Tag: moord

  • Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.

    Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.

    Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.

    Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.

    Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.

    Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.

    Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.

    Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld

    We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.

    Vreselijk hoe we afstompen, hè?

    Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.

    Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.

    Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.

    Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.

    Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.

    Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.

    De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.

    Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?

    Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.

    Symbolisch en willekeurig

    Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.

    Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.

    Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.

    Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.

    Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.

    Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.

    Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.

    De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.

    Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.

    De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.

    Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’

    Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.

    Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’


    Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.

    In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!

    Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.

    Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?

    De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.

    En het is mijn schuld.

    Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.

    De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.

    Boodschappers van de terreur

    Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.

    De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.

    Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.

    De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.

    Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.

    Dus: vooral in Europa.

    In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.

    In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.

    In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.

    Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.

    Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.

    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.

    Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.

    De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.

    Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.

    Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.

    Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.

    De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.

    De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online

    Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.

    De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.

    Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.

    Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.

    Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.

    Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.

    En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.

    Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.


    De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.

    Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.

    Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.

    Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?

    Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.

    Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.

    Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.

    Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.

    Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.

    De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.

    Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?

    Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).

    Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.

    Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.

    Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.

    Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.

    Het Werther-effect

    Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.

    Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.

    In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.

    Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.

    Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.

    Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.

    Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.

    Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.

    Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.


    De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.

    Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.

    Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?

    Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.

    Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.

    Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.

    En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.

    We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.

    In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.

    Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.

    Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.

    Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.

    Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.

    Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.

    Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel

    Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel, Der Stern, de Süddeutsche Zeitung, Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.

    En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.

    Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.

    De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.

    Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.

    Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.

    Auteur: Bastian Berbner
    Vertaler: Pieter Streutker

    Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • In Kosovo kan ook de EU geen vrede kopen

    In Kosovo kan ook de EU geen vrede kopen

    De recente moord op de Servische politicus Oliver Ivanovic bevestigt de status van de regio als het ‘zwarte gat van de Balkan’, aldus het Kroatische dagblad Jutarnji List.

    We noemen de westelijke Balkan gewoonlijk het ‘zwarte gat’ van Europa. 
En Kosovo wordt dan weer het ‘zwarte gat van de Balkan’ genoemd, en Noord-Kosovo het ‘zwarte gat van Kosovo’. Toch had het nooit zover mogen komen. Als je Brussel mag geloven, dat zich voorstaat op de succesvolle dialoog tussen Kosovo en Servië, en als je kijkt naar alle hulp die Noord-Kosovo heeft ontvangen, zou dit de meest ontwikkelde regio moeten zijn en eerder het Liechtenstein van de Balkan! Eerlijk gezegd zijn ze nogal royaal geweest voor deze kleine, dunbevolkte regio. De Europese Unie heeft speciale middelen toegekend aan de regio, de regering van Kosovo heeft specifieke projecten voor het noorden, en ook de Servische regering wijst, met toestemming van Pristina en Brussel, speciale middelen toe voor de ontwikkeling van deze regio.

    Met al dit geld en al deze projecten voor het noorden van Mitrovica en 
de aangrenzende gemeenten met in Kosovo wonende Serviërs, zou deze streek dus welvarend moeten zijn. En omdat de veiligheid van de regio een topprioriteit is van KFOR [vredeshandhavingsmissie van de NAVO in Kosovo] en Eulex [civiele missie van de Unie 
ter bevordering van de rechtsstaat], en de EU zich voorstaat op de succesvolle dialoog over het vrije verkeer in dit 
deel van het land, zou de veiligheid 
ook geen probleem mogen zijn.

    Rechteloos gebied

    Maar dat zijn maar indrukken, want de werkelijkheid is heel anders. Iedereen die in Noord-Kosovo is geweest of die er woont, of in het zuiden van Mitrovica, aan de andere kant van de brug tussen het Albanese deel en het Servische 
deel van de stad, kan ervan getuigen.

    Het is moeilijk in Europa een plek te vinden die zo sterk op een rechteloos gebied lijkt. Kosovo kan niet bogen op veel eerbied voor de wet en het functioneren van de rechtsstaat. Maar de auto’s hebben er tenminste wel nummerborden, de politie patrouilleert er, bekeurt auto’s die te hard rijden, de burgers betalen er hun water- en elektriciteitsrekening en de straatnamen worden aangeduid in het Albanees 
en het Servisch. Dat is niet het geval 
in Noord-Kosovo. De auto’s rijden er rond zonder nummerbord of met een Servisch nummerbord. De wetten van Kosovo worden er dus niet nageleefd – ondanks het ‘historische akkoord’ onder auspiciën van Brussel –, net zomin als de wetten van Servië. Feitelijk maakt Servië sinds het einde van de oorlog in 1999 de dienst uit in dit deel van Kosovo, hetzij door de aanwezigheid van zijn politie, waarin de NAVO en de EU stilzwijgend hebben toegestemd, hetzij door zijn steun aan de parallelle machtsstructuren, zoals de ‘bewakers van de brug’.

    Hoe is het mogelijk dat de EU dit heeft laten gebeuren en dat zij haar ogen sluit voor deze situatie? Als er zo slordig wordt omgesprongen met de macht, is het niet verbazingwekkend dat niemand weet wie er auto’s van politici in brand steekt, wie er gestolen auto’s verkoopt (zelfs aan de eigenaren van die gestolen auto’s), en nog minder wie er opdracht geeft voor het executeren van politici of wie deze opdrachten uitvoert.

    Zo is het waarschijnlijk ook gegaan met de moord op Oliver Ivanovic, een van de belangrijkste en opvallendste Servische politici in Kosovo. Natuurlijk, er worden ook politici vermoord in Zweden, een van de ontwikkeldste en veiligste landen ter wereld. Maar de afgelopen twintig jaar blijven er te veel moorden en aanslagen op politici en journalisten onopgehelderd in Kosovo, zowel in het noorden als in het zuiden. Dit kun je niet alleen de ‘wettelijke Kosovaarse autoriteiten’ aanrekenen, omdat ook de NAVO– en Eulex-functionarissen in Kosovo over de middelen en het juridisch mandaat beschikken om tegen dit soort zaken op te treden.

    De Servische president Aleksandar Vucic bezoekt de plek waar de Kosovaars-Servische politicus Oliver Ivanovic werd vermoord. – © HH
    De Servische president Aleksandar Vucic bezoekt de plek waar de Kosovaars-Servische politicus Oliver Ivanovic werd vermoord. – © HH

    De internationale gemeenschap heeft deze situatie in Noord-Kosovo zo lang getolereerd omdat het haar om politieke redenen goed uitkwam.
    Helaas kan de moord op Oliver Ivanovic politieke consequenties hebben. Ondanks de komst van de internationale gemeenschap en de instelling 
van een internationaal protectoraat in Kosovo heeft Belgrado Noord-Kosovo feitelijk nog steeds in zijn greep. Met als doel om het land op te delen. Aangetoond moest worden dat Pristina niet in staat was zijn autoriteit te laten gelden in Noord-Kosovo, en dat Pristina zich neer moest leggen bij deze situatie. Dankzij het akkoord van Brussel is er een bijzondere status verleend aan Noord-Kosovo – het is een afzonderlijke entiteit geworden binnen Kosovo, die meer bij Belgrado hoort dan bij 
Pristina.

    Deze situatie is koren op de molen van de criminele groeperingen die er actief zijn. De plaatselijke bevolking kan getuigen van de ‘voorbeeldige’ samenwerking tussen Serviërs en Albanezen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit. Volgens de reacties in Belgrado kan de moord op Ivanovic worden gebruikt als bewijs dat noch Pristina, noch de internationale gemeenschap in staat zijn Noord-Kosovo te controleren. En dit ondanks het feit dat Ivanovic een politieke tegenstander was van de Servische regering. Bij de Kosovaarse verkiezingen in 2017 had hij 
het opgenomen tegen de Lijst Srpska, die gesteund werd door Belgrado. Alle Serviërs die het opnamen tegen deze lijst werden beschouwd als ‘verraders’. Bij de lokale verkiezingen heeft deze Servische lijst in negen gemeenten een meerderheid behaald, waardoor ze de machtigste politieke formatie in Kosovo werd qua aantal gewonnen gemeenten – meer dan de partijen die de Albanese bevolking vertegenwoordigen, die toch in de meerderheid zijn. Belgrado heeft dit succes geïnterpreteerd als een overwinning, maar ook als een signaal aan al degenen die hun eigen lijsten of partijen hadden opgericht. Oliver Ivanovic was een van hen.

    Veel moorden in Kosovo zijn nooit opgelost. In de meeste gevallen gaat het om liquidaties van Albanese politici die zijn gepleegd 
in de eerste jaren na de oorlog. Momenteel wordt daar veel over gepraat. Sommige zaken worden aanhangig gemaakt bij het 
Kosovotribunaal dat is opgericht in Den Haag.

    Zelfs bij de EU-missie laten ze doorschemeren dat er in sommige processen van Kosovaarse rechtbanken is gesjoemeld, uit vrees 
voor de eventuele repercussies voor lopende politieke processen

    Tegenwoordig zijn er steeds meer getuigen die er publiekelijk voor uitkomen dat ze lid zijn geweest van criminele organisaties die na de oorlog belast werden met het elimineren van bepaalde personen, hetzij voor het geld, hetzij omdat ze gedwongen werden om de orders van machtige politici uit te voeren. Het is duidelijk dat talloze moorden of aanslagen, of ze nu gepleegd werden om etnische of andere redenen, bewust nooit zijn opgehelderd, omdat de waarheid de politieke stabiliteit dreigde te verstoren. Officieel wordt het ontkend en wordt er geschermd met een ‘gebrek aan bewijs’, maar zelfs bij de EU-missie laten ze doorschemeren dat er in sommige processen van Kosovaarse rechtbanken is gesjoemeld, uit vrees 
voor de eventuele repercussies voor lopende politieke processen.

    Het is duidelijk dat er ook veel gewelddadige incidenten in Noord-Kosovo in de doofpot verdwijnen om de door de EU in Brussel gestarte dialoog niet in gevaar te brengen. De moord op Ivanovic heeft een schok teweeggebracht, temeer daar Kosovo al sinds lange tijd niet te maken had gehad met etnisch gemotiveerd geweld. Deze moord zou ernstige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van Kosovo als de internationale gemeenschap niet vastberaden optreedt tegen degenen die ervan zouden kunnen profiteren.

    Auteur: Augustin Palokaj
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Jutarnji List
    Kroatië | oplage 53.000

    Opgericht na de onafhankelijkheid in 1991. Op een na grootste krant van het land, liberaal georiënteerd en veel ruimte voor columns van nieuw Kroatisch schrijftalent.

    screenshot 2018 02 08 14 47 17
  • De getekende vrouw

    De getekende vrouw

    In het begin van de vorige eeuw werden de leden van de Osage-indianenstam plotseling schatrijk, toen er olie werd ontdekt onder hun reservaat in Oklahoma. Niet lang daarna werden tientallen van hen op mysterieuze wijze vermoord. In 1923 kreeg de voorloper van de FBI opdracht om de zaak te onderzoeken. Bijna een eeuw later ontdekte New Yorker-journalist David Grann dat de moorden nog veel omvangrijker waren dan de FBI destijds naar buiten bracht. In deze voorpublicatie uit zijn boek De maand van de bloemendoder maken we kennis met de Osage-vrouw en haar familie, die de belangrijkste slachtoffers werden van de samenzwering.

    In april raken de heuvels en de uitgestrekte vlakten van het deel van Oklahoma waar de Osage-indianen wonen overdekt met miljoenen kleine bloemen: viooltjes en winterpostelein en kleine korenbloemen. De schrijver John Joseph Mathews (1894-1979), zelf een Osage, moest bij deze oceaan van kleuren denken aan ‘goden die confetti hadden uitgestrooid’. Als in mei de coyotes huilen onder een verontrustend grote maan, komen grotere planten, zoals eendagsbloem en suzanne-met-de-mooie-ogen op en beroven de plantjes van hun licht en water. De steeltjes van de bloemen knakken, de bloemblaadjes dwarrelen weg en kort daarna zijn de plantjes alleen nog onder de grond aanwezig. Daarom wordt de maand mei door de Osage-indianen betiteld als ‘tijd van de bloemendodende maan’.

    Op 24 mei 1921 begon Mollie Burkhart, een bewoner van de Osage-nederzetting Gray Horse, te vermoeden dat Anna Brown, een van haar drie zusters, iets was overkomen. Anna, vierendertig, minder dan een jaar ouder dan Mollie, was drie dagen daarvoor verdwenen. Ze was wel vaker ‘de hort op gegaan’, zoals haar familie het afkeurend aanduidde. Dan ging ze tot het eind van de nacht met vrienden dansen en drinken. Maar dit keer was ze helemaal niet thuisgekomen, en de dag daarop stond Anna ook niet zoals ze anders altijd deed op de veranda van Mollies huis, haar lange haar een beetje in de war en haar donkere ogen glanzend als glas. Binnen deed Anna graag haar schoenen uit, en Mollie miste het vertrouwde geluid van haar ongehaaste tred door het huis. Daar heerste nu een even diepe stilte als op de prairie. Drie jaar daarvoor was Mollie al haar zuster Minnie kwijtgeraakt. Die was choquerend snel verzwakt en toen overleden.

    De artsen hadden het over ‘een ziekte waardoor ze snel was weggekwijnd’, maar Mollie had zo haar twijfels. Minnie was pas zevenentwintig, en altijd kerngezond geweest.

    Het kan verkeren

    Net als hun ouders waren de namen van Minnie en haar zusters opgenomen in de Osage Roll, en daardoor waren ze officieel geregistreerd als lid van de stam. Het betekende ook dat ze een enorm bedrag bezaten. Kort na 1870 waren de Osage uit hun woongebied in Kansas verdreven en ondergebracht in een rotsachtig, naar iedereen dacht waardeloos reservaat in het noordoosten van Oklahoma. Maar tientallen jaren later ontdekte men dat onder dat land een van de grootste olievoorraden van de Verenigde Staten lag. Om die olie te mogen winnen, moesten bedrijven de Osage betalen: eerst een exploitatievergunning en daarna royalty’s. In het begin van de twintigste eeuw kreeg iedereen die als lid van de stam geregistreerd stond voor het eerst elk kwartaal een bedrag. In eerste instantie was dat maar een paar dollar, maar later, toen er steeds meer olie werd gewonnen, werden dat honderden en nog later duizenden dollars. Vrijwel elk jaar liep het bedrag verder op, als de prairiebeekjes die samen de brede, modderige Cimarro vormen, tot de stamleden vele miljoenen dollars aan inkomsten genoten. Alleen in 1923 al kwam er meer dan dertig miljoen binnen, qua koopkracht het equivalent van meer dan vierhonderd miljoen dollar nu. De Osage waren per hoofd van de bevolking het rijkste volk ter wereld.

    ‘Het kan verkeren!’ schreef Outlook, een weekblad in New York. ‘In plaats van honger te lijden geniet de indiaan een royaal inkomen, dat bankiers groen doet zien van jaloezie.’

    Het Amerikaanse publiek raakte gefascineerd door de voorspoed van de stam, die in schril contrast stond met de gebruikelijke beelden van indianen na de eerste gewelddadige contacten met blanken – de oerzonde waaruit het land was ontstaan. Journalisten kwamen met spannende reportages over de ‘plutocratische Osage’ en de ‘rode miljonairs’ met hun uit baksteen opgetrokken landhuizen, kristallen kroonluchters, diamanten ringen, bontjassen en auto’s, mét chauffeur. Een van hen verbaasde zich over de meisjes van de Osage, die naar de chicste kostscholen gingen en de mooiste mode uit Parijs droegen, ‘alsof une très jolie mademoiselle van de Parijse boulevards per ongeluk in dit plaatsje in een indiaans reservaat was beland’.

    Journalisten schreven ook over alles wat aan het traditionele bestaan van de Osage deed denken, en bij de lezers een beeld kon oproepen van ‘wilde’ indianen. In een artikel stond: ‘Dure auto’s staan in een kring om een open kampvuur heen, waarop de gebronsde, in kleurige dekens gehulde eigenaars op primitieve wijze vlees bereiden.’ In een ander meldde de journalist dat een groep Osage in een privévliegtuig arriveerde om deel te nemen aan een dansceremonie – ‘een voorval dat een romanschrijver nog niet zou kunnen verzinnen’.

    De verwarring die de Osage opriepen bij het algemene publiek werd puntig verwoord door de Washington Star, die schreef: ‘In plaats van “Ach, arme indiaan”, kunnen we beter zeggen “Lach, rijke indiaan”.’

    Mollie Burkhart (1) en haar zus Anna Brown (2), die op een dag plotseling verdween en later vermoord werd teruggevonden. Ze bleek lang niet de enige te zijn. – © Getty Images
    Mollie Burkhart (1) en haar zus Anna Brown (2), die op een dag plotseling verdween en later vermoord werd teruggevonden. Ze bleek lang niet de enige te zijn. – © Getty Images

    Gray Horse was een van de oudste nederzettingen van het reservaat. Samen met Fairfax, niet ver daar vandaan en met bijna vijftienhonderd inwoners wat groter, en Pawhuska, de hoofdstad, met meer dan zesduizend inwoners, bood het een wonderlijk en kakelbont beeld. Op straat liep van alles door elkaar: cowboys, gelukszoekers, stokers van illegale drank, waarzeggers, medicijnmannen, outlaws, U.S. Marshals, financiers uit New York en oliebaronnen. Waar eerst paarden hadden gelopen, reden nu auto’s over verharde wegen, en de geur van benzine overstemde die van de prairie. Rijen kraaien tuurden omlaag van telefoondraden. Er waren koffiehuizen en operatheaters en polovelden.

    Al gaf Mollie haar geld wat minder royaal uit dan sommige van haar buren, ze had toch een mooi, ruim, houten huis laten bouwen, niet ver van de oude hut van de familie, die nog was opgetrokken uit met touw aan elkaar gebonden palen, geweven matten en boombast. Ze had een aantal auto’s en ook het nodige personeel. ‘Pottenlikkers van de indianen’, dat was de denigrerende term die veel kolonisten gebruikten voor dat personeel. Meestal waren het migranten: zwarten of Mexicanen, hoewel in het begin van de jaren twintig een bezoeker van het reservaat ontsteld meldde dat ‘zelfs blanken alle huishoudelijke taken vervullen waartoe een Osage zich niet wenst te verlagen’.

    ‘Squaw man’

    Mollie was een van de laatsten die Anna voor haar verdwijning hadden gezien. Die dag, 21 mei, was Mollie kort nadat het licht was geworden opgestaan, een gewoonte die ze had overgehouden aan de tijd waarin haar vader elke ochtend bad tot de zon. Ze was gewend aan het koor van veldleeuweriken en oeverlopers en prairiehoenders, nu doorschoten door het pok-pok van boren die zich door de aarde groeven. Anders dan veel vriendinnen, die Osage-kleding hadden afgezworen en hun haar kort droegen, naar de mode van die tijd, sloeg Mollie een deken om haar schouders en liet haar lange haar over haar rug vallen. Daardoor was haar markante gezicht, met zijn hoge jukbeenderen en bruine ogen, goed te zien.

    Haar man, Ernest Burkhart, stond tegelijk met haar op. Burkhart, een blanke man van achtentwintig, had het wat clichématig knappe voorkomen van een figurant in een western: kort bruin haar, leisteenblauwe ogen en een vierkante kin. Alleen zijn neus speelde het spel niet mee; die zag eruit alsof hij bij een vechtpartij een paar klappen had gekregen. Hij was opgegroeid in Texas, waar zijn vader een arme katoenboer was geweest en was in de ban geraakt van de verhalen over de Osage Hills, een laatste restant van het Wilde Westen, waar, zei men, nog steeds cowboys en indianen rondzwierven.

    In 1912, toen hij negentien was, had hij wat spullen bij elkaar gepakt, net als Huckleberry Finn die op avontuur gaat in het Territory, en was hij in Fairfax gaan wonen, bij zijn oom William K. Hale, een dominante veehouder. ‘Die was niet het soort man dat je vroeg of je iets wilde doen, maar je gewoon iets opdroeg,’ zei Burkhart een keer over Hale. Toch werd die zijn tweede vader. Burkhart deed vooral klussen voor Hale, maar werkte ook weleens als chauffeur. Zo had hij Mollie ontmoet.

    Hij greep iets te vaak naar een fles illegale drank en pokerde graag met mannen die een twijfelachtige reputatie genoten, maar onder dat ruige uiterlijk leek ook tederheid en een zweem onzekerheid te zitten, en Mollie werd verliefd op hem. Mollies moedertaal was Osage, al had ze later op school ook wat Engels geleerd, maar Burkhart studeerde net zo lang op haar taal tot hij erin kon communiceren.

    Mollie had diabetes en hij zorgde voor haar als haar gewrichten pijn deden en ze rammelde van de honger. Toen hij hoorde dat een ander een oogje op haar had, mompelde hij dat hij niet zonder haar kon. Toch viel het hun niet gemakkelijk om te trouwen. Burkharts ruige vrienden lachten hem uit omdat hij een ‘squaw man’ was geworden. En al waren de drie zussen van Mollie met blanke mannen getrouwd, zij was principieel voor een gearrangeerd huwelijk, zoals haar ouders hadden gehad.

    Toch vond Mollie, wier familie een geloof beleed dat een mix was van Osage-tradities en katholieke overtuigingen, dat God haar niet eerst liefde kon geven om die daarna weer af te pakken, en dus werden in 1917 ringen uitgewisseld en beloofden zij en Ernest elkaar tot in eeuwigheid lief te hebben.

    In 1921 hadden ze een dochter van twee, Elizabeth, en een zoon van acht maanden, James, die ze Cowboy noemden. Mollie zorgde ook voor haar oude moeder Lizzie, die bij haar dochter was ingetrokken nadat haar man was overleden. Omdat Mollie diabetes had, was Lizzie bang dat ze jong zou komen te overlijden, en dus smeekte ze haar andere kinderen om dan de zorg over te nemen. Maar in werkelijkheid zorgde Mollie voor iedereen.

    Ze zei dat de flacon leeg moest omdat ze anders kon worden beboet – het land was een jaar daarvoor drooggelegd – en bood de gasten een slok jajem aan

    21 mei had een mooie dag moeten worden voor MoIlie. Ze had een bescheiden lunch georganiseerd, omdat ze graag gasten ontving. Nadat ze zich had aangekleed, gaf ze de kinderen te eten. Cowboy had vaak ernstige oorpijn, en dan blies ze in zijn oren tot hij ophield met huilen. Mollie zorgde dat haar huis keurig op orde was en dus instrueerde ze het personeel tot iedereen druk bezig was en het hele huis net zo rumoerig was als een schip dat net heeft aangelegd – op Lizzie na, die ziek was en in bed was gebleven. Mollie vroeg Ernest om Anna te bellen en te vragen of ze voor de verandering zin had om te helpen met het verzorgen van Lizzie. Anna was het oudste kind en haar moeder had een bijzonder plekje in haar hart voor haar. Ook al zorgde Mollie voor Lizzie, Anna was de dochter die door haar moeder werd verwend, ondanks haar vaak stormachtige leven.

    Toen Ernest Anna opbelde met de mededeling dat haar moeder haar nodig had, beloofde die meteen een taxi te bellen en kort daarop was ze er al. Ze had een rok aan met daarop een indiaanse deken in een bijpassende kleur, en rode schoenen. In haar hand had ze een tas van alligatorleer. Voordat ze het huis betrad, had ze haastig haar verwaaide haar gekamd en haar gezicht gepoederd. Maar Mollie zag dat ze onvast op haar benen stond en met dubbele tong praatte. Anna was dronken.

    Mollie maakte geen geheim van haar misnoegen. Een aantal gasten was er al. Onder hen waren twee broers van Ernest, Bryan en Horace Burkhart, die, aangetrokken door het zwarte goud, naar Osage County waren verhuisd en Hale vaak hielpen op diens ranch. Een tante van Ernest, die maar al te vaak racistische dingen zei over indianen, was ook op bezoek, en het laatste wat Mollie wilde, was wel dat Anna de oude dragonder reden tot gemopper zou geven.

    Anna deed haar schoenen uit en begon meteen een scène te maken. Ze haalde een flacon uit haar tas en schroefde de dop eraf, zodat de scherpe lucht van illegaal gestookte whisky vrijkwam. Ze zei dat de flacon leeg moest omdat ze anders kon worden beboet – het land was een jaar daarvoor drooggelegd – en bood de gasten een slok jajem aan.

    Mollie wist dat Anna het de laatste tijd erg moeilijk had gehad. Ze was kort daarvoor gescheiden van haar echtgenoot, Oda Brown, die een stalhouderij had. Daarna was ze steeds vaker te vinden in de rumoerige boomtowns van het reservaat die meteen na de ontdekking van de olie waren ontstaan. Plaatsen als Whizbang, waar, werd gezegd, de hele dag werd besteed aan ‘whizzen’ (zuipen) en de hele nacht aan ‘bangen’ (neuken). ‘Hier zijn alle mogelijke soorten losbandigheid en zedelijk verderf aan aan te treffen,’ meldde een overheidsrapport. ‘Gokken, drinken, overspel, leugens, diefstal en moord.’ Anna was in de ban geraakt van de panden aan het donkerste eind van de straten. Vanbuiten oogden ze keurig, maar er zaten verborgen kamers in met tientallen flessen moonshine, zoals illegale drank werd genoemd. Een van haar bedienden vertelde de autoriteiten later dat Anna heel veel whisky dronk en ‘zich tegenover blanke mannen zeer lichtzinnig gedroeg’.

    In het huis van Mollie begon Anna te flirten met Ernests jongste broer Bryan, met wie ze wel eens was uitgegaan. Hij was wat somberder van aard dan Ernest en had ondoorgrondelijke ogen met gele vlekjes erin en dunner wordend haar, dat hij met pommade achterover kamde. Een sheriff die hem kende, beschreef hem als een kleine rouwdouw. Toen Bryan een van de meisjes die bij de lunch bedienden vroeg of ze zin had om die avond met hem mee te gaan naar een dansfeest, zei Anna dat ze hem zou vermoorden als hij wat uithaalde met een andere vrouw.

    Ondertussen zei de tante van Ernest, zo hard dat iedereen het kon horen, hoe vreselijk ze het vond dat haar neef met een roodhuid was getrouwd. Daar kon Mollie niet meteen iets tegen inbrengen, omdat de tante door een blank meisje werd bediend, een allesbehalve subtiele verwijzing naar de maatschappelijke verhoudingen binnen het stadje.

    Anna bleef stennis schoppen. Ze maakte ruzie met de gasten, met haar moeder, met Mollie. ‘Ze liep alleen maar te drinken en ruzie te maken,’ zei een bediende later tegen de autoriteiten. ‘Ik kon haar taal niet verstaan, maar ze had steeds mot.’ En ze voegde eraan toe: ‘Het gedrag van Anna was bar en boos. Ik werd er bang van.’

    Die avond wilde Mollie voor haar moeder zorgen. Ernest zou met de gasten naar Fairfax rijden, acht kilometer naar het noordwesten. Daar zouden ze samen met Hale naar Bringing Up Father gaan, een rondreizende musical over een arme Ierse immigrant, die miljoenen wint in een loterij en daarna probeert om chique kringen binnen te komen. Bryan had een cowboyhoed opgezet, en zijn katachtige ogen keken vanonder de brede rand naar buiten. Hij bood Anna aan om haar bij haar huis af te zetten.
    Voor ze vertrokken, waste Mollie Anna’s kleren, gaf haar iets te eten en vergewiste zich ervan dat haar zuster voldoende was ontnuchterd om weer herkenbaar te zijn als haar zus, opgewekt en aardig. Zo konden ze even plezierig samen zijn. Toen nam Anna afscheid. Door haar lach schitterde het goud van een vulling.

    gettyimages 120317028

    Met elke nacht die verstreek, werd de onrust van Mollie groter. Bryan zei dat hij Anna meteen bij haar huis had afgezet voor hij was doorgereden naar de voorstelling. Na de derde nacht zette Mollie op haar kalme, maar resolute manier iedereen aan het werk. Ze stuurde Ernest naar Anna’s huis. Hij probeerde de voordeur. Die zat op slot. Toen hij door een raam keek, leek het huis donker en verlaten.

    Daar stond hij dan, in de hitte. Een paar dagen daarvoor was er een verkoelende regenbui gevallen, maar daarna straalde de hitte van de zon weer meedogenloos tussen de takken van de zwarte eiken door. In deze tijd van het jaar trilde de lucht boven de prairie van de warmte en kraakte het gras als je eroverheen liep. In de verte, door het sidderende licht, kon je de skeletachtige vormen van boortorens onderscheiden.

    Anna’s hoofd van de huishouding, die naast haar woonde, kwam naar buiten en Ernest vroeg: ‘Weet jij waar Anna is?’ Voor de regenbui, zei de vrouw, was ze naar Anna’s huis gelopen om openstaande ramen dicht te doen. ‘De regen zou naar binnen kunnen slaan,’ zei ze ter verklaring. Maar de deur was op slot en van Anna was geen spoor te bekennen. Ze was verdwenen.

    Het nieuws van haar verdwijning deed snel de ronde in de boomtowns, van huis tot huis, van winkel tot winkel. Wat de onrust nog versterkte, waren verhalen dat nog een Osage, Charles Whitehorn, een week eerder was verdwenen. Whitehorn, een man van dertig, sympathiek en geestig, was getrouwd met een vrouw die voor een deel blank en voor een deel Cheyenne was. Een plaatselijke krant meldde ‘dat hij populair was bij de blanken én de leden van zijn stam’. Op 14 mei vertrok hij uit zijn huis, in het zuidwesten van het reservaat, om naar Pawhuska te gaan. Hij was niet meer thuisgekomen.

    Toch was er nog geen reden tot paniek. Het was denkbaar dat Anna haar huis weer was uitgelopen nadat Bryan haar daar had afgezet en naar Oklahoma City was gegaan, of zelfs de staatsgrens was overgestoken, naar het bruisende Kansas City. Misschien was ze wel aan het dansen in een van de jazzclubs waar ze graag kwam, en was ze onwetend van de chaos die door haar verdwijning was ontstaan. En ook al was ze in de problemen gekomen, ze was niet voor een kleintje vervaard: vaak had ze een klein pistool in haar tas. Nog even geduld, dan is ze weer thuis, zei Ernest geruststellend tegen Mollie.

    Opeens gilde hij: “Pap!” Toen zijn vader bij hem kwam, was de jongen bevend op een rots geklommen. Hij gebaarde naar de met mos begroeide rand van de beek en zei: “Daar ligt een dode”

    Een week nadat Anna was verdwenen liep een oliearbeider anderhalve kilometer van Pawhuska over een heuvel toen hij bij de onderkant van een boortoren iets tussen de struiken uit zag steken. Hij liep erheen. Het was een rottend lijk, met twee kogelgaten tussen de ogen. Het slachtoffer was van dichtbij neergeschoten.

    Het was warm en nat en lawaaierig op de heuvel. De grond schokte van het geweld waarmee boren zich door het leisteensediment vraten, en jaknikkers zwaaiden hun grote koppen op en neer. Andere mensen kwamen ook kijken bij het lichaam, dat in zo verregaande staat van ontbinding was dat het niet meer kon worden geïdentificeerd. In een van de zakken zat een brief. Iemand haalde hem eruit, streek hem glad en las hem. Hij was gericht aan Charles Whitehorn, en daardoor wisten ze dat hij het was.

    Rond dezelfde tijd was een man bij Three Mile Creek, niet ver van Fairfax, op eekhoorns aan het jagen, samen met zijn zoon, een tiener, en een vriend. Terwijl de twee mannen uit een beek dronken zag de jongen een eekhoorn en haalde de trekker over. Een felle, hete flits en de jongen zag het dier levenloos uit de boom vallen, in een dal. Hij rende erheen en klauterde langs de helling omlaag, het dal in, waar de lucht zwaarder was en hij het fluisteren van een stroompje kon horen. Hij vond de eekhoorn en raapte hem op. Opeens gilde hij: ‘Pap!’ Toen zijn vader bij hem kwam, was de jongen bevend op een rots geklommen. Hij gebaarde naar de met mos begroeide rand van de beek en zei: ‘Daar ligt een dode.’

    Het was het opgezwollen, in staat van ontbinding verkerende lichaam van zo te zien een indiaanse vrouw. Ze lag op haar rug, met haar haar in de modder en haar lege ogen op de hemel gericht. Insecten hadden het lichaam aangevreten.

    De mannen en de jongen haastten zich naar hun kar en gaven de paarden de vrije teugel. Het stof van de prairie kolkte om hen heen. Toen ze de hoofdstraat van Fairfax hadden bereikt, konden ze daar geen lawman* vinden, en dus gingen ze naar de Big Hill Trading Company, een grote winkel die tevens begrafenissen verzorgde. Tegen de eigenaar, Scott Mathis, vertelden ze wat ze hadden gezien en die liet de man komen die de begrafenissen deed. Met een aantal anderen reed deze naar het dal. Daar bonden ze het lijk op een plank en sleepten het naar boven. Daarna legden ze het in een kist, in de schaduw van een zwarte eik. Toen het opgezwollen lijk werd bedekt met zout en ijs, begon het te slinken, alsof het laatste beetje leven eruit lekte. De begrafenisman probeerde vast te stellen of het om Anna Brown ging, want die had hij gekend. ‘Het lichaam was in verregaande staat van ontbinding, zo sterk opgezwollen dat het op barsten stond en rook zeer kwalijk,’ herinnerde hij zich later. ‘Het was zo zwart als een nikker.’

    Duisternis

    Hij en de andere mannen konden het niet identificeren. Maar Mathis, die Anna’s financiën regelde, nam contact op met Mollie en die ging naar het bos, aan het hoofd van een sombere groep, waarvan ook Ernest, Bryan, Mollies zus Rita en Rita’s man Bill Smith deel uitmaakten. Veel mensen die Anna hadden gekend, kwamen achter hen aan, en ook de nodige ramptoeristen. Kelsie Morrison, een van de beruchtste drankstokers en drugshandelaren van het district, nam zijn vrouw, een Osage, mee.

    Mollie en Rita bleven vlak naast het lijk staan. De stank was adembenemend. Boven hen draaiden gieren obsceen rondjes. Het viel de twee vrouwen niet gemakkelijk om vast te stellen of het om Anna ging – het gezicht was goeddeels weggevreten – maar ze herkenden haar indiaanse deken en de kleren die Mollie voor haar had gewassen. Toen pakte Rita’s man een stok en duwde de mond open. Daardoor konden ze Anna’s gouden vullingen zien. ‘Dat is Anna, zeker weten,’ zei Bill.

    Rita begon te huilen en haar man nam haar mee. Uiteindelijk mimede Mollie het woord ‘ja’. Het was Anna. Binnen de familie was Mollie altijd degene die haar zelfbeheersing wist te bewaren en ook nu liep ze samen met Ernest bij het lichaam weg. Wat daar achterbleef, was de eerste aanzet van een duisternis die niet alleen haar familie zou dreigen te verslinden, maar ook haar stam.

    • In deze tijd was er in het zuidwesten van de Verenigde Staten nog geen echte politie. Het gezag werd gehandhaafd door sheriffs, deputy’s, town marshals en Texas Rangers, gezamenlijk ‘lawmen’ genoemd.

    Auteur: David Grann
    Vertaler: Pon Ruiter

    Openingsbeeld: Een kamp van de Osage-indianen in Oklahoma in het begin van de 20ste eeuw. Tegenwoordig woont de stam op reservaten in Kentucky. – © Getty Images

    Dit is een fragment uit De maand van de bloemendoder van David Grann, dat onlangs verscheen bij Uitgeverij Q.

    unnamed

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

    Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen.

  • Teruggevonden in een rioolbuis

    Teruggevonden in een rioolbuis

    In de mortuaria van Zuid-Afrika blijven jaarlijks duizenden personen ongeïdentificeerd. Niet alleen uit het land zelf, maar ook uit de rest van het continent.

    Een op de tien personen die in 
de mortuaria van de provincie Gauteng belanden, blijft 
ongeïdentificeerd. Hun lichamen liggen maandenlang weg te kwijnen in overvolle en slecht geoutilleerde centra voor forensische pathologie: het vlees begint langzaamaan te rotten, omdat de koeling het onvermijdelijke verval niet tot in de eeuwigheid kan tegengaan. Uiteindelijk, als niemand hen komt ophalen en het onverantwoord 
is ze nog langer in het mortuarium te houden, worden ze en masse afgevoerd naar een openbare begraafplaats en naamloos, zonder rouwenden, begraven. Zodra ze eenmaal onder de grond liggen, slinken hun kansen om alsnog te worden opgegraven en geïdentificeerd tot nagenoeg nul. En zo ook de kans om de familie te verwittigen en de verantwoordelijke partij – als die er is – voor het gerecht te brengen.

    Dr. Ericka L’Abbé, forensisch patholoog van de Universiteit van Pretoria, houdt een schedel omhoog die voor leerdoeleinden in de collectie van de universiteit is opgenomen en al geruime tijd geen huid meer heeft. Ze wijst op de verbrijzelde plekken op de schedel, die met lijm is gerepareerd. ‘Ze hebben zijn hersenpan ingeslagen. Alleen al op zijn hoofd heeft hij minsten tien klappen gekregen, dus er is sprake van ernstig letsel, en daarnaast hebben ze zijn 
handen verbrijzeld.’ L’Abbé zucht en kijkt op. ‘Maar we zullen nooit weten wie deze persoon is. En als je niet weet wie het slachtoffer is, zul je ook nooit weten wie de dader is. In dit land kun je eenvoudig wegkomen met moord, gewoon het lijk ergens in een veld – of in dit geval een rioolbuis – dumpen en klaar. Het enige wat je nodig hebt is een baksteen. Het is hartverscheurend dat niemand naar hem op zoek is.’

    Zuid-Afrikaanse mortuaria kunnen het aantal lichamen nauwelijks aan. – © Kristen van Schie
    Zuid-Afrikaanse mortuaria kunnen het aantal lichamen nauwelijks aan. – © Kristen van Schie

    Alleen al in Gauteng worden jaarlijks 1300 tot 1600 lijken, oftewel drie per dag, bijgeschreven op de lange lijst 
van ongeïdentificeerde personen die Zuid-Afrika rijk is. En dan hebben we het nog maar over één provincie. 
‘Dit speelt niet alleen in Gauteng,’ zegt dr. Jeanine Vellema, hoofd van de afdeling Medisch Forensisch Onderzoek van Gautengs acht mortuaria. Van de andere provincies zijn alleen geen gegevens beschikbaar. ‘Ongeïdentificeerde lijken zijn een groot probleem in Zuid-Afrika. Dat geldt overigens voor het hele continent.’

    De reis naar een anoniem einde begint in een mortuarium, oftewel een ‘gerechtelijk geneeskundig laboratorium’ of een ‘centrum voor forensische pathologie’, zoals Vellema het liever noemt, om aan te geven dat ze deel uitmaken van het gerechtelijk systeem.

    In het centrum voor forensische 
pathologie in Hillbrow, Johannesburg, is het op alle maandagen even druk. 
In de schaduw van het Constitutioneel Hof, dat het recht op leven en menselijke waardigheid bewaakt, liggen dertig tot veertig lichamen op autopsie te wachten. De koelcellen, die al bijna 
uitpuilen, kunnen de hoeveelheid 
lichamen nauwelijks aan. Afgelopen jaar werden meer dan drieduizend lijken het centrum met de bladderende gele muren, een van de drukste van 
het land, binnengedragen. Dit jaar zal het waarschijnlijk niet anders zijn. 


    De medewerkers van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium moeten onderzoeken hoe iemand is gestorven, niet wie de dode is – dat is de taak van politie. Maar omdat de lichamen zich blijven opstapelen, zoeken ze naar manieren om de niet-aflatende stroom te kunnen bedwingen. De forensische experts fotograferen gezichten en 
verzamelen vingerafdrukken, en dragen deze informatie over aan de verantwoordelijke rechercheur van de Zuid-Afrikaanse politiedienst (SAPS). Als niemand zich na een paar dagen meldt om het lichaam te identificeren, vergelijkt de politie de vingerafdrukken met de gegevens van plaatselijke strafregisters en de nationale database. Als dat geen resultaat oplevert, worden de vingerafdrukken naar het ministerie van 
Binnenlandse Zaken gestuurd. Iedere Zuid-Afrikaanse staatsburger boven de zestien jaar moet vingerafdrukken afstaan voor een identiteitsbewijs, dus als de database van Binnenlandse Zaken niets oplevert, gaat men ervan uit dat de overledene een buitenlander is.

    ‘Ik denk niet dat wij, Zuid-Afrikanen, beseffen wat onze mede-Afrikanen moeten doorstaan. Het is in- en intriest’

    ‘Ik denk niet dat wij, Zuid-Afrikanen, beseffen wat onze mede-Afrikanen moeten doorstaan. Het is in- en intriest,’ zegt Candice Hansmeyer, forensisch patholoog van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in Hillbrow. ‘Ze komen met lege handen, op zoek naar een beter bestaan, en vervolgens sterven ze hier – en niemand die naar hen taalt. Maar ze doen er 
wel toe: het gaat om iemands kind, iemands dochter, iemands moeder, iemands echtgenote.’

    Het is onmogelijk te schatten hoeveel buitenlanders zich onder de onbekende doden bevinden, omdat we domweg niet weten wie ze zijn. We weten niet eens hoeveel buitenlanders Zuid-Afrika telt, laat staan Gauteng. Volgens de officiële telling uit 2011 zijn er in totaal 2,2 miljoen, maar het werkelijke getal ligt waarschijnlijk vele malen hoger. Volgens de VN telt Zuid-Afrika van alle landen bezuiden de Sahara het grootste aantal buitenlanders. Wat de zaak compliceert is dat veel Afrikanen 
illegaal in Zuid-Afrika verblijven. De kwestie van het grote aantal ongeïdentificeerde lijken, en dus vermisten, omspant het hele continent. Mensen trekken grenzen over, maar data niet. Er is geen continentale of regionale database voor vermisten, of voor gevonden lichamen. In sommige 
landen is er niet eens een fatsoenlijk bevolkingsregister.

    Zuid-Afrika vormt hierop een uitzondering: het heeft een solide forensisch systeem, een Bureau Vermiste Personen, nationale databanken, zowel bij de politie als bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, universiteiten waar forensische geneeskunde wordt gedoceerd en gekwalificeerd, ervaren personeel. Maar de enorme aantallen doen het systeem in zijn voegen kraken: 
Gauteng krijgt jaarlijks te maken met 15.000 tot 16.500 personen die een onnatuurlijke dood zijn gestorven, 
en identificatie vereist onderzoek. 
Een op de tien wordt uiteindelijk nooit geïdentificeerd.

    Blamage

    De politie is zich bewust van de omvang van het probleem. Generaal-majoor Charles Johnson, districtshoofd van de recherche, vaardigde in september 2016 een strikte richtlijn uit met betrekking tot ongeïdentificeerde doden. Johnson stelde dat er ‘veel’ klachten waren binnengekomen over het feit dat ongeïdentificeerde stoffelijke overschotten zonder degelijk onderzoek werden begraven, ‘wat een blamage is, een smet op het blazoen van de politie en in het bijzonder van de recherche’.

    Hansmeyer stopt met het doorbladeren van de dossiers van die dag – in de autopsiekamer beneden liggen vier lichamen op haar te wachten – en kijkt op. Haar lippen vormen een strakke streep. ‘De politie geeft prioriteit aan de levenden. Ik wil niet met een beschuldigend vingertje wijzen, want we lopen allemaal tegen hetzelfde aan: we zijn overbelast en slecht uitgerust. De politie kampt ook met burn-outs 
en oververmoeidheid. Er zitten niet genoeg uren in een dag en niet genoeg dagen in een jaar om overal aan toe 
te komen. Je moet wel prioriteiten 
stellen,’ zegt ze.

    In 2015-2016 werden in Zuid-Afrika 18.673 moorden gepleegd, een stijging van 4,9 procent ten opzichte van 
2014-2015. In de samenleving klinkt 
de roep om maatregelen, en de politie moet simpelweg kiezen tussen 
criminelen opsporen of wegrottende lijken identificeren. Een complete en betrouwbare lijst van vermiste personen zou al een stap in de goede richting zijn, maar zo’n lijst is er niet. Familieleden willen vaak niet naar voren 
treden of iemand als vermist opgeven. Maar er zijn nog andere redenen 
waarom er drie kisten in één enkel 
graf worden neergelaten op Doornkop, de nieuwste begraafplaats waar 
ongeïdentificeerde en niet-opgeëiste doden worden begraven.

    Pas na 23 verzoeken in een tijdspanne van achttien maanden slaagden we erin een officieel interview met de politie te regelen. Uit de reacties, variërend van een oorverdovend stilzwijgen tot een botte, ongemotiveerde ‘nee’, bleek duidelijk dat de politie liever niets over de kwestie wilde loslaten – totdat er opeens, geheel uit het niets, groen licht werd gegeven.


    Brigadier Helena Ras staat aan het hoofd van het Slachtoffer Identificatie Centrum (VIC) van de Zuid-Afrikaanse politie in Pretoria en heeft, onder andere, de afschuwelijke taak om massadoden af te wikkelen. Een massadood betreft een incident met meer dan vijf doden. Dit soort incidenten komen in Zuid-Afrika zo vaak voor dat ze in het radionieuws niet eens onder het hoofdnieuws worden geschaard en 
zelden de voorpagina’s van nationale kranten halen: een minibustaxi botst op een personenauto, een brand breekt uit in een krottenwijk, een gebouw stort in. Zodra het stof is neergedaald moet iemand de wrakstukken en het puin doorzoeken, alle lichamen proberen te identificeren en de families op de hoogte brengen.

    Neem alleen al de N1 op het traject 
tussen Johannesburg en Beitbridge, aan de grens met Zimbabwe. In de vroege ochtend van 13 augustus 2015 botste een minibus tegen een vrachtwagen, het busje vloog in brand met aan boord twaalf passagiers, als ratten in de val; op 2 mei 2016 vielen er 
negen doden toen een taxi tegen een verongelukte vrachtwagen aanreed 
en in vlammen opging. ‘Bij zulk soort ongelukken ontploft de brandstoftank en blijven er alleen verkoolde lichamen over,’ zegt Ras in het hoofdkantoor 
in Pretoria. Eén wand van haar werkkamer gaat volledig schuil achter dozen met dossiers. ‘Anders dan bij bussen of vliegtuigen houden taxi’s geen passagierslijsten bij.’

    Op het genoemde snelwegtraject, 
dat Zimbabwe verbindt met de steden van Gauteng, vol economische kansen, reist een onevenredig groot aantal migranten. Vanwege het ernstige 
lichamelijke letsel bij zware ongelukken is het vaak lastig om een gezichtsreconstructie van het slachtoffer te maken. Het VIC neemt DNA-monsters af, maar zolang zich geen bloedverwanten melden, is er geen vergelijkingsmateriaal.

    Mensen denken dat hun familielid nog leeft, dat ze in Johannesburg een bestaan hebben opgebouwd, dat ze hard werken, nieuwe vrienden maken, verliefd worden

    Azwidowi Nevondo droomt van lijken als ze lang vrij heeft. ‘Dan weet ik dat het weer tijd is om aan de slag te gaan.’ Nevondo is al tien jaar forensisch medewerker bij het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in 
Hillbrow, lang genoeg om patronen te herkennen. ‘Het soort lichamen dat wordt binnengebracht beweegt mee met de seizoenen. In de zomer komen bijna dagelijks stoffelijke overschotten in verre staat van ontbinding binnen, omdat het vlees sneller vergaat als het warm is. In de winter zie je veel verkoolde lijken, vanwege de branden die in sloppenwijken om zich heen grijpen terwijl mensen liggen te slapen.’

    Eens per maand komt een door de lokale autoriteiten aangestelde 
begrafenisondernemer langs om de lichamen op te halen die niet langer bewaard kunnen worden, soms wel zeventig in één keer. Een klein deel daarvan is ‘niet-opgeëist’, wat wil 
zeggen dat het slachtoffer bekend is, maar niet door de familie wordt opgeëist. Een kleiner aantal, dat overigens groeiende is, zijn de armlastigen: in 
dit geval kan de familie zich geen begrafenis veroorloven, zodat de staat de kosten op zich neemt. Maar het leeuwendeel van de lichamen die het centrum verlaten is ongeïdentificeerd.

    Volgens de wet moeten stoffelijke overschotten minstens een maand worden vastgehouden, maar manager Ina Botes doet haar best de lichamen zo lang mogelijk in het mortuarium te houden, in de hoop dat de familie wordt getraceerd. ‘Ik lig er ’s nachts wakker van dat mensen in een naamloos graf verdwijnen. Ergens is er een moeder; haar zoon is vermist, en zij denkt dat hij nog leeft.’

    Dit is iets wat speelt in heel Zuid-Afrika, op het hele continent. Mensen denken dat hun familielid nog leeft, dat ze in Johannesburg een bestaan hebben opgebouwd, dat ze hard werken, nieuwe vrienden maken, verliefd worden. Maar in plaats daarvan is hun hersenpan 
met een baksteen ingeslagen en zijn hun handen verbrijzeld terwijl ze zich probeerden te beschermen. Ze worden gemummificeerd teruggevonden in 
een rioolbuis, en nu ligt hun schedel op een plank in de verzameling van een hoogleraar aan de universiteit.

    Auteur: Sarah Wild
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.