Tag: onderzoek

  • Onderzoek: gifstoffen verergeren wereldwijde obesitasepidemie

    Onderzoek: gifstoffen verergeren wereldwijde obesitasepidemie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Succesvolle testlancering van passagiersruimteschip Boeing

    » Oscarwinnende componist Vangelis overlijdt op 79-jarige leeftijd

    Gifstoffen uit plastics en pesticiden zorgen voor zwaarlijvigheid

    Chemische vervuiling in het milieu vergroot de wereldwijde obesitasepidemie, zo blijkt uit een belangrijk wetenschappelijk onderzoek dat The Guardian aanhaalt. Verontreinigende stoffen die volgens de onderzoekers zwaarlijvigheid doen toenemen zijn onder meer bisfenol A (BPA), dat op grote schaal aan plastics wordt toegevoegd, alsook sommige pesticiden, vlamvertragers en luchtverontreiniging. De meest verontrustende conclusie uit het onderzoek is dat sommige gifstoffen die het gewicht doen toenemen de werking van de genen veranderen en zo van generatie op generatie kunnen worden doorgegeven, schrijft de Britse krant.

    Wereldwijd is obesitas sinds 1975 verdrievoudigd, waarbij meer mensen nu zwaarlijvig zijn en meer mensen hebben dan ondergewicht. In elk land dat in het onderzoek is meegenomen neemt obesitas toe. Bijna 2 miljard volwassenen zijn nu te zwaar en 40 miljoen kinderen onder de vijf jaar hebben obesitas of overgewicht.

    Obesogenen verstoren de energiebalans, waardoor aankomen gemakkelijker wordt en afvallen moeilijker

    Obesogenen, zoals de gifstoffen worden genoemd, werken door de ‘metabole thermostaat’ van het lichaam te verstoren, aldus de onderzoekers, waardoor aankomen gemakkelijker wordt en afvallen moeilijker. De balans van het lichaam tussen energie-inname en -verbruik berust op het samenspel van verschillende hormonen uit het vetweefsel, de darmen, de alvleesklier, de lever en de hersenen.

    De verontreinigende stoffen kunnen het aantal en de grootte van de vetcellen rechtstreeks beïnvloeden, de signalen die mensen een vol gevoel geven verstoren, en de schildklierfunctie en de dopamineniveaus veranderen, aldus de wetenschappers. Ze kunnen ook het microbioom in de darm beïnvloeden en gewichtstoename veroorzaken door de opname van calorieën door de darmen efficiënter te maken.

    Lees ook:

  • De voorbeeldige culturele integratie van döner kebab

    De voorbeeldige culturele integratie van döner kebab

    Vijftig jaar geleden deed döner zijn intrede in Berlijn, sindsdien heeft het broodje vlees van het spit meer gedaan voor het interculturele contact in Duitsland dan welke politieke oproep dan ook. Socioloog Eberhard Seidel deed onderzoek naar de cultuurgeschiedenis van ieders favoriete dronken snack.

    Wie in de zomer van 1994 als jongere uit Franken vanwege een uitwisselingsprogramma voor het eerst naar Turkije reisde, zonder ooit in kebabhoofdstad Berlijn te zijn geweest, kende het woord ‘döner’ vooral uit een popsong van de Turkse superster Tarkan. In die tijd was ‘Hepsi senin mi?’ in alle clubs en bars te horen. Aan de rand van de dansvloer lieten we, cultureel geïnteresseerd als we waren, Tarkans verzuchting ‘Ah yanar döner’ door de lokale bevolking vertalen. De een legde het uit als ‘Je draait alsof je in brand staat’, een ander als ‘Het vuur draait’ of in ieder geval iets met draaien.

    Wat bedoeld werd was een bevallige vrouw, zoveel was duidelijk, en niet ‘draaiend gebraad’, zoals de letterlijke vertaling van döner kebab ongeveer luidt. Waar wij terechtkwamen was alleen shish kebab te krijgen, kleine spiesjes met stukjes gebraden vlees, of köfte. Eenmaal terug in worstprovincie Franken, bleven we in het weekend broodjes gyros halen bij de Griekse straatverkopers, dat was toen populair. Er was geen kebab, nergens.

    Wie dit vandaag de dag aan een twintigjarige vertelt, lijkt wel een getuige uit de tijd van de Merovingen [een dynastie van Frankische koningen die regeerden van de vijfde tot in de achtste eeuw]. Alleen al in Duitsland wordt dagelijks ongeveer 550 ton döner met ‘alles erop’ gegeten, en de omzet uit de verkoop van döner, dürüm döner en dönerboxen bedraagt vijf miljard euro. Dat is meer dan die van alle Duitse McDonald’s-filialen samen. Wie eten dat allemaal? Snelle enquête onder vrienden: niemand. Het zullen de anderen wel weer zijn.

    Turks-Duitse geschiedenis

    Wie zich afvraagt waar en wanneer de eerste kebab werd gegeten, belandt onvermijdelijk in een stuk Turks-Duitse geschiedenis. Het is vermakelijk om je hierin te verdiepen aan de hand van het lovenswaardige boek Döner. Eine türkisch-deutsche Kulturgeschichte van Eberhard Seidel.

    Socioloog en journalist Seidel wordt beschouwd als Duitslands spitdeskundige bij uitstek. Toen hij midden jaren zeventig naar Berlijn verhuisde, was hij kebabconsument van het eerste uur. In de loop der jaren observeerde hij de aanvankelijke euforie en zag hij de kwaliteit achteruitgaan. Hij sprak met pioniers, producenten en verkopers en zegt: ‘Het consumeren van kebab is als een bezoek aan een bordeel. Honderdduizenden doen het elke dag, maar degenen die de service verlenen krijgen geen erkenning vanuit de samenleving.’

    Het is niet moeilijk om een hekel aan kebab te hebben. Toen allerhande vleesschandalen door het land raasden, werd al snel naar een ‘kebabmaffia’ gewezen, ook al was het geknoei aantoonbaar de schuld van criminele Duitse vleesgroothandelaren. 

    In 2005 bedachten politie en media de term ‘kebabmoorden’, waaruit bleek dat vooroordelen in staat zijn rechtse misdaden te verdoezelen. Dat wat je bij jezelf niet graag onder ogen ziet, neem je al snel een ander kwalijk.

    Bedorven vlees, afgekeurde döner: wat je niet wilt zijn, dat eet je niet

    Op zijn vijftigste verjaardag, want zo oud wordt döner kebab tegenwoordig geacht te zijn, duiken weer teksten op over ‘bedorven vlees’ of troep in het brood, en dat maakt het er allemaal niet aantrekkelijker op, schreef journaliste Hatice Akyün. Dat ze zo’n afkeer heeft van döner zou ook kunnen komen doordat haar eerste Duitse vriend haar ‘mijn kleine kebabje’ noemde, zegt ze. Bedorven vlees, afgekeurde döner: wat je niet wilt zijn, dat eet je niet.

    Turkse academici hebben volgens Seidel een, jawel, ‘verstoorde verhouding’ met döner kebab. Dat is makkelijk te verklaren: ‘Döner kebab heeft interculturele contacten sterker bevorderd dan alle culturele initiatieven, verzoeningsfeesten en morele en politieke oproepen bij elkaar. Dat doet pijn, want het wijst hen op hun eigen beperkte betekenis.’ Döner kebab is cultuur.

    De vraag naar de oorsprong van döner, zegt Seidel, kan niet serieus worden beantwoord. Hij vindt het een vraag die kenmerkend is voor de spektakelmaatschappij. Die is tenslotte altijd ‘op zoek naar het beste, het origineelste, het oorspronkelijkste en uniekste om het dagelijks leven mee op te fleuren en zin te geven’. Maar gerechten en keukens ontwikkelen zich in een permanente uitwisseling tussen landen en culturen. Enig gevoel voor drama is Seidel niet vreemd: ‘Ik neem mijn hoed niet af voor één enkele persoon, maar voor de gehele generatie die aan de wieg heeft gestaan van de döner kebab.’

    Kjebab der Turken

    Al in het begin van de negentiende eeuw prees gastrosoof Carl Friedrich von Rumohr de ‘smaakvolle kjebab der Turken’, een schotel die verwant was aan de Arabische shoarma. Maar bijna een half pond vlees als fastfood was en is nog altijd ongebruikelijk in Turkije: volgens Seidel is de gemiddelde dagelijkse vleesconsumptie in Turkije met ongeveer 55 gram per hoofd van de bevolking slechts ongeveer een derde van wat in Duitsland wordt geconsumeerd. Kebab had de Duitsers nodig, en de Duitsers hadden kebab nodig.

    Daarvoor moest het draaiende spit in verticale positie worden gebracht. Twee koks in het Ottomaanse Rijk zouden dat in het midden van de negentiende eeuw onafhankelijk van elkaar hebben bedacht. Maar het was pas tijdens de economische crisis van de jaren zeventig van de twintigste eeuw dat het populairste fastfood van Duitsland pas op grote schaal werd geïntroduceerd: doordat buitenlandse werknemers niet meer werden aangenomen, werden veel ‘gastarbeiders’ werkloos. Sommigen wisten zichzelf en hun gezinnen te redden door een kebabzaak te beginnen. Meestal hadden ze geen gastronomische ervaring en noch enig benul van het slagersvak. Improvisatie was vereist, evenals een eigen netwerk, dat eerst moest worden gecreëerd. In ruil daarvoor hoefden zij in ieder geval niet langer te luisteren naar de xenofobe opmerkingen van hun voormalige afdelingshoofden.

    De eerste döner kebab in Berlijn, herinnert Seidel zich, was heerlijk. Maar al snel veranderde de yaprak-döner, die tot 1981 gangbaar was en bestond uit laagjes kalfs-, rund- of lamsvlees, in gehakt dat bijeen wordt gehouden door zetmeel en aangelengd met paneermeel en waterbindende difosfaten. Eigenlijk niet veel meer dan een ‘braadworstje aan het spit’. Het gevoel van aluminiumfolie tegen je tanden maakt op de een of andere manier ook deel uit van de typische kebabervaring.

    ‘Je krijgt de kebab misschien uit de volksbuurt, maar de volksbuurt nooit uit de kebab’

    De kiloknallerisering van de delicatesse, en dat is een beetje venijnig misschien, komt door de Berlijnse clientèle met zijn goedkoop-goedkoper-goedkoopstmentaliteit, gecombineerd met de gewenning aan smaakversterkers. Zo ontstond een aan de vrije markt voorbehouden wederzijdse versterking: het aandeel Duitse döner kebab-klanten steeg in de jaren tachtig tot tachtig procent, maar de döner kebab werd alsmaar slechter.

    En verbeterde weer. Tesla-baas Elon Musk antwoordde in de herfst van 2020 op de vraag wat hij het liefst eet in Duitsland: ‘Döner kebab.’ Hotel Adlon in Berlijn serveert sinds 2018 de ‘Turkse klassieker’ met truffelcrème. In München werd onlangs ‘Duitslands eerste ambachtelijke kebab’ geopend, in Neurenberg serveert een ‘Vegöner’ vleesloos gegrild eten, en in Wenen is er een biologische kebabzaak waar ecohedonisten reepjes geroosterde zalmforel of ‘blije kip’ kunnen bestellen. Allemaal döner, maar ook beter?

    Die nieuwe creatieve kebab is er alleen voor de hogere klasse, schrijft Seidel. Voor de armeren is kebab vanwege de fabelachtige prijs-kwaliteitverhouding al bijna vijftig jaar ‘een solide pijler in hun moeizame strijd om te overleven’. Of, zoals Tobias Becker het onlangs in Der Spiegel formuleerde: ‘Je krijgt de kebab misschien uit de volksbuurt, maar de volksbuurt nooit uit de kebab.’

    Dankbaarheid

    Veel Turken financierden met de grill niet alleen de studie van hun eigen kinderen. Toen zij als jonge ‘gastarbeiders’ bijdroegen aan het Duitse sociale stelsel betaalden ze mee aan het onderwijs van autochtone arbeiderskinderen. Ook dat, zo toont Seidel aan, maakt deel uit van de gemeenschappelijke dönergeschiedenis.

    Zijn boek presteert daarmee iets onverwachts: het vergroot het respect voor degenen die de döner kebab deels uit pure noodzaak hebben uitgevonden. Zijn verhaal over het ontstaan en het wel en wee van deze schotel is er voor iedereen die in dit land woont, of je nu wel of geen ‘migratieachtergrond‘ hebt. Een beetje dankbaarheid is op zijn plaats, of je er nu van houdt of niet.

    Naast alle sociaal-historische veranderingen die zich uitkristalliseren in de döner kebab, is er vanuit zuiver esthetisch oogpunt ook nog het rustgevende effect van de eindeloze dialoog tussen de productiehandelingen enerzijds, en die van de consumptie anderzijds. Tijdens de bereiding gedraagt een man – meestal is het een man – zich achter de toonbank als een dj met zwierige gebaren. Dan volgt de verorbering: het aandachtig verslinden van vlees dat eerder op een fallische spies werd samengevoegd en er vervolgens weer werd afgesneden om te eindigen met ‘alles erop, ook sambal’ in een warm, zacht broodje. Voedzaam en troostend.

    De wereld brandt, maar de kebab draait door.

    Eberhard Seidel, Döner. Eine türkisch-deutsche Kulturgeschichte (März Verlag 2022)

  • Huiskatten vormen grote bedreiging voor inheemse fauna Australië

    Huiskatten vormen grote bedreiging voor inheemse fauna Australië

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Netflix verliest abonnees en crasht op aandelenmarkt

    » Mumbai wil 20 jaar eerder dan de rest van India klimaatneutraal worden

    Katten doden 1,7 miljard inheemse dieren per jaar

    In steeds meer gemeenten in Australië is het verboden om katten onaangelijnd buiten te laten lopen. De katten zouden een grote bedreiging vormen voor de inheemse fauna, meldt The Guardian.

    Een studie gepubliceerd in het tijdschrift Wildlife Research heeft uitgewezen dat huiskatten ongeveer 230 miljoen inheemse Australische dieren per jaar doden. Neem ook de verwilderde katten in ogenschouw, en het totaal komt uit op ongeveer 1,7 miljard inheemse dieren. Uit onderzoek blijkt dat wilde en gedomesticeerde katten verantwoordelijk zijn voor het uitsterven van tientallen soorten dieren en een bedreiging vormen voor nog eens honderdtwintig andere soorten.

    Sommige gemeenten stellen een avondklok in voor katten

    In veel Australische regio’s worden de eigenaars opgedragen hun katten binnenshuis te houden, waarbij sommige gemeenten een avondklok instellen en zelfs een verbod uitvaardigen om katten buiten te laten. Vanaf juli moeten in Canberra alle katten binnen worden gehouden. Greater Bendigo doet dat al, en de Adelaide Hills voerden begin dit jaar soortgelijke regels in.

    Om de huiskatten alsnog in de buitenwereld te laten komen, is het een oplossing om ze aan een lijn uit te laten. Dr. Jacqui Ley, een specialist in veterinaire gedragsgeneeskunde in Melbourne, werkt met dieren met geestelijke gezondheidsproblemen. Ze zegt in een interview met de Britse krant dat je een kat kunt leren aan de lijn te lopen. ’Sommige katten vinden het leuk om aan een lijn uitgelaten te worden. Ze zijn net als mensen. Sommige zijn sociaal, extravert, en sommige … blijven graag thuis.’

    Lees ook:

  • Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Waarom kost dezelfde appel in de ene winkel meer dan in de andere? Die vraag stelt de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price. Want de echte prijs van een product – inclusief externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij – ligt vrijwel altijd hoger dan de winkelprijs.

    Eind 2020 zette de charmante Amsterdamse supermarkt De Aanzet een bord op straat met de tekst: ‘Welkom in de eerste supermarkt ter wereld met echte prijzen’. Binnen bleken steeds twee prijzen vermeld te staan bij aardappelen, paprika’s, bananen, broccoli, brood en allerlei andere levensmiddelen. De ‘normale’ prijs voor tomaten was 3,75 euro per kilo, maar de ‘echte’ prijs bedroeg 3,97 euro. Het verschil van 22 cent stond voor de verborgen kosten van de teelt en het vervoer van de tomaten – dus de kosten van de CO2-uitstoot, onderbetaling van arbeiders en water- en grondverbruik.

    Die echte prijzen waren berekend door de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price, al in 2012 opgericht door Michel Scholte en Adrian de Groot Ruiz. Deze twee vrienden, de een kampioen in universitaire debatwedstrijden en de ander een voormalig universitair docent finance, werken samen met allerlei bedrijven – een chocoladeproducent, een bakkerijketen, banken en modemerken – om van uiteenlopende artikelen de werkelijke prijs te kunnen berekenen. De samenwerking met De Aanzet was hun meest publieke project tot nu toe. De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze. Ze kunnen de normale en de werkelijke prijzen nu met elkaar vergelijken: als het verschil tussen die twee bij de ene appel 5 cent en bij de andere 50 cent is, is die eerste appel dus afkomstig van een producent die milieubewuster en meer sociaal verantwoord bezig is. De klant kan er dan voor kiezen om voor zijn product de echte prijs te betalen, waarna De Aanzet dat extra geld doorsluist naar projecten die de kwalijke gevolgen van die stille kosten proberen tegen te gaan.

    Scholte en de Groot Ruiz leerden elkaar zo’n vijftien jaar geleden kennen bij een universitaire debatclub. Scholte studeerde sociologie aan de Vrije Universiteit en werkte als schoonmaker in de businesslounge op Schiphol. De Groot Ruiz studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze vonden elkaar in hun belangstelling voor gedragseconomie, statistiek en de onderliggende structurele oorzaken van armoede en milieuvervuiling. Als tiener had De Groot Ruiz, die ook liefhebbert in de natuurkunde, met twee vrienden eens een techniek bedacht om energie te winnen uit de golfslag op zee. Toen kreeg hij te horen dat investeerders daar geen interesse in hadden omdat de ‘businesscase’ voor de ontwikkeling ervan zo onzeker is. Dat vond hij volstrekt irrationeel. De ware kosten van fossiele brandstoffen – het instorten van ecosystemen, stijgende zeespiegel, extreem weer – zijn uitzonderlijk hoog maar blijven buiten de boeken, zodat die brandstoffen in vergelijking met alternatieven onrealistisch goedkoop lijken.

    ‘Externaliteiten’

    In hun studietijd sloten de twee zich al aan bij de Nederlandse denktank Worldconnectors. Daar praatten ze met gelijkgestemden over wat economen wel ‘externaliteiten’ noemen: de externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij, die niet worden meegenomen in prijsberekeningen. Mettertijd kwamen ze zo op het idee voor hun ‘echte prijzen’. Politici blijken vaak niet bereid bedrijven regelgeving op te leggen die streng genoeg is om de maatschappelijke en milieukosten fundamenteel te verlagen. Maar het is wel mogelijk de omvang van die kosten te schatten en die informatie direct in de prijzen te verwerken. Dus lanceerden Scholte en De Groot Ruiz in 2012 True Price, om bij te dragen aan de totstandkoming van duurzamere productieketens. De hoop is dat als bedrijven en consumenten zich minder illusies maken over de werkelijke kosten, dat zal leiden tot aanpassing van hun uitgavenpatroon en hun verkoop- en productiemethoden.

    Lage prijs is illusie

    Maarten Rijninks, de eigenaar van De Aanzet, hoorde voor het eerst over ‘echte prijzen’ op een lezing die Scholte in 2018 gaf. Hij beschouwt het nu als een manier om iets te doen aan een kwalijke situatie die zo wijdverbreid is dat we haar niet eens meer als vreemd ervaren. ‘Als je nu in een gewone supermarkt iets koopt, is dat altijd goedkoper dan hetzelfde product in mijn winkel, dat biologisch geteeld en duurder is,’ zegt Rijninks. Maar die lage prijs is een illusie: die is alleen mogelijk als je de ware kosten van de productie negeert. ‘Als je de echte prijzen berekent, zijn ook mijn producten goedkoper,’ zegt Rijninks. Sinds hij dit systeem hanteert, is de omzet van zijn winkel met een procent of vijf gestegen. Veel klanten zeggen het te waarderen. ‘Het probleem is dat klanten niet de middelen hebben om hun maatschappelijke en milieutechnische impact te verminderen,’ zegt hij. ‘Het is niet dat ze het niet willen.’

    Rijninks zegt tegen zijn klanten dat het systeem nog een experiment in uitvoering is. Een onontkoombaar probleem is misschien dat de gegevens van True Price niet perfect zijn. De analisten van de organisatie gaan soms uit van regionale gemiddelden, die de precieze productieomstandigheden van een specifiek artikel niet altijd goed weerspiegelen. En de herstelprojecten die De Aanzet heeft uitgekozen zijn niet altijd even doelgericht, zodat een klant die de echte prijs betaalt voor een banaan misschien meebetaalt aan een irrigatieproject van een spinazieboer. De komende jaren hoopt Rijninks met buitenlandse leveranciers gerichtere projecten op te zetten en ook meer producten in het systeem op te nemen dan alleen brood en verse groente en fruit. In de loop van dit jaar wordt het systeem ook nog op een andere manier uitgebreid: een vereniging van biologische winkels wil in al haar vestigingen in Nederland een pilot met echte prijzen gaan uitvoeren.

    De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze

    In De Aanzet kunnen de klanten de echte prijzen zien, maar bij andere bedrijven worden die voor interne analyse gebruikt. Tony’s Chocolonely vroeg Scholte en zijn mensen in 2013 om de ware kosten te berekenen van cacao uit Ghana en Ivoorkust. Ze hebben toen gekeken naar acht vormen van externe milieukosten en zes soorten maatschappelijke kosten, waaronder lucht-, bodem- en waterverontreiniging, klimaatverandering, onderbetaling en kinderarbeid. In West-Afrika, waar de meeste cacao in de wereld vandaan komt, zijn de arbeidsomstandigheden berucht: volgens een onderzoek van de universiteit van Chicago uit 2020 zijn in de cacaoproductie in Ghana en Ivoorkust anderhalf miljoen kinderen werkzaam. De grote merken beloven wel dat ze het probleem zullen oplossen, maar kinderarbeid blijft in deze sector een probleem.

    Tony’s Chocolonely

    True Price probeerde de kosten van al deze externe effecten te berekenen en kwam voor 2013 uit op een gemiddelde echte prijs voor cacao van 14,17 euro per kilo. Het grootste deel van die prijs, namelijk 12,07 euro, gaat op aan die externe kosten. Tony’s Chocolonely deed al erg zijn best om cacao van eerlijke producenten te krijgen, zodat zijn gemiddelde echte kosten een stuk lager waren: 7,93 euro, waarvan 5,99 euro de maatschappelijke kosten waren. Toen Tony’s het in 2017 opnieuw liet doorrekenen, was de echte prijs gedaald tot 4,52 euro, waarvan 2,93 voor externe kosten. En al zijn deze kosten slechts een beredeneerde gok – dus niet echt ‘echt’ – Tony’s Chocolonely kon ze goed gebruiken om doelstellingen te formuleren en de geboekte vooruitgang te meten.

    Tony’s spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens

    Tony’s betaalt hoger dan gemiddelde prijzen voor cacaobonen, stimuleert efficiëntere en duurzamere landbouwtechnieken, heeft een initiatief opgezet om de grondstoffen in de productieketen te kunnen volgen en een systeem opgetuigd om toe te zien op het voorkomen van kinderarbeid. Het bedrijf spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens. True Price stelde vast dat de boerencoöperaties die producten aan Tony’s Chocolonely leveren meer winst maken, veiliger zijn en zich minder vaak aan kinderarbeid schuldig maken dan de gemiddelde leverancier in de sector. Als het bedrijf op deze voet doorgaat, kunnen de verborgen kosten van de chocola van Tony’s in de komende jaren het nulpunt bereiken.

    Om een concreet cijfer te plakken op de kosten van kinderarbeid of bodemerosie moet je eerst een hele serie aannames doen. Ten eerste moet True Price natuurlijk beslissen welke kosten er moeten worden berekend. Daarbij gaan ze uit van kosten die verband houden met schendingen van mensenrechten zoals vastgelegd door de VN, in internationale verdragen of andere breed gedragen kaders. In deze op mensenrechten gebaseerde benadering is True Price compromisloos: zo verwerpen ze principieel de gedachte dat het scheppen van banen, aandeelhouderswaarde of het gemak van de consument het ‘waard’ kan zijn om mensenrechten te schenden – waaronder ook het recht op een gezonde natuurlijke leefomgeving. Bedrijven die grondstoffen betrekken uit gebieden waar sprake is van kinderarbeid kunnen hun echte prijzen voor True Price alleen verlagen door te zorgen dat er minder kinderen betrokken zijn bij hun productieproces. Ze kunnen die kinderarbeid niet wegstrepen tegen andere gunstige effecten en zeggen dat het nettoresultaat positief uitvalt.

    Andere onderzoekers voeren vergelijkbare berekeningen uit. Zo heeft een team in Italië berekend dat de verborgen kosten van een kilo rundvlees, inclusief de gevolgen voor het milieu en de gezondheid van de mens, zo’n 19 euro per kilo bedragen. Dat wil zeggen dat de verborgen kosten van de rundvleesconsumptie alleen al in Italië zo’n 36,6 miljard euro per jaar bedragen. En onderzoekers van de Britse Sustainable Food Trust hebben diezelfde kosten voor hun land berekend: zo’n 116 miljard per jaar. Volgens een rapport uit 2021 van The Rockefeller Foundation op basis van onderzoek door True Price en wetenschappers van de universiteiten Oxford, Harvard, Cornell en Tufts bedragen de ware kosten van het hele voedselsysteem van de VS, als de verborgen kosten voor maatschappij en milieu eenmaal worden meegerekend, minstens 3,2 biljoen dollar per jaar – bijna driemaal zoveel als de ‘normale’ uitgaven aan voedsel van het land, die 1,2 biljoen bedragen.

    Hervormingen

    Driemaal de huidige prijs voor voedsel betalen is geen houdbare strategie voor consumenten, bedrijven of overheden. Maar er zijn andere manieren om met behulp van echte prijzen tot hervormingen te komen. De afgelopen tien jaar heeft de federale Amerikaanse overheid gemiddeld 16 miljard dollar per jaar aan landbouwsubsidies uitgegeven, met name voor de productie van soja, maïs, rijst en graan. Als het terugdringen van de echte kosten een voorwaarde wordt voor die subsidies, zou dat een prikkel voor producenten zijn om aan een paar van de meest funeste landbouwpraktijken een eind te maken. Net als bij supermarkt De Aanzet zou transparantie over de echte prijs dan tot verandering kunnen aanzetten.

    Alleen al praten over prijzen kan zijn nut hebben. Een product heeft geen ‘echte’ prijs in de objectieve zin waarin een element een atomaire massa-eenheid heeft. Maar de vragen die echte prijzen opwerpen zijn ook weer niet hopeloos subjectief. De meeste mensen zijn voorstander van een verbod op artikelen die geproduceerd worden in gevaarlijke omstandigheden door slaven en jonge kinderen.

    Eerlijke prijzen zijn ook rechtvaardige prijzen

    De analyses van True Price en andere deskundigen sporen ons aan om die redenering ook toe te passen op andere zaken: lonen die een bestaansminimum garanderen, bescherming tegen intimidatie, veilige arbeidsomstandigheden, duurzame productietechnieken enzovoort. In dat opzicht zijn eerlijke prijzen ook rechtvaardige prijzen: ze weerspiegelen ons morele besef dat we de mensenrechten en de natuur geen geweld mogen aandoen om goedkope artikelen te kunnen produceren. Mettertijd zal beter onderzoek ons nog meer inzicht geven in de kosten van het herstel van een ecosysteem waarin het grondwater door meststoffen is vergiftigd, of van het aanbieden van onderwijs aan boerenfamilies op het Ghanese platteland. Wat we nu al weten, is dat het weglaten van die kosten uit de prijsberekening betekent dat consumenten, overheden en bedrijven onjuiste informatie over de wereld krijgen voorgeschoteld. Dat is een vorm van liegen – over de natuur, over de economie en over elkaar.

  • Brits onderzoek: Beste bedtijd is rond 22.30 uur

    Brits onderzoek: Beste bedtijd is rond 22.30 uur

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Roep om verandering in Cuba houdt aan

    » Gaddafi’s zoon wil president worden

    Bedtijd heeft invloed op cardiovasculaire gezondheid

    De tijd waarop je naar bed gaat, kan het risico op hart- en vaatziekten beïnvloeden. Volgens Britse onderzoekers is het voor de gezondheid van het hart het beste om in slaap te vallen tussen 22.00 en 23.00 uur, bericht NBC News. Een analyse van gegevens van meer dan 88.000 volwassenen die gedurende ongeveer zes jaar werden gevolgd, toonde een risico van 12 procent hoger bij degenen die tussen 23:00 en middernacht in slaap vielen en een van 25 procent hoger op het ontwikkelen van hart- en vaatziekten bij mensen die om middernacht of later in slaap vielen. Eerder in slaap vallen dan 22.00 uur leidt tot een risicoverhoging van 24 procent, aldus het onderzoek dat maandag in The European Heart Journal Digital Health is gepubliceerd.

    ‘Vroege of late bedtijden vergroten de kans dat onze biologische klok verstoord raakt’

    ‘Hoewel we geen oorzakelijk verband uit onze studie kunnen concluderen, suggereren de resultaten dat vroege of late bedtijden de kans vergroten dat onze biologische klok verstoord raakt, met nadelige gevolgen voor de cardiovasculaire gezondheid’, aldus neurowetenschapper David Plans, coauteur van de studie.

    Lees ook:

  • In den beginne was het gebaar. Hoe we hebben leren communiceren

    In den beginne was het gebaar. Hoe we hebben leren communiceren

    We staan er zelden bij stil, maar spreken is een uiterst complexe vaardigheid. Hoe beeld je een woord als leegte aan elkaar uit als je nog geen enkele referentie hebt? Onderzoekers reisden terug naar het allereerste begin van de communicatie.

    ‘Im Anfang war das Wort…’

    Bijna vijfhonderd jaar geleden formuleerde Maarten Luther deze eerste regel van het Johannesevangelie in het Nieuwe Testament, toen hij de Griekse versie vertaalde in het Duits. Bedoeld was het goddelijke Woord aan het begin van de schepping. Maar deze regel werpt ook een fundamentele vraag op: Wat was het begin van de menselijke taal? Het woord, of iets anders?

    Hoe ontwikkelde zich precies het systeem dat een reeks opeenvolgende klanken een betekenis geeft? De grammatica die ieder van ons in zijn moedertaal moeiteloos beheerst? Generaties wetenschappers hebben hun tanden stukgebeten op dit raadsel. De Berliner Akademie der Wissenschaften loofde in 1769 al een prijs uit voor de oplossing ervan. De geleerden twistten erover of de taal door mensen gemaakt of door God gegeven was. In de loop van de achttiende eeuw verhevigde het debat, daarna verdween het van de wetenschappelijke agenda en tegen het einde van de twintigste eeuw dook het weer op.

    Vanuit heel verschillende invalshoeken benaderen wetenschappers de vraag hoe de mens tijdens zijn evolutie de taal heeft ontwikkeld. Onderzoekers uit Leipzig hebben gekozen voor een bijzondere aanpak. De ontwikkelingspsycholoog Manuel Bohn probeert de ontwikkeling van de taal in het laboratorium te achterhalen. Samen met zijn collega Gregor Kachel en de prominente Amerikaanse gedragsonderzoeker Michael Tomasello, bedacht hij een reeks experimenten waarin kinderen in de leeftijd van zes tot twaalf jaar de hoofdrol spelen.

    Het bijbelcitaat zou moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’

    De onderzoekers observeerden wat er gebeurt wanneer kinderen die geen gemeenschappelijke taal hebben elkaar ontmoeten. Voor de serie experimenten, die plaatsvond in de testruimtes van het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig, werden steeds twee jonge proefpersonen via een videoverbinding met elkaar in contact gebracht. Om de gemeenschappelijke taal te elimineren, stond het geluid uit.

    Behalve het beeldscherm waarop elk kind het andere kon zien, stond in beide ruimtes een bord met vijf afbeeldingen. Daarop waren tekeningen te zien van alledaagse activiteiten zoals haar kammen, hameren of fietsen. Eerst vroegen de onderzoekers steeds een van de kinderen om de inhoud van een van de afbeeldingen over te brengen naar het kind in de andere ruimte, maar zonder woorden te gebruiken.

    Selden Codex pg 07 panel 3 1 1
    Passage uit het Mixteeks-manuscript van omstreeks 1566. De twee figuren aan de rechterkant tonen het rood-witte vuurstenen mes-pictogram dat aan hun kleine spraakrollen is bevestigd. Dit betekent dat ze de reizigers aan de linkerkant verbaal aanvallen. – © Wikipedia

    Terwijl de zesjarigen spontaan gebaren maakten, dus bijvoorbeeld de beweging van het hameren nabootsten, deden de jongeren dat pas als de begeleiders hen op die mogelijkheid wezen. Was de communicatie eenmaal op gang gekomen, dan begreep men elkaar in beide leeftijdsgroepen even goed.

    ‘Goed’ betekent in dit geval dat het kind dat het gebaar van zijn tegenhanger op het beeldscherm bekeek en vergeleek met de vijf afbeeldingen, vaker de juiste afbeelding aanwees dan wanneer de keuze zuiver toeval was geweest.

    ‘Gebaren zijn krachtig,’ zegt Manuel Bohn. ‘Ze zijn heel geschikt om je verstaanbaar te maken als je nog geen gemeenschappelijke taal hebt.’ Dat heeft iedereen wel eens meegemaakt. Als je mensen tegenkomt die jouw taal niet spreken, dan gebruik je je handen: je wenkt iemand naderbij of brengt de handen naar de mond als je ‘eten’ wilt aanduiden.

    Hendrick van Cleve III 1525 1589 De bouw van de toren van Babel Kröller Müller Museum Otterlo 23 08 2016 13 10 57.JPG 1
    De bouw van de toren van Babel, Hendrick van Cleve III (1525-1589)

    Nabootsing

    Het bijbelcitaat zou dus moeten luiden: ‘In den beginne was het gebaar’, en volgens de onderzoekers een speciaal soort gebaar. ‘De kinderen hebben spontaan een uitbeeldend gebaar gebruikt om een link met het hameren op de afbeelding te leggen,’ verklaart Bohn. Vertaald naar de klanktaal corresponderen de pantomimische gebaren met de klanknabootsende begrippen. In het Duits en ook in andere talen berusten verhoudingsgewijs maar weinig woorden op klanknabootsing. Bijvoorbeeld de werkwoorden ‘klatschen’ (klappen) of ‘tuscheln’ (fluisteren). Ze imiteren het geluid dat twee handen voortbrengen als ze op elkaar slaan of als we zo zachtjes spreken dat alleen wie vlakbij staat ons verstaat.

    Klanknabootsende woorden zijn een afbeelding van het geluid dat een bepaalde bezigheid produceert, precies zoals veel gebaren een uitbeelding van die bezigheid zijn. 

    Het idee dat woorden door nabootsing van natuurlijke geluiden ontstonden, is niet nieuw. Ook taalfilosoof Johann Gottfried Herder, die de wedstrijd van de Berliner Akademie der Wissenschaften won, meende dat mensen de eerste taal ontwikkelden ‘uit klanken van de levende natuur’.

    Natuurlijk: schapen blaten, bijen zoemen en duiven koeren. Maar kan er werkelijk sprake zijn van taal als we klanknabootsende geluiden voortbrengen? Of wanneer kinderen handbewegingen kiezen en die steeds verder ontwikkelen? Voor taalwetenschappers is daar geen twijfel aan mogelijk.

    De Franse theoloog Charles-Michel de l’Epée, die in de tweede helft van de achttiende eeuw met hulp van dove mensen een Franse gebarentaal ontwikkelde, was ervan overtuigd dat gebarentalen volwaardige talen zijn, want ze blijven niet steken in afzonderlijke uitbeeldende gebaren, net zomin als de klanktalen in klanknabootsende natuurgeluiden. 

    ‘Leegte’ of ‘niets’

    ‘Als je spreek over taal, moet je daarin gebarentaal altijd meedenken,’ zegt Manuel Bohn. Hoe die taal wordt uitgedrukt, in geluiden of gebaren, is van ondergeschikt belang. Doorslaggevend acht de onderzoeker de psychische voorwaarden die talige communicatie mogelijk maken: ‘Zoals de kinderen in het experiment wil ook een persoon in het communicatieproces altijd iets meedelen, en de ander iets begrijpen,’ legt Bohn uit.

    Deze doelgerichte aandacht die de kinderen in het experiment opgebracht hebben voor de samen te volbrengen opdracht, is ook voor gedragsonderzoeker Michael Tomasello de voorwaarde zonder welke de taal zich niet had kunnen ontwikkelen.

    ‘Gezamenlijke aandacht en perspectiefwisselingen zijn voor menselijke samenwerking en sociale interactie zo doorslaggevend, dat de soort nieuwe vormen van communicatie heeft ontwikkeld die van daaruit zijn opgebouwd,’ schrijft Michael Tomasello in zijn in 2020 verschenen boek Mensch werden (Mens worden). Zo gezien is de ontwikkeling van deze competenties een grote sprong in de evolutie van de mens. Daarmee vergeleken is de nieuwe vorm van communicatie, de uitvinding van de taal, maar een kleine stap.

    sign language 2 1 1

    Maar als het gebaar of ook de klanknabootsing aan het begin stond, hoe heeft de taal zich daaruit dan precies ontwikkeld? Ook op deze vraag hebben de onderzoekers uit Leipzig in hun experimenten een antwoord gezocht. Manuel Bohn en zijn collega’s observeerden verschillende stappen in de taalontwikkeling, bijvoorbeeld de overgang van beeldende naar abstracte gebaren. 

    ‘Wat gebeurt er wanneer de kinderen niet kunnen teruggrijpen op een concrete alledaagse ervaring als hameren of fietsen? Scheppen ze dan een abstract teken? Dat wilden we uitzoeken,’ zegt de onderzoeker. In dit experiment ‘kregen de kinderen de opdracht een abstract begrip als ‘leegte’ of ‘niets’ over te brengen. Een leeg blad papier verbeeldde dat.

    Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld

    Een van de kinderen probeerde eerst zich te verduidelijken met verschillende gebaren zoals het demonstratief tonen van lege handen en wees toen op verschillende witte dingen in de ruimte. Zonder succes. Ten slotte ontdekte het een witte punt op zijn T-shirt en wees er steeds opnieuw op met zijn wijsvinger.

    Nu leek het andere kind te begrijpen wat er bedoeld werd en gaf te kennen dat het begrepen was doordat het naar het lege blad in zijn ruimte greep. Toen het raadspelletje met verwisselde rollen werd voortgezet, herhaalde dit kind het gebaar van zijn gesprekspartner en wees met de wijsvinger op de corresponderende plek op het eigen T-shirt – ook al was daar geen witte punt te zien.

    Wat was er gebeurd? De kinderen waren het binnen een paar minuten eens geworden over een handbeweging die als symbool voor een bepaalde inhoud, een bepaalde betekenis stond. Een geweldige stap van de simpele, spontane geste naar een vast, afgesproken gebaar dat in elke willekeurige situatie benut en begrepen kan worden.

    Het verband tussen het signaal en zijn betekenis is daarbij willekeurig, net als bij de meeste woorden in de talen van de wereld. Want ze berusten – anders dan de weinige klanknabootsende woorden – op een conventie.

    Dat betekent dat een taalgemeenschap het op een bepaald moment erover eens is geworden dat het woord ‘hamer’ een hamer betekent, en niet een stoel. De betekenis heeft met het ding op zich niets te maken. En mocht er toch ooit een direct verband zijn geweest, dan is dat in de loop van millennia van taalontwikkeling verloren gegaan.

    Grondregels

    Maar talen – gesproken of in gebaren – bestaan niet alleen uit afzonderlijke symbolen, die worden ook op een bepaalde manier samengevoegd en krijgen daardoor nog meer betekenissen. Deze grammatica kan binnen bepaalde taalfamilies op elkaar lijken, zoals in de talen van de Indo-Europese taalfamilie, waartoe alle Europese talen behoren (behalve Hongaars, Fins, Estisch en Baskisch), maar ook veel West- en Zuid-Aziatische talen als Armeens, Perzisch en Hindi.

    Maar in elke taal zijn de regels een beetje anders. Een vraag die de taalkundige Artemis Alexiadou fascineert is of er tenminste één grondregel is die voor alle talen geldt. ‘Mijn onderzoek heeft aangetoond dat de theoretische aanname dat een werkwoord in alle talen nooit alleen voorkomt, maar altijd een subject moet hebben, klopt,’ zegt Alexiadou, plaatsvervangend directeur van het Leibniz Centrum voor Algemene Taalwetenschap in Berlijn.

    Een grondregel waaraan ook de kinderen in het taalonderzoekslab in Leipzig spontaan gehoorzaamden. De onderzoekers legden hun jonge proefpersonen – deze keer waren het acht- tot tienjarigen – afbeeldingen voor waarop bijvoorbeeld een aap op een kat jaagt en vroegen hen om het gebeuren te beschrijven.

    800px Cuneiform evolution from archaic script 1 1
    De evolutie van het archaïsche schrift. – © Wikipedia

    De kinderen creëerden daarop niet een enkel gebaar voor het gebeuren. Ze beeldden de scène net als in een zin woord voor woord uit: eerst de aap, vervolgens duidden ze ‘rennen’ aan, daarna imiteerden ze een kat, bijvoorbeeld door het aflikken van de poten.

    Ze vormden de zinnen uit bewegingen met hun handen op een manier zoals de grammatica van bijna alle talen ter wereld voorschrijft: eerst het subject, dan het object. Maar grijpen die jeugdigen bij het op een rij zetten van de gebaren niet gewoon terug op de structuur van hun moedertaal? De taalkundige Alexiadou gelooft dat niet. Ze weet het zeker: ‘Dat het subject, dus de uitvoerder van zo’n handeling, eerst genoemd wordt, is een cognitieve beslissing, geen taalkundige.’ 

    Deze hypothese werd bevestigd door een later experiment: de onderzoekers uit Leipzig lieten twaalfjarige kinderen afbeeldingen zien van objecten, bijvoorbeeld van een kleine hamer, een grote hamer, of een heleboel hamers. Opnieuw knoopten de kinderen twee gebaren aan elkaar. Maar deze keer varieerde de volgorde.

    Kinderen zoeken actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen

    Nu eens beeldden ze eerst de hamer uit en dan een gebaar voor ‘klein’ of ‘veel’. Dan weer kozen ze de omgekeerde volgorde: ‘klein hamer’ of ‘veel hamer’.

    ‘Hier hebben we gezien dat de kinderen geen bepaalde voorkeur hebben,’ zegt taalonderzoeker Manuel Bohn. Ze worden dus niet geleid door een moedertaal, maar door hun eigen, aangeboren denken.

    Ze zoeken, zo lijkt het, actief naar mogelijkheden om het met een ander kind eens te worden. En wel op een manier die zo makkelijk mogelijk wordt begrepen.

    Eén ding is zeker: het begint met het uitbeelden van de wereld in gebaren of klanken en met een grote bereidwilligheid om met soortgenoten op een complexe manier samen te werken.

    Maar op welke principes en denkpatronen een jong mens daarbij precies teruggrijpt, waar en wanneer die in de evolutie van onze soort zijn ontstaan – daarover zullen onderzoekers nog wel lange tijd van gedachten wisselen en het oneens zijn.

    Ook de Bijbelvertalers waren het ooit oneens: kort voordat Maarten Luther aan de Duitse vertaling begon, had Erasmus van Rotterdam bij zijn vertaling van de bijbel uit het Grieks in het Latijn een woord uit de eerste zin vervangen en ervan gemaakt: ‘In den beginne was het gesprek’.

    Auteur Kristina Vaillant beveelt iedereen die zich in de geschiedenis van de taal wil verdiepen het boek aan van Martin Kuckenburg: Wer sprach das erste Wort? 

  • ‘Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt’

    ‘Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt’

    De Mexicaanse socioloog Karina García Reyes interviewde 33 voormalige narco’s om de logica van hun wereldbeeld te kunnen begrijpen. Hiermee wil zijn een nieuw perspectief belichten: dat van de daders. ‘We moeten erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij.’

    Keuze uit ons archief

    Dat verdeeldheid onder neoliberalisme toeneemt, zien we overal gebeuren – nu ook in de politiek. Reyes legde dit gegeven vast in een studie. Ze kreeg de kans te ontsnappen uit een uitzichtloos gebied in Mexico, en besloot te onderzoeken wat ze overal om zich heen had gezien. De drugsbendeleden die ze interviewden zien zichzelf als de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan. Ze hebben de individualistische ethiek waarvan de hele (Mexicaanse) samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme doortrokken is, geïnternaliseerd.

    Dit artikel verscheen eerder in #174, februari 2020.

    Ik kom uit het noorden van Mexico, een gebied dat het zwaarst te lijden heeft van het geweld in de war on drugs. De periode van 2008 tot en met 2012 was de meest onzekere en gewelddadige in de geschiedenis van mijn stad. In het begin waren de confrontaties tussen het leger en de drugskartels, waarbij met scherp werd geschoten, sporadisch, maar algauw werden ze frequent, overal in de stad en op klaarlichte dag.

    Ikzelf maakte een keer een vuurgevecht mee op het deel van de universitaire campus waar ik college gaf. We moesten de deuren sluiten en de veiligheidsmaatregelen in acht nemen die voor dit soort situaties golden. En al mijn vrienden en familieleden hebben wel iets dergelijks meegemaakt, sommigen zagen het gebeuren vanuit hun auto en anderen vanuit huis.

    Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld

    Tegelijk met het toenemende geweld begon het kartel Los Zetas de plaatselijke middenstand af te persen. Als de kleine ondernemers geen ‘stageld’ – de eufemistische term voor beschermgeld – betaalden, kregen ze met geweld te maken of werden leden van hun familie ontvoerd.

    Geleidelijk aan sloten alle kleine ondernemers hun deuren en groeide de paranoia onder de bevolking vanwege de berichten die de narco’s op sociale media plaatsten. ‘Ga vanavond de deur niet uit, want er wordt geschoten.’ Soms werden die dreigementen nog waargemaakt ook.

    In die omstandigheden besloot ik naar het buitenland te gaan om te promoveren. Ik wilde in die onzekere toestand niet verder studeren en ging daarom naar Engeland. Hier ontstond mijn belangstelling voor de wetenschappelijke studie van het drugsgeweld. Dankzij de goede raad van een van mijn professoren was ik in staat om door middel van een proefschrift mijn frustratie uit te leven over de veiligheidspolitiek van Felipe Calderón, die van 2006 tot 2012 president van Mexico was. Ik ben zeven jaar met dit onderwerp bezig geweest.

    Screen Shot 2021 03 19 at 8.47.40 AM

    In mijn proefschrift onderzoek ik het drugsgeweld aan de hand van persoonlijke geschiedenissen. Tussen oktober 2014 en januari 2015 interviewde ik 33 mannen uit de wereld van de drugscriminaliteit. We spraken over hun kindertijd en hun puberteit, over alcohol- en drugsverslaving, vandalisme en hoe ze in de criminaliteit terecht waren gekomen en welke rol ze daarin vervulden. Om begrip te krijgen van de invloed die hun persoonlijke ervaringen hadden op hun intrede in de drugswereld, onderwierp ik hun verhalen aan een discursieve analyse.

    Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt

    De geïnterviewden hebben op twee manieren bijgedragen aan het karakter van mijn studie. In de eerste plaats methodologisch, omdat directe interviews met drugscriminelen iets totaal nieuws zijn in de academische wereld. Er is tot nog toe geen enkele studie verricht waarvoor meer dan dertig interviews met ex-drugscriminelen werden gebruikt. Ook opent mijn studie voor de academische wereld een nieuw perspectief, namelijk dat van de daders, dat tot nog toe zowel door onderzoekers als door bestuurders en politici werd genegeerd.

    In deze zin werpt de analyse van hun persoonlijke verhalen licht op de mogelijke oorzaken van hun intrede in de drugswereld en verklaart deze de logica van hun wereldbeeld. Dat te begrijpen is cruciaal, niet alleen voor de benadering van zo’n complex fenomeen, maar ook voor het bepalen van beleid om de veiligheid te waarborgen. Tot nog toe werden die maatregelen alleen genomen vanuit de logica van hen die de maatregelen nemen. Geen wonder dus dat ze faliekant mislukten.

    Slachtoffers noch monsters

    Om te beginnen moeten we erkennen dat drugscriminelen onderdeel zijn van onze maatschappij. Ze zijn onderhevig aan dezelfde normen en waarden en tradities als wij allemaal. Een van de voornaamste problemen in Mexico is dat de overheid ze systematisch discrimineert door het binaire discours van de Verenigde Staten over te nemen: ‘zij’ versus ‘wij’, ‘goed’ versus ‘kwaad’. Behalve dat dit discours een absurde oversimplificatie is, verdoezelt het de rijkgeschakeerde oorzaken van het geweld.

    Een analyse van de persoonlijke geschiedenissen van de ex-narco’s doet die schakeringen juist scherp uitkomen. De geïnterviewden zien zichzelf noch als slachtoffers, noch als monsters. Ze rechtvaardigen allemaal hun intrede in de drugswereld als hun ‘enige optie’ om te overleven, een motivatie die door veel wetenschappelijke studies wordt bevestigd. Maar hoewel ze goed van de schaduweconomie konden leven en voor hun gezinnen zorgden, wilden ze toch ‘meer’.

    De geïnterviewden zien zich ook niet als de bloeddorstige criminelen die in films worden opgevoerd. Ze omschrijven zichzelf als vrij handelende personen die besloten hebben in het illegaal circuit te opereren, maar tegelijkertijd noemen ze zichzelf ‘niks waard’, ‘wegwerpartikelen’.

    Dat gevoel van marginalisering, gevoegd bij de verslavingsproblemen en het ontbreken van een toekomstperspectief, maakt dat ze weinig waarde hechten aan hun leven en dat de dood zelfs als een bevrijding wordt gezien.

    Dit laatste is een cruciale factor voor het beleid dat ten aanzien van deze problematiek gevoerd dient te worden. De kernopdracht daarbij is te vermijden dat nog meer kinderen en jongeren zich als ‘niks waard’ gaan beschouwen.

    Mijn onderzoek laat zien hoe de participanten het binaire discours van de overheid overnemen. Ze noemen zichzelf de ‘anderen’, zij die buiten de maatschappij staan, ze vinden niet dat ze daar deel van uitmaken. Ze hebben ook de individualistische ethiek overgenomen waarvan de hele Mexicaanse samenleving sinds de opkomst van het neoliberalisme aan het eind van de jaren tachtig doortrokken is. Die ethiek is een tweesnijdend zwaard: ze geven niet de staat of de maatschappij de schuld van hun armoede, maar ze hebben ook geen spijt van hun misdaden.
    Ze vinden dat ze de ‘pech’ hebben gehad in armoede en in de marge van de maatschappij geboren te zijn en dat hun slachtoffers de ‘pech’ hebben gehad in hun handen te vallen. De logica is simpel: ‘Ieder voor zich.’

    Niets te verliezen

    Uit de analyse van de interviews kwam een cluster van ideeën en opvattingen naar voren die als vaststaande waarheden werden geponeerd en die ik ‘het narcodiscours’ heb gedoopt.

    De betekenis die armoede heeft in het narcodiscours liegt er niet om. Het heet dat arme mensen geen toekomst hebben en daarom ook niets te verliezen. Zoals een van de geïnterviewden (Wilson) zei: ‘Ik wist dat ik tot aan mijn dood in armoede zou leven en het enige wat ik deed was God vragen: waarom ik?’ Armoede wordt gezien als een natuurlijk gegeven, een omstandigheid waar niets aan te doen is en waar niemand verantwoordelijk voor is. Voetstoots wordt aangenomen dat ‘er iemand moet zijn die arm is’ (Lamberto) en ‘dat je er niks aan kunt veranderen’ (Tabo).

    Die kijk op armoede impliceert een individualistische kijk op de wereld: het individu is zelf verantwoordelijk voor zijn economische en sociale ontwikkeling. ‘Ik wist dat ik alleen stond, als ik iets wilde, dan moest ik het zelf gaan halen’ (Rigoletto).

    De logica van het narcodiscours met betrekking tot armoede is dat iedereen er alleen voor staat en dat dus ‘het recht van de sterkste’ (Yuca) geldt. Zo verklaart ook Cristian het: ‘In mijn wijk wisten we allemaal wat de regel was: als je zit te slapen, verlies je. Dat was de regel. Je moet gewelddadig zijn, door roeien en ruiten gaan, je moet voor jezelf opkomen, want niemand anders zal het doen.’

    “Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?”

    In het narcodiscours wordt ervan uitgegaan dat kleine kinderen en tieners onvermijdelijk bendeleden en drugsverslaafden worden. ‘Als je in een arme buurt opgroeit, dan weet je dat je op een bepaald moment aan de drugs verslaafd raakt’ (Palomo). Net zo worden de bendes, die dagelijks geweld en vandalisme plegen, gezien als ‘de enige manier om het geweld van de straat te overleven’ (Piochas). Er wordt dus van uitgegaan dat die jongeren geen toekomst hebben en daarom niks waard zijn: ‘Als je aan drugs verslaafd bent, beschouw je jezelf als een nul, minder dan afval… Wie kan het leven van een arme drugsverslaafde ene moer schelen?’ (Palomo).

    Ook de vroege dood van deze jongeren wordt als onvermijdelijk gezien: ‘Als je zo veel van je vrienden door geweld, door overdoses, door politiekogels, ziet omkomen, dan denk je dat dat ook jouw toekomst is’ (Tigre). Op die manier wordt al bij voorbaat aangenomen dat het met de jongeren slecht zal aflopen: ‘Ik dacht altijd dat ik óf aan een overdosis óf door een kogel zou sterven’ (Pancho).

    Volgens die logica kun je eigenlijk alleen maar van het leven genieten door de consumptie van luxegoederen, en de enige manier om daaraan te komen is door middel van ‘gemakkelijk geld’ dat het ‘gemakkelijke leven’ je biedt. Het gemakkelijke leven is de drugshandel. Ze weten dat de kick van gemakkelijk geld van korte duur is, maar toch loont die de moeite, omdat je ‘in deze wereld, als je geen geld hebt, niemand bent’ (Canastas).
    Ze kennen de gevaren. ‘De ene dag kun je nog in een duur restaurant zitten met allemaal mooie vrouwen om je heen, en de volgende dag word je wakker in de bajes’ (Ponciano). Het ‘gemakkelijke leven’ moet dus snel en op de toppen geleefd worden: ‘Mijn opzet was om elke dag te leven of het de laatste was. Ik liet het breed hangen. Ik kocht de duurste SUV’s, de duurste wijnen en ik had de mooiste vrouwen’ (Jaime).

    ‘Echte man’

    In het narcodiscours speelt ook het idee van de ‘echte man’, die agressief en gewelddadig dient te zijn. En een rokkenjager.

    De participanten noemden de arme wijken ‘de jungle’, de plaats waar het recht van de sterkste heerst. Lichamelijk geweld is essentieel om te kunnen overleven – letterlijk.

    In het narcodiscours komt ook een cruciaal element van geweldpleging tot uitdrukking, namelijk dat het aangeleerd gedrag is. Mensen worden niet gewelddadig geboren, ze worden gewelddadig gemaakt. Zoals Jorge zegt: ‘Als kind werd ik door grotere kinderen geslagen, ze maakten misbruik van me omdat ik alleen was. Ik was niet gewelddadig… maar ik moest wel gewelddadig worden, nog gewelddadiger dan zij. Dat moet als je op straat wilt overleven.’

    In ‘de jungle’ moeten mannen ook een reputatie opbouwen om te overleven. Een ‘echte man’, zo is de opvatting, is heteroseksueel, een rokkenjager, ‘een feestbeest met drugs en alcohol’ (Dávila).

    Daarnaast komt in het discours naar voren dat ‘echte mannen’, in tegenstelling tot vrouwen, geen angst of emoties of zwakte mogen tonen, en de beste manier om dat te doen is laten zien dat je onder alle omstandigheden sterk en dominant bent: binnen de bende, in gevechten met concurrerende bendes en thuis in het gezin.

    Screen Shot 2021 03 19 at 8.47.22 AM 2 1

    In de interviews uitten de participanten vaak de wrok die ze jegens hun vader koesterden. Van de 33 geïnterviewden bekenden er 28 dat ze op zeker moment in hun leven het liefst hun vader zouden hebben vermoord. Huiselijk geweld en geweld tussen mannen en vrouwen horen tot de eerste levenservaringen van deze participanten. Allemaal zijn ze het erover eens dat het dagelijks geweld van hun vaders tegen hun moeders hun als kind het meeste weerzin inboezemde. Het is een constant gegeven in de verhalen die ze vertellen, niet alleen over hun kindertijd, maar ook over drugsverslaving, geweld in het algemeen en hun intrede in de wereld van de misdaad.

    Voor een aantal participanten was het verlangen om hun vader te vermoorden of te martelen de belangrijkste motivatie om in de drugscriminaliteit te gaan. Rorro, bijvoorbeeld, vertelde dat hij als kind ‘geen enkele illusie of plannen voor de toekomst had, het enige waar ik aan dacht was mijn vader vermoorden als ik groot was… ik wilde hem aan stukken hakken’. De drugscriminaliteit in gaan verschafte hem die mogelijkheid. Ook Ponciano gaf aan dat hij zich, als hij mensen moest martelen, altijd voorstelde dat het om zijn vader ging, ‘en dan martelde ik ze met genoegen, net zoals hij ons martelde’.

    De fantasieën die de participanten hadden over het vermoorden van hun vader lijken allemaal op elkaar, allemaal wilden ze hem laten boeten, niet uit wraak voor wat hij hun had aangedaan, maar voor wat hij hun moeder had aangedaan. Opmerkelijk is dat ze ook geen van allen in staat waren hun voornemen uit te voeren toen ze daar de gelegenheid voor kregen. Facundo verwoordt het zo: ‘Ik had hem kunnen vermoorden als ik wilde. Ik had tientallen huurmoordenaars die voor me werkten. Als ik wilde… ik had hem kunnen laten martelen en toekijken hoe hij crepeerde. Maar ik kon het niet… dus ik zei tegen hem: maak dat je wegkomt, ik wil je nooit meer zien. Als ik je weer zie, vermoord ik je.’

    Macho-ideologie

    De oorzaken van de criminaliteit en het geweld in Latijns-Amerika zijn vrijwel in alle landen dezelfde. Tussen de verschillende bronnen van het geweld – van drugscriminelen, het leger, de guerrilla of de bendes – zijn er volgens mij twee dwarsverbindingen: de armoede en de giftige macho ideologie*. De dagelijkse ervaringen van de mensen die in armoede leven is de soep waarin alle soorten geweld (huiselijk geweld, bendegeweld, geweld tussen de seksen) gaar koken. En dat alles binnen het kader van het onzichtbare geweld dat zelden onderkend wordt: het structurele geweld van de staat.

    Wij moeten allemaal, academici, politici en burgers, deze ervaringen proberen te begrijpen en ervan leren. We kunnen wel erkennen dat armoede de moeder is van alle kwaad, maar we weten niet hoe het is om in armoede te leven. Het terugdringen en voorkomen van geweld kan alleen op lokaal niveau gebeuren. Elke regio, elke wijk heeft zijn eigen specifieke problemen en behoeften. Algemene politieke maatregelen zullen niet helpen. En misschien is dat het grote struikelblok: de geweldsproblemen bij de wortel aanpakken, daar kunnen politici geen goede sier mee maken.

    Ook moeten we bedenken dat de dominante macho-ideologie in de Latijns-Amerikaanse landen het geweld niet alleen goedkeurt, maar ook aanmoedigt. In de regio’s worden de problemen onveranderlijk te lijf gegaan met agressie en gemilitariseerde veiligheidsmaatregelen. Geweldloze oplossingen waren tot nog toe geen optie in onze landen, omdat machismo en geweld geïnstitutionaliseerde fenomenen zijn.

    Om het geweld aan te pakken moeten we beginnen met het te begrijpen. Waar komt het vandaan? Wie rechtvaardigt het en hoe? Hoe wordt het gepropageerd? Hoe hebben ze het eerder proberen te bestrijden? Om antwoord te geven op die vragen loont het om interdisciplinair te werk gaan en dienen onze overheden bereid te zijn naar ons te luisteren.

    Wat eerst moet gebeuren is een verandering van paradigma: de militairen moeten terug de kazerne in, complexe problemen moeten lokaal worden aangepakt (al zal dat de landelijke politiek geen punten opleveren) en we moeten ophouden met het binair discours waarin het heet dat ‘zij’ dood moeten, want daar bereiken we alleen maar mee dat de onverschilligheid van ‘hen’ jegens ‘ons’ toeneemt.

  • Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Welke lessen voor de toekomst kunnen we trekken uit 2020? De Israëlische denker en historicus Yuval Noah Harari zet ze op een rijtje en komt tot een heldere conclusie: de enige reden waarom deze pandemie uit de hand is gelopen, is de politiek.

    Keuze uit het archief

    Na het rampjaar 2020 dacht de wereld dat 2021 het jaar zou worden dat we ‘samen corona onder controle zouden krijgen’ (dixit de Rijksoverheid). Er was immers een keur aan uitstekend werkende vaccins ontwikkeld. Niets bleek minder waar, er zijn nieuwe, besmettelijkere, varianten als delta en omikron opgekomen en het coronabeleid heeft geen een derde, vierde en zoveelste golf kunnen voorkomen.

    Had de politiek maar Yuval Noah Harari geluisterd. Lees zijn profetische woorden en oplossingen voor de coronacrisis.

    Door velen wordt de vreselijke tol die het coronavirus heeft geëist gezien als bewijs van de hulpeloosheid van de mens ten opzichte van de natuur. Maar in feite heeft 2020 aangetoond dat de mensheid verre van hulpeloos is. Epidemieën zijn niet langer onbedwingbare natuurkrachten. Dankzij de wetenschap zijn ze nu tot op zekere hoogte te controleren.

    Waarom zijn er dan zoveel sterfte- en ziektegevallen geweest? Vanwege slechte politieke beslissingen.

    Vroeger hadden mensen als ze met een plaag als de Zwarte Dood werden geconfronteerd, geen idee wat de oorzaak was of wat ertegen kon worden gedaan. Toen de griep van 1918 toesloeg, slaagden de beste wetenschappers ter wereld er niet in het dodelijke virus te identificeren, waren veel maatregelen die werden genomen nutteloos en liepen pogingen om een ​​effectief vaccin te ontwikkelen op niets uit.

    Met covid-19 was dat heel anders. De eerste alarmbellen over een mogelijke nieuwe epidemie klonken eind december 2019. Op 10 januari 2020 hadden wetenschappers niet alleen het verantwoordelijke virus geïsoleerd, maar ook het genoom ervan gesequenced en de informatie online gepubliceerd. Binnen enkele maanden werd duidelijk welke maatregelen de infectieketens konden vertragen en stoppen. Binnen minder dan een jaar waren er verschillende effectieve vaccins in massaproductie. In de oorlog tussen mens en ziekteverwekker is eerstgenoemde nog nooit zo machtig geweest.

    Het leven naar online verplaatst

    Naast de ongekende prestaties van de biotechnologie, heeft het coronajaar ook de kracht van informatietechnologie onderstreept. Vroeger kon de mensheid epidemieën zelden stoppen, omdat de infectieketens niet in realtime konden worden gevolgd en omdat de economische kosten van langdurige lockdowns te hoog waren. In 1918 kon je mensen die de gevreesde griep kregen in quarantaine plaatsen, maar je kon de presymptomatische of asymptomatische dragers niet traceren. En als je de hele bevolking van een land destijds zou hebben bevolen enkele weken binnen te blijven, zou dat hebben geleid tot economische ondergang, sociale instorting en massale hongersnood.

    In 2020 daarentegen maakte digitale surveillance het veel gemakkelijker om de verspreiding te volgen en te lokaliseren, wat quarantaine zowel selectiever als effectiever maakt. Belangrijker is nog dat automatisering en het internet langdurige lockdowns mogelijk maakten, althans in ontwikkelde landen. Hoewel de ervaring in sommige delen van de wereld deed denken aan plagen uit het verleden, heeft de digitale revolutie in een groot deel van de ontwikkelde wereld alles veranderd.

    Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden

    Neem de landbouw. Duizenden jaren lang was de voedselproductie afhankelijk van menselijke arbeid, en ongeveer 90 procent van de mensen werkte in de landbouw. Tegenwoordig is dit in ontwikkelde landen niet langer het geval. In de VS werkt slechts ongeveer 1,5 procent van de mensen op boerderijen, en dat is niet alleen genoeg om iedereen in e igen land te voeden, maar ook om van de VS een belangrijke voedselexporteur te maken. Bijna al het werk op de boerderij wordt gedaan door machines, die immuun zijn voor ziekten. Lockdowns hebben dus maar een kleine impact op de landbouw.

    Stel u een tarweveld voor tijdens het hoogtepunt van de Zwarte Dood. Als je de landarbeiders zou vragen om in de oogsttijd thuis te blijven, komt er honger. Als je ze vraagt om te komen oogsten, kunnen ze elkaar besmetten. Wat te doen?

    forest simon ZzOtl6FSpLs unsplash 1 1
    © Unsplash

    Stelt u zich nu hetzelfde tarweveld voor in 2020. Een enkele maaidorser met GPS-besturing kan het hele veld veel efficiënter oogsten – en zonder kans op infectie. Terwijl in 1349 een gemiddelde boerenknecht ongeveer vijf bushel per dag oogstte [ca. 35 liter], vestigde een maaidorser in 2014 een recordoogst door dertigduizend bushels per dag te oogsten. Bijgevolg had covid-19 geen significante invloed op de wereldwijde productie van basisvoedsel zoals tarwe, maïs en rijst. 

    Om mensen te voeden, is het niet voldoende om graan te oogsten. Je moet het ook vervoeren, soms over duizenden kilometers. Gedurende het overgrote deel van de geschiedenis was handel een van de grootste boosdoeners in tijden van epidemieën. Dodelijke ziekteverwekkers trokken de wereld over op koopvaardijschepen en karavanen. De Zwarte Dood liftte bijvoorbeeld van Oost-Azië naar het Midden-Oosten langs de Zijderoute, en het waren Genuese koopvaardijschepen die de ziekte vervolgens naar Europa brachten. Het grote risico met de handel was dat elke wagen een bestuurder nodig had, tientallen zeelieden nodig waren om zelfs kleine zeeschepen te besturen, en overvolle schepen en herbergen broeinesten van ziekten waren.

    In 2020 kon de wereldhandel min of meer vlot doorlopen, doordat er maar heel weinig mensen bij betrokken waren. Een grotendeels geautomatiseerd hedendaags containerschip kan meer ton vervoeren dan de koopvaardijvloot van een heel vroegmodern koninkrijk. In 1582 had de Engelse koopvaardijvloot een totaal laadvermogen van 68.000 ton en waren er ongeveer 16.000 bemanningsleden nodig. Het containerschip OOCL Hong Kong, gedoopt in 2017, kan zo’n 200.000 ton vervoeren met een bemanning van slechts 22 personen. 

    Cruiseschepen met honderden toeristen en vliegtuigen vol passagiers hebben weliswaar een grote rol gespeeld in de verspreiding van covid-19. Maar toerisme en reizigers zijn niet essentieel voor de handel. Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden. Terwijl het internationale toerisme in 2020 kelderde, daalde het volume van de wereldwijde maritieme handel met slechts 4 procent.

    Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele

    Automatisering en digitalisering hebben een nog grotere impact gehad op de dienstverlening. In 1918 was het ondenkbaar dat kantoren, scholen, rechtbanken of kerken konden blijven functioneren als ze gesloten waren. Hoe kun je lesgeven als leerlingen en docenten thuis zitten? Nu weten we het antwoord. De overschakeling op online kende veel nadelen, niet in de laatste plaats de immense mentale tol die deze eiste. En het heeft ook tot voorheen onvoorstelbare problemen geleid, zoals advocaten die als kat voor de rechtbank verschenen. Maar het feit dat het überhaupt kan, is verbazingwekkend.

    In 1918 bewoonde de mensheid alleen de fysieke wereld, en toen het dodelijke griepvirus hierdoorheen trok, konden we nergens heen vluchten. Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele. Toen het coronavirus door de fysieke wereld circuleerde, verlegden velen een groot deel van hun leven naar de virtuele wereld, waar ze veilig waren voor het virus.

    Mensen zijn natuurlijk nog steeds fysieke wezens en niet alles kan worden gedigitaliseerd. Het covid-jaar heeft de cruciale rol benadrukt die vaak slechtbetaalde beroepen spelen bij het in stand houden van de menselijke beschaving: verplegers, sanitairwerkers, vrachtwagenchauffeurs, kassiers, bezorgers. Er wordt vaak beweerd dat elke beschaving slechts drie maaltijden verwijderd is van barbarij. In 2020 vormden bezorgers de dunne rode lijn die de beschaving bij elkaar hield. Ze werden onze belangrijkste verbinding met de fysieke wereld. 

    Het internet houdt stand

    Wanneer we activiteiten online automatiseren, digitaliseren en verschuiven, stelt dat ons bloot aan nieuwe gevaren. Een van de meest opmerkelijke gegevens van het covid-jaar is dat het internet niet kapot ging. Als we plotseling de hoeveelheid verkeer op een fysieke brug vergroten, kunnen we verkeersopstoppingen verwachten, misschien dat hij zelfs instort. In 2020 verschoven scholen, kantoren en kerken bijna van de ene op de andere dag naar online, maar het internet hield stand.

    We staan ​​hier nauwelijks bij stil, maar dat moeten we wel doen. 2020 heeft ons geleerd dat het leven kan doorgaan, zelfs als een heel land fysiek op slot zit. 

    manuel peris unsplash 1 1
    © Unsplash

    Probeer je nu eens voor te stellen wat er gebeurt als onze digitale infrastructuur crasht.

    Informatietechnologie heeft ons veerkrachtiger gemaakt tegenover organische virussen, maar het heeft ons ook veel kwetsbaarder gemaakt voor malware en cyberoorlogvoering. Mensen vragen vaak: ‘Wat is de volgende pandemie?’ Een aanval op onze digitale infrastructuur is een vooraanstaande kandidaat. Het duurde enkele maanden voordat het coronavirus zich over de wereld verspreidde en miljoenen mensen besmette. Onze digitale infrastructuur kan in één dag instorten. En scholen en kantoren konden snel naar online verschuiven. Maar hoeveel tijd denkt u nodig te hebben om van e-mail terug te schakelen naar snailmail? 

    Wat telt?

    Het coronajaar heeft een nog belangrijkere beperking van onze wetenschappelijke en technologische kracht blootgelegd. Wetenschap kan de politiek niet vervangen. Bij beleidsbeslissingen moeten we rekening houden met veel belangen en waarden, en aangezien er geen wetenschappelijke manier is om te bepalen welke belangen en waarden het zwaarst wegen, is er geen wetenschappelijke manier om te beslissen wat we moeten doen.

    Bij de beslissing om een ​​lockdown af te kondigen, is het bijvoorbeeld niet voldoende om te vragen: ‘Hoeveel mensen zullen worden besmet met covid-19 als we geen lockdown opleggen?’ We moeten ook de vraag stellen: ‘Hoeveel mensen zullen in een depressie belanden als we wel een lockdown opleggen? Hoeveel mensen zullen te lijden hebben onder slechte voeding? Hoeveel van ons zullen school missen of hun baan verliezen? Hoevelen zullen worden mishandeld of vermoord door hun echtgenoten?’

    Zelfs als al onze gegevens nauwkeurig en betrouwbaar zijn, moeten we ons altijd afvragen: ‘Wat tellen we? Wie beslist wat er moet worden geteld? Hoe beoordelen we de cijfers ten opzichte van elkaar?’ Dit is meer een taak van de politiek dan van de wetenschap. Het zijn politici die de medische, economische en sociale afwegingen in evenwicht moeten brengen en met een alomvattend beleid moeten komen.

    Net zo creëren ingenieurs nieuwe digitale platforms die ons helpen te functioneren tijdens een lockdown, en nieuwe bewakingstools die ons helpen beschermen tegen virussen. Maar digitalisering en toezicht brengen onze privacy in gevaar en openen de weg voor de opkomst van ongekende totalitaire regimes. In 2020 is massasurveillance zowel legitiemer als gebruikelijker geworden. Het bestrijden van de epidemie is belangrijk, maar zijn we bereid onze vrijheid ervoor op te geven? Het is de taak van politici en niet van de ingenieurs om de juiste balans te vinden tussen nuttige bewaking en dystopische nachtmerries.

    Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​monitoringsysteem op te zetten om uitgaven te controleren, geloof het dan niet

    Drie basisregels kunnen ons een eind op weg helpen in de bescherming tegen digitale dictaturen, zelfs in tijden van een pandemie. Ten eerste, wanneer u gegevens over mensen verzamelt – vooral over wat er in hun eigen lichaam gebeurt – moeten deze gegevens worden gebruikt om deze mensen te helpen in plaats van hen te manipuleren, te controleren of te schaden. Mijn persoonlijke arts weet veel zeer persoonlijke dingen over mij. Dat vind ik prima, want ik vertrouw erop dat mijn arts deze gegevens in mijn voordeel gebruikt. Mijn arts mag deze gegevens niet aan een bedrijf of politieke partij verkopen. Zo zou het ook moeten zijn met elke vorm van een ‘pandemische toezichthoudende autoriteit’ die we eventueel instellen.

    Ten tweede moet toezicht altijd twee richtingen op bewegen. Als het toezicht alleen van boven naar beneden gaat, stevenen we af op een dictatuur. Dus wanneer het toezicht op individuen wordt vergroot, moet tegelijkertijd het toezicht op de overheid en grote bedrijven groter worden. 

    Screen Shot 2021 03 19 at 1.06.41 PM

    In de huidige crisis verdelen regeringen enorme bedragen. Het proces van toewijzing van middelen moet transparanter worden gemaakt. Als burger wil ik gemakkelijk kunnen inzien wie wat krijgt en wie beslist waar het geld naartoe gaat. Ik wil ervoor zorgen dat het geld naar bedrijven gaat die het echt nodig hebben, in plaats van naar een grote concern waarvan de eigenaren bevriend zijn met de een of andere minister. Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​dergelijk monitoringsysteem op te zetten, geloof het dan niet. Als het niet te ingewikkeld is om te monitoren wat jij doet, is het ook niet te ingewikkeld om te monitoren wat de overheid doet.

    Ten derde: sta nooit toe dat te veel gegevens op één plaats worden geconcentreerd. Niet tijdens de epidemie, en ook niet daarna. Een datamonopolie is een recept voor dictatuur. Dus als we biometrische gegevens over mensen verzamelen om de pandemie te stoppen, moet dit worden gedaan door een onafhankelijke gezondheidsautoriteit in plaats van door de politie. De resulterende gegevens moeten gescheiden worden gehouden van andere grote dataopslagplaatsen van ministeries en grote bedrijven. 

    Zeker, dit zal tot extra werk en inefficiëntie leiden. Maar inefficiëntie is een kenmerk, geen bug. U wilt de opkomst van digitale dictatuur voorkomen? Houd de dingen dan altijd een beetje inefficiënt.

    Verantwoordelijkheid

    De ongekende wetenschappelijke en technologische successen van 2020 hebben de coronacrisis niet kunnen oplossen. Ze veranderden de epidemie van een natuurramp in een politiek dilemma. Toen de Zwarte Dood miljoenen slachtoffers maakte, verwachtte niemand veel van de koningen en keizers. Ongeveer een derde van alle Engelsen stierf tijdens de eerste golf van de Zwarte Dood [en naar schattingen geldt dat gemiddelde voor alle landen van Europa], maar dit zorgde er niet voor dat koning Edward III van Engeland zijn troon verloor. Het lag duidelijk buiten de macht van heersers om de epidemie te stoppen, dus niemand gaf hen de schuld van een mislukking.

    Maar vandaag heeft de mensheid de wetenschappelijke instrumenten om covid-19 te stoppen. Verschillende landen, van Vietnam tot Australië, hebben bewezen dat de beschikbare instrumenten de epidemie zelfs zonder vaccin kunnen stoppen. Deze tools hebben echter een hoge economische en sociale prijs. We kunnen het virus verslaan, maar we weten niet zeker of we bereid zijn de kosten van de overwinning te betalen. De wetenschappelijke verworvenheden hebben dus een enorme verantwoordelijkheid op de schouders van politici gelegd.

    De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden

    Helaas zijn te veel politici deze verantwoordelijkheid niet nagekomen. De populistische presidenten van de VS en Brazilië bijvoorbeeld bagatelliseerden het gevaar, weigerden gehoor te geven aan experts en voedden in plaats daarvan samenzweringstheorieën. Ze kwamen niet met een degelijk federaal actieplan en saboteerden pogingen van staats- en gemeentelijke autoriteiten om de epidemie een halt toe te roepen. De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden.

    In het VK lijkt de regering aanvankelijk meer bezig te zijn geweest met de brexit dan met covid-19. Ondanks al haar isolationistische beleid, slaagde de regering-Johnson er niet in Groot-Brittannië te isoleren van het enige wat er echt toe deed: het virus. Mijn thuisland Israël heeft ook geleden onder politiek wanbeheer. Net als Taiwan, Nieuw-Zeeland en Cyprus is Israël in feite een ‘eilandland’, met gesloten grenzen en slechts één hoofdtoegangspoort – Ben Gurion Airport. Op het hoogtepunt van de pandemie heeft de regering van Netanyahu echter toegestaan ​​dat reizigers de luchthaven passeren zonder quarantaine of zelfs maar een behoorlijke screening, en nagelaten een eigen lockdownbeleid af te dwingen.

    Zowel Israël als het VK hebben vervolgens een voortrekkersrol gespeeld bij het uitrollen van de vaccins, maar hun eerdere verkeerde inschattingen hebben een grote tol geëist. In Groot-Brittannië heeft de pandemie het leven gekost aan 120.000 mensen, waarmee het op de zesde plaats in de wereld staat qua gemiddelde sterftecijfers. Ondertussen heeft Israël het zevende hoogste gemiddelde aantal bevestigde gevallen, en nam het om de ramp het hoofd te bieden zijn toevlucht tot een ‘vaccins for data’-deal met het Amerikaanse bedrijf Pfizer. Pfizer stemde ermee in om Israël te voorzien van voldoende vaccins voor de hele bevolking, in ruil voor enorme hoeveelheden waardevolle gegevens, wat bezorgdheid opwekte over privacy en datamonopolie. De transactie toonde maar weer eens aan dat de gegevens van burgers nu een van de meest waardevolle staatsbezittingen zijn. 

    Hoewel sommige landen veel beter presteerden, is de mensheid als geheel er tot dusver niet in geslaagd de pandemie in te dammen of een wereldwijd plan te bedenken om het virus te verslaan. De eerste maanden van 2020 waren alsof we een ongeluk in slow motion zagen gebeuren. Moderne communicatie maakte het voor mensen over de hele wereld mogelijk om in realtime de beelden te zien, eerst uit Wuhan, vervolgens uit Italië en daarna uit steeds meer landen – zonder dat daar wereldwijd leiderschap op volgde om te voorkomen dat een catastrofe de wereld zou overspoelen. De tools waren er, maar politieke wijsheid ontbrak maar al te vaak.

    Vaccinatienationalisme

    Een van de redenen voor de kloof tussen wetenschappelijk succes en politiek falen is dat wetenschappers wereldwijd samenwerkten, terwijl politici de neiging hadden om ruzie te maken. Terwijl ze onder veel stress en in grote onzekerheid werkten, deelden wetenschappers over de hele wereld vrijelijk informatie en vertrouwden ze op elkaars bevindingen en inzichten. Veel belangrijke onderzoeksprojecten werden uitgevoerd door internationale teams. Een grootschalig onderzoek dat de doeltreffendheid van lockdownmaatregelen aantoonde, werd bijvoorbeeld uitgevoerd door onderzoekers van negen instellingen: één in het VK, drie in China en vijf in de VS.

    Daarentegen zijn politici er niet in geslaagd een internationale alliantie tegen het virus te vormen en overeenstemming te bereiken over een mondiaal plan. De twee grootste grootmachten ter wereld, de VS en China, hebben elkaar beschuldigd van het achterhouden van essentiële informatie, het verspreiden van desinformatie en complottheorieën, en zelfs van het opzettelijk verspreiden van het virus. Talrijke andere landen hebben naar het schijnt gegevens over de voortgang van de pandemie vervalst of achtergehouden.

    ‘In deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang’

    Het gebrek aan wereldwijde samenwerking manifesteert zich niet alleen in deze informatieoorlogen, maar nog meer in conflicten over de schaarse medische apparatuur. Hoewel er zeker gevallen van samenwerking en vrijgevigheid zijn geweest, is er geen serieuze poging gedaan om alle beschikbare middelen te bundelen, de wereldwijde productie te stroomlijnen en een rechtvaardige distributie van voorraden te garanderen. In het bijzonder vaccinnationalisme creëert een nieuw soort wereldwijde ongelijkheid tussen landen die hun bevolking kunnen vaccineren, en landen die dat niet kunnen.

    Het is triest om te zien dat velen een simpel feit over deze pandemie niet begrijpen: zolang het virus zich overal blijft verspreiden, kan geen enkel land zich echt veilig voelen. Stel dat Israël of het VK erin slaagt het virus binnen zijn eigen grenzen uit te roeien, maar het blijft zich verspreiden onder honderden miljoenen mensen in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Een nieuwe mutatie in een afgelegen Braziliaanse stad zou het vaccin ineffectief kunnen maken en kunnen resulteren in een nieuwe golf van infectie.

    In de huidige noodsituatie zal een beroep op louter altruïsme waarschijnlijk niet prevaleren boven nationale belangen. Maar in deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking echter geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang.

    Antivirus voor de wereld

    Dscussies over wat er in 2020 is gebeurd, zullen jarenlang worden gevoerd. Maar mensen van alle politieke kampen zouden het eens moeten zijn over ten minste drie hoofdlessen.

    Ten eerste moeten we onze digitale infrastructuur beschermen. Die is onze redding geweest tijdens deze pandemie, maar kan omslaan in de bron van een nog veel grotere ramp.

    Ten tweede zou elk land meer moeten investeren in zijn volksgezondheidssysteem. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar politici en kiezers slagen er soms in de meest voor de hand liggende les te negeren.

    Ten derde moeten we een krachtig wereldwijd systeem opzetten om pandemieën te controleren en te voorkomen. In de eeuwenoude oorlog tussen mensen en ziekteverwekkers vormt het lichaam van ieder mens de frontlinie. Als die linie ergens op de planeet wordt doorbroken, brengt dat ons allemaal in gevaar. Zelfs de rijkste mensen in de meest ontwikkelde landen hebben er persoonlijk belang bij de armste mensen in de minst ontwikkelde landen te beschermen. Als een nieuw virus van een vleermuis naar een mens springt in een arm dorp in een afgelegen jungle, kan de ziekte binnen een paar dagen op Wall Street rond woekeren.

    Het geraamte van zo’n wereldwijd antivirussysteem bestaat al in de vorm van de Wereldgezondheidsorganisatie en verschillende andere instellingen. Maar de budgetten die dit systeem ondersteunen zijn beperkt, en het heeft nauwelijks politieke macht. We moeten dit systeem politieke invloed geven en veel meer geld, zodat het niet volledig afhankelijk zal zijn van de grillen van zelfzuchtige politici. 

    Als bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen

    Zoals eerder opgemerkt, vind ik niet dat experts die daar niet voor zijn gekozen de taak moeten krijgen cruciale beleidsbeslissingen te nemen. Die taak moet voorbehouden blijven aan politici. Maar een onafhankelijke wereldwijde gezondheidsautoriteit zou het ideale platform zijn om medische gegevens te verzamelen, mogelijke gevaren in de gaten te houden, alarm te slaan en onderzoek en ontwikkeling te sturen.

    Veel mensen zijn bang dat covid-19 het begin markeert van een golf van nieuwe pandemieën. Maar als de bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen. De mensheid kan het ontstaan van nieuwe ziektes niet voorkomen; dit is een natuurlijk evolutieproces dat al miljarden jaren aan de gang is en ook in de toekomst zal doorgaan. Maar vandaag de dag beschikt de mensheid over de kennis en instrumenten die nodig zijn om te voorkomen dat een nieuwe ziekteverwekker zich verspreidt en omslaat in een pandemie.

    Als covid-19 zich in 2021 desondanks blijft verspreiden en miljoenen slachtoffers maakt, of als een nog dodelijkere pandemie de mensheid treft in 2030, zal dit noch een oncontroleerbare natuurramp zijn, noch een straf van God. Het zal een menselijk falen zijn, en om precies te zijn een falen van de politiek.

    In #179, april 2020, publiceerden wij ‘Lakmoesproef van burgerschap’, Harari’s voorspellingen voor het jaar waarop hij hier terugblikt. U leest het hier.

  • In het land 
van de leugens

    In het land 
van de leugens

    Om zijn mislukkingen te verhullen heeft het Egyptische regime in de media nepberichten verspreid over wetenschappers die belangrijke ontdekkingen zouden hebben gedaan en prestigieuze internationale prijzen zouden hebben gekregen.

    In 2016, ten tijde van het overlijden van de Egyptische onderzoeker Ahmed Zewail, die in 1999 de Nobelprijs voor Scheikunde had gekregen, wisten de Egyptische media niets beters te bedenken dan het uitnodigen van een dertienjarige puber die werd voorgesteld als het ‘kleine genie van Egypte’. Deze Walid Abadi aarzelde niet de dood van de grote wetenschapper als volgt te becommentariëren: ‘Zewail is dood, maar de wetenschap leeft en zal niet sterven.’ Om er in alle bescheidenheid aan toe te voegen dat hijzelf de fakkel zou overnemen.

    Deze jongen is door de media op het schild gehesen als een hyperbegaafde uitvinder die hard op weg is een behandeling van kanker te ontdekken door middel van ultrasone trillingen, alsmede een manier om geheime raket-
codes te kraken. Hij is uitgenodigd in studio’s en heeft prijzen ontvangen. Het Egyptische parlement, de Universiteit van Damanhour in de Nijldelta en de technische militaire faculteit hebben hem geëerd vanwege zijn veronderstelde titel van ‘jongste professor ter wereld’, die hem verleend zou zijn in Italië. Terwijl er in Italië geen prijs, 
titel of concours in dit genre bestaat.

    Het gouvernement Al Buhayrah heeft hem ook geëerd vanwege zijn eerste plaats bij het wetenschappelijke 
Archimedesconcours, een van de belangrijkste in zijn soort, dat wordt gehouden in Rusland. Alleen heeft hij, noch enige andere Egyptenaar, aan dit concours deelgenomen. Hij is tientallen keren aan het woord gekomen op de tv-zenders van de publieke omroep, zonder dat iemand de moeite heeft genomen de geloofwaardigheid van zijn beweringen nader te onderzoeken.

    Fabels

    Op deze manier presenteren de Egyptische media hem al drie jaar lang door dik en dun als de rijzende ster van de Egyptische wetenschap, terwijl het enige talent waarvan Walid heeft blijk gegeven zijn welsprekendheid is – hij die tijdens zijn toespraken nooit zal vergeten eer te bewijzen aan het 
leger en de Egyptische machthebbers. De paradox is dat Egypte echte wetenschappers, grote intellectuelen en waardevolle kunstenaars heeft voortgebracht. En toch steken de media in Caïro de loftrompet over een jongeman wiens wetenschappelijke verrichtingen pure fabels zijn.

    Maar fabels en leugens lijken de wind mee te hebben onder het bewind van president Abdel Fattah Al-Sissi. Men herinnere zich de fameuze 22ste 
februari 2014, toen de woordvoerder van het leger de ontwikkeling van een apparaat bekendmaakte dat zowel aids als hepatitis C kon diagnosticeren en behandelen. Het octrooi was verleend uit naam van de leden van het comité van ingenieurs van de Egyptische strijdkrachten. Het was uiteraard van begin tot eind gelogen en eindigde in een pijnlijk schandaal voor het leger.

    Tevoren had het comité van de strijdkrachten een persconferentie georganiseerd waar een onbekende in generaalsuniform de werking van het apparaat uitlegde. Dit alles in aanwezigheid van de toenmalige interim-president, Adli Mansour, en zijn minister van Defensie, niemand anders dan… Abdel Fattah 
Al-Sissi. Het apparaat werd geacht alle virusziekten te behandelen die er op 
de wereld bestonden.

    Volgens twee bronnen bestond het apparaat uit een vrijwel lege doos met alleen maar een steen erin die was verbonden 
met twee kabels

    Dit toneelstukje wekte de lachlust van miljoenen toen de Egyptische komiek Bassem Youssef er de draak mee stak tijdens zijn satirische talkshow, die vervolgens werd verboden. Volgens twee bronnen bestond het apparaat uit een vrijwel lege doos met alleen maar een steen erin die was verbonden 
met twee kabels. Deze steen, aldus de verantwoordelijken, zou een gewijde steen uit Mekka zijn die ‘formidabele krachten bezat om allerlei kwalen te genezen’. De generaal werd gevraagd wat er moest gebeuren om de uitvinding wereldwijd te laten erkennen. 
Hij antwoordde dat de rest van de wereld zijn zorg niet was. Een voorbode van het schandaal dat zou volgen.

    Op 21 november 2017 volgde een 
nieuwe leugen, toen op de officiële Facebookpagina van de legerwoordvoerder bekend werd gemaakt dat 
een team van onderzoekers van de medische faculteit van de strijdkrachten met hun ontdekking van een behandeling van leverkanker middels DNA-manipulatie een eerste plaats en een gouden medaille in de wacht had gesleept tijdens het internationale synthetischebiologieconcours iGem 
in Boston.

    Tv-host Bassem Youssef krijgt nog wat make-up voor zijn satirische nieuwsprogramma Al Bernameg begint, een soort Egyptische variant op The Daily Show. – © Getty Images
    Tv-host Bassem Youssef krijgt nog wat make-up voor zijn satirische nieuwsprogramma Al Bernameg begint, een soort Egyptische variant op The Daily Show. – © Getty Images

    Alleen gooide de site van het concours roet in het eten door te verklaren dat het Egyptische team helemaal geen prijs in de wacht had gesleept. Het enige wat ze hadden ontvangen was het traditionele welkomstcadeau dat aan alle deelnemers werd uitgereikt.

    De ontdekking van hun leugens lijkt 
de medische faculteit van de militaire universiteit niet te deren. Ze hebben zelfs een vijf jaar durende medische opleiding aangekondigd voor een bedrag van 15.000 Egyptische pond voor burgers en 10.000 voor militairen [respectievelijk 750 en 500 euro]. Dit alles, zo werd verzekerd, met de officiële erkenning van Britse collega’s onder bescherming van de Britse Royal Society.

    Vervolgens wilde de bond van Egyptische artsen er meer van weten, met het oog op harmonisatie van de diploma’s. Het behoeft geen betoog dat er geen sprake is van zo’n akkoord tussen de militaire faculteit en de Royal Society, waarmee het om de zoveelste leugen gaat om aspirant-artsen geld uit de zak te kloppen.

    Auteur: Bassel Abdallah

    Daraj
    Libanon | nieuwssite | daraj.com

    Alternatieve nieuwssite die in 2017 is opgericht in Beiroet. De redactie bestaat uit journalisten uit Libanon en andere Arabische landen, die een alternatief willen bieden voor traditionele Arabische media. Met reportages en onderzoeksjournalistieke verhalen, veelal over minder courante onderwerpen als mensenrechten en homoseksualiteit.

  • Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Studie na studie toont aan dat bacon, ham, salami en andere soorten bewerkt vlees kanker kunnen veroorzaken. Hoe kan het dan, vraagt de Britse historica en voedseldeskundige Bee Wilson zich af, dat de vleeswarenindustrie alsmaar volhoudt dat hun producten veilig zijn?

    Vroeger ging ik naar een cafeetje waar ze de beste broodjes bacon hadden. Dat was een heerlijk luchtig wit bolletje, en de bacon, een dikke plak van een plaatselijke slager, zat ergens tussen knapperig en stevig in. Er werden kleine potjes ketchup en HP Sauce bij geserveerd, zodat je zelf kon bepalen hoeveel je erop deed. Dat was alles: brood, bacon en saus. Het eten van zo’n broodje – ik deed dat om de paar weken – met een kop sterke koffie erbij, was voor mij ongecompliceerd genieten.

    Maar plotseling was dat broodje bacon helemaal niet meer zo’n onverdeeld genoegen. In oktober 2015 had de helft van mijn kennissenkring het wekenlang over het nieuws dat bacon kankerverwekkend was. Je kon er niet omheen: het stond breed uitgemeten in alle kranten en overal op internet. Zoals een journalist van Wired schreef: ‘Waarschijnlijk zijn er geen woordcombinaties te vinden die het internet zo in vuur en vlam kunnen zetten als BACON en KANKER.’ De website van de BBC meldde zakelijk dat ‘bewerkt vlees kanker veroorzaakt’, terwijl The Sun uitpakte met ‘Worst in de ban’ en ‘Moordenaar in de keuken’.

    De bron van het verhaal was het bericht van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dat ‘bewerkt vlees’ nu werd geclassificeerd in ‘groep 1 
carcinogeen’, wat betekent dat wetenschappers ervan overtuigd zijn dat er voldoende bewijs is voor de conclusie dat bewerkt vlees kanker veroorzaakt, met name darmkanker. De waarschuwing gold niet alleen voor Britse bacon maar ook voor Italiaanse salami, Spaanse chorizo, Duitse braadworst 
en eindeloos veel andere etenswaren.

    Alarmerende berichten over de gezondheid kun je vaak met een korrel zout nemen, maar deze onheilstijding viel toch moeilijk te negeren. Het bericht van de WHO berustte op het advies van 22 kankerspecialisten uit tien landen, die nauwkeurig hadden gekeken naar meer dan vierhonderd onderzoeken naar bewerkt vlees, waarin de epidemiologische data van honderdduizenden mensen waren opgenomen. ‘Eet minder bewerkt vlees’ was nu net als ‘eet meer groente’ een van de weinige onweerlegbare, wetenschappelijk bewezen adviezen – niet gewoon de zoveelste voedingshype. Zoals in elk nieuwsbericht werd benadrukt, behoorde bewerkt vlees nu tot een groep van 120 carcinogenen, naast alcohol, asbest en tabak – wat leidde tot schreeuwende krantenkoppen waarin werd verkondigd dat het eten van bacon even dodelijk was als roken. De WHO waarschuwde dat het eten van 50 gram bewerkt vlees per dag – evenveel als een paar plakjes bacon of één hotdog – de kans op het krijgen van darmkanker met 18 procent verhoogt. (Het eten van grotere hoeveelheden vergroot die kans.) Als je hoort dat je eigen risico op kanker van 5 procent stijgt naar ongeveer 6 procent, is dat misschien niet alarmerend genoeg om je de broodjes bacon te laten afzweren. Maar als je hoort dat het eten van bewerkt vlees wereldwijd per jaar 34.000 doden extra veroorzaakt, schrik je wel iets meer. 
Volgens Cancer Research UK zouden er, als in Groot-Brittannië niemand bewerkt of rood vlees at, 8800 kankergevallen minder zijn. (Dat is vier keer zoveel als het landelijke aantal dodelijke verkeersslachtoffers.)

    Typisch Brits voedsel

    Het nieuws werd vooral als schokkend ervaren omdat ham en bacon typisch Brits voedsel zijn. Bijna een kwart van de volwassenen in Groot-Brittannië eet dagelijks een broodje ham tussen de middag, volgens gegevens uit 2012 die zijn verzameld door 
de onderzoekers Luke Yates en Alan Warde. Voor veel consumenten is bacon niet zomaar een voedingsmiddel; het is de bron van veel jeugdherinneringen, een aandenken aan thuis. Onderzoek toont aan dat de lucht van het uitbakken van bacon een van de lievelingsgeuren is in het Verenigd Koninkrijk, naast gemaaid gras en vers brood. Om dan te horen dat bacon bij miljoenen mensen kanker heeft veroorzaakt, is net zoiets als horen dat je oma altijd 
stiekem arsenicum op je ontbijtboterham strooide.

    Vegetariërs wijzen er wellicht op dat het broodje bacon nooit als een onverdeeld genoegen gezien 
mag worden, zeker niet voor de varkens, waarvan 
de meeste in smerige, benauwde omstandigheden 
worden gehouden. Maar voor de rest van ons was 
het een alarmerend bericht dat ons lievelingseten bijdraagt aan de onnodige dood van duizenden 
mensen. In de weken die volgden op de bekendmaking van het WHO-rapport zakte de verkoop van bacon en worst in. De Britse supermarkten meldden een daling van 3 miljoen pond in veertien dagen tijd. (‘Het was een grote klap,’ vertelde Kirsty Adams, de productontwikkelaar voor vlees bij Marks & Spencer.)

    Maar net toen het ernaar uitzag dat dit #Bacongeddon zou worden (een van de vele wanhopige, bacongerelateerde hashtags die in oktober 2015 trending waren), kwam er een tweede informatiegolf. De boodschap daarvan: paniek voorbij. In ieder geval was de analogie tussen het eten van bacon en roken misleidend. Het roken van tabak en het eten van bewerkt vlees is allebei gevaarlijk, maar niet in dezelfde mate. Om het in een bredere context te plaatsen: ongeveer 86 procent van de gevallen van longkanker houdt verband met roken, terwijl slechts 21 procent van de gevallen van darmkanker kan worden toegeschreven aan het eten van bewerkt of rood vlees. Enkele weken na het verschijnen van het rapport kwam de WHO met een verklaring waarin werd benadrukt dat er niet in het rapport stond dat consumenten geen bewerkt vlees meer mochten eten.

    Intussen liet de vleesindustrie weten dat het een storm in een glas water was. Het North American Meat Institute, een lobbygroep van de vleesindustrie, noemde het rapport ‘zwaar overdreven’. In een hele rits artikelen werd op redelijke toon benadrukt dat het prematuur en dwaas zou zijn om geen bewerkt vlees meer te eten vanwege een heel kleine kans op kanker.

    Bijna drie jaar later is ten aanzien van bewerkt vlees alles weer normaal. Velen van ons zijn over de eerste schok heen. De verkoop van bacon in het 
Verenigd Koninkrijk is in de twee jaar tot medio 2016 met 5 procent gestegen. Toen ik vorig jaar een productontwikkelaar bij supermarkt Sainsbury’s interviewde, vertelde ze dat een van 
de snelste manieren om Britse consumenten een nieuw product te laten proberen was door er chorizo aan toe 
te voegen.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn

    En toch is het bewijs dat er een verband is tussen bacon en kanker sterker dan ooit. In januari van dit jaar bleek uit een grootschalige studie waarbij de gegevens van 262.195 Britse vrouwen werden gebruikt, dat alleen al bij het eten van 9 gram bacon per dag – minder dan één plakje – de kans op het ontwikkelen van borstkanker later in het leven aanzienlijk toeneemt. De hoofdauteur van de studie, Jill Pell van het Institute of Health and Wellbeing van de Universiteit van Glasgow, vertelde dat hoewel het contraproductief kan zijn om aan te dringen op totale onthouding, er wetenschappelijk bewijs is voor de stelling dat het 
‘misleidend zou zijn als gezondheidsinstanties een andere veilige norm vaststellen dan nul’.

    Het werkelijke schandaal is echter dat bacon helemaal niet zo schadelijk voor onze gezondheid hoeft te zijn. Het deel van het verhaal dat ons niet wordt verteld – ook niet door de WHO – is dat er andere manieren zijn om die producten te vervaardigen, waardoor ze significant minder carcinogeen zouden zijn. Het feit dat er zo weinig bekend is, is 
te wijten aan de macht van de vleesindustrie, die de afgelopen veertig jaar een campagne van verdoezelen en misleiding heeft gevoerd die kan wedijveren met de smerige trucs van de tabaksindustrie.

    Hoe kies je in een winkel een pakje bacon uit, aangenomen dat je een vleeseter bent? Ten eerste kies je tussen knapperige doorregen spek, of het magere rugspek. Dan besluit je of je gerookt of ongerookt 
wilt – elk soort heeft zijn eigen fervente fans (ik ben van de ongerookt-fanclub). Misschien zoek je een pakje uit met scharrel- of biologisch vlees, of misschien ben je krap bij kas en zoek je gewoon naar een aanbieding. Hoe dan ook, voordat je het in je mandje legt, kijk je nog een keer om te zien of het vlees roze genoeg is.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn, zoals de Franse journalist Guillaume Coudray uitlegt in een boek dat vorig jaar in Frankrijk uitkwam met als titel Cochonneries, een woord dat zo wel ‘zwijnenstal’, ‘smeerboel’ als ‘ongezond eten’ betekent. De ondertitel luidt: ‘Hoe vleeswaren giftig werden’. Cochonneries leest als een misdaadroman, waarin de bewerktvleesindustrie de dader is en de gewone consument het slachtoffer.

    Het roze van de bacon – of van gekookte ham of salami – is een teken dat het is behandeld met chemicaliën, in het bijzonder met nitraat en nitriet. De algemene opvatting is dat bewerkt vlees door het gebruik van deze chemicaliën kankerverwekkender is dan onbewerkt vlees. Coudray betoogt dat we niet moeten spreken van ‘bewerkt vlees’ maar van ‘nitrovlees’.

    ‘Pure, idiote, krankzinnige waanzin’, zo omschrijft Coudray in een e-mail aan mij het voortdurende gebruik van nitraat en nitriet in bewerkt vlees. De waanzin schuilt naar zijn mening in het feit dat het mogelijk is bacon en ham te maken op een manier die minder kankerverwekkend is. De simpelste manier om vlees te conserveren is met droog zout 
of natte pekel. Coudray merkt op dat fabrikanten van ham en bacon beweren dat deze ouderwetse manier van conserveren niet veilig is. Maar de werkelijke reden waarom ze ertegen zijn is een financiële: het duurt op deze manier veel langer voor bewerkt vlees op smaak is, en dat drukt de winst.

    gettyimages 80439641

    Er bestaat veel verwarring over wat ‘bewerkt vlees’ nu precies inhoudt, 
een verwarring die in de hand wordt gewerkt door de vleesindustrie, die 
er baat bij heeft dat wij denken dat 
er geen verschil bestaat tussen vers gekruid lamsgehakt en een pizza overladen met nitraatpepperoni. Formeel gezien betekent ‘bewerkt vlees’ varkensvlees of rundvlees dat is gezouten en geconserveerd, gerookt of niet gerookt. Een pond vers rundergehakt is niet bewerkt. Een harde salami wel.

    Het gezondheidsrisico van bacon heeft voornamelijk te maken met twee additieven: kaliumnitraat (oftewel salpeter) en natriumnitriet. Deze stoffen geven salami, bacon en gekookte ham hun aantrekkelijke roze kleur. Salpeter werd al in vroeger tijden gebruikt voor het zouten van vlees. Zoals Jane Grigson uitlegt in Charcuterie and French Pork Cookery, werd salpeter traditioneel gebruikt bij het pekelen van ham ‘om het er aantrekkelijk roze te laten uitzien, omdat het anders een onfrisse, grijsachtig bruine kleur zou hebben’.

    In vroegere eeuwen wisten baconmakers die salpeter gebruikten niet dat het bij het conserveren van het vlees verandert in nitriet. En nitriet zorgt ervoor dat de bacterie die verantwoordelijk is voor de smaak zich sneller ontwikkelt, namelijk door de ontwikkeling van andere bacteriën te remmen. Maar in het begin van de twintigste eeuw ontdekte de vleesindustrie dat de productie van bewerkt vlees gestroomlijnd kon worden door in pure vorm natriumnitriet toe te voegen aan het varkensvlees. In de jaren zestig spraken de firma’s die nitrietpoeder verkochten aan hamfabrikanten er 
in vakbladen openlijk over dat het belangrijkste voordeel was dat door 
de versnelling van het productieproces 
de winstmarges werden vergroot. Een Frans merk natriumnitriet uit de jaren zestig was Vitorose, oftewel ‘snel roze’.

    Nitrochemicaliën zijn niet zo’n zegen voor de consument. Van zichzelf zijn deze chemicaliën niet kankerverwekkend; nitraat zit tenslotte van nature in veel groene groenten, zoals bleekselderie en spinazie, iets waar baconfabrikanten vaak triomfantelijk op wijzen. Zoals een Britse baconfabrikant tegen me zei: ‘Er zit nitraat in sla, en niemand zegt dat je dat niet mag eten!’ Maar er gebeurt iets anders als nitraat wordt gebruikt bij het bewerken van vlees. Als nitraat reageert met bepaalde componenten in rood vlees (heemijzer, aminen en amiden), ontstaan N-nitrosoverbindingen, die kankerverwekkend zijn. De bekendste van deze verbindingen is nitrosamine. Hiervan is bekend, zoals Guillaume Coudray me in een e-mail uitlegde, dat het ‘zelfs in een heel lage dosering kankerverwekkend is’. Telkens als iemand bacon, ham of ander bewerkt vlees eet, komt er in de darmen een dosis nitrosaminen die de cellen in de darmwand beschadigt, en dat kan leiden tot kanker.

    Je kunt het niet afleiden uit de manier waarop bacon wordt verkocht, maar wetenschappers weten al heel lang dat nitrosaminen kankerverwekkend zijn. Meer dan zestig jaar geleden, in 1956, ontdekten de Britse onderzoekers Peter Magee en John Barnes dat als ratten dimethylnitrosamine kregen toegediend, 
ze kwaadaardige levertumoren ontwikkelden. In 
de jaren zeventig toonden studies bij dieren aan dat kleine, herhaaldelijk toegediende doses nitrosaminen en nitrosamiden – precies het soort reguliere dosis die iemand dagelijks binnenkrijgt als hij bacon bij zijn ontbijt eet – tumoren in allerlei organen veroorzaakten, waaronder in de lever, de maag, de slokdarm, de darmen, de blaas, de hersenen, de longen en de nieren.

    Hersenkanker

    Dat iets kankerverwekkend is bij ratten en andere zoogdieren, betekent nog niet dat het ook kanker veroorzaakt bij mensen, maar al in 1976 betoogde kankerspecialist William Lijinsky dat ‘het aannemelijk is’ dat de N-nitrosoverbindingen die in vleeswaren zoals bacon zitten, ook ‘carcinogeen voor 
de mens’ zijn. In de daaropvolgende jaren hebben onderzoekers een enorme hoeveelheid bewijs verzameld die die aanname ondersteunt. In 1994, om maar een van de honderden studies over nitrosaminen en kanker eruit te halen, ontdekten twee Amerikaanse epidemiologen dat er een verband was tussen het een of meerdere keren per week eten van een hotdog en een verhoogd risico op hersenkanker bij kinderen, vooral bij kinderen die bovendien weinig vitaminen binnenkregen.

    In 1993 namen parmahamfabrikanten in Italië 
collectief het besluit om nitraat uit hun product te weren en terug te keren naar het gebruik van alleen zout, net zoals vroeger. De afgelopen 25 jaar is er 
in geen enkele Prosciutto di Parma nitraat of nitriet gebruikt. Zelfs zonder nitraat of nitriet blijft de ham roze van kleur. We weten nu dat de kleur in parmaham volstrekt onschadelijk is: deze is het gevolg van enzymreacties tijdens het anderhalf jaar durende rijpingsproces van de ham.

    Langzaam geconserveerde, nitraatvrije ambachtelijke ham is één ding, maar hoe zit het met de vleeswaren voor de massamarkt? Anderhalf jaar is wel 
een erg lange wachttijd voor hotdogs, aldus voedselwetenschapper Harold McGee. Maar er zijn altijd nitraatvrije baconsoorten geweest, waarvoor alleen zout en kruiden zijn gebruikt. John Gower van Quiet Waters Farm, een producent van varkensvlees die veel fabrikanten van bewerkt vlees adviseert, bevestigt dat nitraat geen noodzakelijk ingrediënt is van bacon: ‘Het is algemeen erkend dat aan puur spiervlees, in tegenstelling tot bewerkt vlees zoals salami, geen nitraat hoeft te worden toegevoegd voor de voedselveiligheid.’

    Bacon is het bewijs, als dat nog nodig is, dat we vasthouden aan oude gewoonten, lang nadat bewezen is dat ze schadelijk zijn. Dat vasthouden aan nitraat in bacon is vooral ‘cultureel’, zegt Gower. Bacon die is geconserveerd op de traditionele manier, zonder nitraat en nitriet, mist wat Gower ‘dat moeilijk te definiëren aroma, die heerlijke, bijna metaalachtige smaak’ noemt, waardoor bacon voor de Britse consument naar bacon smaakt. Bacon zonder nitraat, 
zegt Gower, is niets anders dan ‘zout varkensvlees’.

    Gezien het feit dat al zo lang bekend is dat ‘nitrovlees’ schadelijk is, rijst de vraag waarom er niets 
is gedaan om ons ertegen te beschermen. Corinna Hawkes, hoogleraar Voedselbeleid aan de City-universiteit in Londen, voorspelt al jaren dat bewerkt vlees ‘het nieuwe suiker’ is – een voedingsmiddel dat zo schadelijk is dat de overheid moet ingrijpen om ons te beschermen. Het zal niet lang meer duren, aldus Hawkes, voordat eindelijk het verband tussen kanker en bewerkt vlees tot de mensen doordringt en ze zeggen: ‘Waarom heeft niemand ons dat verteld?’

    Het verbijsterendste van de baconpaniek in 2015 was dat het zo lang duurde voordat officiële volksgezondheidsinstanties waarschuwden tegen het consumeren van bewerkt vlees. Dat hadden ze veertig jaar eerder kunnen doen. De enige keer dat de bewerktvleesindustrie serieus in het nauw dreigde te komen, was in de jaren zeventig, een decennium waarin in de VS de zogenaamde ‘oorlog tegen de nitraten’ werd gevoerd. In het tijdperk van het consumentenactivisme van Ralph Nader kwam er steeds meer steun voor het idee om de consument te beschermen tegen bacon – een prominente wetenschapper op het gebied van de volksgezondheid noemde bacon ‘het gevaarlijkste voedsel in de supermarkt’. In 1973 bevestigde Leo Freedman, de belangrijkste toxicoloog van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA), tegenover The New York Times dat ‘nitrosaminen kankerverwekkend zijn voor de mens’, hoewel 
hij eraan toevoegde dat hij net als ieder ander gek was op bacon.
    De Amerikaanse vleesindustrie besefte dat ze snel moest handelen om bacon te beschermen tegen de kankerbeschuldigingen. Eerst probeerde men 
de wetenschappers eenvoudigweg belachelijk te maken door te stellen dat ze enorm overdreven. In 1975 betoogde Farmers Weekly in een artikel getiteld ‘Feiten met betrekking tot de angst voor bacon’ dat een man van gemiddeld gewicht elke dag meer dan 11 ton bacon zou moeten eten om ook maar de geringste kans op kanker te krijgen. Dat was een schandelijk verzinsel.

    Maar algauw kwam de vleeslobby met een slimmere afleidingstruc. Het American Meat Institute (AMI) poneerde de stelling dat het nitraat er alleen aan was toegevoegd voor de veiligheid van de consument, ter bescherming tegen botulisme – een potentieel dodelijke vergiftiging door toxinen die soms worden gevormd in slecht geconserveerde etenswaren. De wetenschappelijk directeur van het AMI betoogde dat met een enkel kopje botuline alle mensen op onze planeet gedood konden worden. Dus in tegenstelling tot levensbedreigend was bacon eigenlijk levensreddend.

    gettyimages 80439641

    In 1977 gaven de FDA en het Amerikaanse ministerie van Landbouw de vleesindustrie drie maanden de tijd om te bewijzen dat nitraat en nitriet in bacon niet gevaarlijk waren. ‘Als ze geen bevredigend 
antwoord kregen, zouden die additieven binnen 
drie jaar vervangen moeten worden door niet-kankerverwekkende methoden’, schrijft Coudray. De vleesindustrie kon niet bewijzen dat nitrosaminen niet kankerverwekkend waren – omdat al lang bekend was dat ze dat wel waren. In plaats daarvan werd als argument aangevoerd dat nitraat en nitriet uiterst essentieel zijn voor de productie van bacon, omdat er anders duizenden mensen zouden overlijden aan botulisme. In 1978 betoogde Richard Lyng, directeur van het AMI, in een reactie op het ultimatum van de FDA dat nitriet voor bewerkt vlees hetzelfde is als gist voor brood.

    De tactiek van de vleesindustrie bij de verdediging van bacon komt ‘rechtstreeks uit de koker van de tabaksindustrie’, aldus Marion Nestle, hoogleraar Voeding en Voedsel aan de New York-universiteit. 
De eerste zet is: val de wetenschap aan. In de jaren tachtig financierde het AMI een groep wetenschappers aan de Universiteit van Wisconsin. Die vleesonderzoekers publiceerden een reeks artikelen die twijfel zaaiden over het schadelijke effect van nitraat en die het risico op botulisme bij nitraatloze ham overdreven.

    Leidt de productie van ham zonder nitriet tot botulisme? Als dat zo is, is het wel een beetje vreemd dat in de 25 jaar dat parmaham zonder nitriet wordt gemaakt, er geen enkel geval van botulisme mee 
in verband is gebracht. Bijna alle gevallen van 
botulisme veroorzaakt door geconserveerd voedsel – uiterst zeldzaam overigens – zijn het gevolg geweest van slecht geconserveerde groenten, zoals ingeblikte bonen, erwten en paddenstoelen. Het botulisme-argument was een rookgordijn. Hoe meer de consument het gevoel had dat je kon debatteren over het schadelijke effect van nitraat en nitriet in bacon en ham, des te makkelijker ze zich gerust 
lieten stellen en gewoon bacon bleven kopen.

    Het schijnargument van botulisme was zeer effectief. Het lukte het AMI om de FDA zover te krijgen dat het ultimatum met betrekking tot nitriet werd verlengd tot in 1980 een nieuw hoofd werd aangesteld bij de FDA, iemand die meer van hotdogs hield. Het verbod op nitriet werd in de ijskast gezet. De enige concessie die de industrie had gedaan, was het percentage nitriet dat werd toegevoegd aan bewerkt vlees te beperken en vitamine C toe te voegen, waardoor de vorming van nitrosaminen werd geremd, hoewel vitamine C niet de vorming van een ander bekend carcinogeen voorkomt: nitrosyl-haem.

    In de loop der jaren zijn de berichten die de gevaren van bacon bagatelliseren steeds bizarder geworden. Een verklarend artikel door het Meat Science and Muscle Biology-lab van de Universiteit van Wisconsin betoogt dat natriumnitriet in wezen ‘essentieel is voor de gezondheid van de mens, doordat het de bloeddruk regelt, geheugenverlies voorkomt en de wondgenezing 
versnelt’. Een website van de Franse vleesindustrie, info-nitrites.fr, stelt dat het gebruik van ‘de juiste dosis’ nitriet in ham ‘gezonde en veilige’ producten garandeert, en benadrukt dat ham uitstekend voedsel voor kinderen is.

    De baconlobby heeft verrassend genoeg bondgenoten gevonden bij de voorvechters van natuurlijk voedsel. Typ ‘nitraat kanker bacon’ in op Google en je stuit op een aantal artikelen over gezond eten, waarvan enkele zijn geschreven door pleitbezorgers van 
het ‘paleodieet’. Zij betogen dat bacon eigenlijk gezondheidsvoedsel is, waarover ten onrechte kwaad wordt gesproken. De schrijvers melden vaak dat groenten de primaire bron van nitraat zijn en dat het menselijk speeksel veel nitriet bevat. Een veel gedeeld artikel beweert dat stoppen met het eten van bacon net zo absurd zou zijn als proberen te stoppen met ademhalen. Bij deze talloze onlinepleidooien voor de gezondheid van bacon is het moeilijk vast te stellen welke auteurs overtuigd zijn door de vleeslobby, en wie gewoon domme ‘voedingsdeskundigen’ zijn die niet beter weten. Hoe dan ook, deze desinformatie heeft de potentie om duizenden mensen ziek te maken. Het raadselachtige van het geheel is waarom iedereen die misleiding zo gretig accepteert.

    We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken

    Onze steeds verder reikende kennis van de gevaren van bacon heeft weinig schade toegebracht aan de genoeglijke culturele associaties van bacon. Tijdens de research voor dit artikel voelde ik steeds meer walging opkomen ten aanzien van de voortdurende onoprechtheid van de bewerktvleesindustrie. Ik dacht aan ziekenhuiszalen en de verschrikkelijke pijn en ellende van darmkanker. Maar dan herinnerde ik me 
de zondagochtenden dat ik als kind samen met mijn vader in de keuken was en hem bacon zag bakken. Als de bacon klaar was, bakte hij wat stukjes brood in het resterende spekvet tot die 
al het lekkers in zich hadden opgezogen.

    In theorie zou onze gewoonte om gezouten en geconserveerd vlees te eten moeten zijn verdwenen toen halverwege de twintigste eeuw de koelkast zijn intrede deed in de huishoudens. Maar de smaak van eten is zelden rationeel en miljoenen van ons zijn nog steeds gek op het zoutige, rokerige umami-aroma van sissende bacon. We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken. De wijdverbreide bereidheid om de roze nitrobacon het veroorzaken van kanker te vergeven, illustreert hoe verscheurd we ons voelen als iets geliefds in onze cultuur schadelijk voor onze gezondheid blijkt te zijn. Onze hersenen kunnen het vreselijke gevoel niet aan dat bacon niet is wat we dachten dat het was, en dus richten we onze woede op de gezondheidsgoeroes die ons waarschuwen voor de gevaren ervan. De reactie van veel consumenten
 op het WHO-rapport van 2015 was: blijf van mijn bacon af!

    In 2010 overwoog de EU het gebruik van nitraat in biologisch vlees te verbieden. Verrassend misschien, maar de Britse industrie van biologische bacon was een fel tegenstander van dat voorgenomen nitraatverbod. Richard Jacobs, de voormalige directeur van Organic Farmers & Growers, een industriële organisatie, zegt dat het verbieden van nitraat en nitriet de ineenstorting van de groeimarkt van biologische bacon zou hebben betekend.

    Biologische bacon waaraan nitraat is toegevoegd klinkt als een contradictio in terminis, aangezien de meeste consumenten van biologisch eten het kopen vanwege hun bezorgdheid over de voedselveiligheid. Als je eerst zo veel moeite hebt gedaan om scharrelvarkens te fokken en ze alleen biologisch voedsel te geven, waarom zou je het vlees dan zodanig bewerken dat het kankerverwekkend wordt? In Denemarken is alle biologische bacon nitraatvrij. Maar de Britse biologische industrie houdt vol dat Britten geen bacon accepteren die er grijsachtig uitziet.

    Het feit dat de consument zijn vertrouwen in roze bacon zo langzaam opgeeft, is echter deels een reactie op de verwarrende manier waarop de gezondheidsboodschap wordt gebracht. Wat betreft bewerkt vlees zijn we niet alleen misleid door de bizarre overdrijvingen van de voedselindustrie, maar ook door de behoedzaamheid van de wetenschap. Op de website van de WHO wordt het schadelijke aspect van met nitriet behandeld vlees zo onduidelijk uitgelegd dat het je helemaal kan ontgaan. Halverwege een stuk over de oorzaken ‘waardoor rood vlees en bewerkt vlees de kans op kanker vergroten’, staat: ‘Tot de kankerverwekkende chemicaliën die ontstaan tijdens het bewerken van vlees, behoren onder andere N-nitrosoverbindingen.’ In normale taal betekent dit dat nitriet bacon kankerverwekkender maakt. Maar in plaats van dat zo direct te formuleren, wijkt de WHO snel uit naar de vraag hoe zowel rood als bewerkt vlees kanker kan veroorzaken, en voegt eraan toe ‘dat het nog niet helemaal duidelijk is hoe het komt dat de kans op kanker toeneemt’.

    Het worstje

    Deze behoedzaamheid heeft ons als consument onnodig in het ongewisse gelaten. Jarenlang heb ik geloofd dat het ongezondste van het typisch Engelse ontbijt het worstje was, en niet de bacon. Voor ik aan de research voor dit artikel begon, had ik durven zweren dat worstjes tot de categorie ‘bewerkt vlees’ behoorden. Op de website van de National Health Service staan ze daar ook foutief onder gerangschikt. Maar het Britse worstje bestaat, in tegenstelling tot een harde worst zoals de Franse saucisson, alleen uit vers vlees, broodkruim, kruiden, zout en E223, een conserveringsmiddel dat niet kankerverwekkend is. Na veel vragen bevestigden twee woordvoerders van het Amerikaanse National Cancer Institute dat je verse worst ‘zou kunnen beschouwen als rood vlees’ en niet als bewerkt vlees, en daarom alleen als ‘mogelijk’ kankerverwekkend. (Ik werd heel blij van het feit dat de meeste worstjes geen bewerkt vlees zijn; denkend aan [het typisch Engelse gerecht] toad in the hole deed ik een vrolijk rondedansje door de keuken.)

    Als je kankerspecialisten vraagt onderscheid te maken tussen de risico’s van het eten van verschillende soorten vlees, worden ze natuurlijk behoedzaam. De twee deskundigen bij het National Cancer Institute vertelden dat vleessoorten die nitriet en nitraat bevatten, in onderzoeken bij de mens ‘consistent in verband worden gebracht met een verhoogd risico op darmkanker’. Maar ze voegden eraan toe 
dat ‘het moeilijk is om nitrosaminen te scheiden van andere mogelijke carcinogenen die aanwezig kunnen zijn in bewerkt vlees zoals bacon.’ Tot die andere verdachte stoffen behoren onder andere heemijzer – een stof die overvloedig aanwezig is in al het rode vlees, bewerkt of niet – en heterocyclische aminen: chemicaliën die in vlees ontstaan bij het bakken. 
Een stuk knapperige, doorgebakken bacon zal veel carcinogenen bevatten, en dat komt niet alleen door het nitraat.

    Naar mijn mening is het probleem met deze redenering dat daarmee de vraag waarom bewerkt vlees zo veel nauwer gelinkt wordt aan kanker dan gebakken rood vlees, niet is beantwoord. Daarvoor is nog geen plausibele verklaring, behalve dan nitraat en nitriet. Maar het is lastig om daar een duidelijke bevestiging voor te zoeken in de data, omdat mensen niet onder klinische observatie in laboratoria eten.

    Het meeste van wat we weten over bewerkt vlees en kanker bij de mens, komt uit de epidemiologie – de studie naar ziekten in hele bevolkingsgroepen. Maar epidemiologen stellen niet het soort gedetailleerde vragen over voedsel waarop de mensen die dat voedsel eten graag een antwoord zouden hebben. Epidemiologische data – gebaseerd op onderzoek naar wat mensen eten – tonen overduidelijk aan dat eetpatronen met veel bewerkt vlees leiden tot een toename van het aantal kankergevallen. Maar er blijkt niet uit waarom, of welk vlees het best of het slechtst is. Zoals Corinna Hawkes van de City-universiteit opmerkt: ‘De onderzoekers vragen niet of je ambachtelijke vleeswaren van de plaatselijke Italiaanse delicatessenzaak eet of de goedkoopste hotdogs die je maar kunt krijgen.’

    Ik zou graag data zien waarbij het risico op kanker 
bij het eten van parmaham wordt vergeleken met het dat bij eten van traditionele bacon, maar geen epidemioloog heeft nog zo’n studie uitgevoerd. Het dichtstbij komt een Franse studie uit 2015, waarin werd aangetoond dat het consumeren van genitrosyleerd heemijzer – zoals aangetroffen in bewerkt vlees – een directer verband had met darmkanker dan het heemijzer dat in vers rood vlees zit. Misschien hebben epidemiologen geen gedetailleerdere vragen gesteld over wat voor soort bewerkt vlees ze eten, omdat ze aannemen dat er geen algemeen alternatief is voor bacon dat zonder nitraat of nitriet wordt gemaakt.

    gettyimages 958962510

    De technologie is aanwezig om op een minder schadelijke manier het roze vlees te maken waar we zo van houden, wat de vraag doet rijzen waarom het oude soort nog steeds zo veel wordt verkocht. Sinds ‘de oorlog tegen de nitraten’ in de jaren zeventig zijn de consumenten in de VS kritischer op nitraat dan die in Europa, en er is veel ‘nitraatvrije bacon’ op de markt. Volgens Jill Pell is het probleem dat de meeste bacon die in de VS als nitraatvrij verkocht wordt, in werkelijkheid niet nitraatvrij is. Het wordt gemaakt met nitraat dat afkomstig is uit een selderijconcentraat, dat weliswaar natuurlijk is, maar in vlees precies dezelfde N-nitrosoverbindingen vormt. Volgens de EU-regels zou bij die bacon niet ‘nitraatvrij’ op het etiket mogen staan. ‘Dit is het smerigste geval van oplichting dat ik in mijn hele leven ben tegengekomen,’ zegt Denis Lynn, directeur van Finnebrogue Artisan, een Noord-Iers bedrijf dat worstjes maakt voor veel Britse supermarkten, zoals Marks & Spencer (M&S). Jarenlang had Lynn gehoopt dat hij zijn assortiment kon uitbreiden met bacon en ham, vertelt hij, ‘maar dat zou ik pas doen als we een manier hadden gevonden om dat zonder nitraat te doen’.

    Toen Lynn hoorde van een nieuw procedé, ontwikkeld in Spanje, om prachtige roze, nitraatvrije bacon te maken, ging hij ervan uit dat het de zoveelste dode mus was. In 2009 ontdekte Juan de Dios Hernandez Canovas, voedingswetenschapper en directeur van voedseltechnologisch bedrijf Prosur, dat als hij bepaalde vruchtenextracten toevoegde aan vers 
varkensvlees, het een verrassend lange tijd roze bleef.

    In januari 2018 gebruikte Finnebrogue deze technologie om daadwerkelijk nitraatvrije bacon en ham in het Verenigd Koninkrijk te introduceren. Deze worden bij [supermarktketens] Sainsbury’s en Waitrose verkocht onder de naam ‘Naked Bacon’ en ‘Naked Ham’, en bij M&S als ‘gemaakt zonder nitriet’. Kirsty Adams, die de leiding had bij de lancering bij M&S, legt uit dat dit vlees ‘niet echt geconserveerd is’. Het is meer vers gezouten varkensvlees dat is geïnjecteerd met een extract van fruit en groenten, en het bederft ook eerder dan een plak ouderwetse bacon – maar dat geeft niet, want het wordt toch bewaard in de koelkast. Omdat het snel geproduceerd kan worden, is het economisch aantrekkelijker om te maken dan de andere nitraatvrije opties, zoals de langzaam gerijpte parmaham. Bij Waitrose kost 
een pakje bacon tegenwoordig 3 pond, wat niet het goedkoopst is, maar ook weer niet onbetaalbaar.

    Ik probeerde de Finnebrogue-bacon van M&S. Het magere rugspek smaakte lekker zacht, een vleugje fruitig. Het had niet de aantrekkelijke textuur of de rokerige diepte van een plakje droog gezouten bacon van de slager, maar ik zou het zo weer kopen als alternatief voor nitrovlees. Niemand van mijn gezin proefde het verschil in de spaghetti amatriciana.

    Nitrietvrije bacon klinkt nog steeds een beetje chic en apart, maar er is niets aparts aan het verlangen om voedsel te eten dat het risico op kanker niet vergroot. Lynn vertelt dat hij, toen hij Prosur voor het eerst sprak over het vruchtenextract, vroeg hoeveel ze hadden verkocht aan de andere grote Britse baconfabrikanten die ze hadden benaderd. Het 
antwoord was ‘niets’. ‘Geen van de grote bedrijven wilde het hebben,’ beweert Lynn. ‘Ze zeiden: “Dat maakt al ons andere bewerkte vlees verdacht.”’
    Maar het valt nog af te wachten hoeveel vraag er bij de consument zal zijn naar nitriet- of nitraatvrije bacon. Ondanks alle ophef rondom bacon en kanker is het niet makkelijk om voor jezelf precies vast te stellen wat voor gevaar je loopt als je een broodje bacon eet. Oké, jaarlijks sterven 34.000 mensen omdat ze bewerkt vlees hebben gegeten, maar de kans is groot dat jij daar niet bij hoort. Ik vroeg een aantal kankerwetenschappers of ze zelf bewerkt vlees aten, en ze gaven allemaal een ander antwoord. Jill Pell zei dat ze meestal vegetarisch at en zelden bewerkt vlees at. Maar toen ik Fabrice Pierre, een Franse deskundige op het gebied van darmkanker en vlees, vroeg of hij ham at, zei hij: ‘Ja, natuurlijk. Maar dan wel met groente erbij.’ (Pierres onderzoek bij het Toxalim-laboratorium heeft aangetoond dat sommige kankerverwekkende effecten kunnen worden geneutraliseerd door het eten van groente.)

    Onze eeuwige twijfel en verwarring over wat we moeten eten is een geschenk voor de baconindustrie. Het verdoezelen van de schadelijke effecten van 
met nitraat en nitriet geconserveerd vlees kreeg een steuntje in de rug door de scepsis die velen van ons hebben ten opzichte van elk dieetadvies. Op het hoogtepunt van de grote baconpaniek van 2015 
zeiden veel intelligente mensen dat het geen kwaad kon de nieuwe classificering van bewerkt vlees als kankerverwekkend te negeren, omdat je nooit moet vertrouwen wat voedingsdeskundigen zeggen. Intussen blijven miljoenen consumenten van ham en bacon, onder wie kinderen, onbeschermd achter. Het bijzonderste van deze hele controverse is hoe weinig publieke verontwaardiging ze heeft veroorzaakt. Ondanks alles zien de meesten van ons bacon nog steeds als een dierbare goede vriend.

    In een ideale wereld zouden we allemaal minder vlees eten, bewerkt of niet bewerkt, zowel vanwege de duurzaamheid en het dierenwelzijn als vanwege onze eigen gezondheid. Maar in de wereld waarin 
we nu leven is bewerkt vlees nog steeds een normale eiwitbron voor miljoenen mensen die het zich niet kunnen veroorloven een heel pakje bakbacon in te wisselen voor een paar plakjes Prosciutto di Parma. Volgens onderzoeker John Kearney is ongeveer de helft van al het vlees dat in ontwikkelde landen wordt gegeten bewerkt, waardoor het een veel universelere gewoonte is dan roken.

    Arme consumenten

    De werkelijke slachtoffers van dit alles zijn niet 
mensen zoals ik, die af en toe een zuurdesembroodje bacon eten in een hipstercafé. De mensen die het zwaarst worden getroffen zijn diegenen – velen met een laag inkomen – voor wie het risico op kanker door het eten van bacon nog wordt vergroot door andere risicofactoren, zoals het eten van vezelarm voedsel met weinig groenten en weinig volkorenproducten. In zijn boek wijst Coudray erop dat miljoenen arme consumenten in de komende jaren zullen 
worden getroffen door darmkanker, als het westerse bewerkte vlees de ontwikkelingslanden verovert.

    Eerder dit jaar startte Michèle Rivasi, een Frans lid van het Europees Parlement, een campagne – in samenwerking met Coudray – voor een verbod op nitriet in alle landen van Europa. Gezien de felheid waarmee de baconindustrie voor haar zaak heeft gevochten, lijkt een algeheel verbod op nitriet niet erg waarschijnlijk.

    Maar behalve een absoluut veto zijn er nog andere dingen die gedaan kunnen worden aan het gevaar van nitriet en nitraat in bacon. Betere informatie zou al een begin zijn. Zoals Corinna Hawkes betoogt, is het ‘verrassend’ dat er vanuit de overheid niet meer moeite wordt gedaan om de mensen te informeren over de risico’s van het eten van ham en bacon, bijvoorbeeld door een waarschuwing op het etiket van bewerkt vlees. Maar waar is de Britse politicus die dapper genoeg is om de kwaliteit van bacon in twijfel te trekken?

    Auteur: Bee Wilson
    Vertaler: Paul Bruijn

  • De start-upmedicus

    De start-upmedicus

    ResearchGate is een sociaal netwerk voor wetenschappers, opgericht door de Duitse viroloog Ijad Madisch. Het in Berlijn gevestigde bedrijf heeft inmiddels 87 miljoen euro opgehaald en mag Bill Gates en Matt Cohler tot zijn investeerders rekenen.

    Heb ik!’ roept Ijad Madisch. Hij trekt een sprintje, maar weet de bal net niet te achterhalen. Hij geeft zijn medespeler een tik op de schouder, maakt hem een compliment (‘mooie pass’), kiest met een sprongetje weer positie, focust zich op de bal en slaat die dit keer in het zand op de helft van de tegenpartij. Het is negen uur 
’s ochtends en Madisch heeft al zeven sets beachvolleybal achter de rug. Hij is ontevreden, want de laatste twee sets heeft hij verloren. ‘Ijad kijkt altijd naar de cijfertjes,’ zegt zijn trainer.

    Madisch is arts, gepromoveerd viroloog en oprichter van ResearchGate, een soort Facebook voor wetenschappers. Sommigen denken dat hij midden in Berlijn de droom van Silicon Valley aan het verwezenlijken is. Madisch zegt: ‘Misschien ben ik een goede verkoper. Dat is mijn Arabische bloed.’ Hij lacht. Natuurlijk is dat gekoketteer. Kenners zien het bedrijf van Madisch als de hoop van de Berlijnse start-upscene, de langverwachte innovatie met mondiale uitstraling, een soort Google uit Duitsland. Madisch heeft bondskanselier Angela Merkel al eens op bezoek gehad en mag Bill Gates en Matt Cohler, ooit de man achter Mark Zuckerberg bij Facebook, tot zijn investeerders rekenen. In de afgelopen jaren heeft Madisch 87 miljoen euro opgehaald.

    Soms gaat de wekker om drie uur ’s nachts, waarna hij snel een paar e-mails checkt en weer gaat slapen

    Het businessplan van Madisch is simpel: hij wil een wereldwijd netwerk van wetenschappers opbouwen die hun onderzoeksresultaten met elkaar delen, ook hun fouten. Tien jaar geleden kwam hij op het idee, toen hij nog geneeskunde studeerde aan de Universiteit van Hannover en onderzoek deed aan Harvard. Daar liep hij vast bij een experiment en wist zich geen raad. Juist dat zou wetenschappers dankzij ResearchGate niet meer mogen gebeuren.

    ‘We publiceren momenteel maar 5 procent van alle onderzoeken,’ zegt Madisch. Slechts een klein, succesvol deel wordt in de wetenschapstijdschriften gepubliceerd. Maar waarom zou die overige 95 procent interessant zijn? ‘Wij proberen alles realtime te tonen, ruwe data, veldonderzoek, mislukte experimenten, analyses, secundaire gegevens, definitieve gegevens, gedachte-experimenten, want ook dat is research.’ Madisch wil dat onderzoekers leren van de fouten van andere onderzoekers en die niet opnieuw maken. De geüploade publicaties hebben een tijdstempel, zodat niemand kan beweren dat hij al eerder op het idee was gekomen. Het wetenschappelijk publiceren is een enorm werkterrein, waarin Madisch verandering wil aanbrengen.

    Madisch is klaar met sporten. Fris gedoucht, houthakkershemd en sneakers aan, stapt hij in zijn antracietkleurige Tesla. De muziek begint te spelen. 
Uit de boxen klinkt rap, The Notorious B.I.G. Madisch trekt aan zijn Superman-baseballpet, zodat die niet meer helemaal recht zit. Een laatste blik op zijn smartphone en dan rijdt hij weg richting centrum. Voor hem liggen tien uur werk. ’s Avonds gaat hij nog een keer volleyballen.

    Ijad Madisch, viroloog en oprichter ResearchGate. ‘Wij proberen alles realtime te tonen, ruwe data, veldonderzoek, mislukte experimenten, analyses, definitieve gegevens, gedachte-experimenten, want ook dat is research.’ – © Jens Kalaene / Newscom
    Ijad Madisch, viroloog en oprichter ResearchGate. ‘Wij proberen alles realtime te tonen, ruwe data, veldonderzoek, mislukte experimenten, analyses, definitieve gegevens, gedachte-experimenten, want ook dat is research.’ – © Jens Kalaene / Newscom

    Madisch werkt veel. Soms gaat de wekker om drie uur ’s nachts, waarna hij snel een paar e-mails checkt en weer gaat slapen. Wanneer hij voor het laatst naar de film is geweest, kan hij zich niet herinneren. Hij leeft voor zijn bedrijf. Alleen de sport kan hem losrukken. Op het veld hoeft hij geen leiding te geven, daar gelden andere regels. Dat ontspant hem. Maar zelfs sport beoefent hij inmiddels op topniveau. Zijn volleybalpartner en zijn trainer hebben ooit in het nationale team gespeeld.

    De Tesla rijdt een parkeergarage in de Invalidenstraβe in, niet ver van het Nordbahnhof. Hier zetelt ResearchGate, op vier etages van een fabriek. Er vlak achter wordt gebouwd aan nog een kantoor van acht verdiepingen. Madisch loopt over de gangen en groet her en der met ‘Hi, how are you?’ Iedereen spreekt hier Engels. Hij wijst naar een paar collega’s. ‘Dat is het people team,’ zegt hij, ‘ik heb een hekel aan de term human resources. Het is onze belangrijkste unit, de mensen die doorslaggevend zijn voor het succes.’ Madisch let erop dat hij ook wetenschappers in dienst neemt; de afdeling personeelszaken staat onder leiding van een voormalige kinderarts. Hij loopt een stukje verder en steekt zijn hand op. De collega’s zwaaien terug. ‘Zij werken aan growth,’ zegt hij, aan de groei van het platform. Ook zij zijn ‘het belangrijkste team’.

    Michael Peter Manns

    Madisch doet de deur van een vergaderzaal open en fluistert: ‘Dit doe ik het liefst, onverwachts mijn hoofd om de deur steken.’ In de ruimte zitten drie mannen met baard en Birkenstocks; ze horen bij het growth-team. Dat team, aldus Madisch, probeert ‘de activiteit hoog te houden’. De mannen moeten ervoor zorgen dat wetenschappers die de site van ResearchGate bezoeken zo vaak mogelijk terugkomen, hun resultaten delen en nieuwe collega’s uitnodigen, zodat het platform kan groeien. De man met de langste baard is ‘head of growth’. Hij schakelt snel zijn beeldscherm uit zodra hij in de gaten heeft dat Ijad Madisch in het gezelschap is van een journalist.

    De vergaderzalen in het bedrijf zijn genoemd naar wetenschappers, onder wie de biologe Rachel Carson, de natuurkundige Galileo Galilei en de primatologe Jane Goodall. De laatste ruimte 
is versierd met boompjes in potten en knuffelaapjes. De Birkenstock-mannen zitten in de Michael Peter Manns-zaal. De muren zijn beschilderd met menselijke organen. ‘Dit is onze kleinste en lelijkste vergaderzaal,’ zegt Madisch. De anekdote over professor Manns behoort inmiddels tot de legende rond de oprichting van ResearchGate.

    Na zijn studie geneeskunde kreeg de 27-jarige Madisch van de gerenommeerde lever-, maag- en darmonderzoeker Michael Peter Manns een baan aangeboden als klinisch wetenschapper in de universiteitskliniek in Hannover. Madisch vroeg hem om een halve baan om meer tijd te hebben voor het opzetten van ResearchGate, maar Manns was weinig enthousiast. ‘Ik heb hele kerels nodig, geen halve,’ was zijn reactie. Hij verlangde volledige concentratie op de toch al tweesporige loopbaan als praktiserend arts en wetenschapper, hij had hoge verwachtingen van Madisch. Met Manns deed Madisch onderzoek naar darmkanker en begeleidde hij patiënten die een levertransplantatie hadden ondergaan.

    Een tijdlang deed Madisch alles naast elkaar. Overdag werkte hij in de kliniek in Hannover. ’s Avonds vloog hij voor een lezing naar een andere stad, bijvoorbeeld naar Oxford. Op een gegeven moment stond hij zo oververmoeid in de kliniek dat het hoofd van de afdeling hem naar huis stuurde. Professor Manns bleef de halve baan echter weigeren, waarna hem duidelijk werd: ‘Ik moet voor het een of het ander kiezen.’ Madisch koos voor zijn bedrijf.


    Er zijn niet veel Duitse grondleggers die bereid zijn zo’n groot risico te nemen, althans niet vanuit Silicon Valley beschouwd. Volgens Madisch zou hij zijn ondernemingszin wel eens van zijn ouders kunnen hebben, die decennia geleden uit Syrië naar Duitsland kwamen. Vader bouwde een eigen praktijk op als plattelandsdokter in Nedersaksen.

    Madisch, die in 1980 in Wolfsburg werd geboren, wist al vroeg dat ook hij dokter wilde worden, ook al zat hij als kind al stiekem achter de computer van zijn vader en sprak hij later met hem af dat hij bij zes tienen op zijn rapport een eigen computer zou krijgen. Die 386SX-16 staat nog altijd bij zijn ouders, vertelt Madisch. Na zijn eindexamen begon hij met zijn studie geneeskunde. En omdat hij goed kon leren, sloeg al in het tweede semester de verveling toe en koos hij er een tweede vak bij: informatica.

    In mei 2008 richtte Madisch samen met twee vrienden en oud-studiegenoten, arts Sören Hofmayer en informaticus Horst Fickenscher, de onderzoekersportal ResearchGate op. Een van zijn eerste financiers was investeerder Christian Vollmann. ‘De website was toen nog niet eens live,’ herinnert Madisch zich. Twintig andere investeerders hadden al bedankt. Ook Vollmann had aanvankelijk getwijfeld: ‘Mijn ene hersenhelft juichte: eindelijk iemand uit Duitsland met een echte visie. De andere dacht: hoogleraren die plotseling fouten transparant gaan maken, hoe gaat dat gebeuren?’ Hij besloot toch te investeren, omdat hij de passie van Ijad Madisch had opgemerkt, zegt hij. Hij gelooft niet dat Madisch zijn bedrijf zou verkopen, hoewel zo veel oprichters dat juist wel doen. ‘Dat zou voor hem aanvoelen als een nederlaag, alsof hij zijn doel om de wetenschap te veranderen niet heeft bereikt.’

    Hij is koppig, maar ook heel erg ijverig. Ijad Madisch is een geboren netwerker

    Ijad Madisch kan verhalen verkopen. Ook daar draait het om in het start-upwereldje. ‘Ik zou met ResearchGate graag de Nobelprijs willen winnen,’ zegt hij vaak in interviews. Dat klinkt arrogant en is het misschien ook wel. Maar van iemand die als visionair wordt beschouwd, verwacht je ook uitspraken die voorbehouden zijn aan mensen die toch al aan een inhaalactie bezig zijn.

    De aanmelding op ResearchGate is momenteel gratis voor de researchers. Eenmaal aangemeld krijgen de gebruikers een internationale vacaturebank te zien. ‘Als de NASA researchers bij ons zoekt, moeten ze ervoor betalen,’ zegt Madisch. Bovendien wordt er reclame gemaakt voor conferenties of producten, zoals voor laboratoriumproducten. Madisch geeft een voorbeeld: ‘Je begrijpt dat de onderzoeker een DNA-test wil doen en wijst hem op de nieuwste kit van een biotechbedrijf.’

    Radioloog en Harvard-professor Rajiv Gupta, de mentor van Madisch en de man die hem destijds een halve baan in een laboratorium in Boston bezorgde, vindt dat Madisch twee slechte 
eigenschappen heeft: zijn overdreven competitiegeest en zijn tomeloze idealisme. Hij is koppig, zegt Gupta, maar ook heel erg ijverig. Nooit eerder heeft hij zo’n sociale wetenschapper ontmoet. Hij vindt Ijad Madisch een geboren netwerker.

    Madisch praat even snel als hij denkt en is allang bij het volgende onderwerp: automatic science, de poging om onderzoeksgegevens automatisch te koppelen met behulp van algoritmen. ‘Als je bijvoorbeeld onderzoek doet naar Alzheimer, kun je niet alles behappen wat er over dat thema beschikbaar is. Wij willen de gegevens zo combineren dat ze tot nieuwe doorbraken in het onderzoek leiden,’ zegt hij. ‘Nu gaat het pas echt beginnen.’

    Auteur: Silke Weber
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

    CONTEXT: Het businessmodel

    ResearchGate verkoopt personeels- en reclameadvertenties. Oprichter Ijad Madisch streeft naar winstgevendheid van het bedrijf in 2019. Het is een alternatief
    model voor dat van klassieke wetenschapsuitgeverijen zoals Springer en Reed Elsevier. Hun totale omzet bedraagt wereldwijd ruim 20 miljard euro. Critici verwijten hen hoge private winsten te realiseren met door de overheid gefinancierd onderzoek. Uitgeverij Reed Elsevier nam in 2013 Mendeley over, een concurrent van ResearchGate.

  • De kinderen van de big bang

    De kinderen van de big bang

    In de laboratoria van CERN bij Genève doen zestienduizend jonge wetenschappers uit de hele wereld onderzoek naar de mysteries van het heelal. D, het weekblad van de Italiaanse krant La Repubblica, ging er op reportage.

    Francesca Dordei (29) raakte bevlogen tijdens een sterrennacht met de padvinders. ‘De big bang, zwarte gaten, sterren die ontstaan en uitdoven. Ik had een heleboel vragen over het heelal.’ Edward Bossini daarentegen was gek op Lego Technic. ‘Ik deed niets anders dan het in elkaar zetten, uit elkaar halen en opnieuw in elkaar zetten, samen met mijn vader. Van elektrische circuits tot de beweging van de planeten: ik wilde weten hoe de wereld in elkaar stak. En dat wordt door de natuurkunde op een simpele en elegante manier uitgelegd.’

    Beiden zijn op de juiste plek terechtgekomen: de laboratoria van CERN, de campus vlak bij Genève, op de grens van Zwitserland en Frankrijk, waar ze zich met niets anders bezighouden dan met deeltjesfysica. In die ‘citadel’ zetten zestienduizend jonge academici en postdocs uit de hele wereld (van wie 20 procent vrouw) hun eerste stappen in de wetenschap, zij aan zij met gevestigde collega’s. Ze bouwen machines, doen experimenten, verzamelen gegevens, stellen rapporten op. Voor deze visionaire techneuten leveren oneindig kleine eenheden van het atoom niet alleen de verklaring voor de wetten die het heelal regeren, ze voegen ook stukjes toe aan de puzzel van de grote mysteries van het leven. Hun motto: Matter matters.

    Grootste deeltjesversneller ter wereld

    Onderzoek doen naar materie is in wezen een manier om te bestuderen waarvan wij zijn gemaakt. En dus wie we zijn en waar we vandaan komen. Arabella Martelli (32) herinnert zich de betovering van haar eerste dag bij CERN. ‘Een foto uit een natuurkundeboek van de middelbare school, met het onderschrift dat de belangrijkste natuurkundigen op die plek waren verzameld, werd opeens werkelijkheid. Toen ik er voor de eerste keer over de drempel stapte, als summer student, dacht ik: Wow, nu hoor ik daar ook bij!’

    Van buitenaf gezien heeft CERN niets bijzonders: afgezien van het bolvormige bezoekerscentrum (de Globe of Science and Innovation) is het een doolhof van non-descripte gebouwen, kantoren en grijze loodsen, waarin je heel gemakkelijk kunt verdwalen. De straten zijn allemaal identiek en hebben nummers of zijn vernoemd naar wetenschappers. Het echte spektakelstuk bevindt zich honderd meter onder onze voeten: de LHC (Large Hadron Collider), een ring van 27 kilometer, de grootste deeltjesversneller ter wereld. Een hightechmachine, gebouwd om dingen te verklaren die lang geleden zijn gebeurd. ‘We versnellen protonen tot bijna de lichtsnelheid,’ zegt Dordei, ‘en dan laten we ze botsen en creëren zo mini-big bangs om te begrijpen wat er is gebeurd op het moment dat het heelal ontstond.’ ‘Door een druppel universum te herscheppen proberen we de eigenschappen ervan te snappen,’ vult Grace Luparello (33) haar aan. ‘Waarom vormt er zich bijvoorbeeld zo veel materie en zo weinig antimaterie? Ook op die vraag hopen we hier een antwoord te vinden.’

    ‘Druppel’ is overigens een groot woord. Dat wat dagelijks in de LHC wordt geïnjecteerd zijn nanogrammen materie. ‘Die zijn zo oneindig klein dat er in veertig jaar slechts 3 tot 4 gram aan deeltjes door deze machines is gegaan,’ zegt Mirko Pojer, de ingenieur die verantwoordelijk is voor de LHC. In 2012 heeft CERN wereldwijd alle media gehaald met de ontdekking van het Higgs-boson, een subatomair deeltje dat van fundamenteel belang is voor het standaardmodel van de deeltjesfysica.


    In de controlekamer van de LHC wordt nog steeds de fles Veuve Clicquot bewaard die bij die gelegenheid is ontkurkt. Niet dat iemand dronken is geworden of triomfantelijk ‘eureka!’ heeft geroepen. Verre van dat. De aankondiging werd op ingetogen wijze gedaan door Fabiola Gianotti, de huidige algemeen directeur. Plotseling raakten we gefascineerd door gluonen, W- en Z-bosonen en fotonen, al begrepen we er nog steeds niets van, en werden de wetenschappers die zich daarmee bezighouden een soort vips. Maar het boson is inmiddels alweer oud nieuws.

    De uitdaging is nu om nog verder te gaan, want het standaardmodel verklaart slechts 5 procent van het heelal. ‘Over zeven jaar gaat de LHC een nieuwe fase in, en daarom zijn we de machines aan het verbeteren,’ zegt Martelli. ‘Ik ben bezig een calorimeter te ontwerpen voor de CMS, waarvan we nu de eerste prototypes testen om erachter te komen wat ermee kunnen meten…’ Stop! Deeltjesfysici zijn geobsedeerd door meten. Als ze erover praten, lichten hun ogen op. Ze zitten bij toerbeurt aan de computer gekluisterd om de kleinste veranderingen te noteren. Maar ze spreken een voor niet-ingewijden onbegrijpelijke taal. Het volstaat te weten dat de CMS een van de deeltjesdetectoren langs de ring van de LHC is. De andere zijn Alice, Atlas en LHCb. Door middel van deze gigantische ‘camera’s’, die zo groot zijn als gebouwen van vier verdiepingen, proberen de wetenschappers van CERN uiterst geheimzinnige entiteiten op te sporen die het paradigma waarmee we verschijnselen interpreteren op revolutionaire wijze zouden kunnen veranderen.

    Maria Giulia Ratti (26) houdt zich bezig met donkere materie. ‘We weten dat die in grotere hoeveelheden bestaat dan gewone materie,’ zegt ze, ‘en we weten dat die interageert met de zwaartekracht, maar we willen erachter komen of donkere materie daarnaast ook nog met andere krachten interageert. De uitdaging voor ons is de manier te vinden om dat zichtbaar te maken.’

    Waar de donkere materie vooralsnog een soort gigantische ongedefinieerde massa is, is er met de antimaterie enige vooruitgang geboekt. ‘We zijn op een keerpunt aangekomen,’ zegt Dordei. ‘De gegevens die we drie jaar lang hebben verzameld, bevestigen de geldigheid van het standaardmodel. Maar er zijn afwijkingen. Het is nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken, maar een van de hypotheses is dat het om onbekende deeltjes gaat.’ Ze houdt terecht een flinke slag om de arm: het kan tientallen jaren duren voordat de experimenten resultaten opleveren.

    ‘Je wilt als eerste het resultaat hebben. En als dat er eenmaal is, moet je jezelf alweer vragen gaan stellen over het volgende experiment’

    Tijdens de lunchpauze stromen honderden jongeren massaal naar de cafetaria. Van pizza tot couscous, van sushi tot hamburgers, de menu’s spreken alle talen, net als de mensen. Een chaotische smeltkroes van Fransen, Britten, Duitsers en Spanjaarden, maar ook Arabieren en Chinezen. En een heleboel Italianen, met circa tweeduizend de grootste groep. Sommigen gaan in de rij staan, anderen zetten nog een stoel bij een overvolle tafel waar luid wordt gepraat en gelachen, weer anderen gaan met een broodje op de grond zitten, hun opengeklapte laptop op schoot.

    Misschien gaan niet alle studenten lunchen met Gianotti, maar bij CERN delen onderzoekers, professoren en Nobelprijswinnaars dezelfde ruimtes en bestaat er in theorie geen hiërarchie. Dat vergemakkelijkt de communicatie, die voor het doen van onderzoek essentieel is. ‘Ik weet nog dat ik een keer een artikel las over thin film position, waar Sergio Calatroni, die hier werkt, dé expert in is,’ zegt Ignacio Santillana Aviles (30). ‘Ik mailde hem een aantal vragen en binnen vijf minuten schreef hij terug: ‘Waarom praten we er niet over bij een kop koffie?’ En een kwartier later zaten we aan dezelfde tafel: ik, een eenvoudige stagiair, en hij, een beroemde wetenschapper… wow!’

    Ook bij deze uitmuntende collega’s is samenwerken van wezenlijk belang. Alleen door verschillende competenties te combineren kan een groep bepaalde ontdekkingen doen – de prima donna uithangen wordt dan ook niet op prijs gesteld. En toch is het werken op een dergelijke plek niet altijd even makkelijk. ‘Er is door de verschillende staten een hoop geld in geïnvesteerd,’ zegt Ratti. ‘Dus de druk om abstracts, verslagen en met name resultaten te produceren voor de conferenties die door het jaar heen worden gehouden, is hoog.’ Als je daar met lege handen staat, is dat geen goed visitekaartje. ‘Daarom geven we er soms de voorkeur aan geen risico’s te nemen en geen tijd te vermorsen met “exotisch” onderzoek waarvan de uitkomst onzeker is,’ zegt Dordei.

    Omdat er veel op het spel staat, is er ook sprake van (naar ze zeggen gezonde) rivaliteit. ‘We zijn allemaal vrienden, en als het nodig is helpen we elkaar een handje,’ zegt Bossini. ‘Maar dit is ook een arena, en je weet dat je vroeg of laat zult moeten vechten.’ De strijd wordt gestreden met papers. ‘Je haalt nachten door, onderuitgezakt in een stoel in het laboratorium, om iets te meten. Omdat je een harde kop hebt en denkt dat je het beter kunt dan de rest. Je wilt als eerste het resultaat hebben. En als dat er eenmaal is, moet je jezelf alweer vragen gaan stellen over het volgende experiment.’

    Binnen bij CERN. 1. Manager Kathy Foraz; 2. De 27 kilometer lange tunnel; 3. De deeltjesdetector CMS. – © HH, Getty
    Binnen bij CERN. 1. Manager Kathy Foraz; 2. De 27 kilometer lange tunnel; 3. De deeltjesdetector CMS. – © HH, Getty

    Gelukkig bestaat CERN uit meer dan alleen onderzoek. Verschanst in die citadel van de wetenschap, met een eigen bank, café, postkantoor, krantenkiosk en souvenirwinkel, vinden de ‘cernioten’ ook nog tijd voor sport en ander vertier. Tussen de experimenten door organiseren ze etentjes, doen ze mee aan de meest uiteenlopende activiteiten (van yoga en films maken tot snowboarden) en in het weekend gaan ze ook wel naar Genève om fondue te eten of een tentoonstelling te bezoeken. En voor degenen die denken dat ze alleen in hun hoofd leven: nee, ze kunnen ook helemaal losgaan op de dansvloer. ‘In de zomer zetten we een grote tent buiten, en dan speel ik voor dj. Techno, electro… en dan gaan we door tot in de kleine uurtjes,’ zegt Ignacio, die ook regelmatig gaat duiken in het Meer van Genève (‘Het is ijskoud en je ziet helemaal niets’).

    Zijn er dan helemaal geen problemen? Jawel, de angst dat hun contract niet wordt verlengd. Want al kom je er relatief makkelijk binnen, een vaste baan krijgen is steeds moeilijker. Uit de contracten blijkt dat de salarisverschillen groot zijn: van 1500 euro voor een Italiaanse onderzoeksbeurs – waar je in Zwitserland niet echt van kunt leven – tot 6000 Zwitserse frank [5600 euro] voor een fellowshipbeurs van CERN. Velen huren woonruimte aan de Franse kant van de grens, waar het minder duur is. Niemand die ervaring heeft opgedaan in een ‘centre of excellence’ zal zonder werk komen te zitten, maar ‘er zijn veel mensen die er, als ze tegen de veertig lopen, genoeg van hebben van de ene postdocpositie naar de volgende te gaan. Die willen een baan met meer zekerheid, stoppen met onderzoek en gaan voor een bedrijf werken,’ aldus Martelli.

    Vredeswetenschappelijk

    CERN is niet alleen een symbool van uitmuntendheid op het gebied van de natuurkunde, maar ook van de vruchtbare samenwerking tussen staten. Een soort EU met 21 leden en nog veel meer geassocieerde landen, die elke dag de deuren van het onderzoek opent voor wetenschappers en aspirant-wetenschappers, vaak afkomstig uit landen die met elkaar in oorlog zijn. Uit vredeswetenschappelijk oogpunt is het project dus succesvol. En toch hebben veel mensen zo hun bedenkingen bij al die wetenschapsmissionarissen die onderzoek doen naar het onzichtbare. ‘Als ik studenten rondleid, is een van de meest gestelde vragen: “Waarom moet er zo veel geld naar CERN en naar die gekke wetenschappers?”’ zegt Ignacio. ‘Ze begrijpen niet dat we hier bezig zijn de grenzen van het onderzoek en de technologie te verleggen. Als we de regels van een spel begrijpen, kunnen we het steeds beter spelen.’ In welke zin? ‘Als je op zoek bent naar een nieuwe kaars, zul je nooit een gloeilamp uitvinden. Een ziekenhuis zou nooit op het idee komen een nieuw MRI-systeem te ontwikkelen of hadronen in plaats van fotonen te gebruiken om kanker te behandelen. Wij denken out of the box.’

    Op dit moment weten we nog niet waartoe het Higgs-boson zal kunnen dienen, maar in de toekomst, wie weet… Daarom heeft CERN ook een afdeling Knowledge Transfer, kennisoverdracht. ‘Op deze manier proberen we dat wat we leren terug te geven aan de wereld,’ zegt Ignacio. ‘En ondertussen schrijdt de kennis voort.’

    Auteur: Mara Accettura
    Vertaler: Yond Boeke

    CONTEXT: 2017. Het jaar van de donkere materie?

    Ze zou het ‘skelet’ van het heelal vormen, dat de sterrenstelsels onderling met elkaar verbindt. Maar ze is nog nooit rechtstreeks aangetoond. ‘Is de donkere materie een neutrino? Het hypothetische deeltje axion?’ vraagt de website Ars Technica zich af.

    In de wetenschap bestaat daarover geen eensluidende opvatting, maar er worden steeds meer experimenten ondernomen, in Europa, bij CERN, maar ook bijvoorbeeld in China, met het experimentele project PandaX.

    Volgens Motherboard ‘hopen de jagers op de donkere materie dat 2017 hun jaar zal worden’. En mocht dat niet zo zijn, ‘dan wordt het wellicht tijd om onder ogen te zien dat we met onze huidige theorieën over de donkere materie op de verkeerde weg zijn – dat we op de verkeerde plekken zoeken, met een ontoereikend instrumentarium’, voorziet deze website.

    D
    Italië | weekblad | 375.000

    D staat voor donna [vrouw], en ook voor de 
zaterdagbijlage van La Repubblica: een blad 
voor modereclame, design en binnenhuisarchitectuur. Tussen de glanzende advertenties staat zo nu en dan een lezenswaardig artikel. (De journalistieke bijlage van de Romeinse krant ‘Venerdì’, verschijnt – dus – op vrijdag.)

    In 1996 werd D voor het eerst meegestuurd als wekelijks supplement van La Repubblica. Met 
zijn uiterst verfijnde vormgeving, luxe papier (al vele malen nagevolgd) en de ruime plek 
die het blad inruimt voor de actualiteit en reportages, is dit het vrouwenblad dat het meest door mannen wordt gelezen. In 2014 werd een mannelijke spin-off van D bedacht, genaamd Dlui di Repubblica. Voor de Italiaanse vrouw, wellicht?

  • Op zoek naar de kietelplek

    Op zoek naar de kietelplek

    Waarom zijn we eigenlijk zo gevoelig voor kietelen? Die vraag stelt de knapste koppen al duizenden jaren voor raadsels. Twee Duitse onderzoekers lijken door tests met ratten het begin van het antwoord te hebben gevonden.

    Als laboratoriumrat van de Humboldt-Universiteit in Berlijn heb je een heleboel lol. Dat suggereert althans een video die twee daar werkzame neurobiologen onlangs op YouTube hebben gezet. Daarin is te zien hoe ratten gekieteld worden en daarbij van plezier piepen en in de lucht springen. Grappig. Maar het is veel meer dan dat: een tweeduizend jaar oud geheim.

    Aristoteles piekerde al over de zin en onzin van het kietelen. Ook andere grote denkers hebben zich er later het hoofd over gebroken. Want hoe triviaal het fenomeen op zich ook is, het werpt een paar allesbehalve triviale vragen op.

    In vakjargon wordt kietelen sinds 1897 met twee indrukwekkende namen aangeduid: knismesis (van het Griekse knizein voor ‘krabben, prikkelen’) en gargalesis (van gargalizein: ‘kietelen’). Met het eerste wordt het lichte kriebelen op de huid bedoeld, als die slechts zachtjes wordt aangeraakt. Deze vorm van kietelen is in het dierenrijk wijd verbreid. Elke hond die een vlo op zich voelt scharrelen, kent het. Vermoedelijk is dat ook precies de zin van van knismesis: de reactie op de lichtste beroeringen moet helpen het lichaam te beschermen tegen vreemde invloeden.


    Gargalesis daarentegen roept meer vragen op. Dit is de naam voor het speelse kietelen, dat door iets meer druk meestal gegiechel uitlokt. Voordat men ook ratten op deze manier een vrolijke reactie kon ontlokken, werd gargalesis alleen bij mensen en primaten waargenomen. Charles Darwin zag daarin zelfs de oorsprong van de humor.
    Veel mensen die gekieteld worden, voelen zich daarbij helemaal niet vrolijk. Ze lachen wel, maar wie daaruit afleidt dat ze vrolijk zijn, zou ook achter iedere traan bij het uien snijden diepe treurnis moeten vermoeden. Volgens een bepaalde hypothese zou het kietelen bij kinderen misschien afweerbewegingen trainen. De vrolijke gelaatsuitdrukking van de gekietelde zet aan tot doorgaan. Bij een gekweld gezicht zou het spel, en daarmee de nuttige afweeroefening, vermoedelijk snel afgelopen zijn.

    Sommige psychologen zien in het kietelen een mogelijkheid om een band op te bouwen. Ouders zouden op deze manier al vroeg de angst voor aanraking bij hun kinderen wegnemen. Broertjes en zusjes kietelen elkaar vaak om een stevig gevecht te vermijden.

    Een goed humeur

    Maar een louter menselijk fenomeen is kietelen waarschijnlijk niet. De psychologen Christine Harris en Nicholas Christenfeld van de Universiteit van Californië denken eerder dat het een soort reflex is. Om deze hypothese te testen lieten ze hun assistente Meg Notman een apparaat bouwen dat ze ‘Mechanic Meg’ doopten. Uit Mechanic Meg stak een robotarm die, samen met de onderzoekers, de eenentwintig deelnemers aan de proef moest kietelen.

    Althans, zo werd het de proefpersonen verteld. In feite was Mechanic Meg alleen maar een kostbare afleidingsmanoeuvre. Het apparaat trilde luid als je het inschakelde. Bovendien verlieten de onderzoekers demonstratief het vertrek om de – geblinddoekte – deelnemers het gevoel te geven dat ze met de robot alleen waren. Maar in werkelijkheid zat de echte Meg de hele tijd verstopt onder een tafellaken, waar ze onder vandaan kwam om de proefpersoon nu eens ‘als mens’, en dan weer ‘als robot’ te kietelen.

    Doel van deze truc was om te vermijden dat men de uitslag van het experiment zou kunnen toeschrijven aan een slechte kietelprestatie van de robot. Op deze manier beleefden de deelnemers het kietelen elke keer met dezelfde kwaliteit. Het resultaat leek de onderzoekers te bevestigen: of nu mens of ‘machine’ aan de slag ging met de voetzolen van de proefpersonen, ze draaiden en kromden zich van het lachen. Toch stond het kietelen niet los van de stemming van de proefpersonen, meenden Harris en Christenfeld toen ze hun resultaten in 1999 presenteerden in het Psychonomic Bulletin & Review.

    Darwin en Aristoteles hielden zich al bezig met kietelen bij mensen, onderzoekers uit Berlijn ontdekten onlangs dat ook ratten er plezier aan beleven.
    Darwin en Aristoteles hielden zich al bezig met kietelen bij mensen, onderzoekers uit Berlijn ontdekten onlangs dat ook ratten er plezier aan beleven.

    Dit vermoeden wordt nu bevestigd door het experiment van de Berlijnse biologen Michael Brecht en Shimpei Ishiyama. Alleen ratten die zich goed voelden, reageerden vrolijk piepend op het kietelen. Wanneer de onderzoekers de dieren op een verhoogd platform of onder een felle belichting plaatsten, waren ze angstig en vertoonden ze geen tekenen van vreugde. Charles Darwin beschouwde een goed humeur al als voorwaarde om door kietelen aan het lachen gemaakt te kunnen worden.

    Een andere grote natuurvorser, de Engelsman Francis Bacon, die in de zeventiende eeuw de basis legde voor de moderne natuurwetenschap, was overtuigd van het tegendeel. Hij geloofde dat gekietelden zelfs wanneer ze zich niet goed voelden moesten lachen, of ze wilden of niet. Hoe pijnlijk dat kan worden, demonstreren verschillende overgeleverde martelmethoden. In de Dertigjarige Oorlog zou bijvoorbeeld het zogenaamde geitenlikken als marteling toegepast zijn. De voeten van het slachtoffer zouden daarbij in zout water gedompeld en aansluitend vastgebonden zijn, zodat geiten er het zout af konden likken. Menig slachtoffer werd naar verluidt zelfs doodgekieteld. Of kietelen werkelijk dodelijk kan zijn, is onduidelijk. Maar één ding is zeker: jezelf kietelen gaat niet – althans niet in de zin van de gargalesis die lachen uitlokt.

    Alleen aan schizofrenie lijdende mensen kunnen zichzelf soms door kietelen aan het lachen maken. Bij gezonde mensen ontbreekt waarschijnlijk het verrassingselement

    Alleen aan schizofrenie lijdende mensen kunnen zichzelf soms door kietelen aan het lachen maken. Bij gezonde mensen ontbreekt waarschijnlijk het verrassingselement. De kleine hersenen schijnen in het moment tussen het besluit jezelf te kietelen en de daadwerkelijke actie een signaal door te geven aan de somatosensorische cortex. Daar worden de tastgewaarwordingen verwerkt. Als dit hersengebied van tevoren gewaarschuwd wordt, kan de waarneming van het kietelen eenvoudig uitgeschakeld worden. Op die manier wordt een overprikkeling voorkomen.

    Maar een andere diersoort kun je met een kietelaanval volledig in verwarring brengen: bij haaien is het genoeg om hun snuit te kietelen om ze in trance te brengen. Zelfbenoemde haaienfluisteraars passen deze techniek toe en maken op die manier zelfs grote exemplaren van de witte haai rustig. Vermoedelijk vervallen de dieren in een verstijving omdat in hun snuit bijzonder veel zenuwen samenkomen, die de prikkeling niet eenduidig kunnen interpreteren.

    Minder verward reageerden de Berlijnse laboratoriumratten. Als men ze over de rug of de buik streek, piepten ze in ultrasonore frequenties. Als de kietelende hand zich verwijderde, huppelden de dieren er zelfs vrolijk achteraan. In de somatosensorische cortex werden intussen dezelfde cellen geactiveerd die ook bij het spelen werden geprikkeld. Dezelfde reactie kon ook worden opgewekt zonder kietelen, door elektrische stimulatie van die cellen.

    ‘Het lijkt erop dat we de kietelplek in de hersenen hebben gevonden’, schrijft Brecht. ‘De manier waarop de cellen reageren bij het kietelen lijkt erg op die bij het spelen. Misschien is het de functie van het kietelen om individuen tot samen spelen te bewegen, en krijgt het daardoor meer betekenis voor het sociale leven.’
    De wetenschappers willen de nieuwe inzichten benutten om verdere vragen over de neuronale verwerking van het kietelen te onderzoeken. Want ook na meer dan tweeduizend jaar zijn nog lang niet alle raadsels rond deze eigenaardige gewaarwording opgelost.

    Auteur: Rebecca Hahn

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

  • Een internet van dieren

    Een internet van dieren

    Nog altijd zijn er veel vragen over de migratiebewegingen van dieren. Door ze uit te rusten met geavanceerde zendertjes hoopt een Duitse wetenschapper ‘levende meetstations’ te creëren.

    Toen rijksgraaf Von Bothmer in 1822 op zijn landgoed in de buurt van Lübeck een ooievaar schoot, was dat kennelijk al de tweede aanslag op het dier. In de hals van de ooievaar stak een 40 centimeter lange Afrikaanse pijl. Voor de wetenschap was de pechvogel een gelukje. Al eeuwenlang was de vraag wat ooievaars en andere trekvogels in de winter doen voer voor talloze mythen.

    Sommige mensen dachten dat ze zich in de koudste tijd van het jaar ingroeven in de modder of dat ze in muizen veranderden. Volgens een van de theorieën vlogen de dieren zelfs naar de maan om daar te overwinteren. In de negentiende eeuw waren onderzoekers het er nagenoeg over eens dat de dieren de winter in Afrika doorbrachten. Maar de ooievaar met de pijl was het eerste tastbare bewijs daarvan.

    ‘Elk jaar raken we tien miljard kleine vogels kwijt. Maar waar? Dat weet niemand’

    Sindsdien hebben wetenschappers de migratiebewegingen van talloze diersoorten onderzocht door ze van ringen, zenders of camera’s te voorzien of met kleine vliegtuigjes te begeleiden. Maar nog altijd zijn tal van vragen onbeantwoord. Zo is volgens Martin Wikelski van het Max Planck Instituut voor Ornithologie in Radolfzell vaak onduidelijk wat de precieze routes zijn en waar de vogels tussenstops maken. Ook is het een raadsel waar veel van de vogels sterven. ‘Elk jaar raken we tien miljard kleine vogels kwijt. Maar waar? Dat weet niemand.’ Van sommige vogelsoorten is nog altijd niet duidelijk waar ze overwinteren, zegt Wikelski. ‘Goed beschouwd is er eigenlijk niets waar we echt goed bekend mee zijn.’

    Om daarin verandering aan te brengen, wil Wikelski tienduizenden dieren gaan uitrusten met zendertjes, die elke beweging volgen. Een speciale antenne die de signalen opvangt, moet in juni door Russische kosmonauten aan het Internationale Ruimtestation worden bevestigd. Het project heet ICARUS (International Cooperation for Animal Research Using Space) en onderzoekers verwachten een stroom van nieuwe gegevens over de aanwezigheid en het gedrag van talloze diersoorten. Maar Wikelski heeft nog veel meer in gedachten.

    Migrerende ooievaars in Egypte, aan de Rode Zee. – © Wikimedia
    Migrerende ooievaars in Egypte, aan de Rode Zee. – © Wikimedia

    Onlangs presenteerde hij in het Institut für Zoo- und Wildtierforschung in Berlijn zijn ideeën op een symposium van de Nationale Akademie der Wissenschaften Leopoldina. Volgens de onderzoeker kunnen de dieren als levende meetstations ook informatie over wind en weer, temperatuur en ozon- en CO2-gehalte leveren, en op die manier de mensheid helpen om klimaatmodellen te verbeteren of zelfs natuurrampen te voorspellen. Wat Wikelski voor ogen heeft, is een netwerk van levende sensoren dat zich uitstrekt over de planeet, een soort internet van de dieren.

    Om te beginnen is ICARUS echter de hightechvariant van een onderzoeksterrein dat teruggaat tot het einde van de negentiende eeuw. Destijds gingen wetenschappers vogels van ringetjes voorzien. Meldingen van waar die vogels waren aangetroffen stelden hen in staat conclusies te trekken over het gedrag. ‘Het is ongelooflijk tot welke fundamentele inzichten we door het ringen van vogels zijn gekomen,’ zegt Walter Jetz, onderzoeker aan de Yale-universiteit in de Verenigde Staten. ‘Maar nu is het tijd voor een nieuwe technologie. Wat aan het begin van de twintigste eeuw het ringen van vogels was, dat is gps-tracking nu,’ zegt Jetz.

    Auteur: Kai Kupferschmidt
    Vertaler: Pieter Streutker

    Süddeutsche Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 445.000

    Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

  • Vernieuwend visje

    Vernieuwend visje

    De zebravis, afkomstig uit de Himalaya, kan bijna al zijn organen vernieuwen. Indiase onderzoekers willen de eigenschappen van het visje toepassen op de mens.

    De mens kan zijn beschadigde spieren niet zelf repareren, in tegenstelling tot zijn gewervelde neefje Danio rerio, beter bekend als de zebravis, dat bijna al zijn organen kan vernieuwen, inclusief het hart, de wervelkolom, de lever, de alvleesklier en de nieren. In India hebben vijftien laboratoria het dier als studieobject gekozen om te ontdekken of zijn celgedrag op andere organismen kan worden toegepast.

    Het zoetwatervisje, afkomstig uit de zuidwestelijke regio van de Himalaya, leeft in bronnen, meren, vennen en rijstvelden. Zijn embryo ontwikkelt zich in het water, wat hem een ideaal studieobject voor onderzoekers maakt.

    ‘Het embryo ontwikkelt zich buiten het lichaam van de moeder en omdat het doorzichtig is kun je het heel makkelijk bestuderen door een microscoop’

    ‘Het embryo ontwikkelt zich buiten het lichaam van de moeder en omdat het doorzichtig is kun je het heel makkelijk bestuderen door een microscoop,’ zegt Rakesh Mishra, directeur van het Centrum voor cellulaire en moleculaire biologie (CCMB) in Hyderabad. 
Door die doorzichtigheid is het ook makkelijker genetische manipulatietechnieken te gebruiken. 
De zebravis kan in één keer wel tweehonderd embryo’s produceren, en dat zeer snel achter elkaar.

    Het CCMB bestudeert de functie van de Hoxgenen, die verantwoordelijk zijn voor de vorming van de wervelkolom in het embryonale stadium. ‘Omdat de meeste lichaamsdelen van de zebravis zichzelf kunnen repareren, proberen we te kijken hoe deze genen functioneren in delen die al hersteld zijn,’ aldus Rakesh Mishra.

    In het Instituut voor Fundamenteel Onderzoek 
Tata (TIFR) in Mumbai gebruiken de onderzoekers 
de zebravis om villositaire atrofie te bestuderen, 
een erfelijke ziekte die in potentie dodelijk is en vooral kinderen treft.

    zebrafish

    En in het onderzoeksinstituut Agharkar in Poona, dat twee jaar geleden een laboratorium heeft ingericht dat alleen onderzoek doet naar de zebravis, hebben de onderzoekers de moleculen ontdekt die het hart in staat stellen te regenereren. ‘Wij zijn vijf moleculen aan het bestuderen,’ legt Chinmoy Patra van de sectie ontwikkelingsbiologie uit, die zijn proefschrift over hart- en longonderzoek heeft geschreven op het Max Planck Instituut in Berlijn. En volgens de eerste gegevens zijn er twee moleculen die achter deze zelfreparatie zitten.

    Volgens Surendra Ghaskadbi, die de sectie ontwikkelingsbiologie in Poona leidt, is het onderzoek naar de regeneratie van het hart van de zebravis het eerste in zijn soort in India. ‘We weten dat complexe organismen zoals de mens, die relatief kortgeleden zijn geëvolueerd, hun vermogen om hun meeste organen 
te repareren zijn kwijtgeraakt,’ zegt hij. ‘Als we erin slagen de geheimen van de hartregeneratie van de 
zebravis te doorgronden, kunnen we die misschien ook op mensen toepassen.’ Zo’n vijftig miljoen mensen in India kampen met hartproblemen.

    Proefkonijnen

    De onderzoekers van het TIFR in Mumbai hebben het verband blootgelegd tussen villositaire atrofie en de mutaties van een gen genaamd myosine Vb, dat zich ook manifesteert in het intestinale epitheel van de zebravis, dat de binnen- en buitenkant van de ingewanden met elkaar verbindt. Mahendra Sohawane en zijn collega’s Jaydeep Sidhaye, Clyde Pinto, Shweta Dharap, Tressa Jacob en Shobha Bhargava hebben ontdekt dat de mutaties van dit gen tot fouten in de ontwikkeling van het epitheel leiden.

    En tot hun grote verbazing hebben ze ook ontdekt dat de intestinale problemen bij de zebravis vrijwel identiek zijn aan die van de mens. Daarom stellen de onderzoekers voor de zebravis als dierlijk model te gebruiken voor het bestuderen van villositaire atrofie bij de mens. ‘Van nu af aan kunnen we op zoek gaan naar medicijnen om deze ziekte te behandelen en voldoende proefkonijnen om ze op te testen,’ hoopt Mahendra Sonawane.

    Auteur: Anuradha Mascarenhas
    Vertaler: Peter Bergsma

    The Indian Express
    India | dagblad | oplage 550.000

    Deze zelfbenoemde ‘enige krant van India’ is de grootste concurrent van de Indiase Times. Bekend om zijn strijdlust en journalistieke moed.