jaar heeft Parijs een grote transformatie ondergaan: verkeersaders zijn ingeruild voor fietspaden, groene ruimtes zijn toegevoegd, 50.000 parkeerplaatsen zijn geschrapt, parkeertarieven voor SUV’s zijn verhoogd en autovrije zones zijn ingesteld. Dat werpt zijn vruchten af: volgens Airparif, een onafhankelijke groep die de luchtkwaliteit rond Parijs bijhoudt, is de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide sinds 2005 met 55 respectievelijk 50 procent gedaald. Dat schrijft The Washington Post.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Waar warmtekaarten die vervuiling weergeven twintig jaar geleden nog helemaal rood waren, was de rode zone in 2023 geslonken tot slechts een web van fijne lijnen over en rond de stad, die de drukste wegen en snelwegen voorstellen.
Luchtvervuiling wordt door gezondheidsdeskundigen vaak omschreven als een sluipmoordenaar en in verband gebracht met onder meer hartaanvallen, longkanker, bronchitis en astma. Parijs wordt sinds 2014 geleid door burgemeester Anne Hidalgo, een socialiste die zich sterk maakt voor groen beleid en een ‘Parijs dat kan ademhalen’.
Sinds Elon Musk extreemrechts is geworden en deel uitmaakt van de regering van Donald Trump, is de beurskoers van Tesla dramatisch gekelderd. Mensen doen afstand van hun Tesla of kopen geen auto meer van dit merk. Is dat terecht, of kunnen we gewoon in deze auto blijven rijden? Twee bezitters van een Tesla geven hun mening.
‘Als ik opnieuw mocht beslissen, zou ik weer de Model 3 kopen’
‘Nieuwsgierige lezers hebben het altijd al willen weten: in wat voor auto rijdt de autorecensent van The Wall Street Journal?’ schrijft Dan Neil, de man die verantwoordelijk is voor de autorubriek van het Amerikaanse dagblad. Hij geeft op die vraag meestal liever geen antwoord, om te vermijden dat mensen hem in een bepaald hokje plaatsen. Maar nu biecht hij het dan toch op.
‘Onlangs heb ik een nieuwe auto gekocht. Maandenlang heb ik allerlei cijfers doorgespit: aankoopprijs, gebruikskosten, geavanceerde veiligheids-, communicatie- en gemaksfuncties. Met mijn levenslange expertise kwam ik tot de meest rationele, redelijke en verantwoorde keuze die ik kon maken. En nu denken mijn buren dat ik een zwak heb voor nazi’s.’
Begin januari kocht Neil een amper gebruikte Tesla Model 3 Standard Range uit 2022 voor 26.400 dollar (24.500 euro). Hij had de aanschaf van een auto al een paar jaar uitgesteld, maar besloot tot aankoop over te gaan voordat de Trump-regering een einde zou maken aan het federale belastingvoordeel voor gebruikte EV’s en tarieven op auto’s en auto-onderdelen zou gaan heffen. Achteraf bezien heeft deze tijdige aankoop hem heel wat geld bespaard.
‘De Model 3 is een van de veiligste auto’s op de weg’
Maar toen sloeg de tijdgeest om. ‘In de drie weken tussen het moment dat ik op de koopknop op de website van Tesla klikte en het bericht “Klaar om op te halen” ontving, sloot Tesla-CEO Elon Musk zich officieel aan bij de regering-Trump. Daarmee smeedde hij een alliantie tussen de man die de EV-industrie in de VS in feite heeft gecreëerd en degene die het liefst ziet dat de stekker eruit wordt getrokken.’
Neil zag hoe Musk en Trump tijdens de laatste maanden van de presidentiële campagne naar elkaar toe groeiden en ging ervan uit dat Musks ommezwaai naar rechts het imago van Tesla zou schaden. Zijn vermoedens klopten: in China, de grootste automarkt ter wereld, daalde de verkoop van Tesla’s in februari met 49 procent ten opzichte van een jaar eerder; in Australië in dezelfde periode met 72 procent. In Californië – de grootste markt voor EV’s in de VS – daalde de verkoop van Tesla’s al in 2024 met bijna 12 procent, terwijl de verkoopcijfers binnen de EV-sector als geheel stabiel bleven.
Maar dat extremisten showrooms van Tesla zouden vernielen, oplaadstations in brand zouden steken en auto’s op straat zouden aanvallen, had hij nooit verwacht. ‘Er zijn al eerder boycots geweest in de auto-industrie, maar de kritiek op Musk is aan het veranderen in een razzia.’ Vorig jaar begonnen mensen zelfs bumperstickers op hun Tesla te plakken met de tekst ‘Ik kocht deze voordat we wisten dat Elon gek was!’
‘De Model 3 blijft de juiste keuze, hoeveel saluten Musk ook brengt’
Ondanks al deze kritiek op Musk heeft Neil geen spijt van zijn aankoop. ‘Als ik opnieuw moest beslissen, zou ik weer de Model 3 kopen. Omdat Musk gelijk had voordat hij de fout in ging. De Model 3 uit 2022 is een fantastische kleine auto: oerdegelijk, snel en sterk, met veel comfort in de cabine en een infotainmentsysteem dat dankzij regelmatige updates met de tijd alleen maar beter wordt. Het is ook een van de veiligste auto’s op de weg, met vijf sterren over de hele linie en een hele reeks geavanceerde rijhulpsystemen, zoals een robuuste rijstrookassistent. Er is niets wat in de buurt komt voor zo weinig geld.’ Tesla kan bovendien bijdragen aan een duurzamere toekomst, aldus Neil. ‘De Model 3 is nog steeds de juiste keuze, hoeveel saluten Musk ook met zijn opgeheven arm brengt,’ concludeert hij.
De voormalige tijdschriftredacteur John Blumenthal schreef eind 2022 in Los Angeles Times over zijn worsteling met het feit dat hij in een Tesla rijdt. Hij kocht een paar jaar geleden een tweedehands exemplaar, naar eigen zeggen omdat hij ‘hypocriet was geweest’. Jarenlang had hij zich uitgesproken over de gevaren van koolstofuitstoot. Maar tegelijkertijd reed hij rond in een oude benzinebak die 1 op 10 reed en elke keer als hij de sleutel in het contactslot draaide ‘het geluid maakte van een raketlancering’.
‘Mijn vrienden die zich inzetten voor het milieu waren er niet van onder de indruk dat ik ijverig composteerde in de stad, ledlampen installeerde en energiezuinige apparaten gebruikte. Ik moest meer doen om mijn ecologische voetafdruk te verkleinen. Ze herinnerden me eraan dat de ijsbergen aan het smelten waren en zeiden dat er minstens één ijsbeer dakloos en hongerig rondzwierf door mijn schuld.’
‘Op den duur raakte ik gehecht aan het gestroomlijnde ontwerp van de auto’
Omdat Blumenthal vaak om zich heen hoorde dat de Tesla de milieuvriendelijkste auto was, besloot hij afscheid te nemen van zijn benzineslurper en de overstap te wagen. ‘Het duurde een paar weken voordat ik de basis onder de knie had, maar op den duur raakte ik gehecht aan het gestroomlijnde ontwerp en de toeters en bellen van de auto. Dat gevoel was echter van korte duur.’
Toen Elon Musk zijn politieke standpunten naar buiten bracht, begon Blumenthal zich zorgen te maken over het politieke statement dat de auto lijkt af te geven. ‘Zullen mensen me zien als een symbool van rechts milieuactivisme, een levend oxymoron? Toen ik de auto kocht, had ik niet echt een mening over Musks enigszins dubieuze politieke overtuigingen. Nu Musk blijkbaar naar uiterst rechts is gezwaaid – door journalisten van X te verbannen en neonazi’s weer toegang te geven tot het sociale netwerk – vind ik het verschrikkelijk om met zijn merk geassocieerd te worden.’
‘Zou een dreun voor de Tesla-aandelen echt iets veranderen aan het beleid van Musk?’
Blumenthal zou zijn Tesla kunnen verkopen als een uiting van protest, maar, legt hij uit, hij gelooft niet dat dit Musk op andere gedachten zou kunnen brengen. ‘Al zou ik deel uitmaken van een grote beweging en zouden veel andere politiek bewuste potentiële Tesla-eigenaren kiezen voor andere, nieuwere EV’s, zou een dreun voor de Tesla-aandelen dan echt iets veranderen aan het beleid van Musk? En hoeveel mensen zouden wel niet hun baan verliezen als mensen geen Tesla’s meer zouden kopen?’
Blumenthal is er nog niet helemaal over uit of hij zijn Tesla van de hand moet doen, al neigt hij daar wel sterk naar. ‘Ik voel me er niet meer prettig in. Het is een prachtig ontworpen auto zonder CO2-uitstoot en aanvankelijk was ik er trots op om te worden gezien in een voertuig dat mijn zorg voor het milieu uitdroeg. Maar ik ben progressief en als de politiek van Musk niet radicaal ten goede verandert, zal het rijden in een Tesla, voor mij althans, net zo hypocriet en onhoudbaar worden als het rijden in een benzineslurper was,’ concludeert hij.
Het land wil vanaf 2025 alleen nog elektrische auto’s verkopen
‘Het is een veelbelovend beeld,’ schrijft het Colombiaanse tijdschrift Semana. In januari werden er in Noorwegen 9343 auto’s verkocht, waaronder 8954 emissievrije auto’s. Dat komt neer op 95,8 procent van alle verkochte auto’s, maakte de Noorse Raad voor Wegverkeersinformatie maandag bekend. Een niveau dat nergens anders ter wereld wordt geëvenaard.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Het Scandinavische land – dat paradoxaal genoeg de grootste exporteur van koolwaterstoffen in West-Europa is – heeft zichzelf ten doel gesteld om vanaf 2025 alleen nog maar nieuwe elektrische auto’s te verkopen, tien jaar eerder dan de Europese Unie. In tegenstelling tot de andere zevenentwintig landen van de EU heeft het Scandinavische land niet gekozen voor een verbod op verbrandingsmotoren, maar voor een stimuleringsbeleid. Nieuwe elektrische auto’s zijn bijvoorbeeld grotendeels vrijgesteld van belasting, terwijl auto’s op fossiele brandstoffen zwaar worden belast.
De gevangenisstraf wordt verdubbeld van drie naar zes jaar
De Braziliaanse president Luiz Inacio Lula da Silva heeft dinsdag een wetsvoorstel naar het parlement gestuurd om de straffen voor milieumisdrijven op te voeren, meldt Folha de São Paulo. Dit initiatief komt op een moment dat het land wordt geconfronteerd met een recordgolf van bosbranden, waarvan de meeste opzettelijk zijn aangestoken.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Vanaf nu spelen we geen spelletjes meer met misdaden tegen het milieu, mensen zullen streng gestraft moeten worden’, verklaarde president Lula toen hij het wetsvoorstel ondertekende. Onder de nieuwe wet wordt brandstichting bestraft met een gevangenisstraf van drie tot zes jaar, twee keer zoveel als nu. Misdaden zoals handel in wilde dieren, vervuiling van natuurlijke hulpbronnen of schade aan waterfauna zullen ook zwaarder worden bestraft.
Laat je niet misleiden door de klank van milieuprotest: deze liederen werden gezongen met de stem van de houthakker en niet de boom.
“Woodman, oh woodman, you must spare that tree.” Houthakker, oh houthakker, spaar deze boom. Zo zong volkszanger Robin Grey in zijn album From the Ground Up (2017). “Raak geen enkele tak aan, want in mijn jeugd was dat mijn beschutting.”
Het is een oud lied. De woorden werden in 1830 geschreven door de Amerikaanse dichter George Pope Morris, oorspronkelijk onder de titel “The Oak.” Zeven jaar later werd zijn tekst door de Engelse pianist Henry Russell op muziek gezet. Zijn lied, getiteld “Woodman, Spare That Tree,” werd een enorm succes. Tegenwoordig is het vooral een vroeg voorbeeld – of misschien zelfs voorbode – van het milieuprotestlied. Het past dan ook goed thuis in het oeuvre van Grey, een milieubewuste songwriter die zich aansluit tot een radicale protesttraditie. Naast “Woodman” bevat zijn album From the Ground Up teksten over fossiele brandstof (“Laat het in de grond,” zingt hij. “Ik wil niet dat onze wereld verdrinkt”) en omgang met de natuur (“ik zorg voor het land en het land zorgt voor mij”).
Grey behoort tot een subgroep volksmuzikanten die soms het label “eco-folk” voordragen: een oprechte, voornamelijk akoestische genre van protest- en volksliederen die mede dankzij schrijver en academicus Robert Macfarlane steeds meer aandacht krijgt. Macfarlane schreef eerder over muzikanten als Karine Polwart, Julie Fowlis en Seckou Keita. Zijn eigen protestgedicht, “Heartwood” (“Zou je me uithakken / tot op het kernhout, houthakker? / Zou je me met een open hart achterlaten?”), is bovendien een duidelijke opvolger van “Woodman, Spare That Tree.”
Protest
Dit soort milieubewuste volksmuziek bouwt voort op decennia van invloedrijke protestliederen van naoorlogse songwriters en muzikanten zoals Malvina Reynolds (“What Have They Done to the Rain?”), Pete Seeger (God Bless the Grass) en Peter La Farge (“As Long as the Grass Shall Grow”). Tegenwoordig versterkt de zogeheten “enfolkification” van plattelandsprotesten – waar demonstraties over klimaatverandering en landbeheer dikwijls gepaard gaan met folkloristisch theater en ukelelemuziek – het populaire beeld van volksmuziek als “groene” muziek.
Protestmuziek is van nature compromisloos en eenzijdig; geen enkel groot protestlied eindigt na het tussenstuk met een couplet dat begint met “Maar aan de andere kant…” Tegelijkertijd gaat succesvolle kunst – net als een geschiedenisles – om complexiteit en tegenstrijdigheden. Als we alleen het felgroene naoorlogse tintje zien in de relatie tussen volksmuziek en het milieu, zien we een belangrijk feit over het hoofd: dat de stem van volksmuziek net zo vaak de stem van de houthakker is geweest als die van de boom.
Volksliederen zijn arbeidersliederen. De geschiedenis van de mens is per slot van rekening de geschiedenis van hakken, graven, schuren, onderwerpen, jagen, temmen, grijpen en plunderen. Het is het werk van talloze menselijke handen, en terwijl we dit werk deden, was volksmuziek onze soundtrack: in de bossen, in de heuvels, en op de open zee.
Schrijvend in 2021, op het hoogtepunt van de TikTok Wellerman-hype, probeerde de literatuurwetenschapper David Farrier te wijzen op de “duistere kant van de zeemansliederen.” “Niemand wil een spelbreker zijn,” schreef Farrier in het magazine Prospect, “maar het is de moeite waard om te herinneren dat de stuwende ritmes van deze liederen…het tempo bepaalden van georganiseerd geweld.”
In slechts een klein aantal historische volksliederen heeft de zanger werkelijk medelijden met de vos, walvis, of boom
“Wellerman,” een walvisvaarderslied uit de Zuidzee dat de Schotse (parttime) volkszanger Nathan Evans in één klap wereldwijd beroemd maakte, is een zogenaamd ‘cutting-in’ lied, bedoeld om het ritmische en bloederige slachten van een gevangen walvis te begeleiden. Farrier merkte terecht op dat de walvisvangst een moorddadige en buitengewoon schadelijke handel was: het walvisstation van Otago, waar de gebroeders Weller in 1831 het maritieme bevoorradingsbedrijf “Wellerman” oprichtten, kon tot wel 100 walvissen per jaar verwerken. Als ‘inland’ station richtte het bedrijf zich vooral op zwangere vrouwtjes en kalveren. Dit is in zekere zin die “duistere kant” waar Farrier over spreekt, maar dan wel een die altijd duidelijk zichtbaar is geweest. Dit zijn bovenal menselijke liederen: liederen uit het Antropoceen, over menselijk werk, menselijke vreugde, menselijk lijden en menselijke liefde. In slechts een klein aantal historische volksliederen heeft de zanger werkelijk medelijden met de vos, walvis, of boom.
Volksmuziek geeft een menselijke stem aan de eeuwen van milieuaantasting en herinnert luisteraars dat, ondanks dat de eisen van kapitaal, industrie en technologie onze planeet in een productielijn en een consumentistische lopende band doen veranderden, dit een menselijk proces is. De waarden en prioriteiten van historische volksliederen zijn zo niet onze waarden en prioriteiten, dan wel de basis van ons gezamenlijke verhaal.
Het eerste muziekstuk dat ik ooit hoorde, was een jachtlied: “We’ll hunt him down, we’ll hunt him down, / We’ll run old Reynard to the ground.” Ik moet vier of vijf jaar oud zijn geweest. Mijn vader had het lied op een LP, misschien zelfs een cassettebandje opgenomen van de radio. Ik ken dat refrein als geen ander. Het behoort tot een lied genaamd “The Hunt,” geschreven en opgenomen rond 1980 door de Nieuw-Zeelandse folkzanger genaamd Paul Metsers. Het bijzondere aan “The Hunt” is dat het een protestsong is: zowel een jachtlied als een anti-jachtlied.
In een paar a capella coupletten fileert Metsers behendig de klassenongelijkheid (“I am the lord of all around / and me you shall obey”) en de lafheid van de vossenjacht (“For sport it surely be / To hunt a single red fox down / With twenty men and three”). Niets wordt overdreven of opgeblazen. Bovendien zit er veel schoonheid in de tekst, misschien zelfs meer dan het lied nodig heeft. Mesters afkeer voor de vossenjacht is onmiskenbaar, maar tegelijkertijd voelt het alsof hij zich aan de jachtcultuur heeft aangepast. In plaats van satire of kritiek spreekt de songwriter simpelweg over de “zilverachtige lucht,” de hoorn van de jager, en blaffende honden: men kan zich met gemak een negentiende-eeuwse jager voorstellen die naar deze woorden luistert en denkt: “Ja, zo is het,” terwijl hij zijn rode jas aantrekt en jachtpaard zadelt.
Vossenjacht
Het Engelse jachtlied is zowel pastoraal als sentimenteel, en lof voor mooie, heldere ochtenden is kenmerkend voor het genre. “What a fine hunting day, it’s as balmy as May.” “The morn is a fine one, right healthy and clear.” “’Tis a beautiful, glittering, golden-ey’d morn.” Uiteindelijk verandert “The Hunt” in een klaagzang: “The air is still, and nature seems / To mourn another son.” Het lied opereert zowel in de protest- als de pastorale traditie, en dat maakt het zo fascinerend.
Toch zijn vossenjachtliederen geen echte werkliederen, laat staan volksliederen in de traditionele zin. Hoe hard het fysieke werk ook mag zijn, een vossenjacht was tijdverdrijf voor mensen van adel. Liederen, geschreven in de 18e of 19e eeuw, zitten vol met provinciale toespeling, sportief geklets en rooskleurige mythes over de een of andere beroemde hond, paard of jager. Tegelijkertijd is zelfs het meest doorleefde volkslied niet zomaar uit de grond ontsproten. Het genre barst van vakmanschap, van bewustzijn van creatie. Vossenjachtliederen zijn liederen van het volk en van het land, en nemen plaats in een lange, wereldwijde traditie van jachtliederen.
De Canadese musicologe Lynn Whidden verzamelde meer dan 80 traditionele jachtliederen van de Cree, een inheems volk uit Noord-Amerika, in Manitoba en Noord-Quebec tussen 1970 en 2000. Deze liederen, ook wel niitooh-nikamon genoemd, “voorspelden succesvolle uitkomsten voor een extreem uitdagende en opwindende bezigheid,” zo schreef ze in haar boek Essential Song: Three Decades of Northern Cree Music (2007). “De levendige beelden in de liederen tonen de waardering van de jager voor de dieren en de hele natuur.” Ook deze liederen passen in het kader pastorale werkliederen: “De uitvoering van een lied stimuleert de intuïtie en de creatieve kracht die nodig was om een wild dier te vangen.”
“De jachtliederen,” voegt ze toe, “zijn een persoonlijke uitdrukking van emotie, maar geen van de 86 die ik heb opgenomen, drukte verdriet of spijt uit.” De relatie tussen Cree en natuur is een verbond, een “spirituele overeenkomsten van wederkerigheid” tussen de menselijke en niet-menselijke wereld. Deze relatie bestaat naast – en is onafscheidelijk van – de onverbiddelijke dagelijkse praktijk van jagen, doden en consumeren van wilde dieren.
Ze richten zich op de mens, in plaats van op de levende wereld waar deze mensen zo destructief doorheen bewegen
Menig traditioneel jachtlied toont een fundamenteel gevoel van zelfgenoegzaamheid. Deze zelfgenoegzaamheid heeft niets te maken met de aard van het jagersleven – integendeel, ik denk dat jachtculturen alleen kunnen bestaan door een kille kijk te behouden op hoe wreed de evolutionaire processen op individuele dieren werken (“Zo onzorgvuldig met het enkele leven,” zoals Lord Tennyson ooit dichtte). Deze liederen uiten eerder een impliciete onbezorgdheid over de omvang van natuurlijke hulpbronnen. Het zijn beslist niet de liederen van een slinkend ecosysteem; het zijn liederen van een eeuwige oogst, van een planeet die zichzelf vernieuwt, die intrinsiek en voor altijd overvloedig lijkt. Het oogsten van de aardbol is een eindeloze arbeid. Wat altijd was, zal altijd zijn. Zonder twijfel hadden de 14e-eeuwse Polynesische kolonisten van Nieuw-Zeeland hun eigen vreugdevolle liederen over het jagen op de moa, tot de roep van de moa verstomde en alle moa’s uitstierven.
Deze zelfgenoegzaamheid van overvloed maakt het mogelijk om zich te richten op de mens, op het harde leven en de kleine genoegens van de arbeiders, in plaats van op de levende wereld waar deze mensen zo destructief doorheen bewegen. Liederen van de walvisvloot besteden bijvoorbeeld vaak aandacht aan de onmenselijkheid van de industrie tegenover de walvisjagers. “They’ll use you, they will rob you, worse than any slave / Before you go a-whaling, boys, you’d best be in your graves” luidt een klaagzang uit 1856. Ze gaan ook vaak over de beloningen die worden opgeëist zodra de bemanning weer aan land is (“And we’ll make our courtships flourish, boys, when we arrive on shore / And when our money is all gone, we’ll plough the seas for more” is een vrij typisch voorbeeld uit 1832). Toch houden ze zelden rekening met hun eigen wreedheid, met het doden van walvissen: de “gevechten” die worden beschreven zijn vaak gewelddadig en bloederig, en de walvissen worden soms “dapper” genoemd, maar uiteindelijk bestaan deze wezens volgens muzikanten enkel om gedood te worden.
Dit perspectief leefde voort tot ver in het naoorlogse protesttijdperk. De liederen van de Schots-Australische walvisvaarder en volkszanger Harry Robertson vertellen daarom over het ruige leven aan boord van walvisschepen, over kameraadschap en avontuur. Robertson is niet helemaal onverschillig tegenover de wreedheid van de handel, “of slaughter and of killing just to get that smelly oil,” maar hanteert wel een jagersfilosofie: “Where Nature’s largest creatures die and on factory decks they bleed, / Ordained by law of Nature, that man must meet his need.” Robertson was actief en populair gedurende de jaren zestig en zeventig, zelfs toen natuurbeschermingsgroepen zich begonnen te verenigen achter de slogan “Save the Whales” en Australië zich steeds meer tegen de walvisjacht keerde. Robertson’s liederen “The Humpback Whale” en “The Little Pot Stove” – “Where the winter blizzards blow, and the whaling fleet’s at rest…” – werden in 1980 opgenomen door de grote Britse folk-revival muzikant Nic Jones.
Ecobewustzijn
Een interessant kenmerk van walvisliederen is de manier waarop vroege tekenen van een soort ecobewustzijn, een ontluikend besef dat de hulpbronnen van de aarde misschien toch niet oneindig zijn, worden vertaald in uitdrukkingen van economische angst, sombere bedrijfsvooruitzichten en zorgen over waar de volgende salarisstrook vandaan zal komen. Men vermoedt dat, voordat de commerciële walvisvangst in de noordelijke oceanen op gang kwam, er tussen de 9.000 en 21.000 Noord-Atlantische noordkapers waren (zo genoemd voor hun gewoonte om dicht bij het oppervlak en de kust te zwemmen). Vele duizenden werden gevangen door Baskische en Nieuw-Engelse walvisschepen in de 16e en 17e eeuw; tegen het begin van de 20e eeuw hadden decennia van geïndustrialiseerde jacht en slachting de populatie bijna uitgeroeid.
“Als ik de vleugels van een meeuw had, jongens,” zong de verteller in The Weary Whaling Grounds, een lied uit de 19e eeuw, “dan zou ik ze spreiden en naar huis vliegen. / Ik zou het ijzige land van Groenland verlaten, / want er zijn geen noordkapers meer.” Wat hij beschrijft, stond onder jagers bekend als “walvisziekte.” Geen aandoening die geassocieerd wordt met langdurige blootstelling aan slachtingen en slachtoffers, maar juist het tegenovergestelde: een doordringende melancholie veroorzaakt door slechte walvisvangsten. De naam roept een vergelijking op met “heimwee.” De klap in het lied is uiteindelijk financieel: “Maar we gaan naar de agent om de reis af te rekenen, / En we ontdekken dat we reden hebben om te berouwen. / Want we hebben vier jaar van ons leven gezwoegd / En ongeveer drie pond tien verdiend.”
De uitroeiing van een diersoort wordt hier niet als een tragedie gezien, maar als een economische neergang, misschien een zakelijke misrekening, vergelijkbaar met een crash op Wall Street, maar in elk geval een nieuwe tegenslag voor de hardwerkende man. In de 20e eeuw uitte Robertson een soortgelijk sentiment: “Not a whale caught today, / Bloody Jonah’s had his way.” Vanuit dit perspectief is “Save the Whales” niet zozeer een pleidooi voor genade als wel een zakelijke overweging.
Het vellen van een boom was geen tragedie of misdaad, maar een prestatie
Voor de houtkap, een andere winstgevende handel in de Noord-Atlantische regio, bestond er geen “boomziekte” en waren er meer redenen voor een zekere mate van zelfgenoegzaamheid. De bosarbeiders van de uitgestrekte Canadese wouden zongen, net als walvisvaarders en zeelieden, over ontberingen, arbeid en kameraadschap, maar de bossen leken letterlijk eindeloos: we weten nu dat ze ongeveer 2,4 miljoen vierkante kilometer beslaan, een gebied ongeveer 18 keer zo groot als Engeland. In haar roman Barkskins (2016) dramatiseert Annie Proulx het leven van bosarbeiders begin 18e eeuw. “Welke hulpbron bestond er in deze nieuwe wereld, die onbegrensd was, die waarde had, die een fortuin kon opbouwen?” vraagt een toekomstige houtkoopman zich af. Proulx vervolgt: “Hij verwierp levende wezens zoals bevers, vis, zeehonden, wild of vogels, allemaal onderhevig aan plotselinge verdwijning en grillige markten…Er was één eeuwige grondstof die Europa ontbrak: het bos.”
In de 18e en 19e eeuw was er een ongebreidelde uitbreiding van de houtkap in de noordoostelijke wouden van Canada. Er ontstond een cultuur van houthakkerskampen of “shanties” onder de mannen die dit zware seizoenswerk deden. Shanty-volksliederen speelden meerdere rollen in het leven van de houthakkers. Ze dienden onder andere verloren kameraden te herdenken (houtkap was gevaarlijk werk), om wrok te uiten (de satires van schrijver Larry Gorman waren berucht om hun onenigheid jegens zowel zijn collega’s als werkgevers) en natuurlijk om te vermaken.
Niemand in de kampen zong echter klaagzangen voor de gevallen dennen, eiken of berken. Het vellen van een boom was geen tragedie of misdaad, maar een prestatie – “For spectators they will thunder, / They’ll gaze on you and wonder, / How noisy was the thunder, / The falling of the pine,” luidt een van de oudste Noord-Amerikaanse houthakkersliederen. Bovenal was het omhakken van bomen werk, een klus die gedaan moest worden.
“Peter Emberley,” een ballade uit Nieuw-Brunswijkin Canada, werd rond 1880 geschreven als reactie op de dood van een jonge houthakker: “I hired for to work in the lumber woods, / Where they cut the tall spruce down, / It was loading two sleds from a yard / I received my deathly wound.” Een ander oud lied, “Harry Dunn,” ook wel bekend als “The Hanging Limb,” vertelt het verhaal van een man wiens dood in het bos – “a hanging limb fell down on him and sealed his fateful doom” – zijn ouders van verdriet doet sterven. “The Jam on Gerry’s Rocks,” misschien wel het beroemdste Noord-Amerikaanse houthakkerslied, herdenkt de dood van zes mannen en hun voorman, Monroe: “Meanwhile their mangled bodies a-floating down did go, / While dead and bleeding at the bank lay that of young Monroe.”
Gedenktekens
Deze liederen fungeren als gedenktekens: rauwe, eerlijke en onvergetelijke daden in een werkcultuur waar de natuur vijandig was en mensen vervangbaar waren. Ze zijn vaak kunsteloos en sentimenteel. Bovendien zijn het verklaringen van erkenning en getuigenis. Menselijke pijn en menselijk verdriet lijken minuscuul in de grote schaduw van de eeuwige bossen, maar deze liederen staan erop dat ze niet niets zijn: geen voetnoten of bijkomende schade, maar juist gebeurtenissen die hun eigen lied verdienen.
Dit zijn geen salonsballades over verre avonturen en glorie, maar liederen over houthakkers, door houthakkers, voor houthakkers. Deze mannen wisten toen ze deze liederen zongen dat wat er met Harry Dunn gebeurde, of wat er bij Gerry’s Rocks gebeurde, hen net zo goed kon overkomen. “Welke houthakker heeft zijn vrienden niet zien omkomen?” schreef de grote Canadese folklorist en liedverzamelaar Edith Fowke in 1961. “Ieder heeft een zeer persoonlijk belang in de details van elk ongeluk. Op de lange winternachten, wanneer ze in hun hutten zitten, vragen ze naar liederen die vertelden hoe een ongelukkige houthakker zijn lot ontmoette.”
“Heb je kernhout, houthakker?” smeekt Macfarlane, sprekend namens de bomen, in zijn gedicht “Heartwood.” Het klopt dat de houthakker niet huilt om de boom, noch de walvisvaarder om de walvis. Toch zou het een vergissing zijn om te concluderen dat houthakkers en walvisvaarders gevoelloos waren. De liederen van arbeiders, zelfs wanneer hun klungelig, wreed en schadelijk lijkt, belichamen hun eigen complexe menselijke waarden met betrekking tot familie, liefde, werk, angst, vriendschap, thuis, vreugde, rechtvaardigheid, pijn, moed, beloning.
Misschien is het ethos van het landelijk-industriële in Noord-Amerika sterker dan in Europa. Misschien maakt de schaal van industriële operaties op het platteland van de VS – mogelijk gemaakt door de enorme omvang van het landschap – het gemakkelijker om een bos te zien als een werkplek of een product, in plaats van als een levend ecosysteem. Maar zelfs op plaatsen waar de balans tussen leven en arbeid subtieler is, kunnen we in volksliederen een gevoel van de voorrang van werk vinden. Het land, de “natuur,” mag de ultieme bron van ons levensonderhoud en onderdak zijn, maar deze bron is nutteloos voor ons zonder de tussenkomst van arbeid, zonder het werk van de boer, jager, boswachter, of rietsnijder. De “natuur” kan een vriend of een vijand zijn; het werk bepaalt welke van de twee het is.
De verteller in “The Powte’s Complaint” is een ‘powte’, vermoedelijk een vis die nu bekendstaat als ongedierte
“The Powte’s Complaint” is een ballade uit het begin van de 17e eeuw, verzameld in 1662 door antiquair William Dugdale. Het is een krachtig en strijdlustig protestlied dat tekeergaat tegen het droogleggen van het Fenland, een ecologisch uniek moerasgebied in het laaggelegen oosten van Engeland, door rijke landeigenaren. De verteller is een ‘powte’, vermoedelijk een vis die nu bekendstaat als ongedierte. Het zogenaamd niet-menselijke perspectief heeft sommige critici ertoe gebracht “The Powte’s Complaint” te classificeren als een ecologisch lied en misschien zelfs proto-eco-folk.
Ook ik classificeer “The Powte’s Complaint” als protest- en milieulied. Maar voor wie spreekt de dappere powte? “Steltlopermakers en leerlooiers zullen klagen over deze ramp,” zegt de vis. “Want ze zullen elk modderig meer omvormen tot weiland voor kalveren in Essex.” De powte is geen natuurbeschermer. Hij spreekt voor het moeras, maar niet voor het moeras als een niet-menselijk ecosysteem; hij spreekt voor de economie van het moeras, voor het moeras als een bron, als bewerkt land. “Welke vissoort de auteur ook heeft voorgesteld als de persona, de primaire zorg van het lied is de impact van de drooglegging op de menselijke economie,” schrijven Todd A. Borlik en Clare Egan in een analyse uit 2018. “De vis klaagt dat het vernietigen van wetlands de waterafhankelijke beroepen van bootbouwers, steltlopermakers, vissers en leerlooiers zal verlammen; de leerlooiers waren bijzonder beruchte vervuilers. Het zou dus voorbarig zijn om stevige milieumotieven toe te schrijven aan de auteur van het lied.”
Antropocentrisme landt anders wanneer, zoals Borlik en Egan verder opmerken, “het onderscheid tussen economie en wat we nu ecologie noemen [niet] geheel discreet is,” wanneer het platteland en het werkende leven duidelijk van elkaar afhankelijk zijn, en er nog geen duidelijke “wij” en “zij” tegenstelling is ontstaan tussen het landelijke en het industriële, wanneer het werk het land is, en het land het werk.
Hoe dan ook zijn er altijd moeilijke paradoxen aanwezig in vragen over onze verbinding met, of nabijheid tot de natuur, en deze komen onvermijdelijk naar voren wanneer we luisteren naar de volksliederen van het platteland. Er is een diepe en belangrijke verbinding tussen de levende wereld en de jager, walvisvaarder of houthakker wiens levensonderhoud letterlijk afhankelijk is van die levende wereld, van haar veerkracht en voortbestaan, zelfs terwijl hij hakt en jaagt. Het is misschien geen eco-folk – en het zal de wereld niet redden! – maar ook deze zijn, desalniettemin, de levende liederen van onze draaiende aarde.
Het volk tegen het systeem
Volksmuziek is altijd de muziek geweest van onderdrukte mannen en vrouwen, dienstplichtigen, voetsoldaten. Of liever gezegd, deze mensen hebben altijd liederen gezongen, en de liederen die zij zingen hebben altijd onze volksmuziek gevormd. De rijke en waardevolle protesttraditie in de volksmuziek, de traditie van “het volk” tegen het systeem, de octopus, de machine, loopt parallel aan een erfenis van stemmen van binnen het systeem: de liederen van de arbeiders wiens strijd, om te werken, te verdienen, gezinnen te voeden, harde levens op te bouwen op barmhartige plekken, een krachtig verhaal vormen. Dit, niet minder dan de verhalen van uitsterving en ecocide, is een verhaal van verliezen, ontberingen en het wankele voortbestaan van hoop.
We kunnen de systemische oorzaken van milieudaling en ecologische ineenstorting identificeren (ongereguleerd kapitalisme, extractief kolonialisme) zonder te vergeten dat deze oorzaken in de praktijk, aan het werkelijke front, werden uitgevoerd door mensen – mensen die, over het algemeen, zelden in de positie waren om verder te kijken dan de omringende dennenbossen of de bolwerken van hun schip, verder dan de volgende loonuitbetaling, het einde van de reis, de terugkeer van vaders, broers, zonen van de jacht of de zee of de noordelijke bossen. Dit is de geleefde ervaring die wordt bewaard (gezouten, ingelegd in vaten) in onze volksliederen.
De Japanse hoogleraar filosofie vindt dat we moeten ontgroeien en minder buitensporig moeten consumeren. ‘Wil iedereen op aarde een fatsoenlijk leven kunnen leiden, dan moet het mondiale Noorden opgeven wat niet noodzakelijk is.’
Stel je een wereld voor waarin je maar drie of vier dagen per week hoeft te werken. In je vrije tijd kun je sporten, tijd aan je dierbaren besteden, tuinieren of actief zijn in de lokale politiek. Bezorging binnen 24 uur, reclame en privévliegtuigen zijn verleden tijd, maar gezondheidszorg, onderwijs en groene stroom zijn voor iedereen gratis. Dat is het radicale ideaal dat de marxistische hoogleraar filosofie Kohei Saito voorstaat. Hij houdt een pleidooi voor ‘degrowth’, ‘ontgroei’, een doelbewuste krimp van de economie om zo de rijkdom beter te verdelen en over te gaan op een trager economisch stelsel waarin het welzijn van mens en planeet centraal staat.
In de VS en andere rijke landen woedt onder voorvechters van klimaatmaatregelen steeds meer discussie over de vraag of economische groei moet worden ontmoedigd om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het stimuleren van duurzame energie en groene technologie zal tot nieuwe banen en meer economische activiteit leiden. En ontwikkelingslanden hebben groei nodig om hun levensstandaard te verhogen.
Maar pleitbezorgers van krimp zoals Saito en economen zoals Jason Hickel en Tim Jackson zeggen dat het vervangen van fossiele brandstoffen door groene energie niet volstaat. Volgens hen moeten de rijke landen, die verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de uitstoot van broeikasgassen, ook gaan minderen in hun energieverbruik en hun gebruik van grondstoffen uit ontwikkelingslanden, en zich meer richten op het voor hun burgers gratis maken van elementaire levensbenodigdheden als voedsel, onderdak, schoon water en energie.
Waarom denkt u dat er steeds meer interesse is in kritiek op het kapitalisme en in economische krimp in het algemeen?
De afgelopen decennia zijn onze samenlevingen overal ter wereld ernstig ontwricht door neoliberale hervormingen. En er is veel debat over het oplossen van de klimaatcrisis en het tegengaan van economische ongelijkheid. Maar de maatregelen werken niet en de klimaatcrisis wordt alleen maar erger. De mensen hebben te lijden onder banen zonder zekerheid, lage lonen en veel concurrentie. Mensen worden er ongelukkig van.
Krimp en een postkapitalistische samenleving zijn op dit moment in zekere zin natuurlijk nog een utopie
Krimp en een postkapitalistische samenleving zijn op dit moment in zekere zin natuurlijk nog een utopie. Maar anderzijds: voor mensen die echt op zoek zijn naar een alternatief, die zich echt zorgen maken om de crisis, is er binnen het bestaande kader geen oplossing te vinden. Ik zeg niet dat mijn oplossing alleen zaligmakend is, maar hij raakt wel een snaar, in deze algehele sfeer van onvrede en onbehagen, zeker onder de jongere generatie.
Ik wil wat dieper ingaan op de kritiek op het kapitalisme zoals u die uiteenzet in Slow Down. Kunt u uitleggen waarom het kapitalisme volgens u de aanjager is van de ongelijkheid in de wereld en van de klimaatverandering?
Karl Marx heeft aangetoond dat het kapitalisme de tendens vertoont om de economische ongelijkheid te vergroten, omdat onder dat systeem arbeiders worden uitgebuit, zodat het kapitaal zich ophoopt bij een kleine minderheid. En Marx zei ook dat in zo’n systeem van uitbuiting niet alleen mensen, maar ook de natuur wordt uitgebuit. Van die tendens waren we ons jarenlang niet bewust omdat rijke landen zoals de VS, Japan en de EU veel kosten elders konden onderbrengen. We hadden ons rijke leventje veelal te danken aan goedkope producten en grondstoffen die werden verkregen door uitbuiting van mens en natuur in het mondiale Zuiden.
Door de globalisering heeft het kapitalisme nu de hele wereld veroverd. Dat betekent dat we alle kosten elders hebben ondergebracht. En nu kunnen we er nergens meer mee terecht, want China groeit, Brazilië groeit, India groeit: iedereen wil nu een kapitalist zijn en dan loopt het spaak. We hebben te maken met de wereldwijde ecologische crisis, de pandemie, de klimaatcrisis, de wedijver om grondstoffen, en dat is allemaal nauw verbonden met het kapitalisme en de neiging tot constante groei.
Veel klimaatbeleid van tegenwoordig, zoals plannen voor een Green New Deal, zijn sterk gericht op meer hernieuwbare energie en groene technologie, met daarbij aanhoudende groei van de werkgelegenheid en de economie. Waarom is dat volgens u niet genoeg om iets tegen de klimaatcrisis te doen?
Om te beginnen ben ik niet tegen technologie. We hebben hernieuwbare energie nodig. Elektrische auto’s en zo, die hebben we nodig. Ik ben voor het ontwikkelen van nieuwe technologieën en het investeren in goedkopere groene energie. Ik ben geen pleitbezorger van ‘terug naar de natuur’.
Het probleem is dat we in het streven naar groei steeds meer en steeds grotere producten gaan verkopen. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de SUV. Ook al stappen we over op elektrisch rijden, als we steeds grotere auto’s blijven maken, zullen we nog steeds veel energie en grondstoffen verbruiken die vooral uit het mondiale Zuiden komen. Dan komt er dus geen eind aan de roof van land en grondstoffen, de uitbuiting van mijnwerkers en de vernietiging van inheemse gemeenschappen, de ontbossing enzovoort.
Misschien moeten we privévliegtuigen verbieden. Misschien moeten we korte binnenlandse vluchten verbieden, omdat je evengoed de trein kunt nemen
Wat volgens mij nodig is: investeer vooral in die groene technologieën. Maar we moeten ook eens gaan praten over bijvoorbeeld het terugdringen van het aantal auto’s, of van de vleesconsumptie, of van het vliegverkeer. Misschien moeten we privévliegtuigen verbieden. Misschien moeten we korte binnenlandse vluchten verbieden, omdat je evengoed de trein kunt nemen. Dat moet ook prioriteit krijgen.
Het probleem met het mainstream debat over groen kapitalisme is dat het nooit gaat over het terugdringen van onze buitensporige consumptie en productie, want dat is iets wat het kapitalisme niet kan accepteren. Wil iedereen op aarde een fatsoenlijk leven kunnen leiden, dan moet het mondiale Noorden opgeven wat niet noodzakelijk is. Daar is het kapitalisme niet toe in staat.
Daarom komt u met uw alternatieve economische visie van degrowth-communisme. Waarom zou het daarmee beter lukken om de mondiale klimaatdoelen te halen?
Degrowth houdt in dat het bbp niet meer je enige toetssteen voor vooruitgang is. En dat je stopt met dingen die niet echt nodig zijn.
Je kunt het bbp verhogen door dingen te produceren die niet echt nodig zijn, zoals privévliegtuigen. En ik zeg: misschien hebben we geen behoefte aan die dingen, want ze zijn alleen voor rijkelui en je maakt er de planeet mee kapot. Dus waarom steken we onze energie en ons geld niet in dingen die duurzamer zijn en die iedereen nodig heeft? Zoals gratis internet, gratis openbaar vervoer, gratis onderwijs, gratis zorg. Al die dingen die meestal aan commerciële partijen worden overgelaten, zeker in de VS, moeten uit handen van de commercie worden gehaald.
Ons huidige model is dat de economie steeds groeit, zodat de taart groter wordt en iedereen een steeds groter stuk krijgt. Maar als we de economie zo laten groeien, produceren we enorm veel overbodige zaken. Als we overgaan op een economie zonder groei, wordt de taart niet meer groter. Dan moeten we de bestaande rijkdom met elkaar delen.
Je levert er misschien iets voor in, maar je wint aan maatschappelijke rust, gemeenschapszin en betere producten
Er zijn natuurlijk dingen die we niet kunnen delen, zoals privé-eigendom. Maar wat we wel kunnen delen is bijvoorbeeld kennis en onderwijs, openbaar vervoer, cultuur, gemeenschappelijke landbouw, elektriciteit enzovoort. Dan kunnen we gelukkiger zijn, over meer essentiële goederen en diensten beschikken en een stabieler leven leiden.
Dan hebben we niet meer om de twee jaar een nieuwe iPhone. Hebben we geen wegwerpmode meer. Geen industriële vleesproductie. Misschien ook geen McDonald’s meer, maar wel gezonder eten. Dan hebben we duurzamere kleding, die je jarenlang kunt dragen. Je levert er misschien iets voor in, maar je wint aan maatschappelijke rust, gemeenschapszin en betere producten.
Sommigen wijzen erop dat het vertragen van de economische groei schadelijk kan zijn voor de landen die nog in ontwikkeling zijn. Wat zou krimp betekenen voor het mondiale Zuiden?
Ik zeg niet dat het mondiale Zuiden de beginselen van krimp meteen moet omarmen. We moeten daar nog meer wegen aanleggen en huizen, scholen en ziekenhuizen bouwen. We moeten daar ook meer energiecentrales bouwen en zonnepanelen aanleggen.
Maar ik vind dat ook die landen in hun groei meer prioriteit moeten geven aan het voorzien in basisbehoeften dan aan het stimuleren van winstgevendheid en concurrentie, de manier waarop ontwikkeling nu door de Wereldbank met structurele aanpassingsprogramma’s wordt afgedwongen. We hebben voor het mondiale Zuiden andere ontwikkelingsmodellen nodig.
Het verbruik van grondstoffen en energie zal in het Zuiden natuurlijk eerst stijgen, want hun verbruik ligt nu te laag
Het verbruik van grondstoffen en energie zal in het Zuiden natuurlijk eerst stijgen, want hun verbruik ligt nu te laag. Hun ontwikkeling zal onvermijdelijk meer verbruik van energie en grondstoffen met zich meebrengen. Dat legt druk op de planetaire grenzen. Dat betekent dus dat het mondiale Noorden bewust naar krimp moet streven, omdat het zich te ver ontwikkeld heeft en overmatig produceert en consumeert.
U schrijft in uw boek dat de transitie naar krimp niet van het ene op het andere moment hoeft plaats te vinden, en dat die overgang zelfs nu al gaande is. Kunt u een paar voorbeelden geven van stappen in de richting van degrowth?
Frankrijk heeft een verbod ingesteld op korte binnenlandse vluchten, dat is een belangrijke stap. Sommige Europese landen experimenteren nu met minder arbeidstijd, zoals een werkweek van vier dagen. Gratis onderwijs en gratis zorg zijn andere voorbeelden. Gratis internet hoort daar ook bij, iets wat Jeremy Corbyn een paar jaar geleden in zijn verkiezingsprogramma had opgenomen.
Verder de invoering van een maximum op jaarinkomens, en van werknemerscoöperaties, en de nationalisering van sommige bedrijven, zoals nutsbedrijven. Dat zijn een paar elementaire tegenmaatregelen die we binnen het kapitalisme kunnen nemen.
Volgens sommigen is krimp een te grote politieke opgave en maak je jezelf niet populair als je de bevolking in het mondiale Noorden vraagt om bijvoorbeeld te gaan consuminderen. Wat is ervoor nodig om te zorgen dat de politieke prioriteiten zo breed worden verlegd? Is het wel realistisch om naar krimp te streven?
In zekere zin is het een utopie, denk ik. Maar de gedachte dat het kapitalisme de komende decennia tot grote bloei zal leiden is ook utopisch, want we krijgen meer natuurrampen, inflatie en oorlogen, en met de klimaatcrisis wordt dat alleen maar erger. Dus het is naïef om te denken dat we op de een of andere manier ons leventje wel kunnen voortzetten.
Maar ons wereldbeeld is nu radicaal aan het veranderen en mensen als Greta Thunberg hebben het debat echt naar een hoger plan getild
Ik denk dat er nu meer mensen zijn, zeker onder de jonge generatie, die radicalere verandering eisen. Ik vermoed dat bewegingen als de Sunrise Movement, Fridays for Future, Extinction Rebellion en Just Stop Oil vijftien jaar geleden nog niet op veel steun onder de bevolking konden rekenen en niet genoeg media-aandacht kregen. Maar ons wereldbeeld is nu radicaal aan het veranderen en mensen als Greta Thunberg hebben het debat echt naar een hoger plan getild. De herwaardering van waarden kan eigenlijk best snel gaan.
Capital in the Anthropocene (2020), is innovember bij Arbeiderspers uitgegeven alsSysteembreuk. Een nieuwe visie opkapitaal, natuur en maatschappij alsantwoord op de klimaatcrisis.Het dit jaar in het Engels verschenen SlowDown: The Degrowth Manifesto is nogniet in het Nederlands vertaald.
Het Italiaans parlement heeft gisteren een wetsvoorstel goedgekeurd dat de productie en verkoop van kweekvlees verbiedt, aldus Corriere della Sera. De Senaat had de wet al eerder aangenomen. Volgens het Italiaanse Ministerie van Landbouw, Voedselsoevereiniteit en Bosbouw is het doel van deze maatregel de bescherming van de gezondheid van burgers, maar ook het behoud van het Italiaanse culinaire erfgoed en al die producten die ‘van strategisch belang zijn voor de nationale voedselzekerheid’.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Kweekvlees, dat ten onrechte ‘synthetisch’ of ‘kunstmatig’ wordt genoemd, aldus de Italiaanse krant, is een soort vlees dat in het laboratorium wordt gemaakt van dierlijke cellen die via een biopsie worden afgenomen en vervolgens in een voedingsrijke oplossing worden gekweekt. ‘Vanuit het oogpunt van voedselveiligheid brengt kweekvlees geen risico’s met zich mee’, legt Fondazione Veronesi, een stichting ter bevordering van wetenschappelijk onderzoek, uit aan het dagblad. Maar omdat het een nieuw voedingsmiddel is, staat het onder streng toezicht van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Singapore is vooralsnog het enige land ter wereld waar je kweekvlees kunt consumeren.
Oppositiepartijen zijn tegen de wet en wijzen erop dat de veeteelt een van de sectoren is met de grootste milieu-impact in Italië. Ook vormt de veehouderij een risico voor de volksgezondheid, bijvoorbeeld door infecties en ziekten die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen of het grootschalige gebruik van antibiotica in de sector die leidt tot resistente bacteriën.
Het bonte gezelschap van financiers dat ‘de tandwielen’ van de steenkoolindustrie smeert, zal er waarschijnlijk voor zorgen dat deze lucratieve handel stand houdt, ook al is dat schadelijk voor planeet. De markt wil maar geen afscheid van de de vervuilende brandstof nemen.
Opgestapeld onder de azuurblauwe lucht in de haven van het Australische Newcastle liggen bergen steenkool waar gigantische shovels hapjes uit nemen. Ze scheppen het spul op transportbanden, die naar vrachtschepen leiden van soms wel drie voetbalvelden lang. Jaarlijks verwerken deze terminals 200 miljoen ton van de brandstof, wat Newcastle de grootste kolenhaven ter wereld maakt. De doorvoer beleeft een indrukwekkende comeback, nadat overstromingen vorig jaar de toelevering een zware slag hadden toegebracht.
Aaron Johansen, die toezicht houdt op de nieuwste, volledig geautomatiseerde terminal, verwacht voor de komende zeven jaar in ieder geval geen kleinere cijfers. Rijke Aziatische landen, zoals Japan en Zuid-Korea, snakken naar de hoogwaardige steenkool die de terminal passeert. En dat geldt ook steeds meer voor opkomende landen als Maleisië en Vietnam.
Aan de andere kant van de wereld is de stemming wel anders. De afgelopen weken verstoorden activisten meermaals de jaarlijkse algemene vergadering van Europese banken en energiebedrijven, waarbij zij grote schrijvers citeerden, onder wie Shakespeare (Don’t shuffle off this mortal coil) en de Spice Girls (Stop right now), in hun oproep een einde te maken aan de steenkoolwinning. Ze geven een stem aan de breed gevoelde angst voor wat steenkool voor het klimaat kan aanrichten als grootste bron van broeikasgassen. De brandstof was goed voor ruim 40 procent van energiegerelateerde koolstofemissies in 2022. De Verenigde Naties zeggen dat de productie met 11 procent per jaar moet dalen om de opwarming van de aarde ten opzichte van pre-industriële tijden onder de 1,5 graad Celsius te houden. Het Internationaal Energieagentschap (IEA), een officiële voorspellende instantie, wil niet dat er nieuwe mijnen worden geopend, noch dat er bestaande worden uitgebreid. Klimaatexperts denken dat 80 procent van de reserves ongebruikt moet blijven.
In 2020 meende het IEA nog dat de steenkoolconsumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt
Dit moet dan voornamelijk gebeuren door de financiële toeleveringsketen af te knijpen. Ruim tweehonderd van ’s werelds grootste financiers, waaronder 87 banken, hebben aangekondigd dat ze investeringen in kolenmijnbouw of kolencentrales aan banden zullen leggen. Kredietverstrekkers die goed zijn voor 41 procent van de wereldwijde bankactiva hebben zich aangesloten bij de Net-Zero Banking Alliance en toegezegd hun portefeuilles tegen 2050 af te stemmen op CO2-neutrale emissies. Op de COP26-top in 2021 voorspelden de VN dat de steenkoolproductie door deze campagne verleden tijd zou worden. In 2020 meende het IEA nog dat de consumptie tien jaar geleden al een hoogtepunt had bereikt.
Geoliede handelsmachine
Toch lijkt koning Steenkool steviger op zijn troon te zitten dan ooit. In 2022 bedroeg de vraag ernaar voor het eerst meer dan 8 miljard ton. In dit artikel beschrijven we wie de tandwielen van deze ooit tot ondergang gedoemd lijkende handelsmachine smeert. Onze bevinding is dat de markt levendig, goed gefinancierd en winstgevend is. Nog opvallender is dat het bonte gezelschap van financiers er waarschijnlijk voor zal zorgen dat de handel tot ver in de jaren dertig van deze eeuw standhoudt, en dat die handel nog een aantal zakken flink zal vullen, ten nadele van de planeet.
Het is verleidelijk om 2022 als een uitzonderlijk jaar te beschouwen. Rusland sneed de gasleidingen naar Europa af en Europa verbood de invoer van steenkool uit Rusland. Het continent verliet zich op vloeibaar aardgas (lng) dat bestemd was voor Azië en thermische steenkool uit Colombia, Zuid-Afrika en het verre Australië. Ook Aziatische landen die afhankelijk zijn van hoogwaardige Russische steenkool gingen diversifiëren. De prijzen voor topkwaliteit stegen. De armere buren van Europa werden uit de gasmarkt geprijsd en stortten zich op brandstof van mindere kwaliteit.
De crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt
Nu is de storm gaan liggen. Na een zachte winter hebben Europese nutsbedrijven weer behoorlijke voorraden aan gas en kolen. Maar naarmate de vraag naar stroom voor verkoelingsapparatuur in steeds warmere zomers toeneemt, zal de invoer van steenkool versnellen. De Chinese economie is het tijdperk van zerocovidbeleid te boven gekomen, India gaat als een speer. Handelaren verwachten dat het wereldwijde verbruik dit jaar met nog eens 3 tot 4 procent zal groeien.
Steenkool blijft waarschijnlijk ook na 2023 in trek. Het klopt dat de vraag in Europa zal afnemen naarmate het aanbod van hernieuwbare energiebronnen stijgt. In de VS, met hun goedkopere schaliegas, ís de vraag al laag. Maar de crisis van vorig jaar heeft de importafhankelijke Aziatische landen eraan herinnerd dat wanneer energie schaars is, steenkool uitkomst biedt. Kolen zijn goedkoper en ruimer voorradig dan andere brandstoffen en – eenmaal op eenvoudige schepen geladen – overal naartoe te vervoeren. Dit in tegenstelling tot lng, waarvoor je speciale schepen en terminals voor hervergassing moet bouwen, wat jaren duurt. China wil de komende twee jaar 270 gigawatt aan nieuwe kolencentrales bouwen, meer dan welk land dan ook ter wereld vandaag de dag aan capaciteit heeft. India en een groot deel van Zuidoost-Azië volgen hetzelfde pad.
Blijvende vraag naar steenkool
Zelfs als het Westen steenkool snel afzweert, zal de vraag naar thermische steenkool tussen nu en 2030 met slechts 10 tot 18 procent dalen, verwacht de Boston Consulting Group. Een groot deel van de vraag komt voor rekening van de binnenlandse productie in China en India, de grootste verbruikers ter wereld. Import blijft echter cruciaal. Investeringsbanken verwachten niet dat de verhandelde volumes dit decennium snel onder de 900 miljoen ton komen, ten opzichte van 1 miljard ton vorig jaar. Eén investeringsbank, Liberum Capital, verwacht de komende vijf jaar een stijgende invoer.
Blijft de wereldwijde kolenmarkt aan die hardnekkige vraag voldoen? Ons onderzoek lijkt te zeggen van wel. Er is genoeg geld voor drie vitale schakels in de toeleveringsketen: handel en scheepvaart, meer graven in bestaande mijnen, en nieuwe projecten.
Handelsfinanciering is nog het eenvoudigst. Consultant Oliver Wyman berekende voor The Economist dat hoge prijzen, samen met de langere reizen als gevolg van omgeleide export, de behoefte aan werkkapitaal van kolenhandelaren in 2022 opdreven tot 20 miljard dollar, vier keer het historische gemiddelde. Ervan uitgaande dat de gemiddelde kolenprijs boven de 100 dollar per ton blijft, wat veel analisten verwachten, blijft die behoefte tot ten minste 2030 boven de 7 miljard dollar.
Handelaren in grondstoffen blijven liquide genoeg om de aankoop van kolen te financieren. Een van hun geldbronnen bestaat uit bedrijfsleningen via meerjarige bankleningen of obligaties, waardoor bedrijven een vastgesteld bedrag naar eigen goeddunken kunnen gebruiken. Handelaren kunnen ook gebruikmaken van doorlopend krediet op korte termijn, verstrekt door groepen banken. Veel van dit soort financieringen zijn sinds begin 2022 uitgebreid – en belopen vaak enkele miljarden dollars – om handelaren te helpen sterke prijsschommelingen op te vangen. Banken die restricties opleggen en bepalen dat het geld niet mag worden gebruikt om steenkool te kopen, lopen het grote risico dat handelaren hun toevlucht zoeken tot concurrenten die wat minder strikt in de leer zijn. Dat zijn dus maar weinig banken.
Financieel directeuren bij handelsfirma’s zeggen dat banken in landen waar handel de voornaamste bron van inkomsten is, waaronder DBS in Singapore en UBS in Zwitserland, nog steeds steenkoolaankopen financieren. Zwitserse regionale geldschieters helpen graag. Hetzelfde geldt voor banken in consumerende landen, zoals China en Japan, evenals voor de Britse bankengroep Standard Chartered, die zich richt op Aziatische bedrijven (DBS en Standard Chartered melden allebei dat ze hun belang in thermische steenkool aan het verminderen zijn). Alleen Europese kredietverstrekkers, vooral Franse, hebben zich teruggetrokken. De opengevallen plaatsen zijn ingenomen door banken uit producerende landen, zoals Australië, Indonesië en Zuid-Afrika.
Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool
Kleinere, uitsluitend op kolenhandel gerichte bedrijven (de zogeheten ‘pure players’) voelen wel een grotere druk. Banken die toch al nooit veel geld aan hen hebben verdiend, kunnen nauwelijks volhouden dat ze niet weten hoe het geleende geld wordt gebruikt. Vorig jaar werden sommige handelaren gedwongen geld te lenen van private fondsen, vaak gedekt door vermogende individuen, tegen jaarlijkse tarieven van bijna 25 procent – ongeveer vijf keer de standaardkosten. Maar na maanden van bloeiende handel hebben velen geen externe financiering meer nodig. Eén bankier zegt dat sommige van zijn in kolen handelende klanten de winst in 2022 hebben zien vertienvoudigen. Een van hen, gevestigd in Londen, zag zijn totale vermogen stijgen van 50 miljoen pond in 2021 naar 700 miljoen in 2023.
Om het product vervolgens naar kopers te verschepen, hebben handelaren vaak een door een gerenommeerde bank afgegeven garantie nodig dat ze op tijd worden betaald. Steeds minder leners willen dergelijke ‘kredietbrieven’ verstrekken, maar er zijn ook manieren om dit te omzeilen. Sommige handelaren brengen hun klanten meer in rekening om het tegenpartijrisico te dekken. Het helpt dat de investering beperkt is. Met de huidige prijzen kan een vracht steenkool niet meer dan 4 tot 5 miljoen dollar waard zijn. Een olietanker daarentegen kan voor 200 miljoen dollar aan ruwe olie vervoeren. Anderen maken gebruik van vertrouwde tussenpersonen, of vragen grotere garanties op andere goederen die de klant koopt. Sommige overheden in ontvangende landen geven de garantie zelf af of betalen zelfs vooruit.
Transport
Buiten Zuid-Afrika, waar spoorwegstakingen het transport hebben lamgelegd, biedt het vasteland voldoende infrastructuur om steenkool te vervoeren. Die infrastructuur zal zich alleen maar uitbreiden. Global Energy Monitor, een Amerikaanse ngo, verwacht dat India van plan is zijn kolenterminals meer dan te verdubbelen tot 1400 (momenteel zijn er wereldwijd 6300). De logistiek over zee is beperkter: onder druk van groene aandeelhouders mijden sommige verladers steenkool inmiddels. Maar kleinere transporteurs, vaak Chinezen of Grieken, hebben het stokje overgenomen. Handelaren melden geen problemen bij het verzekeren van de vracht. Zelfs het door sancties getroffen Rusland exporteert het grootste deel van zijn steenkool en gebruikt dezelfde mix van obscure handelaren en scheepvaartmaatschappijen, uit Hongkong of de Golf, die het gebruikt om zijn olie naar Azië te verschepen.
Financiering van meer graafwerkzaamheden in bestaande mijnen – de tweede schakel in de toeleveringsketen – is ook geen probleem. Vorig jaar steeg de steenkoolproductie tot een record van 8 miljard ton. Maar helemaal business as usual is het niet. Sinds 2018 hebben veel ‘majors’ in de mijnbouw (gediversifieerde conglomeraten die op openbare markten opereren) hun steenkoolactiva geheel of gedeeltelijk verkocht. Maar in plaats van te worden ontmanteld, zijn afgestoten activa opgepikt door particuliere mijnbouwers, concurrenten in opkomende markten en investeringsfirma’s. Nieuwe eigenaren hebben er geen moeite mee om mijnen volledig te benutten. In 2021 verzelfstandigde Anglo American, een in Londen gevestigde major, zijn Zuid-Afrikaanse mijnen in een nieuw bedrijf dat onmiddellijk beloofde de productie op te voeren.
Net als handelaren zitten de mijnbouwondernemingen op dit moment goed in de slappe was. De drie grootste ‘pure-play’-steenkoolproducenten van Australië gingen van een nettoschuld van 1 miljard dollar in 2021 naar 6 miljard dollar aan nettocontanten vorig jaar. Ze hebben het grootste deel van hun langlopende leningen afgelost, dus op dat gebied zijn er geen belangrijke deadlines. ‘Tegenwoordig gaat het niet meer om de vraag “Hoe herfinancier ik mijn schuld?” maar om “Wat doe ik met mijn extra geld?”,’ zegt een financieel directeur van een van hen.
Inconsequent beleid
Steenkoolmijnbouwondernemingen kunnen nog steeds geld lenen wanneer dat nodig is. Uit gegevens die de ngo Urgewald verzamelde, blijkt dat ze in de periode 2019-2021 in totaal 62 miljard dollar aan bankleningen hebben verkregen. Japanse bedrijven (SMBC, Sumitomo, Mitsubishi) waren de grootste geldschieters, gevolgd door Bank of China en JP Morgan Chase en Citigroup uit de Verenigde Staten. Europese banken stonden ook in de top-15. In deze periode slaagden mijnbouwbedrijven, voornamelijk uit China, er ook in om voor 150 miljard dollar aan obligaties en aandelen te verkopen, waarvoor Chinese banken vaak borg stonden. En de liquiditeit houdt aan. Urgewald heeft berekend dat in 2022 zestig grote banken in totaal 13 miljard dollar naar de dertig grootste steenkoolproducenten ter wereld hebben gesluisd.
Dit is mogelijk doordat het beleid van financiële ondernemingen dat steenkool uitsluit verre van consequent is. Vaak treedt dat beleid pas in 2025 in werking. In sommige gevallen geldt het alleen voor nieuwe klanten. In andere is financiering van projecten wel verboden, maar geldt dat niet voor algemene bedrijfsleningen die mijnbouwers kunnen gebruiken om naar steenkool te graven. Beleid dat dergelijke leningen beperkt, geldt vaak alleen voor mijnbouwers die veel van hun inkomsten uit steenkool halen, meestal 25 of 50 procent. Veel grote bedrijven, waaronder Glencore, een Zwitserse grondstoffengigant die 110 miljoen ton per jaar produceert, zitten onder deze percentages.
Sommige beleidsregels zijn bewust vaag geformuleerd om vrijstellingen mogelijk te maken. Hoewel Goldman Sachs heeft beloofd ‘binnen een redelijk tijdsbestek’ te zullen stoppen met het financieren van thermische steenkoolmijnbouwbedrijven zonder diversificatiestrategie, schijnt de bank leningen te blijven verstrekken aan Peabody, een gigantisch Australisch mijnbouwbedrijf dat vorig jaar 78 procent van zijn inkomsten betrok uit de verkoop van steenkool (wellicht hielp het dat het bedrijf onlangs een bescheiden dochteronderneming op het gebied van zonne-energie heeft opgericht). Van de 426 grote banken, investeerders en verzekeraars die werden beoordeeld door Reclaim Finance, een andere ngo, kan van slechts 26 worden vastgesteld dat ze een beleid voeren dat overeenstemt met een nettonulscenario in 2050. Nog minder van die bedrijven hebben gezegd steenkool volledig te zullen afzweren. De meeste Chinese en Indiase staatsbanken hullen zich op dat gebied in stilzwijgen.
Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels
Kortom, weinig banken zijn bereid om hun omzet of de voorraden van hun land te schaden. Volgens analisten helpt dit de bestaande mijnen om tot begin 2030 aan de vraag te voldoen. Pas dan kan er sprake zijn van een crisis in de steenkoolsector. Westerse banken, die hun beleid vaak om de zoveel tijd evalueren, zullen de duimschroeven langzaam maar zeker aandraaien. Het huidige gebrek aan nieuwe projecten – de derde schakel in de keten – betekent dat er mogelijk niet genoeg nieuwe voorraad is wanneer oude mijnen stoppen met produceren.
Hoewel het steeds moeilijker is om nieuwe projecten gefinancierd te krijgen, is er nog altijd geld beschikbaar. Westerse banken trekken zich terug, maar andere spelers dringen zich op de voorgrond. Westerse mijnbouwers zijn al jaren zuinig met kapitaalinvesteringen. Nadat ze in het eerste decennium van deze eeuw een hoop hadden uitgegeven, leden velen onder de prijsdalingen halverwege de jaren tien. En al boeken ze nu weer flinke winsten, dan nog kopen de grote jongens liever concurrenten op, heropenen ze oude mijnen of geven ze kapitaal terug aan aandeelhouders dan dat ze nieuwe ondernemingen in het leven roepen. Het investeringsklimaat is het schraalst in de steenkoolsector. Een mijn vanaf de grond opbouwen kan meer dan tien jaar duren. En ook het verkrijgen van vergunningen, die in het Westen steeds vaker worden geweigerd, is een uiterst tijdrovende zaak.
Het financieren van nieuwe projecten in rijke landen stuit op nogal wat obstakels. Vorig jaar moest Adani Group, een Indiaas bedrijf dat het beheer voert over Carmichael, een enorme kolenmijn in aanbouw in Queensland, uit eigen zak 500 miljoen dollar aan obligaties herfinancieren die het voor het project had uitgegeven. Sommige opportunistische fondsen zullen blijven mikken op sappige winsten, vooral in geval van prijsstijgingen. De eerste diepe steenkoolmijn die in decennia in Groot-Brittannië is gegraven, is uiteindelijk eigendom van EMR Capital, een investeringsfirma die is opgericht op de Kaaimaneilanden. Peter Ryan van Goba Capital, een soortgelijk bedrijf in Miami, verwacht dat de kolenactiva van zijn bedrijf tegen 2030 verachtvoudigd zullen zijn.
Hardnekkige grondstof
In Azië is de situatie anders. Banken blijven behulpzaam. Beleggers zijn begonnen nieuwe mijnen in eigen land te steunen. Familiefondsen, die zijn opgericht om het fortuin van de rijken te beleggen, zijn geïnteresseerd. Elke zakelijke dynastie in Indonesië, waar mijnbouw de ruggegraat van de economie vormt, moet steenkool bezitten, zegt een handelaar. In India doen obscure vastgoedfirma’s biedingen op land waar steenkool valt te winnen. Uiteindelijk zouden bedrijven uit deze landen mijnen kunnen aanleggen in het buitenland, gevolgd door banken, maar Chinese uitstapjes in het Westen zullen zeldzaam blijven; Indiase en Indonesische bedrijven, die al een samenstel van steenkoolactiva in Australië bezitten, zullen hun voetafdruk echter ongetwijfeld vergroten.
Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren
En dus zal de steenkolenmarkt er in de jaren dertig heel anders uitzien. ‘Van eigendom en exploitatie tot financiering en consumptie: steenkool wordt een grondstof voor opkomende markten,’ zegt een mijnbouwondernemer. De prijzen blijven hoog door aanvoerbeperkingen, maar de groep exporteurs die hieraan goud geld verdient, zal krimpen. Colombia en Zuid-Afrika, die Europa bedienen, verliezen hun afzetmarkt. Rusland zal het moeilijker krijgen om naar China te verschepen. Alle drie zullen ze minder steenkool exporteren voor minder geld. Australië zal critici sussen door zich te concentreren op de efficiëntste steenkool; dan kan het land minder exporteren maar hogere prijzen berekenen. Indonesië zou de toonaangevende exporteur kunnen worden, zoals Saoedi-Arabië dat nu is voor olie. Het zal meer van zijn basissteenkool verkopen, vaak voor meer geld.
Hoewel steenkool zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zal het afscheid onaangenaam lang duren. Rond de jaren veertig kan de vraag voorgoed uitdoven, ten gunste van hernieuwbare energiebronnen. Maar zelfs dan houden sommige landen hun opties open. Stel dat er nog eens een energiecrisis komt. ‘Dan zal steenkool, die grondstof die niemand wil, de grondstof zijn die we wel weer moeten gebruiken,’ zegt een grote handelaar die Azië bedient. ‘Dat zou weleens een eeuwigdurend kenmerk van steenkool kunnen zijn.’
Door een groeiende behoefte aan grondstoffen staan ondernemingen in de rij om ertsen en metalen van de zeebodem te halen. Dat gaat uiteraard niet zonder ernstige milieuschade. Het team van wetenschapper Pedro Martínez Arbizu onderzoekt in hoeverre het leven in de diepzee zich kan herstellen.
Tweeduizend kilometer uit de kust van Mexico glijdt de Sonne over de nachtzwarte Stille Oceaan. Het schip sleept een instrument achter zich aan dat is uitgerust met foto- en videocamera’s en vlak boven de zeebodem zweeft. Aan boord kijkt Lilian Böhringer van het Alfred Wegener Instituut in Bremerhaven gefascineerd naar de livebeelden uit een diepte van 4500 meter. De vlakke bodem is bezaaid met steenklompen zo groot als aardappelen. Op het eerste gezicht lijkt die vreemde wereld op een dood maanlandschap. Maar in het licht van de schijnwerper ontwaart de bioloog overal tekenen van leven in het zachte sediment: kruipsporen, wormgaten, de omtrek van een zeester die zich heeft ingegraven.
Dan trillen er vreemdsoortige diepzeebewoners op haar beeldscherm. Een paar hebben een houvast gevonden op de stenen: anemonen die op bloemen lijken, fragiele koraalboompjes en sponzen op steeltjes, waaraan slangsterren zich vastklampen. Elke twintig seconden maakt de camera een foto van de bodemfauna. Böhringer vergroot het laatste snapshot. ‘Een prachtige zeekomkommer!’ roept ze enthousiast. Het bizarre wezen draagt een soort zeil op de rug en door het roze, bijna transparante lichaam schemert het spijsverteringskanaal. ‘In de diepzee zijn deze dieren bonter en veelsoortiger dan in de koraalriffen.’ Algauw zijn er ook witte, oranje en violette zeekomkommers te zien, stekelige worsten en buikige zeevarkens met beenstompjes.
Geleidelijk verandert het uitzicht: de steenklompen zijn steeds meer bedekt met sediment, de levende wezens worden minder talrijk. Na een paar honderd meter is de zeebodem veranderd in een zandwoestijn. ‘We benaderen bijna het ontginningsgebied,’ zegt de onderzoekster na een blik op haar kaart met de positie van het schip. Kort daarna verschijnen op de bodem de anderhalve meter brede sporen van een tonnen zwaar rupsvoertuig. Op de doorploegde akker zitten een paar zee-egels. Een rood oplichtende garnaal zwemt door het beeld. Het gesteente is verdwenen en daarmee ook de dierenwereld die erop leeft.
Op een diepte van 4000 tot 6000 meter over een oppervlak groter dan de EU ligt 25 tot 40 miljard ton mangaanknollen
In de herfst van 2022 is vanuit Californië in het noordoosten van de Stille Oceaan een expeditie vertrokken met het Duitse onderzoeksschip Sonne. Een team van 38 mensen wil onderzoeken welke schade de mijnbouw in de oceaan achterlaat. Anderhalf jaar geleden testte de Belgische onderneming Global Sea Mineral Resources (GSR) in deze regio een oogstmachine met de afmetingen van een maaidorser. Die werd ontwikkeld om ertsen te verzamelen van de zeebodem: mangaanknollen die in de loop van miljoenen jaren op de diepzeevlaktes zijn ontstaan. Ze bevatten felbegeerde metalen zoals kobalt, koper en nikkel, die van belang zijn voor nieuwe technologie. Maar de ontginning zou een nog nauwelijks onderzocht ecosysteem op grote schaal kunnen verwoesten.
Maritieme eldorado
De Clarion-Clipperton Zone (CCZ), een zeegebied tussen Hawaï en Mexico, is het maritieme eldorado. Op een diepte van 4000 tot 6000 meter ligt daar over een oppervlak groter dan de EU ongeveer 25 tot 40 miljard ton mangaanknollen. De Internationale Zeebodemautoriteit (ISA), een VN-organisatie, beheert deze reusachtige voorraden erts. Ze geeft licenties uit voor internationale wateren – tot dusver alleen voor de verkenning van de bodemschatten. Op dit moment werkt de autoriteit aan een reglement voor de ontginning. Deze Mining Code zou deze zomer goedgekeurd kunnen worden en meteen het startschot zijn voor de diepzeemijnbouw.
Naast GSR behoort ook de Duitse Bundesanstalt für Geowissenschaften und Rohstoffen tot de zeventien licentiehouders in de CCZ. De claims omvatten elk 75.000 vierkante kilometer, ongeveer de oppervlakte van Beieren. In 2021 heeft GSR in het Belgische en het Duitse licentiegebied twee grote knollenvelden van ongeveer 30.000 vierkante meter geoogst en de klompen aan de rand van de testvelden overgeladen. Tegelijkertijd voerde het Europese onderzoeksproject MiningImpact, gecoördineerd door onderzoeksinstituut Geomar uit Kiel, een onafhankelijke milieustudie uit. Nu keren de wetenschappers met de Sonne terug om de gevolgen voor het ecosysteem te onderzoeken.
Fauna zou tientallen tot misschien zelfs duizenden jaren nodig hebben om zich te herstellen
‘De soortenrijkdom in de CCZ is even groot als in de tropische regenwouden, vooral vanwege de mangaanknollen. Daarop vestigen zich veel dieren, die op hun beurt weer andere organismen aantrekken,’ vertelt expeditieleider Pedro Martínez Arbizu van het Duitse onderzoekscentrum naar mariene biodiversiteit in Wilhelmshaven, tijdens de tocht naar het Duitse licentiegebied. ‘Bij eerdere reizen hebben we honderden nieuwe soorten geregistreerd.’
Mijnbouw in de diepzee zou hun leefruimte onherstelbaar beschadigen, vreest hij, omdat oogstmachines de knollen verwijderen en veel stof doen opwaaien. ‘De sedimentwolken verspreiden zich tot ver buiten het mijngebied,’ aldus de bioloog. ‘Filtreerdieren zoals sponzen worden onder de deeltjesregen begraven en zouden kunnen stikken.’
Voor de expeditie, die acht weken zal duren, werden containers vol meetinstrumenten en apparatuur om monsters te nemen ingeladen, waaronder miljoenen kostende hightechapparaten voor diepzeeonderzoek: een op afstand bestuurbare duikrobot met grijparmen en een torpedovormige autonome duikboot om de zeebodem mee in kaart te brengen.
Haperingen
Het begin van de reis verloopt moeizaam. Het coronavirus heeft zichzelf aan boord weten te smokkelen. De besmette mensen moeten zich isoleren in hun hutten. Voor de anderen geldt: mondkapjes dragen en afstand houden. Gegeten wordt er in ploegen – haastig en zwijgzaam. Bovendien hapert de techniek: de gps-lokalisering werkt niet goed, de instrumenten landen niet op de bedoelde coördinaten op de zeebodem. De duikrobot heeft een lek en als er een touw breekt, verdwijnen waardevolle instrumenten ongecontroleerd de diepte in.
Maar onderzoekers en scheepsbemanning lossen de problemen op. Ook de verloren apparatuur kan met behulp van de duikrobot op de oceaanbodem worden gelokaliseerd en onbeschadigd worden geborgen. En na tien dagen klinkt het verlossende bericht van de kapitein door de luidsprekers: ‘Alle PCR-tests zijn negatief!’ Bij het avondeten is de stemming in de eetzaal uitgelaten.
Nog 100 meter, 50… ‘Stop!’ zegt Martínez Arbizu. De matroos stopt de lier. Het apparaat schommelt nu enkele meters boven de bodem, op 4100 meter diepte. Op het beeldscherm zijn een paar plastic buizen te zien, en daaronder de zeebodem. Geen mangaanknollen te bekennen. De onderzoekers willen het door een dikke laag sediment bedekte gebied rondom de mijnlocatie onderzoeken. De lier loopt weer en de buizen boren zich in het sediment.
Ruim een uur later is het apparaat terug aan dek. Meteen stelt een tiental wetenschappers de kostbare monsters veilig. Een tropische regenbui klettert op het scheepsdek. Een paar minuten later zijn de sedimentkernen al op weg naar de laboratoria. Ze moeten onder andere laten zien of door diepzeemijnbouw zware metalen uit de zeebodem vrijkomen en hoe de samenstelling van de bacteriële gemeenschap verandert.
Het team van Martínez Arbizu speurt in het sediment naar dieren die nog geen millimeter groot zijn. Die vormen een groot deel van de diepzeefauna, volgens de bioloog. Op de werktafel voor hem ligt een plas modderig water. Het ruikt naar ethanol. Hij zeeft een sedimentmonster door een fijnmazige stalen zeef. De kleinste levende wezens die daarop achterblijven worden geconserveerd in alcohol en later in Duitsland geteld en gedetermineerd. ‘Het meest vinden we roeipootkreeftjes,’ zegt hij, ‘en draadwormpjes. Alleen al in het Duitse licentiegebied zijn er daarvan ongeveer tienduizend keer zoveel als sterren in onze Melkweg.’
Oceaanschatten
Sinds de eeuwwisseling groeit de belangstelling voor grondstoffen in de diepzee. Naast metaalrijke zwavelertsen en kobaltkorsten op onderzeese bergen zijn de knollenvelden bijzonder gewild. Al in de jaren zeventig werden er pogingen gedaan om ze te benutten, uit angst voor een tekort aan reserves aan land. Nu zijn de energietransitie en de digitalisering de grote aanjagers van de zoektocht naar de oceaanschatten. Mangaanknollen bevatten meerdere metalen die onontbeerlijk zijn voor elektrische auto’s, windmolens en smartphones. Experts schatten dat de hoeveelheid kobalt in de CCZ drie tot zes keer zo groot is als de wereldwijde reserves aan land.
Voorstanders argumenteren dat diepzeemijnbouw niet alleen zou kunnen voorzien in onze groeiende behoefte aan grondstoffen, maar ook onze afhankelijkheid zou verminderen van politiek instabiele en ondemocratische staten. Bijvoorbeeld van Congo, waar ruim tweederde van alle kobalt ter wereld vandaan komt, en van China, dat dominant is bij de verdere verwerking van het metaal. Bovendien zouden de maatschappelijke en de milieukosten geringer zijn dan bij mijnbouw aan land, aangezien er geen mensen verplaatst en geen bossen gerooid hoeven te worden, en minder giftig afval ontstaat.
Wetenschappers waarschuwen daarentegen voor enorme schade aan het gevoelige ecosysteem door het oogsten van de knollen, die zo belangrijk zijn voor het overleven van veel soorten, door het opgewerveld sediment en het lawaai van oogstvoertuigen in de zeer stille diepzee en het slijk dat transportschepen terugstorten in zee. De traag groeiende fauna zou tientallen tot misschien zelfs duizenden jaren nodig hebben om zich te herstellen. Dat blijkt ook uit een experiment voor de kust van Peru, waar onderzoekers in 1989 een knollenveld omploegden. Bijna dertig jaar later waren de sponzen daar nog niet teruggekeerd.
Diepzeemijnbouw heeft minder milieukosten aangezien er geen mensen verplaatst en geen bossen gerooid hoeven te worden
De kennis over de diepzeefauna en hun biotoop is nog heel onvolledig. Hoe oud worden de organismen en hoe groot is hun verspreidingsgebied? Hoe planten ze zich voort? Welke soorten hebben een sleutelpositie in het ecosysteem? Deze vragen moeten worden beantwoord om het risico van de diepzeemijnbouw serieus te kunnen inschatten. Anders sterven soorten uit voordat ze worden ontdekt.
Desondanks wil de Internationale Zeebodemautoriteit in juli regels voor de diepzeemijnbouw goedkeuren. Reden voor die haast: Nauru, een klein eilandstaatje in de Stille Oceaan met een licentie in de CCZ, heeft in 2021 een beroep gedaan op een paragraaf in het internationale zeerecht. Volgens die paragraaf moet de autoriteit binnen twee jaar een reglement produceren. In de Mining Code moeten de toegestane grootte van de mijngebieden, de milieuvoorwaarden en de verdeling van de opbrengsten worden vastgelegd. Met de resultaten van de ontginningstest willen de onderzoekers aanbevelingen opstellen, bijvoorbeeld voor het aanwijzen van beschermde gebieden en voor milieucontroles.
De Sonne is intussen al vier weken onderweg op de Stille Oceaan. Dag en nacht gaan instrumenten het water in. ’s Nachts zie je vermoeide gezichten van onderzoekers die uit hun kooi zijn gebeld omdat er monsters aan dek komen. Tijdens nachtenlange sessies met de camera verkent Lilian Böhringer de zeebodem. Overdag werkt ze zich in het zweet in de fitnessruimte of geniet ze aan dek van het zonnige weer en maakt ze kruiswoordpuzzels. ’s Avonds haalt ze met een stralende blik zeekomkommers en andere diepzeedieren uit de verzamelbox van de duikrobot, als die weer aan dek komt.
Prototype
Bij het expeditieteam hoort ook een vertegenwoordiger van de industrie, François Charlet, die leiding geeft aan de grondstofverkenning van GSR in de CCZ. De geoloog heeft in 2021 al de milieustudie begeleid. Tijdens de dagelijkse meeting voor wetenschappers in de conferentieruimte – de Sonne is nu in het Belgische licentiegebied – laat hij een video zien van de ontginningstest. Te zien is hoe het oogstvoertuig de knollen en de bovenste sedimentlaag opzuigt. In technisch opzicht was de test een succes: ‘De Patania II heeft 90 procent van de knollen geoogst,’ zegt hij.
De Patania II was slechts een prototype. De Patania III moet drie keer zo groot worden en in 2025 voor het eerst worden ingezet. Dan heeft GSR een ontginningstest gepland met een boorschip en een transportsysteem dat de knollen naar de oppervlakte brengt. Ook GSR meent dat mijnbouw in de diepzee minder verwoestend zal zijn dan aan land vaak het geval is. Op basis van wetenschappelijke inzichten zou men internationaal geldende regels overeen kunnen komen. ‘Wij willen feedback van het wetenschappelijk onderzoek om de mijnbouw zo milieuvriendelijk mogelijk vorm te geven,’ zegt Charlet. Dan zou men in 2028 kunnen beginnen, na verdere milieustudies en als er een milieumanagementplan is opgesteld. Mocht diepzeemijnbouw onverantwoord blijken, dan zal GSR geen licentie voor ontginning aanvragen.
De concurrentie wil al snel beginnen met de knollenoogst. Kort voor de Sonne was The Metals Company met een boorschip naar de CCZ gevaren. Op basis van een overeenkomst met Nauru, Tonga en Kiribati neemt die Canadese onderneming deel in drie licentiegebieden. In oktober 2022 bracht het meer dan 3000 ton mangaanknollen naar de oppervlakte. De Internationale Zeebodemautoriteit had het plan voor de milieucontroles weliswaar bekritiseerd, maar uiteindelijk toch toestemming gegeven voor de test. Vanaf 2024 wil The Metals Company op industriële schaal gaan ontginnen.
Zou de fauna van de knollenvelden zich daarvan herstellen? Zou ze daarbij geholpen kunnen worden? Diepzee-ecoloog Sabine Gollner van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) op Texel wil dat uitzoeken. In de container op het achterdek kijkt ze naar een wand vol beeldschermen. Voor haar zitten de piloot van de duikrobot en een collega die de grijparm bedient. Na de landing trekt de arm plastic frames uit een box, het ene na het andere, en plaatst deze op het spoor van het rupsvoertuig in het testgebied. Andere komen daarnaast. Aan het frame zijn knollen van klei bevestigd: een pottenbakker heeft er drieduizend voor haar gemaakt. ‘Het experiment moet antwoord geven op de vraag of sponzen, anemonen en koralen zich ook vestigen op kunstmatige knollen,’ zegt ze. ‘Zo ja, dan zouden ontgonnen gebieden daarmee hersteld kunnen worden.’ Maar de kosten zouden enorm zijn.
Ecosysteem
Al sinds 2021 worden zulke frames in het testgebied uitgezet. Een aantal daarvan wil de onderzoekster nu weer omhoog halen. Opnieuw strekt de duikrobot zijn grijparm uit. Een grenadiervis met grote ogen duikt kalmpjes op in het licht van de schijnwerper en verdwijnt weer in de duisternis. Later krabt Gollner in het laboratorium met een scheermesje de knollen schoon. Op Texel zal ze de biofilm analyseren. Het zou weleens vele jaren kunnen duren voordat er grotere organismen op de kunstmatige knollen groeien. In het gunstigste geval.
Na bijna twee maanden op zee is er weer land in zicht. Kort voor Kerst bereikt het schip de Californische kust. In de tussentijd heeft de Duitse Bondsregering verklaard dat ze de diepzeemijnbouw voorlopig niet zal steunen. De risico’s en het ecosysteem van de diepzee moeten eerst beter worden onderzocht. De volgende reizen van de Sonne staan al gepland.
Microbiologen maken zich zorgen dat opwarming van de aarde gevaarlijke schimmels resistent zal maken.
The Last of Us, een postapocalyptische televisiethriller, sloot onlangs het eerste seizoen af met een verbluffende finale. Maar als medicus en superfan van horror vond ik het begin van de serie opmerkelijker: een presentator van een talkshow uit de jaren zestig vraagt twee epidemiologen wat hen ’s nachts wakker houdt. ‘Schimmel,’ antwoordt een van hen.
De epidemioloog maakt zich zorgen over Ophiocordyceps, een bestaande soort die het lichaam en het gedrag van mieren overneemt. Fast forward naar het centrale, fictieve gegeven van de serie: een mutatie van deze schimmel, die ontstond onder invloed van de opwarmende aarde, veroorzaakt een pandemie. Die nieuwe soort infecteert mensen en verandert hen in vraatzuchtige, zombie-achtige wezens wier lichaam wordt overgenomen door paddenstoelen.
Schimmelepidemieën komen bij mensen bijna nooit voor, deels omdat een schimmel zelden van mens op mens wordt overgedragen, laat staan dat er zombies uit voortkomen. Veel waarschijnlijker is dat de volgende pandemie van een virus komt. Maar dat nieuwe bedreigingen van de gezondheid waarschijnlijker worden door klimaatverandering, is niet zo’n gek idee. Kan een in het milieu alomtegenwoordige schimmel veranderen in een voor mensen dodelijke ziekteverwekker? Ja, dat kan.
Schimmelpathogenen
Wetenschappers zoals ik vrezen dat klimaatverandering en vernietiging van het ecosysteem invloed hebben op ziekteverwekkende schimmels – oftewel schimmelpathogenen. De kans wordt groter dat ze besmettelijker worden en zich over grotere afstanden verspreiden, waardoor ze meer mensen bereiken. Candida auris bijvoorbeeld – een gist dat resistent is tegen medicijnen en dat dodelijk kan zijn voor gehospitaliseerde patiënten – heeft volgens sommige wetenschappers onder invloed van warmte het vermogen ontwikkeld om mensen te infecteren. Op 20 maart zei het Centers for Disease Control and Prevention (CDC – de Amerikaanse tegenhanger van het RIVM) dat Candida auris ‘zorgwekkend’ is en zich in ‘een alarmerend tempo’ heeft verspreid in zorginstellingen.
Maar internationale pogingen om wereldwijd de bescherming van de gezondheid te verbeteren houden zelden rekening met schimmelpathogenen. Hoewel de risico’s toenemen, zijn we niet goed voorbereid en nemen we onvoldoende preventieve maatregelen. Er bestaan geen schimmelvaccins, diagnose is ingewikkeld en duur en er zijn niet genoeg geneesmiddelen om schimmelinfecties te bestrijden. En zolang de overheid geen onderzoek financiert om schimmelziekten beter aan te pakken en om de omgevingsfactoren die ze aanwakkeren te veranderen, blijven we kwetsbaar.
Voor veel planten en dieren zijn schimmels een plaag. Fusariumverwelking, die bananenplanten verwoest en waarvoor nauwelijks behandeling bestaat, verspreidt zich wereldwijd en vormt een grote bedreiging voor de bananenindustrie, die een waarde van miljarden dollars vertegenwoordigt. Een infectie die bekendstaat als het witteneussyndroom doodde miljoenen vleermuizen in Noord-Amerika. Negentig soorten amfibieën stierven uit door chytridiomycose, een vreselijke ziekte waardoor kikkers hun huid verliezen.
Mensen zijn grotendeels gevrijwaard gebleven van schimmeluitbraken. Dat komt doordat hun bloed 36,5 graden is, te warm voor veel schimmels om te overleven. Maar dat zou wel eens kunnen veranderen. Uit een studie van januari in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences blijkt dat hitte voor een evolutionaire groeispurt heeft gezorgd van de Cryptococcus deneoformans, een schimmel die mensen kan infecteren: bepaalde genetische mutaties zijn vervijfvoudigd. Dat betekent meer mogelijkheden om gevaarlijke aanpassingen te ontwikkelen, zoals hittetolerantie en resistentie tegen geneesmiddelen. In een ander laboratoriumonderzoek werd een schimmelsoort gekweekt en verwarmd waarvan bekend is dat hij insecten doodt. Binnen vier maanden konden twee stammen zich voortplanten bij 36 graden, terwijl de limiet eerst nog bij ongeveer 32 graden lag.
Schimmels, de slimste opportunisten in de natuur, gebruiken verstoringen in hun voordeel
Sommige microbiologen menen dat door klimaatverandering de schimmelevolutie in de natuur al aan het versnellen is. Hun theorie is dat door de opwarming van de aarde bepaalde stammen van Candida auris bij hogere temperaturen kunnen overleven. Deze gist brak door de warmtebarrière die voorheen de verspreiding beperkte, zodat die nu het vermogen heeft om warmbloedige vogels te besmetten – en vervolgens mensen die met deze vogels in aanraking komen.
Een veranderend klimaat kan ook de overdracht van schimmelziekten doen toenemen. De micro-organismen zijn overal: op het aanrecht, in de achtertuin en in de lucht die we inademen. Systemische schimmelinfecties treden gewoonlijk op bij mensen met een slecht werkend immuunsysteem – kankerpatiënten, mensen die orgaantransplantaties hebben ondergaan en anderen – die sporen uit hun omgeving hebben ingeademd. Maar ook regionale uitbraken onder gezonde mensen baren steeds meer zorgen: overstromingen, wervelstormen en de rook van bosbranden creëren omstandigheden waarin schimmels gedijen en zich kunnen verspreiden.
Het klinkt tegenstrijdig, maar ook droogte heeft dat vermogen. In het Amerikaanse zuidwesten is de aarde uitgedroogd door lange periodes zonder regen, met stofstormen als gevolg. Gevallen van Valley fever, ooit een zeldzame aandoening van de luchtwegen die wordt veroorzaakt door in de grond voorkomende schimmelsporen, zijn sinds 1998 bijna vertienvoudigd. De schimmel heeft zich inmiddels ook verspreid naar nieuwe gebieden, waaronder de staat Washington.
Opwarming van de planeet maakt mensen ook kwetsbaarder. Zo leidt verminderde opbrengst van gewassen tot ondervoeding. Hittestress veroorzaakt nierziekten. Tegelijkertijd verhogen ontbossing, onvoldoende veiligheidsmaatregelen op boerderijen en commerciële handel in wilde dieren het risico van zogenaamde spillovers: virussen zoals ebola springen over van dieren op mensen. Schimmels, de slimste opportunisten in de natuur, gebruiken dergelijke verstoringen in hun voordeel. We zagen dit in de jaren tachtig, toen tegelijk met hiv – een virus dat ontstond door overloop – schimmelinfectie toenam. We hebben het ook recenter gezien, toen een unieke schimmelziekte duizenden mensen in India trof die immuniteit-onderdrukkende steroïden hadden gekregen als onderdeel van hun behandeling tegen corona.
1,5 procent
In oktober vorig jaar stelde de Wereldgezondheidsorganisatie voor het eerst een lijst op met ‘prioritaire schimmelpathogenen’. ‘Schimmelpathogenen vormen een grote bedreiging voor de volksgezondheid’, aldus de organisatie. De lijst is een belangrijk symbolisch gebaar, maar biedt artsen niet wat ze echt nodig hebben, namelijk betere bestrijdingsmiddelen. Er bestaan geen goedgekeurde vaccins tegen schimmelinfecties. Wereldwijd hebben veel landen onvoldoende capaciteit om bepaalde veelvoorkomende schimmelziekten te diagnosticeren. Zelfs in New York, waar ik patiënten behandel, kan het weken duren voordat de schimmelinfectie gediagnosticeerd is. Erger nog, veel schimmelpathogenen zijn nu al resistent tegen de weinige antischimmelmiddelen die er zijn.
Voor een deel gaat het om een technische uitdaging: het is lastig om antischimmelmiddelen te ontwikkelen die niet ook onze cellen vernietigen. Maar we kunnen geen geneesmiddel ontwikkelen als we het niet proberen – en op dit moment is het onderzoek dat naar schimmels gedaan wordt rampzalig. Om een voorbeeld te geven: cryptokokken meningitis, een schimmelinfectie, doodt meer mensen dan bacteriële meningitis veroorzaakt door Neisseria meningitidis, en toch is er voor deze laatste aandoening meer dan drie keer zoveel onderzoeksgeld beschikbaar.
Schimmelpathogenen staan gewoon niet op de radar van overheidsfondsen – slechts 1,5 procent van alle financiering voor onderzoek naar infectieziekten gaat naar deze ziekteverwekkers. Aangezien potentiële winsten beperkt zijn, zijn ook farmaceutische bedrijven weinig gemotiveerd om te investeren in onderzoek en ontwikkeling op dit gebied.
Om de leemte op te vullen moeten volksgezondheidsinstanties hun steun voor de studie naar schimmelziekten verhogen, zoals ze onlangs ook deden voor Valley fever. Ook de Amerikaanse Biomedical Advanced Research and Development Authority (BARDA), die via publiek-private samenwerking vaccins en geneesmiddelen helpt ontwikkelen voor volksgezondheidscrises, zal er een prioriteit van moeten maken. Geen van de 83 initiatieven op de lijst van medische tegenmaatregelen die de website van BARDA vermeldt, is gericht op schimmelpathogenen. BARDA heeft wel aangekondigd de ontwikkeling van nieuwe antischimmelmiddelen te steunen.
Deze tijd vraagt ook om nederigheid. In de jaren zestig dachten sommige prominente experts ten onrechte dat infectieziekten een afnemende bedreiging vormden. Maar de natuur zit vol verrassingen. Van 2012 tot 2021 deed ik bij CDC onderzoek naar uitbraken. Mijn collega’s en ik onderzochten ebola, hondsdolheid, pokken- en coronavirussen, en we konden van dichtbij zien hoe op de meest gruwelijke en onverwachte manieren ziekten ontstonden als gevolg van de wijze waarop mensen omgaan met dieren en het milieu. Hoe verwoestend deze ziekten zijn ontdekken we vaak pas als we ons midden in een regelrecht rampscenario bevinden. Tot nu toe is slechts 5 procent van de naar schatting 1,5 miljoen schimmelsoorten geïdentificeerd: misschien zijn schimmels wel de grote blinde vlek van de volksgezondheid.
Onze gezondheid is afhankelijk van een delicaat ecologisch evenwicht. Dat evenwicht bewaren, door af te stappen van fossiele brandstoffen om zo klimaatverandering te vertragen, natuurverlies te stoppen en virale spillovers te voorkomen, is misschien wel onze beste hoop om een ware schimmelhorrorshow te voorkomen.
De afgelopen jaren is de kledingindustrie zich steeds bewuster geworden van de noodzaak om kleding te recyclen. Een veelbelovende ontwikkeling, maar is het genoeg om de enorme jaarlijkse hoeveelheid afgedankte kleding te verwerken?
Het bedrijf Renewcell heeft in het Zweedse kustplaatsje Sundsvall een nieuwe textielrecyclingfabriek geopend die zo groot is dat werknemers een fiets gebruiken om van de ene kant van de productielijn naar de andere te komen. Grote balen katoenafval worden op een lopende band gestort, aan flarden gescheurd en in een natte smurrie veranderd met behulp van chemicaliën. Deze smurrie, die oplossende pulp wordt genoemd, wordt vervolgens gebleekt, gedroogd en tot vellen geperst die lijken op gerecycled kraftpapier en onder de merknaam Circulose naar fabrieken worden gestuurd om tot textielsoorten als viscose te worden verwerkt voor kleding.
Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen of is ze gemaakt van waterflessen, visnetten en oude tapijten. (Er bestaat al technologie om polyester tot polyester te recyclen maar die is zo duur dat ze maar zelden wordt gebruikt.)
De fabriek van Renewcell is een van de eerste stappen naar een systeem om van oude kleding nieuwe hoogwaardige kleding te maken die geheel uit gerecyclede weefsels bestaat. Het is ook een manier om de bergen textielafval aan te pakken die zich overal op de wereld ophopen en te zorgen dat er minder bomen uit ecologisch gevoelige bossen worden opgeofferd voor de vervaardiging van kledingweefsels. (Volgens Canopy, een Canadese non-profit die zich samen met de papier- en kledingindustrie inzet voor vermindering van ontbossing, worden er jaarlijks meer dan 200 miljoen bomen gekapt om oplossende pulp te produceren voor uit cellulose vervaardigde vezels als rayon, viscose, modal en lyocell.)
Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen
Veel consumenten lijken zich steeds ongemakkelijker te voelen over wat er met hun oude kleren gebeurt en kledingbedrijven zoeken naar manieren om te blijven uitbreiden en zich tegelijkertijd aan hun belofte te houden om hun negatieve ecologische voetafdruk te verminderen door via een circulair systeem te voorkomen dat afgedankte kleding op de vuilstort belandt. De Europese Unie heeft al haar lidstaten verplicht hun textielinzameling voor 2025 te intensiveren, wat naar verwachting tot een aanzienlijke afname zal leiden van de hoeveelheid kledingresten waarvoor geen bestemming bestaat.
‘Heel opwindend,’ noemt Ashley Holding, consultant op het gebied van duurzaam textiel en oprichter van het Duitse duurzaamheidsadviesbureau Circuvate, de opening van de fabriek. ‘Geweldig om te zien dat ze al zo ver zijn gekomen.’
Winstoogmerk
Circulariteit op kledinggebied is niet altijd zo ingewikkeld geweest. Vóór de industrialisering maakten de meeste mensen hun eigen kleren van geheel natuurlijke materialen. De rijken gaven hun oude kleren aan hun personeel, dat ze vervolgens weer aan mensen in plattelandsgemeenten gaf door wie ze werden versteld totdat ze niet langer draagbaar waren, waarna ze bij de voddenboer belandden. Uiteindelijk werd er papier van gemaakt of kunstwol (teruggewonnen wol) voor goedkope dekens en jassen.
Als gevolg van het ontstaan van de kledingindustrie aan het eind van de negentiende eeuw begonnen mensen die voorheen al hun kleren thuis naaiden sommige kledingstukken in winkels te kopen. Adam Minter, auteur van het boek Secondhand: Travels in the New Global Garage Sale, schrijft in een e-mail: ‘Naarmate kleding in waarde daalde en meer vrouwen in fabrieken gingen werken, hadden consumenten minder reden en tijd om hun kleding te verstellen en repareren.’
De stroom aan ongewenste goederen nam toe en het Leger des Heils, dat aan het eind van de negentiende eeuw het licht zag in New York, begon geld voor liefdadige doelen te verdienen met het repareren en doorverkopen van kleding en huishoudelijke artikelen, aldus Minter. ‘Maar rond 1910 was de hoeveelheid ongewenste kleding en andere consumentenproducten in de VS zo groot dat liefdadigheidsinstellingen de reparaties staakten.’
‘Tegenwoordig eindigt de kleding van ons Amerikanen grotendeels op de vuilstort,’ zegt Maxine Bédat, die in 2021 het boek Unraveled: The Life and Death of a Garment publiceerde. ‘Het is moeilijk om aan betrouwbare cijfers te komen over hoeveel er wordt afgedankt, vooral in de Verenigde Staten. Maar we gooien onze kleding voornamelijk weg.’
Voor Europa is meer data beschikbaar. Volgens een recente studie eindigt in zes West-Europese landen 62 procent van de kleding die jaarlijks op de markt komt op de vuilstort of in een verbrandingsoven.
Wat in de VS niet wordt weggegooid komt meestal nog steeds bij liefdadigheidsinstellingen als Goodwill terecht, die alles wat onverkoopbaar is doorsluizen naar sorteerbedrijven met een winstoogmerk, aldus Maxine Bédat. Nog draagbare kleding wordt verkocht aan doorverkopers in ontwikkelingslanden en ondraagbaar textiel wordt tot lompen en laagwaardige vezels verwerkt voor bijvoorbeeld isolatie. Kleding die via inzamelingsacties bij boerenmarkten of goedkope kledingbedrijven belandt, komt meestal ook bij de eerder genoemde sorteerbedrijven met een winstoogmerk terecht.
Zo’n 40 procent van wat de westerse wereld naar een van de grootste doorverkoopmarkten in het Ghanese Accra verscheept wordt als afval beschouwd, aldus de Or Foundation die zich inzet voor een betere verwerking van kledingafval. Bergen oude kleding zijn gefotografeerd op stranden, vuilstortplaatsen en in woestijnen in Afrika en Latijns-Amerika. ‘De doorverkoopmarkt wordt in wezen verpletterd door het gewicht van de hoeveelheid afval die ze ontvangen,’ zegt Rachel Kibbe, die leiding geeft aan het kledingadviesbureau Circular Services Group. ‘We zien bedrijven die in feite afvalverwerkers aan het worden zijn.’
We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld
Op dit moment wordt van maar heel weinig textielafval nieuwe kleding gemaakt. Volgens het internationale platform Fashion for Good wordt maar 2 procent van het ingezamelde textiel – zuivere wol, zuiver katoen en acryl – mechanisch tot nieuw textiel gerecycled, voornamelijk modderkleurige dekens van kunstwol voor rampenbestrijding of goedkoop katoen dat met zuiver katoen moet worden vermengd voor nieuw textiel. Tellen we de lage inzamelingsgraad daarbij op, dan komt het erop neer dat minder dan een procent van de in West-Europa verkochte kleding tot nieuwe vezels wordt gerecycled. ‘We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld,’ zegt Kibbe.
Circulose
De nieuwe fabriek van Renewcell accepteert alleen zuiver katoenafval, en veel kleding wordt van synthetische mengsels gemaakt. Toch zal er een heleboel zuiver katoenafval kunnen worden verwerkt, meer dan 120.000 ton per jaar. Volgens een recente studie van Fashion for Good zijn West-Europese landen jaarlijks goed voor zo’n 163.000 ton laagwaardig katoenafval dat rijp is voor chemische recycling.
Van wereldwijd ingezameld katoen van denimfabrikanten en tweedehandswinkels maakt de fabriek vellen gedroogde oplossende pulp, Circulose genaamd, die worden verkocht als hoofdbestanddeel voor door mensen gemaakte synthetische vezels als viscose, rayon en modal. ‘Wij creëren circulariteit binnen de kledingindustrie,’ zegt Patrick Lundström, CEO van Renewcell. ‘Op dit moment bestaat circulariteit nog niet echt in de kledingindustrie. We praten al twintig jaar over hoe belastend de sector is voor het milieu, maar er is tot dusver maar bitter weinig vooruitgang geboekt.’
De oprichters van Renewcell, onderzoekers Mikael Lindstrom en Gunnar Henriksson van het Koninklijk Instituut voor Technologie in Stockholm, ontwikkelden de technologie voor de verwerking van katoenafval in 2012. In 2014 produceerde het bedrijf genoeg gerecyclede stof voor een jurk en in 2017 werd er een demonstratiefabriekje gebouwd. Dat wekte de belangstelling van merken als Stella McCartney, dat een levenscyclusanalyse financierde waaruit bleek dat Circulose de laagste klimaatimpact had van tien verschillende synthetische vezels. In 2017 nam H&M een minderheidsaandeel in het bedrijf.
Het bedrijf ging naar de beurs en werd in 2020 in Zweden opgenomen in de Eerste Noordelijke Groeimarkt van Nasdaq. H&M, Levi Strauss en Bestseller, een internationale kledingketen uit Denemarken, verwerken inmiddels Circulose in hun kleding. (In 2021 startte Levi’s met een capsulecollectie die 16 procent Circulose bevatte.)
‘De Circulose die wordt geproduceerd is heel erg waardevol omdat het een gerecycled weefsel is met de eigenschappen van onbewerkte stof,’ zegt Paul Foulkes-Arellano, de oprichter van Circuthon, een adviesbureau voor circulaire economie.
Ook een handvol andere bedrijven nam deel aan de wedloop om op een commerciële schaal gerecyclede weefsels te produceren. Twee Finse start-ups, Spinnova en Infinited Fiber Company, hebben een patent op de technologie om van plantaardig afval weefsels te maken die aanvoelen als katoen. Spinnova zegt in 2024 op commerciële basis te zullen gaan draaien. Infinited hoopt in 2026 een fabriek te openen. De Amerikaanse start-up Evrnu zegt 31 miljoen dollar te hebben opgehaald voor zijn recyclingtechnologie en verwacht in 2024 open te gaan.
De technologie voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels loopt nog wat achter terwijl die mengsels een groot deel vormen van de oude kleding die wordt afgedankt. De Australische start-up Block Texx hoopt in 2023 de eerste recyclingfabriek voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels op commerciële basis te openen. De Britse start-up Worn Again Technologies verklaarde afgelopen oktober meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald en bouwt in Zwitserland een fabriek voor het sorteren en recyclen van textielmengsels. De Amerikaanse start-up Circ maakte afgelopen juli bekend meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald via een financieringsronde die werd geleid door Breakthrough Energy Ventures van Bill Gates en waartoe ook een investering behoorde van Inditex, het moederbedrijf van Zara.
‘Plotseling loopt het storm,’ zegt Kathleen Rademan, directeur van het innovatieplatform van Fashion for Good dat een aanjager is voor duurzame kledingtechnologie. ‘Maar ik denk dat we nog maar aan het begin staan. Er wordt in dit stadium nog gevochten om geld.’
Adviesbureau McKinsey schatte in een rapport uit 2022 dat er tot 2030 6 tot 7 miljard euro zou moeten worden geïnvesteerd om ten minste 18 procent van het in Europa gegenereerde textielafval te verwerken.
De duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken
Gloeiende plaat
Critici wijzen erop dat het de duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken, zoals in de negentiende eeuw gebeurde.
Zelfs Renewcell, dat op waterkracht draait, is niet helemaal circulair omdat het geen katoen van katoen maakt, al moet daar wel bij worden gezegd dat Levi’s bij sommige producten Circulose heeft gebruikt ter gedeeltelijke vervanging van katoen en dat laboratoriumtesten aantonen dat dit proces tot zeven keer toe kan worden herhaald, net als papierrecycling.
‘Recycling is energie-intensief,’ zegt Foulkes-Arellano. ‘Als we verstandig zouden zijn zouden we gewoon alle oude denim en T-shirts in stukken knippen en tot nieuwe kleding verwerken. Ik bedoel, er zijn een heleboel echt goede bedrijven die geupcycled denim verkopen. Maar grote bedrijven willen nu eenmaal nieuwe stoffen.’
Rademan denkt dat het nog minstens tien jaar zal duren voordat iemand een versleten sweatshirt zal kunnen recyclen zoals een aluminium blikje. Volgens haar is er meer geïnvesteerd kapitaal nodig voor de bouw van recyclingfabrieken, meer bereidheid bij merken om gerecyclede vezels te kopen en meer bereidheid bij kledingfabrikanten om gerecyclede producten in hun aanvoerketen op te nemen. Volgens haar zal er ze pas over tien jaar gerust op kunnen zijn dat als ze een trui in de afvalbak gooit, die niet op een slechte plek terecht zal komen. Maar in de Verenigde Staten, zegt ze, is vooruitgang afhankelijk van het politieke landschap. ‘Het ligt er maar aan wie het voor het zeggen heeft.’
Holding voorspelt dat het nog tot 2050 zal duren voordat textiel op wereldwijde schaal tot nieuw textiel wordt gerecycled. Hoewel Renewcell een belangrijke ontwikkeling is, is het volgens hem nog maar een druppel op een gloeiende plaat vergeleken bij de bestaande hoeveelheid te verwerken textiel en de hoeveelheid materiaal die er elk jaar bij wordt geproduceerd.
Kernfusie zou binnen enkele decennia kunnen uitgroeien tot een onuitputtelijke bron van schone energie. Maar de veelbelovendste projecten voor deze nieuwe manier van kernenergie opwekken lijken allemaal naar de Verenigde Staten te trekken.
De resultaten die het Amerikaanse Lawrence Livermore National Laboratory (LLNL) boekt met kernfusie hebben ook Europa opgeschrikt. De doorbraak in de VS houdt namelijk evengoed een boodschap in voor ons: we kunnen ons beter richten op experimenteren en participeren dan op verbieden en stopzetten. Zodat de ‘toekomst van energie’ ook made in EU zal zijn.
Het criterium is de dynamiek in de VS. Daar is kernfusie een zaak voor het allerhoogste niveau. President Joe Biden zette de technologie in maart van dit jaar centraal op een topbijeenkomst van onderzoekers, ondernemers, ambtenaren en politici in het Witte Huis. Zijn regering deelt de waarneming van veel wetenschappers en zakenlieden dat kernfusie na tientallen jaren weleens vlak voor een doorbraak zou kunnen staan.
‘Wanneer de geschiedenisboeken over de fusietechnologie eenmaal geschreven zijn, zullen de achter ons liggende twaalf maanden worden gezien als een keerpunt waarop duidelijk werd dat de fusietechnologie zich uit de laboratoria naar de markt gaat bewegen’, schrijft de Fusion Industry Association in haar in juli verschenen jaarverslag 2022.
Zonnevuur
Anders dan bij kernsplitsing draait het bij kernfusie om het samensmelten van atoomkernen van een stof tot de kern van een andere stof. Uit waterstof wordt helium gemaakt. Een proces dat in de natuur op deze wijze alleen in sterren zoals de zon voorkomt. Daarom wordt bij kernfusie ook wel van zonnevuur gesproken. Deze vorm van kernenergie geldt als schoon, klimaatneutraal en vrijwel onuitputtelijk.
‘Het publieke onderzoek heeft veel tijd en weinig geld, de industrie veel geld maar weinig tijd’
En dus hebben de VS grote plannen: binnen de komende tien jaar moeten in het hele land diverse fusiepilotcentrales met uiteenlopende grootte en technologie van de grond komen. De voortekenen zijn gunstig. Enerzijds maakt de wetenschap grote vorderingen en pompt de regering veel geld in onderzoek. Zo accordeerde het Congres onlangs een programma van 713 miljoen dollar voor onderzoek en bouw, waarvan 50 miljoen voor public-privatepartnership. De klimaatmaatregelen uit de Inflation Reduction Act voegen daar nog eens een geldstroom van honderden miljoenen voor fusieprojecten aan toe. Anderzijds zijn de VS ook het land van de vrije markt – en die zet er vaart achter. De Duitse hoogleraar natuurkunde, laseronderzoeker en oprichter van de Duits-Amerikaanse fusiestart-up Focused Energy Markus Roth zegt: ‘Het publieke onderzoek heeft veel tijd en weinig geld, de industrie veel geld maar weinig tijd.’ Bij het omzetten van de resultaten van fundamenteel onderzoek in praktische toepassingen staan de Amerikanen met hun pragmatische aanzet ook in het geval van kernfusie aan de top.
Van de drieëndertig bedrijven wereldwijd die werken aan de ontwikkeling van bruikbare kernfusietechnologieën zijn er eenentwintig gevestigd in de VS. Technologiemiljardairs met ook maar een beetje gevoel van eigenwaarde permitteren zich investeringen in een kernfusiestart-up. Of het nu om Jeff Bezos gaat, Bill Gates, Peter Thiel, John Doerr, George Soros, Dustin Moskovitz (Facebook) of Reid Hoffman (LinkedIn) – ze doen allemaal mee. Over de hele wereld hebben kernfusie-ondernemingen dit jaar 4,74 miljard dollar aan kapitaal van private investeerders aangetrokken. De grootste onder hen kunnen terugvallen op comfortabele kapitaalreserves. Commonwealth Fusion, dat in 2018 als spin-off van het Massachusetts Institute of Technology ontstond, wist dankzij Gates, Doerr en Salesforce-oprichter Marc Benioff ruim 2 miljard dollar binnen te halen. Het door Thiel en Moskovitz gesteunde Helion verzekerde zich van 2,2 miljard dollar.
Tegenvallers
In de zomer leverde behalve Google en Chevron ook het Japanse Sumitomo Corp een bijdrage aan de financiering van de Amerikaanse start-up TAE Technologies. Het wil op industriële schaal fusiereactoren fabriceren en die vanaf 2030 aansluiten op de elektriciteitsvoorziening. Google is al sinds 2014 bij het bedrijf betrokken en voorziet het van computertechnologie en kunstmatige-intelligentiesystemen.
En in Europa? Wie zijn oor te luisteren legt stuit allereerst op het mammoetproject ITER in Zuid-Frankrijk. De oorsprong ervan gaat terug tot de tijd van de Koude Oorlog. Een gigantisch project dat zich echter al lange tijd voortsleept. Nog altijd zijn Europeanen, Amerikanen, Russen en Chinezen betrokken bij de bouw van de testreactor. Anders dan het project aan het Lawrence Livermore werkt ITER niet op basis van laser- maar van magneettechnologie. Een tot 100 miljoen graden Celsius verhit plasma wordt door magneten vrij zwevend in de lucht gehouden om via een complex procedé waterstof samen te smelten tot helium. Bij ITER is telkens weer sprake van tegenvallers. Ook liepen de kosten geregeld uit de hand. De reactor is sinds 2007 in aanbouw en moet halverwege dit decennium klaar zijn, in het komende decennium een kernfusie tot stand brengen en vanaf 2050 in serie kunnen worden geproduceerd.
‘Revolutionair’ en ‘bemoedigend’ noemt ITER de resultaten uit de VS. Maar qua commerciële toepasbaarheid ziet men daar nog altijd meer in de eigen opzet. Andere projecten, ook in Europa, beloven sneller te leveren dan ITER. Naast de eveneens op magneettechnologie gebaseerde en met publiek geld gefinancierde projecten Jet in Engeland, Wendelstein 7-X en Asdex in Duitsland spelen met Marvel Fusion en Focused Energy ook twee Duitse start-ups een vooraanstaande rol op het wereldwijde fusietoneel.
Ook het Münchense Marvel Fusion sluit niet uit een geplande demonstrator in de VS te bouwen
Zij maken gebruik van de laseropzet en zitten met hun methodiek dicht bij wat de Amerikanen bij het LLNL doen. ‘Dat is een fantastisch resultaat,’ zegt Markus Roth, hoogleraar natuurkunde aan de TU Darmstadt en oprichter van Focused Energy. ‘Het laat zien dat we op de goede weg zijn.’ Roth werkte enkele jaren bij het Lawrence Livermore en trekt voor zijn start-up nu een hele reeks toponderzoekers aan, onder wie twee wetenschappers van het LLNL.
Zijn team werkt momenteel aan de ontwikkeling van een klein proef- en een wat groter teststation. De standplaats van het proefstation wordt Texas, terwijl het teststation mogelijk in Darmstadt komt. Wel heeft Washington al duidelijk zijn interesse in dit tweede station laten blijken en nodigde het deze zomer vertegenwoordigers van de start-up uit in het Witte Huis. Aan het eind van dit decennium wil het team van Roth beide stations operationeel hebben. De kosten daarvan kunnen al met al oplopen tot meer dan 2 miljard euro.
Ook het Münchense Marvel Fusion sluit niet uit een geplande demonstrator in de VS te bouwen. Sinds de oprichting hebben de Münchenaren tot nog toe 65 miljoen euro bijeengebracht – volledig privaat kapitaal, zoals directeur ir. Heike Freund benadrukt. Zij hoopt voor operationalisering nu ook op politieke rugwind uit Europa, waar de publieke investeringen zich tot nog toe vooral concentreerden op ITER, met bouwkosten die tot 45 procent worden betaald door de EU. De start-up werkt samen met concerns als Trumpf, Siemens Energy en Thalens. Om binnen een termijn van ongeveer tien jaar fusiereactoren in serie te kunnen fabriceren, moeten er nog heel wat stappen worden gedaan.
Verwijzend naar het Roemeense Magurele (waar momenteel een sterke laserinstallatie van de grond komt) en de gigantische behoefte aan schone en betrouwbare energie geloven ze zowel bij Marvel Fusion als bij Focused Energy in Europa’s potentieel. ‘Het zal er niet vandaag of morgen zijn, maar als wij nu niet investeren, zal het er over tien jaar ook niet zijn,’ aldus Freund.
Plastic is slecht voor de planeet, en toch is het overal. De bevindingen van een Amerikaanse journalist die een dag zonder probeert te leven.
Keuze uit het archief
Volgens onderzoek dat deze week in het tijdschrift The Lancet eBioMedicine is gepubliceerd, is plastic verantwoordelijk voor honderdduizenden doden per jaar. Zo zouden in 2018 alleen al wereldwijd ruim 356.000 mensen gestorven zijn door hartziekten als gevolg van dagelijkse blootstelling aan DEHP, een toxische stof die in veel plastic spullen zit.
We zouden plastic uit ons leven moeten bannen, maar dat is onmogelijk, want het is overal. Daar kom je pas achter als je probeert één dag zonder plastic te leven. Journalist Arnold Jacobs nam de proef op de som en schreef zijn ervaringen op in deze longread van The New York Times.
Toen ik wakker werd op de dag dat ik ging proberen geen plastic producten te gebruiken – of zelfs maar aan te raken – zette ik vrijwel meteen mijn blote voeten op het tapijt. Het is gemaakt van nylon; een soort plastic. Mijn experiment was net tien seconden bezig en ik was al in overtreding.
Sinds plastic meer dan een eeuw geleden werd uitgevonden, is het in elke vezel van ons leven binnengedrongen. Het is moeilijk om ook maar een paar minuten niet met dit onverwoestbare, lichte, veelzijdige materiaal in aanraking te komen. Plastic heeft elk modern gemak mogelijk gemaakt en kan op duizenden manieren worden toegepast. Maar het heeft ook nadelen, vooral voor het milieu. Vorige week probeerde ik als experiment om vierentwintig uur lang helemaal zonder plastic te leven. Zo wilde ik erachter zien te komen welke plastic spullen we niet kunnen missen en welke eventueel overbodig zijn.
Meestal check ik ’s morgens nadat ik wakker word mijn iPhone. Op die bewuste dag was dat niet mogelijk, want elke iPhone bevat behalve aluminium, ijzer, lithium, goud en koper ook plastic. Ter voorbereiding op het experiment had ik mijn toestel in een kast opgeborgen. Al snel voelde ik me gedesoriënteerd maar ook stoutmoedig, alsof ik een soort onverschrokken tijdreiziger was.
Ik liep naar de badkamer, maar ging niet meteen naar binnen. ‘Kun je de deur voor me opendoen?’ vroeg ik aan Julie, mijn vrouw. ‘Op de deurknop zit een plastic coating.’ Ze deed voor me open en zuchtte: ‘Dit wordt een lange dag.’
Routine
Mijn ochtendroutine moest compleet op de schop. Daarvoor had ik de dagen voorafgaand aan mijn experiment zorgvuldige voorbereidingen getroffen. Zo kon ik mijn normale tandpasta, tandenborstel, shampoo en vloeibare zeep alvast niet gebruiken.
Gelukkig is er een enorm aanbod van plasticvrije producten voor milieubewuste consumenten. Ik had er een hele trits van aangeschaft, waaronder een bamboe tandenborstel met haren van wilde zwijnen van Life Without Plastic. ‘De borstelharen zijn volledig gesteriliseerd,’ vertelde Jay Sinha, mede-eigenaar van het bedrijf, toen ik hem de week ervoor sprak.
In plaats van tandpasta gebruikte ik mijn potje grijze tandpastakorrels van houtskool met munt. Ik kauwde erop, nam een slok water en poetste mijn tanden. De smaak was lekker, mijn askleurige spuug oogde minder fris.
Het shampooblok dat ik had aangeschaft beviel me wel. Een shampooblok is precies dat: een blok shampoo. De mijne ruikt naar roze grapefruit en vanille, en schuimt goed. Voorstanders van het shampooblok zeggen dat het per wasbeurt goedkoper is dan shampoo in flessen (een blok kan 80 keer gebruikt worden). En dat is mooi, want het plasticvrije leven kan duur zijn. Package Free, een stijlvol verkooppunt in de NoHo-buurt van Manhattan dat grenst aan de Goop-winkel van Gwyneth Paltrow, verkoopt scheermessen van zink en roestvrijstaal voor 84 dollar, ongeveer 77 euro. Ze verkopen er overigens ook ‘de eerste biologisch afbreekbare vibrator ter wereld’.
Op advies van een blogger heb ik een doe-het-zelfdeodorant gemaakt van tea tree-olie en zuiveringszout. De geur doet denken aan een middeleeuwse kathedraal, maar is niet geheel onaangenaam. Je eigen spullen maken is zeker een manier om plastic te vermijden, maar je hebt er wel vrije tijd voor nodig – een luxe. Voordat ik in de badkamer klaar was, had ik de regels een tweede keer overtreden; ik moest naar de wc.
Op basis van onderzoek schat ik dat ik ongeveer 800 plastic voorwerpen per jaar in de vuilnisbak gooi
Ook aankleden was een uitdaging, aangezien zoveel kledingstukken plastic bevatten. Ik had een wollen broek besteld, maar die was nog niet gearriveerd. In plaats daarvan koos ik een oude, comfortabele chino van Banana Republic. Op het label staat ‘100 procent katoen’, maar toen ik het de dag ervoor navroeg bij een behulpzame vertegenwoordiger van Banana Republic, bleek het iets ingewikkelder te liggen. De hoofdstof is inderdaad 100 procent katoen, maar er zit plastic in de rits, en verder in de tailleband, het geweven label, de zakken en de draden, aldus de vertegenwoordiger. Ik sneed in mijn duim toen ik probeerde het zwarte merklabel eraf te snijden met een volledig metalen mes. In plaats van een pleister – ja, plastic – moest ik gegomde tape van papier gebruiken om het bloeden te stoppen.
Gelukkig was ik met mijn ondergoed niet in overtreding: blauwe boxers van Cottonique van 100 procent biologisch katoen met een katoenen koord in plaats van de elastische tailleband, die vaak van plastic is. Na een zoektocht op internet koos ik het uit een lijst met ‘14 Hot & Sustainable Underwear Brands for Men’.
Verder had ik het geluk dat onze vriendin Kristen als verjaardagscadeau voor mijn vrouw een trui had gebreid met blauwe en paarse rechthoeken van 100 procent merinowol. ‘Mag ik die trui van Kristie een dagje lenen?’ vroeg ik aan Julie. ‘Maar dan lubbert ie uit,’ zei ze. ‘Het is voor de planeet, hè?’ antwoordde ik.
Kunststoffen
Volgens een rapport van de Verenigde Naties produceert de wereld jaarlijks ongeveer 400 miljoen ton plastic afval. Ongeveer de helft wordt na eenmalig gebruik weggegooid. Het rapport merkt op dat ‘we verslaafd zijn geraakt aan plastic producten voor eenmalig gebruik – met ernstige gevolgen voor het milieu, de maatschappij, de economie en de gezondheid’.
Ik ben een van die verslaafden. Op basis van onderzoek schat ik dat ik ongeveer 800 plastic voorwerpen per jaar in de vuilnisbak gooi – verpakkingen voor afhaaleten, pennen, bekers, verpakkingsmateriaal van Amazon met piepschuim erin en nog veel meer. Voor mijn Dag Zonder Plastic verdiepte ik me in een aantal no-plastic en zero waste-boeken, video’s en podcasts. Een van die boeken, Life Without Plastic: The Practical Step-by-Step Guide to Avoiding Plastic to Keep Your Family and the Planet Healthy van Jay Sinha en Chantal Plamondon, was door Amazon verpakt in doorzichtig plastic, als een stuk kaas. Toen ik dit aan Sinha vertelde, beloofde hij erachteraan te gaan.
Ik belde ook met Gabby Salazar, een sociaal wetenschapper die zich verdiept in wat mensen motiveert om milieuzaken te steunen. Ik vroeg haar om advies voor mijn plasticvrije dag. ‘Het is misschien beter om klein te beginnen,’ zei Salazar. ‘Eerst één gewoonte – bijvoorbeeld altijd een roestvrijstalen waterfles meenemen. Als je dat onder de knie hebt, doe je er iets bij. Je neemt bijvoorbeeld altijd een tasje mee naar de supermarkt. Als je geleidelijk opbouwt, kom je tot echte veranderingen. Anders raak je alleen maar overweldigd.’ ‘Misschien dat dat wel verhelderend werkt?’ opperde ik. ‘Dat zou mooi zijn,’ zei Salazar.
Verontrustende effecten zijn onder meer gedragsproblemen
Toegegeven, helemaal zonder plastic leven is waarschijnlijk een absurd idee. Ondanks de nadelen vormt de stof een cruciaal onderdeel van medische apparatuur, rookmelders en helmen. De slagzin van de plasticindustrie uit de jaren negentig bevat een waarheid: ‘Kunststoffen maken het mogelijk’.
In veel gevallen kan plastic het milieu helpen. Zo zijn plastic vliegtuigonderdelen lichter dan metalen, wat minder brandstof en minder CO₂-uitstoot betekent. Zonnepanelen en windturbines hebben kunststof onderdelen. Maar de aarde ligt bezaaid met het spul, vooral in wegwerpvorm. Het Earth Policy Institute schat dat mensen er jaarlijks een biljoen plastic tassen voor eenmalig gebruik doorheen jagen.
De crisis zat er al lang aan te komen. Er is enige discussie over wanneer plastic zijn intrede deed, maar velen houden 1855 aan, toen de Britse metaalbewerker Alexander Parkes een thermoplastisch materiaal patenteerde als waterdichte coating voor stoffen. Hij noemde de stof ‘Parkesine’. In tientallen jaren tijd zijn in laboratoria over de hele wereld andere soorten ontstaan, allemaal gebaseerd op soortgelijke chemie. Het zijn polymeerketens en de meeste worden gemaakt van aardolie of aardgas. Door chemische toevoegingen variëren kunststoffen enorm. Ze kunnen ondoorzichtig of transparant zijn, schuimend of hard, rekbaar of breekbaar. Ze zijn bekend onder vele namen, zoals polyester en piepschuim, en met afkortingen als PVC en PET.
Prefab-afval
De productie van kunststof nam een hoge vlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kunststof was cruciaal voor de oorlogvoering, denk aan nylon parachutes en plexiglas vliegtuigramen. Na de oorlog ontstond een ware hausse, aldus Susan Freinkel, auteur van Plastic: A Toxic Love Story, een boek over de geschiedenis en de wetenschap van plastic. ‘Plastic werd verwerkt in dingen als formica toonbanken, koelkastzakken, auto-onderdelen, kleding, schoenen, kortom in alles wat werd ontworpen om lange tijd mee te gaan,’ volgens Freinkel.
En toen kwam de ommekeer. ‘We zijn in de problemen gekomen toen we overgingen op spullen voor eenmalig gebruik,’ aldus Freinkel. ‘Ik noem dat prefab-afval.’ De overdaad aan rietjes, bekertjes, zakjes en andere kortstondig te gebruiken zaken heeft geleid tot rampzalige gevolgen voor het milieu. Volgens een studie van de Pew Charitable Trusts komt er elk jaar meer dan 11 miljoen ton plastic in de oceanen terecht.
Bijna een vijfde van het plastic afval wordt verbrand, waarbij CO2 in de lucht terechtkomt, aldus de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Deze meldt ook dat slechts 9 procent van het plastic wordt gerecycled. Sommige plastics zijn niet rendabel om te recyclen, andere soorten nemen door recycling af in kwaliteit.
Plastic kan bovendien schadelijk zijn voor onze gezondheid. Bepaalde plastic additieven – zoals BPA en ftalaten – kunnen volgens het National Institute of Environmental Health Sciences het endocriene systeem bij mensen verstoren. Verontrustende effecten zijn onder meer gedragsproblemen en een lagere testosteronspiegel bij jongens en een lagere hormoonspiegel van de schildklier en vroeggeboorten bij vrouwen.
‘Het oplossen van het plasticprobleem mag niet volledig in de schoot van de consument worden geworpen,’ vindt Salazar. ‘We moeten er op alle fronten aan werken.’
Rauw voedsel
Al aan het begin van mijn dag zonder plastic, begon ik de wereld anders te bekijken. Alles zag er bedreigend uit, alsof overal polymeren in zaten. Vooral de keuken was bijzonder beladen. Alles wat ik kon gebruiken om te koken was verboden terrein – broodrooster, oven, magnetron. Mijn zoon zwaaide met een plastic zakje gevuld met wentelteefjes. ‘Wil je hier wat van?’ En of ik dat wilde. Maar in plaats daarvan ging ik op zoek naar rauw voedsel.
Ik verliet mijn woning via de trap, in plaats van de lift met zijn plastic knoppen, en liep naar een natuurvoedingswinkel in de buurt van ons appartement aan de Upper West Side in Manhattan.
Ik probeer altijd een stoffen tas mee te nemen als ik ga winkelen. Deze keer had ik wel zeven tassen van verschillende grootte bij me, allemaal van katoen. Ik had ook twee glazen bakjes meegenomen.
In de winkel vulde ik een van mijn katoenen tassen met appels en sinaasappels. Bij nadere inspectie zag ik dat op elke schil een sticker met een code zat. Een mogelijke overtreding, die ik negeerde. Met een schone stalen pollepel die ik van huis had meegenomen, schepte ik walnoten en havermout in mijn glazen bakjes. Dat de winkelbakken van plastic waren, negeerde ik, want ik had honger.
Ik ging naar de kassa om af te rekenen. Maar dat was een probleem. Creditcards konden niet. Apple Pay met mijn iPhone kon ook niet. Ook papiergeld zou een overtreding zijn. Want ook al is Amerikaans papiergeld voornamelijk gemaakt van katoen en linnen, elk biljet bevat ongetwijfeld synthetische vezels, en de grotere biljetten bevatten een veiligheidsdraad van plastic om vervalsing te voorkomen.
Voor de zekerheid had ik een katoenen zak vol munten meegenomen. Ja, een grote zak vol kwartjes, dubbeltjes en centen – ongeveer 60 dollar die ik had opgenomen bij Citibank en uit de spaarpotten van mijn kinderen had gehaald. Bij de kassa begon ik vliegensvlug de muntjes te stapelen, terwijl ik af en toe een nerveuze blik wierp naar de klanten achter me in de rij.
‘Het spijt me echt dat dit zo lang duurt,’ zei ik. ‘Dat geeft niks,’ zei de man achter de kassa. ‘Ik mediteer elke ochtend om met dit soort dingen om te kunnen gaan.’ Hij voegde eraan toe dat hij mijn inzet voor het milieu waardeerde. Het was mijn eerste positieve feedback. Ik telde 19 dollar en 2 cent neer – allemaal muntjes! – en ging naar huis om te ontbijten: noten en sinaasappels op een metalen koekblik, dat ik op schoot hield.
De passagiers waren zo verdiept in hun telefoon dat de aanblik van een man op een houten stoel hen ontging
Een paar uur later liep ik, op zoek naar een plasticvrije lunch, naar Lenwich, een broodjes- en saladezaak bij mij in de buurt. Ik was er al vroeg in de middag, met een rechthoekige glazen schaal en bamboebestek. ‘Kunt u de salade in deze glazen schaal bereiden?’ vroeg ik, terwijl ik het geval omhoog hield. ‘Ogenblik alstublieft,’ zei de man achter de toonbank kortaf. Hij riep een manager, die het oké vond. Maar mijn volgende verzoek, om mijn stalen schep te gebruiken, wees de manager af.
Na de lunch ging ik naar Central Park, in de veronderstelling dat dit de plek in Manhattan zou zijn waar ik kon ontspannen in een plasticvrije omgeving. Ik nam de metro, wat me nog meer overtredingen opleverde, aangezien de treinen zelf plastic onderdelen hebben en je een MetroCard of smartphone nodig hebt om op het perron te komen. Maar de plastic oranje stoelen vermeed ik. Ik had mijn eigen stoel meegenomen: een ongeverfde, opklapbare teakhouten stoel in Scandinavische stijl, hard en strak. Die had ik ook al in mijn appartement gebruikt om het plastic van stoelen en banken te omzeilen. Ik zette mijn stoel neer bij een paal in het midden van de wagon. Een van de passagiers had zo’n spreek-me-alsjeblieft-niet-aan-blik in de ogen, de andere waren zo verdiept in hun telefoon dat de aanblik van een man op een houten stoel hen ontging.
Tijdens mijn parkwandeling zag ik plastic tandenstokers op de grond liggen, een zwart plastic mes en een plastic tas.
Microplastics
Thuisgekomen legde ik enkele van mijn indrukken vast. Ik schreef op papier met een ongeverfd cederhouten potlood uit een ‘Zero Waste Pencil tin set’ (gewone potloden bevatten namelijk met plastic gevulde gele verf). Na een tijdje haalde ik wat water. En toen kreeg ik te maken met misschien wel het meest alomtegenwoordige probleem van alle: microplastics. Die kleine deeltjes zijn echt overal – in ons drinkwater, in de lucht die we inademen, de oceanen. Microplastics zijn onder meer afkomstig van plastic afval dat is vergaan.
Zijn ze schadelijk voor ons? Ik sprak met verschillende wetenschappers, en over het algemeen was het antwoord: we weten het nog niet. ‘Ik denk dat we hier de komende jaren een beter inzicht in zullen krijgen,’ aldus Todd Gouin, consultant op het gebied van milieuonderzoek. Voor wie extra voorzichtig wil zijn, bestaan er producten die beweren microplastics uit water en lucht te filteren.
Ik had een kan gekocht van LifeStraw waar een membraanmicrofilter in zit. Natuurlijk bevatte de kan zelf plastic onderdelen, dus kon ik hem niet gebruiken op de grote dag. In plaats daarvan stond ik de avond ervoor enige tijd aan het aanrecht om water te filteren en er weckpotten mee te vullen. Onze keuken zag eruit alsof we ons voorbereidden op de apocalyps.
Het water smaakte bijzonder zuiver, wat volgens mij een soort placebo-effect was. Ik zat een tijdje op mijn houten stoel te schrijven. Zonder telefoon. Zonder internet. Julie had medelijden met me en bood aan een kaartspelletje te doen. Ik schudde mijn hoofd. ‘Plastic coating,’ zei ik.
Rond negen uur ’s avonds nam ik onze hond mee voor haar avondwandeling. Ik had online een riem gekocht van 100 procent katoen. De poepzakjes had ik thuisgelaten, want zelfs de duurzame die ik had zijn gemaakt van gerecycled of plantaardig plastic. In plaats daarvan had ik een metalen spatel bij me. Gelukkig hoefde ik die niet te gebruiken.
‘Vergeet niet dat plastic niet de vijand is. Eenmalig gebruik is de vijand’
Om halfelf ging ik uitgeput op mijn geïmproviseerde bed liggen: katoenen lakens op de houten vloer, want mijn matras en kussens bevatten plastic. De volgende ochtend werd ik wakker, blij dat ik mijn beproeving had overleefd en mijn telefoon weer terug had – maar ergens voelde ik me ook verslagen. Ik had 164 overtredingen begaan.
Zoals Salazar had voorspeld, was het overweldigend geweest. En er was nog veel onduidelijk, zelfs nadat ik me wekenlang in het onderwerp had verdiept. Welke plasticvrije artikelen maken echt het verschil, en wat is louter greenwashing? Is het een goed idee om tandenborstels met zwijnenhaar te gebruiken, deodorant van tea tree, apparaten die microplastics filteren en papieren rietjes, of maakt al die moeite ons zo gek dat we de zaak uiteindelijk juist schaden? Ik belde Salazar voor peptalk.
‘Je kunt jezelf zeker gek maken,’ zei ze. ‘Maar het gaat niet om perfectie, het gaat om vooruitgang. Geloof het of niet, individueel gedrag is belangrijk. Het telt op. En vergeet niet,’ ging ze verder, ‘dat plastic niet de vijand is. Eenmalig gebruik is de vijand. De cultuur om iets maar één keer te gebruiken en dan weg te gooien.’
Ik dacht terug aan iets wat Susan Freinkel me had verteld: ‘Ik ben helemaal geen absolutist. Als je in mijn keuken zou komen, zou je zeggen, wat krijgen we nou? Je hebt dit boek geschreven en kijk eens hoe je leeft!’ Maar Freinkel doet wel moeite, vertelde ze. Ze vermijdt onder andere wegwerpzakjes, bekers en verpakkingen.
Ondanks mijn niet geheel geslaagde poging tot een eendagsonthouding beloof ik dat ook te proberen. Ik begin met kleine dingen, om eraan te wennen. Zoals het shampooblok. En ik kan zakjes voor groente en fruit meenemen naar de supermarkt. Misschien neem ik zelfs mijn stalen waterfles en bamboe bestek mee als ik naar Lenwich ga. En daarna, wie weet? Ik draag in ieder geval met trots het T-shirt met de tekst ‘Keep the Sea Plastic Free’ dat ik online kocht in de dagen voorafgaand aan mijn experiment. Het bevat maar 10 procent polyester.
Op het World Economic Forum van mei 2022 in Davos kwamen rechtse populisten en sceptici uit de industriële sector in het geweer tegen een visie op zakendoen die verdergaat dan winst maken. Maar is de kentering nog tegen te houden?
Het World Economic Forum (WEF) dat afgelopen mei [2022] plaatsvond in Davos had een triomf moeten worden voor gastheer Klaus Schwab. Bijna een halve eeuw nadat deze econoom in Zwitserland zijn eerste bijeenkomst organiseerde voor wereldleiders, CEO’s en financiers, leek zijn overtuiging dat bedrijven het algemeen belang moeten dienen te hebben gezegevierd over het oude idee dat bedrijven alleen maar bestaan om winst te maken voor hun aandeelhouders.
In een boek dat tijdens het forum gratis verkrijgbaar was, verklaarden Schwab en zijn coauteur er zeker van te zijn dat het idee van ‘stakeholder-kapitalisme’, kapitalisme in dienst van alle belanghebbenden, eindelijk ‘gemeengoed was geworden’.
Maar veel Davos-gangers leken daar minder zeker van, ook al liepen ze van het ene naar het andere panel dat toezeggingen deed om de CO2-uitstoot te verminderen en bezochten ze cocktailparty’s waar werd gelobbyd voor steun aan de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Het baarde hun steeds meer zorgen dat de grondbeginselen van het stakeholderkapitalisme – en de toenemende investeringen op het gebied van milieu, maatschappij en governance die daarmee gepaard gaan – onder vuur komen te liggen van populistische politici, tegenstanders uit de financiële sector en een ander soort activisten dan Schwab zich had voorgesteld.
Elon Musk
Elon Musk, misschien wel de meest prominente kapitalist van onze tijd, bestempelde de ESG-criteria voor duurzame beleggingen (milieu, maatschappij en governance) afgelopen mei als ‘zwendel’ nadat zijn bedrijf Tesla, baanbrekend producent van elektrische auto’s, was verwijderd uit de ESG-index van Standard and Poor’s (S&P). De scores van zulke indexen zijn afhankelijk van ‘hoe links een bedrijf is’, beweerde hij in een meme die op Twitter werd gedeeld.
Tariq Fancy, in een vorig leven hoofd duurzaam beleggen van de Amerikaanse vermogensbeheerder BlackRock, noemt duurzaam beleggen nu ‘een gevaarlijke placebo’. Deze scepsis heeft overheden ertoe aangezet om strengere regels op te leggen. De Amerikaanse toezichthouder SEC stelt regels op om de ESG-referenties van beleggingsproducten kritisch door te lichten, en de ‘taxonomie voor duurzame financiering’ van de EU definieert inmiddels wat als groen geldt.
‘Ik werk hier al meer dan twee jaar aan en het voelde lange tijd alsof ik tegen de stroom in moest zwemmen’
De conservatieve activisten die op jaarlijkse bijeenkomsten recordaantallen proteststemmen verzamelen, beijveren zich nu om de ESG-criteria en het stakeholderkapitalisme om te dopen tot iets wat holler, hypocrieter en zelfs schadelijker is: ‘woke kapitalisme’.
Volgens Vivek Ramaswamy, een conservatieve ondernemer en auteur, is deze felle reactie veroorzaakt doordat de elite over de schreef is gegaan. Hij haalde deze maand meer dan 20 miljoen dollar op bij de libertaire techinvesteerder Peter Thiel en anderen om een anti-ESG-investeringsgroep te beginnen die volgens hem graag de olie- en gasaandelen zal kopen die grote vermogensbeheerders steeds meer mijden. ‘Ik werk hier al meer dan twee jaar aan en het voelde lange tijd alsof ik tegen de stroom in moest zwemmen,’ zegt hij. ‘Maar nu is het tij gekeerd.’
Bekertje moraliteit
Na de financiële crisis van 2008 werden de leiders van het bedrijfsleven en de financiële wereld gezien als ‘het tuig van de Amerikaanse richel’, zegt Ramaswamy, en hun wens om hun reputatie te herstellen viel samen met die van jongere werknemers om met hun werk een hoger doel te bereiken. ‘Bedrijven grepen die kans aan door ze naar Ben & Jerry’s te sturen, waar ze een bekertje ijs konden bestellen met een bekertje moraliteit erbij,’ zegt hij, verwijzend naar het merk van Unilever dat Black Lives Matter heeft gesteund en zich verzette tegen Israëlische nederzettingen in de Palestijnse gebieden. Het gevaar van dit soort activisme, zegt hij, is dat naarmate de stemmen uit het bedrijfsleven luider klinken, ‘een kleine elite daarvan gaat bepalen wat goed is voor de samenleving als geheel’. Volgens Ramaswamy gaat de bepalende culturele en politieke strijd van onze tijd niet tussen links en rechts, maar ‘tussen de kaste van managers en de moderne burger’.
Terwijl peilingen een scherpe daling laten zien van het Republikeinse vertrouwen in grote bedrijven, werken rechtse activisten aan het terugdraaien van veel veranderingen die zijn doorgevoerd onder de vlag van ESG en het stakeholderkapitalisme.
De afgelopen twee maanden heeft een conservatieve belangengroep een rechtbank in Californië overgehaald om twee staatswetten tegen te houden die diversiteitsquota zouden hebben opgelegd aan raden van bestuur. Tijdens jaar-vergaderingen zijn tal van CEO’s, van Goldman Sachs tot Meta, door conservatieve aandeelhoudersgroepen onder druk gezet vanwege hun liefdadigheidsdonaties of gelijkheidsbeleid. Eén zo’n groep, het Free Enterprise Project, beweert het Amerikaanse bedrijfsleven te willen behoeden voor ‘de socialistische fundamenten van woke’.
Sinds enkele jaren voelen CEO’s zich aangemoedigd door hun personeel en hun klanten (en door peilingen waaruit blijkt dat het bedrijfsleven meer vertrouwen geniet dan regeringen, non-profitorganisaties of media) om openbare standpunten in te nemen over onderwerpen die ze vroeger misschien hadden vermeden. Ook dit jaar kregen Davos-gangers van Edelman, een Amerikaans pr-bedrijf dat daar onderzoek naar doet, te horen dat de meeste mensen vinden dat CEO’s de verantwoordelijkheid hebben om zich uit te spreken over kwesties als klimaatverandering en discriminatie. Maar recent wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de calculus achter het innemen van het soort sociaal-liberale standpunten dat een kapitalist als ‘woke’ zou kunnen bestempelen, complexer is.
Nadelen
‘Uit mijn onderzoek blijkt dat de voordelen niet opwegen tegen de nadelen,’ zegt Vanessa Burbano van de Columbia Business School in New York, die de reacties heeft bestudeerd van werknemers van bedrijven die zich uitspraken over de ‘wc-wetsvoorstellen’ van 2017, bedoeld om voor te schrijven van welke wc’s transgenders gebruik zouden moeten maken. Ze ontdekte dat CEO’s die een standpunt over de kwestie innamen werknemers die het niet met hen eens waren demotiveerden, terwijl werknemers die het wel met hen eens waren niet op een zinvolle manier werden gemotiveerd.
Sommige bedrijven lijken zulke risico’s al in te calculeren bij het nemen van beslissingen over hun politieke interventies. Swarnodeep Homroy, universitair hoofddocent finance aan de Rijksuniversiteit Groningen, ontdekte dat bedrijven in staten met een sterk gepolariseerd electoraat eerder geneigd waren om te stoppen met het doen van donaties aan Republikeinen die de verkiezingsoverwinning van Joe Biden in 2020 ontkenden. Ze waren minder geneigd om dit te doen als ze politieke risico’s liepen, zoals het verspelen van overheidscontracten.
In Davos zeiden Amerikaanse CEO’s dat ze pragmatische ‘probleemoplossers’ in het Congres wilden aanmoedigen, maar een van hen klaagde off the record dat hij momenteel niemand zag in het midden van een steeds sterker verdeeld politiek landschap.
‘Ik ben echt bang dat de ESG-criteria in een lippendienst zijn ontaard en dat het te veel een kwestie van afvinken is geworden’
Die polarisatie zal er waarschijnlijk toe leiden dat meer CEO’s hun stem zullen laten horen bij de sociale geschillen die hun werknemers het meeste aan het hart gaan, zegt Vanessa Burbano. ‘Werknemers realiseren zich dat hun leiders voor een keuze staan over wat ze moeten zeggen en doen, en zijzelf kunnen daar mogelijk invloed op uitoefenen op een manier die vijf jaar geleden nog ondenkbaar was,’ zegt Burbano.
Hoewel ze de motieven van hun critici wantrouwen, erkennen diverse voorstanders van duurzamere manieren van zakendoen de beperkingen van de ESG-criteria, die weliswaar ambitieus van opzet zijn, maar onduidelijk zijn omschreven.
‘Ik ben echt bang dat de ESG-criteria in een lippendienst zijn ontaard en dat het te veel een kwestie van afvinken is geworden,’ zegt lady Lynn Forester de Rothschild, wier Coalition for Inclusive Capitalism een invloedrijke groep op stakeholders gerichte CEO’s vertegenwoordigt.
Bedrijven hebben geen andere keus dan milieuvriendelijker te worden
Homroy op zijn beurt vermoedt dat bedrijven geen andere keus hebben dan milieuvriendelijker te worden, maar hij vreest ook dat ze steeds meer zullen terugschrikken voor een sociaal activisme dat hen kwetsbaar maakt voor aanvallen.
De meeste Davos-gangers zijn nog steeds overtuigd van de commerciële kans die in elk geval door de ‘E’ in ESG wordt geboden, die van ‘environment’ oftewel ‘milieu’. De noodzaak om de overgang naar emissiearme technologieën te financieren is een aankondiging van wat McKinsey-consultants ‘de grootste herverdeling van kapitaal in de geschiedenis van de mensheid’ hebben genoemd. Sommigen geloven ook dat hun nieuwe sociale positionering zal helpen bij het aantrekken en vasthouden van talent.
Vooralsnog, zegt Rothschild, zijn veel CEO’s vooral verbijsterd door de aanvallen op hun experimenten met een ander soort kapitalisme en weten ze niet wanneer ze opnieuw op de korrel zullen worden genomen. ‘Je weet nooit wanneer de piano op je hoofd zal vallen als je over straat loopt,’ zegt ze. En ook niet wie hem een zetje zal geven.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.