Tag: natuur

  • Schapen zijn de favoriete grasmaaiers van de zonne-industrie

    Schapen zijn de favoriete grasmaaiers van de zonne-industrie

    Onkruid verwijderen in velden met zonnepanelen is knap ingewikkeld. Schapen blijken hiervoor perfect: volgzaam, vraatzuchtig en precies de juiste hoogte. Zo ontstond een welkome impuls voor Amerikaanse schaapherders en hun kuddes.

    Ondanks de hitte haalt een maaiploeg in een veld met zonnepanelen in Texas zonder te klagen het gras weg. De panelen bedekken ruim 600 hectare van een zonnepark in Deport, een stad dicht bij de grens met Oklahoma. De baas van de ploeg, Ely Valdez, zorgt ervoor dat er geen prairiegras over de panelen heen groeit. Beter gezegd, zijn schapen doen het meeste werk.

    Het noodzakelijke verwijderen van de plaatselijke flora onder en rondom zonnepanelen heeft voor een onverwachte toename in werkgelegenheid gezorgd. Valdez profiteert daarvan, net als de vele andere herders die, verspreid over heel de VS, op de nieuwe fotovoltaïsche velden werken. De herder is eeuwen nadat hij door zijn rol in de Bijbel bekendheid verwierf weer in trek. Schapen, de verrassende drijfveer achter duurzame energie, genereren jaarlijks miljoenen dollars aan inkomsten door zonneboerderijen in het hele land op te schonen.

    ‘Deze ontwikkeling verandert onze levens,’ zegt Valdez, die vijfenveertig jaar oud is. Hij verwacht dat de kuddes onder zijn toezicht binnenkort jaarlijks honderdduizenden dollars aan inkomsten zullen genereren. De toenemende vraag naar zonne-energie is voor Valdez een enorme meevaller geweest. Zo heeft hij zijn huis in San Antonio kunnen afbetalen. 

    Tienduizenden hectaren

    In 2018 was het nog vijfduizend, maar volgens schattingen van mensen in de sector zijn er in de VS inmiddels tienduizenden hectaren aan zonnevelden waarop schapen worden ingezet. Kudde-eigenaren vragen tot wel vijfhonderd dollar per hectare per jaar.

    Voor deze klus in de zonne-industrie zijn er verschillende methoden uitgeprobeerd, maar een aantal veelbelovende kanshebbers voldeed niet aan de vele eisen. Zo zijn motormaaiers maar beperkt bruikbaar en kunnen ze niet gemakkelijk onder de panelen manoeuvreren, waardoor er kans is op beschadigingen.

    Schapen zijn volgzaam, vraatzuchtig en hebben precies de juiste hoogte

    Grazende dieren waren dus favoriet, maar om logistieke redenen bleek niet elk dier even geschikt. Koeien en paarden zijn te groot om onder de panelen te passen. Geiten eten graag elk schadelijk onkruid, maar kauwen ook op bedrading en klimmen op apparatuur.

    Schapen zijn daarentegen volgzaam, vraatzuchtig en hebben precies de juiste hoogte. Zo wonnen ze het gemakkelijk van de andere dieren.

    Optimistisch

    Valdez is verantwoordelijk voor de zeventienhonderd schapen die het zonnepark van Lightsource BP in Deport bevolken. Hij krijgt een deel van het geld dat aan de eigenaar van de kudde wordt betaald. Waar de schapen aan het werk zijn, overstemt geblaat het gestage gezoem van de machines die zonlicht omzetten in elektriciteit.

    Zijn eigen kudde van tweeduizend schapen is onderdeel van drie zonne-energieprojecten in de buurt van zijn huis en wordt beheerd door zijn vrouw, drie kinderen en tien werknemers. Net als de herders van vroeger leert hij het vak aan zijn kinderen. 

    Valdez, die voorheen een betonbedrijf bezat, startte zeven jaar geleden zijn herdersbedrijf. Hij was geïntrigeerd geraakt door een artikel over Europese zonnevelden en zag per toeval in een zonneveld tegenover zijn huis een gefrustreerde technicus de strijd aanbinden met planten. Hij sloot een deal van dertigduizend dollar in ruil voor zijn zevenentwintig ooien en zei de betonhandel vaarwel.

    Sommige herders zijn nu zo optimistisch dat ze leningen aangaan om hun kuddes uit te breiden

    Het inhuren van schapen voor landschapsonderhoud gebeurt al tientallen jaren. Zo had het Witte Huis tijdens de Eerste Wereldoorlog een kudde schapen om het onkruid in toom te houden. Maar vóór het begin van de zonne-industrie hadden veel schapenhouders het moeilijk. Door import uit Australië en Nieuw-Zeeland – landen die samen met China ook wereldwijd de wolmarkt domineren – is de vraag naar lams- en schapenvlees van eigen bodem gedaald.

    Sommige herders zijn nu zo optimistisch dat ze leningen aangaan om hun kuddes uit te breiden. Na Valdez en anderen in de zonne-industrie te hebben gesproken, gaf JR Howard, die al lang in het herdersvak zit, ongeveer 500.000 dollar uit. Met het geld, waarvan een deel geleend is, kocht hij genoeg schapen om een contract af te kunnen sluiten bij Lightsource BP. Vorig jaar is hij met zijn familie bijna 650 kilometer verderop gaan wonen om het werk te kunnen doen. 

    Het herdersleven

    Het herdersleven, althans op zonneparken, is niet alleen maar idyllische rust. Howard (42) is de hele dag bezig met het verplaatsen van schapen en schapenhekken naar overwoekerde velden, het vervoeren van watertanks en soms het aanvoeren van extra voer.

    Howard heeft meerdere waakhonden, waaronder Snowflake en Spark. Het zijn akbash: een eeuwenoud ras dat door Turkse herders wordt gebruikt en sterk en groot genoeg is om coyotes en andere roofdieren op afstand te houden. Het grootste deel van de tijd zijn ze bezig met het volgen van de schapen.

    Veel zonneherders besparen kosten door gebruik te maken van schapenrassen die niet geschoren hoeven te worden. Lightsource BP gebruikt zogenaamde dorper-schapen, waarvan veel een opvallende zwarte kop hebben, en katahdin, een ras dat in Maine enkele decennia geleden voor het eerst werd gefokt vanwege zijn vlees. Sommige van de dieren worden graag geaaid tijdens het grazen. 

    Geschikte technologie

    Zonne-energiebedrijven bieden hun vierpotige werknemers verschillende voordelen, zoals waterpompen en omheinde weiden waar ze comfortabel kunnen slapen. ‘Schapen zijn voor dit werk echt de geschikte technologie,’ aldus Michael Baute, vicepresident regeneratieve energie en koolstof-afvang en -opslag bij zonne-energieontwikkelaar Silicon Ranch Corp., dat gevestigd is in Nashville in Tennessee.

    Volgens Baute, die al lange tijd als boer werkzaam is, is het een uitdaging om genoeg schapen te vinden. Hij werkt als tussenpersoon voor herders en zonne-energieontwikkelaars en is dus eigenlijk een soort schapenmakelaar. Hij kwam in 2018 per toeval deze baan tegen, nadat hij een kudde had ingehuurd om het gras te verwijderen op een zonnepark van twintig hectare van Silicon Ranch.

    De kuddes grazen nu op ruim 5000 hectare van de zonneparken van het bedrijf

    De zonne-energieontwikkelaar, gesteund door oliegigant Shell PLC, was zo tevreden over het resultaat dat hij het jonge schapenmakelaarsbedrijf van Baute kocht. De kuddes grazen nu op ruim 5000 hectare van de zonneparken van het bedrijf, voornamelijk in het zuidoosten.

    Ook wat herders betreft is de vraag groter dan het aanbod. De American Solar Grazing Association en scholen die verbonden zijn aan North Carolina State University en Cornell University bieden onderzoek en scholing in de techniek, maar cursussen voor beginners zijn moeilijk te vinden.

    Christy King, projectmanager bij Solv Energy, het bedrijf dat het zonne-energieproject voor Lightsource BP beheert, is dol op de nieuwe lammetjes in Harolds kuddes. Eerder dit jaar kreeg ze toestemming om er een mee naar huis te nemen. Ze noemde het Cordina, naar een collega, en gaf haar flesvoeding. King liep met Cordina aan de lijn en het lammetje sliep bij haar in bed. 

    Cordina, die uiteindelijk groter en minder schattig werd, is nu een werkend schaap. King zegt dat ze Cordina af en toe tegen het lijf loopt op het zonnepark, dat genoeg energie opwekt om ongeveer veertigduizend huizen van stroom te voorzien. King, die oorspronkelijk als technicus is opgeleid, heeft pas onlangs de fijne kneepjes van het schapenhoeden geleerd. ‘Ik heb nooit geweten dat je dit voor je werk kon doen,’ zegt ze. 

  • Waarom eindigen zoveel fietsen in het water?

    Waarom eindigen zoveel fietsen in het water?

    Over de hele wereld belanden de vreemdste dingen in het water: verkeersborden, matrassen, wasdrogers en paspoppen. Maar vooral fietsen. ‘Een fiets in het water gooien lijkt een specialistische sport die zijn eigen bijzondere vorm van bevrediging geeft.’

    Zo om de tien jaar legt de stad Parijs het Canal Saint-Martin droog. De bijna vijf kilometer lange waterweg, die in zuidelijke richting over de Rive Droite loopt, werd ooit aangelegd om Parijs schoon te houden en de door cholera en dysenterie geplaagde stad van vers water te voorzien. Maar in de twee eeuwen dat het kanaal bestaat, heeft het vaak een ander, tegengesteld doel gediend. Het is een stortplaats, een vloeibare vuilnisbak. Het periodieke droogleggen is om die reden ook onthullend. Het water wijkt, en ineens zie je de spullen die er in de paar duizend nachten ervoor in zijn geschopt, gegooid of stiekem gedumpt.

    Toen het kanaal in 2016 werd leeggepompt, stonden hele menigten op de voetgangersbruggen en langs de kaden te kijken hoe de schoonmaakploegen door de modder sjokten om de troep op te ruimen. Er lag van alles: matrassen, koffers, verkeersborden en -kegels. Een wasdroger, een paspop, tafels en stoelen, badkuipen, toiletten, oude radio’s, computers. Ook werden er allerlei voertuigen uit het slik getrokken, waarvan er geen enkele bedoeld was om over water te gaan: kinderwagens, winkelwagentjes, ten minste één rolstoel en meerdere brommers. De meest voorkomende voorwerpen in het kanaal – naast wijnflessen en mobieltjes – waren fietsen.

    De meest voorkomende voorwerpen in het kanaal – naast wijnflessen en mobieltjes – waren fietsen.

    Negen jaar eerder, in 2007, was in Parijs een deelfietsplan gelanceerd, Vélib’, bij gelegenheid waarvan 14.500 huurfietsen over de hele stad werden uitgezet. Toen het water was afgevoerd, werd op de kanaalbodem het skelet van tientallen half in de modder begraven Vélib’-fietsen zichtbaar. Er waren ook andere fietsen van verschillende merken en soorten, waarvan sommige verminkt leken te zijn voor ze hun waterige graf in waren gestuurd. Er waren fietsen bij met verbogen of verdraaide wielen, of helemaal zonder wielen. Er waren er ook waarbij wielen en frame in orde waren, maar die weer een stuur misten: lijken zonder hoofd. 

    Mogelijk zijn sommige van die fietsen per ongeluk in het kanaal beland. Er zijn een heleboel scenario’s denkbaar waarbij een fiets onopzettelijk in het water terechtkomt. Fietsers die in het donker verdwaald zijn of gedesoriënteerd door de mist hun fiets van het jaagpad af het kanaal in loodsen. Dronken fietsers die van bruggen tuimelen. Dieven die op de vlucht voor de politie richting rivier zwenken. De gelukkigste slachtoffers slagen erin zichzelf – en soms hun fiets – weer op het droge te krijgen, maar dit soort incidenten kan rampzalige gevolgen hebben.

    Een duik in de krantenarchieven levert akelige verhalen op met aansprekende koppen: ‘Jongen verdrinkt in kanaal: gevonden met zijn fiets’, ‘Vrouwelijke fietser verdronken: over de reling van de kanaalbrug gewaaid’, ‘Kanaal ingereden na black-out: man uit Gloucester verdronken terwijl hij naar zijn werk fietste’, ‘Fietser verdronken, oorzaak onbekend’. Sommige mistroostige zielen zijn willens en wetens de diepte in getrapt. In de herfst van 2016 liet een achtendertigjarige vrouw een afscheidsbriefje achter in haar appartement in DeWitt, in de staat New York, niet ver van de stad Syracuse. Ze vertrok naar een nabijgelegen park, waar ze op een mountainbike een meer inreed. Haar lichaam werd, nog steeds op haar fiets, een week later gevonden. 

    Willekeurig vandalisme

    Wat de fietsen in het Canal Saint-Martin betreft: je mag rustig aannemen dat de meeste daarvan niet door een ongeluk en ook niet onder tragische omstandigheden in het water terecht zijn gekomen. Voor wie geneigd is tot willekeurig vandalisme – en misschien de drang voelt om levende wezens te kwetsen door levenloze dingen die hij toevallig tegenkomt te vernielen – is een fiets een uitnodigend doelwit. Door de groei van het fenomeen deelfiets, zoals Vélib’, is het aantal fietsen in steden wereldwijd toegenomen. En misschien zien vandalen ze als een makkelijke prooi, omdat het in dit geval niet gaat om iemands eigendom. De invoering van de huurfiets zonder vaste standplaats, die dus eerder te vinden is op de stoep dan veilig en wel in een stalling, heeft ieder beletsel weggenomen voor vormen van zelfexpressie zoals het vernielen van wielen, het mollen van frames en het doorknippen van remkabels. Sommige vandalen gaan grilliger te werk en laten fietsen bungelen op ijzeren hekken, leggen ze op verkeerslichten en bushokjes, of hangen ze aan een hoge boomtak. 

    Een fiets in het water gooien is een specialistische sport die zijn eigen bijzondere vorm van bevrediging geeft

    Een fiets in het water gooien is een specialistische sport die zijn eigen bijzondere vorm van bevrediging geeft. Op sociale media zie je filmpjes waarin kwajongens fietsen vanaf de oever in een meer laten rijden, over de reling langs een kade kiepen of in wild stromend water smijten. In één video kijkt een tiener in de camera terwijl hij een verweerde blauwe BMX vasthoudt. ‘Mike, dit is jouw fiets,’ zegt hij. ‘Hij stond in mijn garage, maar ik hoef hem niet. Dus ik ga hem van de schans de vijver in gooien. Hoop dat je het niet erg vindt.’ Met een flinke aanloop duwt de jongen de fiets zonder berijder vervolgens over een houten plank het water in. Op de achtergrond is hoerageroep en gelach te horen, terwijl de nerveuze camera het snelle overlijden van de fiets vastlegt. Het achterwiel dobbert nog even boven de oppervlakte, voor het door de plas wordt verzwolgen – een slapstickmoord. Ik zal het niet ontkennen: het ziet er lollig uit.

    Dat is het duidelijk voor velen: lol. Op sommige plekken is het epidemisch. Een Engelsman die opgroeide in Peterborough herinnerde zich dat in 1960 jongens uit die stad fietsen stalen om te gaan joyriden; de escapade eindigde steevast met het rituele dumpen van de fietsen in de Nene, de plaatselijke rivier. Deze praktijk kwam aan het licht toen ‘een boot vastliep op … een berg fietsen onder water.’ 

    Amsterdam

    In Amsterdam hoopten de verdronken fietsen zich op een bepaald moment zo hoog op in de 165 grachten van de stad, dat ze tegen de platte bodem van voorbijvarende bootjes schuurden. De remedie was ‘fietsen vissen’. Vroeger werd deze taak vervuld door vuilnismannen die de grachten in roeiboten afschuimden en stokken met een haak gebruikten om de fietsen te verschalken en ze als oud ijzer te verkopen. In de jaren zestig nam het Amsterdamse waterbeheer de taak van het fietsen vissen op zich. Tegenwoordig gaat een korps gemeentewerkers op jacht naar verdronken fietsen op boten die zijn toegerust met kranen met hydraulische grijpers. Het probleem is minder groot dan vroeger, maar de ‘vissers’ halen nog steeds ieder jaar vijftienduizend fietsen uit de grachten. Het is een uniek Amsterdams spektakel, dat onveranderlijk een hoop toeschouwers trekt: de grote metalen klauw die uit het water komt met een druipende vangst wielen, frames en fietsmandjes. De fietsen worden overgeheveld naar vuilnisschuiten en voor recycling overgebracht naar een schroothandel. Naar men zegt wordt een groot deel van de gerecyclede fietsen omgevormd tot bierblikjes.

    In Amsterdam weet net zo min als in Parijs iemand precies waarom of hoe zo veel fietsen in het water belanden. Ambtenaren schrijven het probleem vaag toe aan vandalisme en diefstal. Alcohol speelt zeker een rol en er kan best een soort ecosysteem in het spel zijn: een fiets wordt uit de gracht gehaald en gerecycled tot een bierblikje, waarvan de inhoud wordt genuttigd door een Amsterdammer die, naar huis waggelend na een losbandige nacht, een fiets ziet staan en ineens de drang voelt om het ding in de gracht te smijten.

    Als een Amsterdammer van een oude fiets af moet, is een gracht of kanaal de handigste stortplaats

    Pete Jordan wijdt in zijn aardige boek over Amsterdam en de fiets, In the City of Bikes, diverse bladzijden aan te water geraakte tweewielers en legt een verband met de tumultueuze politieke geschiedenis van de stad. In de jaren dertig bakten communisten de fascisten een poets door hun fietsen in de Prinsengracht te gooien; tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog riepen verzetsleiders Amsterdammers op hun rijwiel in de gracht te dumpen om te voorkomen dat ze in handen zouden vallen van de nazi’s, die fietsen confisqueerden. Jordan noemt ook het Nederlandse boek Fietsen naar de maan (1963), waarin het verzuipen van fietsen wordt gezien als een ingewikkelde vorm van diefstal: een fietsenvisser duwt ’s nachts stiekem fietsen in een Amsterdamse gracht; de volgende ochtend komt hij terug om ze er weer uit te halen en aan een heler te verkopen. 

    De situatie in Amsterdam is misschien het best te verklaren met een simpele rekensom. De stad telt naar schatting 2 miljoen fietsen en 50 kilometer aan waterwegen, en de logica gebiedt dat er een zekere overloop moet zijn. Als een Amsterdammer van een oude fiets af moet, is een gracht of kanaal de handigste stortplaats. 

    Tokio

    Maar het gaat niet alleen om een Nederlands verschijnsel. In 2014 merkte het parkentoezicht in Tokio dat er exotische vissen waren uitgezet in de grote vijver in Inokashira Park, in een westelijke voorstad. De vissen, die waarschijnlijk in het water waren gegooid door hun voormalige eigenaren, veroorzaakten milieuschade; er werd besloten het water te laten weglopen om hen te elimineren. Maar toen de plas gedempt was, stuitte men op een heel andere invasieve soort: tientallen fietsen. De ontdekking was voor velen in Tokio een verrassing. Schoonmakers klaagden allang over fietsen die op straat en op parkeerterreinen werden achtergelaten. Maar het dumpen van fietsen in water was een nagenoeg onbekende – en per definitie verborgen – gewoonte.  

    Een deelfietsbedrijf stopte met zakendoen in Rome, toen bleek dat veel van zijn fietsen in de Tiber waren gegooid. ‘Huurfietsen blijven maar onder water eindigen’, meldde The Boston Globe in 2018, vlak na de komst van deelfietsfirma’s in Boston en voorsteden. In februari 2019 werd in New York een stadsfiets, die duidelijk enige tijd in de Hudson had gelegen, teruggezien in een huurfietsenstalling in de Upper West Side van Manhattan. De fiets zat onder de eendenmosselen en weekdieren; de spaken waren bedekt met zeewier. Een expert, belast met het toezicht op de Hudson, werd door de website Gothamist verzocht te taxeren hoelang het rijwiel onder water had gelegen. ‘Gezien de oesters op het stuur schatten we dat hij al minstens sinds augustus, mogelijk sinds juni in de rivier heeft gelegen,’ was het antwoord. 

    De alarmerendste berichten over het dumpen en opdreggen van fietsen komen uit China

    Hetzelfde probleem doet zich voor in Melbourne, Hongkong, San Diego, Seattle, Malmö, en nog veel meer steden. In Groot-Brittannië zijn huurfietsen uit kanalen in Londen en Manchester gevist, alsook uit de Theems, de Cam, de Avon en de Tyne. In 2016 gaf de Canal & River Trust, die toezicht houdt op de waterwegen in Engeland en Wales, een onder water opgenomen video vrij met vissen die loom over de bodem van een kanaal zwommen langs met algen begroeide fietsenwielen.

    De alarmerendste berichten over het dumpen en opdreggen van fietsen komen uit China. In 2016 en 2017 visten de destijds grootste deelfietsbedrijven van de wereld, Ofo en Mobike, duizenden van hun huurfietsen uit rivieren in Zuid-China. Op een veel gedeelde video was een man te zien die vanaf een drukke voetgangersbrug bezig was Mobikes te gooien in de Huangpu, een rivier in Shanghai. Op andere filmpjes die viraal gingen was onder meer vastgelegd hoe een groep kinderen deelfietsen aan het vernielen was en hoe een oudere vrouw met een hamer op een deelfiets inbeukte. Deelfietsen werden gestolen en gestript van onderdelen, onder auto’s gegooid, op bouwplaatsen verstopt of in brand gestoken. Het vandalisme heeft in China een zekere introspectie op gang gebracht. ‘Je hoort mensen de deelfiets vaak beschrijven als een meedogenloze spiegel die de ware aard van het Chinese volk aan het licht heeft gebracht’, berichtte The New York Times in 2017. 

    Misschien geeft die spiegel wel verder strekkende waarheden over onze tijd prijs. De man die werd gefilmd terwijl hij in Shanghai fietsen in de rivier gooide, was een migrant uit Hongkong die aan journalisten vertelde dat hij nog eens negen andere Mobikes met een hamer had vernield. Hij zei woedend te zijn over de schending van de privacy van de gebruikers door het bedrijf. ‘De chips in Mobikes zijn onveilig en slaan persoonlijke gegevens van de gebruikers op, zoals hun locatie.’

    Deelfietsproject

    In theorie wordt van zo’n deelfietsproject het leven in de stad niet alleen makkelijker en plezieriger, maar ook duurzamer en rechtvaardiger, eerlijker en vrijer. In de praktijk gaat het veelal om half-particuliere, half-publieke initiatieven, gesponsord door internationale banken die met hun logo opzichtig aanwezig zijn op de spatborden. De deelfietsindustrie is veelal in handen van technologiebedrijven die straten en stoepen vaak al volstouwen met fietsen voordat de regels goed en wel zijn vastgesteld. De meeste systemen werken met apps en zijn gebaseerd op een in het digitale tijdperk vertrouwde ruil: gemak en gerief ten koste van privacy. De app verzamelt persoonlijke data over de bestuurder en er wordt gebruikgemaakt van ingebouwde gps-chips en draadloze verbindingen die de locatie van de bestuurder om de zoveel seconden doorgeven. Een fiets die zijn berijder bespioneert: dat is een forse plotwending voor het vervoermiddel dat ooit – eind negentiende eeuw, toen de fiets insloeg als een bom – een voorheen ondenkbare persoonlijke vrijheid in het vooruitzicht stelde. 

    In China hebben meer dan zeventig start-ups, ondersteund met ruim 1 miljard dollar aan durfkapitaal, in 2016 en 2017 miljoenen deelfietsen in de steden gepompt. Het aanbod overstemde de vraag en de fietsen hoopten zich letterlijk op. Aan de rand van Beijing, Shanghai, Xiamen en andere steden liggen op uitgestrekte percelen tienduizenden in beslag genomen, vaak gloednieuwe fietsen, in reusachtige stapels die zeven tot acht meter boven de grond uittorenen. Deze plekken zijn weleens ‘fietsenkerkhoven’ genoemd, maar op luchtfoto’s en filmpjes die met een drone zijn gemaakt lijken het vaak eerder bloemenvelden, vanwege de fel geel, oranje en roze gekleurde frames die als een spookachtig tapijt een halve hectare land bedekten. 

    De fiets is niet het enige vervoermiddel dat onderhevig is geweest aan golfbewegingen, ook qua vandalisme

    De fiets is niet het enige vervoermiddel dat onderhevig is geweest aan golfbewegingen, ook qua vandalisme. Recentelijk leidde de introductie van elektrische deelscooters in steden tot woede van voetgangers, die ervan balen dat die dingen de stoep blokkeren, en ook van motorrijders, die ze liever niet op de weg zien. Van over de hele wereld komen de berichten binnen: in Los Angeles zijn e-scooters in openbare toiletten geduwd, in het zand begraven, in de oceaan gegooid; in Keulen ontdekte een duikploeg op de bodem van de Rijn honderden e-scooters die de rivier vervuilden met hun lekkende accu’s. De ‘scooterwoede’ heeft grote e-scooterbedrijven als Bird en Lime gedwongen nieuwe, verbeterde modellen te produceren om wie van plan was de remkabels door te snijden, QR-codes te wissen of andere vormen van sabotage te plegen te slim af te zijn. 

    Dit soort agressie kun je rustig zien als guerrilla-activiteiten in een grotere oorlog: een wereldwijd gevecht om het recht op de rijweg. Die heeft de laatste jaren een nieuwe impuls gekregen, nu steden hun relatie tot de auto heroverwegen, een fietsvriendelijke infrastructuur aanleggen en openstaan voor deelfietsprojecten en andere initiatieven die ‘micromobiliteit’ bevorderen. Misschien is de opmerkelijkste ontwikkeling wel de komst van e-bikes – fietsen met een accu – waarvan de verbazingwekkende populariteit over de hele wereld doet vermoeden dat een nieuwe fietsrevolutie – qua potentie de belangrijkste sinds de beroemde fiets-boom van eind negentiende eeuw – nabij is. In China alleen al rijden er 300 miljoen e-bikes, en de herleving van de Chinese deelfietsindustrie na het debacle van een aantal jaren geleden is grotendeels gebaseerd op de introductie van elektrische deelfietsen. 

    Tom Waits

    Waar gaan fietsen naartoe als ze sterven? Een fiets is een duurzaam goed, maar ook een gebruiksvoorwerp: als je het niet erg vindt om een beetje asociaal te zijn, doe je er makkelijk afstand van. In het wel-varende Westen hoeft een fiets althans niet veel te kosten; en als hij kapot gaat of als er een nieuwe wordt gekocht, zal de eigenaar de oude veelal van de hand doen – hem ergens buiten achterlaten waar hij door een voorbijganger kan worden meegenomen, of worden weggehaald door de stadsreiniging. 

    En dan heb je de fietsen die op eenzamere locaties worden aangetroffen, waar ze in toenemende staat van ontbinding rondslingeren terwijl de tijd en de elementen hun tol eisen. In steden zie je vaak fietsen die verlaten zijn maar wel op slot zitten; met oude kettingen of beugelsloten zijn ze vastgemaakt aan een paal of hek. Gewoonlijk schieten gieren erop af om in de karkassen te pikken en weg te graaien wat ze maar kunnen – een wiel, of twee wielen, of een stuur. Zulke geplunderde fietsen kunnen een trieste aanblik bieden. De ketting hangt uit de vernielde kettingkast, kapotte reflectoren liggen aan stukken op de grond en de remkabels zien eruit als een warrige haardos uit de cartoons van George Booth. Ik denk aan dat geweldige nummer van Tom Waits, Broken Bicycles: ‘Broken bicycles/ old busted chains/ with rusted handlebars/ out in the rain…/ laid down like skeletons/ out on the lawn.’ De tekst is metaforisch – het is een lied over vergane liefde, maar het klinkt als een reportage. Als die fietswrakken in het gras net zo zijn als de meeste fietsen, zullen ze grotendeels gemaakt zijn van staal of een aluminium-legering, wat betekent dat ze oorspronkelijk uit de grond komen, als erts of afzettingsgesteente dat is gedolven in een mijn. Nu keren kleine stukjes van de fiets terug naar de aarde: de schilfers verroest staal en de kleine krijtachtige deeltjes op het oppervlak van geoxideerd aluminium kunnen door de wind worden verspreid en in een regenstorm het riool in worden gespoeld. 

    Gerecycled staal en aluminium worden gebruikt bij de bouw van straatmeubilair, huizen en appartementengebouwen

    Sommige onbeheerde fietsen krijgen een tweede leven. Vanaf de schroothandel aan het eind van mijn straat worden de blokken metaal naar recycling-bedrijven vervoerd. Daar wordt het afval schoon-gemaakt en gesorteerd, in ovens gestopt en verhit tot het gaat smelten, en onderworpen aan reinigingsprocessen. Uiteindelijk wordt het metaal tot platen geplet of uitgerold en opnieuw in omloop gebracht. Staal en aluminium behoren tot de meest gerecyclede materialen op aarde. Soms, zoals in Amsterdam, krijgt een gesloopt fietsframe een tweede leven als bierblikje of conservenblik. Gerecycled staal en aluminium worden gebruikt bij de bouw van straatmeubilair, huizen en appartementengebouwen. En ook bij de bouw van vliegtuigen, auto’s en, jawel, fietsen. 

    De mysticus in mij vindt het leuk zich een stadsgezicht voor te stellen dat gemaakt is van oude fietsen: fietsers rijdend op rijwielen die zijn gereïncarneerd uit vroegere fietsen en trappend langs wolkenkrabbers die worden gestut door gordels, balken en wapening die zijn gemaakt van recyclede fietsframes, terwijl uit gesloopte fietsen samengestelde straaljagers hoog boven hun hoofd vliegen. Het recyclen van metaal gaat gepaard met verspilling die schadelijk is voor het milieu, maar sommige bijproducten kunnen worden gerecycled en weer in omloop worden gebracht. De restanten of slakken die overblijven van aluminiumgietsel worden soms gebruikt als vulmiddel in asfalt en betonmengsels. Op sommige plekken is de weg zelf dus een soort fietsenkerkhof en rijden fietsers op hun zondagse ritje over een landschap van nieuw samengestelde beenderen. 

  • Grote vulkaan Hawaï ineens zeer actief

    Grote vulkaan Hawaï ineens zeer actief

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » FTX sleurt cryptowereld mee in val

    » China versoepelt coronabeperkingen na protesten

    Mauna Loa barstte 38 jaar geleden voor het laatst groots uit

    Het Amerikaanse eiland Hawaï staat op alert nu de grote vulkaan Mauna Loa sinds maandag zeer actief is, meldt persbureau AP. Voor het eerst sinds 1984, toen de vulkaan voor het laatst groots uitbarstte, spuugt Mauna Loa lava, as en vulkanisch gesteente uit. Volgens lokale autoriteiten moeten mensen op het eiland zich voorbereiden op een eventuele evacuatie.

    Hoewel het gebied rondom de vulkaan dunbevolkt is, kan een grote uitbarsting gevolgen hebben voor het hele eiland, waarschuwen autoriteiten. Zo kan de Hawaïaanse hoofdstad Hilo op den duur geraakt worden als er sprake is van grote hoeveelheden lava. De regering op het eiland heeft alvast schuilkelders geopend.

    Mauna Loa is een van de grootste vulkanen van het Grote Eiland van Hawaï, dat in totaal bestaat uit vijf vulkanen. Het eiland heeft vaker te maken met kleine uitbarstingen van de nog altijd actieve vulkanen, maar de laatste grootste uitbarsting vond decennia geleden plaats. Omdat het eiland vergeleken met veertig jaar terug een stuk dichter bevolkt is geraakt, vrezen autoriteiten dat een zware uitbarsting tot grote aantallen slachtoffers kan leiden.

    Lees ook:

  • Hoe Nederland een uniek lustoord is voor bestuivende insecten

    Hoe Nederland een uniek lustoord is voor bestuivende insecten

    Nederland is een van de weinige landen die een uitgewerkte strategie heeft om honingbijen, wilde bijen, zweefvliegen, kevers, vlinders en andere soorten te ondersteunen.

    In de zomer is Utrecht op verschillende plaatsen een waar kleurenfestijn: wilde bloemen in talloze tinten oranje, rood, geel en paars staan dan te bloeien in de zon. Deze veldjes wilde bloemen zijn er niet alleen voor het oog: ze zijn onderdeel van een heel scala aan Nederlandse initiatieven ten behoeve van bestuivende insecten, die allemaal onderdeel zijn van een ambitieus overheidsprogramma om honingbijen, wilde bijen, zweefvliegen, kevers, vlinders en andere soorten te ondersteunen.

    Nederland is een van de weinige landen met een uitgewerkte strategie om de afname van bestuivers te stuiten. Deze Nationale Bijenstrategie, gelanceerd in 2018, omvat doorlopende programma’s en formuleert heldere en meetbare maatstaven voor succes. Deze strategie blijkt nu al een voorbeeld voor andere landen die hun bestuivers willen beschermen.

    ‘Het Nederlandse landschap staat te zwaar onder druk’

    In Nederland begon het belang van bestuivers de afgelopen tien jaar door te dringen, nadat de bijenpopulaties vanaf halverwege de jaren veertig steeds verder waren afgenomen. Wilde natuur en landelijke gebieden waren veranderd in landbouwgrond en stedelijk gebied, waarbij ook steeds meer bestrijdingsmiddelen werden gebruikt, zodat nu meer dan de helft van de bijna 360 bijensoorten bedreigd is. ‘Het Nederlandse landschap staat te zwaar onder druk,’ zegt Marten Schoonman van het Naturalis Biodiversiteitscentrum in Leiden.

    Al ruim tien jaar geleden begon Nederland, de op een na grootste exporteur van landbouwproducten ter wereld, met beschermingsmaatregelen. In 2013 lanceerde de overheid het Actieprogramma Bijengezondheid, dat zich richtte op honingbijen. In 2016 richtte Nederland samen met dertien andere landen Promote Pollinators op, een samenwerkingsverband van landen (inmiddels zijn het er dertig) die kennis delen over de bescherming en het behoud van bestuivers.

    Lustoord

    Maar met de Nationale Bijenstrategie onderscheidt Nederland zich van alle andere landen. Vanaf de start in 2018 zijn er rond de zeventig initiatieven geweest die Nederland tot een lustoord voor bestuivende insecten moeten maken, onder andere door meer nestelplekken te creëren en het voedselaanbod voor bestuivers te vergroten. ‘Er is in het verleden veel biodiversiteit vernietigd,’ zegt Nicky Kruizinga, projectleider van de strategie. ‘We hebben een grote achterstand in te halen.’

    De Nationale Bijenstrategie omvat op dit moment 120 initiatieven, zowel in binnensteden als in landbouwgebieden. De programma’s worden opgezet en uitgevoerd door de deelnemers zelf, waarbij het gaat om non-profit-organisaties, collectieven, gemeentes en provincies. Zij volgen de algemene richtlijnen waar het gaat om het bieden van voedsel en nestelmogelijkheden aan bestuivers. 

    Geerpark Vlijmen Insecten hotel
    Insectenhotel Geerpark in Vlijmen.  © Wikimedia CC

    ‘Er wordt veel energie gestoken in de strategie, en dat is een grote verandering in vergelijking met tien jaar geleden,’ zegt David Kleijn, hoogleraar plantenecologie en natuurbehoud aan de Universiteit van Wageningen, die betrokken was bij het formuleren van de doelen. ‘Door de Nationale Bijen-strategie is er aandacht gekomen voor bestuivers; mensen zijn zich ervan bewust geworden hoe die in aantal teruglopen en zijn gemotiveerd geraakt om daar iets aan te doen. Nu zijn er meer dan honderd initiatieven. In die zin is de strategie een groot succes.’

    Positieve populatieontwikkeling

    Het bredere doel van de Nationale Bijenstrategie is dat ‘een aantal bijensoorten in 2023 en 2030 een stabiele of positieve populatieontwikkeling laat zien’. Dit doel is verder ontleed in meetbare targets voor die jaren. Het doel voor 2023 is om het aantal soorten dat een neergaande trend vertoont met 30 procent te verkleinen en het aantal soorten dat een stijgende trend vertoont met 30 procent te vergroten, ten opzichte van een nulmeting uit 2012. In 2030 blijft het brede doel hetzelfde als in 2023, maar de target gaat omhoog naar 50 procent vergeleken met de nulmeting uit 2012.

    Kleijn: ‘Een van de frustrerendste dingen bij het evalueren van een strategie is wanneer er geen concrete doelen zijn gesteld. In dit geval zijn de doelen meetbaar, zodat onderzoekers kunnen nagaan of ze worden bereikt.’

    Tot de meer dan negentig deelnemers aan de strategie behoren zeven van de twaalf provincies en een aantal gemeenten, die verschillende maatregelen hebben genomen: het aanleggen van veldjes met wilde bloemen, het plaatsen van insectenhotels en van groene daken, en het instellen van een verbod op het gebruik van pesticiden in openbaar groen.

    Lokaal

    Andere deelnemers zijn heel lokaal, zoals De Fruitmotor, een coöperatie die cider maakt van ‘lelijke’ appels die niet te verkopen zijn omdat ze misvormd zijn of plekken hebben. ‘Wat de coöperatie verdient, wordt geïnvesteerd in het zaaien en planten van stuifmeel en nectar producerende planten, om zo een bestuivervriendelijke zone te creëren rond de Betuwe,’ zegt Henri Holster, oprichter van De Fruitmotor. ‘Deze planten bloeien op verschillende momenten in het jaar, van vroeg in het voorjaar tot laat in het najaar, en leveren daarmee een constante voedselvoorziening voor bijen en andere insecten.’

    ‘Alle deelnemers werken toe naar hetzelfde doel: meer voedsel en beschutting voor bestuivers’

    Zelfs initiatieven van individuele particulieren kunnen deelnemen aan de Nationale Bijenstrategie, zoals de Honey Highway, een onderneming van bijenliefhebber Deborah Post die met gemeenten samenwerkt om wilde bloemen langs snelwegen, spoorlijnen en waterwegen te zaaien. Zo worden stukken land waar geen biodiversiteit meer was, bestuiverrijke zones. 

    Nationale Bijenstrategie Tekening Theory of Change
    Infographic Nationale Bijenstrategie

    ‘Alle deelnemers werken toe naar hetzelfde doel: meer voedsel en beschutting voor bestuivers,’ zegt projectleider Kruizinga. In 2018 en 2019 organiseerde de Nationale Bijenstrategie een grote bijeenkomst waar deelnemers elkaar konden ontmoeten en van elkaar konden leren. ‘Wat echt goed werkt, is dat onze partners op verschillende niveaus zijn gaan samenwerken, waardoor er heel veel kennis wordt gedeeld.’

    Diversiteit en rijkdom

    De Nationale Bijenstrategie stelt zich ten doel om zo veel mogelijk deelnemers en bestuivervriendelijke initiatieven te activeren. Naturalis, waar Schoonman werkt, is als kennispartner van de strategie betrokken bij de uitrol ervan. ‘Mensen bewust maken van de diversiteit en rijkdom van bestuiversoorten speelt een belangrijke rol in het behoud van die soorten. Daarom is de bijentelling zo belangrijk.’ Hij heeft het over de jaarlijkse telling door mensen in het land, die Naturalis organiseert.

    Dit jaar vond de vijfde editie van de bijentelling plaats. In een weekend in april telden bijna vierduizend vrijwilligers uit het hele land een halfuur lang bijen in hun tuin. Bovenaan de lijst met waargenomen soorten stond ook dit jaar weer de honingbij. De gehoornde metselbij bleek nog steeds een van de meest voorkomende wilde bijensoorten in tuinen te zijn, terwijl die tien jaar geleden nog vrij zeldzaam was in Nederland. 

    De bijentelling helpt om trends in de bestuiverpopulaties bij te houden, maar kent haar beperkingen. Zo kan het programma zich niet bezighouden met onderwerpen als het gebruik van pesticiden of industriële vervuiling. ‘Hoe krijgen we boeren zover dat ze minder of geen bestrijdingsmiddelen gebruiken, zodat bestuivende insecten daar niet door worden aangetast?’ vraag Kruizinga zich af. Het veranderen van denkpatronen en gedrag kost tijd, zeker als er commerciële belangen meespelen. ‘Boeren zijn gewend op economisch voordelige of tijdbesparende wijze te werken,’ zegt hoogleraar Kleijn. Volgens hem kunnen boeren met subsidies worden gestimuleerd om moeilijke maar belangrijke maatregelen te nemen. Maar daarvoor is wel een omvangrijk budget nodig.

    ‘Er is absoluut een verschuiving gaande naar bestuivervriendelijke landschappen en landbouw in harmonie met de natuur’ 

    Ondertussen maakt ook de EU werk van de aanpak van pesticiden. In 2013 werd het gebruik van drie neonicotinoïden – bestrijdingsmiddelen waarvan bekend is dat ze uiterst schadelijk zijn voor bestuivende insecten – op bloeiende gewassen al verboden. In 2018 werd dat verbod uitgebreid naar gebruik op alle gewassen. En in juni van dit jaar nam de Europese Commissie voorstellen aan om voor 2030 het gebruik van pesticiden in de hele EU met 50 procent te verminderen. Maar er is nog steeds veel werk te doen om die doelen te behalen.

    Een andere beperking van de Nationale Bijenstrategie is dat die voornamelijk van de deelnemers afhankelijk is voor het creëren van bestuivervriendelijke landschappen. ‘Je kunt je afvragen of dat genoeg is om werkelijk iets te veranderen,’ zegt Kleijn. Maar Kruizinga blijft optimistisch over het effect van de Strategie: ‘Er is absoluut een verschuiving gaande naar bestuivervriendelijke landschappen en landbouw in harmonie met de natuur.’ 

  • Afgeknaagde bomen en water in de tuin: de bever is terug in Europa – en veroorzaakt problemen

    Afgeknaagde bomen en water in de tuin: de bever is terug in Europa – en veroorzaakt problemen

    De bever is terug, tot vreugde van natuurliefhebbers. Maar er bestaan ook geschillen met deze nieuwe buurman, zoals in de Duitse hoofdstad Berlijn. ‘De bever helpt mee het park vorm te geven, maar dan niet volgens de maatstaven van historische monumentenzorg.’

    https://soundcloud.com/blendle/360-magazine-kijk-eens-wie-daar-knaagt?si=da99169a00324c82a16a4af505507799&utm_source=clipboard&utm_medium=text&utm_campaign=social_sharing

    Hij is punctueel. Om stipt half acht zal te voorschijn komen, laat Derk Ehlert weten. De mobiele telefoon geeft 19.32 uur aan, en warempel, er verschijnt een pakketje bont in het water, eerst de kop en ogen, dan de snuit, met een stok erin. De bever staat nu op, zegt Ehlert. Hij heeft de hele dag geslapen.

    Wij staan op een brug in Berlijn, met achter ons de karpervijver en Schloss Charlottenburg, waarvan de gevel door het avondlicht Toscaans aandoet. Een paar jaar geleden stond Angela Merkel daar ergens te toasten op het afscheid van Barack Obama. Vandaag kijken we er naar een bever.

    De bever zwemt een zijarm in, werkt zich door het water en maakt kleine boeggolfjes. Sturend met een brede staart – pardon, een troffel, zoals deskundigen het achtereind noemen. Ehlert zegt dat deze zo’n anderhalf jaar oud is, een halfvolwassene, wat betekent dat hij zijn laatste rondjes hier in de slotgracht maakt. Beverouders zijn streng. Na twee jaar gooien ze hun kroost eruit, en eist het nieuwe kroost de vrijgekomen ruimte op.

    Derk Ehlert (55) een man met een sikje en een pet die vaak naar de verrekijker om zijn nek grijpt, weet dit soort dingen. Hij is verteller van duizend-en-een dierenverhalen en legt op de radio uit waarom spinnen onze flats binnen kruipen: omdat het daar warm is. Officieel is Ehlert de natuuradviseur van de Senaat, officieus is hij een faunafluisteraar die ‘de mensen van de hoofdstad wil interesseren voor de natuur’, met rondleidingen door Berlijn.

    Aanpassing

    De bever klimt aan land op een weiland, sleept zich een paar meter voort, krult zich op en begint te kauwen op gras en stengels. Hij werpt een korte blik op de toeschouwers die op een paar passen afstand staan, en gaat dan verder met kauwen.

    Niet vergeten: we zijn in Berlijn, een metropool met 3,8 miljoen mensen, met voelbare vierentwintiguurs hectiek, met honderdduizenden mensen die zich soms bij de Brandenburger Tor verdringen om naar voetbal te kijken. Maar de hoofdstad wordt ook wel de Berlijnse jungle genoemd, met twintigduizend dier- en plantensoorten. Een toevluchtsoord voor leven dat het omringende platteland ontvlucht om te ontsnappen aan landbouwgif, monocultuur en jagers. En zo verschijnen er wasberen op Kurfüsterdamm, otters in Treptow en lopen er enkele duizenden vossen en wilde zwijnen rond in de stad.

    Berlijn is een gedekte tafel; de dieren hoeven niet te jagen. Ze leven van het afval van mensen. Voor de bever, die in ieder geval vegetarisch is, misschien zelfs veganistisch (daar twisten deskundigen nog over) en die zo’n kilo groen per dag eet en meer dan honderdvijftig plantensoorten en zestig houtgewassen op zijn menu heeft staan, is de Spree een paradijs. Veertig procent van de stad bestaat uit weiland, bos, water, hagen, parken, gazons en velden. Eet smakelijk!

    Er leven meer dan honderd bevers in Berlijn

    Maar het lawaai dan? En de mensen? Geen probleem: aanpassing, zegt Ehlert.

    Er leven meer dan honderd bevers in Berlijn. Zelfs in Mitte, tegenover Museumsinsel, zat er laatst een aan een boom te knagen. Het dier verspreidt zich ook in Hamburg, München en Dresden. In Duitsland leven vijfenveertigduizend bevers, waarvan alleen al vijfentwintigduizend in Beieren. De komende vijftien jaar kunnen dat er in het hele land twee keer zoveel zijn, zegt bioloog en beverdeskundige Gerhard Schwab: ‘Veel geschikte watermassa’s zijn nog niet bevolkt’.

    Castor fiber zwermde ook uit naar de Loire, Bretagne, Toscane, Zürich, Wenen, Londen, en zelfs naar het stralingsgebied bij de Oekraïense kernreactor in Tsjernobyl. De Engelsen reiken prijzen uit aan bevers, zoals onlangs op de wereldberoemde Chelsea Flower Show. Midden in Londen werd op een oppervlakte van tien bij vijftien meter een stukje wildernis gepresenteerd, compleet met een beekje en een vochtige weide en met afgeknaagde twijgen en takken die speciaal waren aangevoerd uit het graafschap Devon, driehonderd kilometer verderop. De organisatie Rewilding Britain wilde laten zien hoe mooi een bever een landschap kan maken en kreeg daarvoor een gouden medaille.

    De aftredende premier is zo gecharmeerd van het knaagdier dat hij het tot staatsaangelegenheid heeft gemaakt. Op het laatste Tory-partijcongres hief Boris Johnson de slogan ‘Build Back Beaver’ aan, waarmee hij bedoelde dat de dieren het gehavende platteland van Groot-Brittannië moeten opkalefateren, gesteund door vele miljoenen ponden uit de landbouwbegroting. Of de Britten de liefde van Johnson voor de dieren delen is onduidelijk. Volgens The Times kon hij zelfs zijn eigen familie niet overtuigen van de heilzame werking van de bever. Hij wilde zijn vader een beverpaar schenken voor diens boerderij, maar uiteindelijk kregen ze ruzie over waar de dieren uitgezet moesten worden.

    Te geliefd

    De bever knaagt weer. Nog niet zo lang geleden was hij bijna uitgestorven in Midden-Europa; slechts enkele honderden overleefden aan de monding van de Rhône en de Elbe tussen Dessau en Roßlau, waar de regering van de DDR ze al vroeg als beschermd aanmerkte. In de jaren zestig werden bevers uitgezet in Beieren en nu dringen ze vanuit het zuiden en oosten het land binnen.

    Eeuwenlang was de bever gewoon te geliefd. Vanwege zijn vacht, vlees en staart. De katholieke kerk droeg daaraan bij door het zoogdier doodleuk uit te roepen tot een vis die tijdens de vastentijd mocht worden gegeten. Daarnaast levert de bever castoreum, ofwel bevergeil, een afscheiding die doet denken aan een mengsel van ‘penetrante mannenparfum, okselzweet en rotte vis’, aldus schrijver Bettina Balàka. De Romeinen kenden er al magische krachten aan toe. Wat de bever door zijn achterste blaast om zijn territorium mee af te bakenen, eindigt in parfums of voedsel, althans in de VS. IJs zou er meer naar vanille of aardbei door smaken. Een scheet omzetten in geld; kapitalisme in een notendop.

    Eigenlijk is de bever een burgermannetje. Hij werkt voortdurend aan zijn huisvesting en dammen en leeft monogaam. Maar het is ook een evolutionair wonder. Hij kan zich in het water oriënteren met zijn snorharen, heeft tot drieëntwintigduizend haren op één vierkante centimeter pels (bij mensen zijn dat er driehonderd) en zijn tanden bevatten ijzer en slijpen zichzelf.

    De laatste tijd wordt de bever ook beschouwd als een klimaatheld

    De bever houdt van comfort. Gaat niet graag aan land en zwemt liever naar zijn voedsel, zodat hij dammen bouwt om waterwegen naar bomen te creëren. Het bouwen van dammen zit in zijn genen. Zweedse onderzoekers ontdekten dat zelfs in gevangenschap geboren bevers dammen bouwen.

    De laatste tijd wordt de bever ook beschouwd als een klimaatheld. Hij bouwt zijn burchten bijvoorbeeld als natuurlijke nul-op-de-meterwoningen: hij dicht ze af met modder, legt er houtsnippers in en verwarmt ze met lichaamswarmte, zodat het binnen tussen de zes en negen graden is, zelfs in de winter. En waar hij bouwt, herstelt het landschap zich. Er ontstaan vijvers en meren, komen vissen, vogels, libellen en kikkers. Wetenschappers noemen de bever een ‘sleutelsoort’: Castor houdt ecosystemen in stand.

    Doordat hij water de ruimte geeft, sijpelt het langzamer weg, stijgt het grondwaterpeil, wordt zware regen beter geabsorbeerd en dendert overstroom regenwater niet de vallei binnen. Sinds er bevers in de Ourthe leven, overstroomt de rivier in Zuid-België minder vaak, zo blijkt uit een studie. ‘De bever brengt ook een stuk natuur terug,’ zegt Derk Ehlert in Berlijn.

    Geliefd en gevreesd

    Het is wel een beetje onhandig dat hij de natuur ook terugbrengt naar plekken waar die niet gewenst is. De sporen die hij nalaat: aangevreten appelbomen, uitgeholde beschermingsdijken, geplunderde maïs- en bietenvelden. Onlangs legde een bever in verschillende steden in Canada het internet en de mobiele telefonie plat doordat een gevelde boom een glasvezelkabel vernielde. Het herstel duurde acht uur.

    Zodoende is de bever zowel geliefd als gevreesd: hij wordt beschouwd als een eco-ingenieur of als een onruststoker in bont. Hij komt het milieu ten goede, maar schaadt het individu.

    Thorsten Schildwächter staat op zijn balkon in Mühlheim bij Offenbach in het Rijn-Maingebied. Driehonderd vierkante meter paradijselijke tuin met een rieteiland en pioenrozenstruiken strekken zich uit onder zijn balkon. Aan de andere kant van de tuin groeien struiken en bomen, en de Rodau, een zijrivier van de Main, kronkelt ertussendoor. Maar de idylle is bedrieglijk. Schildwächter (45) voert een existentiële strijd. Het is een vriendelijke man met een getraind lichaam die over zichzelf zegt: ‘Ik ben een optimist.’ Maar een bever doet hem twijfelen aan zijn capaciteiten.

    Schildwächter maakte wel vaker zware regenval mee, maar sinds ongeveer tweeënhalf jaar zijn de plassen hardnekkig; zijn tuin staat om de paar maanden onder water, tot wel twintig centimeter. Toen zijn kelder een keer vol kwam te staan, kocht hij een pomp. Hij opent een laptop en grafieken en rapporten van deskundigen verschijnen. Door de dam van een bever steeg het grondwater, wat normaal goed is, maar slecht voor Schildwächter en zijn buren. Want nu ontbreekt de hydrologische gradiënt: regen loopt niet weg en de tuin verandert in een vijver.

    ‘In de stad houden de meeste mensen van de bever. Op het platteland zien ze hem vaak als lastpak’

    We zijn niet gewend aan dieren die tegen onze wil het landschap veranderen. Maar de Franse denker René Descartes wist het al: ‘Wij mogen niet aannemen dat alle dingen zijn geschapen omwille van ons.’ Hoe men Castor fiber beoordeelt is dan ook een kwestie van perspectief. Dat is tenminste wat Manfred Krauß zegt: ‘In de stad houden de meeste mensen van de bever. Op het platteland zien ze hem vaak als lastpak.’

    Krauß is een oudere heer met lang, zilverkleurig haar en zongebruinde wangen. In Berlijn is hij bevermanager, in dienst van de Senaat. Hij stelt tuineigenaren gerust wanneer zij klagen over omgevallen berkenbomen. In veel deelstaten werken adviseurs zoals hij, de meeste in Beieren. Ze laten zien hoe bomen en akkers kunnen worden beschermd met gaas en elektrische hekken en ze regelen hulpgeld voor slachtoffers. Als de schade te groot is, kunnen dammen worden vernield en in Beieren en Brandenburg mogen dieren zelfs worden gedood. Elders is dat verboden.

    In Beieren sterven elk jaar ongeveer tweeduizend bevers op legale wijze. Het vlees mag niet worden verkocht, maar jagers mogen het wel gebruiken om vrienden en familieleden blij te maken. Iemand die privé vaak bever serveert, is herbergier Jürgen Füssl in Altenstadt in de Oberpfalz. Hij is enthousiast: ‘Dit is heel goed vlees, van biokwaliteit.’

    Maar veel dieren worden ook illegaal gedood. Alleen al in Schwandorf in de Oberpfalz heeft een ‘bevermoordenaar’ (aldus boulevardkrant Bild) zeven dieren gedood; ook in Thüringen en Berlijn sloegen sommige mensen woedend op het knaagdier in.

    Waterwoestijn

    Thorsten Schildwächter zou het nooit zo rabiaat aanpakken. Hij houdt van bevers, maar hij wil een oplossing voordat hij in een waterwoestijn terechtkomt. Tot nu toe trotseerde de bever de autoriteiten. Maar nu is door de dam een waterput overstroomd en kan de drinkwatervoorziening in gevaar komen. Schildwächter hoopt op een ontheffing: ‘De dam moet weg.’

    ‘De bever doet ons afvragen hoe serieus we natuurbehoud nemen,’ zegt Krauß, de bevermanager. Moeten in de stad echt alle stukken grond die grenzen aan het water bebouwd worden? Moeten landbouwers wel het deel van hun velden bewerken dat direct aan water grenst? Krauß zegt: ‘Iedereen weet dat de grond in Brandenburg te droog is. We doen er te weinig aan. De bever zou kunnen helpen, als we het maar lieten gebeuren.’

    In Schloss Charlottenburg heeft men met het knaagdier leren leven, mede dankzij de achtenvijftigjarige Andrea Badouin, die als tuinier al tientallen jaren verantwoordelijk is voor vierenvijftig hectare paleisgrond. Zij moet driehonderd jaar tuincultuur beschermen tegen insecten, droogte en bevers, haar meest sluwe tegenstander. In een Gator-bedrijfswagentje knettert ze over de paden. Ze wijst naar de overblijfselen van hazelnootstruiken, naar aangevreten haagbeuken en eiken. De bever heeft drie oude wilgen om zeep geholpen. Badouin komt niet meer van hem af. Ze zou het hele park aan de oever van de Spree moeten afrasteren, alle soortgenoten van tevoren moeten vangen, ze moeten laten herplaatsen, en dan nog zou ze er niet zeker van zijn dat er zich geen bevers zouden vestigen.

    Natuurlijk is de bever vervelend. Maar mensen zijn nog vervelender

    Ze troost zich met het feit dat bevers geen dammen bouwen, want het waterpeil is stabiel, en ze probeert oude bomen te beschermen door kokos- en plastic matten en draadrekken aan te brengen. Ze is verbaasd over hoe goed de dieren zijn in het overwinnen van allerlei obstakels. ‘De bever helpt ook mee het park vorm te geven, maar dan niet volgens de maatstaven van historische monumentenzorg.’

    Natuurlijk is de bever vervelend. Maar mensen zijn nog vervelender. Mensen die een pizza op het grasveld in het park bestellen en daar elke week dertien kliko’s met vuilnis achterlaten. Mensen die de bevers opjagen, nesten van de rietzanger vertrappen, wilde eenden verjagen. En er zijn de vogelaars, van wie er tientallen uit Nedersaksen zijn gekomen om een havik te observeren in het park van Schloss Charlottenburg. Maar als ze hun vele telelenzen op het nest richten, vlucht de roofvogel, voorgoed.

    Soms wil Badouin de bever afleiden door elzenstruiken langs de oevers te laten groeien, zodat hij iets te eten heeft en niet aan de beuken knaagt, maar dat zorgt voor ruzie. Veel bezoekers zeggen: ‘Ik wil geen elzenstruiken zien, ik wil de vijver met karpers zien. Die verdomde bever interesseert me niet.’

    Het moge duidelijk zijn: niet de bever is het probleem, maar de mens.

    Lees ook:

  • Iedere veertien dagen zwanger: het wondere seksleven van dwergzeepaardjes

    Iedere veertien dagen zwanger: het wondere seksleven van dwergzeepaardjes

    Ondanks hun geringe grootte – tussen de 14 en 27 millimeter – blijken dwergzeepaardjes in Indonesië een rijk liefdesleven te leiden. ‘Grotere soorten gaan monogame verbintenissen aan, maar hebben deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar steken?’

    Op een afgelegen rif bij het Indonesische eiland Sulawesi wedijveren minuscule mannelijke zeepaardjes met elkaar. Hun dagelijkse gevechten spelen zich af op een roze koraalsoort twaalf meter onder de oppervlakte van de oceaan en ik heb ze maandenlang in de gaten gehouden. Vaak was ik bij mijn duiksessies langs hun thuiskoraal zo geboeid door hun rituelen (en zo druk met het registreren van wat ik zag) dat ik vergat dat zo’n zeepaardje amper groter is dan een rijstkorrel. Hun formaat lijkt niet van belang als je ziet hoe dwergzeepaardjes elkaar proberen te wurgen.

    Wie nooit heeft stilgestaan bij de relaties tussen vissen – en zeepaardjes worden beschouwd als vissen – verwacht waarschijnlijk ongevoelig gedrag en een koude emotieloze blik – vooral wanneer je de omvang van die vissen in millimeters uitdrukt. In de vele maanden dat ik het paargedrag van dwergzeepaardjes observeerde, heb ik echter gemerkt dat deze beestjes ondanks hun geringe grootte een rijk, dramatisch leven leiden dat je eerder zou verwachten in een soap dan in een wetenschappelijk artikel. Ook ga je door de gecompliceerde levens van deze minieme wezens twijfelen aan het menselijke referentiekader dat we gebruiken om na te denken over familie, verwantschap en seksualiteit.

    Dwergzeepaardjes zijn nog steeds minder bekend dan hun grotere zeepaardneven en -nichten

    In 1969 stuitte een onderzoeker in het Nouméa Aquarium in Nieuw-Caledonië voor het eerst op de dwergzeepaardjessoort die bekendstaat als het zeepaardje van Bargibant. Het werd niet op de koraalriffen van het eiland aangetroffen, maar op een enorme, paarse zeewaaier, de Muricella, die voor de collectie van het aquarium was meegenomen. Toen hij van dichtbij nog eens goed naar het koraal keek, ontdekte de onderzoeker een paar zeepaardjes van 25 millimeter die zich aan de oppervlakte vastklemden. Hun kleur en oppervlaktestructuur bootsten bijna volmaakt de gesloten poliepen van het koraal na, waardoor ze niet eerder waren opgemerkt.

    Dwergzeepaardjes zijn nog steeds minder bekend dan hun grotere zeepaardneven en -nichten. Er zijn tot nu toe maar acht soorten ontdekt (zeven sinds het jaar 2000) waarbij de kleinste soort 14 millimeter meet en de grootste 27 millimeter. Rond 2005 begon ik hun sociale leven en voortplantingsgedrag te bestuderen voor mijn proefschrift – bepaalde aspecten van hun organisme brachten me op het idee dat ze misschien niet alleen qua omvang verschilden van hun neven en nichten. Dit was de eerste studie naar het specifieke organisme en het gedrag van dwergzeepaardjes – tot dan toe waren de soorten slechts benoemd –, en ze voerde me naar allerlei afgelegen plaatsen in de Koraaldriehoek. Tijdens dit veldwerk begon ik het ingewikkelde leven van deze minuscule vissen te begrijpen.

    Zeewaaiers

    Voor mijn proefschrift bestudeerde ik het dwergzeepaardje van Bargibant en nog een soort die op zeewaaiers leeft, het dwergzeepaardje van Denise, dat voor het eerst is beschreven in 2003 en kleiner en slanker is de Bargibant. Beide zijn te vinden in de wateren van de Koraaldriehoek, die een groot deel van Zuidoost-Azië omspant, en hun leefgebied strekt zich uit naar de Stille Oceaan. Al duikend op allerlei plekken ontdekte ik dat de Bargibant alleen leeft op Muricella-zeewaaiersoorten, terwijl de Denise leeft op tien verschillende soorten zeewaaiers, sommige zo groot als de voorruit van een auto. Ik ontdekte ook dat dwergzeepaardjes zich hun hele volwassen leven vastklampen aan de oppervlakte van één enkele zeewaaier.

    7175657996 2802e768ec o
    – © Wikipedia

    Deze minuscule vissen leven en vermenigvuldigen zich op de oppervlakten van hun zeewaaiers. Ik was met name geïnteresseerd in hun voortplanting. Zeepaardjes staan bekend om hun monogame relaties en de manier waarop mannetjes eitjes uitbroeden in een speciaal daarvoor bedoelde buidel aan de onderkant van hun lijf. Via dagelijkse paringsrituelen kunnen vaste koppels mannetjes en vrouwtjes hun voortplantingscycli op elkaar afstemmen. Door te communiceren via hun ingewikkelde dansjes weet een vrouwtje wanneer ze een stel eitjes gereed moet hebben om gelijk op te gaan met het mannetje, dat zijn broedbuidel in gereedheid brengt. Hij bevrucht de eitjes zodra ze zijn buidel binnenkomen, en deze eigenaardigheid in hun voortplantingscyclus heeft geleid tot een ander opmerkelijk feit: doordat de eitjes de buidel van het mannetje onbevrucht binnenkomen en hij ze pas daarna bevrucht, weet hij zeker dat alle nakomelingen van hem zijn. Dit is uiterst zeldzaam in het dierenrijk. Als gevolg daarvan hebben de mannetjes langzaam maar zeker beter leren omkijken naar de ontwikkeling van hun nageslacht dan wellicht enig ander mannetje in het dierenrijk. Dit was het gedrag dat ik verwachtte te zien, maar dan op piepkleine schaal.

    Hadden deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar staken?

    Tot de eenentwintigste eeuw waren dwergzeepaardjes nooit het onderwerp van enig specifiek onderzoek geweest en dat had verschillende redenen: hun relatief recente ontdekking, het feit dat ze extreem moeilijk in gevangenschap te houden zijn, maar ook hun uitmuntende camouflage, hun zeldzaamheid en hun geringe grootte. Het zijn moeilijk te spotten wezentjes. Gelukkig leefden de dwergzeepaardjes die ik bestudeerde in kleine, afzonderlijke groepen aan de oppervlakte van een enkele zeewaaier, dus als ik eenmaal een groep had gevonden, kon ik ze naar believen bezoeken. Ze leiden een relatief besloten leven dankzij hun extreme camouflage, die ze in staat stelt volmaakt te versmelten met hun helder gekleurde koraalbehuizingen maar ze tot een makkelijke prooi zou maken als ze naar elders verhuisden.

    Terwijl ik keek naar een groep van drie dwergzeepaardjes die een zeewaaier deelden, vroeg ik me af of er er nog meer verschillen waren tussen grotere en kleinere zeepaardjes. Ik begon na te denken over hun seksualiteit. Grotere soorten gaan vaste monogame verbintenissen aan, maar hadden deze dwergzeepaardjes soms seksuele rituelen die ingewikkelder in elkaar staken?

    Honderden duiken

    Tijdens honderden duiken in de weidse Koraaldriehoek legde ik ieder detail van het sociale leven en de voortplanting van groepen Denise-dwergzeepaardjes vast en ik bezocht bepaalde groepen weken- en in sommige gevallen maandenlang. Bij één zo’n duik, terwijl ik onder water zweefde op een afgelegen plek bij Sulawesi, ontdekte ik een hoogst intrigerend groepje dat zich vastklampte aan een felroze zeewaaier, een Annella, onder een overhangende rots. Het was een groepje van vier dat, zo ontdekte ik door enorme uitvergrotingen te maken van hun onderkant, bestond uit drie mannetjes en één vrouwtje.

    De maanden erna verdiepte ik me steeds meer in het leven van het viertal. Vol ontzag voor de taferelen die ik aanschouwd had, trakteerde ik de lokale duikers iedere dag op verhalen over mannetjes die elkaar wurgden. Met alleen hun staart om iets vast te pakken en overwicht te tonen (door elkaar te verstikken) zijn de mannetjes behoorlijk beperkt in hun mogelijkheden om hun worstelingen uit te voeren. Als ze hun staart niet gebruiken, kunnen ze ook ‘nekworstelen’ en proberen ze elkaar om te gooien, min of meer zoals giraffes doen. Ik legde mijn waarnemingen heel precies vast, waarbij ik elk individueel dier aanduidde met een cijfercombinatie, totdat een van de duikgidsen zei dat ze genoeg had van dat formele gedoe. Ze doopte ze om tot Tom, Dick, Harry en Josephine. Plotseling was iedereen begaan met hun heftige wederwaardigheden.

    Als ik nauwkeurig keek, kon ik mannetjes die hadden gebaard herkennen aan hun zwangerschapsstrepen

    De groep leende zich uitstekend om te begrijpen hoe de voortplanting bij dwergzeepaardjes in z’n werk gaat. Er waren drie mannetjes en maar één vrouwtje in de groep die ik in de gaten hield, dus wanneer er een paar werd gevormd, bleven er twee mannetjes over zonder partner. Het viel niet mee deze paringen goed te bekijken: onderwaterclose-ups bleken hiervoor van essentieel belang. Het lukte me om foto’s te maken van Josephine terwijl haar lichaam zich vulde met eitjes en ook van haar verminderde omvang na de overheveling van haar vrachtje aan een van de mannetjes. Al zijn ze nog geen 2 centimeter, ze zwellen op als ballonnetjes terwijl binnenin een flink stel kleintjes groeit. Als ik nauwkeurig keek, kon ik mannetjes die hadden gebaard herkennen aan hun zwangerschapsstrepen.

    48797294206 8da883face o
    – © Wikipedia

    Naarmate de weken verstreken merkte ik dat Josephine om de zeven dagen een stel eitjes produceerde. Dit kwam overeen met wat ik zag bij de twee grootste mannetjes, Tom en Dick, die iedere veertien dagen om de beurt zwanger werden. Als een van de mannetjes had gebaard, werd hij onmiddellijk weer zwanger en halverwege deze veertiendaagse zwangerschap baarde het andere mannetje en werd op zijn beurt weer zwanger. Kennelijk was Josephine door haar leven in zo’n kleine groep in zo’n vruchtbare biotoop in staat meer eitjes te produceren dan haar grotere neven en nichten. Op de zeewaaier voltrokken paringsrituelen en -dansen zich groepsgewijs en dankzij deze gedragingen kon Josephine haar cycli synchroniseren met die van twee mannetjes. Het derde mannetje, Harry, werd nooit zwanger. Hij was maar 1,4 centimeter lang – veel kleiner dan de andere twee. Misschien leerde hij zo de kneepjes van het vak en wachtte hij gewoon af tot een van de anderen het loodje legde en er een plek voor hem vrijkwam.

    Collectieve minachting

    Mijn tijd met Tom, Dick, Harry en Josephine en tientallen andere wezentjes heeft mijn kijk op het leven diep beïnvloed en mijn ideeën over schaal (en seksualiteit) doen kantelen. We zijn geneigd tot collectieve minachting voor sommige van de allerkleinste wezens op aarde. Ze worden vaak aangeduid als ongedierte en hun leven wordt als minder waardevol beschouwd dan dat van grotere, charismatischere soorten. Maar er is leven ver buiten onze menselijke kaders en zintuiglijke vermogens. Koraalriffen zitten vol met zulke kleine, goed gecamoufleerde wezens. Niet alleen zijn er grote aantallen van deze minisoorten die nog moeten worden ontdekt, maar vermoedelijk kan elk ervan bogen op z’n eigen fascinerende verhalen en gedragingen. In onze haast om soorten te bestuderen die onze aandacht en zorg verdienen, vergeten we vaak de exemplaren aan de rand van onze zintuigelijke horizon.

    De tijd dat ik van dichtbij de paringsrituelen en het seksleven van zeepaardjes filmde, heeft me doen inzien hoe moeilijk en hoe noodzakelijk het is om ons ook in te leven in de kleinere bewoners van onze planeet. Op ditzelfde moment zijn minuscule mannelijke zeepaardjes, amper groter dan een rijstkorrel, op een felroze koraalrif in een verre uithoek van de Stille Oceaan, bezig elkaar te wurgen in de strijd om zwanger te worden.

  • Septembernummer | Sociaal tuinieren

    Septembernummer | Sociaal tuinieren

    » Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Wat zij zeggen over het schandaal rond AZC Ter Apel

    » ‘Waarom ik geen nieuws meer consumeer’

    » Gaan sociale tuiniers de natuur redden?

    De menselijke factor

    Redactioneel

    In navolging van journalist Amanda Ripley wil ik een bekentenis doen. Ik ben ooit bij 360 gaan werken omdat het me de perfecte manier leek om op de hoogte te blijven van wat er in de wereld gebeurt, zonder het nieuws te hoeven volgen – een bezigheid die ik al mijn hele leven mijd. Uiteraard bleek op de redactie, die overwegend uit journalisten bestond, dat van een bepaalde kennis werd uitgegaan, zodat ik alsnog op zoek ging naar manieren om voldoende op de hoogte te zijn van wat er zoal besproken werd. Of van wat er in de berichtgeving ontbrak – waar het bij 360 uiteindelijk om gaat.

    Ripley was wél ooit fanatiek nieuwslezer, maar merkte op een dag dat ze na haar vaste ochtendlectuur ‘sloom, ongemotiveerd’ en ‘uitgeput’ was. Na enige tijd aan zichzelf te hebben getwijfeld, kwam ze tot de conclusie dat er wellicht niks mis was met haar, maar met het product. Haar remedie: een ‘weinig-ego, veel-nieuwsgierigheid’-journalistiek (wat in het Engels catchyer klinkt) die meer is toegesneden op de mens, want, merkt ze op, berichten die steeds maar weer insinueren dat het niet alleen slecht maar ook steeds slechter gaat met de wereld, zijn simpelweg niet geschikt voor ons, en vermoedelijk voor geen enkele andere soort.

    Goed bedreven journalistiek brengt je in contact met andere werelden

    Net zo vond de Deense Synthetische Partij een vorm van politiek uit die meer is toegesneden op de mens, maar paradoxaal genoeg volledig door algoritmes wordt aangestuurd. Die zouden namelijk beter inzicht krijgen in welke politieke opvattingen werkelijk onder de bevolking leven. Het dossier over tuinieren gaat over een menselijker manier van wonen. Het aanplanten van groenten en fruit, zoals steeds vaker in achter- of volkstuintjes wordt gedaan, is niet alleen duurzaam, maar kan ook de gemeenschapszin bevorderen. Dat was bijvoorbeeld de gedachte van de Zuid-Afrikaanse BaNkuna, die groente op de stoep voor zijn huis plantte en daarvoor voor de rechter werd gesleept – een zaak die hij won.

    Hoop is een van de drie ‘eenvoudige ingrediënten’ die Ripley na haar zoektocht formuleert voor een draaglijker soort nieuws. Toch hoeft het niet altijd om goed nieuws te gaan. Goed bedreven journalistiek brengt je in contact met andere werelden, zoals die waarin het het mannetje is dat zwanger wordt, om de haverklap zelfs, en dus zeker weet dat alle nakomelingen van hem zijn, wat blijkbaar invloed heeft op hoe hij zijn kroost behandelt. Maar ook de even bizarre als brute praktijken beschreven in onze Afrika-reportage, gemaakt door het Deense Zetland, waar we sinds de oprichting regelmatig verhalen van overnemen. Met hun missie, ‘het openbaar debat aangaan zonder cynisme en polarisatie’, kunnen ze Ripley ongetwijfeld ook bekoren.

    Laura Weeda

    weeda@360international.nl

    Schermafbeelding 2022 08 31 om 16.35.43 3
  • Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Er is al heel lang een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Tuiniers zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels. Het aanplanten van groente en fruit is niet alleen duurzaam, het kan ook de gemeenschapszin bevorderen.

    In het uiterste noorden van Duitsland leidt midden in het stadscentrum van Kappeln an der Schlei een klein straatje naar een eerder grijze dan groene idylle. Een kille stilte hangt over verlepte hortensiastruiken en kale fruitbomen, over afgeoogste tuinbedden en leeggehaalde kassen. Alles wacht hier op het voorjaar, als het eindelijk weer kiemt, geurt en zoemt. Alles wacht op het moment dat hier weer gewerkt kan worden aan een betere toekomst.

    Een betere toekomst? Het idee dat tuinders een avant-garde zouden kunnen zijn en hun voorjaarsplannen relevant voor het landelijk beleid, lijkt op zo’n braaf volkstuincomplex op het eerste oog nogal vergezocht. Maar over volkstuintjes kan ook groot worden gedacht. Zo kan het samen bezig zijn sociale verdeeldheid tegengaan. Je leert er niet alleen met anderen tot democratische besluitvorming komen maar je leert ook de natuur kennen en de gevaren die haar bedreigen. Insecten en vogels vinden er hun leefgebied, bomen gaan met hun microklimatologische koeling de dreigende opwarming van de aarde tegen. En je kunt zelfs nog groter denken: de beheerders van kleine en ook grotere tuinen kunnen met zaaigoed en nieuwe inzichten bijdragen aan een duurzame landbouw. Zelfs bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) spreken experts al van een nieuwe, door tuinders geïnspireerde landbouwrevolutie.

    Spitten voor utopia: al heel lang is er een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Iedereen die weleens in hobby-, school- en kasteeltuinen komt, die met landbouwwetenschappers, historici, beheerders van stadsparken, directeuren van milieuorganisaties, boeren, pedagogen en ontwikkelingsexperts praat, weet het. Zij zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels: tuinders aller landen, verenigt u!

    De omheinde tuinkabouterparadijzen werden decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken

    Op het complex in Kappeln weten ze al heel lang dat het aanplanten van groente en fruit de gemeenschapszin kan bevorderen. Het volkstuincomplex was 207 jaar geleden wat we tegenwoordig een sociale innovatie zouden noemen. De dominee van het stadje stelde toen aan enkele verpauperde gezinnen een stuk grond ter beschikking op het terrein van de kerk, vertelt verenigingsvoorzitter Frank Unterspann. Omdat dat stuk collectief beheerd en de pacht gezamenlijk opgebracht diende te worden, sommeerde de dominee de toekomstige gebruikers om woordvoerders te kiezen en stelde hij een overeenkomstig contract op. Duitslands oudste moestuinvereniging was een feit, en daarmee een waarborg tegen al te grote nood.

    Inmiddels kent Duitsland 13.500 van zulke verenigingen, met in totaal bijna 900.000 leden. Tegenwoordig streven die niet meer naar voedselzekerheid, maar ‘zoekt iedereen er zijn eigen kleine beetje rust’, zoals Frank Unterspann dat noemt. Dansen in de meimaand, grillen en barbecueën: vanwege zulk soort rituelen werden de omheinde tuinkabouterparadijzen decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken.

    Verandering

    Maar dat er iets aan het veranderen is valt ook te lezen in de welig tierende, rijk geïllustreerde tuinliteratuur. Steeds vaker houden de schrijvers daarvan zich bezig met een ‘humusrevolutie’ of met ‘klimaatbeschermingsbedden’ die ‘toekomstbestendig’ moeten zijn. Naast strakke coniferen moeten er volop permaculturen, compost en terra preta te vinden zijn. In verenigingskantines wordt fel gediscussieerd over de vraag of chemische bestrijdingsmiddelen zijn toegestaan en geven de mensen elkaar tips over hoe het in de praktijk ook zonder kan. Ook in Kappeln hebben leden van het eerste uur geen Nackensteak en Rostbratwurst meer op hun grill liggen maar paprika en halloumi, en leveren ze met zakjes zaad, schoffel en gieter een bijdrage aan de oplossing van grote wereldproblemen.

    Dat die wereldwijde problemen ook gevolgen hebben voor de tuinen, horen we van Sven Hannemann. Hij is parkbeheerder bij slot Sanssouci in Potsdam. In de hete zomers die ons te wachten staan moeten we onze bloemperken misschien wel laten verpieteren, zegt hij, anders zal er niet voldoende water zijn om alle bomen naar behoefte te beregenen. Daarvoor werden ook oude tappunten weer uitgegraven.

    Honderden bomen hebben in de voorbije drie droge jaren schade opgelopen. Sven Hannemann houdt stil bij een eik die wortel schoot ten tijde van de Dertigjarige Oorlog. Hij schrikt bij de aanblik van de diepe groeven die een schadelijk insect in de schors heeft gemaakt: ‘Als het niet zo droog was geweest, zou de boom zich hebben kunnen verdedigen,’ zegt de parkbeheerder bezorgd. ‘Nu zal hij waarschijnlijk niet lang meer te leven hebben.’

    Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden?

    Wandelend door de lanen en velden van zijn slotpark wijst Hannemann nu eens links op rode beuken met te lichte kronen, dan weer rechts op sparren met bruine takken, en vóór zich op boomgroepen waarin bepaalde exemplaren gekortwiekt moeten worden. Zulke decimeringen slaan harde wonden in de door tuinarchitecten als Peter Joseph Lenné zo weloverwogen vormgegeven landschappen en zichtassen.

    Daarom maken de tuinarchitecten van het Fürstlich Greizer-park en het Slotpark Nymphenburg zich al net zoveel zorgen als hun collega’s in Potsdam. Hoelang kunnen zij hun taak om de monumentale tuinarchitectuur voor het nageslacht te bewaren nog waarmaken; parken die de uiteenlopende machtsconcepten en natuurfilosofieën van afgelopen eeuwen vertegenwoordigen? Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden, waaronder in februari de winterakonieten en in het voorjaar de lelietjes-van-dalen ontspruiten; de loofrijke velden, sloten, kunstmatige meren en met riet begroeide oeverzones, waar duizenden uit kaalgeslagen landbouwgrond verdreven organismen beschutting vinden?

    Ook om die reden zijn de historische tuinen uitgegroeid tot een proeftuin voor klimaataanpassing en soortenbescherming. Zo trekt in het EU-onderzoeksproject I-React (Bescherming cultuurgoederen tegen extreme weersomstandigheden en vergroting van hun weerbaarheid) de Stichting Pruisische Paleizen en Tuinen Berlin-Brandenburg samen op met verschillende Fraunhofer-Instituten en het Climate Service Center in Geesthacht. Geodata en weersimulaties moeten uitwijzen welk risico op schade bomen de komende jaren lopen als gevolg van dreigende stortregens en stormen.

    ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen’

    De Potsdammers zetten nu boomkwekerijen op waar klimaatbestendiger inheemse soorten worden getest. Of ze gaan doelbewuster om met groenafval. Sven Hannemann houdt stil bij een groep jonge bomen die dreigde te verdrogen en daarom verplant werd naar een natter stuk in het park. Ze staan nu in een dikke laag compost: ‘Zo stimuleren we plant-schimmelsymbiosen en bouwen we bewuster nieuwe humus op.’

    Over hun problemen hebben de parkbeheerders niet alleen contact met wetenschappers maar ook met veel volkstuinders die nog oude soorten kweken en met bodembiologie experimenteren. Of profiteren zij van de ecosysteemkennis bij herders. Hun kuddes zien we nu vaker met zachte, groeibevorderende tred over de ooit vorstelijke weiden trekken. Vrijwilligers bij het onderbemande parkbeheer verzamelen takken die na een storm overal op de gazons liggen. Zij maken net zo goed deel uit van de nieuwe tuinbeweging – en sinds kort zelfs schoolkinderen.

    Vlak naast de Koninklijke Hofkwekerij van Sanssouci ligt een groot gezamenlijk moestuinbed. De groep die het heeft aangelegd noemt zich simpelweg Acker (akker). Het idee komt van landbouwwetenschapper Christoph Schmitz. Hij zag in hoe belangrijk en hoe miskend de tuin is als plek om te leren. In GemüseAckerdemien (groente-‘akkerdemieën’) zoals hier in Potsdam of in Indoor-Gemüseklassen (indoorgroentelessen), waarbij de gewassen in de school zelf ontspruiten, brengen zogeheten AckerCoaches onderwijzers en leerlingen bij hoe ze snijbiet en spinazie, Chinese kool en koolrabi, citroenmelisse en salie kunnen kweken. Landelijk adviseren ze bijna vijfhonderd scholen en kinderdagverblijven. Dankzij deze impuls zijn er veel nieuwe schooltuinen aangelegd. Ze bieden hoop op een generatie voor wie duurzaamheid een vanzelfsprekendheid is. ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen,’ zegt Christoph Schmitz vol overtuiging.

    ‘Guerrilla gardeners’

    Want als stadskinderen kennismaken met tuinieren, groeien naast nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen en zelfbewustzijn ook andere deugden voor een tijd van schaarse hulpbronnen: kennis van planten- en diersoorten, van bodemleven en gezonde voeding. Plezier in experimenteren. Waardering voor voedsel. Respect voor de onomstotelijke wetten en grenzen van de natuur, voor dood en ontkiemend leven, voor kringlopen. En voor langetermijndenken: ‘Ik kan het u allemaal aanraden: word tuinder,’ schreef de Amerikaanse zaadgoedkweker en minister van Landbouw Henry A. Wallace in de jaren dertig. ‘Dan zult u nooit sterven want u moet wel blijven leven om te zien wat er komend jaar gebeurt.’

    Zeker sinds de ontsteltenis over het verdwijnen van de bij leggen ook steeds meer volwassen stedelingen een tuinbed aan; en dat niet alleen op hun balkon of in hun voortuin. Ze gebruiken groenstroken of een braakliggend terrein in de stad. Een van de allereersten waren de revolutionaire guerrilla gardeners. Zij dropten zaadbommen, waaruit tussen het grijs van de stad kleurige bloeimengsels ontsproten. Zonder daarvoor toestemming te hebben plantten ze gewoon groenten, bloemen en struiken aan op elke plek langs de straat waar het asfalt ook maar verwijderd kon worden. Hoeveel gezamenlijke, huur-, wijk- en andere tuinen zijn er sindsdien als moderne volkstuinvarianten in stadswijken ontstaan? ‘Tot nu toe is dat niet precies vastgelegd,’ zegt Verena Exner van de Duitse Federale Milieustichting (DBU). ‘Maar we zien een duidelijk groeiende belangstelling.’

    De DBU zal het weten, ze heeft de tuinbeweging die volgens Exner ‘tal van facetten’ heeft, de wind in de rug gegeven. Naast een project met historische tuinen promoot zij overal in het land ook andere modellen zoals initiatieven voor het beplanten van daken en gevels, experimenten met ‘microlandbouw’ in een stedelijke omgeving of hulp aan kleine ondernemers om de biodiversiteit van hun groen te vergroten.

    Tuinieren biedt ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen

    Stadstuinders willen vooral buiten bezig zijn en gezond eten. Maar van het Tempelhofer Feld in Berlijn tot aan de Osnabrücker ‘vredestuinen’, van de Keulse Veedelsgarten tot aan het Münchense o’pflanzt is! biedt tuinieren ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen, zegt Exner. Daarbij gaat het er niet altijd zonder spanningen aan toe, maar in ieder geval ontstaat er over de notoire bubbels heen een publieke ruimte.

    ‘Crises maken de sociale verbeelding los,’ schrijft publicist Mathias Greffrath in een essay over utopieën. Tuinprojecten onder de paraplu van ‘voedseltafels’ zijn zodoende ook in contact gekomen met andere groepen. Zo’n vijfenveertig van zulke initiatieven willen al een ‘eetbare stad’ creëren of een ‘klimaatvriendelijk en sociaal rechtvaardig voedselsysteem’ opzetten.

    Iets soortgelijks gebeurt ook elders in de wereld. In New York of Lagos moet urban gardening ervoor zorgen dat arme mensen gezond te eten krijgen, net als twee eeuwen terug in Kappeln. In het Indiase Kerala willen politici daktuinen omdat veel burgers bang zijn voor giftige pesticiden uit de grootschalige groenteteelt. Hier komen we op een terrein waar de tuinbeweging misschien wel haar grootste effect sorteert: de landbouw. Op veel plaatsen baant een paradigmawisseling zich al een weg.

    Verzilte, uitdrogende, eroderende grond en overbemest oppervlaktewater, het verdwijnen van soorten en variëteiten, een gigantisch energieverbruik, hoge CO2– en methaanemissies: wereldwijd zijn de verwoestende langetermijngevolgen van de inzet van landbouwchemicaliën in monoculturen en de verergering van die problemen als gevolg van klimaatverandering duidelijk zichtbaar. In de strijd tegen deze bedreiging van ons bestaan kan het diversiteitsprincipe van de tuin belangrijke impulsen geven ‘om de planeet voor mensen bewoonbaar te houden’, schrijft Jürgen Renn.

    In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’

    Deze wetenschapshistoricus zet momenteel een Max Planck Instituut voor Geo-Antropologie op poten om het antropoceen te bestuderen; het tijdperk waarin de mens als dominant levend wezen macht uitoefent over elke vierkante millimeter grond. In het fossiele tijdperk waren tuinen nog ‘hulpbron, toevlucht en plek van een tegencultuur’ tegenover het gejaagde bestaan van alledag, zegt Renn. Overdag verrichtten mensen vervreemd hun arbeid, ’s avonds spitten zij om tot rust te komen. In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’. Plekken dus die kunnen bijdragen aan herstel van bodem, water en lucht – en dat niet alleen in de volkstuin, maar ook op landbouwgrond. De wetenschapper hoopt op een omwenteling, zoals de neolithische revolutie die voor de landbouw heeft gebracht.

    Een herculestaak! Maar veel bedrijven experimenteren hier al mee. Ze verbouwen minder graan- en marktgewassen en vervangen deze door allerlei soorten peulvruchten en groenten, fruit- en notenbomen, bessen of andere struiken. Hoe geraffineerder de samenstelling van zo’n agro-ecologisch gemengd fruit- en boslandbouwsysteem, hoe beter ter plekke specifieke planten elkaar van schaduw en water kunnen voorzien, elkaar op natuurlijke wijze bemesten en beschermen tegen schadelijke insecten. De diversiteit in akkerbouw zorgt vervolgens ook nog voor diversiteit aan organismen op en in de grond.

    Zulk afzien van landbouwchemicaliën is arbeidsintensiever dan de conventionele landbouw, de technologieën ervoor moeten eerst nog worden ontwikkeld en tot nog toe betaalt alle moeite zich nauwelijks uit. Europese boeren die grote oppervlakten intensief bewerken, zouden een begin kunnen maken door in plaats van drie afwisselend zes of acht verschillende producten te telen. Ook kunnen zij bomenrijen op hun akkers planten. In de rendabeler groente- en fruitteelt kunnen tomaten en basilicum al op hetzelfde veld groeien, wijnranken kunnen zich rond appelbomen slingeren en bonen om maïsstengels, die het goed doen naast aardappelen.

    Voor armere landen, waar de meeste boeren van één of twee hectare voornamelijk hun eigen gezin voeden en slechts een deel van hun producten lokaal op de markt brengen, zijn complexere diversiteitssystemen daarentegen nu al kansrijk.

    Andhra Pradesh

    Zo wil Andhra Pradesh, een van de grootste deelstaten van India, stap voor stap voor alle boeren soortenrijke akkers met verschillende niveaus invoeren. In het beste geval groeien daar dan palmbomen met daaronder mango’s en papaja’s, en een niveau lager mais, kalebassen, yams, kurkuma, sperziebonen en andere groenten. Moringabomen en linzen zorgen voor de stikstof die planten nodig hebben om te groeien. Chili en ui verdrijven schadelijke insecten. Een eigen brouwsel van rundveemest, mineralen en planten zorgt voor vruchtbare grond.

    Een ander voorbeeld is Tsjaad. De Sahel wordt steeds droger, veel velden leveren nauwelijks nog iets op en arme boeren zijn afhankelijk van duur importvoedsel uit Libië. Om ze daar minder afhankelijk van te maken blaast men nu een oeroude vergeten teelt nieuw leven in. Dadelpalmen moeten zowel voor vruchten zorgen als voor bouwmateriaal in de vorm van hout en vezels. In de schaduw van deze bomen worden granaatappels en sinaasappels geplant, tomaten en bladgroenten, geneeskruiden en specerijgewassen. In dit project werken tuinders uit Noord-Afrikaanse oaseculturen samen met landbouwwetenschappers uit Bayreuth. De bijdrage van deze wetenschappers bestaat uit de levering van druppelsystemen voor irrigatie die gevoed worden door pompen op zonne-energie.

    Dit soort projecten kunnen vaak relatief snel de opbrengsten vergroten. Als een natuurramp een deel van de oogst ruïneert, zijn er altijd nog andere planten over om zelf te eten of te verkopen. Met de kwaliteit van het voedsel verbetert tevens de ‘planetaire gezondheid’, zoals dat in het jargon van de Verenigde Naties heet.

    Zal de wereld dan binnenkort echt opbloeien? Of is dit gewoon een door stedelingen gedroomde utopie? In feite fungeerde de tuin vaak genoeg als projectiescherm voor dromen. Dat begon niet pas met het verlangen van escapistische romantici die in ‘tuinen die over rotsen heen / in schemerende priëlen verwilderen’ (Eichendorff) het vuil van de vroeg-industriële samenleving ontvluchtten. Nazi’s projecteerden op de moestuin hun sociaal-darwinistische uitsluitingsslogans. Marxisten streefden naar een wetenschappelijk onderbouwde controle over de natuur met behulp van technologie. In dat opzicht verschilde het socialistische blok in elk geval niet heel veel van de kapitalistische klassenvijand. Die verdreef pas echt elk kruidje uit het veld. Bij een blik erwten voor 19 cent heeft elke peul uit eigen teelt het nakijken.

    Tuinen én wildernis

    Maar met de ecologische crises faalt nu ook de kapitalistische utopie van de grenzeloze groei die de agrarische concerns en investeerders een tijdlang op kosten van de natuur in de schoot geworpen kregen. Daarom groeit het verlangen naar een nieuwe visie met inbegrip van concrete verwachtingen en praktische stappen om de ecologische crises te overwinnen – die dan niet meer zo volkomen verlammend lijken. Naar een nieuwe, toch al redelijk concrete paradijsutopie van diversiteit op kleine schaal. Bedenkingen daartegen komen van natuurbeschermers: het Paradijs in de Bijbelse metafoor is nu juist niet door de mens ontworpen. In plaats van meer tuinen zou er vooral meer wildernis moeten zijn. Meer onbebouwde grond voor – al naar gelang – goddelijke of ‘ongerepte’ natuur.

    Max Planck-onderzoeker Jürgen Renn is zo’n man met bezwaren: door zich over de hele wereld te vestigen, door de aarde uit te putten en technologisch te transformeren heeft de mens allang een nieuwe aardatmosfeer gecreëerd die ‘haar natuurlijkheid verloren’ heeft en waarbij ‘de planeet zelf tot tuin gemaakt’ is.

    En dus moet de machtigste soort, de mens, allebei herscheppen: tuin én wildernis.

    Over één punt zijn alle betrokkenen bij de opkomende tuinbeweging het eens: ze moet steun krijgen vanuit de politiek. Daar zijn veel ideeën over. Zo kan een jaarlijks door de minister van Landbouw uit te brengen verslag met betrekking tot de staat van historische parken en stadsplantsoenen (vergelijkbaar met het Waldbericht van de Duitse regering), publiek de aandacht trekken, schade voorkomen en initiatieven aanmoedigen.

    In Hamburg hebben gemeente, wijkbesturen en ondernemingen zich ondanks de bevolkingsgroei en de bouwhausse contractueel verplicht tot behoud van het stedelijk groen. Düsseldorf heeft een soortenbeschermingsfunctionaris aangesteld, een speciaal contactpunt dat groepen die een stedelijk tuinproject willen opzetten helpt op hun weg door de stedelijke bureaucratie. En natuurlijk helpt geld ook. De federale overheid heeft haar subsidiepot vorig jaar al verdrievoudigd van 300 miljoen euro naar 900 miljoen euro. Het Bundesverband Garten-, Landschafts- und Sportplatzbau vraagt daarbovenop een ‘groen miljard’ voor meer stedelijk groen en klimaatbescherming via het herinrichten van parken.

    Geld helpt om meer deskundig parkpersoneel aan te stellen nu als gevolg van de opwarming van de aarde sterkere onderhoudsinspanningen vereist zijn. Er is ook geld nodig voor onderzoek naar agro-ecologische teeltwijzen – wereldwijd. En met geld zou de landbouwsteun van de EU welbewust de diversiteitslandbouw en de ontwikkeling van een markt hiervoor moeten bevorderen.

    Want eigenlijk is het heel simpel. Decennialang hebben we het landschap kaalgeslagen – nu moeten we het weer inrichten.

  • Aanhoudende droogte leidt tot uitzonderlijk slechte oogsten in Italië

    Aanhoudende droogte leidt tot uitzonderlijk slechte oogsten in Italië

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Bibliotheken Oklahoma verboden om informatie over abortus te verstrekken

    » Lange rijen aan grens dreigen ‘nieuwe normaal’ te worden voor Britse vakantiegangers

    Droogte funest voor oogsten in Italië

    Door de aanhoudende droogte in Italië vallen de oogsten dit jaar bijzonder slecht uit, zegt de Italiaanse landbouworganisatie Coldiretti. De productie van mais en gewassen voor diervoeder ging met 45 procent omlaag, terwijl de opbrengsten van rijst en tarwe met 30 procent en de fruitopbrengst met 15 procent terugliepen, meldt ANSA. De melkproductie is met 20 procent gedaald doordat de koeien gestrest zijn door de extreme hitte.

    Door watergebrek in de Po-delta is een vijfde van de kweek van mosselen en spiering gestorven

    Door watergebrek in de Po-delta is een vijfde van de kweek van mosselen en spiering gestorven. ‘Er moeten noodmaatregelen komen voor het redden van de oogsten van landbouwbedrijven die in ernstige moeilijkheden verkeren,’ aldus Ettore Prandini, voorzitter van Coldiretti.

    Extreme weersomstandigheden, zoals de hittegolven die delen van Europa teisteren, zullen volgens wetenschappers steeds frequenter voorkomen. 

    Lees ook:

  • Inheemse bewoners leren met gps hun reservaat te bewaken

    Inheemse bewoners leren met gps hun reservaat te bewaken

    Door de aanwezigheid van mijnbouwbronnen en een overvloed aan vis wordt de Braziliaanse Javari-vallei steeds vaker bedreigd door gewapende stropers die erop uit zijn de rijkdommen te plunderen.

    Dit artikel stamt uit 2018; het wordt opnieuw gepubliceerd ter herinnering aan een van de auteurs, Dom Phillips, die in juni 2022 werd vermoord vanwege zijn betrokkenheid bij bedreigde inheemse volken van de Amazone.

    Luister dit artikel:

    Francisco Lima zit in een houten wachttoren en knipt een zoeklicht aan en uit terwijl hij de donkere rivier afspeurt. Hij kamt het gebied uit op eventuele commerciële vissers die de rivieren plunderen in de Javari-vallei, een afgelegen inheems reservaat aan de Braziliaanse grens met Peru.

    Zijn wachttoren biedt uitzicht over de rivieren die uitmonden in dit reservaat, waar zesduizend mensen uit acht verschillende stammen wonen, elk met hun eigen taal en gebruiken. Dit gebied kent de hoogste concentratie van zogenoemde geïsoleerde inheemse groepen ter wereld. Naast de inheemse bevolking mogen alleen geautoriseerde bezoekers het reservaat betreden, maar het 12V-lampje dat de 55-jarige Lima gebruikt kan indringers maar moeilijk tegenhouden.

    In het kort

    • Illegale vissers en stropers bedreigen het bestaan van de inheemse bevolking in de Javari-vallei.

    • Gouddelvers vervuilen de rivieren met kwik. Er wordt gejaagd op beschermde diersoorten, zoals schildpadden.

    • Mensen die het reservaat binnendringen, moeten zwaarder worden gestraft, en er is meer geld nodig om het reservaat te beschermen.

    ‘Er is een kortere route,’ zegt hij, terwijl hij ergens in het halfduister een waterweg aanwijst die om de haven loopt. De haven is in het bezit van Funai, de Braziliaanse overheidsdienst voor de bescherming van de inheemse bevolking. De vissers laten hun kano’s vollopen, zegt Lima, dompelen zich onder en kunnen zo stilletjes de straal van het zoeklicht ontlopen.

    Warrige schoonheid

    Dit groepje houten hutten dat op palen boven de rivier uitsteekt, is een van de vier Funai-bases in de Javari-vallei. De vallei is een wildernis van dichte bossen, steile ravijnen en kronkelende rivieren, zonder wegen of mobieletelefoonnetwerken – en zonder politie. In de rivieren van Javari liggen anaconda’s en alligators op de loer; slangen, jaguars en schorpioenen zwerven door de bossen, apen krijsen in de bomen. Het is van een weelderige, warrige schoonheid die nog onbezoedeld is door menselijk ingrijpen.

    ANP 440182102
    Alleen de inheemse bevolking heeft toegang tot het reservaat in de Braziliaanse Javari-vallei, sinds 1998 de thuisbasis van zesduizend mensen uit acht verschillende stammen. Het bestaan van de isolados, zoals ze genoemd worden, wordt bedreigd door de zwaar vervuilende gouddelvers, veeboeren en commerciële vissers die zich tot diep in het hart van het gebied wagen. © Gary Calton / eyevine

    Gedurende meer dan tien jaar nadat het reservaat in 1998 werd opgericht, behoorden de zestien geïsoleerde inheemse stammen tot de best beschermde in Brazilië. Maar vandaag de dag wordt het reservaat op meerdere fronten binnengedrongen, waardoor de geïsoleerde groepen, die met pijl en boog of met blaaspijpen jagen en contact met de moderne samenleving vermijden, gevaar lopen. Contact met buitenstaanders kan dodelijk voor hen zijn, omdat zij geen immuniteit hebben opgebouwd tegen ziekten zoals griep.

    ‘De kwetsbaarheid van deze volkeren neemt toe. Er is geen effectieve bescherming’

    ‘De kwetsbaarheid van deze volkeren neemt toe,’ vertelde Beto Marubo, een inheemse leider in Javari, in april aan het Permanente Forum over Inheemse Aangelegenheden van de Verenigde Naties in New York. ‘Er is geen effectieve bescherming.’

    Inheemse leiders en medewerkers van Funai zeggen dat de conservatieve regering van president Michel Temer het instituut opzettelijk van middelen berooft, zodat ze de machtige lobby van de agro-industrie tevreden kan stellen. ‘Temer wil een einde maken aan inheemse gebieden,’ zegt João Gomes Kanamari, 49 jaar oud en stamlid van de Kanamari. ‘We hebben veel hout. We hebben veel goud en mijnbouwbronnen.’

    Op de Funai-basis in Atalaia do Norte, de stad die het dichtst bij het reservaat ligt, zijn de telefoons afgesloten en werkt het internet niet meer. Contracten voor brandstof en andere goederen worden opgezegd en het gerucht gaat dat de basis binnenkort wordt gesloten. ‘Als je het systeem verzwakt, werkt het niet,’ zegt Bruno Pereira, een medewerker van Funai die met geïsoleerde en voormalig geïsoleerde inheemse mensen in het reservaat werkt.

    Schildpadden

    Diep in de Javari-vallei kunnen vissers tot een halve ton pirarucu [een zoetwatervis] en zevenhonderd schildpadden vangen op een enkele tocht. Allebei zijn het beschermde diersoorten. Ook jagen ze op het land, waardoor geïsoleerde bevolkingsgroepen worden beroofd van waardevolle voedselbronnen.

    In de oostelijke regio’s van het land vervuilen illegale gouddelvers rivieren met kwik. Veeboeren rukken op vanuit het zuiden. In de buurt van de noordelijke grenzen worden drugs getransporteerd over de rivier de Solimões – afgelopen oktober werd na een schietpartij 776 kilo cocaïne in beslag genomen.

    De Unie van Inheemse Volken van de Javari-vallei heeft de Noorse regering om financiële steun gevraagd. ‘De invasies reiken tot gebieden waar de geïsoleerde groepen leven,’ zegt Paulo da Silva, de coördinator. ‘Maar onze handen zijn gebonden, we kunnen er niets tegen doen.’

    ANP 440181802 1
    – Expeditieleider Bruno Pereira en zijn team in de buurt van Rio Novo. © Gary Calton / Eyevine

    Op uitnodiging van zijn organisatie reisden verslaggevers van The Guardian met een Funai-team en inheemse bewoners in een open boot naar dorpen diep in Javari. Daarna trokken ze het bos in om de bewegingen van een geïsoleerde groep te volgen – wat neerkwam op een reis van zo’n 1020 kilometer. Het team onderzocht meldingen door de Marubo, die dicht bij het kleine, afgelegen gehucht São Joaquim een geïsoleerde stam hadden gezien.

    ‘Ze weten niet dat Funai en vissers verschillende groepen mensen zijn – voor hen is het één pot nat’

    Net buiten het reservaat vestigt Bruno Pereira, die de expeditie leidt, de aandacht op een ploeg commerciële vissers. Drie houten boten en een groep kano’s liggen afgemeerd in het water naast een groen, cirkelvormig net om pasgeboren arowana’s [vissen] mee te vangen, die als huisdier worden verhandeld.

    Vissers bedreigen de Korubo-stam, die diep in het reservaat woont, in het dorpje Vuku Maë aan de rivier. Naakt, ingesmeerd met het rode sap van urucumzaden of gekleed in kleine flarden stof zitten ze op boomstammen onder een rieten dak, terwijl om hen heen kinderen en kleine aapjes rondscharrelen. Ze vertellen dat het aantal invallen toeneemt. Die ochtend nog hebben vier vissers boven de hoofden van drie Korubo-kinderen waarschuwingsschoten gelost om ze weg te jagen. ‘We maken ons veel zorgen over hoe we kunnen vissen,’ zegt Txitxopi, een dorpshoofd. ‘We zijn bang.’

    Xuxu Korubo weet hoe kwetsbaar geïsoleerde inheemse mensen zijn: zelf leefde hij in het wild in het bos tot 2015, toen er contact ontstond met zijn groep. ‘Er waren veel gevechten met vissers,’ zegt Xuxu. Hij maakt zich zorgen om zijn drie broers, die nog steeds in het bos wonen met een andere geïsoleerde groep. ‘Ze weten niet dat Funai en vissers verschillende groepen mensen zijn – voor hen is het één pot nat.’

    Patrouilles

    De bossen van Javari krioelden voorheen van de houtkappers en kolonisten, maar buitenstaanders werden verdreven toen het gebied in 1998 een inheems reservaat werd. Internationaal geld maakte het voor Funai mogelijk om regelmatig patrouilles uit te voeren, maar die zijn grotendeels stopgezet.

    Afgelopen december nam een Funai-team zevenhonderd schildpadden en een halve ton pirarucu van een vissersploeg in beslag. Dat was mogelijk door de samenwerking met de plaatselijke politie – een uitzonderlijke gebeurtenis. Maar terwijl ze de vangst in beslag namen, voeren er alweer andere visserskano’s voorbij, zegt Gustavo de Souza, de plaatselijke coördinator van Funai. Het ontbreekt hem aan personeel en middelen om het gebied te bewaken, vertelt hij. Enkele maanden geleden werd een Funai-team beschoten door een andere groep vissers. Medewerkers van het instituut zijn doorgaans niet gewapend en er zijn geen duidelijke regels opgesteld om eventuele arrestaties te verrichten. ‘Het is gevaarlijk om achter vissers of jagers aan te gaan die gewapend zijn en werken in teams van zes,’ zegt De Souza.

    De budgetten van Funai slonken al voordat president Temer in 2016 aantrad. Hij decimeerde wat er nog van over was en zette de afbakening van nieuwe reservaten stop. Het budget waarmee Funai het inheemse land, dat 13 procent van het Braziliaanse grondgebied beslaat, moet beschermen en nieuwe gebieden moet afbakenen, bedroeg vorig jaar slechts 3,8 miljoen Britse pond, minder dan een derde van wat er in 2013 voor was uitgetrokken. Daarvan was slechts 380.000 pond opzijgezet voor de bescherming van de Javari-vallei. Daartegenover gaf Brazilië in 2017 60 miljoen pond uit aan huisvestingstoelagen voor goedbetaalde rechters, zelfs voor rechters in het bezit van een eigen huis. ‘Er is een politieke groep in Brazilië die Funai wil verzwakken,’ zegt De Souza, ‘om deze gebieden makkelijker te kunnen uitbuiten.’

    Veel vis

    Er is weinig begrip voor dergelijke zorgen in Atalaia do Norte. Volgens Roberto da Costa, 47 jaar en voorzitter van de plaatselijke vissersvereniging, komt dat doordat het reservaat te groot is. ‘Het is veel land voor weinig inheemse mensen,’ zegt hij, en hij voegt eraan toe dat de visserij een van de weinige inkomstenbronnen is in deze verarmde regio. ‘Soms betreden [de vissers] het land van de inheemse bevolking omdat ze wel moeten, omdat het nodig is voor hun familie,’ zegt hij. ‘Er zit daar veel vis.’

    ANP 440181724
    – Het team van de Braziliaanse overheidsdienst Funai op de Rio Itui, op zoek naar illegale vissers of houtkappers. © Gary Calton / Eyevine

    Op de vismarkt in Leticia, net over de Colombiaanse grens, verkopen marktkramers openlijk pirarucu. Ze zeggen erbij dat de vis uit Brazilië komt, waar die legaal alleen in kwekerijen gevangen mag worden, en geven het mobiele nummer van een man die levende baby-arowana’s te koop aanbiedt voor 50 Britse pence per stuk. Een mannetjesvis kan er wel tweehonderd in zijn bek houden.

    ‘Veel vissers vallen binnen en nemen onze rijkdommen mee’

    Op een bijeenkomst in het houten schoolgebouw van het dorp Rio Novo, diep in het reservaat, spreken Marubo-bewoners hun woede en frustratie uit over het falen van het instituut om te voorkomen dat vissers hun gebied binnendringen. Ook uiten ze hun zorgen over in isolatie wonende ‘familieleden’, zoals ze hen noemen. ‘Veel vissers vallen binnen en nemen onze rijkdommen mee,’ aldus Alderney Marubo van 45, de dorpsonderwijzer. ‘We willen toezicht houden op onze eigen rivieren.’ Zijn broer Daniel, 50 jaar en werkzaam bij de kliniek, vraagt om die reden om een boot met buitenboordmotor. ‘Het is ons land,’ zegt hij.

    Volgens Bruno Pereira zouden inheemse bewoners die over gps beschikken en geschoold zijn in landbeheer veel meer kunnen doen – zoals ook gebeurt in andere Amazonestaten als Pará, waar leden van de Munduruku-stam hun eigen land in kaart hebben gebracht om druk uit te oefenen op een vastgelopen demarcatieproces. ‘We moeten hun meer macht geven,’ aldus Pereira. Hij is voorstander van meer samenwerking tussen Funai, de politie en het Braziliaanse milieu-instituut. Ook wil hij zwaardere straffen zien voor mensen die het reservaat binnendringen, en meer geld om het reservaat te beschermen.

    Paulo da Silva van de Unie van Inheemse Volken zegt dat de mensen van de Javari-vallei een actievere rol moeten gaan spelen in het beheer van hun eigen gebied. Hij vertelt dat 36 inheemse bewoners onlangs een tiendaagse workshop van een non-profitorganisatie hebben bijgewoond. Daar leerden ze hoe ze gps en andere cartografische instrumenten kunnen gebruiken en hoorden ze ook hoe inheemse bewoners uit andere gebieden hun land bewaken. Dat was, aldus Da Silva, alvast een begin.

  • Hittegolven zorgen voor ‘eco-angst’ in Frankrijk

    Hittegolven zorgen voor ‘eco-angst’ in Frankrijk

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Saoedi-Arabië stelt luchtruim open voor alle luchtvaartmaatschappijen

    » President Sri Lanka stuurt ontslagbrief naar parlement

    Fransen maken zich grote zorgen om toekomst

    De intensiteit en snelle opeenvolging van hittegolven in Frankrijk veroorzaken ‘eco-angst’ bij de Fransen, schrijft Le Monde. Het Franse dagblad vroeg aan zijn lezers om ervaringen online te plaatsen over de manier waarop zij omgaan met de hitte en wat het met hen doet. Uit de reacties blijkt dat de Fransen zich grote zorgen maken. ‘Hittegolven maken me bang’, schrijven ze. De huidige hittegolf, waarbij het kwik op maandag 18 juli in sommige delen van Frankrijk tot 40°C zal stijgen, vormt hierop geen uitzondering.

    Een van de reacties komt van Nadia (24). De hoge temperaturen wekken bij haar de onaangename indruk dat ze geen controle heeft over de situatie: ‘Weten dat het steeds vaker zal voorkomen en dat het probleem niet serieus wordt genomen, irriteert me enorm.’ Een getuigenis die volgens epidemioloog Alice Desbiolles ‘volledig past in het emotionele en intellectuele spectrum van eco-angst: er is zowel woede als een gevoel van machteloosheid, maar ook bezorgdheid over de situatie’.

    ‘Tegen 2040 zullen hittegolven zoals die van 2019 naar schatting ongeveer vijf keer zo vaak voorkomen’

    De gevoelens van angst verbazen ook klimatoloog Serge Zaka niet. ‘Sinds 1947 is het aantal hittegolven alleen maar toegenomen,’ zegt hij. ‘Vroeger hoorden we alleen voorspellingen, maar nu komen die voorspellingen van de klimatologen uit. Wanneer we dit soort dingen meemaken, ofwel via de televisie of thuis, ontstaat er angst.’

    Klimatoloog Aurélien Ribes van het Nationaal Centrum voor Meteorologisch Onderzoek bevestigt dat de kans op een hittegolf in 2019 door de klimaatverandering minstens vertienvoudigd is. Als er niets verandert, zal de situatie naar verwachting niet keren: ‘Tegen 2040 zullen hittegolven zoals die van 2019 naar schatting ongeveer vijf keer zo vaak voorkomen.’

    Lees ook:

  • Canada: wegwerpplastic vanaf december verboden

    Canada: wegwerpplastic vanaf december verboden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Engeland hoort op 5 september wie Boris Johnson opvolgt als premier

    » VN: steeds meer Oekraïners keren terug naar huis

    Canada verbiedt als eerste land ook uitvoer van plastic

    Canada heeft bekendgemaakt dat er een definitief verbod komt op plastic zakjes, rietjes, verpakkingen voor afhaalmaaltijden en ander wegwerpplastic, meldt The Guardian. ‘Slechts 8 procent van het plastic afval wordt gerecycled,’ aldus de Canadese minister van Volksgezondheid Jean-Yves Duclos. Hij voegde eraan toe dat jaarlijks 43.000 ton plastic voor eenmalig gebruik in het milieu terechtkomt, voornamelijk in waterwegen.

    Het verbod op de productie en invoer van plastic wegwerpzakjes, bestek, rietjes, roerstaafjes, bekertrays en meeneemverpakkingen gaat december dit jaar in en het verbod op de verkoop daarvan een jaar later. Eind 2025 gaat Canada ook de uitvoer verbieden; het is daarmee het eerste land dat dit internationaal doet, volgens een persbericht van de regering.

    In de nieuwe regelgeving ontbreekt een verbod op plastic verpakkingen voor consumptiegoederen – de belangrijkste bron van plastic afval wereldwijd – maar Canada belooft ervoor te zorgen dat alle plastic verpakkingen in 2030 voor zeker de helft uit gerecycleerd materiaal zullen bestaan.

    Lees ook:

  • Kraanwater moet weer cool worden

    Kraanwater moet weer cool worden

    Waarom wordt overal ter wereld water uit flessen gedronken, zelfs in gebieden waar kraanwater betrouwbaar, veilig en bijna gratis is? Antwoord: omdat water uit de kraan niet het gigantische marketingbudget heeft waar multinationals 217 miljard dollar per jaar mee omzetten.

    Het Penrose Recreation Center in het noorden van Philadelphia heeft een nieuwe lik verf gekregen. Na de onthulling afgelopen september zien de omwonenden nu op een van de muren een helblauw portret van een heuse buurtgenote die met een grijns op haar gezicht een slok neemt uit haar navulbare drinkfles. Het is een van de twee muurschilderingen die het drinkwaterbedrijf van Philadelphia heeft laten maken om het plaatselijke kraanwater te promoten, toen aan het licht kwam dat veertig procent van de inwoners thuis uitsluitend flessenwater dronk. Ook bleek dat flessenwater vooral werd gekocht door mensen met een Afro-Amerikaanse of Zuid-Amerikaanse achtergrond en uit de lagere inkomensklasse.

    Dat was een zorgwekkende ontdekking, ‘vooral in een stad als Philadelphia, waar het kraanwater van verbazingwekkend goede kwaliteit is’, zegt Maura Jarvis van het plaatselijke drinkwaterbedrijf. De drinkwatervoorziening in de Verenigde Staten als geheel behoort tot de veiligste ter wereld en het water in Philadelphia voldoet aan de officiële veiligheidsnormen en valt binnen de geadviseerde grenzen voor bepaalde synthetische stoffen waarvoor nog geen regels bestaan. Het drinkwaterbedrijf heeft zich ten doel gesteld het vertrouwen in het plaatselijke kraanwater te herstellen. Maar dat zal niet meevallen.

    ‘Het slaat gewoon nergens op dat de kwetsbaarste gemeenschappen geld spenderen aan iets waarvoor ze niet zouden hoeven betalen’

    ‘We moeten concurreren met een gigantische flessenwaterindustrie die haar status quo wil behouden,’ zegt Jarvis. ‘Maar het slaat gewoon nergens op dat de kwetsbaarste gemeenschappen geld spenderen aan iets waarvoor ze niet zouden hoeven betalen.’

    De flessenwaterindustrie is wereldwijd goed voor een omzet van 217 miljard dollar, een bedrag dat jaarlijks 11 procent stijgt. En van de 29 miljard waterflessen die Amerikanen jaarlijks kopen wordt maar een op de zes gerecycled. De rest heeft duizend jaar nodig om te vergaan, waarbij de nodige vervuilende stoffen in de watersystemen terechtkomen. Volgens het Barcelona Institute for Global Health is de impact van het drinken van flessenwater op onze ecosystemen veertienhonderd keer hoger dan die van kraanwater en zijn er alleen om aan de vraag in de VS te voldoen al zeventien miljoen vaten olie per jaar nodig. Een zaak dus met grote gevolgen voor zowel milieu en volksgezondheid als sociale gelijkheid.

    Maar hoewel we weten dat flessenwater een aanslag is op onze portemonnee, onze gezondheid en onze planeet blijven we het kopen, zelfs in gebieden waar de toevoer van kraanwater betrouwbaar, veilig en bijna gratis is. Dus hoe kunnen we ervoor zorgen dat mensen voor het alternatief kiezen?

    Hoe massaal werd overgestapt op flessenwater

    Het idee om water te bottelen en naar nieuwe bestemmingen te transporteren ontwikkelde zich tot een commercieel fenomeen in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen Perrier agressief reclame begon te maken voor haar flessen bruisend H₂O als een chic, ambitieus alternatief voor kraanwater. In de jaren negentig volgden Coca-Cola en Pepsi, die hun distributienetwerken gebruikten om de markt te overspoelen met hun eigen merken flessenwater.

    Wat er in deze flessen zit is niet per se beter, zoals tests uitwijzen. Maar flessenwater heeft iets heel belangrijks wat kraanwater mist: een gigantisch marketingbudget. Richard Wilk, hoogleraar antropologie aan Indiana University, schreef in 2006 in het Journal of Consumer Culture dat de alomtegenwoordigheid van flessenwater te danken is aan marketeers, of zoals hij het uitdrukt, ‘tovenaars die alledaagse en in overvloed aanwezige zaken in exotische kostbaarheden veranderen’. Tegenwoordig zijn er zelfs chique hotels en restaurants die watersommeliers aanstellen.

    ‘Overal waar ik kom in Duitsland zeggen mensen me dat ze het beste kraanwater van het land hebben’

    Door lyrische verhalen op te hangen over natuurlijke bronnen en hun flessen te versieren met plaatjes van gletsjers en bossen, hebben ze ons ervan overtuigd dat wat zij verkopen gezonder, smakelijker en natuurlijker is dan wat via leidingen ons huis binnenkomt. Die strategie is zo succesvol dat velen zich niet realiseren dat de bron van hun water veelal dezelfde is als die van ons. ‘Deze bedrijven kunnen miljarden dollars aan reclame besteden,’ zegt Wilk. ‘Een staats- of gemeentebestuur dat met zijn beperkte middelen ook nog duizend andere dingen moet doen, kan met geen mogelijkheid op tegen de marketing van een softdrinkbedrijf.’

    Sam Höller werkt voor a tip: tap, een non-profitorganisatie die kraanwater promoot in Duitsland. Hij zegt: ‘Overal waar ik kom in Duitsland zeggen mensen me dat ze het beste kraanwater van het land hebben. Dat is geweldig nieuws, zeg ik dan. Ik ken meer mensen zoals jullie.’ Toch is flessenwater een bloeiende bedrijfstak die aan veel mensen werk biedt, zodat het promoten van een gratis alternatief minder makkelijk is dan je zou denken. Maar a tip: tap doet zijn best. In Berlijn heeft de organisatie sinds 2010 het aantal openbare waterfonteintjes helpen groeien van zestien tot meer dan tweehonderd.

    Hoe de kraan terrein wint

    Langzaam maar zeker worden consumenten zich bewuster van het afval dat flessenwater produceert en stappen ze over op navulbare waterflessen of eisen ze betere verpakkingsalternatieven. Toen Kim Kardashian haar Instagramvolgers in 2020 een rondleiding gaf in haar keuken, zullen ze hebben gezien dat haar koelkast uitsluitend water bevatte van merken die glas of karton als verpakking gebruiken en geen plastic. In 2019 promootte Gwyneth Paltrow gebotteld water van Flow, een B-merk dat recyclebare Tetra Pak-verpakkingen gebruikt.

    PepsiCo verwierf in 2020 voor 3,2 miljard dollar SodaStream, een merk dat van kraanwater bruiswater maakt

    Ook grote bedrijven beginnen zich aan te passen aan de veranderende consumentenvoorkeur. Volgens Euromonitor is de verkoop van flessenwater in Duitsland (de op een na grootste Europese consument van het product) in 2021 met drie procent gedaald. Dit leidde ertoe dat Coca-Cola in 2021 zijn merk Apollinaris uit de Duitse supermarkten haalde, nadat de verkoop van hun segment ‘hydrateringsproducten’ met 11 procent was gedaald. PepsiCo verwierf in 2020 voor 3,2 miljard dollar SodaStream, een merk dat van kraanwater bruiswater maakt. Ondertussen lanceert zowel Danone als Nestlé zijn eigen systeem om thuis kraanwater een smaakje te geven, te laten bruisen en te filteren.

    Maar de Europese campagnegroep Break Free From Plastic klaagt dat de reactie van de grote bedrijven op het plasticprobleem meestal voorbijgaat aan de kern van de zaak. In plaats daarvan besteden ze de meeste energie aan het hypen van onbewezen technieken, het verleggen van de verantwoordelijkheid naar de consument of het simpelweg aankondigen van projecten die nooit zullen worden gerealiseerd. Wat echt nodig is, is een transitie naar nieuwe systemen die zijn gebaseerd op hergebruik, aldus de campagnegroep.

    Hoe de regels worden veranderd

    Vorig jaar heeft de Europese Unie verscheidene plastic items voor eenmalig gebruik in de ban gedaan, maar geen flessen. De VN hebben zich voorgenomen een eind te maken aan de plasticvervuiling, maar een bindende overeenkomst laat nog op zich wachten. Toch is er op plaatselijk niveau al een aantal succesverhalen. In Cape Cod, Massachusetts, heeft de campagnegroep Sustainable Practices actie gevoerd om de verkoop van flessenwater binnen de gemeentegrenzen te verbieden. Negen gemeenten hebben het idee inmiddels overgenomen en toegepast. ‘Flessenwater komt uit een bron in iemands gemeente. Het komt niet van een andere planeet,’ zegt Madhavi Venkatesan, verbonden aan de economische faculteit van Northeastern University in Boston en directeur van Sustainable Practices. ‘Dus zitten er dezelfde vervuilende stoffen in als in je plaatselijke water, maar met een plastic fles vererger je die vervuiling.’

    Het verbieden van plastic flessen is een voortdurende strijd: zo gaat het dorp Sandwich in Massachusetts binnenkort voor de derde keer over de kwestie stemmen, nadat het verbod vorig jaar tot tweemaal toe door de gemeenteraad was goedgekeurd en vervolgens weer verworpen. Volgens Venkatesan maken tegenstanders van het verbod (dat tijdens de laatste campagne 38 van de 300 stemmen tekortkwam) zich vooral zorgen over de gevolgen voor winkeliers of willen ze het gemak behouden van het kopen van flessenwater.

    In 2019 verbood de luchthaven van San Francisco de verkoop van plastic waterflessen voor eenmalig gebruik

    In 2019 verbood de luchthaven van San Francisco de verkoop van plastic waterflessen voor eenmalig gebruik. Voor 95 procent van de in plastic gebottelde waterproducten kon de luchthaven een geschikte alternatieve verpakking bieden. ‘De winstmarge voor onze verkopers is nagenoeg gelijk gebleven,’ zegt Erin Cooke, directeur duurzaamheid van de luchthaven. ‘En we hebben ze de mogelijkheid geboden meer premiumproducten te verkopen, zoals herbruikbare flessen van glas of ander materiaal.’ Om het makkelijker voor consumenten te maken om hun eigen waterfles mee van huis te nemen, heeft de luchthaven honderd navullocaties geïnstalleerd en wordt reizigers meegedeeld dat ze met een lege waterfles moeiteloos door de security komen.

    Waar San Francisco een ongebruikelijk verbod op plastic flessen heeft ingesteld, ondernemen veel andere luchthavens stappen om alternatieven aan te bieden. De luchthaven van Manchester in het VK heeft zich aangesloten bij het landelijke programma Refill, dat mensen met behulp van een app helpt de dichtstbijzijnde plek te vinden om hun fles te vullen.

    Terug naar Philadelphia, waar het drinkwaterbedrijf blijft peilen hoe inwoners over kraanwater denken, om te zien of de boodschap doorkomt. Het is nog te vroeg om de effectiviteit van de campagne te kunnen beoordelen, zegt Maura Jarvis, maar de houding is al een klein beetje positiever geworden. ‘Mensen moeten zelf kiezen wat het beste is voor hun gezin en hun huishouden,’ zegt ze. ‘Maar ik wil niet dat ze voor flessenwater kiezen zonder dat ze de feiten kennen.’

  • Wetenschappers: kameleons kleuren feller in omgeving zonder natuurlijke vijanden

    Wetenschappers: kameleons kleuren feller in omgeving zonder natuurlijke vijanden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VN-onderzoek: Israëlische leger doodde Al Jazeera-journalist Shireen Abu Akleh

    » Pakistan heeft vermoedelijk brein achter aanslagen Mumbai gearresteerd

    Fellere kleuren zijn voorbeeld van snelle evolutie

    Kameleons kleuren feller als ze zich in een omgeving bevinden zonder natuurlijke vijanden. Dat blijkt uit een studie die Science Advances publiceerde en waarvan Daily Maverick melding maakt. De soort die werd onderzocht is de Oost-Afrikaanse driehoornkameleon (Triocerus j. Xantholophus), die in de jaren zeventig per ongeluk op Hawaï terechtkwam.

    De studie laat zien dat de Hawaiiaanse kameleons veel feller gekleurde sociale signalen afgeven dan hun soortgenoten in de oorspronkelijke leefgebieden in Kenia. De oorzaak is de afwezigheid van roofvogels en slangen, die het op kameleons gemunt hebben. De studie noemt dit een voorbeeld van snelle evolutie.

    In het dierenrijk kunnen felle kleuren de aandacht trekken van roofdieren met scherpe ogen

    In het dierenrijk kunnen felle kleuren de aandacht trekken van roofdieren met scherpe ogen. Dat vermindert de overlevingskans en reproductieve geschiktheid. Wanneer vervolgens het voortbestaan van de soort wordt bedreigd, werkt natuurlijke selectie als een rem. De kameleons worden in hun zichtbare delen minder fel gekleurd, terwijl de felle kleuren alleen nog te zien zijn op lichaamsdelen die minder zichtbaar zijn voor roofdieren.

    Omgekeerd zorgen felle kleuren ervoor dat de conditie van de soort beter wordt. Hoe helderder en kleurrijker de mannetjes, hoe aantrekkelijker ze worden voor de vrouwtjes en hoe gemakkelijker ze kunnen winnen van hun rivalen.

    Lees ook:

  • Onderzoek: opwarming van aarde veroorzaakt slaaptekort

    Onderzoek: opwarming van aarde veroorzaakt slaaptekort

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Oekraïense leger verdreven uit centrum van Sjevjerodonetsk

    » Ierse pubs worstelen met personeelstekorten

    Stijgende temperaturen zijn schadelijk voor gezondheid

    Door stijgende temperaturen als gevolg van klimaatverandering wordt de nachtrust van mensen wereldwijd korter, zo blijkt uit de grootste studie naar dit onderwerp tot nu toe, dat aangehaald wordt door The Guardian. Door de opwarming van de aarde stijgen de nachttemperaturen sneller dan die overdag. Naarmate de aarde verder opwarmt zal slaapverlies verder toenemen, maar sommige mensen worden meer getroffen dan andere. Het slaapverlies per graad opwarming is bij vrouwen ongeveer een kwart hoger dan bij mannen, twee keer zo hoog bij vijfenzestigplussers en drie keer zo hoog bij mensen in minder welvarende landen. 

    Mensen zijn niet in staat zich aan te passen aan warmere nachten

    Het onderzoek is gebaseerd op gegevens van 47.000 mensen in 68 landen, gedurende in totaal 7 miljoen nachten. Uit het onderzoek bleek dat de gemiddelde burger per jaar nu al 44 uur minder slaapt. Dat komt neer op elf nachten met minder dan zeven uur slaap. Eerdere studies toonden al aan dat stijgende temperaturen schadelijk zijn voor de gezondheid, onder meer door toename van het aantal hartaanvallen, zelfmoorden en psychische crises, door ongevallen en verwondingen, maar ook door een verminderd vermogen om te werken. De onderzoekers vinden het verontrustend dat hun gegevens niet aantonen dat mensen in staat zijn om zich aan te passen aan warmere nachten. 

    Volgens Kelton Minor van de Universiteit van Kopenhagen, die het onderzoek leidde, ‘slapen wereldwijd steeds meer mensen onvoldoende’. Hij voegde eraan toe dat het onderzoek het topje van de ijsberg kan zijn, ‘want zeer waarschijnlijk zijn onze schattingen aan de conservatieve kant’.

    Lees ook: