Trumps ‘big beautiful bill’ heeft de vermogendste 10 procent financieel bijgestaan, terwijl gezinnen met lagere inkomens er gemiddeld door achteruitgaan. Hierdoor wordt het verschil tussen arm en rijk alleen maar groter.
In Greenwich, Connecticut, kun je bij juwelierszaak Shreve, Crump & Low voor 210.000 dollar een ‘Grand Sport Tourbillon’-horloge van Laurent Ferrier kopen. Ze hebben het druk. ‘We boffen hier in Greenwich,’ zegt mede-eigenaar Bradford Walker. De luxe Zwitserse horloges, diamanten, saffieren en smaragden waarin de winkel gespecialiseerd is, lopen allemaal goed. ‘De vraag is het afgelopen half jaar zelfs gestegen.’
In de gemeente Bridgeport, een half uurtje rijden verderop, is ook sprake van toegenomen vraag – maar naar heel andere dingen. Hier is het dringen bij de voedselbanken en de gaarkeukens nu steeds meer gezinnen met lage inkomens gebukt gaan onder de stijgende kosten van levensonderhoud. ‘Ik leef nu van de hand in de tand,’ zegt de in Jamaica geboren Roselyn Macdonald, die eieren komt halen bij de voedselbank in The Hollow, een arme immigrantenwijk in Bridgeport. Ze is werkloos en heeft moeite om de eindjes aan elkaar te knopen.
Dit is echt een verhaal van twee werelden: twee stadjes op nog geen vijftig kilometer van elkaar die het tegenwoordig zo verschillend vergaat dat ze elk in een ander land lijken te liggen. Samen staan ze symbool voor de groeiende welvaartskloof in Amerika, waar de rijken steeds rijker worden terwijl de huishoudens met lagere inkomens kampen met een stagnerende of zelfs dalende levensstandaard. Door die groeiende ongelijkheid is het thema van de koopkracht met stip gestegen op de politieke agenda, en dat is een probleem voor de Republikeinse partij in de tussentijdse verkiezingen dit jaar en voor de slagkracht van Trump als president.
Er is bijna geen county in Amerika waar de inkomenskloof zo groot is als hier in Fairfield, waar de gemeenten Greenwich en Bridgeport liggen. In Greenwich, de thuisbasis van hedgefondsen als AQR, Viking Global Investors en Lone Pine Capital, bedroeg het gemiddelde bruto-inkomen per belastingbetaler in 2023 687.000 dollar. In Bridgeport amper meer dan een tiende daarvan: net 70.500 dollar. En dat verschil is de afgelopen jaren gegroeid. ‘De kloof neemt niet af, maar toe,’ zegt David Rabin, voorman van de lokale non-profitorganisatie Greenwich United Way.
De ’big beautiful bill‘
De belangrijkste wet die de Republikeinen er dit jaar doorheen hebben gekregen, de ‘big beautiful bill’ die Trump in juli tekende, heeft de situatie voor sommige huishoudens alleen maar verslechterd. Die wet verlaagt de belastingen voor de rijken, maar verlaagt ook het overheidsbudget voor Medicaid, het met belastinggeld betaalde programma van ziektekostenverzekeringen voor lage inkomens, en het zogenaamde SNAP-programma voor voedselbonnen. Volgens het Congressional Budget Office, een politiek neutrale overheidsinstantie, gaat de armste 10 procent van de huishoudens er door die wet zo’n 1600 dollar per jaar op achteruit, terwijl de welvarendste 10 procent 12.000 dollar rijker wordt.
Nationale cijfers bevestigen dat beeld. Uit de index voor het consumentenvertrouwen van de universiteit van Michigan blijkt dat mensen met een beleggingsportefeuille veel positiever denken over de economie dan mensen die geen aandelen bezitten: onder die laatsten is het vertrouwen gedaald tot het laagste punt sinds de universiteit dit in 1998 begon te peilen. En dat verschil is in Fairfield County goed zichtbaar. In Greenwich en andere rijke gemeenten zoals Darien en New Canaan ‘zijn de netto-inkomens en de vermogens van mensen gestegen naarmate de huizenprijzen en de beurskoersen omhoog schoten,’ aldus Mark Abraham van DataHaven, een non-profitorganisatie in Connecticut die openbare cijfers over maatschappelijke trends verzamelt. ‘Maar de grote meerderheid, mensen die aan het begin van hun werkende leven staan of nog geen eigen huis of aandelenportefeuille hebben, die hebben moeite om het hoofd boven water te houden,’ zegt Abraham.
Volgens Mendi Blue Paca, hoofd van de Fairfield County’s Communities Foundation, een stichting die goede doelen steunt, was er in deze regio zes jaar geleden amper nog sprake van dakloosheid, maar rijzen de cijfers sinds corona weer ‘de pan uit’. ‘De opvangcentra zitten tjokvol, de voedselbanken kunnen de vraag niet meer aan,’ zegt ze. ‘En het zijn niet alleen mensen onder de armoedegrens die daar eten komen halen, maar ook werkende armen die nu niet meer genoeg te eten hebben.’
‘De opvangcentra zitten tjokvol, de voedselbanken kunnen de vraag niet meer aan’
In Greenwich, met zijn villa’s aan het water, privéstranden en Lamborghini-dealers, spelen die problemen praktisch niet. De gemiddelde prijs van een woning, vorig jaar nog 3,1 miljoen dollar, was er in juli gestegen tot 3,5 miljoen. Het stadje profiteert van beurskoersen die dit jaar bijna recordhoogtes bereikten: de HFRI Fund-Weighted Composite Index, de barometer voor de mondiale hedgefondssector, steeg in november met 11 procent, bijna de hoogste stijging sinds 2016. ‘Er zijn hier veel mensen die veel geld verdienen,’ zegt Bruce McGuire, hoofd van de belangenvereniging Connecticut Hedge Fund Association. ‘De winkels en restaurants aan Greenwich Avenue boeren zo te zien allemaal heel goed.’
Niettemin groeien de problemen ook in Greenwich, waar 9 procent van de inwoners onder de federale armoedegrens zit. Gezinnen met lage en middeninkomens hebben volgens Rabin vaak grote moeite om de 151.000 dollar per jaar te verdienen die je er bij elkaar kwijt bent aan huur, voedsel en kinderopvang. ‘Bijna een derde van de inwoners is maar één loonstrookje van een financiële schipbreuk verwijderd,’ zegt hij. Hij wijst erop dat door de wet van Trump ongeveer een kwart van de 850 inwoners van Greenwich die voorheen voedselbonnen kregen, daar nu niet meer voor in aanmerking komt.
In Bridgeport hakt de wet er nog veel harder in. Een groot deel van de inwoners is daar afhankelijk van Medicaid en de voedselbonnen van SNAP, zegt Rhonda Neal, hoofd van hulporganisatie Bridgeport Rescue Mission: ‘Met bezuinigingen daarop tref je werkende armen, ouderen en kinderen.’ De groeiende behoefte aan hulp is goed zichtbaar in het Thomas Merton Family Center in Bridgeport, waar een lange rij alleenstaande mannen en echtparen staat te wachten op een bord pasta. ‘We zien hier elke dag weer nieuwe gezichten,’ zegt hoofdkok Kelemen. Vier jaar geleden lunchten er dagelijks zo’n 125 tot 150 mensen. ‘Dat zijn er nu 200 tot 250.’ Juan Cardona is een typische klant, een dakloze ex-gedetineerde die in een tent woont. ‘Het is zwaar in Bridgeport,’ zegt hij. ‘Maar het kan alleen maar beter worden.’
Klachten over ‘onbetaalbare boodschappenprijzen’ worden door Trump afgedaan als ‘boerenbedrog’. Maar hij hamert er ook op dat zijn regering zich inzet voor een daling van de prijzen. Op 17 december gaf hij in een toespraak in het Witte Huis zijn voorganger Joe Biden de schuld van de hoge kosten van levensonderhoud en stelde hij dat zijn regering momenteel bezig is de inflatie ‘de kop in te drukken’. In Bridgeport geloven ze er niks van. ‘Trump liegt dat het gedrukt staat,’ zegt Robert Walsh, een dakloze man die als coördinator van de voedselbank op het Thomas Merton Family Center werkt. ‘Hij zei dat hij als president vanaf de eerste dag de prijzen zou laten dalen. Maar ze zijn alleen maar enorm gestegen.’
De Nobelprijs voor de Economie gaat dit jaar naar een onderzoek over ongelijkheden in rijkdom tussen landen. Maandag werd de prijs toegekend aan de Turks-Amerikaanse Daron Acemoglu en de Brits-Amerikaanse Simon Johnson en James A. Robinson.
‘Door de verschillende politieke en economische systemen te onderzoeken die door Europese kolonisatoren over de hele wereld werden geïntroduceerd, toonden de Amerikaanse onderzoekers het verband aan tussen de aard van politieke instellingen en welvaart’, legde de jury uit.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Samenlevingen met een slechte rechtsstaat en uitbuitende instellingen genereren geen groei of positieve verandering’, aldus de jury. ‘Het onderzoek van de laureaten vormt een breuk met theorieën die uitgaan van een onvermijdelijke, deterministische weg naar modernisering op basis van de historisch ongebruikelijke ervaringen van West-Europa’, merkte The Economist op.
‘Acemoglu, Johnson en Robinson zijn misschien niet in staat geweest om een volledige verklaring te geven waarom sommige landen rijk zijn en andere arm, maar toekomstige generaties economen hebben een solide basis waarop ze kunnen bouwen’, concludeert het tijdschrift.
Gelijke lonen en gelijke toegang tot de arbeidsmarkt, dat is er nu allemaal, maar de vermogensongelijkheid ten nadele van vrouwen is de afgelopen decennia gestaag gegroeid. En dat heeft ingrijpende gevolgen voor vrouwen in hun dagelijks leven.
De winnaar van de Nobelprijs voor Economie van dit jaar, Claudia Goldin, is eigenlijk een rasoptimist. Volgens sommigen moet ze ook wel. Uit haar onderzoek naar de langetermijntrends in de economische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen komt immers steeds weer naar voren dat de vooruitgang voor vrouwen op dat vlak bepaald niet in een rechte lijn verloopt. Haar inmiddels beroemde U-vormige curve laat zien dat in de loop van de negentiende eeuw vrouwen uit veel beroepen werden verdrongen, waarna latere generaties dat verloren terrein in de twintigste eeuw moesten heroveren. Als dit al eens eerder is gebeurd, kan het dan niet opnieuw gebeuren? Want zoals een uitspraak luidt die vaak wordt toegeschreven aan de Franse filosoof Simone de Beauvoir: ‘Vergeet niet dat één politieke, economische of religieuze crisis genoeg is om de rechten van vrouwen weer op losse schroeven te zetten.’
Toch denkt Goldin dat de rijke landen nu aan het begin staan van wat zij ‘het laatste hoofdstuk’ noemt van ‘de grote gendergelijkheid’. Dat kan volgens haar bereikt worden met een reeks veranderingen, zowel op de werkvloer (door een eind te maken aan ‘greedy jobs’, banen die ook je avonden en weekenden opslokken) als in de thuissfeer (door een betere verdeling van huishoudelijk werk en zorgtaken). Nu vrouwen vrij zijn om dezelfde carrièrekeuzes te maken als mannen, zouden zulke verbeteringen de loonkloof volledig kunnen dichten.
Maar al is het hoog tijd voor deze veranderingen, uit ons eigen onderzoek blijkt dat dit niet genoeg zal zijn om de economische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te verminderen. Zelfs als vrouwen uiteindelijk evenveel betaald krijgen voor hetzelfde werk, zullen ze nog steeds economisch achterblijven bij de mannen. Want zowel in de VS als wereldwijd schuilt de economische ongelijkheid tegenwoordig niet zozeer in het loon als in het vermogen.
Structureel meer kapitaal
Met vermogen doelen we in de sociale wetenschap op het geheel van wat anderen ook wel kapitaal, activa, bezittingen of erfdeel noemen. Het totale reservoir aan waarde waarover een persoon beschikt. En zoals de Franse econoom Thomas Piketty met zijn team heeft aangetoond, is vermogensongelijkheid een wezenskenmerk van het hedendaags kapitalisme. Volgens hun World Inequality Report uit 2022 heeft de 10 procent rijkste huishoudens meer dan driekwart van het mondiale vermogen in bezit, en de armste 50 procent maar twee procent. De bevoorrechte klassen hebben dus een monopolie op rijkdom en proberen dat voor de generaties na hen te behouden, terwijl de meeste anderen er structureel van verstoken blijven.
De vermogenskloof ten nadele van vrouwen is de afgelopen decennia gestaag is gegroeid
Het werk van Piketty is inmiddels gemeengoed, maar daarnaast is uit baanbrekend statistisch onderzoek nu gebleken dat de vermogensongelijkheid ook aan sekse is gerelateerd. Een Duitse analyse van cijfers over de periode 2002-2012 wees bijvoorbeeld op een fikse vermogenskloof, niet alleen tussen alleenstaande mannen en vrouwen, maar ook binnen relaties. En de economen Nicolas Frémeaux en Marion Leturcq hebben aangetoond dat deze vermogenskloof ten nadele van vrouwen de afgelopen decennia gestaag is gegroeid, van 9 procent in 1998 naar 16 procent in 2015. Ze constateerden ook dat mannen structureel meer kapitaal bezitten dan vrouwen, of het nu gaat om vastgoed, grond of financiële en materiële middelen. Wat opviel, was dat de kloof tussen man en vrouw relatief klein was in de arbeidersklasse (aangezien geen van beide partners daar veel vermogen opbouwen) en veel groter bij de hogere inkomens.
Deze vermogenskloof blijft verborgen en onderbelicht doordat hij zo moeilijk vast te stellen is. In de meeste landen worden alleen cijfers over het vermogen verzameld van huishoudens (op basis van enquêtes of belastinggegevens), niet van individuele burgers. En doordat men ervan uitgaat dat binnen huishoudens alle bezit gelijkelijk is verdeeld, verbloemt deze standaardaanpak de realiteit van de machtsdynamiek bij vermogensbezit. Vandaar dat in heel Piketty’s achthonderd bladzijden tellende magnum opus Kapitaal in de 21ste eeuw het onderscheid tussen man en vrouw niet eens een variabele is.
Stilzwijgend
Hoe kun je het individuele vermogen van een man en een vrouw vaststellen wanneer ze als stel samen iets hebben gekocht en als in de meeste onderzoeken alle mensen onder één dak als één economische eenheid worden geteld? Als sociologen die zich hier al twintig jaar mee bezighouden, hebben wij daar iets op gevonden: we kijken naar de gevallen waarin stellen uit elkaar gaan en waarop familiebezit wordt overgedragen aan erfgenamen. Dat zijn de momenten waarop de dynamiek aan het licht komt en duidelijk wordt wie er wérkelijk de macht over het familievermogen heeft en daar de vruchten van plukt.
De vermogensongelijkheid tussen man en vrouw staat natuurlijk niet los van wat er op de arbeidsmarkt gebeurt. Uit de verschillen in carrières en inkomen waar Goldin onderzoek naar doet, blijkt dat mannen makkelijker geld opzij kunnen leggen. Maar het vermogen van mensen is tegenwoordig minder afhankelijk van wat ze zelf vergaren en meer van wat hun is toegevallen, meestal door beërving.
Dan zien we dat de vermogenskloof al begint binnen het gezin, waar het verschil stilzwijgend wordt bestendigd in de rollen die mannen en vrouwen vervullen als echtelieden, vaders en moeders, dochters en zonen, broers en zussen. Maar de kloof wordt verder vergroot doordat juridische functionarissen in de advocatuur, de magistratuur en het notariaat ertoe neigen de ongelijke verdeling van vermogen tussen kinderen of voormalig echtgenoten klakkeloos te accepteren. En vrouwen zijn natuurlijk zo gesocialiseerd dat ze dit ook slikken, vaak in naam van het bewaren van de lieve vrede of voor het behoud en de overdracht van de maatschappelijke status van de familie.
Als een stel uit elkaar gaat, houdt de man vaak ‘structureel eigendom’ en worden vrouwen uitgekocht met geld
Zo gaat de bestendiging van seksehiërarchieën dus hand in hand met de reproductie van sociale klasse. Neem de scheiding tussen Amazon-oprichter Jeff Bezos en de romanschrijver MacKenzie Scott in 2019. Hun nettovermogen bedroeg ruim honderddertig miljard dollar, inclusief 16 procent van de aandelen van Amazon. In de staat Washington, waar ze woonden, hebben beide echtelieden bij een scheiding wettelijk recht op de helft van alle bezittingen die tijdens het huwelijk zijn verworven, zodat sommige aandeelhouders vreesden voor de toekomst van het bedrijf als Scott haar helft van de aandelen zou opeisen. Maar een paar maanden nadat de scheiding was aangekondigd liet Scott weten: ‘Ik schenk hem graag al mijn belangen in TheWashington Post en Blue Origin en 75 procent van onze aandelen in Amazon, plus het stemrecht over mijn aandelen, zodat hij zijn werk met de teams van deze geweldige bedrijven kan voortzetten.’
In de twee decennia dat we hier onderzoek naar doen, hebben we dit vrij vaak gezien. Als een stel uit elkaar gaat, houdt de man vaak ‘structureel eigendom’ aan in de vorm van grond, vastgoed en bedrijven en worden vrouwen uitgekocht met geld (als dat al gebeurt). En als vrouwen wel productieve kapitaalgoederen in bezit houden, zijn dat meestal de minder winstgevende.
De ongelijkheid komt ook naar voren op het moment dat er geërfd wordt
De ongelijkheid komt ook naar voren – en wordt weer verder bestendigd – op het moment dat er geërfd wordt. Neem een gezin uit de middenklasse in Zuidwest-Frankrijk. Toen Marcelle Pilon in 1992 geen leiding meer wilde geven aan haar bakkerij, moest ze voor haar familiebedrijf een opvolger aanwijzen. Ze was al vijftien jaar weduwe en besloot het bedrijf plus het grote huis dat erbij hoorde aan haar 43-jarige zoon Pierre te geven, die samen met haar in de bakkerij werkte. Maar Pierre had drie zussen en strikt genomen schrijft de Franse wet voor dat erfenissen gelijkelijk moeten worden verdeeld. Om daaraan tegemoet te komen, wees Marcelle haar dochters ook wat vastgoed toe. Omdat die bezittingen veel minder waard waren dan de bakkerij en het huis, werd bovendien overeengekomen dat Pierre zijn zussen tien jaar lang elke dag gratis brood en patisserie zou leveren. De moeder zag er nauwlettend op toe dat elke baguette en croissant iedere dag keurig werd bezorgd.
Maar dat betekende niet alleen dat de dochters in de buurt van de bakkerij moesten wonen om hun gratis brood te kunnen ontvangen: andere, niet opgegeven giften bleven bovendien buiten beschouwing. Zo had Pierre van zijn ouders eerder al eens een banketbakkersbedrijf ter waarde van bijna een ton gekregen, dat later weer opging in het familiebedrijf. Maar niemand had dit bij de instanties gemeld. De rechtvaardiging voor deze voortrekkerij was dat de ouders de studie van hun dochters hadden betaald terwijl Pierre voor het familiebedrijf was gaan werken. Maar toen een van ons de zussen vroeg of ze dit eerlijk vonden, hadden zij een andere lezing. Ze hadden vooral kunnen studeren dankzij een studiebeurs, zeiden ze, en hadden nu en dan gratis in de winkel van hun ouders gewerkt, terwijl Pierre daar van meet af aan loon en een winstpercentage van de banketverkoop had ontvangen. Ze hadden gegronde grieven tegen de regeling, maar wilden er geen werk van maken. Het voortbestaan van het familiebedrijf en de lieve vrede was belangrijk dan een rechtvaardige verdeling onder alle kinderen.
Mysterie
Dit alles is van belang omdat we niet langer in een tijd leven waarin mensen voor hun levensonderhoud voornamelijk afhankelijk zijn van lonen en uitkeringen. We leven nu in wat de sociologen Lisa Adkins, Melinda Cooper en Martijn Konings hebben betiteld als de vermogenseconomie (asset economy). Meer dan op enig ander moment in de voorbije eeuw is het bezit van vermogen niet alleen cruciaal voor de toegang tot hoger onderwijs, woningen en gezondheidszorg, die allemaal steeds duurder worden, maar ook voor het verwerven van krediet, werk en inkomen. In een onzekere tijd die gekenmerkt wordt door onbestendig werk en de afbouw van sociale vangnetten is de mogelijkheid tot het opbouwen van vermogen een zaak van existentieel belang geworden.
De vermogensvoorsprong van mannen geeft hun meer macht om levenskeuzes te maken
Het doel van feministisch empowerment is dat vrouwen leren op te treden als autonome economische partij. Maar nu inkomen steeds meer aan belang inboet ten opzichte van vermogen, lopen vrouwen gevaar wederom onevenredig achter het net te vissen. Dit moet niet alleen een thema zijn voor wetenschappelijk onderzoek en debat, het heeft ingrijpende gevolgen voor vrouwen in hun dagelijks leven. Alleenstaande moeders van de arbeidersklasse zullen hierdoor onverminderd geconfronteerd worden met moeilijke keuzes en ontberingen voor henzelf en hun kinderen, en het bedrijfsleven zal een mannendomein blijven.
Zelfs de liefde kan weer im grotere mate vatbaar worden voor economische overwegingen. Zoals de Britse econoom Peter Kenway schrijft, krijgen we binnenkort misschien ‘een Jane Austen-achtige huwelijksmarkt waarop millennials zonder erfenis op zoek gaan naar een millennial die wel de erfenis van een huis in het vooruitzicht heeft.’ De vermogenskloof grijpt zelfs dieper in op het huwelijksleven, want de vermogensvoorsprong van mannen geeft hun meer macht om levenskeuzes te maken (zoals waar ze gaan wonen) die van invloed kunnen zijn op de carrière van hun partner of echtgenoot. En erger nog is dat vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld er door financiële afhankelijkheid soms van worden weerhouden bij hun partner weg te gaan.
Al deze vormen van ongelijkheid komen aan het licht en worden ook verder aangewakkerd na een relatiebreuk – wat steeds meer voorkomt – of wanneer de vrouw weduwe wordt, wat vrouwen vaker overkomt dan mannen, vanwege hun iets hogere levensverwachting en het feit dat ze door de band genomen iets jonger zijn dan hun man. En aangezien stellen de verdeling van hun bezittingen steeds meer formaliseren (in huwelijkse voorwaarden of een partnerovereenkomst) genieten weduwen steeds minder bescherming. De vermogensongelijkheid tussen man en vrouw dreigt dus te leiden tot een toekomst van vrouwen die op hun oude dag afhankelijk zijn van een pensioen dat over het algemeen lager is dan dat van mannen, terwijl ze weinig of geen eigen vermogen hebben.
Goldin schetste in haar werk de ontwikkelingen in een tijd waarin de werkgelegenheids- en loonkloof tussen mannen en vrouwen geleidelijk werd gedicht, zeker in de meer prestigieuze beroepen, dankzij overheidsbeleid en nieuwe technologieën die leidden tot verbeteringen op de arbeidsmarkt en betere reproductieve rechten voor vrouwen. Maar zoals ze zelf ook zegt, zijn we er nog lang niet en kan elke stap vooruit maar al te gemakkelijk ongedaan worden gemaakt, zoals onlangs bleek uit de nieuwe beperkingen (die in veel gevallen neerkomen op een regelrecht verbod) op abortus in de VS. Beleidsmakers en wetenschappers moeten nodig werk maken van de vermogenskloof, voordat onze samenleving weer afglijdt naar de mate van ongelijkheid die de negentiende eeuw kenmerkte. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de arbeidsmarkt en de financiële wereld, maar ook naar de dynamiek binnen huishoudens en gezinnen.
Het gaat nu vooral om het persoonlijk vermogen, en weer trekken de vrouwen aan het kortste eind
Er is grote behoefte aan nieuw historisch, sociologisch en economisch onderzoek om de volle reikwijdte en gevolgen van deze vermogenskloof in kaart te brengen. Zoals Goldin met een indrukwekkende hoeveelheid gegevens uit achttiende- en negentiende-eeuwse archieven aantoonde dat vrouwen die louter als ‘echtgenoot’ stonden geregistreerd in werkelijkheid als ‘arbeiders’ konden gelden, zo moeten wij nu het mysterie van het vermogen van huishoudens ontraadselen. Welk aandeel daarvan is nu werkelijk in handen van vrouwen? Als we dit probleem willen aanpakken, hebben we eerst een heel leger Goldins nodig om het te documenteren en beschrijven.
Juist nu vrouwen in veel landen eindelijk beter opgeleid zijn dan mannen en evenveel recht hebben op dezelfde banen voor hetzelfde geld als hun mannelijke collega’s, is het zwaartepunt van de economische ongelijkheid verschoven. Het gaat nu vooral om het persoonlijk vermogen, en weer trekken de vrouwen aan het kortste eind. Een andere Franse filosoof, Albert Camus (en eveneens Nobelprijswinnaar), schreef de beroemde woorden: ‘We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’ We moeten ons Sisyphus vooral als een vrouw voorstellen.
De invloed van miljardairs en hun fortuin in de nationale en internationale politiek is niet te onderschatten. Wie de rijkste mensen in Europa zijn en hoe ze hun geld inzetten om de politiek te beïnvloeden, is de afgelopen maanden onderzocht door meer dan zeventig journalisten uit veertig landen.
Stel je voor: je zit op je superjacht en leest in Financial Times over een nieuw belastingvoorstel waardoor je belastingtarief met minder dan 1 procent zou stijgen. Jij, iemand uit de klasse der superrijken, vindt dat je dit niet kunt laten gebeuren. Welke opties heb je? Je kunt een grote nationale krant overnemen en het redactionele standpunt beïnvloeden. Je kunt ook een onderzoekscentrum opzetten en financieren en het als onafhankelijk instituut ‘wetenschappelijke’ studies laten uitvoeren die jouw standpunt bevestigen. Je zou ook een groep lobbyisten kunnen financieren om in te praten op parlementsleden die de regels maken in jouw land.
Al deze acties hebben in het verleden meer dan eens plaatsgevonden. De Franse mediamagnaat en miljardair Vincent Bolloré nam een gerenommeerd weekblad over en installeerde een extreemrechtse journalist als hoofdredacteur. Dit leidde in de zomer van 2023 tot wekenlange stakingen van het personeel van het blad. In Duitsland publiceerde een ‘klimaatinstituut’ rapporten waarin het effect van de mens op de klimaatcrisis wordt ontkend, vermoedelijk gefinancierd door olie- en gasbedrijven uit de Verenigde Staten. En de rijkste man van Europa, magnaat in luxegoederen Bernard Arnault, heeft naar verluidt advertenties van zijn bedrijven teruggetrokken uit kranten na kritische berichtgeving.
Miljardairs kunnen de nationale en internationale politiek veranderen
Miljardairs kunnen de nationale en internationale politiek veranderen en dat gebeurt vaak ook. Omdat ze beschikken over enorme sommen geld, zijn deze individuen van groot belang voor partijleiders en andere politieke spelers, die vaak donaties van hen ontvangen. Maar invloed hoeft niet vrijwillig of zelfs bewust te worden uitgeoefend. Wetgeving wordt bijvoorbeeld vaak zodanig ontworpen dat miljardairs ervoor kiezen in hun land te blijven. In de praktijk betekent dit dat wetgevers anticiperen op het humeur van miljardairs en hun tegemoetkomen voordat de miljardairs zelf er zelfs maar aan dachten om hun wensen kenbaar te maken.
Zowel politieke partijen als rijke individuen hebben er geen belang bij om deze indirecte manier van lobbyen inzichtelijk te maken voor het publiek. De beslissingen van de superrijken kunnen de economische, sociale en culturele situatie van een land volledig veranderen, ten goede of ten kwade. Maar we weten nauwelijks iets over hun politieke banden of ambities of over de invloed die ze hebben op de nationale en internationale politiek.
Amancio Ortega Gaona
De Spaanse industrieel Amancio Ortega Gaona (1936) is met een geschat fortuin van 85 miljard euro de rijkste man van Spanje en nummer vijftien op de lijst van rijkste personen op aarde. In 2015 was hij zelfs even ’s werelds rijkste. Afkomstig uit een bescheiden gezin in Léon raakte hij op jonge leeftijd gefascineerd door mode en textiel.
Hij begon zijn carrière als boodschappenjongen voor verschillende kledingwinkels in A Coruña, het centrum van de Spaanse textielindustrie. In 1972 begon hij Confecciones Goa, een bedrijf dat kamerjassen produceerde en verkocht. Van daaruit begon hij zich steeds meer te richten op snelle en betaalbare mode en in 1974 creëerde hij modemerk Zara. Hij ontwikkelde een innovatieve productie- en distributiestrategie die een revolutie teweegbracht in de modewereld. Het bedrijfsmodel van zijn bedrijf Inditex is gebaseerd op flexibele productie en distributie, snelle aanpassing aan de voorkeuren van de consument en de vestiging van winkels op strategische locaties overal ter wereld.
Transparantie
We weten zo weinig over hun rijkdom dat zelfs de academische wereld grotendeels vertrouwt op de ranglijsten met miljardairs van Forbes of Bloomberg (waar dit onderzoek ook op is gebaseerd). Sommige landen verbieden de publicatie van gegevens over rijkdom, zoals Luxemburg, waar ranglijsten van de rijken niet openbaar worden gemaakt. Het kleine land heeft een van de strengste antitransparantiewetten ter wereld. Hoewel er meer dan 47.000 miljonairs en naar schatting 17 miljardairs in het land wonen (in 2014 – de laatst beschikbare gegevens), weet zelfs de regering niet hoeveel de inwoners bezitten, omdat individuen hun bezittingen niet hoeven op te geven. Op dit moment bestaat er ook geen EU-wetgeving over transparantie van vermogen.
Dit gebrek aan transparantie leidt tot herhaalde gevallen van financiële fraude en belastingontduiking, zoals de Panama Papers, de Paradise Papers en de Pandora Papers aan het licht brachten. Zonder transparantie kunnen we ook niet discussiëren over de grote morele vraag hoeveel ongelijkheid we als samenleving kunnen accepteren. Hoeveel mag de top 1-procent bezitten?
Als we kijken naar de drie rijkste personen in veertig Europese landen, zijn slechts zes daarvan vrouw
Het zal niemand verbazen dat er ook aan de top van de economische ladder sprake is van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Als we kijken naar de drie rijkste personen in veertig Europese landen, zijn slechts zes daarvan vrouw. Bovendien hebben de meeste vrouwelijke miljardairs op onze lijst hun rijkdom verkregen door te erven van hun vader of grootvader. Verschillende soorten ongelijkheid werken op elkaar in, en ongelijkheid in rijkdom is daarop geen uitzondering.
Vermogensongelijkheid bestaat niet alleen binnen landen, maar binnen de Europese context ook tussen de niveaus van rijkdom. Eén persoon springt er in het bijzonder uit: Bernard Arnault, eigenaar van het Franse luxeconcern LVMH. Hij is veruit de rijkste persoon in Europa en bezit ruim 100 miljard euro meer dan de volgende miljardair in onze database. Ook opmerkelijk is dat drie van de vier Franse miljardairs in dit onderzoek rijk zijn geworden dankzij luxemerken zoals Louis Vuitton, l’Oréal of Gucci. Dat staat in schril contrast met de rest van het continent, waar miljardairs hun fortuin meestal verwierven in grotere industrieën, zoals bouwbedrijven of supermarkten.
Het regionale verschil in rijkdom tussen de Balkan en delen van Oost-Europa en de rest van het continent is enorm. De Kroatische ‘verzekeringskoning’ Dubravko Grgić is de rijkste persoon op de Balkan en bezit vijf keer minder dan de rijkste Nederlander en dertig keer minder dan Bernard Arnault. Bovendien zijn de meeste miljardairs in West-Europa rijk geworden door voort te bouwen op geërfd geld of op eigendommen van hun familie. In Centraal- en Oost-Europa en op de Balkan hebben de meeste miljardairs zich omhooggewerkt, vaak ook door gebruik te maken van dubieuze praktijken in de jaren negentig.
Susanne Klatten
Susanne Klatten (1962) is als rijkste vrouw van Duitsland met een vermogen van ruim 21 miljard euro een prominent bewoner van miljardairsland. Ze is nummer 72 op de lijst van rijkste personen op aarde en staat daarmee ver boven bijvoorbeeld Rupert Murdoch. Klatten groeide op in Bad Homburg als dochter van industrieel Herbert Quandt. De familie Quandt heeft een uiterst dubieus naziverleden, dat later op verzoek van de familie door een historicus uit de doeken is gedaan.
Susannes vader Herbert Quandt redde BMW in 1959 van een faillissement, waarmee hij een fortuin vergaarde dat later overging op zijn kinderen. Susanne en haar broer bezitten bijna de helft van de BMW-aandelen en kregen in maart van dit jaar ruim een miljard aan dividend uitgekeerd. Klatten is een van de grootste CDU-donateurs, is werkzaam in de Duitse start-upscene en actief betrokken bij tal van sociale en milieuorganisaties. En zoals zoveel ultrarijken is ze publiciteit liever kwijt dan rijk.
Politiek
Sommige miljardairs in onze database waren zelfs werkzaam in de politiek. Een paar opmerkelijke voorbeelden zijn de Britse premier, Rishi Sunak, die rijker is dan de Britse monarch; Bidzina Ivanisjvili, sinds jaar en dag de schaduwkoning van Georgië; Mészáros Lőrinc, de Hongaarse miljardair en trouwe vriend van Viktor Orbán; en Christoph Blocher, financier van de Zwitserse extreemrechtse Volkspartij (SVP). Bidzina Ivanisjvili verdiende voor zover bekend zijn geld door spotgoedkoop mijnbouw- en staalinfrastructuur te verwerven tijdens de periode van privatisering na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in de jaren negentig. Sinds 2000 zijn hij en zijn familie eigenaar van een van de grootste banken van Georgië.
Hij werd in 2012 premier met de partij die hij oprichtte, maar na slechts een jaar in functie trad hij af. Maar hij heeft nog steeds grote invloed in het Kaukasische land. Hij wordt bekritiseerd omdat hij het buitenlandbeleid in de richting van Rusland stuurde, waardoor Georgië volgens velen een autocratische staat is geworden. Mészáros Lőrinc, die een van Orbáns meest loyale oligarchen wordt genoemd, was een redelijk succesvol zakenman tot de Fidesz-partij van Viktor Orbán in 2010 aan de macht kwam. Daarna werd hij snel superrijk door overheidsprojecten binnen te halen dankzij zijn banden met de Hongaarse premier.
Hij probeerde burgemeester van zijn geboortestad te worden, wat alleen lukte na een hoogstpersoonlijke interventie van Orbán. In 2016 nam Lőrinc Mediaworks over, een van de grootste Hongaarse uitgevers. Op deze manier werkt hij samen met de regering in het verder beperken van de onafhankelijke pers en media in het land.
Hij staat erom bekend de Zwitserse politiek naar rechts te dwingen door financiering van de extreemrechtse Zwitserse Volkspartij (SVP)
Christoph Blocher is een Zwitserse miljardair die zijn geld verdiende als meerderheidsaandeelhouder van een groot Zwitsers chemiebedrijf. Hij staat erom bekend de Zwitserse politiek naar rechts te dwingen door financiering van de extreemrechtse Zwitserse Volkspartij (SVP), de grootste partij van het Alpenland. Als Zwitsers parlementariër speelde hij een belangrijke rol in het succesvolle referendum tegen het Zwitserse lidmaatschap van de Europese Economische Ruimte in de jaren negentig. Later werd hij raadslid van de Zwitserse federale regering op Justitie, totdat hij in 2007 werd afgezet. Niettemin oefende hij tot lang daarna aanzienlijke invloed uit op het land door campagnes te financieren voor referenda tegen minaretten, boerka’s en alles wat buitenlands is. Zonder zijn rijkdom was de opkomst van de SVP niet mogelijk geweest.
Twee derde van de Europeanen wil dat regeringen iets doen aan de ongelijkheid van rijkdom en ziet het belasten van de superrijken als een belangrijke taak van hun regeringen. Weinig onderwerpen kennen zo’n ruime instemming: in Oostenrijk bijvoorbeeld wil 80 procent van de bevolking hogere vermogensbelasting voor de rijken.
De legendarische Amerikaanse investeerder Warren Buffett zei ooit in een interview dat hij volgens de wet minder belasting moest betalen dan zijn receptionist, ondanks het feit dat hij een van de rijkste personen ter wereld is. Hij had geen ongelijk, want de meeste miljardairs hebben geen traditioneel belastbaar inkomen. In plaats daarvan zit het grootste deel van hun geld in aandelen en andere financiële activa, die alleen belast worden als ze met winst worden verkocht. Omdat miljardairs doorgaans maar heel weinig aandelen verkopen – niet meer dan nodig om hun uitgaven te dekken – worden ze belast op deze zogenaamde vermogenswinsten in plaats van op een ‘normaal’ inkomen als werknemer.
Hij moest volgens de wet minder belasting betalen dan zijn receptionist, ondanks dat hij een van de rijkste personen ter wereld is
Er zijn maar heel weinig miljardairs die een aanzienlijk deel van hun vermogen aan filantropische activiteiten besteden. In de Verenigde Staten gaven 264 van de 400 grootste miljardairs minder dan 5 procent van hun vermogen weg, aldus cijfers van de Forbes Philanthropy Score. Hoewel een dergelijke ranglijst in Europa ontbreekt, bevestigt ons onderzoek dat de Europese cijfers overeenkomen met de Amerikaanse. Er zijn wel een paar miljardairs die waardevol werk financieren voor de verbetering van democratie en mensenrechten, zoals de Open Society Foundations van George Soros.
Veel maatschappelijke organisaties zijn echter afhankelijk van financiering door deze filantropen, wat hun voortbestaan kan bedreigen als de financiering wordt ingetrokken, zoals blijkt uit de recente aankondiging van Open Society Foundations om de financiering in Europa volledig stop te zetten. In sommige landen is het maatschappelijk middenveld afhankelijk van een paar individuen of instellingen, die volledig buiten de democratische controle of besluitvorming opereren.
Bernard Arnault
Bernard Arnault (1949), de Franse zakenmagnaat die als kind van een rijke industriële familie al in weelde werd geboren, werkte zich op tot de rijkste man van Europa. En dat niet alleen, na Elon Musk is hij met een slordige 163 miljard euro de een-na-rijkste man op aarde. Arnault is oprichter, voorzitter en CEO van Louis Vuitton Moët Hennessy (LVMH), ’s werelds grootste bedrijf in luxegoederen.
Hij studeerde aan de prestigieuze Franse ingenieursschool École polytechnique en nam op 27-jarige leeftijd het bouwbedrijf van zijn vader over, dat hij transformeerde tot vastgoedbedrijf. Maar de echte klapper kwam na de overname in 1984 van de zieltogende Boussac-groep, eigenaar van Christian Dior. Na die overname verkocht hij bijna alle activa van het bedrijf, ontsloeg 7000 werknemers en hield alleen Christian Dior en warenhuis Le Bon Marché over. Geholpen door de beurscrash van 1987 bemachtigde hij aandelen in de LVMH-groep, waarna hij er de grootste aandeelhouder van werd.
Belastingen
Filantropie is dus niet iets om op te rekenen. Er is eigenlijk maar één manier om met zulke extreme niveaus van concentratie van rijkdom om te gaan: belastingen, belastingen en nog eens belastingen.
De politieke invloed van de rijken is een van de redenen waarom de rijksten niet meer belasting betalen. Maar er is meer aan de hand: het ontbreekt aan competentie bij beleidsmakers als het gaat om financiële kwesties, vooral aan de linkerkant van het politieke spectrum. Voor een recente studie werden progressieve Duitse politici ondervraagd, en daaruit bleek dat als het op belastingkwesties aankomt niet alleen lobbyisten, maar ook een gebrek aan kennis de invoering van vermogensbelasting in de weg staan.
Politiek geïnteresseerde jongeren hebben de neiging om zich aan te sluiten bij linkse partijen omdat ze vooral geïnteresseerd zijn in werk en sociale zaken, en minder in financiële kwesties. Ondertussen bestaan er bij conservatieve parlementsleden wachtlijsten om lid te kunnen worden van financiële commissies. Door de enorme complexiteit – die soms kunstmatig wordt vergroot – is het lastig om de status quo te veranderen.
Om de ongelijkheid in rijkdom goed aan te pakken, moet het belastingbeleid een zaak worden die progressieve partijen aan het hart gaat. Anders blijven politici onwetend en worden ze makkelijk overschaduwd door degenen die er alles aan doen om geen belasting te hoeven betalen.
Het belastingbeleid moet een zaak worden die progressieve partijen aan het hart gaat
In principe zijn er twee manieren om de superrijken effectief te belasten: vermogenswinstbelasting en vermogensbelasting. Zoals hierboven uiteengezet, worden zeer rijke mensen meestal proportioneel minder belast dan mensen met een normaal inkomen, omdat vermogenswinsten uit de verkoop van aandelen belast worden. In enkele landen met de meeste miljonairs en miljardairs per hoofd van de bevolking, zoals Luxemburg, Zwitserland en België, wordt geen vermogenswinstbelasting geheven. In Europese landen die wel belasting heffen op vermogenswinst uit de verkoop van beursgenoteerde aandelen, bedraagt deze belasting gemiddeld 19,4 procent. Ter vergelijking: volgens de Europese Commissie bedroeg de inkomstenbelasting in Europa van 1996 tot 2021 gemiddeld iets meer dan 40 procent.
Het inkomen van miljardairs is echter maar een fractie van wat ze bezitten, omdat het meeste geld in activa zit, zoals aandelen en obligaties, onroerend goed, luxeartikelen en contant geld. Al deze rijkdom wordt systematisch te weinig belast. Van de twaalf Europese landen die in 1990 vermogensbelasting hieven, doen alleen Noorwegen, Spanje en Zwitserland dat tegenwoordig nog. Vermogensbelasting werd in veel landen afgeschaft, omdat de progressie ervan al vroeg merkbaar werd en diegenen trof die ‘slechts’ een paar miljoen op hun bankrekening hadden. Vervolgens vertrokken veel rijke mensen naar landen waar deze belasting niet bestaat, waardoor de totale belastinginkomsten in de vertreklanden daalden – dit gebeurde bijvoorbeeld nadat Noorwegen onlangs zijn vermogensbelasting licht verhoogde.
De sociaaldemocratische regering verhoogde de vermogensbelasting van 0,85 procent naar 1,1 procent, en dat leidde tot een grote kapitaalvlucht door veel van de miljardairs in het land. Ze namen zo veel geld mee dat de vermogensbelasting in Noorwegen naar verwachting ruim 500 miljoen euro minder zal opleveren dan nu het geval is. Om te voorkomen dat miljardairs naar andere Europese landen verhuizen, moet de belasting in meerdere landen hetzelfde zijn. Dit is vergelijkbaar met het nieuwe wereldwijde minimumtarief voor vennootschapsbelasting van 15 procent voor multinationals, die werd ingevoerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
Beweging
Er is op Europees niveau beweging in dit debat. In juni van dit jaar startte een groep economen, activisten, politici en multimiljonairs een Europees burgerinitiatief dat eist dat de Europese Commissie een permanente en progressieve jaarlijkse vermogensbelasting invoert. Om het deze keer te laten lukken, stelt een team van economen rond stereconoom Thomas Piketty een hoge drempel voor die ervoor zorgt dat alleen een kleine groep superrijken wordt getroffen. Bovendien zou geërfde rijkdom zwaarder belast moeten worden dan inkomen of selfmade rijkdom, omdat je je ouders nu eenmaal niet kunt kiezen. Europese burgerinitiatieven zijn zelden succesvol en de wetgevende bevoegdheid van de EU op het gebied van belastingen is beperkt. Toch zou dit bij uitstek een goed initiatief zijn waar linkse groepen zich achter zouden kunnen scharen in aanloop naar de Europese verkiezingen van 2024.
Als samenleving hebben we weinig inzicht in de rol die de meeste superrijken spelen in de politiek. We moeten de mate van concentratie van rijkdom begrijpen – vooral de impact ervan op democratische processen en besluitvorming – om te kunnen bepalen wat eraan gedaan zou kunnen en moeten worden.
In Noorwegen en Finland worden de belastingaangiften van alle burgers zonder uitzondering elk jaar gepubliceerd, zodat iedereen ze kan inzien. Media kunnen via een website lijsten samenstellen van de grootverdieners in het land. Kan dat misschien dienen ter inspiratie?
Onder meer de IJslandse premier deed mee aan de protesten
Tienduizenden IJslandse vrouwen, waaronder de premier, hebben dinsdag gestaakt om te protesteren tegen de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat schrijft de BBC. Hoewel IJsland wordt beschouwd als een van de meest vooruitstrevende landen ter wereld op het gebied van gendergelijkheid, verdienen vrouwen in sommige sectoren en beroepen minstens 20 procent minder dan IJslandse mannen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Daarnaast krijgt volgens wetenschappers 40 procent van de IJslandse vrouwen in hun leven te maken met seksueel geweld. ‘We willen de aandacht vestigen op het feit dat we een paradijs voor gelijkheid worden genoemd, maar er zijn nog steeds verschillen tussen mannen en vrouwen en er moet dringend actie worden ondernomen,’ zegt een van de organisatoren van het protest.
Onder het motto ‘Noem je dit gelijkheid?’ zullen IJslandse vrouwen voor het eerst in 48 jaar een hele dag staken. In 1975 staakte 90 procent van de IJslandse vrouwen om te protesteren tegen de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Premier Katrín Jakobsdóttir kondigde aan mee te doen met de staking.
Door gentrificatie dreigen steden te vervallen tot bevoorrechte eilanden te midden van zeeën van achterstand. Met het juiste beleid en de juiste investeringen kunnen we steden weer betaalbaar maken voor alle inwoners, schrijven auteurs Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.
Meer dan de helft van de wereldbevolking woont nu in steden. In 2050 zal dat aandeel naar verwachting oplopen tot twee derde. Dat betekent dat de drijvende krachten achter het leven in de stad nu ook de drijvende krachten achter de wereld als geheel zijn. Door de geschiedenis heen zijn steden aanjagers geweest van vooruitgang, omdat ze ons dichter bij elkaar kunnen brengen – iets wat we nu meer dan ooit nodig hebben. Veel van de grootste problemen die we vandaag de dag hebben, kunnen we oplossen door onze steden te hervormen. Maar als we geen actie ondernemen, zullen diezelfde steden de gevaren die voor ons liggen alleen maar groter maken.
Veel van de populistische politiek die we de afgelopen jaren hebben gezien, wordt gekenmerkt door afkeer tegen wereldsteden als Londen en New York. Deze steden hebben een hoge vlucht genomen, terwijl andere steden juist met grote problemen kampten. De kloof tussen opbloeiende steden en de rest van de wereld is niet alleen gegroeid, de ongelijkheid binnen deze steden is eveneens toegenomen. De ongelijkheid in de meeste metropolen in de Verenigde Staten wordt sinds de jaren tachtig steeds groter – het snelst in grote, welvarende steden zoals New York, San Francisco en Chicago. Daar is de ongelijkheid nu veel hoger dan het landelijke gemiddelde. Hoogopgeleide kenniswerkers verdienen meer dan ooit, terwijl laagopgeleide werknemers in de dienstensector juist minder verdienen. Die kloof wordt nog eens vergroot doordat de kosten van levensonderhoud in deze steden snel stijgen.
Deze wereldmetropolen hebben steeds meer weg van ivoren torens: de welvaart is sterk geconcentreerd in het centrum, dat wordt bediend door een uitgestrekte, achtergestelde periferie. In stadscentra is de werkgelegenheid toegenomen, de criminaliteit gedaald en zijn openbare diensten aanzienlijk beter gaan functioneren. Pakhuizen en fabrieken van Kings Cross in Londen tot Brooklyn in New York zijn omgebouwd tot luxe appartementen voor hoogopgeleide (en doorgaans witte) professionals. Voormalige arbeiderswijken zijn gerenoveerd of herontwikkeld. Ze staan nu vol met hippe cafés en kroegen, dure sportscholen en biowinkels.
Exurb
Deze voormalige betaalbare arbeiderswijken zijn inmiddels aanzienlijk gegentrificeerd. Voor alle duidelijkheid: de bevolkingsgroei in de binnensteden is gering in vergelijking met de suburbanisatie. Er is in feite een nieuwe bevolkingsring ontstaan: de zogenaamde ‘exurb’. De sociaaleconomische samenstelling van deze concentrische cirkels van steden is daarentegen wel veranderd. Vroeger vluchtten rijke stedelingen naar de buitenwijken, nu verhuizen ze veelal juist terug naar de stedelijke kern. De armoede verplaatst zich ondertussen steeds meer naar de buitenwijken. Journalist Alan Ehrenhalt noemt het fenomeen terecht ‘de grote omkering’.
Stadscentra zijn weer populair en dat is te zien aan de veranderende huizenprijzen binnen de concentrische cirkels van de stad. Uit een onderzoek naar de top twintig steden in de Verenigde Staten blijkt dat er de afgelopen decennia een grote verschuiving heeft plaatsgevonden in de verhouding tussen huizenprijzen en de afstand tot het stadscentrum. De huizenprijzen stegen in 1980 naarmate een woning verder van het centrale zakendistrict af lag, maar in 2010 was dat omgekeerd. De kosten voor woningen in stedelijke centra zijn sindsdien verder gestegen: de gemiddelde huizenprijzen in de vijf binnenste stadsdelen van New York City zijn tussen begin 2010 en begin 2020 vier keer zo snel gestegen als in de rest van de metropool. Tijdens de coronapandemie nam de groei van de huizenprijzen in de voorsteden snel toe, maar die ontwikkeling is inmiddels gestagneerd, waardoor het langetermijnbeeld grotendeels ongewijzigd blijft.
Waarom verruilen goedbetaalde professionals hun vrijstaande huis met tuin in de buitenwijken voor dichtbevolkte buurten in stedelijke centra? Er spelen veel verschillende factoren mee. Dankzij strengere regulering en de terugloop van vervuilende industrieën zijn steden in rijke landen in de laatste decennia van de twintigste eeuw steeds schoner geworden. De rivier de Theems, die door het hart van Londen stroomt, was lange tijd een bron van afgrijzen voor de inwoners van de stad. In 1858 veroorzaakte de combinatie van industrieel, menselijk en dierlijk afval en warm weer zo’n vreselijke geur dat men sprak van ‘the Great Stink’. De Theems bleef, ondanks latere pogingen om de waterkwaliteit te verbeteren, ernstig vervuild. Het Natural History Museum verklaarde de Theems in 1957 zelfs ‘praktisch gezien dood’. Maar dankzij een schoonmaak- en zuiveringsprogramma dat meerdere decennia heeft geduurd, is de rivier indrukwekkend genoeg hersteld.
In steden als Chicago vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Door verbeterde milieuregels, zoals het verbod op lood in brandstof, is de luchtkwaliteit van steden in rijke landen aanzienlijk verbeterd, hoewel er nog veel werk aan de winkel is. De luchtkwaliteit in Londen heeft een lange weg afgelegd sinds in 1952 de zogenaamde ‘great smog’ duizenden levens eiste.
De afgelopen decennia heeft er bovendien een fundamentele verschuiving plaatsgevonden in onze leefgewoonten. Ook daardoor is het steeds wenselijker geworden om in stedelijke centra te wonen. Vanaf de jaren zestig werden stedelijke centra vooral aantrekkelijk voor mensen die niet leefden volgens gangbare burgerlijke normen. Leden van de lhbtq+-gemeenschap omarmden de binnenstad: het was een plek waar ze konden ontsnappen aan het oordeel van de middenklasse in de voorsteden. In de tweede helft van de twintigste eeuw vond er een aanzienlijke stijging plaats van het aantal immigranten. Er vormden zich in de binnensteden diasporagemeenschappen van etnische minderheden, die een contrast vormden met de overwegend witte buitenwijken. Als gevolg daarvan werden de binnensteden opvallend tolerant en open, in tegenstelling tot de buitenwijken.
Binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt
Een nieuw ontstane, hoogopgeleide elite draagt op esthetisch vlak een bepaalde tegencultuur uit die vermengd is met de economische voordelen die de overgang naar een kenniseconomie met zich meebrengt. Voor deze groep is niet een woning met een dubbele garage in een of andere buitenwijk een teken van succes, maar een woning in een centrale stadsbuurt, omringd door creativiteit, cultuur en comfort. De levenscyclus van gentrificatie volgde de afgelopen decennia een voorspelbaar patroon: als eerste komen de kunstenaars, dan de projectontwikkelaars en daarna de hoogopgeleide kenniswerkers. Dit proces zie je overal terug, van Shoreditch in Londen tot SoHo in New York en Surry Hills in Sydney.
Gentrificatie is niet bepaald nieuw. In de afgelopen decennia is het proces echter versneld en uitgebreid naar veel buurten die ooit betaalbare woningen boden aan mensen met lagere inkomens, waardoor grote delen van de stad voor hen onbereikbaar zijn geworden. We mogen niet toelaten dat onze steden bevoorrechte eilanden worden te midden van zeeën van achterstand. Gelukkig is met het juiste beleid en de juiste investeringen een betere, inclusievere en duurzamere toekomst mogelijk.
De groeiende vraag naar woningen in de binnenstad hangt samen met het feit dat millennials volwassen zijn geworden. Stedelijke centra oefenen een sterke aantrekkingskracht uit op mensen die net aan het begin van hun carrière staan, de wereld willen ontdekken en nieuwe ervaringen willen opdoen. Het is de levensfase waarin iemand net (of bijna) financieel onafhankelijk is geworden, maar nog geen grote woonruimte nodig heeft om zijn gezin te huisvesten. Ongehinderd door dergelijke beperkingen trekken deze mensen naar de stad om te genieten van de opwinding die deze biedt.
Dat proces wordt nog eens versterkt doordat binnensteden functioneren als een soort huwelijksmarkt. Zelfs in dit tijdperk van online daten zijn er maar weinig stellen die hun relatie op de lange termijn volledig virtueel houden. En hoe verder je van drukke, stedelijke centra vandaan woont, hoe kleiner de kans is om een goede match te vinden. Langzaamaan krijgen steeds meer singles een relatie en een gezin, zodat ze meer ruimte nodig hebben en te weinig tijd overhouden om te genieten van het leven in de grote stad. Het resultaat is een exodus: veel ouders met jonge kinderen trekken weg uit de stad.
Dit cyclische patroon is duidelijk terug te zien in de netto migratiestromen in en vanuit de binnenste stadsdelen van Londen. Hoewel veel tieners na de middelbare school de stad verlaten om naar de universiteit te gaan, keren ze na hun studie terug en brengen ze nog veel meer jongvolwassenen uit het hele land met zich mee. Als gevolg hiervan verandert de netto migratie naar het centrum van Londen onder volwassenen van begin twintig van negatief naar positief. Dat aandeel blijft stijgen tot ze midden twintig zijn – daarna neemt de migratie af. Het aandeel wordt uiteindelijk weer negatief als ze kinderen krijgen en naar de buitenwijken en forensensteden vertrekken.
Kentering
De afgelopen twintig jaar is dat patroon echter op twee belangrijke manieren veranderd. Ten eerste is de netto migratie van volwassenen van midden twintig naar het centrum van Londen bijna verdrievoudigd. Ten tweede is de leeftijd waarop de netto migratie omslaat – waarbij er plotseling meer volwassenen vertrekken dan binnenkomen – met wel tien jaar verschoven: van 34 naar 44 jaar. De reden hiervoor ligt in de veranderende demografie. De gemiddelde huwelijksleeftijd is de afgelopen decennia aanzienlijk gestegen. Toen prins Charles en Lady Diana in 1981 trouwden, lag in het Verenigd Koninkrijk de gemiddelde leeftijd van het eerste huwelijk voor vrouwen op 22 en voor mannen op 24 jaar; toen prins Harry en Meghan Markle in 2018 trouwden, was deze leeftijd gestegen tot respectievelijk 30 en 32. In dezelfde periode is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen in het Verenigd Koninkrijk gestegen van 27 naar 31 jaar. Jonge mensen wachten dus langer totdat ze trouwen en een gezin stichten, waardoor de stedelijke levensstijl langer aantrekkelijk blijft. In steden als Londen wordt wonen steeds minder betaalbaar, waardoor een groeiend aantal jonge mensen de stad uit wordt gedreven. Velen van hen zouden echter liever blijven.
Deze grote kentering heeft een enorme tol geëist van veel van de meest achtergestelde groepen in de samenleving. Terwijl rijke bewoners zich in de stad vestigen, worden de oorspronkelijke, arme bewoners weggedreven. Voor mensen die toevallig een huis bezitten in een gentrificerende wijk, kan dit een financieel buitenkansje opleveren. Maar jammer genoeg zijn de meest achtergestelde bewoners in deze gebieden vaak huurders, die geconfronteerd worden met snel stijgende woonprijzen. De effecten van gentrificatie zijn minder voelbaar als de buurt in kwestie ooit voornamelijk bestond uit industrieel en commercieel vastgoed. Maar de voorraad van dergelijk vastgoed is in New York, Chicago en Londen al heel snel uitgeput geraakt. Het resultaat is een combinatie van steeds meer geconcentreerde achterstand in een klein aantal binnenstedelijke buurten – zoals de Bronx in New York of Englewood in Chicago – en een algemene trek van armere mensen naar de buitenwijken.
Vaak komen mensen die door gentrificatie zijn verdrongen in verre buitenwijken terecht. De huizen zijn daar goedkoop, maar er is maar weinig werkgelegenheid. De reistijden naar het stadscentrum zijn slopend, vooral voor mensen die zich geen auto kunnen veroorloven en afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. Sheila James, die in de gezondheidszorg werkt, vertelde in een interview met TheNew York Times dat de vastgoedprijzen in San Francisco haar zo ver buiten de stad hadden gedreven dat haar werkdag om 02:15 uur begon. Tussen 2000 en 2015 is het aantal buitenwijken in de Verenigde Staten met een armoedepercentage van meer dan 20 procent meer dan verdubbeld. De gemiddelde tijd van het woon-werkverkeer neemt in de Verenigde Staten over de hele linie toe, maar stijgt veel sneller onder zwarte en Latijns-Amerikaanse werknemers. Vroeger woonden de meest achtergestelde mensen in arme buurten in de binnensteden, maar nu zitten ze steeds vaker vast in gebieden aan de stadsrand, waar de bevolkingsdichtheid laag is.
Dat binnensteden worden overgenomen door hoogopgeleide professionals eist duidelijk een hoge tol. Maar het is onduidelijk of het alternatief aantrekkelijker is. In de huidige economie kunnen steden alleen succesvol worden als ze erin slagen om hoogopgeleide kenniswerkers aan te trekken. Deze werknemers willen in trendy stedelijke centra wonen tot ze eind dertig zijn, en misschien zelfs nog langer. Het is geen toeval dat gentrificatie trager verloopt of nagenoeg afwezig is in minder welvarende steden zoals Detroit en Cleveland.
Hoe kunnen we dit veranderen? Om ervoor te zorgen dat steden toegankelijk zijn voor alle inwoners, en niet alleen voor een gelukkige minderheid, zijn er drie pijlers nodig: eerlijker huisvesting, eerlijker openbaar vervoer en eerlijker onderwijs. Om met het onderwijs te beginnen is het nuttig om te kijken naar rijke landen die erin geslaagd zijn leerlingen, ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond, relatief gelijke resultaten te laten behalen. Het Japanse onderwijssysteem staat dan misschien voornamelijk bekend om de hoge eisen die het aan leerlingen stelt, maar het is tevens een van de meest egalitaire systemen ter wereld.
Tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd
Het Japanse onderwijssysteem biedt een aantal waardevolle inzichten. Het eerste is dat de financiering van scholen niet langer afhankelijk moet zijn van lokale inkomensstromen. In de Verenigde Staten is bijna de helft van de financiering van scholen afkomstig van lokale overheidsinkomsten, die sterk afhankelijk zijn van de welvaart van een gebied. In Japan daarentegen is de financiering van lerarensalarissen, schoolgebouwen en andere uitgaven voornamelijk afkomstig van nationale en provinciale besturen. Het feit dat heel weinig leerlingen in het lager en lager middelbaar onderwijs in Japan naar privéscholen gaan, betekent ook dat vrijwel iedereen tijdens deze formatieve jaren deelneemt aan hetzelfde onderwijssysteem.
Het tweede inzicht is dat leraren niet rechtstreeks door scholen moeten worden ingehuurd. In Japan worden leraren ingehuurd door provincies en daardoor komen ze in de loop van hun carrière meestal bij een aantal verschillende scholen te werken. Hierdoor kan de overheid goed presterende leraren naar achterstandsgebieden sturen. Op die manier wordt de sociaaleconomische kloof in schoolprestaties niet vergroot door ongelijke spreiding van de beste leerkrachten.
Er bestaan veel andere ideeën over hoe we de ongelijkheid in het onderwijs kunnen verminderen – sommige zijn gemakkelijk te realiseren, andere moeilijker. Onderzoek door Roland Fryer, die aan Harvard werkt, heeft aangetoond dat de prestaties van leerlingen op openbare scholen al sterk kunnen verbeteren door schooldirecteuren simpelweg meer training aan te bieden. In Groot-Brittannië heeft de lerarenvakbond ervoor gepleit om een bepaald aantal plekken op goed presterende scholen te reserveren voor kansarme leerlingen van buiten het schoolgebied. In de Verenigde Staten bestaat er een vergelijkbaar concept: de zogenaamde ‘magneetschool’, die tot doel heeft om getalenteerde leerlingen ongeacht hun achtergrond bij elkaar te brengen. Wat voor effect dit heeft op de kansarme leerlingen die niet geselecteerd worden, is echter nog onduidelijk. Betaalbare huisvesting is misschien wel de meest effectieve manier om de verschillen in onderwijsresultaten binnen steden te verkleinen. Zo krijgen armere gezinnen toegang tot de betere scholen in rijkere buurten.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen er steeds meer zorgen over de levenskwaliteit van arme arbeiders, die zichzelf gedwongen zagen in overvolle en krakkemikkige woningen in binnensteden te wonen. Veel rijke landen leverden daarom grote inspanningen om dergelijke gebieden te ontruimen en de woongelegenheid te vervangen door sociale huisvesting, een proces dat in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling raakte. Groot-Brittannië was hierin bijzonder voortvarend: tussen het einde van de oorlog en het begin van de jaren tachtig werden er meer dan vier miljoen sociale woningen bijgebouwd. Dergelijke initiatieven gingen natuurlijk gepaard met de nodige kritiek. Stedenbouwkundige Jane Jacobs hield in de jaren zestig bijvoorbeeld een krachtig pleidooi tegen de aanpak die in New York City gangbaar was: sloppenwijken werden platgewalst en vervangen door levensloze, slecht ontworpen woonprojecten die ten koste gingen van de lokale gemeenschappen.
Toch heeft sociale huisvesting een belangrijke rol gespeeld in het verminderen van ongelijkheid in steden, doordat alle inwoners van onderdak worden voorzien. Als sociale woningen door de stad verspreid liggen, helpen ze bovendien om sociaaleconomische segregatie tegen te gaan.
In Londen werden in de naoorlogse decennia bijvoorbeeld ook sociale woningen gebouwd in welgestelde wijken als Chelsea of Primrose Hill. Een voordeel hiervan was dat achtergestelde gezinnen toegang kregen tot dezelfde scholen en lokale diensten als hun welgestelde buren. Vanaf de jaren tachtig gold echter het neoliberale beleid van onder andere Thatcher en Reagan. Sociale huisvesting raakte in veel landen uit de gratie. Het kooprechtbeleid van Thatcher leidde er in Groot-Brittannië toe dat miljoenen woningen aan huurders werden verkocht, waardoor de staat in de daaropvolgende jaren niet langer mensen in nood kon huisvesten.
Economen begonnen te pleiten voor een marktvriendelijker model: voor arme gezinnen moesten er directe financiële steun komen in de vorm van huisvestingsvouchers. Als gevolg hiervan nam de sociaaleconomische segregatie in veel steden toe, omdat huishoudens met lage inkomens samenklonterden in buurten waar de huren laag waren. In de afgelopen jaren heeft Groot-Brittannië geprobeerd dit probleem te verhelpen door te eisen dat nieuwe woonwijken boven een bepaalde omvang een bepaald aantal woningen onder de marktprijs aanbieden. Maar zelfs als deze woningen worden meegerekend, is het aantal sociale en goedkopere woningen in Groot-Brittannië sinds de jaren tachtig gestaag gedaald.
Onbereikbaar
Steden als Wenen laten zien dat het anders kan. Meer dan 60 procent van de inwoners van Wenen woont in gesubsidieerde huurwoningen – terwijl dat in Londen ongeveer 20 procent is en in New York iets meer dan 5 procent. Ongeveer de helft daarvan is eigendom van de gemeentelijke overheid, de andere helft is in het bezit van gesubsidieerde non-profitcoöperaties. De liberale bovengrens voor een huishoudinkomen om in aanmerking te komen voor gesubsidieerde huisvesting ligt relatief hoog: 53.340 euro voor een alleenstaande bewoner en 79.490 euro voor een stel. Dat betekent dat in deze woonblokken mensen uit een relatief breed sociaaleconomisch spectrum worden samengebracht.
Door de snelle stijging van de huizenprijzen in veel grote steden is woningbezit – en de rijkdom die dat met zich meebrengt – voor veel mensen steeds onbereikbaarder geworden. De huizenprijzen in Londen, Parijs, New York en Sydney zijn de afgelopen decennia veel sneller gestegen dan het gemiddelde inkomen. Dat maakt het moeilijk om genoeg geld te sparen voor een eerste koophuis.
Er zijn twee grote boosdoeners die ervoor zorgen dat huizen steeds minder betaalbaar worden. De eerste is dat de rentes jarenlang heel laag zijn geweest, waardoor een hypotheek tot voor kort ongewoon goedkoop was. Mensen die al over het startkapitaal voor een aanbetaling beschikten, konden daarom meer geld inleggen voor een woning, of die nu voor henzelf was of een belegging. Daardoor stegen de prijzen en werd het voor mensen zonder spaargeld moeilijker om een woning te kopen. De recente stijging van de rentetarieven heeft niet geholpen, omdat de kosten van woningkredieten meer zijn gestegen dan de huizenprijzen zijn gedaald.
De tweede boosdoener is de langetermijnvertraging in de bouw van nieuwe huizen. Als we de veranderde bevolkingsgrootte in ogenschouw nemen, bouwen rijke landen nu minder dan de helft van het aantal huizen dat ze in 1970 bouwden. Het probleem is vooral nijpend in binnensteden, waar het woningaanbod de afgelopen decennia nauwelijks is gegroeid en de bouwactiviteit vooral is gericht op het opknappen van de al bestaande voorraad. Tussen 2010 en 2019 steeg het totale aantal woningen in de vijf stadsdelen van New York City met slechts 6 procent, terwijl de werkgelegenheid met 21 procent toenam.
Steden moeten stoppen met uitdijen aan de randen en in plaats daarvan de dichtheid verhogen. Dit hoeft geen eindeloze hoogbouw en vernietiging van erfgoed te betekenen – er kan veel bereikt worden door gebruik te maken van middelhoogbouw en door voormalige kantoren en industriële ruimtes sneller te verbouwen. Aangezien de bevolking in rijke landen vergrijst en jongeren langer alleen wonen, kan het ook helpen om eengezinswoningen sneller op te splitsen in eenpersoonswoningen.
De laatste pijler voor eerlijkere steden is eerlijker openbaar vervoer. Toegang tot goedkoop vervoer is lange tijd van essentieel belang geweest om de kansarme inwoners van steden toegang te geven tot betaald werk. Toch zijn de bestaande openbaarvervoersystemen in veel grote steden meer dan een eeuw geleden ontworpen en gebouwd, in een tijd waarin armoede heel anders verdeeld was. Naarmate de binnensteden meer gegentrificeerd raken en de armoede zich naar de buitenwijken verplaatst, bestaat het risico dat de infrastructuur in veel steden uiteindelijk de bewoners bedient die haar het minst nodig hebben. De kosten van een maandabonnement zijn in Londen bijvoorbeeld het hoogst voor mensen die van de buitenwijken naar de binnenstad moeten pendelen, terwijl de armoede juist in deze gebieden het snelst toeneemt.
Ook moet worden nagedacht over hoe het openbaar vervoer gefinancierd wordt. In Londen is meer dan 70 procent van de inkomsten uit het openbaar vervoer afkomstig van kaartjes, twee keer zo veel als in Parijs. Een maandabonnement in Londen voor de zones een tot en met drie – min of meer de binnenste wijken – kost op het moment van schrijven 211 euro. In Parijs kost een metrokaart voor alle zones – waarmee eenzelfde afstand kan worden afgelegd – 84 euro.
De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen
Een vervoerssysteem zoals dat van Londen, dat meer afhankelijk is van ticketinkomsten dan van algemene belastingen, legt een grotere financiële druk op de armste inwoners van de stad en vergroot het risico dat ze vast komen te zitten in problematischer buurten. Toch is het Londense systeem, ondanks al zijn gebreken, veel beter dan de infrastructuur in Amerikaanse steden als Los Angeles of Atlanta, die volledig is gericht op autorijden. Het gebrek aan openbaar vervoer houdt de inwoners aldaar die zich geen auto kunnen veroorloven arm.
Door de pandemie zijn steeds meer mensen op afstand gaan werken. Drie jaar later hebben we een duidelijker beeld van wat voor invloed dat op steden heeft gehad. De voorspelling dat binnensteden op grote schaal verlaten zouden worden, is niet uitgekomen: bewoners hechten waarde aan meer dan alleen reistijd. Toch eist de daling van het woon-werkverkeer in de centrale zakenwijken een grote tol: kantoren staan leeg, het openbaar vervoer is onderbenut en de winkels en restaurants die forenzen bedienden, hebben moeite te overleven. De verpaupering van het centrum van San Francisco illustreert dergelijke risico’s. Het langdurig daklozenprobleem waaronder de stad gebukt gaat, wordt verergerd door onbetaalbare huisvesting. Het is tijd voor gedurfd beleid, gebaseerd op een verfrissende, nieuwe aanpak.
Steden zijn in alle samenlevingen een bron van vernieuwing. Al vijfduizend jaar vormen ze de motor van vooruitgang en stimuleren ze samenwerking, specialisatie en creativiteit: de drijvende krachten achter de ontwikkeling van de mensheid. Vandaag leven er meer mensen in steden dan ooit tevoren. Het is noodzakelijk dat we leren hoe we steden kunnen verduurzamen en toegankelijk kunnen maken voor iedereen, en niet alleen voor die paar gelukkigen.
Dit is een bewerkt uittreksel uit Age of the City: Why Our Future Will Be Won or Lost Together door Ian Goldin en Tom Lee-Devlin.
Het aantal mensen met diabetes zal in 2050 wereldwijd meer dan verdubbeld zijn, tot 1,3 miljard, aldus de website Statnews. De trend wordt versneld door de toenemende ongelijkheid tussen en binnen landen. Volgens een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift The Lancet, onderdeel van een serie over wereldwijde ongelijkheid aangaande diabetes, blijkt uit nieuw onderzoek dat naar verwachting 1 op de 10 mensen tegen 2050 wereldwijd aan diabetes zal lijden.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Diabetes wordt de bepalende ziekte van deze eeuw’, schrijft The Lancet in een redactioneel commentaar bij de serie. ‘Hoe gezondheidsdiensten de volgende twee decennia met diabetes omgaan, is bepalend voor de volksgezondheid en voor de levensverwachting in de komende tachtig jaar. De wereld heeft het sociale aspect van diabetes niet begrepen en de ware omvang en bedreiging van de ziekte onderschat.’
Veel mensen zijn bezorgd over de slechte toestand van de wereldeconomie. Om die te verbeteren, moet de politiek een nieuw systeem bedenken dat de nationale en mondiale belangen beter in evenwicht brengt, betoogt columnist Rana Foroohar.
Er heerst veel algemene verwarring, zo niet regelrechte angst, over de toestand van de wereldeconomie. De oorlog in Oekraïne, de schommelende gasprijzen, de torenhoge hypotheekrente, de aanhoudende gevolgen van de pandemie en het dreigende vooruitzicht van een recessie: al deze factoren lijken samen te smelten tot één grote chaos.
Die angst is reëel. Maar de chaos is van voorbijgaande aard – deze wordt grotendeels veroorzaakt door het tumult dat gepaard gaat met elke overgang van een oude naar een nieuwe economische orde. Elke economie maakt cycli door van groei en krimp, maar de belangrijkste indicator binnen die cycli heeft niet zozeer te maken met marktprijzen of werkloosheidscijfers als wel met de onderliggende politieke filosofie.
Ongeveer een halve eeuw lang was onze politieke economie gebaseerd op het heersende concept van het neoliberalisme – het idee dat kapitaal, goederen en mensen grenzen moeten kunnen overschrijden op zoek naar het productiefste en meest winstgevende rendement. Veel mensen associëren dit principe met de trickledowneconomie van Ronald Reagan en Margaret Thatcher, of zelfs met de ondernemersvriendelijke economische ideeën over financiële markten en handel die Bill Clinton en Barack Obama omarmden. Maar de wortels van de filosofie gaan verder terug.
Ongelijkheid
De term ‘neoliberalisme’ werd in 1938 bedacht op een bijeenkomst in Parijs van economen, sociologen, journalisten en zakenlieden die zich zorgen maakten over de – in hun ogen buitensporige – staatscontrole op de markten na de Great Depression. Ze dachten dat de belangen van de natiestaat en de democratie wel eens problemen zouden kunnen gaan opleveren voor de economische en politieke stabiliteit. Het stemgerechtigde publiek kon niet worden vertrouwd, en dus moesten nationale belangen (of, meer in het bijzonder, nationalisme) worden in-geperkt door internationale wetten en instellingen, zodat markten en de samenleving als geheel goed konden functioneren.
Mondiale instellingen als het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank en latere organisaties als de Wereldhandelsorganisatie – instellingen die in wezen gaan over grensoverschrijdende mondiale financiën, handel en ondernemingen – werden beïnvloed door deze neoliberale filo-sofieën. Zij pleitten krachtig voor de Washington-consensus, een reeks economische beginselen die waren afgeleid van de hoofdingrediënten marktliberalisering en onbelemmerde globalisering. Dit recept zorgde voor meer groei dan ooit tevoren; de vier jaar voorafgaand aan de financiële crisis van 2008 behoorden wereldwijd tot de sterkste groeiperioden in de afgelopen halve eeuw. Maar ze leidden ook tot grote ongelijkheid binnen de afzonderlijke landen.
Geld beweegt zich veel sneller over grenzen dan goederen of mensen
Hoe kon dat? Voor een deel doordat geld zich veel sneller over grenzen beweegt dan goederen of mensen. De ‘goedkoop kapitaal voor goedkope arbeid’-afspraak tussen de Verenigde Staten en Azië, vanaf de jaren tachtig, kwam voornamelijk ten goede aan multinationals en de Chinese staat, zo blijkt uit academisch onderzoek. De Reagan-Thatcher-revolutie bevrijdde het wereldkapitaal door de financiële sector te dereguleren, en de wereldhandel werd vervolgens volledig vrij-gelaten in het Clinton-tijdperk, met overeenkomsten als NAFTA en de uiteindelijke toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie. Qua beleidsbelangen sloeg de balans tussen het scheppen van binnenlandse banen en de integratie van de wereldmarkt door naar het laatste. Het idee was dat goedkopere consumentenprijzen van importgoederen de afgevlakte of zelfs dalende lonen zouden compenseren.
Maar dat gebeurde niet. Al vóór de pandemie en de oorlog in Oekraïne stegen de prijzen van goederen en diensten die essentieel zijn voor de middenklasse – van huisvesting tot onderwijs en gezondheidszorg – veel sneller dan de lonen. Dat is nog steeds het geval, zelfs met de recente looninflatie. Het gevoel dat de wereldeconomie te ver af is komen te staan van nationale belangen speelde een rol bij de opkomst van het populisme, nationalisme en zelfs fascisme (in de vorm van Donald Trump en de Make America Great Again-beweging) waar we nu mee worstelen. Het is van een bittere ironie dat juist de filosofieën die bedoeld waren om politiek extremisme in te dammen, het tegenovergestelde hebben bewerkstelligd, omdat ze te ver zijn gegaan.
Neoliberale filosofie
De neoliberale filosofie is failliet, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook elders, getuige het verzet in Groot-Brittannië tegen het mislukte experiment van oud-premier Liz Truss met belastingverlagingen met een beoogd trickledowneffect. Door arbeid uit te besteden aan meerdere landen zou de maakindustrie productiever en het bedrijfsleven efficiënter worden. Maar die vermeende efficiëntie bleek bij elke vorm van wereldwijde stress grotendeels in te storten, of het nou ging om pandemieën, tsunami’s, storingen in havens of andere onvoorziene gebeurtenissen.
Complexe toeleveringsketens leidden al ver voor de mondiale crises van de afgelopen jaren tot verschillende rampen. Denk bijvoorbeeld aan Rana Plaza in Bangladesh, de fabriek die kleding maakte voor diverse mondiale merken (die geen idee hadden van risico’s in hun toeleveringsketen) en die in 2013 instortte, waarbij ruim elfhonderd mensen om het leven kwamen. Ondertussen werd de vrijhandel, die geacht werd de vrede tussen landen te bevorderen, zelf een systeem dat door commercieel ingestelde landen en door de staat geleide autocratieën kon worden misbruikt, met diepe politieke tegenstellingen in binnen- en buitenland als gevolg.
Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen
Gelukkig zwaait de slinger van de politieke economie uiteindelijk weer terug en maken uitgespeelde filosofieën plaats voor nieuwe. Aardverschuivingen in de sociaaleconomische agenda zijn zeldzaam en leiden tot hervormingen. Zo’n verschuiving maken we nu door. De wereld is zich aan het herschikken – niet terug naar het ‘normaal’ van conventionele neo-liberale economische modellen, maar naar een nieuw normaal. Zowel in beleidskringen als in het bedrijfsleven en de academische wereld wordt nagedacht over het juiste evenwicht tussen mondiaal en lokaal.
Het handelsbeleid houdt steeds meer rekening met arbeids- en milieunormen, vanuit de gedachte dat goedkoop niet altijd goedkoop is, bijvoorbeeld als producten het milieu aantasten of door kinderhanden worden gemaakt. Om rekening te houden met privacy en liberale waarden wordt er opnieuw nagedacht over de handel in digitale diensten. (Willen we echt dat onze persoonlijke gegevens worden overgedragen aan big tech of grote controlestaten zoals China?) Leveringsketens worden niet alleen korter vanwege de geopolitiek, maar ook door nieuwe technologieën (zoals gedecentraliseerde landbouw en 3D-printers) die het mogelijk maken om productie en consumptie dichter bij huis onder te brengen.
En nu?
En nu? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de economische globalisering niet opnieuw te ver vooruitloopt op de nationale politiek? En hoe kunnen we problemen oplossen zonder te verzanden in het protectionisme van de jaren dertig of in valse nostalgie naar een voorbije tijd?
Er bestaat nog geen nieuwe ‘theorie van alles’ voor de post-neoliberale wereld. Maar dat betekent niet dat we de oude filosofie niet ter discussie moeten blijven stellen. Een van de hardnekkigste neoliberale mythen was dat de wereld plat was en dat nationale belangen ondergeschikt zouden zijn aan de wereldmarkten. De afgelopen jaren hebben dat idee onderuitgehaald. Het is aan degenen die de liberale democratie een warm hart toedragen om een nieuw systeem te bedenken dat lokale en globale belangen beter in evenwicht brengt.
Het leven onder de last van onderdrukking, verstikking, tirannie en gebrek aan menselijke en morele waarden is een ramp, schrijft de Afghaanse dichter en vrouwenrechtenactivist Somaia Ramish.
Vrijheid is altijd trots en gevangenschap is altijd vernederend. Het leven onder de last van onderdrukking, verstikking, tirannie en gebrek aan menselijke en morele waarden is een ramp. Leven in afwezigheid van vrijheid, of op zijn minst van het kunnen oefenen voor vrijheid, geeft niets anders dan frustratie. Op dit moment is er in Afghanistan een volstrekt gebrek aan visie, actie en denken in de richting van vrijheid. Van Afghanistan is niets meer over dan een geografisch gebied dat zo wordt genoemd. Wat op 15 augustus 2021 gebeurde, was de bitterste ervaring van een land dat toch al in de muil van menselijke tirannie en barbaarsheid was gevallen. De omvang van de ramp is enorm en verwoestend.
Beschaving
Ik maakte deel uit van een samenleving die ruim twintig jaar lang probeerde na te denken over beschaving, over menselijke waarden en het vorm geven aan burgerrechten. Ik leidde de stichting Moderne Denkers in Herat en was medeoprichter van Radio Shahrzad. Ik stelde me verkiesbaar voor de provinciale burgerraad. Die samenleving werd op 15 augustus 2021 vernederd, de hoop van een generatie die was toe gaan leven naar een betere toekomst werd vernederd. Onze gedachten, onze hoop op gerechtigheid en gelijkheid, onze taal, onze cultuur en onze hele beschaving werden vernederd.
Afghanistan werd toevertrouwd aan een groepering die verstoken is van waarden. De taliban zijn een gewelddadige, versteende, extreem extreme, achterlijke en onderdrukkende beweging. Uiteindelijk zijn Afghanen vanuit menselijk oogpunt zo vernederd dat zelfs met de mond beleden vijandigheden tegen de taliban vernederend zijn voor Afghanen.
Als ik aan de taliban denk, is het eerste dat in me opkomt het instorten van de boeddhabeelden
Als ik aan de taliban denk, is het eerste dat in me opkomt het instorten van de boeddhabeelden. Denk nog eens aan die vernietiging! Of aan de kapotte poort van Ghazna, de vernielde schilderijen van Behzad in Herat, de kapotgemaakte instrumenten van artiesten, de met bloed doordrenkte haat die zangers ten deel viel, de aanval op de citadel van Herat. Weten mensen dat de straatnamen een voor een werden veranderd? Dat de kleur van de kleding van mensen veranderde, dat de angst en schrik op het gezicht van mensen op straat meegroeide met het aantal ongeschoren baarden? Dat ze mijn zus eigenhandig in een hijab staken en zo haar vrouwelijkheid ten grave droegen? Dat zelfs de lijken met stenen werden bekogeld?
Ik voelde me vernederd, alle dagen van het afgelopen jaar.
Waar ter wereld Afghanen het afgelopen jaar ook waren, ze voelden de vernedering met iedere hap eten in hun kwetsbare botten. Als we bleven, werden we vernederd. Door de voor de ogen van tienermeisjes gesloten poorten van scholen, de ogen van een moeder die haar zoon verloor in de oorlog met de taliban, de media met die zwartbedekte gezichten van vrouwelijke verslaggevers, de bakkerij die niet voor iedereen brood heeft, de straten met achtergebleven bloedvlekken en de anonieme graven van soldaten van het nationale leger.
Niet langer vrij
Als we het land verlieten werden we ook vernederd. Grenzen vernederden ons, zeeën, prikkeldraad, half kapotte boten, de grenswachten van Turkije en Iran, de hardvochtige politie van Pakistan, de gesloten poorten van India, migrantenkampen in New Jersey en Washington, afgelegen huizen in Kosovo, wetten, immigratie, vliegtickets, lange rijen voor brood en water, vermoeidheid achter de dichte deuren van ambassades, onbeantwoorde e-mails, de tijd en de lucht waarin we hingen en de aarde die geen plaats voor ons had. Alles in dit afgelopen jaar van ‘Het Heengaan’ was vernederend.
Ik ervaar de pijn van verpletterd en vernederd worden, en ik geloof nu dat vernedering alleen maar tot vernietiging kan leiden. De vernietiging van het hart van de Afghaanse samenleving kan niet worden ontkend. De gevolgen van deze onvermijdelijkheid zijn angstaanjagend. In elke uithoek van de wereld zitten we gevangen in ons eigen hart, omdat ons land niet langer vrij is.
Voor mij blijft het woord ‘vrijheid’ een uitzinnige illusie, nu Afghanistan is ondergedompeld in deze brute en zwarte ervaring. Ik denk minder aan vrijheid. Iemand die voor de ogen van de wereld is vernederd heeft nog een lange weg te gaan om weer een essentie in zichzelf te vinden, die te polijsten en de roest te verwijderen die vanuit een andere eeuw naar onze eigen tijd blijkt te zijn gekomen. Ik ben verbitterd en teleurgesteld. Ik ben geworden als een lam dat de dood al voelt voordat het wordt geofferd. Nog bitterder stemt het mij als Afghaanse burger dat het onderwerp genaamd ‘Afghanistan’ in het internationale discours steeds minder interesse wekt, al hebben de etnische en tribale relaties, een dynastieke kijk op interne kwesties en het vermijden van elke vorm van nationalisme ook meegewerkt aan de vernietiging van de Afghaanse vrijheid. Het wantrouwen en de onderlinge onverenigbaarheid van bewegingen tegen de taliban hebben Afghanistan kwetsbaarder en beklagenswaardiger gemaakt.
Feit is dat ook wij de val nog steeds niet kunnen reconstrueren
En helaas zijn wij, het geïsoleerde en over de hele wereld verspreide volk van Afghanistan, nog niet in het reine gekomen met het walgelijke, vernederende en krenkende verhaal van de val. Feit is dat ook wij de val nog steeds niet kunnen reconstrueren. We zijn nog niet ontsnapt aan het verhaal en worden zelf ook heen en weer geslingerd tussen de verhalen die loskomen, de ijzingwekkende en oncontroleerbare verhalen.
Uit vele relaties is de charme verdwenen en het is alsof het vreedzaam naast elkaar bestaan van nationaliteiten en intellectuele minderheden, het leiden van een fatsoenlijk leven en het denken over vrijheid een jaar later nog meer een illusie zijn geworden.
Somaia Ramish was vrouwenrechtenactivist in Afghanistan en is dichter en auteur. Na de val van Afghanistan vluchtte ze naar Nederland. Ze woont met haar man en twee kinderen in Rotterdam.
Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week gaan we dieper in op de aanhoudende protesten in Peru, die de grote kloof tussen hoofdstad Lima en de regio blootleggen.
Hoe zijn de protesten ontstaan?
De afgelopen weken is de instabiele situatie in Peru steeds verder uit de hand gelopen, schrijftAmericas Quarterly. De protesten sinds de afzetting van toenmalig president Pedro Castillo, na zijn mislukte poging om het Congres op 7 december 2022 te ontbinden, zijn geëscaleerd. ‘Achter de onrust en repressie schuilt de kloof tussen de politieke elite in Lima en de publieke opinie in de meer inheemse, landelijke en arme regio’s van het land. De grote onenigheden bieden bovendien kansen aan potentiële autoritaire leiders’, analyseert het tijdschrift.
Castillo is gearresteerd en wordt vastgehouden in een voorarrest van achttien maanden. Zijn besluit om het Peruaanse parlement te ontbinden werd gezien als poging tot een staatsgreep. De ex-president was verwikkeld in meerdere corruptieonderzoeken en probeerde het Congres illegaal te ontbinden in de aanloop naar een geplande afzettingsstemming. ‘Zijn afzetting vormde de genadeklap in een jarenlange botsing tussen de uitvoerende en wetgevende macht van Peru’, aldusReuters.
Dina Boluarte, die na de afzetting van Castillo de eerste vrouwelijke president in de geschiedenis van Peru werd, verklaarde al snel dat zij in functie wilde blijven tot het einde van de ambtstermijn van haar voorganger in 2026. Aanhangers van Castillo beschouwden die wens als verraad. Boluarte had immers als vicepresident altijd volgehouden dat als Castillo zou worden afgezet, zij ook zou vertrekken.
Het Congres, de meest impopulaire staatsmacht van Peru, aldus AQ, steunde Boluarte, in de hoop langer in functie te blijven en een dure campagne uit te stellen. Inmiddels zijn de verkiezingen vervroegd naar april 2024.
De achterban van Castillo, voornamelijk campesinos (landarbeiders) uit het armere zuiden en de Andes-regio, gaat sindsdien de straat op uit onvrede met de afzetting van de voormalige vakbondsleider én met het langere aanblijven van Dina Boluarte. De protesten worden door Lima met harde hand aangepakt. Bij de demonstraties zijn, volgens cijfers van 5 februari, al negenenzestig mensen omgekomen, rapporteert onlinekrant Infobae.
De protesten vinden in het hele land plaats, maar het lang gemarginaliseerde, linkse zuiden van Peru is het epicentrum en ook de plaats van het ergste geweld.
De afgelopen twee maanden van politieke onrust hebben volgens Vox de volgende situatie opgeleverd: ‘demonstranten die gebouwen in brand steken, snelwegen, luchthavens en mijnen plat leggen en te maken krijgen met het gewelddadige optreden van de politie; tientallen doden en nog meer gewonden; en een vastgeroeste politieke klasse die blijkbaar niet bereid of in staat is om in te gaan op de politieke en economische eisen van het Peruaanse volk’.
In plaats daarvan bevindt Peru zich in een lelijke impasse, schrijftThe New York Times, waarbij de regering de demonstranten blijft afschilderen als ‘pionnen van drugshandelaren, illegale mijnwerkers en terroristische groeperingen die chaos willen zaaien’, aldus president Boluarte.
Wat willen de demonstranten?
De demonstranten hebben vier duidelijke eisen gesteld: het aftreden van president Dina Boluarte, de ontbinding van het Congres, nieuwe verkiezingen dit jaar en een referendum voor het opstellen van een nieuwe grondwet.
Gouverneurs in de zuidelijke regio’s in Ayacucho, Arequipa, Puno, Cusco en Apurímac eisen eveneens het aftreden van Boluarte. Veel toegangswegen naar steden in die regio’s, zoals Cuzco en de nabijgelegen toeristische attractie Machu Picchu, worden geblokkeerd door demonstranten. Net als veel regionale luchthavens.
‘In Ayacucho, waarde moorden door terroristen [van de communistische guerrillagroep Lichtend Pad] en militairen in de jaren tachtig nog vers in het collectieve geheugen liggen, waren zeven doden door toedoen van militairen op 15 december bijzonder bitter nieuws’, schrijft Americas Quarterly.
Terwijl in vorige Peruaanse regeringen – bijvoorbeeld in 2002 en 2009 – de dood van demonstranten aanleiding gaf tot het aftreden van het kabinet, is dat tot nu toe niet gebeurd. Het Congres lijkt niet bereid terug te krabbelen en algemene verkiezingen te vervroegen in een poging de sociale onrust te verkleinen.
Sinds Boluarte aan de macht is heeft ze in sommige steden een avondklok ingesteld en een aantal andere burgerlijke vrijheden, zoals het recht op vergadering en vrij verkeer, opgeschort in verband met de aanhoudende onrust. Nu de situatie is geëscaleerd, zeggen sommige Latijns-Amerikaanse politieke leiders en Amnesty International dat Boluarte en de Peruaanse politie hun boekje te buiten zijn gegaan.
Het gebruik van buitensporig geweld tegen demonstranten heeft de woede tegen de regering van Boluarte aangewakkerd. Mensenrechtengroeperingen beschuldigen de autoriteiten ervan vuurwapens te gebruiken tegen demonstranten en rookbommen te laten vallen vanuit helikopters. Volgens het leger hebben demonstranten wapens en zelfgemaakte explosieven gebruikt, bericht Reuters.
Het Openbaar Ministerie van Peru zei op 10 januari een onderzoek in te stellen naar Boluarte en leden van haar kabinet op beschuldiging van ‘genocide, moord met voorbedachten rade en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel’ tijdens de protesten.
Wat zijn de achterliggende oorzaken van de politieke onrust?
‘Wat begon als verontwaardiging en verdriet rond de arrestatie van Castillo en de benoeming van zijn vicepresident, Dina Boluarte, tot president, is uitgemond in grootschalige protesten in het Zuid-Amerikaanse land. De onrust weerspiegelt het gebrek aan politieke vertegenwoordiging dat veel Peruanen, vooral buiten de hoofdstad Lima, al tientallen jaren voelen’, schrijft Vox.
‘Dat gebrek aan vertegenwoordiging is de afgelopen jaren nog eens verergerd door de economische gevolgen van de pandemie en het gebrek aan toegang tot basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en kwaliteitsonderwijs. Nu is de situatie tot een kookpunt gekomen’, aldus de nieuwssite.
Deze onrust in het zuiden van Peru heeft diepe wortels. De grotendeels inheemse inwoners staan al eeuwen op gespannen voet met de mestizo en witte bevolking van de hoofdstad, die lange tijd de nationale politiek heeft gedomineerd, aldus Reuters. Hoewel de armoede de afgelopen decennia is afgenomen, blijft er een kloof in levensstandaard bestaan tussen de regio en de hoofdstad. Ondanks de plaatselijke rijkdom aan koper en gas in het zuiden, is de levensverwachting er nog altijd lager dan in Lima, mede door een hogere kindersterfte.
‘De instabiliteit in Peru neemt toe, en ondertussen blijft de politiek verdeeld’, schrijft AQ. Het land zit al enige tijd zonder functionerende politieke partijen, maar de situatie is nog erger geworden. ‘Het ontbreekt Peru niet alleen aan partijen, maar ook aan geloofwaardige politici die effectief kunnen regeren, het volk achter zich kunnen krijgen en bruggen kunnen slaan’, aldus het tijdschrift.
Peru heeft een moeilijke politieke periode achter de rug, met meerdere presidenten die de afgelopen jaren uit hun ambt zijn gezet. In 2020 had het land binnen vijf dagen drie presidenten.
De pandemie heeft aangetoond hoe slecht Peru in staat is om zijn burgers te helpen in tijden van nood, en miljoenen Peruanen verdienen de kost met informeel werk of in de illegale mijnbouw en smokkel. De politieke eisen van deze gemarginaliseerde burgers komen tot uiting in hun steun aan populistische figuren als Pedro Castillo, aldus AQ.
Castillo begon zijn carrière in de politiek als vakbondsleider. In 2021 werd hij tot president gekozen. Als ‘man uit de arme Andesregio Cajamarca en politiek buitenstaander in de besloten wereld van de politieke elite van Lima’, zoals Vox de afgezette president typeert, bood hij hoop aan arme, landelijke en inheemse Peruanen. Zij verwachtten dat de nieuwe president hen beter zou kunnen vertegenwoordigen en de heersende elites het hoofd zou kunnen bieden, schrijft Reuters.
Zullen de demonstraties tot politieke veranderingen leiden?
Na twee maanden van chaos belandt Peru in een spiraal van onbestuurbaarheid. In de jaren negentig kon er te midden van politieke onrust een autoritaire leider opstaan, Alberto Fujimori, met de belofte de orde te herstellen. Wat als er opnieuw een verlangen ontstaat naar een autoritair figuur, vraagt Americas Quarterly zich af.
‘De regering van Boluarte laat zien dat er in Lima en onder het establishment van Peru behoefte is aan een beleid met ijzeren vuist. Wat nog moet worden afgewacht is of er een competente, autoritaire figuur zal opstaan die van de situatie zal profiteren’, aldus het kwartaalblad.
De woede onder de demonstranten gaat nu dieper dan onvrede over wie het land bestuurt. ‘Er is diepgaande frustratie over de jonge democratie in Peru’, schrijftThe New York Times. Aanvankelijk streefden de demonstranten vooral naar machtsherstel voor Castillo of naar vervroegde nieuwe verkiezingen. Nu willen ze iets veel groters: een nieuwe grondwet.
De demonstranten vinden dat het huidige systeem van corruptie, straffeloosheid en wanbeheer te wijten is aan de grondwet uit het Fujimori-tijdperk. Zijn autoritaire bewind zorgde ervoor dat het land in de jaren negentig in rap tempo een neoliberale transformatie onderging.
De protesten in Chili van 2019, waarmeeThe Economist de huidige protesten in Peru vergelijkt, hebben inderdaad geleid tot een nieuw verkozen orgaan dat de taak kreeg een nieuwe grondwet op te stellen. Alleen werd deze vorig jaar per referendum weggestemd door het Chileense volk.
Tot nu toe lijkt het niet waarschijnlijk dat Peru een nieuwe grondwet zal krijgen. Ondanks de roep om nieuwe verkiezingen heeft het Congres van Peru herhaaldelijk het voorstel verworpen om deze te verplaatsen naar december 2023. Op dit moment is er ‘geen zicht op een politiek compromis – en evenmin op een einde aan het geweld’, meentVox.
De grote verliezer van deze politieke impasse is ‘een samenleving die in minder dan zestig dagen negenenzestig levens heeft verloren en die dringend behoefte heeft aan duidelijke antwoorden van de politiek om het land op een vreedzaam en democratisch pad te brengen’, aldus Infobae.
De opwarming van de aarde kan niet worden aangepakt zonder een ingrijpende herverdeling van de rijkdom. ‘Wie het tegendeel beweert, liegt tegen de planeet’, waarschuwt econoom Thomas Piketty.
Laten we er maar geen doekjes om winden: de opwarming van de aarde kan niet serieus worden aangepakt zonder een ingrijpende herverdeling van de rijkdom, zowel binnen landen als op internationaal niveau. Wie het tegendeel beweert, liegt tegen de planeet. En mensen die beweren dat een herverdeling natuurlijk wenselijk, sympathiek et cetera is, maar helaas technisch of politiek onmogelijk, liegen even hard. Ze zouden beter datgene kunnen verdedigen waarin ze geloven (als ze nog ergens in geloven) dan dat ze conservatieve onzin verkondigen.
De overwinning van Lula in Brazilië geeft sommigen weer een beetje hoop. Maar de recente verkiezingen in Zweden en Italië hebben laten zien dat zowel in het noorden als het zuiden tal van kiezers nog altijd sceptisch staan tegenover sociaal-ecologisch links en de voorkeur geven aan een nationalistisch rechts dat wars is van immigratie. De reden daarvoor is simpel: zonder een fundamentele transformatie van het economisch systeem en een herverdeling van de rijkdom dreigt het sociaal-ecologische programma zich tegen de middenklasse en de arbeidersklasse te keren. Het goede nieuws (als we het zo mogen noemen) is dat de rijkdom zich zozeer beperkt tot de maatschappelijke bovenlaag, dat als we ons maar blijven beijveren voor een ambitieuze herverdeling, we tegelijkertijd tegen klimaatverandering kunnen strijden en voor verbetering van de levensomstandigheden van de overgrote meerderheid van de bevolking.
Het blijft mogelijk om de middenklasse en de arbeidersklasse voor klimaatmaatregelen te compenseren
Met andere woorden, iedereen zal zijn manier van leven natuurlijk grondig moeten veranderen, maar het blijft mogelijk om de middenklasse en de arbeidersklasse voor deze verandering te compenseren, zowel financieel als door goederen en diensten toegankelijk te maken die minder energie-intensief zijn en beter verenigbaar met het voortbestaan van de aarde (onderwijs, gezondheid, huisvesting, transport et cetera). Dit zal gepaard moeten gaan met een drastische inperking van het vermogen en de inkomsten van de allerrijksten, wat overigens de enige manier is om politieke meerderheden te vinden voor het redden van de planeet.
Feiten en cijfers liegen er niet om. De stratosferische vermogenstoename waarin miljardairs zich sinds de crisis van 2008 wereldwijd mogen verheugen heeft tijdens de covid-19-pandemie een ongekend niveau bereikt. Volgens het World Inequity Report 2022 bezit de rijkste 0,1 procent van de wereld zo’n tachtigduizend miljard euro aan financiële middelen en vastgoed, oftewel meer dan 19 procent van het wereldwijde totaal en het equivalent van het mondiale bnp van een jaar. Het aandeel van de rijkste 10 procent bedraagt 77 procent van het totaal, en dat van de armste 50 procent slechts 2 procent. In Europa, dat door de economische elite graag als een oase van gelijkheid wordt afgeschilderd, bedraagt het aandeel van de rijkste 10 procent 61 procent van het totaal, en dat van de armste 50 procent slechts 4 procent.
In Frankrijk stegen de allergrootste vermogens alleen al tussen 2010 en 2022 van tweehonderd miljard naar duizend miljard, dat wil zeggen van 10 procent van het bnp naar bijna 50 procent van het bnp (oftewel twee keer zoveel als het totale bezit van de armste 50 procent). Volgens de beschikbare gegevens bedraagt de totale inkomstenbelasting die in deze hele periode door de vijfhonderd rijkste Fransen is afgedragen nog geen 5 procent van deze vermogenstoename van achthonderd miljard. Dat komt overigens overeen met de belastingaangiften van Amerikaanse miljardairs die in 2021 door de non-profitorganisatie ProPublica zijn onthuld en een overeenkomstig belastingtarief laten zien. Door bij wijze van uitzondering 50 procent belasting over deze vermogenstoename te heffen, wat verre van excessief zou zijn in een tijd waarin kleine spaarders jaarlijks een inflatiebelasting van 10 procent over hun zuurverdiende centen betalen, zou de Franse regering vierhonderd miljard euro kunnen innen.
Welvaart is absoluut niet gediend met stratosferische ongelijkheid
Er zijn andere formules denkbaar, maar het blijft een feit dat het om duizelingwekkende bedragen gaat: wie beweert dat er bij deze groep niets substantieels te halen valt, kan gewoon niet rekenen. Voor de goede orde, de zittende Franse regering heeft afgelopen week een veto uitgesproken over een motie van het parlement voor het verhogen van de investeringen in het isoleren van gebouwen (twaalf miljard euro) en het spoorwegnet (drie miljard) omdat daarvoor de middelen zouden ontbreken. Vandaar de vraag of de regering kan rekenen of liever de belangen van een kleine groep laat prevaleren boven die van de planeet en de bevolking, die zo gebaat zouden zijn bij gerenoveerde woningen en op tijd rijdende treinen.
Afgezien van deze uitzonderlijke belasting over de vijfhonderd grootste vermogens moet natuurlijk het hele Franse belastingstelsel op de schop worden genomen, net als in de rest van de wereld. In de loop van de twintigste eeuw heeft de progressieve inkomstenbelasting zich als een groot succes ontpopt. In de Verenigde Staten vielen de belastingtarieven voor de allerhoogste inkomens tijdens het bewind van Roosevelt en de halve eeuw daarna (gemiddeld 81 procent in de periode 1930-1980) samen met een periode van welvaart, innovatie en maximale groei. De reden was simpel: welvaart hangt in de eerste plaats samen met onderwijs (en op dat gebied hadden de Verenigde Staten in die periode een grote voorsprong op de rest van de wereld) en is absoluut niet gediend met stratosferische ongelijkheid.
In de eenentwintigste eeuw zal deze erfenis moeten worden uitgebreid tot een progressieve vermogensbelasting, met tarieven van 80 tot 90 procent voor miljardairs, zodat ook de rijkste 10 procent haar steentje bijdraagt. Ook en vooral zal een substantieel deel van de belasting die de allerrijksten dan betalen rechtstreeks aan de allerarmste landen moeten worden uitgekeerd, al naargelang de omvang van hun bevolking en hun blootstelling aan klimaatverandering. De zuidelijke landen kunnen niet elk jaar wachten tot het noorden zich verwaardigt zijn verplichtingen na te komen. Het wordt tijd om na te denken over de volgende wereld, anders wordt die een nachtmerrie.
Thomas Piketty is decaan aan de Ecole des hautes études en sciences sociales (EHESS) en hoogleraar aan de Ecole d’économie, beide in Parijs.
Wegens het verspreiden van ‘valse informatie’ over het leger riskeert kunstenaar Aleksandra Skotsjilenko tien jaar gevangenisstraf. Het nieuwe gezicht van de Russische dissidenten zit in voorlopige hechtenis. Onlangs verlengd tot april 2023.
Aleksandra Skotsjilenko is het nieuwe gezicht van de Russische dissidenten. Deze kunstenaar uit Sint-Petersburg had in een supermarkt prijsstickers vervangen door etiketjes met informatie over de oorlog in Oekraïne. Wegens het verspreiden van ‘valse informatie’ over het leger riskeert ze tien jaar gevangenisstraf. Aleksandra (Sasja) Skotsjilenko zit sinds april in voorlopige hechtenis en kampt met duizeligheid, buikpijn en hartproblemen, meldde haar advocaat Jana Nepovinnova op 17 november op Telegram. Hoewel een Russische rechter haar voorlopige hechtenis in september heeft verlengd tot april 2023, moeten de twee vrouwen toch af en toe lachen als ze de aanklacht tegen Sasja doorbladeren, ‘zo belachelijk zijn de beschuldigingen die erin staan’, aldus de advocaat.
RUSLAND
ALEKSANDRA SKOTSJILENKO
Deze Russische musicus en kunstschilder heeft zich in het openbaar tegen de oorlog in Oekraïne gekeerd. Op 31 maart heeft ze in een supermarkt in Sint-Petersburg prijsstickers op producten vervangen door papieren etiketjes met informatie over de Russische invasie in Oekraïne.
Elf dagen later werd Aleksandra Skotsjilenko aangehouden door de politie en, op grond van een artikel dat pas enkele dagen eerder in het Russische wetboek van strafrecht was opgenomen om critici de mond te snoeren, beschuldigd van het ‘opzettelijk verspreiden van onjuiste informatie over de inzet van de Russische strijdkrachten’. Nu wacht ze onder erbarmelijke omstandigheden haar proces af en riskeert ze tot tien jaar gevangenisstraf.
WAT EIST AMNESTY?
Intrekking van alle aanklachten en onmiddellijke invrijheidstelling.
De 32-jarige Sasja werd op 11 april gearresteerd nadat er – volgens de officiële lezing – een klacht was ingediend door een gepensioneerde vrouw die in dezelfde supermarkt in Sint-Petersburg boodschappen deed als zij. Deze vrouw had papieren etiketjes aangetroffen met informatie over de Russische invasie in Oekraïne die door Sasja op artikelen waren geplakt. Er was informatie op te lezen die bijeen was gesprokkeld door onafhankelijke media in Rusland, zoals het bombarderen van het theater in Marioepol door het Russische leger terwijl zich daar kinderen bevonden, of het aantal Russische soldaten dat sinds het begin van de oorlog gesneuveld was. Deze informatie week inderdaad volstrekt af van het officiële verhaal, en de bejaarde dame was dan ook ‘uiterst verbolgen’. In haar aangifte legde ze uit dat ze sterk meeleefde met het lot van de Russische soldaten in Oekraïne zoals dat door de staatstelevisie werd getoond en dat ze het onverdraaglijk vond om zulke leugens te moeten lezen, aldus Radio Svoboda, de Russische tak van Radio Free Europe/Radio Liberty die door het Amerikaanse Congres wordt gefinancierd.
Sasja blijft achter haar actie staan en houdt vol dat de informatie die zij heeft doorgegeven niet op leugens berust
De rechercheurs hoefden alleen artikel 207.3 van het Russische wetboek van strafrecht maar van stal te halen dat begin maart, kort na de invasie in Oekraïne, via een wetswijziging in allerijl was ingevoerd. Ingevolge dit artikel staat op het ‘opzettelijk verspreiden van desinformatie over het Russische leger’ maximaal tien jaar gevangenisstraf. Het is inmiddels bijna tweeduizend keer toegepast tegen Russen die het optreden van hun leger in Rusland hebben bekritiseerd: bekende oppositieleden, studenten, docenten of pacifisten die door de politie in de gaten worden gehouden.
FRANKRIJK
ZINEB REDOUANE
Op 1 december 2018, terwijl ze haar raam wilde sluiten, werd Zineb Redouane in het gezicht geraakt door een traangasgranaat die was afgevuurd door de politie om betogers uiteen te jagen. Ze overleed de volgende dag in het ziekenhuis. Bijna vier jaar later is het onderzoek naar haar dood nog steeds niet afgerond. Niemand is vanwege deze doodslag in staat van beschuldiging gesteld of geschorst.
WAT EIST AMNESTY?
Dat de Franse autoriteiten deze zaak ophelderen en dat er tegen degenen die er verantwoordelijk voor zijn een gerechtelijke procedure wordt aangespannen
In het geval van Sasja was de tenlastelegging dat de informatie die op de door haar opgeplakte etiketten stond ‘onjuist’ was. De rechtbank gelastte een merkwaardig ‘linguïstisch onderzoek’ naar deze etiketten, uitgevoerd door twee vrouwelijke onderzoekers die bekendstaan als Kremlin-sympathisanten, aldus de in Litouwen gevestigde onlinekrant Meduza. Hun conclusie, waarin regelmatig de loftrompet werd gestoken over de ‘zeer humane houding van het Russische leger jegens de inwoners van Oekraïne’, luidde dat deze informatie onjuist was omdat ze niet overeenkwam met die welke door het Russische ministerie van Defensie werd verspreid. ‘Dit onderzoek is van nul en generlei waarde omdat de onderzoekers geen enkele kennis van de materie hebben,’ sneert advocaat Jana Nepovinnova. Sasja blijft achter haar actie staan en houdt vol dat de informatie die zij heeft doorgegeven niet op leugens berust.
Zwakke gezondheid
Het idee om de prijsstickers in Russische supermarkten te vervangen door etiketten over de oorlog was half maart gelanceerd door een organisatie die zich ‘Feministisch verzet tegen de oorlog’ noemt, aldus de Russische nieuwsdienst van de BBC. Op Telegram was zelfs al een opmaak gepost die klaar was om gedrukt te worden, vergezeld door enkele veiligheidsadviezen voor de activisten: mijd bewakingscamera’s en betaal alleen maar contant. ‘Maar al snel bleek dat deze maatregelen de anonimiteit van de activisten niet konden garanderen,’ vervolgde de BBC, die vermoedt dat in navolging van Sasja nog een tiental andere etikettenplakkers door de politie is geïdentificeerd en aan-gehouden.
Op basis van getuigenissen van familie en goede bekenden kwam de BBC met een uitvoerig portret van deze veelzijdige jonge vrouw, die over een complexe en fragiele persoonlijkheid beschikt. Als kunstschilder, musicus en gelegenheidsjournalist (voor het onafhankelijke digitale blad Boemaga) was Sasja een bekende in het artistieke wereldje van Sint-Petersburg. Ze gaf toneel- en filmles aan Oekraïense kinderen, publiceerde een voor kinderen bedoeld boekje over ‘depressie’, speelde in toneelgroepen en deed al op haar tiende mee aan een komisch televisieprogramma. In een interview met Meduza vertelt haar partner Sonja dat Sasja al sinds haar kinderjaren met diverse gezondheidsproblemen kampt, waaronder een bipolaire stoornis en een glutenintolerantie, wat haar verblijf in de gevangenis extra zwaar maakt.
Paul Biya slaat elke vorm van oppositie keihard neer
De president, die al veertig jaar de absolute macht heeft, onderdrukt iedere vorm van oppositie, verlamt het land en schendt mensenrechten aan een stuk door.
In februari 2017 eisten 27 Kameroense en internationale organisaties dat er een eind zou komen aan de willekeurige en illegale gevangennemingen in Kameroen, aldus Centrifuge Hebdo. Ook meldde het Kameroense weekblad dat er door deze organisaties een open brief was gestuurd aan Paul Biya, de president van de Republiek Kameroen.
Naast Dorgelesse Nguessan, die gevangenzit nadat ze had deelgenomen aan een betoging, werden er nog talloze andere namen genoemd in dit openbare beroep dat op het staatshoofd werd gedaan. De open brief klonk als een lange opsomming van oppositieleden of gewone betogers die in het Kameroen van Paul Biya zijn gearresteerd en mishandeld. Zoals Penn Terence Khan: gearresteerd, gemarteld, beschuldigd van terrorisme en door een militaire rechtbank tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij T-shirts met politieke slogans had vervaardigd. En ook de onafhankelijke journalist Tsi Conrad, die door de militaire rechtbank tot vijftien jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.
KAMEROEN
DORGELESSE NGUESSAN
Dorgelesse Nguessan was kapster van beroep toen haar leven op zijn kop werd gezet. Op 22 september 2020 nam ze voor de eerste keer deel aan een vreedzame betoging in Douala, waarbij meer dan vijfhonderd mensen werden gearresteerd, onder wie Dorgelesse. Zij werd beschuldigd van rebellie, samenscholing en deelname aan een openbare betoging en veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
WAT EIST AMNESTY?
Onmiddellijke en onvoorwaardelijke invrijheidstelling.
Een aantal van de mensen die werden genoemd had deelgenomen aan de mars op 22 september 2020, georganiseerd door partijen die oppositie voeren tegen het regime van Paul Biya en diens aftreden eisen. Volgens Human Rights Watch zetten de veiligheidstroepen vervolgens traangas en waterkanonnen in om overal in het land vreedzame betogingen uiteen te jagen. Bovendien zouden er meer dan vijfhonderd mensen zijn gearresteerd, voornamelijk leden en aanhangers van oppositiepartijen. De autoriteiten hebben bij zowel deze arrestaties als tijdens hun gevangenschap talloze mensen afgeranseld. Ook werden sommige betogers beschuldigd van bedreiging van de staatsveiligheid en tot lange gevangenis-straffen veroordeeld, aldus de website Cameroun1, die ook zelf met een lijst veroordeelden kwam. Op 8 december 2021 meldde de site dat minstens 154 activisten van de MRC [Beweging voor de weder-geboorte van Kameroen] en vijf andere van Stand Up for Cameroon, twee oppositiepartijen, creperen in de gevangenis.
Paul Biya leidt Kameroen al sinds 1982 met ijzeren vuist. Bij de politieke crisis voegt zich inmiddels ook een ‘Engelstaligencrisis’, waarin de regering en separatistische groeperingen in Engelstalige regio’s in het westen van het land tegenover elkaar staan. Ook staat de veiligheid van Kameroen voortdurend onder druk door herhaaldelijke aanslagen van jihadistische groeperingen. Gevolg van deze spanningen is dat de veiligheidstroepen in het land de mensenrechten regelmatig schenden.
Broer geëxecuteerde Nafid Afkari vreest voor zijn leven
Na zijn arrestatie in 2018 op verdenking van moord werd deze tegenstander van het regime in de gevangenis met de dood bedreigd. Zijn geval illustreert de talloze ontsporingen van de Iraanse justitie, die wordt gecontroleerd door de machthebbers.
Vahid Afkari was een eenvoudige stukadoor in Chiraz, een grote stad in het zuidwesten van Iran, toen hij op 17 september 2018 werd gearresteerd samen met zijn broer Navid, eveneens stukadoor maar ook een in Iran en het buitenland befaamde worstelaar. De autoriteiten beschuldigden de twee broers ervan in augustus 2018, tijdens een betoging vanwege de economische achteruitgang en de grote droogte, een man te hebben gedood die nu eens werd voorgesteld als een lid van de Iraanse inlichtingendienst en dan weer als een werknemer van het waterbedrijf van Chiraz.
IRAN
VAHID AFKARI
Vahid Afkari en zijn twee broers hadden deelgenomen aan vreedzame betogingen in hun stad Chiraz, die waren gericht tegen de ongelijkheid en de politieke onderdrukking. Wegens die deelname werden ze thuis gearresteerd. Terwijl ze in afzondering werden gehouden en werden gemarteld, werden ze gedwongen overtredingen te ‘bekennen’ waaraan ze zich eerder herhaaldelijk onschuldig hadden verklaard. Een van de broers werd geëxecuteerd en de andere werd uiteindelijk vrijgelaten. Vahid zit sinds september 2020 in een isoleercel.
WAT EIST AMNESTY?
Een eind aan deze afschuwelijke mishandeling en intrekking van alle aanklachten.
Navid Afkari werd ter dood veroordeeld en in september 2020 geëxecuteerd, ondanks internationale campagnes waarin het onrechtvaardige proces en de door marteling afgedwongen bekentenissen aan de kaak werden gesteld. Ook veroordeelde de rechter de broers van de worstelaar, Vahid en Habib Afkari, tot respectievelijk vierenvijftig en zevenentwintig jaar gevangenisstraf.
Met de dood bedreigd
Sindsdien crepeert Vahid in een isoleercel in de Adel Abad-gevangenis in Chiraz – zijn broer Habib is in maart 2022 vrijgelaten. In de context van de huidige, ongekende opstand tegen het regime van de moellahs zijn familie, goede bekenden en medestanders van Vahid beducht voor wraakacties en vrezen ze voor zijn leven, terwijl hij volgens diverse Iraanse media ook al aan mensonwaardige behandelingen wordt blootgesteld. Afgelopen augustus bevestigde zijn broer Saeed al op social media dat hij met de dood werd bedreigd en dat ‘de directeur van de Adel Abad-gevangenis weer een bewakingscamera in de isoleercel van Vahid wilde laten plaatsen voor zijn eigen veiligheid’, aldus Iran International, een in Londen gevestigde televisie-zender die tegen het Iraanse regime is gekant. Deze beslissing zou zijn ingegeven door het gerucht dat ‘bepaalde personen’ van de afwezigheid van een camera zouden willen profiteren om Vahid in de gevangenis te vermoorden, aldus zijn broer.
IranWire, een andere oppositiesite, komt gedetailleerd terug op de arrestatie van de broers Afkari en citeert diverse getuigen die het officiële feitenrelaas ontkrachten en op talrijke juridische onregelmatigheden wijzen.
Marteling
Om te beginnen de plaats waar Vahid Afkari zich bevond toen de agent van de inlichtingendienst door de broers Afkari in Chiraz zou zijn gedood. Volgens een door de site geciteerd familielid was Vahid helemaal niet op de plek waar de moord plaatsvond. Toen hij werd gearresteerd ‘wilde justitie geen tussenkomst van onze advocaten in deze zaak zolang het onderzoek niet was afgerond’, zegt het familielid. ‘In de praktijk kwam het erop neer dat onze advocaten Vahid niet konden bijstaan voordat er (via marteling) een bekentenis was afgedwongen.’
In augustus 2021 maakte Saïd Dehghan, de advocaat van de familie, bekend dat het verzoek om een nieuw proces door het hooggerechtshof was afgewezen, aldus BBC Persian. De advocaat maakte melding van ‘vierentwintig leugens en drie onwaarheden’ in het vonnis en noemde de vierenvijftig jaar gevangenisstraf waartoe was besloten ‘in strijd met het wetboek van strafrecht’. In een getuigenverklaring die in september 2020 in zijn gevangenis is opgenomen ging Vahid gedetailleerd in op de martelingen die hij tijdens zijn verhoren had moeten ondergaan. ‘Terwijl ik was vastgeketend hebben ze me over mijn hele lichaam geslagen en me elektrische schokken toegediend. Ze drukten me languit tegen de grond en sloegen met een knuppel tegen mijn voetzolen, waarna ze me dwongen om te lopen.’
Begin april verklaarde Saeed Afkari op Twitter dat de gevangenisautoriteiten Vahid hadden geslagen en zijn hand hadden gebroken. ‘Wij zijn heel erg ongerust over onze broer maar onze weg blijft die van Navid en we zijn niet bang voor de dood,’ lichtte hij toe.
Twee gevangenisstraffen, dat is de prijs die Chow Hang-tung, een 37-jarige advocaat, moet betalen voor het verdedigen van democratische waarden. Ze was in Hongkong vicevoorzitter van het Verbond voor Steun aan Patriottistische Democratische Bewegingen in China.
Omdat ze weigert te erkennen dat ze ergens schuldig aan is, zit Chow Hang-tung nog altijd achter de tralies. Haar twee veroordelingen houden verband met de herdenking van de massamoord op het Tiananmenplein in Beijing in juni 1989. Op 4 januari 2022 werd Chow tot vijftien maanden gevangenisstraf veroordeeld nadat ze drie weken eerder al een straf van een jaar opgelegd had gekregen.
Tijdens een zitting van de rechtbank van West Kowloon op 2 september 2022 antwoordde Chow op de vraag van een rechterlijk ambtenaar of ze ‘de misdaad van het oproepen tot ondermijning van de staatsmacht’ erkende: ‘Het streven naar democratie is geen misdaad,’ aldus het nieuwsportaal Hong Kong 01. ‘In het Victoriapark hebben de inwoners van Hongkong zich van hun beste kant laten zien,’ verklaarde ze ontroerd tijdens dezelfde zitting. In haar jaren op de basisschool vergezelde ze haar moeder al naar het Victoriapark om de herdenking van Tiananmen bij te wonen. Nadat ze in 2010 haar doctorsgraad in de natuurkunde had behaald in Oxford, keerde Chow terug naar haar geboorteplaats om rechten te studeren. Tegelijkertijd werd ze vrijwilliger bij het in 1989 opgerichte Verbond voor Steun aan Patriottistische Democratische Bewegingen in China. Het Verbond – waarvan ze zes jaar later vicevoorzitter werd – ijvert voor ‘de invrijheidstelling van prodemocratische activisten’ en streeft naar een einde aan de eenpartijdictatuur.
HONGKONG
CHOW HANG-TUNG
Chow is een advocaat gespecialiseerd in mensenrechten. Op 4 juni 2021 heeft ze op social media mensen aangemoedigd de repressie op het Tiananmenplein te herdenken door middel van het aansteken van kaarsjes. Ze werd nog diezelfde dag gearresteerd wegens het ‘bevorderen van of ruchtbaarheid geven aan een niet-toegestane bijeenkomst’. Ze zit momenteel een gevangenisstraf van tweeëntwintig maanden uit wegens‘ongeoorloofde samenscholing’.
WAT EIST AMNESTY?
Intrekking van alle aanklachten en onmiddellijke invrijheidstelling.
Elk jaar werd er op de avond van 4 juni een herdenking gehouden, zelfs na de overdracht van Hongkong aan de Volksrepubliek China in 1997, aldus de Singaporese krant Lianhe Zaobao, die eraan toevoegt dat zelfs in 2020, het jaar waarin de nationale veiligheidswet voor Hongkong werd aangenomen en de politie de bijeenkomst niet langer toestond, talrijke inwoners van Hongkong desondanks met kaarsen in de hand naar het park zijn blijven komen.
Handlanger van het buitenland
In augustus 2021 beschuldigde de politie van Hongkong het Verbond ervan ‘een handlanger van het buitenland’ te zijn en werden de gegevens van de leden opgeëist. Volgens de Amerikaanse zender Voice of America was dat de eerste keer dat de politie op grond van een artikel uit de nationale veiligheidswet inzake buitenlandse handlangers van een niet-gouvernementele organisatie eiste dat ze haar gegevens prijsgaf. Een maand later maakte het Verbond zijn opheffing bekend.
PARAGUAY
YREN ROTELA ET MARIANA SEPULVEDA
Deze twee Paraguayaanse transgendervrouwen mogen hun voornaam niet veranderen en kunnen geen identiteitsbewijzen krijgen die stroken met hun genderidentiteit. Zij zetten zich in voor verandering. De overheid en conservatieve groeperingen in Paraguay staan vijandig tegenover de lhbtiq-gemeenschap en proberen haar onzichtbaar te maken. Betogingen, die vaak verboden zijn, vormen soms het mikpunt van aanslagen.
WAT EIST AMNESTY?
Dat het gender van transpersonen juridisch wordt erkend door de Paraguayaanse overheid zodat zij hun grondrechten kunnen
uitoefenen.
Op 29 mei 2022 postte Chow Hang-tung op Facebook: ‘Een kaarsje branden is geen misdaad.’ In haar post zei ze het te betreuren dat gezien de juridische context haar verbond geen herdenking meer kon organiseren. ‘De regering kan bijeenkomsten op een bepaalde plek verbieden, maar ze kan niet verbieden dat overal in Hongkong kaarsjes worden aangestoken.’ Chow’s advocaat zei tegen het blad Ming Pao, dat de kaars het gewicht van het geweten draagt en dat de inwoners van Hongkong de waarheid blijven spreken.’ Ze benadrukte dat ‘het aan hen te danken is die, goedschiks of kwaadschiks, een ruimte in dit land hebben weten te behouden waar de waarheid kan worden gesproken’.
Chow werd ervan beschuldigd ‘anderen aan te zetten tot deelname aan een verboden bijeenkomst’, meldde Ming Pao een maand later. De website van de krant schrapte Chows artikel, waarna het door de Chinees-Amerikaanse site China Digital Times werd overgenomen.
Op 26 mei 2021 publiceerde Apple Daily, een andere toonaangevende krant in Hongkong, een portret van Chow: ‘Laat de angst zich niet verspreiden’, schreef het blad, eraan toevoegend dat ‘de angst als een aangekondigde plaag in alle hoeken van Hongkong om zich heen grijpt’.
Het portret eindigde met de vraag of er in het huidige Hongkong nog plaats is voor burgers zoals Chow. Uit angst voor represailles is Apple Daily een maand later dichtgegaan na eerst al zijn archieven te hebben geruimd. Het portret van Chow is bewaard door de site Wenku, een platform dat de geschiedenis van Hongkong ‘veilig wil stellen’.
Omdat hij zijn bezorgdheid over de plannen om een kolencentrale te bouwen in Banshkhali met jongeren had gedeeld, heeft milieuactivist Shahnewaz Chowdhury tachtig dagen gevangengezeten en riskeert nog eens tien jaar opsluiting.
‘Milieuactivist Shahnewaz Chowdhury is momenteel voorwaardelijk vrij,’ meldt Al-Jazeera op zijn website. Maar hij riskeert tien jaar gevangenisstraf vanwege een post op Facebook. Shahnewaz Chowdhury, die zich in Bangladesh actief inzet voor het milieu, was in mei 2021 gearresteerd omdat hij zijn bezorgdheid had uitgesproken over de plannen om een kolencentrale te bouwen in Banshkhali, een stad in het zuidwesten van Bangladesh.
BANGLADESH
SHAHNEWAZ CHOWDHURY
Deze ingenieur heeft op social media zijn zorgen geuit over de bouw van een nieuwe kolencentrale in zijn dorp. Verder heeft hij de jongeren in zijn land aangemoedigd om luid en duidelijk in het geweer te komen. In mei 2021 is Shahnewaz vanwege zijn post op Facebook door de politie gearresteerd. Hij werd tachtig dagen vastgehouden onder onmenselijke omstandigheden, zonder veroor- deeld te zijn. Hij werd in augustus 2021 voorwaardelijk vrijgelaten maar riskeert tien jaar gevangenisstraf.
WAT EIST AMNESTY?
Intrekking van alle aanklachten tegen hem.
In een ‘moedige boodschap’ had hij jongeren opgeroepen om ‘in opstand te komen tegen onrechtvaardigheid’ en hen deelgenoot gemaakt van zijn zorgen over een centrale die ‘het milieu verpest’. Dat kwam hem, ingevolge de wet op de digitale veiligheid, op een beschuldiging van het verspreiden van ‘onjuiste en beledigende’ informatie te staan en van het creëren van ‘chaos’.
De 37-jarige man heeft tachtig dagen in de gevangenis gezeten en riskeert nog eens tien jaar opsluiting. De maximumstraf onder deze wet, die door critici als ‘draconisch’ wordt bestempeld, is veertien jaar gevangenis. Het plan om een kolencentrale in Banshkhali te bouwen is uitermate controversieel: meer dan twaalf mensen zijn geveld door politiekogels toen ze in april 2021 tegen de komst van de centrale protesteerden. ‘Het inzetten van de wet op de digitale veiligheid [tegen Shahnewaz Chowdhury] is niet te rechtvaardigen en een flagrant voorbeeld van wetsmisbruik,’ zegt C.R. Abrar, een Bengalese academicus, in de krant Daily Star.
Zwijgen opleggen
Mensenrechtenorganisaties beschul-digen de regering ervan de wet te misbruiken om milieuactivisten en andere critici het zwijgen op te leggen. ‘De arrestatie van Shahnewaz Chowdhury zal een ontmoedigende uitwerking hebben op mensen die de corruptie en de onrechtmatigheden aan de kaak stellen die gepaard gaan met het plan voor de kolencentrale,’ zegt Abrar, die oproept om de beschuldigingen aan het adres van de milieuactivist in te trekken.
Symbolen die worden gevangengezet
Op 25 juni viel het vonnis, na een haastig proces achter gesloten deuren: de 34-jarige Luis Manuel Otero Alcántara werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
Hij zat al sinds 11 juli 2021 in voorlopige hechtenis omdat hij wilde deelnemen aan de grote betogingen die Cuba die dag op zijn kop zetten. Als lid en medeoprichter van de Movimiento San Isidro, waarin Cubaanse kunstenaars en ontwerpers zich in 2018 hebben verenigd om in het geweer te komen tegen de censuur en de dictatuur op het eiland, was hij al diverse keren in de gevangenis beland. Otero Alcántara, die door het Amerikaanse blad Time tot een van de honderd invloedrijkste figuren van 2021 is uitgeroepen, werd veroordeeld vanwege ‘het beledigen van symbolen van het vaderland, het beledigen van de autoriteiten en het verstoren van de openbare orde’, schreef de Nuevo Herald in Miami de dag na het vonnis.
De krant citeerde Julie Trébault, directeur van de Artist at Risk Connection van PEN America, een ngo die opkomt voor de vrijheid van meningsuiting, die zei dat ‘het gaat om een aanslag op de artistieke vrijheid op Cuba, op Cubaanse kunstenaars en activisten die strijden voor het recht om zich uit te spreken. Maar hoe de Cubaanse regering ook haar best doet om de vrijheid van meningsuiting met wortel en tak uit te roeien, ze zal daar niet in slagen.’
Luis Manuel Otero Alcántara verscheen in een clip die in januari 2021 op YouTube werd gepost door een groep bekende funk- en rapartiesten op het eiland en werd daarmee een symbool van het Cubaanse protest. Zijn hit ‘Patria y Vida’, het tegenovergestelde van de favoriete slogan ‘Het vaderland of de dood’ van het castristische regime, bevat teksten als: ‘Geen leugens meer. Het volk eist vrijheid, geen doctrines meer. Wij roepen niet meer “Het vaderland of de dood” maar “Het vaderland en het leven”.’ Een van de schrijvers van het nummer, rapper Maykel ‘Osorbo’ Castillo, die nog op het eiland woont – de andere auteurs leven in ballingschap in Miami – werd tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens ‘belediging van de autoriteiten, verstoring van de openbare orde en smaad jegens instituties en helden en martelaars van de Cubaanse revolutie.’
Luis Manuel Otero Alcántara ging afgelopen oktober een week in hongerstaking omdat hij niet mocht telefoneren noch bezoek mocht ontvangen.
Dit artikel werd samengesteld in samenwerking met Courrier International en Amnesty International.
Oded Galor deed onderzoek naar de economische geschiedenis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden. Volgens de Israëlisch-Amerikaanse econoom hebben samenlevingen die diversiteit accepteren meer succes.
Al lange tijd houden vooraanstaande denkers zich keer op keer bezig met twee fundamentele vragen. De eerste luidt: welke oorzaken leidden tot de industriële revolutie waarmee de mensheid zich wist te bevrijden uit een onvermijdelijk lijkende armoedeval? En de tweede: waarom profiteren niet alle landen in gelijke mate van de vruchten van materiële welvaart, die onder andere tot uiting komen in een hogere levensverwachting, een betere gezondheid en al met al een aangenamer leven? Juist in een tijd waarin veel economen zich steeds vaker lijken te wijden aan steeds specifiekere onderzoeken, verdient de poging deze belangrijke vragen van de mensheid te willen oplossen grote waardering.
Oded Galor houdt zich er al decennialang mee bezig. Met zijn ‘uniforme groeitheorie’ draagt de uit Israël afkomstige, en sinds vele jaren aan de Amerikaanse Brown University docerende econoom de overtuiging uit dat een betrouwbare en volledige kennis van de mondiale economische ontwikkelingsfactoren slechts mogelijk is wanneer we de primaire drijvende krachten achter het gehele ontwikkelingsproces in beschouwing nemen, en niet alleen die van bepaalde perioden. De uniforme groeitheorie omvat ‘de reis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden, door het hele verloop van de geschiedenis heen’.
Nadat Galor gedurende vele jaren in deels zeer ambitieus opgezette wetenschappelijke artikelen zijn thesen heeft ontwikkeld, zoekt hij nu met een toegankelijk geschreven werk (De reis van de mensheid) een breder publiek.
Voorwaarde voor economische bloei
Je zou tegen Galors pretentie in kunnen brengen dat het niet ontbreekt aan plausibele verklaringen voor de ontwikkeling van welvaart en ongelijkheid. Een bekende stelling, gepopulariseerd door de Nobelprijswinnaar Douglas North, ziet in het bestaan van instituties die eigendomsrechten garanderen, een juridisch kader scheppen voor een profijtelijk samenleven en de concentratie van economische macht verhinderen een allesbeheersende voorwaarde voor een positieve economische ontwikkeling.
Enkele jaren geleden hebben Daron Acemoglu en James Robinson in hun bestseller Waarom naties mislukken het begin van de industriële revolutie in Engeland verklaard uit gunstige institutionele veranderingen na de Glorious revolution van het jaar 1688. Men kan in het zoeken naar sporen van institutionele veranderingen nog verder teruggaan. Economiehistoricus Werner Plumpe uit Frankfurt onderkent in zijn boek over het kapitalisme (Das kalte Herz) in de vroegmiddeleeuwse herendienstwetgeving van de Karolingers een ontwikkeling die samen met andere invloeden, veel later in het noordwesten van Europa de voorwaarden schiep voor een economische opbloei.
Een tweede interpretatie richt zich op de geografische omstandigheden van het economisch handelen. In zijn boek Arm en rijk verklaart de evolutiebioloog Jared Diamond de vroege bloei van de Mesopotamische cultuur met gunstige klimatologische omstandigheden voor de akkerbouw. De opkomst van Europa is volgens hem te danken aan een gefragmenteerde geografie, die de vorming van duurzame grote rijken verhinderde.
De landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling
Galor wijst de op instituties en geografie gebaseerde verklaringen zeker niet af. Hij beschouwt ze als nuttig om afzonderlijke ontwikkelingen te verhelderen, maar volgens hem bezitten ze geen omvattende verklarende kracht. Zo verklaren, vanuit Galors gezichtspunt, de institutionele veranderingen wel waarom de industriële revolutie juist in Engeland uitbrak, maar niet waarom die industriële revolutie zich überhaupt voordeed.
Galors verklaring is gebaseerd op een allesbeheersende rol van de technische vooruitgang en de bereidheid van de mensen om daarop in te haken, vooral door scholing. Toen ongeveer 60.000 jaar geleden mensen Oost-Afrika begonnen te verlaten en zich over de wereld verspreidden, bleef hun aantal lange tijd gering. Twaalfduizend jaar geleden bevolkten naar schatting slechts 2,5 miljoen mensen de aarde. Deskundigen duiden deze periode die tot de industriële revolutie duurde aan als de ‘malthusiaanse plafond’, ter herinnering aan de Britse econoom Thomas Malthus. De meeste mensen worstelden om te overleven; planning van het leven op langere termijn was helemaal niet mogelijk. Elke verbetering van de economische situatie verhoogde het aantal kinderen dat hun eerste levensjaren overleefde. Volgens Malthus’ beroemde formule groeide de bevolking in een meetkundige reeks (1,2,4,8….), maar het aanbod van voedingsmiddelen slechts met een rekenkundige reeks (1,2,3,4…). Een toename van de bevolking moest daarom wel tot een zware crisis leiden omdat er niet genoeg te eten was voor het snel groeiende aantal hongerige monden. Lange tijd maakte de mensheid niet echt vorderingen: de landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling. De meeste mensen leefden gevaarlijk dicht bij het minimale bestaansniveau.
Storm onder de oppervlakte
Toch zou het fout zijn om de tijd tot aan het uitbreken van de industriële revolutie te beschouwen als een volledige stilstand in economisch opzicht, net zo min als men zich de industriële revolutie moet voorstellen als een plotselinge explosie van economische dynamiek. Galor spreekt van een ‘storm onder de oppervlakte’. Voor de industriële revolutie verliep de technische vooruitgang slechts langzaam, maar ze was er wel. Ze toonde zich niet in een toename van materiële rijkdom voor veel mensen – de meesten bleven straatarm – maar de vooruitgang was zichtbaar in het vermogen een groeiende bevolking te voeden. Aan het begin van onze jaartelling leefden er naar schatting ongeveer 200 miljoen mensen op aarde, rond het jaar 1600 zouden het er toch al 600 miljoen kunnen zijn geweest.
Toen begon zich langzaam een dynamiek te ontwikkelen, want het aanbod en de vraag naar technologie hangen af van de bevolkingsgrootte. Hoe meer mensen er zijn, hoe meer hoofden iets nieuws kunnen bedenken. Met de groei van de bevolking nemen ook de mogelijkheden toe van een arbeidsdeling die de productiviteit verhoogt. Tegelijkertijd ontstaat door een groeiende bevolking ook de economische prikkel om innovatieve producten te ontwikkelen omdat het aantal potentiële kopers toeneemt. Een op gang komende technische vooruitgang zorgt voor steeds meer prikkels om verdere innovaties te ontwikkelen.
Zo kwam het tot de industriële revolutie, die er veel begrijpelijker uitziet als ze niet als een plotselinge eruptie wordt opgevat, maar als een langdurig proces. Er is in deze fase op geen enkel tijdstip sprake geweest van een ‘schok’, schrijft Galor. ‘Weliswaar voltrok zich de overgang, in verhouding tot de hele geschiedenis van de mens, heel snel, maar de toename van de productiviteit in deze periode voltrok zich in kleine stapjes. In het begin van de industriële revolutie groeide de bevolking vanwege de toenemende technologische veranderingen wel sprongsgewijs, maar het gemiddelde inkomen groeide slechts in zeer bescheiden mate, precies zoals de malthusiaanse theorie voorspelde.’
De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing
Het slechten van de malthusiaanse plafond lukte pas ongeveer een eeuw later, toen de bevolkingsaanwas in de opkomende industrielanden terugliep, en daardoor het inkomen per capita konden stijgen. Volgens de opvatting van Galor was het de omgang met de technologie die deze verandering tot stand bracht. Want de mensen begonnen te begrijpen dat een succesvolle omgang met de technische vooruitgang een duidelijk betere scholing vereiste. In plaats van hun materiële hulpbronnen te verbruiken in kinderrijke gezinnen gaven veel mensen de voorkeur aan kleinere gezinnen die het mogelijk maakten de middelen te investeren in de opleiding van de kinderen. Samen met de materiële vooruitgang verbeterden de levensomstandigheden en de levensverwachting. Steeds meer mensen beschikten over spaargeld; pas nu werd een vooruitziende planning van het leven mogelijk. De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing. Technische vooruitgang staat niet alleen bevolkingsgroei toe, ze heeft ook invloed op de samenstelling van de bevolking.
Maar industrialisering kan ook een valkuil zijn. Galor haalt als voorbeeld Noord-Frankrijk aan, dat bij het begin van de industrialisering, toen het bijvoorbeeld veel textielindustrie bezat, tot de rijkste delen van het land behoorde. Die fabrieken vroegen veel eenvoudige arbeid, maar dwongen niet tot een steeds betere scholing om gelijke tred te kunnen houden met de steeds modernere technologieën. Tegenwoordig zijn die regio’s rijk waar de toepassing van technische vooruitgang het betalen van hogere arbeidslonen toestaat.
Galor is duidelijk geen aanhanger van historisch determinisme: niets is voorbestemd. Geen samenleving heeft altijd materiële rijkdom gekend; omgekeerd is ook geen samenleving gedoemd om voor altijd tegen de mathusiaanse plafond te blijven aanlopen.
Diversiteit
Waarom zijn sommige landen dan al lange tijd rijk terwijl andere zich nooit wisten te bevrijden uit de ijzeren greep van de armoede? Voor Galor luidt het antwoord: het komt in een samenleving aan op een optimale mate van diversiteit, verbonden met het vermogen om vaak duizenden jaren oude tradities te overwinnen. Hij geeft een interessant voorbeeld. Voordat mensen enkele duizenden jaren geleden de ploeg uitvonden, deelden mannen en vrouwen het werk op het land. Omdat het voor gebruik van de ploeg lichaamskracht nodig was, waardoor mannen voor deze bezigheid in het voordeel waren, bevorderde de uitvinding van de ploeg in de visie van Galor een arbeidsdeling waarbij de man zich meer concentreerde op het werk op het veld, en de vrouw op het werk in het huis. Vanwege de verschillende bodemgesteldheden speelde de ploeg in de Europese geschiedenis in het zuiden een belangrijkere rol vroeger dan in het noorden. De observatie dat de beroepsmatige emancipatie van de vrouw in moderne samenlevingen in het noorden van Europa vandaag sterker ontwikkeld is dan in het zuiden verklaart Galor dan ook met de verschillen in het gebruik van de ploeg in de landbouw van vele jaren geleden.
Diversiteit heeft in de visie van de econoom aanzienlijke voordelen, maar die hebben hun prijs. Diversiteit in samenlevingen, in combinatie met opleiding(sniveau) verhoogt de kans op technische vooruitgang. De Verenigde Staten, waar studenten uit vele landen ook aan de beste universiteiten kunnen studeren, zijn een schoolvoorbeeld voor deze stelling. Maar diversiteit kan eveneens gepaard gaan met aanzienlijke kosten in de vorm van sociale spanningen, zoals ook juist in de Verenigde Staten is waar te nemen. De samenlevingen in andere landen laten diversiteit slechts met tegenzin toe; vaak zijn ze economisch dan ook niet succesvol.
‘Waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen omvattende hervormingen vaak in het honderd’
Een succesvol recept voor het oplossen van deze problemen ligt volgens Galor niet algemene beleidsaanbevelingen, zoals ze in het verleden niet zelden door internationale organisaties werden uitgesproken. ‘Privatisering van de industrie, liberalisering van de handel en het vastleggen van eigendomsrechten kunnen groeibevorderende maatregelen zijn voor landen waarin al sociale en culturele voorwaarden voor economische groei bestaan, maar daar waar deze voorwaarden ontbreken, waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen zulke omvattende hervormingen vaak in het honderd’, schrijft de econoom.
‘Geen hervorming, al is die nog zo efficiënt, zal een verarmd land in een handomdraai veranderen in een vooruitstrevende economie, want het grootste deel van de kloof tussen ontwikkelingslanden en industrielanden komt voort uit al millennia bestaande processen. Institutionele, culturele, geografische en sociale kenmerken uit een ver verleden hebben de beschavingen voortgestuwd op hun verschillende historische wegen en hebben de verschillen in welvaart tussen de naties verdiept.’ Een goede politieke strategie om de armoede te overwinnen is niet eenvoudig, maar ze is naar het inzicht van Galor wel mogelijk. De boodschap van zijn boek is optimistisch.
Oded Galor, De reis van de mensheid. Waar welvaart en ongelijkheid vandaan komen, in vertaling van Pon Ruiter en Linda Broeder, is in maart 2022 verschenen bij De Bezige Bij.
Oproepdiensten, onregelmatige werktijden en slaaptekort zijn geen privéaangelegenheid, maar een wijdverbreid politiek probleem. De meerderheid die een dag- en nachtritme kan aanhouden, profiteert van de minderheid die onvoldoende aan haar rust komt. Hoe kunnen we deze cyclus doorbreken?
Voor Uber-chauffeurs die de eindjes aan elkaar moeten knopen, kan het verleidelijk zijn om in de auto te slapen. Daarmee worden een paar ritjes bespaard en kunnen de piekuren optimaal worden benut. De chauffeur blijft beschikbaar voor werk, en de app is zo gemaakt dat dat in je voordeel werkt. Er zijn parkeerplekken waar de slaapzakken na zonsondergang tevoorschijn komen, al is het maar voor vijf of zes uur.
Slapen in een voertuig is om voor de hand liggende redenen niet geweldig: hoe lig je comfortabel, hoe ga je om met licht, temperatuur en met gebrek aan faciliteiten? Je slaapt over het algemeen kort en slecht. Dan is er het gebrek aan privacy, de blootstelling aan pottenkijkers, van voorbijgangers tot aan politie. Slapen in een auto is normafwijkend, en wekt daardoor argwaan. Slapen op je werkplek kan vernederend zijn vanwege een gevoel van permanente gebondenheid, misschien wel van uitbuiting. En je slaapt doorgaans alleen.
De parkeerslaper is een schrijnend symptoom van het probleem van de slechte nachtrust in de wereld van nu. Mensen uit alle lagen van de bevolking en met allerlei beroepen, zowel in de openbare als in de particuliere sector, slapen slecht; de een nog veel slechter dan de ander. Tussen de uitersten van dakloosheid en luxe liggen allerlei vormen van stil leed. Een van de bijkomstigheden van de pandemie is dat er aandacht is gekomen voor de ongelijkheid op dit gebied, waarbij onder meer de uitgeputte arts en de oververmoeide bezorger symbool zijn komen te staan voor de uitzonderlijke eisen die aan sommigen worden gesteld. De verschillen op slaapgebied zijn zelden zo groot geweest.
En dit roept vragen op over rechtvaardigheid. Er ontstaan schadelijke, onverdiende en vermijdbare vormen van ongelijkheid doordat de normen van de samenleving voor sommigen onverenigbaar zijn met wat hun lichaam nodig heeft. Er doet zich een reeks fysieke, materiële en sociale ontberingen voor. Als daardoor bovendien bepaalde rechten minder goed kunnen worden uitgeoefend, zijn de gevolgen ook politiek. Wie geen slaap krijgt, wordt van veel meer beroofd dan alleen van zijn nachtrust. Degenen die deze ontberingen niet lijden, dragen soms onbedoeld bij aan het voortduren van de problemen, en hebben er zelfs profijt van. Zo belanden we in het domein van de slaap-waakgerechtigheid, met spandoeken waarop staat: Geen gelijkheid zonder gelijkheid van goede slaap!
Onderhandelbare behoefte
Slaapproblemen zijn niet slechts symptomen van andere problemen. Ze staan ook op zichzelf. Slecht slapen kan slechte omstandigheden minder draaglijk of zelfs ondraaglijk maken, en brengt risico’s met zich mee. Mensen kunnen hun vermogen verliezen om iets aan hun omstandigheden te doen, waardoor andere nadelen langer door blijven werken. Mogelijkheden om een situatie te verbeteren, worden eerder over het hoofd gezien wanneer mensen moe en gedemotiveerd zijn. Slecht slapen is een ernstig nadeel dat nog meer nadelen oplevert.
Slaap is een behoefte, maar wel een onderhandelbare behoefte. Door de tijd heen hebben samenlevingen uiteenlopende gewoontes gekend op dit vlak, en indien nodig kunnen mensen met minder toe. Iedereen weegt slaap af tegen andere prioriteiten. Die eigenschap brengt het risico mee dat een individu wordt uitgebuit, door zichzelf en door anderen. Ongelijkheid op slaapgebied blijft bestaan omdat de gevolgen kunnen worden uitgesteld – maar niet oneindig.
Er wordt vaak gezegd dat mensen steeds korter slapen. Zo wordt beweerd dat de gemiddelde Noord-Amerikaan nu 6,5 uur per dag slaapt, tegenover 10 uur aan het begin van de twintigste eeuw. Dergelijke beweringen worden vaak betwist, en gemiddelden zijn sowieso misleidend. Een verandering van de uitersten zegt meer. Slaaptekort treft een steeds grotere minderheid van de beroepsbevolking. Daarbij spelen verschillende factoren een rol, variërend van technologische veranderingen tot kapitalistische productiviteitseisen. Zwakke vakbonden en lage lonen verhogen de eisen die aan individuele werknemers worden gesteld – de druk om overuren te maken, of om meerdere banen aan te nemen. Die druk doet denken aan die van de negentiende eeuw, beschreven door Karl Marx in ‘De arbeidsdag’ [hoofdstuk 8 uit Het Kapitaal, 1867], maar tegenwoordig zijn er minder werknemersorganisaties om die te beteugelen. Geluidsoverlast door de hedendaagse vervoersinfrastructuur speelt een rol, net als elektronische apparaten die steeds meer aandacht opeisen.
Werknemers in ploegendienst noemen onregelmatig slapen een van de moeilijkste bijkomstigheden van hun werk
Kort slapen betekent vaak ook onregelmatig slapen. Voor een aanzienlijke minderheid veranderen de slaaptijden kort op elkaar. Er wordt soms niet ’s nachts geslapen en de slaapplaats is onzeker. De dienstensector kent vele voorbeelden. De term ‘clopening’ [een samentrekking van ‘closing’ en ‘opening’] beschrijft ploegendiensten waarbij een werknemer een zaak (een café, een bar) ’s avonds laat sluit en de volgende ochtend weer opent, zodat er geen tijd is voor een volledige nachtrust. Ondanks pogingen om deze praktijk te verbieden, blijft deze wijdverbreid in Noord-Amerika en elders.
Ook onregelmatig slapen kan een bron van uitputting zijn. Werknemers in ploegendienst noemen het een van de moeilijkste bijkomstigheden van hun werk. Het komt vaak voort uit een gebrek aan controle. In onzekere banen worden de roosters vaak op korte termijn gemaakt. In de VS krijgt een kwart van de werknemers in de dienstensector niet meer dan 72 uur van tevoren een oproep, volgens recent onderzoek van de Harvard Kennedy School. De planning is vaak geautomatiseerd, zodat er niemand is om tegen te klagen. De werknemer moet zich aanpassen of riskeert zijn baan; vooral vrouwen en minderheden hebben hieronder te lijden. In meer welvarende sectoren zorgt de opkomst van thuiswerken voor een extra verstoring van de rust, doordat de grens tussen werk en rust vervaagt.
Een derde hedendaagse trend, die minder vaak besproken wordt, is de desynchronisatie van slaap. Meer dan 10 procent van de Britse werknemers werkt ’s nachts, vooral in de zorg, de verpleging, de spoedeisende hulp en transport – een stijging van 3 procent in vijf jaar. Een soortgelijke trend doet zich ook voor in ontwikkelingslanden. Door outsourcing van callcenters en IT-diensten naar Oost-Europa en Azië zijn groepen werknemers ontstaan die geacht worden zich aan de tijdzones van de westerse markten te houden. Zo ontstaat een minderheid die gedwongen afwijkt van de plaatselijke norm. Naarmate de pandemie voor nieuwe onlinediensten zorgt – bijvoorbeeld in het onderwijs of de gezondheidszorg, en zowel in het Westen zelf als op westerse markten – komt een 24/7-wereld steeds dichterbij.
Slaapkloof
De inkorting, onregelmatigheid en desynchronisatie van slaap hebben niet enkel negatieve aspecten. De economische productiviteit kan toenemen. Individuen kunnen aansluiting vinden bij internationale markten. Nachtarbeiders hebben bijvoorbeeld het voordeel van afwezige bazen. Maar de ontwikkelingen roepen de vraag op wie de kans krijgt goed te slapen, en wel op zo’n manier dat het in zijn of haar leven in te passen valt.
Zoals een Britse arts in 2016 aan The Guardian vertelde: ‘Vorig jaar forensde ik 16 kilometer over kronkelige landweggetjes, en na een reeks van zeven opeenvolgende nachtdiensten (in totaal een negentigurige werkweek) botste ik met mijn auto tegen een stenen muur voor mijn huis. Gelukkig bleef het beperkt tot materiële schade. Mijn ziekenhuis had geen rustfaciliteiten na een nachtdienst, dus als ik om tien, elf uur ’s ochtends klaar was met mijn dienst, moest ik beslissen of ik het risico zou nemen om naar huis te rijden of in de gemeenschappelijke personeelsruimte zou slapen, waar mijn collega’s van de dagdienst hun pauzes hielden. Dit is geen waardige situatie. Het is niet veilig en het is niet eerlijk tegenover artsen die gedwongen worden deze beslissingen te nemen, noch tegenover de patiënten die zij behandelen.’
Slecht slapen beïnvloedt iemands stemming, en daarmee zijn inschattingsvermogen
Een verhoogd risico op ongevallen is een van de meest dramatische gevolgen van kort en onregelmatig slapen. Twee op de vijf artsen in het Verenigd Koninkrijk hebben gemeld wel eens achter het stuur in slaap te zijn gevallen, en enkelen zijn daarbij om het leven gekomen. Andere gevolgen van slecht slapen zijn zwaarlijvigheid, infecties, psychische aandoeningen, aandachttekort en een zwak geheugen. Slecht slapen verergert ook andere problemen. Het beïnvloedt iemands stemming, en daarmee zijn inschattingsvermogen en zijn beleving. Zo kunnen nadelen die samenhangen met klasse, afkomst en geslacht worden versterkt. Minder bevoorrechte groepen slapen meestal minder regelmatig, hebben minder controle over hun slaaptijden, minder motivatie om hun hoeveelheid slaap in de gaten te houden en minder invloed op de normen in de samenleving.
Je zou kunnen spreken van een ‘slaapkloof’ tussen degenen die slaap tekortkomen en degenen die uitgerust zijn. Degenen aan de verkeerde kant van deze verdeling zijn niet alleen degenen die korter slapen dan gemiddeld, maar ook degenen met afwijkende behoeften. Verschillende chronotypes reageren verschillend op de eisen van de samenleving. Vooral ‘van nature lange slapers’ hebben te lijden onder korte of onregelmatige slaap. Zieken kunnen een grotere behoefte aan slaap hebben. Leeftijd speelt ook een rol: etnografisch onderzoek wijst uit dat onregelmatig slapen nadeliger wordt naarmate mensen ouder worden. En dan zijn er nog de ‘leeuweriken‘ of ‘nachtbrakers‘, met een aanleg om vroeg respectievelijk laat op te staan, voor wie zelfs standaardroosters van werk of onderwijs moeilijk vol te houden zijn. Zij lijden onder een constante doorbreking van hun natuurlijke ritmes.
Vanuit een libertarisch perspectief zou je kunnen zeggen dat ongelijkheid op slaapgebied geen kwestie van onrecht is, maar een weerspiegeling van de keuzes die mensen maken. Die Uber-chauffeurs die een paar uurtjes slaap pakken op de parkeerplaats leiden misschien een oncomfortabel leven, maar hebben ze daar niet zelf voor gekozen? Het probleem is natuurlijk dat individuele keuzes vaak worden gemaakt vanuit een gebrek aan alternatieven. Zelfs de zogenaamde zelfstandigen kunnen er door platformtechnologie toe worden gedwongen langer en onregelmatiger te werken dan zij zouden willen. En wie chronisch slaaptekort heeft, is zich mogelijk niet bewust van zijn vermoeidheid, waardoor de eigen toestand niet goed kan worden ingeschat. Individuele beslissingen hebben bovendien gevolgen voor anderen, voor familie, buren en vreemden.
Slaapminderheid
Dit laatste wordt het duidelijkst als we kijken naar de gevolgen van slaapdesynchronisatie. Neem een medewerkster van een callcenter die een late dienst heeft en in de vroege uurtjes thuiskomt in de kleine flat die ze deelt met haar ouders. Ze slaapt op de bank om hun slaap niet te verstoren, maar haar vader slaapt licht en wordt wakker – de nacht begint met een ruzie. Die speelt nog door in haar hoofd als ze het te rusten legt, maar ze slaagt erin de slaap te vatten. Ze slaapt een paar uur vast, totdat de ouders om zeven uur opstaan om koffie te zetten. Ze vraagt hen stil te zijn en de radio zachter te zetten – dat doen ze even, maar de muren zijn dun, en de tweede keer dat ze het vraagt luisteren ze niet. Buiten gaat een groep luidruchtige kinderen op weg naar school. Het is te warm om het raam dicht te doen. Rond halfnegen is het even stil, maar dan begint boven een boormachine. Ze spreekt haar buurman aan, maar die kan er niets aan doen, want de bouwvakkers willen het zwaardere werk ’s morgens doen, en ze hebben al een uur moeten wachten.
Deel uitmaken van een slaapminderheid betekent verstoken zijn van de steun van sociale normen. Nachtslapers kunnen degenen die hen storen vragen om stil te zijn, en mogen verwachten dat hun persoonlijke ruimte wordt gerespecteerd. Dagslapers moeten assertiever zijn in het verdedigen van hun rust en privacy, en lopen veel meer kans genegeerd te worden of een uitbrander te krijgen. Wanneer ze ’s nachts wakker zijn, kunnen ze ervan worden beschuldigd de privacy van anderen te verstoren of zich zelfs verdacht te gedragen. Deel uitmaken van een slaapminderheid maakt dus kwetsbaar voor veroordeling. Het betekent jezelf moeten rechtvaardigen.
Slaapproblemen vergroten de bestaande ongelijkheid op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs
Het brengt ook een meer praktische ongelijkheid met zich mee. Van huisartsen- en tandartspraktijken tot scholen en universiteiten – alle openbare instellingen in de hedendaagse samenleving zijn nog altijd overdag open, ten nadele van minderheden die een ander ritme hebben. Niet alleen dagslapers worden rechtstreeks getroffen, ook hun gezinsleden. Werknemers in ploegendienst met schoolgaande kinderen zitten gevangen tussen twee slaaproosters en worden belast met de eisen van beide. Bij hun kinderen is vaker sprake van schoolverzuim en gedrags- en medische problemen. De problemen vergroten de bestaande ongelijkheid op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs, en hebben genderspecifieke effecten voor partners die thuis samen de lasten proberen te dragen.
Deze ongelijkheid is niet rechtvaardig zolang de gevolgen ongekozen of onverdiend zijn. Belangrijke minderheden worden uitgesloten van voordelen die de meerderheid wel heeft. Sterker nog, de meerderheid kan profiteren van het ritme van de minderheden, bijvoorbeeld omdat werknemers in ploegendienst sociale functies vervullen. Het zou pas eerlijk zijn als degenen die volgens een ‘normaal’ (nachtelijk) schema slapen, niet zouden meeliften (of goedkoop profiteren) van de offers van degenen die volgens een onregelmatig schema slapen.
De meest schadelijke vormen van ongelijkheid in verband met slaap zijn wellicht van politieke aard. Om aan burgerrechten te voldoen zijn ondersteunende middelen nodig, zoals economische en persoonlijke zekerheid, en de tijd en energie die mensen in staat stellen om verder te kijken dan hun directe behoeften. Wanneer de hoeveelheid slaap beperkt is, van slechte kwaliteit of op een zodanig tijdstip wordt gepland dat andere activiteiten worden belemmerd, lijdt de burgerlijke betrokkenheid daaronder.
Een vermoeide bevolking zal waarschijnlijk eerder instemmen met regimes die minder participatie verlangen
Er wordt gezegd dat chronisch vermoeiden minder vaak gaan stemmen en minder protesteren. Wie onregelmatig slaapt, heeft meer moeite de betrokkenheid in te plannen. Nachtwerkers kunnen zich bovendien vervreemd voelen van zaken en instellingen die zich overdag voordoen. Het feit dat slaapachterstanden vaak samengaan met andere vormen van achterstand betekent dat degenen die minder geneigd zijn om hun politieke rechten uit te oefenen, mogelijk degenen zijn die deze rechten het hardst nodig hebben. Beleidsmaatregelen waarvan zij zouden kunnen profiteren – zoals eerlijke compensatie voor arbeid die hun slaap aantast – worden minder waarschijnlijk als zij niet bij dit beleid betrokken worden. De desynchronisatie van slaap vermindert ook de hoeveelheid overlappende vrije tijd waarin mensen zich politiek kunnen organiseren. Actief burgerschap, van protesten tot partijvergaderingen, is enkel mogelijk als er voldoende vrije tijd is en neemt af wanneer mensen zo uitgeput zijn dat ze enkel rust en privacy verlangen.
Een vermoeide bevolking zal waarschijnlijk eerder instemmen met regimes die minder participatie verlangen. Vermoeidheid vermindert het vermogen van een individu om zelf beslissingen te nemen. Het remt de cognitieve functies af die nodig zijn voor een op de ander gerichte, weloverwogen en daadkrachtige blik. En het leidt waarschijnlijk tot politieke vervreemding en tot de acceptatie van vormen van bestuur die de besluitvorming in handen leggen van elites.
Erich Fromm merkte in Escape from Freedom (1941) op dat autocratische vormen van politiek gebaat zijn bij een bevolking die lijdt aan een ‘toestand van innerlijke vermoeidheid en berusting, (…) kenmerkend voor het individu in het huidige tijdperk, zelfs in democratische landen’. Voor Fromm, een psychoanalyticus, was een dergelijke kwetsbaarheid een van de omstandigheden die de opkomst van het fascisme in zijn geboorteland Duitsland mogelijk hebben gemaakt. Hij wees zelfs op Hitlers vermogen om een publiek te manipuleren door op hun uitputting in te spelen:
‘Hij [Hitler, in Mein Kampf] aarzelt zelfs niet om toe te geven dat de lichamelijke vermoeidheid van zijn publiek een welkome voorwaarde is voor hun suggestibiliteit. Over de vraag welk uur van de dag het meest geschikt is voor politieke massabijeenkomsten zegt hij: “Het schijnt dat ’s morgens en overdag de wilskracht van de mensen het best opgewassen is tegen degenen die hun mening en wil opdringen. ‘s Avonds echter bezwijken zij gemakkelijker voor de overheersende kracht van een sterkere wil.”’
Volgens Fromm hoopte de autoritaire heerser dat hij zijn mensen vanuit hun behoefte aan slaap kon manipuleren in te stemmen met een vermindering van hun politieke rechten.
Synchroon slapen
Slaap kan ook een manier zijn om te verdelen en te heersen, inspelend op de concurrentiedrang en onzekerheid bij de bevolking. Een van de functionele verklaringen voor synchroon slapen in moderne samenlevingen heeft te maken met conflictpreventie en solidariteit. Wanneer mensen synchroon slapen, is er minder reden voor individuen om bang te zijn dat anderen winst maken ten koste van hen. Echte rust, zou men kunnen zeggen, hangt af van de wetenschap dat anderen ook rusten, zodat er geen sprake is van concurrentie. Met de desynchronisatie van slaap in een 24/7-maatschappij gaat dit niet langer op. De volgende auto op de parkeerplaats staat al klaar, de Uber-app wacht op een bevestiging. Hoe een individu zijn slaap ook indeelt, hij moet rekening houden met de activiteit van wakkere collega’s. Hij moet rekening houden met het vooruitzicht iets te missen, zowel op het werk als in de maatschappij in het algemeen. Wie slaapt terwijl anderen met elkaar in contact staan, loopt altijd de kans dat belangrijke dingen buiten hem om gebeuren – dat tegen de tijd dat hij ontwaakt, het momentum al voorbij is.
Als slapen tegenwoordig in het overheidsbeleid al aan de orde komt, dan wordt het meestal gebracht als een kwestie van zelfzorg. Individuen worden aangemoedigd om de juiste keuzes te maken. Dit patroon komt terug in het publieke debat, waar ‘slaaphygiëne’ wordt aanbevolen, zoals het streven om rond tien uur ’s avonds te gaan slapen. Als aanpak van slaap-waak gerechtigheid is dit zeer ontoereikend. Zulke reacties neigen ertoe slaap en ongenoegens erover persoonlijk te maken. Individuen verantwoordelijk stellen voor collectieve problemen is over het algemeen al een slecht idee, maar helemaal als het op slaap aankomt, aangezien gevoelens van persoonlijke verantwoordelijkheid extra onrust opwekken.
Interessanter is de vraag of bestaande samenlevingen kunnen worden heringericht op een manier die de slaap-waakgerechtigheid ten goede komt. Wat zou dat inhouden? In de eerste plaats het aanpakken van de oorzaken van een korte en onregelmatige slaap. Naast controle op de werkweek zou men kunnen kijken naar controle op de lengte van diensten. Arbeidsrechten die werknemers meer zeggenschap geven over hun roosters zijn van cruciaal belang en in opkomst, bijvoorbeeld in de vorm van wetten inzake langer van tevoren bekendgemaakte (of vaste) roosters in de VS. Intussen biedt de voorgestelde EU-wetgeving inzake het recht om ‘uit te schakelen’ tijdens een aantal uur waarin van werknemers niet wordt verwacht dat zij op werkaanbiedingen reageren, enige garantie voor rusttijden. In veel sectoren, zo is gebleken uit aanpassingen tijdens de pandemie, zou werknemers meer vrijheid kunnen worden gegeven om te bepalen wanneer zij beginnen met werken.
Recht op slaap
Sommigen vinden dat slaap wettelijk beschermd moet worden: het ‘recht op slaap’. Maar dat lost het probleem van desynchronisatie niet op. Men zou kunnen streven naar een homoritmisch model, waarin het ideaal van gesynchroniseerde slaap centraal staat. Mogelijke maatregelen zijn bijvoorbeeld arbeidswetten die bepaalde uren aanwijzen voor gemeenschappelijke rust, naar het voorbeeld van wetten op de zondagshandel. Waar sprake is van internationale economische betrekkingen, is regelgeving nodig om de economische activiteit opnieuw te lokaliseren. Maar uiteindelijk kan geen enkele moderne samenleving streven naar een situatie waarin iedereen gelijktijdig slaapt. Ziekenhuizen en sommige andere instellingen moeten ’s nachts open zijn, dus een zekere mate van desynchronisatie moet worden aanvaard.
Een alternatief is om de desynchronisatie van de slaap te omarmen – een polyritmisch model. Dit zou inhouden dat verschillende slaaproosters mogelijk worden gemaakt, zodat de mate waarin een slaaprooster verstorend en benadelend kan werken, afneemt. Een dergelijke benadering respecteert de verschillende biologische behoeften van mensen en meer vrijheid om hun leven in te delen. Men kan zich een wereld voorstellen waarin dit model vrijelijk wordt omarmd – als een utopisch ideaal in plaats van een ongewenste realiteit.
Er zouden strengere regels moeten komen voor geluids- en lichtisolatie, voor sociale afstand en betaalbaarheid
Openbare instellingen zouden op alle uren toegankelijk moeten zijn – dus daginstellingen zouden dag-en-nachtinstellingen worden. Het gaat dan over UWV-kantoren, huisvestingsbureaus en stadskantoren, maar ook om vakbonden en politieke partijen. Minder voor de hand liggend is de oprichting van 24-uurs-burgercentra, met voorzieningen als wifi en openbare eetgelegenheden. Deze bieden een plek voor sociale interactie en zouden bijvoorbeeld een alternatief vormen voor het junkfood waar mensen die op onregelmatige tijden werken gewoonlijk op zijn aangewezen. Meer nationale feestdagen om de nachtrust te herstellen en gemeenschappelijke perioden van vrije tijd kunnen politieke betrokkenheid stimuleren. Instellingen en bedrijven kunnen worden verplicht tot een minimumduur voor besluitvormingsprocessen, zodat op elk moment binnen een periode van 24 uur kan worden gereageerd en bezwaar kan worden gemaakt.
Maar bij een polyritmische aanpak komen ook allerlei aspecten van sociale hervorming kijken. Hoge woondichtheid, van flatgebouwen tot rijtjeshuizen, dateert vaak uit een tijd waarin mensen op ongeveer dezelfde tijden werkten, zodat ze minder last hadden van elkaar. Om ze aan te passen aan een tijdperk van gedesynchroniseerde activiteit zouden er strengere regels moeten komen voor geluids- en lichtisolatie, voor sociale afstand en betaalbaarheid. De mogelijkheid om ruimer te wonen, vooral in de context van thuiswerken, lijkt van cruciaal belang om de ongelijkheden op slaapgebied te verminderen. Hiermee raken we aan de basis van hoe de maatschappij en de economie zijn georganiseerd.
Pleitbezorgers
Het probleem hiermee is dat deze aanpassingen een zekere mate van goede wil van de overheid veronderstellen. Veel van de besproken politieke uitdagingen ontstaan omdat hiervan juist weinig sprake is. En juist om die reden moeten mensen in staat worden gesteld deel te nemen aan democratische processen. Een uitgeruste bevolking, en alles wat nodig is om daarvoor te zorgen, heeft bij overheden misschien een lage prioriteit, en is misschien zelfs ongewenst. Wat zou het betekenen om de gevolgen van een slechte nachtrust aan te pakken zonder de steun van een overheid – op een manier die meer doet denken aan de negentiende-eeuwse strijd die Marx beschreef?
Het is moeilijk om een zogenaamde slaapkloof aan te pakken; degenen die slecht slapen hebben misschien hooguit dat kenmerk gemeen. Het kunnen ook minderheden van tijdelijke aard zijn, in die zin dat werkroosters van tijd tot tijd worden aangepast. Een van de uitdagingen rond slaap-waakgerechtigheid is dat het niet duidelijk is wie de pleitbezorgers ervan zouden zijn.
Het fundamentele probleem is dat alleen instellingen en organisaties – die ver afstaan van de kwetsbaarheden van het individu – de druk van vermoeidheid kunnen weerstaan en kunnen proberen de oorzaken ervan aan te pakken. Mensen die te maken hebben met korte, onregelmatige en gedesynchroniseerde slaap, zullen daar in het algemeen juist moeite mee hebben. Mensen die vermoeid zijn en door hun rustschema’s van elkaar worden gescheiden, zijn des te afhankelijker van instellingen als een politieke partij of beweging of een vakbond, maar kunnen daar vaak geen beroep op doen vanwege hun positie. Als de vermoeide minderheden een halt willen toeroepen aan de neerwaartse spiraal van het slechte slapen, moet het initiatief waarschijnlijk van de uitgeruste meerderheid komen.
Jonathan White is hoogleraar politicologie aan de London School of Economics and Political Science en visiting fellow aan The New Institute in Hamburg. Co-auteur van onder meer The Meaning of Partisanship (2016); auteur van Politics of Last Resort: Governing by Emergency in the European Union (2019).
In Duitsland wordt elk jaar ongeveer 400 miljard euro nagelaten. Erfgenamen ontvangen vaak een bedrag dat hoger is dan wat zij zelf gedurende hun leven verdienen. Hoe zou vermogen eerlijker verdeeld kunnen worden?
I hob da wos übawiesn (‘Ik heb wat naar je overgemaakt’), bromde mijn vader door de telefoon en dat was niet echt een verrassing. Mijn vader is geen man die van bankbiljetten vlinders vouwt en tussen een bosje bloemen steekt. Zijn verjaardagscadeaus rollen via BIC en IBAN naar mij toe, meestal enkele honderden euro’s waarvoor ik dan nieuwe schoenen koop of op vakantie ga. Maar dit keer was het 5000 euro. Vet. Veel. Geld. Zo veel geld dat de salarisoverschrijving van de Süddeutsche Zeitung die direct daaronder op mijn rekeningafschrift stond haast een lachertje leek en ik me afvroeg of ik in plaats van te werken voortaan niet gewoon elke drie maanden mijn verjaardag moest vieren.
Dat was tien jaar geleden en voor het eerst drong het tot mij door dat mijn vader misschien wel geld te veel had. Een andere aanwijzing was het mij toegebromde Wenns eich wos Eigenes kaffa woits, dann gib i eich scho wos dazu (‘Wanneer jullie iets voor jezelf willen kopen, dan geef ik jullie er wel wat bij’). Niet veel later kochten we een woning in München en mijn vader maakte de daarvoor noodzakelijke eigen inleg naar mij over. Een bedrag dat hoger was dan al mijn salarissen en honoraria tot op dat moment tezamen.
Niet iedereen krijgt dus iets. De helft van de Duitsers heeft niets en erft niets
Wat doet dat met mij? En wat doet het met onze samenleving dat het zo gaat – en dat niet alleen bij mij? Naar schatting wordt elk jaar in Duitsland wel 400 miljard euro nagelaten. In Frankrijk ontvangt 12 tot 15 procent van de erfgenamen een bedrag dat hoger is dan wat zij zelf gedurende hun leven verdienen. Momenteel berekent econoom Timm Bönke die cijfers voor Duitsland, hij verwacht soortgelijke uitkomsten. Niet iedereen krijgt dus iets. De helft van de Duitsers heeft niets en erft niets.
‘De mensen bij mij in de straat haten alles wat grof, dom en luidruchtig is, ze willen in het journaal niet worden lastiggevallen met wat onbehouwen types – vooruit, laten we ze medeburgers noemen – van dit land vinden. Dat komt doordat zij een beetje meer in Duitsland opgegroeid zijn dan de anderen, de ziekenhuizen en scholen waren altijd al meer van hen, hun hele leven is één Leeuwenkoning, dit alles zal eens van jou zijn. Alles, Simba.’
Zo schrijft Sophie Passmann over haar en mijn milieu in haar vorig jaar verschenen boek Komplett Gänsehaut. Dat milieu is welgesteld, stedelijk en beschaafd. Het koopt fair en organic, woont in de schil rond de binnenstad in een vooroorlogs huis, eet pizza met fior di latte. Ze zijn politiek links-groen-liberaal, maar als het erop aankomt handelen ze conservatief, kopen ze aandelen, beleggen ze in onroerend goed en nemen ze een belastingadviseur in de arm om er voor zichzelf nog wat meer uit te halen. Ze zien zichzelf als het politieke en economische midden, geen van beide is waar, en dat is het probleem.
Foutief zelfbeeld
In enquêtes is slechts 1,2 procent van de mensen van mening dat ze tot de bovenste 10 procent behoren, zelfs [kanselier] Olaf Scholz (maandsalaris: 15.500 euro) en [Bondsdaglid] Friedrich Merz (jaarsalaris met vijf nullen en een miljoenenvermogen) rekenen zich tot de middenklasse. Daarom deze definitie om het eigen buikgevoel te onderzoeken: tot de 10 procent best betaalden behoren diegenen die als single ongeveer 3500 euro netto per maand verdienen, bij een stel is dat 5300 euro. Tot de meest vermogende 10 procent behoort iedereen die meer dan 477.200 euro bezit (beleggingen in onroerend goed en aandelen tellen natuurlijk ook mee).
Het foutieve zelfbeeld van de bovenklasse is een probleem, omdat zij het is die in bedrijven de besluiten neemt, de wetten schrijft en uitlegt hoe de wereld in elkaar steekt. Wie beweert dat hij middenklasse reist en vervolgens alle medereizigers het uitzicht vanaf het bovendek beschrijft, geeft alle anderen het gevoel simpelweg te stom te zijn om uit het raam te kijken. Voor dit artikel spreek ik met veel mensen over geld, bijvoorbeeld met een echtpaar, beiden bedrijfsadviseur, dat samen een kwart miljoen per jaar verdient, met een grafisch kunstenaar die in het huis van haar oma woont en met een gepensioneerde man die zijn huisje in een dure buurt van München heeft afbetaald. Allemaal protesteren ze verontwaardigd als ik hen rijk noem.
Rijk? Wij toch niet! De rijken, dat zijn in veel hoofden mensen als Kim Kardashian, die oorbellen van 75.000 dollar in zee verliest, of de mensen die ruim 9 miljoen euro neertelden voor de duurste woning van München, met uitzicht op het Maximilianeum. Het goedverdienersechtpaar ziet zichzelf niet als rijk, omdat zij geen vermogen hebben en drie kinderen moeten onderhouden. De grafisch kunstenaar vindt zichzelf als zzp’er ook niet rijk, de maandelijkse honoraria zijn karig en onzeker. En grootvader in zijn afbetaalde eengezinswoning? Die heeft toch zeker hard voor zijn geld gewerkt.
Welvaart hangt veel minder af van eigen prestaties dan van wat hun vaders en groot-vaders bij elkaar hebben gebracht
Het probleem van de generatie van Sophie Passmann (1994) is dat hun welvaart veel minder afhangt van eigen prestaties dan van wat hun vaders en grootvaders (meestal waren het mannen) bij elkaar hebben gebracht. Nog maar de helft van wat de Duitsers tegenwoordig aan eigen vermogen bezitten, hebben zij met werken vergaard; de rest werd geërfd of kregen ze cadeau. Voor mijzelf geldt dat momenteel ook min of meer. Zonder schenkingen van mijn vader had ik een heel andere levensstandaard gehad; ik zou in een huurhuis wonen en in plaats van naar de biomarkt zou ik naar de discounter gaan. Mijn ongemak hierover snapt hij niet echt. Vroeger heeft hij voor zijn koophuis ook wat startkapitaal van zijn schoonouders gekregen. Bovendien heeft hij hard voor zijn geld gewerkt, hij heeft het zelf nu eenmaal niet nodig en geeft het aan mij. En ik werk toch zeker ook hard – waarom dan die schaamtegevoelens?
Maar veel mensen van mijn generatie die even hard werken, krijgen niets en dat scheidt ons. De een betrekt op zijn gemak een eigen huis, de ander zwoegt om de huur te betalen. Ondertussen vertellen de boomers nog altijd het sprookje van vooruitkomen door hard werken – het verhaal van de middenklasse – en preken zij de mythe van gelijke kansen. Maar het Duitsland waarin mensen op eigen kracht welvaart konden vergaren, dat Duitsland bestaat niet meer, zoals Julia Friedrichs in haar recente boek Working Class laat zien.
De waarde van grond blijft altijd veranderlijk
Het begrip ‘grootgrondbezitter’ is sinds mensenheugenis zo’n beetje synoniem aan rijk en machtig.
In de Middeleeuwen bijvoorbeeld kon adel in bezit van grond de rest van de bevolking uitknijpen, omdat grondbezit letterlijk van levensbelang was: er groeide voedsel op. En als je nergens anders je voedsel vandaan kunt halen, ben je bereid om jezelf als slaaf te onderwerpen in ruil voor een appel en een ei. Gelukkig is die feodale wereld grotendeels verdwenen en tegelijkertijd zijn de betekenis en de waarde van grootgrondbezit veranderd.
Natuurlijk is het nog steeds prettig om als miljardair een groot stuk grond te kunnen aanschaffen, of liever nog: een compleet eiland, om pottenkijkers buiten de deur te houden. Maar het bezit van veel grond is niet langer per definitie een teken van rijkdom. Het is zelfs de vraag of het een zegen is. Vraag maar eens aan boeren in bijvoorbeeld het verpauperde deel van Noord-Frankrijk. Al die hectares leveren hun niet of nauwelijks iets op, maar ze staan dagelijks wel met gebogen rug te ploeteren om de boel een beetje bij te houden. Ondertussen denkt iemand die daarentegen ‘slechts’ 50 of 100 vierkante meter bezit in het centrum van een populaire stad vrolijk fluitend aan zijn oude dag in een zonnig oord.
Grond is een raar iets, want er zal nooit meer van komen, maar de waarde blijft altijd veranderlijk. Dezelfde stukken peperdure grond in binnensteden, waar momenteel prinsen met hippe brillen op afkomen als vliegen op stroop, waren plekken waar je 150 jaar geleden ver weg van bleef vanwege cholera en andere narigheid; de spekkopers zaten toen in Noord-Frankrijk.
Schaamte
Dus voelt iedereen schaamte. De een omdat hij geen geld heeft en meent zelf schuldig te zijn aan zijn misère. De ander omdat hij geld heeft en het vage gevoel dat het ergens niet klopt. Maar omdat men niet graag toegeeft te profiteren van de situatie, wordt de eigen welvaart gebagatelliseerd. In smalltalk is de eigen woning dan zo’n 100.000 euro minder waard, waarmee de ander het gevoel krijgt de vastgoedmarkt niet goed te begrijpen. Die designbank? Was heel goedkoop, liep ik toevallig tegenaan. Die vakantiewoning in Kitzbühel? Hebben mijn ouders al eeuwen, vroeger was het immers nog prima betaalbaar daar. Die pseudobescheidenheid is vaak aardig bedoeld. Maar de facto doet zulk soort zinnen de minder bevoorrechten wanhopen. Over hun eigen arbeidskracht, hun eigen handigheid, hun eigen waarde. Waarom slagen zij wel en ik niet? Misschien zou je beter kunnen zeggen: ik heb een kwart miljoen geërfd en kan het me permitteren, jij nou eenmaal niet, sorry.
Juist in de bovenklasse ontbreekt het bewustzijn van de eigen welvaart
Absoluut, zegt Julia Friedrichs. Eerlijkheid inzake geld is belangrijk, ook tegenover jezelf. Maar juist in de bovenklasse ontbreekt het bewustzijn van de eigen welvaart. ‘Daar groeien kinderen vaak op met de verkeerde gedachte “zoals het bij ons is, is het overal”,’ zegt Friedrichs. Daardoor voelen zij zich dan als volwassene al net zomin verantwoordelijk voor sociale ongelijkheid.
Natuurlijk kun je hun dat ook niet kwalijk nemen. Die verdedigingsreflex – ‘ik heb toch niemand iets afgepakt?’ – steekt onmiddellijk de kop op wanneer je met welgestelden over geld en rechtvaardigheid spreekt. Dat vermogen zich vandaag de dag vrijwel niet meer laat vergaren met werk, ligt aan een belastingwetgeving die arbeid en consumptie steeds meer en bedrijf, kapitaal en vermogen steeds minder belast. Aan een arbeidsmarktbeleid dat een levenslange vaste aanstelling meer en meer laat vervangen door tijdelijke contracten, uitzendwerk, onderaannemers en zzp’ers. Aan bedrijfsmanagers zoals Thomas Middelhoff, die zichzelf schaamteloos hoge bonussen laten uitbetalen voor het fileren, verpatsen en liquideren van ondernemingen. Enzovoorts. Bij twijfel ligt het altijd aan ‘het systeem’, maar daar maken wij allemaal deel van uit. Daarom is het mij te goedkoop om alleen maar naar de regering of naar directie-etages te wijzen en te zeggen: maak dat weer in orde, ik was het niet. Wie geld heeft, heeft verantwoordelijkheid. Maar wat doe ik daarmee?
Het werkt als een soort aflaathandel met de hele maatschappij: overal keurig te veel betalen om zich vervolgens volkomen superieur te voelen
Om in elk geval niets naars met dat fijne geld aan te richten dumpt de bovenklasse haar geld bij voorkeur op de biomarkt, koopt uitsluitend fair geproduceerde kleding, steunt lokale producenten, geeft de pakketbezorger, de werkster en de taxichauffeur een overdreven fooi en kiepert het resterende muntgeld in het kartonnen bekertje van de bedelaar voor de discounter. Het werkt als een soort aflaathandel met de hele maatschappij: overal keurig te veel betalen om zich vervolgens volkomen superieur te voelen. Bij verjaardagsfeestjes laat je weten geen cadeaus te willen (‘we hebben alles al, we hebben niets nodig’) en vraag je in plaats daarvan om donaties voor bootvluchtelingen of voor de kampen op Lesbos.
Dit mechanisme wordt behoorlijk meedogenloos beschreven door Anke Stelling in haar romans Schäfchen im Trockenen en Bodentiefe Fenster. Ze verhaalt van vrouwen die hun werkster de afgedankte Gucci-jurk cadeau doen omdat het zo slecht bij hun feministische multiculti-zelfbeeld past dat ze hun huis laten opruimen door migrantenvrouwen. Maar het is wel een afgedankte jurk. De geefster zelf ontbreekt het aan niets. Met al deze moreel correcte consumptie en het royaal doorgeven van gebruikte zaken ga je immers nooit over je eigen pijngrens heen. Ook ik niet.
Dat het de consument van bioproducten en faire kleding om een betere wereld te doen is, gelooft Friedrichs niet echt. Ze ziet in de labels een herkenningsteken waarmee de bovenklasse zich kenbaar maakt en onderscheidt. En als we het toch over fair hebben: ze kent niemand die haar werkster werkelijk behoorlijk betaalt, maar wel veel mensen die zich dat goed zouden kunnen permitteren.
Op de vraag welk uurloon ze juist zou vinden, antwoordt ze: 20 à 25 euro. En dat, ja dat zijn de hefbomen waarmee welgestelden echt iets ten goede zouden kunnen veranderen, meer dan met moreel shoppen en een egocentrische schaamteshow op Instagram. Wereldverbeteraars uit de bovenklasse zouden hun vastgoed betaalbaar moeten verhuren, zich in hun bedrijf hard moeten maken voor een rechtvaardige beloning (ook wanneer zijzelf het geld helemaal niet zo hard meer nodig hebben) en hun medewerkers en dienstverleners behoorlijk betalen. Maar je inzetten voor politieke verandering, dat zou het allerbelangrijkst zijn. Allereerst voor een hogere succesiebelasting en een vermogensheffing. En dan zegt Friedrichs nog: ‘Het ministerie van Financiën heeft een giftenrekening.’
Rijk? Ik toch niet
Ja, dus? Het geld dat ik geschonken kreeg lag ruim onder de vrijstellingsgrens voor de successiebelasting. Ik vind dat natuurlijk niet goed, ik vind de successiebelasting te laag, de vrijstellingsgrens te hoog, maar dat vind ik ook van het reiskostenforfait of de gunstige fiscale behandeling van partners. Dat mag ik dan allemaal niet goed vinden, ze komen wel allemaal terug in mijn belastingaangifte en ik betaal aan de fiscus geen euro te veel. Is dat niet wat goedkoop? Een hogere successiebelasting in theorie juist vinden maar in de praktijk niets vrijwillig afstaan zolang de politiek mij daar niet toe dwingt? In gedachte rechtvaardig ik me voor mijzelf: ik ga toch niet vrijwillig successiebelasting betalen aan een staat die daarmee vervolgens zijn schulden betaalt? Dan geef ik het geld toch liever zelf uit. Of: laten de superrijken eerst maar eens beginnen met vrijwillig belasting betalen, de BMW-erfgenamen Susanne Klatten en Stefan Quandt bijvoorbeeld, die alleen al afgelopen jaar 800 miljoen euro aan dividend opstreken.
Daar gaan we weer: rijk? Ik toch niet! En zo ja, dan jij ook, dan wij allemaal. Met zulke cirkelredeneringen om jezelf te rechtvaardigen kan iedereen eeuwig niets blijven doen. De bescheiden financiële injecties die sommigen van de naoorlogse generatie aan hun kinderen konden doorgeven, is in veel voormalige middenstandsgezinnen uitgegroeid tot een flink vermogen. Ze waren als het gist dat het deeg van economische bloei en individuele vlijt deed rijzen. Vandaag worden daarentegen gelijk de koeken nagelaten.
De Bewegunsstiftung deelt geen brood uit, maar helpt het gist rijzen
In plaats van die gewoon op te eten zouden erfgenamen via de Bewegungsstiftung ook iets heel nieuws kunnen bakken. In 2002 stichtten Christoph Bautz en Jörg Rohwedder met kennissen deze stichting op met een startkapitaal van 250.000 euro. Inmiddels hebben via de stichting bijna tweehonderd mensen ettelijke miljoenen euro in diverse projecten geïnvesteerd. Bijvoorbeeld in de Seebrücke (project voor het redden van bootvluchtelingen), in meer sociale woningbouw en in meer verplegend personeel in ziekenhuizen. Het verschil met andere liefdadigheidsprojecten: de Bewegungsstiftung ondersteunt uitsluitend projecten die maatschappelijke verandering bevorderen. Zij deelt geen brood uit, maar helpt het gist rijzen.
Een ander idee is om op z’n minst een deel van de enorme nalatenschap (weet u het nog: 400 miljard euro per jaar) rechtvaardiger te verdelen. Dat vergt een hogere successiebelasting, een hogere vermogensheffing, logisch. Maar dan moeten die gelden niet simpelweg naar de rijksbegroting vloeien, maar direct weer worden uitgekeerd: als startkapitaal voor iedereen die meerderjarig wordt. ‘Sociale nalatenschap’, noemt Julia Friedrichs dit voorstel van liberale wetenschappers in haar boek; het zou een soort gist zijn voor iedereen. Mij spreekt dit idee het meeste aan en als het ministerie van Financiën daartoe een rekening zou openen, zou ik wel wat overmaken.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.