Tag: natuur

  • VS: wegwerpplastic vanaf 2032 verboden

    VS: wegwerpplastic vanaf 2032 verboden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Biden belooft economische hulp en ‘ambitieuze acties’ voor Latijns-Amerika

    » Oekraïens graan: Turks voorstel stuit op bezwaren van Kyiv en Moskou

    VS doen plastic voor eenmalig gebruik in de ban

    De VS gaan plastic voor eenmalig gebruik verbieden tegen 2032, kondigde de regering-Biden woensdag aan. Nu zullen degelijke producten op federaal grondgebied van de VS, met inbegrip van nationale parken, al geleidelijk worden beperkt, met als doel dat wegwerpplastic tegen 2032 helemaal niet meer geleverd of verkocht worden, aldus San Francisco Chronicle. De maatregel omvat onder meer plastic flessen en tassen. Het plastic zal vervangen moeten worden door bijvoorbeeld papieren zakken, biologisch afbreekbare of 100 procent gerecyclede materialen, of glazen flessen.

    Milieuactivisten juichen de aankondiging toe. Onlangs hebben honderden milieuorganisaties bij minister van Binnenlandse Zaken Deb Haaland erop aandrongen het gebruik van wegwerpplastic in natuurgebieden te verbieden. ‘Onze nationale parken zijn per definitie beschermde gebieden, en toch zijn we er al veel te lang niet in geslaagd om ze te beschermen tegen plastic,’ zei Christy Leavitt, directeur van de antiplasticcampagne van Oceana, een groep die opkomt voor de natuur.

    Slechts 9 procent van al het plastic wereldwijd wordt gerecycled

    Het gebruik van plastic is de afgelopen decennia explosief gestegen en heeft een ravage aangericht in zeeën en het milieu, merkt San Francisco Chronicle op. Meer dan 14 miljoen ton plastic stroomt jaarlijks de oceaan in, volgens een rapport van de International Union for Conservation of Nature. Dat komt doordat slechts 9 procent van al het plastic wereldwijd wordt gerecycled, en omdat het materiaal niet biologisch afbreekbaar is.

    Lees ook:

  • Australië belooft 1 miljard dollar om het Groot Barrièrerif te beschermen

    Australië belooft 1 miljard dollar om het Groot Barrièrerif te beschermen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Rapport: corruptie wereldwijd gegroeid tijdens corona

    » Noordwest-Arkansas lokt techpersoneel met bitcoin en gratis fiets

    Regering wil natuur én toerisme beschermen

    De Australische regering gaat 1 miljard Australische dollar, omgerekend 630 miljoen euro, uittrekken om het Groot Barrièrerif te beschermen. Het extra geld werd vrijdag aangekondigd door de Australische premier Scott Morrison.

    ‘Het besluit komt in een verkiezingsjaar, waarin de federale regering probeert tienduizenden banen in het toerisme te beschermen en haar groene geloofwaardigheid te versterken’, schrijft The Sydney Morning Herald. Door klimaatverandering heeft de ‘internationaal belangrijke bestemming’ te lijden gehad onder ‘langdurige ernstige verbleking’.

    Lees ook:

  • Een groot deel van  Fukushima is nog altijd verboden terrein

    Een groot deel van Fukushima is nog altijd verboden terrein

    In de Japanse media was deze week volop aandacht voor de drievoudige ramp in Fukushima, tien jaar geleden. Wat ging er mis, hoe vordert de wederopbouw en hoe gaan de overlevenden met het trauma om?

    Vorige maand, op 13 februari iets na elf uur ’s avonds, werden de inwoners van de noordoostelijke kustprovincies van Japan opgeschrikt door een zeebeving van 7,3 op de schaal van Richter, vlak voor de kust van Fukushima. Ze vreesden het ergste. Maar dit keer bleek het mee te vallen: er vielen één dode en 185 gewonden, de schade aan gebouwen en infrastructuur was te overzien en – heel belangrijk – er kwam geen tsunami. Maar voor de mensen in de Tohoku-regio was het een angstig moment en een pijnlijke herinnering aan die alles verwoestende natuurramp van tien jaar geleden, zo schrijft de Asahi Shinbun.  

    Die zeebeving van 11 maart 2011 was met een kracht van 9.0 op de schaal van Richter de op drie na grootste beving in de geschiedenis van de seismologie. Door de schok werd de aardas zeseneenhalve centimeter verschoven en kwam Japan vier meter dichter bij Amerika te liggen. Bij de tsunami die daarop volgde, kwamen meer dan 18.000 mensen om het leven. Een half miljoen mensen werd uit hun woning verdreven. Bij drie reactoren van de kerncentrale Fukushima Dai-ichi vond een kernsmelting plaats en door waterstofexplosies werd radioactief materiaal in de wijde omgeving verspreid. Het was het ernstigste nucleaire ongeval ter wereld sinds Tsjernobyl in 1986. 

    Wederopbouw

    Japan is gewend aan aardbevingen en er goed op voorbereid. Het land heeft de hoogste normen ter wereld voor aardbevingbestendig bouwen, ook voor kerncentrales, en dankzij regelmatige drills weten de mensen precies wat ze moeten doen als de aarde begint te trillen. Hoewel dit de hevigste beving was in Japan sinds de metingen in 1900 begonnen en de materiële schade enorm was, zijn er als gevolg van de aardbeving zelf maar weinig doden gevallen. Datzelfde geldt voor de fall-out van de kernramp in Fukushima.

    Dit aspect van de drievoudige ramp trok nationaal en wereldwijd weliswaar de meeste aandacht, maar tot dusverre zijn er geen slachtoffers gemeld van stralingsziekte, en ook van een verhoogd langetermijnrisico op aan straling gerelateerde kanker is volgens een recent rapport van het Wetenschappelijk comité van de Verenigde Naties inzake de gevolgen van atoomstraling (UNSCEAR), anders dan in het geval van Tsjernobyl, geen sprake. 

    De tsunami eiste verreweg de meeste slachtoffers. De beelden gingen in real time de wereld over. Het was de eerste keer dat een dergelijke natuurramp live werd gefilmd: een helikopter van de Japanse staatstelevisie NHK kon nog net opstijgen voordat het vliegveld van de kustplaats Sendai door de aanstormende golven werd verwoest. 

    De regio, die vóór de ramp al kampte met vergrijzing, leegloop en economische neergang, telt nu nog minder mensen en bedrijvigheid dan voorheen

    Op donderdag 11 maart werd de ramp in heel Japan herdacht. In een plechtige ceremonie in Tokio betuigde premier Suga namens de regering zijn medeleven aan de nabestaanden van alle slachtoffers en vermisten, inclusief de bijna vierduizend mensen die de afgelopen tien jaar na hun evacuatie uit het getroffen gebied zijn overleden als gevolg van aan de ramp gerelateerde psychische of lichamelijke aandoeningen. Keizer Naruhito en Keizerin Masako bezochten het rampgebied eerder deze week en waren ook bij de ceremonie aanwezig.  

    In de Japanse media werd de afgelopen weken uitgebreid stilgestaan bij de ramp en de ontwikkelingen nadien. Sinds 2011 is er hard gewerkt aan de wederopbouw van de regio, het afgraven van door radioactieve neerslag besmette grond en de ontmanteling van de kerncentrale in Fukushima. Dat laatste is een uiterst complex proces waarvoor de overheid nog 20 tot 30 jaar nodig denkt te hebben en waarvoor de technologie deels nog moet worden ontwikkeld, volgens de Japan Times. Er is meer dan 30 triljoen yen (ca. 250 miljard euro) geïnvesteerd in woningbouw en het herstel van wegen, bruggen en vliegvelden en aan de aanleg van een nieuwe, hoge zeewering over een lengte van meer dan 400 kilometer. 

    Maar hiermee zijn de problemen zeker nog niet opgelost. Volgens de Asahi Shinbun verblijven er op dit moment nog 2000 mensen in tijdelijke opvang en zijn ongeveer 40.000 van de half miljoen evacués nog niet of niet meer teruggekeerd naar hun regio. De regio, die vóór de ramp al kampte met vergrijzing, leegloop en economische neergang, telt nu nog minder mensen en bedrijvigheid dan voorheen. De nieuw gebouwde appartementen staan voor een deel nog leeg, omdat de oorspronkelijke bewoners er niet meer terug willen keren, inmiddels elders zijn gesetteld of zijn overleden.

    Een deel van het gebied rond de kerncentrale in Fukushima is nu nog verboden terrein, maar ook de gemeenten die weer veilig zijn verklaard hebben nog maar 20 procent van het oorspronkelijke aantal inwoners. De komende jaren zal er nog veel moeten gebeuren om dit gebied nieuw leven in te blazen en vooral om de trauma’s te helen en de bevolking ervan te overtuigen dat het er echt veilig is. Pas onlangs stelde het Hooggerechtshof tienduizend evacués in het gelijk en bevestigde dat de overheid en beheerder Tepco medeverantwoordelijk waren voor de ramp, meldt de Japan Times. Al in 2009 was er gewaarschuwd voor het gevaar van een tsunami voor de elektriciteitstoevoer van het koelingssysteem van de reactoren, en zijn maatregelen uitgebleven.   

    Tragische fout

    In de media verschenen ook veel persoonlijke verhalen. Zo schrijft Asahi Shinbun over Eiki Okuyama, die zijn moeder op 10 maart dit jaar eindelijk kon begraven, nadat haar stoffelijk overschot in februari was gevonden en via DNA-onderzoek kon worden geïdentificeerd. In de Japan Times is een fotoverslag te vinden over de witte telefooncel van meneer Sasaki, waar inmiddels 30.000 mensen troost vonden in een telefoongesprek met hun overleden geliefden.  

    En dan is er het trieste verhaal over de Okawa Basisschool in het dorpje Kamaya, in Ishinomaki, waar 74 kinderen en tien leerkrachten door de tsunami werden meegesleurd. Jarenlang hebben de ouders zichzelf verweten dat ze niet met hun kinderen waren gevlucht, een naburige heuvel op. Ze hadden het advies van de schoolleiding gevolgd, en waren op de school gebleven, zo valt te beluisteren in een podcast van de Japan Times.

    In deze telefooncel bellen overlevenden van de ramp met hun overleden dierbaren.

    Toch was dat niet zo’n vreemde beslissing. De schoolgebouwen in Japan zijn volgens extra strenge normen gebouwd en liggen meestal op een plek die veilig is voor aardbevingen en tsunami’s. Dat bleek ook uit de cijfers: onder de meer dan 18.000 slachtoffers was er in het hele land nog maar één ander kind dat op het moment van de ramp op school was.

    De dood van de kinderen en leerkrachten in Kamaya was het gevolg van een tragische fout: in het crisisplan van de gemeente was de school aangemerkt als vluchtplaats voor de dorpelingen, terwijl de school zelf werkte met een achterhaald noodplan, wat leidde tot chaos, misverstanden en paniek, met fatale afloop. De ouders zijn later door het Hooggerechtshof in het gelijk gesteld in hun zaak tegen de gemeente, maar na de toekenning van de compensatie bleef het muisstil in de rechtszaal. De ouders hadden hun kinderen er niet mee terug. 

    In april zal de school worden heropend als monument voor de slachtoffers, zo schrijft de Japan Times. Wie weet helpt dit de inwoners van Kamaya op termijn een beetje om in het reine te komen met hun immense verlies. Maar ook premier Suga erkende in zijn herdenkingsrede dat de wederopbouw in de getroffen regio weliswaar goed gevorderd is, maar dat de verwerking van het enorme trauma voor velen nog moet beginnen.     

  • Hoe legt Zadie Smith straks aan haar kleindochter uit wat er misging?

    Hoe legt Zadie Smith straks aan haar kleindochter uit wat er misging?

    Met hoogzwangere buik stommelde Zadie Smith tijdens Superstorm Sandy in het donker vijftien trappen af om een vriend te mailen over dit nieuwe bewijs van klimaatverandering. Hij behoort tot de ontkenners van het fenomeen; nu de effecten nog te overzien zijn, hebben we de luxe een heimelijk verlangen te koesteren naar de apocalyps. Voor generaties na ons, geldt dit niet.

    Keuze uit ons archief

    In 2014 schreef Zadie Smith deze prachtige klaagzang over klimaatverandering en de achteloze manier waarop we daarmee omgaan. Hoewel het onderwerp een stuk hoger op de agenda is beland, is haar essay nog onverminderd relevant en aangrijpend.

    Dit artikel verscheen eerder op 10 april 2014 in nummer 55 van 360 Magazine.

    Er zijn wetenschappelijke en ideologische termen om te beschrijven wat er met het klimaat gebeurt, maar er zijn nauwelijks persoonlijke woorden voor. Is dat verrassend? Mensen die in de rouw zijn nemen vaak hun toevlucht tot eufemismen, net als wanneer mensen zich schuldig voelen of zich schamen. De mistroostigste van alle eufemismen: ‘Zo gaat dat tegenwoordig.’

    Een prachtige perelaar staat half onder water, verliest zijn greep op de aarde en valt om. De spoorlijn naar Cornwall spoelt weg; zo gaat dat tegenwoordig. We kunnen maar beter vergeten hoe het vroeger ging; de manier waarop de seizoenen elkaar opvolgden, met een ingetogen charme die alleen de dichters waardeerden. ‘Vroeger’ is een pijnlijke herinnering.

    Proberen het stokje van een nog niet aangestoken vuurpijl in de koude, droge grond steken. De rijp op de besjes van de hulst bewonderen, onderweg naar school. Op tweede kerstdag een lange, verkwikkende wandeling maken in de winterse pracht. Voetbalgras dat knispert onder je voeten. Een beetje zon op Pancake Day en nog wat meer zon bij de paardenrennen van de Grand National. Koude regenbuien in april, de warmte van Wimbledon. Bruiloften in juli omdat het dan mooi weer is. De kleine kans om op het Glastonbury Festival wat zon te vangen. Nou ja, zeggen we tegen elkaar, in ieder geval is het nu in augustus nog stralend weer. En het is fijn voor de Schotten dat ze wat warmer weer krijgen als ze in september [2014; uiteindelijk stemde 55,3% tegen] onafhankelijk worden.

    De Theems is al generaties lang niet meer dichtgevroren, en de droom van een witte kerst is een dickensiaanse hersenschim

    Misschien wennen we nog wel aan dat nieuwe Engeland en vinden we het net als de jongeren en de verse immigranten vanzelfsprekend dat het in april tijd is voor de korte broek en sandalen, of dat het nieuwe jaar zich aankondigt met een Bijbelse zondvloed. Vlinders verschijnen op voor hen nieuw terrein, vogels komen eerder en vertrekken later – dat is misschien juist wel interessant, en nieuw, niet noodzakelijkerwijs slecht.

    Misschien herinneren we ons het verleden verkeerd! De Theems is al generaties lang niet meer dichtgevroren, en de droom van een witte kerst is alleen maar een collectieve dickensiaanse hersenschim. En is dit trouwens niet altijd al een nat land geweest?

    Zijwegen

    Het is verbazingwekkend hoeveel zijwegen je in kunt slaan als je de vierbaanssnelweg wilt vermijden. Engeland is nooit zo nat geweest als onze beroemde romans suggereren of onze neven in Amerika denken. Het weer is veranderd, verandert nog steeds en daarmee raken allerlei ogenschijnlijk kleine dingetjes – los van treinsporen en huizen, bestaansmiddelen en mensenlevens – verloren. Het was makkelijk om ervan uit te gaan dat er in een hoekje van een of andere Londense tuin altijd wel een egel was die we konden oppakken zodat we onze kinderen konden laten zien hoe hij zich in onze handen ontrolde – of dat we als we gingen picknicken dikke hommels over de rand van een open jampotje konden zien kruipen.

    Ieder land heeft zo zijn eigen versie van deze lokale treurnis. (En ieder land heeft zijn eigen discussie over wat de oorzaken zijn van het verlies. Klimaatverandering of auto’s? Klimaatverandering of gsm­-masten?) Maar het is niet wenselijk dat je de kleine verliezen vermeldt, ze lijken eigenlijk het vermelden niet waard – niet wanneer je ze vergelijkt met de apocalyptische visioenen van klimaatwetenschappers en filmregisseurs. En dan zijn er aan de andere kant de mensen die vinden dat er helemaal niets aan de hand is.

    Het valt niet mee om voortdurend de apocalyps in het achterhoofd te houden, vooral als je ’s morgens ook nog je bed uit wilt komen

    Hoewel er vele bittere woorden zijn gevallen over de kinderlijke reactie van het publiek op de aanstaande noodsituatie, lijkt me die reactie niet erg verrassend. Het valt niet mee om voortdurend de apocalyps in het achterhoofd te houden, vooral als je ’s morgens ook nog je bed uit wilt komen.

    Het probleem is dat er geen rekening mee wordt gehouden dat onze reactie grotendeels emotioneel bepaald is. Als dat niet zo was, zou het hele debat er anders uitzien. We kunnen ons bijvoorbeeld heel makkelijk een wereld voorstellen waarin de ontkenners geen ontkenners zijn, maar gewoon meedogenloze pragmatici, het soort mensen dat zegt: ‘Ik begrijp heel goed wat er gaat gebeuren, maar ik maak me geen zorgen om mijn kleinkinderen; ik maak me zorgen om mezelf, mijn aandeelhouders en de Chinese concurrentie.’ Er zijn inderdaad enkele mensen die zoiets zeggen, maar niet zo veel als je zou verwachten. Een andere reactie die voor de hand zou liggen is een die voortkomt uit een religieus gevoed milieubewustzijn, want van diegenen die het land als een prachtig geschenk van de Heer zien, kun je verwachten dat ze dat cadeau het fanatiekst verdedigen. Er zitten er wel een paar tussen die inderdaad zo argumenteren, maar ook daarvoor geldt dat het er minder zijn dan ik had verwacht.

    Soortschaamte

    Hoe het nu gaat is dat het bewijsmateriaal ‘geloofd’ of ‘ontkend’ wordt, alsof de wetenschappelijke artikelen lutherse geloofsstellingen zijn die aan een deur zijn vastgespijkerd. In Amerika is er zelfs een merkwaardige uitweg gevonden in de hiërarchie van Gods schepping. De redenering is dat omdat Hij mensen plaatst boven ‘dingen’ (boven dieren en planten en de zee), we met een gerust geweten al die dingen naar de verdommenis kunnen laten gaan.

    Maar volgens mij is het niet alleen uit domheid dat we van een gewetenszaak een geloofszaak hebben gemaakt. Geloof heeft gewoonlijk een emotionele component; het is verhuld verlangen. Natuurlijk komt aan de kant van onze leiders veel van de politisering voort uit kwade trouw, cynisme en economische motieven, maar wij gewone burgers worden gedreven door het verlangen naar onschuld. Want beide partijen zijn vol schuld, vol zelfhaat – wat Martin Amis ooit ‘soortschaamte’ heeft genoemd –, en die projecteren we op de buitenwereld. Daardoor wordt het vuur in onze discussies aangewakkerd.

    Tijdens de Superstorm Sandy ben ik met mijn enkele maanden zwangere lijf in het donker vijftien trappen af gelopen, alleen omdat ik dan wifi­bereik had en een klimaatverandering ontkennende kennis kon e-­mailen over dit nieuwe bewijs van zijn stupiditeit.

    Er is alleen een ‘polaire vortex’ voor nodig – een ijskoude luchtstroom die zorgt voor lagere temperaturen – om je inbox vol te krijgen met vrolijke verhalen over rechts georiënteerde familieleden – alsof het maar een spel is, waarbij het er alleen om draait of je dwaze oom in Florida ‘paniekzaaier’ dan wel ‘realist’ is. Terwijl in Jamaica, waar Sandy voor het eerst aan land kwam, de steeds vaker voorkomende tropische depressies, stormen, orkanen, aardverschuivingen en droogte voor de inwoners geen aanleiding is voor een ontologisch debat.

    Weg, weg, weg. Maar nog niet helemaal

    Zing een klaaglied voor al het weggespoelde! Voor de levenscycli, voor de zoutwatermoerassen, de huizen, de mensen – hele eilanden vol mensen. Weg, weg, weg. Maar nog niet helemaal. De apocalyps wordt voor het gemak altijd in de toekomst gesitueerd tenzij je toevallig op Mauritius, Jamaica of op een van de vele andere gevaarlijke plekken woont. Volgens recente rapporten zou, ‘als de mondiale emissie van broeikasgassen onveranderd doorgaat’, de toestand rond 2050 echt ernstig worden, vlak voor de zevende verjaardag van mijn kleindochter. (Toekomstige kleinkinderen worden er in dergelijke klaagzangen vaak bijgehaald.)

    Soms is deze zich mondiaal herhalende klaagzang zo intens triest – en zo losstaand van elke poging tot zinnig handelen – dat je in die klaagzangers een fatalistisch links bewustzijn herkent, waarin, als je goed kijkt, een even pervers verlangen naar de apocalyps schuilt als in de door ons zogenaamd zo verachte godsdienstfanaten.

    De laatste tijd zag je beide kanten iets meer oor hebben voor de optimistische argumenten van de technocraten. Op de een of andere manier praten we minder over bestrijden en omkeren en discussiëren we vaker over CO₂­afvang en ­opslag, hogere zeeweringen, zonnecollectoren op het dak en andere maatregelen tegen naderend onheil. Beide kanten vinden elkaar in het falen. Ze zeggen tegen elkaar: ‘Ja, misschien hadden we enige tijd geleden het debat anders moeten voeren, maar nu is het te laat, nu moeten we roeien met de riemen die we nog hebben.’

    Kleindochter

    Dat zal mijn kleindochtertje van zeven vast heel eigenaardig vinden. Ik verwacht niet dat ze me vergeeft, maar het zou nuttig voor haar kunnen zijn om enig zicht te hebben in die manier van denken, om er iets van te kunnen begrijpen. Wat zal ik haar vertellen? Haar onderwijzers zullen haar al hebben uitgelegd dat wat er in 2014 met het weer gebeurde financieel en politiek gezien een ongemakkelijke waarheid was – maar dat is zelfs nu al overduidelijk. Als mensen mondiaal in beweging waren gekomen zou het misschien op de politieke agenda terecht zijn gekomen, ongeacht de kosten.

    Dus zal ze willen weten waarom het zo lang duurde voordat zo’n mondiale beweging van de grond kwam. Wellicht zal ik tegen haar zeggen: ‘Je moet goed begrijpen dat we net een eeuw van relativisme en deconstructie achter de rug hadden, waarin we te horen hadden gekregen dat onze dierbaarste principes ofwel twijfelachtig waren ofwel gewoonweg berusten op wensdenken, en op vele terreinen van ons leven werd al van ons gevraagd te accepteren dat niets van wezenlijk belang is en dat alles verandert. Dit had ons een beetje de vechtlust ontnomen.

    Daarbij is het ook belangrijk om te realiseren dat onze noodzakelijke levensvoorwaarden – de dingen die ons onvermijdelijk lijken – niet alleen door fysici en filosofen worden bediscussieerd, maar ook, irrationeel, bestaan in de hoofden van de rest van ons, op subintellectueel niveau misschien, maar we ervaren ze toch als vaststaande feiten.

    Het klimaat was een van die feiten. We dachten niet dat dat kon veranderen. Dat wil zeggen, we wisten altijd wel dat we onze planeet aardig wat schade konden toebrengen, maar zelfs degenen met de meeste hybris hadden niet gedacht dat we ooit in staat zouden zijn om het ritme en karakter ervan fundamenteel te kunnen beïnvloeden, zoals een kind dat de hele dag naar haar vader heeft gegild toch niet verwacht dat hij op de keukenvloer gaat liggen huilen.’

    Denkt u dat ik me daarmee vrijpleit bij mijn (ietwat irritante en kritische) toekomstige kleindochter? Ik maak me sterk.

    De verschrikkelijke waarheid is dat we ons van oudsher intens aangetrokken voelen tot de apocalyps

    Wat hebben we gedaan! Het is een Bijbelse vraag en we lijken niet in staat om te ontsnappen uit de vertrouwde – wezenlijk religieuze – cyclus van schaamte, ontkenning en zelfkastijding. Daarom (zo zal ik mijn kleindochter uitleggen) hielpen die apocalyptische scenario’s niet: de verschrikkelijke waarheid is dat we ons van oudsher intens aangetrokken voelen tot de apocalyps. Uiteindelijk kon ons denken pas echt op het juiste spoor worden gezet door het verlies van de vertrouwde dingen waar we zo van hielden.

    Zoals toen de seizoenen op ons geliefde eiland veranderden, of toen de lichten uitgingen op de vijftiende verdieping, of de dag waarop ik begin juli samen met de eigenaresse, een vrouw van over de tachtig, haar tuin in liep en bij het zien van de verschroeide gele aarde en de verwelkte rozen en het horen van wat alleen echt oude mensen durven te bekennen – ‘zoiets heb ik mijn hele leven nog niet gezien’ – eindelijk mijn klaagzangen staakte over ‘Wat hebben we gedaan?’ en overging tot het praktische ‘Wat kunnen we doen?’

  • Aanbevolen door de redactie. Humboldts dichterlijke ziel & Meer

    Aanbevolen door de redactie. Humboldts dichterlijke ziel & Meer

    De meeste mensen kennen hem slechts van Duitse straatnaambordjes, maar The New Atlantis laat zien waarom je meer wilt weten over Alexander von Humboldt, de invloedrijke wetenschapper-avonturier met de ziel van een dichter. Verder: het geïllustreerde liefdesverhaal van Gertrude Stein en Alice B. Toklas & meer aanraders van de 360-redactie

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.

    ‘Het brein van een wetenschapper, de ziel van een dichter’

    Bergketens zijn naar hem vernoemd, steden, watervallen en honderden dieren- en plantensoorten. Alexander von Humboldt (1769–1859) was een onwaarschijnlijk veelzijdige wetenschapper, ontdekkingsreiziger, poëet en De uitvinder van de natuur (Andrea Wulf, Atlas Contact). 

    The New Atlantis brengt hem terug uit de vergetelheid en eert hem terecht met een uitgebreid en gedetailleerd artikel. Humboldts bevindingen zijn nog altijd actueel. Aangeraden door editor at large Katrien Gottlieb.

    Alexander von Humboldt by Friedrich Georg Weitsch 1
    Een portret van Alexander von Humboldt door Friedrich Georg Weitsch (1806). – © Alte Nationalgalerie, Berlijn / Wikimedia

    Een liefdesverhaal

    Maira Kalman (1949) is een Amerikaanse, in Israël geboren, illustrator, schrijver, kunstenaar en ontwerper. Ze maakte naam met haar buitengewoon speelse, grappige en luchtige illustraties voor onder meer The New York Times en The New Yorker en ze tekende en illustreerde tal van (kinder)boeken. Onlangs publiceerde ze een prachtig boek over de liefde tussen Gertrude Stein en Alice B. Toklas aan het begin van de twintigste eeuw in Parijs, waarin ook beroemdheden als Hemingway, Matisse en Picasso de revue passeren. De culturele site Brainpickings besprak het boek en haalt een prachtige zin aan van Kalman: ‘This is a love story. You know. How two people, joined together, become themselves’. Een aanrader van redacteur IJsbrand van Veelen.

    fdfb 987x1500 2

    Persoonlijk essay over een eeuwig controversieel meesterwerk

    The New Yorker publiceerde ‘Nabokov, Steinberg, and Me’ van schrijver en humorist Ian Frazier, uit het nog te verschijnen Lolita in the Afterlife: ‘een levendige verzameling van scherpe en essentiële moderne stukken over dit eeuwig provocerende boek’, aldus de uitgever. Getipt door hoofdredacteur Laura Weeda.

    Nabokovs Lolita, waarin de veertiger Humbert Humbert een jury toespreekt die moet oordelen over zijn relatie met de twaalfjarige Lolita, zorgde bij verschijning in 1955 al voor ophef, vooral vanwege de jonge leeftijd van de naamgever. Later ontsteeg het boek de schandaalsfeer en was er vooral aandacht voor de hoogstaande literaire kwaliteit, maar anno 2021 is hier uiteraard weer verandering in gekomen. In de bundel bekijken schrijvers Lolita vanuit politiek standpunt en gaat het over de witheid van de hoofdpersonages, machtsverhoudingen en seksueel trauma.

    Frazier vertel hoe hij het boek, mede omdat zijn moeder, docent Engels, het droevig en gruwelijk vond, steeds opnieuw verslond. Het was vormend voor de manier waarop hij als puber naar meisjes keek en zelfs voor de woorden waarin hij over hen dacht. Pas veel later gaat hij inzien wat zijn moeder bedoelde. Hij begint zijn geliefde Lolita met andere ogen te lezen, en de oorspronkelijke Russische Nabokov, voor zijn gevoel, te doorzien. Waarom noemt hij Lolita’s latere man een ‘kreupele’? En waarom was deze oorlogsveteraan bovendien doof? Was zij wel een nymfomaan, bestaan die überhaupt?

    9781984898838

    Voor eeuwig wachten aan de grens

    In de laatste aflevering van de Spaanstalige podcast El Hilo volgen we het verhaal van Moisés en Meya, die in 2019 van Honduras naar de Verenigde Staten probeerden te emigreren met hun anderhalf jaar oude dochter. Ze wilden een veiliger leven voor hun familie, weg van bendes, mishandeling door de politie en armoede. Maar Mexico stuitten ze op de muur van het anti-immigratiebeleid van de regering-Trump en zijn ‘Blijf in Mexico’-beleid. Sindsdien wachten ze aan de Mexicaans-Amerikaanse grens tot hun asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Een tip van redacteur Joep Harmsen.

    Naast Moisés en Meya komen in de podcast fotojournalist Tomás Ayuso en Fernanda Echávarri van Mother Jones aan het woord over de impact is van het immigratiebeleid van de afgelopen vier jaar en wat we kunnen verwachten van Joe Bidens nieuwe koers op dat gebied.

    Ga naar het Instagramaccount van de Hondurese fotojournalist Tomás Ayuso @tomas_ayuso voor beelden bij het verhaal. En zie ook zijn reportage uit 2018 voor National Geographic, waarin Ayuso verslag doet van zijn reis met een migrantenkaravaan.


    De schoonheid van de landbouw

    Daan Roosegaardes meest recente kunstwerk GROW is een eerbetoon aan de schoonheid en het belang van de agrarische sector. GROW ontvouwt zich als een lichtgevend ‘droomlandschap’. Omringd door duisternis golven rode en blauwe lichten over een enorme akker. Het project is geïnspireerd op wetenschap die aantoont dat specifieke lichtrecepten groei van gewassen kunnen stimuleren en weerstand kunnen verbeteren. Een aanrader van art director Majel van der Meulen.

  • De man, de haai en de zee: wie wint?

    De man, de haai en de zee: wie wint?

    Diep onder het zeeoppervlak tussen Noorwegen en Groenland zwemt een monster dat vijfhonderd jaar geleden werd geboren. Een schrijver en een wetenschapper hebben beiden zo hun eigen redenen om de mysterieuze Groenlandse haai aan de haak te willen slaan.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week overleed een Duitse vrouw op de Canarische Eilanden aan de gevolgen van een haaienaanval. Het was de eerste dodelijke haaienaanval die ooit op de Canarische Eilanden is vastgesteld.
    Het voorval bewijst maar weer eens dat haaien en mensen beter niet bij elkaar in de buurt kunnen komen. Toch zijn er mensen die het gevaar bewust opzoeken, zoals bioloog Julius Nielsen en schrijver Morten Strøksnes. Dit artikel uit 2018 van het Deense dagblad Politiken beschrijft hun zoektocht naar de Groenlandse haai, het langstlevende gewervelde dier ter wereld.

    De Deense bioloog Julius Nielsen heeft al verscheidene Groenlandse haaien gevangen. Hij doet onderzoek naar dit oerbeest, het langstlevende gewervelde dier ter wereld. In mei 2017 ging hij met een internationale groep onderzoekers naar Groenland, om antwoord te vinden op de vraag hoe de Groenlandse haai zich voortplant.

    28 april 2017

    In de eerste 24 uur van de expeditie leren we het voorjaar in Zuidwest-Groenland van zijn slechtste kant kennen. We varen door windstoten van orkaankracht. Acht meter hoge golven slaan van alle kanten tegen het schip. De lunch gaat niet door, want de kok werd door de kajuit geslingerd, zodat al het eten op de vloer terechtkwam en alle borden van het schip met een enorme knal kapot vielen.

    Morgen eten we soep, dus is de kapitein eerst naar 
de dichtstbijzijnde stad gevaren om nieuwe soepkommen te gaan kopen. Nu moeten we de lange lijnen checken. Vanaf het land is het lastig te voelen of er iets aan de lijnen zit. Dus we staan allemaal in de boot naar het water te kijken en proberen te schatten of het touw zo gespannen is dat er een haai aan de lijn zou kunnen zitten. Maar de uitrusting is zo zwaar en de stroom zo sterk, dat het enorm moeilijk is om te beoordelen wat er aan de lijnen trekt.

    Het moeilijkst aan het vangen van Groenlandse haaien is om het roofdier naar de oppervlakte te krijgen. De haai stribbelt tegen, hij moet uitgeput worden en in dat proces kan de lange lijn als één grote knoedel eindigen. Opeens komt er 4 à 5 meter onder het schip een reusachtige schaduw tevoorschijn – een enorme haai. Hij meet 430 centimeter van zijn kop tot de punt van zijn staart en weegt wel zo’n 800 kilo. Met dat gewicht en die lengte is de haai vermoedelijk ouder dan honderd jaar. We barsten uit in spontaan gejuich.

    Als we al onze lange lijnen hebben gecheckt, hebben we wel zeven haaien. Een supervangst. Hoeveel eet hij?

    Slapende zeehonden

    De Groenlandse haai is het op een na grootste vleesetende dier ter wereld, maar de meest basale vragen over hem zijn nog niet beantwoord. Hoe vangt hij zijn voedsel?In 1924 beschreef de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen hoe hij in de maag van zo’n reuzenroofdier een hele zeehond vond – een mannetje van 1,3 meter – een grote kop van een heilbot en meerdere stukken walvisspek. Wij hebben het geluk twee volkomen intacte zeehonden in de maag van een van de haaien te vinden. De kop en de poten van de zeehond kunnen goed dienstdoen als aas aan de lange lijnen, en zeehonden zijn altijd moeilijk te pakken te krijgen. Zo eindigt het onverteerde diner van de haai meteen aan de haak, als lokaas voor zijn hongerige soortgenoten.

    De Groenlandse haai heeft complexe zintuigen. Vermoedelijk ziet hij niet zo goed, maar besluipt hij zijn prooi door af te gaan op diens geur en met behulp van zijn zijlijnzintuig, waarmee hij vermoedelijk drukveranderingen in het water kan onderscheiden. Ook heeft de haai een zintuig dat in zijn kop zit, vooral rond zijn bek. Daarmee voelt hij elektrische impulsen, bijvoorbeeld van een hartslag van een vis op de bodem.

    De Groenlandse haai is in verhouding tot zijn grootte de langzaamste vis ter wereld – hij beweegt zich voort met een vaartje van 2,6 kilometer per uur. Daarom is het enigszins een mysterie hoe dit schijnbaar slome roofdier levende zeehonden kan vangen.

    Volgens een theorie zoeken de haaien slapende zeehonden. Om veilig te zijn voor ijsberen, slapen zeehonden in de Noordelijke IJszee in het water, en een zeehond die echt diep slaapt, wordt bijna nergens wakker van.

    Een ander groot mysterie rond de Groenlandse haai is zijn leeftijd. Ik heb er ooit een onderzocht die volgens onze berekeningen minstens 272 jaar oud was, en mogelijkerwijs zelfs 512 jaar. Hoe dan ook was 
het het oudste gewervelde dier dat ooit is gevangen.

    6238581e4d3a4346b9dae29d239f7a1a 0

    Het hart van de haai is interessant voor onderzoekers, omdat het misschien licht kan werpen op de vraag hoe de Groenlandse haai zijn hoge leeftijd haalt. Het pompt langzaam – ongeveer één slag per 12 seconden. Onze haai heeft een verhoogde hartslag, omdat hij zojuist voor zijn leven heeft gevochten.

    Mijn collega Holly Shields van de Universiteit van Manchester doet onderzoek naar de vraag wat het hart van de Groenlandse haai honderden jaren lang gezond en sterk houdt. Als het lukt om uit te vinden hoe de haai hart- en vaatziekten vermijdt, kan dat misschien de weg openen voor een nieuw medicijn dat de verzwakking van het menselijk hart door ouderdom kan voorkomen.

    Het oog van de haai is interessant voor onderzoekers voor wat betreft het bepalen van de leeftijd van het beest. Als je de vele lagen van de ooglens afpelt – als een ui – kom je uiteindelijk in het centrum van de lens, en dat bestaat uit hetzelfde materiaal als toen de haai werd geboren. In dit binnenste materiaal van de ooglens meten we het koolstof 14-niveau. Vergelijk je dat met referentiemateriaal van dieren waarvan de leeftijd bekend is op verschillende plekken in de noordelijke Atlantische Oceaan, dan wordt het mogelijk het waarschijnlijke geboortejaar van de haai te berekenen.

    Sociale haaien

    De methode die wij gebruiken, is oorspronkelijk ontwikkeld om archeologische vondsten te dateren. We weten dat vrouwtjeshaaien geslachtsrijp worden als ze ten minste 134 jaar oud zijn. Er is echter maar één keer in de geschiedenis een haai gevangen met een jong in de baarmoeder, dus we weten niet zo veel over de biologie van de voortplanting van de haai.

    Een van de haaien die we vingen, is helaas doodgebeten door zijn soortgenoten terwijl hij aan de lange lijn hing. Het blijkt een geslachtsrijp mannetje te zijn en dat is een groots moment, want het is voor het eerst dat geslachtsrijpe mannetjes en vrouwtjes op dezelfde plek zijn gevangen.

    De mannelijke Groenlandse haai heeft twee geslachtsorganen, claspers, en als je in de buurt van een daarvan drukt, spuit daar een melkachtige vloeistof uit: het sperma van de Groenlandse haai. Dat is voor zover ik weet nog niet eerder geobserveerd en het is waanzinnig interessant. Het duidt er namelijk op dat de haaien misschien bezig zijn te paren, juist nu wij er zijn.

    Een van de doeleinden van onze expeditie is te begrijpen hoe haaien zich voortplanten. Daarom plaatsen we gps-zenders op alle vrouwtjeshaaien die we vangen. De zenders vertellen ons over de positie van de haai, drie, zes en twaalf maanden nadat we 
ze hebben losgelaten. Gedurende deze week brengen we zendertjes aan bij zes dieren. Als we de haaien vervolgens willen loslaten, zijn ze een ogenblik als versteend. Dan beginnen ze te duiken. Over een paar maanden, als de zenders zijn losgeraakt en naar de oppervlakte gestegen, zullen we meer weten over de verplaatsingen van de mysterieuze Groenlandse reuzenhaai, en dat kan ons misschien dichter bij hun voortplantingsgebied brengen.

    Als we data van de zender op de haai beginnen te ontvangen, is het duidelijk dat onze expeditie een succes is. Daarbij zijn vooral twee groepen data interessant. Gebleken is dat een van de vrouwtjeshaaien in drie maanden beduidend verder heeft weten te zwemmen dan haar soortgenoten. Zij zette koers naar een plek waarvan we van tevoren al vermoedden dat het een voortplantingsgebied was. Nu hebben we data die ons vermoeden bevestigen, en dat is geweldig.

    Onze data wijzen er bovendien op dat Groenlandse haaien socialer zijn dan vroegere onderzoeken hebben aangetoond. Over het algemeen wordt gedacht dat haaien alleen leven, maar vissers vertellen vaak dat ze tegelijkertijd meerdere haaien in hun netten krijgen. Zelf vangen wij ook meerdere haaien tegelijk. Daarom is het interessant om te zien dat twee van de haaien die we op onze tocht vangen, ook na drie maanden nog bij elkaar zwemmen – zo’n 700 km verderop, aan de oostkust van Groenland. Dat duidt erop dat de haaien zich in grote groepen van het ene gebied naar het andere kunnen bewegen.


    In zijn boek Haaienkoorts vraagt Morten Strøksnes zich af waarom hij zo graag een Groenlandse haai wil vangen. Is het om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen? Om zijn angst onder ogen te zien? Is het zijn jagersinstinct, de droom om de grootst mogelijke buit van de zee te vangen? En stel dat het niet volgens plan verloopt? Al die vragen doen er niet toe op het moment dat je een haai aan de haak hebt.

    Een zaterdag in juli

    Laat op een zaterdagavond in juli, 3,5 miljard jaar 
na het moment waarop in zee het eerste primitieve leven is ontstaan, zit ik bij een feestelijk etentje in het centrum van Oslo, als ik word gebeld door Hugo Aasjord. ‘Heb je het weerbericht voor de volgende week gezien?’ vraagt hij. We wachten allebei al lang op een bepaald type weer. Wat we nodig hebben, is 
zo weinig mogelijk wind op de zee tussen Bodø en de Lofoten. Eigenlijk heb ik een heleboel andere dingen te doen, maar ik antwoord zonder aarzelen: ‘Ja, laten we een Groenlandse haai gaan vangen.’

    De Groenlandse haai is een dier uit de oertijd, een reuzenhaai die rondzwemt over de bodem van de diepe Noorse fjorden en voorkomt tot aan de Noordpool. Deense zeebiologen hebben onlangs ontdekt dat de Groenlandse haai misschien wel vijfhonderd jaar oud kan worden; daarmee is hij verreweg het langstlevende dier dat er bestaat.

    Hugo’s vader had als jongen van acht al deelgenomen aan de walvisjacht. Hij vertelde altijd hoe ze een keer een opdringerige Groenlandse haai harpoeneerden en die ophesen aan zijn staartvin. Ook al was het beest halfdood en hing hij met zijn kop omlaag en met een harpoen dwars door zijn rug, toch slokte 
hij een groot stuk walvisvlees op dat op het dek lag.

    Als Hugo over de Groenlandse haai praat, krijgt hij een bepaalde gloed in zijn ogen en een bepaalde klank in zijn stem. De meeste soorten vissen en andere dieren in de zee heeft hij wel gezien, maar juist de reuzenhaai is hij nooit tegengekomen.

    Ik snijd de vijfde zak met slachtafval open. Er welt een sterke lijkgeur uit op, die zich over de fjord verspreidt

    En ik evenmin. Het kost Hugo dan ook geen moeite om me over te halen: ik hap instinctief toe, om het zo maar te zeggen. Ook ik ben opgegroeid bij de zee en ik vis al sinds ik een klein jochie was. Nog steeds krijg ik, altijd als ik beet heb, het gevoel dat bijna alles uit de diepte omhoog kan komen. Is er eigenlijk wel iemand die beseft dat er in het diepe water van de Vestfjord Groenlandse haaien rondzwemmen, haaien die tussen de 7 en 8 meter lang kunnen worden en 1200 kilo kunnen wegen? Afgezien van Hugo, natuurlijk.

    De boot schiet weg. Aan deze kant van het eiland is het volkomen stil, de enige rimpelingen op het water maken we zelf. We hebben geen idee wat zich onder het bijna witte oppervlak afspeelt. Op 150 à 200 meter diepte is bijna al het licht door het water geabsorbeerd. Daar is alleen nog een grijzig licht te onderscheiden, als van een oude tv die langzaam uitdooft. Op zo’n 500 meter diepte is het inktzwart. Er is geen fotosynthese meer, geen enkel plantenleven mogelijk. Die duistere, koude diepte is de wereld van de Groenlandse haai, daar glijdt hij rond, stil en geluidloos als een machine van vlees, met gif in zijn spek, in zijn bloed, in zijn lever, en met levenloze, halfblinde ogen waar parasieten uit hangen, lange larven die de oogappel doorboren. De enige levende wezens waarmee hij contact heeft, zijn de dieren die hij eet.

    Brakend maak ik een gat in de vuilniszakken die gevuld zijn met resten van Schotse Hooglanders: darmen, lever, kraakbeen, botten, vet, rafels vlees 
en maden. Dan gooi ik vier van de vijf zakken over 
de reling. Onder in de zakken zitten zware stenen, 
en alles zakt dan ook direct naar de bodem. In de vijfde zak zitten wat stevige botten met vlees eraan, die we als aas gaan gebruiken.

    Ik snijd de vijfde zak met slachtafval open. Er welt een sterke lijkgeur uit op, die zich over de fjord verspreidt. Nu maar hopen dat de Groenlandse haai niet over de reling springt terwijl ik net een heupbeen vol rood, rottend vlees aan de stevige, glanzende haak doe. Wat gebeurt er meer dan 300 meter onder ons? Begint het beest ons stinkende afval al te ruiken? De olieachtige stoffen van verrotting moeten ver verspreid raken in het water.

    Er zijn nog wat details die we nog niet hebben besproken. Wat doen we als we daadwerkelijk zo’n Groenlandse haai naar boven halen? Het is een soort angstig plezier om daarover na te denken.

    Bewegende boei

    ‘Wacht eens! Beweegt die boei?’ vraagt Hugo.

    Die lijkt inderdaad in een onnatuurlijk ritme op en neer te gaan, als een gigantische dobber. Een paar honderd meter van waar wij zitten, midden in een school makreel, is er duidelijk iets aan de hand. Hugo start de motor en binnen een minuut zijn we bij de lijn. Hugo begint hem in te halen. Dat wil zeggen: hij trekt aan de lijn en er is geen twijfel aan dat zich daaraan iets groots heeft vastgebeten. Na een tijdje neem ik het over. Dan gaat het nog langzamer. Heb je weleens geprobeerd een Groenlandse haai, die misschien wel 7 meter lang is en 700 kilo weegt, en die vastzit aan 350 meter touw met aan het eind een 6 meter lange ketting, op te halen van de bodem van de zee? De lijn bijt in je vingers en elke decimeter is loodzwaar, je verliest bijna het geloof dat het ooit nog ophoudt. Dat er kwallen vastzitten aan het touw en we geen handschoenen hebben, maakt de taak er niet aangenamer op. Mijn armen zijn gevoelloos, maar als er nog maar zo’n 50 meter te gaan is, wordt alles opeens veel gemakkelijker. Iedereen die weleens heeft gevist, kent dat gevoel van diepe teleurstelling. In een split second worden grote verwachtingen tenietgedaan. Hoe het touw ook in je handen snijdt, de afwezigheid van gewicht doet nog meer pijn.

    Nu zijn de ketting en de haak snel onder de boot en ik hijs verder, totdat de haak voor ons in de lucht bungelt. Aan die haak zat, toen we hem neerlieten, een bot vol rood vlees. Nu is dat bot volmaakt schoongeknaagd. Er kriebelen massa’s oranje diertjes op. Ze doen denken aan luizen of kleine insecten: dat moeten de diertjes zijn die in de buikplooien van de Groenlandse haai leven.

    In het bot en het vet zien we duidelijk de zaagvormige sporen van de beet. Ik had de haak door een peesopening gestoken en daardoor is het bot blijven zitten. Ik had verwacht dat de haai in elk geval het hele bot zou verbrijzelen als hij beet. Daarom hing de haai niet vaster aan de haak. Daarom raakte hij los. Daarom zitten we hier stommetje te spelen.

    Daar beneden zwemt ons monster, wachtend tot het weer wordt gevoerd.

  • Hoe bescherm je oogst en olifant?

    Hoe bescherm je oogst en olifant?

    In Thailand worden olifanten zo goed beschermd, dat hun aantal toeneemt. Goed nieuws, maar het betekent ook dat ze steeds vaker in conflict komen met mensen.

    Volgens de National Parks, Wildlife and Plant Conservation Department (DNP) zwerven er tussen de 3500 en 4000 wilde olifanten rond in de bossen van Thailand, en zal hun aantal toenemen door de pogingen om de soort te beschermen. Dit toont aan dat die inspanningen succesvol zijn geweest, maar veel mensen – vooral diegenen die in dorpen wonen aan de rand van beschermde gebieden – zien het als een verontrustende ontwikkeling. Naarmate het aantal dikhuiden in beschermde gebieden toeneemt, neemt de hoeveelheid water en voedsel er af. Olifanten worden daardoor gedwongen naar naburige dorpen en velden te gaan om eten te zoeken. Het is dus onvermijdelijk dat er meer conflicten zullen komen tussen mens en olifant.

    De afgelopen jaren zijn er meldingen geweest van wilde olifanten die naar landbouwgronden trokken, oogsten vernielden en soms mensen verwondden en eigendommen beschadigden. Ook zijn olifanten die hun territorium wilden uitbreiden, gewond geraakt of zelfs gedood door elektrische afrasteringen en voertuigen.

    Men verwacht dat de olifanten in de komende tien jaar hun heil buiten het woud zullen gaan zoeken

    Een geval dat veel aandacht trok, deed zich voor in het Khao Ang Rue Nai-reservaat in de provincie Chachoengsao. Daar raakte een olifant ernstig gewond door een botsing met een pick-uptruck op het twintig kilometer lange stuk van Highway 3259 dat door het reservaat loopt. De regering stelde daarop voor deze route in 2015 voorgoed te sluiten. Maar de lokale autoriteiten maakten daar bezwaar tegen omdat het te veel overlast zou opleveren voor automobilisten. Besloten werd het stuk door het reservaat alleen te sluiten tussen negen uur ’s avonds en vijf uur in de morgen.

    Decha Nilwichien, hoofd van het Khao Ang Rue Nai-reservaat, vertelde dat er jaarlijks bijna 14.000 wilde dieren omkomen op deze snelweg. De route wordt ook vaak gebruikt door olifanten.

    Het Khao Ang Rue Nai-reservaat is een van de 
zeven beschermde gebieden in Thailand die onderdak bieden aan meer dan honderd wilde olifanten. 
Het is tevens de plek waar sommige van de ergste 
conflicten tussen mens en olifant plaatsvinden.

    Het reservaat beslaat een gebied van bijna 11.000 hectare regenwoud dat zich uitstrekt over vijf oostelijke provincies: Chachoengsao, Chonburi, Rayong, Chanthaburi en Sa Kaeo. Volgens de DNP werd de 
olifantenpopulatie in Khao Ang Rue Nai tien jaar geleden geschat op 217. De olifantendichtheid was toen 0,2 dieren per vierkante kilometer. Maar de afgelopen jaren is de olifantenbevolking toegenomen met 9,83 procent. Er leven nu minstens 275 olifanten in het reservaat en de twintig jonge dieren die er per jaar geboren worden, overtreffen de sterfgevallen. Men verwacht dat de olifanten in de komende tien jaar hun heil buiten het woud zullen gaan zoeken vanwege de toename van de populatie, de afnemende voedselbronnen en de verleiding van de begroeide akkers.

    Oogstincidenten

    Uit een studie die in 2010 werd uitgevoerd door het Economy and Environment Program for Southeast Asia (EEPSEA) bleek dat er gemiddeld zo’n 25 oogstincidenten per maand plaatsvonden in dorpen in 
de buurt van het Khao Ang Rue Nai-reservaat. Huishoudens in het gebied moesten gemiddeld 212 nachten per jaar hun oogst bewaken. Het gemiddelde landbouwgebied dat door olifanten werd beschadigd was 0,96 hectare per huishouden per jaar. De gemiddelde schade die olifanten aanrichtten was 34.825 baht (ongeveer 920 euro) per huishouden per jaar, wat neerkwam op negentien procent van het gemiddelde inkomen.

    Suphan Nanam, inwoner van Ban Ang Suea Dam in het Tha Takiap-district van Chachoengsao, vertelde dat hij is gestopt met zijn boerenbedrijf en freelance is gaan werken nadat olifanten twee jaar geleden vijftienhonderd bananenbomen hadden verwoest. ‘Het is zinloos om gewassen te verbouwen die je niet kunt oogsten. Die dieren hebben alles in een oogwenk geruïneerd. Ze laten zich maar even verjagen door voetzoekers en dan komen ze weer terug, dus het was beter om te stoppen dan mijn leven te 
riskeren om ze te bestrijden,’ zei hij.

    Suphan, die al meer dan veertig jaar in Ban Ang Suea Dam woont, zei dat die rooftochten in het verleden slechts sporadisch voorkwamen, maar dat de incidenten de afgelopen jaren veel frequenter zijn geworden. ‘De overbevolking van wilde olifanten is misschien de hoofdoorzaak waardoor ze voedsel in de dorpen komen zoeken.’

    Huay Jaidee, een rijstboerin in het subdistrict Khlong Takrao, vertelde dat 
ze tijdens het oogstseizoen ’s nachts moest opblijven om haar rijstveld te bewaken omdat de olifanten het anders zouden vernielen. Huay, wier huis aan de twintig kilometer van Highway 3259 ligt die door het reservaat lopen, vertelde dat ze thuis nu ook krekels kweekt als tweede baan om tenminste nog wat inkomen te hebben als haar oogst wordt verwoest door 
olifanten. ‘De beste plek om krekels te verkopen is een markt in Sa Kaeo. Maar ik moet door het reservaat rijden om er te komen, dus ik zou dubbel in de moeilijkheden komen als de regering beslist om de weg permanent af te sluiten,’ zei ze.

    Een olifant op de snelweg. Sommige wegen worden ’s nachts gesloten om botsingen te voorkomen. – © Getty Images
    Een olifant op de snelweg. Sommige wegen worden ’s nachts gesloten om botsingen te voorkomen. – © Getty Images

    Lokale inwoners en regeringsinstanties hebben maatregelen getroffen, zoals het graven van sloten om de grens tussen mens en olifant duidelijk te markeren, maar die werken maar tot op zekere hoogte en hebben niet alle dieren tegengehouden. ‘Olifanten zijn intelligente wezens. Ze hebben in de loop der tijd geleerd hoe ze de hindernissen kunnen slechten die wij voor ze hebben opgetrokken,’ zei Huay.

    Een paar weken geleden brak een kudde olifanten 
’s nachts ook in bij de Ban Ang Suea Dam-school om bamboe te eten. Kanchana Dit-aim, een lerares, zei dat ze zich zorgen maakte dat de olifanten ooit 
overdag zouden komen als de leerlingen aanwezig waren. ‘De school heeft voetzoekers klaarliggen om de olifanten af te schrikken en er is een noodplan opgezet om de leerlingen te evacueren naar een 
veilige plek.’

    Kanjana Nitaya, de directeur van het Wildlife Conservation Office van de DNP, erkent dat er toenemende conflicten zijn tussen de mensen die rondom het woud wonen en de wilde olifanten, en dat er al een tijd wordt gewerkt aan een oplossing. ‘Sommige boeren nemen strenge maatregelen tegen de olifanten, zoals elektrische hekken plaatsen of op ze schieten. Dat is niet de juiste manier en wij proberen meer begrip te kweken bij de mensen en constructievere oplossingen te zoeken.’ Als je ze uiteenjaagt met 
voetzoekers kan dat de olifanten 
angstig maken en dan zouden ze 
de dorpelingen kunnen aanvallen, voegde ze er nog aan toe.

    Terugjagen naar het bos

    Als een soort voorlopige oplossing 
proberen mensen van de DNP samen met vrijwilligers wilde olifanten op te sporen en ze terug te jagen naar het bos. Een effectievere manier om te voorkomen dat de olifanten oogsten beschadigen, is het plaatsen van door bijenkorven gevormde omheiningen. Als de olifanten daar in de buurt komen, jagen de bijen ze weg zonder de dieren kwaad te doen. De DNP is 
ook van plan om in het bos voedsel voor de olifanten te gaan verbouwen.

    Maar om conflicten tussen mens en olifant te veranderen in harmonie tussen mens en olifant, moeten de mensen de aard van de dieren begrijpen en leren met hen samen te leven. ‘Wij dringen ook binnen in het woud. Daarmee bezorgen we de olifanten, 
die toch al moeite hebben om voedsel te vinden, nog meer overlast. We horen geen inbreuk te maken op hun leefgebied,’ zei Kanjana.

    De bossen in Thailand zijn, door de ontwikkeling en uitbreiding van menselijke nederzettingen, enorm gefragmenteerd. Als die verder aangetast worden, vermindert dat de kans om de afzonderlijke stukken weer met elkaar te verbinden.

    Komsan Chartputhorn van het Khao Ang Rue Nai-reservaat zei dat menselijk gedrag een aanzuigende werking kan hebben op olifanten die oogsten vernietigen. In het verleden aten de olifanten bijvoorbeeld geen papaja’s, maar verkopers lieten overrijpe vruchten op de weg achter als voedsel voor de olifanten. Die zijn papaja’s lekker gaan vinden en gaan er nu zelf achteraan. Dit toont aan dat mensen het consumptiegedrag van olifanten kunnen veranderen, zei hij nog. Daarom is het van belang om mensen te leren dat ze wilde dieren niet moeten voederen.

    Er moeten wildcorridors worden aangelegd om olifanten binnen hun natuurlijke leefomgeving te houden

    Het verbeteren van de habitat van olifanten, vrouwtjesolifanten voorbehoedsmiddelen toedienen en elektrische hekken plaatsen om olifanten weg te houden bij landbouwgronden zouden volgens EEPSEA-onderzoek conflicten tussen mens en olifant tegen kunnen gaan. Het wijst ook uit dat in sommige gebieden verplaatsing van de olifanten naar elders op de lange termijn noodzakelijk kan zijn.

    Volgens Kanjana moeten er ook wildcorridors worden aangelegd om de olifanten binnen hun natuurlijke leefomgeving te houden. Die zouden tevens kunnen dienen als verbinding tussen de gefragmenteerde stukken bos.

    De DNP en andere experts hebben een oplossing van het mens-olifantconflict voorgesteld als onderdeel van het hervormingsplan voor natuurlijke hulpbronnen en het milieu. Dat plan wordt nog bestudeerd door de overheid, maar men verwacht dat het binnenkort wordt uitgevoerd. Volgens het plan moet ook een lijst van bedreigde dieren worden opgesteld, plus de ernst van hun situatie. En hun leefomgevingen moeten worden verbeterd, met meer voedsel- en waterbronnen.

    Auteur: Dumrongkiat Mala
    Vertaler: Tineke Funhoff

    Bangkok Post
    Thailand | dagblad | oplage 55.000

    In 1946 opgericht 
onafhankelijk, Engelstalig dagblad dat wordt *
gemaakt door een team internationale redacteuren.* Het richt zich op de 
stedelijke elite en expats.

  • IJslands invasieve alfaplant

    IJslands invasieve alfaplant

    Eerst werd de Alaska-lupine nog verwelkomd als bedekker voor de geërodeerde grond. Maar nu is men de ‘kwaadaardige paarse indringer’ beu. De spanningen tussen voor- en tegenstanders lopen hoog op.

    Twee jaar voordat Neil Armstrong de eerste stap op de maan zette, ging hij op zalm vissen in het noorden van IJsland. In een plaatselijk museum hangt een foto waarop hij in een rivier staat – maar het fotootje is zo klein dat ik aanvankelijk dacht dat het slechts een sfeerbeeld was, bedoeld om te laten zien hoe mensen in de jaren zestig hun vrije tijd doorbrachten. Met een flauwe glimlach houdt de 36-jarige Armstrong zijn hengel vast. Hij zou kunnen doorgaan voor een IJslander, ware het niet dat hij een honkbalpetje draagt, en 
een dure pilotenzonnebril. En vier lagen kleren.

    Armstrong verkeerde destijds in het gezelschap van nog enkele toekomstige ruimtevaarders, die in trainingskampen in het binnenland van IJsland verbleven. Het was zomer en door het constante daglicht werd hun uiteindelijke doel aan het oog onttrokken. Midden in de hooglanden van IJsland had de NASA een tweede maanlandschap aangetroffen: geen vegetatie, geen leven, geen kleuren, geen oriëntatiepunten. In feite was het hele gebied één uitstrekte grindvlakte. De toekomstige astronauten maakten van de gelegenheid gebruik en formeerden twee teams voor een partijtje voetbal, om de spanningen van de dag kwijt te raken. Met grote stenen markeerden ze het doel. De dichtstbijzijnde boom was vele dagen lopen in noordoostelijke richting, naar de kust, over de Hólasandur, de zwarte zandwoestijn. En dan nog zou de boom in kwestie niet veel langer zijn geweest dan Armstrongs hengel, verweerd 
zoals alles op het door erosie geteisterde Noord-Atlantische eiland.

    De term ‘maanlandschap’ wordt tegenwoordig veel gebruikt door toeristen die foto’s maken van de eindeloze IJslandse vlakten – gevormd door vulkaanuitbarstingen, bedekt met verschillende tinten lava. 
Op veel van die foto’s prijkt echter een opmerkelijk paarse indringer: de lupinus nootkatensis, ook wel de Alaska-lupine genoemd. Deze plant deed zijn intrede niet lang na de astronauten, en hij werd verwelkomd als een prima bedekker voor de geërodeerde grond. Maar geleidelijk keerde het experiment zich tegen het gebied en inmiddels wordt IJsland getekend door een permanente paarse vlek. Tegenwoordig wordt deze Alaska-lupine beschouwd als een invasieve plant, die niet alleen een bedreiging vormt voor de bestaande vegetatie maar ook voor het kale, vulkanische landschap dat geregeld wordt omschreven in termen waarin de bewoordingen doorklinken van Buzz Aldrin toen hij voor het eerst het maanlandschap aanschouwde: een desolate pracht.

    Kleur van IJsland

    Het ooit zo zwarte zand van de Hólasandur, waar 
de astronauten rondliepen, is momenteel een paarse vlakte. Met de klimaatverandering rukt de lupine 
op naar plekken die er tot dan toe van waren gevrijwaard door de koude temperaturen en de regenval. Sommige IJslanders zijn blij met deze paarse plant. De strijd om de kleur van IJsland heeft geleid tot 
een diepgaande discussie die een nieuwe vorm van identiteitspolitiek in de hand heeft gewerkt. De spanningen liepen hoog op toen afgelopen zomer enkele gemeenschappen in het oosten van IJsland – het zogenaamde maanlandschap – de bewoners opriepen de handen ineen te slaan teneinde IJslands alfaplant te verdrijven. Maar zelfs als we het er allemaal over eens zouden zijn dat de lupine een kwaadaardige indringer is die het veld moet ruimen, zouden we de plant dan ook echt weten uit te roeien?

    De lupinus nootkatensis – die oorspronkelijk voorkwam in Alaska en Brits-Columbia – is een geslacht uit de vlinderbloemenfamilie, waartoe ook de peulvruchten behoren. Hij is een specialist in fotosynthese: lupine is gastheer van bepaalde bacteriën die stikstof uit de lucht halen en doorgeven via de okselknoppen. Wanneer je de aarde onder de lupine (of peulvruchten) omspit, komt de stikstof in de aarde terecht, wat dient als mest voor de planten die volgen. Het is een elegante oplossing om uitgeputte grond van voeding te voorzien.

    De lupinus nootkatensis is ooit in een koffer in IJsland gearriveerd. De doelbewuste introductie van 
de plant in het IJslandse landschap is echter al zo’n duizend jaar geleden in gang gezet. Toen de eerste kolonisten hun Vikingschepen aanlegden, was tweederde van het eiland bedekt met groen en leefde er slechts één landzoogdier, de poolvos. De eerste mensen die zich op het eiland vestigden, hadden een scheepslading vee bij zich en namen hun agrarische manier van leven mee: ze kapten bomen en stookten het hout, zonder zich te realiseren dat de IJslandse bodem eerder uitgeput raakte en minder snel herstelde dan die van het Europese vasteland.

    Een lupineveld aan de rand van Reykjavik. – © Getty Images
    Een lupineveld aan de rand van Reykjavik. – © Getty Images

    De kolonisten van toen zouden nauwelijks de kale kustlijn van nu herkennen, die de overheid nieuw leven heeft willen inblazen door in 1908 de National Forest Service op te richten. Tegen die tijd was IJsland in ecologisch opzicht ‘het zwaarst beschadigde land van Europa’, om de beroemde polyhistor en auteur Jared Diamond te citeren. Door winderosie werd het eiland, korrel voor korrel, de zee in geblazen. De verwoesting ging onverminderd voort en halverwege de twintigste eeuw, toen andere Europese landen druk bezig waren met de wederopbouw van na de Tweede Wereldoorlog, brak de IJslandse Forest Service zich het hoofd over een heel andere vorm van verwoesting: de IJslanders hadden roofbouw gepleegd op hun eiland, ze hadden de berkenbossen gekapt en er was sprake van overbegrazing van het land. Van de oorspronkelijke vegetatie restte nog slechts 25 procent.

    De Forest Service stuurde het hoofd, Hákon Bjarnason, naar Alaska, om daar drie maanden lang alle zaden van alle planten en bomen te verzamelen waarvan hij meende dat ze de natuur van IJsland een nieuwe impuls zouden kunnen geven. De dag dat hij huiswaarts keerde, 3 november 1945 – zoals uit het stempel in zijn paspoort blijkt – is de dag waarop de IJslandse lupinelegende een aanvang neemt.

    De eerste drie decennia leeft de plant in de groene ruimten in de buurt van de hoofdstad Reykjavik. Árni Bragason, hoofd van de Soil Conservation Service of Iceland, zegt dat pas in 1976 actief lupinezaad werd verzameld en in het wild uitgestrooid, met de bedoeling de kwetsbare grond in het land een extra impuls te geven. De lupine deed het uitstekend en fungeerde als een soort mestfabriek. Het hele landschap kleurde roze zonder dat er veel kosten mee waren gemoeid en zonder dat er speciaal mensen voor hoefden te worden opgeleid: werkelijk iedereen kon de zaden verzamelen, die in een gat ter grootte van een schoenzool strooien en – abacadabra – geleidelijk zag je het landschap veranderen. Misschien wel voorgoed.

    Pas na enkele tientallen jaren werd mij enigszins duidelijk wat deze paarse plant heeft gedaan met 
de psyche van mijn landgenoten. IJsland is verdeeld in twee kampen en de splijtzwam is de lupine.

    Nadat ik de groep heb aangeklikt, bombardeert Facebook me met advertenties voor lupinekruidenthee, een drank die wordt verkocht in plastic anderhalveliterflessen van maar liefst 19 dollar – wat nog niet eens zo’n gekke prijs is voor een drankje dat zou helpen tegen “slechte doorbloeding, Parkinson en kanker”, om maar een greep te doen

    In 2006 posteerde ik me voor de ingang van een supermarktje in Selfoss, in het zuiden van IJsland, met een notitieblokje en een goedkope camera, 
die ik te leen had gekregen van een lokale krant, 
de Sunnlenska. Ik was op zoek naar mensen die hun mening wilden geven voor ‘De vraag van de dag’, 
een column waarin toevallige voorbijgangers wordt gevraagd zich uit te spreken over een heet hangijzer, een onderwerp waar ze gewoonlijk niet al te veel van afweten, waarna ze ook nog – na enige intellectuele gêne – op de foto worden gezet, voor bij het stukje.

    Milieukwesties liggen altijd gevoelig – welk normaal mens gaat boodschappen doen om een gesprek te voeren over de vraag of de aarde al dan niet ten dode is opgeschreven? Maar die dag bleek ik een wel zeer gevoelige snaar te raken met een zo op het oog redelijk onschuldige vraag: hoe kijkt u aan tegen de lupinus nootkatensis?

    Iedereen vond er het zijne van. Veel van de mensen die ik sprak hadden de lupine letterlijk zien oprukken. Wie aan het begin van de zomer over IJslands Route 1 rijdt, die alle kleine dorpjes en steden van het eiland met elkaar verbindt, heeft het gevoel dat hij over een weg rijdt die dwars door de lupinevelden is aangelegd, alsof de bloemen er eerder waren dan de weg. Dat is niet het geval. In de loop der jaren is het enthousiasme van de Forest Service overgeslagen 
op veel van de inwoners, die in het wilde weg zaden hebben meegenomen naar andere steden, andere valleien en zelfs naar enkele eilandjes voor de kust. Er is geen IJslander die zich níét heeft vergaapt aan de paarse vlakten. En velen zijn dol op de lupine.

    De Facebookgroep Vinir lúpínunnar, ‘Vrienden van de lupine’, die momenteel zo’n 2800 leden telt, maakt duidelijk hoeveel steun er onder de IJslanders is voor de lupine. Sommige leden roemen de eigenschappen van de bloem als middel om de ontbossing te keren: bomen die in de buurt van lupine worden geplant, profiteren van de rijke grond. Zodra de bomen groot genoeg zijn, nemen ze het licht weg van de bloemen, die bijna een meter hoog kunnen worden. In het ideale geval zullen na zo’n 25 tot 30 jaar de lupines als vanzelf verdwijnen en is de grond vruchtbaar genoeg voor andere vegetatie. Sommige leden van 
de Facebookgroep zijn voorstander van de lupine vanwege de esthetische waarde. Ze posten filmpjes en foto’s, zonder er ook maar een moment bij stil 
te staan dat de plant niet inheems is.

    De vrienden van de lupine zijn met name gecharmeerd van zogeheten ‘voor en na’-foto’s. En natuurlijk probeert men munt te slaan uit die geestdrift. Nadat ik de groep heb aangeklikt, bombardeert Facebook me met advertenties voor lupinekruidenthee, een drank die wordt verkocht in plastic anderhalveliterflessen van maar liefst 19 dollar – wat nog niet eens zo’n gekke prijs is voor een drankje dat zou helpen tegen ‘slechte doorbloeding, Parkinson en kanker’, om maar een greep te doen.

    De mensen bij de supermarkt die op mijn vraag ingingen, waren duidelijk in twee kampen te verdelen: pro en contra lupine. Het is volkomen zwart-wit. De meeste antwoorden waren echter lang en emotioneel geladen, allesbehalve objectief, noch wetenschappelijk onderbouwd.

    Balanceeract

    De eerste twee mensen vertelden verhalen over de magie van de lupine: dat hij erosie en afstuiving tegengaat en dat er dankzij lupine weer bomen 
kunnen worden geplant. De derde zei dat de lupine het uitzicht uit zijn zomerhuisje had verpest. De vierde beweerde in zijn vrije tijd lupinevelden leeg 
te ruimen maar durfde daar niet openlijk voor uit te komen. Vrijwel iedereen voorspelde twee verschillende toekomstscenario’s: een toekomst met lupine en een toekomst zonder lupine. Mijn vijfde respondent stak een lange tirade af, die ik zou willen terugbrengen tot een enkele vraag: ‘Waarom heeft niemand hier een stokje voor gestoken?’

    Het is een balanceeract om IJsland weer groener te maken: we willen de natuur herstellen in de oude glorie, met onze op natuurlijke wijze ontstane vulkanische woestijnen, maar daarnaast moeten we de vegetatie herstellen die verloren is gegaan. De voor- en tegenstanders hebben allebei valide argumenten.

    Ongeveer 0,4 procent van het oppervlak van het eiland is bedekt met lupine, als we afgaan op schattingen op grond van luchtfoto’s. Dat klinkt niet veel, maar in aanmerking genomen dat slechts 400 vierkante kilometer van het eiland bebost is, gaat het toch om een heleboel lupine. En terwijl de aangeplante bossen in 2085 naar verwachting 1,6 procent van het oppervlak zullen bedragen, zou het aandeel van de paarse bloemen wel eens in de dubbele cijfers kunnen komen, mede dankzij klimaatverandering en menselijke activiteit. ‘Exponentiële groei is de natuur van invasieve soorten,’ zegt botanist Pawel Wasowicz, de lupine-expert van het Iceland Institute of Natural History. Naar zijn inschatting zal de groeicurve ergens in de volgende twee decennia een spectaculaire piek vertonen.

    Volgens het Institute of Natural History zijn maar weinig landen zo gevoelig voor het broeikaseffect 
als IJsland, aangezien invasieve soorten een ongekend groot vermogen hebben om de bestaande vegetatie te verdringen en op te rukken naar de hoger gelegen binnenlanden, waar het momenteel voor de meeste planten nog te koud en te nat is. Met andere woorden: dit op natuurlijke wijze ontstane maanlandschap zou kunnen verdwijnen. Als de klimaatverandering in dit tempo doorgaat, zou de lupine over dertig jaar een groot deel van het hoger gelegen land kunnen innemen, blijkt uit een onderzoek dat in 2013 is verschenen in het blad Flora. Hjörleifur Guttormsson, een 82-jarige naturalist en voormalig parlementslid, tevens een van de eerste tegenstanders van de plant, zegt: ‘Alles behalve de gletsjers is een mogelijke ondergrond voor lupine.’


    ‘We zijn op een keerpunt aangeland,’ beaamt Bragason van de Soil Conservation Service. ‘Het beste wat we nu kunnen doen, is proberen consensus te bereiken over waar we de plant willen toelaten. Dat is al moeilijk genoeg.’ Bragason is van mening dat de beschadigde kustgebieden het ideale terrein vormen voor 
de lupine, met bergen en rivieren als natuurlijke grenzen. Daar kunnen de positieve effecten zich 
aftekenen op zowel de korte als de lange termijn: het voorkomen van zandstormen en het creëren van een vruchtbare voedingsbodem voor herbebossing. Niet ver van de vulkaan de Hekla, waar door de veelvuldige uitbarstingen in de loop der jaren een immens berkenbos verloren is gegaan, heeft de Soil Conservation Service met behulp van de magische lupine delen van het bos nieuw leven weten in te blazen. Het zou veel tijdrovender en duurder zijn geweest om gebruik te maken van inheemse planten en bemesting.

    Er zijn maar weinig regio’s die over de middelen beschikken om het landjepik van de lupine een halt toe te roepen. Met het uitroeien van de plant blijkt zo’n drie tot vijf jaar te zijn gemoeid. Wanneer ik lúpína drepa – ‘lupine doden’ – intik in mijn zoekmachine, kom ik terecht op diverse blogs waar het proces in allerlei militaristische termen wordt beschreven. De lupine blijkt vijanden te maken onder de bevolking zodra hij aangrenzende bessenvelden 
binnendringt. Gewapend met grastrimmers slaan 
de IJslanders de handen ineen om de indringers het hoofd te bieden. De gehanteerde methode is om de lupine aan het begin van de zomer te kortwieken, nog voordat de plant zaadjes heeft gemaakt, op een moment dat de wortels het snoeien vermoedelijk niet te boven zullen komen. Afgelopen zomer zijn in drie plaatsen in het oosten van IJsland grastrimmers uitgeleend aan alle vrijwilligers die wilden deelnemen aan de moordpartij. Het voornemen is om elk jaar een uitroeiactie te organiseren, net zo lang totdat ‘de plant is verdrongen, in ieder geval uit onze natuurgebieden’, aldus Anna Samúelsdóttir, hoofd van de milieudienst van de gemeente Fjardabyggd, die het voortouw heeft genomen bij deze vernietigingsexpeditie. Haar inspanningen hebben de landelijke pers gehaald, omdat dergelijke gecoördineerde acties, met een hoge participatiegraad, een nieuw fenomeen zijn in IJsland.

    ‘De mensen zien dat het lupinelandschap zich als een sneeuwbal uitbreidt,’ zegt Samúelsdóttir. Sterker nog, in de afgelopen vijftien jaar heeft de plant zich in delen van oostelijk IJsland vervijfendertigvoudigd, met name op plekken waar voorheen inheemse planten groeiden. ‘Als je in het midden van een lupineveld naar beneden kijkt, zie je de grond niet eens omdat het zo dicht begroeid is. Kraaiheibessen, blauwe bessen en blauwe bosbessen – allemaal verdwenen.’

    Ondertussen wordt het initiatief van Samúelsdóttir op de Facebookpagina van de lupinelobby gezien als een regelrechte oorlogsverklaring. ‘Snoei maar lekker raak’, schrijft een van de leden, doelend op de guerrilla-achtige methoden die de lupineactivisten hanteren. ‘Ik ga daarna gewoon met een zak vol zaden naar diezelfde plek.’ Iemand anders oppert dat het streven van de oostelijke IJslanders om het land lupinevrij te maken, tekenend is voor hun xenofobie: men zou niets moeten hebben van alles wat afkomstig is uit het buitenland.

    Niemand had rekening gehouden met de hardnekkigheid van een mooie bloem, niemand had voorzien dat IJsland paars zou kleuren

    Van de twaalf mannen die tussen 1969 en 1972 voet op de maan hebben gezet, hebben er negen eerst de geologie van IJsland bestudeerd, vanuit de gedachte dat ze zo een beter beeld zouden krijgen van de geologie van de maan. NASA had ooit die parallel getrokken op grond van beelden die jaren eerder waren gemaakt vanuit een satelliet die in een baan om 
de aarde cirkelde: de hoogvlakten van de maan (van grote afstand zichtbaar als de lichtere delen van het oppervlak) deden sterk denken aan de desolate binnenlanden van IJsland. Op 24 juli 1969 landde de Apollo 11 weer op de aarde met aan boord een geologisch monster – een stukje maan. De gelijkenis met IJsland bleek oppervlakkig.

    In 1945 keerde de Indiana Jones-achtige bosbeheerder Hákon Bjarnason terug van zijn onderzoekingen in Alaska. Hij was het vliegtuig nog niet uit of hij zei tegen een verslaggever dat IJsland met enige moeite zou kunnen gaan lijken op de kuststreek van Alaska, met hoge bomen en veel bessenstruiken. Het klimaat in beide landen vertoonde opmerkelijk veel overeenkomsten. Maar ook hier bleken de overeenkomsten uiteindelijk slechts oppervlakkig.

    Achteraf gezien zijn de hooggespannen verwachtingen zeer begrijpelijk. In de jaren na 1945 kwamen we terecht in een technologische stroomversnelling. Het was een tijd waarin we meenden de natuur de baas te zijn, waarin we zelfs meenden de zwaartekracht te kunnen trotseren door mensen naar de maan te sturen. Niemand had rekening gehouden met de hardnekkigheid van een mooie bloem, niemand had voorzien dat IJsland paars zou kleuren.

    Auteur: Egill Bjarnason

    Hakai Magazine
    Canada | hakaimagazine.com

    Onlinetijdschrift dat verhalen publiceert over kustgebieden. De medewerkers komen van over de hele wereld, de redactie is gevestigd in Victoria, Brits-Columbia. Hakai wordt gefinancierd door de Tula Foundation.

  • De laatste hippies  van Hawaii

    De laatste hippies van Hawaii

    De paradijselijke Kalalau-vallei op Hawaii is al sinds de jaren zestig een toevluchtsoord voor hippies, new agers en backpackers. Maar na een halve eeuw wil de overheid van de illegale bewoners af.

    De eerste mens die ik ontmoet in de Kalalau-vallei is een Irakveteraan zonder schoenen maar met een door de zon gebleekte REI-rugzak, die als een trofee over zijn getatoeëerde schouders hangt. Barca – zoals hij zichzelf noemt – had gehoord dat een kajakker de rugzak in een grot aan het strand had achtergelaten. Hij ging als een speer naar de rotsen omdat hij die rugzak wilde hebben.

    Bezoekers laten hier van alles en nog wat achter. Ik zie een klapstoel met een kapotte armleuning. Ergens anders een halfvol brandstoftankje. En nu dan die rugzak – het is een heuse schat.

    ‘Weet je hoeveel zo’n ding kost?’ wil Barca van mij weten.

    In dollars, bedoel je? Hooguit tien.

    ‘Veel!’ antwoordt hij voordat ik ook maar iets kan zeggen.

    Barca is vierendertig en hij scharrelt zijn kostje bij elkaar diep in het Nāpali Coast State Park aan de westkust van Kauai. Het middelste gedeelte van het tweeënhalfduizend hectare grote natuurpark – de Kalalau-vallei – vormt een natuurlijk amfitheater dat aan de ene kant wordt begrensd door zee en niets dan zee. De steile, groene wanden van de vallei rijzen aan drie kanten op, als gordijnen die het afschermen van de rest van het eiland. Door alle kieren en spleten lopen glasachtige banen water, die naar beneden storten van een grotere hoogte dan bij de Yosemite Falls. Dit afgelegen paradijs, waar zich honderden jaren geleden Polynesische pioniers hebben gevestigd, is niet minder dan een wilde tuin, een hoorn des overvloeds die vrijwel alles biedt wat een vernuftig mens nodig heeft om in leven te blijven. ‘Als de mens ergens een paradijs heeft weten te creëren, dan is het hier,’ zegt Barca. ‘In het avocadoseizoen eten we avocado’s. En als het mangotijd is, eten we mango’s.’

    Een soort kraker

    Voor wie zich mocht afvragen of het is toegestaan om hier zo te leven: het antwoord is nee. In de ogen van de Hawaïaanse overheid is Barca een soort kraker. Hij doet het milieu geweld aan, hij overtreedt wetten en regels, hij moet verdwijnen. In Barca’s ogen is dit, niet verwonderlijk, laster. ‘Als je niet met je hele wezen van deze plek houdt, kun je hier niet leven,’ zegt hij. Hoewel hij er nog maar acht maanden woont, waarmee hij naar valleimaatstaven een betrekkelijke nieuwkomer is, is hij al hard op weg een expert te worden in wat hij ‘kalalaulogie’ noemt. Niet alleen is hij afvalrecylcer, hij is ook beschermer van het land, tuinier, botanist, cultureel tolk en anarcho-theoreticus. Hij heeft de gewoonte om tijdens het praten te grijnzen en met een hand over zijn sikje te strijken. Dat geeft hem een ondeugende uitstraling, die zijn anti-establishmentopvatting nog eens extra benadrukt. Hij heeft geen goed woord over voor het groepje toeristen dat op maagdelijke gore-tex-wandelschoenen een beekje oversteekt. ‘De meeste mensen die hier komen hebben geen idee hoe ze in het wild moeten overleven,’ zegt hij. ‘Ze begraven hun eigen poep niet eens!’

    Ik word nogal overvallen door alle kritiek die hij spuit terwijl ik nog maar net vijf minuten in de vallei ben – en ik kan niet al te veel hebben aangezien ik voor dag en dauw ben opgestaan om de kleine dertig kilometer hiernaartoe te lopen. Ik heb even helemaal geen behoefte aan een feestmaal van mango’s of een gesprek over toiletgang in het wild. Het enige wat ik wil is een plek om mijn rugzak neer te zetten, een rugzak waar ik tweehonderd dollar voor heb neergeteld en die ik heb volgestouwd met gevriesdroogd eten voor een week – erger kan haast niet. Maar waar moet ik slapen? Er worden geen kampeervergunningen verstrekt in het paradijs en ik had er geen kunnen bemachtigen voordat ik op stel en sprong aan deze reis begon, dus of ik het nou wil of niet, ook ik ga de regels overtreden. Ik vraag Barca of hij een onopvallende plek weet om mijn tent op te zetten. ‘Kom maar mee,’ zegt hij. Hij wikkelt een keffiyeh [Arabische sjaal] om zijn hoofd tegen de zon. Hij haalt een oud gasje van een andere kampeerplek en zegt dat hij de ideale schuilplek voor me weet. Voor ik er goed en wel erg in heb is hij al op weg, springend op zijn blote voeten van de ene kei op de andere. Ik kijk rechts van me naar beneden: de duizelingwekkende aanblik van de golven die dertig meter in de diepte stukslaan op geërodeerde stenen. Dan lopen we om een grote kei en Barca wijst op een tunnel in de struiken, die uitkomt op een kampeerplek die onzichtbaar is voor de rangers die vanuit een helikopter op wildkampeerders jagen.

    Nadat ik mijn spullen daar heb neergezet, ga ik met Barca naar het witte zandstrand, waar hij me zijn levensverhaal vertelt. Na tien jaar geleden in Irak te hebben gediend, kostte het hem grote moeite om in het reine te komen met het feit dat hij mensen had gedood, en dat hij ook bijna zelf het leven had gelaten. ‘Toen ik terugkwam uit Irak had ik behoorlijk wat issues,’ zegt hij.

    Hij werkte als archeoloog in Noord-Californië, maar het was hem al snel duidelijk dat hij niet echt paste in de moderne samenleving. Hij had het gevoel dat zijn hoofd, dat door de oorlogsjaren flink in de war was geraakt, rust nodig had. Het stond hem geweldig tegen om zich in een huis in een buitenwijk te verschansen, afgeschermd van zijn buren door dikke muren, om belasting te betalen en zo een systeem in stand te houden waarin hij niet langer geloofde. Zelfs de gedachte om elke ochtend een koffie te gaan halen – bij die multinational met het zeemeerminlogo – kon hij niet aan. ‘Het was zwaar om terug te keren naar het echte leven en alle onbenulligheden van alledag serieus te nemen,’ zegt hij. Hij werd boos. Hij dronk en ging op de vuist. Van een vriend hoorde hij over deze droomachtige vallei in Hawaï, waar je in het eeuwige heden kon leven. Kalalau. Hij ging erheen. Hij ging niet meer weg. ‘Ik geloof niet dat ik me ooit eerder ergens zo thuis heb gevoeld,’ zegt hij, waarna hij zijn camouflageshorts uittrekt en in de golven duikt.

    1. De afwezigheid van vrouwen leidt tot een overdaad aan testosteron; 2. Een zeldzaam luxe-item: een handgemaakt kastje. (Zie verder hieronder)
    1. De afwezigheid van vrouwen leidt tot een overdaad aan testosteron; 2. Een zeldzaam luxe-item: een handgemaakt kastje. (Zie verder hieronder)

    3. Barca, de eerste bewoner die de auteur ontmoet, met zijn schat: een rugzak; 4. Vrouwen wagen zich nauwelijks in de vallei, en meestal blijven ze niet lang; 5. De valleibewoners bouwen geïmproviseerde woningen, die ook tot vervuiling leiden; 6. Bewoner Stevie heeft er na 35 jaar genoeg van en vertrekt per kajak. – © Brendan Borrel

    Barca is niet de enige die zich zo sterk met deze plek verbonden voelt. Sinds de jaren zestig, zo niet eerder, oefent de Kalalau-vallei een grote aantrekkingskracht uit op langharige hippies, new agers die kristallen strelen, backpackers die geen deo gebruiken en talloze anderen die op zoek zijn naar een spirituele wedergeboorte – of op zijn minst een mooie plek om naakt te zwemmen. Tijdens de Vietnamoorlog woonden er een paar dienstweigeraars en gedesillusioneerde veteranen in de boomhutten aan het einde van de verharde weg in het noorden, en zij realiseerden zich dat dit de ideale plek was om in de zomer marihuana te verbouwen.

    Het waren de hoogtijdagen van de alternatieve beweging, maar met het verstrijken van de jaren liep het idealisme stuk op de wanordelijkheid van de gemeenschap. Het toevluchtsoord veranderde van een idyllische commune in een party zone voor millennials en zelfs een keer in een piratennest. Inmiddels begint het geduld een beetje op te raken. Nadat een jaar geleden een vrouw uit de buurt omkwam bij een auto-ongeluk met Coday Safagado, een voortvluchtige die dat voorjaar een tijdje in Kalalau doorbracht, besloot de overheid hard op te treden tegen de illegale bewoners. Vorig jaar zijn in totaal vierendertig mensen op de bon geslingerd en is in ieder geval één man geboeid afgevoerd. Barca is er zonder kleerscheuren van afgekomen. ‘Ik woon hier godverdomme, en ik weet waar ik naartoe moet vluchten,’ zegt hij. ‘Dit is mijn thuis en ik kan me sneller verplaatsen in mijn eigen huis dan jij.’

    Op Kauai is echter weinig sympathie voor de illegale bewoners. Tijdens de invallen zijn foto’s gemaakt waarop de lokale bevolking duidelijk kan zien hoe goed geoutilleerd de kampen in de vallei inmiddels zijn. In een van de kampen staan een stenen pizzaoven en een tweepersoonsbed op een bamboe onderstel. Ook was er, zoals de overheid het enigszins overtrokken formuleert, sprake van een ‘professionele marihuanaplantage’, compleet met zonnepanelen en daarop aangesloten lampen. De vallei doet ook dienst als geheime bioscoop en bibliotheek – een bedompte tent vol klassiekers zoals The Joy of Partner Yoga en een boek met songteksten van Cat Stevens. Al met al heeft de overheid zo’n tweeënhalve ton afval afgevoerd. ‘Er leefde het idee dat ze bepaalde rechten hebben,’ zegt Curt Cottrell, hoofd van de staatsparken van Hawaï. ‘Er werd gepoept op archeologische vindplaatsen, of ze groeven als katten een gat in het strand.’

    Het leven hier is alsof je elke ochtend een Prozac neemt, maar dan zonder de nare bijwerkingen. Een vruchtensmoothie voor de ziel

    Alle stampei riep wezenlijke vragen op over ras, soevereiniteit en de toekomst van de natuur in het moderne, kapitalistische Hawaï. Hoe heeft de gemeenschap het meeste baat bij een plek als Kalalau, met zijn gecompliceerde geschiedenis? Wordt het eiland uitgeleverd aan rijke toeristen die al zes maanden van tevoren een vergunning aanvragen of aan mensen die tweehonderd dollar per persoon neertellen voor een helikoptertour van een uur? Of behoort het nog altijd toe aan de oorspronkelijke Hawaïanen die er zelden komen, maar wier voorouders als eersten het landschap hebben vormgegeven? En wat te doen met de haole (blanke) overtreders, zoals Barca, die, op hun eigen rommelige wijze, het hippieproject van de jaren zestig voortzetten en nog enige structuur aanbrengen in de vallei waar de overheid slechts sporadisch aanwezig is?

    Voor mensen die vrijwel niets hebben is de vallei onmiskenbaar een van de meest begerenswaardige plekken op aarde om te ontsnappen aan de regels en de rituelen van het moderne bestaan, om een simpeler leven te leiden, om je eigen kostje bij elkaar te scharrelen. Barca noemt het een ‘Disney-woud’, een tropisch toevluchtsoord, maar dan zonder giftige slangen en hongerige tijgers, waar ook nog eens iedereen Engels praat en er min of meer hetzelfde uitziet. Het leven hier is alsof je elke ochtend een Prozac neemt, maar dan zonder de nare bijwerkingen. Een vruchtensmoothie voor de ziel, zoiets. Het enige wat ik weet is dat ik het een keer wil meemaken voor het te laat is.

    Reputatie van wetteloosheid

    Eind achttiende eeuw voer George Dixon, een Engelse bonthandelaar die ooit onder kapitein James Cook had gevaren, langs deze kust en stelde vast dat het gebied volkomen onontgonnen was. ‘De kust langs het water bestaat voor het grootste deel uit bergen en is moeilijk toegankelijk,’ schreef hij. ‘Ik zag nergens vlak terrein en ik zag ook niets waaruit bleek dat dit deel van het eiland bewoond was.’ Dixon had het natuurlijk mis. De rieten hutten gingen volkomen op in het groen. In Kalalau, dat zo’n tachtig hectare landbouwgrond heeft, woonden vermoedelijk enkele honderden mensen, afgaande op verschillende tellingen van missionarissen. De oudste menselijke nederzetting op Kauai dateert, voor zover we weten, uit de tiende eeuw, en was gelegen op Kēʻē Beach – het beginpunt van de Kalalau Trail.

    Hoewel de Nāpali-kust meestal wordt omschreven als een ‘wildernis’, heeft het meer weg van een verlaten supermarkt te midden van adembenemend natuurschoon. De plek wordt doorsneden door stenen muurtjes, overblijfselen van de terrassen, ofwel de lo‘i, die de Hawaïanen honderden jaren geleden hebben aangelegd om taro te verbouwen, de zo belangrijke kanoplant die de Polynesiërs naar de andere kant van de Stille Zuidzee hebben gebracht. De mensen die zich hier vestigden hebben het oorspronkelijke kreupelbos geleidelijk vervangen door kukuinoten en gember, en pili voor hun rieten daken.

    Latere bewoners en blanke boeren importeerden vee, zoals geiten, varkens en koeien. Ook plantten ze guave en jambolan, dat inmiddels een groot deel van de vegetatie uitmaakt. ‘Zoals voor veel laaggelegen gebieden in Hawaï geldt, hebben geïntroduceerde gewassen zich verspreid en overheersen grote delen van het park’, staat te lezen in een verslag van de Division of State Parks uit 1990. De Kalalau-vallei, de grootste vallei in het park, is een van de weinige plekken op Kauai waar je niet elke ochtend hanen hoort kraaien. In plaats daarvan wemelt het in de bossen van een andere immigrant, Erckels frankolijn – een fazantachtige uit Afrika.

    Terwijl uit dit allegaartje geleidelijk het ecosysteem van de vallei vorm kreeg, ontstond ook langzaam de reputatie van wetteloosheid. In 1893, nadat een groep Amerikaanse zakenlieden de koningin van de troon hadden gestoten van wat destijds het Koninkrijk Hawaï was, besloten ze de oorspronkelijke Hawaïanen op te pakken – met als argument dat ze in quarantaine moesten vanwege lepragevaar. Sheriff Louis Stoltz en twee van zijn mannen gingen naar Kalalau om een bende leprozen weg te halen. Daar schoot een cowboy, die luisterde naar de naam Kaluaikoolau, or Ko’olau, de sheriff dood met twee kogels uit zijn geweer. Zo werd Ko’olau de held van het plaatselijke verzet. Een klopjacht eiste nog meer slachtoffers en Ko’olau bleef in de vallei zitten. Hij werd verder met rust gelaten en stierf twee jaar later een natuurlijke dood. ‘Hij had geleefd als een vrij man, en hij stierf als een vrij man’, schrijft auteur Jack London in een kort verhaal over het leven van Ko’olau.

    Kameaoloha Hanohano-Smith, wiens overgrootvader deel uitmaakte van de laatste generatie die is opgegroeid in Kalalau, zegt dat het even duurde voordat het tot de Hawaïanen doordrong wat er met hun cultuur gebeurde. ‘De ene dag waren we nog een koninkrijk, de volgende dag maakten we deel uit van de Verenigde Staten,’ zegt hij.

    In december 1959 plaatste het tijdschrift Ebony een artikel over de enige permanente bewoner van Kalalau: Bernard Wheatley, een zwarte arts (‘een zonderling, een heilige, een schizofreen en een genie’) die daar tien jaar lang in een grot woonde totdat de plek werd overspoeld door hippies. ‘Het langharige volk zoekt een plekje in de zon op Kauai’, luidde een kop uit die tijd. In 1974 kocht de Hawaïaanse overheid het gebied op en verdreef de illegale bewoners voordat de vallei in 1979 tot ‘state park’ werd bestempeld. Maar ze kwamen terug. Ze komen keer op keer terug.

    ‘Wij houden van onze vrijheid en zijn op zoek naar een betere plek om te leven, waar we niet door de maatschappij aan banden worden gelegd,’ aldus Billy Guy, die voor het eerst in de Kalalau-vallei kwam nadat hij als hospik had gediend in de Vietnamoorlog. Hij komt telkens weer terug, voor langere periodes. ‘Het is de verwezenlijking van een droom. Halverwege de jaren negentig dartelden er zo’n vijftig tot zestig haole in het paradijs dat de kanaka – de autochtone Hawaïanen – hadden geschapen.’

    Op mijn tweede ochtend in Kalakau besluit ik op zoek te gaan naar de gemeenschappelijke moestuin. Vanaf het strand loopt er een officieel pad dat zo’n drie kilometer de vallei in voert om vervolgens door te lopen op de steile achterwand. Je kunt dat pad moeiteloos een paar keer op en neer lopen voordat je een klein spoor ziet, zonder bordje. Als je dat spoor een paar honderd meter volgt opent het bladerdak zich en hoor je water murmelen bij je voeten. Een tiental rechthoekige vijvers glinstert in de zon, metershoge taroplanten ontspruiten aan het water. Er lopen paadjes om de vijvers, met aan weerszijden papaja, bananen, broodvruchten, zuurzak en kastanje – voor wie maar wil. Ooit werd van alle illegale bewoners verwacht dat ze meehielpen als ze van de vruchten wilden plukken. Maar nu is alles anders. ‘Er gelden geen regels meer,’ zegt ene Mowgli, die aanbiedt om me rond te leiden.

    Mowgli is slank en gespierd, en zijn lange bruine haar zit in een paardenstaart. Hij heeft geholpen deze ondergelopen terrassen weer te ontginnen en hij werkt misschien wel het hardst van iedereen in Kalalau. Zijn vorige kamp, op een plateau hier niet ver vandaan, hangt vol met schedels van de geiten en varkens die hij heeft geslacht, en ademt de sfeer van Lord of the Flies. De politieacties hebben hem geknakt. ‘Het is lastig om je in te zetten voor iets wat keer op keer wordt kapotgemaakt,’ licht hij toe. ‘Dit is een van de grootste toeristische trekpleisters in de vallei,’ zegt hij over de moestuin.

    ‘De mensen komen hierheen om ons te zien en om Kalalau-pizza te eten,’ zegt Mowgli’s vrouwelijke metgezel, wier enige kledingstuk een honkbalpetje is. Ze noemt zichzelf Joules. ‘Naar de eenheid van energie,’ legt ze uit.

    Ik heb mezelf vijf dagen gegund om de vallei te onderzoeken en me onder te dompelen in de hippiesfeer. Het wordt me duidelijk dat vrouwen zoals Joules – een paar uitzonderingen daargelaten – zelden langer dan een paar weken in de vallei blijven, en dat het er om de een of andere reden een stuk minder zijn sinds de invallen. Gedurende de tijd dat ik er ben is er dan ook zo’n overdaad aan testosteron in de vallei dat het bepaald geen utopische kibboets lijkt, maar eerder een geheime boomhut in de achtertuin van je vriendje, waar niet echt sprake is van begrip of respect voor meisjes. Met als verschil dat deze mannen volwassen zijn.

    In een van de lompe liedjes die ik op een avond hoor zingen, hebben ze het over ‘groupies’ die alleen maar willen profiteren en niet eens lang genoeg blijven om de afwas te doen. Toch snakken de mannen naar vrouwelijk gezelschap. ‘Als een vrouw wel besluit te blijven, zitten er elke dag wel tien mannen achter haar aan,’ aldus Stevie, een 68-jarige vrijgezel die kan bogen op 35 jaar ervaring in de vallei.

    Kalalau – of het idee van Kalalau – mag dan nog zo veel betekenen voor de illegale bewoners, zij zijn niet de enige belanghebbenden bij de toekomst van de vallei.

    Sabra Kauka, docente Hawaïaanse cultuur en voormalig voorzitter van Nā Pali Coast Ohana, een non-profitorganisatie die samenwerkt met de overheid om het natuurlijke en culturele erfgoed van de vallei te beschermen, zegt dat mensen als Barca en Mowgli niet in Kalalau zouden mogen wonen. Het is tegen de wet en het is een klap in het gezicht van de Hawaïaanse bevolking. Eind jaren tachtig nam Kauka deel aan de eerste pogingen om de vallei op te ruimen. Samen met een groep vrijwilligers zeulde ze al het afval naar het strand, waar het in stukken zeil werd geladen, die vervolgens door helikopters werden afgevoerd. ‘Ik vond het verbijsterend dat mensen die zo graag in de natuur wilden leven, er zo slordig mee omsprongen,’ zegt ze. Op een gegeven moment heeft ze de moed opgegeven. ‘Je moet geen vrijwilligerswerk doen waar je steeds kwaad van wordt.’

    Alan Carpenter, een archeoloog die is verbonden aan de state parks, vertelt over Nualolo Kai, een veertiende-eeuwse nederzetting aan de kust – enkel toegankelijk per boot en omgeven door het grootste rif van de Nāpali-kust. De afgelopen vijfentwintig jaar heeft Nā Pali Coast Ohana vrijwel al haar activiteiten geconcentreerd op die plek. Er zijn hekken neergezet om de geiten buiten te houden en er is een kleine inheemse tuin aangelegd om iets van de biodiversiteit van de regio te behouden. Op grond van de Native American Graves Protection and Repatriation Act zijn zelfs de stoffelijk overschotten van voorouders teruggehaald, die tot dan toe werden bewaard in onder meer het Bishop Museum in Honolulu.

    Momenteel worden er, onder leiding van Randy Wichman, een geschiedkundige en de huidige voorzitter van de organisatie, eindelijk plannen gemaakt om ook weer aan de slag te gaan in Kalalau. Het valt nog te bezien of ze nu zullen slagen waar ze in het verleden hebben gefaald. Wichman moet tegen wil en dank toegeven dat hij wel bewondering heeft voor de inventiviteit van de bewoners, als je ziet wat ze hebben gedaan op het gebied van de sanitaire voorzieningen, maar hij zegt ook dat ze vaak meer kwaad dan goed hebben gedaan. ‘Hun bedoelingen zijn goed, maar je vaagt de geschiedenis uit als je niet precies weet wat je in handen hebt,’ zegt hij tegen me. ‘De vallei zou adembenemend zijn als hij goed zou functioneren.’

    De mensen die hier verzeild raken zijn vaak kwetsbaar, verward en beschadigd, en hier kunnen ze helen voordat ze terugkeren naar de maatschappij. Dat heeft iets heel moois

    Ik vraag me af welke rol de illegale bewoners zullen spelen in de geschiedenis van Kalalau als over honderd jaar hun doeken zijn weggerot en hun voetpaden overwoekerd. Hoewel ze door sommigen worden verguisd en er vraagtekens worden geplaatst bij hun idealistische opvattingen, heeft dit minirijkje de moderne wereld duidelijk gemaakt hoe krachtig de invloed van de omgeving kan zijn op de collectieve psyche. De mensen die hier verzeild raken zijn vaak kwetsbaar, verward en beschadigd, en hier kunnen ze helen voordat ze terugkeren naar de maatschappij. Dat heeft iets heel moois. ‘We zijn apen met gereedschap,’ zegt Barca de eerste keer dat ik hem spreek. Deel uitmaken van een zelfvoorzienende gemeenschap appelleert aan een diepgeworteld oerverlangen. ‘Een biologische noodzaak,’ zegt hij zelf. Voor de een noodzakelijker dan voor de ander.

    Curt Cottrell, die aan het hoofd staat van de state parks, vertelt me dat toen hij in 1983 als ‘bebaarde hippie’ naar Hawaï ging, de Kalalau Trail een van zijn twee voornaamste reisdoelen was. (Het andere doel was de top van de Mauna Loa halen.) Toen zijn vergunning was verlopen wist hij de rangers te ontlopen door een paar honderd meter te zwemmen naar Honopū, de dichtstbijzijnde baai. Ik vraag hem of er ooit een dag zal komen dat het park de hippiebewoners zal gedenken. Hij weegt zijn woorden met zorg. ‘Het is niet zo dat wij dit deel van de geschiedenis willen uitwissen,’ zegt hij. ‘Maar momenteel voelen we niet de behoefte aan enige vorm van viering. Eerst willen we orde op zaken stellen in de vallei.’

    Dat kon nog wel eens lastig worden. De organisatie heeft 117 medewerkers, verspreid over de vijftig state parks in Hawaï. Kalalau geniet prioriteit, maar er zijn zo veel plekken waar de illegale bewoners zich kunnen verschuilen dat het ondoenlijk is om ze allemaal op te pakken. De dienst heeft gevraagd om extra budget zodat er permanent twee medewerkers in de vallei kunnen worden gestationeerd. Het verzoek is afgewezen.

    Kalalau is nu al een heel andere plek dan een paar jaar geleden. Het is er zonder enige twijfel schoner dan in lange tijd. En los van de intieme bijeenkomsten waar ik in de vallei getuige van ben geweest, hangt er de sfeer van een spookstad. Ik dool van de ene plek naar de andere, via overwoekerde voetpaadjes, op zoek naar de overblijfselen van een kampvuur of andere sporen van menselijke bewoning. Zelfs de officiële kampeerplekken – waar meestal niet meer dan twintig tot dertig toeristen staan, terwijl de overheid een limiet heeft gesteld van zestig – zijn verlaten. Hoewel er ook Hawaïanen naar het park komen, bijvoorbeeld om te jagen, kom ik tijdens mijn bezoek alleen illegale bewoners tegen.

    Hanohano-Smith, die zijn stamboom kan herleiden tot de vallei, zegt dat hij graag zou willen dat gewone Hawaïanen een grotere rol spelen in de toekomst van Kalalau – dat die niet alleen wordt bepaald door de overheid. Hij vindt dat zijn familie vrij toegang moet krijgen tot het gebied zonder te hoeven vechten om de schaarse vergunningen, en dat de banen, bijvoorbeeld als voorlichter of gids, naar de Hawaïanen zelf moeten gaan. ‘Het gaat niet alleen om duurzaamheid,’ zegt hij. ‘Het is ook een kwestie van trots – de trots om zorg te dragen voor de natuurlijke bronnen die mijn familie al duizend jaar geleden in leven hielden.’

    Tijdens een van mijn laatste ochtenden in Kalalau zie ik twee mannen, Sticky Jesus en Stevie, op het strand bezig om hun spullen in een kajak te laden. Stevie, de oudste bewoner, is minder vaak is de vallei dan vroeger. Vijf jaar geleden kwam hij in aanmerking voor een goedkope huurwoning in Kehaka. Hij is dol op Kalalau maar hij realiseert zich dat hij op een bepaald moment te zwak zal zijn om de tocht naar de vallei te maken en om in zijn eigen onderhoud te voorzien.

    Voor Sticky ligt het allemaal iets ingewikkelder. Hij gaat in een busje samenwonen met zijn nieuwe vriendin en hij wil proberen wat geld te verdienen. Ik betwijfel of hij ooit terug zal komen, en dat zeg ik min of meer. ‘Ik heb hier ook nog een stek,’ antwoord Sticky. ‘Het meeste is een paar weken geleden weggehaald, maar ik heb er wel een goed gevoel over.’ Hij vindt het wel prettig om te onthechten van zijn bezittingen.

    ‘Je hebt het er minder moeilijk mee dan Mowgli?’ zeg ik.

    ‘Mowgli heeft het overal moeilijker mee dan ik,’ zegt hij.

    De twee mannen springen in de kajak en Carlton geeft hen een zetje in het kniediepe water. We blijven nog een paar minuten staan, zien ze verdwijnen om de rode rotsen in het zuiden. Dan loop ik terug over het paadje de vallei in. Ik ben er nog niet klaar voor te vertrekken. Ik ben er nog niet klaar voor om mijn portemonnee te pakken en te betalen voor voedingsmiddelen waar een prijsje op is geplakt terwijl hier het fruit gewoon uit de bomen valt en wegrot als er niemand is om het op te eten. Ik moet nog één dag in het wild leven, hier in de Kalalau-vallei. Of misschien twee.

    Auteur: Brendan Borrell
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: De vallei zou de mooiste wandelroutes ter wereld bieden. – © Getty

    Hakai Magazine
    Canada | hakaimagazine.com

    Hakai Magazine is een onlinemagazine dat verhalen publiceert over kustgebieden. De medewerkers komen van over de wereld, de redactie is gevestigd in Victoria, British Columbia. Het magazine wordt gefinancierd door de Tula Foundation.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.


    FILM | De strijdkreet van Spielberg

    Superheldenfilm voor volwassenen

    Steven Spielberg was midden in een project toen hij het script voor The Post las, en besloot dat de film ofwel onmiddellijk moest worden gemaakt, of niet. De eerste optie werd bewaarheid: hij zette zijn project stop en binnen een halfjaar werden de scènes gedraaid. De cast bestaat uit o.a. Tom Hanks als Ben Bradlee, de legendarische hoofdredacteur van The Washington Post, volgens The Atlantic een logische keuze omdat de acteur de belichaming is geworden van Al Wat Goed Is In Amerika, en Meryl Streep als uitgever Katharine Graham, ook al een logische keuze vanwege haar speech tijdens de Golden Globes in 2017, waarin ze Trump onderuithaalde zonder zijn naam te noemen. Want dat is de reden dat Spielberg de film zo snel mogelijk wilde draaien, vertelt hij Hollywood Reporter: in dit verhaal staat de waarheid op het spel. Net als nu.

    The Post gaat over de publicatie van The Pentagon Papers in 1971, het 7000 pagina’s tellende geheime rapport over de Vietnamoorlog dat o.a. aantoonde dat de regering stelselmatig had gelogen, zowel tegen de bevolking als tegen het Congres. Veteraan Daniel Ellsberg lekte het aanvankelijk aan The New York Times (waarover straks meer). Centraal in de film staat de beslissing van Graham (Streep), die de krant na de zelfmoord van haar man in handen kreeg en in The Post een coming-of-age doormaakt; door Bradlee zijn zin te geven en de Papers te publiceren, riskeert ze de toekomst van de krant en bovendien gevangenisstraf. Maar ze strijdt voor iets hogers: democratie.

    Zoals o.a. The Globe and Mail aanmerkt, leent deze dramatische keuze zich perfect voor een Spielbergfilm. En volgens de meeste recensenten zijn er twee redenen waarom hij hier goed mee wegkomt. De eerste is dat dit ‘exact het verhaal [is] dat journalisten in deze tijd nodig hebben’; ‘Het laat zien wat we te verliezen hebben als het nieuws en de ondersteunde media verdwijnen, zoals dreigt te gebeuren met een president die op de vernieling uit lijkt te zijn. En ook al is hij hoogdravend, de film is ook zo vermakelijk dat hij niet belerend overkomt. Dit is een superheldenfilm voor volwassen’, schrijft Time. De andere reden verwoordt LA Times: ‘De boodschap is persoonlijk voor hem, en hij heeft er alles aan gedaan om hem op zijn publiek over te brengen.’

    Minder blij met de film was The New York Times, die hun publicaties van de Papers stopten toen ze door de rechter werden teruggeroepen

    Minder blij met de film was The New York Times, die hun publicaties van de Papers stopten toen ze door de rechter werden teruggeroepen. Ze spanden hun eigen rechtszaak aan tegen de titel, die tijdelijk in The Papers veranderde, maar weer werd teruggedraaid. Cristopher Orr merkt in The Atlantic op dat hij ook wel beledigd zou zijn als hij Nail Sheehan was, die het materiaal als eerste in handen kreeg maar geen rol heeft in de film. Anderen, zoals Slate en Vulture, maken de wrok van de Grey Lady belachelijk door een opsomming te geven van al het onderhuidse commentaar dat de krant op de film levert.

    Toch heeft ook NYT best wat goede woorden over voor het resultaat: ‘Mr. Spielberg, een sluwe entertainer die zich nogal eens tot moralisme laat verleiden (…) draagt als filmmaker steevast optimisme uit. In dit geval werkt dat. Het voelt als een strijdkreet.’

    The Post is sinds begin februari te zien in de bioscoop.

    Man Swinging Between Trees. – © Lucas Foglia
    Man Swinging Between Trees. – © Lucas Foglia

    FOTOGRAFIE | Topje van de ijsberg

    Foglia onderzoekt de verhouding tussen mens en natuur

    Lucas Foglia (1983) woonde als kind op een zelfvoorzienende boerderij zo’n vijftig kilometer van New York. Hoewel sommigen die zo opgroeien zich op latere leeftijd afzetten tegen deze levensstijl, vertelt de Amerikaanse fotograaf aan* The Guardian,* deed hij het tegenovergestelde: hij trok de natuur in op zoek naar extremere vormen. Dit bracht hem bij gemeenschappen die geld hadden afgezworen en hun water uit bergbronnen haalde, en resulteerde in 2012 in A Natural Order, volgens de Engelse krant een van de mooiste fotoboeken van dat jaar.

    De inspiratie voor Foglia’s tweede fotoserie, Human Nature, ontstond nadat orkaan Sally de boerderij van zijn ouders trof en hij zich iets realiseerde: ‘Als we als mensen het weer beïnvloeden, kun je nergens meer ontsnappen aan onze invloed.’ Opnieuw trok hij de wereld in, dit keer om de ‘steeds complexere en genuanceerdere verhouding tussen mens, natuur en zijn omgeving te onderzoeken’, zoals National Geographic, waarvoor Foglia ook fotografeert, zijn project omschrijft. Hij begon in Hawaii, waar bij de Mauna Loa-vulkaan de schoonste lucht ter wereld is gemeten, sprak met wetenschappers over het onderwerp en schoot 60.000 beelden wereldwijd, waarvan 60 in zijn boek belandden. De Italiaanse Vogue legt uit dat hij dit efficiënte editen te danken heeft aan zijn moeder, die hem als specialist in volksvertellingen leerde wat een verhaal goed maakt: het moet dwingend zijn, en toegankelijk. Wat een kunstenaar onderscheidt van een activist, haalt BJP Magazine Foglia aan, is dat hij mensen wil aanzetten tot denken en voelen zonder te vertellen wát ze moeten denken en voelen.

    The Guardian blijft na het bekijken van zijn werk dan ook met vragen zitten, o.a. over de titel van het boek. ‘Bedoelt hij dat de menselijke aard sowieso destructief is? Dat de natuur nu sowieso door de mens wordt gevormd?’ Time gebruikt een passende metafoor door zijn foto’s ‘een topje van een ijsberg’ te noemen (waarbij de berg het grotere verhaal is).

    Foglia bouwt voor ze te fotograferen een band op met zijn modellen zodat ze zich bij hem op hun gemak voelen. ‘En dat zie je’, schrijft The Guardian; op de laatste foto van het boek zijn een jongen en meisje in de idyllische natuur van Hawaii aan het vrijen. Volgens NG is dit beeld een representatie van het paradijs, wat suggereert dat Foglia de hoop nog niet heeft opgegeven.

    Voor wie na de spectaculaire beelden vooral de behoefte heeft het vliegtuig te pakken om ze met eigen ogen te zien, is achter in het boek een lijst opgenomen van boeken die wetenschappers aanraden over onze invloed op de natuur. Een toegankelijke en dwingende manier om de lezer eraan te herinneren waar het ook alweer om ging.

    Foglia’s werk is tot 15 april te zien in Foam, Amsterdam.


    LITERATUUR | ’Voor alle vluchtelingen, overal’

    De morele afrekening van een modelvluchteling

    In de ogen van de meeste Amerikanen kunnen zijzelf nooit vluchteling worden, maar vluchtelingen met een beetje mazzel wel Amerikaan, schrijft Viet Thanh Nguyen in Financial Times. Hij en zijn gezin zijn ‘modelvluchtelingen’: ‘Mijn ouders waren respectabele kooplieden, mijn broer ging zeven jaar nadat hij zonder Engels te spreken in de VS was aangekomen naar Harvard en ik won de Pulitzerprijs [met zijn debuutroman De sympathisant in 2016]. We kunnen zo op een poster die verkondigt dat vluchtelingen Amerika great maken. (…) Maar het zou niet zo’n succes moeten vereisen om verwelkomd te worden.’

    Een jaar na zijn debuut verscheen in Amerika zijn verhalenbundel The refugees, waarmee hij vooral de privileges van de witte man in twijfel wil trekken.

    De Washington Post kopt dat zijn boek ‘Niet op een beter moment had kunnen komen’, de LA Times noemt Nguyens schrijven ‘een morele afrekening. (…) Vrijwel alles aan deze gepolijste verhalen blijft hangen. Niet in de laatste plaats de opdracht: “Voor alle vluchtelingen, overal.”’ Michael Schaub van NPR beaamt dit door het boek een ‘urgente, prachtige bundel’ te noemen die ‘bewijst dat fictie meer kan zijn dan het vertellen van verhalen – het maakt ons getuigen van de levens van de mensen die we niet mogen vergeten’.

    Het drama zit hem bij Nguyen in overweldigend subtiele details, zoals de hoofdpersoon van Fatherland die zijn nieuwe kinderen in Vietnam dezelfde namen geeft als de kinderen die met zijn eerste vrouw naar de VS zijn gevlucht; volgens The Guardian een symbool voor iets wat elke vluchteling achtervolgt: dat achtergelaten leven, dat het jouwe had kunnen zijn.

    Het meest geprezen door de pers wordt het openingsverhaal Black-Eyed Women (genoemd naar de vrouwelijke verhalenvertellers die hij zich herinnert uit zijn jeugd), waarin een meisje wordt opgezocht door de geest van haar broer die op de boot waarmee ze vluchtten is omgekomen door piraten. ‘Je bent zelf ook gestorven,’ zegt hij haar. ‘Alleen weet je het nog niet.’

    Het kostte Nguyen 17 jaar en 50 versies om tot dit resultaat te komen; een gruwelijke ervaring, vertelt hij in een mooi interview met Mother Jones. ‘Ik wilde altijd meer vertellen.’ Hij stond als kind versteld van alle dingen waarover niet gepraat werd, en het invullen van die stilte, van al die in de lucht hangende verhalen, voelde als een enorme verantwoordelijkheid. Chicago Tribune prijst juist zijn dosering: ‘Nguyen gebruikt geen woord meer dan hoogst noodzakelijk om ons zijn boodschap over te brengen.’

    Een jaar later maar niet minder urgent verschijnt de bundel deze maand in vertaling van Paul Bruijn bij Uitgeverij Marmer.

    Auteur: Laura Weeda

  • Saffraan bloeit van Quebec tot Kosovo

    Saffraan bloeit van Quebec tot Kosovo

    Saffraan, de duurste specerij ter wereld, wordt al eeuwenlang verbouwd in Iran en Afghanistan. Maar de laatste jaren is er een hausse aan nieuwe producenten in landen als Canada, Nieuw-Zeeland en Kosovo. ‘Het is een heel opwindend product.’

    Micheline Sylvestre doet het anders dan de meeste saffraantelers. Waar de meesten hun bloemen ’s ochtends vroeg plukken, wacht zij tot later op de dag, als alle dauw is verdwenen. Vorig jaar, toen het vroeg in het seizoen sneeuwde, plukte Sylvestre er driehonderd terwijl 
ze met haar vader aan het schoffelen was. Twee jaar geleden kwam ze met de kerst nog bloemen tegen.

    Maar ze is ook in een ander opzicht verschillend. Sylvestre komt niet uit Iran, Afghanistan of Kasjmir, waar al eeuwenlang bijna alle saffraan ter wereld wordt geproduceerd. Ze woont in Lanaudière, 
Quebec, ruim honderd kilometer ten noorden van Montreal, en ze verbouwt al bijna vier jaar saffraan. Haar kwekerij, Emporium Safran, maakt deel uit 
van een golf van nieuwe saffraanbedrijven die het goed doen in Noord-Amerika, Europa en zelfs in Nieuw-Zeeland, waar de telers ook een ent-industrie ontwikkeld hebben. Canada’s eerste commerciële saffraankwekerij, Pur Safran, begon in 2014 in 
Quebec. Nu telt de provincie zo’n dertig producenten, volgens het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedsel in Quebec.

    In de VS zijn er de laatste vijf jaar zo’n honderd 
kwekerijen van de grond gekomen, en afgelopen maart organiseerde de universiteit van Vermont 
een saffraanworkshop waar mensen konden leren hoe je in Amerika saffraan teelt en verkoopt. 
Nieuw-Zeeland kent vijf grootschalige, commerciële producenten, en de regering meent dat saffraan het land in de toekomst kan helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering. In Groot-Brittannië wordt weer binnenlandse saffraan geteeld na een tussenpauze van tweehonderd jaar. Kosovo, dat investeringen ontving van het Europese Ontwikkelingsfonds en het Amerikaanse Agentschap voor Internationale Ontwikkeling, ontdekte dat zijn 
saffraan de hoge internationale normen overtrof. 
En de waarde van de saffraanexport in de Europese Unie is sinds 2000 bijna verdriedubbeld.

    Duurste specerij ter wereld

    ‘Er is echt enorme belangstelling voor saffraan,’ zegt Sylvestre. ‘Het is een heel vreemd, opwindend en onvoorspelbaar product.’ Saffraan heeft de reputatie de duurste specerij ter wereld te zijn; in de VS gaat het kruid voor drieduizend dollar per vijfhonderd gram van de hand. Dat komt gedeeltelijk doordat 
het heel arbeidsintensief is: voor vijfhonderd gram saffraan zijn ruim 83.000 met de hand geplukte bloemen nodig.

    Hoewel het meestal in warmere klimaten wordt 
verbouwd – zo’n 85 procent van de saffraan wordt geteeld in Iran – doet saffraan het ook goed in 
koudere streken. Droge plekken met warme en koude seizoenen verdienen de voorkeur; vandaar dat het realistisch is om saffraan te telen in Canada. En het saffraanseizoen begint in de herfst, dus de verbouw kan gemakkelijk ingepast worden.

    Economisch potentieel

    Er is ook een markt voor saffraan, zegt Arash Ghalehgolabbehbahani, een wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Vermont die saffraan bestudeert. Volgens de VN hebben de VS in 2016 46 ton saffraan geïmporteerd. Een groot deel van de saffraan die op de markt komt, is vermengd. Daardoor is er ruimte voor de productie van hoogwaardige saffraan waar mensen zoals Sylvestre zich op toeleggen.

    In Nieuw-Zeeland maken Jo Daley en haar man deel uit van een handvol commerciële saffraantelers. Daley zag het oorspronkelijk als een hobby, maar in plaats van vijfhonderd saffraanbolletjes te planten, gingen ze er helemaal voor en plantten er veertigduizend. Ze waren sceptisch; voor zover zij wisten, waren ze de zuidelijkste telers in Nieuw-Zeeland. Maar de saffraan gedijde. Toen het getest werd op kwaliteit brak hun saffraan een record. ‘We hebben nu een enorme hoeveelheid,’ vertelt Daley, maar toch moet ze haar best doen om aan de vraag te voldoen. Op dit moment doet haar bedrijf Kiwi Saffron voornamelijk zaken met restaurants, cafés en cateraars.

    In de VS heeft de saffraanteelt een geschiedenis: Amish-gemeenschappen in Pennsylvania verbouwen de specerij al driehonderd jaar, vertelt Ghalehgolabbehbahani. Sylvestre heeft een van die Amish-
producenten ontmoet tijdens de workshop aan de universiteit van Vermont afgelopen maart. ‘Het was er afgeladen.’

    gettyimages 831353528

    Maar de belangstelling voor de teelt van saffraan verbreidt zich ver buiten de Amish-gemeenschap 
in de VS. Aan de universiteit van Vermont hebben Ghalehgolabbehbahani en entomologiedocent 
Margaret Skinner het Noord-Amerikaanse Centrum voor Saffraanonderzoek en -ontwikkeling opgezet. Ze houden een mailinglijst bij voor saffraantelers in Amerika, die nu driehonderd leden telt onder wie honderd actieve telers. De aandacht die saffraan trekt, wijst op erkenning van het economisch potentieel van het kruid en rechtvaardigt de pogingen om het lokaal te produceren.

    Vanwege Kosovo’s hoogwaardige saffraan tonen sommige telers daar al belangstelling voor buitenlandse markten, meldde een casestudy van USAID. 
In het zuiden van Groot-Brittannië werd de specerij vroeger in grote hoeveelheden verbouwd, maar dat stopte zo’n tweehonderd jaar geleden toen de culinaire smaak veranderde. Nu leggen commerciële kwekerijen zoals Norfolk Saffron zich weer toe op saffraan. In Zwitserland heeft het dorp Mund in 
de afgelopen tien jaar toeristen getrokken met de teelt van het kruid.

    Doordat saffraan in droge klimaten gedijt, is het 
een potentieel belangrijk gewas voor de toekomst in Nieuw-Zeeland, een land dat volgens het Nationale Instituut van Water en Atmosferisch Onderzoek 
economisch gezien het kwetsbaarste is voor droogte. De gesprekken van Ghalehgolabbehbahani met 
kwekers in Iran wijzen er ook op dat streken waarin saffraan wordt geproduceerd over het algemeen naar het noorden verschuiven. Dat betekent dat mensen aan de warmere randen van het gebied waarin 
saffraanteelt mogelijk is op meer moeilijkheden kunnen stuiten bij de productie, terwijl andere 
streken – waar het kruid vroeger niet groeide – saffraanvriendelijker worden.

    Recent onderzoek, dat erop wijst 
dat saffraan de behandeling van symptomen van alzheimer, depressie en premenstrueel syndroom kan verbeteren, kan de vraag naar de specerij vanuit de geneeskunde doen toenemen

    Ook de nieuwe streken waarin geëxperimenteerd wordt met saffraan kunnen met problemen te maken krijgen. Omdat de VS over het algemeen natter zijn dan gebieden waar saffraan doorgaans groeit, is het gewas gevoeliger voor ziekten en schimmel. Knaagdieren, die dol zijn op saffraanknollen en -bloemen, vormen een groot probleem. En volgens Ghalehgo-labbehbahani is het economisch gezien nog steeds verstandiger om saffraan uit Iran of Afghanistan te importeren als de specerij daar goedkoper is dan de saffraan die in de VS wordt geteeld.

    Maar Skinner en Ghalehgolabbehbahani zijn op 
zoek naar oplossingen voor die gevaren. Sylvestre en Saley hopen dat recent onderzoek, dat erop wijst 
dat saffraan de behandeling van symptomen van alzheimer, depressie en premenstrueel syndroom kan verbeteren, de vraag naar de specerij vanuit de geneeskunde zal doen toenemen. Ze wachten af. Saffraan heeft per slot van rekening pas een paar maanden nadat het geoogst en gedroogd is de meeste smaak. ‘Net als een goede wijn,’ zegt Sylvestre.

    Auteur: Olivia Miltner
    Vertaler: Tineke Funhoff

    OZY
    VS | ozy.com

    ‘Welkom bij het nieuwe nieuws’, luidt de slogan. Aneesh Raman, speech-writer voor Obama, 
werkte een tijd voor de nieuwssite.

  • Wereldbeeld: Bevroren mist

    Wereldbeeld: Bevroren mist

    De American Falls dezer dagen, gezien vanaf de Canadese kant van de Niagara Falls, in de provincie Ontario.

    Delen van de Verenigde Staten en Canada zijn getroffen door sneeuwstormen en een zelfs daar ongekende kou, waarbij de temperatuur is gedaald tot min 14 graden. Er stroomt meer dan 3000 ton water per minuut door de watervallen. Wat bevriest, is niet het stromende en vallende water, maar vooral de mist die zich in ijskristallen hecht op de rotspartijen.

    © Aaron Lynett / Reuters
    © Aaron Lynett / Reuters
  • Hoe het komt weet niemand, maar de insecten zijn weg

    Hoe het komt weet niemand, maar de insecten zijn weg

    In Duitse natuurgebieden verdween in 27 jaar driekwart van de insecten. Een studie laat precies zien om welke soorten het gaat. Maar niet wat de oorzaak is.

    De sterke afname van insecten in Duitsland is absoluut geen verzinsel van een paar insectenliefhebbers of verenigingen van entomologen, zoals sommige media anderhalf jaar geleden beweerden na een hoorzitting in het Duitse parlement. Een onderzoek van Caspar Hallmann van de Radboud Universiteit Nijmegen met behulp van vrijwilligers van de Krefeldse entomologenvereniging, concludeerde onlangs in het onlinetijdschrift Plos One dat het insectenbestand de afgelopen 27 jaar drastisch is verminderd.

    Bij metingen over de periode 1989-2016 stelde men vast dat in 63 beschermde Duitse natuurgebieden de biomassa aan vliegende insecten met 76 procent (en in de hoogzomer tot 82 procent) is teruggelopen. Dit verlies betreft nagenoeg alle insectensoorten, van vlinders, bijen en wespen tot en met motten en andere soorten die kunnen vliegen. Vrijwel al deze soorten zijn verantwoordelijk voor de bestuiving van planten, of ze zijn van belang als prooidier voor vogels. Ongeveer 80 procent van de wilde planten is afhankelijk van bestuiving door insecten, en voor 60 procent van de vogels in onze natuur vormen zij de belangrijkste voedselbron. De sterke terugloop in insectenaantallen is ook geen puur Duits fenomeen: betrouwbare studies lieten eerder al zien dat bijenpopulaties in andere landen duidelijk afnemen, en het aantal vlinders op de graslanden van Europa nam af met circa 50 procent.

    © Pexels
    © Pexels

    Wat precies de oorzaak van deze wijdverbreide afname is, blijft vooralsnog onduidelijk. De afnemende aantallen laten zich niet verklaren door alleen een verstoring van de habitat, klimaatverandering of wijzigingen in landgebruik – en daarmee verarming van het agrarische landschap. Tenminste: niet met de nu beschikbare data. Voor Joseph Settele, onderzoeker aan het Helmholz-Zentrum voor Milieuonderzoek in Halle, is dit een van de weinige zwakke punten van deze studie: ‘De auteurs konden niet alle voor het klimaat relevante factoren bij hun onderzoek betrekken. Naar hun eigen zeggen is er nog verdere analyse nodig. Je kunt het klimaat als belangrijke factor dus ook niet uitsluiten. Het idee dat weersveranderingen of wijzigingen in landgebruik de algehele teruggang niet kunnen verklaren, is een versimpeling die op zijn minst misleidend is.’

    Volgens Settele is het vinden van oorzaken voor veranderingen die zich op wereldschaal voordoen uiterst complex. Zo kunnen effecten van de klimaatverandering, zoals stijgende temperaturen en een hogere stikstoftoevoer, plaatselijk leiden tot verdichting van de vegetatie en juist een koeler microklimaat, zodat het grotere plaatje wordt versluierd.

    De uitsplitsing naar soorten die de Krefeldse onderzoekers hebben gemaakt, noemt Settele juist weer een sterk punt van de studie. In de toekomst zouden volgens hem ook plekken buiten de beschermde natuurgebieden op deze manier moeten worden onderzocht, om te kijken hoe de situatie daar is.
    Settele: ‘Hier stuit de amateuronderzoeker op zijn grenzen. Het is toch al enorm wat deze mensen tot dusverre hebben gepresteerd. Het is hard nodig dit soort waarnemingen systematisch te gaan verrichten – als een publieke taak, met publiek geld.’

    ant macro insect red 40825

    Ook natuurbeschermingsexpert Alexandra-Maria Klein van de Universiteit van Freiburg benadrukt dat er nog losse eindjes aan het onderzoek zitten. ‘Of de afname in andere ecosystemen, zoals agrarische of bosbiotopen, vergelijkbaar is, valt op 
basis van deze studie niet te zeggen.’

    De noeste arbeid van de Krefeldse insectenvangers wordt door alle ecologen unaniem geprezen. Voor Teja Tscharntke, agrarisch ecoloog aan de Georg-August-universiteit in Göttingen, ‘maken studie en uitkomsten een solide, overtuigende indruk’. De dramatische afname van de insectenaantallen laat zien ‘dat beschermde natuurgebieden nog slechts in zeer beperkte mate als toevluchtsoord dienen voor soorten die agrarische landschappen bevolken’.

    Zoöloog Johannes Steidle van de Hohenheim-universiteit in Stuttgart windt er nog minder doekjes om: ‘De resultaten van het onderzoek zijn schokkend. Het beetje hoop dat er mogelijk vraagtekens konden worden gezet bij de verontrustende informatie die al eerder naar buiten was gekomen 
– bijvoorbeeld omdat de studie gebreken vertoont – is vervlogen. Op het werk is methodisch niets aan te merken en het laat voor een groot geografisch gebied in Midden-Europa een massieve teruggang in de biomassa aan insecten zien. We zijn in een nachtmerrie beland, aangezien insecten een essentiële rol spelen bij het functioneren van onze ecosystemen.

    Auteur: Joachim Müller-Jung
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Openingsbeeld: @ Pexels

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

  • De bizarste dierenverzameling op aarde

    De bizarste dierenverzameling op aarde

    Het Duitse weekblad Der Spiegel sprak met Kees Moeliker, directeur van het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam. Over hoe één dode eend zijn leven, en de filosofie van het museum voorgoed veranderde.

    De namiddag kabbelde rustig voort naar het eind van de werkdag toen er ineens bij de glazen wand van het Natuurhistorisch Museum van Rotterdam een doffe bons te horen was. Een mannetjeseend was tegen de ruit gevlogen en dood neergestort.

    Wat er daarop gebeurde werd gefascineerd geobserveerd door Kees Moeliker – bioloog, destijds conservator, tegenwoordig directeur van het museum: een mannelijke soortgenoot ging op het kadaver af en verkrachtte het een uur lang. Ironisch voorziet hij de bizarre seksuele daad van commentaar: 
‘In het dierenrijk komt de missionarishouding nu eenmaal niet zo vaak voor.’

    De dode eend zou zijn leven voor altijd veranderen. Toen hij een wetenschappelijk artikel aan het voorval wijdde (‘Het eerste geval van necrofiele homoseksualiteit bij de eend Anas platyrhynchos), reageerden vakgenoten enthousiast. Omdat hij onderzoekersgeest aan humor paarde, kreeg de Nederlander zelfs de Ig-Nobelprijs 
(Ig staat voor ‘impropable research’), het satirische broertje van de wereldberoemde onderzoekersprijs.

    Hoe de natuurlijke leefruimte van een soort verwoest wordt, maakt Moeliker het publiek in Rotterdam duidelijk aan de hand van een schaamluis

    Sinds die tijd heeft Moeliker bij lezingen meestal een plastic zak bij zich, waaruit hij tot vreugde van zijn publiek de opgezette ongelukseend tevoorschijn haalt. Ook in het Rotterdamse museum is het dode dier publiekslieveling geworden. ‘We zagen met verbazing dat de mensen het informatiepaneel heel precies lazen,’ zegt Moeliker ‘en toen bedachten we dat we het publiek niet alleen maar preparaten moesten laten zien. We moesten onze bezoekers vertellen welk lot er achter een afzonderlijk dier schuilging.’

    Zo ontstond de idee om de stoffige natuurlijke historie op een nieuwe, ongewone wijze te presenteren. Andere musea hebben alleen skeletten van sauriërs en opgezette poolvossen – Moeliker bezit de bizarste dierenverzameling op aarde.

    In de vitrines van zijn museum liggen alleen schepsels die op een ongewone wijze aan hun eind zijn gekomen. 
Zoals de kanarie die werd onthoofd of de mummie van de rat waarvan de nek per ongeluk met een schroef werd doorboord toen het knaagdier onder een vloerplank lag te slapen.

    Veel bekijks krijgt ook de beklagenswaardige steenmarter die in november vorig jaar op het terrein van CERN, het Geneefse onderzoekscentrum naar elementaire deeltjes, in aanraking kwam met een transformator van 18.000 volt. Die ontmoeting legde een deel van de stroomvoorziening plat – en betekende ook de voortijdige dood van het roofdier.

    De dominomus. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De dominomus. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Steevast gaat het om kleine en grote drama’s die zich afspelen tussen mens en dier, waarbij onze medeschepsels doorgaans aan het kortste eind trekken. Een typisch voorbeeld: enkele jaren geleden bracht een wereldwijd opererende fastfoodketen een nieuw softijsje op de markt – met onverwachte gevolgen. Steeds weer gebeurde het dat egels zich door het gat in het plastic dekseltje van de achteloos weggegooide bekertjes persten om de ijsrestjes op te likken. Voor een paar van die dieren bleek dat dessert een galgenmaal: ze bleven met hun kop in het gat van de deksel steken en konden zich er niet meer uit losmaken. Blind rondtrippelend belandden de egels in een plas en verdronken – of ze verhongerden. Van de tragiek van hun overlevingsstrijd is de ‘McFlurry-egel’ een gruwelijke getuige. Overigens veranderde McDonald’s na protesten van Britse dierenbeschermers het ontwerp van het dekseltje.

    Hoe de natuurlijke leefruimte van een soort verwoest wordt, maakt Moeliker het publiek in Rotterdam duidelijk aan de hand van een schaamluis. Via een bevriende arts kwam hij in het bezit van een exemplaar van deze parasiet. Omdat steeds meer mensen hun schaamhaar afscheren, sterft dit ook wel als platje bekend staande insect langzaam uit, zegt Moeliker met een spijtig gezicht: ‘Hier wordt een complete habitat vernietigd.’

    De McFlurry-egel. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De McFlurry-egel. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Maar omgekeerd kan de ontmoeting met dieren ook voor de mens noodlottig uitpakken, zoals een ander museumstuk in Rotterdam laat zien. De collectie werd recentelijk verrijkt met een pantsermeerval – een schenking van een man die als gevolg van deze vis bijna het leven had verloren. Flink 
aangeschoten was de gever op een avond met vrienden op de simpele gedachte gekomen om goudvissen uit een aquarium te vissen en levend op 
te eten. Toen de voorraad glanzende siervissen op was, pakte de man de meerval – en dat had hij beter niet kunnen doen. ‘Die vent had gewoon geen benul van biologie,’ zegt Moeliker. ‘Een goudvis heeft een nogal passief karakter, maar een meerval zet, wanneer hij zich bedreigd voelt, zijn borstvinnen uit. Zo bleef de vis in zijn keel steken en vereiste het een twee uur durende spoedoperatie op de afdeling traumachirurgie om de meerval uit de slokdarm van de man te verwijderen.

    Voor de museumdirecteur onderstreept dit verhaal een trend die ook 
in zijn collectie naar voren komt: ‘Als mens en dier met elkaar in botsing komen, loopt het meestal voor geen van beiden goed af,’ zegt Moeliker.

    Als kind was hij al dol op het natuurhistorische museum in zijn geboortestad. Als beginnend leraar biologie organiseerde hij er rondleidingen om er in 1995 conservator en later directeur te worden. Het drama van de verkrachte eend werd het geboorteuur van een podiumfiguur. Moeliker presenteert zichzelf als de wat maffe bioloog die verhalen vertelt over seksuele afwijkingen bij dieren. ‘Geloof me,’ is een van zijn favoriete zinnen, ‘als er ergens op deze planeet een dier bestaat dat zich niet weet te gedragen, dan weet ik daar alles van.’

    De rat waarvan de nek met een schroef werd doorboord. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam
    De rat waarvan de nek met een schroef werd doorboord. – © Natuurhistorisch Museum Rotterdam

    Bij zijn lezingen begeeft hij zich graag onder de gordel, wat ook in de titels van zijn boeken tot uitdrukking komt. Een van zijn laatste boeken heet De kloten van de mus. Aanvankelijk vroeg hij zich nog af of er voor zijn collectie ‘Dode dieren met een verhaal’ wel genoeg dieren te vinden zouden zijn. Maar die zorg bleek ongegrond. In elk geval in eigen land is de macabere museumdirecteur inmiddels zo bekend dat hij voortdurend nieuwe stukken toegestuurd krijgt. Een keer trof hij bij de post zelfs een pakje van het ministerie van Justitie. Het bleek een margarinekuipje met daarin een dode mus. 
De vogel was in alle openbaarheid doodgeschoten.

    Het musje was binnengedrongen op 
de plek van waaruit RTL het televisieprogramma Domino Day wilde uitzenden. Medewerkers waren drukdoende met het opzetten van vier miljoen dominostenen ten behoeve van een nieuw wereldrecord. Maar de mus saboteerde de voorbereidingen door steeds weer dominostenen om te kieperen. Nadat hij al duizenden stenen had omgegooid werd de vogel met een luchtbuks neergelegd.

    Grote verontwaardiging. De autoriteiten gingen zich ermee bemoeien. Een ambtenaar van het ministerie van Justitie nam het kadaver van de spelbreker in beslag. De vogel werd aanleiding voor een principieel debat: wat is het leven van een dier waard wanneer 
het mensen hindert? Moeliker moest intussen stevig met het ministerie onderhandelen over vrijgave van de domino-mus. Pas na een jaar stonden de ambtenaren het dode diertje af.

    © Lenny Oosterwijk
    © Lenny Oosterwijk

    Die aarzeling was ongewoon, want inmiddels geldt het in Nederland als een grote eer om met de gift van een kadaver een vitrineplaats te bemachtigen in het Natuurhistorisch Museum van Rotterdam, ook al staat daar weinig meer dan het spreekwoordelijke bedankje tegenover. ‘Als mensen het hier zelf komen brengen, bieden we 
ze natuurlijk wel een kopje koffie aan,’ zegt Moeliker.

    Toch komt het voor dat kostbaarheden aan zijn neus voorbijgaan. Als een galeriehouder op zoek naar schilderijen, spit Moeliker in de dagbladen de 
rubriek Vermist door op geschikte sterfgevallen. Afgelopen winter deed hij zo een spectaculaire vondst. In het Baden-Württembergse stadje Fridingen had een vos de dichtgevroren Donau proberen over te steken, maar was daarbij door het ijs gezakt en verdronken. 
Jagers hadden hem als ijsblok uit de 
rivier gezaagd. Moeliker bedacht al plannen voor een technische installatie waardoor de vos blijvend in ijs bewaard zou kunnen blijven. Maar hij was te laat. De jagers hadden het bevroren kadaver al laten ontdooien. 
‘Een schandaal,’ windt hij zich op.

    Zo blijft een verbleekte dwergvleermuis vooralsnog het enige uit Duitsland afkomstige museumstuk. Het einde van het beest is voor de Rotterdamse expositie-inrichters een bewijs van hoe kleine foutieve beslissingen in het dierenrijk grote gevolgen kunnen hebben. De vleermuis was in een pak ontbijtvlokken gekropen en had de weg terug niet meer kunnen vinden. Omdat het diertje met deze koolhydraatrijke kost niets had weten te beginnen, was het in het pak van honger omgekomen.

    Duiven zonder kop

    Kees Moeliker mag nu dan wel in de directeurskamer van het museum zitten, zijn uitzicht is nog altijd hetzelfde als bij de crash van de eend waar alles mee begon. Ook nu nog vliegen er altijd wel weer vogels tegen de glaswand, vaak duiven. Op een dag ontdekte Moeliker op het grasveld voor het museum een aantal duiven zonder kop – een vreemde vondst.

    Door intensief te observeren wist hij uiteindelijk ook die misdaad op te 
lossen. In de bomen tegenover het museum hadden zich kraaien geposteerd in afwachting van een botsing van een argeloze duif tegen het glas. Zodra dat gebeurde schoot een aasvreter erop af om de kop van het slachtoffer weg te pikken – een handelwijze die gruwelijk lijkt, maar in werkelijkheid blijk geeft van inzicht. ‘De kop is een snelle hap en de hersenen bevatten veel vet en proteïne,’ zegt Moeliker.

    Vanzelfsprekend heeft een van de onthoofde duiven nu een vitrine in het museum gekregen. Maar Moeliker zou het niet eerlijk hebben gevonden als 
hij niet ook een plek zou hebben ingeruimd voor de slimme raafachtigen. 
En dus staat er nu voor het gebouw 
een meer dan manshoge figuur van een kraai.

    Auteur: Frank Thadeusz

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 976.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • In de ban van de boom

    In de ban van de boom

    De Duitsers hebben altijd een liefdevolle verhouding met hun bossen gehad. Geen wonder dus dat een boek over het verborgen leven van bomen een bestseller werd. Maar tegelijk neemt het houtverbruik bij onze oosterburen toe. Een reportage over houthakkers en bomenknuffelaars, en over de vraag of bomen kunnen voelen.

    Hoe het hart van een land eruitziet, wordt ook in zijn periferie bepaald. In bowlingcentra, cafés, verenigingsgebouwen. En zelfs in het bos. Dus is het van belang dat op deze winterochtend in Oberbayern een boom valt. 
Vannacht heeft het gesneeuwd, maar nu is het bos onder een vale lucht druppend aan het ontdooien 
en valt er natte sneeuw van de takken. Horen doe je dat niet, want midden in het winterlandschap is 
een dreunende en dampende machine, voorzien 
van grijparmen, zagen, walsen en messen, zich als een hongerig insect door het bos heen aan het bijten. De gevelde boom wordt stevig vastgepakt: een spar, misschien wel negentig jaar oud. Sneeuw spat op, boomschors barst, spaanders vliegen in het rond. 
Een paar tellen later ligt de stam in stukken op de grond, pasklaar voor op de vrachtwagen, vakkundig doorgesneden als een gehalveerd varken.

    Op een paar meter afstand staat een man roerloos toe te kijken. Laarzen en spijkerbroek, gewatteerde jas en vilthoed, grijs haar en een montere blik. De Beierse boseigenaar Florian von Schilcher (1944), 
de zesde generatie van een adellijke familie, ziet 
deze ochtend bomen vallen die zijn opa Hubert 
heeft geplant.

    Voelt hij weemoed? ‘Ach, welnee! Bomen groeien om te worden gekapt,’ zegt Von Schilcher. Hij vindt het goed om te zien dat waar zojuist nog de oude boom stond er nu licht en ruimte is, zodat de volgende 
spar ‘gas kan geven’. Over een paar decennia zullen zijn zoons of kleinkinderen die vellen.

    Zo simpel is dat.

    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke
    Links: Boswachter en auteur Peter Wohlleben en rechts boseigenaar Florian von Schilcher. – © Florian Jaenicke

    Hetzelfde jaar, dezelfde winter, hetzelfde land, 
alleen een ander deel van de periferie en een ander bos, waar een uit de kluiten gewassen man in een olijfgroen boswachterspak boven de bladeren en 
takken uitsteekt. Het is muisstil, alleen kraakt er zo nu en dan een tak in het gemeentebos van het Eifeldorp Hümmel in Rheinland-Pfalz. De man in het bos draagt een bril met een zwart montuur en heeft een baard van drie dagen; hij zou zomaar een therapeut uit de grote stad kunnen zijn. Plotseling gaat hij op zijn hurken zitten en veegt oude bladeren, mos en modder weg. In de grond zit iets ruws. Knoestig, donker, dood. ‘Schraapt u er maar eens overheen,’ zegt hij. ‘Wel voorzichtig.’ Onder het donker wordt het licht. Dat is hout. Leven.

    Een paar jaar geleden was het Peter Wohlleben zelf die – nieuwsgierig en onthutst – met zijn zakmes over deze donkere klomp schraapte. Een oeroude boomstronk, het overblijfsel van een beuk. Hoe kon die nog leven, zonder stam, zonder bladeren, zonder fotosynthese? Met biologen van de nabijgelegen 
Universiteit van Aken bekeek Wohlleben de stronk in het bos nauwkeuriger. Kennelijk pompten de bomen eromheen al vierhonderd jaar een suikeroplossing naar hun verminkte soortgenoot, via diens wortels. ‘Dat noem ik nou burenhulp,’ zegt Wohlleben.

    Peter Wohlleben (1964) is de afgelopen tijd een beroemdheid geworden. In zijn afgelegen 
boswachtershuis heeft hij een boek geschreven dat de Duitsers recht in het hart treft. Het verborgen leven van bomen stond in 2015 het langst boven aan de 
bestsellerlijst voor non-fictie van Der Spiegel. De boodschap: bomen zijn niet alleen dingen, maar ook wezens. Het zijn ‘oude vrienden’ van elkaar. Maar ook van de mens. Inmiddels hebben 400.000 Duitsers het boek gekocht.

    Florian von Schilcher mag dan waarschuwen voor ‘behaaglijkheidslectuur’ en een ‘nieuwe romantisering’ van het bos, Peter Wohlleben krijgt onophoudelijk uitnodigingen voor debatten en aanvragen 
voor seminars. En liefdesbrieven van alleenstaande vrouwen, die zijn boek onder – jawel – de kerstboom hebben gelezen.

    Zo gecompliceerd ligt dat.

    Het bos is zo Duits als brood en bier

    De twee mannen wonen hemelsbreed 500 kilometer van elkaar vandaan en schelen twintig jaar in leeftijd. Ze hebben elkaar nog nooit ontmoet. Hun confrontatie komt alleen tot stand door een journalistieke constructie, het onderzoek voor deze reportage. Je zou de twee en hun meningsverschillen simpelweg kunnen laten voor wat ze zijn, ware het niet dat de Duitsers hun liefde voor het bos uitgerekend hebben ontdekt in een tijd waarin ze heel veel bomen voor zichzelf laten kappen.

    Vrijwel iedereen zal zichzelf hierin herkennen: wie hout koopt, voelt zich goed, of het nu om speelgoed, meubilair of terrasdelen gaat. Wie hout koopt, is een goed mens. Dat daarvoor bomen moeten sneuvelen, wordt snel vergeten.

    Onderzoekers van de universiteit van Hamburg schatten het jaarlijkse ‘boshoutverbruik’ van de Duitsers op 1,06 kubieke meter per persoon. De vraag van 
articuliere huishoudens is tussen 1990 en 2010 verdubbeld. Hout geeft warmte, ook als het niet brandt. Als het wel brandt, dan geeft het des te meer warmte: verwarmen met hout geldt als knus en effectief tegelijk. In het afgelopen decennium is het aantal pelletkachels verviervoudigd. Voor het eerst sinds meer dan honderd jaar wordt in Duitsland weer meer hout verbrand dan er in de bouw wordt gebruikt. Volgens Von Schilcher is de houthonger in Duitsland alleen te stillen met snelgroeiende bomen, gekapt zonder rekening te houden met welk wezen ook.

    Wohlleben vindt dat een redenering die zo van iemand uit de bio-industrie zou kunnen komen. Von Schilcher vraagt zich hierop af wat er aan levensvreugde 
overblijft als we allemaal vegetariër zouden worden. Het antwoord van Wohlleben: tot nog toe heeft dat niemand kwaad gedaan.

    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Het debat, dit artikel, de bestseller: ze zouden er 
allemaal niet zijn als Peter Wohlleben een boek had geschreven over het verborgen leven van de suikerbieten. Of over tarwe. Maar het bos? Dat is voor de Duitsers meer dan een verzameling bomen. In het bos wortelt de nationale identiteit, het is natuurlijk en cultureel erfgoed, de Germaanse geesteswereld, die sprookjes en mythen voortbrengt.

    In het bos was Hermann de Cherusk de Romeinen te slim af. In het bos nam Siegfried een bad in drakenbloed. In het bos daar zijn de rovers. Hans en Grietje verdwaalden in het bos. Joseph von Eichendorff noemde het bos de ‘echokamer van de ziel’, Caspar David Friedrich schilderde de ene boom na de andere. Schilderijen, lyriek en prentenboeken met het bos 
als thema vullen musea en bibliotheken. Het bos is zo Duits als bier en brood.

    In moeilijke tijden trekken de Duitsers zich terug in het bos, als wild waarop wordt geschoten. Onthaasting en escapisme, in elk geval mentaal. Een dood vluchtelingenkind op het strand? Poetins strategische spelletjes met Syrië? Aanrandingen op het domplein in Keulen? In het bos, waar geen televisie is en op plekken geen bereik, is nog aan nieuws te ontsnappen. Bos is wellness. Een vlucht uit de werkelijkheid, zoals ooit in de romantiek.

    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons
    Ochtendmist. – © Marcus Pink / Flickr Creative Commons

    Er is geen romanticus te bekennen wanneer op een waterkoude ochtend in het bos van Von Schilcher 
de kettingzagen beginnen te huilen. Zoals zoveel branches besteedt ook de bosbouw al sinds lange tijd opdrachten uit aan externe bedrijven, die het zware werk door seizoenarbeiders laten doen.

    En dus kijkt Florian von Schilcher toe hoe twee zwijgzame Roemenen zich door het kreupelhout heen werken. Vlad en Vasile zwaaien met hun 
kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer in Rambo. Ze hebben opdracht om jonge beuken weg te halen en ‘zo andere bomen in staat te stellen te groeien,’ zegt Von Schilcher. En wel zo veel mogelijk sparren. Waarom eigenlijk?

    ‘De beuk is vanaf het eerste tot het laatste moment van zijn leven een bron van ergernis,’ zegt Von Schilcher.
De bladeren nemen te veel licht weg voor andere bomen. De stam vertakt zich te vroeg in een brede kruin, waarmee je vrijwel niets kunt beginnen. 
‘En een beuk die omvalt, slaat in als een bom. Daar groeit dan de eerste jaren niets meer.’

    Vlad en Vasile zwaaien met hun kettingzagen als Sylvester Stallone met zijn machinegeweer

    De strijd tussen Wohlleben en Von Schilcher ontbrandt al bij dit detail, dat voor beiden geen detail is. De beuk is namelijk de meest Duitse van alle Duitse bomen, meer nog dan de eik. Als Peter Wohlleben groepen rondleidt door het bos bij Hümmel, laat hij hen vierduizend jaar oude beuken zien, en zegt: ‘Zo zag het er vroeger in vrijwel het hele land uit.’ Voordat kolenbranders, mijnwerkers en scheepsbouwers Europa in de zeventiende eeuw in belangrijke mate hadden ontbost, was het gebied dat tegenwoordig Duitsland heet grotendeels bedekt met beukenbossen. Nog altijd buigen taalonderzoekers zich over de vraag of de Duitse woorden Buch en Buchstabe zijn ontstaan doordat de Germanen hun runen in het harde hout van de beuk [Buche in het Duits] krasten.

    Wohlleben vraagt zich af: waarom niet laten groeien wat inheems is? De spar is een importplant. Hij noemt die een ‘boom voor luie mensen’. Sparren groeien niet naar het licht, maar kaarsrecht tegen de aantrekkingskracht van de aarde in, snel en pasklaar 
de zagerij in. Desondanks, vindt Wohlleben, doen ze alleen maar alsof ze rendabel zijn. In warme zomers worden ze aangevreten door kevers. En bij een storm kieperen ze om, omdat ze ondiepe wortels hebben. De beuk daarentegen wortelt diep en opent zijn kruin als een waaier om elke drup regen op te vangen. ‘Welke boom zou nou beter zijn opgewassen tegen 
de opwarming van de aarde?’

    Von Schilcher vindt het grappig dat uitgerekend een eco-auteur zich uitspreekt tegen het idee van duurzaamheid. Hij vertelt dat Hans Carl von Carlowitz, net als Von Schilcher van adel, in 1713 in een manifest voor het eerst als voorwaarde heeft gesteld dat er altijd net zoveel hout moet aangroeien als er wordt gekapt. Hoe sneller er wordt gerooid, des te sneller er dus ook moet worden aangeplant. ‘Daar houd ik me aan.’ Ook zegt Von Schilcher dat hij zijn hele leven een gemengd bos heeft onderhouden: 70 procent naaldbomen, ondersteund door 30 procent loofbomen – als ‘bijmenging’. Als er iemand is die een monocultuur wil, dan is het die schrijver uit de Eifel wel. Anonieme stemmen noemen Wohlleben een ‘boomracist’ en een ‘plantenfascist’, die niets anders dan de beuk wil accepteren. Wohlleben zegt hierop dat hij gemengde bossen wantrouwt. Wat eruitziet als de wil van de natuur, zijn ‘bomenakkers’, geplant naar de behoeften van de markt.

    Zo gaat het over en weer. Niet alleen tussen Wohlleben en Von Schilcher, maar ook tussen het 
Bundesamt für Naturschutz, dat meer ‘natuurlijke ontwikkeling van het bos’ wil, en het Deutscher Energieholz- und Pellet-Verband, dat snel veel nieuw hout nodig heeft. Zelfs in de Bondsregering wijzen de neuzen niet dezelfde kant op. Het door een SPD-minister geleide ministerie voor Milieu wil tot 2020 10 procent van alle openbare bossen tot oerbos maken. In het door een CSU-minister geleide ministerie van Landbouw noemt een hoge ambtenaar oerbossen ‘bosruïnes’. Als de Bondsrepubliek ‘het tijdperk van de decarbonisatie’ wil binnengaan, zich onafhankelijk wil maken van smerige kolen, Poetins gas en de olie van de Saoedi’s, dan kan dat alleen met zon, water, wind – en hout.

    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons
    Beukenbos. – © Olli Henze / Flickr Creative Commons

    Aan al deze tegenstrijdige opvattingen valt op dat de verschillende partijen er tot nog toe alleen maar over gediscussieerd hebben met welke mix van bomen de mensheid het meest geholpen is, als koks die hartstochtelijk van gedachten wisselen over een optimaal recept. Maar nu verovert deze boswachter uit de Eifel het hart en het brein van zijn lezers met de bewering dat de bomen zelf van belang zijn en een geheugen en gevoelens hebben.

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens, door de mens onderschat en afgeslacht? Staan we binnenkort met beuken te knuffelen zoals we dat nu met dolfijnen doen?

    Er zijn seminars waarbij je bomen kunt omhelzen. En het is waar dat tijdens een boswandeling de bloeddruk daalt. Verscheidene onderzoeken hebben aangetoond dat zelfs het aantal antikankercellen in het lichaam toeneemt. Onduidelijk is nog waarom. Waarschijnlijk vanwege de zogenaamde phytoncides, gasvormige stoffen die bomen afscheiden ter bescherming tegen schadelijke insecten en dieren.

    Op een mistige, waterkoude dag leidt Peter Wohlleben weer een groep rond in zijn bos. Mannen en vrouwen met stevige schoenen en kleurrijke outdoorkleding van dure merken. Ze hebben veldkijkers, fototoestellen, thermosflessen en wandel- en nordic walking-stokken bij zich. De uitrusting van stedelingen die een bezoek aan het platteland brengen. Liefdevol streelt Wohlleben de jonge scheuten van beuken, zoals een moeder in het voorbijgaan de hoofden van haar kinderen. ‘Het is toch jammer,’ zegt hij, ‘dat vrijwel elke boom in Duitsland voor zijn natuurlijke dood wordt omgehakt.’

    Zijn bomen de nieuwe walvissen? Bedreigde, intelligente, edele wezens?

    In de groep wordt geknikt. Dat zijn gasten soms in imposante auto’s naar de Eifel komen, daarover spreekt Wohlleben niet. Hoeveel hout ze verbruiken, vraagt hij niet. En dat hij vindt dat elk meubelstuk net als eieren een herkomststempel zou moeten 
hebben, houdt hij voor zich. Tijdens de urenlange natuurwandelingen onthoudt Wohlleben zich consequent van kritiek op zijn publiek en leidt hij de bezoekers van zijn bos van wonder naar wonder zoals zijn lezers van anekdote naar anekdote. In Het verborgen leven van bomen schrijft Wohlleben dat ‘hele bossen’ via een ‘wood wide web’ met elkaar in verbinding staan. ‘Beukenouders’ bieden schaduw en brengen hun kinderen geduldig groot. Als je ze ongemoeid laat, groeien beuken dicht bij elkaar: ‘Groepsknuffels 
zijn aangenaam.’ Wohlleben schrijft dat ‘bomen 
pijn ervaren en een geheugen hebben’.

    Florian von Schilcher zegt: ‘Hij schrijft best aardig, dat moet ik hem nageven. Maar kinderen en ouders? Enorme flauwekul. Daarmee verslijt hij de mensen voor dom.’

    Rondvraag onder wetenschappers levert aanvankelijk niets op. Er is vrijwel geen onderzoeker die het boek van Wohlleben heeft gelezen. Omdat het onomstreden is? Er niets nieuws in staat? Of omdat het onzin is? Christian Ammer, professor Bosbouw en Bosecologie in Göttingen, mailt aan Die Zeit: ‘Het boek zegt meer over de lezers dan over bomen. Vanuit wetenschappelijk oogpunt kun je – zwak uitgedrukt – bij sommige passages alleen maar het hoofd schudden.’


    Waar Wohlleben ook verschijnt, telkens weet hij de rust te bewaren van iemand die het recht aan zijn zijde weet en een meerderheid achter zich waant. Niet hij verslijt de mensen voor dom, zegt Wohlleben, maar de houtindustrie, een conservatief kartel van zwijgers en mooipraters. Iedere Duitser weet tot op de komma nauwkeurig wat het brandstofverbruik van zijn auto is en hoeveel stroom zijn huishouden verbruikt. Maar hoeveel kubieke meter van zijn bloedeigen grondstof hout hij jaarlijks nodig heeft, weet niemand. Waarom niet?

    Ik ontmoet hem bij hem thuis, in zijn boswachterswoning in het bos. In de tuin heeft hij met zijn vrouw mais, aardappels, pastinaken en courgettes geplant, om zo zelfvoorzienend mogelijk te kunnen leven. Wohlleben zegt dat hij is opgegroeid in decennia van angst. Club van Rome, bossterfte, Koude Oorlog, opgedroogde rivieren, Tsjernobyl. ‘Ik heb altijd de vaste overtuiging gehad dat ik niet aan seniliteit zal sterven.’

    Als hij over zichzelf vertelt, klinkt hij een beetje minder zelfverzekerd dan tijdens zijn rondleidingen in het bos. Hij weet dat elke tijd en elk milieu hun eigen verschijningsvormen hebben. Op het gymnasium was hij onder de indruk van ‘de jonge leraren, die allemaal hadden meegedaan aan de studentenprotesten van eind jaren zestig’. Wohlleben nam 
deel aan demonstraties van Greenpeace en het WNF. Hij probeert ‘zo weinig mogelijk vlees’ te eten. Aan 
de muren van zijn huis hangen de verentooi van e
en Sioux, een parelketting van de Yokut-stam en armbanden van de Crow. Peter Wohlleben heeft altijd hart gehad voor de indianen.

    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons
    Beuken in het Westerwald. – © Christian / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher neigt meer naar een cowboy. Hij is voorzitter van de schietvereniging van Dietramszell. Onlangs was hij op antilopejacht in Oeganda. De geweien aan de muren van zijn huis strengelen zich bijna ineen. De angst voor bossterfte vond hij dertig jaar geleden al overdreven.

    Als Von Schilcher zijn leven moet samenvatten, pookt hij eerst eens het vuur op en laat vervolgens op vrijwel elke anekdote een zelfvoldaan lachje volgen. Zijn jeugd heeft voor een groot deel uit ‘vlegelachtig gedrag’ bestaan: ‘We reden als waanzinnigen. Op mijn veertiende zat ik zonder rijbewijs achter het stuur.’

    Een ‘rampzalige leerling’ was hij, zegt Von Schilcher, zeven keer wisselde hij van school. Hij had een baantje in het orang-oetanhuis in de dierentuin van Berlijn, deed alsnog examen, trouwde met een Braziliaanse, studeerde biologie in Edinburgh en schreef zijn proefschrift over het seksleven van de fruitvlieg. In de open haard ligt het hout zachtjes te knapperen, Von Schilcher legt er nog een paar blokken op. Tussen Dietramszell en Hümmel, op die 500 kilometer tussen de twee mannen, gaat het om veel meer dan het bos. En ook om meer dan ecologie en economie of een generatieconflict.

    Het gaat om de levensinstelling alles goed te willen doen, zoals Wohlleben, en het niet iedereen naar de zin te hoeven maken, zoals Von Schilcher. Het gaat om verschillende mannenrollen. En om het eeuwige contrast tussen stad en platteland.

    Al 25 jaar onderhoudt Peter Wohlleben het bos van Hümmel, maar hij zegt zelf dat hij ‘in de stad gesocialiseerd is’. Een eengezinswoning in de buurt van Bonn, vader werkte bij het ministerie van Financiën en ’s avonds werd er onder het eten over politiek gesproken. Al die gesprekken hadden een hoog 
theoretisch en moralistisch gehalte. Vanuit de stad bekeken lijkt de plattelandsbevolking soms gecorrumpeerd door de eigen economische belangen. 
Hoe zou iemand die in een mestveehouderij werkt tegen mestveehouderijen kunnen zijn?

    © dominikla / Flickr Creative Commons
    © dominikla / Flickr Creative Commons

    Florian von Schilcher vindt deze manier van denken ‘schijnheilig’. Buiten de steden gaat het er nu eenmaal niet zo idyllisch aan toe als het tijdschrift Landlust in de stationskiosk doet vermoeden. ‘Hoe intensiever de verstedelijking, des te sterker de romantisering van de natuur,’ zegt Von Schilcher. Het komt er immers op neer dat de plattelandsbevolking het vuile werk doet voor de stedelingen. Zaaien en maaien, mesten en slachten. ‘En wat krijgen ze voor dank?’

    Het heeft weer eens gesneeuwd, misschien wel voor het laatst deze winter. Peter Wohlleben loopt met een oudere dame door zijn stijf bevroren bos. In de kwarteeuw die hij tot nog toe in het bos van Hümmel heeft doorgebracht, heeft Wohlleben 15 procent ervan ongemoeid gelaten, zodat boomouders en -kinderen ongehinderd kunnen groeien. Dat zijn werk desondanks lucratief is voor de gemeente heeft een andere oorzaak: hij verkoopt grafplaatsen, die hij ‘rustbiotopen’ noemt. Begraven worden in het bos is een trend.

    De Duitse verbondenheid met het bos is eeuwigdurend. Sinds Wohlleben dertien jaar geleden zijn rustbos opende, zijn hier 3400 mensen ter aarde besteld. Ze liggen in cirkels om de stammen heen, 
in biologisch afbreekbare urnen. Vandaag leidt Wohlleben de 75-jarige Eleonore Rottscheid-Zölliken van stam naar stam. Ze wil een boomgraf voor zichzelf en haar man reserveren.

    ‘Wilt u liever een schaduw- of een zonplek?’ vraagt Wohlleben.

    ‘Graag een beetje verscholen,’ zegt ze.

    ‘Vindt u de boomsoort belangrijk?’

    Uit de zijzak van zijn wandelbroek haalt Wohlleben een tablet tevoorschijn. Op het scherm verschijnt een landkaart met honderden stippen. Geel staat voor eiken. Rood voor douglassparren. Groen voor beuken. Grijs voor bezet. Grijs overheerst. Na een halfuurtje wikken en wegen staat Eleonore Rottscheid-Zölliken tussen boom 4243 en boom 4249 wolkjes adem het bos in te blazen. De eerste boom is een grote, rechte beuk, de laatste een krom, scheefgegroeid ding. ‘Ik wil die kleine wel,’ zegt mevrouw Rottscheid-Zölliken.

    Wohlleben tikt op zijn tablet en een groene stip wordt grijs. Over enkele dagen zal mevrouw Rottscheid-Zölliken voor de prijs van 2990 euro ‘bijzettingsgerechtigde’ bij boom 4249 zijn en ooit deel gaan uitmaken van een reservaat, ook biologisch.

    99 jaar

    Peter Wohlleben heeft met deze transactie weer een stukje bos beschermd voor de komende 99 jaar. 
Tegen de houtlobby, tegen alle Von Schilchers, en tegen alle mogelijke opvolgers die in de verre toekomst zijn bos zullen overnemen en misschien wel andere ideeën en idealen najagen.

    Van het geld dat Wohlleben met zijn bestseller heeft verdiend, wil hij zijn oude boswachtershuis laten renoveren. De muren isoleren, zonnepanelen op het dak. Tot nog toe stookt Peter Wohlleben met hout. Hij verbruikt geen 1,06 kubieke meter per jaar, zoals de gemiddelde Duitser. Hij verstookt 10 kubieke meter.

    Auteur: Henning Sussebach
    Vertaler: Pieter Streutker

    Peter Wohllebens Het verborgen leven van bomen, 
verschijnt half april bij AW Bruna. Vertaling: Bonella van Beusekom.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.