Tag: onderwijs

  • Een kleuterschool voor onze kinderen!

    Een kleuterschool voor onze kinderen!

    In Marokko ontbreken openbare kleuterscholen, waardoor kinderen onder de zes jaar vaak zijn aangewezen op privéonderwijs. Dit vergroot de ongelijkheid tussen arm en rijk en tussen steden en het platteland.

    Het Marokkaanse nationale onderwijsstelsel, dat tot de eenentwintig zwakste ter wereld wordt gerekend, kent geen openbare kleuterschool voor kinderen jonger dan zes jaar, hoewel die al voor 2004 was aangekondigd. Om de leemte te vullen hebben de private, verenigings- en informele sector het voortouw genomen. Driekwart van de Marokkaanse kinderen kan na afronding van de lagere school niet goed lezen, schrijven of rekenen. En toch wil die openbare kleuterschool er maar niet van komen, hoe sterk het maatschappelijk middenveld er ook op aandringt.

    Het ministerie van Nationaal Onderwijs had met steun van diverse economische en sociale actoren en verenigingen een nationaal werkplan voor kinderen (2006-2015) ontwikkeld, getiteld ‘Een Marokko dat zijn kinderen verdient’ (‘Maroc digne de ses enfants’). Op het gebied van kleuteronderwijs is van vooruitgang echter nauwelijks sprake geweest. Het deelnamepercentage is onder het streefcijfer gebleven.

    Met name op het platteland bleef die deelname met 41,7 procent onder de maat, zeker bij meisjes: 28,3 procent. Volgens het Marokkaanse nieuwsagentschap (MAP) lag het landelijk gemiddelde in het jaar 2013-2014 rond 64,3 procent. Het agentschap herinnerde aan een noodprogramma voor de periode tussen 2009-2012, genaamd ‘Samen de schouders eronder voor een succesvolle school’ (‘Ensemble pour l’école de la réussite’).

    Bij gebrek aan openbare kleuterscholen zijn er particuliere initiatieven. De lessen zijn informeel en worden gehouden in privéwoningen, of door gelovigen in moskeeën. Het aanbod is dus ongestructureerd en ontbeert een gemeenschappelijke visie.

    Informele klassen

    Sidi Moumen, Casablanca. In deze wijk – een van de meest achtergestelde van Marokko – is de vereniging Umm El Ghait de afgelopen jaren met kleuteronderwijs begonnen. Braaf op hun stoeltjes gezeten, zeggen de kinderen de tafels op in het Frans. ‘We beginnen onmiddellijk met Frans,’ zegt Amal Kadiri Berrada, van Oum El Ghait, ‘want tweetaligheid is erg belangrijk om ongelijkheid te bestrijden.’ In dit gloednieuwe klaslokaal geeft Samira Benali, een gekwalificeerde onderwijzeres, op alle werkdagen van halfnegen tot halfvijf, les aan vierentwintig leerlingen van vier tot zes jaar oud.

    ‘Het doel van de kleuterschool is om het kind van de moederwereld naar de wereld van de school te begeleiden. Je speelt er, maar leert er vooral wat school is. Volgens mij moet je alleen maar Frans onderwijzen, omdat het kind niet kan spelen en tegelijkertijd Arabisch, Frans en soms zelfs Engels leren,’ zegt Amine Mejjari, directeur van een basisschool in Sidi Moumen.

    Scholen die kouttab (ook wel m’sid) heten, bieden informele lessen op grond van ‘oorspronkelijk’ ofwel sterk op islamitische leest geschoeid onderwijs. Volgens overheidsstatistieken waren de kouttab in 2016 goed voor 60,5 procent van het kleuteronderwijs in Marokko. Op het platteland was dit percentage 71,3 procent. In de kouttab staat de islam centraal. De kinderen leren lezen en schrijven aan de hand van boekjes waarin koranverzen worden uitgelegd. Ze moeten zich die eigen maken en opzeggen.

    ‘Er zijn informele structuren, zoals geïmproviseerde kinderdagverblijven in sloppenwijken, maar ze hebben onvoldoende uitrusting, voldoen niet aan hygiënische normen en zijn over het algemeen overvol. Het onderwijzend personeel is ongeschoold en soms zitten er negentig kinderen in één ruimte,’ zegt Amal voor de school waar zijn vereniging lesgeeft, terwijl ouders hun kinderen komen ophalen. Voor Oujour Hssain, directeur informeel onderwijs bij het ministerie van Nationaal Onderwijs ‘is Marokko zoekende naar een voorschools model dat duurzaam is en dat de staat zou kunnen financieren. Maar eerst moet de lagere school van voldoende niveau zijn om de kleuterschool te kunnen integreren. We hebben nog een lange weg te gaan.’

    Een schooltje in het Atlasgebergte. – © Sabine Joosten / HH
    Een schooltje in het Atlasgebergte. – © Sabine Joosten / HH

    Toumliline, een klein dorp op ongeveer tien uur rijden van Casablanca, kent wel een lagere school, maar geen kouttab of kleuterschool. Terwijl kinderen op straat in de winterzon spelen, zegt onderwijzeres Raibah dit gebrek aan scholing voor peuters en kleuters te betreuren: ‘Het is heel moeilijk voor een basisschoolleraar om kinderen in de eerste klas te hebben die nog nooit naar school zijn geweest.’

    Driehonderd meter verderop, aan de andere kant van de rivier, heeft een vereniging in Aït Daoud een kleuterschool gebouwd, maar daar kunnen de kinderen van Toumliline niet naartoe. Mohamed Gourou, 32, woont in Toumliline en is vader van twee kinderen, van wie een de lagere school van het dorp bezoekt: ‘We willen graag een school voor de jongste, maar dat kan hier niet,’ zegt hij bij de schoolpoort, waar hij op zijn zoontje wacht.

    Auteurs: Louis Witter en Sebastian Castelier
    Vertaler: Carl Stellweg

    Le Desk
    Marokko | ledesk.ma

    Le Desk, dat in 2015 werd gelanceerd, is een onafhankelijke informatie- en onderzoekssite. Het bedrijfskapitaal is in handen van het team dat de site heeft opgericht en dat voornamelijk uit journalisten bestaat. ‘Een dergelijke structurele economische onafhankelijkheid is vrij zeldzaam in Marokko.’

    CONTEXT: 84 %

    van de Marokkaanse kinderen zit op scholen waar achtergestelde bevolkingsgroepen dominant zijn. Dat blijkt uit een in 2016 in vijftig landen uitgevoerd onderzoek van PIRLS (Progress in International Reading Literacy Study), een internationaal vergelijkende studie naar de leesprestaties van leerlingen in het basisonderwijs. Volgens het Marokkaanse economisch dagblad L’Économiste is het internationale gemiddelde bijna drie keer zo laag (29 procent). ‘Slechts 8 procent van de Marokkaanse kinderen bezoekt onderwijsinstellingen met een evenwichtige sociale samenstelling; internationaal is dat gemiddeld 33 procent.’

  • Een Portugees Silicon Valley

    Een Portugees Silicon Valley

    In navolging van Berlijn, Dublin en Barcelona proberen ook de Portugese steden Lissabon en Porto technologiebedrijven aan te trekken. De lage loonkosten zijn allang niet meer hun enige troef.

    Wie zei er dat Portugal nooit technologiereuzen als 
Google en Amazon aan 
zou kunnen trekken, ondanks zijn zon en stranden? Google is van plan om een centrum voor technische ondersteuning in Oeiras [in Groot-Lissabon] te openen en daar 535 banen te creëren. Het beeld van ons land in het 
buitenland beperkt zich dus niet tot het toerisme en de goals van Cristiano Ronaldo.
    Dankzij het gunstige economische tij, de geografische ligging, de relatieve veiligheid, de goede infrastructuur en het Portugese talent, ondersteund door een overheidsbeleid dat inzet op digitale technologie, biedt Portugal opeens een uiterst moderne aanblik. En gezien de snelheid waarmee momenteel grote investeringen worden gedaan, lijkt 
de innovatiestrategie van de overheid zijn vruchten af te werpen.

    Google, dat twintig jaar geleden door twee studenten uit Stanford werd opgericht, is niet het eerste internetzwaargewicht dat zich in Portugal 
vestigt. Maar het bedrijf is zo groot dat er waarschijnlijk andere hightechmultinationals zullen volgen, Amazon 
bijvoorbeeld. Dit Amerikaanse bedrijf onderhandelt al een jaar over de opening van een servicecentrum in Porto, met 250 hooggekwalificeerde banen. Het moet veel meer dan een eenvoudig logistiek centrum worden, een echte technologische hub van waaruit de marktleider van de onlineverkoop zijn expansie naar Afrika wil uitrollen. 
De miljardair en zakenman Jeff Bezos, die behalve van Amazon ook eigenaar is van The Washington Post en zich opmaakt om ook in de gezondheidszorg actief te worden, wil in de havenwijk Boavista een kantoor bouwen. Hij haakt daarmee aan bij de opvallende creatieve activiteit in Noord-Portugal.

    Google heeft zijn oog op Lagoas Park in Oeiras laten vallen omdat het bedrijf binnen de regio Lissabon alleen daar genoeg kantooroppervlak en groen vindt en de huren er redelijk zijn. 
In juni zullen zich 535 werknemers installeren in zevenduizend vierkante meter moderne bureauruimte. De leden van de Portugese regering die zich met het dossier hebben bemoeid, weten sinds het Web Summit in november [een groot jaarlijks congres van de internetsector in de Portugese hoofdstad] dat Lissabon het won van andere steden als het Poolse Krakau, dat een felle strijd leverde om de 
investering naar zich toe te trekken.

    De Amerikaanse internetreus wil op termijn tweeduizend banen creëren, waaronder zo’n vijfhonderd hooggekwalificeerde banen, voor ingenieurs en voor informatici, die applicaties moeten gaan ontwikkelen. Daarnaast zijn er administratief en financieel medewerkers nodig en mensen voor werving en selectie, marketing en klantenservice, naast natuurlijk technisch personeel voor Googles primaire dienstverlening.

    ‘We hebben geen enkele steun of 
subsidie toegezegd’, vertelt minister van Economie Manuel Caldeira Cabral, die bij de gesprekken betrokken was. ‘We hebben dit soort servicecentra sowieso weinig prikkels te bieden. Europese subsidies zijn vooral bestemd voor industrie en toerisme. En van belastingvoordelen is ook geen sprake geweest.’

    Tweeduizend informatici

    Google heeft, net als andere technologiereuzen, de warme belangstelling van de Eurocommissaris voor 
Mededinging Margrethe Vestager. 
Het bedrijf kwam niet weg met de belastingvoordelen die het genoot in Ierland, waar het zijn Europese 
hoofdkwartier heeft gevestigd.

    De komst van de nieuwe hightechcentra roept de vraag op of Portugal eigenlijk wel het gekwalificeerde 
personeel bezit om aan de plotseling gestegen vraag te voldoen.

    ‘Er is momenteel in de informatie-technologiesector een tekort aan 
tweeduizend informatici,’ geeft de voorzitter van de Portugese ingenieurs-vereniging Carlos Mineiro Aires toe. Het probleem is de laatste jaren zelfs verergerd. Op het hoogtepunt van de crisis, tussen 2011 en 2014, verlieten 40.000 à 50.000 informatici Portugal. ‘Landen als Groot-Brittannië, Duitsland, Denemarken en Noorwegen organiseerden in Portugal professionele 
bijeenkomsten en kaapten onze beste mensen weg, door ze goede salarissen en arbeidsomstandigheden te bieden. Ze kiezen de beste uit, en deze jonge hoogopgeleiden verlaten Portugal 
zonder enige compensatie voor de 
studie van 40.000 à 50.000 euro die ze hebben genoten’, zegt Mineiro Aires grimmig.

    Deelnemers aan de technologieconferentie Web Summit in Lissabon in novemer 2017. – © Horacio Villalobos / Getty Images
    Deelnemers aan de technologieconferentie Web Summit in Lissabon in novemer 2017. – © Horacio Villalobos / Getty Images

    Volgens recent onderzoek van het 
wervingsbureau Michael Page zijn de salarissen voor informatici in Portugal het afgelopen jaar met vijftien procent gestegen. Maar Mineiro Aires noemt 
ze ‘nog steeds erg laag’. ‘Gemiddeld verdienen die hoogopgeleiden netto minder dan duizend euro per maand. Met zulke lage salarissen wordt het lastig om ze in Portugal te houden.’ Maar als de vraag naar informatici door de komst van de grote internet-bedrijven gaat groeien, zullen de 
salarissen snel stijgen.

    Alexandre Vaz van de ‘Digital Delivery Hub’ die Mercedes-Benz vorig jaar in Portugal opende en dat al snel een onafhankelijk bedrijf werd, Mercedes-Benz.io Portugal, zegt geen enkele moeite te hebben om gekwalificeerd personeel te vinden. ‘Vóór het eind van dit jaar willen we honderd werknemers hebben. We hebben al veel cv’s ontvangen, waaronder ook van kandidaten 
uit het buitenland. Veel jongeren 
ontdekken Portugal en willen er graag gaan wonen; sowieso is de markt voor programmeurs steeds internationaler.’

    Nu Lissabon en Portugal in trek zijn, krijgen directies van digitale multinationale bedrijven meer aandacht voor wat er in ons land gebeurt. Vaak gebeurt dat tijdens het Web Summit, dat afgelopen november voor de tweede keer plaatsvond in het Parque das Nações in Lissabon. Vaak zijn ze voor het eerst in Portugal. Ze zien het 
levendige ecosysteem van start-ups 
en andere initiatieven dat in Lissabon floreert, waarderen de creatieve sfeer, kijken rond en pakken hun rekenmachientjes erbij. Niet alleen de goedkope Portugese arbeidskrachten zijn voor hen aantrekkelijk; ze zoeken een investering die op wereldwijde schaal 
concurrerend is. Het land voldoet aan dat criterium en heeft bovendien hoogopgeleid personeel, wat een extra pluspunt is.

    ‘Deze buitenlandse bedrijven willen die talenten graag aan zich binden,’ vertelt directeur Rui Coelho van Invest Lisboa, een organisatie opgezet om investeerders naar de regio toe te halen. ‘In de technologiesector vindt een wereldwijd gevecht om talent plaats, omdat de sector leeft van innovatie en zowel de producten als de diensten steeds complexer worden. Het is dus belangrijk voor zulke bedrijven om zich ergens te vestigen waar de allerbesten graag willen komen werken’.

    ‘We moeten aan alle natuurwetenschappen meer aandacht besteden, aan wiskunde en techniek, het middelbaar onderwijs in die vakken verbeteren’

    De werkomstandigheden zijn in 
Lissabon uitstekend en de stad kan op dat vlak prima concurreren met Barcelona, Berlijn of Dublin. ‘In Barcelona is de politieke situatie niet stabiel’, gaat Coelho verder, ‘en wat Berlijn betreft, kan ik je garanderen dat je een Duitse informaticus eerder naar Lissabon krijgt dan daarnaartoe. In Dublin is 
er, ondanks de taal en het gunstige belastingklimaat, een sterk verloop van personeel, omdat de concurrentie tussen al die hightechbedrijven moordend is. En de huren zijn erg hoog.’

    De opening van de innovatiehub in Beato [waar voor het einde van dit jaar 35.000 vierkante meter voorzien is] stelt ook andere buitenlandse bedrijven in staat om zich hier te installeren. Alleen al in 2017 begeleidde Invest 
Lisboa 526 bedrijven, investeerders en ondernemers daarbij.

    Voor voormalig staatssecretaris van Innovatie Carlos Oliveira, tegenwoordig directeur van InvestBraga [een 
economisch stimuleringsbureau voor de stad Braga] profiteert het land momenteel van het ‘multiplier effect’ dat de toeloop van buitenlandse investeerders met zich meebrengt. ‘Er gebeurt veel in Portugal, en we hebben op dit moment precies wat investeerders zoeken: gekwalificeerd personeel, in veel grotere aantallen dan onze concurrenten.’ Zowel voor de callcenters, waar mensen uit krimpende sectoren komen werken, als voor onderzoek en ontwikkeling en voor technische 
afdelingen. ‘Die mensen zoeken interessant werk dat betaalt.’ Carlos Oliveira valt hem bij: ‘Wanneer een investeerder personeel wil aantrekken, 
is het belastingklimaat niet het belangrijkste criterium.’

    Is deze vijver aan talent onuitputtelijk? ‘Het wordt hoog tijd om over die vraag te gaan nadenken,’ vindt Oliveira. ‘We moeten aan alle natuurwetenschappen meer aandacht besteden, aan wiskunde en techniek, het middelbaar onderwijs in die vakken verbeteren en meer plaatsen bij de technische vakken 
aan de universiteit creëren. Dat zal binnen vijf jaar zijn effect hebben op 
de arbeidsmarkt.’ Dat geeft de andere internetgiganten nog even tijd om zich te bezinnen.

    Auteur: Clara Teixeira en Paulo M. Santos
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Visão
    Portugal | oplage 108.000

    In 1993 onderging het zwart-wit weekblad_ O Jornal_ op tabloidformaat een metamorfose: het veranderde in een fullcolourmagazine, een soort Portugese Newsweek. Inmiddels is de titel uitgegroeid tot het tweede actualiteitenmagazine van het land, na Expresso.

  • Is zelfs Doornroosje nu seksistisch?

    Is zelfs Doornroosje nu seksistisch?

    Een Britse moeder protesteerde onlangs tegen het voorlezen van het sprookje Doornroosje op school. Het zou haar zoon een verkeerde boodschap geven over het ongevraagd kussen van meisjes. Heeft ze een punt?

    JA

    Sarah Hall, een moeder uit Newcastle, haalde de krantenkoppen toen zij de lagere school van haar zes jaar oude zoon vroeg om Doornroosje niet meer in de klas voor te lezen omdat het een verkeerde boodschap geeft over het kussen van slapende meisjes. Toen zij dit op sociale media toelichtte, werd zij met hoon overladen (‘Weet je wel dat beren geen pap eten?’ schreef iemand), maar toch had Hall het intuïtief bij het rechte eind.

    De versie van Doornroosje met de kuise, liefhebbende kus, die we allemaal kennen van Disney of de gebroeders Grimm, heeft zijn oorsprong in het zeventiende-eeuwse Italiaanse sprookje Zon, Maan en Talia van Giambattista Basile, dat weer gebaseerd is op volkslegendes uit de veertiende eeuw. In deze vroege versies wordt de slapende prinses door een voorbijkomende koning verkracht en bezwangerd. Het loopt goed af: nadat ze wakker is geworden en bevallen van een tweeling, keert de koning terug en trouwt met haar. Eind goed al goed.

    Ook ik groeide op met de Grimm- en Disney-versies van Doornroosje. En net als andere kinderen vroeg ik me nooit af of de prins haar wel mocht kussen terwijl ze daar zelf niets over te zeggen had. Het was nu eenmaal zijn rol, net zoals het haar rol was gered te worden. Hadden we de versie van Basile voorgelezen gekregen, dan hadden we misschien wel de wenkbrauwen gefronst. In dat verhaal probeert de eerste vrouw van de koning prinses Talia te vermoorden en haar baby’s te koken om die aan haar overspelige man te serveren (spoiler: de kok verwisselt de kleintjes met lammetjes). Uiteindelijk ben je dan blij voor Talia dat ze nog lang en gelukkig met haar verkrachter zal leven – hij is tenslotte niet de ergste schurk van het verhaal. Net als in Fatal Attraction ontpopt de jaloerse vrouw zich als de vernietiger van de familie, niet de man die zijn lul niet in zijn broek kon houden.

    Er zijn wetenschappelijke studies geschreven over de funeste invloed van de “prinsessencultuur” waarmee Disney en consorten jonge meisjes overladen

    Zo werken verhalen: iedereen begrijpt dat wat binnen een fictieve wereld normaal of zelfs wenselijk is, dat niet zonder meer is in het echte leven. Toch is Hall niet de eerste die inziet dat sprookjes, met hun eeuwenoude wereldbeeld en machtsstructuren, jonge kinderen een verwrongen beeld geven van de verhouding tussen de seksen. Er zijn wetenschappelijke studies geschreven over de funeste invloed van de ‘prinsessencultuur’ waarmee Disney en consorten jonge meisjes overladen. Disney heeft als reactie hierop de laatste tijd iets daadkrachtigere heldinnen geïntroduceerd, maar het blanke, passieve, heteroseksuele meisje met de onmogelijk smalle taille is nog steeds de norm.

    Moeten we dan echt elk verhaal dat relaties ouderwets voorstelt in de ban doen? De oplossing is misschien om deze oude sprookjes een moderne draai te geven. Angela Carter ging ons daarin voor, net als de Shrek-films, en er zijn volop boeken op de markt met positieve rolmodellen. De suggestie dat deze oude sprookjesfiguren aan een revisie toe zijn, is dus zo gek nog niet.

    Auteur: Stephanie Merritt

    The Guardian | Londen

    Stephanie Merritt was literair redacteur van The Observer van 1998-2005 en schrijft nu vooral achtergrondverhalen. Ze publiceerde de romans Gaveston en Real en het non-fictieboek The Devil Within.

    1. Ella Whelan; 2. Stephanie Merritt.
    1. Ella Whelan; 2. Stephanie Merritt.

    NEE

    Een moeder heeft de lagere school van haar zes jaar oude zoon gevraagd om kinderen niet meer Doornroosje voor te lezen. Het sprookje zou jongetjes verkeerde ideeën over seksuele toestemming bijbrengen.

    Ik verzin het niet. Tegenover The Newcastle Chronicle opperde ze zelfs dat oudere kinderen naar aanleiding van het sprookje zouden kunnen gaan discussiëren over ongewenste intimiteiten, ‘en hoe de prinses dit ervaart’. Stephanie Merritt schreef in The Guardian dat deze sprookjes kinderen ‘een verwrongen beeld van de verhouding tussen de seksen geven’ en dus nodig aan revisie toe zijn.

    Er deugt niets van deze argumenten. Ze gaan ervan uit dat ouders hun kinderen niet het verschil tussen fictie en het echte leven kunnen uitleggen. Of dat zesjarigen zich al zorgen zouden moeten maken over seksuele toestemming. Of dat kinderen, wanneer ze later hun eerste seksuele relaties aangaan, terug zullen denken aan de sprookjes die ze lazen toen ze zes waren. Of dat er iets volstrekt mis is met het idee een mooie prinses wakker te kussen, dat er iets mis is met een levendige verbeelding.

    Kinderen houden van griezelen, van seks en spanning, bijna net zo als volwassenen, al begrijpen ze het niet allemaal even goed

    Maar het meest irritante is nog wel hoe weinig deze criticasters van Doornroosje van sprookjes begrijpen. De beste sprookjes voor kinderen gaan altijd over afschuwelijke en beangstigende dingen. De glazen kist, een versie van Doornroosje, gaat over een jonge vrouw die in haar eigen huis gevangen wordt genomen, met chantage tot een huwelijk gedreven, en dan gered door een vreemdeling, die zij in ruil voor haar vrijheid belooft te trouwen. De beste kinderverhalen, helemaal die van vroeger, hebben allemaal donkere ondertonen. Kinderen houden van griezelen, van seks en spanning, bijna net zo als volwassenen, al begrijpen ze het niet allemaal even goed.

    Fictie, sprookjes en fantasiespelletjes zijn enorm belangrijk in de ontwikkeling van een kind. We mogen niet toestaan dat politieke modegrillen de magische wereld van de kinderlijke fantasie binnendringen en inperken. De feministische paniek over aanranding dreigt het recht van kinderen aan te tasten om hun fantasie te gebruiken, te dromen en van enge verhalen te gruwen. De meeste jonge jongetjes weten best dat zij een jong meisje beter niet kunnen zoenen als ze ligt te slapen. Het lezen van Doornroosje maakt heus geen aanranders van de volgende generatie – evenmin als het dat met de vorige generatie heeft gedaan.

    Auteur: Ella Whelan

    Spiked | Londen

    Ella Whelan is redacteur bij Spiked en radio- en tv-commentator, met name over feminisme en vrije meningsuiting. Ze schreef het boek What Women Want: Fun, Freedom and a End to Feminism.

    Vertaler: Valentijn van Dijk
    Openingsbeeld: Schilderij van Henry Meynell Rheam. – © Wikimedia

  • Roemeense kinderen verdienen beter

    Roemeense kinderen verdienen beter

    Sinds september bouwen demonstranten piramides van boeken voor het regeringsgebouw in Boekarest. Hun doel: behoud van het pluralisme in het onderwijs.

    Er is al heel wat onzin gedebiteerd over de kwestie schoolboeken. Ministers, ouders, iedereen vond dat hij zijn steentje moest bijdragen. Een gedachte die op zichzelf niet verkeerd is, behalve dat er in deze kakofonie van een werkelijk debat amper sprake is. Laat ons de feiten eens op een rij zetten, om af te rekenen met allerlei mythes.

    Waarom hebben wij nog schoolboeken nodig terwijl de Finnen er juist afstand van hebben gedaan? Omdat wij ons niet in dezelfde situatie bevinden als de Finnen, die een goed functionerend onderwijsstelsel hebben met voldoende financiële middelen. Het schoolboek is een leermiddel dat de leerlingen nodig hebben, waarin ze de basiskennis kunnen vinden van het onderwezen vak – oefeningen, toetsen en opgaven. En dat geldt voor alle leerlingen, ongeacht hun sociale klasse. Leerlingen uit iets gegoedere milieus hebben verder nog toegang tot aanvullende leermiddelen.

    Voor arme kinderen is het schoolboek het enige leermiddel en voor de meeste kinderen is het schoolboek het enige boek dat ze ooit zullen lezen. want naar schatting leest vijftig procent van de Roemenen na zijn schooltijd geen enkel boek meer. Dus laten wij, in plaats van rondjes te lopen rond het schoolboek zoals indianen rond een totempaal, het eens hebben over wat nodig is om er op lange termijn voor te zorgen dat leerlingen toegang hebben tot voldoende en diverse leermiddelen.

    2 euro per stuk

    Eind augustus maakte minister van Onderwijs Liviu Pop bekend dat particuliere uitgeverijen geen schoolboeken meer mogen uitgeven en aan de staat mogen verkopen. De staatsuitgeverij Editura Didactica si Pedagogica (‘Didactische en pedagogische uitgeverij’) zal voortaan het monopolie hebben. Hij beschuldigde particuliere uitgeverijen ervan schoolboeken van slechte kwaliteit te hebben gedrukt om leerlingen te verplichten aanvullende leermiddelen aan te schaffen [de leermiddelen die scholen gebruiken naast de schoolboeken].

    In zijn ogen hebben de ‘baronnen’ van de aanvullende leermiddelen enorme fortuinen vergaard, naar schatting 100 miljoen euro, terwijl de kinderen eronder lijden en de staat belastinginkomsten misloopt. De winsten die genoemd worden zijn enorm. Als de boekensector in zijn geheel toch eens zo veel zou opbrengen als alleen al de schoolboekensector! Maar in Roemenië gaat er helemaal niet zo veel geld om in deze sector.

    Later kwam de minister op zijn standpunt terug: sommige van deze aanvullende leermiddelen mogen worden gebruikt, maar alleen met uitdrukkelijke toestemming van zijn eigen ministerie. Maar het echte probleem is dat schoolboeken bij ons nooit duur zijn geweest, ze kosten twee euro per stuk. Voor dat geld is het lastig een kwalitatief goed schoolboek aan te bieden, dus de uitgevers doen wat ze kunnen. In andere Europese landen kost een schoolboek tien à twaalf euro. Zijn wij armer dan de overige lidstaten? Natuurlijk. Maar als we blijven weigeren in onderwijs te investeren, zullen we niet alleen letterlijk arm blijven, maar ook figuurlijk, in ons brein [volgens Eurostat investeert Roemenië het minst in onderwijs, namelijk 3,1 procent van het bbp].

    De aanvullende leermiddelen zijn inderdaad overal verkrijgbaar. Sommige zijn goed, andere zijn slecht, sommige zijn duur, andere niet. Wie moet het kaf van het koren scheiden? De leraren, want zij weten welke aanvullende leermiddelen hun leerlingen nodig hebben. In plaats van dat het ministerie voor hen besluit om slechts één lesmethode per vak te gebruiken, zou het wat meer vertrouwen moeten hebben in hun oordeel en zou het hen moeten laten aangeven wat werkt en wat niet werkt. Kan het dat doen? Ja. Doet het dat? Nee.

    Roemeense scholieren in hun klas in het plaatsje Bals. – © HH
    Roemeense scholieren in hun klas in het plaatsje Bals. – © HH

    Toch gaat het overal zo in de EU: er bestaat een markt voor schoolboeken en een markt voor aanvullende leermiddelen die voortdurend met elkaar concurreren, en de kwaliteit geeft de doorslag. Maar ons ministerie verklaart liever dat er een schoolboekenmaffia is, dat ‘baronnen’ fortuinen verdienen en dat, om deze grijze economie aan banden te leggen, er slechts één lesmethode mag worden gebruikt – waarmee het voorbijgaat aan het feit dat de Roemeense staat over genoeg instrumenten beschikt om illegale praktijken tegen te gaan. In plaats van justitie haar werk te laten doen verklaart de minister dat het schoolboek een ‘gemeen goed van nationaal belang’ is en besluit hij dat alle schoolboeken voor alle vakken door één uitgeverij worden gedrukt en uitgegeven, namelijk de staatsuitgeverij.

    Bovendien wordt de minister hierin bijgevallen door allerlei parlementsleden en ministers die argumenten van het niveau van de stamtafel aanvoeren, zoals die van de voorzitter van de Kamer van Afgevaardigden die riep: ‘Echt, in onze tijd, toen wij op school zaten, waren wij misschien dommer dan de generaties van tegenwoordig, maar wij hadden per vak maar één schoolboek en kijk eens, het leverde waardevolle mensen op voor het land – ingenieurs, leraren, economen.’

    Er gaat geen najaar voorbij of er breekt weer een schandaal uit over schoolboeken

    In mijn tijd, dat klopt, hadden wij per vak slechts één schoolboek. En omdat we maar één boek hadden, werd het jaar in, jaar uit gebruikt. En er waren er nooit genoeg voor alle leerlingen, vaak moesten twee leerlingen een exemplaar delen.

    Maar waar hebben we het eigenlijk over? Dat weet inderdaad niemand meer. Iedere dag worden er enorme hoeveelheden energie gestoken in discussies over schoolboeken (alsof we geen deel uitmaken van de Europese Unie, nog in het socialistische Roemenië leven, als zusterstaat van Noord-Korea), over de taalfouten van de minister van Onderwijs, de financiële belangen van uitgeverijen, de opvattingen van de premier. In plaats daarvan kunnen we beter nuchter vaststellen dat het desbetreffende ministerie bestuurlijk incapabel is, wat het ieder jaar weer aantoont, want er gaat geen najaar voorbij of er breekt weer een schandaal uit over schoolboeken. Vijf jaar geleden ging het over de digitale schoolboeken, nu over het feit dat er maar één schoolboek per vak mag worden gebruikt. De instellingen die er iets over zouden moeten zeggen, zoals de Academie of toonaangevende universiteiten, hullen zich in stilzwijgen.

    Ondertussen wordt er gedemonstreerd. We vechten tegen ideologieën in plaats van ons te herinneren dat er een onderwijspact bestaat dat getekend is door alle partijen, waar we niemand meer over horen. We stellen stompzinnige vragen over de noodzaak om al dan niet één schoolboek per vak te hebben in plaats van ons zorgen te maken over de kwaliteit van het onderwijs. En van de schoolboeken.

    Is dat normaal? Het gaat allemaal ten koste van onze kinderen die ons over twintig jaar zullen zeggen dat er weer een generatie is ‘opgeofferd’. Door ons.

    Auteur: Mircea Vasilescu

    Dilema Veche
    Roemenië | weekblad | oplage 21.000

    Cultureel tijdschrift met sociologische en soms politieke inslag. Drijvende kracht achter het weekblad is Andrei Plesu, een vooraanstaand Roemeens intellectueel en voormalig minister van Cultuur. Het ‘Oude Dilemma’ staat bij uitstek te boek als Europa minnend.


  • 6. De apen die we zullen worden

    6. De apen die we zullen worden

    De hervorming van het schoolprogramma door de regering-Erdogan voorziet in meer godsdienstlessen, afschaffing van lessen over de evolutietheorie en minder aandacht voor de daden van Atatürk.

    Neem het ministerie van Onderwijs en maak er het ministerie van Islamitisch Onderwijs van. Verwijder iedere verwijzing naar de republiek uit de schoolboeken en herschrijf de geschiedenis van het moderne Turkije van A tot Z. Doof het revolutionaire vuur en neem wraak door de Ottomaanse ster te laten stralen. Steek de loftrompet over de sultans en hemel het kalifaat op. Doe natuurwetenschap en filosofie in de ban, opdat onze kinderen nooit zullen twijfelen, redeneren of vragen stellen. Opdat zij gelovig en gehoorzaam zijn. Opdat zij de deugden van het dogma kennen en niet van de rede. Opdat zij atheïsme gelijkstellen aan satanisme en ongelovigen voor dolende geesten houden. Praat onophoudelijk over de islam en zijn profeet. Bereid hen voor op de jihad en misleid hen door middel van gebed. Laat hen de vlammen van de hel vrezen en verlangen naar de beloften van het paradijs.

    Pas dan zal geen kind de vlakte van Cilicië meer verlaten om zich vol hoop in de stad te vestigen, zoals destijds de romanschrijver Yasar Kemal. Pas dan zal het nooit journalist willen worden, of schrijver, of kunstenaar, of een geëngageerd filosoof, een vrije geest die verankerd is in zijn tijd. Pas dan zal geen enkel kind zich meer laven aan deze sfeer en de Turkse taal op een dag verrijken met de mooiste teksten en de mooiste heldendichten. Pas dan zal een schrijfster als Latif Tekin nooit meer het licht zien. Pas dan zal niemand meer vertellen zoals zij, door zich op haar eigen wortels te storten met haar anarchistische verhalen die zelfs schitterend en magisch zijn wanneer ze over armoede gaan. Pas dan zal geen enkel kind zo’n jeugd meer hebben dat het een nieuwe Nuri Bilge Ceylan wordt, die vele buitenlandse prijzen heeft gekregen voor zijn films die zijn gewijd aan het ‘mooie en eenzame’ land dat Turkije is. Geen schrijver als Aziz Nesin, geen dichter als Nazim Hikmet, geen journalist als Ugur Mumcu, geen pianist als Fazil Say.

    De Fatih-universiteit in Istanboel. De universiteit is opgericht door de Gülen-beweging, die in tegenstelling tot Erdogans AKP de wetenschap hoog in het vaandel heeft staan. – © Monique Jaques / Corbis via Getty
    De Fatih-universiteit in Istanboel. De universiteit is opgericht door de Gülen-beweging, die in tegenstelling tot Erdogans AKP de wetenschap hoog in het vaandel heeft staan. – © Monique Jaques / Corbis via Getty

    Denk maar niet dat er een nieuwe Asli Erdogan zal opstaan of een nieuwe Kücük Iskender. Vergeet cartoonisten als Oguz Aral of Yigit Özgür, actrices als Gonca Vuslateri, vrouwelijke rockers als Sebnem Ferah. Vaarwel gemengde rockgroepen. Vaarwel vrouwelijke atleten die volgens internationale normen zijn gekleed. Opdat kunstacademiestudenten blozen bij het zien van hun modellen en onze kinderen, afgestompt door de school, niet eens meer in staat zijn zich een progressieve toekomst voor te stellen, zelfs als geen wet dat verbiedt. Als het zo doorgaat zullen onze kinderen een totaal andere jeugd hebben dan wijzelf. Wij zijn groot geworden met het beeld van de kleine Mustafa Kemal Atatürk met zijn hemelsblauwe ogen die de kraaien achterna zat in een veld. Maar we hebben ook kritisch genoeg leren denken om sarcastisch te doen over dit naïeve pastorale tafereel.

    De machthebbers proberen de kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd in het keurslijf van hun eigen overtuigingen te dwingen. Voor rede en zelfvertrouwen is geen plaats meer, aan persoonlijke voorkeuren en een kritische geest wordt geen ruimte meer geboden. Onze kinderen zijn als vogels in een kooi, gedoemd om een beperkt repertoire te zingen en met hun vleugels te slaan zonder dat ze ooit een vrije vlucht wordt gegund. Als we de nieuwe schoolprogramma’s mogen geloven, stammen we niet af van de aap. Maar dat we er een dreigen te worden is wel zeker!

    Auteur: Mine Söğüt
    Vertaler: Peter Bergsma

  • Erdogans ‘vrome generatie’

    Erdogans ‘vrome generatie’

    Sinds de mislukte coup in Turkije zijn meer dan 30.000 Turkse leerkrachten geschorst of ontslagen. Maar de onderwijshervorming van regeringspartij AKP begon al veel eerder.

    29 oktober zal een zwarte dag blijven voor Erdem G., een vijftiger die lesgaf op een staatsuniversiteit in Istanboel. ‘Ik vernam via de sociale netwerken dat ik ontslagen was. Mijn naam stond op een decreet dat in de officiële staatskrant werd gepubliceerd. Ik werd beschuldigd van het steunen van terroristische organisaties. Mijn diploma’s zijn geconfisqueerd, mijn e-mailadres is gewist, de toegang tot mijn kantoor is me ontzegd.’

    Na een carrière van twintig jaar op de universiteit is Erdem nu werkloos, zonder uitkering, zonder paspoort. Zijn vrouw en kinderen hebben ook geen paspoort meer. Universiteitsmedewerkers en hun familie hebben in Turkije recht op een dienstpaspoort, een privilege dat de staat te allen tijde kan intrekken. In de drie weken na de mislukte staatsgreep van 15 juli zijn 74.562 van zulke paspoorten ingetrokken, aldus het Turkse ministerie van Binnenlandse Zaken.

    Het intrekken van deze paspoorten berust niet op een rechterlijke beslissing; ze worden door de overheid als ‘vermist’ opgegeven. Tegen het decreet, dat is uitgevaardigd in het kader van de noodtoestand die vijf dagen na de mislukte staatsgreep werd uitgeroepen, is geen beroep mogelijk. ‘Mijn naam staat in rode letters op de website van de regering, ik kan niet meer werken in dit land, noch bij de overheid, noch bij een particuliere werkgever,’ mompelt Erdem.

    De docent heeft afgesproken in een park in Istanboel, waar de muren geen oren hebben. Zoals de meeste mensen die ik voor dit onderzoek heb gesproken wil hij niet dat zijn identiteit bekend wordt. ‘Daarin ben ik niet de enige, iedereen is bang.’

    ‘Dood aan de putschisten!’

    De doodsbedreigingen die hij dagelijks via de sociale netwerken ontvangt stellen hem niet bepaald gerust. Waaraan heeft hij zo’n behandeling verdiend? ‘Ik begrijp er niets van, ik vraag het me voortdurend af,’ zegt hij. ‘Ik ben socialist, al heb ik me nooit bij een partij aangesloten. Ik ben actief in een vakbond, ik heb altijd aan stakingen en betogingen meegedaan, maar daarom ben ik nog geen terrorist.’

    Zijn misdaad, vermoedt de docent, is dat hij zijn handtekening onder een petitie heeft gezet. In januari hebben meer dan tweeduizend onderzoekers en universitair docenten net als hij een oproep getekend om de vrede te herstellen in het zuidwesten van het land, waar voortdurend confrontaties plaatsvinden tussen het Turkse leger en de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). De represailles lieten niet lang op zich wachten: uitsluiting, disciplinaire sancties, niet-verlengde contracten… Vier universitair docenten zijn enkele weken gevangengezet en daarna weer vrijgelaten in afwachting van hun proces.

    Nadat een deel van het leger in de nacht van vrijdag 15 op zaterdag 16 juli had geprobeerd president Recep Tayyip Erdogan af te zetten, hebben de autoriteiten het op de ondertekenaars van deze petitie gemunt. Zo ook op Murat D., een dertiger die filosofie doceerde aan een universiteit in Istanboel, totdat hij op een dag in september ontdekte dat zijn naam op een lijst van ‘handlangers van het terrorisme’ stond die door de officiële staatskrant werd gepubliceerd. Sindsdien is hij werkloos en kan hij het land niet meer uit. Voor zijn vrouw en hun twee minderjarige kinderen geldt hetzelfde, hun paspoorten zijn waardeloos. ‘Wat wij meemaken is gewoon kafkaësk,’ zegt hij.

    De Recep Tayyip Erdogan Universiteit in de stad Rize, aan de Zwarte Zee, waar de familie Erdogan vandaan komt. – © Getty
    De Recep Tayyip Erdogan Universiteit in de stad Rize, aan de Zwarte Zee, waar de familie Erdogan vandaan komt. – © Getty

    Ook al werd de verantwoordelijkheid voor de staatsgreep gelegd bij Fethullah Gülen – de naar de VS uitgeweken prediker wiens cemaatbeweging lange tijd de trouwste bondgenoot was van de conservatieve islampartij AKP, die sinds 2002 aan de macht is –, toen de noodtoestand eenmaal was uitgeroepen werden alle beroepsgroepen meedogenloos aangepakt: ambtenaren, militairen, rechters, piloten, artsen, zakenlieden, bestuurders, journalisten. In het begin waren alleen veronderstelde aanhangers van Gülen het doelwit. Het hebben van een rekening bij Bank Asya, de financiële instelling van cemaat in Turkije, was al genoeg om op een lijst met verdachte personen te komen.

    De drang om te zuiveren was groot en president Erdogan beloofde de met het Gülen-netwerk gelieerde ondernemingen, charitatieve instellingen en scholen, ‘broeinesten van terrorisme’, genadeloos uit te roeien en hun financieringsbronnen te laten opdrogen. ‘Dood aan de putschisten!’ scandeerden de ontketende menigten die zich in de weken na de couppoging elke avond op de pleinen in de grote steden verzamelden. De ‘martelaren’ (de 246 doden aan loyalistische kant; de 30 doden aan putschistische kant werden niet meegeteld) werden verheerlijkt. Op sommige metrostations in Istanboel hangen nog steeds reusachtige foto’s van hen.

    Al heel snel breidden de zuiveringen zich als een olievlek uit. Linkse militanten, verdedigers van de Koerdische zaak, vakbondsmensen en ook kemalisten zitten momenteel gevangen in de fuik. Niemand weet waar deze op hol geslagen locomotief zal stoppen. Sinds 15 juli zijn 37.000 mensen gevangengezet op verdenking van steun aan het terrorisme, terwijl 110.000 werknemers zijn geschorst of ontslagen, onder wie 30.000 leerkrachten. De laatsten zijn niet moeilijk te vervangen: tienduizenden jonge gediplomeerde leerkrachten die tot nu toe geen aanstelling hadden, staan te trappelen.

    De prestigieuze openbare scholen in Istanboel, waar de neutrale “witteboordenelite” werd gevormd, moesten toezien hoe hun docentenkorps werd ontmanteld en hun lesmethoden in de ijskast werden gezet

    De universiteit is in het gareel gebracht. Sinds 29 oktober worden de rectores magnifici door de president van de republiek benoemd en niet langer gekozen door hun collega’s, zoals sinds 1992 het geval was. Gülay Barbarosoglu, de rectrix van de Bosporus Universiteit, heeft daarvoor de tol al moeten betalen. Nadat ze in juli met 86 procent van de stemmen was herkozen, heeft ze op 12 november het veld moeten ruimen voor Mehmed Özkan, een AKP-getrouwe academicus, die door de president is benoemd.

    De mislukte staatsgreep – ‘een godsgeschenk’, aldus president Erdogan – heeft de onderwijshervorming die al ruim voor de nacht van 15 op 16 juli in gang was gezet alleen nog maar versneld. De zuivering betekent een verdere stap in de richting van de ‘culturele revolutie’ die door de Turkse nummer één wordt gewenst.

    Op 1 februari 2012 had hij al een pleidooi gehouden voor de Imam Hatip-scholen, waar imams worden opgeleid en waar ook hijzelf is opgeleid, en de zegeningen daarvan voor het onderwijssysteem geroemd. ‘Wij hebben als doel een vrome generatie te kweken,’ had hij verkondigd. Een waar idee-fixe, dat hij in april weer van stal haalde tijdens een ontmoeting met Önder, de vereniging van oud-studenten van imamscholen. ‘Turkije is de hoop van de moslimwereld, en de hoop van Turkije zijn jullie.’

    Het gevolg is dat talloze neutrale scholen tot imamscholen zijn omgevormd, ook in Istanboel en Ankara. Toen de AKP in 2002 aan de macht kwam, telden de imamscholen 65.000 leerlingen. Inmiddels zijn het er 1,2 miljoen, aldus Bilal Erdogan, de jongste zoon van de president, die leiding geeft aan Türgev, een stichting die actief is op onderwijsgebied.

    Regels aangepast

    Om de godsdienstvrijheid te waarborgen heeft president Erdogan de afgelopen jaren de regels voor de scheiding tussen kerk en staat aangepast die in 1923 bij de vorming van de republiek waren ingesteld. Zo heeft zijn regering vrouwen achtereenvolgens toegestaan een islamitische sluier te dragen op de universiteit, daarna in openbare functies, daarna op de middelbare school en zeer onlangs in het leger en bij de politie, wat hem elke keer op kritiek van het neutrale kamp kwam te staan.

    In 2014 heeft de meerderheidsvakbond Egitim Bir Sen (pro-AKP) geprobeerd aparte jongens- en meisjesscholen te introduceren, ‘om de veiligheidsproblemen als gevolg van de aantrekkingskracht van het andere geslacht te minimaliseren’. Het voorstel haalde het niet. Desondanks besloot een directeur van een openbare school in het zuiden van het land kortgeleden er gevolg aan te geven. Op 28 oktober vroeg hij de leerkrachten de jongens en meisjes te scheiden. Een week later onthief het ministerie hem uit zijn functie. Zijn militante bezieling ging te ver.

    Het in het gareel brengen van de laatste neutrale bastions vergt tact. In 2014 werd een hervorming doorgevoerd op 155 middelbare scholen die tot dan toe bekendstonden als de beste van Turkije. De prestigieuze openbare scholen in Istanboel, waar de neutrale ‘witteboordenelite’ werd gevormd, moesten toezien hoe hun docentenkorps werd ontmanteld en hun lesmethoden in de ijskast werden gezet. Ook de culturele activiteiten moesten plaatsmaken voor de bestudering van de Koran en het leven van Mohammed.

    In juni kwamen de scholieren tegen deze hervorming in opstand: ze wilden ‘modern onderwijs’. In Istanboel keerden leerlingen van het Kadiköy Anadolu-lyceum hun directeur demonstratief de rug toe terwijl die van het Galatasaray, het prestigieuze Franstalige lyceum, in verzet kwamen tegen ‘de onderwerping aan de sultan’. Op 370 scholen in heel Turkije heerste ontevredenheid. Daarna zijn hun stemmen verstomd in het tumult van de staatsgreep.

    ‘Toen de AKP in de oppositie was schreeuwden ze moord en brand omdat een sluier verboden was op de scholen en universiteiten. En wat doen ze nu ze zelf aan de macht zijn? Ze verbieden de rok!’

    In het hart van de historische wijk Faith, in het Europese deel van Istanboel, treffen ouders van leerlingen en vakbondsvertegenwoordigers elkaar regelmatig op het terras van een café in de buurt van het Cagaloglu Anadolu-lyceum om de situatie te bespreken. De stemming is bedrukt. Mustafa Turgut, vertegenwoordiger van de links-neutrale minderheidsvakbond Egitim Sen, vertelt: ‘De spanningen begonnen met de komst van de nieuwe directeur, twee jaar geleden. Gevolg: 99 procent van de leerkrachten is overgeplaatst. Ze schuwen geen enkel middel om hun ideologie op te leggen; zelfs de muren van het lyceum zijn volgehangen met religieuze affiches.’

    Nilay, wier dochter op het Vefa-lyceum in het Europese deel van Istanboel zit, zegt verbijsterd te zijn door de lessen over ‘de wonderen Gods’ die worden gegeven door de nieuwe geschiedenisleraar. Meral, een moeder van een leerling van het Kadiköy Anadolu-lyceum op de Aziatische oever, merkt op dat alle docenten die in het kader van de hervorming zijn aangesteld ‘de AKP-ideologie delen’, wat nog niet zo erg is ‘als ze wiskunde geven’ maar wel ‘als het gaat om filosofie en literatuur’.

    Nieuwe directeur, nieuwe regels. Op het Cagaloglu Anadolu-lyceum mogen meisjes geen rok meer dragen. Ook het dragen van een korte broek tijdens de gymlessen is verboden. Leggings zijn in de ban gedaan omdat ze de lichaamsvormen niet verhullen. Zerha, moeder van een leerling, is gegriefd: ‘Toen de AKP in de oppositie was schreeuwden ze moord en brand omdat een sluier verboden was op de scholen en universiteiten. En wat doen ze nu ze zelf aan de macht zijn? Ze verbieden de rok!’

    Wraak van de politieke islam op het neutrale kamp? ‘Dat speelt mee,’ zegt Cayan Calik van de vakbond Egitim Sen, die het autoritaire paternalisme van Erdogan hekelt. Mustafa Turgut op zijn beurt betreurt ‘de veranderde manier van leven’ die neutrale en republikeinse kringen wordt opgelegd. De moslims die aan de macht zijn, voorspelt hij, ‘zullen zich niet beperken tot het onderwijs, ze willen de hele maatschappij veranderen’. Hij weet zeker ‘dat ze daar uiteindelijk in zullen slagen, al zal het een tijdje duren’.

    Auteur: Marie Jégo
    Vertaler: Peter Bergsma

    Marie Jégo is correspondent voor Le Monde in Turkije.

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • Stop het gepreek aan de universiteit

    Stop het gepreek aan de universiteit

    De kwaliteit van de studie politicologie in Libanon is beneden alle peil, klaagt een journalist van het dagblad As Safir. Dat komt doordat docenten hun colleges doorspekken met religieuze opvattingen. ‘Sommigen weigeren zelfs Marx en Engels te behandelen omdat ze atheïsten waren.’

    Veel Libanese jongeren kiezen voor een studie politicologie. Helaas slaagt het merendeel voor zijn tentamens zonder over de vereiste kennis te beschikken of ook maar iets af te weten van methodologie. Hoe worden deze jonge mensen opgeleid die op een dag werkzaam zullen zijn als politicus, universitair onderzoeker of op het gebied van internationale betrekkingen?

    Geconstateerd moet worden dat de politieke wetenschappen steeds meer politiek op zijn Libanees zijn geworden. Sommige docenten laten opzettelijk informatie achterwege die niet strookt met hun politieke overtuiging. Soms doorspekken ze hun colleges met religieuze opvattingen, zonder dat daar enige kritiek op komt.

    Deze docenten vragen hun studenten bijvoorbeeld teksten te lezen waarin wordt uitgelegd dat ‘het economische project van de Europese Unie is mislukt omdat het niet het islamitische economische model heeft gevolgd’ of dat ‘de oplossing voor de wereldeconomie ligt in het overnemen van de economische regels van de gouden eeuw van de islam’.

    ‘Studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’’

    Alle historische feiten worden op die manier verpulverd. De studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’. Dit alles wekt de indruk dat men colleges volgt over de persoonlijke opvattingen van deze of gene religieuze persoonlijkheid, waarbij een preek tot een verhandeling over economische theorie kan worden verheven. Daarmee wordt de studierichting politicologie een manier om het idee te verspreiden dat de islam een totaalsysteem is dat alle terreinen bestrijkt, niet in de laatste plaats dat van de politiek.

    Omdat religie op de eerste plaats komt, worden de politieke theorieën van grote intellectuelen onder de mat geveegd. De studenten studeren vaak af zonder dat ze ooit van Marx en Engels hebben gehoord. Er zijn zelfs docenten die over deze twee filosofen weigeren te spreken omdat ze atheïsten waren. Een hoogleraar aan de Libanese universiteit weigerde college over Marx te geven omdat hij een ‘utopist’ zou zijn en achtte het voldoende als zijn studenten Deugdzame stad van Al-Farabi zouden lezen om het marxisme te doorgronden. Daarmee wordt Deugdzame stad het enige boek aan de hand waarvan de student geacht wordt de strekking van het communisme, de klassenstrijd en de kapitalistische uitbuiting te begrijpen.

    Een Libanese studente beschrijft wat zij graag zou willen voor haar land. – © Jamal Saidi / Reuters
    Een Libanese studente beschrijft wat zij graag zou willen voor haar land. – © Jamal Saidi / Reuters

    Ook het politieke gedachtegoed van Michel Foucault wordt op een karikaturale manier samengevat en uiteindelijk aan onontkoombare morele opvattingen getoetst. Zelfs onderwerpen als de aanwezigheid van olie en aardgas in Libanon worden vanuit een bijzondere insteek behandeld. Als je sommige teksten mag geloven die op de universiteit circuleren, kunnen die alleen worden verdedigd [tegen veronderstelde Israëlische agressie] door de wapens van Hezbollah in te zetten.

    Evenzeer kan men zich verbazen over leerstof waarin de ins en outs van de Libanese diaspora, met name in Afrika, tot racistische oprispingen leiden. Zo leren de studenten niet alleen dat de inwoners van Ivoorkust niet van de Libanezen houden die zich daar hebben gevestigd omdat ze hun banen inpikken, maar ook dat Libanese meisjes er de straat niet op durven uit vrees door jonge Ivorianen te worden lastiggevallen.

    Persoonlijke opvattingen

    Ten slotte zijn tijdens de tentamens de persoonlijke opvattingen van de docent van invloed op de antwoorden die de studenten geven. Ze zorgen er uitdrukkelijk voor dat ze de naam vermelden van de partij die hun docent aanhangt. En als ze het over leugenachtigheid in de Libanese politiek moeten hebben, zullen ze als voorbeeld een Libanese politicus gebruiken die tot het kamp van de tegenstanders van hun examinator behoort.

    Het valt te betreuren dat op de Libanese universiteit het onderwijs in een belangrijk vak als politicologie zo weinig te maken heeft met wetenschap, en zelfs met politiek in de nobele zin van het woord, maar ontaardt in godsdienstlessen met een flinke vleug racisme en partijdigheid.

    Auteur: Maher El-Khochen
    Vertaler: Peter Bergsma

    As Safir
    Libanon | dagblad | 20.000

    ‘De Ambassadeur’ is het tweede dagblad in Libanon. Linksgezind. Pro-Arabisch en pro-Hezbollah.

  • De tegenwoordige tijd

    De tegenwoordige tijd

    De Britse, gelauwerde schrijfster Hilary Mantel stond ooit voor een overvolle klas in Botswana. Ze hield er een jaar later weer mee op. De tegenwoordige tijd was daar letterlijk en figuurlijk ver te zoeken. Tebogo, Susannah en Iqbal, vergeet ze nooit. Of nooit vergat ze ze?

    ‘Vandaag gaan we iets léúks doen,’ zeg ik.

    Negenentwintig gezichten kijken me ongelovig aan. Nou, denk ik, jullie weten niet half hoe leuk dit is, vergeleken met de saaie kost die nog komt. Volgend jaar is het Cambridge-examen en behandelen we tot gekwordens toe The Mill on the Floss.

    Ik laat mijn blik door het lokaal rondgaan. ‘Vandaag is de vraag: wat zijn de ingrediënten van een goed verhaal? Iemand een idee?’

    Als dit een ander land was geweest, en ik een ander mens, een wat minder onfortuinlijke leerkracht, dan werden er nu dingen geroepen als: ‘Spanning. Personages met wie je meeleeft. Een vlot tempo. Weinig beschrijving. Een vleugje humor. Scherpe dialogen. Een verrassend slot.’ Maar ik ben nu eenmaal hier 
en mezelf, en niemand doet z’n mond open.

    ‘Juist,’ zeg ik. ‘Zullen we…’

    ‘… er vijf minuten over nadenken?’ oppert Moses.

    Hij kent het klappen van de zweep. Zijn glimlach 
is misschien wat lusteloos, maar dat is de mijne evengoed. Dit is klas 4B. Achttien jaar, gemiddeld. 
Aan open vragen zijn ze niet gewend. Geen wonder dat ze op hun hoede zijn. Vanaf hun eerste schooldag hebben ze dictees gekregen, die ze over moesten schrijven van het bord. Zo hebben ze hun junior-certificaat gehaald, naar ieders tevredenheid. Nooit heeft iemand ze om hun mening gevraagd, permissie gegeven om iets te zeggen, of de moeite genomen om naar ze te luisteren.

    ‘Schrijf maar gewoon op in je werkschrift,’ zeg ik. ‘Alles wat er in je opkomt.’

    Tebogo steekt haar vinger op. ‘Hele zinnen, madam?’

    ‘Nee hoor, dat is niet nodig.’

    Het hele lokaal galmt terwijl 4B zich gereedmaakt om te gaan schrijven. De stoelpoten zijn van metaal, de vloer van gepolijst cement, dus elke beweging veroorzaakt een hemeltergend gesnerp. Elk rollend potlood stuitert en klettert, elk kuchje davert als een kanonsalvo, en daarnaast klinkt er een constant gebrom, een laag geroezemoes. Wat ik voor ‘stilte’ laat doorgaan, is alleen maar een tandje zachter dan dit. Met krassende stoelen en luid gekreun duiken de leerlingen in hun tas om hun gum op te diepen. Ze kunnen niet zonder, want ze weten niet anders dan dat fouten worden bestraft. Hup, daar gaan de donkere koppies omlaag. En hup, daar komen ze weer naar boven, zuchtend en steunend. Madam, ik heb mijn gum niet bij me! Mijn liniaal is gestolen! Ik ben beroofd! Die van 4C zitten de hele tijd in mijn tas! Overal dievengespuis! Madam, zo kan ik toch niet schrijven?

    Khabazela High School in eMbo, Zuid-Afrika. – © Rogan Ward / Reuters
    Khabazela High School in eMbo, Zuid-Afrika. – © Rogan Ward / Reuters

    Susannah heeft haar breispullen tevoorschijn gehaald en begint behendig steken op te zetten. In het begin zei ik daar wat van. Ik vond het oneerbiedig tegenover de literatuur die we behandelden. Maar ze legde rustig uit dat ze die mutsen breide om haar schoolgeld te betalen. ‘Anders moet ik mijn lichaam verkopen.’ Vandaag maakt ze een gestreepte muts. Ze houdt de wol ter goedkeuring voor me omhoog. Joel geeft Iqbal een stomp; ik zie het vanuit mijn ooghoek gebeuren. Van schrik laat Iqbal zijn schrift los. Het valt met een plof op de grond, glijdt drie rijen naar voren en blijft liggen onder de stoel van Tebogo. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘zou jij…’

    Ze reageert met een meesmuilend lachje – dat duidelijk nee betekent – en een zacht geknor. Nu grijp ik snel in. Breien wil ik nog wel door de vingers zien, maar we hebben maar één moslimleerling en die is overgevoelig voor varkensgrappen. Toch heeft niemand hem ooit voor een varken uitgemaakt, tot ik op een dag begon over de ergste dingen die je tegen mensen kan zeggen, en de betekenis van het gezegde ‘schelden doet geen zeer’.

    Tebogo heeft het schrift buiten haar bereik geschopt, dus kniel ik zelf neer op het roodbruine cement en haal ik het tussen de wirwar van poten en benen vandaan. Voordat ik weer overeind kom, zie ik Tebogo’s scheenbenen. De vlekkerige bruine huid is bezaaid met lichte, ronde littekens zo groot als een sixpence.

    ‘Hier heb je je schrift, Iqbal. Ga maar weer zitten.’

    Met een bozig gezicht pakt hij het schrift aan. ‘Het 
is helemaal vies geworden.’

    ‘Een beetje maar.’ Ik neem het terug. ‘Ik veeg het wel even schoon.’

    ‘Madam,’ fluistert hij, ‘dat is zonde van uw jumper.’

    ‘Geeft niks,’ fluister ik terug. Ik geef hem een schouderklopje. Ik ben erg op hem gesteld. Op de hele klas trouwens. Dat weten ze best. ‘En nu stil zijn,’ zeg ik. ‘Concentreren.’ Ze buigen zich over hun schriften. 
Ik hoor een zacht gekras als Tebogo aan het droge scheenbeen krabt waar ik net bij geknield zat. Eunice snuit haar neus in een velletje wc-papier. Uit de richting van de rectorskamer klinkt gejammer, wat van alles en nog wat kan betekenen.

    Er zijn van die zeldzame momenten dat er een weldadige kalmte heerst en je, heel even, de kans krijgt om te luisteren: naar de stad in de verte waar alles z’n gang gaat, naar het al even verre verkeer, naar het gebulder van een vliegtuig dat op de landingsbaan neerploft, naar de trein uit de Kaap die nog een uur rijden van ons verwijderd is. Een moment om te luisteren naar de innerlijke muziek van het lichaam dat zich heimelijk op de lunch verheugt, naar het zachte gezucht van mijn sandalen als ik langs de rijen loop, naar het kloppen van mijn eigen hart. De kinderen ademen hoorbaar, alsof ze iets zwaars torsen. Ze tekenen rondjes in hun schriften.

    Onorthodox

    Ik wacht rustig af. Ik heb de tijd. De schoolleiding 
is niet al te streng. Ik hoef me niet aan een leerplan te houden, zolang er maar vorderingen worden gemaakt. Ik weet dat de kinderen het makkelijker vinden om dictees te maken, om zinnen over te schrijven van het bord. Maar ik probeer iets meer uit de lessen te halen. Ik wil dat ze meedoen. Dat ze brutaler worden als ze uit hun schulp kruipen, neem ik op de koop toe.

    Dat vind ik juist een goed teken. De klaslokalen – en hier zou ik eigenlijk naar de verleden tijd moeten overschakelen, maar heb alsjeblieft nog even geduld – de klaslokalen, zoals ik het nu weer voor me zie, komen allemaal uit op een stoffig binnenplein, dat de Plaats wordt genoemd. Het is een kostschool, met een verzorgingsgebied van honderden kilometers steppen en struiken. De tegenwoordige tijd is hier nog niet doorgedrongen; we gebruiken ouderwetse woorden, en bovendien is het dertig jaar geleden, en zo ging het er toen aan toe. De lokalen waren donker, en dat zijn ze vast nog, met de luiken dicht tegen de hitte. Die hitte is onveranderlijk: zelfs ’s winters wordt de toegang tot het lokaal geblokkeerd door een reep zon die zo massief is als een koperen deur. De achterste banken staan in een zwarte schaduw. In het midden van het lokaal valt licht naar binnen, tussen de jaloezieën door, dat zich in keurig afgemeten strepen over de zwoegende lichamen plooit. De meisjes dragen witte bloesjes. De jongens een grijs overhemd. De stoersten hebben hun kraag van achteren omhoog geslagen, naar de heersende townshipmode. Volgens het hoofd Engels krijg ik nog spijt van mijn onorthodoxe aanpak, als ik een jaar verder ben. Misschien heeft hij gelijk. Hij heeft veel ervaring, en dat kan ik van mezelf niet zeggen. Maar ik vind dat ik het risico gewoon moet nemen. Drie trimesters lang staan voor mij de kinderen voorop. Ik blijf erbij dat ze zelf moeten leren nadenken – tot volgend jaar tenminste, want dan laat ik ze nadenken over The Mill on the Floss.

    Sipho maakt een eind aan de rust. Hij gooit zijn armen in de lucht. ‘Aiii, ik heb niks om te schrijven.’
    ‘Niks om te schrijven, of niks om méé te schrijven?’

    ‘Ik leen de potlood wel van Moses.’

    ‘Het potlood…’ begin ik.

    Sipho kijkt me schalks aan. Hij neemt me in de maling. Ik lach naar hem. We maken graag grappen over de fouten van de lagere klassen. Ik loop gisteren naar het dorp. Ik was me vanochtend met water. Ik doe alles in de tegenwoordige tijd, tot de juf er wat van zegt.

    De vijf minuten zijn om. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘je hebt niet veel opgeschreven.’

    ‘Nee.’ Ze is een meisje dat het anderen graag naar 
de zin maakt – behalve Iqbal dan. Nu kijkt ze me paniekerig aan. ‘Wat de bedoeling is, madam?’

    ‘Woordvolgorde,’ zeg ik vermanend.

    Tebogo knippert met haar ogen. Ze formuleert haar zin opnieuw. Nu is de paniek geweken. Ze lacht naar me.

    ‘Geeft niks, hoor,’ zeg ik. ‘Ik wilde gewoon weten wat er spontaan in jullie opkwam.’

    ‘Niks dus,’ zegt Moses.

    Eunice zegt: ‘Het probleem is: we weten pas of een verhaal goed is als we het horen.’

    ‘Maar ik wil jullie over allerlei soorten verhalen laten nadenken. Goede en slechte, spannende en saaie.’

    Verhalen zijn belangrijk

    Terwijl ik dat zeg, realiseer me hoe weinig verhalen ze kennen. Er is geen televisie in deze regio. Bioscopen zijn er evenmin, aan deze kant van de grens. Op zondagavond vertonen expats thuis films op strakgespannen beddenlakens. Op school wordt aan het eind van het trimester een gehuurde projector naar de eetzaal gezeuld en krijgen we een film voorgeschoteld. De leerlingen van de Christian Union lopen dan demonstratief weg, want zij hebben bezwaar tegen ‘de Bios’, zoals ze het noemen. De rest blijft stilletjes kijken, en sommigen sukkelen in slaap, nu er eens niet tegen ze geschreeuwd wordt. In het halfdonker flikkert het wit van de ogen op, maar algauw dwalen de blikken weg van de bekraste beelden die over het doek springen. Het is alsof er een bioscoop in hun hoofd zit, een inwendige film die een stuk interessanter is dan de gangsters, de showmeisjes of de cowboys die in een stofwolk naar de horizon rijden. Stof kennen we hier maar al te goed, en de rest zegt toch niemand iets. Als de filmrollen in de verkeerde volgorde worden afgedraaid, of als de Zuid-Afrikaanse filmkeuring het eind eraf heeft geknipt, vindt niemand dat een probleem. Het is al mooi genoeg dat er dingen gebeuren, een plot is verder niet nodig. Het soort verhalen dat mijn leerlingen hun leven lang hebben gehoord, gaan over dieren die elkaar – of soms een kind of een simpele ziel – een streek leveren. Die streken zijn nooit erg slim. En de verhalen zijn ook nooit grappig. De volgorde van de gebeurtenissen lijkt volstrekt willekeurig. Als er al een moraal is, is dat steevast een waarschuwing. Verdoe je tijd niet door tegen dieren te praten. En doe je het toch, dan niet tegen een dier dat iets terugzegt.

    Maar nu heb ik ze iets te vertellen, iets waar ik stellig van overtuigd ben. ‘Verhalen zijn belangrijk,’ zeg ik. ‘Je kunt er veel plezier aan beleven, of erdoor aan het denken worden gezet. Sommige verhalen zijn gewoon alleen maar leuk. Amusant. Het ene verhaal is leuker dan het andere. Hoe komt dat? Soms zijn verhalen niet bedoeld om te amuseren, maar om te verleiden. Zoals de verhalen van politici. De kandidaten spelden je allemaal maar wat op de mouw, om te zorgen dat je op ze stemt.’

    Het vorige trimester hebben we het over verkiezingen gehad. We hebben het vocabulaire behandeld: stembiljet, peiling. Zodra de leerlingen mogen stemmen, stemmen ze op de regeringspartij. Omdat die de grootste stam vertegenwoordigt. En omdat, zo heeft John Khumalo me uitgelegd, de president daar de leider van is. Het is logisch dat je op die partij stemt, want de president is de belangrijkste man. 
En je stemt niet op de andere kandidaten, want die zijn minder belangrijk, dus daar heb je weinig van 
te verwachten. Nu maakt hij, met bedeesde stem, zijn punt nogmaals duidelijk. ‘Je stemt niet de president omdat hij het mooiste verhaal houdt, madam. 
Je stemt op hem omdat hij het mooiste huis heeft.’

    Nu doet ook Moses z’n mond open. ‘Politiek hebben we al gehad,’ zegt hij tegen John Khumalo. ‘We doen nu verhaal. Mag ik iets grappigs vertellen, madam?’

    Dit gaat de goede kant op, stel ik tevreden vast. ‘Een verhaal kan heel grappig zijn. Maar dat hoeft niet, natuurlijk.’

    ‘Moses is ook heel grappig,’ zegt Sipho. ‘Maar hij is geen verhaal.’

    Ik begin enthousiast te worden. Bijna zeg ik: ja, precies. Maar ik hou me in en lach naar Moses, omdat 
ik hem niet wil afvallen. ‘Ons leven is een verhaal,’ zeg ik. ‘We moeten ons leven proberen te begrijpen.’

    Tebogo steekt haar vinger op. ‘Zal ik “De krokodil en de kraai” vertellen?’

    Aha, denk ik, ‘De krokodil en de kraai’. Dat heb ik niet eerder gehoord. Al heb ik wel een idee hoe het zou kunnen gaan.

    ‘Dat kent madam helemaal niet,’ zegt John Bothole.

    Tebogo is van haar stuk gebracht. ‘Hoezo kent ze dat niet? Ze is heus niet dom, hoor.’

    Susannah kijkt op van haar breiwerk. ‘Kraai is slim.’

    ‘Maar krokodil doet bijten.’ John Bothole is niet zo ver als de rest van de klas. Maar als hij zijn best doet, kan hij zijn achterstand op tijd inlopen voor het examen.

    ‘Schrijf die fabel vanmiddag maar in het studie-uur,’ zeg ik.

    ‘Je bent een nitwit, Tebogo,’ zegt Joel. ‘Zie je nou wel dat madam het niet kent. Anders hoefden we het niet op te schrijven. Hoe kan ze nou weten of ze het wil horen als ze het niet eens kent?’

    ‘Pooeeheee,’ zegt Tebogo. Ze blaast haar wangen leeg, diep beledigd. Geërgerd schraapt ze haar stoel over de vloer.

    ‘Ze is in haar wiek geschoten,’ lacht Sipho.

    Soms gebruiken ze de raarste uitdrukkingen. Uit schoolboeken van hun grootouders, als die ze hadden. In haar wiek geschoten. Eerlijk duurt het langst. Met voorbedachten rade.

    ‘Luister,’ zeg ik. ‘Ik zal zelf een verhaal vertellen, dat is misschien het beste. Een verhaal als voorbeeld. En dan kunnen we er met z’n allen over praten.’ Ik denk even na. ‘Stel, drie vrienden zitten bij elkaar. Het is avond, en ze besluiten om uit te gaan. Naar het café.’

    Susannah steekt haar vinger op. ‘Zijn het alle drie mannen?’

    ‘Ja, het zijn alle drie mannen.’

    Susannah leunt gerustgesteld achterover. Als er vrouwen in het café zouden zijn, ging het verhaal over prostitutie.

    ‘De drie vrienden hebben het heel gezellig,’ zeg ik. 
‘Ze komen geen bekenden tegen. Ze drinken twee biertjes, en dan zegt er een: “Het is al laat.” En dus gaan ze naar huis.’

    Ik hou even m’n mond. ‘Dit verhaal is maar saai,’ 
zeg ik ten slotte.

    Ze glimlachen geduldig. Alsof ze het spannend genoeg vinden. Tebogo vraagt: ‘Hoe heten die drie vrienden eigenlijk?’

    ‘Daar heb ik niet over nagedacht. Het doet er eigenlijk niet toe.’

    Ze kijken teleurgesteld.

    ‘Maar we kunnen ze best namen geven hoor,’ zeg ik. ‘Moses. Sipho.’

    ‘O, zijn ze zwart?’ vraagt Agnes bedeesd. ‘Dat wisten we niet.’

    Ik kijk haar vriendelijk aan. Agnes neemt niet vaak het woord. ‘Zie je ze voor je?’ vraag ik. ‘Bijvoorbeeld wat voor kleren ze aanhebben?’

    ‘Jawel, madam.’ Agnes slaat haar ogen neer.

    ‘U moet nog een derde naam noemen,’ zegt Joel.

    Ik aarzel even. ‘Laten we die dan maar John Khumalo noemen.’ Ik weet dat ze geen van drieën lid zijn van de Christian Union. Je hoeft maar een verkeerde naam te noemen of ze lopen de klas uit als ik ze naar een café laat gaan, zelfs al is het een denkbeeldig café.

    ‘Nu ga ik het verhaal wat mooier maken,’ zeg ik dan. ‘Door het een beetje te veranderen. Luister. De drie jongens zitten in het café, en op een gegeven moment zegt er een: “Hé, daar loopt een oude vriend van me. Even vragen hoe het met hem is.” En weg is hij. Als hij terugkomt…’

    ‘Woordvolgorde!’ zegt Tebogo. De klas schiet in de lach. ‘Weg is hij?’

    ‘Jazeker,’ zeg ik, ‘dat is heel gewoon als we een verhaal vertellen. Dat heet inversie. Dan draai je de woorden om.’

    ‘Waarom?’

    ‘Voor het ritme. En de nadruk. De verteller hoeft zich niet aan de regels te houden. Want haar rol is heel bijzonder.’ Weer aarzel ik, nu over mijn woordkeus. Voor je het weet ontstaat er een misverstand. ‘Haar rol. Niet haarrol.’ Ik schrijf de woorden op het bord. ‘Haar taak, bedoel ik. Daarom mag je de dingen omdraaien, en bijvoorbeeld ook de tegenwoordige tijd gebruiken. Want dan is het net alsof we erbij zijn, bij de mensen uit het verhaal.’

    ‘Wij zijn ook in dat café?’ Susannah klinkt ietwat geschrokken.

    ‘Als de verteller aan het woord is, ziet ze het verhaal voor zich, alsof het zich hier en nu afspeelt. En het is de bedoeling dat de luisteraar het zich ook voorstelt.’

    Moses kijkt ongerust. ‘Wie is de luisteraar?’

    ‘Jij.’ Ik glimlach. ‘Jij bent de luisteraar.’

    ‘God is de luisteraar,’ zegt Joel.

    Er klinkt instemmend gemompel.

    En het getik van Susannahs naalden. ‘Christus is onze Verlosser. God zij geloofd.’

    ‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel

    Ik zou het liefst de borstel naar haar hoofd gooien, maar ik beheers me. Als je hier een jaar bent, hou je 
je niet langer in, zo is me verteld.

    ‘Terug naar het 
verhaal. We maken het nog een beetje mooier. John Khumalo ziet zijn oude vriend. Hij gaat achter hem aan. Hij loopt het café uit. Tien minuten later komt hij terug. Met zijn hoofd verkeerd om.’

    ‘Aiiii,’ zeggen de luisteraars.

    ‘Zijn hoofd staat achterstevoren op zijn schouders. Hij kijkt naar zijn vrienden als hij op ze af loopt, maar zijn voeten wijzen naar de deur waardoor hij 
is binnengekomen.’

    ‘Wat erg!’ Susannah wuift zich koelte toe met haar breiwerk, twee centimeter lila met bruin.

    Tebogo gebruikt haar schrift als waaier. ‘Dit gaat te ver.’

    ‘Maar het verhaal is er wel beter op geworden,’ zeg ik. ‘Wat zullen zijn vrienden zeggen als ze hem zien?’

    ‘Aiiii,’ oppert John Bothole.

    ‘Ze schrikken zich een hoedje,’ zegt Tebogo. ‘Ze willen weten wat er gebeurd is.’

    ‘En wat zegt hij dan, denken jullie?’

    Nu mengt ook Elijah zich in het gesprek. Hij is een trotse jongen met een scherp verstand. ‘Kan zoiets echt?’

    ‘In een verhaal wel, hoor.’

    ‘Misschien,’ zegt Sipho, ‘speelt het zich af in een ver land, of in een ver geleden.’

    ‘Dat kan niet,’ werpt Elijah tegen met een bedenkelijke blik, ‘want jij komt erin voor, Sipho. En jij bent tegenwoordige tijd.’

    Ik heb geen idee waar ik hem zo ineens vandaan 
heb gehaald, deze stripfiguur met zijn omgedraaide hoofd. Hij is net zo komisch en wonderlijk als een reus uit een kinderboek. Zijn blote voeten zijn even lang als zijn kuiten, met dikke tenen die wriemelen onder het lopen. Hij heeft een grijns van oor tot oor, en een gebit als een rij hoekige grafzerken. Ik moet er zelf vanbinnen om lachen. ‘Is dit grappig?’ vraag ik. ‘Wat vinden jullie?’

    Op dit punt van de les wil ik geen lange stilte laten vallen. ‘Wacht, ik kan het nog mooier maken,’ zeg 
ik. ‘Soms laten we een verhaal op een onverwachte manier aflopen. We zetten de lezer expres op het verkeerde been. Die denkt dat het de ene kant op gaat, maar eigenlijk gaat het precies de andere kant op. Zo zorgen we dat het einde verrassend is.’

    ‘Het is nu toch al verrassend?’ zegt Sipho. ‘Ik vind het verrassend genoeg. Het is gewoon tegennatuurlijk.’

    Ik schiet in de lach. ‘Dat is het ook. Maar toch kunnen we er nog een extra wending aan geven. Stel je voor: hij loopt het café uit, blijft tien minuten weg, komt terug, loopt naar zijn vrienden toe, met zijn hoofd achterstevoren, en die roepen allebei: “John! Wat is er met je hoofd gebeurd?” En dan zegt John: “Hoezo? Waarom kijken jullie me zo aan? Zijn jullie soms gek geworden? Er is niks met mijn hoofd gebeurd.”’

    Nu vind ik het echt een goed verhaal worden. Ik kijk op mijn horloge. Door de vele vragen – die ik vanzelfsprekend alleen maar aanmoedig – zijn we altijd meer tijd kwijt dan mijn bedoeling is. Daardoor heb ik aan het eind van de les nog maar een paar minuten om tot de kern te komen.

    Robinah steekt haar vinger op. Ze is een fors, moederlijk meisje, dat meestal alleen iets zegt als je haar rechtstreeks aanspreekt. Ze heeft ons het hele trimester lang met welwillende afstandelijkheid gevolgd. ‘Madam, deze John, John Khumalo. Heeft hij zelf niet gemerkt dat er iets met hem gebeurd is?’

    ‘Kennelijk niet.’

    ‘Heeft hij geen pijn?’

    ‘Nee,’ zeg ik.

    Ik geef verder geen tekst en uitleg. Er trekt een golf van rumoer en consternatie door de klas, maar die negeer ik. Ik wil zien waar dit heen gaat.

    ‘Dan heeft Sipho gelijk. Dit is tegennatuurlijk.’

    ‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel. De les is voorbij.

    Hamlet

    Als ik de volgende dag naar de klas kom, staat Shakespeare op het programma. We hebben besproken waarom Desdemona op Othello valt, hoe het allemaal begint. Dit is voor iedereen een heikel thema; over de grens in Zuid-Afrika, zo is me duidelijk gemaakt, zou Othello door zijn gedrag een proces aan z’n broek krijgen. Het hoofd Engels zegt: ‘Kop op, we hebben het allemaal moeten doen. We hebben de lesstof nu eenmaal niet voor het kiezen. Die ouwe Bullock hebben ze hoorndol gemaakt toen hij Hamlet behandelde. Dat trok die beste man niet. Daarom is hij vertrokken en hebben we jou nu.’

    Ik leg mijn stapel schriften neer. Susannah graait 
in haar tas en haalt er een stel naakte naalden uit; 
de bruin-met-lila muts is blijkbaar af. ‘Jullie hebben goed je best gedaan,’ zeg ik. Ik kijk om me heen. ‘Weet iemand waar John Khumalo is?’

    Niemand geeft antwoord. In het geroezemoes klinkt een zweem van afkeuring door. Susannah haalt een streng bloedrode wol uit haar zak. Ze trekt het eindje los met haar tanden en begint de draad om haar hand te winden. Dan zegt ze: ‘John ligt in het ziekenhuis, madam.’

    ‘Ach jeetje,’ zeg ik bedaard. Dat gebeurt wel vaker. Soms willen de kinderen er gewoon even tussenuit. Dan ontdek ik hier en daar nog meer lege plekken, 
al is het me niet meteen duidelijk wie er ontbreken.

    ‘Zijn ouders zijn gekomen.’ Joel klinkt treurig. ‘Om hem op te halen.’

    ‘Waarom?’ Ik denk: Het zal toch niet vanwege achterstallig schoolgeld zijn? Zo vlak voor het eind van het trimester?

    ‘Ze kwamen met een vrachtwagen,’ zegt Joel. ‘Hij kan niet lopen.’

    ‘Niet lopen? Wat is er dan gebeurd?’

    Robinah schraapt haar keel. ‘John schreeuwde het uit, zo’n pijn als het heeft gedaan. In tien minuten lukte het ze niet. Maar uiteindelijk is het ze toch gelukt.’ Haar grammatica is bijna vlekkeloos, stel ik vast. Maar dan gaat ze alsnog de fout in. ‘John gilt en smeekt,’ zegt ze. ‘Hij merkt het echt wel hoor, dat ze aan hem draaien.’

    Agnes zegt: ‘Tebogo had gelijk. Alleen heksen kunnen zorgen dat hij niet schreeuwt. Maar als we vorig jaar Macbeth lezen, hebben we niet goed genoeg opgelet.’ Ze knikt en zucht. ‘Ons leven is een verhaal,’ zegt ze dan.

    Auteur: Hilary Mantel
    Vertaler: Cecilia Tabak

    Hilary Mantel is een Britse auteur van korte verhalen, memoires, essays en romans. Ze won twee keer de Man Booker Prize gewonnen, in 2009 voor de roman Wolf Hall, in 2012 voor Bring Up the Bodies. Samen met haar man woonde ze vijf jaar in Botswana en vier jaar in Jeddah, Saoedi-Arabië. Na haar terugkeer in Engeland was ze filmcriticus bij The Spectator en recensent voor verschillende media in Groot-Brittannië en de VS. The New Yorker omschrijft haar werk als een mix van dood, berechting, hemel, hel en humor.

    London Review of Books
    Verenigd Koninkrijk | oplage 45.905
    Besteedt aandacht aan literatuur en politiek, in navolging van de prestigieuze New York Review of Books. Bij uitstek geschikt om op de hoogte te blijven van wat actueel is in de Angelsaksische letteren. Meer dan de helft van de oplage wordt in het buitenland verkocht.

  • Waarom de studentenprotesten een keerpunt zijn voor Zuid-Afrika

    Waarom de studentenprotesten een keerpunt zijn voor Zuid-Afrika

    De recente demonstraties van Zuid-Afrikaanse studenten gaan over veel meer dan een verhoging van het collegeld. Ze laten zien dat ook de nieuwe zwarte politieke elite moet oppassen dat zij het contact met de samenleving niet verliest.

    Het was de eenendertigste president van Amerika, Herbert Hoover, die ooit spottend zei dat ‘jongeren gezegend zijn omdat zij de nationale schuld zullen erven’.

    Die opmerking maakte hij een paar jaar nadat Franklin Roosevelt hem in 1932 van een herverkiezing had afgehouden. Hoover kreeg toentertijd de schuld in de schoenen geschoven voor de Grote Depressie, die samenviel met het begin van zijn ambtstermijn.

    Het citaat kwam in me op toen ik de minister van Financiën, Nhlanhla Nene, hoorde aankondigen dat de regering 200 miljoen rand [ruim 13 miljoen euro] opzij had gezet voor ‘voorbereidende werkzaamheden’ 
aan het Zuid-Afrikaanse kernenergieproject.

    Dat voorgestelde project – waarvan president Jacob Zuma de spil vormt – zal naar verwachting inderdaad miljoenen rand gaan kosten – één biljoen als we sommigen mogen geloven. Dat geld zullen we ergens moeten lenen.

    Op het moment dat Nene dit eind oktober aankondigde in zijn begrotingsspeech, hadden duizenden gefrustreerde studenten zich verzameld bij de hekken van het parlement om te eisen dat naar hen zou worden geluisterd. Nene repte met geen woord over de crisis die letterlijk voor de deur stond.

    In wat nu al een historisch moment is, baanden de studenten zich een weg over het parlementsterrein, en kwamen zelfs helemaal tot aan de deuren van het Lagerhuis waar Zuma, zijn kabinet en andere parlementariërs bijeen waren om naar Nene’s verklaring over het budgetbeleid te luisteren. In het Lagerhuis deed iedereen alsof er buiten niets aan de hand was, afgezien van de Economic Freedom Fighters [EFF, de partij van de voormalige president van de ANC-Jeugdliga, Julius Malema]. Zij werden weggestuurd omdat de partij eiste dat over de studentenprotesten zou worden gesproken.

    Ondertussen eisten de studenten dat de minister van Hoger Onderwijs, Blade Nzimande, naar buiten zou komen om te spreken over hun eis de voor 2016 voorgestelde verhoging van het collegegeld met 6 procent te bevriezen. De daaropvolgende taferelen – schermutselingen, stungranaten en arrestaties – hoef ik niet nog eens te beschrijven.

    gettyimages 493987154

    Keerpunt

    De gebeurtenissen van 21 oktober vormden een keerpunt in het politieke debat in het Zuid-Afrika van na de apartheid. Voor het eerst sinds 1994 daagden studenten de heersende elite uit, en ze verstoorden de maatschappelijke orde op een nog nooit vertoonde wijze.

    Als ze hadden gewild, hadden ze het Lagerhuis kunnen binnenvallen, maar ik betwijfel of ze dat van plan waren. Het symbolisch uitdagen van de heersende macht en de status quo was 
voldoende. En het spreekt ook voor de studenten dat ze zich afkeerden van politieke opportunisten die probeerden de legitieme strijd tegen de verhoging van het collegegeld uit te buiten voor politiek gewin.

    Leiders van de [liberale] Democratische Alliantie en de EFF werden uitgejouwd toen ze probeerden een slaatje te slaan uit de situatie.

    Zelfs het ANC, dat pas laat besefte dat het verkeerd bezig was en de situatie probeerde te redden door Blade Nzimande alsnog naar buiten te sturen om de studenten voor het parlement toe te spreken, was niet welkom. Het was te laat. Zijn poging om hen via een luidspreker te bereiken, werd overstemd door demonstranten die ‘Blade must fall’ schreeuwden [naar het voorbeeld van de slogan #RhodesMustFall, waarmee studenten strijden voor het weghalen van een standbeeld van de koloniaal Cecil Rhodes bij de universiteit van Kaapstad]. Zijn zesprocentvoorstel werd ronduit afgewezen door de studenten. Eerder had Nzimande journalisten laten weten dat de protesten niet op een ‘crisis’ wezen.

    Het lijkt erop dat het ANC zich weer in eenzelfde positie bevindt als in 1976, toen het te laat in de gaten had dat zich een politieke vloedgolf over het land verspreidde – studentenopstanden die men niet in de greep had en waar men geen invloed op kon uitoefenen.


    Wantrouwen

    Nzimande en andere ANC-kopstukken behandelen de studenten net zoals de toen in ballingschap levende ANC-leiders de jonge Steve Biko [een van de kopstukken in de strijd tegen de apartheid]: met wantrouwen. Pas na de opstand in Soweto vroeg het ANC de jonge Thabo Mbeki contact te maken met mensen als Biko. Dat is nooit gebeurd, want Biko werd in 1977 vermoord.

    De taferelen in het parlement hebben de positie van het ANC, dat zichzelf toch profileert als de stem van het volk, op ernstige en gewelddadige manier ondermijnd. Het was beschamend.

    Door politieke invloed van buitenaf 
van de hand te wijzen, hebben de protesterende studenten de boodschap af-gegeven dat zij zichzelf zullen bevrijden. Niet dat ze apolitiek zijn – een groot aantal van hen maakt deel uit van verschillende politieke organisaties – maar ze hebben duidelijk ge-maakt dat ze een gemeenschappelijke strijd voeren voor toegang tot onderwijs, en er niet op uit zijn om op een makkelijke manier een politiek punt te scoren.

    In een land met een maatschappij die zo ongelijk is als de onze, waren dergelijke protesten al een hele tijd te verwachten. De studenten voeren strijd voor hun toekomst en die van dit land. Per slot van rekening zijn zij het die dit land en zijn schuld zullen erven.


    Toekomstige leiders

    Bij afwezigheid van een substantiële bijdrage van de private sector aan de verbetering van het onderwijs, moet de regering zichzelf een serieuze vraag stellen. Wil zij toekomstige generaties belasten met de schuld van een ambitieus kernenergieproject – waarvan slechts weinigen in de regeringspartij veel kennis lijken te hebben – of zou het verstandiger zijn een deel van het geld te steken in de opleiding van de toekomstige leiders van het land? Al 
in het volgende financiële jaar zal de staatsschuld stijgen tot naar verwachting 49,8 procent van het bruto binnenlands product.

    Wat ook het resultaat van de protesten zal zijn – de invoering van een onderwijsbelasting, een tijdelijke opschorting van de collegegeldverhoging of meer staatssubsidie voor universiteiten – het is duidelijk dat de dingen nooit meer hetzelfde zullen worden.

    Sibusiso Ngalwa

  • Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Onder druk van hun ouders moeten scholieren in de VS steeds harder werken, zo stellen onderzoekers. Dat leidt tot angsten, slaapgebrek en zelfs het gebruik van pepmiddelen. Gaan Amerikaanse ouders te ver?

    Frank Bruni: Ja

    Bij het lezen van het zojuist verschenen boek Overloaded and Underprepared kreeg ik soms medelijden met Amerikaanse middelbare scholieren. De meest ambitieuze onder hen doen er alles aan om maar beter te zijn dan de rest. Sommige gebruiken pepmiddelen als Aldenall. Anderen spieken. Maar het meest aangrijpende was wel wat ik las over slaap. Zolang je nog niet volwassen bent moet je goed slapen. Anders ga je er geestelijk aan onderdoor. Maar veel tieners zijn tegenwoordig zo opgefokt en gestrest dat ze bij lange na niet genoeg uitrusten. In het boek komt een middelbare school in Silicon Valley voor die slaapexperts van buitenaf inhuurde, een soort slaapcurriculum opstelde en leerlingen opleidde tot ‘slaapambassadeurs’. Allemaal om maar een oog dicht te kunnen doen. Slaapambassadeurs? Zelf ging ik in de tachtiger jaren naar de middelbare school, in een omgeving die destijds als veeleisend gold. Het enige slaapprobleem waar ik en mijn medeleerlingen mee kampten was dat we ons versliepen, waardoor we te laat op school kwamen. Nu is het andersom: het probleem is niet meer hoe je tieners hun bed uit krijgt, maar hoe je ze kunt laten pitten. Dat geeft aan hoe – onder een ambitieus en bevoorrecht deel van de Amerikanen tenminste – opgroeien is verworden tot een exact uitgestippelde, op status gefixeerde en soms ronduit geestdodende race. Het boek, geschreven door Denise Pope, Maureen Brown en Sarah Miles, kijkt naar de hoeveelheid huiswerk, de opbouw van een schooldag en nog veel meer. Het is het laatste in een reeks boeken die vraagtekens zetten bij de overdreven bemoeizucht van ouders, het teveel aan bijlessen, de al te intensieve voorbereiding op gestandaardiseerde tests en dergelijke uitwassen. Een overkoepelend thema van het genre is: ‘genoeg is genoeg’. Volgens Denise Pope, professor pedagogiek aan Stanford University, komt er een moment dat je moet zeggen: nee, dit wordt te gek. De waanzin beperkt zich niet tot een gebrek aan slaap, maar dit thema illustreert wel perfect de trend dat er bij het opgroeien steeds minder plek is voor spontaneïteit en speelsheid, omdat alles moet wijken voor ‘de druk van 
de perfectie’. Een recent artikel in The New York Times beschreef zes zelfmoorden in dertien maanden op de 
Universiteit van Pennsylvania, de angstigheid en depressies die heersen op college-campussen en het onvermogen van veel uitblinkers om ook maar de kleinste tegenslag te verwerken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben deze studenten gewoon behoefte aan slaap. In een recent onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift Pediatrics gaf 55 procent van de Amerikaanse tieners van tussen de 14 en 17 jaar aan minder dan zeven uur per nacht te slapen, terwijl de National Sleep Foundation hun wel acht tot tien uur aanraadt.

    Frank Bruni is opinieredacteur van The New York Times. Hiervoor werkte hij als restaurantcriticus voor dezelfde krant. Hij schreef boeken over de liefde van zijn familie voor eten en over George W. Bush.

    Robert Pondiscio: Nee

    Over het onderwijs wordt eindeloos gediscussieerd: over de hoeveelheid huiswerk, wiskundeonderwijs, straf op school en nog een aantal hete hangijzers. Zo nu en dan laaien deze discussies op en bedaren dan weer, zonder dat ze ooit afgesloten of beslist worden. Een van die eeuwige twistpunten is opeens terug van weggeweest: de mythe van het overbelaste kind. Opgetogen begroette _New York Times_–columnist Frank Bruni het verschijnen van een golf aan nieuwe boektitels over het onderwerp, met als overkoepelend thema: ‘genoeg is genoeg’. Hij beweert dat de Amerikaanse jeugd in een snelkookpan van overbelasting en stress moet opgroeien, 
al is daar in onderzoeksresultaten weinig van terug te zien. In 2006 bijvoorbeeld gingen psycholoog Joseph Mahoney en zijn collega’s na hoeveel tijd kinderen precies aan sportwedstrijden en -trainingen, religieuze activiteiten, vrijwilligerswerk, naschoolse activiteiten en andere verplichtingen besteden. Gemiddeld was het vijf uur per week. Zo’n veertig procent van de tieners deed doordeweeks helemaal niet mee aan georganiseerde activiteiten. Waar zijn die overbelaste uitblinkertjes eigenlijk? Niet meer dan zes procent van de Amerikaanse tieners neemt wekelijks twintig uur of meer deel aan buitenschoolse activiteiten, en zelfs deze overdrijvers blijken uiteindelijk beter af te zijn dan degenen die er helemaal niet aan doen. ‘De bewering dat buitenschoolse programma’s te zwaar zouden zijn, is overdreven,’ aldus professor Mahoney. ‘Relatief weinig jongeren hebben te veel naschoolse verplichtingen en zelfs zij doen het in alle stadia van hun jeugd op allerlei vlakken beter dan jongeren die helemaal nergens aan meedoen,’ benadrukt hij. Toen ze in 2012 opnieuw gingen kijken, bleek dat bij hen de gunstige effecten van extra–
curriculaire activiteiten ook als jongvolwassen nog merkbaar waren. ‘Ze hadden minder last van spanningen, hun studieresultaten waren beter en ze waren maatschappelijk meer betrokken.’ Er bestaat een wijde kloof tussen het 
beeld van de overbelaste Amerikaanse tiener in de media 
en de werkelijke situatie. Bruni geeft zelf al aan dat de overbelasting vooral een probleem vormt voor ‘een ambitieus 
en bevoorrecht deel van de Amerikanen’. Ik geloof graag dat in veel gezinnen kinderen inderdaad onder grote druk staan om te presteren en veel te bereiken. Maar veel zorgelijker zijn de vele Amerikaanse kinderen die veel te weinig worden uitgedaagd, niet over lesmateriaal van academisch niveau beschikken en nauwelijks kansen of mogelijkheden hebben om aan buitenschoolse activiteiten mee te doen. Het zou jammer zijn als de zorgen omtrent een kleine bevoorrechte groep – hoe gegrond ook – zonder meer worden betrokken op de rest. Onderzoeksresultaten spreken duidelijke taal: de meeste kinderen hebben behoefte aan meer verdieping en uitdaging, niet aan minder.

    Robert Pondiscio is voormalig journalist en onderwijsspecialist. Hij adviseert scholen in de New Yorkse wijk Harlem en schrijft regelmatig opiniestukken voor o.a. The Wall Street Journal en The Atlantic.