Tag: onderwijs

  • Taliban sluit universiteiten voor vrouwen

    Taliban sluit universiteiten voor vrouwen

    » Opheffing coronamaatregelen China kan tot ramp leiden

    » Duitse vrouw van 97 veroordeeld voor rol in WOII

    Middelbaar onderwijs was eerder al verboden voor vrouwen

    Alle vrouwen in Afghanistan worden per direct uitgesloten van het volgen van hoger onderwijs. De Taliban heeft dat volgens de BBC dinsdag aangekondigd middels een brief. Al eerder waren vrouwen uitgesloten van het volgen van middelbaar onderwijs.

    Het verbod geldt als een nieuwe stap van het strenge regime om de vrjiheden van vrouwen te beperken. Universitair onderwijs was al beperkt voor vrouwen: zo mochten zij geen diergeneeskunde, techniek, economie en landbouw studeren. Ook moesten zij hun lessen volgen in gescheiden klaslokalen en waren de ingangen van de campussen van universiteiten gescheiden. Hun lessen mochten zij alleen krijgen van vrouwelijke professoren of oudere mannen.

    Ondanks al deze beperkingen bleven duizenden meisjes en vrouwen proberen toegang tote en universitaire studie te krijgen: drie maanden geleden deden vrouwen in heel Afghanistan toelatingsexamens voor de universiteit. Sinds de machtsovername door de Taliban vorig jaar zijn veel academici en universitaire professoren uit het land vertrokken.

    Lees ook:

  • ‘In een democratie moeten kinderen leren zelf na te denken’

    ‘In een democratie moeten kinderen leren zelf na te denken’

    Democratie is niet gewoon een staatsvorm, maar een manier van leven. De school moet een plek worden om na te denken in plaats van na te praten, stellen deze Duitse filosoof en pedagoog.

    In de recente geschiedenis van de mensheid was er zelden sprake van zo’n grote opeenstapeling van uitdagingen: klimaatcrisis, de coronapandemie, en nu de oorlog in Oekraïne. Zowel de mensheid als de politiek verkeert in een crisistoestand, die alle landen ter wereld treft en de politiek ernstig op de proef stelt. En die problemen treffen eveneens de verschillende staatsvormen. In dictaturen als China of Rusland wordt anders omgegaan met crises dan in democratieën als Zwitserland of Duitsland – en zo worden de gebeurtenissen van nu ook een vuurproef voor politieke systemen. 

    Hoeveel globale samenwerking tussen verschillende staatsvormen is er nodig om deze wereldwijde crises de baas te worden? Momenteel is men geneigd de voorkeur te geven aan deglobalisering, zodat de uitwisseling tussen dictaturen en autocratieën wordt stopgezet. Dat is een gevaarlijke trend die de wereld uiteindelijk misschien weer in twee blokken opdeelt, waarbij de grens in het oosten midden door Europa zal lopen en mogelijk een nieuwe Koude Oorlog ontstaat, die elk moment kan escaleren tot een hete nucleaire oorlog.

    Vergissing

    In een crisis moet een democratie onder moeilijke omstandigheden zien te functioneren, waarbij ze zelf in crisis kan raken. Dit kan aan de hand van de drie genoemde problemen verduidelijkt worden: maatregelen om de CO2-uitstoot te beperken brengen – in de vorm van prijsstijgingen en vermindering van welvaart en mobiliteit – het draagvlak onder de bevolking in gevaar. Tijdens de coronapandemie nam het aantal complotdenkers flink toe. Aanvankelijk ontstond de beweging uit scepsis en legitieme kritiek, maar het anti-overheids- en antidemocratische sentiment werd steeds groter. 

    Ook de Oekraïne-oorlog verdeelt de samenleving, bijvoorbeeld over de vragen welke mate van solidariteit Oekraïne kan opeisen en hoe de oorlog tot een einde kan worden gebracht.

    Uit de verschillende kampen is regelmatig te horen dat het tegengestelde standpunt niets met democratie te maken heeft. Tegengestelde meningen worden derhalve beschouwd als ‘aanval op de democratie’. Dit fenomeen, het discrediteren van de tegenpartij, krijgt bijna dagelijks een podium in talkshows, zodat je je als toeschouwer de vraag stelt: is dat dan democratie? 

    Eén misverstand is inderdaad wijdverbreid: velen menen dat er al sprake is van democratie wanneer er om de zoveel jaar gestemd wordt, en de verkiezingen openbaar, discreet en vrij zijn. Dat is een gevaarlijke vergissing.

    Voorwaarde van democratie is de principiële vrijheid en gelijkheid van alle burgers

    Het begrip democratie is tot op heden vaag. Dat komt onder andere doordat het ondanks alle kritiek een positieve inhoud heeft, zodat er binnen een breed spectrum van politieke praktijken aanspraak op gemaakt. De communistische staten in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie omschreven zichzelf na de Tweede Wereldoorlog als ‘volksdemocratieën’. Zelfs het project van de afbraak van democratische rechten in Hongarije wordt ‘illiberale democratie’ genoemd. Om deze willekeur in het gebruik van het begrip tegen te gaan, is in Angelsaksische discussies de niet-onproblematische uitdrukking ‘liberale democratie’ gangbaar geworden.

    Kenmerkend voor een democratie in engere zin is de garantie van individuele rechten en de geïnstitutionaliseerde solidariteit in de vorm van sociale maatregelen in een verzorgingsstaat. In deze opvatting berust democratie op een enkel principe, namelijk de collectieve zelfbeschikking onder de antropologische premissen van vrijheid en gelijkheid. Dat betekent in essentie dat alle burgers met de heersende orde moeten kunnen instemmen. Alleen wanneer aan die voorwaarden voldaan is, ontwikkelt zich vanuit het principe van de collectieve zelfbeschikking een democratische orde. De garantie van individuele rechten en vrijheden is dus geen inperking van het democratiebegrip, maar een onvervangbaar, essentieel en wezenlijk deel van elke democratische orde.

    Democratie is niet alleen een staatsvorm, het is een manier van leven

    Democratie is derhalve een politieke orde waarmee allen in kunnen stemmen. Voorwaarde daarvoor is de principiële vrijheid en gelijkheid van alle burgers. Consensus is niet het doel van democratische besluitvorming; de democratische besluitvorming berust veeleer op regels en instituties die een normatieve orde tot uitdrukking brengen. Aangezien met betrekking tot deze regels en instituties verschil van mening mogelijk is, wordt de voor een democratie onontbeerlijke consensus in bijzondere gevallen naar een hoger niveau verplaatst. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij conflicten over de grondwet, die worden opgelost met een voor een grondwetswijziging vereiste meerderheid. Het is dus niet, zoals meestal wordt aangenomen, alleen de mening van de meerderheid die beslissend is voor de democratie, maar het is deze hogere consensus over de grondwet die een democratie draagt. Hierin komen de grondprincipes van vrijheid en gelijkheid tot uitdrukking.

    Deze principes moeten een maatschappelijke sfeer van wederzijds respect en erkenning doen ontstaan, ongeacht verschillen in cultuur, religie, etniciteit of leefstijl. Een samenleving waarin mensen opstaan en de bus verlaten omdat een persoon met een andere huidskleur naast ze is gaan zitten, is niet democratiefähig. Democratie is niet alleen een staatsvorm, het is een manier van leven. Als de civiele grondslagen van de democratie wegslijten, is ze als institutioneel bouwwerk in gevaar.

    De rol van het onderwijs

    De in crisis verkerende democratie kan en moet dus ook lering trekken uit de huidige crises. Het belangrijkste daarbij is dat ze zorgdraagt voor de democratische vaardigheden van de mensen. Daartoe behoort bijvoorbeeld een discussiecultuur die in de genoemde tv-programma’s vaak ontbreekt. Maar het veronderstelt ook een kritisch-constructieve houding ten aanzien van de media in het algemeen, die alleen al door de keuze van thema’s, medewerkers, zendtijd enzovoort bevooroordeeld kunnen zijn. Het zou naïef zijn die keuze als toevallig of triviaal af te doen. 

    De afnemende interesse in professionele journalistiek is een probleem vanuit democratietheoretisch en onderwijskundig perspectief. Veel mensen halen hun informatie tegenwoordig niet meer uit de krant, maar liever van de sociale media, die vanwege big data bijzonder vatbaar zijn voor bubbelvorming en een gebrek aan nuance. Voor een debatcultuur is dit schadelijk, voor een democratie mogelijk catastrofaal. 

    Een school binnen een democratie moet een democratische school zijn

    Onderwijs kan op dit gebied op drie manieren een belangrijke rol spelen. Ten eerste moet de schoolorganisatie zo zijn ingericht dat deze aansluit op een democratie. Een school binnen een democratie moet een democratische school zijn. Deze gedachte is door [de Amerikaanse filosoof, psycholoog en pedagoog] John Dewey indringend geformuleerd en ontwikkeld in het begrip ‘embryonic society’. De school moet de mogelijkheden en de grenzen van de democratie zichtbaar maken, een democratische leefruimte worden. Kinderen en jongeren moeten in die omgeving ervaren en leren wat democratie betekent, gehoord worden, zich kunnen uiten en meewerken aan de vormgeving van de school. Hierbij moeten we niet bezwijken voor een utopie: medezeggenschap is niet hetzelfde als zelfbeschikking. Hoe belangrijk en zinvol het ook is om iedereen van een school bij beslissingen te betrekken, vanuit het oogpunt van de democratische theorie moet medezeggenschap worden opgevat als collectieve zelfbeschikking, en als zodanig moeten hierbij de vrijheid en gelijkheid van allen worden gerespecteerd.

    Vervolgens is het, wat het onderwijs betreft, een vereiste dat actuele thema’s worden behandeld. Het is bijvoorbeeld niet best dat kinderen en jongeren buiten de school nog altijd meer leren over duurzaamheid dan op school zelf. Maar hoe kan aan zulke problemen aandacht besteed worden als het lesprogramma op scholen al zo overvol is? Het is hoog tijd voor een curriculum waarin onderdelen worden geschrapt en aangepast aan een menselijker begrip van onderwijs. Alleen op die manier kan er tijd en ruimte worden gemaakt om actuele kwesties te behandelen. 

    Projectonderwijs is hiervoor het meest geschikt. Een week lang wordt er gewerkt aan een kernprobleem, waarbij vanuit de verschillende vakken en vanuit interdisciplinair perspectief een sleutelprobleem behandeld wordt. De opgedane inzichten worden vervolgens samen besproken en ter discussie gesteld. Bij een dergelijke aanpak leren kinderen om niet zomaar klakkeloos na te praten maar eerst en vooral zelf na te denken. En zo worden leerlingen opgevoed in de democratie.

    Perspectiefwisseling als principe

    Ten derde kan in de les gebruik worden gemaakt van dilemmadiscussies. Dat is een methode waarbij veel aan de kaak kan worden gesteld en die veel effect heeft. Het gaat daarbij niet alleen om het vertolken van de eigen positie, maar ook om het begrip van andermans mening, ja zelfs om het formuleren van tegenargumenten. Zo wordt verandering van perspectief een onderwijsprincipe, en dat is fundamenteel voor een democratie.

    Zeker, met onderwijs alleen worden de grote uitdagingen van deze tijd niet opgelost, maar zonder onderwijs ook evenmin. Onderwijs is beslissend binnen een democratie. Een uitholling van de democratie, zoals we die vanwege de wereldwijde problemen momenteel om ons heen waarnemen, kan met de juiste educatieve inspanningen worden verholpen.

    Lees ook:

  • Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand bij meisjes in India

    Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand bij meisjes in India

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Bibliotheek in Maine verzet zich tegen Amerikaanse cancel culture

    » Chinese banken hoeven minder reserve aan te houden om economie te stimuleren

    Meisjes hebben minder toegang tot mobiele telefoons

    In conservatieve delen op het platteland van India is het taboe voor meisjes om mobiele telefoons te gebruiken. Dit vanuit de angst dat ze online jongens ontmoeten of gecorrumpeerd zullen worden door online-invloeden, aldus NPR. Jongens met een smartphone worden daarentegen gezien als vooruitstrevend en slim. Dit zegt Shabnam Aziz, hoofd gendergelijkheid en inclusiviteit bij Educate Girls, een non-profitorganisatie voor meisjesonderwijs die in meer dan 20.000 dorpen in India werkt. Een UNICEF-rapport van vorig jaar bevestigt dat meisjes van vijftien tot negentien jaar in de voorafgaande twaalf maanden minder vaak een mobiele telefoon bezaten dan jongens van hun leeftijd en minder vaak internet gebruikten. Dat was vooral het geval in Zuid-Azië, inclusief India. Daardoor was het voor meisjes tijdens de pandemie bijzonder moeilijk om over te stappen naar online-onderwijs, zeggen experts en activisten.

    Het gebrek aan toegang tot mobiele telefoons brengt hoge kosten met zich mee voor meisjes: het kan wezenlijk hun toekomst beïnvloeden, zegt econoom Mitali Nikore. Haar denktank Nikore Associates bestudeert de genderbarrières waarmee meisjes worden geconfronteerd als het gaat om technologie. Zonder telefoon hebben meisjes veel moeilijker toegang tot online-inhoud, nodig om in de toekomst een baan te vinden. ‘Ze kunnen niet op kantoor werken zonder kennis van Word of Excel. Ze kunnen geen ondernemer worden als ze niet weten hoe ze betaalapps moeten gebruiken. En voor digitale marketing moet je sociale media kunnen gebruiken,’ aldus Nikore.

    Lees ook:

  • Italiaanse docenten vallen leerlingen lastig vanwege uitdagende kleding

    Italiaanse docenten vallen leerlingen lastig vanwege uitdagende kleding

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Kunstenaar Pavlo Makov verkoopt zijn kunst voor Oekraïense wapens

    » Onderzoek: muggen prikken je sneller als je rode of oranje kleren draagt

    Docenten belagen meisjes vanwege hun kleding

    Een docent klassieke talen, die van een school was weggestuurd omdat hij de coronamaatregelen niet respecteerde en vervolgens tijdelijk werd aangesteld op het Orazio Lyceum in Rome, heeft grote verontwaardiging veroorzaakt met een Facebook-bericht, aldus Corriere della Sera. Daarin schreef hij: ‘Bidden we gezamenlijk voor degenen die hun dochters verkleed als hoeren naar school laten gaan.’

    Die opmerking volgde een week nadat een leraar op een andere school in de Italiaanse hoofdstad met een soortgelijke opmerking woede veroorzaakte. ‘Loop je soms op Via Salaria?’ had hij gevraagd aan een leerling die een naveltruitje droeg, verwijzend naar een straat in de buitenwijken van Rome die bekendstaat als tippelzone. Na zijn opmerking verschenen studentes uit protest massaal in minirokjes en hotpants op school.

    Collega’s van de uitzendkracht op het Orzaio Lyceum laten weten ‘afstand te nemen’ van zijn bericht dat ‘de waardigheid’ de van leerlingen schaadt. De verwachting is dat de docent zal worden ontslagen.

    Lees ook:

  • ‘Deze generatie meisjes pikt het niet langer’: Italiaanse school bezet vanwege seksueel geweld

    ‘Deze generatie meisjes pikt het niet langer’: Italiaanse school bezet vanwege seksueel geweld

    Terwijl in Nederland kranten en praatprogramma’s worden beheerst door nieuws over #MeToo-schandalen, is Italië in de ban van een aanrandingsschandaal op een middelbare school in Cosenza. Boze leerlingen hebben de school sinds 3 februari bezet.

    ‘Sinds een paar dagen bezetten leerlingen in Castrolibero, bij Cosenza, het Valentini-Majorana Lyceum, nadat de school niet reageerde op klachten van studenten over seksuele intimidatie, met name door één bepaalde docent.’ Zo begint nieuwszender 24 Sky Italia zijn berichtgeving ‘over een delicate kwestie waar de onderwijsinspectie en het parket van Cosenza nu onderzoek naar doen.’

    De studenten houden de school al sinds 3 februari bezet terwijl de regionale onderwijsinspectie van Calabrië een onderzoek is gestart om vast te stellen wat er precies is gebeurd. ‘Op de ochtend van 7 februari ging een ambtenaar naar het lyceum’, aldus 24 Sky Italia, ‘voor een onderzoek op basis van een rapport dat door het hoofd van de middelbare school naar de onderwijsinspectie is gestuurd. Daar was ook om gevraagd door de ouders van de leerlingen.’

    Instagram

    De journalistieke onderzoekssite Fanpage.it begint zijn artikel over het schandaal specifieker: ‘Vrouwelijke leerlingen die het doelwit zijn van seksueel getinte grappen. Leraren die intieme delen van meisjes betasten en onfatsoenlijke voorstellen doen. Zomaar een greep uit “Castrolibero-gate”, de zaak die door de leerlingen van het Valentini-Majorana Lyceum aanhangig is gemaakt, die nu al een week speelt en die er alle schijn van heeft nog lang niet afgelopen te zijn.’ 

    ‘Het begon allemaal eind januari’, vervolgt Fanpage, ‘toen een oud-leerlinge van het instituut het Instagram-profiel “Call out Valentini-Majorana” aanmaakte waarin ze vermeende wandaden, ook van een paar jaar geleden, onverbloemd aan de kaak stelde. “Moe van de fysieke en verbale intimidatie door het onderwijzend personeel dat werd getolereerd door het schoolhoofd”, schreef de leerlinge bij het profiel. Haar eerste bericht luidde: “Weg met de pedofielen van het Valentini-Majorana”.’ 

    De leerlingen van het lyceum, die nu tot het bittere einde protesteren om schorsing te eisen van de leraren die bij het schandaal betrokken zijn, zeggen dat ze herhaaldelijk voorvallen van seksuele intimidatie hebben gemeld aan het hoofd van de school, Iolanda Maletta, maar tot nog toe heeft zij alles in de doofpot gestopt of er althans niets mee gedaan heeft. En dat terwijl ze volgens de regels verplicht is dergelijke meldingen door te geven aan de onderwijsinspectie.

    ‘De veertienjarige leerlinge kreeg het aanbod om een ​​naaktfoto te sturen in ruil voor een goed cijfer’

    ‘Volgens getuigen gaat het in het bijzonder om één ​​docent die jarenlang onafgebroken meisjes zou hebben lastiggevallen’, schrijft Fanpage. De docent zou grensoverschrijdende opmerkingen hebben gemaakt over het meisje dat de zaak aan de kaak heeft gesteld. Hij zou ‘haar voor de klas hebben geroepen en opmerkingen hebben gemaakt over haar grote borsten. Bij een andere gelegenheid kreeg de toen veertienjarige leerlinge naar verluidt het aanbod om een ​​naaktfoto te sturen in ruil voor een goed cijfer.’

    Fanpage schrijft dat het meisje alles eerst thuis heeft gemeld en vervolgens bij de directeur. Maar die zou de klachten hebben genegeerd, zelfs toen, volgens de leerlingen, ‘een video van het meisje binnen de school was gaan circuleren die leraren zouden hebben bekeken waarna ze anderen aanmoedigden om deze te delen in chats.’ 

    Na de berichten van het Instagram-account, waarvan de identiteit van de eigenaar om privacyredenen anoniem wordt gehouden, maar waarachter een meisje schuilgaat waarvan de naam bij de carabinieri bekend is, volgden er tientallen klachten van andere leerlingen. Veel meisjes zouden zichzelf in het verhaal hebben herkend en op hun beurt misstanden, in sommige gevallen fysieke seksuele intimidatie, aan de kaak hebben gesteld. Een leerlinge zegt bijvoorbeeld dat een andere leraar naast haar kwam zitten en zijn hand eerst op haar rug en daarna op haar billen legde.

    E-mail

    Voor de onderzoekers is het lastige van de zaak, zoals zo vaak in dit soort gevallen, dat directe bewijzen ontbreken. Er is, zoals Fanpage het omschrijft, ‘zelfs geen klein detail dat een smoking gun kan worden.’ De broer van een van de meisjes is zich daarvan bewust, zo liet hij in een openbare brief weten, maar hij heeft in ieder geval bewijs in handen dat de school gefaald heeft: ‘Er kan niet worden gezegd dat de school er niets van wist, gezien een e-mail in mijn bezit, die de afspraak bevestigt die ik met de grootste spoed had aangevraagd vanwege de precaire psychische toestand van mijn zus.’ De mail bevestigt een afspraak met de school op 28 juni 2018. ‘Een afspraak waarbij mijn moeder en ik ons ​​prompt presenteerden voor een confrontatie met de betreffende leraar, en die, zoals blijkt, niets waard bleek te zijn.’

    In gesprek met Fanpage zei de broer: ‘De lont ging een paar weken geleden in het kruitvat toen mijn zus de leraar in kwestie tegenkwam terwijl ze door de gang van de school liep. Hij zou tegen haar hebben gezegd “Ik had je harder moeten aanpakken”. Volgens de broer van de jonge vrouw die aangifte deed van het incident, “heeft dat de wond weer opengemaakt die nooit echt geheeld was en die ontstond in de laatste dagen van juni 2018, toen zij als weerloze veertienjarige haar eerste traumatische gebeurtenis met deze leraar beleefde”.’

    ‘Ik juich de moed van deze meisjes uit Cosenza toe’

    ‘Ik juich de moed van deze meisjes uit Cosenza toe, en applaudisseer voor hun kracht om dit geweld aan de kaak te stellen.’ Dat zegt Elena Bonetti, minister voor Gelijke Kansen en Familie in de regering van Mario Draghi, in gesprek met La Repubblica. ‘Ze laten zien dat ze de weerbaarheid hebben die nodig is om intimidatie en seksisme te herkennen en af te wijzen. Nu is het aan de minister van Onderwijs Bianchi, die al een inspectie is begonnen, en aan de rechterlijke macht, om de feiten te verifiëren en ernaar te handelen. Het onderzoek moet duchtig zijn en ik weet zeker dat Bianchi tot de bodem zal gaan. Maar één ding is zeker: deze generatie meisjes pikt het niet langer’.

    Bonetti zegt geraakt te zijn door de gebeurtenissen op de school in Cosenza. ‘Ik werd getroffen door de woorden van een meisje dat zei: “Ik kon geen onderscheid maken tussen smerigheid en galanterie”. Maar uiteindelijk viel het kwartje. Daar moeten we op scholen aan werken: meisjes maar ook jongens helpen om gendergerelateerd en andere vormen van geweld te leren herkennen.’ 

    Seksistische cultuur

    In een interview dat Corrado Zunino van La Repubblica eerder deed, zegt Diana, het meisje dat als eerste een klacht indiende: ‘Van het tweede tot het vierde jaar was er constant sprake van seksueel geweld van de betreffende docent tegen mij en mijn klasgenoten. Niemand van ons, ondergedompeld als we waren in de seksistische cultuur van de school, bedacht echter dat het geweld zou kunnen zijn.’ Maar zelfs toen de meisjes zich realiseerden wat er daadwerkelijk aan de hand was en dat vervolgens aan de kaak stelden, werden hun klachten door volwassenen verworpen. 

    Als het aan Bonetti ligt is dat voor het laatst: ‘Instituten zijn er om burgers te dienen en niet om zichzelf te verdedigen.’ Dat geldt ook voor onderwijsinstellingen: ‘Studenten moeten gehoord worden.’ 

    Vooralsnog blijft het lyceum in Cosenza in ieder geval nog bezet door boze studenten.

  • Een doof Americanfootballteam schrijft geschiedenis in Californië

    Een doof Americanfootballteam schrijft geschiedenis in Californië

    Het Americanfootballteam van de California School for the Deaf in Riverside walst over zijn (horende) tegenstanders heen. De ongeslagen Cubs brengen vreugde op een school die al heel wat sportieve nederlagen te verduren heeft gehad.

    De sportteams van de California School for the Deaf in Riverside hebben in de loop der jaren al heel wat vernederingen en pesterijen moeten slikken. Zoals toen de coach van een bezoekend volleybalteam de spot dreef met de dove spelers. En de keer dat de horende coach van het meisjesbasketbalteam tegenstanders hoorde zeggen hoe gênant het zou zijn om te verliezen van een doof team. Ook weinig bevorderlijk voor het moreel was het feit dat de Cubs, het Americanfootballteam van de school, in het recente verleden zeven seizoenen op rij wedstrijd na wedstrijd verloren, zodat tegenstanders die de campus in Riverside bezochten er al van tevoren van uitgingen dat het een makkie zou worden.

    Maar nu doet niemand meer geringschattend over de Cubs. Ze zijn dit seizoen ongeslagen en bezetten de eerste plaats in hun Zuid-Californische divisie. Elf wedstrijden lang hebben ze hun tegenstanders niet alleen verslagen, maar compleet platgewalst. In de tweede ronde van de play-offs, afgelopen november, straften de Cubs de Desert Christian Knights af met 84-12, een uitslag die nog meer uit balans zou zijn geweest als de Cubs niet uit medelijden de hele tweede helft uitsluitend spelers van het tweede garnituur hadden opgesteld.

    Een razendsnel en efficiënt systeem van gecodeerde handgebaren die spelers en coaches met elkaar uitwisselen, brengt tegenstanders in verwarring

    Onder leiding van de potige en bruisende Keith Adams, de dove docent lichamelijke opvoeding van de school, wiens twee dove zoons ook deel uitmaken van het team, zijn de Cubs een snel en sterk team geworden. Wide receivers schieten op voeten met vleugels langs verdedigers met een gemiddelde van zeventien meter per catch. De quarterback heeft een dubbelrol als de belangrijkste rusher van het team, met 22 touchdowns in één seizoen. Een razendsnel en efficiënt systeem van gecodeerde handgebaren die spelers en coaches met elkaar uitwisselen, brengt tegenstanders in verwarring.

    Domineren

    Na de winst op die vrijdagavond in november waren de Cubs nog twee wedstrijden verwijderd van het divisiekampioenschap, wat een primeur in de achtenzestigjarige geschiedenis van de school zou zijn. Maar coaches en spelers voelden zich nu al winnaars. ‘Soms kan ik nog steeds niet geloven hoe goed we dit jaar hebben gespeeld,’ zei coach Adams na de wedstrijd. ‘Ik wist dat we goed waren, maar dat we in elk spel zouden domineren had ik nooit durven dromen.’

    In dit deel van Californië, dat ernstig is getroffen door de pandemie, resulterend in een hoge werkloosheid en meer dan vijfduizend doden, hebben de uitstekende resultaten van de Cubs de school en de omringende gemeenschap een hart onder de riem gestoken.

    Bij American football spelen geluiden een belangrijke rol: het tegen elkaar knallen van helmen, het geknars van een tackle, de schreeuwende teamgenoten langs de zijlijn en het goedkeurende gebrul van de toeschouwers. De vrijdagavondwedstrijden in Riverside zijn niet doodstil, maar evenmin lawaaierig. De generators die de lampen voeden snorren en her en der reageert het publiek met applaus. Maar er is geen commentator die via luidsprekers de namen van spelers noemt na een touchdownpass of een genadeloze tackle.

    Een door de school ingehuurde doventolk fungeert als tussenpersoon tussen het coachteam van de Cubs en de scheidsrechters

    Er wappert wel een Amerikaanse vlag bij het veld, maar voorafgaand aan de wedstrijd wordt er geen volkslied gezongen. Een door de school ingehuurde doventolk fungeert als tussenpersoon tussen het coachteam van de Cubs en de scheidsrechters. Voor de wedstrijd van afgelopen november herinnerde de doventolk de scheidsrechters eraan dat ze ook met hun handen moesten zwaaien als ze op hun fluitje bliezen om het spel stil te leggen. Volgens het coachteam heeft het succes van de Cubs de aloude opvatting weerlegd dat doofheid een belemmering is bij American football.

    Conditieverbetering 

    Keith Adams, die het team in 2005 en 2006 ook al leidde en vier jaar geleden aan zijn tweede periode begon, schrijft de ommekeer toe aan een rigoureuze conditieverbetering en een uitzonderlijk getalenteerd stel spelers, van wie sommigen jarenlang hebben samengespeeld op een lager niveau. Hij hangt ook de filosofie aan dat elk nadeel een voordeel kan hebben. Veel teams proberen onderling te communiceren door middel van handgebaren, maar tegen de razendsnelle gebarentaal van de Cubs kunnen ze niet op. Er wordt geen tijd verspild met naar de zijlijn rennen om door de coaches te worden geïnstrueerd. Tussentijdse tactiekbesprekingen, de zogenaamde huddles, zijn niet nodig.

    Ook hebben dove spelers volgens de coaches een beter ontwikkeld gezichtsvermogen, waardoor ze alerter zijn op beweging. En omdat ze zo visueel zijn ingesteld, zijn dove spelers zich scherper bewust van de posities die hun tegenstanders in het veld innemen.

    Na de nederlaag op die vrijdagavond in november zei Aaron Williams, de coach van de Desert Christian Knights, dat toekomstige tegenstanders van de California School for the Deaf in Riverside gewaarschuwd waren. ‘Ik zou maar niet te gauw denken dat je in het voordeel bent,’ zei hij. ‘Ze communiceren onderling beter dan alle andere teams waar ik tegen heb gecoacht.’

    Eenzaamheid

    Voor spelers, ouders en coaches is het succes van het footballteam meer dan alleen een sportieve triomf. Velen beschrijven het als een teken dat dove spelers op hun best kunnen zijn in een omgeving met alleen maar doven. Delia Gonzales, de moeder van Felix, een van de wide receivers van het team, stond die vrijdag te stralen aan de zijlijn toen haar zoon twee touchdowns scoorde. Ze vertelde dat Felix al op zijn tiende smeekte of hij op American football mocht, maar wanhopig werd toen hij alleen maar werd omringd door horende spelers die hij niet kon verstaan. ‘De coach praatte alleen maar tegen hem,’ zei mevrouw Gonzales. ‘Hij kwam huilend thuis.’

    Docenten en ouders vertellen hoe leerlingen opbloeiden met alleen doven om zich heen

    Veel spelers en stafleden gebruiken het woord ‘eenzaamheid’ om te beschrijven hoe ze zich voelden in een ‘gewone’ omgeving: omringd door mensen en toch geïsoleerd. En docenten en ouders vertellen hoe leerlingen opbloeiden met alleen doven om zich heen. ‘Dit heeft zijn leven absoluut veranderd,’ zei mevrouw Gonzales over haar zoon. ‘Nu is hij een van de sterren.’

    Omdat hun highschool maar 168 leerlingen telt, spelen de Cubs in een competitie voor teams met acht spelers [in plaats van de gebruikelijke elf], die voornamelijk is bedoeld voor kleinere plattelands- of privéscholen. Andere scholen in Zuid-Californië met een team van acht spelers zijn de prestigieuze Cate School en Thacher School. Er is maar één andere highschool voor doven in de staat, maar die speelt niet in dezelfde divisie.

    Door hun reeks overwinningen beginnen de Cubs op te vallen. Spelers en coaches werden voorafgaand aan de NFL-wedstrijd tussen de Los Angeles Charters en de Minnesota Vikings al op een groot beeldscherm voorgesteld aan een stampvol, uitzinnig juichend stadion.

    Winnen

    De school is de enige openbare dovenschool in de zuidelijke helft van Californië, met een 25 hectare grote campus die ooit werd omringd door sinaasappelbomen, maar nu ligt ingeklemd tussen winkelpromenades, snelwegen en fastfoodrestaurants. Het succes van het footballteam heeft de campus nieuwe energie gegeven en de wedstrijden zijn aanleiding voor menige geïmproviseerde reünie van oud-leerlingen. Een van de aanwezigen op die vrijdagavond in november was Patricia Davis, een van de eerste 56 leerlingen toen de school in 1953 opende. ‘Dit heeft lang geduurd,’ zei ze. ‘We zijn zo lang het verliezende team geweest. Ik ben helemaal opgewonden.’

    Met een onverhard pad rond het veld, stukken tribune die eruitzien alsof ze uit een gesloopt stadium zijn gered, een wazig scorebord en een hobbelige grasmat heeft de school alles in huis voor een team van underdogs. Het veld wordt vaag verlicht door draagbare schijnwerpers, elk met zijn eigen walmende generator van het soort dat wegwerkers gebruiken als er ’s nachts een snelweg moet worden gerepareerd.

    Dankzij de overwinningen zijn die omstandigheden dit seizoen beter te verdragen. Voordat de wedstrijd die vrijdagavond begon, luisterden de spelers op banken in hun kleedkamer naar de peptalk van hun coaches. ‘Jullie hoeven maar één ding te doen, en dat is winnen,’ prentte assistent-coach Esau Zornoza de spelers in gebarentaal in. Gekleed in hun kardinaalrode tenues stelden de 21 spelers zich op bij de deur en sloegen tegen de muren van de gang terwijl ze achter elkaar de warme Zuid-Californische avond in liepen.

    Broederschap

    Trevin Adams, de quarterback van de Cubs met zijn lange bruine haar, zei dat het spelen met dove teamgenoten bevrijdend werkt en voor de juiste chemie heeft gezorgd om het team te laten winnen. ‘We kunnen onszelf volledig uitdrukken,’ zei hij. ‘We kunnen leiders zijn. We kunnen assertief zijn.’ Toen hij jonger was, speelde Trevin, een zoon van coach Keith Adams, in een competitie met horende spelers. ‘Dat voelde alleen maar als een team,’ zei hij. ‘Dit voelt meer als een broederschap.’

  • Uit protest steken Keniaanse leerlingen hun school in brand

    Uit protest steken Keniaanse leerlingen hun school in brand

    Leerlingen in Kenia uiten massaal hun onvrede over het corrupte, rigide en ongelijke onderwijs dat ze dagelijks ervaren. Sinds de scholen weer opengingen werden al ruim 65 kostscholen in brand gestoken. Een andere manier om de aandacht te trekken zien ze niet. ‘Dit is Kenia; niemand kijkt in de ideeënbus.’

    Toen de pandemie in 2020 toesloeg, maakten leerlingen, ouders en opvoeders in Kenia zich zorgen over de gevolgen van de schoolsluitingen voor het welzijn en de vorderingen van de kinderen. Nadat de sluitingen begin 2021 werden opgeheven, werd de grootste zorg of leerlingen opnieuw hun scholen in brand zouden steken.

    En die zorg was niet ongegrond, aldus Elizabeth Cooper, universitair docent Internationale Studies aan de Simon Fraser University. Haar boek Burning Ambition: Education, Arson, and Learning Justice in Kenya, over onderwijs en schoolbranden in Kenia, wordt komend jaar gepubliceerd.

    In een artikel voor African Arguments schrijft Cooper: ‘In de eerste maand dat de scholen weer open waren, staken leerlingen in Kenia minstens vijfentwintig middelbare kostscholen in brand. In oktober en november werden er nog eens ten minste veertig scholen getroffen door brandstichting. Tragisch genoeg is één leerling omgekomen bij een van de branden van dit jaar.’

    Elk jaar worden tientallen pogingen tot brandstichting ondernomen

    ‘Honderden anderen kregen de schrik van hun leven toen ze wakker werden en hun slaapzalen in brand zagen staan, hun persoonlijke bezittingen zagen afbranden en door de autoriteiten bedreigd werden om verantwoordelijkheid te bekennen. Tientallen middelbare scholieren zijn gearresteerd en wachten op mogelijke strafvervolging. Diverse scholen zijn gesloten in afwachting van nieuwe financiële middelen (voornamelijk afkomstig van ouders) om beschadigde gebouwen te herstellen.’

    Natuurlijk is elke vorm van brandstichting angstaanjagend, schrijft Cooper, maar de trend van schoolbranden in Kenia noemt ze ‘niet langer schokkend’, gezien de frequentie. Volgens haar onderzoek, gebaseerd op berichten van de overheid en in de media, vonden er tussen 2008 en 2018 minstens zevenhonderdvijftig pogingen tot brandstichting plaats op Keniaanse middelbare kostscholen. De hoeveelheid per jaar verschilde, met als hoogtepunt 2016 toen er sprake was van 239 brandstichtingen, maar elk jaar worden er tientallen pogingen ondernomen.

    Oorzaken

    Cooper las ook elk jaar weer ‘een stortvloed van analyses’ over de oorzaken van deze branden. Zo deed een parlementaire commissie in 2008 onderzoek naar de onrust onder middelbare scholieren, waarbij drieëndertig openbare hoorzittingen werden gehouden waar duizenden Kenianen aan deelnamen. Tijdens onderzoek door een andere parlementaire commissie in 2016 werden mensen op zevenennegentig scholen ondervraagd.

    De factoren en verklaringen die in die onderzoeken werden genoemd gingen volgens Cooper alle kanten op. In het rapport dat verscheen na het onderzoek van 2008 bijvoorbeeld werden maar liefst negenenveertig ‘mogelijke hoofdoorzaken’ genoemd en honderdenvierentwintig aanbevelingen gedaan.

    Ook de commissie van 2016 somde een reeks van oorzaken op, aldus de Keniaanse krant The Standard: ongedisciplineerd gedrag van studenten, alcohol- en drugsmisbruik, druk van medeleerlingen, wanbeheer op school, opstoppingen in slaapzalen, te veel examens, criminele bendes, tribalisme, slechte opvoeding, invloed van sociale media en sensationele berichtgeving in de media.

    ‘Keniaanse leerlingen gaan tot brandstichting over omdat ze geen andere middelen hebben om hun grieven te uiten’

    ‘Ik heb sinds 2013 onderzoek gedaan in Keniaanse internaten, waarbij ik tientallen leerlingen, oud-leerlingen, leraren en directeuren heb geïnterviewd’, schrijft Cooper. ‘Deze instellingen richten zich voornamelijk op examenvoorbereiding, en dat vertaalt zich vaak in beruchte rigide en pijnlijke omstandigheden voor leerlingen. Dit is niet uniek voor Kenia, maar bijna iedereen met wie ik sprak, erkende dat Keniaanse leerlingen tot brandstichting overgaan omdat ze geen andere middelen hebben om hun grieven te uiten.’

    Cooper verwijst naar de simpele uitleg van een van de studenten die ze sprak: ‘Er is een ideeënbus, maar weet je, dit is Kenia; niemand kijkt in de ideeënbus.’ Een ander vertelde haar: ‘Je begint met de ideeënbus. Maar als ze dan weigeren te reageren, ga je over op een andere tactiek, zoals een rel. En als dat niet werkt, dan een brand. Dan worden ze het wel met ons eens dat ze iets moeten gaan ondernemen.’

    Een vijandige overheid

    Middelbare scholieren zijn over veel dingen ontevreden, schrijft Cooper. ‘Ze grijpen naar brandstichting omdat ze denken dat het hun enige optie is om serieus genomen te worden. Toch is de typische reactie van de regering op schoolbranden het intensiveren van discipline en straffen. Jarenlang hebben ministers van Onderwijs ultimatums gesteld, leerlingen “primitief” genoemd, of “hooligans”, en gezworen hen “hard aan te pakken” met strengere straffen.’

    Dat leidde volgens Cooper ook tot uitspraken van ‘grote mannen’, zoals de huidige minister van Onderwijs, die pleit voor toestemming om studenten te slaan. ‘Het hele jaar al haalt George Magoha de kranten door te verklaren dat hij “de stok wil terugbrengen”. Hij stelt dat “we leraren de macht moeten geven om te straffen” omdat er kinderen zijn “die horens hebben gekweekt”.’

    Lees ook:

    Met dergelijke retoriek sluit je de mogelijkheid uit om de daden van studenten serieus te nemen, stelt Cooper. Door studenten weg te zetten als slecht en irrationeel, proberen politici zichzelf te vrijwaren van elke vorm van verantwoordelijkheid voor de boze, uit wanhoop geboren acties van studenten. Ze citeert met instemming wetenschapper Wandia Njoya: ‘Het geweld tegen kinderen wordt vaak toegeschreven aan de kinderen zelf, waardoor Keniaanse volwassenen de realiteit kunnen ontlopen dat het echte probleem het schoolsysteem is.’ Bovendien, voegt Cooper eraan toe, kunnen politici door deze beschuldiging aan het adres van ‘onhandelbare’ leerlingen, zich voordoen als de ordehandhavers van het land.

    ‘Jonge Kenianen moet geleerd worden dat geweld niet de enige manier is om invloed uit te oefenen’

    Om het probleem van de schoolbranden aan te pakken, zal de regering harder zijn best moeten doen, betoogt Cooper. Daadwerkelijk luisteren, medeleven tonen, kritisch denken en systematische hervormingen doorvoeren zijn volgens haar hard nodig om het probleem aan te pakken van ‘de bestraffende logica van kostscholen die Kenia’s intens concurrerende onderwijssysteem voortbrengt. Ze zijn nodig om jonge Kenianen te laten zien dat geweld niet de enige manier is om invloed te verwerven in het openbare leven.’

    Cooper signaleert wel wat tekenen die op verandering zouden kunnen wijzen. ‘Ten eerste gaan er steeds meer stemmen op om de kostscholen geleidelijk af te schaffen, hoewel Magoha heeft gezegd dat deze mogelijkheid “op dit moment geen punt van discussie is”. Ten tweede is de regering bezig met de invoering van een nieuw “competentiegericht curriculum” dat naar eigen zeggen meer op de leerling gericht zal zijn.’ Verwijzend naar de argumenten van onderwijsexperts en ouders, heeft Cooper daar zo haar vraagtekens bij: ‘Deze veranderingen lijken er eerder toe te leiden dat het onderwijs nog minder rechtvaardig wordt naarmate er meer mogelijkheden voor privatisering binnensluipen.’

    Misschien is er na die honderden schoolbranden verandering op til, schrijft Cooper. Maar ze wijst er wel op dat de status quo eigenlijk prima werkt voor degenen die in Kenia aan de top zitten, met ‘een onderwijssysteem dat georganiseerd is rond felle concurrentie en ongelijke kansen’. Voor ‘een hiërarchische en dwingende manier van regeren die de aspiraties van de burgers indamt’ is het dan heel handig om ‘onhandelbare studenten’ als eeuwige zondebok aan te wijzen en zo ‘de legitimiteit van disciplinair handelen te versterken’.

    Lees ook:

  • Australië verliest buitenlandse studenten door lockdowns

    Australië verliest buitenlandse studenten door lockdowns

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: Republikeins congreslid berispt om gewelddadige video

    » Belarus biedt opvang voor migranten en presenteert zich als ‘weldoener’

    Het aantal buitenlandse studenten in Australië is afgenomen met 550.000

    Studenten uit Aziatische landen kwamen voor hun studie graag naar Australië vanwege de goede universiteiten, de Engelse taal en de relaxte levensstijl. Vóór de pandemie droeg internationaal onderwijs 25 miljard euro bij aan de Australische economie, waardoor de sector het op drie na grootste exportproduct was na ijzererts, kolen en gas, schrijft Al Jazeera. Maar door de Australische lockdowns zoeken veel internationale studenten nu naar studiemogelijkheden elders en vreest Australië voor zijn inkomsten.

    In 2019 vormden internationale studenten 21 procent van alle universitaire inschrijvingen, vergeleken met gemiddeld 6 procent in andere ontwikkelde landen. In augustus zakte dat met ruim 550.000 naar het laagste aantal sinds 2015.

    Lees ook:

  • ‘Geef een ander perspectief op de Holocaust’

    ‘Geef een ander perspectief op de Holocaust’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    »  Illegale migratie vanuit Algerije neemt toe

    » Wat zij zeggen over… de staatsgreep in Soedan

    Nieuwe staatswet in Texas eist dat onderwerpen vanuit verschillende perspectieven worden bezien

    Een topbestuurder van het Carroll Independent School District in Southlake (Texas) heeft leraren laten weten dat als ze de Holocaust behandelen, ze leerlingen ook toegang moeten bieden tot een ‘tegengesteld’ perspectief, zo blijkt uit een geheime audio-opname die NBC News openbaarde.

    Gina Peddy, als directeur verantwoordelijk voor het curriculum van het schooldistrict, deed haar uitspraken tijdens een trainingssessie over boeken die leraren in de klas behandelen. Die training vond plaats nadat het schoolbestuur van Carroll in reactie op de klacht van een ouder had besloten een lerares te berispen, omdat die een antiracismeboek in haar klas had. Een medewerker van Carroll nam de gesprekken tijdens de training heimelijk op.

    ‘Hoe bied je het tegendeel van de Holocaust?’ vraagt een hoorbaar geshockeerde lerares

    ‘Probeer gewoon de concepten van House Bill 3979 toe te passen’, zegt Peddy in de opname, verwijzend naar een nieuwe wet in Texas die leraren verplicht meerdere perspectieven te presenteren bij het bespreken van ‘veelbesproken en controversiële’ kwesties. Om een voorbeeld te geven zegt ze: ‘Zorg ervoor dat als je een boek over de Holocaust hebt, je er dan ook een hebt met een tegendeel, dat andere perspectieven biedt.’ ‘Hoe bied je het tegendeel van de Holocaust?’ vraagt een hoorbaar geshockeerde lerares. Een andere lerares vraagt of ze nu boeken moeten gaan tegenspreken die de Holocaust behandelen vanuit het perspectief van slachtoffers. 

    In antwoord op vragen over de opmerkingen van Peddy zei een Carroll-woordvoerder dat het district probeert leraren te helpen om te voldoen aan de nieuwe staatswet in Texas die in december van kracht wordt.

  • De overheid bemoeit zich al niet meer met deze Colombiaanse barrio

    De overheid bemoeit zich al niet meer met deze Colombiaanse barrio

    De enige wet die in Altos de Cazucá, Colombia, geldt is de ley de silencio – de wet van het zwijgen. De delincuentes, zoals ze door de plaatselijke bevolking worden genoemd, hebben de wijk in hun greep en bedreigen de bewoners. Sinds corona is hun speelruimte enkel vergroot. Luz Mary, en andere burgers met haar, bieden de enige vorm van verzet die mogelijk is.

    Altos de Cazucá, Soacha – Halverwege maart, als Colombia in lockdown gaat om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, weet Luz Mary wat haar te doen staat. Het is niet de eerste keer dat ze thuis zit opgesloten. De snel pratende moeder van twee kinderen doet de deur op slot, vanaf dat moment speelt haar leven zich af in de kamers van haar huis.

    Toen Luz Mary zich in het verleden in huis opsloot, was dat vanwege een andere doodsdreiging. De gewapende mannen die de dienst uitmaken in haar wijk hadden er geen doekjes om gewonden: als ze niet tijdelijk uit beeld zou verdwijnen, zou ze weleens voorgoed kunnen verdwijnen.

    ‘Er zijn dagen en weken geweest dat ik het huis niet uit kon,’ vertelt ze. ‘Je leert scherp observeren – aan de manier waarop mensen zich gedragen zie je of er iets broeit in de wijk.’

    Delincuentes

    Luz Mary is actief binnen de gemeenschap – sommige Colombianen zouden haar een ‘maatschappelijk leider’ noemen. Haar werk richt zich op de kinderen in de verpauperde wijk. Ze leidt een programma, Semillas y Raíces (Zaden en wortels) om kinderen kennis te laten maken met muziek en toneel en ze ondertussen enige basiskennis bij te brengen op het gebied van gedragsregels en hygiëne.

    Semillas y Raíces doet meer dan de deelnemers instrueren. Het programma biedt ook een veilige haven. Het huis van Luz Mary kijkt uit over een steile helling zonder verharde wegen en uit de onverharde paadjes tussen de groepen huisjes steekt her en der een waterleiding. 

    Delincuentes, zoals ze door de plaatselijke bevolking worden genoemd, hebben de wijk in hun greep en bedreigen de bewoners. Volgens de bewoners hebben deze bandieten banden met nationale drugskartels. Luz Mary zegt dat ze haar als een kwelgeest zien omdat zij de jongeren opvangt die zij proberen te ronselen – jongens en meisjes van soms nog geen negen jaar oud, die de delincuentes gebruiken om op de uitkijk te staan of om kleine klusjes te doen, in ruil voor eten of spullen die de ouders van de kinderen zich niet kunnen veroorloven.

    Semillas y Raíces is ‘een manier om van de straat te blijven en weg te blijven van de drugs,’ zegt een tienermeisje in Luz Mary’s geïmproviseerde theater op het dak. ‘Als ik niet hier zou zijn, zou ik op straat rondhangen.’

    Luz Mary’s werk is onbezoldigd – het programma levert haar niets op en ze bekostigt het zelf, met geld dat ze bijeensprokkelt met losse baantjes, het inleveren van afgedankte, herbruikbare materialen, en zo nu en dan een bescheiden gift. Het werk is ook gevaarlijk. Ze is talloze keren met de dood bedreigd. Toen ze dat meldde bij de autoriteiten, haalden die slechts hun schouders op, zegt ze. Dus probeert ze goed en zo kwaad als het gaat voor haar eigen bescherming te zorgen. Kinderen van het programma waarschuwen Luz Mary als ze ergens in de buurt dreigende woorden opvangen, en Luz Mary heeft van haar spaargeld camera’s laten plaatsen bij haar huis. ’s Avonds laat ligt ze vaak naar de wazige zwart-witbeelden te kijken en durft niet te gaan slapen. Ze moet er niet aan denken de kinderen in haar programma aan hun lot over te laten, maar ze speelt elke dag met de gedachte Altos de Cazucá te verlaten.

    Activisten kunnen niet hun huis verlaten om bedreigingen of aanslagen te melden bij de politie, en vaak beschikken ze niet over de mogelijkheid om dat via internet te doen

    Het bijzondere verhaal van Luz Mary doet de ronde door heel Colombia. Overal in het land zien we maatschappelijk leiders, zowel in stadswijken als in dorpen – ze leveren vaak diensten en komen op voor rechten waar de overheid het laat afweten. Activisten en organisatoren nemen zo’n belangrijke positie in binnen de maatschappij dat ze een plek hebben gekregen in het historische vredesakkoord tussen de overheid en de guerrillabeweging FARC (de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia), waarin is vastgelegd dat ze overheidsbescherming zullen krijgen. Ook is in het akkoord vastgelegd dat er ingrijpende hervormingen zullen worden doorgevoerd om ongelijkheid tegen te gaan en te voorkomen dat gemeenschappen ten prooi vallen aan geweld.

    Maar waar een zekere mate van bescherming is beloofd, zijn veel maatschappelijk leiders zoals Luz Mary sinds 2016 alleen maar geconfronteerd met nog meer dreiging. De afgelopen vier jaar heeft een golf van geweld meer dan 415 maatschappelijk leiders het leven gekost. De coronapandemie heeft die trend alleen nog maar versterkt. Door een landelijke lockdown van zes maanden zitten mensen als Luz Mary als weerloze slachtoffers thuis. Activisten kunnen niet hun huis verlaten om bedreigingen of aanslagen te melden bij de politie, en vaak beschikken ze niet over de mogelijkheid om dat via internet te doen. De beleidsmakers, die toch al vaak de ogen sluiten voor de benarde situatie op plekken als Altos de Cazucá, worden nu goeddeels in beslag genomen door de crisis in de gezondheidszorg.

    Luz Mary is bij toeval uitgegroeid tot maatschappelijk leider nadat ze was verhuisd naar een sloppenwijk op een heuvel in Soacha, een stad ten zuiden van Bogotá, zonder te weten in wat voor ellende ze daar zou belanden. Inwoners zeggen dat ze wel begrijpen dat Soacha zo’n sterke aantrekkingskracht uitoefent op drugshandelaren, milities en guerrilla’s – je hoeft alleen maar naar de kaart te kijken. De snelweg die de stad in tweeën snijdt is de voornaamste verbinding tussen de hoofdstad en het zuiden van Colombia, met de grote havenstad Buenaventura. Wat nog een extra aantrekkingskracht uitoefent op criminelen, zijn de poreuze, meanderende grenzen tussen de verschillende wijken van Soacha en Bogotá zelf. De politie houdt de hoofdweg in de gaten, maar niemand controleert de stroom mensen en goederen die overal de ongemarkeerde gemeentegrens overgaat die door glooiende heuvels vol geïmproviseerde huisjes loopt.

    ‘Er is hier sprake van een juridisch en administratief vacuüm,’ zegt een jonge leider die aan de grens woont. ‘Deze buurt is van niemand.’

    Iedereen weet wie ze zijn en wat ze doen – ze persen ondernemers af en rekenen af met inwoners die zich verzetten tegen hun illegale macht

    In 1990 beschouwde het oostelijke front van de FARC de corridor Soacha-Bogotá als een essentieel onderdeel van de strategie om de hoofdstad te omsingelen. De FARC stationeerde strijders op plekken als Altos de Cazucá. Vervolgens mengden paramilitaire groepen van de andere kant zich in de strijd. Deze rechtse milities, een buitengerechtelijke strijdmacht die is gelieerd aan de staat, deden rond 1997 hun intrede in Soacha, omdat zowel zij als de regering de guerrilla’s uit Bogotá wilden verdrijven en wilden voorkomen dat de FARC haar doel zou bereiken.

    Vanaf dat moment is Altos de Cazucá een broeinest van geweld. Tussen 2003 en 2006 zijn duizenden paramilitairen gedemobiliseerd, maar volgens de inwoners van veel buurten in Soacha zijn ze nooit echt vertrokken. De namen zijn veranderd maar de structuren zijn ongewijzigd, en dat geldt met name voor de hiërarchieën die zijn verbonden met de illegale economie. Vandaag de dag lopen er geen geüniformeerde mannen meer door de straat, zoals de paramilitairen ooit deden. Maar de delincuentes hoeven geen gevechtstenue te dragen om de bevolking angst in te boezemen. Iedereen weet wie ze zijn en wat ze doen – ze persen ondernemers af en rekenen af met inwoners die zich verzetten tegen hun illegale macht.

    Net als in de tijd van de guerrilla’s en paramilitairen, zijn de wijken van Soacha nog altijd belangrijke corridors, met name voor drugs maar ook voor wapens en andere smokkelwaar, en voor illegale immigranten. Cocaïne, crack en marihuana gaan naar Bogotá, de rijkste binnenlandse afzetmarkt. Grondstoffen en andere producten die nodig zijn voor de bereiding van cocaïne, gaan Bogotá uit. De autoriteiten hebben cocapasta in beslag genomen, maar ook bewerkte cocaïne, wat erop duidt dat er in Soacha vermoedelijk drugslaboratoria zijn gevestigd die waarde – en winsten – toevoegen aan de aangevoerde smokkelwaar.

    De wetteloosheid die de hellingen van Soacha zo lucratief maakt voor de drugshandel maakt diezelfde hellingen betaalbaar voor de vele arbeiders die werken in Bogotá maar zich de hoge huren daar niet kunnen veroorloven. Plaatselijke overheden noemen Soacha ‘een vat vol slachtoffers’ omdat een groot deel van de bevolking naar Soacha is getrokken na van huis en haard te zijn verdreven in een binnenlandse strijd die al meer dan een halve eeuw woedt. De afgelopen jaren zijn er ook tienduizenden Venezolaanse immigranten naar het gebied getrokken. Officieel telt Soacha 645.000 inwoners, maar Crisis Group heeft van de inwoners zelf en van het stadsbestuur begrepen dat het bevolkingsaantal in werkelijkheid de miljoen is gepasseerd. De mensen leven – vaak dicht opeengepakt – in niet meer dan 200.000 onderkomens, waarvan vele worden bedreigd door aardverschuivingen of overstromingen.

    De sloppenwijken van Soacha staan lokaal bekend als invasiones omdat vele zijn gebouwd op privéterrein, of op land dat met geweld is ingenomen. Daarbij wordt telkens hetzelfde patroon gevolgd: tierreros, machtige makelaars met banden met de georganiseerde misdaad – delincuentes ofwel corrupte politici – leggen beslag op stukken land om er ondermaatse huizen te bouwen. Vervolgens verkopen de tierreros die aan straatarme mensen, die zelfs een lening krijgen aangeboden om de aankoop te kunnen bekostigen. Om de zoveel jaar verkopen de makelaars hetzelfde stuk land weer door en zetten de bewoners uit, die geen juridische hulp kunnen inschakelen.

    Lokaasmethode

    Luz Mary is maar al te bekend met deze lokaasmethode. Zij en haar man konden zich geen huis permitteren in Bogotá, maar een terriero wist hen ervan te overtuigen dat ze in Altos de Cazucá wel een eigen huis konden kopen. Omdat de verkopers zeiden dat de grond binnen een aantal jaar zou worden gelegaliseerd, sloten ze een lening van enkele duizenden dollars af om het huis te kunnen betalen. Ze hebben hun schuld nog lang niet afbetaald, maar inmiddels is duidelijk dat het stukje grond nooit hun bezit zal worden.

    Soacha kent een aantal overheidsvoorzieningen en de clandestiene handelaren proberen overal van te profiteren, van het openbaar vervoer tot aan de watervoorziening, waardoor de armlastige inwoners het alleen nog maar zwaarder krijgen. Veel winkeliers betalen een ‘vaccin’-belasting aan lokale groepen die beweren voor bescherming te zorgen. Die groepen maken zich schuldig aan afpersing en wie niet meewerkt, wordt daar meedogenloos voor gestraft. Door mensen te vermoorden die hun het hoofd bieden, geven ze een duidelijke boodschap af wie er de baas is.

    Toen Luz Mary nog klein was, ging ze met haar moeder mee naar Bogotá, op de vlucht voor paramilitair geweld in een klein plaatsje niet ver van Manizales, in het westen van het land. Daarvoor woonden ze in Suba, een arbeiderswijk in het noordwesten van Bogotá. Luz Mary vertelt: ‘We gingen naar de stad in de hoop op een beter leven, maar we werden geconfronteerd met nog grotere problemen.’ Haar jeugd is getekend door armoede, onveiligheid en misbruik.

    Tegen de tijd dat ze een jonge vrouw is, moet Luz Mary de grootste moeite doen om de eindjes aan elkaar te knopen in Suba. Als ze net zwanger is, verhuist ze met haar man naar Altos de Cazucá, in de hoop op een nieuw begin. Binnen enkele weken nadat ze hun intrek hebben genomen in het huisje van twee verdiepingen dat een tierrero hun heeft verkocht, wordt hun hoop getemperd. Ze komt tot de ontdekking dat er twee drugverkooppunten – ollas – in hun huizenblok zijn, eentje iets hoger op de heuvel en eentje vlak naast hun huis. De hogergelegen olla wordt gedreven door een paramilitaire groep; de lagergelegen olla wordt naar verluidt gerund door ‘guerrilla’s’. Haar buren zijn verslaafd aan crack. Luz Mary leert haar kinderen hun handen voor hun ogen te houden en hun oren dicht te stoppen, om ze af te schermen van de afschuwelijke beelden en geluiden in de buurt.

    Langzaam krijgt Luz Mary een beeld van wat er om haar heen gebeurt. Lokale bendes drijven de drugverkooppunten en persen plaatselijke winkeliers af. Maar het zijn niet zomaar boefjes die hun kans schoon zien. Zoals de buren uitleggen maken deze groepen deel uit van groter en doelgerichter geheel. De staatsombudsman van Colombia, die tot taak heeft de mensenrechtensituatie in beeld te brengen, noemt deze opzet tercerización. Het is een soort piramide-achtige bedrijfsstructuur waarin gewapende, kartelachtige groepen de macht over een bepaalde buurt uitbesteden aan plaatselijke milities. De grotere groepen betalen de voetsoldaten meestal uit in drugs, die de laatsten weer doorverkopen om in hun levensonderhoud te voorzien. De overkoepelende organisatie wast de handen in onschuld aangezien het de delincuentes zijn die geweld gebruiken om hun macht te behouden.

    Geleidelijk, maar gaandeweg steeds sneller, vallen Luz Mary en haar man ten prooi aan een depressie – ze zitten gevangen in een turbulente situatie door de schuld die ze zijn aangegaan nadat ze zonder het te weten een stuk gestolen land hebben gekocht.

    Muziek

    Op een wel heel troosteloze dag pakt de man van Luz Mary, gezeten op hun geel met bruine bank, zijn oude gitaar en begint te zingen. De muziek raakt hen, en op dat moment realiseren ze zich dat ze twee keuzes hebben. Ze kunnen blijven hangen in hun situatie of ze kunnen, om de woorden van Luz Mary te gebruiken ‘afrekenen met het idee dat ze slachtoffer zijn’ en iets dóén. Ze zijn allebei geschokt dat voor veel kinderen in de buurt geweld de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Het is onvoorstelbaar waar kinderen allemaal aan wennen,’ zegt Luz Mary.  Dat is het moment waarop ze besluit op zoek te gaan naar een manier om die kinderen te helpen.

    Luz Mary en haar man zien muziek als de beste manier om jonge mensen te bereiken. Maar eerst moeten ze de kinderen zo ver zien te krijgen dat ze zich aansluiten bij een gestructureerd programma. De delincuentes delen eten uit om de jongeren te paaien, dus besluiten zij hetzelfde te doen.

    Luz Mary herinnert zich de eerste kinderen die haar huis binnen kwamen stommelen en nieuwsgierig om zich heen keken, op zoek naar een reden om te blijven. In het begin komen er maar een paar kinderen, later zijn dat er tientallen. Luz Mary begrijpt dat ze zullen moeten beginnen bij de basis. ‘De kinderen die kwamen, stonken verschrikkelijk,’ zegt ze. ‘Ze wasten zich niet en ze hadden een grote mond, want de mentaliteit die ze meekrijgen is dat ze toch niets voorstellen.’ Als ze één ding kon bereiken, dacht ze, dan was dat om die jongeren een ander zelfbeeld te geven.

    Het programma dat ze samen met haar man opzet, Semillas y Raíces, bestaat uit muziekles, kleinschalige toneelvoorstellingen en kleine buurtprojecten, In de begintijd van Semillas y Raíces laat het staatswaterleidingbedrijf de inwoners weten dat ze gratis water krijgen als ze een eigen aquaduct bouwen. Luz Mary en de kinderen gaan aan de slag, storten beton en leggen een voor een de leidingen. 

    Bij het uitbreken van de pandemie komt de overheidssteun traag op gang en verdwijnen allerlei baantjes. Semillas y Raíces schraapt alles bij elkaar om ouderen en hulpbehoevenden in de buurt eten te kunnen geven. In september en oktober zijn de kinderen en andere inwoners weken in de weer om een steile lokale weg te plaveien zodat de regen niet de huizen binnen stroomt.

    ‘We roeien met de riemen die we hebben en we werken ons uit de naad,’ zegt Luz Mary. ‘We krijgen geen enkele hulp. We recyclen en we verkopen van alles en nog wat om aan geld te komen. We krijgen eten dat anders weggegooid zou worden.’

    Momenteel zijn er meer dan honderd kinderen die geregeld bij Luz Mary over de vloer komen en die zijn uitgegroeid tot een soort broertjes en zussen van haar eigen kinderen. De kinderen hoeven niets te betalen, al dragen sommige ouders bij wat ze maar kunnen missen. Sommige kinderen komen zonder dat hun ouders het weten, soms omdat hun vader of moeder lid is van de gewapende groepering. Om die kinderen te beschermen, maakt Luz Mary een afspraak met hen. Als ze elkaar op straat tegenkomen, doen ze of ze elkaar niet kennen.

    ANP 359045489 1 1 1
    © Joaquin SARMIENTO / AFP

    De bedreigingen beginnen zodra duidelijk wordt dat Semillas y Raíces effect sorteert. Het aquaductproject van Luz Mary valt slecht bij sommige bewoners die zelf de watertoevoer in de hand hadden willen houden om zo weer andere bewoners te kunnen afpersen. Later komt Luz Mary erachter dat een van de mannen die zich benadeeld voelt een huurmoordenaar in de arm heeft genomen – een man van eenentwintig die al tientallen moorden op zijn naam zou hebben staan. Ze is bang dat er nog altijd een prijs op haar hoofd staat.

    Dan volgen de berichtjes op haar telefoon. De eerste keer leest Luz Mary het berichtje niet eens – meestal is het reclame, of onzin. Als ze er toevallig wel een keer een blik op werpt, raakt ze in paniek door de mengeling van gedetailleerde dreigementen en beledigingen. Er wordt een ultimatum gesteld: ze krijgt twintig dagen om uit Soacha te vertrekken en anders komen ze haar vermoorden, staat er. Ze is van mening dat haar ‘vergrijp’ tweevoudig is. Om te beginnen heeft haar programma de vijver drooggelegd van jonge rekruten voor de bendes. Ten tweede heeft het programma met behulp van kleine giften genoeg geld bij elkaar weten te sprokkelen om T-shirts te laten drukken – wat leidt tot geruchten dat Semillas y Raíces geen armoedig clubje is, maar een rijke organisatie die geld probeert te verdienen.

    Doodsbang daalt Luz Mary de helling af in de hoop op hulp van de autoriteiten in het centrum van Soacha. Rondom het plein, daterend uit de koloniale tijd, staan overheidsgebouwen, waar merendeels overwerkte ambtenaren de rijen mensen te woord staan die zich dag in dag uit melden met hun problemen. Luz Mary vertelt dat ze naar de officier van justitie is gegaan om een aanklacht in te dienen. Ze zegt dat ze ook naar het politiebureau en de ombudsman is gegaan om melding te maken van de doodsbedreigingen. De dagen verstrijken en ze hoort niets. ‘Ik stond weer met beide benen op de grond,’ zegt ze. ‘Ik begreep dat niemand me te hulp zou komen.’

    De buren raden haar aan zich een tijdje gedeisd te houden. Als ze ophoudt met haar werk, zeggen ze, zullen de bedreigingen ook wel ophouden. Ze weet nog dat ze op het gemeentehuis hetzelfde advies kreeg, toen ze daar maanden later aan de bel trok. ‘Ik vertelde mijn verhaal, maar ze zeiden dat ik zelf verantwoordelijk was voor de situatie, gezien de plek waar we wonen.’

    Wanneer maatschappelijk leiders op een dergelijke manier worden bedreigd, moeten volgens de Colombiaanse wet de plaatselijke overheden als eerste reageren. Maar hoewel Soacha elk jaar tijdelijk andere huisvesting regelt voor een beperkt aantal mensen dat met vergelijkbare bedreigingen te maken krijgt, schiet de reactie van de overheid vaak te kort en dan kunnen de maatschappelijk leiders eigenlijk nergens meer terecht. Luz Mary hoopt in aanmerking te komen voor het beschermingsprogramma van het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat grofweg zo’n vijfduizend maatschappelijk leiders in heel Colombia helpt met kogelvrije vesten of zelfs bodyguards.  Ze is maanden bezig om de vereiste papieren bij elkaar te krijgen en het ingewikkelde aanvraagformulier te doorgronden, dat ze uiteindelijk ingevuld en wel afgeeft op een politiebureau. Dit jaar alleen al hebben bijna zevenduizend leiders hulp gevraagd bij deze instantie – slechts zestien procent van de aanvragen is gehonoreerd.

    Inmiddels vertrouwt Luz Mary voor haar veiligheid niet langer op de overheid, maar op het netwerk dat ze met Semillas y Raíces heeft opgebouwd. Meer dan eens is ze door kinderen uit gezinnen die banden hebben met de gewapende bandieten gewaarschuwd dat hun ouders het over haar hadden. Dat is voor haar het teken om zich binnenshuis op te sluiten, met als enige gezelschap haar beveiligingscamera’s. Ze registreert alles wat zich op straat afspeelt, tot diep in de nacht, en als er echt iets gebeurt hoopt ze dat haar camera’s het allemaal hebben vastgelegd. 

    Zoals ook elders in Colombia zien gewapende groepen in Altos de Cazucá corona als een uitgelezen kans om hun greep op de buurt te verstevigen

    Door de pandemie is alles anders. Zoals Luz Mary zegt: ‘Alle problemen die in onze gemeenschap spelen komen nu naar de oppervlakte – en ineens zijn het er drie keer zoveel.’

    Zoals ook elders in Colombia zien gewapende groepen in Altos de Cazucá corona – en de lockdown om de verspreiding van het virus een halt toe te roepen – als een uitgelezen kans om hun greep op de buurt te verstevigen. Omdat er maar weinig lokale autoriteiten zijn om de lockdown af te dwingen, hebben de delincuentes hun eigen beperkingen aan de bewegingsvrijheid ingesteld. In augustus meldt de ombudsman dat er bepaalde groepen in Soacha zijn die bepalen welke winkels wel of niet open mogen om bevoorraad te worden, waarmee ze duidelijk laten zien wie de macht in handen heeft in Altos de Cazucá. De enige wet die hier geldt is de ley de silencio – de wet van het zwijgen. Wie een bedreiging meldt of in het geweer komt tegen de intimidatie wordt bestempeld tot sapo, informant. Wie de gewapende groeperingen ook maar een strobreed in de weg legt, loopt gevaar. Alleen al het melden van een misdaad kan beteken dat je tot vijand wordt bestempeld. Luz Mary zegt dat er tijdens de lockdown twee mensen zijn vermoord, maar dat ‘niemand zijn mond open heeft gedaan’.

    De toekomst voor maatschappelijk leiders zoals Luz Mary ziet er grimmig uit, maar een toekomstbeeld zonder hen is nog grimmiger

    De scholen in Colombia zijn sinds maart gesloten vanwege de pandemie, wat de gewapende groeperingen nieuwe kansen biedt om de kinderen los te weken van hun gezin. De meeste kinderen in Soacha volgen geen virtuele lessen; in plaats daarvan krijgen ze opdrachten mee die een zekere mate van ouderlijke supervisie vereisen – en dat is voor veel gezinnen domweg te hoog gegrepen. In juni heeft de inspecteur-generaal melding gemaakt van een toenemend aantal kinderen dat wordt gerekruteerd in stedelijke gebieden zoals Soacha, waar jongeren zich aansluiten bij de plaatselijke bendes of zelfs bij gewapende groeperingen verspreid over het hele land. Maatschappelijk leiders die het ergste proberen te voorkomen moeten nog meer moeite doen dan voorheen om die kinderen een veilige omgeving te bieden.

    Onlangs heeft Luz Mary haar buurtgenoten bij elkaar geroepen voor een toneelles – in de nieuwe realiteit van corona. ‘De enige manier om op dit soort plekken les te geven is door een interactieve school op te zetten,’ zegt ze. Een man gekleed in een vuilniszak en met een geschminkt gezicht loopt met gespreide armen van de ene kant van de straat naar de andere. Hij doet alsof hij een vliegtuig is dat het virus van het ene land naar het andere brengt. Hij ‘infecteert’ iedereen die hij aanraakt.

    De toekomst voor maatschappelijk leiders zoals Luz Mary ziet er grimmig uit, maar een toekomstbeeld zonder hen is nog grimmiger. ‘Er gebeuren hier de meest vreselijke dingen,’ zegt ze. ‘Er komt geen einde aan de dreigementen. Soms heb ik het gevoel dat ik het niet langer aankan. Maar dan vraag ik me af: als ik het niet meer doe, wie moet het dan doen? (…) Er gebeuren veel afschuwelijke dingen in het leven. Mijn bijdrage aan deze wereld is dat ik deze kinderen iets leer.’ 

  • Silbo Gomero: de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld

    Silbo Gomero: de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld

    De lokale fluittaal van de Canarische eilanden is tot immaterieel cultureel erfgoed verklaard. Kinderen leren het op school. Soms is het lastig om het verschil tussen gallina en ballena te verstaan. Maar als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als spreken.

    Gezeten op een hoge klif op Gomera, een van de Canarische Eilanden, kan Antonio Márquez Navarro tot in de wijde omtrek buren bij hem uitnodigen (‘Kom naar ons, we gaan het varken slachten’) zonder dat er een woord over zijn lippen komt: hij hoeft zijn uitnodiging maar te fluiten. In de verte blijven aan de overkant van een ravijn drie wandelaars staan als ze die schrille klanken van de rotswanden horen weerkaatsen.

    In zijn jeugd, zegt Márquez (71), wandelden er geen toeristen over de ruige steile voetpaden van dit eiland, maar liepen er louter schaapherders, die zo’n uitnodiging meteen met luid en duidelijk gefluit zouden hebben beantwoord. Maar aan de wandelaars was zijn boodschap niet besteed, dus die hervatten al snel hun route over het eiland. Márquez is de trotse hoeder van het Silbo Gomero, de fluittaal die hij ‘de poëzie van mijn eiland’ noemt. En net als poëzie, voegt hij eraan toe, ‘hoeft het fluiten geen nut te hebben om mooi en waardevol te zijn’.

    Gefloten versie

    De fluittaal van de inheemse bevolking op het eiland werd in de vijftiende eeuw al vermeld in verslagen van ontdekkingsreizigers die de weg plaveiden voor de Spaanse verovering van het eiland. Aanvankelijk was het een gefloten versie van de inheemse taal, maar in de loop der eeuwen stapten de eilandbewoners ook voor hun fluittaal over op de taal van de Castiliaanse veroveraars.

    Het Silbo Gomero bestaat uit meerdere fluittonen van verschillende lengte en toonhoogte die ieder een van de klinkers of medeklinkers van de gesproken taal vertegenwoordigen. Helaas zijn er minder verschillende fluittonen dan het Spaans letters telt en zijn de gefloten versies van sommige woorden dus meerduidig, wat tot misverstanden kan leiden. Sommige Spaanse woorden klinken in gefloten vorm identiek: korte woordjes zoals sí (ja) en ti (jij) bijvoorbeeld, maar ook langere woorden die al een beetje op elkaar lijken, zoals gallina en ballena (respectievelijk kip en walvis). ‘Binnen een zinsverband is altijd duidelijk welk dier er wordt bedoeld, maar niet als je alleen een los woord fluit,’ zegt Estefanía Mendoza, die de fluittaal onderwijst.

    Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan

    In 2009 werd het Silbo Gomero door Unesco op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed geplaatst als ‘de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld die nog in gebruik is bij een grote gemeenschap’ – de 22.000 inwoners van La Gomera dus. Maar nu de taal niet meer onmisbaar is voor het communiceren over grotere afstanden, is het voortbestaan ervan vooral afhankelijk van de wet uit 1999 die het Silbo verplichte lesstof maakte op de scholen op het eiland.

    In het havenstadje Santiago blijkt een klas met kinderen van zes weinig moeite te hebben met het herkennen van de fluittonen voor de verschillende kleuren of de dagen van de week. Lastiger wordt het als daarmee zinnen worden gevormd, zoals: ‘Hoe heet het kind met de blauwe schoenen?’ Sommige kinderen horen ‘geel’ in plaats van ‘blauw’.

    En levert het verstaan van de klanken soms al problemen op, nog veel moeilijker is het om ze correct te fluiten. De meeste leerlingen steken daartoe een vingerkootje in hun mond, anderen hooguit één of twee vingertoppen, en weer anderen doen het met één vinger van elke hand. ‘Daar zijn geen regels voor, je gebruikt gewoon de vinger waarmee jij het makkelijkst fluit, en sommigen lukt het helaas helemaal niet,’ zegt Francisco Correa, de coördinator van het schoolfluitprogramma. ‘Er zijn ook oudere mensen die het Silbo al van kindsbeen af prima verstaan, maar het zelf nooit verstaanbaar uit hun mond hebben gekregen.’

    Schermafbeelding 2021 03 15 om 12.53.40 kopie
    Stills uit de video El Silbo Gomero. Het Silbo
    is de enige gefloten taal ter wereld ontwikkeld en beoefend door een grote gemeenschap (meer dan 22.000 mensen). Het Gomeraanse fluitje vervangt de klinkers en medeklinkers van het Spaans door fluitjes: twee verschillende fluitjes vervangen de vijf Spaanse klinkers; en
    nog eens vier vervangen de medeklinkers. De fluitjes onderscheiden zich door hun toonhoogte en hun onderbreking of continuïteit. – © Juan Ramón Hernandez
    en David Baute.

    Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan en zullen de ander soms vragen een zin te herhalen, net als sprekers die ieder een ander dialect van dezelfde taal spreken. Maar ‘als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als Spaans spreken’, zegt Correa.

    Generatiekloof

    Zoals bij zoveel talen, of ze nu gefloten of gesproken worden, is ook op Gomera sprake van een generatiekloof. Ciro Mesa Niebla, een boer van 46, zegt dat hij soms moeite heeft om in de fluittaal te converseren met de jongere generatie die het fluiten op school heeft geleerd. ‘Ik ben een jongen uit de bergen die thuis de woorden heeft leren fluiten die we in onze familie op de boerderij gebruikten,’ zegt hij, ‘maar ik heb niet de woordenschat van die jonge salonfluiters, die allemaal dure woorden kennen.’

    Er zijn ook bejaarde bewoners die gestopt zijn met fluiten omdat ze niet meer al hun tanden hebben. Márquez heeft een kunstgebit en fluit nog wel, ‘maar het gaat niet meer zo makkelijk en klinkt niet meer zo hard als toen ik nog met mijn vingers op mijn eigen tanden kon drukken,’ zegt hij.

    Als je het landschap hier ziet, begrijp je wel waarom de mensen hun toevlucht namen tot deze fluittaal: de meeste Canarische Eilanden bestaan uit hoge bergen doorsneden door diepe ravijnen, waar zelfs het afleggen van kleine afstanden heel wat tijd en moeite kost. Zo ontstond dit alternatief, omdat fluiten veel verder draagt dan schreeuwen – als de wind goed staat, in sommige ravijnen tot wel vier kilometer. Daarbij weten oudere bewoners van Gomera ook nog goed dat de eilandbewoners het Silbo vroeger gebruikten om elkaar te waarschuwen voor politie op zoek naar smokkelwaar. In de recente film La Gomera (The Whistlers) gebruiken gangsters het als hun geheimtaal.

    Schermafbeelding 2021 03 15 om 12.55.43 kopie 4

    De andere Canarische Eilanden hebben weer andere fluittalen, maar die zijn grotendeels in onbruik geraakt – al wordt die van El Hierro tegenwoordig weer onderwezen. ‘Het Silbo is niet uitgevonden op Gomera, maar dat is wel het eiland waar de taal het best behouden is gebleven,’ zegt de etnomusicoloog David Díaz Reyes. Gomera is tegenwoordig sterk afhankelijk van toerisme, en dat levert weer kansen op voor jonge fluiters zoals de zestienjarige Lucía Darias Herrera, die in een van de hotels op het eiland elke week een fluitshow geeft. Ze fluit normaal gesproken in het Spaans, maar ze kan haar Silbo aanpassen aan de talen van de mensen in het publiek – meestal Duitsers op vakantie.

    In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen

    Helaas zet corona sinds vorig voorjaar niet alleen een streep door deze optredens, maar ook door de praktijkles op school. In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen. De kleinere kinderen ‘kost het nog veel moeite en ze blazen veel lucht uit, waardoor het soms meer spuwen dan fluiten wordt,’ zegt schoolcoördinator Correa. Om verspreiding van het virus te voorkomen kunnen de kinderen tijdens de wekelijkse les dus voorlopig niet zelf fluiten, maar alleen naar opnamen van het Silbo luisteren.

    Bijkomend probleem is dat er buiten de les weinig gelegenheid is om in het Silbo te communiceren. In de eerdergenoemde schoolklas steken maar zeventien leerlingen hun hand op bij de vraag of ze het Silbo thuis ook gebruiken. ‘Mijn broer kan heel hard fluiten, maar hij wil het niet voordoen, want als hij niet op zijn PlayStation zit, is hij wel met vrienden op stap,’ klaagt een van de meisjes, Laura Mesa Mendoza.

    Toch fluiten sommige tieners elkaar wel in het Silbo toe als ze elkaar tegenkomen in de stad, en ze gebruiken de taal ook om gesprekken te voeren die veel volwassenen om hen heen niet kunnen volgen. Sommige ouders hebben als kind op school immers geen les in het Silbo gehad, of ze zijn pas op latere leeftijd op het eiland komen wonen. De vijftienjarige Erin Gerhards kan haar smartphone niet missen, maar ze lijkt vast van plan om beter te leren fluiten en zo te helpen de traditie van haar eiland in stand te houden. ‘Het is een eerbetoon aan de mensen die hier vroeger leefden,’ zegt ze. ‘Om te beseffen waar we vandaan komen, dat al die technologie er niet altijd al was, maar dat we heel simpel zijn begonnen.’ 

  • Hardnekkige stereotypen van jongens en meisjes

    Hardnekkige stereotypen van jongens en meisjes

    Het aantal openbare seksespecifieke scholen is de afgelopen twee decennia enorm gestegen. Voorstanders van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes houden vol dat hun hersenen fundamenteel anders in elkaar zitten. Dergelijke overtuigingen versterken niet alleen verraderlijke genderstereotypen, maar ook raciale.

    Op een heldere herfstochtend in 2017 begaven de ervaren biologieleraar Mary Bozenmayer en haar collega’s zich naar de kantine van hun middelbare school in New Jersey voor een professionele ‘ontwikkelingssessie’, die de hele dag zou duren. De spreker betrad het podium, glimlachte opgewekt en legde uit dat hij er was om hen te vertellen hoe verschillend jongens en meisjes denken.

    Bozenmayer was sceptisch. Door haar biologieopleiding wist ze dat de meeste theorieën over seksegerelateerde hersenverschillen al lang geleden waren ontkracht. Toch probeerde ze open te staan voor het verhaal van de trainer, die werkzaam was voor een organisatie genaamd het Gurian Institute, en die de leraren vertelde dat meisjes het beste leren door rustig te zitten en aanwijzingen op te volgen, terwijl jongens competitie en fysieke activiteit nodig hebben om moeilijke concepten onder de knie te krijgen. ‘Mannen kunnen trivia (zoals sportstatistieken) beter opslaan dan vrouwen, en voor een langere periode’, stond op een van de kaarten die hij liet zien. Op een andere stond: ‘Jongens hebben meer tijd nodig om emoties te verwerken dan meisjes, waardoor ze over het algemeen emotioneel kwetsbaarder zijn.’ Moderne klaslokalen, zei de trainer, spelen in op de leerstijl van meisjes – met als gevolg, concludeerde hij, dat meisjes op school slagen terwijl jongens gevaarlijk achterop raken.

    ‘De opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’

    Dat ging Bozenmayer te ver. Ze stak haar hand op en vroeg: ‘Als jongens het zo moeilijk hebben, waarom zien we dan nog steeds dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in het Congres, en in Fortune 500-bedrijven?’ De trainer reageerde door zijn punten te herhalen. ‘Ik voelde mijn bloeddruk stijgen,’ herinnert Bozenmayer zich. ‘Ik had zoiets van: dit is gewoon te scheef.’ Maar toen ze de ruimte rondkeek, zag ze veel van haar mannelijke en vrouwelijke collega’s instemmend knikken, ijverig de kaarten doornemen en aantekeningen maken.

    Het idee dat jongens en meisjes aangeboren kenmerken hebben waardoor ze anders leren, is het afgelopen decennium in een stroomversnelling geraakt. Het Gurian Institute zegt dat het 60.000 leraren heeft opgeleid in 2000 schooldistricten – voor een bedrag van maar liefst 10.000 dollar per sessie. Een andere prominente pleitbezorger van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs, psycholoog Leonard Sax, biedt een populaire tweedaagse workshop aan voor scholen over ‘de opkomende wetenschap van man-vrouwverschillen’. Op de Boy Brains & Engagement-conferentie scoren honderden leraren onderwijscredits door te luisteren naar uitleg over de leerstijlen van jongens en meisjes. ‘Wetenschappers hebben ongeveer 100 typische geslachtsverschillen in de hersenen ontdekt,’ aldus de brochure.

    Jongens op een Amerikaanse school met seksegedifferentieerd onderwijs hebben een time-out, zodat ze even wat energie kwijt kunnen. © Getty
    Jongens op een Amerikaanse school met seksegedifferentieerd onderwijs hebben een time-out, zodat ze even wat energie kwijt kunnen. © Getty

    De ideeën vonden ook aansluiting bij beleidsmakers. De in 2002 door president George W. Bush ondertekende No Child Left Behind-wet moedigt aparte klaslokalen voor jongens en meisjes aan. Hoewel de regering-Obama zich tegen dat idee heeft verzet, hebben wetgevers op staatsniveau de zaak opgepakt: de gouverneur van Florida, Rick Scott, heeft in 2014 een wet ondertekend die ‘genderspecifieke klaslokalen’ toestaat; Californië heeft in 2017 een soortgelijke wet aangenomen. Het aantal openbare seksespecifieke scholen is de afgelopen twee decennia explosief gestegen, van een handvol begin 2000 tot een paar honderd vandaag.

    Achter de beweging die scholen ‘gendervriendelijker’ wil maken, schuilt de angst dat ons onderwijssysteem vooral jongens achterstelt. Een reeks bestsellers over hoe jongens worstelen met leren liet duidelijk zien dat ze achterblijven op het gebied van cijfers, toetsscores en afstudeerpercentages. ‘Het bewijs dat jongens achterop raken stapelt zich op,’ schreef de New York Times-columnist David Brooks in 2012. ‘Dit is een uitgemaakte zaak.’ In een opinieartikel uit 2015 in The Washington Post, getiteld ‘Waarom scholen onze jongens in de steek laten’, schreef een ouder (een moeder): ‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon.’ Sommige schrijvers zien de zogenaamde jongenscrisis als een gevolg van het feminisme. In een National Review-artikel uit 2017 getiteld ‘De vervrouwelijking van alles gaat ten koste van onze jongens’, beschuldigt conservatief expert David French ‘de gefeminiseerde school, compleet met zijn zerotolerancebeleid, dodelijke angst voor alles wat ook maar enigszins martiaal is, en de niet-aflatende nadruk op medeleven en zorg in plaats van verkenning en avontuur (tenzij de avonturier een vrouw is).’

    De stereotypen van meisjes als van nature ijverige huiswerkmakers en jongens als verkeerd begrepen rebellen bieden een handig kader om de matige schoolprestaties van sommige jongens te verklaren. Maar er is één probleem: overweldigend bewijs toont aan dat onze culturele verwachtingen van gender een minstens even grote rol spelen als de zogenaamd kernachtige verschillen in de leerstijlen van jongens en meisjes. Hoewel sommige studies van een paar jaar geleden lieten zien dat meisjes het wat leren betreft beter doen dan jongens, suggereert recenter onderzoek dat deze bevindingen verre van universeel zijn: de genderkloof in schoolprestaties varieert enorm per afkomst, klasse en geografische locatie.

    ‘Het gebrek aan beweging en de rigide beperkingen in het moderne onderwijs doden de ziel van mijn zoon’

    En zelfs als meisjes een voorsprong hebben op school, is de oorzaak misschien niet biologisch: toonaangevend hersenonderzoek trekt het idee van consistente en significante hersenverschillen tussen meisjes en jongens in twijfel, en onderwijsonderzoekers hebben ontdekt dat seksegedifferentieerd onderwijs geen studievooruitgang garandeert. Integendeel, onze vooroordelen over hoe meisjes en jongens leren en zich gedragen, beïnvloeden juist hun schoolervaringen en versterken genderstereotypen. En het meest verontrustende is dat neurologisch onderzoek erop wijst dat deze stereotypen de hersenen van de leerlingen misschien zelfs vórmen.

    Bescheiden overwinning

    Bozenmayer deelde haar zorgen over de koers van haar school met het schoolhoofd en zijn superieuren. Toen ze geen actie ondernamen, nam ze contact op met Galen Sherwin, een senior advocaat bij de American Civil Liberties Union (ACLU), die leiding geeft aan de ‘Teach Kids, Not Stereotypes’-campagne. De ACLU betoogt dat het scheiden van jongens en meisjes op school bijna altijd oneerlijk is – en in veel gevallen kan het illegaal zijn volgens Title IX, de federale wet die discriminatie op grond van geslacht in het onderwijs verbiedt. Tot dusver heeft de ACLU seksegescheiden onderwijs in vijftien staten betwist, wat heeft geleid tot de sluiting van 36 programma’s. Nadat de ACLU in 2018 contact had opgenomen met het kantoor van de procureur-generaal van New Jersey voor burgerrechten, stopte het district van Bozenmayer met de trainingen.

    Sherwin noemt het een bescheiden overwinning.

    Maar nieuwe openbare single-sex-scholen blijven opduiken, meestal in arme gemeenschappen van kleur, waar ze volgens haar niet alleen verraderlijke genderstereotypen versterken, maar ook raciale. Uit een Education Week-rapport uit 2017 bleek dat openbare single-sex-scholen bestaan ​​uit een onevenredig groot aantal leerlingen van kleur – ongeveer 90 procent, vergeleken met ongeveer 50 procent door het hele land. Meer dan driekwart van de leerlingen op single-sex-scholen komt daarbij uit arme gezinnen, tegen ongeveer de helft in het hele land.

    Voor leraren die worstelen met discipline, overvolle klaslokalen en ondergefinancierde scholen, kan het argument voor leerverschillen tussen jongens en meisjes overtuigend zijn. Zoals Rebecca Bigler, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Texas, Austin, die onderzoek doet naar de genderrolontwikkeling bij kinderen, opmerkt: ‘Het biedt een eenvoudige oplossing voor een in werkelijkheid complex probleem.’

    The Wonder of Boys

    Deze manier van leren is natuurlijk niet nieuw. Het werd ooit als ongepast beschouwd dat meisjes en jongens samen zouden leren. Toen ik in de jaren negentig naar een middelbare meisjesschool ging, was de heersende gedachte dat jongens de klasgesprekken domineerden en meisjes zich niet van hun slimme kant durfden te laten zien. Maar de overheersende onderwijsfilosofie voor jongens en meisjes die in deze eeuw is ontstaan, is minder gericht op het vergroten van de macht van meisjes dan op het redden van jongens.

    In 2006 publiceerde auteur en zelfbenoemd ‘sociaal filosoof’ Michael Gurian The Wonder of Boys, waarin hij betoogt dat de mannelijke hersenstructuur, samen met de ontbinding van traditionele maatschappelijke structuren, jongens vatbaar heeft gemaakt voor ‘bende-activiteiten, seksueel wangedrag en misdaad’. Critici prezen het boek als het mannelijke antwoord op Reviving Ophelia van Mary Pipher, de bestseller uit 1994 over worstelende tienermeisjes. Van The Wonder of Boys zijn meer dan 400.000 exemplaren verkocht en het is vertaald in 17 talen. Op zijn site beweert Gurian het Congres over zijn werk te hebben ‘ingelicht’. In 1996 richtte hij het Gurian Institute op, dat schooldistricten helpt om aparte klaslokalen voor mannen en vrouwen in te richten en sommige ertoe heeft overgehaald om seksegescheiden scholen op te richten.

    Gurian, die geen certificaten heeft in onderwijs, psychologie of neurowetenschappen, heeft zijn ‘op de natuur gebaseerde theorie’ over gender in meer dan twee dozijn boeken uitgewerkt. In The Minds of Boys: Saving Our Sons From Falling Behind in School and Life trekt Gurian van leer tegen een onderwijssysteem dat is afgestemd op volgzame, goed opgevoede meisjes, maar dat onstuimige, competitieve jongens achterstelt en buitensluit. ‘Ouders die hun zonen naar hun eerste dag op de kleuterschool brengen, zullen in toenemende mate merken dat ten minste een van hun jongens uiteindelijk een onderwijscrisis krijgt te doorstaan,’ schrijft hij.

    Om dit tegen te gaan, zegt Gurian, moeten we klaslokalen en onderwijsstrategieën speciaal voor jongens inrichten. Dit zou moeten beginnen op de kleuterschool, waar leraren in plaats van geweld te verbieden ‘agressiezorg’ moeten onderwijzen, zodat jongens elkaar kunnen slaan en schoppen in plaats van woorden te gebruiken. ‘Gezien de hormonale en neurale samenstelling van mannen,’ schrijft hij, ‘geldt voor jongens (en mannen) vaak dat agressieve gebaren net zo vormend zijn als woorden, en voor net zo veel binding zorgen als een knuffel.’ (Sax, de eerdergenoemde psycholoog, beaamt deze ideeën en raadt slaan aan als straf voor jongens, maar niet voor meisjes.) Gurian stelt een reeks strategieën voor waarvan hij beweert dat ze het leren van jongens op alle niveaus zullen verbeteren: leraren mogen jongens niet in de ogen kijken – het mannelijke brein raakt gefrustreerd door direct oogcontact. Het licht moet altijd fel blijven, want bij weinig licht kunnen jongens ‘zich gaan misdragen’. Om jongens tot lezen te verleiden stelt hij voor om ze handleidingen, businessboeken en strips aan te bieden in plaats van To Kill a Mockingbird of Romeo en Julia.

    Gurian stelt dat jongens zeer geschikt zijn voor het soort lessen dat ze een paar eeuwen geleden zouden hebben gekregen: jagen, boer worden of een vak leren bij een ervaren ambachtsman. Hij geeft de Industriële Revolutie de schuld van de ondergang van dat type onderwijs. Amerikaanse scholen, zegt hij, zijn ontwikkeld om leerlingen op te leiden voor fabriekswerk. Gurian, die ook romanschrijver is, verwerpt de moderne nadruk op lezen en verbale taken, waar meisjes, zo beweert hij, van nature beter in zijn. ‘Omdat jongenshersenen van nature niet geschikt zijn voor klaslokalen die de nadruk leggen op lezen, schrijven en complexe woordvorming, ontstaan in elke cultuur die sterk afhankelijk is van die vaardigheden problemen bij de jongens.’ Bovendien, zegt hij, zijn jongens van nature minder veerkrachtig dan meisjes – dus een slecht cijfer kan hun kwetsbare ego’s beschadigen. ‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal.’

    Geslachtsmozaïek

    Meer dan tien jaar geleden merkte Lise Eliot op dat ouders vaak verwezen naar zogenaamd aangeboren verschillen in hoe jongens en meisjes denken. Dat klonk aannemelijk, vond Eliot, een neurowetenschapper aan de Rosalind Franklin University in Chicago die de plasticiteit van de hersenen bestudeert – het vermogen van onze geest om zich te ontwikkelen en aan te passen. Dus besloot ze er een onderzoeksproject van te maken, waarbij ze een schat aan gegevens vergaarde uit brain imaging- onderzoek van kinderen en volwassenen.

    ‘Het mannelijke lerende brein is meer van porselein dan het vrouwelijke; het vrouwelijk lerende brein is meer van staal’

    Eliot verwachtte consistente verschillen te zien in de structuren van mannelijke en vrouwelijke hersenen, dus ze was perplex toen de beelden iets heel anders onthulden. Sommige kenmerken kwamen inderdaad vaker voor in de hersenen van één geslacht. Bij vrouwen is de buitenste laag van de hersenen, die bekendstaat als de hersenschors, bijvoorbeeld dikker; de hippocampus, een regio die geassocieerd wordt met het geheugen, is bij mannen verhoudingsgewijs vaak groter dan bij vrouwen. Toch ontdekte ze dat individuele hersenen een mix van eigenschappen bevatten die als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ worden beschouwd. In feite vond ze slechts één consistent verschil tussen mannelijke en vrouwelijke hersenen dat voor alle leeftijden gold: mannelijke hersenen zijn ongeveer 11 procent groter dan vrouwelijke hersenen. Maar dat leek niet echt veelzeggend, aangezien alle mannelijke organen iets groter zijn, wat in verhouding staat tot de grotere lichaamsomvang van mannen.

    Toen Eliot en haar collega’s naar beelden en studies van de hersenen van kinderen keken, zagen ze nog minder consistente verschillen tussen mannen en vrouwen. ‘Ik stond versteld,’ herinnert ze zich. ‘Mensen beweren dat als we ons anders gedragen, er ook iets anders moet zijn aan de hersenen. Maar dat is aan de grote hersengebieden of zenuwbanen zeker niet te zien.’ Daphna Joel, hoogleraar psychologie en neurowetenschappen aan de universiteit van Tel Aviv, beschrijft het algehele effect als een ‘geslachtsmozaïek’ – elk brein heeft een ‘specifieke configuratie’ van ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ kenmerken.

    Toen Eliot zich begon te verdiepen in psychologische onderzoeken viel haar iets soortgelijks op. Over het algemeen waren verschillen in gedrag op basis van geslacht bij zowel kinderen als volwassenen statistisch klein. Bij zeer jonge kinderen bestonden ze vrijwel niet, terwijl ze bij tieners en volwassenen iets aanweziger waren: meisjes hadden de neiging om iets op jongens voor te lopen in hun verbale taken, en jongens werden over het algemeen iets beter in ruimtelijke en wiskundige problemen. Tussen de vroege kinderjaren en het einde van de adolescentie ontdekten onderzoekers van de Emory-universiteit dat de voorsprong van jongens op meisjes bij ruimtelijke taken verdrievoudigde, van ‘klein’ tot ‘gemiddeld’. Er is een statistisch significante genderkloof te zien bij leestoetsen die aan Amerikaanse leerlingen worden gegeven, waarbij meisjes hoger scoren, vooral op de middelbare school. Maar zoals een rapport van de Brookings Institution opmerkt, is deze kloof kleiner geworden en kleiner dan de kloof tussen witte en zwarte leerlingen, tussen leerlingen in de stad en leerlingen uit voorsteden, en tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden. En deze genderkloof verdwijnt op volwassen leeftijd.

    Eliot wist vanuit haar vakgebied dat het menselijk brein uitzonderlijk goed is in zich aanpassen en veranderen als reactie op prikkels van buitenaf. Dat bracht haar ertoe te onderzoeken of we onbedoeld de hersenen van onze kinderen vormgeven volgens genderstereotypen. Hiervoor zijn goede bewijzen te vinden. Wetenschappers hebben bijvoorbeeld ontdekt dat het gebied van Broca, een hersengebied dat verantwoordelijk is voor verbale verwerking, groter is bij meisjes en vrouwen. Toch is aangetoond dat ouders de taalvaardigheid van hun jonge kinderen kunnen verbeteren door met hen te praten – en dat moeders meer met babymeisjes praten dan met babyjongens, wat de ontwikkeling van deze regio zou kunnen stimuleren. ‘Hoe,’ vraagt Joel zich af in haar recente boek Gender Mosaic: Beyond the Myth of the Male and Female Brain (dat ze samen met Luba Vikhanski schreef), ‘kunnen we dan zien of de superieure verbale vaardigheden van de meisjes inderdaad het gevolg zijn van hun geslacht, of dat ze worden beïnvloed door de genderspecifieke zorg die ze krijgen?’ Ze haalt een onderzoek uit 2014 aan, waarin wetenschappers de hersenactiviteit bij ouders van zuigelingen analyseerden. Bij heteroseksuele koppels waren er consistenties langs geslachtslijnen – de vrouwenpatronen wezen de ene kant op, de mannenpatronen de andere kant. Maar bij homoseksuele paren, waar de opvoedingsrollen minder geslachtsgebonden zijn, vertoonden beide ouders typisch mannelijke én vrouwelijke patronen in de hersenactiviteit. Dit, schrijft Joel, roept een interessante vraag op: ‘Zijn dergelijke verschillen voorgeprogrammeerd in onze biologie, of worden ze gedicteerd door de rollen die vrouwen en mannen in onze samenleving krijgen toebedeeld?’

    De invloed van onze sociale omgeving op de vorming van ons lichaam, beperkt zich niet tot de hersenen. Terwijl Gurian en Sax beweren dat een overvloed aan testosteron ervoor zorgt dat jongens competitief zijn, kan het omgekeerde ook het geval zijn: studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes.

    Essentialistisch denken

    Als ik vrienden en kennissen vertel wat ik heb geleerd over het gebrek aan bewijs voor consistente op geslacht gebaseerde hersenverschillen, krijg ik vaak opmerkingen als: ‘Dat kan onmogelijk waar zijn! Ik heb mijn kinderen en hun vriendjes bestudeerd, en vanaf de peuterleeftijd leggen de meisjes de speelgoedtrucks als baby’s in bed en veranderen de jongens poppen in geweren.’ Dat is misschien zo, zegt Joel tegen mij, maar we weten niet hoeveel hiervan te wijten is aan de manier waarop stereotypen onze kinderen vormen. Als mensen hebben we een opmerkelijk vermogen om onze waarnemingen te filteren op informatie die onze overtuigingen versterkt. We zullen dus eerder de kleine meisjes opmerken die de vrachtwagens vertroetelen, dan degenen die het verschil kunnen zien tussen een shovel en een graafmachine. En zodra we gedrag opmerken dat overeenkomt met onze vooroordelen, hebben we de neiging dit te versterken. ‘Is die vrachtwagen jouw baby?’ vragen we het meisje bijvoorbeeld. ‘Wil je hem een ​​flesje geven?’

    Studies tonen aan dat competitie zelf tijdelijk de testosteronniveaus verhoogt bij zowel jongens als meisjes

    Zulke stereotypen sluipen het klaslokaal binnen. Bigler, de psycholoog, heeft ontdekt dat het simpelweg gebruiken van de termen ‘jongens’ en ‘meisjes’ op school (en elders) de manier kan veranderen waarop kinderen over gender denken. Zelfs de schijnbaar onschadelijke begroeting ‘Goedemorgen, jongens en meisjes!’ bevordert wat psychologen essentialistisch denken noemen – het idee dat mensen in verschillende categorieën ‘op grote, ingrijpende manieren anders zijn’, zegt Bigler. Kinderen worden sterk beïnvloed door de houding van hun ouders en leraren – en, zegt Bigler, volwassenen verwerpen het ‘gendervooroordeel’ van kinderen gewoonlijk als schattig of onschadelijk. Bigler vroeg ooit een klas met basisschoolleerlingen om hun favoriete en minst favoriete klasgenoten te noemen. Veel van de jongens zeiden dat ze niet slechts vijf kinderen konden noemen die ze niet leuk vonden – ze vonden alle meisjes stom. Wanneer Bigler me dit verhaal vertelt, lach ik. ‘Ik vertel deze anekdote al dertig jaar en iedereen lacht,’ zegt Bigler. ‘Maar het is niet grappig. Het probleem is dat als kinderen zulke dingen zeggen, volwassenen er niet tegen ingaan.’

    Deze vicieuze cirkel van stereotypeversterking vindt Eliot kwalijk. ‘Als je wilt dat jongens en meisjes meer hetzelfde denken, moet je ze een vergelijkbaardere opleiding geven,’ vertelt ze. ‘Alles wat we weten over de hersenen ondersteunt dit.’ Het is één ding wanneer ouders de gendervooroordelen van hun kinderen beïnvloeden; het is iets anders wanneer die vooroordelen niet alleen weerspiegeld worden, maar bovendien worden gepromoot op onze openbare scholen.

    Toch is Gurian niet onder de indruk van de groeiende wetenschappelijke consensus omtrent het sekseneutrale brein – hij verzet zich zelfs vaak tegen de wetenschappers die dit hebben aangetoond. Toen Eliot Gurian op Twitter tagde om zijn bewering te bekritiseren dat vrouwelijke hersenen beter uitgerust zijn voor verbale taken, tweette Gurian terug: ‘Je bent net een klimaatontkenner: een wetenschapper die de wetenschap ontkent.’ (‘Laat me de gegevens zien,’ stuurde ze terug, Gurians misleidende argumentatie rechttrekkend. Hij reageerde niet.)

    Grabbelton

    Toen ik contact opnam met Gurian was zijn eerste opmerking: ‘Als je achter Lise Eliots ideeën staat, ben ik niet geïnteresseerd in een gesprek.’ Haar onderzoek staat volgens hem te ver af van het klaslokaal om van belang te zijn voor het onderwijs. Hij beweert dat zijn werk ter bevordering van naar geslacht gedifferentieerd onderwijs en single-sex-scholen is gebaseerd op ‘meer dan 1000 onderzoeken naar mannelijke en vrouwelijke hersenen’. De bronnen die op zijn site worden vermeld, zijn op zijn zachtst gezegd een grabbelton: recentere, peer-reviewed studies worden afgewisseld met tientallen jaren oude artikelen met titels als ‘IJsconsumptie, de neiging tot overmatig eten en persoonlijkheid’ en ‘Vrouwelijke voorkeur voor aantrekkelijke make-up veroorzaakt veranderingen in hun testosteron’, en een boek uit 1999 genaamd Why Men Don’t Iron. (Toen ik contact met hem opnam om toelichting te vragen over zijn bronnen, wilde hij geen commentaar geven.)

    In tegenstelling tot wat Gurian beweert, wezen de experts met wie ik sprak op recent onderzoek waaruit blijkt dat de genderstereotypering van leraren zichzelf kan versterken. In een studie uit 2014 analyseerde Sarah Theule Lubienski, hoogleraar wiskunde aan de Indiana-universiteit, de manier waarop leraren van basisschoolleerlingen gedrag en leercompetentie beoordeelden. Ze ontdekte dat meisjes even goed in wiskunde konden zijn als ze door leraren werden gezien als hardwerkender en gretiger dan jongens. In een volgende studie toonde Lubienski aan dat de verwachting dat meisjes gehoorzaam zijn, hen ervan weerhoudt het gedurfde, creatieve, probleemoplossende denken te ontwikkelen dat vereist is voor wiskunde op een hoger niveau. Dat zou kunnen verklaren waarom meisjes over het algemeen gelijke tred houden met jongens bij gestandaardiseerde wiskundetoetsen, ook al zijn er onder de toppresteerders onevenredig veel jongens. ‘We leren meisjes om een goede leerling te zijn,’ zegt Lubienski. ‘In plaats daarvan zouden we hen moeten helpen strategieën te ontwikkelen om onbekende problemen op te lossen. Laten we leerlingen belonen als ze moedig zijn in hun denken.’

    Onderzoek toont aan dat single-sex-scholing de beweringen van Gurian niet waarmaakt. In 2010 onderzochten Bigler en een team van onderzoekers van de Universiteit van Texas een openbare middelbare school voor meisjes in het zuidwesten. Op papier was de school een lichtend voorbeeld van het succes van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes: de leerlingenpopulatie was divers en de toetsscores waren hoog. Maar toen de onderzoekers dieper in de gegevens doken, ontdekten ze dat de meisjes die werden toegelaten via een zogenaamd willekeurige loting al beter presteerden dan hun leeftijdsgenoten op andere gemengde scholen – terwijl meisjes aan wie de toelating werd geweigerd, lagere scores haalden. De leerlingen van de meisjesschool deden het niet beter op gestandaardiseerde toetsen dan hun leeftijdsgenoten op een gemengde school. In 2014 hebben onderzoekers in een meta-analyse, gepubliceerd door de American Psychological Association, 184 studies van 1,6 miljoen leerlingen over de hele wereld doorgekamd. Niet-gemengde scholen bleken ‘weinig of niets’ voor te hebben op gemengde scholen, waarbij werd opgemerkt dat die bevindingen de veronderstellingen over biologische verschillen tussen jongens en meisjes ondergraven.

    Om te zien hoe het er in het single-sex-onderwijs aan toegaat, reis ik naar een van de gebieden waar voor- en tegenstanders een harde strijd voeren. In 2014 diende de ACLU een klacht in bij het ministerie van Onderwijs tegen het schooldistrict Hillsborough County in Tampa, Florida, met het argument dat de betreffende scholen de rechten van leerlingen op grond van Title IX schonden. Het district, zo beweerde de klacht, had bijna 100.000 dollar uitgegeven aan trainingen door het Gurian Institute, Sax en anderen. (Een van die sessies heette Busy Boys, Little Ladies.) Daarop werden in achttien scholen klaslokalen voor jongens dan wel meisjes ingericht, waar leraren op gender gebaseerde instructiestrategieën implementeerden, zoals meisjes een vleugje parfum op hun polsen geven voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen. Dat programma werd uiteindelijk geschrapt. Maar in 2011 werden in het district opnieuw twee niet-gemengde middelbare scholen geopend: Ferrell Girls Preparatory Academy en Franklin Boys Preparatory Academy, die beide zijn benoemd tot Gurian Institute Model School.

    Vermoedelijk vanwege de ACLU-klacht heeft Tampa er alles aan gedaan te zorgen dat de single-sex-scholen niet in strijd waren met Title IX, dat over het algemeen verbiedt om kinderen volgens gender of geslacht te scheiden, terwijl het genderspecifieke scholen onder bepaalde omstandigheden toestaat. Zo is geen enkele leerling uit Tampa verplicht naar een jongens- of meisjesschool te gaan – het zijn programma’s waar gezinnen zelf voor moeten kiezen.

    Meisjes kregen een vleugje parfum op hun polsen voor het correct uitvoeren van een taak, terwijl jongens die zich goed gedroegen elektronica mee naar school mochten nemen

    Franklin Boys Preparatory Academy bevindt zich in een buurt met lage inkomens aan de oostkant van Tampa. Leerlingen zijn gemiddeld armer dan op de meeste scholen in de buurt. Ongeveer 75 procent van de 530 leerlingen krijgt een gratis lunch of lunch met korting. Driekwart van de leerlingen is zwart of van Latijns-Amerikaanse afkomst, vergeleken met 57 procent in de rest van de wijk. Senior beheerder Kathy Wasserman leidt me rond in de school en wijst op de kenmerken die speciaal voor jongens zijn ontworpen. Bij de ingang staat een trofeekast met in het midden een grote beker. Die, vertelt ze, behoort toe aan de winnende afdeling van vorig jaar – de jongens zijn à la Harry Potter verdeeld over drie afdelingen, elk gestructureerd als een bedrijf, met hoofdmonitors die optreden als ‘directeur’. Door resultaten, sport en goed gedrag kunnen de afdelingen punten verzamelen, die elke twee weken worden opgeteld. Het afdelingssysteem, legt Wasserman uit, is een hoeksteen van de school. ‘Jongens gedijen bij concurrentie,’ vertelt ze me.

    De gangen worden in tweeën gedeeld door geel met zwart gestreepte lijnen. Wasserman vertelt dat de school tweebaansverkeer heeft ingesteld omdat ‘jongens gedijen bij structuur’. Dat is de sleutel van de aanpak van de school. ‘Alles wat we doen gaat volgens een bepaalde structuur en een bepaalde procedure.’ In een taalvaardigheidsles wijst Wasserman erop dat de bureaus in traditionele rijen zijn gerangschikt – omdat, zegt ze, jongens informatie het beste kunnen assimileren als ze recht vooruit kijken. Een assistent-leraar laat me een timer zien en vertelt dat deze elke 12 minuten afgaat, waarna de jongens naar de drinkfontein in de hal mogen gaan. ‘Jongens reageren heel goed op die timer,’ zegt Wasserman. ‘Schema’s, timers, al deze dingen liggen vast.’

    Als ik vraag wat ze denkt van het idee dat traditionele scholen het jongens moeilijk maken, zegt ze na even nadenken: ‘Meisjes zijn goed in zitten en stil zijn en doen wat ik zeg. Ik denk dat onderwijs vaak op dat principe is afgestemd. Maar wij zijn ingesteld op jongens, op beweging. We zijn luidruchtig. We hebben energie. We zorgen dat er tijdens de lunch genoeg tijd is om de jongens naar buiten te laten gaan.’

    Maar zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur. Tijdens de lunch in de kantine vertelt Wasserman: ‘Als je naar het toilet moet, gaat dat volgens protocol. Als je water wilt, gaat dat volgens protocol. Als je je vork bent vergeten, gaat dat volgens protocol. En het loopt op rolletjes.’

    Het Gurian Institute promoot seksuele voorlichting als onderdeel van de oplossing voor de specifieke uitdagingen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, zoals hoge schooluitval en de gang van-school-naar-de-gevangenis. De aanpak van het instituut wordt gepresenteerd door de lens van de veronderstelde jongenscrisis. ‘De meeste mannelijke problemen, inclusief de problemen waarmee jongens van kleur worden geconfronteerd, houden verband met het onvermogen van onze samenleving om de aard van mannen te koesteren,’ schrijft Gurian. Een recente aflevering van zijn podcast heet: ‘We kunnen raciale en sociaaleconomische hiaten niet oplossen zonder de genderkloof te verhelpen.’

    Verontrustende raciale boventonen

    Hoewel deze inspanningen worden gedreven door oprechte bezorgdheid over de raciale kloof in prestaties, maakt Sherwin, de ACLU-advocaat, zich zorgen dat het op geslacht scheiden van leerlingen van kleur ‘berust op het stereotiepe idee dat deze kinderen zo weerbarstig en onbeheerst zijn dat jongens en meisjes zich niet samen in één klaslokaal kunnen bevinden’. Dit is bijzonder verontrustend in het licht van de recente geschiedenis van het openbaar onderwijs voor jongens en meisjes in de Verenigde Staten. Juliet A. Williams, hoogleraar genderstudies aan de University of California, Los Angeles, is nagegaan welke schooldistricten leerlingen in het verleden scheidden op basis van geslacht, in opdracht van witte ouders die in opstand kwamen tegen het idee dat hun witte meisjes samen met zwarte jongens werden onderwezen. Ideeën over op sekse gebaseerde verschillen, zegt ze, ‘kunnen een verontrustende racistische ondertoon hebben en het vooroordeel uitdragen dat zwarte en latinojongens chaotischer, onhandelbaarder en onbeheerster zouden zijn’.

    Zelfs de schoolpauzes hier voelen bijna militaristisch aan in hun nadruk op structuur

    Seksegescheiden schoolprogramma’s worden steeds vaker aangeboden als alternatief voor lokale scholen en ingekaderd als een onderdeel van de schoolkeuzebeweging die door minister van Onderwijs Betsy DeVos wordt gepromoot. Bijgevolg heeft de organisatie van Sax, de National Association for Single Sex Public Education, haar naam veranderd in de National Association for Choice in Education. ‘De realiteit is dat ouders beperkte onderwijskeuzes hebben,’ zegt Bigler. ‘En misschien is een school voor één geslacht in sommige gemeenschappen de beste optie, omdat die meer middelen heeft.’ Het is veelzeggend, benadrukt Sherwin, dat de trend onder elitescholen naar gemengd onderwijs neigt. ‘Als single-sex zo goed zou werken, zou je zien dat het overal werd toegepast, niet alleen in arme minderheidsdistricten.’ Een meta-analyse uit 2014 van dit type onderwijs heeft geen bewijs gevonden dat het arme leerlingen van kleur vooruithelpt.

    Ondanks het gebrek aan bewijs, houden de voorstanders van single-sex-onderwijs voet bij stuk. De National Association for Choice in Education heeft in 2011 haar openbare lijst van seksegescheiden klaslokalen en scholen geschrapt om de ‘intimiderende aanpak van ACLU’ te belemmeren. In 2017, twee jaar nadat ACLU een klacht had ingediend tegen een overwegend door latinokinderen bezochte middelbare school in Los Angeles die leerlingen naar geslacht scheidde, hebben wetgevers in Californië een wet aangenomen die de oprichting van zulke scholen legaal maakt. In 2018 verloor ACLU een zaak over de middelbare seksegedifferentieerde scholen in Austin, het schooldistrict met het grootste aantal latinoleerlingen van Texas. Het is niet duidelijk wat de volgende stap in de juridische strijd zal zijn. Tot dusver heeft de Trump-regering geen beleid uitgevaardigd over openbare scholen voor één geslacht, maar de trend lijkt te zijn om schooldistricten maximale speelruimte te geven.

    55 procent van de scores van de Ferrell-meisjes in 2018 kwalificeerde zich als bekwaam, tegen 40 procent van de Franklin-jongens

    Ik sprak met een lerares Engels uit een groot, veelal arm en niet-wit schooldistrict in Texas, die zich had beklaagd dat ze van de onderwijsinspecteur een training moesten volgen op basis van het werk van Gurian en Sax, waarna haar middelbare school zich enkel nog op jongens richtte. Maandenlang verzette ze zich tegen wat zij zag als een schoolcultuur gebaseerd op valse stereotypen over mannelijkheid – die schadelijk was voor een kwetsbare populatie jongens. Ze maakte zich vooral zorgen over het feit dat een groep homoseksuele leerlingen werd gepest en dat een beginnende lerares seksueel werd lastiggevallen door leerlingen. Haar klachten bleven grotendeels onbeantwoord en aan het einde van het schooljaar werd ze zonder toelichting ontslagen.

    Zo’n 3 kilometer van de Franklin Boys Preparatory Academy hangt er in de Ferrell Girls Preparatory Academy, waarvan de leerlingen demografisch vergelijkbaar zijn met die van Franklin, een heel andere sfeer. Hier geen timers, stroken in de gang of bureaus in rijen. Het is er niet zozeer chaotisch maar wel een beetje vriendelijker. En dat is geen toeval. De tegenhanger van Wasserman, Lori Bartholomew, vertelt me dat haar leraren de nadruk leggen op samenwerking en inclusiviteit, en uitzoeken hoe het emotionele leven van meisjes hun leren beïnvloedt. Het is gebruikelijk, zegt ze, dat leraren met de les beginnen met de vraag wat er bij de meisjes speelt. Net als bij Franklin worden de leerlingen verdeeld over verschillende afdelingen, maar hier ligt de focus op samenwerking, niet op concurrentie.

    Bartholomew noemt veel generalisaties waarvan ik vermoed dat ze het bloed van Lise Eliot zouden doen koken. Ze wijst erop dat een leraar een ‘zachte toon’ gebruikt omdat ‘meisjes erg gevoelig zijn voor geluid’. De toegewezen zitplaatsen in de kantine worden om de twee weken vervangen omdat de vriendschapsgroepen van meisjes ‘als beton zijn, en je een sloophamer nodig hebt om ze uit elkaar te halen’. Ze vertelt me dat meisjes gevoeliger zijn voor emoties dan jongens. ‘Veel daarvan heeft te maken met moederen en verzorgen,’ zegt ze. ‘Ze zeggen zelfs dat vrouwen oxytocine aanmaken als ze een baby horen huilen, want dat is hun instinct.’

    Het resultaat van dit alles is pervers genoeg een educatieve omgeving die echt lijkt te werken. Ik zie hoe de leraar in een wiskundeles meisjes uitdaagt om samen te werken en creatief na te denken. Op een gegeven moment verdeelt ze de klas in verschillende groepen om erachter te komen hoe het concept van absolute waarde zich zou kunnen verhouden tot de echte wereld. Na een paar minuten de koppen bij elkaar te hebben gestoken, delen de meisjes hun ideeën. ‘Als je loopt, loop je nooit negatieve afstanden,’ zegt een meisje. De anderen knikken. Later in de les moedigt de leraar de meisjes aan om samen te werken aan een oefening in grafieken tekenen. ‘Communiceer met je buren. Kijk of ze dezelfde soort grafiek hebben als jij,’ zegt ze. ‘Zo niet, help ze dan.’

    Sociaal-emotioneel leren
    Het soort onderwijsstrategieën dat ik bij Ferrell heb gezien, legt de nadruk op wat bekendstaat als sociaal-emotioneel leren: kinderen helpen hun emoties te uiten en te beheersen, zelfrespect te ontwikkelen, relaties aan te gaan en empathie te ervaren. Onderzoek toont aan dat sociaal-emotioneel leren de schoolprestaties kan verbeteren. In 2011 analyseerde de nonprofitorganisatie Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning meer dan 200 schoolprogramma’s en ontdekte dat hoogwaardige sociaal-emotionele leerprogramma’s correleerden met een sprong van 11 percentiel in de lees- en rekenscores van leerlingen. Uit een vervolgonderzoek in 2017 bleek dat de voordelen van deze programma’s jarenlang aanhielden.

    Bij gestandaardiseerde toetsen presteerden Ferrell-meisjes in elk vak beter dan Franklin-jongens. Het verschil was het grootste in wiskunde: 55 procent van de Ferrell-meisjes in 2018 scoorde een ruime voldoende, tegen 40 procent van de Franklin-jongens. Deze kloof tussen mannen en vrouwen op single-sex-scholen in Tampa duidt op een grote ironie: naar geslacht gedifferentieerd onderwijs moest de ‘jongenscrisis’ in het onderwijs oplossen, maar de meeste experts die ik heb gesproken, zijn bang dat precies het tegenovergestelde gebeurt. ‘We leren jongens soms dat het niet oké is om hun emoties te uiten, en dat kan voor hun leerproces verstikkend zijn,’ zegt Justina Schlund, de coördinator veldonderzoek van de Collaborative for Academic, Social and Emotional Learning. Ze is bezorgd dat stereotypen over emotioneel afstandelijke mannelijke hersenen docenten zouden kunnen ontmoedigen om belangrijke lessen te geven die jongens nodig hebben om te slagen: ‘Jongens moeten leren dat ze empathische wezens zijn, dat ze lid van een klas zijn, een gezin, een gemeenschap. Dit zijn cruciale lessen in het echte leven, maar ook in de klas.’

    Het bevorderen van kwetsbaarheid
    Een onderdeel van het sociaal-emotionele leerplan is het stimuleren van kwetsbaarheid – de bereidheid om mislukkingen te accepteren en om hulp te vragen. Edward Morris, een socioloog van de University of Kentucky, onderzoekt hoe de verwachtingen van mannelijkheid het leven van jongens bepalen. In zijn uitgebreide observatie van middelbareschoolklassen stelde hij een patroon vast van onwil bij jongens om leraren om hulp te vragen als ze iets niet begrijpen. ‘Jongens worden gesocialiseerd om geen zwakte te tonen,’ zegt hij. Die mentaliteit is van grote invloed: niet alleen de schoolprestaties van jongens kunnen erdoor worden belemmerd, ook hun loopbaan en relaties kunnen eronder lijden. ‘Deze beperkende visie op mannelijkheid levert mannen aan de oppervlakte macht op, maar is uiteindelijk vooral schadelijk voor hun eigen welzijn en de gezondheid van de samenleving in het algemeen.’

    Tijdens mijn rondleiding in de middelbare jongensschool stoppen we bij het mediacentrum. Een schildering van inspirerende leiders – allemaal mannen – siert de muur. Onder het toeziend oog van Martin Luther King Jr., Benjamin Franklin en Abraham Lincoln zitten twee jongens aan een tafel huiswerk te maken. Wasserman vraagt hen om op te staan ​​en de schoolbelijdenis te reciteren, die de leerlingen elke ochtend in koor opzeggen. De jongens schuifelen zonder te glimlachen overeind.

    ‘Ik zal een verantwoordelijke, respectvolle, eerlijke en integere man worden,’ zeggen ze. ‘Vertrouwen, doorzettingsvermogen, hoffelijkheid, beoordelingsvermogen en sportiviteit. Zo’n man zal ik worden.’

    Wasserman glimlacht en gebaart de jongens weer te gaan zitten. ‘Dank u, heren.’

    Kiera Butler

    Mother Jones
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 190.000Mary Harris Mother Jones (1837-1930) was een belangrijke Amerikaanse socialiste die het immer opnam voor de underdog en lid was van Industrial Worker of the World. Door middel van intelligente, onbevreesde journalistiek, die onder andere wordt mogelijk gemaakt door totale onafhankelijkheid, wilt de krant zijn bijdrage leveren aan de democratie. Sinds kort heeft dit blad een Digital-first verdienmodel.

  • Vijftien ideeën voor de wereld na corona

    Vijftien ideeën voor de wereld na corona

    Het coronavirus heeft onze wereld (tijdelijk) fundamenteel veranderd. Nu is er eindelijk hoop dat we de pandemie onder controle krijgen. En dan? Willen we gewoon doorgaan zoals voorheen, of de kans grijpen dingen te heroverwegen? GEO vroeg 15 deskundigen welke verbeterpunten zij zien.

    1. Kunnen we de crisis als kans aangrijpen?

    Geschiedenis – Historicus Mischa Meier ziet de coronapandemie als perspectief voor de herinrichting van ons samenleven.

    De coronacrisis vertoont alle kenmerken van situaties waarin samenlevingen fundamenteel veranderen als gevolg van een dreiging die als existentieel wordt ervaren. Noch financiële crises, noch vluchtelingengolven, noch terroristische aanslagen noch milieurampen vertonen deze kenmerken. Het zijn eerder oorlogen, revoluties en epidemieën die een dergelijke ingrijpende verandering teweegbrengen.

    Kenmerken van zulke situaties: ze raken iedereen zonder uitzondering en maken iedereen onrustig. De vaste routines van een samenleving staan gedurende een langere periode onder druk. Mensen verliezen hun vertrouwen in het handelen van hun medemens en het geloof in een zekere toekomst. Er ontstaat een dominante vorm van communicatie, de taal is moreel geladen.

    Een voorbeeld van dat laatste waren de de foto’s van de doodskisten en vrachtwagens uit Bergamo in het voorjaar. De communicatie werd emotioneel en moreel, soms zelfs religieus. Ook dat is een kenmerk dat in de hele geschiedenis terugkomt.

    De dreiging verliest zijn kracht naarmate de samenleving effectieve manieren vindt om deze te bestrijden. Op deze manier krijgen mensen een nieuw gevoel van veiligheid en onderdrukken of vergeten ze de dreiging geleidelijk, ook al is die er misschien nog steeds.

    De pest brak voor het eerst uit in 541 na Christus en veranderde alles. Maar langzamerhand raakte de ziekte in de vergetelheid

    Een voorbeeld uit de geschiedenis: de pest brak voor het eerst uit in 541 na Christus en veranderde alles. Maar langzamerhand raakte de ziekte in de vergetelheid, hoewel er door de eeuwen heen regelmatig plaatselijke uitbraken waren. Iets soortgelijks gaan we met het coronavirus meemaken: pas als we leren accepteren dat het virus bedreigend is maar niet weggaat, kunnen we ons leven echt reorganiseren.

    Zoals in iedere crisis zijn er winnaars en verliezers, zoals we nu ook al zien als we kijken naar de economische gevolgen. Om kansen op verandering te benutten moeten wij – ook wij historici – heel bewust en zorgvuldig nadenken over hoe we individueel reageren – en wat voor gevolgen dat heeft voor onze toekomst.

    Wanneer mensen zich bedreigd voelen, wordt één ding plotseling buitengewoon relevant: identiteit. Mensen gaan als individu en als collectief nadenken over bij wie ze horen, en ook: bij wie niet. Dat kan leiden tot conflicten. In wezen gaat het om de herstructurering van sociale machtsverhoudingen. Dat is tegelijkertijd ook onze kans, daaraan moeten we actief helpen vorm te geven.

    2. Onze steden zullen bloeien

    Stedelijke planning – Meer ruimte voor voetgangers: de pandemie versnelt verandering, zegt Christoph Koch, die o.a. onderzoek deed naar de toekomst van mobiliteit in Amsterdam.

    Hoe minder mensen dagelijks naar de binnenstad gaan om te werken of te winkelen, hoe minder kantoorruimte er nodig is en hoe goedkoper de huren op de lange termijn zullen zijn. Nieuwe toepassingen in de binnensteden zijn dus niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk. De coronapandemie laat zien dat omwentelingen die ondenkbaar leken, ineens haalbaar zijn. Meer woonruimte in het stadscentrum, meer ruimte voor cultuur in plaats van warenhuisketens. Nu hebben we ideeën nodig die deze verandering vormgeven.

    Onze steden zijn nog steeds verdeeld: werken en winkelen in het centrum, wonen in de periferie. Als dit verandert, verandert ook het verkeer. De routes worden korter, wat het gebruik van fietsen en elektrische scooters bevordert. Speelstraten, meer fietspaden en 30km/uur-zones, zoals Parijs vanaf 2021 over de hele linie wil invoeren, krijgen een steeds breder draagvlak. Daarnaast neemt de behoefte aan groene recreatiegebieden in de steden toe.

    Als we deze gelegenheid goed aangrijpen, zullen onze binnensteden over een paar jaar vriendelijker, bewoonbaarder en drukker zijn.

    3. Een nieuw thuisgevoel

    Toerisme – Reizen over lange afstanden worden steeds zeldzamer, wat de klimaatbescherming ten goede komt, zegt reisverslaggever Gunnar Herbst.

    Corona heeft het over-the-toptoerisme tot stilstand gebracht en ons laten zien hoe het ook kan. Minder vaak reizen, langer ter plaatse blijven, naar bestemmingen in de buurt gaan, met de bus en trein reizen en korte vluchten vermijden.

    Geen goedkope hotels huren die hun personeel uitbuiten, geen all-inclusive ketens, maar restaurants, winkels en musea bezoeken om de lokale bevolking te ondersteunen. Dat alles helpt om reizen duurzamer te maken. De pandemie heeft aangetoond dat het mogelijk is. Nu moeten we doorzetten.

    4. Een groter gevoel van vrijheid

    Werkomgeving – Velen die tijdens de coronacrisis konden blijven werken, zijn thuiswerken als het nieuwe normaal gaan beschouwen – en als een model voor de toekomst.

    Kantoormeubelfabrikant Sedus Stoll merkt al jaren verandering. Het bedrijf bestaat al bijna 150 jaar. In het verleden bestonden bestellingen voor 85 procent uit tafels, stoelen en kasten. Rond de millenniumwisseling was dat 70 procent, nu 50.

    In plaats daarvan zorgt het voormalige stoelenbedrijf nu ook voor banken, akoestische elementen, spraakcellen: ‘communicatieapparatuur’. Sedus bouwt bijvoorbeeld ook sensoren in kantoorapparatuur. De app kan worden gebruikt om werkplekken te reserveren en na te gaan wie welke gebruikt. Perfect in tijden van corona.

    Series als The Office presenteren het kantoor als een soort kooi voor medewerkers.

    Zo ontstaat langzaam het ‘flexkantoor’. Wellicht wordt het straks normaal om ongeacht de locatie een aanvraag in te dienen: één keer per maand een paar honderd kilometer reizen is beter dan vijftig kilometer pendelen per dag.

    De historische redenen voor het kantoor zijn verdwenen, zegt ook de Londense auteur Philip Ross. ‘Het kantoor heeft een nieuwe bestemming nodig om te overleven.’

    5. Herwaardering van de natuur

    Milieubescherming – Mensen ontdekken hoe dicht ze bij de natuur kunnen zijn. Dat vraagt ook om extra bescherming van onze leefomgeving.

    De behoefte om de stad uit te gaan is tijdens corona bij de meesten toegenomen. ‘Het besef dat je voorlopig niet ver kunt reizen, biedt ruimte voor reflectie’, zegt Christian Buer van Heilbronn University. Hij spreekt van een nieuwe ‘ervaring van je eigen rust en stilte’ en is ervan overtuigd dat degenen die zich ‘gast’ gaan voelen van de natuur daar bevrediging van ondervinden.

    We moeten natuurbezoekers aanspreken, informeren, sturen – maar niet als indringers behandelen

    Maar waar mensen massaal naar het platteland trekken, zijn conflicten onvermijdelijk. Wordt de druk op de natuur te groot? Holger Belz, die het Archezentrum runt, maakt zich geen zorgen. ‘De natuur is kwetsbaar, maar dat betekent niet dat mensen buitengesloten moeten worden’, zegt hij. ‘We moeten bezoekers aanspreken, informeren, sturen – maar niet als indringers behandelen. We willen dat ze de natuur beleven.’

    6. Onze gezondheidssystemen zullen leren van de pandemie

    Zorg – Prof.dr. Monika Klinkhammer-Schalke, voorzitter van het Duitse netwerk voor gezondheidsonderzoek, ziet vier belangrijke verbeterpunten voor de branche.

    Beschikbaarheid van gegevens. De pandemie roept op medisch vlak vele vragen op: zijn er minder patiënten naar de dokter gegaan? Werd kanker later ontdekt, verminderde dat de overlevingskansen van de getroffenen? Wat is het effect van het uitstellen van operaties?

    Er zijn al veel gegevens beschikbaar, bijvoorbeeld in onderzoek, in kankerregisters of bij zorgverzekeraars. Nu moeten we een manier vinden om de verschillende bronnen snel en in overeenstemming met de gegevensbeschermingsregels met elkaar te verbinden en te evalueren.

    Netwerken. Daarnaast is het van belang dat medische professionals, gespecialiseerde verenigingen en verenigingen beter netwerken – nationaal en internationaal. Een positief voorbeeld: voor een anesthesieonderzoek staken aan het begin van de pandemie dertig universitaire ziekenhuizen over de hele wereld de koppen bij elkaar om ideeën uit te wisselen over de methode om covid 19-patiënten te intuberen. Het verliep vlot omdat alle betrokkenen vooraf waren verbonden.

    Betere samenwerkingen. Er wordt wel geroepen om minder ziekenhuizen: grote topcentra in plaats van kleine, regionaal georiënteerde klinieken. Maar Klinkhammer-Schalke deed veel onderzoek naar de kwaliteit van leven van kankerpatiënten en zag hoe belangrijk het voor patiënten is om vrienden en familie aan hun zijde te hebben. Om de kwaliteit van de behandeling in kleinere ziekenhuizen te waarborgen, moet de samenwerking met de topcentra worden versterkt.

    Betere betaling. Er zijn veel te weinig verplegers. Om knelpunten in het aanbod te voorkomen en meer mensen voor zorgberoepen te laten kiezen, moeten de salarissen omhoog. Daaraan moeten zowel de overheid als zorgverzekeraars bijdragen.

    7. We hechten meer waarde aan kwaliteit

    Economie – Groeiend bewustzijn van duurzaamheid: corona zal ons winkelgedrag blijvend veranderen, voorspelt econoom Thomas Straubhaar.

    De verkoop op onlineplatforms en bij bezorgdiensten neemt enorm toe. We zien ook dat veel mensen hun huis opnieuw inrichten. Dat leidt tot een toename van bestellingen van met name duurzame consumptiegoederen; kopers zijn meer geïnteresseerd in kwaliteit.

    Huidige en toekomstige generaties zullen steeds minder accepteren dat bepaalde producten in verband worden gebracht met kinderarbeid

    Online kopen wordt momenteel niet geassocieerd met milieuvriendelijk gedrag, maar daar zal verbetering in komen. Online winkelen maakt het gemakkelijker om producten te vergelijken. Er zullen minder verkeerde aankopen worden gedaan en retouren worden verzonden en er zullen intelligente, collectieve leveringen plaatsvinden bij knooppunten in de wijk en in de buurt.

    Big data helpt bovendien om meer overeenstemming te bereiken tussen wat klanten echt willen en wat providers kunnen leveren. Ook wat kwantiteit betreft leiden data-analyses tot een grotere nauwkeurigheid van vraag en aanbod.

    Op middellange en lange termijn zal duurzaamheid minder worden afgedwongen door het consumentengedrag van individuen en steeds meer door de algemene stemming. Huidige en toekomstige generaties zullen steeds minder accepteren dat bepaalde producten in verband worden gebracht met kinderarbeid of slecht zijn voor het klimaat en het milieu.

    En deze trend wordt versneld door corona.

    8. Achteraf zullen we dankbaar zijn

    Filosofie – Corona biedt kans op een zinvoller leven, zegt filosoof Wilhelm Schmid.

    Corona bood een remedie tegen het rusteloze leven dat velen van ons leidden. Inzichten werken immers het beste als we geen theorie volgen, maar leren uit de praktijk.

    We kregen de kans om na te denken over wat ‘leven’ eigenlijk is. Nu kunnen we onze ideeën hierover aanpassen aan het echte leven.

    Velen dachten dat het alleen om het ‘goede leven’ ging, waarin alles altijd positief is en naar wens verloopt

    Velen dachten dat het alleen om het ‘goede leven’ ging, waarin alles altijd positief is en naar wens verloopt. We moesten gelukkig zijn, wat er ook gebeurde. Zonodig offerden we er relaties voor op. Geen ruimte voor anderen die ons van ons geluk af dreigen te houden! Geen begrip ook voor onze eigen imperfecties.

    Deze ideologie van autonomie weerhield ons ervan een zinvol leven te leiden. Wat niet altijd hetzelfde is als een gelukkig en goed leven. Want in het echte leven moet je accepteren dat de dingen niet altijd gaan zoals we graag willen.

    Autonomie is een goede zaak; het maakt mensen zelfverzekerd en zelfvoorzienend. Ideologie is dat niet; het is blind

    Autonomie is een goede zaak; het maakt mensen zelfverzekerd en zelfvoorzienend. Ideologie is dat niet; het is blind. De ideologie van autonomie deed ons geloven dat er geen grenzen zijn aan onszelf. Niets mocht ooit ons ego beïnvloeden – anderen niet, de omstandigheden niet, de samenleving niet, zeker de staat niet of een virus dat onzichtbaar is en daarom niet lijkt te bestaan.

    Maar door corona moesten we inbinden – de een meer dan de ander. Dat doet denken aan de beoefening van ascese; het horrorconcept van de autonome levensgenieter die gewend is om op elk moment te nemen wat hij maar wil.

    Toch is ascese ook bevorderlijk voor de volgende extase: hoe heerlijk smaakt de wijn dan, hoe fantastisch is de seks! Vandaar dat we dankbaar mogen zijn voor de periode die weldra achter ons ligt. We hebben een idee gekregen van wat de zin van het leven zou kunnen zijn.

    9. Wetenschap stijgt in aanzien

    Wetenschap – Ondanks alle gevolgen van de huidige situatie biedt de coronapandemie de wetenschap een enorme kans. GEO-hoofdredacteur Jens Schröder ziet nu al een toenemende waardering voor onderzoek.

    Zelden is er een situatie geweest waarin zoveel mensen het werk van wetenschappers zo nauwlettend hebben gevolgd.

    Vooraanstaande onderzoekers bereiken een miljoenenpubliek met podcasts waarin ze de voortgang van kennis becommentariëren. Talkshow kunnen nauwelijks nog zonder wetenschappelijk geschoolde gasten. Media worstelen zich een ​​weg door de nieuwste onderzoeksresultaten, waarbij ze op de vaak dunne lijn tussen noodzakelijke vereenvoudiging en ontoelaatbare versimpeling balanceren. Meningsverschillen worden zichtbaar, over de betekenis van onderzoeken en over hoe nieuwe bevindingen worden vertaald in regels die voor iedereen zouden moeten gelden, al loopt niet iedereen evenveel risico.

    Voor veel mensen is het de eerste keer dat ze een wetenschappelijk proces zo diepgaand meemaken. Ze zien het risico op fouten en doodlopende wegen, maar ook dat fouten worden ontdekt door een constructieve discussie tussen de experts.

    Corrigeer elkaar, maak ruzie, stel veel vragen, maak fouten

    Het is zeker niet gebruikelijk dat wetenschappelijke bevindingen zo serieus worden genomen. Neem bijvoorbeeld de risico’s van opwarming van de aarde door CO2-emissies. Waarschuwingen van de jongere generatie over klimaatbescherming zijn vaak niet serieus genomen. Maar wie heeft gezien hoe de curve van coronabesmettingen kan worden afgevlakt, kan zich dat wellicht ook beter voorstellen voor de curve van CO2-emissies.

    Een extreme situatie als de coronapandemie kan de weg bereiden voor nieuwe inzichten. Alle betrokkenen bewegen zich op niet eerder gebaande paden. Corrigeer elkaar, maak ruzie, stel veel vragen, maak fouten. Ruzie is in de wetenschap – als het goed is – geen twist. Het is als het ware een vorm van kwaliteitsborging. Ook dat is een les die we dit jaar konden leren.

    10. De pandemie verscherpt ons realiteitsbesef

    Cultuur – Nieuwe vormen, nieuwe ideeën: corona zet aan tot creativiteit. Toch ziet theaterregisseur Karin Beier weinig reden tot optimisme.

    Als de pandemie ons iets kan leren, is het een aangescherpt realiteitsbesef: nederigheid ten opzichte van de immense kwetsbaarheid van onze samenleving, kennis van onze eigen verantwoordelijkheid, het in twijfel trekken van alles wat normaal is.

    Dat geldt ook voor de microkosmos van het theater. We zitten midden in de crisisbeheersing, we moeten leven van ons werk, alle medewerkers veiligstellen en blijven improviseren. Dat maakt de nodige creativiteit los.

    We hebben oplossingen ontwikkeld voor problemen, die ook in de toekomst bepaalde mogelijkheden bieden: we veranderen minder vaak van repertoire, zodat de technologie niet constant opnieuw hoeft te worden opgebouwd. We zochten het publiek steeds vaker op via digitale kanalen.

    Maar digitale formats kunnen alleen overbruggen en aanvullen. Theater behoeft direct contact. Het is een van de weinige openbare ruimtes waarin maatschappelijk relevante vraagstukken – inclusief het destructieve en utopische potentieel van de pandemie – gethematiseerd worden en op artistieke wijze tastbaar gemaakt. Live en met toeschouwers.

    En is dit verlangen om zo snel mogelijk terug te keren naar pre-corona-omstandigheden niet even goed voelbaar in de politiek, in het bedrijfsleven, in de hele samenleving?

    11. Onze kijk op jongeren verandert

    Samenleving – ‘We maken deel uit van een radicale verandering, veroorzaakt door een natuurramp’, zegt socioloog en sociaal psycholoog Harald Welzer. In deze omwenteling legt het virus kwetsbaarheden bloot die al aanwezig waren. Maar de pandemie laat ook nieuwe ontwikkelingen zien.

    We hebben gezien dat onze democratie werkt en stabiel is, zelfs in tijden van crisis. De overgrote meerderheid van de burgers bleek open te staan ​​voor feitelijke argumenten. De bereidheid om samen te werken met de regering is een krachtig hulpmiddel voor democratie.

    En hierin is een speciale rol weggelegd voor de jeugd. Jongeren werden tijdens de pandemie ten onrechte als onverantwoordelijk weggezet. In plaats daarvan hebben ze een hoge mate van solidariteit getoond met de risicogroepen, ook al behoren ze daardoor tot degenen die het hardst door de pandemie worden getroffen.

    Vóór Corona veranderde de oudere generatie nauwelijks hun consumptie- en reisgedrag, maar van de jongeren werd automatisch verwacht dat ze de ouderen beschermden

    Vóór Corona veranderde de oudere generatie nauwelijks hun consumptie- en reisgedrag, al liggen alle feiten over klimaatverandering op tafel. Maar van de jongeren werd automatisch verwacht dat ze de ouderen beschermden – wat ze ook deden.

    Nu is het tijd om solidair terug te zijn, bijvoorbeeld door af ​​te zien van onnodig consumentisme, ten gunste van de mogelijkheid tot leven en overleven in de eenentwintigste eeuw.

    12 Corona helpt ons in de strijd tegen klimaatverandering

    Wereldwijde opwarming – Corona is een uitdaging die ons zou kunnen leren hoe we die nog grotere uitdaging – klimaatverandering – kunnen aangaan, zegt politicoloog Kira Vinke.

    Onze aanpak van de pandemie onthult op indrukwekkende wijze dat we in staat zijn om te handelen, als individuen en als collectief. Dat we profiteren van het implementeren van de aanbevelingen van de wetenschap. En dat individueel gedrag direct invloed heeft op het verloop van een mondiale dreiging.

    De dreiging van een virus is concreet, terwijl velen klimaatverandering niet als onmiddellijke dreiging zien. Toch kan op sommige plekken al worden waargenomen dat mensen sterven door toenemende hittegolven, overstromingen en stormen. Om dergelijke noodsituaties te voorkomen – zo leert de coronacrisis ons – kunnen we niet wachten tot het probleem bij ons op de stoep staat.

    Het goede nieuws is dat er nog zoveel ongerepte wildernis en zo veel bedreigde gebieden zijn die we effectief kunnen beschermen

    Het is essentieel om preventief te handelen.

    Het goede nieuws is dat er nog zoveel ongerepte wildernis en zo veel bedreigde gebieden zijn die we effectief kunnen beschermen. De financiële middelen en ook de technische oplossingen zijn beschikbaar. Maar de belangrijkste vereiste blijft een drastische vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.

    Zowel corona- als de klimaatcrisis zijn vooral gebaat bij een principe dat elke functionerende samenleving bijeenhoudt: solidariteit.

    13. Eindelijk digitaal onderwijs op school

    Onderwijs – Afstandsonderwijs in lockdown: voor onderwijsonderzoeker Nele Hirsch was dit slechts een voorproefje van de school van de toekomst.

    Corona heeft geleid tot meer openheid voor digitalisering. Leraren die er nog nooit mee in aanraking waren geweest, kregen bijscholing. Dit biedt de mogelijkheid om modern onderwijs te bevorderen en te verankeren in scholen.

    Het gaat niet alleen om de overgang van analoog naar digitaal, maar van geïsoleerd tot verbonden: welke ervaringen hebben docenten, studenten en scholen gehad? Wat werkte wel en niet? Waar moet het heen? Hoe moeten de lessen er concreet uit komen te zien?

    Deze ontwikkeling maakt docenten allesbehalve overbodig

    Deze ontwikkeling maakt docenten allesbehalve overbodig. Ze moeten veel meer concepten ontwikkelen, ze moeten leeromgevingen ontwerpen. Leerlingen moeten individueel worden begeleid. Dat is tijdrovend. We hebben meer leraren nodig, meer tijd om bij te scholen, meer ruimte om kinderen individueel te ondersteunen. Up-to-date onderwijs kost geld.

    Als de politiek daar niet op reageert, is dat fataal.

    14. De verplichte onderbreking helpt om prioriteiten te stellen

    Ervaring – Stephan Adelmund verloor de facto zijn baan door corona – en ontdekte de luxe van plotseling tijd hebben.

    ‘Ik had een evenementenbureau, een muziekschool, een strandclub en een online winkel.

    Als zanger van de band Knallfrosch Elektro speelde ik 100 concerten per jaar. Ik racete zo snel dat ik niet meer wist hoe het was om niet onder druk te staan.

    Toen kwam de pandemie. Alles viel plat. Ik had bang kunnen zijn. In plaats daarvan voelde ik opluchting. Ik kon afwegen welke dingen goed voor me waren en welke ballast. Ik stelde mezelf de vraag: welke materiële luxe heb ik echt nodig, en waar is de grotere luxe van gewoon tijd?

    Muziek maken is goed voor mij, dat moest blijven. Maar ik heb mijn evenementenbureau ontbonden. Mijn grote huis voelde als een last. Ik heb het vakantiehuis van mijn ouders gerenoveerd en ben verhuisd naar 30 vierkante meter.

    Nu weet ik: het waren de kleine dingen die mijn leven onnodig moeilijk maakten. Misschien lijkt het makkelijk om ergens afstand van te doen. Voor mij was de hindernis dat ik patronen moest doorbreken waar ik al decennia lang aan gewend was. Ik was verrast dat mijn nieuwe leven in alle opzichten gezonder aanvoelde.’

    15. Europa komt sterker uit de crisis

    Politiek – De pandemie heeft veel mensen in hun levensonderhoud gestoord. Maar de economie is overeind gebleven en de EU heeft bewezen te kunnen handelen.

    Deze crisis is ingewikkelder dan eerdere economische crises. In dergelijke noodsituaties grijpt meestal de staat in, zodat de cyclus gaande blijft. Hij staat garant voor leningen, deelt geld uit zodat mensen blijven consumeren, zodat bedrijven nieuwe machines kunnen kopen et cetera. Maar nooit in de geschiedenis van de moderne industriële samenleving was de staat gedwongen om delen van de economie stil te leggen.

    Sinds het begin van de crisis is het doel geweest om de economie, dus de oude wereld, weer zo snel mogelijk op gang te krijgen en de schade te beperken. Het gaat niet om minder of duurzamer, maar om überhaupt verder te kunnen.

    The Economist omschreef de wereld tijdens de pandemie als ‘90 procent-economie’: een economie zonder luchtvaart en toerisme, zonder evenementen, cultuur en gastronomie. Tien procent minder klinkt niet eens zo erg, maar er zitten miljoenen banen in deze tien procent – in restaurants, bioscopen, theaters, muzikanten, fitnesstrainers, obers en koks.

    Hier wordt een blauwdruk gecreëerd voor toekomstige crises. Europa is machtiger geworden

    Veel landen hebben hun reddingspakketten zo ontworpen dat grote sommen geld naar nieuwe technologieën, digitalisering en klimaatbescherming stromen. Een derde van het pact van 1,8 miljard euro is bestemd voor klimaatbescherming. Hiervan maakt 750 miljard euro deel uit van het ‘corona-reddingspakket’: een historische prestatie die, ook al blijft het een omstreden beslissing, de EU op lange termijn zal veranderen. Hier wordt een blauwdruk gecreëerd voor toekomstige crises. Europa is machtiger geworden.

    Elders hebben zich drie belangrijke veranderingen voorgedaan, of ze doen zich momenteel voor: enerzijds komt het land waarin de pandemie begon naar voren als de winnaar – de economie in China is allang hersteld. Ten tweede: de krachtige technologieplatforms (Google, Facebook, Amazon) zijn nog krachtiger geworden.

    De derde grote verschuiving betreft de rol van de staat: in deze crisis treedt de staat niet alleen op als redder, maar als actor die steeds dieper doordringt in industrieën en bedrijven door middel van leningen en investeringen.

  • Vestagers plan voor een beter Europa

    Vestagers plan voor een beter Europa

    Volgens eurocommissaris Margrethe Vestager moeten alle lidstaten toegang hebben tot wetenschappelijk onderzoek van het hoogste niveau. En daarvoor moet iedereen toegang hebben tot digitaal onderwijs.

    ‘De belangrijkste les van de coronacrisis is dat digitaal onderwijs niet langer als een afzonderlijk eiland moet worden beschouwd, maar als een integraal onderdeel van elke vorm van onderwijs en opleiding.’ Dat zijn niet mijn woorden; ze zijn afkomstig van een docent die feedback gaf tijdens een stakeholdersvergadering. Volgens mij wordt een wezenlijk punt hiermee heel goed verwoord: digitaal onderwijs is inmiddels een integraal onderdeel van onze toekomst. Een uiterst belangrijke zaak.

    GettyImages 1229605958 2
    Twee leerlingen in Turijn volgen onlinelessen op de stoep van hun school uit protest tegen de lockdown in Italië. – © Nicolò Campo / Getty

    Daarom hebben wij voorgesteld om 20 procent van het Europees herstelfonds te investeren in de digitale transformatie. En twee van de zeven vlaggenschepen die we als prioriteiten in het herstel hebben bestempeld, zijn het bijscholen en omscholen van mensen en de modernisering van openbare onderwijsvoorzieningen.

    De eerste prioriteit richt zich op de factoren die digitaal onderwijs mogelijk maken. Wat moeten we doen om een digitaal onderwijssysteem te creëren dat goede resultaten boekt en voor iedereen werkt? 

    Zoals bij de meeste uitdagingen op onderwijsgebied moeten we jong beginnen. Daarom dienen we er allereerst voor te zorgen dat onze scholen voldoende zijn toegerust voor hun digitale transformatie. Er zal specifieke begeleiding worden ontwikkeld om ze in dit proces bij te staan. Daarbij zullen alle aspecten onder de loep worden genomen, van basale technologische apparatuur tot bijscholing van docenten op het gebied van innovatieve leermethoden.

    Momenteel heeft meer dan een op de vijf jongeren onvoldoende digitale basisvaardigheden

    Modernisering van het onderwijs gaat ook over het aanpassen van lesstof en leermethoden aan een compleet nieuwe technologische realiteit. We zullen een raamwerk ontwikkelen voor de inhoud van het digitaal onderwijs en met richtlijnen komen voor het gebruik van kunstmatige intelligentie en data bij het doceren en leren. Zo zorgen we ervoor dat we bij het doceren en leren het best en het veiligst gebruik kunnen maken van technologie.

    Onze tweede strategische prioriteit behelst het versterken van digitale vaardigheden en competenties. Momenteel heeft meer dan een op de vijf jongeren onvoldoende digitale basisvaardigheden. Mensen toegang geven tot bij- en omscholing is een absolute noodzaak. Om dat te bereiken moeten we er natuurlijk eerst voor zorgen dat docenten zelf zeker zijn van hun zaak en in staat zijn de juiste vaardigheden te verwerven. Daartoe zullen we onze huidige competentieprogramma’s uitbreiden. Tegelijkertijd zal er een nieuw certificaat worden gecreëerd dat als een soort ‘paspoort’ zal dienen, waarmee alle Europeanen hun digitale bekwaamheidsniveau kunnen aangeven. Een beetje zoals wat we nu al voor talen hebben, met allerlei verschillende scores waaruit je eventuele toekomstige werkgever kan opmaken hoe goed je Frans, Engels of Roemeens is.

    Net als bij ons onderwijsstelsel zal er geen digitale en groene transitie mogelijk zijn zonder een goed functionerend onderzoekssysteem. Een onderzoekssysteem dat voor baanbrekende en verkoopbare innovatie kan zorgen. En daarom is het tweede onderwerp waarover ik het wil hebben een nieuwe Europese Onderzoeksruimte.

    Onderzoek en vernieuwing

    Een vernieuwde Europese Onderzoeksruimte kan alleen tot bloei komen als we excellentie vooropstellen. De reusachtige verschillen die er momenteel in Europa bestaan qua investeringen in – en kwaliteit van – onderzoek leiden tot verloren kansen en verloren mogelijkheden. Alle lidstaten moeten daarom in staat worden gesteld wetenschappelijk onderzoek van het hoogste niveau op te zetten. Wij stellen voor dat lidstaten die nu onder het EU-gemiddelde zitten de komende vijf jaar hun totale investering in onderzoek en ontwikkeling (O&O) met 50 procent verhogen. Om hun onderzoekssystemen te hervormen en hun ambitie te vergroten, kunnen ze een beroep doen op EU-steun en dit onderdeel maken van hun herstelplan.

    We moeten ervoor zorgen dat de economie sneller baat heeft bij onderzoek en vernieuwing.

    Daarnaast stellen wij voor dat alle lidstaten boven op de doelstelling van 3 procent van het bnp, afkomstig van zowel private als publieke investeringen, hun publieke O&O-investeringen verhogen van de huidige 0,81 procent van het bnp tot 1,25 procent in 2030; ook willen we dat ze zich erop vastleggen om 5 procent van dit bedrag te bestemmen voor gemeenschappelijke programma’s en partnerschappen.

    Niet in de laatste plaats moeten we zorgen dat de economie sneller baat heeft bij onderzoek en vernieuwing. De excellentie van Europese onderzoekers wordt tastbaar en zichtbaar wanneer hun innovaties deel gaan uitmaken van ons dagelijks leven. Dit gebeurt gewoonlijk wanneer het hele onderzoekssysteem – of het nu gaat om universiteiten, industrie of openbare instellingen – samenwerkt om nieuwe inzichten de lange weg van initieel onderzoek naar vermarkting te laten afleggen.

    Dit is gebeurd met een van onze projecten, het Grafeen Vlaggenschip. In 2013 staken academische en industriële onderzoekers de koppen bij elkaar en beloofden ze grafeen gezamenlijk vanuit de laboratoria op de Europese markt te brengen. Tien jaar later spreekt het resultaat voor zich. We gebruiken grafeen in batterijen met een hoge capaciteit, in vliegtuigonderdelen en in motorhelmen, om maar een paar toepassingen te noemen. We hebben meer van zulke succesverhalen nodig.

    Ten slotte moeten we Europa helpen talenten aan te trekken en te behouden. Dit begint met de ontwikkeling van een toolkit om onderzoekers te ondersteunen. Daarbij zal naar alle aspecten van hun carrière worden gekeken, van mobiliteit tussen industrie en universiteit tot gerichte opleidingen. En dit zal als een pijplijn voor talent fungeren.

    Afsluitend kunnen we zeggen dat het Actieplan voor digitaal onderwijs en 
    de nieuwe Europese Onderzoeksruimte één en hetzelfde doel dienen: behalve dat ze ons voorbereiden op toekomstigeuitdagingen die vergelijkbaar zijn met die waarmee we ons momenteel geconfronteerd zien, moeten ze zodanige omstandigheden creëren dat Europa optimaal kan profiteren van zijn gezamenlijke digitale en groene transitie. Want die twee zijn momenteel harder nodig dan ooit.

  • Dyslectisch 
bij een taal met duizenden karakters

    Dyslectisch 
bij een taal met duizenden karakters

    Er werd gedacht dat Chinese kinderen geen last van dyslexie zouden hebben, omdat zij de visuele vorm, uitspraak en betekenis van een karakter in hun hoofd moeten stampen. Maar het tegendeel is waar.

    In een lokaal van het Weining-centrum, een onderwijsinstelling voor kinderen met dyslexie, pakken diverse leerlingen van een jaar of tien enthousiast kleurenpennen en beginnen aan een reeks Chinese karakters. Het is een van de vele oefeningen om de kinderen van hun dyslexie af te helpen. In het lokaal zijn ze omringd door leeftijdgenoten die met dezelfde stoornis kampen, maar daarbuiten worden ze vaak gezien als slechte leerlingen en ‘stom’ of ‘lui’ genoemd door hun docenten.

    Het is hoog tijd dat de leerbeperking 
in China wordt erkend: volgens een 
in 2016 gepubliceerd rapport van de Chinese Academie van Wetenschappen kampt 11 procent van de basisschoolleerlingen in het land met dyslexie, wat neerkomt op zo’n tien miljoen kinderen. Ondanks dit onthutsende aantal is er op het Chinese vasteland maar weinig begrip en nauwelijks enige steun voor dyslectische leerlingen – het Weining-centrum, gelegen in de zuidelijke techhub Shenzhen, is een van de weinige instellingen die er wat aan doen. In westerse landen is dyslexie een bekend en grondig onderzocht fenomeen, maar op het Chinese platteland is de bekendheid ermee nog altijd gering; zonder steun zullen leerlingen die ermee behept zijn niet mee kunnen op school, met alle gevolgen voor hun toekomst van dien.

    Su Yingzi weet dit maar al te goed. Haar zoon, de elfjarige Xiaogu, is in veel opzichten intelligent en gevat. 
Hij blinkt uit in het ontwerpen van nieuwe games, is een geboren grappenmaker en maakt makkelijk vrienden. Maar het lezen en schrijven van Chinese karakters leek een onoverkomelijke hindernis. Waar sommige van zijn klasgenoten minder dan een halfuur nodig hadden om een paar karakters uit hun hoofd te leren, kon Xiaogu daar uren mee bezig zijn en dan toch nog vergeten hoe hij de woorden moest schrijven. Als er een tentamen was, begreep hij vaak de vragen niet, omdat veel karakters hem gewoonweg niets zeiden.

    Achteraf bezien denkt Su dat haar zoon al op de kleuterschool tekenen van de beperking vertoonde: zijn handschrift was slordig en hij was vaak als laatste klaar met zijn schrijfoefeningen. ‘Maar de docent weet zijn slechte prestaties aan luiheid, en dat geloofde ik ook,’ zegt Su.

    Blanco tentamenblaadjes

    Toen Xiaogu op de basisschool kwam, gaf Su duizenden yuans uit om hem naar een bijlesinstituut te sturen, maar de familie zag weinig verbetering. Su begon haar geduld te verliezen. Ze gaf haar zoon uitbranders vanwege zijn teleurstellende toetsresultaten en bekent dat ze hem sloeg als hij karakters niet goed schreef.

    Xiaogu begreep niet waarom hij zo veel moeite had met iets wat zijn klasgenoten gemakkelijk afging. Zijn afkeer van schoolwerk nam toe. Uiteindelijk gaf hij er helemaal de brui aan en leverde blanco tentamenblaadjes in, hoewel 
hij sommige vragen best had kunnen beantwoorden. Maar voordat Xiaogu naar groep zes ging, kwam er een keerpunt. Een vriendin van Su die maatschappelijk werkster is, opperde dat Xiaogu misschien wel dyslectisch was. Omdat ze nog nooit van de stoornis had gehoord, zocht Su op internet op wat die inhield en liet Xiaogu testen in het Weining-centrum, de eerste ngo op het Chinese vasteland die gespecialiseerd is in dyslexie.

    Mensen met dyslexie hebben problemen met zowel lezen als schrijven. Volgens Tan Lihai, directeur van het Instituut voor Neurowetenschappen in Shenzhen, is de stoornis moeilijker te overwinnen voor kinderen die leren lezen en schrijven in het Chinees, een taal met duizenden karakters. Woorden in alfabetische talen gebruiken een standaardreeks letters en worden net zo geschreven als uitgesproken, maar een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert.

    Sommige karakters lijken hetzelfde maar worden op heel verschillende manieren uitgesproken en gedefinieerd: neem 己 (ji), dat ‘zelf’ betekent, en 已 (yi), dat ‘reeds’ betekent. Om Chinees 
te leren moeten leerlingen de visuele vorm, uitspraak en betekenis van een karakter in hun hoofd stampen.

    Een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert. – © Getty
    Een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert. – © Getty

    Tijdens zijn onderzoek ontdekte Tan dat dyslexie onder Chineessprekenden verband houdt met delen van de hersenen die cruciaal zijn voor visuele perceptie, ruimtelijke relaties en cognitieve vaardigheden – en niet met delen die de conversie van letters in klanken ondersteunen, zoals het geval is bij dyslectische sprekers van alfabetische talen. Het gevolg is dat sommige mensen moeite hebben zich de betekenis van een karakter of zin te herinneren, ook al kunnen ze die herkennen en lezen; sommigen slaan woorden over als ze een zin lezen, anderen halen verschillende onderdelen van een karakter door elkaar en weer anderen schrijven één karakter als twee. Ze doen er vaak veel langer over om taaloefeningen of tentamens te voltooien dan hun klasgenoten – een factor die op de meeste Chinese scholen niet in overweging wordt genomen.

    Toen Xiaogu’s diagnose was gesteld, was Su niet onmiddellijk opgelucht dat ze wist wat er aan de hand was, maar eerder bezorgd over de toekomst die haar zoon wachtte met een beperking die niet door het landelijke onderwijsstelsel wordt erkend. ‘Ik was teleurgesteld toen werd geconstateerd dat hij dyslectisch is,’ zegt Su. ‘Waarom moet dat mijn zoon treffen?’

    Toen gevraagd werd waar de term naar verwijst, dachten sommigen dat het om mensen zonder handen ging. Anderen hadden wel van dyslexie gehoord, maar dachten dat het iets was wat alleen maar voorkwam bij mensen die alfabetische talen gebruiken

    Liang Yueyi, docent op het Weining-centrum, zegt tegen Sixth Tone dat hoewel men zich in de ontwikkelde metropool Shenzhen veel bewuster is van het bestaan van dyslexie dan in de meeste Chinese steden, onderzoek heeft uitgewezen dat meer dan 75 
procent van de inwoners nooit van de stoornis heeft gehoord. Toen gevraagd werd waar de term naar verwijst, dachten sommigen dat het om mensen zonder handen ging. Anderen hadden wel van dyslexie gehoord, maar dachten dat het iets was wat alleen maar voorkwam bij mensen die alfabetische talen gebruiken.

    Decennia lang hebben onderzoekers diezelfde fout gemaakt. In Europa wordt dyslexie al sinds het eind van de negentiende eeuw bestudeerd, maar tot de jaren tachtig van de vorige eeuw dachten deskundigen dat Chineessprekenden er geen last van hadden, en pas in de jaren negentig begonnen Chinese onderzoekers zich ervoor te interesseren.

    De vier genen waarvan wordt aangenomen dat ze dyslexie veroorzaken bij sprekers van alfabetische talen, gelden niet als factoren bij Chinese dyslexie. In plaats daarvan hebben wetenschappers twee andere genen gevonden die ermee in verband kunnen worden gebracht. Maar het Chinese dyslexieonderzoek heeft nog een lange weg te gaan en er is maar weinig financiële steun, zegt Tan.

    De tekens hierboven laten zien hoe dyslectische kinderen Chinese karakters schrijven; ze voegen een lijntje toe of verhaspelen verschillende karakters. – © Sixth Tone
    De tekens hierboven laten zien hoe dyslectische kinderen Chinese karakters schrijven; ze voegen een lijntje toe of verhaspelen verschillende karakters. – © Sixth Tone

    De situatie op het Chinese vasteland 
is anders dan die in Hongkong en Taiwan, waar al wel wetten en regelingen omtrent dyslexie bestaan. Zo wordt in Hongkong de leervaardigheid van leerlingen al in groep 3 getest. Degenen bij wie dyslexie wordt geconstateerd, ontvangen zowel financiële steun als speciale bijstand tijdens het lesprogramma, zoals meer tentamentijd en speciaal opgemaakte tentamenformulieren met grotere karakters. Leerlingen mogen ook computerprogramma’s gebruiken om hun tentamenvragen te kunnen lezen en de hulp inroepen van een aantal particuliere taalklinieken en -organisaties. Sommige leerlingen met dyslexie zijn op topuniversiteiten beland – iets wat voor de meeste ouders van dyslectische kinderen op het vasteland ondenkbaar is.

    Ondertussen is er op het Chinese vasteland geen ondersteunend beleid voor dyslectische kinderen. Ngo’s en sociale toeslagen voor deze leerlingen zijn uiterst schaars, zelfs in welvarende steden met grote onderwijsbudgetten zoals Shanghai. In sommige streken in de provincie Guangdong – in de buurt van Hongkong – is de situatie wat gunstiger, maar zelfs daar zijn er amper tien organisaties die dyslectische kinderen helpen, waarvan de grootste er hooguit een paar honderd bedient.

    Sinds het Weining-centrum in 2010 zijn deuren opende, heeft het geprobeerd het bewustzijn van dyslexie te vergroten en werkt het samen met plaatselijke basisscholen. Wang Lei, de directeur van het centrum, zegt tegen Sixth Tone dat het door het ontbreken van onderwijsbeleid voor dyslectische leerlingen – waaronder een standaardonderzoek om dyslexie vast te stellen – moeilijk is de stoornis door scholen en ouders op het vasteland te laten herkennen. ‘Chinese dyslectici vormen een reusachtige groep die hulp nodig heeft, maar ze zijn onzichtbaar omdat ze in het dagelijks leven normaal lijken,’ zegt Wang. Het aanvragen van meer tentamentijd of speciaal opgemaakte tentamenformulieren zoals in Hongkong zou alleen mogelijk zijn met gericht beleid van de plaatselijk onderwijsafdeling.

    Ook zijn er ouders die sceptisch blijven en weigeren te accepteren dat hun kind met een stoornis is behept. ‘Zelfs als er in ons centrum dyslexie bij hun kinderen wordt geconstateerd, kunnen sommige ouders zich niet voorstellen dat het lezen en schrijven van karakters een probleem zou kunnen zijn,’ zegt Wang, om eraan toe te voegen dat hij vaak naar het beleid in Hongkong verwijst om duidelijk te maken dat Chinese dyslexie wel degelijk bestaat.

    Wang hoopt de samenwerking van het centrum met onderzoekers en scholen verder uit te bouwen en gegevens over de kwestie te helpen verzamelen waarmee toekomstige beleidsaanbevelingen kunnen worden gestaafd.

    Deskundigen zijn het erover eens dat het hoog nodig is mensen bewuster te maken van het bestaan van dyslexie en ondersteunend beleid te ontwikkelen voor degenen die met de stoornis zijn behept – niet alleen omdat het de toekomst van miljoenen kinderen betreft, maar ook omdat de ernst van de stoornis kan toenemen naarmate inkt en papier meer vervangen worden door elektronische programma’s.

    Onderzoekers hebben een negatieve correlatie ontdekt tussen de tijd die leerlingen besteden aan het gebruik van elektronica en de snelheid waarmee de lees- en schrijfvaardigheid zich ontwikkelt

    Onderzoekers hebben een negatieve correlatie ontdekt tussen de tijd die leerlingen besteden aan het gebruik van elektronica en de snelheid waarmee de lees- en schrijfvaardigheid zich ontwikkelt. Tans onderzoek heeft ook uitgewezen dat het gebruik van pinyin – het op het vasteland gebruikte Latijnse transcriptiesysteem voor het Chinees – om tekst in te voeren in plaats van karakters met de hand te schrijven een negatieve invloed heeft gehad op de leesvaardigheid van de leerlingen.

    Een jongetje dat lessen volgt op het Weining-centrum vertelt dat hij daar veel gelukkiger is – zijn docent op de basisschool prees hem nooit en moedigde hem nooit aan, zegt hij, maar voer alleen heftig tegen hem uit als hij slecht presteerde. Cao Wenying, wier elfjarige zoon dyslectisch is, zegt dat docenten in de klas van haar zoon de beste leerlingen stelselmatig op pizza trakteerden, wat tot een hoop frustratie leidde bij degenen die het er minder goed van afbrachten.

    Deze behandeling kan volgens Liang een negatieve invloed hebben op het zelfrespect van leerlingen en tot blijvende psychologische problemen leiden. Ze herinnert zich leerlingen 
die zo gefrustreerd waren geraakt dat ze met hun hoofd tegen de muur bonkten. ‘Dat is voor sommige leerlingen een manier om uiting te geven aan negatieve gevoelens, als ze geen begrip en zorg ontvangen van de mensen om wie ze geven,’ zegt ze.

    De grootste omslag voor Cao’s zoon na het volgen van de lessen op het Weining-centrum was niet dat hij beter presteerde, maar dat zijn houding veranderde. Hij was altijd stilletjes in de klas en had maar weinig vrienden. Toen de diagnose eenmaal was gesteld, was hij niet langer ‘de domoor’ en herwon hij zijn zelfvertrouwen. Ook spoort Cao hem niet langer aan om 
uit te blinken in lezen en schrijven, 
en leest ze nu elke avond zijn lievelingsverhalen met hem. ‘Hij is nu veel gelukkiger en spraakzamer dan vroeger,’ zegt ze.

    Toekomst

    Su en haar familie hebben een soortgelijke ervaring. Hoewel ze aanvankelijk geschokt en teleurgesteld was toen bij Xiaogu dyslexie werd geconstateerd, helpt ze hem nu een halfuur per dag om karakters uit zijn hoofd te leren met behulp van een methode die haar door het Weining-centrum is aangereikt. Su heeft de docent van haar zoon er zelfs toe overgehaald het lesprogramma interactiever en boeiender te maken. Ze zegt dat Xiaogu sindsdien veel actiever meedoet in de klas en dat hij nu gemiddeld scoort bij Chinese tentamens.

    Maar de grootste zorg voor ouders van dyslectische leerlingen is de toekomst van hun kinderen. Velen zijn bang dat hun kind niet zal slagen in het uiterst competitieve en tentamengerichte onderwijssysteem. Su, academisch geschoold en nu werkzaam als architect, ging er altijd van uit dat haar zoon ook naar de universiteit zou gaan. Nu verzoent ze zich met een toekomst waarin haar zoon misschien een heel andere weg zal moeten inslaan. ‘Zelfs 
op beroepsopleidingen in Shenzhen 
kom je niet gemakkelijk binnen,’ zegt ze. Xiaogu’s optimistische instelling en vriendelijke houding zouden zijn redding kunnen zijn, hoopt ze.

    ‘We dachten altijd dat toetsresultaten het belangrijkst waren,’ zegt Su. ‘Maar in hoeverre heeft je toekomst eigenlijk baat bij al die goede antwoorden tijdens een toets? De meeste kennis die we vergaren komt uit het echte leven, niet uit boeken. Nu geloof ik dat hij met zijn persoonlijkheid nog ver kan komen.’

    Auteur: Cai Yiwen
    Vertaler: Peter Bergsma

    Openingsbeeld: © Getty

    Uitgelichte bron

    Sixth Tone
    China | sixthtone.com

    Een typisch Chinese uitvinding wordt het genoemd, deze mediastart-up onder toezicht van de Partij. Met een aantrekkelijke, gelikt vormgegeven website wil het Engelstalige platform Sixth Tone een westers lezerspubliek interesseren voor Chinese kwesties. Want, zo heerst het officiële standpunt, China wordt in de media onterecht te negatief afgeschilderd. Sixth Tone heeft daar het antwoord op gevonden. Maar zoals alle publicaties is ook deze onderworpen aan strikte censuur. Hoe het redacteuren dan toch lukt om westerse lezers naar hun verhalen te lokken, komt volgens de hoofdredactie doordat zij het nieuws ‘vermenselijken’ en de ‘frisse’ kant van China laten zien.