Zelfrijdende auto’s zouden de behoefte aan parkeerplaatsen drastisch kunnen verminderen. Zelfs in Detroit, de autohoofdstad van Amerika, wordt er al over nagedacht.
Stedenbouwkundigen leren altijd dat je nooit genoeg parkeerplaatsen kunt hebben. Dat is een van de redenen waarom Amerikaanse steden, ook Detroit, ontsierd worden door al die lelijke betonnen parkeergarages. En waarom historische gebouwen vaak aan de slopershamer ten prooi vallen zodra een parkeerterrein meer geld belooft op te brengen. Maar de komst van de zelfrijdende auto kan misschien korte metten maken met de behoefte aan parkeerruimte die steden als Detroit in een wurggreep heeft. De meeste voorstanders van zelfrijdende auto’s voorspellen dat die behoefte zal dalen, omdat zelfrijdende auto’s praktisch nooit geparkeerd hoeven te worden, hooguit ’s nachts. In plaats van de hele dag werkloos te wachten op een parkeerterrein of in een parkeergarage, kunnen ze de hele dag rondrijden om andere passagiers of spullen rond te brengen.
Revolutie in stedenbouw
Samen met de groeiende populariteit van diensten als Uber en Lyft, nieuwe fietsverhuurprogramma’s als MoGo, nieuwe vervoersmiddelen zoals de tram van Qline en de trend om in het centrum te gaan wonen, kan dat leiden tot een drastische daling van de behoefte aan parkeergelegenheid in de stad. En dat zou een revolutie in het ontwerp van steden kunnen betekenen. Amerikaanse stedenbouwkundigen werken al lang met voorschriften voor de minimale hoeveelheid parkeerplaatsen bij gebouwen. Die voorschriften verhogen de prijs van nieuwbouw en leiden tot een stadslandschap dat ontsierd wordt door lelijke parkeerkolossen en grote parkeerterreinen. Uit het oogpunt van stedenbouw zou het een zegen zijn als daar minder behoefte aan komt.
Maar reken er niet op dat dit heel snel gaat gebeuren. De laatste trend wijst eerder op een stijging dan een daling van de behoefte aan parkeerruimte in Detroit en voorsteden als Birmingham en Ferndale. Eén oorzaak daarvan is dat werkgevers als gevolg van de grote recessie in hun vastgoedkosten snijden. Dat doen ze door meer werknemers in dezelfde of kleinere ruimtes te proppen, wat in de praktijk neerkomt op meer benodigde parkeerruimte voor dezelfde oude gebouwen. En de recente populariteit van wonen in het centrum drijft die behoefte nog verder op. Medewerkers van hypotheekverstrekker Dan Gilbert schatten dat ze met Quicken Loans en zijn dochterbedrijven sinds 2010 zo’n 17.000 werknemers aan huisvesting in het centrum van Detroit hebben geholpen. Sommigen van hen, merendeels twintigers, gaan lopend of op de fiets naar hun werk. Maar er zijn er ook genoeg die een plekje voor hun auto willen. Dat is een van de redenen waarom ook verder afgelegen parkeerterreinen en de straten rondom het centrum tegenwoordig vol staan met auto’s.
Dat tij kan worden gekeerd door de opkomst van zelfrijdende voertuigen en openbaar vervoer. Dus beginnen sommige architecten en stedenbouwkundigen na te denken over de mogelijke gevolgen. Eén intrigerende mogelijkheid: bij het ontwerp van parkeergarages voortaan rekening houden met de mogelijkheid dat het gebouw later zal worden gebruikt voor bewoning, kantoorruimte of andere doeleinden, al naargelang de behoefte. Zo’n vreemd idee is dat niet: in steden worden oude fabrieken en pakhuizen al heel lang tot loftwoningen verbouwd, in oude kerkgebouwen komen brouwerijcafés en in de kantoorgebouwen van begin twintigste eeuw aan Woodward Avenue zitten nu appartementen, winkels, restaurants en een verdwaalde nachtclub.
Een Japanse Hikimi-puzzel met als thema ‘parkeren’.
Maar om parkeergarages daarvoor geschikt te maken, moeten ze anders worden gebouwd. De licht hellende vloeren die ze meestal hebben (zodat regen- en smeltwater goed wegloopt), moeten waterpas worden gemaakt om geschikt te zijn voor ander gebruik. Ook de plafonds moeten hoger als er mensen komen wonen. En woningen en kantoorruimte zijn meestal zwaarder dan geparkeerde auto’s, dus de constructie zal steviger moeten worden. Ook moeten architecten alvast ruimte uitsparen voor ramen en leidingwerk, ook als de garage in de voorzienbare toekomst niet zal worden omgebouwd. Dit is niet louter fantasie. In Seattle, Boston, Denver, Miami en Atlanta denken stedenbouwkundigen hier al over na. Al blijft het voorlopig bij denken.
Ook het beeld van winkelcentra die baden in een zee van asfalt zal verdwijnen. Ze kampen nu al met de concurrentie van onlinewinkels en zullen in de toekomst lang niet zoveel parkeerruimte nodig hebben als vroeger. Het idee is dat zelfrijdende auto’s de klant daar afzetten en vervolgens niet naar een parkeerplekje gaan zoeken, maar doorrijden om iemand anders te vervoeren. Michael Osment, vicevoorzitter van Taubman Co., een ontwikkelaar van chique winkelcentra uit Bloomfield Hills, zei onlangs op een vervoerscongres in Southfield dat er een andere bestemming moet worden gevonden voor tientallen hectaren grond rondom winkelcentra, omdat online winkelen en zelfrijdende auto’s de vraag naar parkeerruimte doen kelderen.
De gemeente Sterling Heights heeft het architectenbureau Archive DS al gevraagd een plan uit te werken om de Lakeside Mall in deze geest te renoveren. Mark Nickita, een van de architecten, toonde een voorlopig ontwerp waarin de huidige parkeerterreinen worden opgevuld met nieuwe gebouwen en een uitbreiding van de vijver, zodat alles beter beloopbaar wordt. ‘We laten de grote blokkendozen staan, halen het binnenwerk eruit en creëren een omgeving voor gemengd gebruik,’ zegt Nickita.
Laten we niet vergeten dat weinig dingen een mens zo hebberig kunnen maken als een parkeerplekje
Het zijn nog maar plannen. Maar dat geldt voor zoveel waar het de toekomst van het parkeren betreft. Veel voorspellingen van pleitbezorgers van zelfrijdende voertuigen blijven hoogst speculatief. Op een recente vervoersconferentie in Southfield voorspelde Richard Wallace, hoofd Vervoersanalyse bij het Center for Automotive Research van de Universiteit van Michigan, dat de meeste zelfrijdende auto’s privébezit zullen zijn, net zoals gewone auto’s nu. Maar Robert Feldmaier, hoofd van het Center for Advanced Automotive Technology van Macomb Community College, voorspelde juist het tegenovergestelde. Hij zei dat zelfrijdende voertuigen vooral terecht zullen komen in wagenparken van verhuurdiensten, en niet in handen van particulieren.
Gaan zelfrijdende auto’s straks meer of minder kilometers maken dan auto’s waarin we zelf achter het stuur zitten? Beide voorspellingen worden gedaan. Gaan zelfrijdende auto’s over twee of over twintig jaar de weg op? Analisten bieden argumenten voor beide mogelijkheden. Dus laten we nog maar niet juichen over het einde van de behoefte aan parkeerruimte in steden. Parkeren mag dan een enorme verspilling zijn – volgens sommige schattingen staan de meeste auto’s 95 procent van de tijd stil – maar laten we niet vergeten dat weinig dingen een mens zo hebberig kunnen maken als een parkeerplekje. Zoals de grote twintigste-eeuwse architectuurcriticus Lewis Mumford ooit zei: ‘De huidige Amerikaanse manier van leven berust niet alleen op gemotoriseerd vervoer, maar op de religie van de auto; en de offers die mensen voor die religie willen brengen, vallen buiten het domein van de rationele kritiek.’
Grootste krant van Detroit. Besteedt behalve aan het gewone stadsnieuws veel aandacht aan de auto-industrie. Won tien Pulitzerprijzen en vier Emmy Awards. Motto: On Guard For 187 Years.
Waar de auto vroeger symbool stond voor vrijheid, wordt hij tegenwoordig vooral geassocieerd met vervuiling en fileleed. Maar betekent dit ook dat we ons vertrouwde vervoermiddel kunnen missen?
Keuze uit het archief
Door het conflict in het Midden-Oosten zijn de gas- en benzineprijzen fors gestegen. Het Internationaal Energieagentschap (IEA) adviseert onder meer om thuis te werken en met het openbaar vervoer te reizen zodat er minder benzine verbruikt wordt.
Het zal nog niet meevallen om de auto vaker te laten staan en desnoods van de hand te doen, als we dit artikel van The Guardian moeten geloven. Onze liefde voor vrijheid wint het vooralsnog van de nadelen die aan de auto kleven, zoals files en milieuvervuiling.
Dit zijn, zo willen tal van stemmen ons doen geloven, de bitterzoete nadagen van onze langdurige liefdesrelatie met de auto. In Los Angeles, de stad met de meeste verkeersopstoppingen ter wereld, zat de gemiddelde automobilist vorig jaar 102 uur vast in de spitsdrukte. In Londen waren bestuurders drie dagen kwijt aan verkeersopstoppingen.
In Amerika bereikten het autobezit en het aantal jaarlijks gereden kilometers vijftien jaar geleden een hoogtepunt dat waarschijnlijk nooit meer zal worden geëvenaard. Jonge mensen, voor wie de auto ooit onmisbaar was als symbool van onafhankelijkheid en een eigen identiteit, om avonturen te beleven, te laten zien wie je was en (vaak seksuele) betrekkingen aan te knopen, hebben gekozen voor een ander vrijheidsapparaat: de smartphone. Het aantal jonge Amerikanen met een rijbewijs bedroeg in 1984 92 procent; sindsdien is dat aantal gedaald naar 77 procent. Ook in het Verenigd Koninkrijk is het aantal jonge automobilisten drastisch gedaald.
En jonge mensen zijn niet de enigen. Op een toon die varieerde van bezorgd tot dystopisch is de afgelopen twee decennia de wereldwijde crisis becommentarieerd die wordt veroorzaakt door onze toewijding aan voertuigen met een verbrandingsmotor, die bijna een kwart van de wereldwijde CO2-emissie uitbraken en ongeveer 1,3 miljoen levens per jaar kosten. Milieuactivisten bezingen de dood van de auto, terwijl in de hoofdkantoren in Detroit, Tokio en Wolfsburg de angst regeert.
Onlangs bepaalde een van de hoogste rechtbanken in Duitsland dat zwaar vervuilende dieselvoertuigen uit het centrum van Stuttgart en Düsseldorf mogen worden geweerd. En dit zijn lang niet de enige steden die het verkeer en de daarmee gepaard gaande milieuvervuiling proberen in te dammen. Maar het zou voorbarig zijn auto’s af te schrijven, omdat ze in veel landen nog altijd bepalend zijn voor het leven van alledag. In de VS is ‘automobiliteit’ al een manier van leven sinds de eerste auto’s van de lopende band begonnen te rollen.
Koninkrijk van de auto
Hoewel de automobiliteit zich ook in Duitsland, Engeland, Frankrijk en Japan al in een vroeg stadium ontwikkelde, werd Amerika door zijn weidse landschappen, zijn beperkte openbaar vervoer en zijn individualistische aard het ideale koninkrijk voor de auto. De aanleg van het interstatelijke snelwegennet in de jaren vijftig betekende een geweldige steun in de rug voor de olie-, automobiel- , rubber- en cementindustrie en voor bouwbedrijven en verzekeringsmaatschappijen. In vier decennia drong de automobiliteit door tot in alle uithoeken van de bebouwde omgeving en drukte ze een stempel op werk en vrije tijd.
De toegenomen belangstelling voor autorijden werd vaak toegeschreven aan het verlangen van mensen om gebruik te maken van de nuttige uitvinding die Henry Ford met zijn Model T betaalbaar maakte. Henry’s kleinzoon Henry Ford III verdedigde de dominante positie van de auto op transportgebied als de weerspiegeling van een ‘overweldigend publiek mandaat’. Maar deze bewering versluiert zowel de politieke invloed van de auto-industrie op het beleid – denk aan de road gang, de groep auto-industriëlen die in de jaren vijftig de toenmalige president Eisenhower adviseerde – als de manier waarop de auto werd gepromoot als een effectieve manier om mensen politiek te trainen.
Net als nu paste de praktijk van het autorijden perfect in het kapitalistische landschap: individualisme, concurrentie, gehoorzaamheid. Het gevoel van autonomie, zeggenschap en vrijheid dat we geacht worden te ervaren als we autorijden, sluit direct aan bij de manier waarop het kapitalisme wil dat we onszelf zien: als zelfstandige gebruiksartikelen die kunnen worden ingezet voor arbeid.
De massale, door de staat gefinancierde automobilisering van het Amerikaanse leven vond plaats in de schaduw van de Koude Oorlog, toen de regering erop gebrand was de onafhankelijkheid te tonen die burgers van de ‘vrije wereld’ genoten. Foto’s van automobilisten die in hun ‘vrijheidsmachines’ over de snelwegen raasden zonder, zoals Chuck Berry zong, ‘een speciale plek om naartoe te gaan’, dienden als propaganda. De fysieke immobiliteit van de burgers van communistische landen, daarentegen, toonde de verdorvenheid van regimes naar Sovjetmodel.
China is momenteel bezig zijn landschap te automobiliseren met een snelheid en omvang die wedijveren met die van de VS halverwege de vorige eeuw. Ook daar maakt de automobiliteit bij burgers kapitalistische gevoelens los. In de berichten van westerse media over het toenemende autogebruik in China getuigen tal van Chinese automobilisten van de vrijheid die ze achter het stuur ervaren. En door zijn reusachtige bevolking en zijn milieuproblematiek wordt China er sterk toe aangezet auto’s de technologische upgrade te geven die ze nodig hebben: het invoeren van zelfrijdende systemen en het vervangen van fossiele brandstoffen door rendabeler alternatieven. Hoe automobiliteit 2.0 er ook uit zal zien, ze zal bijna zeker ontstaan in een nadrukkelijk kapitalistisch China en de waarden daarvan uitstralen.
Het voorbeeld van China’s ambitieuze automobiliseringsplannen verwijst naar de tweede reden waarom automobiliteit niet zal verdwijnen – of worden gerevitaliseerd – in de VS: politieke afkalving. Bij het huidige politieke klimaat in de VS kun je je moeilijk voorstellen dat de federale regering iets als een interstatelijk snelwegennet realiseert. Het zal niet eens de infrastructuur financieren die nodig is om de zo bewierookte zelfrijdende auto’s te laten rijden.
Ondertussen hebben velen van ons die in de VS wonen en werken weinig andere keus dan ons leven rond de auto te structureren, ook al weten we dat die gevaren, opstoppingen en kosten met zich meebrengt. We houden niet meer van onze auto – als we dat al ooit hebben gedaan – maar we blijven ermee getrouwd.
Net als in Barcelona en Amsterdam kunnen ze op sommige plekken in Azië de toestroom van bezoekers niet meer aan. ‘De tijd dat belangrijke toeristische bestemmingen in dit gebied vrijelijk bezocht konden worden, is voorbij.’
Toen Willem Niemeijer, directeur en oprichter van het in Bangkok gevestigde reisbureau YAANA Ventures, voor het eerst naar Angkor Wat in Siem Reap ging, had hij de plek, die op de UNESCO-lijst staat, voor zichzelf. Cambodja stond in 1992 onder interimgezag van de VN en het land bereidde zich voor op verkiezingen na tientallen jaren van burgeroorlog. Reizigers waren er dun gezaaid. Dat jaar trokken de ruïnes minder dan negentigduizend bezoekers. In 2017 kwamen er net iets meer dan twee miljoen, waardoor Angkor Wat met gemak de grootste toeristenattractie van Cambodja genoemd mag worden. ‘Toen waren het alleen ik en de VN,’ zei Niemeijer. ‘Nu kan een bezoek een onaangename ervaring zijn.’
Zo onaangenaam dat APSARA, de instantie die toezicht houdt op Angkor Wat, heeft besloten om het aantal bezoekers te beperken dat op de tempel Phnom Bakheng de beroemde zonsondergang achter de ruïnes mag meemaken.
In Thailand heeft het bestuur van de nationale parken en wildparken opdracht gegeven om Maya Bay op Phi Phi Island – beroemd geworden door de film The Beach uit 2000 met Leonardo DiCaprio – vanaf juni voor vier maanden te sluiten voor alle bezoekers.
Het eerder deze maand genomen besluit van president Rodrigo Duterte van de Filipijnen om het vakantie-eiland Boracay voor een half jaar te sluiten vanwege de verslechtering van het milieu onderstreept een trend, al vinden velen de beslissing te drastisch. De tijd waarin belangrijke toeristische bestemmingen in dit gebied vrijelijk bezocht kunnen worden is voorbij, zeggen reisorganisatoren. Quota en sluitingen zullen toenemen omdat regionale besturen moeite hebben de aanwas van toeristen onder controle te houden.
‘De belangrijkste bestemmingen worden platgelopen,’ zei Niemeijer, die in de tijd dat hij Angkor Wat voor het eerst bezocht een bedrijf opzette om gefortuneerde reizigers weg te leiden van de drukke hotspots. ‘We zullen te maken krijgen met per dag en uur vastgestelde bezoekersaantallen en beperkte toegang tot de populaire plekken. Hopelijk leidt dat tot meer belangstelling voor de minder gewilde bestemmingen.’
De Filipijnse autoriteiten op Borocay klagen dat sommige hotels illegaal gebruikmaken van lokale riolen en andere voorzieningen. Buitenlandse bezoekers zullen vanaf het einde van deze maand geweerd worden van het kleine eiland. Andere vakantieoorden die verdacht worden van soortgelijke overtredingen zullen onder de microscoop worden gelegd.
Maar mensen die hun brood verdienen in de sector, werpen tegen dat de moeilijkheden veroorzaakt worden door slechte planning en niet door het massatoerisme, dat de regionale economie 120 miljard dollar heeft opgeleverd.
De ellende is dat het vuilnis zich opstapelt op de stranden, terwijl hotels en villa’s waterhoudende grondlagen uitputten
Thailand verwacht dit jaar, volgens voorspellingen van de regering, 38 miljoen bezoekers. Maar Frankrijk – een land met eenzelfde oppervlak en bevolking – had in 2016, volgens gegevens van de Wereldbank, bijna 83 miljoen bezoekers zonder dat dit een even grote druk op het milieu tot gevolg had.
Het verschil ligt in de infrastructuur en overheidsbeleid, zoals belastingvoordelen voor bedrijven om minder bekende bestemmingen te ontwikkelen en steun om de druk op populaire plaatsen te verminderen, zei Matt Gebbie, de directeur Asia Pacific voor het toerisme-adviesbureau Horwath HTL Indonesia. ‘Het gaat om planning, planning, planning,’ aldus Gebbie. ‘Je ontwikkelt pas een duurzame toeristenindustrie als de privésector en de publieke sector met elkaar praten.’
Maar bestemmingen in Zuidoost-Azië hebben te maken met unieke omstandigheden. Een explosie van goedkope vliegreizen en de toename van Chinese welgestelden die op vakantie willen, leggen weer nieuwe druk op lokale ecosystemen. In Bali kwamen vorig jaar 5,6 miljoen toeristen op bezoek; dit jaar wordt het aantal geschat op zeven miljoen, een stijging die vooral wordt veroorzaakt door de komst van Chinezen (vorig jaar goed voor 1,3 miljoen bezoekers).
De ellende is dat het vuilnis zich opstapelt op de stranden, terwijl hotels en villa’s waterhoudende grondlagen uitputten, zei Utung Pratama, een activist van Walhi, het Indonesische Forum voor het Milieu. ‘Het gaat hard achteruit op Bali,’ zei hij. ‘De schuldigen zijn de projectontwikkelaars die geen oog hebben voor de invloed van het toerisme op het milieu.’
Er zijn echter tekenen dat lokale toezichthouders de controle aanscherpen. Vorig jaar werd een generaal pardon afgekondigd voor illegale hotels in Phuket, Thailand. Zij mochten een vergunning aanvragen zonder dat ze een boete hoefden te betalen. Daardoor is het officiële aantal onderkomens dat belasting betaalt verdubbeld tot zeventienhonderd.
Vorig jaar steeg het aantal bezoekers aan Phuket met elf procent tot meer dan 8,4 miljoen, doordat het aantal Chinezen met een vijfde toenam. Zo’n veertig Chinese steden hebben directe vluchten naar Phuket, terwijl dat vijf jaar geleden nog maar een handjevol was.
Flaneren over het strand van Borocay, het kleine eiland in de Filipijnse provincie Aklan.
Die aantallen zullen alleen maar toenemen, zei Jens Thraenhart, directeur van het Mekong Tourism Coordinating Office. Toekomstige reizigers in China staan te trappelen om erop uit te gaan nadat ze dat jarenlang was verboden. Vorig jaar reisden Chinezen 127 miljoen keer naar overzeese bestemmingen, volgens gegevens van de China National Tourism Association. ‘Er is een enorme vraag en een grote hoeveelheid reizigers,’ zei Thraenhart.
Milieu- en erfgoedgroepen en toezichthouders maken zich misschien zorgen, maar op vele bestemmingen is dit juist goed nieuws. Na jaren van oorlog en gebrek zijn de inwoners van Laos en Cambodja blij dat de toeristendollars rollen, zei Christian Do Boer, algemeen manager van het Jaya House, een ecohotel in Siem Reap dat zich erop beroemd geen plastic te gebruiken. ‘Bijna elke toerist is een goede toerist,’ zei Do Boer. ‘We hebben het geld nodig.’
De meest gelezen Engelstalige krant in Zuidoost-Azië. In die regio geniet het dagblad een invloedrijke status. Schurkt tegen de Singaporese overheid aan maar staat garant voor goede analyses.
Eerst werd de Alaska-lupine nog verwelkomd als bedekker voor de geërodeerde grond. Maar nu is men de ‘kwaadaardige paarse indringer’ beu. De spanningen tussen voor- en tegenstanders lopen hoog op.
Twee jaar voordat Neil Armstrong de eerste stap op de maan zette, ging hij op zalm vissen in het noorden van IJsland. In een plaatselijk museum hangt een foto waarop hij in een rivier staat – maar het fotootje is zo klein dat ik aanvankelijk dacht dat het slechts een sfeerbeeld was, bedoeld om te laten zien hoe mensen in de jaren zestig hun vrije tijd doorbrachten. Met een flauwe glimlach houdt de 36-jarige Armstrong zijn hengel vast. Hij zou kunnen doorgaan voor een IJslander, ware het niet dat hij een honkbalpetje draagt, en een dure pilotenzonnebril. En vier lagen kleren.
Armstrong verkeerde destijds in het gezelschap van nog enkele toekomstige ruimtevaarders, die in trainingskampen in het binnenland van IJsland verbleven. Het was zomer en door het constante daglicht werd hun uiteindelijke doel aan het oog onttrokken. Midden in de hooglanden van IJsland had de NASA een tweede maanlandschap aangetroffen: geen vegetatie, geen leven, geen kleuren, geen oriëntatiepunten. In feite was het hele gebied één uitstrekte grindvlakte. De toekomstige astronauten maakten van de gelegenheid gebruik en formeerden twee teams voor een partijtje voetbal, om de spanningen van de dag kwijt te raken. Met grote stenen markeerden ze het doel. De dichtstbijzijnde boom was vele dagen lopen in noordoostelijke richting, naar de kust, over de Hólasandur, de zwarte zandwoestijn. En dan nog zou de boom in kwestie niet veel langer zijn geweest dan Armstrongs hengel, verweerd zoals alles op het door erosie geteisterde Noord-Atlantische eiland.
De term ‘maanlandschap’ wordt tegenwoordig veel gebruikt door toeristen die foto’s maken van de eindeloze IJslandse vlakten – gevormd door vulkaanuitbarstingen, bedekt met verschillende tinten lava. Op veel van die foto’s prijkt echter een opmerkelijk paarse indringer: de lupinus nootkatensis, ook wel de Alaska-lupine genoemd. Deze plant deed zijn intrede niet lang na de astronauten, en hij werd verwelkomd als een prima bedekker voor de geërodeerde grond. Maar geleidelijk keerde het experiment zich tegen het gebied en inmiddels wordt IJsland getekend door een permanente paarse vlek. Tegenwoordig wordt deze Alaska-lupine beschouwd als een invasieve plant, die niet alleen een bedreiging vormt voor de bestaande vegetatie maar ook voor het kale, vulkanische landschap dat geregeld wordt omschreven in termen waarin de bewoordingen doorklinken van Buzz Aldrin toen hij voor het eerst het maanlandschap aanschouwde: een desolate pracht.
Kleur van IJsland
Het ooit zo zwarte zand van de Hólasandur, waar de astronauten rondliepen, is momenteel een paarse vlakte. Met de klimaatverandering rukt de lupine op naar plekken die er tot dan toe van waren gevrijwaard door de koude temperaturen en de regenval. Sommige IJslanders zijn blij met deze paarse plant. De strijd om de kleur van IJsland heeft geleid tot een diepgaande discussie die een nieuwe vorm van identiteitspolitiek in de hand heeft gewerkt. De spanningen liepen hoog op toen afgelopen zomer enkele gemeenschappen in het oosten van IJsland – het zogenaamde maanlandschap – de bewoners opriepen de handen ineen te slaan teneinde IJslands alfaplant te verdrijven. Maar zelfs als we het er allemaal over eens zouden zijn dat de lupine een kwaadaardige indringer is die het veld moet ruimen, zouden we de plant dan ook echt weten uit te roeien?
De lupinus nootkatensis – die oorspronkelijk voorkwam in Alaska en Brits-Columbia – is een geslacht uit de vlinderbloemenfamilie, waartoe ook de peulvruchten behoren. Hij is een specialist in fotosynthese: lupine is gastheer van bepaalde bacteriën die stikstof uit de lucht halen en doorgeven via de okselknoppen. Wanneer je de aarde onder de lupine (of peulvruchten) omspit, komt de stikstof in de aarde terecht, wat dient als mest voor de planten die volgen. Het is een elegante oplossing om uitgeputte grond van voeding te voorzien.
De lupinus nootkatensis is ooit in een koffer in IJsland gearriveerd. De doelbewuste introductie van de plant in het IJslandse landschap is echter al zo’n duizend jaar geleden in gang gezet. Toen de eerste kolonisten hun Vikingschepen aanlegden, was tweederde van het eiland bedekt met groen en leefde er slechts één landzoogdier, de poolvos. De eerste mensen die zich op het eiland vestigden, hadden een scheepslading vee bij zich en namen hun agrarische manier van leven mee: ze kapten bomen en stookten het hout, zonder zich te realiseren dat de IJslandse bodem eerder uitgeput raakte en minder snel herstelde dan die van het Europese vasteland.
De kolonisten van toen zouden nauwelijks de kale kustlijn van nu herkennen, die de overheid nieuw leven heeft willen inblazen door in 1908 de National Forest Service op te richten. Tegen die tijd was IJsland in ecologisch opzicht ‘het zwaarst beschadigde land van Europa’, om de beroemde polyhistor en auteur Jared Diamond te citeren. Door winderosie werd het eiland, korrel voor korrel, de zee in geblazen. De verwoesting ging onverminderd voort en halverwege de twintigste eeuw, toen andere Europese landen druk bezig waren met de wederopbouw van na de Tweede Wereldoorlog, brak de IJslandse Forest Service zich het hoofd over een heel andere vorm van verwoesting: de IJslanders hadden roofbouw gepleegd op hun eiland, ze hadden de berkenbossen gekapt en er was sprake van overbegrazing van het land. Van de oorspronkelijke vegetatie restte nog slechts 25 procent.
De Forest Service stuurde het hoofd, Hákon Bjarnason, naar Alaska, om daar drie maanden lang alle zaden van alle planten en bomen te verzamelen waarvan hij meende dat ze de natuur van IJsland een nieuwe impuls zouden kunnen geven. De dag dat hij huiswaarts keerde, 3 november 1945 – zoals uit het stempel in zijn paspoort blijkt – is de dag waarop de IJslandse lupinelegende een aanvang neemt.
De eerste drie decennia leeft de plant in de groene ruimten in de buurt van de hoofdstad Reykjavik. Árni Bragason, hoofd van de Soil Conservation Service of Iceland, zegt dat pas in 1976 actief lupinezaad werd verzameld en in het wild uitgestrooid, met de bedoeling de kwetsbare grond in het land een extra impuls te geven. De lupine deed het uitstekend en fungeerde als een soort mestfabriek. Het hele landschap kleurde roze zonder dat er veel kosten mee waren gemoeid en zonder dat er speciaal mensen voor hoefden te worden opgeleid: werkelijk iedereen kon de zaden verzamelen, die in een gat ter grootte van een schoenzool strooien en – abacadabra – geleidelijk zag je het landschap veranderen. Misschien wel voorgoed.
Pas na enkele tientallen jaren werd mij enigszins duidelijk wat deze paarse plant heeft gedaan met de psyche van mijn landgenoten. IJsland is verdeeld in twee kampen en de splijtzwam is de lupine.
Nadat ik de groep heb aangeklikt, bombardeert Facebook me met advertenties voor lupinekruidenthee, een drank die wordt verkocht in plastic anderhalveliterflessen van maar liefst 19 dollar – wat nog niet eens zo’n gekke prijs is voor een drankje dat zou helpen tegen “slechte doorbloeding, Parkinson en kanker”, om maar een greep te doen
In 2006 posteerde ik me voor de ingang van een supermarktje in Selfoss, in het zuiden van IJsland, met een notitieblokje en een goedkope camera, die ik te leen had gekregen van een lokale krant, de Sunnlenska. Ik was op zoek naar mensen die hun mening wilden geven voor ‘De vraag van de dag’, een column waarin toevallige voorbijgangers wordt gevraagd zich uit te spreken over een heet hangijzer, een onderwerp waar ze gewoonlijk niet al te veel van afweten, waarna ze ook nog – na enige intellectuele gêne – op de foto worden gezet, voor bij het stukje.
Milieukwesties liggen altijd gevoelig – welk normaal mens gaat boodschappen doen om een gesprek te voeren over de vraag of de aarde al dan niet ten dode is opgeschreven? Maar die dag bleek ik een wel zeer gevoelige snaar te raken met een zo op het oog redelijk onschuldige vraag: hoe kijkt u aan tegen de lupinus nootkatensis?
Iedereen vond er het zijne van. Veel van de mensen die ik sprak hadden de lupine letterlijk zien oprukken. Wie aan het begin van de zomer over IJslands Route 1 rijdt, die alle kleine dorpjes en steden van het eiland met elkaar verbindt, heeft het gevoel dat hij over een weg rijdt die dwars door de lupinevelden is aangelegd, alsof de bloemen er eerder waren dan de weg. Dat is niet het geval. In de loop der jaren is het enthousiasme van de Forest Service overgeslagen op veel van de inwoners, die in het wilde weg zaden hebben meegenomen naar andere steden, andere valleien en zelfs naar enkele eilandjes voor de kust. Er is geen IJslander die zich níét heeft vergaapt aan de paarse vlakten. En velen zijn dol op de lupine.
De Facebookgroep Vinir lúpínunnar, ‘Vrienden van de lupine’, die momenteel zo’n 2800 leden telt, maakt duidelijk hoeveel steun er onder de IJslanders is voor de lupine. Sommige leden roemen de eigenschappen van de bloem als middel om de ontbossing te keren: bomen die in de buurt van lupine worden geplant, profiteren van de rijke grond. Zodra de bomen groot genoeg zijn, nemen ze het licht weg van de bloemen, die bijna een meter hoog kunnen worden. In het ideale geval zullen na zo’n 25 tot 30 jaar de lupines als vanzelf verdwijnen en is de grond vruchtbaar genoeg voor andere vegetatie. Sommige leden van de Facebookgroep zijn voorstander van de lupine vanwege de esthetische waarde. Ze posten filmpjes en foto’s, zonder er ook maar een moment bij stil te staan dat de plant niet inheems is.
De vrienden van de lupine zijn met name gecharmeerd van zogeheten ‘voor en na’-foto’s. En natuurlijk probeert men munt te slaan uit die geestdrift. Nadat ik de groep heb aangeklikt, bombardeert Facebook me met advertenties voor lupinekruidenthee, een drank die wordt verkocht in plastic anderhalveliterflessen van maar liefst 19 dollar – wat nog niet eens zo’n gekke prijs is voor een drankje dat zou helpen tegen ‘slechte doorbloeding, Parkinson en kanker’, om maar een greep te doen.
De mensen bij de supermarkt die op mijn vraag ingingen, waren duidelijk in twee kampen te verdelen: pro en contra lupine. Het is volkomen zwart-wit. De meeste antwoorden waren echter lang en emotioneel geladen, allesbehalve objectief, noch wetenschappelijk onderbouwd.
Balanceeract
De eerste twee mensen vertelden verhalen over de magie van de lupine: dat hij erosie en afstuiving tegengaat en dat er dankzij lupine weer bomen kunnen worden geplant. De derde zei dat de lupine het uitzicht uit zijn zomerhuisje had verpest. De vierde beweerde in zijn vrije tijd lupinevelden leeg te ruimen maar durfde daar niet openlijk voor uit te komen. Vrijwel iedereen voorspelde twee verschillende toekomstscenario’s: een toekomst met lupine en een toekomst zonder lupine. Mijn vijfde respondent stak een lange tirade af, die ik zou willen terugbrengen tot een enkele vraag: ‘Waarom heeft niemand hier een stokje voor gestoken?’
Het is een balanceeract om IJsland weer groener te maken: we willen de natuur herstellen in de oude glorie, met onze op natuurlijke wijze ontstane vulkanische woestijnen, maar daarnaast moeten we de vegetatie herstellen die verloren is gegaan. De voor- en tegenstanders hebben allebei valide argumenten.
Ongeveer 0,4 procent van het oppervlak van het eiland is bedekt met lupine, als we afgaan op schattingen op grond van luchtfoto’s. Dat klinkt niet veel, maar in aanmerking genomen dat slechts 400 vierkante kilometer van het eiland bebost is, gaat het toch om een heleboel lupine. En terwijl de aangeplante bossen in 2085 naar verwachting 1,6 procent van het oppervlak zullen bedragen, zou het aandeel van de paarse bloemen wel eens in de dubbele cijfers kunnen komen, mede dankzij klimaatverandering en menselijke activiteit. ‘Exponentiële groei is de natuur van invasieve soorten,’ zegt botanist Pawel Wasowicz, de lupine-expert van het Iceland Institute of Natural History. Naar zijn inschatting zal de groeicurve ergens in de volgende twee decennia een spectaculaire piek vertonen.
Volgens het Institute of Natural History zijn maar weinig landen zo gevoelig voor het broeikaseffect als IJsland, aangezien invasieve soorten een ongekend groot vermogen hebben om de bestaande vegetatie te verdringen en op te rukken naar de hoger gelegen binnenlanden, waar het momenteel voor de meeste planten nog te koud en te nat is. Met andere woorden: dit op natuurlijke wijze ontstane maanlandschap zou kunnen verdwijnen. Als de klimaatverandering in dit tempo doorgaat, zou de lupine over dertig jaar een groot deel van het hoger gelegen land kunnen innemen, blijkt uit een onderzoek dat in 2013 is verschenen in het blad Flora. Hjörleifur Guttormsson, een 82-jarige naturalist en voormalig parlementslid, tevens een van de eerste tegenstanders van de plant, zegt: ‘Alles behalve de gletsjers is een mogelijke ondergrond voor lupine.’
‘We zijn op een keerpunt aangeland,’ beaamt Bragason van de Soil Conservation Service. ‘Het beste wat we nu kunnen doen, is proberen consensus te bereiken over waar we de plant willen toelaten. Dat is al moeilijk genoeg.’ Bragason is van mening dat de beschadigde kustgebieden het ideale terrein vormen voor de lupine, met bergen en rivieren als natuurlijke grenzen. Daar kunnen de positieve effecten zich aftekenen op zowel de korte als de lange termijn: het voorkomen van zandstormen en het creëren van een vruchtbare voedingsbodem voor herbebossing. Niet ver van de vulkaan de Hekla, waar door de veelvuldige uitbarstingen in de loop der jaren een immens berkenbos verloren is gegaan, heeft de Soil Conservation Service met behulp van de magische lupine delen van het bos nieuw leven weten in te blazen. Het zou veel tijdrovender en duurder zijn geweest om gebruik te maken van inheemse planten en bemesting.
Er zijn maar weinig regio’s die over de middelen beschikken om het landjepik van de lupine een halt toe te roepen. Met het uitroeien van de plant blijkt zo’n drie tot vijf jaar te zijn gemoeid. Wanneer ik lúpína drepa – ‘lupine doden’ – intik in mijn zoekmachine, kom ik terecht op diverse blogs waar het proces in allerlei militaristische termen wordt beschreven. De lupine blijkt vijanden te maken onder de bevolking zodra hij aangrenzende bessenvelden binnendringt. Gewapend met grastrimmers slaan de IJslanders de handen ineen om de indringers het hoofd te bieden. De gehanteerde methode is om de lupine aan het begin van de zomer te kortwieken, nog voordat de plant zaadjes heeft gemaakt, op een moment dat de wortels het snoeien vermoedelijk niet te boven zullen komen. Afgelopen zomer zijn in drie plaatsen in het oosten van IJsland grastrimmers uitgeleend aan alle vrijwilligers die wilden deelnemen aan de moordpartij. Het voornemen is om elk jaar een uitroeiactie te organiseren, net zo lang totdat ‘de plant is verdrongen, in ieder geval uit onze natuurgebieden’, aldus Anna Samúelsdóttir, hoofd van de milieudienst van de gemeente Fjardabyggd, die het voortouw heeft genomen bij deze vernietigingsexpeditie. Haar inspanningen hebben de landelijke pers gehaald, omdat dergelijke gecoördineerde acties, met een hoge participatiegraad, een nieuw fenomeen zijn in IJsland.
‘De mensen zien dat het lupinelandschap zich als een sneeuwbal uitbreidt,’ zegt Samúelsdóttir. Sterker nog, in de afgelopen vijftien jaar heeft de plant zich in delen van oostelijk IJsland vervijfendertigvoudigd, met name op plekken waar voorheen inheemse planten groeiden. ‘Als je in het midden van een lupineveld naar beneden kijkt, zie je de grond niet eens omdat het zo dicht begroeid is. Kraaiheibessen, blauwe bessen en blauwe bosbessen – allemaal verdwenen.’
Ondertussen wordt het initiatief van Samúelsdóttir op de Facebookpagina van de lupinelobby gezien als een regelrechte oorlogsverklaring. ‘Snoei maar lekker raak’, schrijft een van de leden, doelend op de guerrilla-achtige methoden die de lupineactivisten hanteren. ‘Ik ga daarna gewoon met een zak vol zaden naar diezelfde plek.’ Iemand anders oppert dat het streven van de oostelijke IJslanders om het land lupinevrij te maken, tekenend is voor hun xenofobie: men zou niets moeten hebben van alles wat afkomstig is uit het buitenland.
Niemand had rekening gehouden met de hardnekkigheid van een mooie bloem, niemand had voorzien dat IJsland paars zou kleuren
Van de twaalf mannen die tussen 1969 en 1972 voet op de maan hebben gezet, hebben er negen eerst de geologie van IJsland bestudeerd, vanuit de gedachte dat ze zo een beter beeld zouden krijgen van de geologie van de maan. NASA had ooit die parallel getrokken op grond van beelden die jaren eerder waren gemaakt vanuit een satelliet die in een baan om de aarde cirkelde: de hoogvlakten van de maan (van grote afstand zichtbaar als de lichtere delen van het oppervlak) deden sterk denken aan de desolate binnenlanden van IJsland. Op 24 juli 1969 landde de Apollo 11 weer op de aarde met aan boord een geologisch monster – een stukje maan. De gelijkenis met IJsland bleek oppervlakkig.
In 1945 keerde de Indiana Jones-achtige bosbeheerder Hákon Bjarnason terug van zijn onderzoekingen in Alaska. Hij was het vliegtuig nog niet uit of hij zei tegen een verslaggever dat IJsland met enige moeite zou kunnen gaan lijken op de kuststreek van Alaska, met hoge bomen en veel bessenstruiken. Het klimaat in beide landen vertoonde opmerkelijk veel overeenkomsten. Maar ook hier bleken de overeenkomsten uiteindelijk slechts oppervlakkig.
Achteraf gezien zijn de hooggespannen verwachtingen zeer begrijpelijk. In de jaren na 1945 kwamen we terecht in een technologische stroomversnelling. Het was een tijd waarin we meenden de natuur de baas te zijn, waarin we zelfs meenden de zwaartekracht te kunnen trotseren door mensen naar de maan te sturen. Niemand had rekening gehouden met de hardnekkigheid van een mooie bloem, niemand had voorzien dat IJsland paars zou kleuren.
Onlinetijdschrift dat verhalen publiceert over kustgebieden. De medewerkers komen van over de hele wereld, de redactie is gevestigd in Victoria, Brits-Columbia. Hakai wordt gefinancierd door de Tula Foundation.
2017 leek het Chinese Jaar van de Huurfiets. Om de luchtvervuiling tegen te gaan, werd het gebruik van de fiets in de grote steden aangemoedigd.
De twee grootste fietsverhuurbedrijven, Mobike en Ofo, verspreidden in no time 12 miljoen fietsen, in onderscheidende felle kleuren. Alleen waren de steden daar niet op berekend. ‘Weesfietsen’ werden een plaag, die werd bestreden met fietsstortplaatsen. Onlangs ging fietsverhuurbedrijf Bluegogo failliet (20 miljoen gebruikers, 600.000 fietsen). Het zal niet tot het einde van de branche leiden, maar vermoedelijk wel tot een kalmere herstart en strengere regels.
Planten communiceren door het afscheiden van geurstoffen. Zo kunnen ze elkaar waarschuwen voor insecten. Of deze juist aantrekken als ze last hebben van bladluis. Maar door de luchtvervuiling wordt deze ‘geurentaal’ verstoord.
In de klassieke postapocalyptische roman The Day of the Triffids terroriseren reusachtige vleesetende planten de mensheid. Triffids kunnen lopen en hebben giftige angels, maar zijn vooral gevaarlijk omdat ze met elkaar communiceren en tegen ons samenspannen. Hoe vergezocht ook, sinds de publicatie van John Wyndhams boek in 1951 zijn sommige aspecten van dit verhaal bewaarheid geworden. Planten blijken echt met elkaar te kunnen praten. Als je tijdens een boswandeling diep inademt, kun je hun ‘woorden’ ruiken: complexe vluchtige verbindingen als bèta- pineen, een frisse dennengeur. Planten produceren duizenden van zulke stoffen en kunnen door ze te combineren echte ‘zinnen’ vormen.
Deze geurentaal wordt echter bedreigd. Luchtvervuiling verstoort bloemen- en plantengeuren, waardoor hun boodschappen niet langer te ontcijferen zijn. Dat maakt het niet alleen voor planten moeilijk om te overleven, het is al even slecht nieuws voor bestuivende insecten – en daarmee ook voor ons. Het beïnvloedt immers gewasopbrengsten en de geur van bloemen. Gelukkig bestaat er een manier waarop we onze groene vrienden kunnen helpen terug te vechten.
Uniek chemisch bouquet
Het is al langer bekend dat zowel bestuivende als schadelijke insecten planten uit elkaar kunnen houden op basis van hun unieke chemische bouquet. Het idee dat planten deze stoffen gebruiken om onderling te communiceren, is echter nieuw. ‘Planten verspreiden vluchtige chemische verbindingen in de lucht die veel weghebben van taaluitingen. De plant die het stofje uitstoot is de “spreker” en de plant die het oppikt en erop reageert de “luisteraar”,’ vertelt chemisch ecoloog James Blande van de Universiteit van Oost-Finland.
Veel planten waarschuwen elkaar als er schadelijke insecten in de buurt zijn. Wanneer een tomatenplant bijvoorbeeld door aardrupsen wordt belaagd, laat hij een cocktail van vluchtige stoffen ontsnappen die door planten in de buurt wordt opgepikt. Zodra deze tomatenplanten de waarschuwing ‘horen’, reageren ze door glycoside te produceren, dat er weer voor zorgt dat er een gifstof vrijkomt die de hongerige rupsen afschrikt. Weer andere planten-soorten roepen met hun geuren nuttige insecten te hulp. Wanneer sojaplanten bijvoorbeeld last hebben van bladluizen, laten ze een chemische pendant van een “inbraakalarm” klinken, dat lieveheersbeestjes aantrekt.
Maar luchtvervuiling blijkt deze communicatie te kunnen verstoren. Blande en zijn collega’s lieten hommels los in een ruimte vol papieren bloemen die precies op die van de zwarte mosterdplant leken. Toen de onderzoekers in deze ruimte vervolgens de geur verspreidden van echte zwarte mosterdbloemen die ofwel in een schone of in een vervuilde omgeving hadden gegroeid, liet de reactie van de hommels niets te raden over: ze gingen recht op de niet-vervuilde geur af, terwijl de geur van bloemen uit vervuilde lucht hen koud liet.
Hoe kan dat? De laatste jaren is duidelijk geworden dat vooral ozon en stikstofoxiden plantencommunicatie in de war sturen. Auto’s en elektriciteitscentrales stoten deze stoffen uit; diesel is het ergst. Zowel ozon als stikstofoxide reageren met de vluchtige verbindingen die de planten verspreiden. Daardoor verandert de geur van hun bouquet, want sommige stoffen in het mengsel raken eerder verstoord dan andere. Als het monoterpeen limoneen, een bekend ‘woord’ voor sinaasappel, in aanraking komt met ozon, vormt het bijvoorbeeld wel 1200 verschillende andere stoffen.
Deze verstoring kan heel snel gaan. Ecoloog Robbie Girling en zijn collega’s van de Universiteit van Reading in Engeland vermengden acht vluchtige plantenstoffen met dieseluitlaatgas. ‘Er traden veel sneller reacties op dan we hadden verwacht,’ vertelt hij. ‘Binnen één minuut, kortere tijdspannen konden we niet meten, was van een van de verbindingen niets meer over – die werd in één klap ondetecteerbaar.’
Niet alleen de betekenis van de plantentaal raakt verstoord, ook het ‘volume’. Plantengeuren kunnen in vervuilde lucht simpelweg niet even ver komen als in schone. Om uit te vinden hoe sterk dit sinds het pre-industriële tijdperk veranderd is, maakten José Fuentes en zijn collega’s van de Universiteit van Virginia een computermodel waarin ze historische luchtvervuilingsniveaus meenamen. Er bleek uit dat plantengeuren die vroeger tot op kilometers afstand waarneembaar waren, nu nog maar 200 meter ver reiken.
Ook tussen schone en vieze omgevingen van nu verschilt de draagwijdte van het signaal aanzienlijk. Wanneer bijvoorbeeld een limabonenplant door spintmijten wordt aangevallen, zendt die een chemisch signaal uit dat naburige planten ertoe aanzet om meer suikerachtige nectar uit te scheiden. Dit trekt dan weer roofmijten aan, die de aanvallers opeten. Blande merkte dat de bonen in schone lucht zonder problemen met buren op 70 centimeter afstand konden communiceren. Maar als de ozonconcentratie boven de 80 deeltjes per miljard (parts per billion, ppb) uitkwam, was hun waarschuwings-signaal maar tot op 20 centimeter te horen.
De verstoring van de geurentaal van planten, en de nadelige effecten daarvan op bestuivers en de planten zelf, dreigt hele ecosystemen te destabiliseren
Bij een vervuiling van rond de 80 ppb beginnen de problemen. Dat is slecht nieuws, want in stedelijke gebieden komt de ozonconcentratie geregeld boven de 100 ppb uit en bereikt soms wel 200 ppb. Minder duidelijk is wanneer stikstofoxideniveaus problematisch worden, maar het lijdt geen twijfel dat stikstofdioxide uit dieseluitlaatgassen in geïndustrialiseerde landen flinke schade aanricht. Omdat deze stof ook schadelijk is voor de menselijke gezondheid, is er een grens gesteld aan de uitstoot ervan, maar die wordt vaak overschreden. Zo mag in Engeland de stikstofdioxideconcentratie hooguit achttien keer per jaar boven de 200 microgram per kubieke meter uitkomen, maar in 2017 werd dat aantal in Londen al vroeg in het jaar bereikt. Stadsbewoners met een tuin merken daar de effecten van. ‘Deze vervuiling heeft zeker invloed op plantengeuren,’ zegt Blande. Stikstofoxiden zorgen ervoor dat sommige plantengeuren veel minder lang in de lucht blijven hangen, in plaats van wel achttien uur soms maar vijf minuten. Sterk geurende bloemen als rozen hebben volgens Blande in steden niet dezelfde sterke geur als in landelijke gebieden. Je moet heel dichtbij komen om ze überhaupt te ruiken en zelfs dan neem je het volle aroma niet waar, omdat stoffen als het kruidnagelachtige bèta-caryofylleen snel door de vervuiling worden afgebroken.
Niet alleen onze neus en dichterziel hebben onder de afbraak van plantengeuren te lijden. ‘Het lijkt me geen overdreven suggestie dat luchtvervuiling ook een belangrijke factor in de afname van het aantal vliegende insecten is,’ zegt Girling. Insectenaantallen zijn wereldwijd sterk afgenomen, een situatie die in 2017 prominent in het nieuws kwam toen duidelijk werd dat het aantal insecten in Duitse natuurgebieden in 27 jaar met een schokkende 75 procent was gedaald.
Miscommunicatie tussen bloemen en insecten bedreigt vooral bestuivers als bijen, al weet niemand hoe sterk dit de omvang van bijenpopulaties beïnvloedt. Maar Girling ontdekte dat de veelvoorkomende vluchtige verbinding myrceen razendsnel door dieseluitlaatgas wordt afgebroken en dat dat honingbijen uit koers kan brengen. Toen hij samen met zijn collega’s het myrceen uit bloemengeuren weghaalde, kon nog maar 37 procent van de bijen die bloemen herkennen.
De verstoring van de geurentaal van planten, en de nadelige effecten daarvan op bestuivers en de planten zelf, dreigt hele ecosystemen te destabiliseren. Dat heeft ernstige consequenties voor de natuur en voor de landbouw. Er wordt weliswaar aan gewerkt om het gehalte vervuilende stoffen in onder andere diesel te reduceren, maar dat gaat erg langzaam.
Remedie: teel planten
Het goede nieuws is dat er een eenvoudige manier bestaat om planten het communiceren te vergemakkelijken: teel planten die de vervuilende stoffen uit de lucht kunnen halen. Sommige planten zijn daar beter in dan andere; onderzoek laat zien dat vooral herbebossing daarbij een goede optie is, want bomen kunnen door hun grootte veel ozon en stikstofdioxide uit de atmosfeer halen.
Stadsplanners bewegen zich in de goede richting. Zo krijgen steeds meer steden verticale tuinen en levende wanden. In de buurt van Victoria Station in Londen staat bijvoorbeeld een twintig meter hoge muur waar meer dan tienduizend planten op groeien. Er worden zelfs bomen geplant op de zijkanten van gebouwen. In 2014 verrees in Milaan de eerste boswolkenkrabber, met achthonderd bomen erop en maar liefst twintigduizend andere planten. En in China worden momenteel de Nanjing Green Towers gebouwd, met 1100 bomen en duizend andere planten. In Luzhou bestaat zelfs het plan voor een hele bosstad.
In zulke groene steden bemoeilijkt de vervuiling de communicatie tussen de planten natuurlijk wel. Toch kunnen deze planten de nadelige effecten op andere planten een heel stuk beperken. Bovendien hoeven de planten, als ze zo dicht op elkaar staan, minder hard te praten – niet geheel onlogisch.
Toch noemt Fuentes ook een complicatie. Hij wijst erop dat sommige planten allerlei organische moleculen produceren die voorlopers zijn van ozon, en dus in vieze stadsvlucht de zaak alleen maar verergeren. ‘Eiken, populieren – die moet je absoluut niet hebben,’ vertelt hij.
En hoe zit het met het platteland? Alhoewel plattelandsgebieden vaak schoner zijn, veroorzaken vervuilende stoffen ook daar veel narigheid, vanwege de impact die ze hebben op gewassen. De oplossing is volgens Fuentes om meer bloemen rondom akkers te planten – hij raadt vooral petunia’s aan. Die kunnen niet alleen de vervuilende stoffen opruimen die de plantencommunicatie verstoren, maar trekken ook bestuivers aan. En als die bloemen ook nog eens lekker ruiken, hebben onze neuzen er ook nog wat aan. Een win-win-winsituatie dus.
New Scientist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 82.000
Een van de beste en meest toegankelijke wetenschapstijdschriften ter wereld. Stimulerend, met veel aandacht voor het milieu en industriële vernieuwing. Onderdeel van Reed Elsevier.
In 2050 zullen er naar verwachting tien miljard mensen op aarde wonen. Kunnen we die allemaal te eten geven zonder dat we onze planeet vernietigen?
Alle ouders herinneren zich nog het moment dat ze voor het eerst hun baby in hun armen hielden – dat verkreukelde gezichtje, het gloednieuwe mensje dat je vanonder de ziekenhuisdeken aankijkt. Ik strekte mijn handen uit en drukte mijn dochter tegen me aan. Ik was zo overweldigd dat ik nauwelijks meer tot denken in staat was.
Later liep ik naar buiten, om moeder en kind te laten slapen. Het was drie uur in de ochtend, eind februari in New England. Het trottoir was glad en er viel een ijzige motregen. Net toen ik wilde oversteken kwam er een gedachte in me op: wanneer mijn dochter zo oud is als ik nu, lopen er op aarde zo’n tien miljard mensen rond. Abrupt hield ik stil. Ik dacht: Hoe moet dat?
In 1970, toen ik op de middelbare school zat, leed ongeveer een op de vier mensen honger – of was ‘ondervoed’, om de term van de Verenigde Naties te gebruiken. Nu is dat cijfer gedaald naar ongeveer een op de tien mensen. In die vierenhalve decennia is de gemiddelde levensduur van mensen wereldwijd met meer dan elf jaar toegenomen; een verbijsterende stijging, die zich voornamelijk voltrok in arme gebieden. Honderden miljoenen inwoners van Azië, Latijns-Amerika en Afrika zijn de armoede ontstegen en behoren nu tot een middenklasse. Die welvaartsgroei is niet gelijkelijk of rechtvaardig verdeeld: miljoenen en miljoenen mensen zijn nog steeds níét welvarend. Toch is zo’n toename van rijkdom nooit eerder voorgekomen. Niemand weet of deze groei kan doorgaan en of onze huidige welvaart houdbaar is.
Op dit moment heeft de wereld 7,6 miljard inwoners. De meeste demografen verwachten dat het er rond 2050 zo’n tien miljard zullen zijn. Daarna gaat de bevolkingsaanwas waarschijnlijk afvlakken. Als soort zijn we dan op ‘vervangingsniveau’: gemiddeld krijgt elk stel dan precies genoeg kinderen om zichzelf te vervangen. Ondertussen, zeggen economen, moet de ontwikkeling van de wereld doorgaan, hoe ongelijk verdeeld ook. Dat betekent dat wanneer mijn dochter zo oud is als ik nu, een aanzienlijk percentage van de tien miljard mensen op de wereld tot de middenklasse behoort.
De dialoog over het milieu is verworden tot een serie woedende monologen, waarbij geen van beide partijen bereid is de ander iets toe te geven
Net als alle ouders wil ik graag dat mijn kinderen een prettig leven hebben als ze volwassen zijn. Maar op de parkeerplaats van het ziekenhuis leek die kans me opeens heel klein. Tien miljard monden, dacht ik. Nog eens drie miljard middenklassers erbij met trek. Hoe kan die trek ooit gestild worden? En dat is nog maar een deel van de vraag. De hele vraag is: hoe kunnen we iedereen geven wat hij nodig heeft zonder de planeet onleefbaar te maken?
Terwijl mijn kinderen opgroeiden, boden mijn journalistieke opdrachten me de gelegenheid om van tijd tot tijd met deskundigen uit Europa, Azië en de Amerika’s over deze vragen te praten. In de loop van deze gesprekken begon ik in te zien dat de antwoorden onder te verdelen zijn in twee brede categorieën.
Deze categorieën zijn (althans, naar mijn idee) terug te voeren op twee mensen, allebei Amerikanen, uit de twintigste eeuw. Deze twee hebben elkaar nauwelijks gekend en hadden geen hoge pet op van elkaars werk. Maar ze zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor het ontstaan van de intellectuele blauwdrukken die instellingen over de hele wereld vandaag de dag als uitgangspunt nemen voor hun zoektocht naar oplossingen voor onze dilemma’s op het gebied van milieu. Helaas geven hun blauwdrukken volkomen verschillende antwoorden op de vraag hoe we moeten overleven. Die twee mensen waren William Vogt en Norman Borlaug.
Vogt, geboren in 1902, legde de basis voor de ideeën van de moderne milieubeweging. In het bijzonder stichtte hij het ‘apocalyptisch milieuactivisme’ zoals hoogleraar Bevolkingswetenschap Betsy Hartmann van Hampshire College het heeft genoemd – de overtuiging dat de mensheid de mondiale ecosystemen zal vernietigen, als ze niet drastisch haar consumptie terugdringt en de bevolkingsaanwas tegengaat. In zijn veel verkochte boeken en hartstochtelijke toespraken betoogde Vogt dat de welvaart niet onze grootste verdienste is, maar ons grootste probleem. Als we meer van de aarde blijven nemen dan dat ze kan geven, zei hij, is het onvermijdelijke resultaat grootschalige, wereldwijde vernietiging. ‘Minderen! Minderen!’ was zijn mantra.
Borlaug, die twaalf jaar na Vogt werd geboren, werd het symbool van het ‘techno-optimisme’ – de opvatting dat wetenschap en technologie, als ze op de juiste manier worden toegepast, zullen zorgen voor een uitweg uit onze problemen. Hij was de bekendste figuur in het onderzoeksgebied waaruit in de jaren zestig de Groene Revolutie voortkwam, die combinatie van hoogrenderende gewassen en nieuwe landbouwtechnieken die ervoor zorgde dat de graanoogsten over de hele wereld sterk toenamen en zo tientallen miljoenen mensen behoedde voor de hongerdood. Welvaart was voor Borlaug niet het probleem maar de oplossing. Alleen door rijker te worden en meer kennis te vergaren kan de mensheid de wetenschap scheppen die onze milieuproblemen kan oplossen. ‘Innoveren! Innoveren!’ was zijn oproep.
Beide mannen vonden dat ze nieuwe wetenschappelijke kennis aanwendden in de strijd tegen de mondiale crisis. Maar daarmee houdt de gelijkenis op. Voor Borlaug was de menselijke vindingrijkheid de oplossing voor onze problemen. Eén voorbeeld: als boeren de geavanceerde methoden van de Groene Revolutie gebruikten om hun opbrengsten per hectare te vergroten, zouden ze volgens hem niet meer zo veel hectaren hoeven te bebouwen. Dit idee heet in wetenschappelijke kringen nu de ‘Borlaug-hypothese’.
De opvattingen van Vogt stonden hier lijnrecht tegenover. Hij zag de oplossing in het gebruiken van ecologische kennis voor schaalverkleining. In plaats van meer graan verbouwen om meer vlees te produceren, moet de mensheid ‘lager aan de voedselketen eten’, zoals Vogts navolgers het uitdrukken, om zo de druk op de ecosystemen van de aarde te verlichten. Op dit punt verschilde Vogt van mening met zijn voorganger, Robert Malthus, en diens bekende voorspelling dat samenlevingen onvermijdelijk door hun voedselvoorraad heen raken omdat ze altijd te veel kinderen zullen krijgen. Vogt gaf een andere wending aan de discussie en zei dat we straks misschien wel genoeg voedsel kunnen telen, maar dat de prijs daarvoor de vernietiging van de mondiale ecosystemen zal zijn.
Ik noem de aanhangers van deze twee opvattingen voor mezelf de ‘Tovenaars’ en de ‘Profeten’. De Tovenaars, die het model van Borlaug aanhouden, ontdekken nieuwe technologische oplossingen; de Profeten, die naar Vogt kijken, wijzen op de gevolgen van onze roekeloosheid.
Borlaug en Vogt bevonden zich tientallen jaren lang in dezelfde kringen, maar spraken zelden over elkaar. Hun eerste en enige ontmoeting, halverwege de jaren veertig, leidde tot een meningsverschil, en onmiddellijk daarna deed Vogt pogingen om het werk van Borlaug stop te laten zetten. Voor zover ik weet hebben ze daarna nooit meer een woord gewisseld. Allebei verwezen ze in openbare speeches naar de ideeën van de ander, maar ze noemden nooit elkaars naam. Vogt hekelde de anonieme wetenschappers die de problemen van de wereld alleen maar verergerden en die volgens hem ‘deluded’ (misleid) waren. Borlaug noemde zijn tegenstanders ‘Luddites’.
Beide mannen zijn inmiddels overleden, maar de strijd tussen de twee stromingen is alleen maar feller geworden. In de ogen van de Tovenaars is de nadruk die de Profeten op minder consumeren leggen oneerlijk, onverschillig tegenover de armen, zelfs racistisch (omdat de meeste mensen die honger lijden niet-blank zijn). De lijn van Vogt, zeggen zij, is een weg naar achteruitgang, beperking, armoede en honger – naar een wereld waarin miljarden mensen in ellende leven ondanks de wetenschappelijke kennis die hen zou kunnen bevrijden. Profeten zeggen misprijzend dat het geloof van de Tovenaars in de vindingrijkheid van de mens onnadenkend en dom is, en zelfs ingegeven wordt door hebzucht (omdat de weigering om over de ecologische grenzen heen te gaan slecht zou zijn voor de winsten van grote bedrijven). Hoog-intensieve industriële landbouw à la Borlaug kan op de korte termijn misschien succesvol zijn, maar uiteindelijk zal de ecologische afrekening des te harder aankomen, zeggen de Profeten. De uitputting van bodem en watervoorraden door roekeloos overmatig gebruik leidt tot de ecologische ineenstorting, die op zijn beurt wereldwijde maatschappelijke aardschokken zal veroorzaken.
Tovenaars stellen daar tegenover: Dat is precies de wereldwijde humanitaire crisis die wij voorkomen! Beide partijen slingeren elkaar steeds heftiger beschuldigingen naar het hoofd en de dialoog over het milieu is verworden tot een serie woedende monologen, waarbij geen van beide partijen bereid is de ander iets toe te geven. Dat zou nog tot daaraan toe zijn, ware het niet dat het over het lot van onze kinderen ging.
Vogt manifesteerde zich voor het eerst in 1948, met de publicatie van Road to Survival, het eerste moderne we-gaan-er-allemaal-aanboek. Daarin introduceerde hij het begrip ‘draagkracht’, dat de basis vormt van de huidige milieubeweging. Draagkracht, vaak ook ‘ecologische beperkingen’ of ‘de grenzen van de planeet’ genoemd, houdt in dat elk ecosysteem een grens heeft aan wat het kan produceren.
Overschrijd die grens te lang en het ecosysteem wordt verwoest. Naarmate het aantal mensen toeneemt, zo schrijft Vogt in Road to Survival, zal onze behoefte aan voedsel de draagkracht van de aarde te buiten gaan. De gevolgen zullen rampzalig zijn: erosie, verwoestijning, uitputting van de grond, het uitsterven van soorten en besmetting van water, en dat alles zal vroeg of laat tot enorme hongersnoden leiden. Schrijvers als Rachel Carson (auteur van Silent Spring en een vriendin van Vogt) en Paul Ehrlich (auteur van The Population Bomb) schaarden zich achter hem, en zo werd Vogts betoog over het overschrijden van de grenzen de bron waaruit de huidige wereldwijde milieubeweging voortkwam – de enige ideologie die is overgebleven uit de vorige eeuw.
Toen Road to Survival verscheen, was Borlaug als jonge plantkundige betrokken bij een tot dan toe nogal kwijnend project ter verbetering van de Mexicaanse landbouw. Met financiële steun van de Rockefeller Foundation probeerde het project de arme maïsboeren van het land te helpen. Borlaug was in Mexico voor een afgeleide van dat project, dat te maken had met tarwe – of liever met zwarte roest, een schimmel die de oudste en gevaarlijkste bedreiging is voor tarwe (de Romeinen brachten al offers om de god van de zwarte roest gunstig te stemmen). In de Verenigde Staten werd zwarte roest meestal door de kou onschadelijk gemaakt, maar in het warmere Mexico was de schimmel een voortdurende plaag die elk voorjaar door wind de grens over werd geblazen en dan Amerikaanse tarwevelden besmette.
Als enige onderzoeker in het Rockefeller-project die zich met tarwe bezighield, kreeg Borlaug zo weinig geld dat hij maandenlang in schuren en op akkers moest bivakkeren. Maar halverwege de jaren vijftig lukte het hem om een tarweras te kweken dat resistent was tegen veel soorten roest. En bovendien ontwikkelde hij een ras met veel kortere stengels dan gebruikelijk. Voor die tijd groeide het zwaar bemeste tarwe zo snel dat de stengels dun en slap werden en gemakkelijk omwaaiden. De omgevallen planten konden zich niet meer oprichten, rotten weg en gingen dood. Het kortere, stevigere tarwe van Borlaug kon grote hoeveelheden mest opnemen en die extra groei ging niet in de stengels of wortels zitten, maar in de aren en korrels. In de eerste testen haalden boeren soms letterlijk tien keer zoveel tarwe van hun akkers. De oogsten namen zo hard toe dat een functionaris van USAID deze stijging in 1968 de ‘Groene Revolutie’ noemde, waarmee hij een naam gaf aan het fenomeen dat zo bepalend zou worden voor de twintigste eeuw.
Het meest ingrijpende effect had de Groene Revolutie in Azië, waar de Rockefeller Foundation en de Ford Foundation op de Filipijnen het International Rice Research Institute (IRRI) oprichtten. In die tijd leed minstens de helft van de Aziatische bevolking honger en gebrek; op veel plekken namen de oogsten van de boeren niet toe of liepen ze zelfs terug. Regimes die nog maar kort geleden het koloniale juk hadden afgeworpen, kampten met communistische opstanden, met name in Vietnam. Amerikaanse leiders dachten dat de aantrekkingskracht van het communisme lag in de belofte van een betere toekomst. Washington wilde laten zien dat het kapitalisme de beste voedingsbodem was voor ontwikkeling. Het IRRI was bedoeld om met de allerbeste onderzoeksteams een moderne rijstteelt te ontwikkelen die snel ingevoerd kon worden en voor hervormingen in Azië zou zorgen – ‘een Manhattan Project voor voedsel’, zoals historicus Nick Cullather het uitdrukte.
In navolging van Borlaug ontwikkelden onderzoekers van het IRRI nieuwe rijstvariëteiten met een hoge opbrengst. Deze verspreidden zich in de jaren zeventig en tachtig snel door Azië, en de rijstoogsten verdriedubbelden bijna. Meer dan 80 procent van alle rijst die nu in Azië wordt verbouwd is oorspronkelijk door het IRRI ontwikkeld. De bevolking van het continent is enorm toegenomen, en dan nog consumeren Aziatische mannen, vrouwen en kinderen nu gemiddeld 30 procent meer calorieën dan bij de oprichting van het IRRI. Seoul en Shanghai, Jaipur en Jakarta: glanzende wolkenkrabbers, dure hotels, straten vol verkeer en fel neonlicht – alles gebouwd op een fundament van in het laboratorium gekweekte rijst.
Hadden de Profeten ongelijk gehad? Was het begrip draagkracht een angstige hersenschim? Nee. Zoals Vogt had voorspeld, leidde de grote sprong voorwaarts in productiviteit tot enorme milieuschade: verdroging van waterhoudende lagen, een overdaad aan meststoffen, aquatische dode zones en verarmde en drassige grond. Erger nog, vanuit menselijk standpunt, was dat landbouwgrond door de snelle productiviteitsstijging meer waard werd. Opeens was die grond de moeite van het inpikken waard – en dat was precies wat elites in plattelandsgebieden vaak deden, door arme boeren van hun land te verdrijven. De Profeten betoogden dat de Groene Revolutie de hongercrisis alleen maar uitstelde; dit was een eenmalig succesje en geen permanente oplossing. En, zo zeggen de Profeten, onze groeiende aantallen en de toegenomen welvaart betekenen dat onze oogsten nu opnieuw een sprong moeten maken – ja, een tweede Groene Revolutie, voegen de Tovenaars daar opgewekt aan toe.
Wat te doen?
De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke producten zoals kaas, zuivel, vis en vooral vlees is verveelvoudigd – en het telen van voer voor dierhouderij vraagt veel meer land, water en energie dan het simpelweg verbouwen van planten voor menselijke consumptie. Het is niet te voorspellen hoeveel meer vlees de miljarden mensen van morgen willen consumeren, maar als ze ook maar enigszins zo carnivoor zijn als de westerlingen van nu, zal de opgave enorm zijn. Even enorm, zo waarschuwen de Profeten, als de natuurrampen op de planeet die het gevolg zijn van de pogingen om de honger van de wereld naar hamburgers en bacon te stillen: verwoeste landschappen, conflicten om water en landroof, waardoor boeren in arme landen zonder middelen van bestaan komen te zitten.
Wat te doen? Sommige strategieën die beschikbaar waren tijdens de eerste Groene Revolutie zijn dat nu niet meer. Boeren kunnen niet meer zoveel méér land bebouwen, want vrijwel elke bereikbare hectare geschikt boerenland is al in gebruik. Ook kan de toepassing van kunstmest niet nog verder worden opgevoerd; die bemesting wordt overal, behalve in sommige delen van Afrika, al te veel gebruikt en veroorzaakt vervuiling van rivieren, meren en oceanen. Ook de bevloeiing van akkers kan nauwelijks worden uitgebreid – waar land geïrrigeerd kan worden, gebeurt dat meestal al. Voor de Tovenaars is de inzet van genetische modificering om productievere gewassen te ontwikkelen de beste koers. De Profeten zien dat als een zekere weg naar een nog grotere overbelasting van de draagkracht van de planeet. We moeten juist de andere kant op, zeggen zij: minder land gebruiken, minder water verspillen, ophouden die twee vol te pompen met chemische middelen.
Het is alsof de mensheid opeengepakt zit in een bus die met hoge snelheid door dichte mist rijdt. Ergens verderop is een afgrond: een rampzalige ommekeer in het lot van de mensheid. Niemand kan precies zien waar de afgrond gaapt, maar iedereen weet dat de bus ergens zal moeten omkeren. Het probleem is alleen dat de Tovenaars en Profeten het er niet over eens zijn welke kant het stuurwiel op gerukt moet worden. Allebei weten ze zeker dat de ideeën van de ander de bus over de rand zullen jagen. En terwijl zij zitten te kibbelen, komen er steeds meer passagiers bij.
Bijna iedereen eet elke dag, maar te weinig mensen denken er ooit over na hoe dat kan. Als landbouwgeschiedenis op school een verplicht vak was, zouden meer mensen de naam kennen van Justus von Liebig, die halverwege de negentiende eeuw vaststelde dat de hoeveelheid stikstof in de grond de groei van een plant bepaalt. Wetenschapshistorici hebben Von Liebig ervan beschuldigd dat hij zijn data vervalste en de ideeën van anderen pikte – en dat klopt ook wel, voor zover ik weet. Maar hij was ook een visionair, die de relatie tussen de menselijke soort en de natuur wezenlijk heeft veranderd. Nogal dweperig, maar met een vooruitziende blik stelde Von Liebig zich een nieuw soort landbouw voor: landbouw als tak van natuur- en scheikunde. Grond was gewoon een basis met de natuurkundige eigenschappen die nodig zijn om wortels vast te houden. Doe daar stikstofhoudende stoffen bij –fabrieksmatig geproduceerde kunstmest – en je krijgt automatisch reusachtige oogsten. In termen van vandaag zette Von Liebig de eerste schreden in de richting van chemisch gereguleerde industriële landbouw – een vroege versie van Tovenaarsdenken.
Maar er bestond geen duidelijke methode om de stikstofhoudende stoffen te produceren die de planten moesten voeden. Die technologie kwam voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog van twee Duitse scheikundigen: Fritz Haber en Carl Bosch. Allebei zouden ze later nog een Nobelprijs voor Scheikunde winnen, en die hadden ze ook ruimschoots verdiend: het Haber-Boschproces, zoals het wordt genoemd, was absoluut de belangrijkste technologische innovatie van de twintigste eeuw. Vandaag de dag is het Haber-Boschproces verantwoordelijk voor bijna alle kunstmest in de wereld. Iets meer dan 1 procent van de mondiale industrie is daaraan gewijd. ‘Die 1 procent,’ heeft futuroloog Ramez Naam wel eens gezegd, ‘verdubbelt zo’n beetje de hoeveelheid voedsel die de wereld kan telen.’ Volgens een schatting van milieuwetenschapper Vaclav Smil zijn de stikstofhoudende meststoffen van het Haber-Boschproces verantwoordelijk voor ‘het overgrote deel van het voedsel van bijna 45 procent van de wereldbevolking.’ Meer dan drie miljard mannen, vrouwen en kinderen – een onvoorstelbaar grote wolk van hoop en angst, herinneringen en dromen – danken hun bestaan aan twee Duitse scheikundigen van wie de meeste mensen nooit hebben gehoord.
Het succes werd op de voet gevolgd door de narigheid. Zo’n 40 procent van de mest die in de afgelopen zestig jaar is uitgestrooid, is niet door planten opgenomen. Het spoelde in rivieren of kwam in de vorm van stikstofoxiden in de atmosfeer terecht. Meststof die in water belandt, blijft zijn werk doen: de mest stimuleert de groei van algen, onkruid en andere organismen in het water van rivieren, meren of oceanen. Wanneer die afsterven, zakken ze naar de bodem, waar microben hun resten consumeren. Op dit manna van dode algen en planten maken deze microben zo’n sterke groei door, dat hun ademhaling zuurstof onttrekt aan de lagere diepten, waardoor het andere leven daar grotendeels sterft. Stikstof van boerderijen in de Amerikaanse Midwest stroomt elke zomer met de Mississippi mee naar de Golf van Mexico, waar het een zuurstofwoestijn veroorzaakt die in 2016 bijna 18.000 vierkante kilometer besloeg. Het jaar daarna werd in de Golf van Bengalen, voor de oostkust van India, een nog grotere dode zone ontdekt – bijna 60.000 vierkante kilometer.
Stikstofoxide uit kunstmest die opstijgt in de lucht is een belangrijke bron van vervuiling. Hoog in de stratosfeer gaat het een verbinding aan met ozon en neutraliseert zo de ozonlaag die het leven op het aardoppervlak beschermt door kankerverwekkende ultraviolette stralen tegen te houden. Zonder de klimaatverandering, meent wetenschappelijk publicist Oliver Morton, zou die territoriumuitbreiding van stikstof waarschijnlijk ons grootste milieuprobleem zijn.
Tegen dat stikstofterritorium was al fel verzet gerezen voordat Haber en Bosch respectievelijk in 1918 en 1931 hun Nobelprijs kregen. De leider van dat verzet was de Engelse boerenzoon Albert Howard (1873-1947), die het grootste deel van zijn carrière de officiële botanicus van Brits-Indië was. Howard en zijn vrouw Gabrielle, een aan Cambridge opgeleide plantenfysioloog, hielden zich in India bezig met het kweken van nieuwe variëteiten tarwe en tabak, de ontwikkeling van nieuwe typen ploegen en het ontwikkelen en uittesten van een supergezond dieet voor ossen. Tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog waren zij ervan overtuigd dat aarde niet alleen maar een basis was voor chemische toevoegingen. Het was een vernuftig, levend systeem dat een zeer complexe mengeling van voedingsstoffen uit plantaardig en dierlijk afval vroeg: restanten van de oogst, mest. De Howards legden hun ideeën vast in de Law of Return, zoals zij het noemden: ‘de getrouwe terugkeer van al het beschikbare plantaardige, dierlijke en menselijke afval naar de aarde’. Wij zijn afhankelijk van planten, planten zijn afhankelijk van aarde, en aarde is afhankelijk van ons. Het Agricultural Testament van de Howards uit 1943 werd het fundament van de biologische beweging.
Tovenaars zetten Howard weg als charlatan en warhoofd, net als Jerome I. Rodale – een niet al te succesvolle ondernemer uit New York die ook uitgever en toneelschrijver was, theorieën over tuinieren ontwikkelde, met voeding experimenteerde en Howards ideeën publiceerde in boeken en tijdschriften. Het is waar dat hun bevlogenheid ingegeven was door een bijna religieus geloof in een natuurlijke, aan grenzen gebonden orde. Maar als hij het levende karakter van aarde bezong, doelde Howard op het geheel dat aardeorganismen vormen, de dynamische relaties tussen plantenwortels en de aarde daaromheen, en de fysieke structuur van humus, die ervoor zorgt dat aardedeeltjes in luchtige klonters aan elkaar kleven, waardoor water wordt vastgehouden en er niet doorheen loopt. Dat was allemaal heel concreet en het was allemaal onbekend toen Liebig de basisdeeën achter de chemische landbouw vormde. De stelling die Howard in zijn vele boeken en toespraken poneerde, dat door industriële landbouw het platteland ontvolkt raakte en een oudere manier van leven werd verstoord, klopte ook, al waren zijn tegenstanders het niet met hem eens over de vraag of dit verkeerd was. Tegenwoordig lijkt het erop dat de Profeten met hun angst dat de industriële landbouw de grond zou uitputten, een vooruitziende blik hadden: uit een belangrijk onderzoek van de Food and Agriculture Organisation (FAO) van de VN bleek dat eenderde van alle landbouwgrond in de wereld minder vruchtbaar is geworden.
Aanvankelijk was een verzoening tussen de twee verschillende zienswijzen misschien mogelijk geweest. Het is voorstelbaar dat Borlaugiaanse Tovenaars zouden overwegen om dierenmest en andere natuurlijke stoffen aan de grond toe te voegen, en dat Vogtiaanse Profeten bereid zouden zijn om chemicaliën te gebruiken als supplement bij een verantwoorde omgang met grond. Maar dat gebeurde niet. De twee partijen scholden elkaar de huid vol en raakten steeds verder van elkaar verwijderd. Ze zetten een conflict in gang dat ook in de eenentwintigste eeuw voortduurt – en steeds feller is geworden, nu er overal genetisch gemodificeerde gewassen worden toegepast. Het betreft niet alleen een conflict tussen twee filosofieën, twee benaderingswijzen van technologie, twee manieren van denken over de vraag wat de beste manier is om meer voedsel te produceren voor een groeiende bevolking. Het gaat over de vraag of de instrumenten die we kiezen het overleven van de planeet verzekeren, of juist de ondergang ervan versnellen.
Terwijl de Tovenaars pal stonden voor kunstmatige bemesting en de Profeten die juist van de hand wezen, deelden zij dezelfde onwetendheid: niemand wist waaróm planten zo afhankelijk zijn van stikstof. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontdekten wetenschappers dat planten voornamelijk stikstof nodig hebben om het eiwit rubisco te maken, een prima ballerina in het ballet van interacties dat de fotosynthese is.
Als kind leer je op school dat planten bij fotosynthese energie van de zon gebruiken om CO2 en water te scheiden en uit de afzonderlijke componenten daarvan de bestanddelen te vormen die nodig zijn voor de productie van wortels, stengels, bladeren en zaden. Het enzym rubisco speelt een sleutelrol in dit proces. Enzymen zijn biologische katalysatoren. Als lukraak overstekende voetgangers die een auto-ongeluk veroorzaken maar zelf ongedeerd blijven, veroorzaken enzymen biochemische reacties zonder daarbij zelf te veranderen. Rubisco haalt CO2 uit de lucht, stopt die in de fotosynthesedraaikolk, en gaat dan nog meer CO2 halen. Omdat deze activiteit bepalend is voor het proces, voltrekt de fotosynthese zich in het tempo van rubisco.
Helaas is rubisco naar biologische maatstaven een luilak, een slome duikelaar, een bankhanger. Terwijl enzymmoleculen normaal gesproken duizenden reacties per seconde katalyseren, nemen rubisco-moleculen hooguit twee of drie keer per seconde de moeite om zich met een reactie te bemoeien. Erger nog, rubisco is een kluns. Zeker twee van de vijf keer pakt rubisco per ongeluk zuurstof op in plaats van CO2, waardoor de reactieketen van de fotosynthese wordt verbroken en opnieuw moet beginnen – een verspilling van energie en water. Jaren geleden sprak ik voor een artikel in een tijdschrift met biologen over fotosynthese. Niemand had een goed woord over voor rubisco. ‘Zo’n beetje het meest incompetente enzym van de wereld,’ zei een onderzoeker. ‘Niet bepaald het paradepaardje van de evolutie,’ zei een andere. Om die luiheid en onhandigheid van rubisco het hoofd te bieden, maken planten er een heleboel van, en daarvoor hebben ze veel stikstof nodig. Rubisco vormt de helft van het gewicht van het eiwit in veel plantenbladeren – men zegt vaak dat dit het meest voorkomende eiwit ter wereld is. Naar schatting bevatten alle planten en micro- organismen samen meer dan 5 kilo rubisco voor elke persoon op aarde.
Je zou verwachten dat de evolutie rubisco wel verbeterd zou hebben. Niets daarvan. Maar ze heeft wel een omleiding gecreëerd: C4-fotosynthese (C4 verwijst naar de koolstof-4-molecule die hierin een rol speelt). C4 is tegelijkertijd een biochemisch knutselwerkje en een slim mechanisme om plantengroei te stimuleren, en betekent een totale reorganisatie van de bladanatomie. Wanneer CO2 een C4-blad binnenkomt, wordt het aanvankelijk niet door rubisco gegrepen, maar door een ander enzym dat het gebruikt om een stof te vormen die vervolgens in speciale, met rubisco gevulde cellen diep in het blad wordt gepompt. Deze cellen bevatte vrijwel geen zuurstof, dus kan rubisco hier niet miskleunen en de verkeerde molecule grijpen. Zo worden precies dezelfde suikers, zetmeel en cellulose geproduceerd als bij gewone fotosynthese, maar dan veel sneller. C4-planten hebben minder water en meststoffen nodig, omdat ze geen water verspillen aan de vergissingen van rubisco. In het soort evolutionaire convergentie waar biologen alert op zijn, is C4-fotosynthese onafhankelijk ontstaan in meer dan zestig soorten. Maïs, amarant, bloedgierst, suikerriet en Bermudagras – al die verschillende planten hebben C4-fotosynthese ontwikkeld.
Niemand kan met zekerheid voorspellen hoeveel extra rijst de boeren in 2050 moeten verbouwen, maar er wordt rekening gehouden met een stijging van 40 procent
Dit is het botanische equivalent van de eerste maanraket: wetenschappers over de hele wereld doen nu pogingen om van rijst een C4-plant te maken – een die sneller groeit, minder water en bemesting nodig heeft en meer korrels produceert. De reikwijdte en de het belang van dit project kunnen niet onderschat worden. Rijst is het belangrijkste voedingsmiddel van de wereld, het hoofdgewas voor meer dan de helft van de wereldbevolking, een voedingsmiddel dat zo diep in de Aziatische cultuur verankerd is dat de woorden ‘rijst’ en ‘maaltijd’ zowel in het Chinees als in het Japans varianten van elkaar zijn. Niemand kan met zekerheid voorspellen hoeveel extra rijst de boeren in 2050 moeten verbouwen, maar er wordt rekening gehouden met een stijging van 40 procent, op basis van de groeiende bevolkingsaantallen en de toenemende welvaart, waardoor mensen die vroeger arm waren de mogelijkheid krijgen om basisvoedingsmiddelen die minder in aanzien staan, zoals gierst en zoete aardappelen, te verruilen voor rijst. Ondertussen neemt de hoeveelheid grond waarop rijst kan worden geteeld af, doordat steden steeds meer platteland in beslag nemen, dorstige mensen rivieren draineren, boeren overgaan op gewassen die meer geld opleveren en steeds meer landbouwgrond door de klimaatverandering woestijn wordt. Een tekort aan rijst zou een humanitaire catastrofe betekenen waarvan de gevolgen in de hele wereld voelbaar zijn.
Het C4 Rice Consortium is een poging om dat te voorkomen. Dit consortium, grotendeels gefinancierd door de Bill & Melinda Gates Foundation, is het meest ambitieuze project op het gebied van genetische manipulatie. Maar de term ‘genetische manipulatie’ dekt niet de hele lading van het project. De genetische manipulatie die meestal in het nieuws komt, heeft te maken met grote bedrijven die individuele pakketjes genetisch materiaal, meestal van een uitheemse soort, in een gewas stoppen. Het bekende voorbeeld is de Roundup Ready-sojaboon van Monsanto, die een snippertje DNA bevat van een bacterie die was aangetroffen in een afvalwaterbassin in Louisiana. Door dat snippertje vormt de plant in zijn bladeren en stelen een chemische stof die het effect van Roundup, het veelgebruikte onkruidverdelgingsmiddel van Monsanto, tegengaat. Dankzij dat uitheemse gen kunnen boeren Roundup over hun soja-akkers sproeien en zo onkruid verdelgen, terwijl het gewas niet wordt aangetast. Afgezien van dat ene smaakloze, geurloze niet-giftige eiwit dat ze produceren, zijn Roundup Ready-sojabonen identiek aan gewone sojabonen.
Wat het C4 Rice Consortium probeert te doen met rijst verhoudt zich tot de bekende genetisch gemodificeerde gewassen als een Boeing 787 tot een papieren vliegtuigje. Hierbij knutselen wetenschappers niet met individuele genen om zaden te verrijken, maar proberen ze een nieuwe draai te geven aan de fotosynthese, een van de meest fundamentele levensprocessen. Omdat C4 zich in zo veel verschillende soorten heeft ontwikkeld, denken wetenschappers dat de meeste planten voorlopers van C4-genen moeten hebben. De hoop is dat dit ook geldt voor rijst, en dat het Consortium de slapende C4-genen daarin weet te identificeren en wakker te schudden – door een pad te volgen dat de evolutie al vele malen eerder heeft gekozen. Ideaal gezien zouden onderzoekers dan de al aanwezige, slapende stukjes genetisch materiaal in rijst (of sterk daarop lijkende genen van soorten die nauw verwant zijn maar gemakkelijker om mee te werken) activeren om nieuwe en productievere soorten te creëren. Gewone rijst, Oryza sativa, wordt dan iets anders, zeg Oryza nova. Geen bedrijf zal van het resultaat profiteren; het International Rice Research Institute, waar een groot deel van het onderzoek plaatsvindt, zal zaden voor de gemodificeerde rijstsoort gratis weggeven, zoals het indertijd ook heeft gedaan met de rijst van de Groene Revolutie.
Zelfbemestende maïs
Tijdens mijn bezoek aan IRRI, zo’n 50 kilometer ten zuidoosten van Manilla, waren veel mensen bezig met datgene waar de wetenschap zo goed in is: een probleem in individuele stukjes hakken en om vervolgens die stukjes zelf te lijf gaan. Sommige medewerkers lieten rijst ontkiemen in petrischaaltjes.
Anderen probeerden toevallige variaties in bestaande rijstrassen te vinden die nuttig zouden kunnen zijn. Weer anderen bestudeerden een modelorganisme, een C4-soort gras, Setaria viridis. Setaria groeit snel en heeft geen speciale rijstvelden nodig, maar kan in gewone aarde worden gekweekt. Het is in het laboratorium gemakkelijker om mee te werken dan rijst. Er waren experimenten om verschillen te meten in fotosynthetische chemicaliën, in de mate van groei van verschillende variëteiten, in het overbrengen van biochemische markers. Een stuk of vijf mensen in witte jassen stonden zaden te sorteren op een grote tafel, korreltje voor korreltje. Anderen waren buiten op akkers, waar ze experimentele rijstvelden verzorgden. Alle parafernalia van de hedendaagse biologie waren aanwezig: flatscreens, zoemende koelkasten en vriezers, tafels vol bakjes met slijmerig DNA-materiaal, strips van Dilbert en XKCD op de whiteboards geplakt, een Verenigde Naties aan roddelende studenten in de kantine, een rij blazende airco’s voor de ramen.
Aan het hoofd van het C4 Rice Consortium staat Jane Langdale, moleculair genetica aan de faculteit voor Plant Sciences in Oxford. Volgens haar wijzen de eerste bevindingen erop dat een stuk of twaalf genen een belangrijke rol spelen in bladstructuur, en misschien nog tien genen eenzelfde rol hebben in de biochemie. Allemaal moeten ze worden geactiveerd op een manier die de bestaande, gewenste eigenschappen van de plant niet aantast, maar die de genen hun activiteiten laat coördineren. De volgende, even moeilijke stap is dan om rijstvariëteiten te kweken waarbij de extra groei door de C4-fotosynthese leidt tot meer korrels, en niet tot meer wortels of langere stengels. Ondertussen moeten de variëteiten ook resistent zijn tegen ziekten, gemakkelijk te kweken zijn en smakelijk gevonden worden door de doelgroepen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika.
‘Ik denk wel dat het allemaal kan gebeuren, maar misschien ook niet,’ zei Langdale. Ze wees er meteen op dat ook als C4 tegen onoverkomelijke hindernissen oploopt, dit niet de enige biologische maanraket is. Zelfbemestende maïs, graan dat in zout water kan groeien, verbeterde microbiële bodemecosystemen – het wordt allemaal onderzocht. De kans dat een van deze projecten succes heeft is misschien klein, zo is de gedachte, maar de kans dat ze allemaal mislukken is even klein. Het Tovenaarsproces dat Borlaug in gang heeft gezet, is wat Langdale betreft nog steeds in volle gang.
De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke proteïne toeneemt.
Al zolang Tovenaars en Profeten ruziën over het voeden van de wereld, komen de Tovenaars met het argument dat landbouw op de Profeet-manier eenvoudigweg niet voldoende voedsel kan produceren voor morgen. De afgelopen twintig jaar hebben tientallen onderzoeksteams de opbrengsten van industriële en biologische landbouw tegen elkaar afgezet. Deze onderzoeken zijn op hun beurt gecombineerd en beoordeeld – een lastige procedure: onderzoekers gebruiken verschillende definities voor ‘biologisch’, vergelijken verschillende soorten boerderijen en nemen verschillende kosten in hun analyses op. Niettemin blijkt uit elke combinatie en vergelijking van data die ik heb gezien, dat boerderijen in Profeet-stijl minder calorieën per hectare opbrengen dan boerderijen in Tovenaar-stijl.
Soms is het verschil klein, soms behoorlijk groot. Het is duidelijk wat dat betekent, vinden de Tovenaars. Als boeren twee keer zoveel voedsel moeten telen om de tien miljard monden te voeden, zouden ze te zeer bepekt worden wanneer ze zich moeten houden aan de regels van Sir Albert Howard ter bescherming van het ecosysteem.
Profeten fronsen hun voorhoofd over deze logica. In hun ogen is het dwaasheid om landbouwsystemen uitsluitend te beoordelen op basis van hoeveelheid calorieën per hectare. Die maatstaf houdt geen rekening met het soort kosten dat Vogt heeft benoemd: uitspoeling van kunstmest, achteruitgang van watervoorraden, inklinken en eroderen van de bodem en overmatig gebruik van pesticiden en antibiotica. Hij houdt geen rekening met de verwoesting van plattelandsgemeenschappen. Hij laat de vraag of het voedsel smakelijk en voedzaam is buiten beschouwing.
Tovenaars antwoorden daarop dat C4-rijst per geproduceerde calorie minder kunstmest en water nodig heeft – en beter voor het milieu is dan conventionele gewassen. Dat is alsof je de brand probeert te blussen die je zelf hebt aangestoken, door er minder benzine overheen te gooien! zeggen de Profeten.
Eet gewoon minder vlees! Tovenaars vinden het idee om boerderijen te diversifiëren en zo natuurlijke ecosystemen na te bootsen, totale onzin: alleen door hyperintensieve, industriële grootschalige landbouw met superproductieve, genetisch gemodificeerde gewassen kunnen we de wereld van morgen voeden.
Productiviteit? zeggen de Profeten. Wij komen met onze eigen maanraket! En inderdaad, dat doen ze.
Tarwe, rijst, haver, rogge en de andere algemeen bekende granen zijn eenjarigen, die elk jaar opnieuw gezaaid moeten worden. De wilde grassen daarentegen, die vroeger de prairie bedekten, zijn meerjarig: ze komen elke zomer terug, wel tien jaar lang. Omdat meerjarige grassen een wortelsysteem vormen dat tot diep in de grond reikt, houden ze de aarde beter vast en zijn ze minder afhankelijk van regenwater en voedingsstoffen aan de oppervlakte – oftewel irrigatie en kunstmest – dan eenjarige grassen. Veel van deze soorten zijn ook beter bestand tegen ziekten. Omdat ze niet elke lente nieuwe wortels hoeven te vormen, komen meerjarige grassoorten eerder en sneller boven de grond dan eenjarige. En omdat ze in de winter niet afsterven, gaat hun fotosynthetische activiteit door in de herfst, als die van eenjarigen ophoudt. Ze kennen dus een langer groeiseizoen. Ze zouden even productief kunnen zijn als graan van het Groene Revolutie-type, volgens de Profeten, maar dan zonder het land te verwoesten, het schaarse water op te zuigen of grote doses vervuilende, energie-intensieve meststoffen nodig te hebben.
Net als destijds Borlaugs programma in Mexico verzamelde het Rodale Institute, de oudste Amerikaanse organisatie die onderzoek doet naar biologische landbouw, eind jaren tachtig 250 monsters van tarwe kweekgras (Thinopyrum intermedium). Dit meerjarige neefje van broodtarwe werd in de jaren dertig als veevoer vanuit Azië op het westelijk halfrond geïntroduceerd. Peggy Wagoner, pionier op het gebied van plantenteelt en landbouwkundig onderzoek die samenwerkte met onderzoekers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw, plantte monsters, hield de opbrengst daarvan bij en kruiste de best presterende planten met elkaar, in een poging een commercieel toepasbare meerjarige te maken.
Wagoner en het Rodale Institute gaven het stokje in 2002 door aan het Land Institute in Salina, Kansas, een landbouwkundig non-profitonderzoekscentrum dat zich tot doel heeft gesteld om conventionele landbouw te vervangen door methoden die verwant zijn aan wat er in natuurlijke ecosystemen gebeurt. Het Land Institute heeft zich sindsdien, in samenwerking met andere onderzoekers, beziggehouden met de ontwikkeling van tarwegras. Het heeft zijn nieuwe variëteit tarwe kweekgras zelfs een naam gegeven: Kernza.
Net als C4-rijst zal ook tarwegras misschien niet aan de verwachtingen van zijn scheppers voldoen. Tarwegraskorrels zijn qua formaat een kwart van tarwekorrels, soms nog minder en hebben een dikkere zemellaag. Anders dan tarwe groeit tarwegras in een donkere massa dicht gebladerte dat de akker bedekt; die dikke laag vegetatie beschermt de aarde en houdt onkruid weg, maar gaat ook ten koste van de hoeveelheid tarwe die de plant produceert. Om tarwegras bruikbaar te maken voor boeren, zullen kwekers het formaat van de korrel moeten vergroten, de bouw van de plant moeten veranderen en de eigenschappen die goed zijn voor het maken van brood moeten verbeteren. Er is slechts langzaam vooruitgang geboekt. Omdat tarwegras meerjarig is, is er niet in één seizoen een oordeel over te vormen – daar gaan jaren overheen. Het Land Institute hoopt in de jaren twintig van deze eeuw zaaiklaar, broodwaardig tarwegras klaar te hebben, met korrels die twee keer zo groot zijn als nu (wat nog steeds maar half zo groot is als gewone tarwekorrels), maar niemand weet zeker of dat gaat lukken.
Het domesticeren van tarwegras is een kwestie van lange adem. Andere plantveredelaars hebben geprobeerd een kortere weg te vinden: een hybride van broodtarwe en tarwegras, waarin ze de grotere, overvloedige korrel van de eerste en de resistentie tegen ziekten en de meerjarige levenscyclus van de tweede met elkaar hoopten te verenigen. De twee soorten produceerden samen net vaak genoeg levensvatbare nakomelingen om biologen in Noord-Amerika, Duitsland en de Sovjet-Unie halverwege de vorige eeuw decennia lang te laten proberen nuttige hybriden te kweken, zonder succes. Aangemoedigd door nieuwe ontwikkelingen in de biologie begon het Land Institute rond de eeuwwisseling opnieuw, samen met onderzoekers in landen rond de noordelijke Stille Oceaan en Australië. Ik was op bezoek bij Stephen S. Jones van de Washington State University, kort nadat hij en zijn collega’s een wetenschappelijke naam hadden gegeven aan een onlangs ontwikkelde en geteste hybride: Tritipyrum aaseae (de soortnaam verwijst naar de baanbrekende graangenetica Hannah Aase). Er valt nog veel werk te doen; Jones verwachtte dat op zijn vroegst de kinderen van mijn dochter het brood van T. aaseae zouden kunnen eten.
Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse onderzoekers krabben zich achter de oren als ze over deze projecten horen. Met kun pogingen om meerjarige granen te kweken die de oogsten moeten vergroten kiezen de Profeten de moeilijke weg, zegt Edwige Botoni, onderzoeker aan het Permanent Interstate Committee for Drought Control in the Sahel (CICDCS) in Burkina Faso. Tijdens haar reizen langs de randen van de Sahara heeft Botoni veel nagedacht over de vraag hoe je mensen het beste kunt voeden met de opbrengst van kwalitatief slechte grond. Een deel van het antwoord is volgens haar om het voorbeeld te volgen van de succesvolle boerderijen in tropische gebieden als Nigeria en Brazilië. Terwijl boeren in de gematigde zone zich concentreren op granen, richten tropische telers zich op knollen en bomen, die over het algemeen productiever zijn dan granen.
Denk aan cassave, een grote knol, ook bekend als maniok, mogo of yuca. Qua productiviteit staat cassave op de elfde plaats van belangrijkste gewassen in de wereld, en de plant wordt in grote delen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika verbouwd. Het eetbare deel groeit onder de grond; hoe groot de knol ook is, de plant zal nooit omvallen. Gemeten per hectare overtreffen cassaveoogsten ruimschoots die van tarwe en andere granen. Die vergelijking is niet eerlijk, omdat cassaveknollen meer water bevatten dan tarwekorrels. Maar zelfs als je dat in aanmerking neemt, produceert cassave veel meer calorieën per hectare dan tarwe. (De aardappel is een noordelijk equivalent. In 2016 was de gemiddelde calorieopbrengst per hectare van de aardappeloogst in Amerika meer dan tien keer zo groot als die van tarwe.) ‘Ik weet niet waarom niet aan dit alternatief wordt gedacht,’ zegt Botoni. Cassave is in veel culturen niet vertrouwd, maar de introductie ervan is ‘gemakkelijker dan het kweken van geheel nieuwe soorten’.
Hetzelfde geldt in veel opzichten voor boomgewassen. Een volgroeide McIntosh-appelboom kan wel 350 tot 550 pond appels per jaar leveren. Fruittelers planten in het algemeen vier- tot vijfhonderd bomen per hectare. In goede jaren kan dit 70 tot 130 ton fruit per hectare opleveren. Tarwe levert maar 3 ton per hectare. Net als cassave en aardappelen bevatten appels meer water dan tarwe, maar de calorie-opbrengst per hectare is nog steeds groter. Zelfs papaja’s en bananen zijn productiever dan tarwe. Net als bepaalde noten, zoals kastanjes. Van appels, kastanjes en papaja’s kun je geen knapperige baguettes maken of brosse tortilla’s, of luchtige cake, maar het grootste deel van het graan dat tegenwoordig wordt verbouwd, is bestemd voor sterk bewerkte producten als diervoeder, ontbijtgranen, zoete stroop en ethanol – en daarvoor zijn oogsten van vruchten en knollen ook prima te gebruiken.
Wil ik ervoor pleiten dat boeren over de hele wereld hun veldjes tarwe, rijst en maïs verruilen voor akkers met cassave, aardappels en zoete aardappels en boomgaarden vol bananen-, appel- en kastanjebomen? Nee. Wat ik wil zeggen is dat Profeten over veel methoden beschikken om aan de behoeften van morgen te voldoen. Deze alternatieve wegen zijn ingewikkeld, maar dat geldt ook voor de weg van de Tovenaars die moet uitkomen bij C4-rijst. Het grootste obstakel voor de Profeten is iets anders: arbeidskracht.
Elke generatie beslist over de toekomst, maar de keuzes die de generatie van mijn kinderen maakt, zullen zo lang doorklinken als demografen kunnen voorzien
Sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog was het beleid van de meeste nationale overheden gericht op het verminderen van arbeidskracht in de landbouw (communistisch China was daarop lang een uitzondering). Het doel was boerderijen in stand te houden en te mechaniseren, waardoor de oogsten zouden toenemen en de kosten omlaag zouden gaan, vooral de kosten voor arbeidsloon.
Boerenarbeiders die niet langer nodig waren, zouden naar de steden verhuizen, waar ze beter betaalde banen konden vinden in fabrieken. Volgens het borlaugiaanse ideaal zouden zowel de overblijvende boeren als de fabrieksarbeiders zo meer gaan verdienen, de eersten door het telen van meer en betere gewassen, de tweede groep dankzij het beter betaalde werk in fabrieken. De natie als geheel zou er wel bij varen: een grotere export van industrie- en landbouwproducten, goedkoper voedsel in de steden, een overvloedig aanbod van arbeidskrachten.
Er bleken ook nadelen: bij steden in ontwikkelingslanden ontstonden sloppenwijken vol ontheemde gezinnen. En in veel regio’s, ook in het grootste deel van de ontwikkelde wereld, liep het platteland leeg, precies zoals de Borlaugianen hadden bedoeld – zij wilden immers de landarbeiders bevrijden zodat die hun eigen dromen konden najagen. In de Verenigde Staten daalde het aandeel van de beroepsbevolking in de landbouw van 21,5 procent in 1930 naar 1,9 procent in 2000; het aantal boerderijen nam met bijna tweederde af. De gemiddelde omvang van de overgebleven boerderijen nam toe ter compensatie van dat kleinere aantal. Ondertussen weefden staten overal ter wereld een heel web van belastingvoordelen, leningen, trainingsprogramma’s en directe subsidies aan grote boeren voor de aanschaf van grootschalige landbouwmachines, het opslaan van voorraden chemicaliën en het telen van bepaalde door de overheid bevoordeelde gewassen voor de export. Deze structuren blijven in stand, en dus roeien Vogtiaanse boeren tegen de stroom op.
Volgens de visie van Vogtianen zorgt goede landbouw in de allereerste plaats goed voor de grond. Dat vraagt om kleinere stukken land met verschillende gewassen en is dus moeilijk te realiseren als je je richt op de massaproductie van een enkel gewas. Voor een werkelijke uitbreiding van deze vorm van landbouw zou op zijn minst een deel van de mensen wier ouders en grootouders het platteland verlieten, moeten terugkeren. Deze arbeidskrachten moeten een fatsoenlijk loon verdienen, en dat zou de kosten opdrijven. Enige arbeidsbesparende mechanisatie is mogelijk, maar geen enkele kleine boer die ik heb gesproken denkt dat het mogelijk is om het met zo weinig arbeidskrachten te doen als in de grote industriële landbouwbedrijven. Het hele systeem kan alleen groeien als de wet- en regelgeving verandert en gebruik van arbeid gaat aanmoedigen. Dat soort grote, maatschappelijke veranderingen is niet makkelijk te realiseren.
En daar ligt de kern van het al tientallen jaren durende debat tussen de Tovenaars en de Profeten. Weliswaar wordt er voortdurend gepraat in termen van calorieën per hectare en behoud van ecosystemen, maar het meningsverschil dat daaraan ten grondslag ligt gaat over de aard van de landbouw – en daarmee over de vraag welke vorm de samenleving moet krijgen. Voor borlaugianen is landbouw een soort nuttig gezwoeg dat zo veel mogelijk vergemakkelijkt en verminderd moet worden om een maximale vrijheid te realiseren. Voor vogtianen is landbouw bedoeld voor het in stand houden van de verschillende ecologische en menselijke leefgemeenschappen die altijd, sinds de eerste landbouwrevolutie meer dan tienduizend jaar geleden, de bakermat van het leven zijn geweest. Het mag zwaar werk zijn, het is werk dat de band van de mens met de aarde versterkt. Deze twee standpunten zijn als lijnen die elkaar kruisen maar niet in hetzelfde vlak liggen.
Tovenaar of Profeet?
Mijn dochter is nu negentien jaar en tweedejaars student. In 2050 is ze van middelbare leeftijd. Het is aan haar generatie om de instituties, de wetten en gebruiken te bepalen die de basisbehoeften van de mensheid in de wereld van tien miljard kunnen vervullen. Elke generatie beslist over de toekomst, maar de keuzes die de generatie van mijn kinderen maakt, zullen zo lang doorklinken als demografen kunnen voorzien. Tovenaar of Profeet? Voor deze generatie zal het niet zozeer gaan over wat haalbaar is, maar over wat ze het juiste vindt.
Dit artikel is een bewerking van het meest recente boek van Charles C. Mann, The Wizard and the Prophet.
The Atlantic
Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000
Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.
In 2050 wonen naar verwachting bijna 10 miljard mensen op aarde. Een abstract en duizelingwekkend aantal met tien nullen waarvan de consequenties niet te overzien zijn.
Hoe kan die groeiende wereldbevolking gevoed worden en gaat dat de draagkracht van de aarde niet te boven? Met deze vragen houden wetenschappers zich al jaren bezig. Wordt het een nieuwe agrarische revolutie of krijgen de volgende generaties straks wat moderne laboratoria hun voorzet? Profeten en tovenaars voorspellen dat meer mensen het zullen moeten stellen met minder vruchtbare grond. Het is dus maar goed ook dat straks niet de boer en het seizoen bepalen wat er op ons bord komt, maar de industrie. Er worden nu al talloze pogingen gedaan om van rijst – het hoofdgewas voor meer dan de helft van de wereldbevolking! – een plant te maken die sneller groeit, minder water en bemesting nodig heeft en meer korrels produceert. Op die manier is de mens minder afhankelijk van erosie, verwoestijning, uitputting van de grond, het uitsterven van soorten en besmetting van water, wat allemaal vroeg of laat tot enorme hongersnoden leidt.
Wij atoomsplitsers, celkwekers en ruimtevaarders zouden wellicht beter naar de planten moeten luisteren
Sinds de bestseller Homo Sapiens van Yuval Noah Harari begrijpen wij dat de Agrarische Revolutie, over het algemeen beschouwd als een sprong voorwaarts, evolutionair gezien weliswaar een succes was – de gigantische toename van voedselproductie veroorzaakte een bevolkingsexplosie – maar dat slechts de happy few er uiteindelijk van profiteerde omdat de rest zaaiend en oogstend alle ontberingen opving. Betekent dit dat we ook nieuwe land- en tuinbouwrevoluties op wereldschaal met een korrel zout moeten nemen? De agrarische revolutie was ook bedoeld om het leven en de voedselvoorziening van de volgende generaties te vergemakkelijken. Niemand weet het, omdat niemand de consequenties op de lange termijn kan overzien. Wij atoomsplitsers, celkwekers en ruimtevaarders zouden wellicht beter naar de planten moeten luisteren. Hun communicatie moeten imiteren. Een tomatenplant bijvoorbeeld die belaagd wordt door een vijandige aardrups, laat een cocktail van vluchtige stoffen ontsnappen die door planten in de buurt wordt opgepikt. Buurt- en soortgenoten die deze waarschuwing ‘horen’, produceren glycoside, dat er weer voor zorgt dat er een gifstof vrijkomt die de vijandige rupsen afschrikt. Niks RoundUp, Monsanto of genetische manipulatie. Een sojaplant die last heeft van bladluis laat een ‘inbraakalarm’ klinken, dat troepen bladluisetende lieveheersbeestjes aantrekt. En dat geldt niet alleen voor de welgestelde planten.
Eind vorig jaar publiceerde de Franse krant Le Monde de artikelenserie ‘De Monsanto Papers’, een onderzoek naar de oorlog die de multinational in biotechnologie Monsanto is begonnen om zijn succesproduct glyfosaat, een onkruidverdelgingsmiddel (handelsnaam: RoundUp), te behoeden voor een wereldwijd verbod. Onder meer probeert Monsanto, met hoofdvestiging in de VS, op alle mogelijke manieren het IARC kapot te maken, de VN-organisatie voor kankeronderzoek die drie jaar geleden de gevaren van glyfosaat aantoonde.
DEEL 1: Operatie Vergiftiging
‘We zijn al eerder aangevallen, we hebben te maken gehad met lastercampagnes, maar dit keer zijn we het doelwit van een georkestreerde campagne waarvan de schaal en duur ongekend zijn.’ De glimlach van Christopher Wilde verdwijnt snel. Door het raam van het hoge gebouw waar het International Agency for Research on Cancer (IARC) zijn hoofdkantoor heeft, zijn de daken van de Franse stad Lyon te zien, die zich tot ver achter zijn lange gestalte uitstrekken.
Wild is directeur van het agentschap. Hij weegt elk woord en spreekt met de ernst die bij de situatie past. Sinds twee jaar ligt zijn instituut zwaar onder vuur: de geloofwaardigheid en integriteit van het IARC worden in twijfel getrokken, de deskundigen worden belasterd en bestookt door advocaten, en de financiële situatie is ernstig verzwakt.
Al bijna een halve eeuw is het IARC, onder auspiciën van de WHO, de wereldgezondheidsorganisatie, belast met het inventariseren van kankerverwekkende stoffen. Maar nu begint het eerbiedwaardige agentschap te wankelen onder de aanval.
De vijandelijkheden begonnen op een specifieke datum: 20 maart 2015. Die dag maakte het IARC de conclusies bekend van zijn ‘Monografie 112’. De bevindingen verbijsterden de hele wereld. Anders dan de meerderheid van de regelgevende agentschappen verklaarde het IARC dat het meest gebruikte pesticide op de planeet genotoxisch is (schadelijk voor het DNA), kankerverwekkend voor dieren en ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ voor mensen.
Dit pesticide is glyfosaat, het belangrijkste bestanddeel van Roundup, het kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto, een van de bekendste bedrijven ter wereld. Glyfosaat is ook het product waarmee de hele agrochemische industrie valt of staat. Het wordt al meer dan veertig jaar gebruikt en is aanwezig in maar liefst 750 producten die door ongeveer honderd bedrijven in meer dan 130 landen worden verkocht.
Het fundament van Monsanto
Tussen 1974, toen het op de markt kwam, en 2014 is het glyfosaatgebruik toegenomen van 3200 tot 825.000 ton per jaar. Een dramatische toename die het gevolg is van het massaal overstappen op zaden die genetisch zijn gemodificeerd om glyfosaat te kunnen verdragen – ‘Roundup Ready’-zaden.
Van alle agrochemische bedrijven die getroffen zouden kunnen worden door een beperking van – of verbod op – de verkoop van het product, is er maar één waarvan het voortbestaan op het spel staat.
Monsanto, dat glyfosaat heeft ontwikkeld, heeft er het fundament van zijn economische model van gemaakt. Het bedrijf verdient enorm veel geld met de verkoop van Roundup en de bijbehorende zaden.
Toen het IARC bekendmaakte dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is, reageerde het bedrijf dus ongemeen fel. In een verklaring werd het werk van het IARC afgedaan als ‘pseudowetenschap’ – het ‘selectief verzamelen’ van data, gebaseerd op een ‘vooringenomen benadering’, dat ‘na slechts enkele uren discussie’ tot de conclusie had geleid.
Nooit eerder trok een bedrijf de integriteit van een onder de vleugels van de Verenigde Naties opererend agentschap in zulke grove bewoordingen in twijfel. De strijd was geopend – althans in het openbaar.
Want in zijn eigen burelen sloeg Monsanto een heel andere toon aan. Het bedrijf wist heel goed dat een groep deskundigen van het IARC een vol jaar bezig was geweest met de evaluatie van het glyfosaat en vervolgens dagenlang had overlegd in Lyon. De IARC-procedures schrijven voor dat bedrijven die door het onderzoek naar een product getroffen kunnen worden, het recht hebben bij deze slotvergadering aanwezig te zijn.
Voor de glyfosaatevaluatie had Monsanto een ‘waarnemer’ gestuurd, de epidemioloog Tom Sorahan, hoogleraar aan de Universiteit van Birmingham, die door het bedrijf soms wordt ingeschakeld als adviseur.
In het rapport dat Sorahan op 14 maart 2015 naar zijn bazen stuurde, verzekerde hij dat alles volgens de regels was verlopen.
‘Ik vond de voorzitter, de vicevoorzitters en de uitgenodigde deskundigen erg vriendelijk en bereid om te reageren op al het commentaar dat ik leverde,’ aldus Sorahan in een e-mail aan een leidinggevende van Monsanto. Deze e-mail is opgenomen in de ‘Monsanto Papers’ – een verzameling interne documenten van het bedrijf die een rechtbank in de VS begin 2017 openbaar heeft gemaakt in het kader van lopende processen.
‘De vergadering verliep volgens de richtlijnen van het IARC,’ vervolgde de waarnemer. ‘Dr. Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, is goed bekend met de IARC-richtlijnen en staat erop dat deze worden nageleefd.’
Sorahan leek erg in te zitten over het idee dat zijn naam verbonden zou kunnen worden met Monsanto’s reactie op het IARC-besluit: ‘Ik wil niet dat uw pr-afdeling op enigerlei manier naar mij verwijst’, schreef hij, al voegde hij er meteen aan toe dat hij ‘met alle plezier wilde helpen bij het formuleren van verklaringen die u wilt afleggen’ voor de onvermijdelijke tegenaanval die het bedrijf op touw zette.
Enkele maanden later ontvingen de niet-Amerikaanse wetenschappers die lid van het IARC-panel over glyfosaat waren geweest allen dezelfde brief. Daarin droeg Hollingsworth, het advocatenkantoor van Monsanto, hun op alle dossiers ter beschikking te stellen die betrekking hadden op hun werk aan ‘Monografie 112’. Concepten, commentaren, data: alles dat door het computersysteem van het IARC was gegaan. ‘Indien u verzuimt de dossiers te overleggen,’ waarschuwden de advocaten, ‘dragen wij u op alle redelijke stappen te zetten die in uw vermogen liggen om al dergelijke dossiers in ongeschonden staat te bewaren voor het geval een Amerikaanse rechtbank formeel om inzage vraagt.’
‘Ik vond uw brief intimiderend en kwalijk,’ reageerde een van de wetenschappers op 4 november 2016. ‘Uw toon kwam mij berispend en onhoffelijk voor, zelfs naar huidige maatstaven gemeten.’ De schrijfster, de patholoog Consolato Maria Sergi, hoogleraar aan de Universiteit van Alberta in Canada, vervolgde: ‘Ik beschouw uw brief als verwerpelijk omdat u daarin op kwaadaardige wijze een onafhankelijke groep deskundigen angst probeert in te boezemen.’
De auteurs zijn een eskadron propagandisten die nauwe banden onderhouden met agrochemische bedrijven en conservatieve denktanks, bekend om hun belangrijke rol in het zaaien van klimaatscepsis
Amerikaanse leden van de IARC-werkgroep werden met maatregelen geconfronteerd die nog ‘intimiderender’ zijn. In de VS geeft de wet op de vrijheid van informatie (FOIA) elke burger onder bepaalde omstandigheden het recht inzage te eisen in documenten van openbare instellingen en hun werknemers: memo’s, e-mails, interne rapporten et cetera.
Volgens onze informatie hebben de advocatenkantoren Hollingsworth en Sidley Austin sinds november 2015 alleen al vijf verzoeken ingediend bij de National Institutes of Health (NIH) waar twee deskundigen van de groep werkzaam zijn. Ook bij het milieubeschermingsagentschap CalEPA in Californië, de A&M-universiteit in Texas en de Staatsuniversiteit van Mississippi zijn verzoeken ingediend met betrekking tot andere wetenschappers.
Sommige van deze instellingen zijn door advocaten van Monsanto zelfs gedagvaard in het kader van het lopende glyfosaatproces – en daarmee gedwongen bepaalde interne documenten over te leggen.
Zijn deze intimiderende manoeuvres bedoeld om de kritiek tot zwijgen te brengen?
Wereldberoemde wetenschappers die gewoonlijk openstaan voor mediaverzoeken hebben niet op de verzoeken van Le Monde gereageerd – zelfs niet als het om vertrouwelijke interviews ging. Sommigen waren bereid te praten, maar alleen buiten kantooruren via een privélijn.
Leden van het Amerikaanse Congres hebben de FOIA niet nodig om federale wetenschappelijke instellingen ter verantwoording te roepen. De Republikein Jason Chaffetz, voormalig lid van het Huis van Afgevaardigden en voormalig voorzitter van de Toezichts- en Hervormingscommissie van het Huis, schreef op 26 september 2016 aan Francis Collins, de directeur van de NIH. De IARC-besluiten hebben ‘veel controverse en paniek gezaaid’, aldus Chaffetz. En ondanks zijn verleden van ‘controverses, herroepingen en inconsistenties’ ontvangt het IARC een ‘aanzienlijke hoeveelheid belastinggeld’ van de NIH.
Van het jaarlijkse budget van veertig miljoen euro van het IARC is inderdaad 1,2 miljoen afkomstig van de NIH. Om die reden verzocht Jason Chaffetz de NIH-directeur gedetailleerd verantwoording af te leggen voor alle NIH-betalingen aan het IARC.
Weggelopen uit een roman van Le Carré
Diezelfde dag werd de brief van Chaffetz met instemming begroet door de American Chemistry Council (ACC), het verbond van Amerikaanse chemiebedrijven. Als machtige lobbyorganisatie van de Amerikaanse chemische industrie, waarvan Monsanto lid is, zegt de ACC ‘te hopen dat de NIH ‘licht zal werpen op de nauwe en enigszins ondoorzichtige relatie’ tussen het IARC en Amerikaanse wetenschappelijke instellingen.
De chemielobby had in Chaffetz een waardevolle bondgenoot gevonden. In maart schreef het voormalige Congreslid naar het hoofd van een andere federale onderzoeksorganisatie – het National Institute of Environmental Health Sciences (NIEHS) – met het verzoek verantwoording af te leggen voor het onderzoek dat de instelling had gefinancierd naar de schadelijke effecten van bisfenol A, een chemische verbinding die veel wordt gebruikt voor bepaalde plasticsoorten.
Hoe kun je een instelling beter onschadelijk maken dan door haar geldkraan dicht te draaien? In de maanden na de publicatie van ‘Monografie 112’ benaderde CropLife International, een organisatie die wereldwijd de belangen behartigt van pesticideproducenten en zaadveredelingsbedrijven, enkele vertegenwoordigers van de 25 lidstaten die de raad van bestuur van het IARC vormen om te klagen over de kwaliteit van het werk van het agentschap.
Deze zogeheten ‘Deelnemende Staten’ financieren zo’n zeventig procent van het totale IARC-budget. Volgens het IARC zijn minstens drie daarvan – Canada, Nederland en Australië – benaderd. Geen van drieën heeft op de verzoeken van Le Monde om commentaar gereageerd.
Heel 2016 lang maakten figuren die leken weggelopen uit een roman van John Le Carré hun opwachting in de glyfosaatsaga. In juni woonde iemand die zich voordeed als journalist maar zich niet als zodanig registreerde, de conferentie bij waarmee het IARC in Lyon zijn vijftigste verjaardag vierde. Terwijl hij zich onder wetenschappers en internationale ambtenaren bewoog, zocht de man naar details over het functioneren van het IARC, de financiering ervan, het monografieprogramma enzovoort.
Enkele maanden later, eind oktober 2016, dook de man opnieuw op – ditmaal bij de jaarlijkse conferentie van het Ramazzini Institute, een vermaard en gerespecteerd instituut voor kankeronderzoek dat nabij de Italiaanse stad Bologna is gevestigd. Waarom in vredesnaam het Ramazzini? Misschien omdat het Italiaanse instituut enkele maanden eerder had aangekondigd zelf een carcinogeniteitsstudie naar glyfosaat te zullen verrichten.
Christopher Watts – zo heet de man – stelde vragen over de onafhankelijkheid van het instituut en zijn financieringsbronnen. Omdat hij een e-mailadres gebruikte dat eindigde met ‘@economist.com’ trokken degenen die hij benaderde zijn banden met het prestigieuze Britse weekblad The Economist niet in twijfel. Tegen wetenschappers die om details vroegen, zei Watts dat hij voor de Economist Intelligence Unit (EIU) werkte, een adviesbureau dat een dochteronderneming is van de Britse persgroep.
De EIU bevestigde dat Watts inderdaad enkele rapporten had geschreven, maar was ‘niet in staat te bevestigen in welke hoedanigheid hij aanwezig was’ bij de twee conferenties. ‘In die tijd werkte hij aan een verhaal voor The Economist, dat uiteindelijk niet werd gepubliceerd.’ Vreemd genoeg meldde de redactie van het weekblad dat ‘er niemand met die naam bij ons werkt’.
Het enige dat duidelijk lijkt is de naam van een bedrijf dat Watts eind 2014 oprichtte: Corporate Intelligence Advisory Company. Volgens de bedrijfsgegevens is Watts’ privéadres in Albanië. Vragen van Le Monde wenste hij niet te beantwoorden.
Binnen enkele maanden deden ten minste vijf figuren zich voor als journalist, onafhankelijk onderzoeker of vertegenwoordiger van een advocatenkantoor, om wetenschappers en onderzoekers te benaderen die betrokken waren bij het werk van het IARC. Alle vijf waren ze op zoek naar zeer specifieke informatie over de procedures en financiering van het agentschap.
Een van hen, Miguel Santos-Neves, werkt voor een in New York gevestigd economisch inlichtingenbureau genaamd Ergo. Volgens een bericht in The New York Times uit juli 2016 werd Santos-Neves tijdens een justitieel onderzoek in de VS in zijn kraag gevat wegens het gebruiken van een valse identiteit.
Namens Uber had Santos-Neves onderzoek gedaan naar iemand die een proces tegen het bedrijf had aangespannen en daarbij diens werkomgeving onder valse voorwendselen had ondervraagd. Ergo reageerde niet op verzoeken om opheldering van Le Monde.
Net als Christopher Watts zijn twee zusterorganisaties met een bedenkelijke reputatie niet alleen in het IARC geïnteresseerd maar ook in het Ramazzini Institute. Het Energy and Environmental Legal Institute (E&E Legal) doet zich voor als een non-profitorganisatie die tot doel heeft ‘degenen ter verantwoording te roepen die excessieve en destructieve overheidsregulering nastreven gebaseerd op politieke vooringenomenheid, pseudowetenschap en hysterie’. De Free Market Environmental Law Clinic op haar beurt zegt ‘een tegenwicht te willen vormen tegen de procesbeluste milieubeweging die aanstuurt op een economisch funest reguleringsregime in de Verenigde Staten’.
Volgens Le Monde hebben beide organisaties maar liefst zeventien FOIA-verzoeken ingediend bij de NIH en het Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA). Ze hebben tijdens hun indringende en bureaucratisch-juridische guerrillaoorlog de correspondentie van verscheidene Amerikaanse ambtenaren opgeëist waarin de termen ‘IARC’, ‘glyfosaat’ of ‘Guyton’ voorkomen. (Kathryn Guyton is de IARC-wetenschapper die verantwoordelijk is voor de ‘Monografie 112’.)
Ze zijn op zoek naar de kleinste details op het gebied van beurzen, toelages en andere financiële en niet-financiële betrekkingen tussen deze Amerikaanse agentschappen, het IARC, enkele wetenschappers en het Ramazzini Institute.
‘Laat niets op zijn beloop’
De beide organisaties worden geleid door David Schnare, een overtuigd klimaatscepticus die bekendstaat om het bestoken van klimaatwetenschappers. In november 2016 verruilde Schnare E&E Legal tijdelijk voor het transitieteam van Donald Trump. Steve Milloy, ook een van de leiders van de organisatie, is een bekende figuur in het kleine wereldje van door de tabaksindustrie gefinancierde propaganda. Toen hun gevraagd werd naar hun motieven en financieringsbronnen, antwoordde de bestuursvoorzitter van E&E Legal per e-mail: ‘Hallo, we zijn niet in deelname geïnteresseerd.’
De aandacht voor deze FOIA-verzoeken wordt versterkt door opiniepagina’s van enkele media. Een daarvan, The Hill, is verplichte leesstof voor elke politieke speler in Washington D.C. De auteurs zijn een eskadron propagandisten die volgens de vereniging US Right to Know (USRTK) sinds lange tijd nauwe banden onderhouden met agrochemische bedrijven en conservatieve denktanks, zoals het Heartland Institute en het George C. Marshall Institute, beide bekend om hun belangrijke rol in het zaaien van klimaatscepsis.
In hun geschriften worden precies dezelfde argumenten gebruikt. En soms zelfs dezelfde zinnen: de ‘flutwetenschap’ van een IARC dat verscheurd wordt door belangenverstrengeling en ‘alom wordt bekritiseerd’ – maar zonder ooit te zeggen door wie.
De advocaten die bij de Amerikaanse processen betrokken zijn, onthulden dat Monsanto zich ook van discretere middelen bedient. Toen ze onder ede op vragen moesten antwoorden die werden gesteld door advocaten van mensen die hun kanker aan Roundup wijten, openbaarden bestuurders van het bedrijf het bestaan van een vertrouwelijk programma dat erop was gericht alle kritiek te weerspreken en dat ‘Laat niets op zijn beloop’ is gedoopt.
De transcripties van deze hoorzittingen blijven vertrouwelijk. Maar memo’s van de betrokken advocatenkantoren verschaffen iets meer duidelijkheid. Ze tonen aan dat Monsanto bedrijven van derden inschakelt die ‘mensen in dienst hebben die geen band met de bedrijfstak hebben, maar op hun beurt positieve commentaren posten bij nieuwsartikelen en op Facebook, waarin Monsanto, zijn chemische producten en zijn genetisch gemodificeerde organismen worden verdedigd’.
Wind in de zeilen door Trump
De afgelopen maanden is de coalitie tegen het IARC gegroeid. Eind januari 2017, een paar dagen na de inauguratie van Donald Trump in het Witte Huis, heeft het Amerikaanse chemieverbond ACC zich erbij aangesloten. Op sociale netwerken heeft de chemische lobby in de VS een nieuwe aanval geopend in de vorm van een ‘Campagne voor Accuratesse bij Gezondheidsonderzoek’, met een eigen website en Twitteraccount. Het doel daarvan heet een ‘hervorming’ van het monografieprogramma van het IARC te zijn. De machtige lobbyorganisatie heeft de fluwelen handschoenen uitgetrokken: ‘Een plak spek of een staaf plutonium? Volgens het IARC is het één pot nat.’ De tweet vervolgt met een fotomontage waarin twee fluorescerende groene staven in een bord eieren met spek worden gedoopt. In oktober 2015 had het IARC bewerkt vlees inderdaad als ‘kankerverwekkend’ aangemerkt en rood vlees als ‘vermoedelijk kankerverwekkend’, net als glyfosaat.
Voelen deze chemische en agrochemische bedrijven zich misschien almachtig omdat ze toegang hebben tot de inner circle rond president Trump? De belangrijkste Amerikaanse lobbyist van het Amerikaanse chemieverbond, Nancy Beck, kreeg een hoge post binnen EPA, het federale bureau dat toeziet op chemische veiligheid en vervuilingspreventie en de supervisie heeft over het glyfosaatdossier.
En werd Andrew Liveris, de baas van Dow Chemical, niet door Donald Trump persoonlijk aangesteld om diens werkgelegenheidsproject ‘Manufacturing Jobs Initiative’ te leiden?
De machine lijkt de wind in de zeilen te krijgen door de komst van Trump.
Eind maart richtte de Texaanse Republikein Lamar Smith, voorzitter van de Commissie Wetenschap, Ruimtevaart en Technologie van het Huis van Afgevaardigden, zich tot de inmiddels afgetreden minister van Volksgezondheid Tom Price. Smith richtte zijn pijlen op de financiële banden tussen het Nationale Instituut voor Milieu- en Gezondheidswetenschappen (NIEHS) en het Ramazzini Institute om, zo schreef hij, ‘de garantie te krijgen dat subsidieontvangers de hoogste maatstaven van wetenschappelijke integriteit hanteren’.
Het verzoek van dit Congreslid was voldoende, zo schreven propagandisten Julie Kelly en Jeff Stier, om het Congres een officieel onderzoek te laten instellen naar de ‘obscure organisatie’ die het Ramazzini Institute is.
In hun artikel, dat kort daarna in de National Review verscheen, vielen ze zowel NIEHS-directeur Linda Birnbaum aan omdat deze een ‘chemofobische agenda’ zou voeren, alsook haar voormalige mededirecteur Christopher Portier, die als ‘een bekende anti-glyfosa-atactivist’ werd omschreven. Beiden werden ‘Rammazini-adepten’ genoemd.
Volgens Kelly en Stier is dit een nieuw voorbeeld van de ‘politisering van de wetenschap’. Het verhaal werd ook door anderen overgenomen, inclusief Breitbart News, de ultrarechtse website die mede is opgericht door Steve Bannon, de voormalige hoofdstrateeg van het Witte Huis.
Dat het Institute of Collegium Ramazzini (de twee worden in de artikelen door elkaar gehaald) als een ‘obscure organisatie’ wordt omschreven of als ‘een soort Rotaryclub voor activistische wetenschappers’, getuigt in het beste geval van onwetendheid en is in het ergste geval van een leugen. Het Collegium Ramazzini, in 1982 opgericht door Irving Selikoff en Cesare Maltoni, twee zwaargewichten op het gebied van gezondheidsonderzoek, is een academie met 180 wetenschappers die gespecialiseerd zijn in arbeids- en milieugeneeskunde.
Linda Birnbaum en Christopher Portier zijn lid van het Collegium. Hetzelfde geldt voor Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, en vier andere leden van de Monografie 112-werkgroep, stuk voor stuk toonaangevende wetenschappers op hun respectievelijke gebieden.
De lancering van een langdurige toxicologische studie naar glyfosaat door het Ramazzini Institute in mei 2016 heeft een organisatie die vermaard is om zijn kankerexpertise tot doelwit gemaakt. Het hoofd van de onderzoeksafdeling van het instituut, Fiorella Belpoggi, is een van de weinige wetenschappers die bereid waren Le Monde te woord te staan: ‘We zijn maar met weinigen, we hebben geen geld, we zijn gewoon goede wetenschappers en we zijn niet bang.’
Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de aanvallen op het Ramazzini en het IARC zullen stoppen. Na glyfosaat staan andere strategische chemicaliën op de ‘prioriteitenlijst’ van het IARC voor de periode 2014-2019. Daartoe behoren andere pesticiden, en ook bisfenol A (BPA) en aspartaam.
Het NIEHS is toevallig een van de grootste financiers ter wereld van onderzoek naar de toxiciteit van BPA. En de studie die de wereld waarschuwde voor de kankerverwekkende eigenschappen van de zoetstof aspartaam werd enkele jaren geleden uitgevoerd door… het Ramazzini Institute.
‘Ik had me niet eerder gerealiseerd dat we zo belangrijk zijn,’ fluistert Fiorella Belpoggi, ‘maar als je het IARC, het NIEHS en het Ramazzini Institute kwijtraakt, raak je drie symbolen van onafhankelijke wetenschap kwijt.’
Een soort wetenschap die een bedreiging is geworden voor economische belangen ter waarde van honderden miljarden euro’s.
DEEL 2: Een bittere oogst
Veilig voor nieuwsgierige blikken stak de woede van Monsanto de Atlantische Oceaan over via optische kabels. Diezelfde dag werd een bericht dat naar een oorlogsverklaring riekt naar de directeur van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in Genève gestuurd, een moederinstelling van het IARC.
Bovenaan de brief prijkte het beroemde groene takje dat wordt omlijst door een oranje rechthoek: het logo van Monsanto. ‘Wij begrijpen dat IARC-deelnemers opzettelijk tientallen studies en publiekelijk beschikbare onderzoeksresultaten hebben genegeerd die de conclusie ondersteunen dat glyfosaat geen bedreiging vormt voor de menselijke gezondheid,’ aldus een beschuldigende Philip Miller, vicevoorzitter van de afdeling Globale Regelgevende en Overheidszaken van Monsanto.
Een van de punten die hij tijdens een ‘dringend noodzakelijke ontmoeting’ besproken wilde zien, was ‘welke stappen met onmiddellijke ingang kunnen worden ondernomen om de uiterst discutabele conclusies van dit rapport te rectificeren’, en zelfs ‘een verantwoording voor alle financiering van de classificering van glyfosaat door het IARC, inclusief donoren’.
De rollen waren omgedraaid: nu was het de internationale organisatie die verantwoording moest afleggen tegenover het bedrijf.
In de zomer van 2015 deed CropLife International, de lobbyorganisatie voor de agrochemische sector waarvan Monsanto lid is, de intimidatie nog eens dunnetjes over in een brief. Dwingende eisen en versluierde dreigementen wisselden elkaar af.
Bastion van onafhankelijkheid en integriteit
Het IARC heeft het allemaal al eerder gezien. Het is niet voor het eerst het doelwit van kritiek en aanvallen – die horen nu eenmaal bij de reputatie van het agentschap. Hoewel de evaluaties van het IARC geen regelgevende waarde hebben, kunnen ze soms een bedreiging zijn voor enorme commerciële belangen.
De best gedocumenteerde aanval betreft passief roken, waarover het IARC aan het eind van de jaren negentig een evaluatie uitbracht. Maar zelfs op het hoogtepunt van de confrontatie met de machtige tabaksindustrie waren de gebruikte wapens betrekkelijk onschuldig. ‘Ik werk al vijftien jaar bij het IARC, en zoiets als er de afgelopen twee jaar is gebeurd heb ik nog nooit gezien,’ zegt Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het agentschap.
Het zou moeilijk zijn het IARC af te schilderen als een controversieel agentschap dat omstreden is binnen de wetenschappelijke gemeenschap en zich laat leiden door ‘anti-industriële’ vooringenomenheid. In de ogen van de overweldigende meerderheid van de wetenschappelijke wereld – kankerspecialisten en andere gezondheidsonderzoekers – is het agentschap een bastion van onafhankelijkheid en integriteit.
‘Ik kan me eerlijk gezegd geen rigoureuzer en objectiever manier voorstellen om tot collectieve wetenschappelijke oordelen te komen,’ zegt epidemioloog Marcel Goldberg, een onderzoeker van INSERM, het Franse nationale instituut voor gezondheidsonderzoek dat bij diverse monografieën betrokken is geweest.
Voor al die monografieën brengt het IARC zo’n twintig onderzoekers uit verschillende landen bijeen, die niet alleen worden geselecteerd op grond van ervaring en wetenschappelijke competentie, maar ook omdat ze vrij zijn van belangenverstrengeling.
Bovendien baseert het IARC zijn opinies op studies uit wetenschappelijke tijdschriften en sluit het vertrouwelijke, door de industrie gesponsorde studies uit. Dat geldt niet voor de meeste regelgevende agentschappen, die juist een beslissend gewicht kunnen toekennen aan studies die worden gesteund door de bedrijfstak waarvan de producten worden onderzocht. En één daarvan is EFSA, het officiële EU-agentschap dat belast is met de risicobepaling omtrent pesticiden.
In de herfst van 2015 moest de Europese Unie beslissen of ze haar glyfosaatvergunning met ten minste tien jaar zou verlengen. Als basis voor die beslissing werd veel belang gehecht aan de opinie van EFSA over glyfosaat. In november kon Monsanto opgelucht ademhalen. De conclusies van EFSA weerspraken die van het IARC: EFSA concludeerde dat glyfosaat genotoxisch noch kankerverwekkend was.
Maar kort daarna moest Monsanto opnieuw de adem inhouden.
Professor Portier wordt achtereenvolgens omschreven als een “activist”, een “rat”, een “demon”, een “slungel”, een “huurling” en zelfs een “ettertje” dat zich “als een worm heeft ingevreten” in de IARC-vrucht
Enkele weken later uitte een honderdtal wetenschappers in een gerespecteerd tijdschrift zware kritiek op de EFSA-conclusies, waarin talrijke tekortkomingen werden geconstateerd. Achter het initiatief zat een Amerikaanse wetenschapper die als ‘uitgenodigd specialist’ had meegewerkt aan de monografie van het IARC. Op hem concentreerden zich nu de aanvallen.
In milieugezondheidskringen is Christopher Portier bepaald geen onbekende. ‘Ik heb hier en daar gelezen dat Chris Portier niet competent zou zijn, en dat is waarschijnlijk een van de belachelijkste dingen die me ooit onder ogen zijn gekomen,’ zegt Dana Loomis, adjunct-directeur van het monografieprogramma van het IARC. ‘Hij heeft veel analytische tools ontwikkeld die overal worden gebruikt om toxicologische studies te interpreteren!’
Portier is zo’n wetenschapper wiens cv niet op minder dan dertig bladzijden past. Hij heeft meer dan tweehonderd wetenschappelijke publicaties op zijn naam en is directeur geweest van het National Center for Environmental Health, het US Agency on Toxic Substances en mededirecteur van het NIEHS en het National Toxicology Program. ‘Dat is zonder twijfel een unieke carrière,’ zegt Robert Barouki, directeur van een toxicologische onderzoeksunit van INSERM.
De pas gepensioneerde Christopher Portier biedt momenteel zijn diensten aan als deskundige en adviseur aan verscheidene internationale organisaties, waaronder het Environmental Defense Fund (EDF), een Amerikaanse niet-gouvernementele milieuorganisatie.
En uitgerekend deze man moest het doelwit worden van een aanval…
Op 18 april 2016 publiceerde het nieuwsagentschap Reuters een lang artikel over het IARC, waarin het agentschap als een ‘semiautonoom’ WHO-agentschap werd omschreven dat zich schuldig maakte aan ‘het in verwarring brengen van consumenten’.
Het artikel refereerde aan ‘zorgen over mogelijke belangenverstrengeling bij het IARC: het gaat om een adviseur van het agentschap die nauwe banden heeft met het Environmental Defense Fund, een Amerikaanse protestbeweging tegen pesticiden’.
‘Critici,’ schreef Reuters, ‘betogen dat het IARC hem niet bij het onderzoek naar glyfosaat had mogen betrekken.’
Opmerkelijk detail: het nieuwsagentschap – dat niet op verzoeken van Le Monde wilde reageren – citeerde intussen drie wetenschappers die het instituut afbrandden, zonder ook maar één keer te melden dat die alle drie bekende adviseurs van de bedrijfstak zijn.
Maar wie zijn die naamloze ‘critici’? In werkelijkheid kan de kritiek op het IARC worden herleid tot de blog van David Zaruk, een voormalige lobbyist voor de chemische industrie die op een bepaald moment voor het pr-bedrijf Burson-Marsteller werkte.
In Brussel, waar hij woont, is Zaruk berucht om zijn beledigende taal (de auteurs van dit artikel zijn diverse keren zijn doelwit geweest). Hij was de eerste die tegen de belangenverstrengeling van Portier protesteerde, waardoor de opinie van het IARC naar zijn mening wordt ondergraven. En hij heeft de Amerikaanse wetenschapper er herhaaldelijk van langs gegeven in maar liefst twintig lange posts over glyfosaat – om nog maar te zwijgen van zijn tweets.
Professor Portier wordt achtereenvolgens omschreven als een ‘activist’, een ‘rat’, een ‘demon’, een ‘slungel’, een ‘huurling’ en zelfs een ‘ettertje’ dat zich ‘als een worm heeft ingevreten’ in de IARC-vrucht. In Zaruks ogen is het agentschap een ‘wondkorst’, en ‘hoe meer je eraan pulkt, hoe meer pus je eruit ziet komen’, omdat het IARC ‘besmet is door overmoed, gepolitiseerde activistische wetenschap en vooringenomenheid tegen de bedrijfstak’.
Zaruk zegt ‘drie contacten’ bij Monsanto te hebben, maar ontkent dat hij betaald is voor wat hij heeft geschreven. ‘Ik heb geen cent gekregen voor mijn blogs over glyfosaat,’ schreef hij in een e-mail aan Le Monde. In april 2017 publiceerde hij opnieuw een felle aanval op ngo’s, Christopher Portier en enkele journalisten, die hij verluchtigde met een foto van nazi’s die boeken verbrandden op het Obernplatz in Berlijn in 1933.
Zaruks onsamenhangende verhalen hadden gemakkelijk gecontroleerd en ontkracht kunnen worden. Maar de prestigieuze garantie van een Reuters-artikel stond borg voor hun brede verspreiding.
Binnen een paar weken werden de beschuldigingen van belangenverstrengeling geciteerd in de Londense Times,The Australian en in de VS in National Review en The Hill, ondertekend door Bruce Chassy, emeritus-hoogleraar van de door Monsanto gesubsidieerde Universiteit van Illinois – zo blijkt uit vertrouwelijke documenten waarop de vereniging US Right to Know in september 2015 de hand legde.
Campagne tegen IARC, voor ‘Accutaresse bij Gezondheidsonderzoek’, met als doel ‘hervorming’ van het monografieprogramma van IARC.
Zaruks ‘werk’ werd ook geciteerd op de opiniepagina van het tijdschrift Forbes, ondertekend door een bioloog die banden onderhoudt met het Hoover Institution, een aan de Republikeinse Partij gelieerde denktank. Zijn naam duikt op in vrijgegeven archieven van de tabaksindustrie. Op dat moment bood deze man aan columns te schrijven of op nationale media te verschijnen om ‘te communiceren over risico’s en wetenschap’. Tarieven tussen de $ 5000 en $ 15.000.
De aanvallen van de Brusselse blogger vonden ook weerklank bij bekende propagandawebsites, zoals American Council on Science and Health en Genetic Literacy Project. Het laatste publiceerde, met behulp van aan de fabrikanten van pesticiden en biotechnologische producten verbonden pr-mensen, een artikel over Christopher Portier en het IARC, ondertekend door Andrew Porterfield, die zichzelf heel eenvoudig omschrijft als ‘communicatieadviseur voor de biotechnologische industrie’.
En hoe zit het met de suggestie dat er bij Portier belangenverstrengeling zou spelen? Heeft het Environmental Defense Fund – via hem – meegewerkt aan het besluit van het IARC om glyfosaat als ‘mogelijk kankerverwekkend’ te classificeren?
‘Omdat hij een band had met deze organisatie, had Portier de status van “uitgenodigd specialist”,’ verklaart Kathryn Guyton, die leiding gaf aan het opstellen van ‘Monografie 112’ van het IARC. Dat betekent dat hij werd geraadpleegd door de werkgroep, maar niet betrokken was bij de beslissing om de chemische stof in een bepaalde categorie te classificeren. Echte belangenverstrengeling is er wel degelijk – maar elders.
In mei 2016, terwijl de pers en de bloggers druk bezig waren de verdenking van kwade praktijken op het IARC te laden, was het de beurt aan een andere groep VN-deskundigen om hun mening te geven. De Joint Meeting on Pesticides Residues (JMPR), een gezamenlijk initiatief van de WHO en de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de VN, die de risico’s meet die zijn verbonden aan voedsel (en niet aan blootstelling via inademing, huidcontact et cetera), pleitte glyfosaat vrij.
Bijna een jaar eerder had een coalitie van ngo’s de WHO gewaarschuwd voor belangenverstrengeling bij de JMPR. Drie leden daarvan werken samen met het International Life Science Institute (ILSI), een wetenschappelijke lobbyorganisatie die wordt gefinancierd door grote agrarische, biotechnologische en chemische bedrijven – van Mars tot Bayer en van Kellogg tot Monsanto.
Toxicoloog Alan Boobis van het Britse Imperial College fungeerde als co-voorzitter van de JMPR, maar ook als voorzitter van de raad van bestuur van het ILSI. Angelo Moretto van de Universiteit van Milaan was rapporteur bij de JMPR terwijl hij ook als bedrijfsadviseur werkte en lid was van de raad van de bestuur van een door het ILSI gecreëerde instelling. Vicky Dellarco, ook lid van de JMPR, was bedrijfsadviseur en lid van diverse ILSI-werkgroepen.
JMPR-deskundigen zijn naar verluidt aan dezelfde onafhankelijkheidsregels gebonden – die tot de strengste ter wereld behoren – als die welke door het IARC worden gehanteerd, namelijk de WHO-regels. Omdat ze de geloofwaardigheid en de besluiten van een instelling kan beïnvloeden, is schijnbare belangenverstrengeling even ernstig als feitelijke belangenverstrengeling.
Maar op een vraag van Le Monde antwoordde de WHO dat ‘geen enkele deskundige werd geacht conflicterende belangen te hebben die deelname aan de JMPR in de weg zou staan’.
Hilal Elver en Baskut Tuncak namen geen genoegen met dit antwoord. Zij zijn respectievelijk speciale VN-rapporteur voor het Recht op Voedsel en speciale VN-rapporteur voor Gevaarlijke Stoffen en Afval.
‘Wij verzoeken de WHO beleefd uit te leggen hoe zij precies tot de conclusie is gekomen dat de banden van de deskundigen met de bedrijfstak geen duidelijk of potentieel belangenconflict vormden volgens haar eigen regels’, luidde de reactie van deze twee deskundigen op een vraag van Le Monde. ‘Sterke, duidelijke en transparante procedures inzake belangenverstrengeling zijn essentieel voor de integriteit van het systeem’, verklaarden ze, om de VN-organisaties vervolgens ‘aan te sporen’ die procedures ‘te herzien’.
Deze twee deskundigen schreven in hun rapport over het recht op voedsel dat er enkele ‘ernstige verdenkingen’ bestaan ‘ten aanzien van geleerden die zijn “omgekocht” om de discussie over de bedrijfstak in andere banen te leiden’.
Dit rapport, dat in maart 2017 werd overhandigd aan de Mensenrechtenraad van de VN, benadrukte ook dat ‘inspanningen van de pesticide-industrie hervormingen hebben gedwarsboomd en de wereldwijde beperking van pesticiden hebben lamgelegd’.
Het in diskrediet brengen van het IARC, zijn werkgroepen en de kwaliteit van zijn wetenschappelijke bevindingen – het zijn allemaal ‘inspanningen’ die van strategisch belang zijn, en zelfs van levensbelang, voor Monsanto.
Monsanto wordt dicht op de hielen gezeten door verscheidene Amerikaanse advocatenkantoren die slachtoffers (of hun nabestaanden) vertegenwoordigen die zijn getroffen door het non-hodgkinlymfoom (NHL), een zeldzame vorm van kanker die de witte bloedlichaampjes aantast en die te wijten zou zijn aan de blootstelling aan glyfosaat.
Voor die advocaten is ‘Monografie 112’ van het IARC een belangrijk bewijsstuk. Voor Monsanto zou ‘Monografie 112’ een grote rol kunnen spelen bij het uiteindelijke vonnis. De schadeloosstelling voor de achthonderd klagers in de VS – een aantal dat volgens Timothy Litzenburg, advocaat bij The Miller Firm, tegen het eind van het jaar ‘waarschijnlijk’ tot tweeduizend gestegen zal zijn – kan in de miljarden dollars lopen.
Vertrouwelijke memo’s, spreadsheets en interne resumés: al met al tien miljoen pagina’s uit de archieven en computers van Monsanto heeft het bedrijf tot dusver aan de rechtbank moeten overleggen.
Uit de massa documenten, die druppelsgewijs worden vrijgegeven en die samen de ‘Monsanto Papers’ vormen, blijkt hoe het bedrijf zich teweer wil stellen. Neem dit ‘vertrouwelijke’ PowerPoint-document, gedateerd 11 maart 2015, met afbeeldingen waarop een beïnvloedingsstrategie wordt uitgestippeld in de vorm van ‘Wetenschappelijke Projecten’. Naast andere ideeën wordt een ‘uitvoerige evaluatie van het kankerverwekkende potentieel’ van glyfosaat genoemd door ‘geloofwaardige wetenschappers’ en ‘zo mogelijk via het concept van een deskundigenpanel’. Dat zou inderdaad gebeuren.
In september 2016 verscheen er een serie van zes artikelen in het wetenschappelijk tijdschrift Critical Reviews in Toxicology. Daarin werd glyfosaat vrijgepleit. Maar zou er een andere conclusie mogelijk zijn geweest, gezien het feit dat de publicatie openlijk werd ‘gesponsord en gesteund’ door Monsanto?
De auteurs waren de zestien leden van het ‘glyfosaatdeskundigenpanel’ aan wie Monsanto de taak toevertrouwde de glyfosaatmonografie van het IARC te ‘herzien’. Ze werden gerekruteerd door Intertek, een adviesbureau dat is gespecialiseerd in de productie van wetenschappelijk materiaal voor bedrijven die met regelgevende of juridische problemen kampen ten aanzien van hun producten. Monsanto en zijn bondgenoten riepen ook de hulp in van Exponent en Gradient, twee andere bureaus die zich bezighouden met ‘productverdediging’.
Het op PowerPoint geëtaleerde crisismanagement voorzag bovendien in de publicatie van een artikel over het IARC zelf: ‘Hoe is het gevormd, hoe functioneert het, ze zijn niet met hun tijd meegegaan, ze zijn archaïsch en niet meer nodig.’
De wetenschapper die als mogelijker auteur werd geopperd, heeft tot dusver niets over de kwestie gepubliceerd. Maar een artikel dat perfect aan de vijandige specificaties beantwoordt verscheen in oktober 2016 in een klein tijdschrift.
Het classificeringssysteem van het IARC is ‘ouderwets’ en ‘dient wetenschap noch maatschappij’, schreven de tien auteurs. ‘Zo kan het eten van bewerkt vlees in dezelfde categorie vallen als zwavelmosterdgas.’ De benadering van het IARC, zeiden ze, is de bron van ‘angst voor de gezondheid, onnodige economische kosten, het verlies van nuttige producten, het hanteren van strategieën met hogere gezondheidskosten en het besteden van publieke middelen aan onnodig onderzoek’.
Het was een zeer ongebruikelijke toon voor een wetenschappelijk tijdschrift. Dat komt wellicht doordat Regulatory Toxicology and Pharmacology een speciaal soort publicatie is. Niet alleen telt de redactieraad talrijke vertegenwoordigers en adviseurs van het bedrijfsleven, de hoofdredacteur, Gio Gori, is een bekende figuur in de geschiedenis van de tabaksindustrie.
Het blad, dat eigendom is van de machtige wetenschappelijke uitgeversgroep Elsevier, is het officiële orgaan van een zogenaamd wetenschappelijk genootschap, de International Society of Regulatory Toxicology & Pharmacology (ISRTP). De website van het genootschap bevat geen significante informatie en noch Gori, noch ISRTP, noch Elsevier reageerde op vragen van Le Monde. Daarom valt niet eens te achterhalen wie de leiding heeft – laat staan waar het geld vandaan komt. Maar de laatste keer dat ISRTP zijn sponsors publiceerde, in 2008, bleek Monsanto een van de zes goede gevers.
Wat de tien auteurs van het artikel betreft, sommigen hebben gewerkt – of werken nog steeds – voor de Zwitserse groep Syngenta, een lid van de ‘glyfosaat-taskforce’ van fabrikanten van glyfosaathoudende producten. Anderen zijn zelfstandig adviseur. Weer anderen zijn geleerden die betrokken zijn bij de activiteiten van de wetenschappelijke lobbyorganisatie ILSI. Daartoe behoren Samuel Cohen, hoogleraar oncologie aan de Universiteit van Nebraska, Alan Boobis, co-voorzitter van de JMPR en Angelo Moretto, rapporteur van diezelfde JMPR.
‘We zijn zo langzamerhand in de merkwaardige situatie beland dat elke band met een bedrijfstak automatisch wordt beschouwd als een bewijs van vooringenomenheid, corruptie, verwarring zaaien, verdraaiing of wat dan ook’
Deze drie wetenschappers zetten door. Een paar maanden later publiceerden ze op de propagandawebsite Genetic Literacy Project, die ook plaats had geboden aan de persoonlijke aanvallen op Christopher Portier, een tekst waarin werd gezegd dat het IARC moest worden ‘opgeheven’. Het agentschap werd beschuldigd van het zaaien van ‘chemofobie’ onder het publiek. Als het agentschap niet wordt hervormd, schreven ze, ‘zou het IARC in het regelgevend museum moeten worden bijgezet waar het thuishoort, tezamen met andere historische artefacten als de T-Ford en de telefoon met draaischijf’.
In wetenschappelijke kringen is het goed gebruik dat de auteur van de eerste versie van een tekst de verantwoordelijk neemt voor alle wijzigingen die erin worden aangebracht, tot de laatste correcties aan toe. Welke van de auteurs heeft deze twee teksten geschreven – gepubliceerd door het wetenschappelijk tijdschrift en de website Genetic Literacy Project? ‘Dat kan ik me niet herinneren,’ antwoordde Alan Boobis toen Le Monde hem ernaar vroeg. Hij legde uit dat het ‘een heel proces’ was geweest, en dat er ‘in de loop van het jaar heel wat aan de tekst was geschaafd’.
Dit is ‘wel een beetje een schoktactiek,’ erkende Boobis. Toen hem werd gevraagd waarom het artikel op deze website was gepubliceerd, gaf Boobis toe dat Genetic Literacy Project niet bekendstond om zijn accuratesse, maar hij legde uit dat de tekst was geweigerd door een wetenschappelijk tijdschrift.
Hun argumenten zijn identiek aan die van Monsanto en zijn bondgenoten. ‘We zijn zo langzamerhand in de merkwaardige situatie beland dat elke band met een bedrijfstak automatisch wordt beschouwd als een bewijs van vooringenomenheid, corruptie, verwarring zaaien, verdraaiing of wat dan ook,’ antwoordde Boobis.
En is Monsanto uit op de ‘opheffing’ van het IARC? Het bedrijf wenste de vragen van Le Monde niet te beantwoorden.
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
CONTEXT: Overname Monsanto door Bayer bijna rond
Het Duitse chemieconcern Bayer AG onderhandelt sinds vorig jaar over de overname van het Amerikaanse Monsanto voor een bedrag van 66 miljard dollar (54 miljard euro). Tot dusver werd die aankoop vertraagd door de Europese Commissie, die beducht is voor trustvorming. Maar begin maart liet Bayer weten dat het concern in het tweede kwartaal van dit jaar de koop zal kunnen sluiten omdat het tegen die tijd aan alle voorwaarden van de Commissie zal hebben voldaan.
Volgens Werner Baumann, de CEO van Bayer, heeft het bedrijf inmiddels de toestemming voor de aankoop verworven van meer dan de helft van de dertig antitrustinstanties die het groene licht voor de deal moeten geven. Onder meer zal Bayer daartoe een deel van de activiteiten verkopen aan BASF, de andere Duitse chemiereus. Het betreft vooral de landbouwzaadveredeling. Baumann verwacht dat Bayer nog enkele andere bedrijfsonderdelen onder licentie bij andere ondernemingen zal onderbrengen.
Begin dit jaar is China gestopt met het importeren van 24 soorten afval uit het Westen, die het vroeger recyclede. Zoals wordt aangekondigd in dit verhaal uit augustus 2017 wil het land zich meer gaan toeleggen op milieubescherming en het hergebruik van eigen afval.
Op 28 maart 2005 verscheepte het Britse afvalverwerkingsbedrijf Grosvenor Waste Management in Kent duizend ton ‘schoon oud papier’, verdeeld over vijftig containers. Het schip vertrok vanuit de haven van Felixstowe en begon aan een lange reis over de Atlantische Oceaan en daarna via het Panamakanaal, met als eindbestemming China.
Maar het enorme containerschip had nauwelijks 163 mijl afgelegd of het werd aangehouden door de Nederlandse politie. Na het openmaken van de containers constateerde deze dat die met vervuild en ongesorteerd afval waren gevuld, zoals plastic zakken, batterijen, blikjes en oude kleren. Het schip mocht zijn reis niet vervolgen en werd naar de haven van Rotterdam begeleid. [Toen Grosvenor in 2007 in Groot-Brittannië werd aangeklaagd wegens illegale export van niet-recycleerbaar afval, bekende het bedrijf schuld en betaalde een boete van 55.000 pond.] Deze verrassingscontrole opende de Chinezen voor het eerst de ogen voor de ‘commerciële bedoelingen’ van bepaalde individuen op het gebied van recycling van buitenlands afval.
De affaire is inmiddels twaalf jaar geleden, maar het kat-en-muisspel gaat door: containerschepen met duizenden tonnen vast afval verlaten de havens en als ze bij de Chinese kust arriveren weten ze aan de waakzaamheid van de douaniers te ontsnappen dankzij valse verklaringen, door de frauduleuze lading achter andere producten te verstoppen of door de douane simpelweg te omzeilen.
De import van bepaald vast afval is toegestaan op Chinees grondgebied. Dan gaat het om producten die transformeerbaar zijn tot industriële grondstoffen: gebruikt plastic, papier en karton, rubberproducten of slakken die overblijven na het smelten van edelmetaal. Maar ook afval dat niet geïmporteerd mag worden, mag zich in een warme belangstelling verheugen.
Buitensporige winsten
Volgens het Institute of Scrap Recycling Industries (ISRI), een overkoepelend orgaan van Amerikaanse recyclingbedrijven, importeerde China in 2016 het equivalent van 5,6 miljard dollar aan gebruikte metalen uit de Verenigde Staten. En 155.000 Amerikaanse banen zijn afhankelijk van de export van afval naar China, zegt Robin Wiener, de voorzitter van ISRI.
China is momenteel de grootste importeur ter wereld van vast afval, met jaarlijkse volumes die overeenkomen met 56 procent van de wereldproductie van dit afval. In 2016 importeerde het land bijvoorbeeld 7,3 miljoen ton plastic, met een waarde van 3,7 miljard dollar.
Deze gigantische commerciële mogelijkheden zijn koren op de molen van weinig scrupuleuze lieden. Volgens een onderzoek van een internationale organisatie zou er vanuit ontwikkelde landen elk jaar 50 miljoen ton gevaarlijk afval worden verscheept naar ontwikkelingslanden in Azië, Afrika en Zuid-Amerika, waarbij China het voornaamste slachtoffer is.
Onderzoek door diverse media naar illegaal geïmporteerd afval in China heeft de volgende cijfers opgeleverd: hiervoor wordt 114 euro per ton berekend, waarvan 8 dollar voor de tussenpersoon. Na bijtelling van verdere kosten, met name de importheffingen, draaien de reële kosten per ton illegaal afval rond de 1000 à 1100 yuan (125 à 140 euro). En in gesorteerde vorm levert oud papier ongeveer 2000 yuan (250 euro) per ton op, plastic zoals water- en melkflessen tussen de 7000 en 10.000 yuan (900 à 1300 euro) en aluminiumproducten zoals blikjes rond de 4000 yuan (500 euro).
In de sector van textielrecycling zijn de winsten nog buitensporiger. Chinese handelaren kopen illegaal geïmporteerd buitenlands afval voor tussen de 100 en 200 yuan per ton als het voornamelijk uit gebruikte kleren bestaat. Als het vervolgens goed is gesorteerd, kunnen ze het doorverkopen voor 2 yuan per kilo. En ook als je het arbeidsloon ervan aftrekt, blijft er nog een enorme marge over. Zelfs als bijna de helft van de oude kleren uiteindelijk niet verkoopbaar blijkt en eindigt in de vuilnisbak, weten deze handelaren over het algemeen hun inkoopprijs te vertienvoudigen.
Hoe kunnen de verschillende schakels van deze illegale importketen bestaan? Hoe functioneert het allemaal?
Op het gebied van vast afval kennen de ontwikkelde landen in Europa en Amerika sterk uiteenlopende regelingen, maar de controle op de export ervan kenmerkt zich over het algemeen door een zekere laksheid. Zo is de procedure om afval uit het Verenigd Koninkrijk te exporteren uiterst simpel.
Stap 1: een vergunning krijgen (moeilijkheidscoëfficiënt: 1).
Hoewel de Britse wet de export van vervuild afval als illegaal aanmerkt, is de export van ‘gemengd’ recycleerbaar afval geen enkel probleem. De bedrijven, die aan geen enkele speciale controle worden onderworpen, hoeven alleen maar het etiket ‘oud papier’ op de balen afval te plakken om gemakkelijk de benodigde vergunning te verkrijgen.
Stap 2: een containerschip vinden (moeilijkheidscoëfficiënt: 1).
Volgens statistieken van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) wordt wereldwijd 85 procent van de verhandelde goederen (in termen van waarde) over zee vervoerd. Gezien het tekort op de handelsbalans van de westerse landen met China is er aan schepen geen gebrek!
Volle lading afval
Een groot deel van de in China geproduceerde goederen wordt naar Europa of Amerika geëxporteerd, maar het gebeurt maar zelden dat een schip met een lading van gelijke waarde naar China kan terugkeren. Als deze schepen leeg terugvaren, is dat pure verspilling. ‘Het is gebruikelijk dat containerschepen met een volle lading afval naar China terugvaren,’ zegt Ben Bredshaw, de voormalige Britse staatssecretaris van Milieu.
China heeft al lange tijd een groot overschot op de handelsbalans met de ontwikkelde landen (in 2017 was het overschot met de Verenigde Staten 246 miljard dollar en 127 miljard met de Europese Unie). Dit verklaart het ontstaan van een grijze zone van illegale afvaltransporten, om de containerschepen maar niet leeg te laten terugkeren.
In China is het sorteerproces nog niet up-to-date en wordt er bovendien de hand mee gelicht. Zodoende zijn de kosten van het inzamelen en recycleren van afval hoog, een andere reden waarom de illegale afvalimport een hoge vlucht heeft genomen. Omdat de Chinese bevolking zich nog onvoldoende bewust is van het belang van afvalscheiding, zitten er veelvuldig huishoudelijke resten tussen het ingezamelde afval en zelfs weggegooide geneesmiddelen tussen het oud papier en de plastic voorwerpen. Bovendien hebben de kleine ambulante inzamelaars, die een belangrijke schakel zijn in de afvalverwerkingsketen, niet bijster veel kennis van sorteertechniek. Dat alles heeft directe gevolgen voor de kosten en de kwaliteit van de recyclage in China.
Zoals we hebben kunnen constateren, is het kostbare en weinig herbruikbare karakter van het Chinese afval reden voor veel chemische bedrijven om liever met buitenlandse leveranciers in zee te gaan. ‘Het kost maar zo’n 1400 yuan om (legaal) een ton plastic te importeren dat aan de normen voldoet, tegen 5000 yuan voor een ton Chinees plastic,’ constateert een van onze ondervraagden verbitterd.
Waarom zou je de import van dit afval willen verbieden dat beantwoordt aan een vraag van de industrie en andere ondernemingen, en dat de containerschepen maar al te graag willen vervoeren?
Op 27 juli 2017 heeft het directoraat-generaal van de Raad van Buitenlandse Zaken het ‘Plan voor het verbod op de import van bepaald afval en de bevordering van een hervormingssysteem voor de controle op vast afval’ gepubliceerd. Daarin werd het verbod voorzien, uiterlijk eind 2017, ‘op alle import van vast afval dat een belangrijk risico vormt voor het milieu en de volksgezondheid, zoals plastic huishoudafval, ongesorteerd oud papier, bepaalde textielsoorten en afval dat afkomstig is uit de productie van staal (dat met name vanadiumresten bevat). Eind 2019 wil China een eind hebben gemaakt aan de import van vast afval en die hebben vervangen door plaatselijke producten.’
Maar waarom zou je de import van dit afval willen verbieden dat beantwoordt aan een vraag van de industrie en andere ondernemingen, en dat de containerschepen maar al te graag willen vervoeren?
Dit besluit laat zich vooral verklaren vanuit de wens om het milieu te beschermen, want degenen die zich bezighouden met de verwerking van illegaal geïmporteerd afval dragen onvoldoende zorg voor ecologische recyclage. Volgens ons onderzoek gaat het vaak om vervuilende bedrijven, die op een anarchistische wijze te werk gaan en de regels aan hun laars lappen. Soms hebben ze niet eens zuiveringsinstallaties en wordt de naaste omgeving ernstig vervuild door hun uitstoot. Ook kan het illegaal geïmporteerde afval schadelijke giftige substanties bevatten zoals bacteriën, waarmee het personeel van de betrokken bedrijven rechtstreeks kan worden besmet.
Op 18 juli jongstleden heeft China de Wereldhandelsorganisatie officieel te kennen gegeven dat het vóór eind 2017 wilde stoppen met de import van 24 soorten afval van vier verschillende klassen. In de brief die aan de WTO werd gestuurd, meldde de Chinese minister van Milieu: ‘Wij constateren dat grote hoeveelheden vervuild en gevaarlijk afval worden vermengd met recycleerbaar vast afval, wat voor China ernstige milieuvervuiling met zich meebrengt. Om het milieu en de volksgezondheid te beschermen moet de lijst van vast afval waarvan de import is toegestaan dringend worden herzien en moet de export van het meest vervuilende vaste afval naar ons grondgebied worden verboden.’
Dit financiële blad maakt deel uit van de Renmin Ribao (People’s Daily)-groep, het orgaan van de Chinese Communistische Partij.
CONTEXT: Afvalverbod
Sinds 1 januari verbiedt China de import van 24 categorieën vast afval, waaronder karton, ongesorteerd papier, bepaalde residuen van ijzer- of staalproductie, bepaalde textielsoorten zoals wol en katoen en acht soorten plastic, zoals folie, PVC en PET. Ook wordt de strijd tegen smokkelhandel opgevoerd door middel van meer douanecontrole en controle van recyclingbedrijven. Jarenlang heeft China zijn economische groei bevorderd met de massale import van afval, dat tot grondstoffen werd verwerkt. Maar nu het land met enorme milieuproblemen wordt geconfronteerd, wil het zijn sorteer- en recyclingketens verder ontwikkelen om de inhoud van zijn eigen vuilnisbakken te kunnen verwerken.
In Duitse natuurgebieden verdween in 27 jaar driekwart van de insecten. Een studie laat precies zien om welke soorten het gaat. Maar niet wat de oorzaak is.
De sterke afname van insecten in Duitsland is absoluut geen verzinsel van een paar insectenliefhebbers of verenigingen van entomologen, zoals sommige media anderhalf jaar geleden beweerden na een hoorzitting in het Duitse parlement. Een onderzoek van Caspar Hallmann van de Radboud Universiteit Nijmegen met behulp van vrijwilligers van de Krefeldse entomologenvereniging, concludeerde onlangs in het onlinetijdschrift Plos One dat het insectenbestand de afgelopen 27 jaar drastisch is verminderd.
Bij metingen over de periode 1989-2016 stelde men vast dat in 63 beschermde Duitse natuurgebieden de biomassa aan vliegende insecten met 76 procent (en in de hoogzomer tot 82 procent) is teruggelopen. Dit verlies betreft nagenoeg alle insectensoorten, van vlinders, bijen en wespen tot en met motten en andere soorten die kunnen vliegen. Vrijwel al deze soorten zijn verantwoordelijk voor de bestuiving van planten, of ze zijn van belang als prooidier voor vogels. Ongeveer 80 procent van de wilde planten is afhankelijk van bestuiving door insecten, en voor 60 procent van de vogels in onze natuur vormen zij de belangrijkste voedselbron. De sterke terugloop in insectenaantallen is ook geen puur Duits fenomeen: betrouwbare studies lieten eerder al zien dat bijenpopulaties in andere landen duidelijk afnemen, en het aantal vlinders op de graslanden van Europa nam af met circa 50 procent.
Wat precies de oorzaak van deze wijdverbreide afname is, blijft vooralsnog onduidelijk. De afnemende aantallen laten zich niet verklaren door alleen een verstoring van de habitat, klimaatverandering of wijzigingen in landgebruik – en daarmee verarming van het agrarische landschap. Tenminste: niet met de nu beschikbare data. Voor Joseph Settele, onderzoeker aan het Helmholz-Zentrum voor Milieuonderzoek in Halle, is dit een van de weinige zwakke punten van deze studie: ‘De auteurs konden niet alle voor het klimaat relevante factoren bij hun onderzoek betrekken. Naar hun eigen zeggen is er nog verdere analyse nodig. Je kunt het klimaat als belangrijke factor dus ook niet uitsluiten. Het idee dat weersveranderingen of wijzigingen in landgebruik de algehele teruggang niet kunnen verklaren, is een versimpeling die op zijn minst misleidend is.’
Volgens Settele is het vinden van oorzaken voor veranderingen die zich op wereldschaal voordoen uiterst complex. Zo kunnen effecten van de klimaatverandering, zoals stijgende temperaturen en een hogere stikstoftoevoer, plaatselijk leiden tot verdichting van de vegetatie en juist een koeler microklimaat, zodat het grotere plaatje wordt versluierd.
De uitsplitsing naar soorten die de Krefeldse onderzoekers hebben gemaakt, noemt Settele juist weer een sterk punt van de studie. In de toekomst zouden volgens hem ook plekken buiten de beschermde natuurgebieden op deze manier moeten worden onderzocht, om te kijken hoe de situatie daar is.
Settele: ‘Hier stuit de amateuronderzoeker op zijn grenzen. Het is toch al enorm wat deze mensen tot dusverre hebben gepresteerd. Het is hard nodig dit soort waarnemingen systematisch te gaan verrichten – als een publieke taak, met publiek geld.’
Ook natuurbeschermingsexpert Alexandra-Maria Klein van de Universiteit van Freiburg benadrukt dat er nog losse eindjes aan het onderzoek zitten. ‘Of de afname in andere ecosystemen, zoals agrarische of bosbiotopen, vergelijkbaar is, valt op basis van deze studie niet te zeggen.’
De noeste arbeid van de Krefeldse insectenvangers wordt door alle ecologen unaniem geprezen. Voor Teja Tscharntke, agrarisch ecoloog aan de Georg-August-universiteit in Göttingen, ‘maken studie en uitkomsten een solide, overtuigende indruk’. De dramatische afname van de insectenaantallen laat zien ‘dat beschermde natuurgebieden nog slechts in zeer beperkte mate als toevluchtsoord dienen voor soorten die agrarische landschappen bevolken’.
Zoöloog Johannes Steidle van de Hohenheim-universiteit in Stuttgart windt er nog minder doekjes om: ‘De resultaten van het onderzoek zijn schokkend. Het beetje hoop dat er mogelijk vraagtekens konden worden gezet bij de verontrustende informatie die al eerder naar buiten was gekomen – bijvoorbeeld omdat de studie gebreken vertoont – is vervlogen. Op het werk is methodisch niets aan te merken en het laat voor een groot geografisch gebied in Midden-Europa een massieve teruggang in de biomassa aan insecten zien. We zijn in een nachtmerrie beland, aangezien insecten een essentiële rol spelen bij het functioneren van onze ecosystemen.
Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.
De Franse autofabrikant experimenteert in Nederland met auto’s die rijden op zonne-energie.
In een straat in de Utrechtse woonwijk Lombok, vlak bij een rustige gracht en een molen, staan elektrische Renaults Zoe geduldig te wachten aan hun oplader. Niets bijzonders? Toch wel: deze oplaadstations, beheerd door de plaatselijke start-up We Drive Solar, worden geheel gevoed met zonne-energie van panelen die door het bedrijf op de daken van de buurt zijn geplaatst. Nog bijzonderder is dat ze bidirectioneel zijn, zodat de stroom uit de accu van de auto kan worden teruggestuurd naar het net.
We Drive Solar, dat niet alleen dit micro-elektriciteitsnet beheert maar ook een autodeeldienst met dertig elektrische voertuigen, is een van de bedrijven waarmee Renault in Nederland samenwerkt om een ecosysteem voor de elektrische auto te ontwikkelen, een markt waarin de Fransen in Europa een aandeel van 25 procent hebben. ‘Wij verzamelen hier de stukjes van een legpuzzel waarmee we onze klanten een eenvoudig en soepel elektrisch leven willen bieden, en die een waardevolle bijdrage levert aan het raakvlak tussen de wereld van de auto en die van de energie, in nauwe samenwerking met de steden,’ zegt Eric Feunteun, directeur elektrische auto’s van Renault.
Opladen via smartphone
De Franse autofabrikant is er, net als zijn concurrenten, van overtuigd: het produceren van elektrische auto’s alleen is niet genoeg. Om ze te verkopen moet je ook mobiliteitsdiensten en energiefaciliteiten ontwikkelen. Nederland, waar regering en steden het gebruik van elektrische auto’s bevorderen, is daarvoor een gunstige omgeving.
‘Eind 2018 zullen we 150 elektrische deel-Zoe’s hebben en gaan we onze solaire oplaadstations uitrollen over de hele regio Utrecht,’ zegt een zelfverzekerde Robin Berg, oprichter van We Drive Solar. Utrecht, dat de komende tien jaar verwacht te groeien van 350.000 naar 400.000 inwoners, ruimt in zijn nieuwbouwplannen plaats in voor solaire oplaadstations voor deelvoertuigen en hoopt op korte termijn duizend stations te realiseren.
Vanaf eind november kunnen de 1800 Zoe-eigenaars in Nederland hun auto opladen vanaf hun smartphone. Renault nam in oktober een aandeel van 25 procent in de Rotterdamse start-up Jedlix, die een intelligente oplaad-app voor accu’s heeft ontwikkeld, ‘Z.E. Smart Charge’. Doel is de accu op te laden wanneer de elektriciteit het goedkoopst is en afkomstig uit hernieuwbare bronnen, en weer te stoppen als het tegendeel het geval is.
‘Voor elke dag – maar het kan ook in één keer voor alle dagen – voer je op je smartphone het tijdstip in waarop je je auto wilt gebruiken en het minimale aantal kilometers dat je wilt rijden, en programmeer je de laadalgoritmes,’ aldus Ruben Benders, algemeen directeur van Jedlix. Het bedrijf heeft in Nederland al een soortgelijke app ontwikkeld voor Tesla. ‘Iedereen heeft er baat bij: de beheerders van het elektriciteitsnet vermijden consumptiepieken of -dalen waarbij hernieuwbare energie wordt verspild, en de consumenten besparen veel geld.’
De besparing is des te groter omdat de gebruikers van deze gratis dienst door de elektriciteitsleveranciers financieel worden beloond voor dit ‘afvlakken’ van de energieconsumptie, iets wat steeds belangrijker wordt naarmate er meer elektrische voertuigen komen. ‘We hebben berekend dat de bonus kan oplopen tot tweeduizend gratis kilometers per jaar,’ verzekert Feunteun.
Om het systeem te laten functioneren moeten de elektriciteitsleveranciers samenwerken. Dat is in Nederland al het geval, maar nog niet in Frankrijk. Renault hoopt de Jedlix-app in 2018 in heel Frankrijk te kunnen uitrollen voor bijna 48.000 Zoe-eigenaars. Dat zou dan de eerste ‘smart charging-app’ in Frankrijk worden.
De app zal nog belangrijker worden als hij het ook mogelijk maakt stroom van de auto terug te sturen naar het net, zodat de ‘spitsuren’ van de thuisconsumptie beter door de elektriciteitsleveranciers kunnen worden gereguleerd – iets waarmee We Drive Solar al experimenteert in zijn eigen netwerk. ‘Met duizend auto’s die verbonden zijn met bidirectionele oplaadstations van duizend woningen met zonnepanelen, bereikt een plaatselijk netwerk van hernieuwbare energie een evenwicht,’ zegt Berg. ‘De accu van een Zoe kan een huis een week van stroom voorzien.’
‘Na vijftien jaar zijn onze accu’s te zwak geworden voor een auto, maar dan kunnen ze nog tien jaar voor opslag worden gebruikt’
Renault riep in oktober een nieuwe divisie in het leven, Renault Energy Services, om in deze intelligente netwerken te investeren en de elektrische mobiliteit verder te ontwikkelen. Behalve in Nederland gaat de autobouwer ook in andere landen partnerschappen aan. In Groot-Brittannië wordt samen met de start-up Powervault geëxperimenteerd met een manier om accu’s te hergebruiken voor het thuis opslaan van elektriciteit die is opgewekt door zonnepanelen op de daken van huizen. ‘Na vijftien jaar zijn onze accu’s te zwak geworden voor een auto, maar dan kunnen ze nog tien jaar voor opslag worden gebruikt,’ zegt Feunteun. Dit tweede leven staat nog in de kinderschoenen, maar de experimenten zijn strategisch belangrijk voor de Franse autofabrikant: over vijf jaar zullen er voor het eerst duizenden accu’s worden geretourneerd.
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
Een Duitse expert ontdekte een enorm ijsvrij gebied in de Zuidelijke Oceaan, waar het nochtans extreem koud is. Wat is hier aan de hand?
Voor de kust van Antarctica gaapt een gat in het normaal zo dikke pakijs van de Weddellzee. En Lars Kaleschke denkt dat hij het als eerste heeft gezien. De zee-ijsexpert van de Universiteit van Hamburg bestudeert elke dag de actuele meetgegevens van de Japanse GCOM-W1-satelliet – en wat daar onlangs op ongeveer 64 graden zuiderbreedte en 3 graden oosterlengte op de kaarten zichtbaar was, sloeg hem met stomheid: ‘Een gat met een oppervlak groter dan Nedersaksen.’
Midden in de dikke ijslaag ten oosten van het Antarctische schiereiland was een zogeheten ‘polinia’ ontstaan. Het woord komt uit het Russisch en wordt gebruikt voor een ijsvrij of slechts met een heel dun laagje ijs bedekt wateroppervlak in een anders dichtgevroren omgeving – want de luchttemperatuur in deze streek ligt nog altijd in de dubbele cijfers onder nul.
Op een recente maandag bereikte de Weddell-polinia met 49.111 km2 haar grootste omvang tot nu toe. De woensdag erna was ze met 39.111 km2 weer iets kleiner. ‘Hier komt diep water naar boven dat twee tot drie graden warmer is dan het oppervlaktewater,’ legt Kaleschke uit. Dit is een gevolg van een complex mechanisme, en van een onderzees gebergte. Zo’n 500 kilometer voor de Antarctische kust rijst de zogeheten Maud Rise op van de oceaanbodem. Deze circa 3500 meter hoge bergen komen niet boven het wateroppervlak uit omdat de zee hier ongeveer 5 kilometer diep is. Maar ze sturen de zeestromingen in dit gebied wel stevig in de war, geholpen door de krachtige winden die er voorkomen.
Overdrukventiel
Dat alles kan leiden tot een omkering in de gelaagdheid van de oceaan ten zuiden van de Antarctische ringstroom: normaliter ligt onderaan een laag van relatief warm, zoutrijk water. Daarboven ligt, als een deksel op een kookpot, een laag water die kouder is en zoutarmer.
Maar in het gebied van de polinia die boven de Maud Rise is ontstaan, komen nu grote hoeveelheden relatief warm water naar de oppervlakte. Dit water geeft zijn warmte af aan de lucht, waarna zich opnieuw zee-ijs vormt. Maar dat bevat maar eenderde van het eerder in het water opgeloste zout. De rest van het zout wordt afgegeven aan de oceaan, waardoor de dichtheid van het water in de bovenlaag verandert. Dit wordt zwaarder en zakt naar beneden, en door dit zelfversterkende effect blijft de polinia open.
Het is niet voor het eerst dat zich in de Weddellzee een polinia voordoet. Geowetenschappers houden zich nog altijd bezig met een exemplaar dat in de jaren zeventig drie winters voortduurde en in 1980 voor het eerst wetenschappelijk werd beschreven.
Het enorme gat was te zien op opnames van de Amerikaanse weersatelliet Nimbus 5 en bereikte zijn maximale omvang in september 1975. Toen was meer dan 310.000 km2 wateroppervlak ijsvrij. Er werd een expeditie naar het gebied gestuurd, maar die arriveerde pas toen de polinia alweer dicht was.
Het ijsgat: rechts september 2017, links augustus 2016.
Daarna deed het fenomeen zich veertig jaar lang niet voor, tot vorig jaar. Maar het gat dat in 2016 ontstond was volgens de berekeningen van Kaleschka met maximaal 19.072 km2 duidelijk kleiner dan in de jaren zeventig. En duidelijk kleiner dan dit jaar.
Een polinia werkt als een soort overdrukventiel op een snelkookpan, waarmee de oceaan zich in korte tijd van grote hoeveelheden warmte kan ontdoen. De Zuidelijke Oceaan is als warmtereservoir voor de hele wereld van belang: hoewel hij maar 30 procent uitmaakt van het zeeoppervlak op aarde, neemt hij ongeveer de helft van de kooldioxide en driekwart van de warmte op die alle oceanen tezamen absorberen. Bovendien warmt de Zuidelijke Oceaan in vergelijking met andere wereldzeeën maar langzaam op. Computermodellen geven aan dat natuurlijke klimaatschommelingen regelmatig tot enorme gaten in het ijs zullen leiden. Recent presenteerden onderzoekers van het Instituut voor Zeeonderzoek in Barcelona in het vaktijdschrift Journal of Climate de resultaten van een modelberekening die aangeven dat deze warmtetransfer zelfs verreikende wereldwijde gevolgen kan hebben. Niet alleen de directe omgeving wordt namelijk opgewarmd, op het hele zuidelijk halfrond stijgen de temperaturen van water en lucht, zelfs het noordelijk halfrond ondervindt hiervan effecten.
‘In jaren en decennia met een grote polinia zien we verandering van winden op het zuidelijke halfrond. De tropische regengordel schuift in zuidwaartse richting op’, schrijft co-auteur Irina Marinov van de Universiteit van Pennsylvania. De verschuiving van de regengordel met een enkele graad naar het zuiden houdt volgens de modellen twintig tot dertig jaar aan, aldus de onderzoekers.
Klimaatverandering
Maar houdt de polinia ook verband met de klimaatverandering? Eerdere studies wezen uit dat bij een opwarmende aarde gaten in het ijs juist zeldzamer worden. Onderzoekers van de McGill-universiteit in het Canadese Montreal wierpen in 2014 in het vaktijdschrift Nature Climate Change de stelling op dat polinia’s in het verleden vaak in de Zuidelijke Oceaan voorkwamen.
Pas door de invloed van de mens op het klimaat zijn de ijsgaten volgens de onderzoekers zeldzaam geworden – omdat het zee-ijs door de klimaatverandering sterker smelt en er daardoor meer zoutarm water aan het oceaanoppervlak voorkomt. Dat houdt in zekere zin de daaronder liggende warmere waterlagen in toom, en zorgt er zo voor dat vooral het diepe oceaanwater opwarmt.
Maar van tijd tot tijd vindt die warmte kennelijk een weg naar boven en ontstaat er een gat in het ijs. Het afgelopen jaar, zo zegt onderzoeker Kaleschke, was er wereldwijd sprake van een minimum aan zee-ijs. Mogelijk werden deze lage waarden in het Antarctisch gebied mede veroorzaakt door de – destijds duidelijk kleinere – polinia. Ook vanwege dit vermoeden wil hij de cijfers voor dit jaar heel zorgvuldig bestuderen.
Kenia sluit zich aan bij enkele andere Afrikaanse landen en verbiedt de plastic tas, die tot gigantische milieuvervuiling leidde.
In de afgelopen veertig jaar hebben ecologen en dierenrechtenactivisten in Kenia twee grote overwinningen behaald. In mei 1977 verbood Kenia de jacht op wilde dieren om de toenemende stroperij tegen te gaan. En op 28 augustus van dit jaar dwongen ecologen een verbod af op plastic tasjes. Sindsdien worden de winkels overspoeld met stoffen tassen uit China, wat niet goed is voor de verkoop van lokaal geproduceerde papieren tassen.
Ecologen gingen voorop in de strijd tegen de plastic tas. Zee-ecologen hadden al jaren gewaarschuwd dat plastic zakken schadelijk zijn voor het zeemilieu, omdat dieren het plastic vaak voor voedsel aanzien. Plastic is onverteerbaar en kan hun spijsvertering verstoren, zodat ze van honger kunnen sterven. Het meest frappante voorbeeld is dat van schildpadden, die plastic tassen vaak aanzien voor kwallen.
Verantwoordelijk voor overstromingen
Specialist oceaanvervuiling Habib El-Habr werkt voor het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) in Nairobi. Eind augustus legde hij aan persagentschap Reuters uit dat ‘het tussen de vijfhonderd en duizend jaar kost om plastic af te breken’. Uiteindelijk komt het ook in onze voedselketen terecht, en niet alleen als we vis eten. In abattoirs in Nairobi bleken sommige dieren wel twintig plastic zakken in hun maag te hebben.
Maar ecologen maken zich vooral zorgen over de plastic tassen die in meren en oceanen terechtkomen. Onderzoekers van UNEP voorspellen dat er, als wij niets doen, ‘in 2050 meer plastic in de oceaan zal zitten dan vis’.
Niemand weet precies hoeveel plastic tassen er al in de natuur terecht zijn gekomen. Een indicatie geeft de stad Kigali in Rwanda, met 900.000 inwoners. Een paar jaar geleden verzamelde men daar bij een schoonmaakactie maar liefst een miljoen plastic tassen. Tegenwoordig is Rwanda een van de schoonste landen ter wereld en heeft het de import en fabricage van polyethyleentassen verboden [net als Zuid-Afrika, Senegal en Ivoorkust].
Ook verstopt plastic vaak afwateringssystemen. Het materiaal wordt verantwoordelijk gehouden voor overstromingen in Bangladesh waarbij tussen 1988 en 1998 duizenden mensen de dood vonden. Twee derde van het land stond onder water en daarom besloot Bangladesh in 2002 als eerste land ter wereld om plastic tassen te verbieden – hoe handig ze ook waren voor de boodschappen.
De ellende begon in de jaren zestig, toen het Zweedse bedrijf Celloplast een patent deponeerde voor een plastic zak uit één stuk, met handvatten eraan. Plastic werd weliswaar al gebruikt sinds het eind van de negentiende eeuw, maar tot in de jaren zestig was het als verpakkingsmateriaal weinig populair. Vanaf dat moment begonnen plastic tassen de papieren varianten in hoog tempo te vervangen.
Jarenlang had Celloplast het monopolie op de verkoop van plastic tassen, totdat het Amerikaanse bedrijf Mobil naar de rechter stapte en het patent aanvocht. Vanaf dat moment lag de markt open, met een ecologische ramp als gevolg. Inmiddels worden er jaarlijks ongeveer een biljoen plastic zakken geproduceerd en achtergelaten in de natuur, in zeeën en oceanen.
In Kenia kwam het fenomeen plastic zak in het midden van de jaren tachtig op, toen supermarktketens papieren zakken door plastic exemplaren begonnen te vervangen. Zo rond 2004 waren rivieren ernstig vervuild geraakt met compacte massa’s bijeengedreven plastic tassen. De toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Moses Wetangula besloot zich toen actief met het thema te gaan bezighouden. Op dienstreis naar Venezuela zag hij hoe dat land, dankzij een verbod op de plastic tas, de bosbouwsector een stimulans had gegeven. ‘We moeten het gebruik van bosbouwproducten als houtpulp en papier voor verpakkingen stimuleren en het gebruik van plastic tassen verbieden,’ verklaarde hij.
In Kenia werden vóór het verbod maandelijks 24 miljoen plastic tassen gebruikt
Toch zou een verbod dus nog dertien jaar op zich laten wachten. In 2007 besloot de Keniaanse regering al om bepaalde typen plastic tassen te verbieden. Een paar parlementsleden vroegen de minister van Milieu en Grondstoffen echter om ‘creatiever te zijn en zich niet tot een eenvoudig verbod te beperken’. Zij voelden meer voor een belasting op plastic tassen, waarvan de opbrengst gebruikt zou kunnen worden om het afval op te ruimen. In 2008 diende een andere parlementslid, Charles Kilonzo, een wetsvoorstel in om productie, distributie, gebruik, recycling en verwerking van plastic tassen beter te reguleren.
Ook de Green Belt Movement (GBM) speelde een rol. De beweging berekende dat er in Kenia vóór het verbod maandelijks 24 miljoen plastic tassen werden gebruikt. Als deze worden weggegooid, voegen ze zich bij allerlei bronnen van afval, met een reusachtig afvalprobleem in grote steden en in rivieren als gevolg. De inmiddels overleden oprichter van de GBM en winnares van de Nobelprijs voor de Vrede in 2004, Wangari Maathai, begon lokaal actie te voeren voor een verbod op de plastic tas. Beslissend was een rede in het parlement in 2007, waarin zij sprak over de bedreiging die wegwerpplastictassen voor het milieu betekenen, en haar zorg uitsprak over het feit dat er nog steeds geen wetsvoorstel lag voor een verbod.
Deze meest gelezen krant van Kenia schroomt niet om zich kritisch uit te laten over de regering en andere autoriteiten in Nairobi. Daily Nation is onderdeel van Nation Media Group, het grootste onafhankelijke mediaconcern van Centraal- en Oost-Afrika.
Terwijl bestrijdingsmiddelengigant Monsanto in Europa volop verwikkeld is in de strijd om glyfosaat (Frankrijk gaat het middel verbieden), zijn er in de VS alweer problemen met de opvolger, dicamba.
Een onverhard weggetje in Blytheville, Arkansas. Clay Mayes trapt op de rem van zijn Chevy Silverado en springt uit de auto. Terwijl de motor blijft draaien, begint hij tegen een boom te tieren alsof die hem beledigd heeft. De bladeren van de kornoelje krullen omlaag als kleine kaduke parapluutjes. Een teken dat de boom is blootgesteld aan het omstreden bestrijdingsmiddel dicamba. ‘Krankzinnig. Dit is krankzinnig!’ roept Mayes, gebarend naar de verschrompelde bladerkronen langs dit zijweggetje van Highway 61. ‘Als dit zo doorgaat denk ik echt…’
‘Dat alles afsterft,’ zegt Brian Smith, die met hem in de auto zit. De schade hier in het noordoosten van Arkansas en in het hele Midwesten – wegkwijnende bomen, sojabonen en andere gewassen – is symptomatisch voor een aanzwellende crisis in de Amerikaanse landbouw. De boeren zijn verwikkeld in een wapenwedloop tussen steeds sterker onkruid en steeds krachtiger pesticiden. De dicambamethode, die dit voorjaar is goedgekeurd voor gebruik, moest die spiraal doorbreken en katoen- en sojabonentelers in staat stellen weer greep te krijgen op het onkruid. Door een genetisch gemodificeerde sojaboon te zaaien die resistent is tegen de pesticide dicamba, kunnen ze die onkruidverdelger vervolgens inzetten tegen ongewenste indringers als papegaaienkruid, dat resistent is geworden tegen gewone bestrijdingsmiddelen.
Maar volgens boeren en deskundigen is het probleem dat dicamba zich ook verspreidt buiten de akkers waarop het gespoten wordt. Miljoenen hectaren niet-resistente sojabonen en andere gewassen zouden daardoor al zijn aangetast. Sommigen spreken van een geregisseerde ramp. Het besluit tot goedkeuring zou genomen zijn op basis van onvoldoende data, vooral wat betreft de cruciale vraag of het middel zich ook buiten het sproeigebied kan verspreiden. Overheidsfunctionarissen en de fabrikanten Monsanto en BASF bestrijden dit. Volgens hen werkt het systeem precies zoals het Congres wil. Maar ondertussen vormt de onvrede aanleiding tot rechtszaken en nader onderzoek van federale en loka le autoriteiten, en is er al iemand aangeklaagd wegens moord nadat een boze boer werd neergeschoten. ‘Dit moet iedereen wakker schudden,’ zegt David Mortensen, een onkruidspecialist van Pennsylvania State University.
Zoveelste tegenslag voor boeren
Resistent onkruid kost de Amerikaanse landbouw naar schatting miljoenen dollars per jaar. Toen begin dit jaar de vernieuwde versie van dicamba werd goedgekeurd, hebben boeren in het hele land volgens Monsanto meer dan acht miljoen hectare met hun resistente sojabonen ingezaaid. Maar naarmate er meer dicamba wordt gebruikt, groeit ook de stroom berichten dat het middel ‘vervluchtigt’ en door de lucht naar andere akkers wordt geblazen. Dat is niet alleen schadelijk voor bomen in de omgeving, zoals die kornoelje bij Blytheville, maar ook voor niet-resistente sojabonen, fruit en groenten. En voor planten die de habitat vormen van bijen en andere insecten die belangrijk zijn voor de bestuiving.
Volgens een onderzoek uit 2004 is dicamba zelfs in heel lage doses nog 75 tot 400 keer zo gevaarlijk voor onschadelijke planten als het meer gangbare glyfosaat. Dicamba is vooral bijzonder schadelijk voor sojabonen zonder genetisch gemodificeerde resistentie – juist voor het gewas dat het moet beschermen dus. Kevin Bradley van de Universiteit van Missouri schat dat meer dan 1,2 miljoen hectare sojabonen door dicamba is aangetast, in minstens zestien staten, waaronder grote sojaproducenten als Iowa, Illinois en Minnesota. Die schatting (volgens andere onderzoekers waarschijnlijk aan de lage kant) komt al neer op 4 procent van de sojabonenteelt in heel Amerika. ‘Het is heel lastig om de schade precies in beeld te krijgen,’ zegt Bob Hartzler, hoogleraar Landbouwkunde aan Iowa State University.
‘Maar ik moet concluderen dat dicamba gewoon niet te handhaven is.’ De dicambacrisis is de zoveelste tegenslag, na de tegenvallende prijs van de sojabonen en de al veertien kwartalen durende daling van het boereninkomen. De boeren staan enorm onder druk. In Arkansas is al iemand opgepakt die een boer zou hebben doodgeschoten toen die hem aansprak op de ongewenste verspreiding van zijn dicamba.
Wally Smith in Blytheville weet ook niet hoeveel hij nog kan hebben. Hij heeft een boerderij met vijf werknemers, waaronder zijn zoon Hughes, zijn neef Brian en bedrijfsleider Mayes. Ze zouden allemaal niet weten wat voor werk ze in deze uithoek van Mississippi County anders moeten doen. En dicamba heeft dit stadje zwaar getroffen. Tot kilometers in de omtrek strekken zich de velden vol zieltogende, onvolgroeide sojabonen uit. Een biologische boerderij in de omgeving heeft de handel moeten stilleggen toen er dicamba in de gewassen was aangetroffen. Ook de paar duizend hectare sojabonen van Smith groeien te traag. Op een investering van twee miljoen kan dat een gevoelig verlies opleveren. ‘Dat kun je wel zeggen,’ zegt Smith. ‘Als de opbrengst te klein is, kunnen we wel opdoeken.’
Dicamba is toegelaten op grond van de belofte dat het in zijn nieuwe samenstelling minder riskant is en minder snel vervluchtigt dan eerdere versies. Critici zeggen dat het besluit is genomen op basis van onvoldoende data en onder grote druk van ministeries, lobbygroepen en belangenorganisaties van boeren. Volgens die laatste hadden de boeren het nieuwe middel hard nodig in de strijd tegen resistent onkruid, dat hele akkers kan overwoekeren en de sojabonen zo berooft van zonlicht en voedingsstoffen. Dat er de afgelopen twintig jaar zoveel meer en sterker onkruid is gekomen, is overigens een gevolg van de overmatige inzet van bestrijdingsmiddelen. Door altijd scheutig met glyfosaat te sproeien hebben boeren de ontwikkeling van resistent onkruid onbedoeld bevorderd.
Tijdens een overleg met toezichthouder EPA op 29 juli toonde een tiental deskundigen zich bezorgd dat dicamba, zoals onderzoek van enkele aanwezige wetenschappers had uitgewezen, gemakkelijker vervluchtigt dan de fabrikanten beweren. Uit veldonderzoek door de universiteiten van Missouri, Tennessee en Arkansas is sindsdien gebleken dat het nieuwe verdelgingsmiddel tot 72 uur na het sproeien nog kan vervluchtigen en door de lucht naar andere akkers kan worden gedragen. Tijdens de besluitvorming waren veel van deze data nog niet voorhanden. Monsanto en BASF hebben de EPA honderden studies overlegd, maar het leeuwendeel daarvan betrof onderzoek in kassen of laboratoriumsituaties. Slechts een handjevol rapporten betroffen daadwerkelijk veldonderzoek.
Volgens de regelgeving van de EPA zijn fabrikanten zelf verantwoordelijk voor de financiering en uitvoering van het veiligheidsonderzoek op basis waarvan hun producten worden beoordeeld. En fabrikanten verstrekken weliswaar vaak nieuwe producten aan wetenschappers voor onafhankelijk veldonderzoek, maar Monsanto erkent zelf dat het de commerciële dicambavariant niet heeft vrijgegeven, om de goedkeuringsprocedure niet te vertragen. Volgens wetenschappers stelde BASF het middel ook maar mondjesmaat beschikbaar. Op die manier konden fabrikanten het onderzoek in een richting sturen die hun welgevallig was. ‘Vooral Monsanto heeft heel weinig veldonderzoek naar vervluchtiging gedaan,’ zegt Jason Norsworthy, een hoogleraar van de Universiteit van Arkansas die geen monsters kreeg om te testen.
De EPA en de fabrikanten ontkennen dat er iets aan de registratieprocedure schort. ‘De aanvrager moet de benodigde data aanleveren om de registratie te staven’, stelt het agentschap in een verklaring. ‘Het Congres heeft die verplichting aan fabrikanten opgelegd om andere partijen niet met de ontwikkeling en financiering van dergelijk onderzoek te belasten.’
En volgens de fabrikanten is vervluchtiging niet het probleem. BASF liet bij monde van woordvoerster Odessa Patricia Hines weten dat het dit dicambaproduct op de markt heeft gebracht ‘na jarenlang onderzoek, praktijkproeven en rapporten van universiteiten en toezichthouders’. Scott Partridge, Monsanto’s onderdirecteur voor globale strategie, vermoedt dat sommige boeren oudere en vluchtigere dicambaversies of ongeschikte sproeiapparatuur hebben gebruikt. Het bedrijf, dat vorig jaar besloot om over drie jaar 1 miljard dollar in zijn dicambafabriek te investeren, heeft nu een legertje landbouwkundigen en klimaatwetenschappers ingeschakeld om uit te zoeken wat er is misgegaan. ‘We gaan bij elke boer langs en kijken op elke akker,’ zegt Partridge. ‘Als we aan dit product nog iets kunnen verbeteren, gaan we dat doen.’
In de zwaarst getroffen staten hebben ook de wetgevers inmiddels ingegrepen. In juli is in Arkansas voor de rest van het seizoen een sproeiverbod afgekondigd en zijn de straffen voor overtreding daarvan verhoogd. Missouri en Tennessee hebben hun regels voor dicambagebruik aangescherpt en een tiental staten heeft aan de bel getrokken bij de EPA. Uit hun contacten met dat agentschap maakten verschillende wetenschappers begin augustus op dat het nieuwe bestrijdingsmiddel misschien weer van de markt wordt genomen. De EPA wil daar nu niet op reageren. ‘De EPA is zeer bezorgd over de berichten van schade aan gewassen als gevolg van de inzet van dicamba in Arkansas en elders,’ is alles wat de woordvoerder wil zeggen. Ondertussen is er al een collectieve rechtszaak tegen de fabrikanten aangespannen omdat die de risico’s te rooskleurig zouden hebben voorgesteld. Boer Smith overweegt zich daarbij aan te sluiten. Volgens Monsanto ontbeert de klacht iedere grond.
Ook zijn er tekenen dat de effectiviteit van dicamba van beperkte duur is. Onderzoekers hebben aangetoond dat papegaaienkruid binnen drie jaar resistentie tegen dicamba kan ontwikkelen. In Tennessee en Arkansas zijn al voorbeelden van mogelijk resistent papegaaienkruid aangetroffen. Monsanto zijn volgens een woordvoerster ‘geen onomstotelijke voorbeelden van resistent papegaaienkruid bekend’.
‘Straks krijg je onkruid dat resistent is tegen de derde gifstof, en daarna tegen de vierde – je hoeft geen wetenschapper te zijn om te snappen waar dat eindigt’
Sommige critici van het conventionele, zwaar op chemische pesticiden leunende boerenbedrijf zien deze crisis als een les, een waarschuwing voor de toekomst van de Amerikaanse landbouw. Voor Scott Faber, vicevoorzitter van milieuorganisatie Environmental Working Group, zitten de boeren ‘gevangen in de chemische tredmolen’ van de biochemische industrie. Ze denken vaak dat ze zonder de nieuwe bestrijdingsmiddelen niet verder kunnen boeren. ‘Dit is een doodlopende weg,’ zegt Nathan Donley van het Center for Biological Diversity. ‘Straks krijg je onkruid dat resistent is tegen de derde gifstof, en daarna tegen de vierde – je hoeft geen wetenschapper te zijn om te snappen waar dat eindigt. Het echte probleem is dat mensen steeds complexere combinaties van gifstoffen op hun gewassen sproeien en dat de gevolgen navenant complexer worden.’
In Blytheville is één gevolg in ieder geval steeds duidelijker: een klein, miezerig plantje met schrompelige blaadjes en een paar lege peulen bij de steel. Rond deze tijd zou zo’n plant volgens Mayes twee decimeter hoger moeten staan en veel meer peulen moeten bevatten. ‘Hier kampen wij nou mee,’ zegt hij, en loopt hoofdschuddend terug naar zijn auto. ‘Elke dag gaan we naar ons werk met in ons achterhoofd de vraag of we volgend jaar nog werk hebben.’
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.