De Amerikaanse president heeft dinsdag beloofd dat er ‘consequenties’ zullen volgen voor Saoedi-Arabië omdat het samenwerkt met Rusland om de olieproductie te verminderen. ‘Deze opstelling wijst op een breuk in de relatie tussen twee oude bondgenoten en een omkering van zijn eigen inspanningen om het energierijke koninkrijk voor zich proberen te winnen’, schrijft The New York Times. ‘Er zullen gevolgen zijn voor wat ze hebben gedaan, met Rusland,’ zei Joe Biden in een interview met CNN, zonder te specificeren welke dat zouden zijn.
‘Gezien de recente gebeurtenissen en de besluiten van de OPEC is de president van mening dat we de bilaterale relatie met Saoedi-Arabië opnieuw moeten revalueren,’ zei John Kirby, woordvoerder van de Nationale Veiligheidsraad van het Witte Huis, eerder al tegen de pers. Joe Biden ‘is bereid om samen met het Congres na te denken over wat die relatie zou moeten zijn.’
De OPEC+, het oliekartel onder leiding van Riyad, heeft onlangs besloten zijn productiequota te verlagen, wat de prijzen zou kunnen opdrijven en zo de oorlogskas van Moskou zou kunnen spekken. In een interview met Al Arabiya op dinsdag zei de Saoedische minister van Buitenlandse Zaken Faisal bin Farhan dat het OPEC+-besluit een ‘zuiver economische’ maatregel was die werd genomen met de unanieme instemming van de leden van de groep.
De websites van verschillende Amerikaanse luchthavens zijn gehackt na een oproep van pro-Russische hackers. Een groep met de naam Killnet richtte zich maandag op veertien luchthavens in de Verenigde Staten, waaronder die in Los Angeles en Atlanta, meldt Los Angeles Times.
Hun sites werden korte tijd nadat ze het doelwit waren geworden van een DDoS-aanval (denial of service) platgelegd, waarbij het computersysteem werd overspoeld met berichten en verbindingsverzoeken. Er werd geen verstoring van de luchthavenactiviteiten gemeld, aangezien de operatie alleen gevolgen had voor de openbare webinterface, die gewoonlijk informatie over vluchten en diensten weergeeft. Killnet had vorige week al de verantwoordelijkheid opgeëist voor cyberaanvallen op verschillende officiële websites van de Amerikaanse overheid.
Amerikaanse president wijst op gevaar dreigementen Poetin
‘Voor het eerst sinds de Cubacrisis hebben we een directe dreiging van de inzet van kernwapens,’ zei Joe Biden donderdag. De Amerikaanse president verwees naar de dreigementen van Vladimir Poetin, wiens troepen in Oekraïne in moeilijkheden verkeren. Het gebruik van een dergelijk wapen zou een ‘armageddon’ betekenen, zei hij.
‘Het is opvallend dat de president zo openhartig spreekt over een armageddon’, terwijl zijn nationale veiligheidsadviseurs en het Pentagon ‘veel gematigder taal gebruiken en zeggen dat ze de dreigingen serieus nemen, maar geen beweging hebben gezien vanuit het Kremlin’, merkt CNN op. Geconfronteerd met hardnekkig Oekraïens verzet, gevoed door westerse militaire hulp, zinspeelde Poetin in een televisietoespraak op 21 september op het inzetten van kernwapens.
‘Het lijkt erop dat Elon Musk Twitter opnieuw wil kopen. Maar zal hij er deze keer wel mee doorgaan?’ vraagt Mashable zich af. In een bondige brief aan het bestuur van Twitter kondigde Elon Musk dinsdag aan dat hij Twitter toch wil kopen, op voorwaarde dat Twitter de rechtszaken tegen hem laat vallen, meldt TechCrunch.
Twitter had besloten Elon Musk voor de rechter te dagen nadat de miljardair was weggelopen van de in april aangekondigde overname van het sociale netwerk ter waarde van 44 miljard dollar – oftewel 54,20 dollar per aandeel. De Tesla-baas beweerde dat Twitter had gelogen over het exacte aantal nepaccounts onder zijn gebruikers. Het proces zou op 17 oktober beginnen.
De voorlopige hoorzittingen wezen op de zwakte van de zaak van het Musk-kamp
Volgens The Washingon Post suggereert deze laatste ommezwaai dat Elon Musk ‘zich realiseerde dat hij zich in een kwetsbaardere positie bevond dan hij had voorzien toen het proces en zijn getuigenis naderden’. De voorlopige hoorzittingen wezen op de zwakte van de zaak van het Musk-kamp, en het risico dat de miljardair tot een buy-out wordt gedwongen of een enorme boete moet betalen.
Twitter heeft bevestigd de brief van Elon Musk te hebben ontvangen en is ‘volledig van plan de deal te sluiten tegen de prijs per aandeel die Musks team in april heeft voorgesteld’, aldus The Washington Post. ‘Het bedrijf is van plan het aanbod te accepteren, maar wacht op bevestiging dat de rechter toezicht kan houden op het proces’, aangezien ‘het wantrouwen groot is’, voegde de krant eraan toe.
Een onderzoek in de Verenigde Staten naar coaches in het vrouwenvoetbal brengt een ‘systematische’ praktijk van emotionele mishandeling en seksueel misbruik aan het licht, bericht NBC. Het 172 pagina’s tellende onafhankelijke rapport, dat in opdracht van de US Soccer Federation (USSF) is opgesteld en maandag is vrijgegeven, is gebaseerd op getuigenissen van meer dan tweehonderd spelers.
‘Hoe vaak moeten we dit soort rapporten nog lezen?’
Het onderzoek, geleid door voormalig procureur-generaal Sally Yates en het advocatenkantoor King & Spalding, geeft details over misbruik door coaches evenals manipulatie, pesterijen en vergelding tegen spelers die zich uitspraken. Volgens het rapport hebben de clubs, de competitieleiding en de Amerikaanse voetbalbond ‘herhaaldelijk niet adequaat gereageerd op klachten van spelers’.
‘Hoe vaak moeten we dit soort rapporten nog lezen?’ vraagt Washington Post-verslaggeefster Sally Jenkins zich af in een column, waarin ze oproept tot ‘federale sancties tegen topfunctionarissen van sportorganisaties voor het niet beschermen van atleten’.
‘Dodelijkste orkaan in de geschiedenis van Florida,’ aldus Biden
CNN heeft geprobeerd een voorlopig dodental te berekenen nadat orkaan Ian over Florida is geraasd, bij gebrek aan een officieel door de autoriteiten opgegeven aantal dodelijke slachtoffers. De Amerikaanse zender had donderdagavond negentien doden geteld, maar verwacht wordt dat het dodental de komende uren zal stijgen.
‘Dit zou weleens de dodelijkste orkaan in de geschiedenis van Florida kunnen zijn,’ zei de Amerikaanse president Joe Biden donderdag. ‘De cijfers zijn nog niet duidelijk, maar we krijgen eerste berichten’ over een ‘aanzienlijk’ aantal doden, voegde hij eraan toe. Ook gouverneur Ron DeSantis van Florida zei dat hij verwachtte dat het dodental zeer hoog zou zijn, maar hij weigerde een voorlopig cijfer te geven en wachtte liever op de bevestiging van het dodental ‘in de komende dagen’.
Al meer dan 2,5 miljoen Floridianen zijn hun huis ontvlucht
Het Amerikaanse National Hurricane Center (NHC) waarschuwde dinsdagmiddag dat orkaan Ian de westkust van de Amerikaanse staat zou naderen en beschreef de storm als een ‘intense en extreem gevaarlijke orkaan’. Volgens Miami Herald zijn al meer dan 2,5 miljoen Floridianen hun huizen in risicogebieden aan de kust ontvlucht.
Orkaan Ian heeft dinsdag het westen van Cuba aangedaan zonder slachtoffers te maken, maar de storm liet wel een spoor van vernieling achter. Hij kwam aan land in La Coloma, een vissersdorp in de provincie Pinar del Rio – 190 km van Havana – en stak het eiland van zuid naar noord over, met als gevolg ingestorte huizen, afgerukte daken en ondergelopen landbouwvelden. Een miljoen mensen kwamen zonder elektriciteit te zitten.
De man die ervan verdacht wordt drieëntwintig mensen doodgeschoten te hebben in een New Yorks metrostation, is dinsdag aangehouden. Zijn arrestatie maakt een einde aan ‘een hectische zoektocht’, aldus The New York Times. De tweeënzestigjarige man riskeert levenslang voor ‘een terroristische aanslag op het openbaar vervoer’, zegt een medewerker van de FBI, geciteerd door Fox News. De verdachte had verschillende video’s op een YouTube-account geplaatst, dat intussen is afgesloten. Hij gaf zich over aan ‘eindeloze tirades vol beledigingen en polemische standpunten’, merkt NBC News op. Hij noemde in het bijzonder ‘een rassenoorlog’ en meldt ook dat hij last zou hebben van posttraumatische stress.
Driekwart van de werkenden in New York voelt zich minder veilig in de metro dan twee jaar geleden
De aanslag heeft het debat over veiligheid in de metrostations weer doen oplaaien. ‘Kan New York zijn ondergrondse redden?’ vraagt een columnist van de Wall Street Journalzich af. Het aantal reizigers in de metrostations is drastisch gedaald. Een peiling van vorige maand, genoemd in de column, laat zien dat driekwart van de werkenden in New York zich minder veilig voelt in de metro dan twee jaar geleden. Politicomerkt op dat de burgemeester van New York overweegt om scanners voor wapendetectie en gezichtsherkenning in de gangen van de metro te plaatsen. ‘Critici twijfelen aan de effectiviteit van de apparatuur en de implicaties voor de privacy van burgers’, aldus het platform.
Wat was er gebeurd als het Russische offensief in Oekraïne had plaatsgevonden toen Donald Trump nog Amerikaans president was? Volgens Joachim Käppner, veiligheidsexpert van Süddeutsche Zeitung, was de westerse reactie dan heel anders geweest.
Ondanks alle verontwaardiging over de gruwelijkheden die Vladimir Poetin en zijn generaals nu op Oekraïne ten westen van Lviv loslaten, staan maar weinig mensen stil bij wat er had kunnen gebeuren als de Russische president anderhalf jaar eerder het bevel tot invasie had gegeven. Toen zat er geen Joe Biden in het Witte Huis die zou oproepen tot eenheid in de vrije wereld en die soldaten van de 82nd Airborne Division naar de oostgrens van de NAVO zou sturen ter afschrikking – overigens een zeer symbolisch gebaar als je bedenkt dat het deze divisie van parachutisten was die in 1944 het voortouw nam bij de herovering van Europa op de nazi’s. Anderhalf jaar geleden werden de VS nog geleid door een sinistere politieke clown die nu het ‘geniale’ en ‘briljante’ karakter van Poetin en zijn oorlog tegen een Oekraïens leger dat hopeloos in het nadeel is, bejubelt.
Europa had vermoedelijk geen hulp van Donald Trump kunnen verwachten. Zonder de beschermende militaire suprematie van de Amerikanen zou de NAVO niet meer zijn dan een erfenis uit betere tijden, verworden tot een lege huls, zoals Trump de organisatie publiekelijk omschreef. En de vrijheid van het hele continent zou bedreigd worden zoals decennialang niet is gebeurd. Europa zou op zijn minst gedwongen zijn geweest de pax russica in het Oosten te aanvaarden. Trumpisme is niet alleen een ongekend gevaar voor ’s werelds oudste democratie, maar voor de gehele vrije wereld.
Keerpunt
De terugkeer van oorlog in het hart van Europa is een keerpunt zoals in 1953, 1956 of 1968, toen Sovjettanks het streven naar vrijheid in de satellietstaten van de USSR de kop indrukten. Of zoals in 1989, toen het tijdperk aanbrak van de illusie dat de gesel van oorlog niets meer was dan een herinnering aan het verleden. Of zoals in 1992, toen het Servische nationalisme en de verschrikkingen van de Balkanoorlog ons eraan herinnerden hoe dun het laagje vernis van de beschaving is.
De oorlog van Poetin betekent dus een keerpunt, maar zijn timing is slecht. Joe Biden is misschien niet de sterkste president die de Verenigde Staten ooit hebben gehad, maar hij is ontegenzeggelijk een voorvechter van het trans-Atlantische bondgenootschap en heeft sinds het begin van zijn ambtstermijn in 2021 benadrukt dat een krachtig gemeenschappelijk optreden van democratieën fungeert als tegengif tegen populisme, autoritaire regimes en aanvallen op vrijheden.
Zes maanden geleden trokken de laatste NAVO-troepen weg uit Kaboel en leek het trans-Atlantisch bondgenootschap op een dieptepunt te zijn beland. Vandaag laat het door de oorlog van Poetin weer zien wat het is: een levensverzekering voor democratieën in een wereld vol bedreigingen. Poetin kan Oekraïne met geweld veroveren en mogelijk een stuk van de voormalige Sovjet-Unie terugwinnen, maar hij kan ook het tegenovergestelde bereiken van wat hij wil.
De gedestabiliseerde westerse wereld vindt haar kracht en haar waarden terug: menselijke waardigheid, grondrechten, vrijheid van meningsuiting
Terwijl Poetin Europa tracht te verdelen en te ondermijnen, zorgt hij er juist voor dat de onderlinge banden verstevigd worden. De meeste Europese landen die zich na 1989 haastten om tot de NAVO toe te treden, zien nu hun voorgevoel bevestigd. Zelfs traditioneel neutrale landen als Zweden en Finland streven er inmiddels serieus naar om onder de beschermende paraplu van de alliantie te kunnen schuilen.
De agressie van Poetin zou tot gevolg kunnen hebben dat de gedestabiliseerde westerse wereld haar kracht en haar waarden terugvindt: menselijke waardigheid, grondrechten, vrijheid van meningsuiting. Terwijl het rechts-populisme natiestaten oproept om allianties en instellingen als de NAVO en de Europese Unie te verwerpen, tonen de Russische tankcolonnes bij Kyiv ons de dwaasheid van deze voorstellen.
Democratieën kunnen van hun fouten leren, zij hebben het vermogen om zichzelf te corrigeren
De oorlog van Poetin is imperiale machtspolitiek die rechtstreeks uit de negentiende eeuw stamt, zonder rekening te houden met burgerslachtoffers aan Oekraïense kant of opoffering van de eigen soldaten. Veel mensen in Europa, vooral Duitsers met een post-nationalistische inslag, worden daardoor ruw wakker geschud. Sommige mensen zouden zich iets meer bewust mogen zijn van het geluk dat zij hebben om te kunnen leven in een vrij land waar zij hartstochtelijk hun eigen belangen kunnen nastreven en een modieuze autoritaire minachting voor open samenlevingen kunnen uitdragen. Innerlijke vrijheid, democratie en de rechtsstaat zijn niet zo vanzelfsprekend als wij zijn gaan geloven.
Historicus Heinrich August Winkler presenteerde het Westen – opgevat als een geleidelijk gevormde gemeenschap van vrije staten waartoe Duitsland pas laat toetrad – als een ‘geheel van [sociale] verworvenheden dat uniek is in de wereldgeschiedenis’. Niet dat deze landen vrij zijn van gebreken of fouten, getuige de afwijking van de Trump-jaren of de – met het internationaal recht strijdige – invasie van Irak in 2003, die in het Midden-Oosten niet minder instabiliteit teweegbracht dan Poetin vandaag in Oost-Europa. Maar democratieën kunnen van hun fouten leren, zij hebben het vermogen om zichzelf te corrigeren, zoals de VS in 2020 hebben gedaan.
Bundeswehr
Voor Duitsland betekent dit dat het tijd is om de lippendienst die werd bewezen onder Angela Merkel waar te maken en de Bundeswehr weer in staat te stellen zijn echte taken te verrichten, namelijk een geloofwaardige afschrikkingsmacht zijn voor de verdediging van het land en het NAVO-gebied. Dit wil niet zeggen dat Berlijn er verkeerd aan heeft gedaan zo lang mogelijk de dialoog met Poetin aan te gaan; het land dat tachtig jaar geleden een vernietigingsoorlog tegen Rusland (en Oekraïne) ontketende, had de plicht dit te proberen, bovenal in het belang van het Russische volk.
Duitsland is daar helaas niet in geslaagd. Als Europa’s grootste economie kan zij zich niet langer onttrekken aan haar toezegging – gedaan na de annexatie van de Krim in 2014 en vervolgens botweg genegeerd – om haar militaire uitgaven te verhogen tot 2 procent van het bbp om de immense gebreken van de Bundeswehr te herstellen [Olaf Scholz kondigde op 27 februari in de Bondsdag terecht aan dat hij zelfs verder zou gaan dan dit percentage]. Er is amper een andere manier om een gemeenschappelijke capaciteit tot afschrikking op te bouwen en een vrij Europa te verdedigen. Oekraïne ervaart nu wat er kan gebeuren als die ontbreekt.
Geconfronteerd met de invasie van Oekraïne door Rusland moeten de Verenigde Staten intensieve diplomatie verkiezen boven militaire escalatie. Een directe oorlog tussen de twee grootmachten zou alleen maar verliezers kennen, aldus Noam Chomsky, die zich altijd sterk heeft verzet tegen Amerikaanse buitenlandse (militaire) inmenging.
Keuze uit het archief
De Oekraïense president Volodymyr Zelensky opperde deze week – in navolging van Macron begin dit jaar – het idee om westerse troepen in Oekraïne in te zetten om het land te helpen de Russen terug te dringen.
Als je het aan filosoof Noam Chomsky vraagt, is het inzetten van Amerikaanse militairen in Oekraïne simpelweg geen optie. In dit interview met Truthout van twee jaar geleden zet hij zijn standpunten over de oorlog in Oekraïne duidelijk uiteen. Volgens Chomsky moeten de VS een militair conflict met Rusland koste wat het kost vermijden en de diplomatieke weg bewandelen om de oorlog tot een einde te brengen. Daarbij moet het land grondig reflecteren op het eigen handelen in het verleden.
De Russische invasie in Oekraïne heeft een groot deel van de wereld verrast. Het is een aanval zonder enige aanleiding of rechtvaardiging die de geschiedenis zal ingaan als een van de grootste oorlogsmisdaden van de eenentwintigste eeuw, zegt Noam Chomsky in een exclusief interview met Truthout. Politieke overwegingen, zoals naar voren zijn gebracht door de Russische president Vladimir Poetin, kunnen niet als argument worden gebruikt om het binnentrekken van een soevereine natie te rechtvaardigen. Maar nu ze met deze verschrikkelijke invasie worden geconfronteerd moeten de Verenigde Staten intensieve diplomatie verkiezen boven militaire escalatie, omdat dat laatste fatale gevolgen voor de mensheid zou kunnen hebben en er alleen maar verliezers zouden zijn, aldus Chomsky.
Noam Chomsky geniet internationaal erkenning als een van de belangrijkste nog levende intellectuelen. Zijn intellectuele statuur is vergeleken met die van Galileo, Newton en Descartes, en zijn werk heeft onvoorstelbaar veel invloed gehad in vele takken van wetenschap, waaronder linguïstiek, logica en wiskunde, computerwetenschap, psychologie, mediastudies, filosofie, politicologie en internationale betrekkingen. Hij is de auteur van zo’n honderdvijftig boeken en ontvanger van tal van uiterst prestigieuze prijzen, waaronder de Sydney Peace Prize en de Kyoto Prize (het Japanse equivalent van de Nobelprijs), en van tientallen eredoctoraten van de meest vooraanstaande universiteiten. Chomsky is emeritus professor van het Massachusetts Institute of Technology en momenteel ereprofessor van de University of Arizona.
Noam Chomsky
Noam Chomsky is al decennia een felle criticus van het Amerikaanse buitenlandbeleid. De van oorsprong taalkundige spreekt zich al sinds de Vietnamoorlog uit tegen wat hij Amerikaans imperialisme noemt.
In een opinieartikel in The Economist uit 2021 stelt Chomsky dat de VS zich sinds 9/11 gedragen als een pestkop op het wereldtoneel. De VS pretenderen de bewaker van vrijheid en democratie te zijn, maar ze houden zich niet aan ‘dezelfde normen die [de VS] andere opleggen’, schrijft de emeritus hoogleraar van de Massachusetts Institute of Technology.
Critici hebben Chomsky er eerder van beschuldigd dat hij agressieve acties van Poetin, zoals de annexatie van de Krim, vergoelijkt door er slechts onrechtmatige interventies van de Verenigde Staten tegenover te zetten, zonder zich uit te spreken tegen Ruslands imperialistische neigingen.
De Russische invasie in Oekraïne heeft de meeste mensen verrast en is als een schokgolf door de wereld gegaan, al waren er volop aanwijzingen dat Poetin nogal geagiteerd was geraakt door de oostwaartse expansie van de NAVO en de weigering van Washington om zijn ‘rode lijn’, zijn veiligheidseisen ten aanzien van Oekraïne, serieus te nemen. Waarom denkt u dat hij op dit moment een invasie is begonnen?
‘Voordat ik inga op die vraag moeten we enkele onweerlegbare feiten onder ogen zien. Het cruciaalste is dat de Russische invasie in Oekraïne een oorlogsmisdaad van de eerste orde is, die zich kan meten met de Amerikaanse inval in Irak en de inval van Hitler en Stalin in Polen in september 1939, om maar twee saillante voorbeelden te noemen. Zoeken naar verklaringen is altijd zinnig, maar er is geen rechtvaardiging, geen vergoelijking.
Nu dan de vraag: er bestaan tal van uiterst zelfgenoegzame verklaringen voor Poetins geestesgesteldheid. Het gebruikelijke verhaal is dat hij in de ban is van paranoïde fantasieën, geheel in zijn eentje handelt en wordt omringd door kruiperige hovelingen, vergelijkbaar met de laatste resten van de Republikeinse Partij hier in Amerika die zich naar Mar-a-Lago slepen om de zegen van de Leider te ontvangen.
Hoe terecht alle scheldkanonnades ook mogen zijn, misschien moeten er ook andere mogelijkheden in overweging worden genomen. Misschien meenden Poetin en zijn medestanders wel wat ze al jarenlang luid en duidelijk beweerden. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat, “aangezien Poetins belangrijkste eis de verzekering is dat de NAVO geen nieuwe leden zal aannemen, en vooral niet Oekraïne of Georgië, er geen reden voor de huidige crisis zou zijn geweest als het bondgenootschap zich na de Koude Oorlog niet sterk had uitgebreid, of als die uitbreiding gepaard was gegaan met de opbouw van een veiligheidsstructuur in Europa waarvan ook Rusland deel uitmaakte”.
Deze woorden werden kort voor de invasie geschreven door Jack Matlock, de voormalige Amerikaanse ambassadeur in Rusland en een van de weinige echte Ruslandspecialisten in het corps diplomatique van de VS. Matlock besluit met de overweging dat de crisis “gemakkelijk kan worden opgelost met een beroep op het gezond verstand. Het gezond verstand dicteert dat het in het belang van de Verenigde Staten is om vrede te bevorderen, geen conflict. Pogingen om Oekraïne los te weken uit de Russische invloedssfeer, wat voorstanders van de ‘kleurenrevoluties’ bepleitten, waren zowel dwaas als gevaarlijk. Zijn we de les van de Cubacrisis al zo snel vergeten?”
‘De crisis broeide al 25 jaar lang omdat de VS de Russische veiligheidsbezwaren minachtend afwimpelden’
Matlock staat bepaald niet alleen. William Burns, het voormalige hoofd van de CIA en een van de weinige andere authentieke Ruslandkenners, komt min of meer tot dezelfde conclusie. Het nog krachtiger standpunt van diplomaat George Kennan is, helaas te laat, in brede kring geciteerd, onder andere door de voormalige Amerikaanse minister van Defensie William Perry en, buiten de diplomatieke gelederen, door de bekende specialist op het gebied van internationale betrekkingen John Mearsheimer en tal van andere toonaangevende figuren.
Dit alles is verre van geheim. Volgens door WikiLeaks geopenbaarde Amerikaanse documenten leidde het roekeloze aanbod van een NAVO-lidmaatschap aan Oekraïne door Bush II tot een scherpe waarschuwing van de kant van Rusland dat een uitbreiding van de militaire dreiging niet zou worden geduld. Begrijpelijk.
Hier doet zich overigens het merkwaardige fenomeen voor dat “links” regelmatig het verwijt krijgt van “links” dat het niet sceptisch genoeg tegenover de “Kremlinlijn” staat.
Het punt is dat we eigenlijk niet weten waarom de beslissing voor een invasie is genomen, en zelfs niet of die door Poetin alleen is genomen of door de Russische Veiligheidsraad waarin hij een leidende rol vervult. Er zijn echter een paar dingen die we wel vrij zeker weten, mede op basis van gegevens waarin de eerder geciteerde Amerikaanse hoogwaardigheidsbekleders inzage hebben gehad. Het komt er in het kort op neer dat de crisis al vijfentwintig jaar lang broeide omdat de VS de Russische veiligheidsbezwaren minachtend afwimpelden, met name de duidelijke rode lijnen Georgië en vooral Oekraïne.
Er is goede reden om aan te nemen dat deze tragedie tot op het laatste moment voorkomen had kunnen worden. We hebben het hier al eerder over gehad, herhaaldelijk. Over de vraag waarom Poetin zijn criminele agressie juist nu botviert, kunnen we zoveel speculeren als we willen. Maar de onmiddellijke achtergrond is duidelijk, en alleen veronachtzaamd, niet bestreden.
Waarom het in de ogen van de slachtoffers van deze misdaad van onacceptabele toegeeflijkheid getuigt om te onderzoeken waarom die plaatsvindt en hoe hij vermeden had kunnen worden, is begrijpelijk. Begrijpelijk, maar onterecht. Willen we op deze tragedie reageren op manieren waarbij de slachtoffers gebaat zullen zijn, en waardoor nog ergere rampen die in het verschiet liggen kunnen worden voorkomen, dan is het verstandig en noodzakelijk om zo goed mogelijk te achterhalen wat er verkeerd is gegaan en hoe de zaak had kunnen worden bijgestuurd. Hoe bevredigend historische gebaren ook mogen zijn, je schiet er weinig mee op.
‘Wanneer heeft rechtvaardigheid ooit gezegevierd in internationale kwesties?’
Zoals wel vaker moet ik denken aan een les die ik lang geleden heb geleerd. Aan het eind van de jaren zestig nam ik deel aan een bijeenkomst in Europa met een aantal vertegenwoordigers van het Nationaal Bevrijdingsfront van Zuid-Vietnam, de Vietcong in de volksmond. Het was in de korte periode dat er fel werd geprotesteerd tegen de afschuwelijke Amerikaanse misdaden in Indochina. Sommige jonge mensen waren zo woedend dat ze vonden dat de gruwelen alleen met geweld beantwoord konden worden, door het breken van ruiten en het opblazen van gebouwen in de VS. Een andere reactie zou medeplichtigheid aan vreselijke misdaden impliceren. De Vietnamezen zagen dat heel anders. Zij waren sterk tegen dergelijke acties gekant en toonden hun eigen manier om effectief te protesteren: een paar vrouwen die stil stonden te bidden bij graven van Amerikaanse soldaten die waren gesneuveld in Vietnam. Zij waren niet geïnteresseerd in dingen die de Amerikaanse tegenstanders van de oorlog een rechtschapen en eerzaam gevoel gaven. Ze wilden gewoon overleven.
Het is een les die ik vaak in een of andere vorm heb geleerd van slachtoffers van gruwelijke misdaden in het ‘Globale Zuiden’, het voornaamste doelwit van het geweld van grootmachten. Een les die we ter harte moeten nemen, aangepast aan de omstandigheden. Vandaag de dag betekent het een poging om te begrijpen waarom deze tragedie zich voltrekt en hoe ze had kunnen worden afgewend, en om die les toe te passen op wat komen gaat.
Het is een gevoelige kwestie. Er is nu geen tijd om daar langdurig bij stil te staan, maar bij een echt of denkbeeldig conflict wordt vaker naar een vuurwapen gegrepen dan naar een olijftak. Dat is bijna een reflex en de gevolgen zijn over het algemeen afschuwelijk, voor de gebruikelijke slachtoffers. Het is altijd de moeite waard om te proberen het te begrijpen, om een stap of twee vooruit te denken over de waarschijnlijke gevolgen van het al of niet ondernemen van actie. Dat zijn natuurlijk dooddoeners, maar ze kunnen niet vaak genoeg worden herhaald omdat ze zo gemakkelijk over het hoofd worden gezien als de gemoederen terecht hoog oplopen.
De opties die overblijven na de invasie zijn grimmig. De minst slechte is steun voor de diplomatieke mogelijkheden die er nog zijn, in de hoop een resultaat te bereiken dat enkele dagen geleden nog haalbaar leek: een Oostenrijks getinte neutralisering van Oekraïne, een intern federalisme van het type Minsk II [in het tweede Minsk-akkoord uit 2015 werd een wapenstilstand in de Donbas afgesproken en een tijdelijk zelfbestuur van de afvallige Oekraïense regio’s Loehansk en Donetsk]. Dat is nu veel moeilijker te bereiken. En, noodzakelijkerwijze, een ontsnappingsluik voor Poetin, anders zal de afloop nog ijzingwekkender zijn, misschien bijna op het onvoorstelbare af, niet alleen voor Oekraïne, maar voor iedereen.
Verre van rechtvaardig dus. Maar wanneer heeft rechtvaardigheid ooit gezegevierd in internationale kwesties? Moeten we het ontstellende doopceel opnieuw lichten?
Of we het nu leuk vinden of niet, de keuzes zijn inmiddels beperkt tot ofwel een afzichtelijk resultaat dat Poetin eerder beloont dan bestraft voor zijn agressie, ofwel de mogelijkheid van een fatale oorlog. Hoe bevredigend het ook voelt om de beer in een hoek te drijven van waaruit hij wanhopig zal uithalen – en dat kan hij –, verstandig is het niet.
‘Daarnaast moeten we manieren proberen te vinden om een veel grotere groep slachtoffers te steunen: al het leven op aarde’
Ondertussen moeten we alles in het werk stellen om degenen die hun vaderland dapper tegen wrede agressors verdedigen op een zinvolle manier te steunen, evenals degenen die aan de gruwelen ontsnappen en de duizenden moedige Russen die grote persoonlijke risico’s lopen door openlijk tegen de misdaad van hun land te protesteren, een les voor ons allemaal.
Daarnaast moeten we manieren proberen te vinden om een veel grotere groep slachtoffers te steunen: al het leven op aarde. Deze ramp voltrekt zich op een moment dat alle grootmachten, wij allemaal zelfs, moeten samenwerken om de gigantische afbraak van het milieu te beperken die zijn grimmige tol nu al eist en binnenkort nog veel erger zal worden als er niet snel grootscheeps wordt ingegrepen. De IPCC heeft onlangs haar jongste en veruit onheilspellendste rapport gepubliceerd over de ramp die op ons af dendert.
Ondertussen worden de noodzakelijke acties uitgesteld, en zelfs teruggedraaid, omdat hoogst noodzakelijke natuurlijke hulpbronnen voor vernietiging worden ingezet en de wereld bezig is het gebruik van fossiele brandstoffen weer op te voeren, waaronder de allergevaarlijkste, die in ruime mate voorhanden is, namelijk steenkool.
Een kwaadaardige duivel zou nauwelijks een groteskere conjunctuur kunnen bedenken. We mogen er onze ogen niet voor sluiten. Elke minuut telt.’
De Russische invasie is een duidelijke schending van Artikel 2(4) van het VN-Handvest, dat het bedreigen van of gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit van een andere staat verbiedt. Maar tijdens zijn toespraak op 24 februari heeft Poetin juridische argumenten aangedragen voor de invasie, en Rusland voert Kosovo, Irak, Libië en Syrië op als bewijs dat de Verenigde Staten en hun bondgenoten het internationaal recht zelf ook herhaaldelijk schenden. Kunt u commentaar geven op Poetins juridische argumenten voor de invasie in Oekraïne en op de status van het internationaal recht in het tijdperk na de Koude Oorlog?
‘Over Poetins poging om met juridische argumenten voor zijn agressie te komen valt niets te zeggen. Die zijn van generlei waarde.
Natuurlijk is het waar dat de VS en hun bondgenoten het internationaal recht schenden zonder met hun ogen te knipperen, maar dat maakt Poetins misdaden er niet minder om. Toch hebben Kosovo, Irak en Libië rechtstreekse implicaties gehad voor het conflict over Oekraïne.
De invasie in Irak was een schoolvoorbeeld van de misdaden waarvoor nazi’s zijn opgehangen in Neurenberg, pure agressie zonder enige aanleiding. En een klap in het gezicht van Rusland.
‘Er waren diplomatieke opties, maar die werden zoals gewoonlijk genegeerd ten gunste van geweld’
In het geval van Kosovo werd de NAVO-agressie (lees: de agressie van de VS) ‘illegaal maar terecht’ genoemd (bijvoorbeeld door de Internationale Commissie voor Kosovo onder leiding van Richard Goldstone) omdat de bombardementen zouden zijn uitgevoerd om een eind te maken aan voortdurende wreedheden. Voor dat oordeel moest de chronologie worden omgedraaid. Er is een overweldigende hoeveelheid bewijs voor het feit dat de stortvloed van wreedheden het gevolg was van de invasie: voorspelbaar, voorspeld, verwacht. Bovendien waren er diplomatieke opties, maar die werden zoals gewoonlijk genegeerd ten gunste van geweld.
Hoge Amerikaanse functionarissen bevestigen dat vooral het bombarderen van Ruslands bondgenoot Servië, zonder waarschuwing vooraf, een ommekeer betekende voor de Russische pogingen om na afloop van de Koude Oorlog samen met de VS een soort Europese veiligheidsorde te creëren, een ommekeer die werd versneld door de invasie in Irak en het bombarderen van Libië nadat Rusland had toegezegd geen veto uit te spreken over een resolutie van de VN-Veiligheidsraad die door de NAVO onmiddellijk werd geschonden.
Gebeurtenissen hebben gevolgen, maar de feiten kunnen binnen het doctrinaire systeem worden verhuld.
De status van het internationaal recht is in de periode na de Koude Oorlog niet veranderd, niet in woorden en al helemaal niet in daden. President Clinton maakte duidelijk dat de VS niet van zins waren zich eraan te houden. De Clintondoctrine bepaalde dat de VS zich het recht voorbehouden “indien nodig unilateraal te handelen” en “unilateraal militaire machtsmiddelen in te zetten” om vitale belangen te verdedigen zoals “het garanderen van onbeperkte toegang tot essentiële markten, energievoorraden en strategische middelen“. Hetzelfde gold en geldt voor zijn opvolgers, en voor iedereen die ongestraft de wet kan overtreden.
Dat wil niet zeggen dat het internationaal recht geen waarde heeft. Het is breed toepasbaar en in sommige opzichten een nuttig handvat.‘
Doel van de Russische invasie lijkt te zijn de regering-Zelensky af te zetten en te vervangen door een pro-Russische. Maar wat er ook gebeurt, Oekraïne gaat een huiveringwekkende toekomst tegemoet door zijn beslissing een pion in de geostrategische spelletjes van Washington te worden. Hoe waarschijnlijk is het in die context dat economische sancties de Russische houding jegens Oekraïne zullen veranderen? Of beogen de economische sancties iets groters, zoals het ondermijnen van Poetins macht binnen Rusland en zijn banden met landen als Cuba, Venezuela en mogelijk zelfs China?
‘Oekraïne heeft misschien niet de verstandigste keuzes gemaakt, maar het land mist ten enenmale de opties die de grootmachten ter beschikking staan. Ik vermoed dat de sancties Rusland nog afhankelijker zullen maken van China. Tenzij er een serieuze verandering intreedt natuurlijk. Rusland is een kleptocratische petrostaat die afhankelijk is van een inkomstenbron die snel zal moeten opdrogen als we er niet allemaal aan willen gaan. Het is niet duidelijk of het financiële systeem van het land bestand is tegen een scherpe aanval in de vorm van sancties of andere middelen. Des te meer reden om met een vertrokken gezicht een ontsnappingsluik te bieden.’
Westerse regeringen, gematigde oppositiepartijen zoals de Labour Party in het VK en massamedia hebben zich allemaal aangesloten bij een chauvinistische anti-Ruslandcampagne. Doelwit zijn niet alleen Russische oligarchen maar ook musici, dirigenten en zangers en zelfs eigenaren van voetbalclubs zoals Roman Abramovitsj van Chelsea FC. Rusland mag niet meedoen aan het Eurovisiesongfestival 2022. Dat is toch dezelfde houding die de massamedia en de internationale gemeenschap in het algemeen tegenover de VS innamen na de invasie in Irak en de vernietiging ervan?
‘Uw cynisme is terecht. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.’
Denkt u dat de invasie een nieuw tijdperk van langdurige strijd tussen Rusland (mogelijk samen met China) en het Westen zal inluiden?
‘Het valt moeilijk te voorspellen waar de as zal neerdalen, en dat zou weleens meer dan een metafoor kunnen blijken te zijn. Tot dusver houden de Chinezen zich gedeisd, en ze zullen vermoedelijk doorgaan met hun uitgebreide programma om een groot deel van de wereld economisch aan zich te binden. Zo hebben ze een paar weken geleden nog Argentinië opgenomen in hun Nieuwe Zijderoute. En onderwijl kijken ze hoe hun rivalen zichzelf te gronde richten.
Zoals eerder gezegd kan een militaire escalatie fatale gevolgen voor de mensheid hebben, met alleen maar verliezers. We bevinden ons op een cruciaal punt in de menselijke geschiedenis. Dat valt niet te ontkennen. Dat valt niet te negeren.’
Plastic is schadelijk voor de gezondheid, het milieu en de mensenrechten – en fungeert als een vooralsnog niet te beteugelen aanjager van klimaatverandering. Een geschiedenis van het vermaledijde materiaal.
Dit lijkt me niet echt een goed moment om over plastic te beginnen, denk ik als mijn vader na afloop van het samenzijn na een begrafenis over de vuilnisbak gebogen staat. Hij wenkt me, met een discreet maar dwingend gebaar. Hij heeft een doorzichtige plastic beker uit het vuilnis gehaald, met een geribbelde, rechte wand. ‘Polystyreen,’ grinnikt hij. Hij draait de beker om en kijkt naar de identificatiecode (een 6 in het midden van het recyclinglogo). ‘Maar niet mijn soort.’
Mijn vader heeft in de jaren 1960 een veerkrachtige variëteit van polystyreen ontwikkeld voor Union Carbide, een van de belangrijkste plasticfabrikanten van de twintigste eeuw, inmiddels overgenomen door Dow Chemical Company. En nu staan we in de hal van de parochie en heb ik het gevoel dat hij dit glas elk moment stuk kan knijpen. Alsof hij mijn gedachten kan lezen, verstevigt hij zijn greep. Een beker van dit soort polystyreen versplintert tot een merkwaardige ster van scherven, geschakeerd rond de ronde bodem van de beker – en dat is precies wat hij me wil laten zien.
Geen butadieen, denk ik. ‘Geen butadieen,’ zegt hij. In de productielijnen waarover hij de scepter voerde, werd butadieen toegevoegd om de kunsthars iets rubberachtigs te geven. Butadieen is een van de ruwweg tienduizend bestanddelen die plastics zoals wij ze vandaag de dag kennen, mogelijk hebben gemaakt. Mijn vader gaat op zoek naar een plasticbak, al weet hij ook wel dat deze beker weinig kans maakt op een volgend leven. Dat geldt vooral voor polystyreen, dat in talloze variëteiten op de markt is. Zoals antropoloog Tridibesh Dey opmerkt zijn plastics een chemisch complex allegaartje, meer ontworpen met het oog op gebruik dan op hérgebruik.
Een tweede kans
Mijn vader dacht ooit dat plastics tot in het oneindige hergebruikt zouden kunnen worden. Ik kan me zo voorstellen dat hij dacht dat plastic, net als de makers, een tweede kans verdiende. Toen Union Carbide in de jaren zeventig ging inkrimpen, nam mijn vader ontslag en bleef thuis bij de kinderen, totdat hij had bedacht hoe een leven zonder plastic eruit zou kunnen zien. Het antwoord bleek te schuilen in de ambtenarij: mijn vader stond een tijdlang aan het hoofd van het recyclingprogramma in mijn geboortestad. Maar hij heeft nooit zijn dromen kunnen verwezenlijken in de recycling. Van alle plastic die er tijdens zijn leven zijn geproduceerd, is nog geen tien procent op effectieve wijze hergebruikt.
De vraag naar plastic is net zo kunstmatig als plastic zelf
Deze teleurstellende uitkomst wordt – net als zoveel andere aspecten van onze relatie met plastic – vaak geweten aan individuele tekortkomingen. De pijlen worden zelden gericht op de plasticproducenten, of op de geopolitiek waardoor plastic over de hele wereld is verspreid. Maar wie zich verdiept in de geschiedenis van plastics, stuit op een ander verhaal: de vraag naar plastics is net zo kunstmatig als plastic zelf. Dat onze samenleving is vergeven van wegwerpplastic is niet veroorzaakt door de logica van de vraag, maar door de logica van de geschiedenis en geïntegreerde industriële systemen.
De industrie werkt al tientallen jaren aan de illusie dat het alle problemen onder controle heeft, maar ondertussen worden zowel de productie als de promotie steeds meer aangezwengeld. De afgelopen twintig jaar zijn er meer plastics geproduceerd dan in de hele tweede helft van de twintigste eeuw. Recycling is een gebrekkig systeem – en toch wordt het gepresenteerd als wondermiddel. Maar een slimme truc aan het einde van de keten is geen oplossing voor de massale hoeveelheid plastic die wordt geproduceerd, voor de complexe toxiciteit en de erfenis van vervuiling en schade die de industrie al langere tijd aan de menselijke gezondheid en de mensenrechten toebrengt.
Dat geldt natuurlijk allemaal al veel langer, maar nu is het moment daar om het gesprek over plastic ook echt aan te gaan. Naar verwachting zal plastic een zwaar stempel drukken op de eenentwintigste eeuw, als een vooralsnog niet te beteugelen aanjager van klimaatverandering.
Materie
Toen mijn vaders voormalige werkgever eind jaren 1920 plastic ging maken, was er niet echt sprake van een gretige afzetmarkt. Maar in zekere zin kon het bedrijf niet anders dan plastic vervaardigen. De nieuw ontwikkelde antivries, Prestone, werd gemaakt van aardgas en leverde een restproduct op, ethyleendichloride, een stof waarvoor geen praktische toepassing was en die dus op het terrein werd opgeslagen. Al snel had men er onvoorstelbare, ‘gênante’ hoeveelheden van opgeslagen, zoals het later werd verwoord in een nieuwsbrief van Carbide. De beste optie was, besloot het bedrijf, om er vinylchloride van te maken, waarvan al in de jaren 1970 werd vastgesteld dat het kankerverwekkend was, maar dat destijds werd gebruikt als bouwsteen voor een schadelijk soort plastics dat nog niet eerder op de markt was gebracht: vinyl.
Dit is geen op zichzelf staan geval, maar eerder een voorbeeld van hoe de productontwikkeling bij chemische stoffen en plastics maar al te vaak verloopt. Voor Carbide en andere petrochemische fabrieken in de twintigste eeuw, vereiste elk nieuw product een reeks opeenvolgende reacties, en elke stap leverde weer een nieuw bijproduct op. Door die bijproducten te ontwikkelen waaieren de productielijnen uit en ontstond er uiteindelijk een bijna fractale structuur van onderling verwante producten. Alles wat het systeem binnenkomt moet ergens blijven, legt Ken Geiser, een beleidsexpert op het gebied van chemische industrie, uit in zijn boek Materials Matter. Materie is materie, het wordt gecreëerd noch vernietigd. En dus moet het worden omgezet: er wordt brandstof van gemaakt, het wordt afgedankt en veroorzaakt vervuiling, of het wordt te gelde gemaakt. Na vele herhalingen van dit proces komt Carbide uit bij Vinylite, dat uiteindelijk bruikbaar wordt gemaakt door de versmelting van twee typen vinyl: polyvinylchloride (pvc) en polyvinylacetaat.
Volgens een intern marketingrapport heeft Carbide jarenlang geprobeerd nieuwe klanten te ‘synthetiseren’ en nieuwe toepassingen te bedenken voor Vinylite, terwijl een kredietafdeling de financiële last verlichtte door het product te adopteren. Uiteindelijk stuurde het bedrijf zelfs technische teams het land in om fabrikanten te leren hoe ze kunsthars moesten gebruiken – allemaal met matig succes. Celluloid, voorheen Bakeliet, en later ook polystyreen, kende vergelijkbare problemen.
Door de Tweede Wereldoorlog kreeg de ontwikkeling van opkomende kunstharsen de wind in de zeilen
Maar toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Door de oorlogscontracten kreeg de ontwikkeling van opkomende kunstharsen de wind in de zeilen. Zo hielp de Amerikaanse marine DuPont en Union Carbide om een licentie te krijgen van Britain’s Imperial Chemical Industries, zodat een begin kon worden gemaakt met de vervaardiging van polyethyleen voor de isolatie van draden en kabels (waarmee radar mogelijk werd). Het zogeheten Manhattan Project was de aanzet voor DuPont om het nieuwe gefluorideerde plastic in massaproductie te nemen, en dat zou uiteindelijk Teflon worden. Wat voorheen werd gewogen in grammen werd nu gewogen in tonnen. In de oorlog werden ook de al bestaande kunstharsen volwassen: aan het einde van de oorlog werd tweeëndertig keer zoveel polystyreen geproduceerd als bij het uitbreken van de oorlog.
Maar polystyreen heeft enkele basisingrediënten gemeen met een ander materiaal dat van cruciaal belang bleek voor de moderne, gemechaniseerde oorlogsvoering: styreen-butadieenrubber, ook wel SBR genoemd. Rubber werd gebruikt voor rupsbanden. Vrachtwagenbanden. De zolen van de soldatenkistjes.
Rubber
Het gigantische, Duitse IG Farben had al het zogeheten Buna S-rubber gesynthetiseerd, een versie van SBR op kolenbasis, toen de verstoring van de handel in natuurlijk rubber Amerika dwong om een inhaalslag te maken. Er werd razendsnel een onderzoeks- en ontwikkelingstraject in gang gezet en dat leverde het Amerikaanse alternatief op: GR-S, ofwel Government Rubber-Styrene. Volgens historicus Peter J. T. Morris deed dit traject niet onder voor de wedloop om een atoombom te maken. Om te kunnen beantwoorden aan de vraag naar rubber aan het front werd er styreen geproduceerd op een schaal die ‘haast onvoorstelbaar’ was, zoals valt te lezen in een Dow-reclame uit de jaren 1940 – al helemaal gezien de moeite die het tot dan toe had gekost om styreen te produceren.
Maar er waren ook risico’s verbonden aan styreen. Het kan kanker veroorzaken, net als vinylchloride. Dat gold ook voor het andere belangrijke bestanddeel van synthetisch rubber: butadieen, ook een monomeer die later kankerverwekkend bleek te zijn, en een chemische stof die symbool staat voor de versmelting van twee ooit afzonderlijke domeinen – petroleum en chemicaliën– tot de petrochemische industrie.
Amerika had de keuze tussen twee verschillende manieren om butadieen te maken. Het kon gemaakt worden uit graanalcohol (ethanol) of uit petroleum. De olie-industrie bond de strijd aan met de boeren om overheidscontracten binnen te slepen voor de nieuwe rubbermachine. Het graan hield stand tijdens de oorlog, maar toen de oorlog eenmaal ten einde was, dwarsboomde de door de overheid gesteunde petroleumindustrie elke mogelijkheid om een door koolhydraten gedreven chemicaliën-en-plasticsindustrie op te zetten. De graanoogsten werden te grillig geacht, te zeer aan de seizoenen gebonden, te gevoelig voor overstromingen en droogte, en dus vatbaar voor prijsfluctuaties.
Rond 1950 had de overheid de rubberfabrieken uit de oorlog verkocht aan particuliere investeerders. Styreen, zo meldde Dow, had ‘eervol ontslag’ gekregen om ‘een wereld van vrede’ te kunnen dienen. Verschillende bedrijven, waaronder Union Carbide, konden nu styreen en butadieen produceren in hoeveelheden die veel groter waren dan wat de rubberindustrie in vredestijd aankon. De oplossing voor een overdaad aan styreen: polystyreen, waarvan een deel later gemodificeerd zou worden tot hoogwaardig polystyreen. Het polystyreen van mijn vader.
De zonnige toekomst van plastics school in wegwerpartikelen
‘De naoorlogse domesticatie van plastic verliep grillig, met horten en stoten’, schrijft cultuurhistoricus Jeffrey Meikle in zijn boek American Plastic. Om de vraag op te stuwen, investeerde de bedrijfstak op grote schaal in advertentiecampagnes en groeide zelfs uit tot een van de grootste klanten van reclamebureaus. Aanvankelijk richtte de advertenties zich op vrouwen, om hen te doordringen van de voordelen van plastic en om hun te leren hoe ze de verschillende namen moesten uitspreken – zelfs de Society of the Plastics Industry (SPI) ontkende niet dat het tongbrekers waren. (‘Polly en Vin Wie?’ staat te lezen in een pamflet dat de SPI in 1953 uitgaf, in samenwerking met het vrouwenblad McCall’s. ‘Nou, het is geen Polly maar Poly: Poly-styreen en Vin-yl.’) Toen de bedrijfstak geen nieuwe markten meer wist te bereiken, zoals voorheen lukte met bijvoorbeeld de Tupperware-party’s, waagde men zich op andere terreinen, door de concurrentie aan te gaan met leer, katoen, glas en metaal. Toch waren de verkoopcijfers halverwege de jaren 1950 nog van dien aard dat men niet langer probeerde het plastic de huizen binnen te krijgen, maar eerder het erdoorheen te jagen, zoals plasticexpert Max Liboiron uitlegt. De zonnige toekomst van plastics school in wegwerpartikelen – of, zoals Lloyd Stouffer, redacteur bij Modern Packaging Magazine, het formuleert, ‘in de vuilnisbak’ – en polystyreen was een van de kunststoffen die daarvoor in aanmerking kwam.
Het duurde niet lang of Scott plaatste een reeks advertenties in Life, met daarin het eerste ‘wegwerpglas,’ zoals het bedrijf het noemde – mooi genoeg om gasten voor te zetten. Het bedrijf beloofde dat het ‘absoluut, zonder enige twijfel, honderd procent verantwoord’ was om dit glas, gemaakt van ‘puur polystyreen en glad als porselein’, weg te gooien. Rond 1960, aan het begin van het decennium waarin mijn vader plastics maakte, kocht het leger ook weer polystyreen, dit keer voor de vervaardiging van het zeer brandbare napalm-B, maar de verpakkings- en de wegwerpartikelenindustrie zouden de grootste afzetmarkten vormen voor plastics. De productiecijfers stegen ‘tot ongekende hoogten’, schreef een analist van wie de woorden in 1971 werden vastgelegd in de notulen van het Amerikaanse Congres. In de supermarkt werden papieren verpakkingen stuk voor stuk verdrongen door plastic: de eierdoos, de broodzak, het vleesbakje en uiteindelijk, zij het schoorvoetend, de boodschappentas, schrijft wetenschapsjournalist Susan Freinkel in haar boek Plastic:A Toxic Love Story.
‘Consumenten,’ legt Meikle uit, ‘konden alleen kiezen tussen de artikelen die in de schappen lagen.’ En tegen het einde van de twintigste eeuw lagen de schappen vol plastic.
Alternatieven
In mijn werkkamer staan kasten vol polystyreen bekers in alle mogelijke vormen, maten en kwaliteiten. Allemaal cadeautjes van mijn vader, die de merkwaardige gewoonte heeft ze voor me mee te nemen. Hij kan het niet aan om ze weg te gooien, en hij heeft zo zijn twijfels over recyclen.
Het kan lastig zijn om je een voorstelling te maken van het web waarin de alledaagse plastic bekertjes zijn verbonden met de nauw verweven mondiale crises van gifstoffen, milieu-onrecht en klimaatverandering, en het kan zelfs nog lastiger zijn om te bepalen waar moet worden ingegrepen. Want ja, door sommige plastics worden goederen en voertuigen lichter en daarmee efficiënter. En plastic componenten helpen bij het ontwikkelen van technologieën die hernieuwbare energie weten op te slaan en te distribueren. Maar daarentegen zit tegenwoordig meer dan veertig procent van het plastic in doosjes, bekertjes, verpakkingsmaterialen en andere toepassingen voor kortdurend gebruik. Ondanks aansporingen om waar mogelijk wegwerpartikelen te weigeren en je eigen tasje of bakje mee te nemen, hebben de meeste mensen in de meeste gevallen weinig te zeggen over de hoeveelheid plastic verpakkingen in hun leven. Op sommige plekken is het haast onvermijdelijk om een aanzienlijke hoeveelheid wegwerpplastic (zoals zakjes) te gebruiken, zeker op het platteland en op afgelegen plekken, waar nauwelijks alternatieven voorhanden zijn, of in ieder geval geen betaalbare alternatieven.
Bovendien is het alomtegenwoordige plastic niet altijd even goed zichtbaar. Google maar eens can lining and drain cleaner (blikje en gootsteenontstopper) en kijk zelf hoe de gootsteenontstopper de metalen laag van het blikje afbijt, tot er een plastic koker overblijft. Of nog beter: leg je kartonnen koffiebekertje volgende keer in een bak water. Het paper zal loslaten, waarna je het dunne laagje polyethyleen aan de binnenkant ziet.
De industrie heeft er zelfs voor gelobbyd dat staten zich konden onttrekken aan het verbod op plastic tasjes
Begin jaren 1970 waren er al vijftien staten die probeerden te bedenken hoe ze de snelle opmars van plastic bakjes een halt konden toeroepen. De bedrijfstak schakelde over van reclame op zelfverdediging. Lobbygroepen probeerden de twee cent belastingheffing op flesjes te verijdelen, en in de jaren erna verzette men zich in het nabijgelegen Suffolk County tegen maatregelen om het aantal polystyreen bekertjes en andere wegwerpplastics terug te dringen. De industrie heeft er zelfs voor gelobbyd dat staten zich konden onttrekken aan het verbod op plastic tasjes. En zodra uit peilingen bleek dat het draagvlak afkalfde, of wanneer er regelgeving dreigde, gooiden de industrie en haar handelspartners er extra advertentiegelden tegenaan.
Niet eerder in de geschiedenis heeft plastic zo onder vuur gelegen. Vorig jaar maart hebben twee Democratische congresleden wetsvoorstellen ingediend om de plasticvervuiling tegen te gaan. Ten minste twee derde van de lidstaten van de Verenigde Naties (waaronder, sinds kort, de Verenigde Staten) zijn voorstander van onderhandelingen om te komen tot een bindende overeenkomst om de wereldwijde gevolgen van plastics aan te pakken. En de National Academies of Sciences, Engineering, and Medicine heeft Amerikaanse producenten opgeroepen om de hoeveelheid plastics terug te dringen die in winkels terechtkomt, en vervolgens in het milieu. Zelfs mijn vader was betrokken bij een poging om in de hele stad een verbod af te kondigen op wegwerppolystyreen.
Al deze inspanningen trekken de ongelimiteerde productie van plastics in twijfel, maar er is ook nog een andere reden om nu stil te staan bij de plasticsproductie – de hoge CO2-uitstoot van de bedrijfstak is een aanjager van de klimaatverandering.
De plasticindustrie heeft zich flexibel getoond – aanvankelijk werden er producten gemaakt van ruwe grondstoffen zoals guttapercha en houtpulp, en later van restproducten uit andere industrietakken, zoals katoenvezels, landbouwafval en de overgebleven gassen uit gascentrales of kolenovens van staalfabrieken. Tegenwoordig worden plastics gemaakt in een nauw verweven netwerk van raffinaderijen, frackinginstallaties en petrochemische fabrieken – complexen die opnieuw zijn uitgerust of zijn verplaatst om beter in staat te zijn nieuwe of andere olie- en gasvoorraden aan te boren. Tegenwoordig wordt 98 tot 90 procent van het plastic – dus vrijwel alle plastic – gemaakt uit fossiele brandstoffen.
Verfrackingen
Historisch gezien zou je de markt voor fossiele brandstoffen een verstoorde markt kunnen noemen, gezien het grote aantal verschillende vormen van overheidssteun: hulp bij technologieoverdracht, belastingvoordelen, subsidies, zachte financieringen, prijsafspraken en, zoals hierboven beschreven, oorlogscontracten – dit alles samen bepaalt de prijs van plastic, en dus de productie. De plasticindustrie zelf heeft nooit de werkelijke kosten van de productie voor haar rekening hoeven nemen, dus de prijs van alles wat er is verbruikt, opgeslagen, gedumpt, in zee gestort, begraven, geïnjecteerd, verkwist, verbrand, door de schoorsteen gejaagd of uit leidingen weggelekt.
Maar de aard van de petrochemische industrie brengt haar eigen wetmatigheden met zich mee. Plastic moest wel op grote schaal worden geproduceerd om de enorme investeringen terug te verdienen die noodzakelijk waren geweest om dergelijke grote en gecompliceerde fabrieken op te zetten en in bedrijf te nemen. Deze fabrieken behoren tot de grootste, duurste en meest energieverbruikende bedrijven in de producerende en verwerkende industrie. Zo diende zich weer het aloude probleem aan: meer plastic vereiste meer toepassingen en meer afzetmarkten.
Dankzij fracking is Amerika nu de belangrijkste producent van olie en gas ter wereld
De Amerikaanse ‘fracking boom’, ook wel de schaliegasrevolutie genoemd, is de aanjager van de meest recente expansie van plastic. Dankzij fracking is Amerika nu de belangrijkste producent van olie en gas ter wereld, wat resulteert in een ‘oververzadiging’, aldus Kathy Hipple, senior research fellow aan het Ohio River Valley Institute. Door dit overaanbod van grondstof is een nieuwe ronde investeringen in plasticfabrieken in gang gezet waardoor, zo legt Hipple uit, de markt is overvoerd met plastic verpakkingsmateriaal – er is meer aanbod dan vraag. Door deze plastic, nu voornamelijk polyethylenen en polypropylenen die zijn vervaardigd uit aardgascondensaten, is polystyreen gedegradeerd tot een kleine speler op de verpakkings- en wegwerpartikelenmarkt – met een marktaandeel van zo’n twee procent. De producten die de plasticindustrie nu op de markt brengt, noem ik soms grappend ‘verfrackingen’ in plaats van verpakkingen.
Maar in economische zin is er opnieuw sprake van een verandering in de wereld van plastic. Nu de energie- en transportsector steeds meer afstand neemt van fossiele brandstoffen, zien veel olie- en gasproducenten in plastic nog een van de weinige kansen om te groeien, om te blijven bestaan. Sommige nieuwe ‘megafabrieken’, zoals de Zhoushan Green Petrochemical Base in China, gebruiken ruwe olie, in plaats van geraffineerde bijproducten, voor de productie van chemicaliën en plastic.
De plasticindustrie zal in 2050 zo’n 15 procent van het wereldwijde emissiebudget voor haar rekening nemen
En dat is (deels) de reden dat een groter deel van de mondiale CO2-uitstoot op het conto zal komen van plastic. Als de Amerikaanse plasticproductie blijft groeien zoals de industrie nu voorspelt, dan zal de klimaatbijdrage van plastics in 2030 die van de kolencentrales voorbij zijn gestreefd, concludeert Jim Vallette, de hoofdauteur van een nieuw Beyond Plastics-dossier. Of, anders gezien: de huidige groeicijfers betekenen dat de de plasticindustrie in 2050 zo’n 15 procent van het wereldwijde emissiebudget voor haar rekening zal nemen – en misschien nog wel meer. Hoeveel meer is afhankelijk van de grondstof en het soort plastic, maar gemiddeld genomen levert elke ton plastic zo’n 1,89 ton op aan koolstofdioxide-equivalent (een maat voor broeikasgassen).
Emissies ontstaan door de winning en het gebruik van fossiele brandstoffen. Maar er zijn ook zorgen dat er zelfs nog meer uitstoot zou kunnen plaatsvinden aan het andere uiteinde van de levenscyclus, als verschillende staten het groene licht zouden geven voor voorstellen uit de industrie om nog sterker in te zetten op CO2-intensieve afvaltechnologieën, zoals verbrandingsovens, het winnen van brandstoffen uit afval, en moleculaire, chemische en zogeheten hoogwaardige vormen van recycling. Deze onbewezen technologieën maken gebruiken van extreem hoge temperaturen en andere methoden om afval om te zetten in grondstof om nog meer plastic te produceren. Dergelijke technologieën ‘verplaatsen de afvalstortplaatsen van de grond naar de lucht’, aldus Yobel Novian Putra, die werkt aan een Asia Pacific klimaat- en energiebeleid voor de Global Alliance for Incinerator Alternatives. En dat zal zowel gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit als voor het klimaat.
Maar de petrochemische industrie zelf gebruikt ook veel energie – en staat zelfs in de top twee van energieverbruikers in de verwerkende sector. Zelfs als de bedrijfstak zou overschakelen op energiebronnen met een laag koolstofgehalte (of zou overschakelen op problematische technologieën voor het afvangen en opslaan van CO2, de zogeheten CCS-technologieën), zouden plastics nog altijd een belangrijk aandeel leveren in de uitstoot van broeikasgassen, volgens analisten van het Center for International Environmental Law (CIEL).
Plastic is klimaatverandering, maar dan in vaste vorm
Toch is er in het klimaatbeleid nog altijd betrekkelijk weinig aandacht voor de productie van plastics. En de proliferatie van plastics kan van ondergeschikt belang lijken nu de klimaatrampen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen. Plastic en klimaat zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en de structureel verweven problemen werken ook op elkaar in: de plasticindustrie stuwt de uitstoot van broeikasgassen op en door het extreme weer komt er nog meer plastic in het milieu terecht. Er wordt onderzoek gedaan naar die wisselwerking – men kijkt bijvoorbeeld hoe temperatuurstress van invloed is op de manier waarop diersoorten reageren als ze worden blootgesteld aan gifstoffen. Hoe dan ook hebben ze dezelfde wortels. ‘Plastic is koolstof’, fossiele brandstof in een andere vorm, zegt Carroll Muffett, die aan het hoofd staat van CIEL. Of, zoals Deirdre McKay het stelt: plastic ís klimaatverandering, maar dan in vaste vorm.
Wetenschappers zijn nog altijd aan het onderzoeken op welke niveaus er allemaal sprake is van schade – hoe er broeikasgassen vrijkomen uit plastic dat in de zon ligt te bakken, hoe plankton microplastics binnenkrijgt, waarmee het vermogen van plankton kan worden aangetast om zuurstof te leveren en CO2op te nemen en dat vervolgens mee te nemen naar de zeebodem. ‘Het onderzoek naar deze [klimaat]effecten staat nog in de kinderschoenen,’ valt te lezen in een rapport van CIEL en enkele andere groepen, ‘maar er zijn aanwijzingen dat plasticvervuiling de grootste natuurlijke CO2-opslag op aarde verstoort, wat een bron van zorg is en wat onze onmiddellijke aandacht vereist.’
Zodoende denk ik terug aan die begrafenis, denk ik weer aan het glas in zijn hand, de golven van verdriet. Terwijl overal natuurbranden ontstaan, terwijl de rook van het ene continent naar het andere drijft, terwijl het zeewater stijgt en kustlijnen zich terugtrekken, terwijl we kampen met droogte en overstromingen, kankers en uitstervende diersoorten, dodelijke hittegolven en dodelijke pandemieën, lijkt dit misschien niet hét moment om te beginnen over plastics – over het feit dat we worden overspoeld door in de oorlog tot wasdom gekomen wegwerpartikelen die ons zijn opgedrongen en die inmiddels niet meer uit ons bestaan zijn weg te denken, die overal en altijd aanwezig zijn. Maar dit is precies het moment om dat nou juist wél te doen. En de wereld heeft geen seconde meer te verliezen.
Tien jaar na Katrina is de hamvraag of New Orleans bestand is tegen een nieuwe superstorm. De staat Louisiana heeft een masterplan bedacht om de stad te beschermen. Maar dat gaat vele miljarden dollars kosten.
Deze stad heeft altijd een ander ritme gehad. Totaal anders dan dat van New York. Het schijnt dat iemand ooit een havenarbeider heeft horen zeggen: ‘Red je het niet in The Big Easy, dan red je het nergens’, en die kreet werd gemeengoed, eerst in de zwarte gemeenschap, vervolgens in Newsweek en van daaruit in de rest van het land. Tientallen jaren waren de jonge ambitieuze mannen en vrouwen hier verknocht aan hun stad, maar gingen ze er toch weg, terwijl nieuwkomers een plek voor zichzelf vonden in de bestaande huizen, zich er nestelden en de stad in hun hart sloten.
De orkaan Katrina, deze maand tien jaar geleden, heeft veel veranderd. De essentie van de stad – zijn ritme en zijn geuren – heeft de storm overleefd, ook al lijkt het er nu meer op Disneyland dan ooit. Maar het is ook een dynamische plek geworden. Na de storm kwamen tienduizenden hierheen om de stad weer op te bouwen; duizenden, vaak jonge mensen, zijn gebleven. Zij kwamen niet om zich in bestaande ruimtes te nestelen: ze kwamen om ruimte voor zichzelf te maken, niet te vinden, om een nieuwe Amerikaanse stad te scheppen.
Dankzij hun energie, plus 71 miljard dollar overheidsgeld voor Louisiana, waarvan het grootste deel voor de hoofdstad New Orleans, is veel veranderd. Tot verbazing van degenen die de stad kennen is die niet alleen springlevend, maar trekt hij ook jong talent aan. In 2014 had New Orleans volgens zakenblad Forbes het snelst groeiende aantal afgestudeerden van het land, en in 2013 was het de stad waar de meeste werkende Amerikanen naartoe verhuisden. Ook het ondernemersklimaat is hier volgens het blad het beste van het land, onder andere dankzij de jaarlijkse Entrepreneur Week, waar dit jaar tienduizend deelnemers op afkwamen.
De armoede en criminaliteit zijn gebleven, maar in New Orleans heerst nu ook een klimaat van kansen en mogelijkheden dat tien jaar geleden ondenkbaar was. Er is één vraag over de toekomst die steeds maar blijft hangen: hoe veilig is deze stad?
In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm
100-jarige storm
Die vraag gaat niet over criminaliteit, een ernstig, maar oplosbaar probleem. De kwestie is: zal de oceaan de stad verslinden – kan de stad blijven bestaan? Het antwoord daarop is lastig en ook belangrijk voor andere steden, waaronder New York. New Orleans heeft een nieuw systeem dat overstromingen tegen moet gaan. Het systeem dat er vóór Katrina was, faalde als gevolg van fouten van de Army Corps of Engineers [die in de VS de rol speelt van een soort militaire Rijkswaterstaat], maar dit nieuwe systeem moet wél zijn werk doen. Het biedt bescherming tegen een zogenaamde 100-jarige storm, ofwel een storm die eens in de honderd jaar voorkomt – het soort bescherming dat ook New York wil, maar nog niet heeft.
Maar er zijn drie problemen: die norm van ‘eens in de honderd jaar’ zelf, de geologie en zeespiegelstijging, en de politiek. De eerste twee kunnen opgelost worden, het derde zou wel eens ongeneeslijk kunnen zijn. Bescherming tegen een storm die eens in de honderd jaar voorkomt klinkt veilig, maar is het niet. Het betekent dat de stad beschermd is tegen een storm waarvan de kans dat hij in een bepaald jaar toeslaat 1 procent is; de kans dat de gemiddelde inwoner tijdens zijn leven minstens één storm zal meemaken die even krachtig is als de norm, of krachtiger, is echter meer dan 50 procent. De 100-jarige norm is in 1973 vastgelegd in het National Flood Insurance Program en diende oorspronkelijk alleen voor verzekeringsdoeleinden. Hij is nooit bedoeld geweest als veiligheidsnorm.
Vóór 1973 legde het Army Corps of Engineers stormvloedkeringen aan die de stad moesten vrijwaren van de ergste overstroming die zou kunnen optreden. Dat was de norm in de jaren dertig, toen na een overstroming van de rivier de Mississippi in 1927 – die rampzaliger was dan Katrina – dijken en afvoerkanalen werden aangelegd langs de benedenloop van de rivier. Dat was maar goed ook, want in 1937, 1973 en 2011 kwam het water bij de benedenloop van de Mississippi ook hoger dan het 100-jarige record, maar richtte het weinig schade aan, dankzij de dijken en afvoerkanalen. Daarentegen zijn delen van het land met dijken van vóór de 100-jarige norm herhaaldelijk overstroomd. Voor New Orleans, dat altijd afhankelijk is geweest van de goede wil van vreemden, is het dom om zichzelf op de borst te kloppen over die 100-jarige bescherming; voor het rijke New York is het idioot om naar die 100-jarige norm te streven. Toen Katrina aan land kwam, werd het water opgestuwd tot de hoogte van een 400-jarige storm; Sandy had op sommige plekken de kracht van een 200- tot 500-jarige storm.
In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm; dat is financieel onhaalbaar aan de Golf van Mexico en aan de oostkust, die met veel zwaardere stormen te maken krijgen dan de Nederlanders. Maar de norm moet hoger zijn dan die honderd jaar; vijfhonderd jaar zou het minimum moeten zijn. Dat is zeker bereikbaar in New York, gezien de draagkracht van die stad. Is het ook haalbaar in New Orleans?
Nieuw Atlantis
Om die vraag te beantwoorden moeten we ons realiseren dat de hele kust van Louisiana gevormd is door sedimentafzettingen die zijn aangevoerd door de rivier de Mississippi. Het sediment sloeg neer op het moment dat de rivier de oceaan bereikte, vormde eerst zandbanken, en daarna, toen daar planten op gingen groeien, stevig land – 20.000 vierkante kilometer land dat zich uitstrekt tot aan Texas in het westen. Mensen hebben in dit natuurlijke proces ingegrepen en sinds 1932 is zo’n 5000 vierkante kilometer – een gebied zo groot als Delaware – van de kust van Louisiana verdwenen. Dat land vormde ooit een buffer tegen stormvloeden.
Het landverlies gaat voort in zo’n tempo dat een gebied ter grootte van Manhattan in achttien maanden verdwenen kan zijn. Wordt er de komende vijftien jaar niets aan gedaan, dan verdwijnt nog eens 700 tot 1300 vierkante kilometer van Louisiana – en gaat het verlies verder tot New Orleans een Nieuw Atlantis wordt, met muren van dijken die de zee tegenhouden.
Toch heeft New Orleans wel een kans om te overleven, om twee redenen. Om te beginnen heeft de stad het concept van ‘leven met water’ omarmd – al is er weinig gedaan om dat ook werkelijk door te voeren – bijvoorbeeld door huizen op palen te bouwen. Ten tweede, en dat is veel belangrijker, zouden dezelfde natuurkrachten die de kust hebben gevormd, ook dienst kunnen doen om de kust die er nog is te bewaren, zodat de kuststreken van Louisiana een kans krijgen op een duurzame toekomst. Wat verdwenen is kan niet meer worden hersteld, en er zal nog steeds land verdwijnen, maar zelfs met de komende zeespiegelstijging kan, als er genoeg sediment en zoet water wordt aangevoerd, op strategische plekken nieuw land worden gevormd om de bevolking te beschermen.
De werkelijke kosten van het masterplan zullen meer dan 100 miljard dollar bedragen
Het is nu zelfs zo dat het dijkensysteem van New Orleans de stad waarschijnlijk zal beschermen tegen een eens in de vijfhonderd jaar voorkomend ‘stil hoogwater’, ofwel een stijging van het water zonder golven. Golven verspreiden zich over land, dus het opnieuw opbouwen van een landbuffer kan de veiligheid van de stad aanzienlijk vergroten. De Mississippi geeft New Orleans en Louisiana dus een kans, en duidelijk een veel betere dan bijvoorbeeld Miami, Tampa of Houston hebben, die geen beroep op de Mississippi kunnen doen.
Masterplan
Zal dit gebeuren? De staat heeft er een ‘masterplan’ voor ontwikkeld. Het grootste technische probleem is het sediment, dat met 50 procent is afgenomen, waardoor de technici minder hebben om mee te werken dan vroeger. De staat hoopt het sediment te verspreiden via pijpleidingen of ‘omleidingen’: openingen in dijken om natuurlijke stromen na te bootsen. Maar hoe lastig de techniek ook is, de politiek is nog lastiger. De meeste deskundigen zien het omleiden van het water als de enige mogelijkheid om op de lange termijn land te laten aangroeien. Nu al zijn oesterkwekers daar echter een campagne tegen gestart, omdat oesterbedden er volgens hen door vernietigd worden terwijl er geen land zal worden opgebouwd, en maakt de scheepvaartsector zich zorgen om veranderingen in het vaargebied.
En het gevecht om de omleidingen is nog maar het begin. De strijd zal pas echt losbarsten wanneer mensen buiten de beschermde gebieden beseffen dat hun gemeenschap zal verdwijnen, of als de staat het voorstel aanneemt – waarvan veel deskundigen voorstander zijn – om een nieuwe riviermonding te creëren, waardoor een deel van de staat wordt afgesneden. Nu al zijn er in een regio felle protestacties gaande, omdat het voorstel kan betekenen dat mensen moeten verhuizen uit gebieden met ‘zware, herhaaldelijke overstromingen’. Dan is er natuurlijk nog de kwestie van het geld.
Officieel zal het masterplan voor de hele staat 50 miljard dollar kosten. Ongeveer een vijfde daarvan is bestemd voor de 500-jarige bescherming van New Orleans. Maar volgens een onderzoek van de Yulane University zullen de werkelijke kosten van het masterplan meer dan 100 miljard dollar bedragen. En zelfs die begrote 50 miljard kan de stad al bij lange na niet opbrengen.
Oliemaatschappijen
De politieke realiteit is dat de belastingbetalers van het land heus niet tientallen miljarden dollars naar Louisiana zullen sturen, zeker niet zolang de politici van Louisiana zelf geen maatregelen nemen tegen een andere belangrijke oorzaak van het verlies aan land.
Olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen hebben naar schatting 15.000 kilometer aan kanalen door het kustgebied gegraven. Het zoute water dat daardoor het land in kon stromen, was dodelijk voor planten, en zonder de wortels daarvan kalfde het land af. Bovendien hebben bedrijven zo veel stoffen uit de grond gehaald dat het oppervlak is verzakt. Toch gaat niemand serieus de discussie aan over de rol van het bedrijfsleven in het landverlies. Zelfs een onderzoek dat werd gefinancierd door de Louisiana Mid-Continent Oil and Gas Association, de brancheorganisatie van grote oliemaatschappijen, kwam tot de conclusie dat activiteiten van het bedrijfsleven ‘de grootste oorzaak’ waren voor landverlies in gebieden waar dat verlies het ernstigst was. Volgens een onderzoek van de staat Louisiana komt 76 procent van het landverlies in diezelfde gebieden voor rekening van energiebedrijven. Een onderzoek onder leiding van de Amerikaanse geologische dienst, waaraan ook wetenschappers uit de bedrijfstak meededen, schreef 36 procent van het verlies over een groter stuk van de kust toe aan het bedrijfsleven.
Voor de meeste activiteiten van het bedrijfsleven waren vergunningen afgegeven, en daarin stond steeds specifieker de vraag om de schade zo veel mogelijk te beperken. In 1980 eiste de staat expliciet dat aangetast gebied ‘in zijn oude staat hersteld’ zou worden. Bedrijven hebben daar maar heel zelden aan voldaan. Een voorbeeld: in 1982 kreeg een bedrijf een vergunning van de staat, met daarin de eis om een kanaal ‘binnen negentig dagen af te sluiten; achttien jaar later had het bedrijf er echter niets aan gedaan en betaalden de belastingbetalers 5 miljoen dollar voor de afsluiting.
Sindsdien zijn nog tientallen miljoenen dollars aan belastinggeld uitgegeven aan het herstellen van dit soort schade waarbij het bedrijfsleven in gebreke is gebleven. Als olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen het geld zouden bijdragen dat nodig is om gebieden in hun oude staat te herstellen, zou daarmee een groot deel van het masterplan kunnen worden gefinancierd – misschien wel het hele plan.
Maar olie heeft lang de boventoon gevoerd in de politiek van Louisiana. De staat en de federale overheid hebben geen eisen gesteld aan het bedrijfsleven. Dat deed de Southeast Louisiana Flood Protection Authority East twee jaar geleden wel. Deze dijkraad, die na Katrina door hervormers werd ingesteld, en die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de regio New Orleans, daagde 97 bedrijven voor de rechter wegens het doen toenemen van stormvloeden.
Een van de leden van deze raad is voorzitter van een panel van de National Academy of Science over het verkleinen van risico’s aan de kust, en was daarvoor voorzitter van de American Society of Civil Engineers, waarin waterbouwkundigen en overstromingsexperts samenwerken. (Ik heb zelf zes jaar in de raad gezeten.) De raad hoopte met deze rechtszaak te bewerkstelligen dat in de hele staat regelingen konden worden getroffen ter financiering van het masterplan, hetzij via aanvullende gerechtelijke uitspraken, hetzij via belasting op het bedrijfsleven.
Twee buurgemeenten van New Orleans spanden inderdaad een proces aan, maar de burgemeester van de stad, Mitchell J. Landrieu, heeft dat niet gedaan, ook al heeft hij ooit gezegd dat de industrie ‘haar eigen rotzooi moest opruimen’ en zou hij met het winnen van zo’n zaak de ‘leven met water’-benadering kunnen financieren. Ondertussen reageerde het grootste deel van de gevestigde politici en ondernemers met verbijstering en woede. De Republikeinse gouverneur, Bobby Jindal, probeerde de raad de nek om te draaien, bijvoorbeeld door een nationaal erkend overstromings-expert, die hoofdingenieur was bij de aanleg van 2300 kilometer aan federale dijken in Californië, te vervangen door een lobbyist die de financiële man is van de stichting van Jindals vrouw.
Het parlement van de staat stelde oliemaatschappijen zelfs boven de wet en nam wetgeving aan die de rechtszaak van de raad met terugwerkende kracht onmogelijk maakte (die wetgeving is door een gerechtshof ongrondwettelijk verklaard). De voorstemmers hadden maar een krappe meerderheid, dus zei Chris John, hoofd van de organisatie van oliemaatschappijen, waarvan het eigen onderzoek zijn leden schuldig had verklaard aan het landverlies, dat hij ‘deze keer meer geld dan ooit zou besteden’ aan de staatsparlementsverkiezingen in 2015.
300-jarig bestaan
Wat betekent dit allemaal voor New Orleans? Op dit moment is de situatie beter dan vóór Katrina, maar echt veilig is de stad nauwelijks, en het gevaar wordt met de dag groter. Toch kan de veiligheid wel verbeterd worden, zelfs nu we geconfronteerd worden met een stijgende zeespiegel. De staat heeft het geld om zelf een programma te starten, ook al heeft het bij lange na niet genoeg om het noodzakelijke werk voort te zetten, laat staan af te maken, als de BP-regeling [de schadevergoeding die BP moet betalen voor de olievervuiling na de ramp met de Deep Horizon in de Golf van Mexico, in 2010] eenmaal opgebruikt is. Er is een ongelukkig precedent. Na orkaan Betsy in 1965 begon de federale overheid met de aanleg van de orkaanbescherming van de stad. In 2005, toen Katrina toesloeg, waren die waterwerken nog niet voltooid.
Op de tiende verjaardag van Katrina zullen er veel felicitaties zijn voor alles wat de stad heeft bereikt. Burgemeester Landrieu heeft verklaard dat de herbouw klaar is, en wil nu van New Orleans een internationaal pronkstuk gaan maken voor het 300-jarige bestaan van de stad in 2018. Als de stad en de staat zich concentreren op de enige echt ernstige bedreiging waarvoor ze staan, kan New Orleans een duurzame toekomst tegemoet gaan. Maar als ze hun aandacht verspreiden, als de politiek daadwerkelijke maatregelen tegenhoudt, is dat 300-jarige bestaan hoogstwaarschijnlijk het laatste eeuwfeest dat de stad zal vieren.
Zoals T.S. Eliot schreef, wordt de kracht van water ‘vaak vergeten / door de bewoners van steden – maar hij is onverbiddelijk / kent zijn seizoenen en zijn woedes, vernietiger, die herinnert aan / wat de mens wil vergeten. Niet geëerd, niet verzoend /… maar hij wacht, kijkt toe en wacht.’
John M. Barry
John M. Barry (1947) is een Amerikaanse auteur en historicus. Hij schreef voor zo’n beetje alle grote Amerikaanse bladen en publiceerde verschillende boeken over natuurrampen uit de geschiedenis van de Verenigde Staten.
Toen de Amerikaanse ‘seksdokter’ Alfred Kinsey in 1948 zijn rapport publiceerde over het seksleven van mannelijke Amerikanen, veroorzaakte hij een sensatie. Journalisten buitelden over elkaar heen om de uitkomsten te beschrijven van de enquêtes die Kinsey met een groepje getrouwen had gehouden onder duizenden Amerikanen van alle rangen en standen. Zoals het feit dat de helft van de mannen vreemdging, en homoseksualiteit veel wijder verbreid bleek dan gedacht.
Vijf jaar later leidde zijn tweede studie over vrouwen tot nóg meer opwinding, omdat ook zij veel promiscuer waren dan werd aangenomen. Het hele verhaal is in geuren en kleuren terug te lezen in de uitstekende roman De ingewijden van T.C. Boyle, die begin september te gast is in Amsterdam. Intussen zijn we ruim een halve eeuw verder en is het seksuele speelveld een stuk groter geworden. Op Facebook kun je tegenwoordig op zestig manieren je geslacht beschrijven. Transseksuelen, transgenders en aseksuelen eisen en krijgen steeds meer erkenning, zo blijkt uit ons dossier. Althans, in delen van de wereld. Is de seksuele revolutie daarmee voltooid? Nee, stelt de Amerikaanse seksexpert Laura Berman. Want dankzij de technologie worden onze opties straks nog veel talrijker. Virtualrealityporno, seksrobots, het op afstand stimuleren van je partner met een muisklik: het ligt allemaal binnen handbereik. De film Her, waarin een door Joaquin Phoenix gespeeld personage een relatie krijgt met een computerbesturingssysteem, zal werkelijkheid worden. Berman vindt het allemaal prima, maar je kunt je natuurlijk afvragen: wie wil dit nu eigenlijk? Precies die kwestie snijdt de Israëlische historicus Yuval Harari aan in een flonkerend essay, dat aanhaakt bij de beroemde vraag van internetactivist Jaron Lanier: Who Owns the Future? [Wie gaat er over de toekomst?] Op dit moment, zegt Harari, is dat een piepklein clubje toekomstprofeten in Silicon Valley met een feilloos businessinstinct en een vreemde mix aan utopische ideeën. Hun intenties lijken doorgaans goed, maar er zitten ook mensen tussen die serieus denken onsterfelijk te worden. Of die een nieuwe beschaving willen stichten met louter hoogintelligente bewoners. Dat we klakkeloos achter deze figuren aanlopen, betoogt Harari, komt doordat het onze politici aan toekomstvisie ontbreekt. En wie politici zegt, zegt eigenlijk: wijzelf. Met andere woorden: het wordt hoog tijd dat ook u gaat nadenken wat we nu met al die fantastische nieuwe technologie willen. Het is dat, of u zit straks lieve woordjes te fluisteren tegen uw seksrobot.
Onder druk van hun ouders moeten scholieren in de VS steeds harder werken, zo stellen onderzoekers. Dat leidt tot angsten, slaapgebrek en zelfs het gebruik van pepmiddelen. Gaan Amerikaanse ouders te ver?
Frank Bruni: Ja
Bij het lezen van het zojuist verschenen boek Overloaded and Underprepared kreeg ik soms medelijden met Amerikaanse middelbare scholieren. De meest ambitieuze onder hen doen er alles aan om maar beter te zijn dan de rest. Sommige gebruiken pepmiddelen als Aldenall. Anderen spieken. Maar het meest aangrijpende was wel wat ik las over slaap. Zolang je nog niet volwassen bent moet je goed slapen. Anders ga je er geestelijk aan onderdoor. Maar veel tieners zijn tegenwoordig zo opgefokt en gestrest dat ze bij lange na niet genoeg uitrusten. In het boek komt een middelbare school in Silicon Valley voor die slaapexperts van buitenaf inhuurde, een soort slaapcurriculum opstelde en leerlingen opleidde tot ‘slaapambassadeurs’. Allemaal om maar een oog dicht te kunnen doen. Slaapambassadeurs? Zelf ging ik in de tachtiger jaren naar de middelbare school, in een omgeving die destijds als veeleisend gold. Het enige slaapprobleem waar ik en mijn medeleerlingen mee kampten was dat we ons versliepen, waardoor we te laat op school kwamen. Nu is het andersom: het probleem is niet meer hoe je tieners hun bed uit krijgt, maar hoe je ze kunt laten pitten. Dat geeft aan hoe – onder een ambitieus en bevoorrecht deel van de Amerikanen tenminste – opgroeien is verworden tot een exact uitgestippelde, op status gefixeerde en soms ronduit geestdodende race. Het boek, geschreven door Denise Pope, Maureen Brown en Sarah Miles, kijkt naar de hoeveelheid huiswerk, de opbouw van een schooldag en nog veel meer. Het is het laatste in een reeks boeken die vraagtekens zetten bij de overdreven bemoeizucht van ouders, het teveel aan bijlessen, de al te intensieve voorbereiding op gestandaardiseerde tests en dergelijke uitwassen. Een overkoepelend thema van het genre is: ‘genoeg is genoeg’. Volgens Denise Pope, professor pedagogiek aan Stanford University, komt er een moment dat je moet zeggen: nee, dit wordt te gek. De waanzin beperkt zich niet tot een gebrek aan slaap, maar dit thema illustreert wel perfect de trend dat er bij het opgroeien steeds minder plek is voor spontaneïteit en speelsheid, omdat alles moet wijken voor ‘de druk van de perfectie’. Een recent artikel in The New York Times beschreef zes zelfmoorden in dertien maanden op de Universiteit van Pennsylvania, de angstigheid en depressies die heersen op college-campussen en het onvermogen van veel uitblinkers om ook maar de kleinste tegenslag te verwerken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben deze studenten gewoon behoefte aan slaap. In een recent onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift Pediatrics gaf 55 procent van de Amerikaanse tieners van tussen de 14 en 17 jaar aan minder dan zeven uur per nacht te slapen, terwijl de National Sleep Foundation hun wel acht tot tien uur aanraadt.
Frank Bruni is opinieredacteur van The New York Times. Hiervoor werkte hij als restaurantcriticus voor dezelfde krant. Hij schreef boeken over de liefde van zijn familie voor eten en over George W. Bush.
Robert Pondiscio: Nee
Over het onderwijs wordt eindeloos gediscussieerd: over de hoeveelheid huiswerk, wiskundeonderwijs, straf op school en nog een aantal hete hangijzers. Zo nu en dan laaien deze discussies op en bedaren dan weer, zonder dat ze ooit afgesloten of beslist worden. Een van die eeuwige twistpunten is opeens terug van weggeweest: de mythe van het overbelaste kind. Opgetogen begroette _New York Times_–columnist Frank Bruni het verschijnen van een golf aan nieuwe boektitels over het onderwerp, met als overkoepelend thema: ‘genoeg is genoeg’. Hij beweert dat de Amerikaanse jeugd in een snelkookpan van overbelasting en stress moet opgroeien, al is daar in onderzoeksresultaten weinig van terug te zien. In 2006 bijvoorbeeld gingen psycholoog Joseph Mahoney en zijn collega’s na hoeveel tijd kinderen precies aan sportwedstrijden en -trainingen, religieuze activiteiten, vrijwilligerswerk, naschoolse activiteiten en andere verplichtingen besteden. Gemiddeld was het vijf uur per week. Zo’n veertig procent van de tieners deed doordeweeks helemaal niet mee aan georganiseerde activiteiten. Waar zijn die overbelaste uitblinkertjes eigenlijk? Niet meer dan zes procent van de Amerikaanse tieners neemt wekelijks twintig uur of meer deel aan buitenschoolse activiteiten, en zelfs deze overdrijvers blijken uiteindelijk beter af te zijn dan degenen die er helemaal niet aan doen. ‘De bewering dat buitenschoolse programma’s te zwaar zouden zijn, is overdreven,’ aldus professor Mahoney. ‘Relatief weinig jongeren hebben te veel naschoolse verplichtingen en zelfs zij doen het in alle stadia van hun jeugd op allerlei vlakken beter dan jongeren die helemaal nergens aan meedoen,’ benadrukt hij. Toen ze in 2012 opnieuw gingen kijken, bleek dat bij hen de gunstige effecten van extra– curriculaire activiteiten ook als jongvolwassen nog merkbaar waren. ‘Ze hadden minder last van spanningen, hun studieresultaten waren beter en ze waren maatschappelijk meer betrokken.’ Er bestaat een wijde kloof tussen het beeld van de overbelaste Amerikaanse tiener in de media en de werkelijke situatie. Bruni geeft zelf al aan dat de overbelasting vooral een probleem vormt voor ‘een ambitieus en bevoorrecht deel van de Amerikanen’. Ik geloof graag dat in veel gezinnen kinderen inderdaad onder grote druk staan om te presteren en veel te bereiken. Maar veel zorgelijker zijn de vele Amerikaanse kinderen die veel te weinig worden uitgedaagd, niet over lesmateriaal van academisch niveau beschikken en nauwelijks kansen of mogelijkheden hebben om aan buitenschoolse activiteiten mee te doen. Het zou jammer zijn als de zorgen omtrent een kleine bevoorrechte groep – hoe gegrond ook – zonder meer worden betrokken op de rest. Onderzoeksresultaten spreken duidelijke taal: de meeste kinderen hebben behoefte aan meer verdieping en uitdaging, niet aan minder.
Robert Pondiscio is voormalig journalist en onderwijsspecialist. Hij adviseert scholen in de New Yorkse wijk Harlem en schrijft regelmatig opiniestukken voor o.a. The Wall Street Journal en The Atlantic.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.